-ocr page 1-
fór.jftrjnc /o
-ocr page 2-
-ocr page 3-
ENKELE GREPEN
«
UIT DE
SCHOOLHYGIÈNE
DOOK
H. TAN KREIL,
Leeraar aan de R. H. B. School
TE
UTRECHT.
AMERSFOORT,
G. J. SLOTHOUWER,
1895.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
L S!
Reeds te lang en te veel is de schoolhygiène verzuimd. Eert en-
kele stelling van deze werd dikwijls liet uitgangspunt van vele
vellen druks en geschrijfs met niet het minste praktisch nuttige
gevolg.
Deze bladzijden kunnen er veel toe bijdragen, om gezonde be-
grippen aangaande de lichamelijke opvoeding der kinderen te
verspreiden.
En al kan een voordracht nooit een volledige handleiding zijn,
toch wordt op een paar groote wonden in de physische schoolop-
voeding de vinger gelegd en, naar het mij voorkomt, goede middelen
aangegeven, zooal niet tot volkomen genezing, dan toch tot zooveel
verbetering, dat alle Hoofden van Scholen er de proef mede moesten
nemen; de kindereu en hun physische opvoeding kunnen er niet
anders dan bij winnen.
y>De dokter moet dus in school komen! Ja, dat zou het ideaal zijn."
Deze woorden moet een ieder onderschrijven, evenzoo dat de a.s.
onderwijzer moet worden onderwezen in de grondbeginselen der
schoolhygiène.
Doch zoover zijn ivij nog niet. In den tijd, die nog tot de ver-
wezenlijking hiervan verloopt, kannen deze bladzijden zeer nuttig
werken. Dat zij in vele handen komen, om dit doel te bereiken
is de wensch van
J. A. VRIJHEID,
Utrecht, Juli \'95.
                                                    Arts.
-ocr page 6-
VOORBERICHT.
Den iSden der vorige maand hield ik, in de Gewestelijke
Vergadering van het N. O. G., Provincie Utrecht, een inleiding
over venkele grepen uit de schoolhygiène."
Een der leden vond de gegeven wenken en opmerkingen
belangrijk genoeg om het Bestuur voor te stellen, mij uit te
noodigen het gelezene in druk te laten verschijnen, opdat het in
ruimer kring bekend zou kunnen worden.
Aan dit verlangen heb ik voldaan.
Moge mijn moeite beloond worden met een toepassing, zoo
niet van alles, dan toch van veel uit hetgeen ik heb aangeprezen.
Juli \'95.
H. v. K.
-ocr page 7-
INLEIDING.
Kinderen opvoeden is zeker een van de meest verheven roe-
pingen. Verheven is zij, wanneer de taak in haren geheelen
omvang wordt opgevat; verheven, wanneer zij werkelijk den naam
van opvoeden mag dragen; wanneer door de samenwerking van
alle omstandigheden en maatregelen, het kind zich alzijdig ont-
wikkelt, flinker, beter wordt.
Noemt hij zich een opvoeder, die zijne krachten enkel wijdt aan
de geestelijke ontwikkeling van den jeugdigen mensch, dan past
hem evenmin die naam als dengene, die zich uitsluitend met de
lichamelijke ontwikkeling onledig houdt; beiden dragen slechts
een deel der taak, want niet een geest, ook niet slechts een
lichaam moet worden opgevoed, doch een mensch.
              >
Het is de plicht van den opvoeder, om, met alle middelen, •
welke hem ten dienste staan, te zorgen voor de lichamelijke, zoowel
als voor de geestelijke belangen der kleinen.
Gelukkig hij, die aan \'t einde van zijn streven op resultaten
kan wijzen, welke door den veelzijdigen proefsteen getoetst kun-
nen worden. De zoogenaamde opvoeder, die bij zekeren eindpaal
gekomen, kan wijzen op voorbeeldige resultaten op intellectueel
gebied, moge tevreden zijn over zijne bemoeiingen....., zoo men
hem verwijten kan, dat hij in andere opzichten de zorg voor
zijne discipelen heeft verwaarloosd, is hij den naam van opvoeder
onwaardig.
Van dit standpunt beschouwd, vraag ik. hoeveel onderwijzers
zijn opvoeders?
Beslist niet diegenen, die slechts een open oog hebben voor
de geestelijke ontwikkeling en blind zijn voor de rest.
Wijten wij dit hun evenwel niet, wel der richting, waarin zij
zich moeten bewegen.
-ocr page 8-
6
Men vraagt thans niet genoeg, wat is \'t best voor het kind,
doch bijna alleen, op welke wijze kan men het kind het gemak-
kelijkst geestelijk opvoeren.
Meer en meer wordt de; twijfel gevoed of de opvoeding wel in
de gewonschte richting wordt geleid, d. w. z. in eene niet schade-
lijke
en practische.
Bij den dag worden er meer pennen in beweging gebracht,
om aan te toonen, dat de bakens verplaatst moeten worden.
Vooral van medische zijde wordt er steeds krachtiger op aan-
gedrongen, dat men de kinderen geestelijk niet moet overladen,
dat de zorg voor het lichaam meer op den voorgrond moet komen,
dat het thans vigeerende stelsel eenzijdig is; dat de physische en
psychische ontwikkeling in nauw verband met elkaar staan en
niet ongestraft gescheiden kunnen worden.
Een heftige strijd is gevoerd tusschen paedagogen en medici.
Jammer, dat in den aanvang beide partijen zich niet wisten
vrij te houden van eenzijdigheid.
Het groote voordeel van den strijd was echter, dat langzamer-
hand meer bezadigde mannen aan weerszijden zich de zaak ge-
meenschappclijk aantrokken, en medici en schoolautoriteiten
zochten naar een beteren weg.
Zoo moet het ook.
Noch de paedagoog, noch de medicus moet alleen aan\'t woord zijn.
Gaan beide samen in het gemeenschappelijk werkplan, n.1. de
jeugd op te voeden in den waren zin des woords, dus intellec-
tueele ontwikkeling aan te brengen zoodat het lichaam daarvan
niet alleen geen nadeel ondervindt, doch ook tot betere ontwik-
keling komt, dan zijn de schoonste vruchten te wachten; dan
moet er een tijd komen, dat de school niet zooals thans, oor-
zaak is van veel onheil, dat de school moet beschouwd worden
als een noodzakelijk kwaad.
De dokter moet dus in de school komen!
Ja, dat zou het ideaal zijn!
Niet een enkele maal per jaar, neen dikwijls, wekelijks, dage-
lijks. Die medicus, die bizondere studie van de hygiëne heeft
gemaakt, is de aangewezen man om te waken tegen alles, wat
het kind lichamelijk schaadt en te zoigen voor alles, wat goed is
voor het lichaam.
Jammer, dat de praktische bezwaren zoo luid medespreken.
-ocr page 9-
7
p]en medicus, die praktijk heeft, kan zulk een taak moeielijk
op zich nemen; deze zal zijn tijd moeten verdeelen tusschen
zijne patiënten en de school, en daar de eersten in den regel
velen zijn en directe hulp behoeven, zal het dikwijls gebeuren,
dat de school er bij inschiet.
Wil het aanstellen van schoolartsen aan het doel beantwoor-
den, dan moeten er medici benoemd worden, wier eenige bezig-
heid het is, voor de belangen der schoolkinderen te zorgen: de
gemeenten moeten dan zulk een medicus zoo hoog salarieeren,
dat hij naar zijn stand goed kan leven.
Doch vanwaar moet het geld komen?
Dit is nu juist het bezwaar, dat zoo luid spreekt. Ik durf
voorspellen, dat wij in deze nooit den idealen toestand zullen beleven.
Toch moeten de lichamelijke belangen der kinderen behartigd
worden; er moet wat worden gedaan.
Wellicht is de raad, door Dr. Catharine van Tusschenbroek het
vorige jaar gegeven, eene oplossing in de tegenwoordige omstan-
digheden.
Zij verdeelde de taak van den schoolarts in tweeën, in een
medisch en een hygiënisch gedeelte.
Het spreekt van zelf, dat het eerste geheel in handen van den
medicus moet blijven; het tweede evenwel wil zij den onderwij-
zer zien toevertrouwd.
Deze, die altijd met zijne leerlingen is, kan beter zorgen voor
het lichamelijk heil der kleinen, dan de dokter, die niet voort-
durend
dezelfde kinderen kan gadeslaan.
Dr. Tusschenbroek wil daarom, dat bij de opleiding van den
onderwijzer ook die wetenschap wordt aangebracht, welke noodig
is,, om die taak te kunnen overnemen; zij wil, dat de onderwij-
zers in spe kennis maken met de grondbeginselen der school-
hygiène.
Zoolang we niet iets beters hebben, komt het mij ook voor
dat dit in de gegeven omstandigheden de beste weg is.
Komt het er toe, dat ieder, die examen aflegt voor onderwijzer,
ook blijk moet geven, dat hem de lichamelijke zorg voor de kin-
deren kan worden toevertrouwd, dan zal dit den kinderen der
toekomst ten goede komen.
Onze tegenwoordige schooljeugd vraagt echter zóó dringend
om maatregelen ter voorkoming van veel kwaads.
-ocr page 10-
8
In hoeveel opzichten werkt de school niet negatief op de
opvoeding!
Hoeveel nadeelen kleven niet aan het schoolleven, nadeelen,
welke, zoo men er zich van bewust is, met goeden wil en geringe
moeite gemakkelijk weggenomen kunnen worden.
Op enkele dier nadeelen, wil ik heden wijzen. Verwacht dus
niet eene beschouwing over alles, wat tot de schoolhygiène
beboort, dit zou ondoenlijk zijn op een achtermiddag.
Ik laat schoolbouw en meer zaken, die door den onderwijzer
niet te veranderen zijn, rusten, en zal alleen dat bespreken, wat
in de hand van den onderwijzer ligt om te veranderen, te ver-
beteren.
In de eerste plaats kom ik dan tot de
HOUDING BIJ HET ZITTEN.
Hierbij kan de onderwijzer alles doen, en wanneer hij zich
bewust is van de nadeelen, die hij in de hand werkt, wanneer
hij de kinderen laat zitten zoo zij willen, dan zal \'t gevoel der
verantwoordelijkheid hem dwingen voortdurend open oogen te
hebben voor de houding der kinderen, die hem zijn toevertrouwd.
bit een slechte houding ontstaat niet alleen slechts een
kromme rug, maar zij leidt ook tot kortzichtigheid en zet de deur
wijd open voor tal van storingen van bloedsomloop, ademhaling
en spijsvertering.
Behoudens enkele uitzonderingen kan men zeggen, dat de
houding van het kind in de bank slecht is.
De oorzaken hiervan zijn in de eerste plaats de bank en het
langdurige, aanhoudende zitten, en ten andere zeer dikwijls de
onbekendheid van den onderwijzer met het nadeel van slecht
zitten en de groote waarde van goed zitten.
Aan de bank kan de onderwijzer niets veranderen; hij moet
zich tevreden stellen met het meubilair, dat hij in zijn school
vindt.
Verkeert hij in de gelukkige omstandigheid, dat hij banken van
verschillende afmetingen en met verschuifbaar blad in zijn lokaal
aantreft, dan kan hij veel slecht zitten voorkomen, door de lcer-
lingen op banken te plaatsen met afmetingen overeenkomstig
hunne lichaamsmaten.
-ocr page 11-
9
Zonder in details te treden, kan men zeer goed aangeven, hoe
een passende bank moet zijn:
4. Het zitvlak moet zoo breed zijn, dat het kind niet slechts
met zijn billen, doch ook met den onderkant van zijn dijen
daarop rust; de voorrand moet bijna tot de kniekuilen
reiken.
2.      De hoogte van het zitvlak is dan goed, wanneer het kind,
bij loodrecht hangende onderbeenen, met de geheele voetzool
op den grond of de voetenplank rust.
3.      Het zitvlak moet naar de leuning hellen, of eenigszins uit-
gehold zijn, opdat het kind niet naar den voorrand glijde.
4.      De leuning moet den vorm van den rug hebben en behoeft
slechts even boven de lendenkolom te reiken; de rechte
leuning is dus te verwerpen, omdat zij niet in de lendenen
drukt.
5.      De hoogte van de tafel is afhankelijk van de hoogte van het
zitvlak. Zoo de leerling rechtop zit, moet hij de onderarmen
op tafel kunnen leggen, zonder dat de schouders eenige
standverandering ondergaan. Is de tafel hooger of lager,
dan moet het kind één of beide schouders heffen of laten
dalen, en scheef zitten is daarvan het noodzakelijke gevolg.
De afstand van het zitvlak en den voorrand van de tafel
moet dus gelijk zijn aan den afstand tusschen zitvlak en de
ellebogen van de aangesloten armen.
6.      De tafel moet minstens een breedte hebben van 40 c.M. en
een neiging hebben van 1 : ö.
7.      De kniëen mogen niet tegen den onderkant der tafel druk-
ken.
8.      De distantie moet veranderlijk zijn en wel zóó, dat bij het
zitten een minus distantie van 3—5 c.M. en voor het vrij-
staan in de bank een plus distantie van 8 a 10 c.M. kan
verkregen worden.
Voldoet een bank aan genoemde eischen, dan moet men van
de leerlingen verlangen, dat zij daarin (joed zitten.
Wat is goed zitten?
Hoe moet de lichaamshouding bij het zitten zijn, opdat daaruit
geen nadeelige gevolgen geboren worden\'?
-ocr page 12-
10
IJet bovenlijf moet rechtop worden gehouden en wel zóó,
dat het onderste gedeelte van de ruggegraat tegen de leu-
ning drukt.
Vindt de leerling gepasten steun in zijn\' rug, dan is er
niet veel spierwerking noodig om de goede houding te blij-
ven innemen; van de spieren van den rug wordt dan weinig
inspanning geëischt.
Beantwoordt de leuning niet aan de gestelde eischen, dan
kunnen de kinderen wel een oogenblik recht zitten, b.v. op
aansporing van den onderwijzer, doch weldra wordt de vorige
slechte houding weer aangenomen, omdat het te vermoeiend
is zonder steun eenigen tijd recht te zitten.
De dwarse as van het lichaam moet evenwijdig loopen aan
den voorrand van de tafel.
Staan deze lijnen onder zekeren hoek, zitten de leerlingen
dus gedraaid, zooals men dit bijna altijd ziet bij schrijvende
kinderen, dan kunnen uit die houding zeer nadeelige gevol-
gen spruiten voor rug, oog en veel meer.
De borst moet een paar c.M. van den voorrand van de tafel
verwijderd blijven. Is dit niet het geval, drukken de kin-
deren met hunne borst tegen de tafel, dan moet dit op den
duur leiden tot indeuking, afplatting van de gemakkelijk
vervormbare borst, met het noodzakelijke gevolg, — druk op
de borstorganen.
Het hoofd mag niet zijwaarts gebogen en gedraaid worden.
De dwarse as van het hoofd moet, evenals die van den
romp, evenwijdig loopen met den voorrand van de tafel.
Het hoofd moet bij \'t lezen en schrijven eenigszins voor-
ovcr gebogen worden; \'t is jammer dat dit noodzakelijk is.
Wordt het hoofd niet voorover gebogen, dan zien de kin-
deren recht vooruit, dit buigen van het hoofd mag slechts
zoover geschieden, tot de oogen op het cahier of boek zijn
gericht.
Wellicht doordat hot zwaartepunt van het hoofd voor zijn
steunpunt ligt, misschien ook wel door bijziendheid, zijn de
kinderen geneigd of genoodzaakt, de vooroverbuiging verder
door te voeren dan noodig en wenschelijk is.
Geschiedt de buiging te ver, dan kan de onderwijzer dit
zien aan den ronden rug.
-ocr page 13-
11
Mét onveranderlijke rughouding kan het hoofd in de nood-
zakelijke houding gesteld worden.
5.     De onderarmen moeten beide evenver op de tafel liggen
en op gelijken afstand van den romp verwijderd zijn.
Deze houding moet natuurlijk alleen bij het schrijven
worden aangenomen.
Staat het vast, dat bovenomschreven houding de gewenschte
is, dan is al dat schrijven veroordeeld, waarbij het cahier
rechts van den leerling ligt.
6.     De voeten moeten beide op den grond of de voetenplank steu-
nen, de dijen horizontaal en de onderbeenen vertikaal zijn.
Welk schrift men den kinderen ook laat schrijven, het cahier
moet midden voor het lichaam liggen.
Uit een hygiënisch oogpunt moet de houding hij het schuine
schrift streng veroordeeld worden.
Komt men een schoollokaal binnen, waar schuin geschreven
wordt, dan zitten allen, zonder uitzondering, scheef; de een
wel is waar meer gedraaid dan de ander, doch de gewenschte
houding heeft niemand.
De linkerarm ligt verder op de tafel dan de rechter; deze
laatste? moet aan den romp gesloten blijven.
Ieder der aanwezigen kan zich gemakkelijk voorstellen, dat
reeds bij deze houding de kolom naar links gebogen wordt. Voeg
hierbij nu nog den maatregel, dien ik heb zien toepassen, n.1. dat
onder den rechteropperarm een liniaaltje moest worden gehouden,
opdat de rechterarm toch maar goed aangesloten zou blijven,
dan zal er wel niemand onder u zijn, die deze houding uit een
hygiënisch oogpunt wil verdedigen.
Gelukkig heeft zich in den laatsten tijd een krachtig streven
geopenbaard naar een ander schrift, naar een schrijfhouding,
die niet nadeclig is.
Het ligt niet in mijn plan een warm pleidooi te leveren voor
het steilschrift, noch om de bedenkingen aan te voeren, tegen
dit schrift geopperd. Er zijn onderwijzers, die niet aan het steil-
schrift willen beginnen, misschien omdat zij gehecht zijn aan het
oude, schuine.
Anderen hehben de proef genomen en zijn weer tot het schuine
schrift bekeerd, omdat het steilschrift hun niet beviel en de hou-
-ocr page 14-
12
ding der kinderen toch ook niet veel beter was dan de vroegere.
Deze laatste groep van onderwijzers wenschte ik wel te vragen:
Met welke klasse heeft u de proef genomen?
Toch niet met eene middelste of hoogste klasse?
Het ligt voor de hand, dat in dit geval de proef moest mislukken.
Kinderen, die sinds enkele jaren schuin schrift hebben geschre-
ven, en dus gedurende dien tijd een gedraaide en verschoven
romphouding hebben aangenomen, kunnen zich niet zoo gemak-
kelijk schikken in een andere positie: allerlei bezwaren rijzen dan.
Een proef van een jaar is dan niet voldoende om een gegrond
oordeel uit te spreken.
Wil men steilschrift invoeren, men beginne dan met die klasse,
welke het aanvangsonderwijs in \'t schrijven geniet.
Ieder, die dit heeft gedaan, zal zich gewis verheugen over zijn
werk. Zeker is het, dat de kinderen, zoo zij niet een onberispe-
lijke schrijfhouding hebben aangenomen, zich er dan toch eene
hebben eigen gemaakt, die verreweg te verkiezen is boven de
ingezakte en verdraaide bij \'t schuine schrift.
De onderwijzer zorge er vooral voor, dat de kinderen nooit
met de beenen over elkaar zitten; behalve dat die slechte ge-
woonte tot onanie leidt, staat bij deze wijze van zitten ook altijd
het bekken scheef; is het rechter been over het linker gekruist,
dan zit de leerling meer op de linkerbil, dus is de rechter helft
van het bekken geheven, en deze schuine stand van het bekken
heeft noodzakelijk verkromming van de wervelkolom ten gevolge.
De onderwijzer lette er ook op, dat de meisjes niet altijd aan
dezelfde zijde in de bank schuiven. In dit geval stapelen zich
japon en rokken onder één zithelft en het bekken staat scheef,
zoolang de meisjes zitten.
Men gewenne haar uit de staande houding voor hare zitplaat-
sen de zittende aantenemen, iets, dat gemakkelijk gaat bij ban-
ken met veranderlijke distantie.
"Wordt de zittende houding op bovenbedoelde wijze aangeno-
men, dan hangen japon en rokken recht naar beneden, en zullen
bij het zitten over het geheele zitvlak regelmatig verdeeld worden.
Gelukkig bezit Nederland veel scholen, gemeubileerd met ban-
ken, waarin een goede houding gedurende ecnigen tijd aange-
nomen kan worden.
-ocr page 15-
13
Hoeveel kinderen zijn er echter niet gedoemd 5 uur per dag
te zitten op een bank, waarop goed en gemakkelijk zitten on-
mogelijk is!
Vooral op het platteland ziet het er in dit opzicht niet roos-
kleurig uit.
Ik kan mij voorstellen, dat gemeentebesturen, niet altijd door-
drongen van het noodzakelijke van een goede schoolbank, er
niet toe overgaan, nieuwe, betere banken aan te schatten, zoo-
lang de oude nog te gebruiken zijn, d. w. z. zoolang ze nog niet
in elkaar zakken.
Minder goed kan ik mij verklaren, hoe het onmogelijk is, dat
er in den tegenwoordigen tijd nog banken gemaakt worden, dus
nieuw aangeschaft, die, wat bouw en inrichting betreft, ongeveer
25 jaar ten achteren zijn. In de Paaschvacantie zag ik op een
dorp in onze provincie, bij den schilder nieuwe banken met
een plus distantie van 4% a 2 d.M; het tafelblad niet verschuif-
baar, de leuning was te zoeken.
\'t Is wel treurig, dat in onzen tijd nog zulke banken worden
vervaardigd.
Geen onzer, dus zeker geen scholier, is in staat op zulk een
bank gedurende een schooltijd dragelijk te zitten.
Komen de kinderen pas ter school, dan zitten ze wellicht het
eerste kwartier goed, doch na dien tijd treedt vermoeienis op in
de rugspieren en het kind zoekt naar meer steunpunten.
Met ronden rug en bijgevolg platte borst verplaatst het kind
zijn romp naar voren en steunt met een of beide ellebogen op
de tafel.
Dat deze houding, zoo herhaald en voortdurend aangenomen
zoo niet tot verkromming dan zeker tot ademhalingsstoornissen
en tot zwakke verrichtingen van de digestie-organen moet leiden,
behoeft geen betoog.
Voldoet een bank aan de gestelde eischen en zitten de leer-
lingen daarin niet goed, dan ligt dit, zooals reeds is gezegd aan
de houding, die aangenomen moet worden, wanneer het schrift
rechts van den leerling ligt.
Schrijven de kinderen niet en zitten ze dan toch slecht, dan
moet dit geweten worden aan het te lang achtereen zitten.
Vele onderwijzers trachten de houding te verbeteren door de
armen voor de borst te laten kruisen.
-ocr page 16-
14
Men bedenke hierbij, dat tijdens dit zitten de ademhaling
wordt belemmerd.
Anderen meenen wel te doen, zoo zij de kinderen met dn armen
op den rug laten zitten.
Bedenken wij hierbij, dat de rug dan zijn leuning mist, en reeds
daardoor alleen deze houding niet is aan te bevelen; bovendien
heeft deze wijze van zitten nog het groote nadeel, dat de kin-
deren zitten met den buik vooruit en holle lendenen; uit deze
wijze van zitten kan een zadelrug ontstaan.
Zelfs in de beste bank is het niet mogelijk 3 uur aaneen
onschadelijk te zitten.
Niet het zitten, doch het aanhoudend zitten is de fout.
Is de houding een oogenblik foutief, dan zal daaruit nog geen
nadeel ontstaan, wanneer ze maar spoedig wordt afgewisseld
door een andere, die normaal of het spiegelbeeld van de vorige is.
In den regel geschiedt dit niet; men zal in de meeste gevallen
ieder kind altijd in dezelfde slechte houding zien.
Het zou met het oog hierop zeer wenschelijk zijn, dat men
na ieder lesuur de kinderen liet opstaan, om enkele arm- ot
rompoefeningen uit te voeren.
Deze oefeningen mogen niet van dien aard zijn, dat daardoor
stof wordt opgewekt, ook niet van dien aard, dat de leerlingen
genoodzaakt worden diep te ademen. Het doel ervan mag niet
zijn, dat de opgegeven oefeningen correct worden uitgevoerd; doch
alleen, dat door iedere beweging, die de kleinen uitvoeren, het
lichaam in een andere houding komt, en vooral, dat het zitten
wordt afgewisseld met staan.
Beter nog zou ik het vinden, dat van ieder lesuur de laatste
10 min. niet aan het onderwijs werden gewijd, doch dat gedu-
rende dien tijd den kinderen verlof werd gegeven zich te draaien
en te wenden naai- hartelust.
Deze maatregel kan voor een goed onderwijzer geen bezwaren
opleveren.
Ik geef deze halve maatregelen, omdat het ware middel voor-
alsnog wel niet in toepassing zal worden gebracht.
Het ideaal zou m. i. zijn, dat van ieder uur hoogstens 50 min.
onderwijs werd gegeven en dat in den resteerenden tijd de kin-
deren hun lokaal verlieten, om gedurende die oogenblikken vrij
-ocr page 17-
15
hoen en weer te loopen op de gang of beter nog op de speelplaats.
En voor den geest, èn voor het lichaam zou dit zeer wen-
schelijk zijn.
Die schijnbaar verloren 10 min. zouden ruimschoots vergoed
worden.
Mocht het te bezwarend zijn, na ieder lesuur de kinderen
buiten het lokaal te zenden-, dat zij dan op het midden van
iederen schooltijd 20 a 30 min. het lokaal verlaten.
Deze maatregel vraagt niet alleen toepassing, opdat het aan-
houdende zitten worde onderbroken, doch hij zou leiden tot
recreatie van den geest, tot ontspanning van het oog, en tevens
gelegenheid verschaffen tot de meest volkomen veriïïssching van
het lokaal.
Toen ik onderwijzer was te Zeist, gingen alle kinderen van
lO\'/j —bijna 11 uur op de speelplaats, zomer en winter.
Ik voer dit aan om te bewijzen, dat er hoofden zijn, dio
gaarne een klein hall\' uurtje afstaan, voor het lichamelijk welzijn
der kinderen en tevens, dat die tijd wel gemist kon worden
van het lesuur.
Ieder schoolhoofd, hier aanwezig, dat evenzoo handelt, zal er
zich zeker niet over beklagen; zijne leerlingen zullen, aan\'t einde
van het schooljaar, de gewcnschte trap van ontwikkeling even
goed hebben bereikt.
Voor ik van het zitten afstap, wensch ik nogmaals te vragen,
wien onzer is het mogelijk 3 uur achtereen ijoed te zitten, zelfs
op de beste en gemakkelijkste bank?
Beslist geen!
Dat wij het dan ook niet eisenen van kinderen, dus van na-
tuurgenooten, die minder krachtig zijn dan wij; vooral niet van
de kleinen in de eerste leerjaren; dezen willen, kunnen, noch
mogen lang stilzitten.
Het is een dwaalbegrip te gelooven, dat deze kinderen met
opzet soms zoo beweeglijk zijn.
De dikwijls hinderlijke onrustigheid der kleintjes is een uiting,
die volkomen strookt met den leeftijd; zij is een natuurlijke
behoefte, en kan niet ongestraft onderdrukt worden.
Het is een hygiënische eisch, dat de duur van den schooltijd
voor kinderen van 6 a 7 jaar niet gelijk wordt gesteld met dien
van kinderen, die G a 7 jaar ouder zijn.
-ocr page 18-
16
Bij het onderwijs is men er op uit geleidelijke overgangen te
zooken, van het gemakkelijke langzaam over te gaan tot het
moeielijke; met betrekking tot het lichaam wordt tegen deze wet
grovelijk gezondigd.
Vandaag nog spelen de kinderen den ganschen dag en morgen
begint een periode, waarin ze 5 uur per dag op een soms slecht
passende bank moeten zitten.
Welk een contrast!
Waarom ook in dit geval niet gestreefd naar een geleidelijken
overgang?
Men moest de kinderen van de 1« klasse een uur later ter
schole laten komen en \'s middags % uur.
Die kleintjes zouden dan van 10—10.50 in het schoollokaal
vertoeven, van 10.50—11.10 op de speelplaats en van 11.10—12 uur
weer in het lokaal.
De middagschooltijd, dus ook \'/» uur korter dan voor de ouderen,
moest ook weer op het midden onderbroken worden met V» uur
spelen.
\'t Is waar, veel leertijd wordt dien kleinen dan ontnomen, doch
in werkelijkheid niet zooveel als \'t schijnt, want de tijd, dien de
kinderen nu op de banken zitten, wordt ook niet ten volle aan
leeren besteed.
Hoeveel van het geleerde gaat niet over \'t hoofd van die kleinen!
Waarom ?
Eenvoudig, omdat de kinderhersentjes niet zoolang ontvankelijk
kunnen blijven.
Men moge ze prikkelen, tot zich trekken door een aangename
bezigheid of b.v. door een schoon, kinderlijk verhaal, na afloop
daarvan treedt de geestelijke vermoeienis in dubbele mate in.
Het wil mij voorkomen, dat het beter is de klasse geestelijke
ontspanning te geven, door een amusant spel, dan dat te lang
kunstmatig de jeugdige hersentjes in beslag worden genomen.
Proeven hebben aangetoond, dat men in deze richting vroeger
overlaadt dan men wel vermoedt.
Het slecht zitten staat in nauw verband met
KORTZICHTIGHEID,
een gebrek, waarmede een hoog percent der scholieren is be-
hebt, en geen wonder.
-ocr page 19-
17
Wanneer men een klasse schuin schrijvende kinderen beschouwt,
moet men zich afvragen, wat toch wel het gevolg zal zijn van
zulk een verdraaide houding.
Beschouwen wij thans het nadeel hiervan voor de oogen.
De oogbol wordt, zooals bekend is, door 6 dunne, zwakke
spieren bewogen.
De bewegingen moeten in beide oogen in dezelfde richting
plaats hebben; gebeurt dit niet, dan ontstaat scheel en dubbel zien.
Omdat bedoelde spieren dun en zwak zijn, treedt spoedig ver-
moeienis in.
Heeft nu een kind bij rechtsligging van het schrift, de bekende
slechte houding aangenomen, dan moet bij die spieren, die beide
oogen naar rechts wenden, spoedig vermoeienis intreden.
Instinctmatig voorkomt het kind dit door het hoofd in een
scheeven stand te stellen, waardoor de houding natuurlijk alweer
ongunstiger wordt.
Nog een andere omstandigheid werkt nadeelig op de oogen
bij eene rechtsligging van het schrift.
Niemand met een paar gezonde oogen kan duidelijk zien op
ongelijken afstand, en dit geschiedt altijd bij dit schrijven; het
rechter oog is altijd een paar c.M. dichter bij de letters dan het
linker.
Die ongelijke afstand wordt ongeveer gelijk gemaakt door het
hoofd schuin te stellen; het rechter oog komt iets hooger, het
linker wat lager, doch een\' onnatuurlij ken stand blijven ze in-
nemen, waardoor vermoeienis ontstaat met het natuurlijk gevolg:
onduidelijk zien.
In dezen toestand worden de letters duidelijker wanneer de
afstand tusschen het schrift en de oogen kleiner wordt; men
ziet dan ook steeds, dat de kinderen hun hoofd vooroverbuigen:
kortzichtigheid is hiervan een noodwendig gevolg.
Het menschelijk oog bezit het vermogen, zonder kortzichtig te
zijn, voorwerpen zeer van nabij, doch ook in de verte te zien.
Dit vermogen, het accomodatieuenuogen, neemt af met het
klimmen der jaren.
Spiercontractie en daardoor vormverandering der lens is oor-
zaak van dit vermogen.
Bedoelde spiersamentrekking heeft nog eene nevenwerking, die
schadelijker wordt, naarmate de spier langeren tijd werkt.
-ocr page 20-
18
De spier is een kringspier, die zich aan de aderhuid hecht.
Trekt zij zich samen, dan verandert niet alleen de vorm der lens,
doch zij spant tegelijkertijd de aderhuid, waardoor het inwendige
van het oog onder hoogen druk komt.
Duurt de samentrekking slechts korten tijd, is dus het dichtbij
zien van korten duur, dan schaadt dit minder; moet het kind
echter geruimen tijd en herhaald van nabij zien, dan komen de
bloedvaten van de aderhuid evenzoo onder verhoogden druk,
waardoor de bloedstroom daar wordt tegengewerkt.
Het gevolg hiervan zal zijn: slechte voeding, en wordt een
orgaan niet goed gevoed, dan weigert het ten slotte zijn dienst.
In dezen toestand heeft de oogbol ook niet meer den normalen
vorm, doch in plaats van een ronde, een eivormige gedaante
verkregen.
Omdat kortzichtigheid zelden na het 18e jaar ontstaat en er
toch zooveel kortzichtigen zijn, mag men de oorzaak van dit
gebrek zoeken in het herhaald dichtbij zien gedurende de school-
jaren.
Door tal van specialiteiten is aangetoond, dat in de hoogste
klassen der scholen het getal kortzichtigen verreweg de over-
hand heeft boven dat van de eerste klassen, dat het getal
kortzichtigen van klasse tot klasse toeneemt, dat dus de graad
van kortzichtigheid en het getal kortzichtigen toeneemt met den
duur van het schoolleven.
Hoe dit euvel voorkomen moet worden?
In de eerste plaats door de kinderen niet te noodzaken langen
tijd achtereen dichtbij te zien, zooals dit bij het lezen uit een boek
en bij \'t schrijven het geval is, dus door afwisseling te brengen
in dichtbij en b.v. op het bord of de kaart te laten zien en ten
tweede door den duur van den schooltijd te onderbreken.
Behalve voor den rug is het ook voor de oogen noodzakelijk,
dat de kinderen na ieder lesuur 10 min. of op het midden van
den schooltijd 20 a 30 min. naar buiten gaan.
Men sta nooit toe, dat 2 kinderen uit één boek lez.en: de zorg
voor houding en oogen verbiedt dit.
Het spreekt van zelf, dat de lichtsterkte in een lokaal van
grooten invloed is op het zien.
Eerst dan heeft het kind een goede plaats, wanneer het van
-ocr page 21-
19
zijn zitplaats den hemel kan zien, het krijgt dan het licht uit de
eerste hand.
De onderwijzer dient hiermede rekening te houden hij het
plaatsen der banken.
Wil men kortzichtigheid zooveel mogelijk voorkomen, dan zorge
men er voor:
1.     dat de kinderen der eerste klasse zooveel doenlijk van \'t bord
lezen;
moet er uit een boek gelezen worden, dat men dan
vooral boeken neme, gedrukt met groote letters;
2.     dat bij het vaststellen van den rooster van werkzaamheden niet
2 lessen op elkaar volgen, waarbij de kinderen gedwongen zijn,
dichtbij te zien, dus niet lezen uit een boek na schrijven of
omgekeerd.
Na dichtbij zien moet iets volgen, waarbij de leerlingen
op grooteren afstand zien moeten, dus na schrijven, aardrijks-
kunde, waarbij naar de kaart of het bord moet worden ge-
keken ; na lezen, rekenen van het bord of uit het hoofd,
gymnastiek of spelen; de onderwijzer zorge er dus voor, dat
dichtbij en veraf zien elkaar gestadig afwisselen;
3.      dat er niet geschreven of gelezen wordt bij onvoldoende ver-
lichting.
In den winter moet de onderwijzer bijtijds kunstverlichting
aanbrengen, of hij laat werk verrichten, waarbij de oogen
niet behoeven te worden ingespannen;
4.      dat de kinderen rechtop zitten, ook bij \'t lezen en schrijven;
5.      dat kinderen, die reeds kortzichtig zijn, een plaats krijgen
in de voorste banken, opdat ze ook op bord of kaart kun-
nen zien;
6.     dat het licht van links invalle, opdat er geen schaduwen het
geschrevene bedekken;
7.      dat de kinderen bij het schrijven op de lei van een goede
griffel zijn voorzien — niet te hard — en dat de lei nooit
vet is. Op vette leien wordt dof geschreven, waardoor de
kinderen zich voorover moeten buigen, om te zien wat en
hoe ze hebben geschreven; het gevolg van dit vooroverbuigen
van hoofd en romp moet kortzichtigheid zijn;
8.     dat de kinderen zoo spoedig mogelijk met de pen op papier
schrijven.
-ocr page 22-
20
Niet alleen voor de oogen is dit wenschelijk, doch ook
voor de hand en de houding.
\'t Is toch bekend, dat grooter kracht voor \'t schrijven met
de griffel moet worden aangewend dan voor dat met de pen;
9.     dat de gelinieerde schriften zoo spoedig mogelijk van de
baan worden geschoven, omdat het schrijven op lijnen groote
inspanning van de oogen vordert.
Men make nooit gebruik van zoogenaamde transparanten:
de lijnen, die door het papier schijnen, worden niet scherp
aangegeven, waardoor de taak voor de oogen zeer moeielijk
wordt;
10.   dat de kinderen niet gedurende het geheele jaar op dezelfde
plaats zitten; worden zij niet van tijd tot tijd verplaatst,
dan moeten b. v. degenen, die aan de rechterzijde van de
klasse zitten, steeds hun hoofd en oogen naar links wen-
den om naar bord of kaart te zien of naar den onderwijzer,
die zich meestentijds vóór de klasse bevindt.
Een zeer gewichtige taak, die bijna geheel op den onderwijzer
rust, is de zorg voor de
VERFR1SSCHING DER SCHOOLLUCHT.
Waar veel menschen in gesloten ruimte geruimen tijd bij
elkaar zijn, dus ook in een schoollokaal, wordt de lucht geleide-
lijk minder goed, ten slotte slecht en daardoor zeer nadeelig,
zelfs gevaarlijk voor de gezondheid; de lucht wordt benauwd,
drukkend.
Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat kinderen, door hoofdpijn
gekweld, niet in staat zijn het onderwijs te volgen.
In de meeste gevallen is frfcsche lucht het geneesmiddel voor
dit voorbijgaande ziektegeval; nadat de kinderen een kwartier
buiten zijn geweest, keeren ze in den regel terug in meer opge-
wekte stemming.
Verlaat een kind om bovengenoemde reden het lokaal, dan is dit
meestentijds voor den onderwijzer het signaal, dat de schoollucht
van bedenkelijk gehalte is.
Omdat de lucht langzamerhand slechter wordt, bemerkt de
onderwijzer dit niet, evenmin als de kinderen dit gewaar worden.
-ocr page 23-
21
Men moet uit een ruimte komen met zuivere lucht, om te
kunnen constateeren, dat het elders niet deugt.
Wenschelijk zou het daarom zijn, dat de onderwijzer zich van
tijd tot tijd even buiten het lokaal begaf, — niet in een ander
schoollokaal, doch buiten of in een frissche gang, — opdat hij
dan met zekerheid zou kunnen oordeelen over den toestand van
de lucht in zijn lokaal.
Waardoor het luchtgehalte een verandering ondergaat, is een
algemeen bekend feit: het geschiedt door de longen- en huid-
ademing.
Door de longademing wordt het zuurstofgehalte der school-
lucht minder en de kool- en waterstofspanning hooger, terwijl
door de huidfunctie eveneens water en koolzuur wordt afgegeven.
Ook worden organische stoffen afgestaan en bovendien, b.v.
door de huid, stinkende vetzuren.
Die onaangename, soms walgelijke lucht, die men kan waar-
nemen in lokalen, waar veel menschen bijeen zijn en niet voor
krachtige ventilatie gezorgd kan worden, is niet te wijten aan
de hoogere koolzuur-, stikstof- en waterdampspanning, wel aan
de aanwezigheid van organische stoffen.
Helaas valt langs zintuigelij ken weg niet waar te nemen, hoe
het b.v. met het koolzuurgehalte van de schoollucht is gesteld,
en juist dit gas werkt, bij hooger gehalte dan het in de atmos-
pherische lucht voorkomt, zoo hoogst nadeelig, dikwijls gevaarlijk.
Prof. Reclam zegt, wanneer 20°\'o van de lucht, waarin wij ons
bevinden, koolzuur was, zouden wij na drie minuten dood zijn;
wanneer 5—10°/o der lucht uit koolzuur bestond, dan zou weldra
ongeschiktheid tot denken, hoofdpijn, duizeligheid, bewusteloos-
heid intreden; geringere hoeveelheid wekt bloedarmoede, bleek-
zucht.
Dat de koolzuurspanning in een ruimte, waar veel menschen
bij elkaar zijn, spoedig een bedenkelijke hoogte moet hebben
verkregen, valt te constateeren uit het feit, dat de zuivere lucht,
die wij inademen, slechts 5/ioo percent koolzuur bevat en de uit-
geademde 4% percent.
Nemen wij hierbij in aanmerking, dat een kind ongeveer 20
maal in de minuut ademt en dat er in een lokaal minstens 40
kinderen zitten, dan ligt het voor de hand, dat b. v. na een
uur het koolzuurgehalte een gevaarlijke hoogte zal hebben bereikt.
-ocr page 24-
22
In het regenseizoen vooral, is de lucht in het scboolvertrek
soms zeer hinderlijk.
Men zorge er dan vooral voor, dat de natte kleederen buiten
het lokaal worden opgehangen.
Gelukkig kunnen de Nederlandsche onderwijzers, — voor het
grootste gedeelte ten minste, — zich verheugen in de omstandig-
heid, dat zij onderwijs geven in een lokaal, waar op de eene of
andere wijze geventileerd kan worden.
Bovendien vindt men in ieder vertrek de zoogenaamde natuur-
lijke ventilatie,
dat is die, waarbij gaswisseling plaats heeït door
kieren en poriën.
Hoeveel ventilatiestelsels wel zijn bedacht en toegepast, valt
moeielijk te bepalen; gemakkelijker valt het vast te stellen, dat
voor scholen geen systeem in alle opzichten voldoet, zelfs niet
met ondersteuning van de natuurlijke ventilatie.
Ik ken zeer modern ingerichte scholen, — waar een ventilatie-
inrichting dus niet ontbreekt, -— waai\' het aantal kinderen in ieder
lokaal niet groot is, en toch.......wanneer men daar op
het midden van een\' schooltijd een lokaaldeur opent, stroomt
U een benauwende, soms ondragelijke lucht te gemoet.
De schoolhoofden, die geen eigen klasse hebben, dus dikwijls
in de gelegenheid zijn van buiten of uit de frissche gang, een
lokaal binnen te treden, zullen, dunkt mij, gaarne deze bewering
willen onderschrijven.
Mogen wij veronderstellen, dat de schoollucht 1% uur nadat
de kinderen het lokaal zijn binnengetreden, zoo niet bedorven,
dan toch zeer rijk aan nadeelige gassen en organische stof-
fen is, dan ligt het voor de hand, dat een langer verblijf in die
ruimte nadeelig moet werken èn op de gezondheid èn op de
werkkracht der kinderen.
Deuren en ramen tegen elkaar openzetten, zou een zeer afdoend
middel zijn om de schoollucht te ververschen, doch hieraan zijn
zulke groote nadeelen verbonden, — kouvatten van hen, die tus-
schen de openingen, dus in den tocht zitten, — dat dit middel
niet of zelden mag worden toegepast.
Een alleszins afdoend middel staat den onderwijzer ten dienste,
n.1. dat hij op het midden van iederen sehooltijd alle lokalen
laat ontruimen, dat hij de geheele school gedurende 20 a 30
minuten naar buiten laat gaan.
-ocr page 25-
23
Worden in dien tijd deuren en ramen tegen elkaar openge-
zet, dan zal de schoollucht bij het binnenkomen gelijk zijn ge-
worden aan de atmospherische lucht, en zonder nadeel voor de
gezondheid zullen de kinderen het restant van den schooltijd
weer binnen de muren kunnen doorbrengen. \'
Èn voor het luchtgehalte, èn voor het onderbreken van het
zitten, èn voor de oogen, èn voor de geestelijke ontspanning roept
deze maatregel om toepassing.
Mij dunkt, ik hoor U zoo in stilte allerlei tegenwerpingen ma-
ken.
Mijnheer A. zegt: zoo er van eiken schooltijd een klein half
uur af moet, dan kom ik met mijn onderwijs niet waar ik moet
zijn.
Daarop antwoord ik: neem de proef!
U weet toch, dat kinderen onmogelijk 3 uur aaneen frisch
kunnen werken; van het onderwijs in het laatste uur kunt U
niet veel verwachten.
Welnu, neem dan van elke les zooveel af, dat er op de 3 uur
een half uurtje wordt vrijgemaakt; gij zijt er zeker van, dat na
dien speeltijd de kinderen weer met frisschen moed aan \'t werk
tijgen; ook het onderwijs, dat in \'t laatst van den schooltijd ge-
geven wordt, zal door dezen maatregel gebaat zijn.
Mijnheer A. vergete vooral niet, dat de som van liet geleerde
niet evenredig is aan den tijd, daaraan besteed.
Mijnheer B. werpt mij tegen, dat hij niet gedurende het ge-
heele jaar met de kinderen naar buiten kan gaan, omdat er
dagen zijn, waarop het weer dit niet toelaat.
Dien antwoord ik : doe het dan wanneer het wel mogelijk is,
dan wordt er tenminste gedaan wat kan.
Bezit de school een gymnastieklokaal of overdekte speelplaats,
dan mag het weer nooit oorzaak zijn, dat de kinderen in de
klasse moeten blijven.
Mijnheer C. beklaagt zich, dat hij geen speelplaats heeft.
Dit is zeker jammer. In ons land moest er geen school bestaan
zonder speelplaats.
Voor Mijnheer C. het volgend advies:
Stel Uwe kinderen 4 aan 4 op en maak dan een wandeling
in den omtrek van Uw school.
Dit moge in de eerste 14 dagen vreemd zijn, na dien tijd is
-ocr page 26-
24
het èn voor den onderwijzer, èn voor de kinderen, èn voor de
mensehen een gewone zaak, die beslist iederen dag weer terug-
komt.
Wellicht worden er nog meer bezwaren geopperd, doch mijn
algemeen antwoord op alles, wat komen kan, is: met goeden
wil en plichtsbesef kan veel, zoo niet alles.
Ik heb reeds gezegd, dat zoodra de kinderen het lokaal heb-
ben verlaten, alle deuren en ramen moeten worden opengezet.
Dit geldt niet alleen voor het oogenblik onder de schooltijden,
waarin de kinderen op de speelplaats of buiten zijn, doch ook
voor de uren tusschen de schooltijden, zoo mogelijk ook \'s nachts.
In den winter, wanneer de kachel brandt, wordt het lokaal,
korten tijd voor de schoolklok luidt, gesloten, opdat de tempe-
ratuur binnen hooger zij dan buiten.
De gewoonte dus, om, nadat de kinderen de school hebben
verlaten, deuren en ramen gesloten te houden, opdat de tempe-
ratuur in het lokaal hoog blijve, verdient de strengste afkeuring.
Hiermede heb ik afgehandeld, wat ik over de 3 onderwerpen
wenschte in \'t midden te brengen. Ik hoop van ganscher harte,
dat mijne beschouwingen mogen leiden tot beter zorgvoor de
schoolkinderen.
Dat er veel bedenkingen zullen worden aangevoerd, is zeker,
en gaarne neem ik de taak op mij, om te weerleggen, al wat
tegen mijne beweringen zal worden ingebracht.
Welk een tal van bezwaren werden niet aangevoerd tegen de
afschaffing van den slavenhandel, en toch begon men sinds lang
een einde te maken aan dit schandelijk bedrijf.
Een zaak, die goed is, moet slagen.
Mogen wij bedenken, dat wij niet alleen voor de intellectueele
ontwikkeling moeten zorgen, doch ook tegen lichamelijk nadeel
waken; dat wij niet alleen geestelijk voedsel moeten aanbrengen,
doch ook aansprakelijk zijn voor het nadeel, dat wij den kinderen
in hun gezondheid berokkenen.
Utkecht, Juli \'95.
H. VAN KREEL.