-ocr page 1-
óh./
\'ff.
.zzir /z.
I
|i:Hl|i!|li|l!l\'tllHli|lir:ili|iil!i|iil.l
■■■■•■■■■■■■■■■■■■
eJJ :
w\\W\\
VOORSCHRIFTEN
BETREFFENDE
DE OPRICHTING
RESERVEKADER
r ■■■
UTJ5ECHT,
J. G. BROSSE.
1895.
~$ÉÈm
■ iii <i 1111111111111111111111 ii ii i mi i ■ 1111111111111111111111111111111111111111111111111
-ocr page 2-
-
- •■ \'
■< ■
•
" .
-ocr page 3-
VOORSCHRIFTEN
1SETREFFENDE
DE OPRICHTING VAN HET RESERVEKADER.
-ocr page 4-
ïyi>. J van Boekhovkk, Utrecht.
-ocr page 5-
BEKNOPT OVERZICHT
DEB
OPLEIDING BIJ HET RESERVEKADER
INSTELLING.
UTHECHT,
J. G. BROES E.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Voorschriften betreffende de oprichting
van het Reservekader.
A.. Koninklijk besluit van 29 Septem-
ber 1893, n°. 5, zooals dat is ge-
wijzigd en aangevuld bij Koninklijk
besluit van 3 September 1894, n°. 64-.
Oprichting mn het resercekader.
In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de
Gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van
ORANJE-NASSAU ENZ,, ENZ., ENZ.
Wij EMMA, Koningin-Weduwe, Eegentes van het
Koninkrijk ;
Op de voordracht van den Minister van Oorlog van 29 Juli 1893,
Kabinet, lit. X38;
Gezien liet nader rapport van voornoemden Minister van 27 Sep-
tember 1893, Kabinet, lit. V4";
Overwegende, dat het wensohelijk is, wegens de behoefte in
oorlogstijd aan kader, inzonderheid voor de schutterijen, ook op
andere wijze dan door opleiding van militiekader, reservekader
te vormen;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Artikel 1.
Ah proefneming wordt voor het wapen der infanterie en dat
der artillerie reservekader opgeleid uit de vrijwilligers, aangenomen
ingevolge artikel 4 van dit besluit.
Art. 2.
Het reservekader bestaat uit:
adspiranten-vnandrigs;
reserve-korporaals;
reserve-onderofticieren, en
vaandrigs.
-ocr page 8-
4
Art. 3.
De vaandrig heeft eenen graad, onmiddellijk beneden den rang
van tweede luitenant en is, voor wat liet pensioen aangaat, gelijk-
gesteld met de betrekking van hoofdopzichter van fortificatiën.
Art. 4.
Bij de door den Minister van Oorlog aan te wijzen regimenten
der infanterie en der vesting-artillerie, of onderdeelen daarvan,
kan een door dien Minister te bepalen aantal vrijwilligers voor
liet reservekader, als adspirant-vaandrig, worden aangenomen.
Art. 5.
Hij die tot het reservekader behoort, wordt gevoerd boven de
sterkte van het korps.
Onder de wapenen dient hij in den regel te gelijk met, en
behoudens de uitzonderingen, vermeld in de artikelen 25—28, op
dezelfde wijze als de overige vrijwilligers bij het leger.
Art. 6.
Ter zake van de toelating van vrijwilligers voor het reservekader
wordt aanbrenggeld noch engagementspremie genoten.
Art. 7.
Om als vrijwilliger voor het reservekader te worden toegelaten
mag men niet jonger dan 17 en niet ouder dan 24 jaar zijn.
Voorts moet men:
a. ongehuwd wezen;
(>. ingezeten zijn van het Rijk, overeenkomstig artikel 15 der
wet van 19 Augustus 1861 {Staatsblad n°. 72), betrekkelijk
de nationale militie;
c.    lichamelijk geschikt zijn voor den krijgsdienst bij de militie;
d.   overleggen het bewijs, bedoeld in artikel 10 van dit besluit,
benevens de bescheiden, voor eene toelating als gewoon
vrijwilliger bij de landmacht gevorderd.
Art. 8.
Als vrijwilliger voor het reservekader wordt niet aangenomen
hij die tot de militie behoort.
Art. 9.
De vrijwilliger die tot het reservekader is toegelaten nadat hij
voor de militie is ingeschreven en die bij de militie wordt ingelijfd,
is, met den dag zijuer inlijving, ontheven van zijne vrijwillige
verbintenis en alzoo gehouden zijn dienst bij de militie te volbrengen.
-ocr page 9-
5
Art 10.
Het bewijs, in artikel 7, tweede lid, onder d genoemd, wordt
uitgereikt aan hem, die met goed gevolg een examen heeft afgelegd,
dat zich uitstrekt over:
a.   de Nederlandsche taal;
b.    de Fransehe taal;
c.    de Hoogduitsche of de Engelsche taal;
d.   de geschiedenis;
e.    de aardrijkskunde;
f.    de wiskunde, en
ff. den wapenhandel.
De eischen van kennis en bedrevenheid in bovengenoemde
vakken worden nader bij Koninklijk besluit vastgesteld. De wijze,
waarop van die kennis en bedrevenheid blijken moet, wordt door
den Minister van Oorlog omschreven en geregeld.
Art. 11.
Het bewijs, genoemd in artikel 10, kan, volgens nader bij het
in dat artikel bedoeld Koninklijk besluit vast te stellen regelen,
met geheele of gedeeltelijke vrijstelling van het examen in de
vakken onder a—ƒ van dat artikel bedoeld, worden uitgereikt aan
hem, van wien, als leerling of oud-leerling eener inrichting van
openbaar of bijzonder onderwijs, of wel door eenig examen, ge-
bleken is, dat hij in de vakken, waarvoor hij vrijstelling erlangt,
de kennis bezit, ingevolge meergemeld artikel gevorderd.
Vrijstelling van het afleggen van proeven van bedrevenheid in
den wapenhandel bekomt ieder die in het bezit is van een militair
ffetidffschrift, hem uitgereikt volgens regelen door den Minister
van Oorlog vastgesteld.
Art. 12.
In elke Gemeente, waar infanterie of vesting-artillerie garnizoen
houdt, kan gelegenheid worden gegeven kosteloos voorbereidend
onderricht in den wapenhandel te ontvangen en, voor zooveel de
vesting-artillerie betreft, ook in de bediening van het geschut.
Art. 13.
De vrijwilliger voor het reservekader verbindt zich:
I. voor den tijd van zes jaar ter beschikking te staan van den
Minister van Oorlog tot het vervullen van alle diensten, die, in
geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandig-
-ocr page 10-
6
heden, bedoeld bij artikel 185 der grondwet, ten aanzien van
\'slands verdediging van hem gevorderd worden;
II. a. zoolang hij minder dan 8 maanden in het leger heeft
gediend, telkens wanneer hij door den Minister van Oorlog daartoe
wordt opgeroepen, gedurende het tijdvak van 1 Mei tot 1 Ootober
ten hoogste gedurende 3 maanden onder de wapenen te komen;
b.   tot hij den graad van reserve-onderofficier heeft bereikt, deel
te nemen:
1°. aan ten hoogste 8 oefeningen per jaar van het leger, elk
van niet langer dan één dag;
2°. ter plaatse, waar hij verblijf houdt, aan de militaire oefenin-
gen, die de Minister van Oorlog hem aanwijst, ten hoogste
gedurende 6 maanden per jaar en 3 uren per week;
c.   zoo hij bevorderd wordt, hetzij tot reserve-onderofficier, hetzij
tot vaandrig, in het jaar der bevordering, of in het daarop vol-
gende, gedurende het tijdvak onder a vermeld, deel te nemen aan
de militaire oefeningen door den Minister van Oorlog aan te
wijzen, telkens voor niet langer dan zes weken.
Art. 14.
Hij die tot het reservekader behoort, is verplicht in uniform
gekleed te zijn, zoowel wanneer hij zich onder de wapenen bevindt,
als wanneer hij, zonder onder de wapenen geroepen te zijn, aan
militaire oefeningen deelneemt.
Art. 15.
Hij die tot het reservekader behoort en niet onder de wapenen
is, noch aan oefeningen deelneemt, behoeft de toestemming van
den Minister van Oorlog tot het dragen van de uniform.
Art. 16.
Hij die tot het reservekader behoort, wordt onder de wapenen
geroepen bij het korps en het onderdeel zijner keuze, voor zooveel
zulks strookt met de belangen van den dienst.
Hém kan, op do voorwaarden door of vanwege den Minister
van Oorlog gesteld, vergund worden buiten de kazerne te wonen.
Art. 17.
In de gemeenten, in artikel 12 bedoeld, wordt aan hen, die
zich als vrijwilliger voor het reservekader hebben verbonden,
onderricht gegeven ter opleiding voor den graad van reserve-korporaal.
-ocr page 11-
7
Art. 18.
In elke gemeente waar eene kweekschool voor onderwijzers,
eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus of een gymnasium
is gevestigd, kan aan hen, die zich als vrijwilliger voor het
reservekader hebben verbonden, onderricht worden gegeven ter
opleiding voor reserve-onderofficier.
Art. 19.
In elke gemeente waar eene Rijks-universiteit of daarmede
overeenkomende inrichting van onderwijs, alsmede in die waar de
Polytechnische school is gevestigd, wordt aan hen, die zich als
vrijwilliger voor het reservekader hebben verbonden, onderricht
gegeven ter opleiding voor den graad van vaandrig.
Dit onderricht omvat de vakken, genoemd in het programma
ter aanduiding van de eischen om voor eene benoeming tot militie-
officier bij het wapen in aanmerking te komen.
Art. 20.
Indien de Minister van Oorlog het noodig oordeelt, kan het
onderricht, genoemd in de artikelen 12, 17, 18 en 19, ook in
andere dan de aldaar bedoelde gemeenten worden gegeven.
Art. 21.
Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 17, 18 en
19 geschiedt de opleiding en de Invordering tot reserve-korporaal,
reserve-onderofficier en vaandrig, naar regalen, door den Minister
van Oorlog vastgesteld.
Om tot vaandrig te kunnen worden bevorderd moet de reserve-
onderofficier zijn Nederlander of zoon van een Europeesch of
daarmpde gelijkgesteld ingezetene der koloniën of bezittingen van
het Rijk in andere werelddeelen.
De vaandrig die ophoudt Nederlander te zijn, wordt terug-
gebracht tot den graad van reserve-onderofficier.
Art. 22.
Hem die tot het reservekader behoort en die verlangt voor een
bepaalden tijd vrijwillig onder de wapenen te blijven of te komen,
kan zulks door of vanwege den Minister van Oorlog worden vergund.
Art. 23.
De reserve-korporaal die minstens eene maand onder de wapenen
is geweest, nadat hij voldaan heeft aan de ingevolge artikel 21
-ocr page 12-
8
gestelde eischen voor bevordering tot reserve-onderofficier, wordt
niet verplicht tot het bijwonen van de militaire oefeningen, ge-
noemd onder artikel 13, U, b, 2°.
Art. 24.
Hij die tot het reservekader behoort, en, naar het oordeel van
den Minister van Oorlog, de geschiktheid bezit om tot militie-
officier benoemd te worden, en die als vrijwilliger bij de militie
wordt toegelaten, wordt geacht door die toelating van zijne vrij-
willige verbintenis voor het reservekader te zijn ontheven.
Art. 25.
Hij die tot het reservekader behoort, draagt de uniform van
het korps, waarbij hij is aangenomen, met dien verstande:
a. dat de groote kleedingstukken vervaardigd worden van
fijner laken;
h. dat de kraag van de kortejas aan weerszijden voorzien is
van eene lus, vervaardigd, voor den vrijwilliger beneden den graad
van vaandrig van oranje zijde en voor den vaandrig van goud galm;
c. dat de vaandrig de uniform draagt van den adjudant-onder-
officier, met dien verstande dat het aan weerszijden van den kraag
der kortejas geplaatste gebombeerd, rond, glad plaatje, vervangen
wordt door de lus onder T> bedoeld.
Art. 20.
Het personeel van het reservekader, beneden den graad van
vaandrig, wordt gewapend, gekleed en uitgerust voor rekening
van het Rijk op gelijken voet als de gewone vrijwilligers, met
dien verstande, dat met afwijking in zooverre van den staat A,
lwhoorende bij het Koninklijk besluit van 25 Augustus 1888, n". 27,
de vrijwilliger die tot het reservekader is toegelaten, eene toelage
voor eerste uitrusting geniet van f 50.— en overigens de vrij-
williger van het reservekader beneden den graad van vaandrig,
overeenkomstig de regelen voor de militie vastgesteld, eene dage-
lij ksche toelage voor de uitrusting- en reserverekening geniet gelijk
aan die van den onderofficier van het wapen.
Art. 27.
De vaandrig ontvangt, als tegemoetkoming in de kosten van
aanschaffing van wapenen, kleeding en uitrusting, bij zijne aan-
stelling eene som van ƒ 200.—.
-ocr page 13-
9
Art. 28.
Gedurende het verblijf onder de wapenen en op de dagen,
waarop wordt deelgenomen aan oefeningen van het leger, ingevolge
het bepaalde bij artikel 13, II, b, 1°. bedraagt de bezoldiging per dag:
voor den adspirant-vaandrig ... ƒ 0.40;
n ii reserve-korporaal. . . . - 0.60:
n ii reserve-onderofficier.
         . - 1.— :
" ii vaandrig......- 2.50.
Bovendien wordt eene toelage genoten per jaar:
van / 30.— door den reserve-korporaal;
« - 50. — // n reserve-onderofficier;
" - 150.- — n ii
         n              ii         die naar de
eischen van dit besluit tot vaandrig benoembaar is;
van f 200.— door den vaandrig;
met dien verstande, dat voor dezen laatste, per jaar, de be-
zoldiging met de toelage de som van f 900.— niet overschrijdt.
Art. 29.
De reserve-onderofficier of de vaandrig, die bij het einde zijner
verbintenis niet ouder is dan 30 jaar, kan tot eene nieuwe ver-
bintenis worden toegelaten voor ten hoogste zes jaar.
Art. 30.
Behoudens het bepaalde onder b van het tweede lid van dit
artikel is hij die ingevolge artikel 29 tot eene nieuwe verbintenis
wordt toegelaten, verplicht zich te kleeden voor eigen rekening.
Door hem wordt genoten:
a.   eene toelage, niet hooger dan die genoemd in artikel 28 en
tot een bedrag en op de voorwaarden, door den Minister van
Oorlog te bepalen;
b.   zoo hij vaandrig wordt, de tegemoetkoming, genoemd in
artikel 27.
Indien hij die tot eene nieuwe verbintenis toegelaten is, de
toelage in het tweede lid onder a vermeld, niet ontvangt, is hij
niet verplicht onder de wapenen te komen, dan in het geval,
bedoeld in artikel 13 onder 1.
Art. 31.
Hij die ingevolge arlikel 29 tot eene nieuwe verbintenis wordt
toegelaten, is verplicht, in zijn graad deel te nemen aan de
-ocr page 14-
10
oefening der schutterij, ter plaatse waar hij verblijf houdt; indieu
hij daartoe door de bevoegde autoriteit wordt aangewezen.
Art. 32. {Vervallen)
Art. 33.
Het bestuur en het toezicht over het militair onderricht, ge-
iioemd in artikel 12, voor zooveel de adspiranten voor het reserve-
kader l>etreft, en in de artikelen 17, 18, 19 en 20, is opgedragen
aan een daartoe door den Minister van Oorlog aan te wijzen
hoofdofficier van een der korpsen van het leger.
Deze hoofdofficier staat voor zijn voorseh reven dienst recht-
streeks onder de bevelen van den Minister van Oorlog.
Art 84.
De officieren, onderofficieren en minderen, vereischt bij het in
artikel 33 vermelde onderricht, worden volgens aanwijzing van
den Minister van Oorlog van de korpsen der infanterie en der
vesting-artillerie ter beschikking gesteld en onder de l>evelen
gedetacheerd van den in dat artikel bedoelden hoofdofficier.
Voor zooveel de officieren betreft, geschiedt deze aanwijzing
eerst nadat de betrokken commandeerende officieren der korpsen
en de verdere autoriteiten van het wapen, omtrent de ter zake
door voormelden hoofdofficier gedane voorstellen, door den Minister
zijn gehoord.
Art. 35.
Hij die tot het reservekader behoort, staat, voor zooveel betreft
zijne opleiding bij het in de artikelen 17, 18, 19 en 20 genoemde
onderricht, onder de bevelen van den hoofdofficier, bedoeld in
artikel 33, die met betrekking tot dat onderwerp over hem het
gezag van detachements-commandant uitoefent.
De Minister van Oorlog is belast met de uitvoering van dit
besluit, waarvan afschrift zal gezonden worden aan den Minister
van Binnenlandsche Zaken en aan de Algemeene Eekenkamer.
Het Loo, den 29<"en September 1893.
{Get.) EMMA.
De Minister van Oorlog,
{Get.) SEYt\'FAKDT.
-ocr page 15-
II
13. Beschikking van den Minister van
Oorlog van 12 September 1894, vïï,le
afd. n°. 54, gewijzigd en aangevuld
bij Beschikking van 22 December 1894,
Vil*» afd. n°. 1.
Voorschriften ter uitvoering van het
Koninklijk besluit tot oprichting van een
reservekader.
De Minister van Oorlog;
Gezien de Koninklijke besluiten van 29 September 1893, n°. 5
en van 3 September 1894, n°. 64;
Brengt de artikelen van eerstvermeld Koninklijk besluit, zooals
die luiden na de wijzigingen daarin gebracht bij het Koninklijk
besluit in de tweede plaats vermeld, door deze, ter kennis van
de landmacht;
En heeft goedgevonden, tevens bij deze te bepalen:
§ 1. Waar ingevolge de bepaling van artikel 12, in verband
met artikel 20, van het Koninklijk besluit van 29 September 1893,
n°. 5, voorbereidend onderricht in den wapenhandel wordt gegeven,
kunnen daarbij worden toegelaten zij, die de verbintenis wenschen
aan te gaan als vrijwilliger voor het reservekader.
Aan hen kan na voldoend examen worden uitgereikt een over-
eenkomstig het hierbij gevoegd model A ingericht getuigschrift
van voldoende bedrevenheid in de behandeling van het geweer
volgens de voorschriften van de recrutenschool voor het wapen.
§ 2. De opleiding van den vrijwilliger voor het reservekader
tot eenen graad geschiedt voor hen die niet onder de wapenen
zijn, aan eenen militairen cursus, geheeten, naar gelang van den
graad waarvoor de opleiding geschiedt:
a.    korporaalscursus;
b.    onderofficierscursus;
c.     vaandrigscursus.
§ 3. Bij eiken militairen cursus wordt onderricht gegeven in
den wapenhandel, in de vakken voorkomende op het programma
van examen voor den graad waartoe de opleiding geschiedt, alsmede,
zoo mogelijk, in het schijfschieten en c. q. in de bediening van geschut.
-ocr page 16-
I-J
§ 4. Het onderricht aan de cursussen in § 2 vermeld, wordt
gegeven van October tot 1 Maart, doch kan, bij genoegzame
deelneming en wanneer de dienst bij de korpsen toelaat het daar-
voor benoodigde personeel beschikbaar te stellen, —dit laatste ter
beoordeeling van den eommandeerende-officier van het korps of van
het korpsgedeelte — op last van den hoofdofficier voor het reserve-
kader tot 1 Mei worden voortgezet.
§ 5. Yoor eiken cursus worden datum en wijze van aanmelding
geregeld door den hoofdofficier voor het reservekader.
§ 6. In de uitoefening van het bestuur en het toezicht over het
onderricht in artikel 33 van het Koninklijk besluit van 29 September
1893, n°. 5, bedoeld, kan de hoofdofficier voor het reservekader
worden bijgestaan door een of meer hem daarvoor door den Minister
van Oorlog toe te voegen officieren.
§ 7. De opleiding van het reservekader, dat onder de wapenen
is, geschiedt onder de verantwoordelijkheid van den korpscommandant.
Deze treedt, waar hij dit noodig oordeelt, ter zake in overleg met
den hoofdofficier voor het reservekader.
§ 8. De navolgende getuigschriften, ingericht overeenkomstig de
hierbij gevoegde modellen, kunnen na voldoend examen worden
verkregen.
Getuigschrift B>, voor het bezit van de theoretische kennis ge-
vorderd van den reserve-korporaal.
Getuigschrift B1, voor het bezit van de practische kennis en
geschiktheid gevorderd van den reserve-korporaal.
Getuigschrift C\', voor het bezit van de theoretische kennis ge-
vorderd van den reserve-onderofficier.
Getuigschrift C1, voor het bezit van de practische kennis en
geschiktheid gevorderd van den reserve-onderofficier.
Getuigschrift D1, voor het bezit van de theoretische kennis
gevorderd van den vaandrig.
Getuigschrift D-, voor het bezit van de practische kennis en
geschiktheid gevorderd van den vaandrig.
De eisehen van kennis en geschiktheid zijn:
voor den reserve-korporaal gelijk aan die voor den milicien-
korporaal ;
voor den reserve-onderofficier gelijk aan die voor den milicien-
-ocr page 17-
13
sergeant, met deze uitzondering-, dat de geschiktheid tot het voeren
der menage niet wordt gevorderd;
voor den vaandrig gelijk aan die voor den militie-luitenant.
Het theoretische en het practische examen voor eenen graad
liehoeven niet gelijktijdig, noch onmiddellijk achtereenvolgend te
worden afgelegd.
§ 9. De hoofdofficier voor het reservekader regelt de uitreiking
der getuigschriften A.
Bfl de korpsen wordt voor hen die onder de wapenen zijn, ten
minste tweemaal per jaar de gelegenheid opengesteld tot het be-
komen van de overige getuigschriften. De examen-commissie wordt
samengesteld door den korps-commandant.
Bovendien wordt aan hen, die niet onder de wapenen zijn, ten
minste eenmaal per jaar gelegenheid gegeven tot het verkrijgen van
de getuigschriften B\', Cl en D\' van eene examen-commissie,
samengesteld door den hoofdofficier voor het reservekader, uit het
personeel dat ingevolge artikel 34< van het Koninklijk besluit te
zijner beschikking is gesteld of ingevolge § 0 hiervoren aan hem
is toegevoegd.
§ 10. Van elke der in de vorige § bedoelde examen-commissiën
is een hoofdofficier of kapitein voorzitter.
De uit te reiken getuigschriften worden door den voorzitter
onderteekend.
§ IL. Ieder die tot het reservekader behoort kan, tot het
afleggen van een der vorenbedoelde examens, tijdelijk onder de
irapenen komen.
§ 12. Gedurende het zomertijdperk ontvangt het personeel van
het reservekader bij de korpsen in den regel alleen practisch
onderricht.
Gedurende het wintertijdperk kan dat personeel, daaronder
begrepen zij die niet onder de wapenen zijn, voor het onderricht
in de militaire vakken, door den korpscommandant worden toe-
gelaten tot eenen cursus als bedoeld bij artikel 2 der wet van
21 Juli 1890 {Staatsblad n°. 126)of toteenige andere opleidingsklasse.
§ 13. Hij, die tot het reservekader behoort, kan eenmaal per
jaar, ter plaatse en gedurende den tijd, door den Minister van
Oorlog te bepalen, onder de wapenen komen tot het bijwonen
van een militairen cursus.
-ocr page 18-
14
De tijd voor het volgen van dien cursus komt niet in mindering
van den verplichten werkelijken dienst, ingevolge artikel 13 van
het in § 1 genoemd Koninklijk besluit.
§ 14. De aanspraken en rechten verbonden aan het bezit der
getuigschriften gelden slechts:
gedurende twee jaren na den dag der uitreiking voor zooveel
1 «treft de getuigschriften B\', O* en Dl;
gedurende één jaar na den dag der uitreiking voor zooveel be-
treft de overige getuigschriften;
om liet even, of de bezitter al dan niet is geplaatst op de
bevorderingslijst in de volgende § bedoeld.
§ 15. De vrijwilliger voor het reservekader wordt door den
commandant van het korps, waartoe hij behoort, op eene bevor-
deringslijst geplaatst, als hij:
a.   wegens gedrag, ijver en militaire geschiktheid voor bevor-
dering in aanmerking kan komen;
b.    bovendien in het bezit is van de in § 8 bedoelde getuig-
schriften voor den graad, waarvoor hij ter bevordering in
aanmerking komt.
§ IC. De bevordering uit hen, die op de bevorderingslijst zijn
geplaatst, geschiedt:
tot vaandrig door den Minister van Oorlog;
tot eiken anderen graad door den korpscoinmandant.
§ 17. Tot het ondergaan van een militair geneeskundig onder-
zoek kan de adspirant voor het reservekader, in het bezit van het
bewijs bedoeld in de artikelen 7 en 10 van het Koninklijk besluit
van 29 September 1893, n°. 5, of van het getuigschrift genoemd
in artikel 11 van dat besluit, zich in elk garnizoen wenden tot
den plaalselijken of den garnizoens-commandant.
Deze zorgt dat de adspirant, die zich met overlegging van het
vereischte bewijs of getuigschrift daartoe aanmeldt, geneeskundig
wordt onderzocht, en dat hem, bij geschiktbevinding, daarvan
eene verklaring wordt afgegeven.
§ 18. Hij die wenscht te worden toegelaten tot eene vrijwillige
verbintenis bij het reservekader, kan zich daartoe te allen tijde
schriftelijk aanmelden bij den commandant van een der voor de
aanneming aangewezen regimenten infanterie of vesting-artillerie.
-ocr page 19-
15
Hij legt bij zijn verzoekschrift over de stukken gevorderd inge-
volge artikel 7 van genoemd Koninklijk besluit.
§ 19. De commandant van het korps regelt de oproeping van
ieder die zich overeenkomstig de vorige § hij hem heeft aangemeld,
daarbij rekening houdende, voor zooveel de belangen van den
dienst dit gedoogen, met het verzoek van den adspirant.
De oproeping van den adspirant geschiedt door eene aan hem
gerichte schriftelijke kennisgeving\'.
§ 20. Is aan de voorwaarden van toelating voldaan, dan kan
de militaire verhintenis worden gesloten.
Van het aangaan dier verbintenis wordt eene akte opgemaakt
overeenkomstig het model Ia A, behoorende bij de beschikking
van 14 September 1881, IHe Afd., n°. 37, met dien verstande,
dat in den zevenden regel van die akte bij (3) wordt ingevuld:
, ,             ïii           infanterie „
„het reservekader der -----:--------^—- ;
vesting-artillerie
dat in den tienden en den elfden regel in plaats van de woorden
„welke tijd zal verschenen zijn enz." wordt gesteld:
„welke tijd zal verschenen zijn na zes jaren te rekenen van den
„datum van zijne opkomst in werkelijken dienst tot eerste-oefening;"
en dat punt 6". vervalt.
Onmiddellijk na het aangaan van de verbintenis worden aan den
adspirant-vaandrig de krijgsartikelen voorgelezen, waarvan een bewijs
wordt opgemaakt overeenkomstig het gewone model.
Van de aanneming van een vrijwilliger voor het reservekader
wordt door den kommandeerenden officier van het korps, waarbij
de verbintenis is gesloten, bericht gezonden aan het bestuur, dat
de bevolkingskaart heeft afgegeven, met mededeeling tevens, of
de vrijwilliger onder de wapenen gebleven, dan wel dadelijk met
groot verlof vertrokken is.
§ 206is. De adspirant-vaandrig wordt na het aangaan van de
verhintenis tot nadere oproeping met groot-verlof gezonden, tenzij
hij zijnen wensch te kennen geeft al dadelijk tot eerste-oefening
onder de wapenen te blijven.
Van de opkomst onder de wapenen tot eerste-oefening kan uitstel
worden verleend tot in het jaar waarin het 20ste levensjaar wordt
volhracht. Wordt geen uitstel verleend, dan moet die eerste-oefening
aanvangen binnen een jaar na het aangaan der verbintenis.
-ocr page 20-
16
§ 21. Hij, die tot eene verbintenis bij liet reservekader is toe-
gelaten, ontvangt, zoodra hij tot eerste-oefening onder de wapenen
is gekomen, van den korpscommandant een bewijs vau iudienst-
stelling volgens model E.
De diensttijd, waartoe hij zich heeft verbonden, wordt geacht
een aanvang te nemen op den in dat bewijs vermelden datum van
zijne opkomst in werkelijken dienst.
Bij eene nieuwe verbintenis als in artikel 29 van meergenoemd
Koninklijk besluit bedoeld, vangt de diensttijd aan op eenen datum,
in de van die verbintenis op te maken akte te vermelden.
§ 22. De opkomst onder de wapenen tot het volbrengen van
den werkelijken dienst, waartoe de vrijwilliger voor het reserve-
kader ingevolge punt II« van art. 13 van het Koninklijk besluit
dd. 29 September IS93, n°. 5, gehouden is, wordt zoodanig
geregeld, dat hij in de eerste driejaren na den datum, waarop
overeenkomstig § 21, tweede lid, zijn diensttijd een aanvang heeft
genomen, acht maanden in het leger hebbe gediend. In bijzondere
gevallen kan hem door den Minister van Oorlog worden vergund
een deel van den werkelijken dienst in het vierde jaar van den
diensttijd te volbrengen.
De tijd waarin hij gedurende zijn verblijf\' onder de wapenen
wegens ziekte of andere redenen aan den dienst onttrokken is
geweest, komt niet in mindering van den verplichten werkelijken
dienst.
Behoudens de bepaling in het vorig lid rekent wel in mindering
van den verplichten werkelijken dienst vrijwillig verblijf onder de
wapenen van ten minste drie weken achtereen.
§ 23. Tot het oproepen van de vrijwilligers voor den werkelijken
dienst in de vorige § bedoeld, vraagt de korps-commandant machtiging
aan den Minister van Oorlog, onder opgave van den tijd waarvoor
hij hen onder de wapenen wenscht te doen komen.
§ 21. De vrijwilliger voor het ressrvekader, die onder de
wapenen moet komen, ontvangt daartoe van den korps-commandant
eene oproeping volgens model F.
Die oproeping wordt hem toegezonden:
e. als zij geschiedt voor één dag, of tot het ondergaan van
eene straf, ten minste tien dagen voor den vastgestelden
dag van opkomst;
-ocr page 21-
17
6. in andere gevallen in den regel eene maand doch ten minste
tien dagen vóór den vastgestelden dag van opkomst. .
Wanneer de verlofgangers der militie te land met spoed onder
de wapenen worden geroepen, is de vrijwilliger voor het reserve-
kader verplicht om zonder opgeroepen te zijn onder de wapenen
te komen. Hij vervoegt zich alsdan bij het korps binnen 24 uren
na het oproepingsuur in de openbare kennisgevingen voor de
militie vermeld.
§ 25. De toezending van de in de vorige § vermelde oproepingen
geschiedt per post, tegen bewijs van ontvang.
Blijkt de opgeroepene of een door hem gemachtigde niet aan
de opgegeven woning aanwezig tot het in ontvangst nemen
van de oproeping, en is aan het postkantoor ter plaatse door
den opgeroepene geen nadere aanwijzing omtrent zijne verblijf-
plaats gedaan, dan doet de korps-commandant bij den burgemeester
der woonplaats van den opgeroepene onderzoek. Leidt dit onderzoek
niet tot ontdekking van de verblijfplaats van den opgeroepene, of
houdt deze zich buitenslands op, dan wordt hij op verzoek van
den korpscommandant door genoemden burgemeester alsnog bij
openbare kennisgeving opgeroepen, volgens de regelen geldende
voor de oproeping van verlofgangers der militie te land.
§ 26. Wanneer de vrijwilliger voor het reservekader zonder
bekende reden niet voldoet aan eene oproeping voor den werke-
lijken dienst, wordt, drie dagen na den vastgestelden dag van
opkomst, door den korpscommandant bij den burgemeester der
gemeente, waar de opgeroepene woont, onderzoek gedaan naarde
reden van achterblijven.
De korpscommandant doet aan den Minister van Oorlog opgave
van hen die niet aan eene oproeping voor den werkelijken dienst
hebben voldaan, onder mededeeling van de ter zake verkregen
inlichtingen en bijvoeging van de stukken tot staving der wettig-
heid van het achterblijven overgelegd.
De Minister van Oorlog beslist, of er termen aanwezig zijn de
gedane oproeping in te trekken, dan wel of de vrijwilliger, wegens
het niet voldoen aan de te zijnen aanzien gedane oproeping voor
den werkelijken dienst en het daardoor langer dan acht dagen
boven zijn verlof van zijn korps afwezig blijven, als deserteur uit
de sterkte van het korps moet worden afgevoerd.
2
-ocr page 22-
18
§ 27. De vrijwilliger voor het reservekader, die wenscht voor
een voeraf bepaalden tijd vrijwillig onder de wapenen te komen
of te blijven, doet daartoe aan den korpscommandant schriftelijk
aanvraag.
§ 28. De korpscommandant is bevoegd, boven den tijd van
verplichten werkelijken dienst, toestemming te verleenen tot vrij-
willig verblijf onder de wapenen:
«. voor ten hoogste drie maanden, wanneer de vrijwilliger over
zijnen geheelen diensttijd minder dan een jaar onder de
wapenen heeft doorgebracht;
b.   voor ten hoogste eene maand per jaar, wanneer de vrijwilliger
tot den graad van vaandrig niet benoembaar is, of dien
graad niet bekleedt;
c.    voor een onbepaaklen tijd, wanneer de vrijwilliger geen aan-
spraak maakt op de hem per dag toegekende bezoldiging of
andere vergoedingen, waarop hij bij verplicht verblijf onder
de wapenen recht zou hebben.
In andere dan de hier vermelde gevallen wordt voor vrijwillig
verblijf onder de wapenen de toestemming van den Minister van
Oorlog gevorderd.
§ 2\'J. Den vrijwilliger voor het reservekader die niet onder de
wapenen is, kan op zijne aanvrage door den korpscommandant
worden toegestaan deel te nemen, hetzij bij het korps waartoe hij
behoort, hetzij bij een ander korps, aan militaire oefeningen waartoe
hij niet verplicht is.
Hij draagt bij die oefeningen de uniform. De bezoldiging, vast-
gesteld bij artikel 28 van het meergenoemd Koninklijk besluit,
wordt in dit geval niet door hem genoten.
§ 30. De vaandrig mag gedurende den tijd dien hij onder de
wapenen doorbrengt buiten de kazerne wonen.
Ieder ander vrijwilliger voor het reservekader behoeft tot het
wonen buiten de kazerne gedurende den tijd dien hij onder de
wapenen doorbrengt, de vergunning van den commandeerende-
officier van het korps of van het korpsgedeelte ter plaatse.
De minderjarige moet, alvorens die vergunning te bekomen,
een bewijs hebben overgelegd, waaruit ten genoegen van voren-
bedoelden commandeerende-ofhcier blijkt, dat het verzoek tot het
wonen buiten de kazerne geschiedt met goedvinden van dengene
-ocr page 23-
19
die de vaderlijke macht of de voogdij uitoefent, of van hem die
namens dezen optreedt als vader of voogd.
§ 81. Eene verleende vergunning tot wonen buiten de kazerne
kan ten allen tijde worden ingetrokken wegens herhaalde nalatig-
heid in het vervullen der dienstverrichtingen of om andere redenen,
ter beoordeeling van den commandeerende-officier in de voorgaande
§ genoemd.
Wordt aan hem, die de vergunning tot wonen buiten de kazerne
heeft bekomen, eene disciplinaire straf opgelegd, dan moet hij,
het geval van gewoon arrest niet uitgezonderd, gedurende zijnen
straftijd in de kazerne wonen.
§ 32. De vrijwilliger voor liet reservekader die niet onder de
wapenen is, zorgt, dat de korpscommandant en de hoofdofficier
voor het reservekader bekend blijven met zijne woonplaats.
Vóór zijn vertrek van het korps, of anders binnen vier dagen
na den dag waarop hem groot-verlof is verleend, doet hij aan
beide genoemde hoofdofficieren schriftelijk opgave van cle woning
waarin hij zich vestigt. Verandert hij van woning, dan doet hij
daarvan binnen vier dagen daarna gelijke opgave.
Bedoelde opgaven geschieden per post op gedrukte formulieren
in den vorm van briefkaarten, ingericht volgens model G.
Deze formulieren worden kosteloos verstrekt en hem bij vertrek
met groot-verlof tot een vermoedelijk ljenoodigd aantal medegegeven.
ingeval hij tijdelijk elders verblijf houdt, draagt hij zorg dat
iemand in zijne woning aanwezig zij, om schriftelijke mededeelingen,
door of vanwege de militaire autoriteit aan hem gericht, in ont-
vang te nemen en aan hem te doen toekomen. Is zijne woning
tijdelijk onbewoond, dan doet hij de vereischte schriftelijke opgaven
betreffende zijne verblijfplaats aan het postkantoor van de plaats
zijner inwoning, en zijn aldaar meer postkantoren gevestigd, aan
het hoofdkantoor.
j 33. De hoofdofficier voor liet reservekader doet op zijn bureau
aanhouden een register van al de vrijwilligers van dat kader,
ingericht volgens model II.
In dat register geschiedt aanleekening van de aangegane ver-
bintenissen, opkomst onder de wapenen, vertrek met groot-verlof,
bevordering, terugstelling, verleende verloven naar het buitenland,
verleende doorloopende vergunningen om de uniform te dragen,
-ocr page 24-
20
alsmede van het op de eene of andere wijze uit den dienst geraken
van die vrijwilligers.
De commandeerende-officieren der korpsen zenden op den 5den
van elke maand aan den hoofdofficier voor het reservekader eenen
nominatieven staat, ingericht overeenkomstig model I, bevattende
de opgaven, over de afgeloopen maand, noodig voor het houden
van vorenvermelde aanteekeningen, ten aanzien van de tot hun
korps behoorende vrijwilligers voor het reservekader.
Van de woonplaats en woning der vrijwilligers wordt mede
aanteekening gehouden in genoemd register.
§ 34. De vrijwilliger voor het reservekader die niet onder de
wapenen is en zich voor langer dan acht dagen naar andere staten
in .Europa wenscht te begeven, zendt zijn daartoe strekkend verzoek ,
ingericht volgens model K, aan den hoofdofficier voor het reserve-
kader, die het, met zijn advies, doet toekomen aan den korps-
commandant.
Deze laatste zendt het verzoek, bij tabellarisch rapport in duplo,
aan den Minister van Oorlog.
§ 35. De vrijwilliger voor het reservekader, die minstens acht
maanden onder de wapenen is geweest, kan vergunning bekomen
zich voor bepaalden tijd naar andere staten in Europa of naar de
koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen te
begeven, voor zooveel den in Europa vertoevende betreft onder
gehoudenheid onverwijld naar Nederland terug te keeren en onder
de wapenen te komen, wanneer in een der gevallen bij artikel 185
der grondwet bedoeld, de militie te land geheel of ten deele
buitengewoon onder de wapenen wordt geroepen.
§ 36. Wordt den vrijwilliger voor het reservekader verlof ver-
leend naar de bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen
voor langer dan zes maanden, dan verliest hij gedurende dien
verloftijd zijne aanspraak op de jaarlijksche toelage, vastgesteld bij
de tweede zinsnede van artikel 28 van het Koninklijk besluit
dd. 29 September 1893, n". 5.
§ 37. De vrijwilliger voor het reservekader kan van den Minis-
ter van Oorlog toestemming bekomen om de uniform te dragen
gedurende den tijd dat hij niet is verplicht in de uniform gekleed
te zijn.
Toestemming als vorenbedoeld voor niet langer dan acM dagen
-ocr page 25-
2i
kan, namens den Minister van Oorlog, worden verleend door den
hoofdofficier voor het reservekader.
§ 38. Voor de aanspraak op bezoldiging, enz. over de dagen
gedurende welke de vrijwilliger voor het reservekader onder de
wapenen dan wel met verlof afwezig is, gelden de regelen te dien
aanzien voor de militie vastgesteld.
§ 39. De vrijwilliger voor het reservekader neemt bij zijn ver-
trek met groot-verlof al de voorwerpen van zijne Meeding, uit-
rusting en wapening mede, met uitzondering van geweer en patronen.
Hij is verplicht gedurende zijn groot-verlof de medegenomen
voorwerpen voor eigen rekening in goeden staat te onderhouden.
§ 40. Den vrijwilliger voor het reservekader, ilie zich in eene
militaire ziekeninrichting bevindt of daarin moet worden opgenomen
en den wensch te kennen geeft om voor eigen rekening elders
verpleegd te worden, kan tijdelijk dan wel groot-verlof worden
verleend.
§ 41. De vrijwilliger voor het reservekader die niet onder de
wapenen is en ingevolge het reglement van krijgstucht gestraft
wordt, ondergaat de straf bij het korps waartoe hij behoort, op
den tijd daarvoor door den commandant van het korps te bepalen.
Hij wordt daartoe, zoo noodig, door dien commandant onder
de wapenen geroepen.
De tijd zijner straf komt niet in mindering van den verplichten
werkelijken dienst.
§ 42. De vrijwilliger voor het reservekader kan door den hoofd -
officier voor het reservekader voor eenen bepaalden tijd worden
verwijderd van een der bij § 2 bedoelde militaire cursussen wegens
onvoldoenden ijver of berispelijk gedrag.
§ 43. De vaandrig onder de wapenen heeft recht op de diensten
van een soldaat als oppasser, op gelijken voet als de luitenant
eener compagnie.
§ 44. De vaandrig, die een huwelijk wenscht aan te gaan,
heeft daartoe de toestemming noodig van den Minister van Oorlog;
ieder ander vrijwilliger voor het reservekader die van den com-
mandant van het korps.
§ 45. Jaarlijks uiterlijk op 15 Januari zendt de hoofdofficier
voor het reservekader aan den Minister van Oorlog een afschrift
-ocr page 26-
22
van het bij § 33 bedoeld register model H, voor zooveel betreft
de vrijwilligers die nog in dienst zijn of die in den loop van het
vorige jaar uit den dienst zijn geraakt. Ten aanzien van hen die
uit den dienst zijn geraakt, behoeft in bedoeld afschrift slechts
de inhoud van de kolommen 1—6 en van kolom 13 overgenomen
te worden.
§ 46. In de maandelijksche sterktestaten model A en model B,
bedoeld bij het voorschrift vastgesteld bij de beschikking van
30 December 187S, n°. 91, worden de vrijwilligers voor het
reservekader, ongeacht den door hen bekleeden graad, onder de
soldaten begrepen.
In de kolom „aanmerkingen" van staat model A wordt voorts,
als toelichting, gesteld :
„Vrijwilligers voor het reservekader onder de soldaten begrepen:"
AANWEZIG.
Bataljon.
1ste 2d<- 3de 4de 5de
a f w e 7. i g.
Bataljon.
[ste ■ 2de yde 4de 5de
I : I \' "
Vaandrig*.....
Reserve-onderofficieren .
Reserve-korporaals . .
Adspirant-vaandrigs. .
Totaal . . .
I i !
terwijl aan de keerzijde van den staat onder „aangenomen" de
vrijwilligers voor het reservekader afzonderlijk worden opgegeven.
In kolom „aanmerkingen" van den staat model B wordt eene
toelichting als in die van den staat model A gesteld, doch slechts
voor zooveel betreft de aanwezige vrijwilligers voor het reservekader.
In den maandelijkschen sterktestaat model 6\', laatstelijk vast-
gesteld bij de beschikking van 20 Augustus 1889, n°. 23, worden
bij punt 1 de vrijwilligers voor het reservekader afzonderlijk ver-
meld en wordt bij punt 5 het aantal onder die vrijwilligers
begrepen gegradueerden afzonderlijk opgegeven, een en ander
volgender wijze:
-ocr page 27-
23
1 Vrijwillig aangeworvenen...........
Vrijwilligers voor het reservekader........
5 Onder de vrijwilligers zijn begrepen:
Sergeanten-titulair..............
Korporaals-titulair..............
Onder de vrijwilligers voor het reservekader zijn begrepen:
Vaandrigs................
Reserve-onderofficieren............
Reserve-korporaals..............
Adspirant- vaandrigs.............
§ 47. \') Voorloopig kan bij de onderstaande korpsen, het
daarbij vermelde aantal vrijwilligers voor het reservekader worden
aangenomen:
100
vrij
ivilligers
40
11
40
II
60
ff
40
tl
80
»
80
120
ff
II
40
II
40
II
50
II
45
ff
30
II
Regiment Grenadiers en Jagers
lste Regiment Infanterie
2de          „              ,/
3de          „              „ .
4de           ,,                //
5de           ,i                n
6de           ,/                ,,
7 de           ,/                «
8ste            //                  //
lste Regiment Vesting-Artillerie
2de          „                   „
3de          „                   „
4de           //                     ,/
De Minister van Oorlwj,
(Get.) SCHNEIDER.
\') Uit deze §, zooals zij gewijzigd bij de beschikking van den Minister van
Oorlog van 22 December 1894, Vlle Afd., n". 1, thins luidt, blijkt dat het de
bedoeling is dat bij alle garnizoenen van de regimenten infanterie en vesting-
artillerie vrijwilligers voor het reservekader kunnen worden opgeleid.
HED.
-ocr page 28-
24
Behoort bij de Beschikking van den                                          Model A.
Minister van Oorlog, (Zie §§ 1 en 9 der beschikking.)
dd. 12 September 18U4, Vlle Atd., n". 54.
                                        ______
GETUIGSCHRIFT.
De ondergeteekende («)
, belast met de leiding
van het voorbereidend onderricht in den wapenhandel te (S)
, verklaart, dat
(o)
geboren den (d)                      en wonende te (e)                           ,
voldoende bedreven is in de behandeling van het geweer volgens de
voorschriften van de recrutenschool voor het wapen der -----ttt-^— >
Artillerie
om te worden toegelaten tot eene vrijwillige verbintenis als adspirant-
vaandrig bij genoemd wapen.
(ƒ)
(ff)
(«) In te vullen den naam, den rang en het wapen.
(6) » » » den naam van de plaats.
(c)   » » » den naam en de voornamen van den jongeling.
(d)   » » » den datum en het jaar van geboorte van den jongeling.
(e)   » ö » den naam van de woonplaats van den jongeling.
(f)   » » » de plaats, den datum en het jaar van afgifte.
(g)  Te stellen  de handteekening.
-ocr page 29-
-25
Behoort ijij de Beschikking van den                         ModellenB\', B*, C\', CtD\'enD1.
Minister van Oorlog,                                         (Zie § 8 der beschikking.)
dd. 12 September 1894, VI ie Afd., n". 51.
GETUIGSCHRIFT.
De ondergeteekende (a)
, voorzitter van de examen-
den commandant van het (7;)
commissie samengesteld door
den hoofdofficier voor het reservekader \'
verklaart, dat blijkens het gehouden en op (c)
.... . adspirant- vaandrig
geëindigd examen, de —*-----,-j,----------
                        (e)
behoo rende tot het (ƒ)
(Model B\')
de theoretische kennis bezit gevorderd van den reserve-korporaal;
(Model Bi)
de practische kennis en geschiktheid bezit gevorderd van den
reserve-korporaal;
(Model C\')
de theoretische kennis bezit gevorderd van den reserve-onderofficier;
\' (Model C*)
de practische kennis en geschiktheid bezit gevorderd van den
reserve-onderofficier;
(Model D<)
de theoretische kennis bezit gevorderd van den vaandrig;
(Model Z»2)
de practische kennis en geschiktheid bezit gevorderd van den vaandrig;
w
(a)   In te  vullen den naam, den rang en het wapen.
(b)   » » » het korps.
(c)   » » » den naam van den dag, den datum en het jaar.
(d)   » » o den graad van den geëxamineerde.
(e)   » » » den naam en de voornamen.
(f)    » » * het korps.
(9)   o » » de plaats, den datum en het jaar van afgifte.
(h)  Te stellen de handteekening.
-ocr page 30-
26
Behoort bij de Beschikking van den                                            Model E.
Minister van Oorlog,                                          (Zie § 21 der beschikking.)
dd. 12 September 189\'t, VHe Afd., n". 54.                                         ---------
GETUIGSCHRIFT,
De ondergeteekende («)
Commandant van het (b)
verklaart, dat de adspirant-vaandrig
die (d)                                                  is toegelaten als vrijwilliger
voor het reservekader, ------------——3_ voor eerste-oef\'ening onder
op (rf)
de wapenen is gekomen, zoodat de diensttijd, waartoe hij zich heeft
verbonden, geacht wordt op ——--------;— datum een aanvang te
laatstvermelden
hebben genomen.
(e)
(/)
(m In te vullen den naam en den rang.
(b)   » » » het korps.
(c)   o » » den naam en de voornamen.
(cl) » » » den datum en het jaar.
(e)   » » » de plaats, den datum en het jaar van afgifte.
(f)  Te stellen de handteekening.
-ocr page 31-
27
Behoort bij de Beschikking van den                                          Model F.
Minister van Oorlog,                                          (Zie § 24 der beschikking.)
dd. 12 September 1894, Vlfe Afd., n". 54.                                         ______
Oproeping voor den werkelijken dienst.
De Commandeerende-Officier van het (d)
,,,.., , adspirant-vaandrie-
gelast bij deze den —£-——--------5
(c)
zich op (d)                                                       des —- middags (e)
na
te bevinden bij m^E?Ê^ te f»
f inde werkelijken dienst te verrichten
(andere reden van de oproeping)
gedurende (Jt)
il)
(a)  In te vullen het korps.
(b)   » » » den graad van den verlofganger.
(c)   » » » den naam en de voornamen.
(d)   » » » den naam van den dag, den datum en het jaar.
(e)    » » » het uur.
(/■) » » » het onderdeel waarbij do dienst moet worden verricht.
(g) t » » de plaats.
(In » » o het aantal dagen , of het aantal maanden.
(i) » » » de plaats, den datum en het jaar van verzending der oproeping,
(fc) » » » den rang.
(0 Te stellen de handteekening.
NB. Voor de oefeningen bedoeld bij artikel 13, Ho, behoeft in den regel geen
oproeping te geschieden, doch kan worden volstaan met den verlofganger
mondeling of schriftelijk te verwittigen van de dagen en uren waarop die
oefeningen zullen worden gehouden.
Mankeert de verlofganger bij die oefeningen dan kan c. q. eene oproeping
voor den werkelijken dienst worden gedaan.
-ocr page 32-
»*
Behoort bij de Beschikking van den
Minister van Oorlog,
dd. 12 September 1894, Vlle Afd., nu.54.
Model G.
(Zie § 32 der beschikking.)
(adreszijde.)
DIENST.
Aan
Commandeerende-Of/icier
den Heer
Hoofdofficier
van liet ... . Regiment
voor liet Reservekader
te
(berichtzijde.)
■^ adspirant-vaandr
(<0
ig
(*)
mei
groot-verlof laatste\'
(d)
P £
ewoond hebl>ende te (e)
is verhuisd naar
w
(d)
w
(f)
den
(a) In te vullen den graad.
den naam en de voornamen.
de plaats en c. q. de Gemeente.
straat en huisnummer of hetgeen verder tot aanduiding der
woning wordt vereischt.
de plaats, den datum en het jaar van verzending.
(ft)
(O
(<f)
(e>
(f) Te stellen de handteekening van den verlofganger.
-ocr page 33-
-29
Behoort bij de Beschikking van den                                                Model H.
Minister van Oorlog,                                               (Zie § 33 der beschikking I
dd. 12 September 1894, Vlle Afd., n°. 54.
REGISTER
VAN DE
Vrijwilligers voor liet reservekader.
-ocr page 34-
30
Datums:
a.   van geboorte:
b.   van toelating als vrijwilliger
voor het reservekader;
c.   van opkomst onder de wa-
penen voor eerste-oefening;
d.  van aanvang van den dienst-
tijd bij eene nieuwe ver-
bintenis.
Verblijf
onder de
wapenen tot
verplichten
werkelijken
dienst.
Bevordering
en
terug-
stelling.
NAMEN
Korpsen.
VOORNAMEN.
2
1.
.\'
7.
-ocr page 35-
31
Tijd van bet
verblijf onder
de wapenen
welke niet in
mindering
komt van den
verplichten wer-
kelijken dienst.
Door den
Minister van
Oorlog verleende
vergunningen
tot het dragen
van de uniform.
11.
Vrijwillig
verblijf
onder de
wapenen.
9.
Verleende
verloven
naar het
buitenland.
10.
Wanneer en
Woonplaatsen
der
op welke wijze
uit den
verlofgangers. djenst geraak,
12.
13.
(Zie laatste lid
van § 22 der
beschikking.)
-ocr page 36-
32
Behoort bij de Beschikking van den
Minister van Oorlog,
dd. 12 September 1894, VHe Afd., n°. 54.
Model /.
(Zie § 33 der beschikking.)
(Aanduiding van het korps.)
OPGAVE over de maand.......18 . . van de bij liet korps
aangegane verbintenissen als vrijwilliger voor liet reservekader
en van de mutatiën, enz. betreffende de tot liet korps behoorende
vrijwilligers van dat kader, noodig tot het aankonden van liet
register Model II, behoorende l/ij de Beschikking van den Minister
van Ooi-log dd.
12 September 1894, Vlle Afd., n°. 54.
Stamboek-
nummer.
NAMEN
EN
Positie.
Opgaven.
VOORNAMEN.
(In deze kolom
(Hier te vermelden de
te vermelden
gegevens noodig tot
den graad.)
invulling van de ko-
lommen 5—10 en 13
van
het Register Mo-
del H.)
.....den.......18
De Commandant van het korps,
-ocr page 37-
33
Behoort bij de Beschikking van den                                          Model K.
Minister van Oorlog (Zie §§ 34 en 35 der beschikking.)
dd. 12 September 1894, Vlle Afd., n». 54.
                                        ______
Verzoek om verlof naar het buitenland.
De ondergeteekende
(«)
—E------\'---------o met groot-verlof, verzoekt eerbiedig aan Zijne
(*)
Excellentie den Minister van Oorlog, hem vergunning te willen
verleenen zicli van (c)
tot (O)
op te houden in (e)
(ƒ)                      den
Cl)
(a) In te vullen den naam en de voornamen.
Ib) > » \' den graad.
(<•) s » ï den datum van den aanvang van het gevraagde verlof
(d)   » t » den datum tot welke verlof wordt gevraagd.
(e)    b j> > het land of de landen waarheen.
(ƒ) » « > de plaats, den datum en het jaar van verzending der aanvrage
naar den Hoofdofficier voor het Reservekader.
(g) Te stellen de handteekening.
3
-ocr page 38-
34
O. Koninklijk besluit van 10 September
1894, n°. 29.
Vaststelling van liet examen-programma voor
de toelating tot het Reservekader.
In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de
Gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz,, enz.
Wij EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het
Koninkrijk,
Op de voordracht van den Minister van Oorlog van 6 September
1894, kabinet, Litt. T«\'.
Gezien de Artt. 10 en 11 van het Koninklijk besluit van 29
September 1893, n°. 5, betreffende de vorming en opleiding van
reservekader, zooals dat besluit is aangevuld en gewijzigd bij het
Koninklijk besluit van 3 September 1894, n°. 64;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Art. 1.
De eischen van kennis en bedrevenheid voor het examen, bedoeld
bij Art. 10 van het Koninklijk besluit van 29 September 1893,
n°. 5, zooals dat gewijzigd is bij het Koninklijk besluit van
3 September 1894, n°. 64 in de daarbij genoemde vakken, worden
bij deze vastgesteld als volgt:
a.   Nederlandsche taal.
Vaardigheid om zich, zoowel mondeling als schriftelijk, in
zuiver beschaafd Nederlandsen uit te drukken;
b.   Fransche taal.
Lezen met beschaafde uitspraak, vertalen uit het Fransch in
goed Nederlandsen en van een eenvoudig stuk uit het Nederlandsen
in het Fransch; het laatste met behulp van een woordenboek;
c.   de Hoogduitsche of de Engelsche taal (naar
keuze van den examinandus).
Lezen met beschaafde uitspraak; vertalen van een gemakkelijk
stuk uit de gekozen taal in goed Nederlandsen;
-ocr page 39-
35
d.   de Geschiedenis.
De voornaamste personen en gebeurtenissen uit de algemeene
geschiedenis, van het jaar 1555 tot het jaar 1789, en uit de
vaderlandsche geschiedenis tot het jaar 1795;
e.   de Aardrijkskunde.
Algemeene kennis van de oppervlakte der aarde en van de staat-
en natuurkundige aardrijkskunde van Europa, alsmede van de
Koloniën en bezittingen van het Eijk in andere werelddeelen, en
meer in bijzonderheden de aardrijkskunde van Nederland;
ƒ. de Wiskunde.
1°. Be liekenkunde. De hoofdbewerkingen met geheele getallen,
gewone en tiendeelige breuken; de eigenschappen, waarop
die bewerkingen berusten; het metrieke 9telsel van maten
en gewichten; de leer der evenredigheden met hare voor-
naamste toepassingen; oplossing van vraagstukken;
2°. Be Stelkunde. De hoofdbewerkingen met geheele en gebroken
stelkundige vormen; de behandeling van wortelvormen en
van vormen met gebroken en negatieve exponenten; de
tweedemachtsworteltrekking uit rekenkundige getallen; de
vergelijkingen van den eersten graad met één onbekende;
oplossing van eenvoudige vraagstukken;
3°. Be Meetkunde. De beginselen van de vlakke meetkunde
tot en met de inhoudsbepaling van figuren; oplossing van
eenvoudige vraagstukken;
ff. de Wapenhandel.
Bedrevenheid in de behandeling van het geweer volgens de
voorschriften van de recrutenschool voor het wapen der infanterie.
Art. 2.
Geheele of gedeeltelijke vrijstelling van het examen, bedoeld in
Art. 10 van meergenoemd gewijzigd Koninklijk besluit, wordt,
overeenkomstig het bepaalde bij Art. 11 van dat besluit door den
Minister van Oorlog verleend aan hen die:
a.   eene acte van bekwaamheid, een diploma of een bewijs
bezitten als vermeld onder A van de bij dit besluit be-
hoorende tabel, bijlage A;
b.    met gunstigen uitslag een examen hebben afgelegd als ver-
meld onder B van die tabel;
-ocr page 40-
36
c. met goed gevolg een examen hebben afgelegd, gevorderd
ter benoeming tot eene der betrekkingen als Kijksambtenaar,
vermeld onder C van de meerbedoelde tabel of wel leerling
zijn of geweest zijn aan een der daar genoemde inrichtingen
van onderwijs in de daarbij vermelde of in eene hoogere
klasse of afdeeling.
De vakken voor welke, wegens de hiervoren onder a, b en c
omschreven redenen, de vrijstelling wordt verleend, zijn, voor elk
dier redenen, vermeld in de derde kolom van meerbedoelde tabel.
Art. 3.
De Minister van Oorlog bepaalt, welke inrichtingen van onder-
wijs worden geacht te zijn begrepen onder die, bedoeld bij de
vrijstellingen 7, 18 en 21 van de tabel.
Art. 4.
Aan de leerlingen eener openbare of bijzondere school, niet in
de bij dit besluit behoorende tabel bedoeld, alsmede aan hen, die
met goed gevolg een examen hebben afgelegd, niet in die tabel
opgenomen, kan de Minister van Oorlog, in een of meer der
vakken, genoemd in Art. 10 van het Koninklijk besluit van
29 September 1893, n°. 5, zooals dat gewijzigd is bij het Koninklijk
l)esluit van 3 September 1894, n°. 64, vrijstelling van examen
verleenen op de voorwaarden door hem te stellen, zoodanig dat
het bezit der kennis, vereischt volgens Art. 1 van dit besluit
gewaarborgd zij.
De Minister van Oorlog is belast met de uitvoering van dit
besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Ministers
van Buitenlandsche Zaken, van Binnenlandsche Zaken, van Marine,
van Financiën en van Waterstaat, Handel en Nijverheid.
Soestdijk, den lOden September 1894.
(Get.) EMMA.
De Minister van Oorlog,
{Get.) SCIINETDER.
-ocr page 41-
37
Tabel Bijlage A.
Behoort bij het Koninklijk Besluit van
10 September 189i, No. 29.
der
elling.
Vrijstelling van examen, overeen-
De vrijstelling van examen
immer
il vrijsl
komstig Art. 11 van het gewijzigd
geldt voor de vakken in Art. 10
Koninklijk Besluit van 29 September
van het gewijzigd Koninklijk
Toelichtingen.
P
1893, No. 5, wordt verleend
Besluit van 29 September 1893,
Vol
reden
aan hen die:
No. 5, vermeld onder:
A.
in liet bezit zijn van:
De acte van bekwaamheid, bedoeld
bij Art. 56 der Wet van 17 Augustus
1878 (Staatsblad No. 127) tot Regeling
van het Lager Onderwijs, zooals dat
Artikel is gewijzigd bij de Wet van
8 December 1889 (Staatsblad No. 175)
en wel die vermeld:
1
Sub a.
a, e en f 1.
\'2
Sub b.
a, d, e en f 1.
3
Sub o (voor huis- en schoolonder-
wijs).
De vakken in de acte genoemd.
\'i
Eene acte van bekwaamheid tot het
geven van Middelbaar Onderwijs.
als voren.
5
Het diploma B van machinist ter
Koopvaardij. (1)
a, e, f 1 en f 3.
(1) Het diploma
volgens het Ko-
ninklijk besluit
van 18 Maart
1891 (Staats-
ü
Het diploma C van machinist ter
Koopvaardij. (1).
«, c en f.
blad No. 76) ge-
wij zigd bij dat
7
Een bewijs, uitgereikt door den
Directeur der Inrichting, waaruit
van 8 Mei 1893
blijkt, dat met gunstigen uitslag het
onderwys is gevolgd in de 4de klasse
(Staatsblad
No. 81).
eener Rijks-Kweekschool voor onder-
wijzers , of wel in de 3de of overeen-
komstige klasse eener Hoogere Bur-
gerschool met 3-jarigen cursus of
daarmede overeenstemmende Inrich-
ting van onderwijs.
a-f.
-ocr page 42-
88
Vrijstelling van examen, overeen-
komstig Art. 11 van het gewijzigd
Koninklijk Besluit van 29 September
1893, No. 5, wordt verleend
aan hen die:
De vrijstelling van examen
geldt voor de vakken in Art. 10
van het gewijzigd Koninklijk
Besluit van 29 September 1893,
No. 5, vermeld onder:
f!
Toelichtingen.
een van de hieronder vermelde
examens met gunstige n uitslag hebben
afgelegd
:
Het eindexamen van de Hoogere
Burgerschool met 5-jarigen cursus of
het examen A , bedoeld bij Art. 59 der
Wet van 2 Mei 18U3 (Staatsblad No. 50)
houdende Hegeling van het Middelbaar
Onderwijs, zooals deze laatstelijk ge-
wijzigd is bij de Wet van 15 April 1886
(Staatsblad No 64).
Het examen, bedoeld bij Art. 11
of dat bij Art. 12 der wet van 28
April 1876 (Staatsblad No. 102) tot
regeling van het Hooger Onderwijs,
zooals deze laatstelijk is gewijzigd bij
de Wet van 23 Juli 1885 (Staatsblad
No. 141).
Het toelatingsexamen tot het Ko-
ninklijk Instituut voor de Marine.
Is het examen niet in zijn ge-
heel
met gunstigen uitslag
afgelegd , dan strekt de vrij-
stelling zich uit over die
van de hiervoren genoemde
vakken, waarin bij het examen
voldaan is.
a-r.
Voorts als onder 8.
a — c, e, f 1 en 2.
Voorts als onder 8.
lu
11          Het toelatingsexamen voor de be-
trekking van Adspirant-Administrateur
bij de Zeemacht.
12         Het toelatingsexamen voor de op-
leiding als Machinistleerling der 2de
klasse bij de Zeemacht.
13         Het toelatingsexamen tot de Ca-
dettenschool.
14         Het toelatingsexamen tot de Ko-
ninklijke Militaire Academie.
15         Het toelatingsexamen tot de Rijks
veeartsenijschool.
16         Het eerste gedeelte van het examen
ter benoeming tot Adspirant-surnu-
merair der Üirecte-Belastingen, In-
voerrechten en Accijnsen.
a-r.
Voorts als onder 8.
a. e en ƒ 1.
Voorts als onder 8.
a f.
Voorts als onder 8.
a-r.
Voorts als onder 8.
a, c en d—f.
a—c en e—ƒ.
a-f.
Het eindexamen van de Afdeeling A
der Rijkslandbouwschool.
17
-ocr page 43-
39
De vrijstelling van examen
geldt voor de vakken in Art. 10
van het gewijzigd Koninklijk
Besluit van 29 September 1893,
No. 5, vermeld onder:
Vrijstelling van examen, overeen-
komstig Art. 11 van het gewijzigd
Koninklijk Besluit van 29 September
1893, No. 5, wordt verleend
aan hen die:
16
Toelichtingen.
n
c.
met goed gevolg het examen hebben
afgelegd, gevorderd ter benoeming
tot een van de hieronder vermelde
betrekkingen als Rijksambtenaar of
wel toelating hebben verworven als
leerling tot een der hieronder ge~
noemde inrichtingen van Onderwijs
in een van de daarbij aangegevene
of in een hoogere klasse, studiejaar
of afdeeling.
18    | 4de of overeenkomstige klasse eener
Hoogere Burgerschool of daarmede
overeenstemmende Inrichting van
Onderwijs.
19          1ste klasse der Openbare Handels-
school te Amsterdam.
20          Afdeeling B der Rijkslandbouw-
school.
4de of overeenkomstige klasse van
een Gymnasium of daarmede overeen-
stemmende Inrichting van Onderwijs.
22 i 3de Afdeeling van het Koninklijk
! Instituut voor de Marine.
2de studiejaar van eenen cursus bij
het Wapen der Infanterie.
24          1ste studiejaar van den Hoofdcursus.
25          2de studiejaar van den Hoofdcursus.
26          Kweekeling voor den véterinairen
dienst.
Surnumerair van de Directe Belas-
tingen en van het Kadaster.
28         Surnumerair bij den dienst van
\'s Rijks schatkist.
«-
-/•
a-
-f.
a-
-f-
a
-f
o-f.
f,
d
en
f l en
O)
Ij
en
d-f.
a
-f-
a,
C
en
d-f.
a-
-C
en
f-
«>
c
Ml
fi-
o.
e
en
f-
Adspirant-Landmeter.
29
-ocr page 44-
der
elling.
Vrijstelling van examen, overeen-
De vrijstelling van examen
immer
1 vrijs)
komstig Art. 11 van het gewijzigd
geldt voor de vakken in Art. 10
Koninklijk Besluit van 29 September
van het gewijzigd Koninklijk
Toelichtingen.
P
1893, No. 5, wordt verleend
Besluit van 29 September 1893,
Vol
reden
aan hen die:
No. 5, vermeld onder:
30
Adspirant-Verificateur der Invoer-
rechten en Accijnsen.
a, c en f.
31
Opzichter van \'s Rijks Waterstaat.
a en /*.
32
Surnumerair der Posterijen of der
Posterijen en Telegraphie.
a-c, e en f.
33
Commies der Posterijen benoemd
vóór 1 December 1892.
a-c, e en / 1.
31
Telegrafist, benoemd na 1 April
1894 en klerk der Posterijen en Tele-
graphie.
a—c, e en ƒ 1.
35
Telegrafist, benoemd vóór 1 April
1894 en klerk der Posterijen of der
Telegraphie.
a, b, e en f 1.
36
Commies der Posterijen, benoemd
op of na 1 December 1892 en Commies
der Telegraphie.
a—c, e en f.
37
Leerling-Consul.
a—c en e.
38
Stenograaf bij de Stenografische In-
richting der Staten-Generaal.
a—d.
Mij bekend:
De Minister van Oorlog,
(Gek) SCHNEIDER.
-ocr page 45-
II
13. Beschikking van den Minister van
Oorlog van 12 September 1894, ll*«
afd. n". 55.
Voorschriften ter uitvoering van liet
Koninklijk ieslnif tof vaststelling van het
examen-programma voor de toelating tol liet
reservekader.
De Minister van Oorlog,
Gezien liet Koninklijk besluit van 10 September 1894, n°. 29;
Brengt voorschreven Koninklijk besluit — met de daarbij vast-
gesteldc tabel —, door deze, ter kennis van de Landmacht;
En heeft goedgevonden, ter uitvoering van vermeld besluit bij
deze het navolgende te bepalen:
§ 1. Jaarlijks worden door den Minister van Oorlog eene of
meer commissiën benoemd tot het afnemen van het examen, ver-
meld in Art. 10 van het Koninklijk besluit van 29 September
1893,   n°. 5, zooals dat is gewijzigd bij het Koninklijk besluit
van 3 September 1S94, n°. 64.
Met het examen wordt aangevangen in de maand Juli of
Augustus op den door den Minister van Oorlog te bepalen datum.
§ 2. De aanmelding voor het examen in § 1 bedoeld, geschiedt
aan den hoofdofficier voor het reservekader door eene volgens
model A ingerichte „keimisgeci/ig", welke minstens ééne maand
voor den aanvang van het examen aan dien hoofdofficier moet
worden toegezonden.
Daarbij wordt tevens aangegeven in welke garnizoensplaats de
adspirant het examen zou wenschen af te leggen.
Aan dezen wensch wordt zooveel mogelijk voldaan.
§ 3. Voor hen, die aanspraak meenen te kunnen maken op
gedeeltelijke vrijstelling van het examen worden bij die „kejuiisgeving"
overgelegd de bewijsstukken, waarop die aanspraak is gegrond,
benevens, in voorkomende gevallen, het militair getuigschrift,
bedoeld in het laatste lid van Art. 11 van het gewijzigd Koninklijk
besluit van 29 September 1893, n°. 5. (Model A behoorende bij
de Beschikking van den Minister van Oorlog van 12 September
1894,  Vile Afd., n°. 54).
3*
-ocr page 46-
M
§ 4. De hoofdofficier voor het reservekader zendt de ontvangen
„kennisgevingen", vergezeld van de overgelegde bescheiden, uiterlijk
20 dagen vóór den aanvang van het examen, aan het Departement
van Oorlog.
§ 5. De voorzitter van elk der commissiën, bedoeld in § 1,
roept de adspiranten op en regelt het examen.
Het examen wordt gehouden:
schriftelijk en mondeling in de vakken a, h en c;
mondeling in de vakken d en e;
schriftelijk in het vak ƒ;
bedoeld bij Art. 10 van het gewijzigd Koninklijk besluit van
29 September 1893, n°. 5.
§ 6. Aan den adspirant, die aan bovenbedoeld examen heeft
voldaan, wordt daarvan een „tieioys" uitgereikt, ingericht volgens
model B.
§ 7. Hij die in aanmerking wenscht te komen voor eene vrij-
stelling, zich uitstrekkende over de vakken a tot en met g van
het programma van examen, meldt zich aan bij den hoofdofficier
voor het reservekader met eene volgens model ü ingerichte „kemiis-
geving"
en legt daarbij de stukken over, welke op die vrijstelling
aanspraak geven.
Voldoen deze stukken aan de vereischten, dan wordt den
adspirant door den hoofdofficier voornoemd, een volgens model D
ingericht „ieioijs" uitgereikt.
§ 8. Tot de inrichtingen van onderwijs, bedoeld bij de punten
18 en 21 der tabel behoorende bij het Koninklijk besluit van
10 September 1894, n°. 29, worden gerekend te behooren:
Punt 18.
De Nederlandsche School van Nijverheid en Handel te Enscliedé.
Afdeeling B of O;
De Katholieke Hoogere Burgerschool te Rolduc.
Punt 21.
Het Gereformeerd Gymnasium te Amsterdam;
Het Katholiek Gymnasium te Rolduc en dat te Katwijk a\\d Rijn.
§ 9. De hoofden van openbare of bijzondere scholen, bedoeld
bij Art. 4 van het Koninklijk besluit van 10 September 1894,
n", 29, die voor hunne leerlingen aanspraak wenschen te maken
-ocr page 47-
13
op de daarbedoelde vrijstelling, behooren zieh tot den Minister
van Oorlog te wenden, onder overlegging van het leerplan
hunner school.
Indien dit noodig wordt geoordeeld kan die overlegging telken
jare opnieuw worden gevorderd, vóór den aanvang van het examen
bedoeld bij § 1.
§ 10. Zij, die een examen hebben afgelegd, als vermeld bij
Art. 4 van het in § 9 genoemd Koninklijk besluit en die wenschen
op grond daarvan de vrijstelling te erlangen, in dat Koninklijk
besluit bedoeld, wenden zich tot den Minister van Oorlog onder
overlegging van de bescheiden, waaruit van den aard en den
uitslag van het examen blijkt.
§ 11. De Minister van Oorlog beslist in de gevallen bij § 9
en § L0 bedoeld, in hoeverre vrijstelling van het examen, vermeld
bij Art. 10 van het gewijzigd Koninklijk besluit van 21 September
1893, n°. 5, wordt verleend, en deelt deze beslissing aan den
belanghebbende en aan den hoofdofficier voor het reservekader mede.
§ 12. Tot de examens, bedoeld bij Art. 4 van het Koninklijk
besluit van 10 September 1894, n°. 29, wordt gerekend te be-
hooren het toelatingsexamen tot de Vrije Universiteit. Aan dit
examen, met goed gevolg afgelegd, is vrijstelling van de vakken
a tot en met ƒ", in Art. 1 van dat besluit vermeld, verbonden.
-ocr page 48-
Model A.
KENNISGEVING.
(Kan ongezcgc worden ingediend, doch moet worden gelegaliseerd.)
De ondergeteekende (a)
wonende te (A)
(c) — ingevolge de hiernevens gevoegde notarieel opgemaakte
machtiging ten aanzien van den na te melden minderjarige
voor den lastgever optredende iils ——r ,
voogd
heeft de eer, ter kennis te brengen van den Hoofdofficier voor
het Itescrvekader
M) dat 31 32ü \'
haar pupil /
(e) dat (/)
aan het in 189 te houden examen voor toelating tot de
verbintenis als vrijwilliger voor het reservekader wenseht deel
te nemen en dat examen zoo mogelijk te (ff)
wenseht af te leggen.
JËS. verleent voorts toestemming aan ,zlJnen voornoemden
Zij
                                                         haren
" om — ingeval hij aan bedoeld examen voldoet — eene
pupil
verbintenis aan te gaan om den Staat gedurende den tijd van
zes jaren als vrijwilliger voor het Eeservekader te dienen.
(*)
(0
(o) Naam en voornamen van den vader, de moeder, den voogd of den gemachtigde.
(b)  Naam der plaats van inwoning.
(c)  Het hiervolgende door te slaan indien de kennisgeving door den vader, de
moeder of den voogd wordt ingediend.
(<0 Het hiervolgende door te slaan indien de kennisgeving door een gemachtigde
wordt ingediend.
(e)  Voornamen van den adspirant.
(f) Naam en voornamen van den adspirant.
(tj) Naam der plaats waar de adspirant examen wenseht af te leggen.
(h) Dagteekening en jaartal.
(O Handteckening van den vader, de moeder, den voogd of den gemachtigde.
-ocr page 49-
45
Bijlagen over te leggen bij de kennisgeving.
1°. Een extract uit het register der geboorten (geboorte-akte) be-
trefl\'ende den adspirant;
2°. Eene verklaring, af te geven door den Burgemeester der
Gemeente, waar de adspirant woont, dat deze ongehuwd is;
3°. Eene verklaring, waaruit blijkt dat de adspirant is ingezeten
van liet Rijk, overeenkomstig Art. 15 der wet van 19 Augustus
1861 (Staatsblad n°. 72) betrekkelijk de Nationale Militie;
4°. C. q. de notarieel opgemaakte machtiging om voor den vader
of voogd van den adspirant als lastgever op te treden;
5°. C. q. de stukken, op grond waarvan aanspraak wordt gemaakt
op gedeeltelijke vrijstelling van het programma van examen,
bedoeld bij Art. 1 van het Koninklijk besluit van 10 September
1894, n°. 29;
6°. C. q. het „Militair getuigschrift" genoemd in Art. 11 van het
gewijzigd Koninklijk besluit van 29 September 1893, n°. 5.
-ocr page 50-
46
Modei, B.
BEWIJS.
De Commissie, bij de lïeschikking van den Minister van Oorlog
van
                                         benoemd tot liet afnemen van het
examen, vermeld in Art. 10 van het gewijzigd Koninklijk besluit
van 29 September 1893, n°. 5, van hen, die wenschen te worden
toegelaten tot de verbintenis als vrijwilliger bij het reservektider,
verklaart bij deze, dat door den adspirant
w
op den (JJ)
te (c)
bedoeld examen met gunstigen uitslag is afgelegd.
(rf)
(«)
(a) Naam en voornamen van den adspirant.
(6) Datum of data waarop het examen gehouden is.
(c)   Naam der plaats waar het examen is afgenomen.
(d)   Dagteekening en jaartal.
(e)   Handteekening van de leden der Commissie.
-ocr page 51-
47
Model C.
KENNISGEVING.
(Kan ongezegeld «orden ingediend, docli moei worden gelegaliseerd.)
De ondergeteekende (a)
wonende te (b)
(c) — ingevolge de hiernevens gevoegde notarieel opgemaakte
machtiging — ten aanzien van den na te melden minderjarige
voor den lastgever optredende als -—,,
voogd
heeft de eer, ter kennis te brengen van den Hoofdofficier voor
het Eeservekader
(«QdatSüL £??B. -W.
haar pupil (ƒ)
[» dat (ƒ)
in aanmerking wenscht te komen voor eene vrijstelling, zich
uitstrekkende over de vakken a tot en metg, van het programma
van examen, bedoeld bij Art. 1 van het Koninklijk besluit
van 10 September 1894, n°. 29.
—i verleent voorts toestemming aan —J----- voornoemden
Zij                                                          liaren
om eene verbintenis aan te gaan om den Staat gedurende
pupil
den tijd van zes jaren, als vrijwilliger voor het Eeservekader
te dienen.
w
(*)
(a)  Naam en voornamen van den vader, den voogd of den gemachtigde.
(b)  Naam der plaats van inwoning.
(e) Het hiervolgende door te slaan indien de kennisgeving door den vader, de
moeder of den voogd wordt ingediend.
(d)  Het hiervolgende door te slaan indien de kennisgeving door een gemach-
tigde wordt ingediend.
(e)   Voornamen van den adspirant.
(ƒ) Naam en voornamen van den adspirant
(g) Dagteekening en jaartal.
(/i) Handteekening van den vader, de moeder, den voogd of den gemachtigde.
-ocr page 52-
48
Bijlagen over te leggen bij de kennisgeving.
1°. Een extract uit liet register der geboorten (geboorte-akte) be-
treffende den adspirant;
2°. Eene verklaring, af te geven door den Burgemeester der
Gemeente waar de adspirant woont, dat deze ongehuwd is;
3°. Eene verklaring, waaruit blijkt dat de adspirant is ingezeten
van het Rijk, overeenkomstig Art. 15 der wet van 19 Augustus
1861 {Staatsblad n°. 72) betrekkelijk de Nationale Militie;
4°. C. q. de notarieel opgemaakte machtiging om voor den vader
of voogd van den adspirant als lastgever oj) te treden;
5°. De stukken welke aanspraak geven op de vrijstelling.
-ocr page 53-
49
Model D.
BEWIJS.
De Hoofdofficier voor het Keservekader
verklaart bij deze dat de adspirant voor het Keservekader
w
wonende te (E)
op grond van het bepaalde bij punt (c) der tabel, behoorende bij
het Koninklijk besluit van 10 September 1894, n°. 29, aanspraak
heeft op eene vrijstelling, zich uitstrekkende over de vakken a tot
en met ff van het programma van examen, bedoeld in Art. 1 van
vermeld Koninklijk besluit.
(d)
(e)
(\'<) Naam en voornamen van den adspirant.
(6) Woonplaats van den adspirant.
(c) Punt der tabel, op grond waarvan de vrijstelling wordt verleend.
00 Dagteekening en jaartal
(e) Handteekening.
-ocr page 54-
50
Deelt wijders mede, dat het examen van hen, die wenschen te
worden toegelaten tot de verbintenis als vrijwilliger voor het
reservekader, voor 1894, bij uitzondering, zal plaats hebben op
30 October e. k. en zoo noodig op de daarop volgende dagen.
(Get.) SCHNEIDEB.
E. Koninklijk besluit van den 318tcI> Maart
1894, (Staatsblad n". 52).
Vaststelling der bepalingen betreffende liet
geneesfinndig onderzoek omtrent de geschikt-
Jieid voor den krijgsdienst van vrijwilligers
voor het lteservekader.
In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de
Gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van
ÜRANJE-NaSSAÜ , ENZ., ENZ., ENZ.
Wij EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het
Koninkrijk ,
Op de voordracht van den Minister van Oorlog van 28 Maart 1894,
Kabinet, Litt. X";
Gezien de Koninklijke besluiten van 2 November 1883 {Staats-
blad
n°. 151), houdende vaststelling yan nieuwe reglementen op
het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den
dienst bij de zee- en landmacht, en
van 29 September 1893, n°. 5, betreffende de vorming en
opleiding van reservekader;
Hebben goedgevonden en verstaan, met aanvulling in zooverre
van het laatstaangehaalde Koninklijk besluit, te bepalen:
Het geneeskundig onderzoek nopens de geschiktheid voor den
vrijwilligen dienst bij het reservekader zal, behoudens het navol-
gende, geschieden:
1°. naar de beginselen en voorschriften van het bij eerstgemeld
besluit, onder B, vastgesteld reglement op het geneeskundig
onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van
-ocr page 55-
51
militieplichtigen en van hen, die als vrijwilliger, plaatsvervanger
of\' nummer ver wisselaar bij de militie wenschen te worden toegelaten
of als zoodanig zijn ingelijfd;
2°. met inachtneming van het bepaalde bij de Koninklijke
besluiten van 30 November 1883 {Staatsblad n°. 162) en van
21 December 1883 (Staatsblad n°. 247).
Bij dat onderzoek zullen echter de nommers 156, 190 en 192,
bij art. 7 van gemeld reglement bedoeld, worden gelezen, met
inachtneming van hetgeen voorkomt in de bijlage van dit besluit.
De Minister van Oorlog is belast met de uitvoering van dit
besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.
\'s Gravenhage, den 31sten Maart 1894.
(Get) EMMA.
De Minister van Oorlog,
(Get.) SEYFFARDT.
Uitgegeven den twaalfden, April 1894.
Be Minister van Justitie,
(Get.)
smidt.
-ocr page 56-
52
Behoort bij Koninklijk besluit                                                       BlJLAGE.
van 31 Maart 1894 (Staatsblad n». 52).
N°. 156. In plaats van de aan het slot voorkomende woorden:
„zonder aanwending van glazen"
te lezen:
„met de meest verbeterende glazen; zullende dit tevens in acht
genomen moeten worden bij het bepalen der gezichtsscherpte, in
het geval, bedoeld bij n°. 186".
N°. 190, te lezen als volgt:
„Bijziendheid (myopia);
a.  van 3.5 en meer Dioptrieën van het rechter-oog, ook wanneer
het linker-oog normaal is;
b.    van 5 en meer Dioptrieën van het linker-oog, ook wanneer
het rechter-oog normaal is."
N°. 192, te lezen als volgt:
„Verschil van breking in twee tegenovergestelde meridianen van
het oog (regelmatig astigmatismus):
I.  eenvoudig astigmatismus:
a.  van 4.5 en meer Dioptrieën van het rechter-oog, ook wanneer
het linker-oog normaal is;
b.    van 6 en meer Dioptrieën van het linker-oog, ook wanneer
het rechter-oog normaal is;
II.  samengesteld en gemengd astigmatismus:
a.  op het rechter-oog, wanneer in den sterkst afwijkenden meridiaan
een brekingsafwijking van 4.5 Dioptrieof meer bestaat, ook wanneer
het linker-oog normaal is;
b.  op het linker-oog, wanneer in den sterkst afwijkenden meridiaan
een brekingsafwijking van 6 Dioptrieën of meer bestaat, ook wanneer
het rechter-oog normaal is.
Mij bekend:
Be Minister van Oorhtj,
(Get.) SEYFFARDT.
-ocr page 57-
53
F. Beschikking van den Minister van Oorlog
van 12 September 1894, III*1» afd. n°. 56.
De Minister van Oorlog,
Gezien het Koninklijk besluit van 31 Maart 1894, (Staatsblad vP. 52);
Brengt voorschreven Koninklijk besluit — met de daarbij vast-
gestelde bijlage —, door deze, ter kennis van de Landmacht;
Voegt daarbij de mededeeling, dat, krachtens Koninklijke mach-
tiging, aan vrijwilligers voor het reservekader het dragen van
vaste brillen in dienst, bij gebleken noodzakelijkheid, kan worden
vergund op denzelfden voet, als dit laatstelijk ten aanzien van
officieren der Landmacht bepaald werd.
{Gel.) schxeider.
Gr. Beschikking van den Minister van Oorlog
van 22 September 1894, Vll\'\'« afd. n°. 124.
Uitreiking van getuigschriften aan vrij-
willigers voor het lleservekader, aanspraak
gevende op vrijstelling van het afleggen van
proeven van bedrevenheid in den wapenhandel.
De Minister van Oorlog,
Overwegende, dat ingevolge dezerzijdsche machtiging aan jonge-
lieden, die het voornemen hebben te kennen gegeven zich in den
loop van dit jaar bij het\'reservekader te verbinden en blijken hebben
gegeven van voldoende bedrevenheid in de behandeling van het
geweer, een getuigschrift is uitgereikt, aanspraak gevende op de
vrijstelling van het afleggen van proeven van bedrevenheid in den
wapenhandel, bedoeld bij de laatste zinsnede van artikel 11 van
het Koninklijk besluit van 29 September 1893, n°. 5;
dat echter op die getuigschriften de aanteekening is gesteld, dat
zij geldig zijn tot 1 Oetober 1S94, zoodat, nu het examen van hen
die wenschen te worden toegelaten tot de verbintenis als vrijwilliger
voor het reservekader dit jaar bij uitzondering eerst zal aanvangen
op 30 Oetober, voorziening ten deze noodig is;
-ocr page 58-
54
Overwegende voorts dat, gelet op de bepalingen van genoemd
Koninklijk besluit van 29 September 1893, n°. 5, zooals die
luiden na de wijzigingen daarin gebracht bij het Koninklijk
besluit van 3 September 1894, n°. 64, er jongelieden van den
leeftijd van 17 of 18 jaar kunnen zijn, die zich nog in dit jaar bij
het reservekader zouden wenschen te verbinden, doch die zich nog
niet in den wapenhandel hebben geoefend;
Heeft goedgevonden te bepalen:
1°. de hiervoren bedoelde reeds uitgereikte getuigschriften van
voldoende bedrevenheid in de behandeling van het geweer, zullen
geldig blijven tot 1 December 1894;
2°. aan jongelieden van den leeftijd van 17 of 18 jaren, die zich
nog niet in den wapenhandel hebben geoefend, doch met gunstigen
uitslag deelnemen aan het in dit jaar voor de eerste maal te houden
toelatingsexamen voor het reservekader, voor zooveel betreft de
vakken a—f van het programma, kan voor ditmaal worden uitgereikt
het gewone bewijs model B, bedoeld bij § 6 van de Beschikking
dezerzijds van 12 September 1894, II» Afd., n°. 55, met dien
verstande, dat in dit bewijs aan den laatsten regel, achter het
woord „afgelegd", als aanteekening moet worden toegevoegd: „in
de vakken a—f van het programma".
"Verkrijgen de hierbedoelde jongelieden vóór 1 Januari 1895
het getuigschrift model A, vastgesteld bij de 15eschikking dezerzijds
van 12 September 1894, VHe Afd., n°. 54, voor voldoende bedre-
venheid in de behandeling van het geweer, dan zullen evenvermeld
aan hen uitgereikt bewijs en getuigschrift worden gelijkgesteld met
het gewone bewijs model B, en kunnen daaraan mitsdien dezelfde
aanspraken worden ontleend.
(Get.) SCHNEIDEE.