-ocr page 1-
>viir/) II L/9?                          /?.                   J3
1 .                     I3t./c/ftne2z-
Nederlandsche Vereeniging van Paediatrie.
(Goedgekeurd bij Kou. Best. van 25 Maart 1895, n». 22.)
RAPPORT
der Commissie, benoemd in de Algemeene Vergadering van
23 Juni 1894 te Groningen, ten einde te onderzoeken
welke veranderingen en verbeteringen er zouden kunnen
aangebracht worden in de Wet houdende voorzieningen
tegen besmettelijke ziekten, opdat z\\j meer en meer
beantwoorde aan haar doel: besmettelijke ziekten te
weren.
UTRECHT
J. L. BE1JERS
1896.
-ocr page 2-
. -
-\'
-
-ocr page 3-
;%#\'":
RAPPORT der Commissie, benoemd in de Algemeene
Vergadering der Ncderlaitilxcha Vereeniging voor
Paediatrie
(Goedgekeurd hij Koninklijk Besluit van
25 Maart 1895, n°. 22) van 23 Juni\' l894teGro-
ningen, ten einde te onderzoeken welke verande-
ringen en verbeteringen er zouden kunnen aange-
bracht worden in de Wet houdende voorzieningen
tegen besmettelijke ziekten, opdat zij meer en meer
beantwoorde aan haar doel: besmettelijke ziekten
te weren.
Onderzoek nuar liet aantal overledenen aan de in de Wet
genoemde besmettelijke ziekten (met uitz. van eliolera
asiatioa en dysenterie en met toevoeging van kink-
hoest) over de jaren 1867-1873 en 1873—1879.
Bij het samenstellen van de statistiek der gevallen van
overlijden aan de in de Wet genoemde besmettelijke ziekten,
met uitzondering van Aziatische cholera en Dysenterie eii met
toevoeging van Kinkhoest, kon ik slechts beschikken over 6
jaren vóór, en dus ook 6 jaren na de invoering der wet van
4 Dec. 1872. De opgaven van het jaar 1866 toch zijn vol-
gens het Jaarverslag van het Geneeskundig Staatstoezicht te
onbetrouwbaar om te gebruiken. Wilde men de werking der
wettelijke voorschriften nagaan, dan behoorde eigenlijk het
aantal ziektegevallen, de morbiditeit en niet het aantal sterfge-
vallen, de mortaliteit, de toetssteen te zijn.
Behalve de onmogelijkheid om hiervoor de gegevens te ver-
zamelen van vóór 187\'i en de moeilijkheid dit te doen van
na dien tijd, stort men zich dan nog in een poel van fouten,
omdat het met de uitvoering der verplichting tot aangifte van
de \'ziektegevallen vrij treurig gesteld is. Van vele huis-epide-
mieën wordt alléén het eerste geval gemeld, wanneer ten minste
nog aangifte van het bestaan der ziekte wordt verricht; van
kinkhoest is de aangifte niet vereischt.
I
-ocr page 4-
2
De morbiditeit levert dus geeu maatstaf en zoo blijft slechts
de mortaliteitsstatistiek over.
Schoon het aantal sterfgevallen, daar de verschillende epide-
mieën in hevigheid uiteeuloopen, geeu juiste maat is voor het
aantal lijders, en ook in déze opgaven nog wel fouten zullen
schuilen (b.v. verwisseling van croup en diphtheritis, croup
en pneumonia catarrhalis, typhus en febris continua secundaria),
zoodat de absolute waarde der cijfers niet geheel betrouwbaar
mag worden geacht, zijn de fouten in de aangifte vau de
oorzaken van den dood over de beide jaargroepen meer gelijk,
en komen dus de relatieve waarden der cijfers meer overeen.
Uit de opgaven van de verslagen van het Geneeskundig
Staatstoezicht, hierbij gaand la en lb tot en met 7a en 7b, heb
ik getrokken het volgende staatje. In het Ilyk stierven aan:
geheel aantal
overledenen van
1867 t. e. m. 1872.
geheel aantal
overledenen van
1878 t. e. m. 1878.
gemiddeld aantal
overledenen van
1867 t. e. m. 1872.
cd s e»
•*j eö on
8 P d
s S «
•S Ji
Ml ° CC
1873t.e.m.
1878.
aantal overledenen
per 1000 inw. van
1867 t. e. m. 1872.
aantal overledenen |
per 1000 inw. vau
1872 t. e. m. 1878.1
1H67 t.o.m.
1872.
i873t.e.m.
1878.
1887 i.f.in.
1872.
1867 t.e.m.
1872.
187St.e.m.
1878.
Mazelen. . . .
8943
5209
1490
868
0.385
0220
Itoodvonk. . .
30:23
2314
504
368
0.130
0.070
Diphtheritis. .
3451
2070
575
345
0.150
0.080
6497
5303
1083
884
0.280
0.230
Diphth - - Croup.
9948
7373
1658
1229
0.430
0.310
Pokken . . . .
20959
826
3493
138
0.900
0.035
Typh. 4-Febris
typhoïd. .
49838
8020
3306
1337
0.870
0.345
Kinkhoest. . .
7985
7621
1331
1270
0.356
0.331
Ui\' Rtüi-fte in het Kij
van de levonloo
i bedroeg ii
* aangegeve
i dezelfde j.
nen gemidd
reu met in
jegrip
27.33
25.66
-ocr page 5-
3
Iii het zestal jaren na de invoering der Wet op de besmet-
telijke ziekten is het sterf teeg ter in alle rubrieken dus aan-
nierkelijk lager dan in de daaraan voorafgegane 6 jaren.
Slechts de kinkhoest maakt daarop eene uitzondering; want
het verschil tusscheu de twee cijfers, deze ziekte betreffende,
staat in geen verhouding tot dat der anderen. Het feit, dat
het aantal sterfgevallen aan de in de Wet van 4 Dec. 1872
genoemde besmettelijke ziekten is verminderd, terwijl dat aantal
voor eene niet iu die Wet genoemde ziekte, m. n. de kink-
hoest, ongeveer gelijk bleef\' per 1000 inwoners, zou er op
wijzen dat de wet gunstig werkt.
Een toename in het aantal sterfgevallen kon men trouwens
als gevolg van de Wet ook niet verwachten, maar de enorme
daling, die b.v. in de sterfte aan typhus valt waar te nemen
(in de jaren 1867 tot en met 187*2 een vrij constant cijfer
van ± 3300 per jaar of 0.87 per 1000 inwoners, terwijl dit
in de jaren 1873 tot en mat 1878 zonder geleidelijken over-
gang daalt tot ± 1300 of 0,345 per 1000 inwoners) bracht
mij tot de overtuiging, dat behalve de gunstige werking der
verplichte aangifte etc, nog één of meer zeer belangrijke fac-
toren elders moesten schuilen.
Waarschijnlijk werd, eer de wet aan de hoofden der huis-
gezinnen de dikwjjls lastige en schadelijke briefjes, bij eene
besmettelijke ziekte in de wet genoemd, oplegde, te. véél tot
typhus gerekend, maar werd, toen de medicus na 1872 zich
tweemalun bedacht, vóór hij eene ziekte tot de typheuse aan-
doeningen rekende, typhus eer te min, dan te veel als oorzaak
van den dood opgegeven. Behalve misschien andere, minder in
\'t oog springende factoren, verklaart deze waarschijnlijkheid de
snelle daling van 3084 gevallen van overlijden in 1871 tot
1240 in 1874.
Evenwel blijkt uit een onderzoek over de volgende jaren, tot
en met 1891, dat ik voor alle bedoelde ziekten heb verricht,
juist omdat de fouten in groepen van G jaren vóór en na du
-ocr page 6-
\\
wet zoo ongelijk en tevens betrekkelijk zoo groot waren, terwijl
eene gunstige werking der wet ook zonder vergelijking met
ééne even lange periode vóór 1872 wel uit de daling der sterf*
gevallen per 1000 zou blijken, dat de typhus hoe langer zoo
minder slachtoffers in ons land heeft gemaakt.
Voor een deel, althans voor den typhus exanthein., wil ik dit
wel toeschrijven aan de wering der besmetting door het wette-
lijk kenmerk, het verbod van vervoer met een openbaar vervoer-
middel, het verbod van bezoek der scholen door de huisgenoo-
ten etc, voor een zeer groot gedeelte, speciaal ten opzichte van
typhus abdominalis, moet de afname worden gebracht op reke-
ning van betere hygiënische maatregelen en betere behandeling.
Het aandeel van beiden te bepalen, is niet mogelijk.
(Zie tabel A met graphische voorstelling C en tabel B.)
Dat de pokkeu als oorzaak van den dood sterk zijn gedaald,
ligt voor de hand ; de redenen daarvan, ruimere vaccinatie, en
zeker ook de maatregelen die de wet voorschrijft, springen
zonder nader onderzoek ia het oog. Het eerste zestal jaren
geeft een bijzonder ongunstig cijfer aan, hoofdzakelijk ten ge-
volge van de enorme sterfte in het jaar 1871, n.1. 15787 of
4.3 per 1000 inwoners.
Om het accidenteele van dit cijfer en om boven vermelde,
slechts voor deze ziekte geldende reden (vaccinatie), heb ik in
vele becijferingen de pokken uitgezonderd.
Zooals reeds eerder is opgemerkt, voor alle besmetielijke
ziekten, behalve voor de niet in de wet genoemde kinkhoest,
vindt men in de eerste 0 jaren na 187\'2, ten opzichte van de
voorafgegane 0 jaren eene sterke daling.
Zelfs de mazelen, eene ziekte ten opzichte waarvan voorzorgs-
maatregelen van de wet m. i. toch weinig invloed zullen uit-
oefeneu, deelen in deze daling.
Hierin ligt eene vingerwijzing, om uit de vergelijking der
2 jaargroepen geene conclusie te trekken, dan deze, dat naar
beide zijden fouten liggen, die haar onbetrouwbaar maken.
-ocr page 7-
5
Dit resultaat van een onderzoek, dat vrij tijdroovend was,
was mij echter te onbevredigend.
Daardoor geleid, heb ik het voortgezet tot en met het jaar
1891, het laatste jaar, waarover de verslagen vau het genees-
kundig staatstoezicht zijn gepubliceerd.
Wanneer men de 6 jaren vóór 1872, die èn in de algemeene
sterfte (27.33 gemiddeld per 1000 inwoners) èn in de sterfte
aan de, in de latere wet genoemde, besmettelijke ziekten, hooge
cijfers opleveren, buiten beschouwing laat, blijkt (zie A, 13, C en D)
1°. dat de algemeene sterfte jaarlijks daalt eii dat deze ge-
middeld over de jaren 1872—1879 25.66 per 10OO inw.,
1879 — 1885 24.07 per 1000 inw., 1885—1892 22.46 per
1000 inw. bedraagt (zie B);
2°. dat in de eerste 6 jaren na 1872 als oorzaak vau den
dood minder veelvuldig de in de wet genoemde besmettelijke
ziekten zijn opgegeven, dan in de 2 volgende jaargroepen van
G jaren (uitgezonderd typhus) (zie B);
3°. dat de kinkhoest per 1000 inwoners in de 4 jaargroepen
een vrij wel even groot aantal slachtoffers maakte (zie B);
4°. dat mazelen -f" roodvonk croup -f- diphtheritis -f-
typhus gemiddeld per jaar gezamenlijk voor
± 3.8 °/0 deelnamen in de algemeene sterfte 1873—74,
± 4 "/„         »            » »           »             » 1879—85,
±4.5%          a            * *          *             * 1885—91,
zoodat het aantal overledenen aan deze besmettelijke ziekten
gezamenlijk, in verhouding tot de algemeene sterfte, is ge-
rezen (zie B);
5". dat ook het aantal overledenen aan kinkhoest in ver-
houding tot de algemeene sterfte eerder rijst dan daalt:
Waaruit als conclusie valt te trekken:
«. dat ten opzichte van de sterfte aan alle ziekten gunstige
factoren hoe langer zoo meer zicli hebben doen gelden, zoodat
de sterfte afnam;
b. dat deze gunstige factoren zich niet in die mate doen
-ocr page 8-
6
geldeu voor de iu de wet genoemde besmettelijke ziekten
(behalve pokken en typhas, waarvoor dit wel en in sterke
mate het geval is, en cholera asiatica en dysenterie, waarover
zich dit onderzoek niet uitstrekt), zoodat het sterftecijfer aan
deze besmettelijke ziekten in de laatste jaargroep zelfs klom
per I00<> inwoners en nog meer in verhouding tot de alge-
meene sterfte.
Gemiddelde sterfte aan de besmettelijke ziekten per duizend
inwoners (uitgezonderd cholera asiatica, dysenterie, pokken :
a.   0.548 (1879—1885) en a\' 1.011 (1885—1891)
Gemiddelde algemeene sterfte per jaar
b.   24.07 (1879—1885) en b\' 2\'2.46 (1885-1891)
a = ± 4 % van \';; a\' = ± 4.5 %> van h\'•
Als verklaring van de steeds grooter wordende relatieve plaats,
door de cijfers van de aan besmettelijke ziekten overledenen,
ingenomen in de algemeene sterfte, zou men kunnen aannemen
de daling van de laatste, doordat bv. de toepassing der anti-
en asepsis in chirurgie en obstetrie meer het cijfer van de
algemeene sterfte dan dat van de aan besmettelijke ziekten
overledenen zal doen dalen, zoodat liet laatste betrekkelijk rijst.
Dit behoefde dus tegen eene gunstige werking der wet niet
te pleiten.
Vóór eene gunstige werking der wettelijke bepalingen zouden
de, zeker niet onverwacht, dalende cijfers van overledenen aan
typhus, (roodvonk) en pokken kunnen pleiten.
Doch de absolute stijging van de cjjfers, betreffende het ge-
middeld aantal overledenen, iu de 3 zesjaarlijksche groepen
na 1872, aan :
-ocr page 9-
7
Gemiddeld per 1000 inwoners per jaar.
1873—79.
1879—85.
1885—91.
0.225
0.297
0.34
(0.097
0.125
0.112)
0.086
0.093
0.156
0.23
0.23
0.27
0.310
0.323
0.426
1- Mazelen . . . .
2.   (ltoodvonk) . . .
3.   Diphtheritia .
4.  Croup .....
3 4. Diphth.-fCronp
legt ten opzichte van de werking der wettelijke bepalingen
tegenover deze besmettelijke ziekten, geen gunstig getuigenis af.
De wenschen ten opzichte van eene eventueele wijziging der
Wet van 4 Dec. 1872, gedeeltelijk op deze statistische bewer-
kingen gebaseerd, vindt men opgenomen in het Eindrapport.
G. SCHELTEMA,
Arts.
Groningen, 2 April 1895.
-ocr page 10-
9
8
Tabel A.
Bkvattknue:
Aantal  inwoners van het Kijk.
,      overledenen in liet Kijk (uut inbegrip
,             „ , per duizend
,             , , aan <le bedoelde
van levenloos aangegeven).
inwoners.
besmettelijke ziekten.
,                  „ per duizend inwoners.
ï.
•3
•110
1
1
nk.
rtal.
i 1:1,,
= = « .s-S
ii,\' h
verleden
azelen.
•s§
en aan
vonk.
inwoners
n Roodvc
.i
•z
9
03
_ > .» 6 - E
= x 2 \' £•= = s
0 «
z. X O -.
J3
•"
-
I-j
Aanta
he
Aantal ov
Rijk nu
1 overledi
inwoner
Op duize
ove
Aantal
aan
11
Overl
Roe
Op 100
overleden 1
J3
O.
5
1*07
3552507
91209
, 25.07 ! 750
\\ 26.86 1080
0.21
565
0.15
537
I869| 3502410 | 00514
0.47
325
0.09
526
1869
3628468 ; .s«»157
geinidd. 24.57 1095
0.3
283
0.07
(i49
1876
3052071 100076
;>?.:\'>:: / 27.39 1955 0.53
\'31.40 1230 0.34
200 0.07
099
1871
3032237 il 142*4
002 0.18
548
1879
3687285 i101007
28.03 ! 2227 1 0.01
I
922 i 0.2
492
1873
3074402 ; 00044
20.3 751 0.2
819 ! 0.2
422
1874
3715737 02075
i 24.94 , 550 0.15
gemidd.127.78 1190 0.32
506 0.15
332
187*
3707203 104470
244 0.00
402
1*70
3800527 07797
:>:>.<!<; i 25.67 i 870 : 0.22
f 24.25 578 I 0.14
103
0.02
304
187?
38G5450 03703
136
0.04
327
1878
3024702 ; 9S481
25.09 1204 i 0.32
440
0.11
283
1879
3981887 98099
\' 24.04 J093 0.27
039
0.10
254
1880
4012093 102*07
[ 25.02 j 1305 i 0.34
gemidd.\\ 28.51 875 0.22
479
0.12
250
1881
4060580 05447
401
o.l
238
1888
4114015 93396
24.07 ,22.70 784 0.19
(23.80 i 1012 0.24
275
0.07
314
188»
4172971 99333
259
0.00
554
1884
4225005 102014
24.14 j 2193 |0.52
1017
0.24
703
1885
4278272 98090
22.93 057 | 0.15
1280
0.30
718 1
1880
4336012 108040
[23.77 2035 0.47
gemidd.121.60 1541 0.35
844
0.195
814
1887
4390857 94842
428
0.097
689
1888
4450870 «tooi 2
ÜliAH 122.25 1055 0.372
\'21.88 102O 0.30
188
0.042
535 1
1**» 4505932 OS577
98
0.022
058
1890
4510815 100620
122.81 1520 0.338
77
0.017
671
1891
4504505
102210
[ 22.39
1331
0.291
74
0.0I6;
684
Croup.
Croup.
D
O
U
O
X
*-£
\'E
o
ja
•**
ja
ft
3
0
u
ü
\'ü
a>
-q
-=
a
(5
Pokkon.
Pokken.
Typhus Febris
typhoïd.
T.
\'E
0
feT3
1
ft
^*
H
0
M
2
Kinkhoest.
Jaartal.
990
0.28
1527
0.43
542
0.15
3240
0.91
1284
0.30
1807
1044
0.29
1570
0.42
143
0.03
3754
1.0
1141
0.319
1*08
1220
0.33
1809
0.50
50
0.01
3424
0.9
10H4
0.29
1809
1356
0.30
2055
0.55
700
0.19
3438
0.9
1139
0.31
1*7©
1133
0.31
1081
0.40
15787
4.3
3084
0.849
1045
0.28
1871
754
0.18
1240
0.28
3731
1.2
2892
0.795
2292
0.03
1878
«70
0.23
1292
0.33
351
0.09
1900
0.5
1120
0.30
1873
931
0.25
1203
0.33
130
0.03
1240
0.33
866
0.23
1*74
1190
0.31
1592
0.41
195
0.05
1300
0.34
1404
0.37
1*75
941
0.24
1245
0.31
113
0.029
130::
0.34
997
0.20
1*70
741
0.19
1008
0.27
20
0.001;
1055
0.27
1827
0.47
1*77
630
0.16
913
0.23
11
0.002
1150
0.29
1427
0.30
1*78
029
0.15
883
0.21
si
0.002
829
0.2
912
0.22
1*79
532
0.13
788
0.19
79
0.02
964
0.24
1847
0.46
I88O
503
0.14
801
0.2
70
0.02
877
0.22
1020
0.4
1881
831
0.2
1145
0.28
153
0.04
813
0.2
1033
0.4
1888
1579
0.38
2133
0.51
073
0.10
765
0.18
1190
0.29
188»
1573
0.37
2270
0.54
02
O.Ol
704
0.1S
994
0.24
1884
1442
0.34
2160
0.51
31
0.0O7
571
0.13
1955
0.40
18*5
1491
0.34
2305
0.53
72
0.O17
670
0.15
1826
0.31
1*80
1330
0.30
2019
0.40
18
O.0O4
568
0.13
973 !
0.22
1887
1031
0.232
1500
0.452
1
556
0.125
1864
0.419
1888
948
0.21
1000
0.350
10
0.002
022
0.138
1273
0.283
1880
822
0.182
1493 |
0.331
1
—
579
0.128
1270 :
0.283
1890
805
0.19
1549
0.341
10
0.002
031
0.14
1049
0.30
1*91
-ocr page 11-
9
8
Tabel A.
Bkvattknue:
Aantal  inwoners van het Kijk.
,      overledenen in liet Kijk (uut inbegrip
,             „ , per duizend
,             , , aan <le bedoelde
van levenloos aangegeven).
inwoners.
besmettelijke ziekten.
,                  „ per duizend inwoners.
ï.
•3
•110
1
1
nk.
rtal.
i 1:1,,
= = « .s-S
ii,\' h
verleden
azelen.
•s§
en aan
vonk.
inwoners
n Roodvc
.i
•z
9
03
_ > .» 6 - E
= x 2 \' £•= = s
0 «
z. X O -.
J3
•"
-
I-j
Aanta
he
Aantal ov
Rijk nu
1 overledi
inwoner
Op duize
ove
Aantal
aan
11
Overl
Roe
Op 100
overleden 1
J3
O.
5
1*07
3552507
91209
, 25.07 ! 750
\\ 26.86 1080
0.21
565
0.15
537
I869| 3502410 | 00514
0.47
325
0.09
526
1869
3628468 ; .s«»157
geinidd. 24.57 1095
0.3
283
0.07
(i49
1876
3052071 100076
;>?.:\'>:: / 27.39 1955 0.53
\'31.40 1230 0.34
200 0.07
099
1871
3032237 il 142*4
002 0.18
548
1879
3687285 i101007
28.03 ! 2227 1 0.01
I
922 i 0.2
492
1873
3074402 ; 00044
20.3 751 0.2
819 ! 0.2
422
1874
3715737 02075
i 24.94 , 550 0.15
gemidd.127.78 1190 0.32
506 0.15
332
187*
3707203 104470
244 0.00
402
1*70
3800527 07797
:>:>.<!<; i 25.67 i 870 : 0.22
f 24.25 578 I 0.14
103
0.02
304
187?
38G5450 03703
136
0.04
327
1878
3024702 ; 9S481
25.09 1204 i 0.32
440
0.11
283
1879
3981887 98099
\' 24.04 J093 0.27
039
0.10
254
1880
4012093 102*07
[ 25.02 j 1305 i 0.34
gemidd.\\ 28.51 875 0.22
479
0.12
250
1881
4060580 05447
401
o.l
238
1888
4114015 93396
24.07 ,22.70 784 0.19
(23.80 i 1012 0.24
275
0.07
314
188»
4172971 99333
259
0.00
554
1884
4225005 102014
24.14 j 2193 |0.52
1017
0.24
703
1885
4278272 98090
22.93 057 | 0.15
1280
0.30
718 1
1880
4336012 108040
[23.77 2035 0.47
gemidd.121.60 1541 0.35
844
0.195
814
1887
4390857 94842
428
0.097
689
1888
4450870 «tooi 2
ÜliAH 122.25 1055 0.372
\'21.88 102O 0.30
188
0.042
535 1
1**» 4505932 OS577
98
0.022
058
1890
4510815 100620
122.81 1520 0.338
77
0.017
671
1891
4504505
102210
[ 22.39
1331
0.291
74
0.0I6;
684
Croup.
Croup.
D
O
U
O
X
*-£
\'E
o
ja
•**
ja
ft
3
0
u
ü
\'ü
a>
-q
-=
a
(5
Pokkon.
Pokken.
Typhus Febris
typhoïd.
T.
\'E
0
feT3
1
ft
^*
H
0
M
2
Kinkhoest.
Jaartal.
990
0.28
1527
0.43
542
0.15
3240
0.91
1284
0.30
1807
1044
0.29
1570
0.42
143
0.03
3754
1.0
1141
0.319
1*08
1220
0.33
1809
0.50
50
0.01
3424
0.9
10H4
0.29
1809
1356
0.30
2055
0.55
700
0.19
3438
0.9
1139
0.31
1*7©
1133
0.31
1081
0.40
15787
4.3
3084
0.849
1045
0.28
1871
754
0.18
1240
0.28
3731
1.2
2892
0.795
2292
0.03
1878
«70
0.23
1292
0.33
351
0.09
1900
0.5
1120
0.30
1873
931
0.25
1203
0.33
130
0.03
1240
0.33
866
0.23
1*74
1190
0.31
1592
0.41
195
0.05
1300
0.34
1404
0.37
1*75
941
0.24
1245
0.31
113
0.029
130::
0.34
997
0.20
1*70
741
0.19
1008
0.27
20
0.001;
1055
0.27
1827
0.47
1*77
630
0.16
913
0.23
11
0.002
1150
0.29
1427
0.30
1*78
029
0.15
883
0.21
si
0.002
829
0.2
912
0.22
1*79
532
0.13
788
0.19
79
0.02
964
0.24
1847
0.46
I88O
503
0.14
801
0.2
70
0.02
877
0.22
1020
0.4
1881
831
0.2
1145
0.28
153
0.04
813
0.2
1033
0.4
1888
1579
0.38
2133
0.51
073
0.10
765
0.18
1190
0.29
188»
1573
0.37
2270
0.54
02
O.Ol
704
0.1S
994
0.24
1884
1442
0.34
2160
0.51
31
0.0O7
571
0.13
1955
0.40
18*5
1491
0.34
2305
0.53
72
0.O17
670
0.15
1826
0.31
1*80
1330
0.30
2019
0.40
18
O.0O4
568
0.13
973 !
0.22
1887
1031
0.232
1500
0.452
1
556
0.125
1864
0.419
1888
948
0.21
1000
0.350
10
0.002
022
0.138
1273
0.283
1880
822
0.182
1493 |
0.331
1
—
579
0.128
1270 :
0.283
1890
805
0.19
1549
0.341
10
0.002
031
0.14
1049
0.30
1*91
-ocr page 12-
10
<^
i-H
1
—
i
\'—
§
(M
-
EO 05 O «O
i—1
C
—
«
—
s
"* ^H
*T
l~ <N CO © «M
—
^;
re
-
s
co —; —;
O © ©
NtHHOB
©\' ©\' ©\' ©\' ©
—
-ci
II
>
n:
-S
01
» <-H
o
2.
-
^
•*
C;
-
tl
00
oi
r-^
"ëi
*o>
1—1
- ^
•*—
-
^
a
00
X
00
«
i\'
*-H
-~
—
1
>rf
-
1"" i-T
"?
CO CC CN iC
/:
^!
~r
s
Ol (M
3;
CO Oï © ^ CO
"*
i-
II
^O
e
C] *"!
O
(M CO (M © CO
ï
o
o
ï
©\' ©
o o ö ö o o
c\'
- \'
X
-t
"S
01
c- 1 -*
c
^
© Oi
£
oo
•* ©
(M
;_
00
o
i—(
^3
!T
bo
.3
00
t-
*"H
l-H
O
-g
\'O
E>
1
O l>-
•£>
© U5 -f <N
co
«!
^o
."
<M 01
s,
CC ^H -* CO CO
X
ïo
II
^~--
s
(N ©
c
N53MOM
r.
•-C
cc
»
©\' © ©
©\'©\'©\'©\' ©
=\'
»0
i CO
© 00
K
~
-s
CM
eo
«> 0S
iO ©
CM 1
« ö
~ci
.2 *•
"3 3
T-H
A 2
i
- •«
ë
•<jh
s
l~
cc
CO (M "S
\'M
*H
-, —
S
i-l <M
l~
OS -* © 00 SO
l~
co
II
i<M
CO I>
^c
*#
s
©" ©
l-H
cni -* oo os co
©\' ©\' ©\' ©\' ©\'
30

i~
9 <D
"S
Ol
-«3
00
»
* s
*0 33
5
Ol
iH
> ®
00
-=
rH
• • TS • •
_
t"
_*
©
•—
=
s> •
,
§1
|
I
-
X
M
V.
£. *
M.
-
s
2=
|
3
l
I
^
£
"T
Sc
—
c
—
"3 o
* O
"W e»
*-
IL
s
i
ë
>
4^
IS
ca
is
1
99
—
1.
Ol o
.*£
"5 _•
-- cc
-
—
—
c:
—
i.
2
3 ►
r
H
• i r r r
i
=
.l
X
=
ïi
i
_ ï
cc ^^
>
cd
ES
53 "3
i
ë3
a
> ca
1\'
i-h 03 CO
i< io »i^ » a
s
t—<
oi
i—i
^-i
I-H
—
-
—
H
cc
-
-
w
—
—
—
—
-ocr page 13-
I
o
I

o
I
o
I
110
CL
w
^or =
tt
• ->
►«
s
• —-*
>^^-
-
&
o>
H3
M
C*
—
\'S
ft
o
—
na
? s
.ir?*
O E^-
os
• —m
s.
— c
>
-*-*
0,
<ot
\' £
c
• PM
pd
^*^N
a.
0>
5/!
p*
-
a.
•—*
• —
o
©
s
**•
£>
p^J
o*
• —
<•*
Zm>
—
\\tl
—•
\' j"j
5^
P-
s
c0
t:
s>
C5
~o
1—1 i-S
ü
13
-
E-i
o
\'S
o
W5
3
•0
c
5
<t*
*r
r:
55
~i
ï-l
IC «M ©
rH *n r* i>. W5 eM
-ocr page 14-
o
05
• j
00
r
*4
fvl
09
" N«
00
\'• /"
00
" V
*M
E ƒ
00
i
--------1--------
£/
00
K
87 18
—
1
1
;
1
i:
M
00
^*
co
I
----
----
»
00
•t\'
N
00
>
0
**
—
—
\\
|
X
=
r.
o
00
~
00
3
1—1
.... 1 J
i
i
o
~*
•
00
•
2
00
«
09
00
_l— _
—
-|-
~f"\'
BL
—
.
2
f.
M
.
\\
f
S
_\'."
" 1
00
00
1
1

ft
"^
i •
&
y
00
* \'
—i—
t ¥
00
1
**
H
_ .
1 -A
o
*~
00
30
•
H
e
—\'
u
B i
OS
O
t-
i >i
S
00
i /^
H
C
X)
6j •
00
s ^
£
L
\'
\'
*"
ï
l*-
g
r w .
00
£
»-H
£
1 co
s
«
00
5
iO
___.
i
—
^*^
tt
\\
1 l>»
1 00
—
00
873 1
- \'
-
\'----
—
—\'
^
-«\'
i—t
$3
,___.1
r
w
00
»*
=rl_
s
p^
s
t-
•e
l
00
i
s
-
ü 1
^_
__
?^
- j— —
: K
i
1___
II s
__i
r
-
-__i
! i
1869
h
i
.^
^>«
i
00
00
=
•x
""*
~
*
co
00
1
—4
o
! •
i
CM
c
! 1
> O!
gr
f
ir
i
1
er
ei
Cfe
or
te
V
V
9
0
»
V
c
H
o
-ocr page 15-
De eisenen dor hygiëne betrckkelük «Ie koemelk, de
wettelijke regeling daarvan elders en in hoever
zij ten onzent navolging verdient.
EERSTE HOOFDSTUK.
«Der Mensch ist was er iszt». In den zin, dat de lichaams»
kracht van den mensch in hooge mate afhankelijk is van aard
en deugdelijkheid van zijn voedsel, zal Ludwio Fbukrbach\'s
gevleugeld woord slechts instemming ontmoeten. Voor den
Staat, die de gezondheid zijner burgers ter harte neemt, is
dan ook de zorg voor de deugdelijkheid der voedingsmiddelen
eene van groote beteekenis, en in alle beschaafde rijken ziet
men te dien einde maatregelen van min of meer doeltreffenden
aard genomen. Uit een legislatief oogpunt nu neemt de voe-
dingsstof, welke in deze bladzijden het voorwerp van behan-
deling zal zijn, eene eigenaardige plaats in:
De Koemelk. Moet deze toch om hare samenstelling, hare
gemakkelijke verteerbaarheid, haren goedkoopeu prijs en andere
eigenschappen het volmaaktste levensmiddel genoemd worden,
dat de natuur den mensch aanbiedt, daar tegenover staat, dat
er wel geen voedingsmiddel bekend is, dat tegelijk zoo zeer
onderhevig is aan veranderingen en bederf, zich zoo gemak-
kelijk leent tot moeilijk te ontdekken vervalschingen en ein-
delijk zoo ontvankelijk is voor pathogeue of infectieuse micro-
organismen, als de melk.
Deze uit een hygiënisch oogpunt zoo gewichtige nadeelen,
welke de koemelk aankleven, hare voedingswaarde vermin-
deren of haar maken tot een gevaar voor de volksgezondheid,
-ocr page 16-
H
zullen wij thans nader in beschouwing nemen, ten einde te
kunnen leereu, wat er door wetten en verordeningen gedaan
kan en moet worden, om \'t publiek zooveel mogelijk te vrij-
waren tegen schade en tegen de gevaren, aan dit zooveel ge-
brnikte voedingsmiddel dikwijls verbonden.
De voedingswaarde eener koemelk is in de eerste plaats
afhankelijk van ras en individualiteit van het vee, waarvan
zij afkomstig is. De grootste wisselingen in samenstelling der
melk zijn echter \'t gevolg van hoeveelheid en hoedanigheid
van het voedsel, dat aan het vee verstrekt is. Zoo bevat de
melk eener grazende koe veel meer water en varieert ook
meer ten aanzien der quantitatieve samenstelling dan van
eene koe, met gedroogd voedsel (hooi enz.) gevoed.
Van beteekenis is ook het gehalte aan eiwit enz. van \'t
verstrekte veevoeder. Aromatische en andere stoffen uit voed-
sel en medicamenten kunnen in de melk overgaan en haar
voor het gebruik ongeschikt of ongewenscht maken. Van
invloed op de voedingswaarde eener koemelk is voorts de tijd
na het begin der lactatie en het uur van den dag, waarop ge-
molken is. Zoo is de biest, dat is de melk, gedurende de eerste
dagen na het kalven gesecerneerd, voor menschelijk gebruik als
ongeschikt te beschouwen en bevat de melk, die des morgens
wordt verkregen, meer water en minder vet dan de avondmelk.
Ook is haar vetgehalte bij \'t begin van het melken veel
geringer dan dat van melk, welke later verkregen wordt.
Dat ook de gezondheidstoestand alsmede de hygiënische condi-
tiën, waarin het melkvee verkeert, invloed oefenen op qualiteit
en quantiteit der melk, is zouder meer duidelijk. Desniettemin
kan men zeggen, dat de marktmelk gedurende eenzelfde jaar-
getijde van vrij constante samenstelling is. En dit vindt
hierin zijne verklaring, dat deze melk een mengsel is van melk,
van diverse koeien afkomstig en op verschillende uren van den
dag verkregen. Zoo is men gerechtigd om iedere melk als
verdacht te beschouwen, die van het gemiddelde specif. gewicht
-ocr page 17-
15
uiin of meer belangrijk afwijkt. Wij kouieu straks hierop nader
terug.
Van meer beteekenis echter dan deze physiologische wisse-
lingen in de samenstelling der melk zijn die nadeeleu, welke
van pathologischeu aard zijn en afhankelijk gesteld moeten
worden, deels van besmettelijke ziekten van vee of menschen,
deels van veranderingen en verontreinigingen der melk. Onder
de ziekten, welke door bemiddeling der koemelk van vee op
menschen kunnen worden overgebracht, dieut de tuberculose,
de parelzucht der runderen, in de eerste plaats genoemd te
worden. Experimenteele zoowel als clinische waarnemingen
hebben bewezen, dat \'t gebruik van melk van parelzuchtige
koeien tuberculosis bij de menschen veroorzaakt.
Het Mond- en Klauwzeer kan door de melk op den menscli
worden overgebracht. Kinderen, gevoed met melk van daaraan
lijdende koeien, werden ziek onder verschijnselen van koorts,
voedingsstoornissen en blaasjes-vorming aan tong en lippen,
soms ook aan de handen. Kauwen, slikken en spreken worden
bemoeilijkt, de lippen zwellen op en het mondslij in vlies wordt
rood en pijnlijk. Niet zelden gaan hiermede darmaandoeningen
gepaard, die doodelijk kunnen verloopen. Meestal is echter het
verloop der ziekte gunstig, ofschoon somtijds ook zware gevallen
voorkomen, waarbij men o. a. necrose van een deel der tong
heeft waargenomen.
Van gevaar voor de menschelijke gezondheid is eindelijk de
melk van koeien, lijdende aan geelzucht, ziekten der uiers, septi -
sche baarmoederaandoeningen, buikloop, pyaemie, septichaemie,
enz. Die melk worde dan ook met strengheid aan de circulatie
onttrokken, en de verkoop van alle melk, afkomstig van koeien
met medicamenten behandeld, worde verboden. Niet zelden wor-
den ook door de melk infectie-ziekfeu van mensch op mensch
overgebracht. Komt in eene melkerij of melkslijterij een geval
van besmettelijke ziekte voor, dan vinden soms de micro-orga-
nisuieu, welke haar veroorzaken, eeneu weg naar de melk, waar
-ocr page 18-
16
zij dan een buitengewoon goeden voedingsbodem erlangen. Per-
sonen, die met zulke zieken verkeereu en in aanraking komen
met kleeren of excreta dezer lijders en tegelijk, wegens hun
beroep, met melk of melkemmers, bewaren, zelfs wanneer zij
zich naar hunne meeniug goed reinigen, in \'t vuil onder de
nagels of aan hunne handen een of meer dier microscopisch
kleine, maar nochtans zeer moorddadige ziektekiemen, die in de
melk goede gelegenheid vinden tot vermenigvuldiging en ver-
breiding. In andere gevallen kunnen ook door het water van een
besmetten put, eene besmette rivier of sloot (hetzij door het uit-
spoelen der melkvaten, hetzij voor vervalschiug der melk gebruikt)
infectieziekten worden verbreid. Dat op deze wijze diphtheritis,
typhus, cholera
en scurlatiiia door de melk kunnen worden over-
gebracht, is meermalen gebleken. Bijv. wensch ik te wijzen op
een typhus-epidemie, die in de maanden September en October
1882 in de gemeente Hilversum woedde en die met groote zeker-
heid moet worden toegeschreven aan het gebruik van melk,
geleverd door twee melkboeren te Weesp, die hunne melkvaten
en emmers gespoeld hadden met besmet bevonden Vecht-water.
Gelukkig echter zijn niet alle bacteriën, welke in de melk
leven, schadelijk. Ja, zelfs indien in enorme hoeveelheid de
normale saprophyten in de melk aanwezig zijn, schijnt zij zonder
eenig nadeel gebruikt te kunnen worden. De karnemelk, kephir
en andere dergelijke melkpraeparaten bevatten duizenden en
duizenden melkzuur-bacillen en zijn nochtans voor de gezond-
heid van geen gevaar. Toch komen somtijds saprophytische
bacterie-soorten voor, die door onreinheid in de melk geraken
en in \'t darmkanaal gistingen veroorzaken, welke niet zelden
als oorzaak van cholera infantum moeten worden beschouwd.
Zelfs zijn sommige nielkschiuimels in staat om, uit het eiwit
der melk, heftig werkende toxinen te fabriceeren. Dit blijft echter
eene zeldzaamheid; meest bepalen zich de melkschimmels tot
\'t veroorzaken van veranderingen, die voor de gezondheid zonder
beteekenis schijnen te zijn. Die schimmels zijn in bijna iedere
-ocr page 19-
17
melk te vinden en het zijn de melkemmers, de handen der
melkenden, de uiers enz., vanwaar zij een weg naar de melk
hebben gevonden. Naar gelang van de onreinheid is dan ook
het aantal dezer schimmels eene grootere, hare ontwikkeling
eene meer levendige. Eene schimmel, die zelden in de melk
voorkomt, is het bacterium-cyanogeneum, dat de melk eene he-
melsblauwe kleur doet aannemen. Andere chromogene splijt-
zwammen veroorzaken donkerblauwe of groene verkleuringen.
De micrococcus prodigiosus kleurt de melk rood en \'t bacte-
rium synxantheum geel. Deze bacteriën hebben echter geringe
hygiënische beteekenis, daar de melk, waarin zij voorkomen,
onverkoopbaar is.
Thans komen wij tot de bespreking der vervalsching, waartoe
zich de melk zoo gemakkelijk leent als geen ander voedings-
middel. Deze bestaan gewoonlijk in: 1°. het afroomen; 2°. de
verdunning met water; 3°. het met water verdunnen van af-
geroomde melk, dus eene combinatie van het sub 1°. en 2°.
genoemde. Andere vervalschingen, bijv. toevoeging van stijfsel,
dextrine, gips, etc. worden zeldzamer toegepast. Behalve dat
door deze behandelingen der melk, de voedingswaarde zeer ver-
mindert, kunnen door de toevoeging van besmet water de
gevaren ontstaan, waarop wij reeds gewezen hebben. Zeer
dikwijls worden aan de melk stoffen toegevoegd, welke ten doel
hebben om haar langer in een verkoopbaren toestand te houden.
De uielkslijter gebruikt echter meestal deze middelen dan eerst
als de melk zoo heel versch niet meer is en zij op het punt
staat zuur te worden. Van die middelen worden soda of dnb-
belkoolzure soda of wel borax het meest gebruikt. Zij begun-
stigen echter de ontwikkeling van bacteriën veeleer dan zij
haar tegengaan; zjj zijn slechts in staat het zuur worden en
schiften der melk te vertragen. Het waterstofsuperoxyd en het
salicylznur, die ook betrekkelijk veelvuldig gebruikt worden om
de melk langeren tijd goed te houden, zijn echter wel in staat
de ontwikkeling van bacteriën tegen te gaan, maar, behalve
2
-ocr page 20-
i8
dat zij aan de melk een anderen smaak geven, zijn het geen
stoften, die zoo geheel onschadelijk zijn, vooral niet voor kin-
deren. De aanwending er van moet daarom streng verboden
worden.
Nadat wij hebben nagegaan, welke veranderingen en ver-
valschingen de melk kan ondergaan en welke gevaren soms
aan het gebruik er van verbonden zijn, willen wij thans onder-
zoeken, welke maatregelen er van overheidswege en door de
consumenten kunnen genomen worden om de bedriegerijen in
den melkhandel en de schadelijkheden in de melk op te sporen,
resp. te verhinderen of onmogelijk te maken. Die maatregelen
kunnen bestaan in:
1°. Het onderzoek en de controle der raarktmelk.
2°. Toezicht op melkerijen en inelkslijterijen.
3°. Het behandelen der melk door den melkverkooper
(Pasteuriseeren, steriliseeren, etc).
4°. Het behandelen der melk door de consumenten (koken).
I. Onderzoek en controle der Marktmelk.
Het belangrijkste middel, om melk ver valsching te herkennen
ot buiten te sluiten, is de bepaling van \'t specifiek gewicht.
Reeds maakten wij er opmerkzaam op dat iedere melk als ver-
dacht is te beschouwen, die van het gemiddelde spec. gew. afwijkt.
Vermeerdering van het vetgehalte veroorzaakt vermindering van
het spec. gew., terwijl vermeerdering van het gehalte aan eiwit,
melksuiker en zouten de melk soortelijk zwaarder maakt. Hoog
spec. gew. van melk kan dus evenzeer worden toegeschreven
aan rijkdom aan vaste bestanddeelen bij geriug watergehalte,
als aan armoede aan vet. Ontroomde melk, die wegens ge-
ring vetgehalte een hooger soortelijk gewicht heeft, kan dus
door toevoeging van water tot het gemiddelde spec. gew. terug-
gebracht worden. Op deze wjjze kan dus een melkverkooper
eene waar ter markt brengen van geringe voedingswaarde,
maar van normale soortelijke zwaarte.
-ocr page 21-
19
Intusschen eischt eene dergelijke vervalsching zooveel tijd
en zooveel nauwlettendlieid van de zijde van den verkooper,
dat men ia \'t algemeen kau zeggen, dat zulke melk van het
normale spec. gew. min of meer belangrijk zal afwijken.
Toch zal men veiliger gaan, als men naast de bepaling van
het spec. gew. ook een onderzoek verricht naar het vetgehalte.
De bepaling van het spec. gew. geschiedt door middel van
areometers; die van het vetgehalte door cremometers (waarbij
de hoogte der roomlaag aan een verdeelde schaal wordt afge-
lezen) of door den lactoscoop van Feseu, een instrument, hierop
berustend, dat men de hoeveelheid water bepaalt, die noodig
is om de melk doorschijnend te maken. Tal van andere en
betere methoden zijn echter in gebruik om het vetgehalte te
bepalen. Het is echter hier niet de plaats ze te beschrijven.
Of er water bij de melk is gevoegd, kan verder dikwijls ook
geconstateerd worden door te onderzoeken of nitraten in de
melk aanwezig zijn, daar deze in normale melk ontbreken.
(Eliertoe wordt de melk door toevoeging van azijnzuur of
chloorkalk-oplossing en koken gecoaguleerd, daarna wordt ge-
filtreerd en het nitraat druppelsgewijze gevoegd bij een op-
lossing van diphenylamine in geconcentreerd zwavelzuur.)
Verder is het noodig een onderzoek te doen of er ongeoor-
loofde middelen tot conserveering der melk gebruikt zijn (soda,
bicarb. natricus, borax, salicylzuur, waterstof-superoxyd).
Eindelijk moet bepaald worden of de melk versch is. Dat
zij niet versch is, herkent men dikwijls daaraan, dat zij eene
zure reactie geeft. Niet zelden echter ontbreekt de zure reactie,
maar verhit men zulke minder versche, maar toch niet zuur
reageerende melk, dan schift /.ij, d. w. z. de caseïne stolt ten-
gevolge van leb-produceerende bacteriën. De zekerste methode
echter om aan te toonen, dat de melk niet versch is, verkrijgt
men door haar aantal bacteriën te onderzoeken. Dit geschiedt
door de koloniën van bacteriën te tellen op gelatine-platen
met 5lö, jls en 1 druppel melk. Zuivere, versche melk bevat
-ocr page 22-
20
gemiddeld 2—3000 bacteriën in 1 cM3; eene duidelijke ver-
meerdering van hun aantal is gewoonlijk eerst na 4 h 5 uur
te constateeren.
Indien meer dan 50.000 bacteriën aanwezig zijn, wijst dit er
op, dat de melk niet ver meer van het stadium van volkomene
ontleding verwijderd is. Daar een onderzoek op palhogene bac-
teriëu vrijwel onmogelijk is, is iedere melk voor het gebruik
als schadelijk te beschouwen, indien het aantal bacteriën groot
of een soort van bacteriën overheerschend is, welke in nor-
male melk slechts in gering aantal pleegt voor te komen.
Voor een onderzoek op de markt of\' in de melkinrichtiugen
is wel de bepaling van het specifiek gewicht in de meeste
gevallen voldoende. Desnoods kan men daarnaast door middel
van den lactoscoop het vetgehalte bepalen. Geeft dit onderzoek
naar het spec. gew. redenen tot verdenking der melk, dan worde
voorloopig de verdere verkoop der melk verboden, totdat in
het laboratorium een nader onderzoek naar het vetgehalte is
ingesteld. Wordt hier een te gering vetgehalte of wel een te
groot watergehalte geconstateerd, dan moet de melk, als zijnde
van inferieure qualiteit, worden in beslag genomen.
Verder moet dan worden uitgemaakt of hier fraude in het
spel en de verkooper strafbaar is wegens vervalsching van
levensmiddelen, dan wel of deze abnormale samenstelling der
koemelk afhankelijk is van het aan het vee verstrekte voer.
Om dit uit te maken wordt de melk dan aan eene nadere
analyse onderworpen, bijv. op nitraten onderzocht, die in on-
vervalschte melk nooit aanwezig zijn. Wordt vervalsching ge-
constateerd, dan worde proces-verbaal opgemaakt.
Blijft echter voor de mogelijkheid nog plaats open, dat de
abnormale samenstelling der koemelk het gevolg is van het
verstrekte voer, dan moet een «stalproef» (sit venia verbo)
worden verricht. Deze moet binnen 3 dagen na de confiscatie
der melk geschieden, terwijl intusschen het voedsel voor het
vee hetzelfde blijft. Alle koeien worden dan goed uitgemolken,
-ocr page 23-
21
alle melk bijeeugemengd eu liet mengsel onderzocht. Daardoor
kan dan al of niet vervalsching aangetoond worden. Van groo-
ter beteekeuis daa het constateereti van melk-vervalsching is
het onderzoek naar de hoeveelheid bacteriën en of er infectie-
kiemen iu de melk aanwezig zijn. Dit onderzoek is echter zeer
moeielijk eu hier zijn wij genoodzaakt tot een der volgende
prophylactische maatregelen onze toevlucht te nemen.
II. Het Toezicht op Melkerijen eu Melkslijterijen.
Ter voorkoming en tot het tegengaan van veeziekten is een
geregeld veeartsenijkundig staatstoezicht noodzakelijk. De vee-
stallen moeten ouder geregeld deskundig toezicht staan en hun
bouw en inrichting onderworpen zijn aan van overheidswege
gestelde eischen.
*Le Conseil de salubrité dn Nord» eischt als luiuituuui plaats
iu den stal voor iedere koe 1.30 M., de veestal moet van
zoodanigen knbieken inhoud zijn, dat 18 M3 lucht voor iedere
koe ter beschikking is. Ook de verlichting, de reinheid en de
watervoorziening moeten aan strenge voorschriften voldoen,
gelijk dit geschiedt in Engeland en Italië. Een veefokker of
melkboer kan daar geen melkinrichting of veestal iu gebruik
nemen, zonder een maand te voren aan de plaatselijke overheid
van zijn voornemen te hebben kennis gegeven, en het wordt
hun niet toegestaan, iudien niet alle maatregelen genomen zijn
om de gezondheid en goeden toestand van den veestapel en de
reinheid der vaten, dienende om de melk te bevatteu, welke
voor verkoop bestemd zijn, te verzekeren. De ligplaats voor ieder
dier moet minstens 8 bij 4 voet groot zijn, eu indien één lig-
plaats voor 2 dieren bestemd is, moet deze 8— 7 voet bedragen.
Indien de ventilatie volkomen voldoende is, moet ieder dier
minstens 600 kubieke voet lucht ter beschikking hebben, en
indien zij niet voldoende is, worden 800 kubieke voet geeischt.
Voor de berekeniug van het luchtvolumen houdt men geen
rekening met een hoogte van den stal, welke \'10 voet overtreft.
-ocr page 24-
\'22
Elke stal moet goed bevloerd zijn, en de vloer uioet afhellen
uaar een riool buiten den stal gelegen.
De watervoorziening iu iederen stal moet eene voldoende zijn.
Daar, waar deze niet constant is, is men verplicht een réservoir
te plaatsen van metaal, en de bodem mag niet minder dan
6 voet boven bet niveau van den vloed zijn. De capaciteit van
ieder reservoir moet ongeveer 36 L. per koe zijn. Het mag
geen communicatie hebben met een water-closet of eene gelei-
ding, tot afwatering dienende. Het moet gevuld worden met
deugdelijk water en zoo dikwijls schoongemaakt als met de
stiptste reinheid overeenkomt. De vloer en alle troggen moeten
minstens eens per dag worden schoongemaakt en de muren,
deuren enz. van den stal zoo dikwijls als noodig is.
Het gebruik vau melk van tuberculeuse dieren moest streng
worden verboden. (Misschien zou bij het opsporen vau tuber-
culeus vee de tuberculine-proef aanbeveling verdienen) De
aanvulling der stallen mag slechts geschieden met gezond vee.
En eindelijk moet eene geregelde controle bestaan van den
gezondheidstoestand van den melkboer, zijn gezin en personeel,
opdat geen lijders aan infectie-ziekten in middellijke of onmid-
deljjke aanraking komen met melk of melkvaten.
Intusschen zijn in vele staten dergelijke uitgebreide maat-
regelen nog niet getroffen. Eu in afwachting daarvan moet
het publiek worden uitgenoodigd, een der volgende voorzorgen
in acht te nemen :
III.     Het Pasteuriseeren of het Steriliseeren der melk door
den melkverkooper.
IV.     Het koken der melk door den consument.
-ocr page 25-
28
TWEEDE HOOFDSTUK.
Wetten en Verordeningen betreffende den
Melkverkoop in verschillende
landen of steden.
In Duitschland.
Voor liet Duitsche rijk bestaat een <Geset: betr. den Verkehr
mit Nahruiigsmitteln, Genuszmitleln
und Gebrauclisgeijenstanden» ,
dateerende van den 14den Mei 1879. De artikelen dier wet
welke ons onderwerp raken, zullen hier eene plaats vinden.
§ 1. Der Verkehr mit Nahrungs- und Genuszinitteln, sowie
mit Spielwaaren, Tapeten, Farben, Esz-, Trink- und Kochge-
schirr und mit Petroleum uuterliegt der Beaufsichtigung nach
Maszgabe dieses Gesetzes.
§ 2. Die Beambten der Polizei sind befugt, in die liüum-
lichkeiten, in welcheu Gegenstiinde |der in § 1 bezeichneten
Art feilgehalten werden, wiihrend der üblichen Geschiiftsstunden
oder wiihrend die Riiumlichkeiten dem Verkehr geöffnet sind,
einzutreten.
Sie sind befugt, von den Gegenstiinden der in § 1 bezeich-
neten Art, welche in den angegebenen Kaumlichkeiten sich
befiuden, oder welche au öffentlicben Orten, auf Miirkten,
Plützen, Straszen oder im Umherziehen verkauft oder feilge-
gehalten werdeu, nach ihrer Wahl Proben zum Zwecke der
Untersuchung gegen Empfaugsbescheiniguug zu entnehmen. Auf
Verlangen ist dem Besitzer ein Theil der Probe aintlich ver-
schlossen oder versiegelt zurückzulassen. Für die entnommene
Probe ist Entschüdigung in Hiïhe des üblichen Kaufpreises
zu leisten.
-ocr page 26-
24
§ 10. Mit Gef i\'tugnisz bis zu sechs Monateu und niit Geld-
strafe bis zu tauseudtünfhundert Mark oder mit eiuer dieser
Straten wird bestraft:
1.    Wer zum Zwecke der Tausehung ini Handel uud Ver-
kehr Nahrungs- oder Genuszmittel nachiuacht oder verfiilscht;
2.    Wer wissentlich Nahrungs- oder Genuszmittel, welche
verdorbeu oder nacbgemacht oder verfiilscht sind, uuter Ver-
schweigung dieses Umstandes verkauft oder unter einer zur
Tiiuschung geeigueten Bezeichuung feilhalt.
§ 12. Mit Gefiingnisz, nebeu welchem auf Verlust der bür-
gerlichen Ehrenreehte erkannt werden kann, wird bestraft:
1. Wer vorsiitzlich Gegenstiiude, welche bestinimt sind, Au-
deren als Nahrungs- oder Genuszmittel zu dienen, derart her-
stellt, dasz der Geuusz derselben die menschliche Gesundheit
zu beschiidigen geeignet ist, als Nahrungs- oder Genuszmittel
verkauft, feilhiilt oder sonst in Verkehr bringt.
Eene bijzondere rijkswet op den handel in melk bestaat in
Duitschland niet. Aan eene commissie van deskundigen, door
den rijkskanselier benoemd, en die van 16 tot 21 October 1882
ouder praesidium van den directeur van het «lteichsgesund-
heitsamt» vergaderd heeft, was eene regeling onmogelijk ge-
bleken, die voor het geheele rijk] zou kunnen gelden. Daartoe
bestaan in de verschillende streken van Duitschland te groote
verschillen in samenstelling der koemelk. Het moest daarom
aan de provinciale en plaatselijke overheden overgelaten worden,
eene niet locale verhoudingen en eischen overeenstemmende
regeling tot stand te brengen. Om uu een dergelijke proviu-
ciale of gemeentelijke wet tot richtsnoer te ^dienen, zijn van
regeeriugswege Grund&atze, betreffend die Regelung des Verkehrs
mit Milch
vastgesteld. Het heeft misschien eenig nut deze«Grund-
siitze» hier eene plaats te geven, hoewel het grootste deel van
hunnen inhoud reeds in de vorige bladzijden besproken is.
-ocr page 27-
\'25
A. Behandlung der Milch seitens der l\'roduzenteii und
Verkau/er.
i) Durch passende Kühlung und Kühlvorrichtung ist
thuulichst darauf hinzuwirken, dasz die Milcli weder bis zur
Abf\'uhr nach dem Markte, noch auf dera Transport siiuert.
\'2) Das Aufbewaliren der Milch in Gefiiszen, aus welcheu
dieselbe fremdartige Stoffe aufnehmen künnte (Gefiisze aas
Kupfer, Messing, Zink, Thongenisze mit schlechter Glasur,
guszeiserne Gefiisze met bleihaltigem Email), is zu verbieten.
3)     Sollten im Hause der Milchproduzenten oder Milchver-
kiiufer oder auch in dereu Nachbarschaft ansteckende Krank -
heiten herrschen, so ist zu berücksichtigen, danz eine Verschlep-
pung der Ansteckungsstoffe niittels der Milch möglich ist.
Personen, welche mit den betreffenden Kranken in Berührung
kommen, dürfen sich daher mit der Milch gar nicht niiher
beschiiftigen. Ueberhaupt sind alle Rüume, welche fiir die Auf-
bewahrung der Milch bestitumt sind, stets sorgfiiltig rein zu
halten und zu lüfteu ; auch dürfen sie nar in einer angemes-
senen Entfernung von Schlaf- und Krankenzimmern liegen.
Dieselben Vorsichtsmaszregelen sind bei den Verkaufsliideu
maszgebend, wo es sich auszerdem empfiehlt, die Milchgefiisze
nicht offen, sondern verschlossen aufzustellen.
4)     Auch beim Reinigen der Milchgefiisze kunnen Anstec-
kungstoffe in die Milch gelangen, wenn hierzu unreines und
infizirtes Wasser genominen wird. Am sichersten geschieht die
Reinigung durch Ausdiirapfeu, d. h. durch heisze Wasserdiimpfe
und nachheriges Abtrockneu met einem reinen Handtuehe.
5)     Damit der Inhalt der einzelnen Milchgefiisze von der-
selben Beschaffenheit ist, musz eine gründliche Durchmischuug
des zum Verkauf bestiiumteu Milchquantums vor dem Ein-
füllen in die Trausportgefiisze stattfinden.
Als Transportgeliisze dürfen nur gut gearbeitete h(>lzerne
oder Weiszblechgefiisze zur Verwendung kommen. Die anf ge-
-ocr page 28-
26
schlossenen Milchwagen uach auszen geleiteten Krahue mussen
aus gut verzinnteni Kupfer oder Messing bestehen.
B. Kontrole der Milch seitens der Polizeibehörde.
6". Vor der Entnahme einer Probe der zu untersuchenden
Milch ist der Iahalt der betreffenden Milchgefüsze zuniichst
gründlich zu tnischen. Nachderu daun die Milch auf iiuszeres
Ausehen, Farbe, Geruch und Geschiuack geprüft worden ist,
sclireitet uaan zur Bestimmung des spezifischeu Gewicbts, zu
dessen Ermitteluug Skalen-Ariiotneter (Laktodensimeter) zu
beuutzen sind.
Für die Beurtheilung der Milch ist dasjenige spezifische
Gewicht maszgebend, welches dieselbe bei 15° C. besitzt; es
ist deuinach für die Feststelluug des spezifischen Gewichts die
Beobachtuug der Milchtemperatur nach Celsius und die lieduk-
tion der bei der gefundenen Teniperatnr abgelesenen Gradzahl
des Ariionieters aut 15° (!. mittels einer für das benutzte In-
struinent giltigen Iteduktionstabelle erforderlich.
Die Itesultate der Bestimuiung des spezifischen Gewichts
sind utn so genauer, je weniger sich die Prüfung von dem
Temperaturgrade, bei welchem das Ariionieter normirt ist,
entfernt. Urn auch die Ablesung raöglichst geuau vorzunehmen,
musz das Ariionieter miudestens 2 Minuten lang in der Milch
schwimmend bleiben. Ebenso ist nicht auszer Acht zu lassen,
dasz frisch geraolkene Milch bei der Bestimmung des spezi-
fischen Gewichts Zahlen liefert, welche um 0.5—1.0° kleiner
sind als diejenigeu, welche in derselben Milch nach lan-
gerem Steben (zuweilen schon nach drei Stunden) beobachtet
werden. Alle Ariionieter find seitens der Polizeibehörde durch
Sachverstiindige auf ihre liichtigkeit prüfen zu lassen. Desz-
gleichen ist eine periodische Revision der liichtigkeit der
geprüfteu Instrumente anzuordnen.
Die Bestimmung des spezifischen Gewichts gewinnt an Werth,
weun bei eiuer vollen, nicht abgeralimteu Milch die Durch-
-ocr page 29-
•27
schnittsgrade desselben für die betredende Gegeild vorher
festgestellt worden sind uad zugleich die aus dein iiuszereu
Ansehen gewonnenen Kriterieu einer normalen Milch Berück-
sichtigung finden. So könnte z. B. eine sehr iette Milch eiii
unter die iiuszerste Grenze fallendes spezifisches Gewicht
zeigen, aber trotzdem nicht zu beanstanden sein, wenn deren
sonstige Eigenschaften für ihre gute Qualitiit sprechen. Uui-
gekehrt kann eine Milch von dunner witsseriger Beschaffenheit
bei einem sich der obersten Grenze niihernden spezifischen
Gewicht sofort den Verdacht eines Wasserzusatzes erregen.
7°. Verfalschungen der Milch init Stiirke, Mehl, Dextrin,
Zucker, etc. kommen kaum noch vor. Zusiitze von Konser-
virungsmitteln — kohlensaurem Natron, Salicylsaure, Borsüure
oder deren Salzen — sind insofern bedeuklich, als sie nameut-
lich bei Kindern aut die Dauer gesundheitsschiltllich einwirken
kunnen und eine miszbriinchliche Verwendung leicht erfolgen
kann. Ihr Gebrauch ist daher zu verbieten. Am hiinfigsten ist
die Verfalschung mit Wasser, welches der vollen ganzen Milch
oder auch der halb abgerahmten Milch, d. h. der Mischmilch
von abgerahmter Abendmilch mit voller Morgenmilch, seltener
der Magermilch zugesetzt wird.
8°. Bei der vollen ganzen Milch schwankt das spezifische
Gewicht je nach dem Rahmgehalt zwischen 1.029—1.034.
Bei der halb abgerahmten Milch ist es wegen des verminderten
Itahmgehaltes durchschnittlich um 0.002 Grad höher und
schwankt demnach zwischen 1.031 —1.036. Die Magermilch
ganz abgerahmt oder zeutrifugirte Milch hat ein mehr oder
weniger in\'s schwachbliiuliche spielendes Ansehen und zeigt
nach dem Grade der erfolgten Entrahmung ein um 0.003,
sogar bisweilen um 0.005 Grad höheres Gewicht als die volle
Milch; es schwankt zwischen 1.032—1.037 und betriigt im
Mittel 1.0345.
Hiemach laszt sich durch das spezifische Gewicht allein die
Zusammensetzung der Milch nicht immer mit Sicherheit beur*
-ocr page 30-
28
theilen. Urn namentlich volle Milch vou abgerahiuter zu uuter-
scheiden, bedarf es der Feststellung des Rahnigehaltes der zu
uutersuchenden Milch, deren Ausführung indesz nur intelligeu-
ten Executivbeambten oder besondereu Sachverstiindigen über-
lassen werden kann, da sie Uinsicht und Zeit erheischt. Es
wird hierzu der Ehevallier\'sche Eremometer benuzt, ein cyliu-
drisches 20 ein hohes, 4 cm weites Glasgefüsz, welches von
seinem in einer Höhe von 15 cm liegenden Nullpunkte ab in
100 gleiche Abschnitte getheilt ist. Dieses Gefiisz wird mit
der zu untersuchenden Milch bis zum obersten Theilstrich lang-
sam angefüllt und 24 Stunden lang ruhig stehen gelassen,
wenn möglich bei einer sich nicht wesentlich vou 45° C. ent-
fernenden Temperatur. Wenn der Rakm in dieser Zeit nach
oben gestiegen ist, kann er mit Hiilf\'e der Theilstriche direct
uach Volumprozenten gemessen werden. Hierauf ist das spe-
zirische Gewicht der unter der Rahmschieht zurückbleibenden
Milch zu bestimmen, urn die hierbei aufgetuudenen Ariiometer-
grade mit den vor der Eutrahmung erhaltenen zu vergleicheu.
In der Kegel erhiilt man bei der vollen ganzen Milch eine
Rahmschieht vou 40—14 Voluniprozent, bei der halb abge-
rahinten Milch eine solche von 6—8 Volumprozent, wiihrend
die unter der Rahmschieht gebliebene Milch bei ersterer 2i
bis \'óh, bei der halb abgerahmteu Milch IJ—2 Grad inehr am
Araouieter zeigt als die ursprüngliche Milch vor Absetzuug der
Rahmschieht. Betriigt diese Di/rerenz bei der vollen, ganzen
Milch weuiger als 2 Grad, so ist ein Zusatz von Wasser anzu-
uehmen. Verhalten sich die Ariiometergrade vor und nach
dem Abrahmen richtig, liegt aber der Rahmgehalt unter 10
Volumprozent, so kann auf die Vermischung mit halbabge-
rahmter Milch gesch\'.ossen werden. Zeigen die Ariiometergrade
bei der halbabgerahiuteu Milch vor und nach der Absetzuug
der Rahmschieht das richtige, oben augedeutete Verhiiltnisz,
betriigt aber der Rahmgehalt weniger als 0 Volumprozent, so
hat ein Zusatz von gauz abgerahiuter Milch stattgefuuden. Siud
-ocr page 31-
\'20
dagegen diese Araometergrade gleich, so laszt sich ein Zusstz
von Wasser annehmen.
Die optische Methode der Fettbestimmung hat sich, insofern
ihre Anwendung durch Nichtsachverstündige in Betracht
kornuit, nicht bewiihrt und unterliegt begriindeten Bedenken.
Ebensowenig sind die Apparate, welche die Fertigstellung einer
Aetherfettlösung erfordern, für die untnittelbare Kontrole des
Marktverkehrs verwendbar.
9)     Aufgabe der Marktpolizei wird es vorzugsweise sein, nicht
blosz die Verfülschung der Milch mit Wasser zu verfolgen,
sondern auch thunlichst darauf hinzuwirken, dasz immermebr
die schlechte Milch voni Markte verdrüngt und nach Maszgabe
der örtlichen Verhültnisse das spezifische Gewicht im Mittel
für volle und ganze Milch, für halbabgerahmte und Magermilch
festgestellt wird.
Die Magermilch (ganz abgerahmte, zentrifugirte Milch) kann
vom Marktverkehr nicht ganz ausgeschlossen werden. Sie ist
nur für die Kindererniihrung ganz nngeeignet, in Haushaltungen
und zu gewerblichen Zwecken jedoch verwendbar. Um jeder
Tiiuschung von vornherein vorzubeugen, ist der Milchverkiiufer
polizeilicherseits zu verpflichten, die verschiedenen Milchsorten
(volle Milch, halb abgerahmte Milch, Magermilch) ausdrücklich
als solche zu bezeichnen nnd auch die dafür bestimmten Milch-
gefiisze durch eine deutliche und abnehmbare Aufschrift zu
kennzeichnen. Wo geschlossene Milchwageu im Gebrauche sind,
ist die entsprechende Aufschrift auf diesen an den betreffendeu
Krahnen anzubringen.
10)     Gesundheitsgefahrlich ist die bittere, schleimige, blaue
oder rothe Milch, sowie die Milch von Kühen, die an Maul-
und Klauenseuche, Perlsucht, Pocken, Gelbsucht, Kauschbrand,
an Krankheiten des Enters, fauliger Gebiirmutterentzündung,
Ruhr, Pyiimie, Septikiimie, Vergiftungen, Milzbrand oder Toll-
wuth leiden und überhaupt wegen Krankheiten mit Arznei
behandelt werden.
-ocr page 32-
30
Gesundheitsgefiihrlich ist femer die sog. Biestinilch (Colos-
trummilch) welche kurz vor oder nach dem Kalben genommen
wird. Sowohl hinsichtlich der Menge, als auch der Beschaffen-
heit der einzelnen Besfcandtheile zeigt sie der normalen Milch
gegenüber erhebliche Abweichungen. Da sie namentlich bei
Kinderen leicht Verdauuiigsstörungen erzeugt, so ist ihr Ver-
kauf in den ersten 3—5 ïagen nach dem Kalben nnstatthaft.
C. Endgütige Kontrole.
11) Nachdem die spezielle Untersuchung der Milch mit
dem Nachweis der etwa zuget\'ügten Konservationsmittel oder
der Zusiitze von Mehl, Stiirke etc. zum Dickermachen der
dunnen, abgerahmten Milch eingeleitet worden ist, wird die
direkte Ermittelung der Milchbestandtheile die Hauptaufgabe
sein, wenn in zweifelhaften Fiillen die indirekte Bestimmung des
Werthes der Milch nach dem spezifischen Gewicht ausreicht.
Der mit der Kontrole im Laboratorium betraute Sachver-
stilndige hat zuniichst die au der Verkaufsstelle vorgeuommene
Untersuchung der Milch zu wiederholen, daber namentlich das
spezifische Gewicht der Milch, event. auch die Rahinmenge
nochmals zu bestimmen.
Nach vorhergegangener Feststelluug der Reaktion der Milch
handelt es sich vorzugsweise um die Bestimmung des Fettge*
halts und der Trockensubstanz nach Gewichtsprozenten.
In der vollen, ganzen Milch kornuit das Butterfett zwar
durchschnittlich zu 3,30 pet. vor; bei den vielfachen Schwan-
kungen im Fettgehalte empfiehlt es sich jedoch, die unterste
Grenze von 2,4 pet. festzuhalten.
Die halb afgerahmte Milch zeigt in der Regel um die Halfte
weniger Fett als die volle, ganze Milch. Gewöhnlich liegt ihr
Fettgehalt unter 1,5 pet. Bei gauz abgerahmter Milch, wo die
Entrahmung durch Stehenlassen der Milch erfolgt ist, nndet sich
ein Fettgehalt von durchschnittlich 0,7 pet. vor, wiihrend bei
der zentrifugirten Magermilch nur 0,3 pet. Fett zurückbleibt.
-ocr page 33-
31
Unter deu verschiedeneu Methoden der Fettbestiinmuug ver-
dient in allen zweifelhaften Fiillen der gewichts-analytische
Weg den Vorzug.
Die Trockensubstam betrügt bei der vollen ganzen Milch
durchschnittlich 12,25 pet., kann aber zwischen 11—14 pet.
schwanken. Als gesundheitspolizeilichen Rücksichten darf die
in den Verkehr komtnende Milcb niemals weuiger als 10,9 pet.
Trockenbestaudtheile enthalten. Bei der halbabgerahmten Milch
geheu ca. 1^—2 pet. Trockensubstanz je nach der Menge des
Rahmverlustes ab. Bei der Masjerinilch betrügt die Trockensub-
stanz in minimo haufig noch 9 pet.
Es erscheint sehr wünschenswerth, dasz die mit der Kontrole
ira Laboratorium betrauten Sachverstiindigen gleichzeitig die
Verpflichtung übernehruen, die mit der polizeilichen Kontrole
der Marktmilch beauftragten Personen za instruiren und die
Untersuchungsweise auf ihre Zuverliissij\'keit zu überwachen.
D. Die Stallprobe.
12) Unter Stallprobe versteht man die Prüfung der durch
vollstiindiges Ausmelken und Durchmischen gewonuenen Milch
aller derjenigen Kiihe oder deijenigen Kuh, welche zur Ge-
winnung von Haudelsmilch dienten, als die Beanstandete Milch
gemolken wurde. Dieselbe musz spiitestens innerhalb dreier
Tage in Gegenwart des mit der Kontrole der Marktmilch be-
auftragten Beambten und zu der gleichen Zeit entnommen
werden, zu welcher die beanstandete Milch gemolken wurde.
Die behördliche Untersuchuug der unter diesen Vorsichts-
maszregelen aus dein Stalle des Produzenten eutnommenen
Milchprobe wird dann erforderlich, wenn der Produzent be-
hauptet, dasz die Milch von derselben Beschaffenheit sei, wie
sie von don Kühen oder einer Kuh gewonnen und in den
Verkehr gebracht worden sei.
Bei der Stallprobe kann es sich demnach nur nm die
Beurtheilung einer vollen und ganzen Milch handeln.
-ocr page 34-
32
Der Entlastungsbeweis der Stallprobe kann als miszlungen
gelten, wenn 1°. seit dem Melken der beanstandeten Probe
nachweislich zu einer Fütterungsraethode übergegangen worden
ist, welclie notorisch eine Verschlechterung der Milch zur
Folge bat, und wenn 2°. zwischen der beanstandeten und der
aus dein Stall genommenen Probe Differenzen in der Weise
sicb ergeben, dasz das spezifische Gewicht der Stallprobe um
2 Grade von demjenigen der beanstandeten Probe abweicht,
und dasz 3°. der Fettgehalt der Stallprobe um melirals 0.3 %
die Trockensubstanz derselben um mehr als 1 °/o hiiher gefnnden
wird als in der beanstandeten Probe.
In zweifelliaften Pallen kann eine wiederholte Ausfü\'hrnng
der Stallprobe fiir nothwendig erachtet werden.
In Pruisen.
In Pruisen geldt de volgende wet betreffende den melk-
handel (Ausführungsanweisung des Königlichen Polizei-Prii-
sidiums vom 19 Dec. 1887 zu der Polizeiverordnung vom C
Juli 1887):
1.     Die in den Verkehr gelangende frische Kuhmilch ist vor
der Prüfung mittelst des polizeilichen Milchprobers oder vor
einer etwaigen Probenahme zum Zweck chemischer Prüfung
durch Schütteln oder Umriihren im Standgefiisz bezw. durch
Umgieszen von Gefiisz zu Gefiisz gründlich zu durchmischen,
um eine gleichmiiszige Vertheilung des Hahmes zu bewirken.
2.     Prüfung der Milch. Die zu 1 gewonnene Probemilch
wird im Gefiisz des Milchprobers zuerst mittelst des Auges
auf die im § 2 zu a der Polizeiverordnung genannten Abwei-
chungen, sodann durch Geruch und Geschmack auf Ansiiuerung
und die im § 2 d bezeichneten Zusiitze untersucht.
Milch, welcho in der Probe ein auszergewöhnliches Aussehen,
ungewöhulichen, namentlich fauligeu Geruch oder Geschmack
-ocr page 35-
as
zeigt, ist vom Verkehr durch Vernichtung auszuschlieszen,
jedoch ist vorher eine Probe iu der zu 4 angegebenen Weise
für die chemische Untersuchung zu entnehmen, wenn die
Ursachen der beaustandeten Beschaffenheit der Milch ander-
weitig nicht zu erkennen sind.
Angesiinerte Milch kann nur durch den Geschmack und
daran erkannt werden, dasz der in der Probe geronnene Küse-
stoff am Milchmesser als ungleichmüsziger krümeliger Belag
erscheint.
Auf saure Milch, welche als dicke Milch feilgeboten wird,
sowie anf gröszere Vorriithe derselben, welche zweifellos zum
Viehfutter bestimmt sind, findet die Polizeiverordnung ihrer
Ueberschrift gemiisz keine Anwendung.
3) Nach der Prüfung der Milch auf üuszerlich wahrnehm-
bare Eigenschaften ist der polizeiliche Milchprober langsam
und vorsichtig in die Milch im Probegefasz einzusenken und
mindestens zwei Minuten darin zu belassen, bevor die Zahl der
Grade für das spezifische Gewicht an der Spindel (dem mit der
Gradeintheilung versehenen oberen Theil des Milchprobers)
abgelesen wird.
Diese Gewichtsziffern beziehen sich auf 15° C. Milchwarme;
letztere wird durch den im bauchigen Theil des Milchprobers
befindlichen Thermometer angegeben.
Wiihrend des Ablesens musz die Quecksilberkugel unter Milch
verbleiben.
Wird die Milch warmer als 15° 0. gefunden, d. h. steht
der Quecksilberfaden des Thermometers über den Nullpuukt,
so werden die erreichten vollen Theilstriche desselben der an
der Spindel erhaltenen Gewichtszahl zugerechnet; steht der
Quecksilberfaden dagegen unter dem Nullpunkt, d. h. ist die
Milch kuiter als 15° 0., so werden die vollen Theilstriche der
Warmegrade von der Gewichtszahl abgezogen.
Dabei kommt:
für Voll- und Halbmilch die Berichtigungsreihe, mit V be-
3
-ocr page 36-
\'M
zeichnet, auf gelbera, für Magermilch diejenige auf blauem
Grunde, mit M bezeichnet, zur Anwendung.
4)    Bei der Priifung soll nach der vorstehend erörterten
Berichtigang Vollmilch mindestens 14°, Halbmilch mindestens
15°, Magermilch mindestens 16° der Spindeltheilung zeigen.
Milcb, welcbe diesen Anforderungen nicht entspricht, gilt
als gewiisserte Vollmilch, gewasserte Halbmilch, gewasserte
Magermilch.
Wird a) in einer Molkerei behauptet, dasz die beanstandete
Vollmilch nur von einer Kuh herrührt, b) wahrgenommen, dasz
sich bei beanstandeter Vollmilch der Milchprober mit eiuer
Rahmschicht überzieht und deshalb ein ungewöhnlicher Fett-
reichthum möglich erscheint, c) beanstandete Halbmilch als
scheinbar ungewönlich fettreich befunden, so sind Proben dei-
in Frage kommenden Milchsorten in durchaus reinen Flaschen
zu einem halben Liter Inhalt zu entnehmen, welche mit einem
neuen Korken soforl verschlossen, demnachst versiegelt und in
bisher üblicher Weise bezeichnet, dem polizeilichen Chemiker
sofort oder mindestens im Laufe des Kontrolltages zu chemi-
schen Untersuchung beh&ndigt werden; letztere musz ohne
Verzug stattfinden, damit entschieden werden kann, ob die
inzwischen aufzubewahrende Milch freizugeben oder zu ver-
nichten ist.
Die Kosten der Untersuchung tragt bei ungünstigem Ausfall
derselben der Verkaufer.
5)    Bei der Priifung der Milch in Molkereien und bei Stall-
proben ist durch Befragen zu ermittelu, ob es sich a) um
Durchschnittsmilch der Stallung, />) um Einzelmilch handelt.
Die Priifung mittelst des Milchprobers darf auch hier nur nach
gründlicher Mischung der Milch (vergl. Ziffer 1 zu § i) statt-
finden.
In den Molkereien darf noch nicht ausgekiihlte Milch mit
dem polizeilichen Milchprober erst untersucht werden, nachdem
dieselbe ausgekühlt und schaumfrei geworden ist, weil frisch
-ocr page 37-
36
gemolkene Milch darch zurückgehaltene Gage leichter sein kann,
als die für Vollmilch vorgeschriebene Gradzahl fordert.
6)     Die Ergebnisse der polizeilichen Prüfung siud zusam-
menzustellen, auch Angaben über die Grösze des in den über-
wachten Milchgeschaften und Milcbwagen im Dnrcbschnitt
tiiglich vorhandenen Mïlchvorrathes zu machen.
7)     Von Milchsorten, welche iin Siune des § 2 der Verord-
nung nur zu einern Verdacht auf Verflilschnng etc. Anlasz
geben, sind Proben zur chemischen bezw. mikroskopischen Un-
tersuchung zn entnehmen.
Wird die frische Milch vorschriftswidrig befunden und ein
Verschnlden des Verkiiufers nachgewiesen, so hat derselbe die
Kosten zn trageu.
Bei der Probeentnahme ist hierauf aufmerksam zu machen.
8)     Jeder mit der Milchprüfung beauftragte Polizeibearabte
erbiilt ein Verzeichnisz derjenigen Personen, welche in Gemiisz-
heit des § 3 der Verordnung ihren Geschiif\'tsbetrieb hier an-
gemeldet haben.
Personen, auch auszerhalb wohnende, welche überführt werden,
gewerbsmiiszig hier am Orte Milch ohue die vorgeschriebene
Anmeldung des Gewerbes in den Verkehr gebracht zu haben, sind
zuvörderst zur sofortigen Anmeldung ihres Gewerbebetriebes
anzuhalten und demniichst zur weiteren Ueberwachung vor-
zu merken.
Es ist streng darauf zu achten und thunlichst dahin zn
wirken, dasz zum Transport oder zur Aufbewahrung von
Milch nur Holzgefiisze, Weisblechgefüsze oder, falls bei kleine-
ren Milchvorn\'ithen irdenes Geschirr zur Anwendung koramt,
Bunzlauer Topfwaaren, Steingut oder Porzellangefiisze benutzt
werden. Die Glasur dieser Geschirrsorten hat sich bis dahin
bewahrt.
Werden Gefiisze aus anderweitigem Material zur aufbewah-
rung der Milch gefunden, so ist dies in der Spalte «Besondere
Bemerkungen» der gedachten Uebersicht zu verzeichnen, na-
-ocr page 38-
36
mentlich wenn sich Gefiisze ans Kupfer, Messing und Zink oder
ThongefiLsze mit schlechter Glasur vorfinden.
Ueber die Benutzung emaillirter Gefiisze ist behufs etwaiger
chemischer Priifung des Email besondere Anzeige zu erstatten.
3 Staudgefiisze, d. Ii. diejenigen Gefiisze, aus welchen der
Kleinverkauf der Milch stattfindet, mussen derartig verschlos-
sen sein. dasz eine Verunreinigung der in ilmen befindlichen
Milch durch iiuszere Einflüsse (Staub, Insekten etc.) unmüg-
lich ist.
Ein luftdichter Verschlusz ist nicht erforderlich.
Aufgeklebte oder angebundene Zettel gelten nicht als unab-
nehmbare Schriftim Sinne der § 5 der Verordnung, sind daher
nnzuliissig.
Unter den in letzterem bezeichneten Gefiiszen sind alle die-
jenigen zu verstellen, in welchen Milch zum Verkauf umher-
getrageu, umhergefahren oder in Geschiiftslokaleu bereit gehalten
wird, also auch Flaschen und Handkannen.
Ansgenommen sind die in verschlossenen Wagen befindlichen
Gefiisze.
Die Erfüllung der in § 6 der Verordnung getroffenen Be-
stimmungen ist von den Beamten der Markt- wie der lievier-
polizei zu überwachen und nöthigenfalls zwangsweise herbei-
zuführen.
Bei der Besichtignng eines Viehstandes sind nach Ermessen
der bearnteten Tliierarztes auch die Futtermittel zu untersuchen.
Wird in einem Viehbestande eine der im ij 2c bezeichneten
Krankheiten gefnnden, so ist dem Eigenthümer (bezw. Milch-
piichter) der Verkaut der Milch von den erkrankten bezw. der
Krankheit verdüchtigen Kühen zu uutersagen. Hiervon ist dem
znstiuidigen Polizeirevier behufs Ueberwachung Mittheilung zu
machen. Vorschriftswidrige Milch ist durch Ansgieszen zu ver-
nichten, nach dem nöthigenfalls eine Probe fiir die chemische
Untersuchung vorschriftsmiiszig entnommen ist.
Auf Antrag des Verkaufers ist demselben eine amtlich ver-
-ocr page 39-
37
siegelte Probe der beschlagnahmten und zu vernichtenden Milch
zu seiner Verfüguug zu überlassen, in diesem Falie aber auch
eiue zweite Probe zur sofortigen cheuiischen Untersuchung
durch den polizeiliclien Cheuiiker zu entnehnien.
Zwitserland.
Hier volgen de wetten betreffende den melkhaudel iueenige
Zwitserse lic kantons:
Kanton St. Gallen.
(A°. 4892).
Verordnung betreffend den Verkehr mit
Lebensmitteln.
Art. H. Die Kuhiuilch soll mit unveriindertein Gebalt zuni
Verkauf gebracht werden, wie sie von gesuuden, gut gefütter-
ten Kühen stauimt.
Ziegenmilch darf der Kuhuiilch nicht beigemischt, soiidern
niusz uuter eigener Bezeichnuug verkauf\'t werden.
Art. 12. Der Verkauf von Centrifugenmilch ist unter fol-
geuden Bediugangen gestattet;
a.     Centrifugenmilch darf nur in besondern Lokalen oder
von besondern Fuhrwerken aus, nicht ueben und mit reelier,
gauzer Milch verkauft werden.
b.     Die ïransportgefiisze für Centrifugenmilch mussen die
deutliche und leicht sichtbare Aufschrift tragen: Centrifugenmilch,
volstandig entrahmt.
Sie sollen ternes auch in der Forni leicht
kenutlich sein und sich von den gewöbnlichen Milchgefiisze
unterscheiden.
c.     Bei der Auskündung von Centrifugenmilch durch die
Tag^sbliitter soll iu allen Pallen dem Namen auch die
Qualitütsbezeichuung: « Vollstdndig entrahmt* beigeiügt werden.
-ocr page 40-
3H
Kanton Basel-Sladt.
Verordnung betreffend den Verkehr mit Niihrungsmitteln, Ge-
nussmitteln und Gebrauchsgegenstanden.
§ 1. Fiir deu gewerbsniUssigen Verkauf vou Milch im Kanton
Basel-Stadt ist eiue Bewilliguug des Sauitatsdepartements er-
tbrderlich. Diese Bewilligung kann fur den Verkauf iu der
Stadt nur au solche erteilt werdeu, welche die Milch von
wenigstens i Kiiheu geinisclit abgeben köuneu.
$ 2. Die Vollmilch (gauze Milch) uiusz mit iiuveriinderteui
Gehalt zuiu Verkauf gebracht werden, wie sie sich vor ge-
sunden, nornial gefütterteu h\'ühen ergibt.
§ 3. Milch vou kranken Kühen, nauientlich von solchen
welche an Husten (Tuberkulose) oder au Krankheiten des Euters
und des Geschlechtsorgane leiden, darf\' nicht in den Handel
gebracht werden, ebenso nicht Milch, welche treinden Bestand"
teile i\'iith.\'ill.
§ 4. Die Milch von Kühen wiihrend der ersten 10 Tage
nach deni Kalbeu, ebenso Milch, welche abnormen Geruch,
Geschmack oder Farbe bat, darf nicht verkautt werden.
§ 5. Milch mit uiehr als } pet Siiuregehalt ist vom Verkehr
auszuschliesseu.
§ 6. (Jin das Sauerwerden der Milch zu verhüten, siud die
Milchverkiiufer verpHichtet, die Milch vor dein Versaudt nicig-
lichst abzukühlen.
§ 7. Die Vollmilch inuss eiu specifisches Gewicht von
1,028—1,034. einen Fettgehalt von mindestens 3 pet., eiueu
Trockensubstauzgehalt vou miudestens 12 pet. besitzeu.
§ 8. Der Verkauf vou teilweise, sowie von ganz entrahmter
Milch ist gestattet uater Einhaltung folgender Vorschriften :
i. Teilweise entrahmte Milch darf nur in Gefiiszen in den
Handel gebracht werden, welche die deutliche, nicht abnehm-
bare Aufschrift «Marktmilch» besitzen.
-ocr page 41-
30
Die Marktmilch muss ein specifisches Gewicht von 1,030—
1,036, einea Pettgehalt von mindestens 2,3 pet., einen trock-
substanzgehalt von mindestens 11 pet. haben.
2. Gauz entrahrate Milch darf nur in Gefliszen in den Han-
del gebracht werden, welche die deutliche, nicht abnehnibare
Aufschrift «Magermilch» besitzen. Die Magermilch muss eineu
Trockensubstanzgehalt von mindestens 9 pet. besitzen.
§ 9. Die Milchgefasse dürfen nicht aus Zink oder Kupfer
bestehen. Sie mussen stets in grösster Sanberkeit gehalten
uud wohl verschlossen sein. Sie sind tiiglich mit heissem
Wasser oder Dampf auszubrühen und wieder abzukühlen, bevor
sie zur Aufuahme von Milch verwendet werden.
§ 10. Die fiir den Milchverkauf bestimmten Lokale dürfen
nur mit Bewilligung des Sanitiitsdepartements als solche ver-
wendet werden.
Riiume, welche den einzigen Zugang in ein Haus, eine
Wohnung oder in eiuzelne Wohn- oder Schlafriiume bilden,
ebenso Raume, welche als Wohn- oder Schlafriiume dienen,
oder durch welche anstossende, direktes Licht entbehrende
Schlaf- oder Arbeitsriiume Luft und Licht beziehen, dürfen
nicht zum Milchverkauf verwendet werden.
Die Lokale für Milchverkauf sollen im übrigen geraumig,
angemessen kühl, von Preien her ventilierbar und reinlich
gehalten sein.
Neben der Milch dürfen in demselben Rauin keine übel-
riechenden oder die Reinheit der Luft in anderer Weise be-
eintriichtigenden Gegenstande aufbewahrt werden.
Ebenso mussen die für den Transport der Milch dienenden
Furwerke reinlich gehalten und dürfen nicht auch für Beför-
derung übelriechender Gegenstüude, Abfallstoffe uud dergl. ver-
wendet werden.
11. Unter der Bezeichnung tKindermilch» darf nur Voll-
milch verkauft werden.
§ 13. Die Kindermilchproduktion steht unter der Kontrolle
-ocr page 42-
40
des Sanitiitsdepartenients, welches darüber besondere Vorschrif-
teu aufstellea wird.
§ 14. Die Verkiiul\'er voa Kiuderniilch, welche ini ausser-
halb des Kantons liegenden Stiillen produziert wird, mussen
sich darüber ausweiseu, dass
o. die Stall- und Fütterungsverhültnisse am Produktionsort
den Vorschrifteu des Sauitiitsdepartenients entsprechen,
b. die Milch am Produktionsort ratiouell sterilisiert wird.
Kanton Thurgau.
A° 1891.
§ 35. Die in den Verkehr komuieude, zum menschlichen
Genuss bestimmte Milch inuss, sofern sie nicht durch eine eut-
sprechende Bezeichnung (abgerahmte Milch, Magermilch etc.)
als minderwertig kenntlich gemacht wird, bei 15° C. ein spezi-
tisches Gewicht von 29—34° L. (Lactodensometergrade) haben.
Dieselbe darf\' nicht weuiger als 3 pet. Bnttert\'ett und 12 pet.
Trocken bestandteile enthalten.
Weun in vereinzelten Fiillen das spezilische Gewicht nicht
iunerhalb der vorgeschriebenen Grenzen liegt, wohl aber der
Gehalt an Fett und Trockenbestandteilen, so soll das letztere
Moment für die Beurteilung entsebeiden.
§ 31. In zweifelhaften Kallen soll Stallprobe augeordnet
werden, jedoch dürfen von der Entuahme der marktpolizeilichen
Probe bis zur Stallprobe nicht mehr als drei Tage verstrichen
sein. Weun bei einer Mischmilch von mindestens drei Küheu
die Stallprobe iiber 0,8 pet. Trockenbestandteile mehr enthiilt,
als die Marktprobe, so ist diese zu beanstanden.
§ 37. Die ungenügenden Untersuchungsresultate werden
publizirt, wobei ungefiilschte, aber den Anforderungen nicht
entsprechende Milch als «ungenügende Milch» (oder «geringe
Milch») aufgeführt wird.
-ocr page 43-
41
§ 38. Beiui Verkaut\'von «halbabgerahmter Milch»(Mischung
voii gleichen Teilen ganzer Morgenuiilch und abgerahuiter A beud-
milch) mussen die Trausportgeschirre deutlich (seitlich, nicht auf
dein Deckel) die Bezeichnung ihres Iuhaltes als Halbmilcb tragen.
§ 39. Die chalbabgerahuite Milch» soll an spezifischem Ge-
wicht bei 15° Celsius nicht uu ter 30° L. zeigen. Die chemi-
sche Untersuchuug soll mindestens 11 °/o Trockenbestaudteile
uud 2,3 °/o Pett ergeben.
§ 40. Der Verkauf von Biestuiilch ist uustatthaft. Ebeuso
ist blaue, schleimige, bittere und rote Milch, sowie Milch von
Tieren, welche an schweren «Allgemeinerkrankungeu» (Maul-
und Klauenseuche, Perlsucht, Pocken, Gelbzucht etc.) leiden
vom Markte fern zu halten.
§ 41. Zusiitze von Stollen, welche die Haltbarkeit der Milch
bel\'örderu sollen, wie Soda, Borsiiure, Salicylsüure u. dgl. sind
verboten.
Voor ing liggen verder nog de wetten en verordeningen be-
treffende den uielkverkoop in Kanton Glam (1893), Kanton
Freiburg, Ziïrich, Aargau, gemeenten Aarau, Bern en Baden.
Daar zij zich niet wezenlijk onderscheiden van de boven afge-
schrevene, mogen zij hier achterwege blijven.
Parijs.
Op verzoek ontvingen wjj de volgende:
Note sur les Moyens employés pour réprimer les f\'alsi/ica-
tions da lait:
Le laboratoire Municipal de Chiinie établi pres la Préfec-
ture de Police fait prélever chaque jour chez les débitauts
et nourisseurs de Paris et de la Baulieu uu certain nornbre
d\'échantillons de lait, ordinairement 16.
-ocr page 44-
42
Les échantillons sont portés immédiatement au Laboratoire,
qui en comtnence 1\'aualyse aussitót. Ceux de ces échantillons
prélevés chez les débitants se fournissaut chez les laitiers
en gros, qui sont reconuus uiouillés ou écrêrnés dans une pro-
portiou assez forte pour qu\'il u\'y ait aucun doute sur l\'exi-
stence de la falsification ou de la fraude, sont transinis au
Parquet. Mais on s\'efforce toujours de remonter a la source de
la fraude; c\'est ainsi que si les déclarations des débitans ou
d\'autres indices recueillis par les experts-inspecteurs, perniet-
tent de supposer que Ie lait a été falsifié par Ie garcon laitier
chargé d\'en faire la livraison, Ie Laboratoire charge Ie ser-
vice de la sureté, ou celui des recherches, de surveiller ce
garcon laitier. Lorsque ses agents se sont assurés du tralie
du garcon laitier, de son itinéraire et de 1\'heure de ses livrai-
sous, ils s\'eutendent avec Ie service au Laboratoire, qui envoie,
la nuit, deux de ses Experts-inspecteurs au poste de police,
désigné par les agents, qui y amènent Ie garcon laitier. Les
lüxperts-Iuspecteurs prélévent de préférence, sur les pots en
vidauge et sur ceux dout les cachets leur paraissent avoir été
refaits. Ils recherchent sur la roiture, s\'il y a de 1\'eau des
substauces destinées a être ajoutées au lait pour Ie conserver
de la ficelle et de la eire, pour refaire les cachets des pots.
Les échantillons prélevés sont analyses et les résultats de
1\'analyse, ainsi que la procédure sont transmis au Parquet qui
les joint a la première affaire et peut ainsi statués en connaissance
de cause sur 1\'auteur de la fraude révelée par la première analyse.
De plus, des prelèvements de lait sont faits, de temps en temps, la
nuit, en gare, sur les laits expédiés par les depots que les graudes
sociétés laitières possèdent en province. Il est arrivé plusieurs
fois que des chefs de ces depots ont été condamnés pour écré-
mage du lait qu\'ils sont chargés de recueillir et d\'expédier a Paris.
Pour les nourrisseurs, la controle est encore plus facile;
les experts demandent toujours de quelle traite provient Ie
lait prelevé, quelle est la race des vaches qui 1\'ont fourni,
-ocr page 45-
43
ni, a\'il est reconnu écrêmé ou, ïnouillié, oa controle ce mouil-
lage et eet écrémage par 1\'analyse du lait trait en présence
des Experts-Inspectenrs, ü la menie heure et sur les mètues
vacbes que Ie lait incriminé.
Les débitants, s\'il n\'y a pas recidive, sont ordinairement
condamnés a 70 francs d\'amende: en cas de recidive, ils peu-
vent ètre condamnés a la prison, et a l\'affichage dujugenient.
Pour les garcons laitiers et les nourrisseurs les pénalités sont
plus sévères; elles s\'élèvent souvent a plusieurs tnois de pri-
son et ii 1\'affichage du jugement dans plusieurs eudroits.
Enfin, toutes les dénonciations et renseignements recuelllis
a la Préfecture de Police sout pris en considération, donueut
lieu a des surveillances et a des prélèveuients.
Madrid.
Politie-verordening.
Hoofdstuk 7.
Art. 279. De uielk moet zuiver zijn, afkomstig van gezond
vee, zonder bijvoeging van water of andere vreemde bestand-
deelen ter vervalsching, zelfs dan niet, wanneer de bijvoeging
niet schadelijk voor de melk is.
Het is verboden de melk openbaar ten verkoop aan te bie-
den: ontroomd, gekookt of in anderen dan in den oorspron-
kelijken toestand, zijnde de voorschriften van A rt. 217 van deze
ordonnantie van toepassing op deze alimentaire vloeistof.
Art. 280. Er zal kunnen verkocht worden geconcentreerde
melk, zonder bijvoeging van water, mits van onschadelijke hoe-
danigbeid, waarbij aangegeven worden moet de oorsprong en
geaardheid.
Art. 281. Afgezien van het bepaalde in Art. 279 wordt
-ocr page 46-
44
een maximum tolerantie toegestaan van ^ minus, in vergelijk
tot de voor Madrid geldende eu aangenomen monstersoorten
melk, zijnde dit eene compensatie voor de afwijkingen, die
plegen voor te komen.
Art. 217. Er mag niet gebruikt worden in gebak, confi-
turen, conserven, en andere voedingsstoffen, evenmin als b{j de
toebereiding van spijzen en dranken, vreemde stoffen, die al
of niet kleurhoudend zijn of wel degene, die ter conservatie
gebezigd worden of andere, die schadelijk voor de gezondheid
zijn. 1)
Engeland.
The Dairies, Cow-Sheds, and Milk-Shops
Order of 1885.
Registration of Dairymen and Others,
§ 6. — (1). Is shall not be lawful for any person to curry
on ia the District of any Local Authority the trade of a cow-
keeper, dairyuiau, or purveyor of milk, unless he is registered
as such therein accordauce with this Article.
(2). Every Local Authority shall keep a Register of persons
trom time to time carrying on in their District the trade of
cow-keepers, dairymen, or purveyors of milk, and shall from
time to time revise and correct the Register.
(3). The Local Authority shall register every such person,
but the fact of such registration, shall not be deemed to
Authorize such person to occupy as a dairy or cow-shed any
particular building or in any way prechide any proceedings
being taken against such person for non-compliance with or
1) Dit uittreksel uit de gemeenteverordeningen in Madrid is zouder taalkun-
digc of andere verbeteringen de vertaling, zooals zij mij verstrekt is door deu
Consul vau Spanje te Rotterdam.
-ocr page 47-
45
infringement of any of the proceedings of this Order or Any
Regulation made thereunder.
(4). The Local Authority shall from time to time give
public notice by advertisement in a news-paper circulating in
their District, and, if they think fit, by placards, handbills
or otherwisen of registration being required, and of the mode
of registration.
(5). A person who carries on the trade of co w-keeper or
dairyman for the purpose only of making and selling butter
or cheese or both, and who does not carry on the trade of
purveyor of milk, shall not, for the purposes of registra-
tion, be deemed to be a person carrying on the trade of
cow-keeper or dairyman and need not by reason thereof, be
registered.
(6). A person who sells milk of his own cows in small
quantities to his workmen of neighbonrs for their accommo-
dation, shall not, for the purposes of registration, be deemed
by reason only of such selling, to be a person carrying on
the trade of cow-keeper, dairyman, of purveyor of milk, and
need not, by reason thereof, be registered.
Construction and Water Supply of Arew Dairies and Cow-Sheds.
7. (1). It shall not be lawful for any person following
the trade of cow-keeper or dairyman to begin to occupy as a
dairy or cow-shed any building not so occnpied at the com-
menceraent of this Order, nnless and until he first makes pro-
vision, to the reasonable satisfaction of the Local Authority,
for the lighting, and the ventilation, including air-space, and
the cleansing, drainage, and water supply, of the same while
occupied as a dairy or cow-shed.
(2). It shall not be lawful for any such person to begin
so to occupy any such building without first giving one month\'s
notice in writing to the Local Authority of his intention
so to do.
-ocr page 48-
46
Sanitary State of all Dairies and Cow-Sheds.
8.     It shall not be lawfnl for any person following the
trade of cow-keeper or dairyman to occupy as a dairy or
cow-shed any building, whether so occupied at the commen-
cement of this Order or not, if and as long as the lighting
and the ventilation, including air-space, and the cleansing,
drainage, and water supply thereof, are not sneb as are necess-
ary or proper —
(a). for the health and good condition of the cattle
therein; and
(6). for the cleanliness of milk-vessels nsed therein for
containing milk for sale; and
(c). for the protection of the mille therein against infection
or contamination.
Contamination of Milk.
9.     It shall not be lawful for any person following the
trade of cow-keeper or dairyman or purveyor of milk, or being
the occupier of a milk-shore or milk-shop.
a)   to allow any person sufiéring from a dangerons infec-
tious disorder, or having recently been in contact with a person
so suffering, to milk cows or to handle vessels used for con-
taining milk for sale, or in any way to take part of or assist
in the conduct or the trade or business of the cow-keeper or
dairyman, purveyor of milk, or occupier of a milk-store or
milk-shop so far as regards the production, distribution, or
storage of milk, or
b)   if himself to suffering or haring recently been in contact
as aforesaid, to milk cows, or handle vessels, used for contai-
ning milk for sale, or in any way to take part in the conduct
of his trade or business, as far as regards the prodnetion,
distribution or storage of milk —
until in each case all danger therefrom of the communica-
-ocr page 49-
47
tion of infection to the milk or of -its contamination lias
ceased.
10)    It shall not be lawful for any person foliowing the
trade of co w-keeper or dairyman or purveyor of milk, or being
the occupier of a railk-store of milk-shop, after the receipt of
notice of not less than one month from the Local Authority
calling attention to the provisions of this Article, to perrait
any water-closet, earthcloset, privy, cesspool, or urinal to be
within, communicate directly with or ventilate into any dairy
or any room used as a milk-store or milk-shop.
11)    It shall not be lawful for any person following the
trade of cow-keeper or dairyman or purveyor of milk, or being
the occupier of a milk-shore or milk-shop, to use a milk-shore
of milk-shop in his occupation, or permit the same to be used
as a sleeping apartment, or for any purpose incompatible with
the proper preservation of the cleanliness of the milk-store or
milk-shop, and of the milk-vessels and milk-therein, or in any
manner likely to cause contamination of the milk therein.
12)    It shall not be lawful for any person following the
trade of cow-keeper or dairyman or purveyor of milk to keep
any swine in any cow-shed or other building used by hiin for
keeping cows, or in any milk-shore or other place used by
him for keeping milk for sale.
Regulations of Local Authority.
13)    A Local Authority may from time to time make Re-
gulations for the following purposes or any of them:
a)   For the inspection of cattle in dairies.
b)    For prescribing and regulating the lighting ventilation
cleansing, draining, and water supply of dairies and cow-sheds
in the occupation of persons following the trade of cow-keepers
of dairy men.
c)   For securing the cleanliness of milk-stores, milk-shops,
-ocr page 50-
48
and of milk-vessels used for containing milk for sale by such
persons.
a) For prescribing precautions to be taken by purveyors of
railk and persons selling with by retail against infection or
contamination.
Provisions as to Regulation» of Local Authority.
14)     The following provisions shall apply to Regnlations
made by the Local Authority ander tliis order.
(1)   Every Regulation shall be pnblished by advertiseraent in
a newspaper circnlatiog in the Dictrict of the Local Authority.
(2)  The Local Authority shall send to the Privy Council a
copy of every Regulation made by them, not less than one
month before the date named in such Regulation of the saine
to come into force.
(3)  If at any time the l\'rivy Cooncil are satisfied on inquiry
with respect to any Regulation that the same is of too restric-
tive a cli.iracter, or otherwise objectionates, and direct the revo-
cation thereof\', the same shall not come into operatiou or shall
therenpon cease to operate, as the case niay be.
Existence of Disease among Cattle.
15)     If at any time disease exists among the cattle in a
dairy or Cow-shed, or other building or place, the milk of a
diseaser cow therein —
(a)  shall not be mixed with other milk ; and
(b)  shall not be sold or used for human food; and
(<•) shall not be sold or used for food of swine, or other
animals, unless and until it has been boiled.
NEDERLAND.
Indien wij thans nagaan, welke sanitaire maatregelen er in
Nederland genomen worden tegen knoeieryen in den melk-
-ocr page 51-
49
handel en ter voorkoming van ziekten, welke de melk kan
verbreiden, dan komen we tot de beschamende conclusie, dat
ons vaderland in deze bij andere Europeesche rijken verre ten
achter staat. Eene volledige wet tegen de vervalsching van
levensmiddelen liet ten onzent tot heden op zich wachten, en
het is alleen art. 230 van het Wetboek van Strafrecht 1),
dat als analogon dienst doet van de uitgebreide wetten, die
in andere landen omtrent deze gewichtige aangelegenheid
vigeeren. Omtrent de inrichting van veestallen stelt onze
Staat geen eischen, opdat deze voldoen aan hygiënische voor-
schriften. Een geregelde op ongezette tijden te verrichten
veeartsenijkundige controle van den gezondheidstoestand van
het vee en een geregeld onderzoek naar besmettelijke ziekten
van veehouders en melkslijters bestaat ten onzent evenmin.
Slechts indien besmettelijke veeziekten heerschende zijn, heeft
de districtsveearts thans het recht die controle uit te oefenen.
Dat de parelzucht ten onzent niet onder de besmettelijke
veeziekten gerekend wordt, moet mede geacht worden een
leemte te zijn in de wet.
Bij vergelijking van de politie-verordeningen, in de baiten-
landsche hoofdsteden genomen betreffende den melkhandel,
met die van onze groote steden, komen wij evenmin tot eene
voor ons vleiende conclusie.
Ten besluite zullen wij daarom in het kort resumeeren wat
naar het voorbeeld in het buitenland of naar den eisch der
hygiëne van overheidswege gedaan moet worden om de na-
deeleu en gevaren, aan melkverbruik verbonden, tegen te gaan
of onmogelijk te maken.
In de eerste plaats moeten melkerijen, melkwinkeh en vee-
1) Hij die eet- of drinkwaren of geneesmiddelen verkoopt, te koop aanbiedt
of aflevert, wetende, dat zij vervalscht zijn en die vervalsching verzwijgende, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.
Eet- of drinkwaren of geneesmiddelen zijn vervalscht, wanneer door bijmenging
van vreemde bestunddeeleu hunne waarde of hunne bruikbaarheid verminderd is.
4
-ocr page 52-
50
stallen, /oomede het vee, de melkboeren en allen die belast zjjn
met melken en de behandeling van melk gesteld worden onder
geregeld Staats- of Gemeentelijk toezicht.
De bouw van veestallen en melkinrichtingen moet af hankelijk
gesteld worden van hygiënische wetten, hetrekking hebbende
op ventilatie, licht, lucht, watervoorziening en waterafvoer.
Ruimten, die den eenigen toegang vormen tot eene woning en
ruimten, die tot woonkamers of slaapkamers dienen, of waar-
voor aangrenzende direct licht ontberende slaap- of werkkamers
lucht en licht betrekken, mogen niet voor den melkverkoop
gebruikt worden.
In ruimten, waar melk bewaard wordt, mogen niet tevens
euvelriekende of luchtbedervende voorwerpen bewaard worden.
Voor reinheid der melkvaten, voor koelheid der melkkelders
moet gezorgd worden, De melkvaten mogen niet gemaakt zijn
van eenige stof, die de melk schadelijk maken kan voor het
gebruik. Controle moet worden uitgeoefend op de melkboeren,
melkslijters enz., op leden hunner gezinnen of dienstpersoneel
welke lijdende zijn aan besmettelijke ziekten. Aan hen moet
melkverkoop verboden, resp. \'t behandelen der molk of het
hanteeren der melkvaten onthouden worden.
Bij eene event. desbetreffende wetgeving hier te lande kan
«the dairies, cow-sheds and milk-shops order of 1885,» in
Engeland en Schotland vigeerende, mutatis mutandis ten
voorbeeld strekken (zie pag. 44—45).
Het gebruik van melk van zieke dieren moet worden ver-
boden en de zieke dieren moeten worden geïsoleerd. Aanbeve-
ling zou het o. i. verdienen de melkkoeien periodiek te onder-
werpen aan de tuberculine-proef en de aanvulling der stallen
slechts te doen geschieden met dieren, welke kort te voren de
tuberculine-proef hebben doorstaan.
Voor het uitoefenen van het beroep van melkboer, melk-
slijter
enz. moet de toestemming der overheid noodig zijn, die
de namen van hen, welke het beroep uitoefenen, moet regi-
-ocr page 53-
:.1
streeren. Slechts aan hen worde toegestaan, dit beroep uit te
oefenen, die de melk van minstens 4 koeien kunnen leveren.
De verkoop van biestmelk worde verboden, eveneens van melk,
die abnormale smaak, reuk of kleur vertoont.
De volle melk moet een spec. gewicht bezitten van 1029 —
1034. l) Afgeroomde of gedeeltelijk afgeroomde melk mag ter
markt gebracht worden, maar de vaten, welke deze melk be-
vatten, moeten in duidelijk en onuitwischbaar schrift de qualiteit
der melk aanwijzen
en een minimum spec. gew. bezitten.
Ook de gepasteuriseerde evenals de gesteriliseerde melk
worde op ongezette tijden van overheidswege gecontroleerd.
1) Mocht de melk ran dit spec. gew. afwijken, dan ia verder onderzoek naar
vetgehalte, ook de stalproef enz. te verrichten.
Rotterdam, Maart \'95.
Dr. M. DENEKAMP.
-ocr page 54-
Over den invloed van drinkwater bg do verspreiding
van besmettelijke ziekten.
Reeds Hippokrates heeft gezegd dat degenen die moeraswa-
ter drinken, groote harde milten krijgen en Rhazes voegde
daaraan toe: «Aqua vero stans et putrida splenem augmentat,
complexioneiu corrumpit et generat febres.»
De ineening dat het drinkwater malaria kan teweegbrengen
is in Engelsch-Indië zeer verspreid en kan ook volgens Parkks
moeielijk betwijfeld worden. In eenige dorpen, die in be-
trekking tot de lucht gelijkstonden, werden juist zij door ma-
laria aangetast, welke slecht drinkwater hadden, terwijl zij,
welke door goed drinkwater begunstigd waren, vrij bleven. Ook
in Engeland heeft men de ervaring, dat na het verstrekken
van goed drinkwater de koortsen aanmerkelijk verminderden.
Een zeer interessant geval deelt Boudin 1) mede. In de maand
Juli 1834 gingen drie schepen met 800 Fransche soldaten van
Uóne naar Marseille. De gezondheid was op twee der schepen
uitstekend; op het derde, de «A.rgo», waar de soldaten denzelf-
den leefregel, dezelfde vermoeienis en voeding hadden als op
de twee andere schepen, werden van de 120 man 98 ziek aan
koortsen, terwijl er 13 stierven.
Het eenige onderscheid was het water; de soldaten van de
beide eerste schepen en de matrozen van de «Argo», welke
gezond bleven, hadden goed water, maar dat, voor de soldaten
van de «Argo» bestemd, was uit een moerasachtige streek en
had een onaangenamen smaak en reuk. De bewijzen van de
1) Geogr. et statiat. med.
-ocr page 55-
53
overbrenging van febris typhoitlea door het water zijn talrijker.
Vau de zeer vele mededeelingen daaromtrent zal ik slechts
eenige, vooral uit den latereu tijd, nieedeelen.
LlBBMBHBlSTisB 1) deelt drie epidemieën vau typhus mede, een
iu de kazerne te Zürich in 18G5, eeu iu de kazerne te S0I0-
thurn in 18ül en een in de fabriek van balken bij Bazel in
1867, die hij alle aan slecht drinkwater toeschrijft; nadat dit
niet meer gebruikt werd, hield de ziekte op.
Hüülkh ?) geeft eene uitvoerige beschrijving over het ont-
staan en de verspreiding van een typhus-epidemie in Laufen
(kanton Baselland), waaruit een duidelijke infectie door drink-
water blijkt.
F. Küchenmeisteb, 3) geeft in zijn tijdschrift een beschouwing
over den Reinhardtsdorfer typhus in 1872 en 1873, die door
slecht drinkwater zou veroorzaakt zijn.
In 1885 brak een ernstige epidemie te Auxerre uit, maar
bleef gelocaliseerd in een gedeelte van de stad, waar de huizen
het drinkwater kregen van één bepaalde bron. Dr. Dionis des
Carrières ontdekte dat het water van deze bron verontreinigd
was met de uitwerpselen uit een boerderij, waar korten tijd
geleden febr. typhoidea geheerscht had. Deze uitwerpselen waren
op eeu mesthoop geworpen, hadden het water van den onder-
groud besmet, dat daarna zich vermengd had met het water
vau de bron, die het aangetaste gedeelte van Auxerre van
water voorzag. Om de juistheid hiervan aan te toonen, kleurde
hij den mesthoop met fuchsine, waardoor ook het water in de
bewuste wijk van Auxerre rosé gekleurd werd.
In September 1880 brak er een epidemie uit te Clermont-
Ferrand, die wat afnam in October maar in Nov. en Dec.
weer heviger werd. Hoewel omgeven door verscheidene dorpen
1)     Deutiehes Archiv. fiir klin. Med. ti. VII S. 155
2)     Beitrüge zur Entstchungswcise des Typhus und zur Trinkwasserlehre. Leipzig
3)     Allgemeine Zcitscurifl fiir E|>id< iniologic. Erlangen. 187-1.
-ocr page 56-
54
als Mont-Ferrand Royat, Charaaillères, kwam slechts iu één, n.1.
Mont-Ferrand, febr. typhoïdea voor, eveneens verminderende
in Oct. en vermeerderende in Nov. en Dec.
Het onderzoek leerde dat men iu Mont-Ferrand hetzelfde
water dronk als iu Clerinont, maar ander water in Itoyat en
Ohamaillères. Iu Oleruiout bleven de bewoners van een klooster,
dat eigen drinkwater had, geheel verschoond, behalve een nou
die één dag bij hare familie iu de stad had doorgebracht.
Thoinot, die door zijn betrekkiug aan de Préfecture de
police eu aau het comité permanent des épidemies het best
iu staat is, nauwkeurige statistische opgaven te verkrijgen eu
onderzoek te doeu uaar infectieuse ziekten, spreekt als ziju
overtuiging uit, dat de invloed vau het water op de versprei-
ding van febris typhoidea en cholera thans boven alleu twijfel
verheven is. Door een aantal graphische voorstellingen heeft
hij aangetoond, dat de epidemieën te Parjjs iu 1886, 1887 eu
1889 telkens ontstonden als door een gebrek aan een der
waterleidingen het water uit de Seine gedronken werd 1);
uit zijn ouderzoek blijkt eveneens, dat de verheffing dier
ziekte in de eerste helft vau 1894 hoofdzakelijk is waargeno-
meu iu die arondissementeu van Parijs, welke huu water uit
de waterleiding van de Seine verkregen 2).
Nadat Thoinot reeds vroeger de oorzaken van de febr. typh.
in verschillende plaatsen vau Frankrijk had beschreven, heeft
hij onlangs 3) een overzicht gegeven van deze ziekte, die te
Rennes geheerscht heeft van 1875—1882 en van 1883—1892.
In het eerste tijdvak bedroeg het aautal aangetasten 313 en de
sterfte 43.3 op de 10000 inwoners. In het tweede tijdvak was
het aantal aangetasten 67 en de sterfte 2.1 op de 10000 inwoners.
Van waar dit groote verschil? Vóór 1882 was het water
1)     Recueil des travaux du comité consultatief d\'Hygiène de France. 1891.
2)     Au il d\'Hygiène publique. Avril 1894.
3)     Aim. d\'Hygiène publique. Janvier 1894.
-ocr page 57-
55
zeer onzuiver; in 1883 werd door een waterleiding goed water
aangevoerd. In de kazernen gebruikte tueu sedert dien tijd
alleen dit water. Hieraan moet worden toegeschreven, dat
bet garnizoen, waaronder vroeger meer gevallen dan bij de
burgers voorkwamen bijna geheel verschoond bleef. Daar de
buitenwijken niet aan de waterleiding aangesloten waren en
het water nog onzuiver was, eischte de ziekte daar nog meer-
dere slachtoffers.
Uenauü 1) deelt mede, dat gedurende den zomer van 1884
in het departement du Nord bij vele soldaten, die met verlof
of gedurende de manoeuvres op het platte land vertoefden,
febr. typhoidea werd waargenomen, terwijl de ziokte in de
garnizoensplaatsen niet heerschte. Bij onderzoek bleek, dat
in die dorpen het water uit de putten, die zich allen in de
nabijheid van mesthoopen en secreetputten bevonden, zeer
onzuiver was.
Bkouardel 2) heeft in een mededeeling aan de Académie
de médecine de oorzaak van de febr. typhoidea te Havre uit-
voerig besproken. Havre is eene der steden van Frankrijk
die het hevigste door deze ziekte geteisterd wordt en vanwaar
zij zich telkens over de omliggende plaatsen verspreidt. Een
der geueesheeren aldaar, Gibkrt, heeft de oorzaak toegeschreven
aan de verontreiniging van den grond en niet aan het water.
Brouardel heeft deze bewering bestreden, hij heeft zich veel
moeite gegeven om de verschillende waterleidingen in haar
geheel verloop te onderzoeken en heeft aangetoond dat dit
water onzuiver is en dat daaraan het voortdurend heersenen
van febr. typhoidea te Havre te wijten is. Om Gibkrt van den
invloed van het aanbrengen van zuiver water te overtuigen
haalt hij het voorbeeld van Angoulème aan. Aldaar heerschte
de febr. typh. vóór 1889 op de hevigste wijze, nog erger dan
1)     Ann. d\'Hygiène pull. Nov. 1894.
2)    Ann. d\'Hygiène pub!. Mai 1894
-ocr page 58-
56
te Havre; de sterfte bedroeg 21.42 op 10000 inwoners. Nadat
de stad iu 1889 van uitnemend water voorzien was, daalde
de sterfte tot 2.61 op 10000 inwoners.
Volgeus Bedford (The history, causation and prevention of
the enteric fever of India) komen er in Indië talrijke slacht-
offers aan febr. typhoid. voor. Hier speelt ook het water een
voorname rol. Het water wordt algemeen uit gegraven putten
door lederen emmers genomen en iu lederen buizen vervoerd.
De meeste open bronnen zijn de plaatsen waar de inboorling
na afgeloopen ziekte zijne cereuiouiëu, wasschiugen etc. doet.
De filters deugen niet. De melk wordt met dat water dikwijls
verontreinigd. In de stad Boston is de typhus, zooals Mr. (Jol-
lon zegt, sedert de invoering van de waterleiding zeer ver-
minderd. De tvphus-sterfte bedroeg 184(3—1841): 17.i op
10000 inwouers, vau 1850—54: 8.2 en ging verder terug tot
1892: 2,9.
Edson 1) beweert, dat iu den wintertijd het besmet wordeu
met typhus door driukwater geen zeldzaamheid is, omdat de
zelfreiuigiug der rivieren dan minder werkzaam is dan in den
zomer. Hij voert een voorbeeld aan vau Grand Forks, waar
tusschen 7 Dec. 1893 en 1 Maart 1891 van de 10000 inwo-
ners 1169 aan typhus ziek werden eu 78 stierven. De bes me t-
ting werd teweeggebracht, doordat \'30 dagen vóór het uit-
breken in de 60 Eugelsche mijlen boven aan dezelfde rivier
gelegen stad Crookstau wegeus het optreden van meerdere
typhusgevalleu eeu grondige doorspoeling der kanalen en fae-
calieuputten verricht was, waardoor de rivier, waaruit Grand
Forks haar water ougefiltreerd neemt, met ziektestoffen ver-
ontreiuigd was.
De typhus-epidemie in Ftinf kirchen (Zuid-Hongarije), die door
v. Fodor 2) en von Lobwy onafhankelijk van elkander be-
1)     New-York Record. 1894.
2)     Deutsche meil. Wochenschrift. VII. 1892.
-ocr page 59-
57
schreven zijn, geeft een voorbeeld van een drinkwaterepideraie,
die door het zekere bewijs van typhus-bacilleu in het water
bijzondere waarde heeft.
Bij een kleine typhus-epidemie in de nabuurschap van Mag-
deburg, ui. te Seehauseu, kon Schild 1) typhus-bacillen in het
drinkwater aautoonen.
Ook G. Pouciiet 2) beschrijft een epidemie in het kleine
dorpje Louville. Hier waren de bronnen door sterke regens,
met de op een mesthoop geworpen faecaliën verontreinigd.
Het water van deze bronnen bevatte typhus-bacillen.
Vinckst et Massol 3) geven een beschrijving van een zeer
omschreven typhus-epidemie in het dorp Bossy. Voor de drink•
watertheorie schijnt deze epidemie, zoowel door haar localisatie
als door het bacteriologisch onderzoek, een krachtig bewijs te
zijn. Het water bevatte duidelijk typhus-bacillen.
In Berlijn waar de sterfte aan febris typhoïdea in de laatste
jaren zeer gering was geweest (1.6 tot 1.7) ontstond in het
begin van 1889 plotseling een epidemie. Fraenkel en Piefkb,
van het laboratorium van Koen, hebben deze epidemie bestu-
deerd; zij vervaardigden een kaart, waarop met donkerroode
kleuren de wijken werden aangegeven die het sterkst werden
aangetast, met lichtroode kleuren die waarin de ziekte middel-
matig was voorgekomen, terwijl de wijken die gespaard waren,
wit bleven. Hieruit bleek dat in het westen van de stad de
epidemie sterk geheerscht heeft, dat het oosten verschoond
was gebleven. Het westen van Berlijn uu wordt van water
voorzien door de filters van Straulau uit de Spree, het oosten
door de filters van het meer van Tegel. Bij onderzoek is hun
gebleken dat de filters, die het water uit de Spree moesten
zuiveren, defect waren, dat zjj de bacteriën doorlieten.
1)    Zeitschrift l\'ur Hygiëne mul Infeetionskrankheiten.
2)     Ann. d\'Hygiène. XXVII. 1892.
3)    Revue mcd. de la Suisse rom. Nor. 1894.
-ocr page 60-
58
Ten slotte wil ik nog. wat de febris typhoidea aangaat, een
overzicht meedeeleu vau deze ziekte onder den invloed van het
drinkwater in Weenen.
Dr. Gautier geeft in de Encyclopédie d\'Hygiène een gra-
phische voorstelling over de jaren 1851 tot 1886 en toont aan
dat de sterftegevallen aan deze ziekte tusschen 1851 en 1874,
(invoering van de waterleiding) zijn op 100000 inwoners bv.
in 1855, 340 en 1873, 110 en de overige jaren tusschen deze
cijfers balanceeren, terwijl na 1874, met 50 sterfgevallen, steeds
een minder getal op de lijst voorkomt, en de jaren 1884, 85
en 81 met slechts 10 sterftegevallen op hetzelfde getal inwo-
ners uitmunten. Volgens Gautikr is ook na de verandering
van water de dysenterie te Weenen bijna geheel verdwenen.
Iteeds in het midden dezer eeuw hielden Snow en anderen
het drinkwater voor een der oorzaken tot verspreiding van
cholera, verder is in Engeland voor eeu vijf-eu-twintigjaar de
onderviuding opgedaan, dat plaatsen, welke vroeger veel door
cholera geleden hadden, na verbetering van het drinkwater bij
latere epidemieën verschoond bleven. Vooral de plaatsen Exeter,
Huil, New-Castle ou Tyne, Glasgow en andere worden als
zoodanig genoemd. Hetzelfde kan van Amsterdam gezegd wor-
den l), daar na invoering van de waterleiding de hevigheid
der epidemieën zeer verminderd is. Door vele schrijvers zijn
nog voorbeelden aangehaald van den invloed vau het drink-
water bij cholera-epidemieën ; ik wil mij echter bepalen tot de
mededeeling van de gevallen in de laatste jaren.
Et. Förster l) verdedigde de drinkwater-theorie ten opzichte
van het ontstaan en de verspreiding der cholera. Hij zegt:
het cholera-contagium, dat waarschijnlijk uit bacteriën bestaat,
komt tot ontwikkeling in de secreetputten, waarin de ontlasting
der lijders geworpen wordt, of in den bodem die hen omgeeft,
l) V. Geuns in ilc verhandeling der Cholera-Commissic.
i) Die Verbreitung der Cholera durch die Brennen. Breslau 1873.
-ocr page 61-
59
dringt door de aardlagen ia onze bronnen en wordt door het
water iu het menschelijk lichaaui gebracht. Dit is wel niet de
eenige, doch de voornaamste weg, dien de cholerastof neemt.
Om deze uieeniug te staven, tracht hij te bewijzen:
1.     dat plaatsen, die niet uit dergelijke door de secreet-
putten geïuficieerde bronnen het drinkwater verkrijgen, maar
op een wijze die de infectie van het water uitsluit, van cholera
bevrijd blijven;
2.     dat al onze gewone in den bodem gegraven bronnen
onder den invloed der secreetputten staan.
Als steden die altijd van cholera-epidemieën verschoond
waren, omdat zij door waterleidingen van goed drinkwater
voorzien werden, noemde hij Lissu, Laubau, Plesz, Neumarkt,
(jirünberg, Glogau. Vooral merkwaardig is wat hij van Glogau
mededeelt. De stad met circa 14000 inwoners is aan beide
zijden van den Oder gelegen. Het grootste gedeelte, aan den
linkeroever, bezit een uitnemende waterleiding; het rechter
gedeelte heeft slecht drinkwater. In 1806 werden dicht bij
de stad aan den linkeroever van den Oder 4000 Oostenrjjksche
krijgsgevangenen in barakken gehuisvest. Onder dezen brak de
cholera uit, van de 152 aangetasten stierven 40, zij werden
verpleegd in het Lazareth, dat iu het linker gedeelte der stad
gelegen was. Onder de 12500 bewoners kwamen wel enkele
sporadische gevallen voor (het waren personen die met de sol-
daten verkeerd hadden), doch van een epidemische verspreiding
was geen sprake, terwijl daarentegen in het aan den rechter
oever van den Oder gelegen gedeelte, dat slecht drinkwater had,
een epidemie ontstond.
Iu het verslag over de werkzaamheid der tot onderzoek der
cholera in 1883 in Egypte en Indië benoemde commissie, op-
gemaakt door Dr. G. Gaffky, met medewerking van Prof.
Dr. Kocu, vindt men over den invloed van het water op het
ontstaan en de verspreiding der cholera vele belangrijke waar-
nemingen vermeld, waarvan ik hier eeuige mededeel.
-ocr page 62-
00
De commissie heeft op verschillende plaatsen het water in
de stilstaande vijvers (Tanks) onderzocht en door statistieke
opgaven aangetoond hoe hevig de cholera iu de omgeving
daarvan geheerscht heeft. Zeer uitvoerig beschrijft hij de Tank
van Saheb-Bagan, eeue voorstad van Calcutta. Rondom dezen
modderpoel waren 40 hutten van leem gelegen met ongeveer
359 inwoners; de sekreten aan de achterzijde der hutten, in
de nabijheid van den Tank, bestonden uit halt gebroken aarden
potten zonder zitting waarvan de inhoud dikwijls over den
grond liep en zich zoo in den Tank ontlastte. Het Tankwater
werd gebruikt voor het koken, tot het nemen van baden en
voor godsdienstige wasschingen; verder werd al het vuile goed
daarin gewasschen; een aantal menschen dronken het ook. De
commissie heeft zich overtuigd dat kleederen van choleralijders
in den Tank gewasschen werden. Terwijl in Calcutta de cholera
zich weinig vertoonde, heerschte in de hutten in de nabijheid
van dezen Tank een ware epidemie. Hetzelfde had de com-
missie te Damiette en te Bolocq waargenomen. In hetzelfde
verslag vindt men vermeld dat Pondichery, een kleine Fransche
bezitting, in vroeger jaren hevig door de cholera geteisterd
werd, zoodat van 1855—1866 niet minder dan 6522 menschen
op een bevolking van ongeveer 120000 aan deze ziekte over-
ledeu waren. Nadat in de stad zelve een groot aantal artesische
bronnen geboord waren, heeft deze zich over eene opvallende
immuniteit tegen cholera mogen verheugen, zelfs in 1881 en
1882, toen de ziekte zoo hevig in het zuidelijk gedeelte van
Indië geheerscht heeft. In 1883 stierven wel in de omliggende
dorpen, waar geen artesische putten bestonden, meerdere per-
soneu aan cholera, doch in de stad zelve vertoonden zich
slechts enkele gevallen.
Ook Madras levert een krachtig bewijs voor den invloed van
waterverzorgiug op de epidemische verbreiding der cholera.
Sedert 1872, toen de stad eene goede waterleiding verkreeg,
is de sterfte aan deze ziekte aanzienlijk verminderd; de bewo-
-ocr page 63-
fil
ners der buitenwijken, die niet aan de waterleiding waren
aangesloten, maar het water uit onzuivere bronnen of vuile
Tanks moesten drinken, wei-den het meest aangetast. Opmer-
kelijk is, dat in Madras thans hoogst zelden een Europeaan
aan cholera lijdt; in 1881 en 1884 kwamen slechts twee
gevallen voor. Eveneens vertoonden zich de gunstige gevolgen
eener verbeterde waterverzorging in de steden Ragpur en
Guntur.
De groote epidemie van 1892 te Hamburg is wel een van
de voornaamste bewijzen van den invloed van het water. Reeds
het feit dat de epidemie tegelijkertijd en plotseling over
de geheele stad uitbrak, deed dadelijk het vermoeden wettigen
dat de waterleiding besmet was, vooral daar door deze water
geleverd werd dat direct uit de door cholera besmette Elbe
kwam. De laatste twijfel moest ophouden toen men waarnam
dat de cholera aan de grens van Altona ophield. In Hamburg
dronk men ongefiltreerd, in Altona daarentegen gefiltreerd
Elbewater.
Eenige gebouwen in Altona, waar Hamburger water gedron-
ken werd, hadden cholera-zieken, de overige, waar het water
uit Altona gedronken werd, bleven vrij. Een kazerne in Ham-
burg met 540 man bleef geheel vrij; zij had eigen water. In
vier Anstalten van Hamburg, Alsterdorfer Anstalt met 574
bewoners, Pestalorristift met 94, Centraalgevangenis in Fuchs-
büttel met 1100 en ook het huis van verbetering met G00
inwoners, kwam geen enkel cholerageval voor. Zij hadden
eigen bronwater. Daarentegen kwamen in het krankzinnigen-
gesticht Priedrichsberg met 1363 bewoners 123 cholera ge-
vallen met 64 dooden en in het werk- en armenhuis met
1230 inwoners 45 zieken en 12 dooden voor; deze beide
hadden Hamburger leidingwater.
Het volgend jaar had Hamburg in den winter een kleine
na-epidemie van 64 gevallen en Altona eene met 47 gevallen.
Het bleek nu dat de zandlaag van de filters te Altona bevro-
-ocr page 64-
62
ren was, waardoor deze slecht werkte en het water besmet
was geworden.
De Kreisphysicus Fikmtz 1) spreekt zich zeer duidelijk uit
dat de epidemie in het krankzinnigengesticht te Nietleben
door drinkwater veroorzaakt is. Reeds in den zomer en herfst
van 1802 waren meerdere ernstige darmziekten voorgekomen,
de laatste den 7 Januari 1893; hier volgde de dood op 14 Jan.
onder van cliolera-verdachte verschjjnselen. Tot 20 Jan. waren
er 113 zieken en 44 doodeu geweest. De inrichting heeft
leidingwater uit de zoogenaamde Wilde Saaie, die Halle niet
aandoet. Het water wordt gewoonlijk gefiltreerd gedronken,
maar de leiding was zoo slecht aangelegd dat het rivierwater
ongefiltreerd in de buizen was gekomen. Nadat de leiding
gesloten en water uit Halle aangevoerd was, dat gekookt
werd, hield de epidemie op.
De gevallen, welke in de laatste jaren in ons land voor-
kwamen, zijn meestal toe te schrijven aan het drinken van
ongekookt en ongefiltreerd rivierwater. Dikwijls kwam de ziekte
voor bij schippers of zooals te Maarssen in 1892 bij personen
welke Vechtwater gedronken hadden.
Uit het bovenstaande kunnen wij wel besluiten, dat het
drinkwater een zeer groote rol speelt bij de verspreiding van
febr. typhoidea en cholera.
De verbreiding der cholera wordt zonder aarzelen door de
Duitsche cholera-comraissie (R. Koch, Gaffkv en Fischer)
in hoofdzaak aan verontreiniging van het drinkwater toege-
schreven.
De Miinchener school met v. Pettkrkoier aan het hoofd is
het hier echter niet mede eens en zoekt de oorzaak van cholera
en febr. typhoidea nog altijd in den bodem ; ook heeft A». Vogt 2)
1)     Deutsche med. Woclienschr. XIX, 51. 1893.
2)     Triakwaaser oder Hodenwas»er. Correapondenzblatt fiir Schweizer Aer/ir.
1874.
-ocr page 65-
63
de drinkwater-theorie voor febr. typh. bestredeu en getracht de
beweringen van Liëbermeistër, Hüglkr en Kücuenmeister (zie
hierboven) te wederleggeu. Von Pettenkofer 1) geeft echter
toe dat een waterleiding, die door cholera verontreinigd is, tot
uitbreiding kan bijdragen, maar slechts in gematigde wijze en
dan alleen wanneer de betreffende localiteit daarvoor geschikt is.
Büchner is het met von Petten koper eens.
In ieder geval is het dus noodig voor goed drinkwater te
zorgen en dat het ouder voortdurende deskundige bewaking
staat. Tot voor eeuigen tijd meende men, dat wanneer het
water door een scheikundige was onderzocht en goedbevondeu,
dit gerust kon gedronken worden.
Tiiieman en Gürtner geven hiervoor de volgende greus-
waarden op :
l liter water mag niet meer bevatten dan 500 m.gr. mine-
rale en organische stoffen, bij het verdampen op het waterbad
terugblijvende,
180—200 m.gr. calcinm en magnesiumoxyd,
80—100 m.gr. zwavelzuur,
5—15 m.gr. salpeterzuur,
20—30 m.gr. Chloor, overeenkomend met 33—50 m.gr. Oh.Na.
Ammoniak en salpeterigzuur mogen niet of in nauwelijks
aantoonbare hoeveelheid voorkomen.
De in een liter water voorhanden hoeveelheid organische stof
mag niet meer dan 8 —10 m.gr. kalium permanganaat reduceeren.
Later, toen de bacteriologie meer op den voorgrond trad en
de pathogene bacteriën bekend werden, meende men van het
bacteriologisch onderzoek het heil te verwachten, maar hoewel
dit steeds moet geschieden, heeft het toch niet aan de ver-
wachting voldaan.
Terecht zeggen de Haan en Straüb 2) dat behalve het
1)    Cholera-exploaion und Trinkwasser. Müachen. med. Wochenschr. Xll 1894.
2)     Voordrachten over Bacteriologie.
-ocr page 66-
64
scheikundig en bacteriologisch onderzoek het ook noodig is de
bron van het water, de wel, de regenbak, de prise d\'eau te
onderzoeken.
Het aantal bacteriën, dat in het water voorkomt, kan moei-
lijk een vaste maatstaf zijn, daar dit zeer verschilt naarmate
de diepte waaruit het verkregen is en bij rivierwater van de
deugdelijkheid der filters. Koen neemt aan dat het gefiltreerde
water eener leiding niet meer dan 100 bacteriën per cM3 mag
bevatten.
Bij pijpwellen vonden dr Haan en Straub dat bij 5 cM.
diepte het aantal bacteriën tot nul is gereduceerd, maar raden
toch aan in stadsgrond bij zandlaag een pijpwel van 20 M. of
daar beneden te maken, omdat bij een diepte van 10 M. lang-
zamerhand dit water nog bacteriën kan bevatten, daar het
uitgenomen water door dat uit de hoogere lagen wordt aan-
gevuld. Buiten behoeft men zoo diep niet te gaan. Een klei-
laag wordt gunstig genoemd, omdat de natte klei een zoo sterk
vermogen heeft om water te binden dat zij een nagenoeg on-
doordringbare laag vormt, al ware deze maar weinige cM. dik
Bij de oude ondiepe wellen van 4—5 M. diepte, die dikwijls
zeer smakelijk water geven, moet men vooral behalve op het
chemisch en bacteriologisch onderzoek op de omgeving letten.
De bovengenoemde heeren verlangen dat \'20 M. rondom de
wel geen riool, beerput of mesthoop is. Zij keurden nooit
water goed dat meer dan 450 bacteriën in de cM3 bevatte.
Het schijnt moeielijk de pathogene bacteriën in het water op
te sporen. Ik heb slechts vier mededeelingen gevonden, waarin
de schrijvers zeggen, dat zg met zekerheid typhus"bacillen in
het water konden aantoonen. Hetzelfde geldt van de kommabacil
der cholera, die in enkele gevallen wel, maar ook dikwijls niet
gevonden wordt.
In grootere steden is het aanleggen van waterleidingen aan
te bevelen en, hoewel hierbij het zakwater van duinen en heide
ot het water uit pijpwellen te verkiezen is. schgnt toch, waar
-ocr page 67-
65
dit moeilijk te verkrijgen is, een leiding van rivierwater,
mits behoorlijk gefiltreerd, niet geheel te verwerpen. De onder-
vinding heeft echter geleerd dat zooals te Nietleben een ernstige
epidemie bij niet goede controle kan uitbreken; het is dus
noodig dat de zandfilters van deze leidingen steeds onder des-
kundig toezicht zijn.
Een in 189\'} door het gemeentebestuur van Brussel benoemde
commissie om te onderzoeken of het gefiltreerde rivierwater
kon gebruikt worden, niet alleen voor den reinigingsdienst en
de nijverheid, maar ook als drinkwater, heeft in verschillende
steden de zandfilters, die hiervoor gebruikt worden, onderzocht,
nl. te Altona, Berlijn, Hamburg, Magdeburg, Rotterdam,
Stnttgart, Worms en Zurich. Zij z.ijn tot een gunstig resultaat
gekomen, mits steeds een aanhoudend toezicht op de filters
werd gehouden door een welgeoefend bacterioloog. De commis-
sie stelt dezelfde voorwaarden die R. Koen aan de Duitsche
regeering heeft aanbevolen:
1°. het door een nieuw of pas gereinigd zandfilter geleverde
water mag niet in de leiding worden gestuwd; het filter moet
eerst rijp gemaakt worden door het neerslaan van algen, diato-
meeën, plantaardige en anorganische deeltjes op zijn opper-
vlakte; 2". de snelheid der filtratie mag niet grooter zijn dan
100 mM. per uur; 3°. het slijmachtige nederslag moet van de
oppervlakte van het zand verwijderd worden zoo dikwijls dat
noodig is;
Prof. van Overbeek de Meyeb 1) vindt het echter zeer ge-
raden dat water, wanneer het om te drinken gebruikt wordt,
ten allen tijde door Chamberlauds-bougie zorgvuldig te filtreereu.
Dit filter wordt door Prof. van Overbeek de Meyer 2) als het
eenig betrouwbare beschreven, terwijl er onder de nieuwe slechts
een is dat het een igszins nabij komt, nl. het filter van Berk efeld.
1) Ned. Tijdichrift van Geneeskunde. 1894 No. 8.
8) Hetzelfde Tijdschrift. 1892 No. 24.
5
-ocr page 68-
GO
Sedert de invoering van de Ohatnberland-filters in de kazernen
en legerkorpsen in Frankrijk is de febr. t.yphoidea onder het
garnizoen bijna verdwenen.
In het cReport of the royal commission appointed to inqnire
into the watersupply of the metropolis» komt deze tot de con-
clnsie dat zij geen overwegende bezwaren heeft dat Londen
van water voorzien wordt door the Thames en the Lea, mits
goed gefiltreerd. Onder meer deelt zij het volgende mede:
«There is auother method bij which we can test the whole-
someness of the London watersupply, sofar as regards the pro-
duction or dissemination of\' enteric fever. We can compare
the mortality from this disease in London with that of other
great towns. It appears from a table that has been brought
before us by the medical officer of health to the London
county council, and which substautially agrees with another
supplied from the General Register Office that, when such
comparison is made, the enteric mortality in London is
found to be exceptionnally low. In the table prepared bij the
medical officer to the council, London is compared, in regard
to its enteric mortality with 14 other great Englisch towns
that have public water supplies which are not excrementally
polluted, and it is shown that in only four of these has the
enteric mortality, on a basis of ten years, been slightlg lower
than in London, while not only has the mortality in the other
ten exceeded that of London but in four of the towns has been
twice, or more than twice, as high.»
Voorzoover mg bekend is, bestaan er hier te lande geen
rijkswetten voor het gebruik van water; toch zou de regeering
hier veel invloed op kunnen uitoefenen, b. v. door te gelasten
dat in kazernen, rijkshospitalen, fabrieken etc. altijd zuiver
drinkwater verschaft werd, en waar de bron van het water of
de price d\'ean van de waterleiding, zooals bij rivierleidingen, niet
geheel onberispelijk is, het door Chamberland-filters (système
Pasteur) te laten filtreeren, verder door middel van Gede-
-ocr page 69-
67
puteerde Staten aan de gemeentebesturen op te dragen voor
goed drinkwater te zorgen, door het aanleggen van waterlei-
dingen en waar dat niet kan, door het plaatsen van Norton-
pompen.
In de vergadering van den Raad der gemeente Arnhem op
27 April 1895 is de volgende verordening vastgesteld.
Verordening tot wijziging der verordening
op het bouwen en sloopen in de
gemeente Arnhem.
Artikel 1.
Het opschrift van § 4 wordt gewijzigd als volgt:
Grondslag, drinkwater, secreten en riolen.
Artikel 2.
Na artikel 19 worden ingelascht de volgende artikelen:
Artikel 19a.
Elke woning moet zijn voorzien van eene pomp, voor de
gezondheid onschadelijk drinkwater gevende, of van eene aau-
sluiting aan de waterleiding.
De eigenaar of hij, die krachtens eenig zakelijk recht het
genot heeft van eene woning, welke niet voldoet aan dit
voorschrift, is verplicht haar vóór 1 Januari 1897 overeen-
komstig het voorschrift der overige alinea in te richten en
verder in dien staat te honden. Meerdere woningen in het-
zelfde gebouw, welke een gemeenschappelijken ingang hebben,
kunnen volstaan met ééne pomp aan de vereischten van het
eerste lid van dit artikel voldoende, of met ééne aansluiting
aan de waterleiding op het in gemeenschappelijk gebruik
zijnde gedeelte van het gebouw of het daarbij behoorende erf.
De eigenaar en de bewoner van en de rechthebbende op
eene woning zijn verplicht toe te laten, dat de personen, door
Burgemeester en Wethouders belast met het onderzoek van
het drinkwater, in die woning zich ten behoeve van dit onder-
-ocr page 70-
68
zoek van de aldaar aanwezige pompen bedienen. Burgemeester
en Wethouders kunnen van de bepalingen, opgenomen in de
eerste twee alinea\'s van dit artikel, schriftelijk ontheffing
verleenen; zg kunnen bij schriftelijke vergunning bepalen, dat
meerdere woningen slechts van ééne gemeenschappelijke pomp
of aansluiting aan de waterleiding behoeven te zijn voorzien.
Aan de in dit artikel bedeelde ontheffing en vergunning,
die tot wederopzeggens toe worden verleend, kunnen Burge-
meester en Wethouders de door hen in het belang der open-
bare orde en gezondheid noodig geoordeelde voorwaarden
verbinden.
Artikel 196.
Een buiten eene woning staande pomp, tot welke de be-
vvoners van omliggende perceelen toegang hebben, moet,
wanneer het water door twee door Burgemeester en Wethou-
ders te benoemen deskundigen wordt verklaard schadelijk
voor de gezondheid te zijn, door den eigenaar of rechthebbende
op aanzegging van Burgemeester en Wethouders binnen een
door hen te bepalen termijn zoodanig worden hersteld, dat
zjj voor de gezondheid onschadelijk drinkwater levert en kan
bij gebreke van dien krachtens besluit van den Gemeenteraad
worden afgesloten.
Het verbreken of\' doen verbreken van eene afsluiting inge-
volge het bepaalde bij de vorige alinea tot stand gebracht
en het gebruiken of doen gebruiken van het water uit eene
pomp, waaromtrent een raadsbesluit is genomen als bij die
alinea is omschreven, is verboden.
Een voorbeeld dat zeker tot navolging is aan te prijzen,
mits dan ook de twee genoemde deskundigen daarvoor geschikt
zjjn en zich b.v. niet alleen bepalen tot chemisch onderzoek.
Arnhem, Mei 1895.
Dr. L. C. HOMOET.
-ocr page 71-
Invloed der woningen op het ontstaan van
besmettelijke ziekten.
Dat de woning in het algemeen van invloed is op den
gezondheidstoestand der bewoners is voldoende bekend. Hoe
ruimer de woning, hoe beter ingericht, hoe meer licht en
versche lucht overal kunnen doordringen, des te minder heb-
ben de bewoners aan ziekten te lijden. Daarentegen, hoe min-
der de woning voldoet aan de eischen eener goede hygiëne,
des te meer zullen de bewoners lijden onder de gevolgen
daarvan.
Waar dit als een feit mag aangenomen worden, blijkt het
echter dat er nergens voldoende gegevens zijn verzameld om
den directen invloed van de woning op het ontstaan van be-
sinettelijke ziekten aan te wijzen.
Een woningstatistiek betreffende dit onderwerp bestaat er niet.
Waar de woning klein en slecht is, des te grooter de sterfte
in het algemeen; maar dan werken zooveel andere factoren
mede, dat niet alleen aan de woning de schuld mag gegeven
worden. Kon men over een woningenstatistiek beschikken,
waaruit men zien kon in welke woningen in het verloop van
een zeker aantal jaren besmettelijke ziekten hebben geheerscht
en van welken aard, en in welke woningen in dat aantal jaren
die ziekten eens of meermalen zjjn voorgekomen, dan ware
het wellicht rnogeljjk een oorzakelijk verband tusschen woning
en ziekte op te sporen.
Doch iets dergelijks heb ik nergens kunnen vinden en tot
nog toe heeft men ook in ons land geen poging daartoe aan-
gewend.
-ocr page 72-
70
Zeker bestaan er groote moeielijkheden op dit gebied, doch
de mogelijkheid bestaat dat men langs dien weg tot eenige
zekerheid zou kunnen geraken, zoo de opgaven vertrouwbaar
waren en men én van uiedischen kant, én van gemeentelijk
administratieve zijde deze zaak steunde.
Noodzakelijk zou het zijn van gemeentewege meer oordeel-
kuudig te werk te gaan in het plaatsen der biljetten aan de
besmette woningen. Is eenmaal een huis besmet, dan geeft de
medicus verdere gevallen niet meer op, ten einde te voorkomen
dat een tweede ol derde biljet geplaatst worde. Dientengevolge
blijft liet onbekend hoe vele gevallen er zijn voorgekomen en
weet men alleen dat een huis besmet is.
Uit het hieraan toegevoegde staatje, dat ik genomen heb
uit de «Sterftecijfers van de stad \'s Gravenhage over de jaren
1866 — 1884, uitgegeven door de vereenigiug tot verbetering
van den gezondheidstoestand», blijkt weder dat de sterfte in
de minder welvarende buurten grooter is dan in de welva-
rende, terwijl ook het aantal sterfgevallen aan besmettelijke
ziekten in die buurten, waar meer welvaart heerscht, kleiner is.
De buurten IX en XXI behooren tot de armste; de buurt
XXIII tot den redelijk welvarenden ambachtsstaud en de buur-
ten X en XII tot den gegoeden stand.
Dat de inrichting der woningen van invloed kan zijn, mag
als zeker worden aangenomen.
De kazernewoningen, door een groot aantal gezinnen bewoond,
zijn dikwijls broeinesten van besmettelijke ziekteu, terwijl de
dos a dos gebouwde woningen achterstaan bij de vrij staande
woningen. Doch vau een bepaalden invloed op besmettelijke
ziekten is niets bepaald. Wel vindt men hier en daar opga-
ven van een woning waar steeds de een of andere besmette»
lijke ziekte voorkwam en welke woning in de omgeving als
met een zwarte kool stond aangeschreven, zoodat er zich geen
huurder aanmeldde; maar dit zijn op zich zelf staande feiten,
die tot geen conclusie het recht geven.
-ocr page 73-
71
In de laatste jaren heeft men echter onderzoekingen gedaan,
die er op wijzen hoe men langzamerhand zal geraken tot een
beter hegrip van den invloed der woning op het ontstaan van
ziekten en meer bijzonder van besmettelijke ziekten. Wellicht
zullen ten gevolge der onderzoekingen op bacteriologisch gebied
later bepalingen in gemeente-verordeningen kunnen gemaakt
worden met het oog op den bouw en het onderzoek van wo-
ningen, die van invloed kunnen zijn op het voorkomen en
bestrijden van besmettelijke ziekten.
Daarop de aandacht te vestigen mag van eenig belang heeten.
Van den kant der muren van woningen dreigt weinig ge-
vaar. Hkssk heeft in de cMittheilungeu aus dem Kaiserlichen
(lesuudheidsambt» van 1884 zijne onderzoekingen medegedeeld
omtrent het bacteriën-gehalte der muren en is tot het besluit
gekomen dat de kiemen in dunne muren van 1 cM. dikte niet
kunnen in- of doordringen, maar dat zij aan de oppervlakte,
zelfs bij sterken wind, kleven. Een vingerwijzing dus voor het
ontsmetten van muren.
Meer gevaar dreigt den bewoners van den kant van den
ondergrond en der ruimten tusscheu de verschillende verdie-
piugen, Bekend is het dat men den grond onder afgebroken
oude huizen voor mest verkoopt: wel een bewijs dat die grond
veel organische stoffen bevat en dus een uitstekend voedings-
materiaal oplevert voor lagere organismen en ziektekiemen.
Hoe grooter het verschil is van het gehalte aan organische
stoffen, aan stikstof, aan in water oplosbare stoffen en aan
keukenzout van een zekeren ondergrond, vergeleken met in de
nabijheid zijnden normalen grond, des te grooter is de verout-
reiniging, die zich van uit de bewoonde gedeelten der huizen
heeft medegedeeld aan den grond; en hoe meer het gehalte
aan nitraten en alcoholextract de norm overtreft, des te grooter
was de omvang der rottingsprocessen.
Bij nieuw gebouwde huizen wordt er niet altijd op gelet,
noch is het hij gemeente-verordening overal bepaald welke
-ocr page 74-
72
73
BEVOLKING
OVERLEDEN
volgens de telling van
in de jaren
1866—1874
1869.
ten govolgo van
BUURTEN.
Beneden 1 jaar.
1—5 jaren.
5—14 jaren.
Totaal
geheele bevolking.
Roodvonk.
Mazelen.
Croup.
Angina diphtherina.
IX. Omgkving.
Geest-Slijkeinde . . .
270
928
1706
8857
7
33
19
4
23
X. Omgkving.
Noor dei nde-Hoog-
59
205
420
3161
1
7
6
2
8
XII. Omgkving.
Voorhout-Vijverberg.
44
160
380
3137
1
5
5
10
XXI. Omgeving.
Amniunitie-Schedel-
doekshaven ....
354
1163
2175
11708
4
59
54
12
M
XXIII. Omgkving.
162
523
851
4120
3
13
11
7
3
BEVOLKING
r~
OVERLEDEN
volgens de telling van
in de jaren 1875—1884
1879.
ten gevolge van
cS
cS
ing
rin
Opmerkingen.
CS
a
>>
.
•*-*
a
a>
M
S
is
a
1-H
H
es
cS >
ep
e<
es
cs 2
\'S
a
Ot
a
.*
-S-2
T3
n
O
13
o
PQ
1—5
5—1
T
geheele
O
s
o
Angina
304
875
1498
8253
10
32
32
6
38
47
180
361
2827
1
6
2
8
37
148
289
2837
2
3
2
1
3
403
1207
2074
11380
40
37
32
7
39
532
1606
2476
12717
29
53
24
12
Deze huurt vormde toen
oon bjjna geheel nieuwe
wjjk.
36
1
-ocr page 75-
72
73
BEVOLKING
OVERLEDEN
volgens de telling van
in de jaren
1866—1874
1869.
ten govolgo van
BUURTEN.
Beneden 1 jaar.
1—5 jaren.
5—14 jaren.
Totaal
geheele bevolking.
Roodvonk.
Mazelen.
Croup.
Angina diphtherina.
IX. Omgkving.
Geest-Slijkeinde . . .
270
928
1706
8857
7
33
19
4
23
X. Omgkving.
Noor dei nde-Hoog-
59
205
420
3161
1
7
6
2
8
XII. Omgkving.
Voorhout-Vijverberg.
44
160
380
3137
1
5
5
10
XXI. Omgeving.
Amniunitie-Schedel-
doekshaven ....
354
1163
2175
11708
4
59
54
12
M
XXIII. Omgkving.
162
523
851
4120
3
13
11
7
3
BEVOLKING
r~
OVERLEDEN
volgens de telling van
in de jaren 1875—1884
1879.
ten gevolge van
cS
cS
ing
rin
Opmerkingen.
CS
a
>>
.
•*-*
a
a>
M
S
is
a
1-H
H
es
cS >
ep
e<
es
cs 2
\'S
a
Ot
a
.*
-S-2
T3
n
O
13
o
PQ
1—5
5—1
T
geheele
O
s
o
Angina
304
875
1498
8253
10
32
32
6
38
47
180
361
2827
1
6
2
8
37
148
289
2837
2
3
2
1
3
403
1207
2074
11380
40
37
32
7
39
532
1606
2476
12717
29
53
24
12
Deze huurt vormde toen
oon bjjna geheel nieuwe
wjjk.
36
1
-ocr page 76-
74
stoffen er voor aanvulling van den ondergrond en voor de
vulling der ruimten tusschen de verschillende verdiepingen
gebruikt wordt: een gevolg van het bouwen bij aanneming.
In verloop van tijd wordt tengevolge van het indringen van
stof, straatvuil, wasch- en menagewater, sputa, enz. voldoende
organische stof toegevoerd, dat als voedingsmateriaal voor lagere
organismen uitnemend geschikt is en bovendien veelal patho-
gene bacteriën bevat.
Sinds 1881 heeft men meer en meer dit stof tusschen de
verschillende verdiepingen onderzocht en is er een licht op-
gegaau, waardoor nu het ontstaan van besmettelijke ziekten
kan bewezen worden, waar men vroeger in het duister rond-
tastte. Men is tengevolge van nauwkeurige onderzoekingen
tot conclusies gekomen, waarvan ik enkele wil opnoemen en
waarover men uitgebreider het noodige kan vinden in het
«Handbuch der Hygiëne und Gewerbekrankheiten, herausgege-
ben vou Prof. Dr. M. v. Pettenkofer und Prof. Dr. H. v. Zienis-
sen (Wohnung)».
1°. De qualiteit van het vulmateriaal, zooals dit leert het
procentgehalte van chloor, stikstof en organische stoffen, is
evenredig aan de klasse van woningen: derhalve het slechtst
in de woningen met één vertrek, het best in de grootere
woningen der welvarende klassen.
28. Het materiaal, dat gewoonlijk gebruikt wordt in de
woningen der middelklassen, is byna altijd vrij van stikstof en
chloriden en verspreidt geen onaangenamen reuk.
3*. In den grond der armere huizen van drie vertrekken
en daaronder zijn bijna altijd stikstof houdende organische
stoffen en chloriden aan te toonen. Vooral in oudere woningen
is het procent-gehalte hoog en de reuk zeer onaangenaam.
Gevolg van den slechten ondergrond en van de stoffen, die zich
tusschen de verschillende verdiepingen bevinden, moet zijn dat
de lucht, vooral in vertrekken, die slecht geventileerd kunnen
worden, een nadeeligen invloed op de gezondheid uitoefent.
-ocr page 77-
75
Hoe in armere woningen door den slechten toestand der
vloeren eu door de wijze van bewonen de ondergrond en tus-
achendekken verontreinigd worden, is niet uioeielijk zich voor
te stellen. Bij de tegenwoordige kennis der bacteriologie is het
dus te begrjjpen hoe dientengevolge diphtheritis, scarlatina,
typhus, febris puerperalis pneumonie, septichaemie, enz. kun-
neu ontstaan, niet door infectie van buiten uit, maar door infectie
die baar oorsprong heeft in de woning zelve.
Want hoe grooter het aantal bewoners is, des te grooter
over het algemeen de onreinheid en des te meer aanleiding tot
het ontstaan van ziekten. Dientengevolge bestaat meerdere gele-
genheid tot infectie der ruimten onder en tusschen de vloeren
der verschillende verdiepingen met pathogene bacteriën, waar-
onder vooral mogen genoemd worden tuberkel-bacillen, diphthe-
ritis-bacilleu, pyogene bacteriën, die tamelijk lang in drogen
toestand hunne levensvatbaarheid behouden.
Huis-epidemieën van typhus, waar ten slotte de oorzaak in
de verontreiniging der ruimten tusschen de vloereu gevonden
werd, zjjn genoeg beschreven. Dat de epidemieën van wond-
infectie, erysipelas, febris puerperalis, die in het vóór-Listersche
tijdperk in hospitalen inheemsch waren, voor het grootste
gedeelte aan bodem- en vloer-infectie moeten toegeschreven
worden, is voldoende bekend.
Gaat men het medegedeelde na en houdt men in het oog
dat tot nog toe slechts op zich zelf staande feiten van den
invloed der woning op het ontstaan van besmettelijke ziekten
bekend zijn, dan is het te verklaren dat in eene wet, houdende
voorzieningen tegen besmettelijke ziekten, geene bepalingen
voorkomen, die op dit gebied eenige regeling voorschrijven.
En te recht: het vraagstuk is nog niet rijp voor oplossing.
Wel ware het wenschelijk dat aan het geneeskundig staats-
toezicht meer macht werde gegeven om onwillige of nalatige
gemeentebesturen te dwingen woningen niet bewoonbaar te
verklaren of te onteigenen, zoo na onderzoek bleek dat de
-ocr page 78-
70
woningen werkelijk bijzondere gevaren voor de bewoners op-
leverden. De geschiedenis der typhus-epideinie te Sclieveuiugeii
iu 1890 en 1891 en de bezwaren, die ten slotte het onbe-
wooubaar verklaren onmogelijk maakten, liggen nog te versch
iu het geheugen, dat het zeer uoodig schijnt op dit gebied
de gemeentewet te veraudereu of te verbeteren, dan wel deze
toestanden meer door het centraal gezag te doeu behandelen.
Echter ligt het niet op den weg om deze toestanden te regelen
door bepalingen, die opgenomen moeten worden in een wet,
houdende voorzieningen tegen besmettelijke ziekten.
Wordt men later meer en meer overtuigd dat er deugdelijke
gegevens moeten verzameld worden; brengt de wetenschap
meer en meer aan het licht hoe en langs welken weg besmet-
telijke ziekten zich kunnen voortplanten, dan zal ook zeker
de kennis vau den invloed der woning op het ontstaan en de
verspreiding van besmettelijke ziekten aanleiding geven dat er
bepalingen gemaakt worden, die zooveel mogelijk de gevaren
voor de bewoners beperken.
Bevorderend voor dit doel kan zijn meerdere centraliseering
van het gezag op het groote veld der hygiëne, verspreiding
vau kennis omtrent oorzaak en gevolg vau besmetting; maar
zeker geen wettelijke bepalingen, die vooralsnog onbekende
zaken regelen.
Dr. VAN WELY.
Den Haag, 18 Dec. \'94.
-ocr page 79-
Riolen.
Op velerlei manier ia beproefd om de uitwerpselen van den
mensch en het water, dat tot het rein houden van huizen,
kleederen, huisraad enz. gebruikt wordt, op eene gemakkelijke
en voor de gezondheid onschadelijke wijze te verwijderen.
Terwijl men zich in de oudheid — en ook nu nog op het
platte land — behielp met open beerputten, werd in de
steden, naast gesloten beerputten, nu eens gebruik gemaakt
van kanalen die door buizen met de gemakkamers waren ver-
bonden, dan weder het tonnenstelsel toegepast of het z.g.
Liernurstelsel aangewend.
De aldus verkregen faecaliën en bezinksels uit het hniswater
worden met dat water zelf en de urine, hetzjj in den beerput
gelaten, totdat die vol is, hetzij afgevoerd in beken of rivie-
ren ot in de zee. Soms gebruikt men den inhoud der riolen
om die over bouwvelden uit te laten loopen, waardoor op
deze de vaste stoffen bezinken en het vloeibare gedeelte langs
kanalen ook weder in rivieren, meren of in de zee wordt
afgevoerd.
Indien uu een wetgever zich geroepen voelt om bepalingen
vast te stellen, waarmede de inwoners van land of stad reke-
ning moeten houden bij den afvoer hunner faecaliën en ander
afval, dan springt het in het oog, dat de grond van elke be-
perking van individueel of gemeenterecht alleen gevonden kan
worden in de schade die het algemeen lijdt door dit bijzonder
belang.
De wetgever zal bij het maken van bepalingen moeten letten
-ocr page 80-
78
èn op de welvaart van alle inwoners van het land, èn op hun-
ni\'ii gezondheidstoestand. Hij mag niet dulden dat öf de eene,
of de andere worde geschaad door hetgeen voor een enkel
wellicht het aangenaamst zoude kunnen zijn.
Terwijl hij dus er op heeft te letten dat b.v. de vischvangst
op een rivier, waarvan de opbrengst aan een geheele streek ten
goede komt, niet wordt vernietigd doordat het rivierwater, hetzij
door faecaliün, hetzij door het fabrieksafval wordt verontreinigd,
moet hij aan den anderen kant het individu en de gemeente
eene zoodanige vrijheid laten, opdat niet door het toepassen
van strenge wetten de welvaart te veel worde verminderd.
Toen nu aan mij de taak werd opgedragen om na te gaan
of er bij de herziening van de wet op de besmettelijke ziekten
ook aanleiding zoude kunnen worden gevonden om op te treden
met wettelijke bepalingen tegen de schade die voor de volks-
gezondheid kan voortvloeien uit onvoldoende of slechte rioleering,
heb ik mij geenszins ontveinsd dat dit vraagstuk zeer veel
omvattend is.
Een ieder weet dat een beerput, hetzij open, hetzij gesloten,
al dan niet voorzien van een gemetselden wand, op den duur
bodemvervuiling ten gevolge heeft. Bevinden zich nu in dien
bodem wellen, die als waterbronnen voor de bevolking dienst
doen, dan is het zeker dat bij het uitbreken eener epidemie
een dusdanige toestand uiterst gevaarlijk is.
Om dit te voorkomen is tot heden de weg ingeslagen om
het gebruik van ongekookt of ongefiltreerd water in epidemie-
tijden te ontraden, — m. a. w. men heeft zich bij den be-
staanden toestand nedergelegd, en in plaats van de koe l>jj de
hoorns te grypen, heeft men een palliatief trachten te vinden,
wat m, i. zeer natuurlijk is.
Op het platteland toch speelt de mesthoop een groote rol
en zal het vooralsnog moeilijk wezen den vuilafvoer in de dorpen
en kleine steden zóó in te richten dat de welvaart der be-
woners geen schade Ijjdt,.
-ocr page 81-
7!)
Geheel anders is echter de toestand in de groote steden.
Daar heeft de bodemvervuiling en het slecht worden der wellen
aanleiding gegeven tot het maken van waterleidingen en is
dns de afvoer der faecalié\'n en van het huisvuil geheel afge-
scheiden geworden van de drinkwater-quaestie.
Bij eene herziening van de wetten op de besmettelijke ziekten
zou het zeker gewenscht wezen omtrent den toestand op het
platteland en in de kleinere steden eenige bepalingen te maken,
waardoor bodem-vervuiling zou kunnen worden voorkomen.
Ik zal trachten aan het slot aan te geven in welke richting
bepalingen mij wenschelijk voorkomen.
Wat nu den toestand in de steden betreft, waar goed drink-
water is te bekomen, daar stuit men op eene zeer groote moei-
lijkheid, en wel deze : Is het uitgemaakt dat door gebrekkige
rioleering en door liet optreden dientengevolge van verdunde
rioolgassen in de steden en in de huizen besmettelijke ziekten
ontstaan en worden vermeerderd ? \'t Spreekt van zelf dat dit
ontstaan in het licht der moderne wetenschap moet worden
opgevat als eene zoodanige voorbereiding van het individu, dat
daardoor zjjn weerstandsvermogen tegen microben-invasie ver-
mindert.
Ik kom dus tot deze vraag : z\\jn de infectie-ziekten \'t hevigst
in de steden waar de slechtste rioleering wordt gevonden? Is
het waar dat de sanitaire vooruitgang van een stad samenvalt
met de verbetering van het rioolstelsel ?
Ik geloof van neen ; om b.v. Amsterdam te noemen, waar
infectie-ziekten over het algemeen weinig uitbreiding verkrjj-
gen, mag daar gedacht worden aan den invloed der rioleering ?
\'t Heeft mij toegeschenen dat het mindere voorkomen van
infectie-ziekten bij de bewoners der groote centra voor een deel
althans samenvalt met de verbetering van het drinkwater.
Utrecht, Leiden, vroeger broeinesten van de Aziatische cholera,
hebben sinds hunne waterleiding hunne beruchtheid verloren,
en Hamburg heeft dank zij den slechten toestand van zjjn
-ocr page 82-
80
drinkwater een der moorddadigste cholera -epideraieën moeten
doormaken.
Voorzoover ik weet ia de invoering der waterleiding noch
te Amsterdam, noch te Utrecht of Leiden gepaard gegaan met
een verandering in het rioolstelsel, en hoewel in Amsterdam,
(in de nieuwe wijken) het Liernnrstelsel is ingevoerd, blijft in
de onde stad het stelsel bestaan van loozing in de grachten,
terwijl in vele huizen in dit stelsel een gemetselde beerput
past, waarin de vaste stoffen bezinken terwijl alleen het vloei-
baar gedeelte in de gracht stroomt.
Vooral in de groote deftige heerenhuizen op de Heeren- en
Keizersgrachten, vindt men zulke groote beerputten, waarvan
enkele in geen vijftig jaar zijn geleegd. Toch komen besmet-
telijke ziekten in deze huizen niet méér voor dan in de
andere, en hoewel ik in enkele dier woningen b.v. buik-
typhus heb bijgewoond, heb ik geaarzeld de oorzaak in het
riool te moeten zoeken.
Als ik de stilzwijgendheid in de hollandsche literatuur
omtrent den invloed van rioolgassen op het ontstaan van
ziekten meen te mogen verklaren door het feit, dat aan de
hollandsche medici slechts zeer zelden dusdanige gevallen dni-
delijk werden, meen ik niet ver van de waarheid af te zijn.
Elk hollandsch medicus geeft toe dat het optreden van
rioollucht in een woning verkeerd is, verlammend werkt op
de energie, soms aanleiding geeft tot lichte digestiestoornissen,
doch hy aarzelt om besmettelijke ziekten hieraan toe te schrijven.
In dit opzicht staat hij op een standpunt dat ook de Dnit-
scher inneemt. Prof. Max Rupnek zegt in zijn bekend *Lehr-
buch der Hygiëne»;
«die Frage ob die Abtrittsgasse auch bei
dem höheren Grade der Verdünnung noch schiidlich für die
Gesundheit sind, ist nicht leicht zu beantworten.» —• «In der
Regel werden wohl durch die Abtrittsluft feste Partikelchen
nicht mitgeführt» en daardoor wordt het hoogst onwaarschijnlijk
dat kiemen van besmettelijke ziekten met de rioolgassen in
-ocr page 83-
81
de huizen dringen, ook al is dat riool verontreinigd door
cholera- of typhus-bacillen.
\'t Is toch algemeen bekend hoe moeielijk het is in de lucht
zwevende pathogene microben te vinden.
Lijnrecht tegenover de hollandsche opvatting en de meening
der Duitschers staat het oordeel der engelsche doctoren. Dezen
toch meenen dat Hooilucht de kiemen van ziekten, b.v. van
typhus, van diphtherie, van cholera enz. in de woningen bren-
gen. Büchanan verklaart op deze wijze de typhus-epidemie
van Oroydon in 1875; Redcliffe de uitbreiding van de cholera
in Londen; Scott en Littlejohn die van Selkirt in 1876.
In een allercurieust boek, getiteld <Dange.rs to health, a
pictural c/uide to domestic sanitary defeds»
bij T. Pridgin Teale,
geeft de schrijver een reeks van curieuse platen, waarop op
duidelijke wijze wordt aangetoond hoe gebreken in water-
closets, afvoerpijpen en riolen de oorzaken kunnen zijn van
de meest verschillende ziekten.
Erysipelas, kraamvrouwenkoorts, diphtherie, keelpijn, enz. enz.,
worden aan den invloed van het rioolgas toegeschreven. Teale
gaat zelfs zoover van te verzekeren dat al deze onheilen ver-
dwijnen als de waterclosets, de riolen en afvoerpijpen zjjn
verbeterd.
In de Lancet van Zaterdag 3 Maart 1894 beschrijven C. F.
Vachem., M. D. en D. R. Paterson, M. D. vier gevallen van
acute nephritis, voorkomende in twee tegenover elkaar gelegen
huizen. Zij meenen de oorzaak van dit gezamenlijk optreden te
moeten zoeken in de uitwasemingen van een ventilator van
het in de straat onder den grond gelegen riool. Van geval III
schrijven zij : «Four days after admission the patiënt had sore
throat, but no patches were to be noticed.» Van geval I staat:
«He developped a wel marked purpuric rash on the legs; N°. II
had evenzeer keelpijn, maar geen rash; I, II en III kwamen
voor in één huis en doen mij veel aan roodvonk denken.
Het aangehaalde uit de engelsche literatuur heeft mij in geenen
6
-ocr page 84-
H-2
deele overtuigd van de waarschijnlijkheid dat de opvatting der
Engelschen de juiste is, en ik geloof dus er aan te mogen
vasthouden, dat zoo de drinkwater-quaestie van de riool-quaestie
gescheiden blijft, zooals dit in de meeste onzer grootere steden
geschiedt, geen wettelijke bepalingen behoeven gemaakt te
worden omtrent den afvoer der faecaliën en van het huiswater.
Anders echter ligt het vraagstuk, waar de afvoer van de
riolen aanleiding geeft tot verontreiniging van rivieren of
meren, die dienen om te voorzien in de behoefte aan drink*
water der omliggende gemeenten. Daar toch zal het noodig
wezen er voor te zorgen, dat aan de verontreiniging dier rivieren
enz. een eind worde gemaakt. Op welke wijze dit zal moeten
geschieden, is in het algemeen niet aan te geven, daar alles in
deze afhankelijk is van de plaatselijke gesteldheden. Ditzelfde
geldt van die gemeenten waar wellen als drinkwater worden
gebruikt, en waar zich tevens in den bodem beerputten be-
vinden. In dit laatste geval echter zal weinig aan de plaatse-
lijke overheid moeten worden overgelaten, omdat in dusdanige
gevallen te veel persoonlijke belangen op den voorgrond zullen
kunnen treden.
Eene rijkswet zal m. i. hier moeten bepalen dat beerputten
op zoodanigen afstand van wellen moeten worden geplaatst
dat daardoor de kans van bodemvervuiling zooveel mogelijk
worde verminderd.
Het spreekt van zelf dat vóór het vaststellen van de voor-
waarden, waarop het zal worden toegelaten om beerputten te
hebben in de kom eener bebouwde gemeente, uitgemaakt zal
moeten worden, hoelang het duurt eer een zekere hoeveelheid
grond doortrokken is door de uitwerpselen van een dusdanigen
beerput. Daarenboven zal moeten worden gelet op de ontle-
ding, die de afvalstoffen in den bodem ondergaan.
Hoewel ik niet weet in hoeverre in eene dusdanige richting
proeven zijn genomen, geloof ik toch dat het vaststellen van
beperkende bepalingen alléén van het resultaat dier proefne*
-ocr page 85-
83
mingen afhankelijk mag zijn. Hetzelfde zal gelden voor de
uiesthoopen. Maakt men zonder voorafgaand nauwkeurig onder-
zoek belemmerende bepalingen voor de plattelandsbewoners, dan
loopt men kans dat óf de bevolking noodeloos wordt geplaagd,
óf dat de wet wordt ontdoken.
Het eerste is eveu kwaad als het laatste. Hygiënische maat-
regelen bij de wet vaststellen is zeer goed, mits glashelder
voor de geheele bevolking blijke dat zij noodig zijn.
Ik kan mij dus hier niet bezighouden met het uitdenken
van den vorm waarin de wettelijke bepalingen moeten worden
gegoten; slechts heb ik getracht oin, naar aanleiding van mijn
belofte op pag 4, in het groot de wegen aan te geven waar-
langs de wetgever tot een goed resultaat zal kunnen komen,
en dit is, geloof ik, voor het doel dat wij ons hebben voorge-
steld, voldoende.
VOUTE.
Amsterdam.
-ocr page 86-
De regeling der Desinfectie.
Besmettelijke ziekten kunnen slechts dan met goed gevolg
bestreden worden, zoo met de meeste zorg voor de ontsmet-
ting gewaakt wordt. Waar de ontsmetting niet of onvoldoende
plaats heeft, blijft elke besmette zieke of besmette woning een
middelpunt voor besmetting vormen, van waaruit gevaar dreigt.
In het algemeen kan men zeggen dat men hiervan over-
tnigd is; doch het blijft de vraag of het niet veelal bjj die
overtuiging bljjft en men in de toepassing van het beginsel
der ontsmetting te kort schiet.
Zij, die veel met besmette zieken omgaan en vooral de ge-
neeskundigen, weten het te goed bij ondervinding hoeveel
moeite het kost de omgeving van een lijder aan een infectie-
ziekte het begrip van de wijze van besmetting aan het ver-
stand te brengen en met hoeveel bezwaren zij dikwijls te
kampen hebben voor en aleer er tot een grondige ontsraetting
wordt overgegaan.
Dat verschillende epidemieën haar kwaadaardig karakter ver-
loren hebben of in den aanvang konden onderdrukt worden,
vindt zijn grond ook in het met verstand optreden der ver-
schillende autoriteiten, het doorvoeren der voorgeschreven
ontsmettingsmaatregelen en het tegenwoordig meer op weten-
schappelijken grondslag steunend onderzoek van oorzaak en
gevolg van de besmettelijke ziekten. Toch mag nagegaan
worden of op dit gebied de grens van het mogelijke reeds is
bereikt, dan wel of er nog niet veel te doen overblijft en de
wetgever hier niet nog een groot veld voor zjjn werkzaamheid
vindt.
-ocr page 87-
85
Daartoe is het noodig te onderzoeken:
1°. hoe is de desinfectie tegenwoordig bij de wet geregeld?
2°. op welke wijze worden de bepalingen der wet uitgevoerd ?
3°. iu hoeverre is wgziging der regeling van de desinfectie
noodig en wenschelijk?
De artikelen der wet van 4 Dec. 1872, Staatsbl. 134, hou-
dende voorzieningen tegen besmettelijke ziekten, die betrekking
hebben op het desinfecteeren, zijn:
1°. Art. 3, waarbij den burgemeester eener gemeente de
bevoegdheid wordt verleend in slaapsteden of logementen
maatregelen tot ontsmetting en, na ingewonnen advies van
den geneeskundigen ambtenaar, ook andere maatregelen ter
voorkoming van verspreiding eener besmettelijke ziekte voor
te schrijven en, zoo noodig, te doen uitvoeren.
2°. Art. 4 geeft den burgemeester de bevoegdheid huizen,
keten en vaartuigen, die brandpunten van besmetting zijn of
dreigen te worden, geheel of gedeeltelijk ten koste van de
gemeente te doen reinigen en ontsmetten, na ingewonnen
advies van den geneeskundigen ambtenaar of van een in de
gemeente practiseerend geneeskundige.
3°. Art. 5 geeft den burgemeester de bevoegdheid besmette
of van besmetting verdachte voorwerpen ten koste van de
gemeente te doen ontsmetten of, na voorafgaande onteigening,
te doen vernietigen.
•i°. Art. 6 geeft aan burgemeester en wethouders de be-
voegdheid ten koste van de gemeente verzamelingen van mest
en ander vuil te doen opruimen en onschadelijk te maken,
goten en slooten te doen reinigen en andere voorzieningen
tot bevordering der openbare reinheid te treffen.
5°. Art. 25 stelt vast dat bij een algemeenen maatregel van
inwendig bestuur de desinfectie, in den ruimsten zin genomen,
zal worden geregeld.
Met opzet zijn hier alleen die artikelen genoemd, welke
direct in verband staan met het ontsmetten van huizen, ter-
-ocr page 88-
86
reinen eu goederen, om buiten bespreking te laten die artikelen
betreffende het ontsmetten van schepen en vaartuigen eii al
wat daarmede in verband staat, daar deze niet binnen het
kader der vereeniging voor paediatrie vallen.
Men ziet uit de medegedeelde artikelen dat de wet alleen
aan burgemeesters of burgemeesters en wethouders op dit ge-
bied eenige bevoegdheid toekent met of zonder advies ven den
geneeskundigen ambteuaar of van een in de gemeente practi-
seerend geneeskundige. Elke gemeente is dus aan zich zelve over-
gelaten: afhankelijk van het inzicht van het hoofd der ge-
meente of van het dagelijksch bestuur.
Van een centraal gezag, waar van desinfecteereu sprake is,
vindt men niets: wat in ééne gemeente als een belangrijke
zaak kan beschouwd worden, heeft in eene daarnaast gelegen
gemeente geen reden tot omzichtigheid te geven. Geneeskun-
dige ambtenaren en practiseerende geneeskundigen kunnen ad-
viseeren, maar als het hoofd der gemeente of het dagelijksch
bestuur het niet met hen eens is, kunnen dezen de adviezen
naast zich neerleggen: dezen hebben de bevoegdheid eu kun-
neu daarvan gebruik maken of niet.
Natuurlijk zulllen bij zware epidemieën het publiek zelf en
de hoogere autoriteiten pressie uitoefenen en zal het hoofd der
gemeente maatregelen nemen en doen uitvoeren; maar de
wijze hoe is van groot belang.
Burgemeesters en burgemeesters en wethouders zijn dus vol-
geus de wet de meest bevoegde personen om te beoordeelen
of er ontsmet zal worden en wat en hoe er dient ontsmet te
worden. Zeer zeker kan men aannemen dat deze autoriteiten
het best op de hoogte zijn van de plaatselijke gewoonten en
gesteldheid; maar het is toch twijfelachtig of deze autoriteiten
juist de meest met zaakkennis en ondervinding begiftigden
zijn op het gebied van zorg voor de algemeene gezondheid en
van de gevaren, die deze dreigen.
Een besmettelijke ziekte is niet alleen van belang voor de
-ocr page 89-
87
gemeente, waar zij voorkomt, maar is in de eerste plaats een ge-
vaar, dat de geheele gemeenschap, provincie, land dreigt. Leest
men de beraadslagingen na, gevoerd tijdens de behandeling dei-
wet van 4 Dec. 1872, dan verkrijgt men den indruk dat men
over het algemeen angstig was voor te groote centralisatie en
tevens zich ook ongerust maakte over de te groote macht, die
aan het geneeskundig staatstoezicht zou kunnen worden ver-
leend. Het is waar dat men dikwijls dit toezicht te lastig, te
veel zich met bijzonderheden bemoeiend, te hoog in zijne gel-
delijke eischen vindt, veelal zelfs onpractisch acht; maar ligt
dit aan het toezicht zelf dan wel aan zijne regeling? Waar
een toezicht het recht heeft te adviseereu, maar niet uit te
voeren, daar zal het altijd onpractisch worden en geen popu-
lariteit verkrijgen. Van daar dan ook het voortdurend roepen
om verandering en verbetering van dit toezicht. In de arti-
kelen der wet wordt alles overgelaten aan de bevoegdheid van
zekere autoriteiten; maar een bepaald bevel, een eisch om te
ontsmetten, zoekt men te vergeefs. Elke besmettelijke zieke,
elke woning waarin een besmettelijke ziekte voorkomt, is een
brandpunt van besmetting; maar de wet erkent dit niet ten
volle. Van daar dan ook dat er in gemist wordt dat elk hoofd
van het gezin, waarvan een der leden lijdende is aan eene
besmettelijke ziekte, verantwoordelijk is voor de uitvoering der
ontsmetting. De wet kan dus het doel niet bereiken om
door goede en tijdige ontsmetting zooveel mogelijk het ge-
vaar, dat elke besmettelijke zieke voor zijne omgeving ople-
vert, te keeren en tot de geringst mogelijke afmetingen terug
te brengen.
Dat het zeer juist gezien is om de desinfectie te regelen by
algemeeneu maatregel van inwendig bestuur, behoeft geen be-
toog. Het inzicht omtrent besmetting en dientengevolge omtrent
ontsmetting, verandert met de ontwikkeling der wetenschap.
In eene wet, die niet gemaakt wordt om telkens gewijzigd
en herzien te worden, behooren dus geene voorschriften te
-ocr page 90-
88
huis en daarom zal het ook wenschelijk zijn in eene toe-
komstige wet de desinfectie alleen als beginsel op te nenien en
alles wat daarop betrekking heeft bij maatregel van inwendig
bestuur te regelen.
Bij besluit van 17 April 1873, Stbl. 43, later bij besluit van
den 26°" Juli 1885 Stbl. 167, voor zooveel de regelen betreft
herzien bij besluit van 24 Juli 1891 Stbl. 153, is uitvoering
gegeven aan art. 25 der wet vau 4 Üec. 1872 en zijn de rege-
len vastgesteld, op te volgen bij verbranding of vernietiging
van onteigende voorwerpen, ontsmetting van besmette voorwer-
pen, gebouwen, voer- of vaartuigen en onschadelijkmaking van
mestvaalten en andere verzamelingen van vuil. De handleiding
voor outsmetting in deze regelen vervat mag werkelijk als een
goed voorbeeld genoemd worden en kan zouder schroom eene
vergelijking doorstaan met in andere rijken voorgeschreven
maatregelen.
Het zijn gulden regelen; maar in de wet en in de besluiten
wordt gemist het bevel of de eisch dat elke gemeente er zich
uaar gedrage en de inrichtingen in het leven roepe om de
regelen uit te voeren : alleeu zegt art. 1 vau het besluit van
den 2(3en Juli 1885 dat, zoo er ontsmetting plaats moet heb-
ben, tdan geschiedt dit met inachtneming van de regeleu bij
dit besluit gevoegd.»
Te betreuren is het dat er geen onderscheid gemaakt is
tusscheu groote eu kleine gemeenten. De eischen voor eene
groote gemeeute moeten geheel anders zijn dan voor eeu kleine.
Iu beide zijn de gevaren voor besmetting even groot; maar
de gevolgen kunnen geheel anders zijn. Men moet een on-
derscheid makeu tusschen steden eu het platte land.
Ten einde na te gaan op welke wijze de bepalingen der wet wor-
den uitgevoerd, is het van belang te weten hoe de ontsmettings-
dienst in verschillende gemeenten geregeld is. Daarom laat ik hier
in groote trekken volgen een schets der regeling der desinfectie
in acht steden, waaromtrent ik eenige inlichtingen ontvangen heb.
-ocr page 91-
89
Amsterdam. De ontsnietting van woningen en goederen ge-
schiedt volgens de regelen van het Kon. Besl. van 24 Juli
1891, terwijl aan geneeskundigen de vrijheid is gelaten voor
andere dan in de wet genoemde besmettelijke ziekten desin-
fectie aan te vragen. In den regel geschieden de ontsmet-
tingen op aanvrage der geneeskundigen door het invullen van
een forniulierkaart en tegen een tarief vastgesteld bij gemeente-
verordening. Meerdere ziekenhuizen hebben eigen ontsmetting-
ovens; een daarvan is ook beschikbaar voor het publiek.
In het desinfectielokaal der gemeente bestaat gelegenheid
tot opname van leden van gezinnen tijdens bet ontsmetten
hunner woningen. Aan het hootd van den gezondheidsdienst
der gemeente Amsterdam staat een medicus; bet is eengeheel
op zich zelf staande tak van dienst.
Groningen. Bij besluit van 29 April 1893 werd door den
gemeenteraad besloten tot de organisatie van een ontsmettings-
dienst. De leiding van dezen dienst werd opgedragen aan Dr.
W. Schutter, arts.
De Groningsche gemeenteraad gaat uit van het juiste stand-
punt dat ten allen tijde en niet alleen bij het dreigen of heer-
schen eener epidemie er gelegenheid tot desin fee teereu moet
bestaan. Daartoe moet een deskundig hoofd, een medicus, wor-
den aangewezen, onder wiens leiding de ontsmetting moet plaats
hebben. Vast aangestelde ontsmetters zijn noodig, terwijl in
tijd van nood versterking van het vaste corps kan toegelaten
worden. Een lokaal moet worden aangewezen als magazijn der
ontsmettingsmiddelen, waar tevens de gelegenheid kan verschaft
worden voor baden en ontsmetten der werklieden. Bovendien
is er een overeenkomst getroffen met den eigenaar van een
ontsmettingsoven betreffende den prijs waarop hij de van ge-
ïneeutewege ter outsmettiug aangewezen goederen zal behan-
deleu. Een tarief is vastgesteld voor particulieren, die zich van
de hulp der ontsmetters bedienen. Ofschoon elk geneeskundige
het bmvijs kan afgeven dat de reden tot besmetting is opge-
-ocr page 92-
PO
heven, achten burgemeester en wethouders het wenschelijk dat
dit alleen plaats hebbe door het hoofd van den desinfectie-dienst.
Iu het verslag der gemeente Groningen voor 1893 leest men:
«De thans in deze gemeente bestaande regeling blijkt alleszins
aan de behoeften te voldoen.»
Den Haag. Het ontsmetten is opgedragen aan den directeur
der openbare reiniging en strekt zich uit over onvermogenden
en philantropische inrichtingen. Instructiën of reglementen be-
staan er niet. Te Scheveningen staat een groote desinfectie-
oven, in het duin gelegen, te gebruiken bij epidemieën en op
het terrein der openbare reiniging in de kom der gemeente is
een kleine oven geplaatst voor dagelijksch gebruik. De niet
onvermogenden kunnen, zoo zij willen, gebruik maken van twee
particuliere ontsmettingsovens, terwijl meerdere industrieelen
werklieden beschikbaar hebben voor het ontsmetten van woniu-
geu. Regeling van den kant der gemeente bestaat niet. De
gemeente heeft een paar woningen ter beschikking voor het
opnemen van huisgenooten van lijders aan besmettelijke ziek-
ten of van personen, die verdacht worden te lijden aan een
besmettelijke ziekte om hen daar onder observatie te houdeu.
\'m Hertogenbosch, Het ontsmetten van goederen en woningen
is opgedragen aan den commissaris van politie. Goederen wor-
den ontsmet in den oven der gemeente onder toezicht van een
politiebeambte; de woningen door personen, die daartoe telken-
male in dienst worden genomen door den commissaris van politie.
Reglementen, tarieven of instructiën bestaan er niet.
Maastricht. De ontsmettingsdienst is opgedragen aan het
burgerlijk armbestuur omdat de inrichting met het ziekenhuis
Calvariënberg is verbonden. De meester*timmerman van dit
gesticht heeft het toezicht op dezen tak van dienst. Er bestaan
geen reglementen, maar de wettelijke voorschriften worden
strikt opgevolgd. Wel heeft deze gemeente een tarief, dat on-
derscheid maakt 1°. tusschen den gegoeden, 2°. den minder-
gegoeden stand en 3°. de huiszittende armen. Een desinfectie-
-ocr page 93-
91
oven is geplaatst in het gesticht Calvariënberg, voor welks
gebruik eveneens een tarief bestaat.
Middelburg. Door den gemeenteraad is aan drie door den
geneeskundigen raad opgeleide personen het ontsmetten opge-
dragen overeenkomstig de bij het Koninklijk besluit vastge-
stelde regelen, terwijl ook door den raad een tarief is vastge-
steld. Tevens blijkt uit het gemeenteverslag over 1888 dat
aan een persoon, die een ontsmettingsoven had aangelegd, een
subsidie van f 100 jaarljjks is verleend en dat in verband
daarmede ook voor het gebruik van dien oven een tarief is
ingevoerd.
Rotterdam. Daar ter stede bestaan geen bijzondere regle-
menten en instructiën. De ontsmetting is opgedragen aan den
reinigingsdienst en bij de uitvoering wordt gehandeld naar de
regelen, voorkomende in het Kon. besluit van 24 Juli 1891.
De directeur der gemeentereiniging, zelf oud-apotheker, is met
de desinfectie belast en innig overtuigd van het nut eener
goede ontsmetting.
Het corps ontsmetters is door hem geoefend en opgeleid.
Er bestaat eene inrichting met twee desinfectie-ovens; in de
nabijheid is een woning om huisgeuooten van een lijder aan
eene besmettelijke ziekte tijdelijk te herborgen en onder obser-
vatie te houden.
Utrecht. Het ontsmetten van woningen heeft plaats door
beambten van de gemeentereiniging onder toezicht van den
directeur. De bepalingen van het Kon. besluit van \'26 Juli
1885 worden nageleefd. Goederen worden ontsmet in den ont-
smettingsoven der gemeente naar een daarvoor vastgestelde
verordening en tarief. De zorg voor den oven is opgedragen
aan den directeur der gemeentereiniging, onder wien werkzaam
is een opzichter. Het geheele personeel voor de ontsmetting
wordt van gemeentewege aangewezen. De outsmetting geschiedt
kosteloos voor onvermogenden, in alle andere gevallen tegen
betaling overeenkomstig een tarief.
-ocr page 94-
92
Uit deze schetsen leert men dat, bebalve in Amsterdam en
Groningen, waar geneeskundigen aan het hoofd van dezen tak
van dienst staan, op enkele uitzonderingen na bijna overal de
desiufectie een onderdeel is der gemeentereiniging; dat niet
overal een vast voor het ontsmetten opgeleid corps bestaat,
maar dat of losse arbeiders worden genomen naar behoefte, óf
werklieden der gemeentereiniging er voor gebruikt worden; ver-
der dat er in verschillende gemeenten tarieven bestaan volgens
welke niet-onvermogenden ook van gemeentewege kunnen ge-
holpen worden.
In andere gemeenten moeten niet-onvermogenden zich zelf
helpen, hetgeen gewoonlijk kostbaar is; die breede stroom van
menschen is dus uitgesloteD, die niet onvermogend en toch
ook niet vermogend zijn, doch voor wie èn de kosten van
genees* en artsenijmengkundige behandeling èn de groote kos-
teu van een goede ontsmetting, met de gevolgen daaraan ver-
bonden, te zwaar zijn. De ontsmetting blijft dan menigmaal
achterwege of geschiedt zeer gebrekkig. Bovendien bestaat er
in die gemeenten niet de minste controle op de door het
publiek gebruikte desinfectie-ovens en is men overgeleverd aan
de goede trouw van den ondernemer.
De inrichtingen, zooals die te Amsterdam en te Groningen
bestaau, mogen als voorbeelden genoemd worden, wat van ge-
meentewege met goeden wil te bereiken is, zonder dat de
kosten te groot worden.
Te Groningen waren in 1893 de kosten der desinfectie
f 726/215, waarvan terug is ontvangen f\'26.815, wegens het
ontsmetten voor rekening van particulieren.
In het algemeen mag gevraagd worden of de regeering niet
van de gemeenten te veel vergt als zij in art. 1 van het besluit
van 26 Juli 1885 (Stbl. 167) zegt: «Moet volgens de wet van
1 Dec. 1872 verbranding of vernietiging van onteigende voor-
werpen, ontsmetting van besmette en bij art. 8 van die wet
genoemde voorwerpen, gebouwen, voer- of vaartuigen of
-ocr page 95-
98
onschadelijkmaking van mestvaalten en andere verzamelingen
van vuil plaats hebben, dan geschiedt dit met inachtneming van
de regelen bij dit besluit gevoegd.*
Ik heb hier vooral op het oog de kleinere gemeenten, waar
niet altijd besmettelijke ziekten heersenen, dien ten gevolge
geen personeel aanwezig is, dat met kennis van zaken weet te
handelen. En moet daardoor de uitvoering der wet niet ont-
aarden in een niet juist en met oordeel gebruiken der middelen
in de regelen genoemd: middelen, die men niet kent, waarvan
men de al of niet gevaarlijke eigenschappen niet weet?
Besmettelijke ziekten zijn geen gevaar voor de gemeente alleen,
waarin zij voorkomen, maar voor het geheele land. l)ebestrij-
ding der ziekten mag dus niet door de regeering op de schouders
der gemeente-autoriteiten worden gelegd, maar de regeering
des lands moet zelf die taak op zich nemen. Zij moet de
hoofdleiding in handen hebben en door hare ambtenaren zor-
gen voor de goede uitvoering der wet. Zij blijft in elk opzicht
de verantwoordelijkheid dragen. En mocht zij met de uitvoering
voor een deel de besturen der gemeenten kunnen belasten,
dan nog doen deze het op haar last, onder hare leiding en
volgens haar goedvinden.
Zooals de toestand tegenwoordig is, moet de regeling ge-
brekkig genoemd worden, omdat er geen eenheid van leiding
is en elke gemeente naar eigen goedvinden kan handelen.
Sinds de wet van 4 Dec 1872 werd vastgesteld, heeft de
wetenschap niet stil gestaan, maar zijn de inzichten omtrent
besmetting en hare bestrijding en dus ook omtrent de desinfectie
verruimd en verbeterd. Men heeft de oorzaken en gevolgen
beter leeren kennen en band aan hand daarmede zijn de mid-
delen, die ons ten dienste staan om de besmettelijke ziekten
te keeren, toegenomen en vereenvoudigd.
Daarom dient bij eene herziening dezer wet hiermede reke-
ning gehouden te worden en dus moeten er in dien geest
wijzigingen worden aangebracht.
-ocr page 96-
<»4
Wenschelijk en noodig is het derhalve in de eerste plaats
dat de regeering zelve de taak der ontsmetting op zich neme
en alles wat hierop betrekking heeft aan het centraal gezag
onderwerpe.
Dan zal dien ten gevolge vervallen de bevoegdheid van
burgemeesters of van burgemeesters en wethouders en zal
daarvoor in de plaats treden, voor zoover dat door de regeering
zal bepaald worden, dat gemeentebesturen hebben op te volgen
de bevelen en voorschriften der regeering of van het lichaam,
in casu het geneeskundig staatstoezicht, door haar met de
uitvoering der wet en besluiten belast.
Een eisch der nieuwe wet zal zijn dat desinfectie bij cholera,
typhns, pokken, roodvonk en diphtheritis verplichtend worde
gesteld en dat van regeeringswege een desinfectie-dienst worde
ingericht. Bij koninklijke besluiten kan die dienst worden
geregeld. De inspecteurs van het geneeskundig staatstoezicht
zijn de aangewezen hoofden voor dezen tak van dienst binnen
het gebied hunner inspectie en zijn verantwoordelijk voor de
goede uitvoering.
Noodig is het :
1°. Dat er in elke grootere gemeente of in een centraal punt
van bevolking, waar de regeering dit noodig oordeelt, een
personeel zij, geheel vertrouwd met alles wat betrekking heeft
op de ontsmetting, zoowel van goederen als van woningen en
terreinen. Dit personeel zou dan ook kunnen gebruikt worden
voor een bepaald gedeelte van de provincie, waarin die ge-
meeuten liggen.
2°. Dat er in die gemeenten eene inrichting gemaakt worde,
hetzij afzonderlek, hetzij aan rijks-, gemeente- of particuliere
zieken-inrichtingen verbonden, bevattende :
a.     een desinfectie-oven,
b.     eene badinrichting, te gebruiken door het personeel en
door personen, die uit een besmette omgeving komen en ten
hunnent geene gelegenheid tot baden bebben ;
-ocr page 97-
fi5
r een magazijn voor ontsmettingsmiddelen,
(/. lokalen tot tijdelijke huisvesting vau personen ofgeziu-
nen, wier woningen ontsmet worden, of die verdacht worden
van besmet te y.ijn ; en
e. een transportabele desinfectie-oven, ten gebruike voor de
omgeving. Natuurlijk zou het een ieder moeten vrijstaan van
deze inrichting gebruik te maken, om daar tijdelijk te verblijven.
Welgestelden zonden de kosten moeten berekend worden
naar een door de regeering vast te stellen tarief. Zoo ruim
mogelijk moet overigens het ontsmetten kosteloos geschieden.
Men zou desinfectie kunnen vergelijken met het blusschen van
een brand ; elk burger heeft bij het uitbreken van brand recht
op hulp en die wordt verleend zonder aanzien van persoon in
het belang vau de gemeente zelve.
In elke gemeente, waar zich een centrale desinfectie-inrich-
ting bevindt, moet een geneeskundige aan het hoofd geplaatst
worden en alle ontsmettingen moeten onder zijne verantwoor-
delijkheid geschieden. Hij zou moeten beslissen of werkelijk het
gevaar voor besmetting geweken was en daarvoor het bewijs
afgeven, of in overleg met den geneeskundige, die den patiënt
behandeld heeft. De hoofdregeling blijve intusschen bij de regee-
ring of bij het door haar aangewezen lichaam; zij beslisse hoe
de inrichting moet zijn en zorge dat alles aan de eischen
voldoe.
Dan zou het publiek vertrouwen krijgen in het personeel en
zijne handelingen. Waar tot nog toe klachten vernomen worden
over het ruw en onpractisch optreden der gemeeute-ontsmet-
ters, moet dit geweten worden aan de regeling. Dit zal en kan
veranderen. Waar de regeering aan de eene zijde den eisch der
ontsmetting stelt, daar heeft aan den anderen kant het publiek
het recht te vragen dat de desinfectie zal plaats hebben met
de noodige omzichtigheid en dat niet noodeloos goederen en
eigendommen bedorven of ruw behandeld worden.
Hoe beter deze zaak wordt ingericht, des te meer zal /.ij
-ocr page 98-
96
liet vertrouwen winnen. Met gerustheid zal men de ontsmet-
ters zien komen, wetende dat, waar alles ouder eene goede
leiding staat, men ook verzekerd is goed te zullen worden
geholpen.
Dei» Haag, 21 Pebr. \'95.
Dr. VAN WELY.
-ocr page 99-
EINDBAPP O R T.
Uwe commissie, benoemd in de Algemeeue Vergadering van
24 Juni 1894 te Groningen, ten einde te onderzoeken welke
veranderingen en verbeteringen er zouden kunnen aangebracht
worden in de Wet houdende voorzieningen tegen besmettelijke
ziekten, opdat zij meer en meer beantwoorde aan haar doel:
besmettelijke ziekten te weren, meent hare inoeielijke en veel-
omvattelijke taak zooveel mogelijk te hebben volbracht. De
vruchten van haar onderzoek zijn nedergelegd in de verschil-
lende rapporten, uitgebracht door elk harer leden betrekkelijk
de belangrijkste onderwerpen, verband houdende met besmette-
lijke ziekten. Dat zoo uiteenloopende vraagstukken moeilijk
door de commissie en bloc konden worden behandeld, valt
gemakkelijk te begrijpen; de verdeeling der werkzaamheden
was dus van zelf aangewezen. Op den voorgrond stelde zij
echter dat het hare taak niet was eene proeve van wetgeving
te leveren, doch wel bouwstoffen voor een eventueele nieuwe
wet betreffende besmettelijke ziekten of om de thans vigee-
rende te verbeteren.
Uwe commissie meende dat zij de navolgende onderwerpen
aan de orde moest stellen:
a.     hoe het stond met de mortaliteit vóór en na de wet
van 1872 ten opzichte der ziekten in die wet genoemd, met
uitzondering van cholera en dysenterie en met bijvoeging van
kinkhoest;
b.     de eischen der hygiëne betrekkelijk de koemelk, de
wettelijke regeling daarvan elders en in hoeverre zij ten onzent
navolging verdient;
7
-ocr page 100-
98
\'•. de invloed van drinkwater op de verspreiding van be-
smettelijke ziekten;
(f. de invloed der woningen op het ontstaan van besmet»
telijke ziekten;
e. de invloed der riolen op de verspreiding van besmette-
lijke ziekten ;
/\'. de regeling der desinfectie.
Wanneer wij, uit de hoogst belaugrijke statistiek, door ons
medelid Dr. Scheltema. geleverd, betrekkelijk de mortaliteit
vóór en ua de wet van 1872, weuschen wilden formuleereu
ten opzichte van nieuwe wettelijke bepalingen, dan moeten
we erkennen dat zij als basis daarvoor wel wat zwakke plaatsen
oplevert. Bij de behandeling van de waarde der cijfers zal
men nog andere factoren moeten in acht nemen, die niet iu
cijfers zijn te groepeereu en die voor de verschillende ziekten
uiteen zullen loopen. Dit veroorzaakt — aangenomen dat de
statistieken van overlijden op zich zelf een getrouw beeld
geven van den dood teu gevolge van besmettelijke ziekten, en
dat men hieruit, zonder overwegend groote fouten te begaan,
mag concludeeren tot de frequentie en den aard der ziekten —
eene groote moeilijkheid zoodra men uit de cijfers conclusiën
wil trekken aangaande de gebreken onzer wetgeving op dit
gebied.
Bij de kritiek onzer wet zullen we dus ook met die andere
factoren rekening moeten houden en baar zooveel mogelijk iu
verband luet de gevondene getallen inotiveeren. Het ligt niet
op onzen weg om nieuwe wettelijke bepalingen, wel om onze
wenschen te omschrijven; iu zooverre zal deze kritiek dan
opbouwend kunnen werken.
1. Mazelen. De wettelijke voorschriften blijken tegenover
de sterfte aan deze ziekte weinig waarde te bezitten, zoodat
de lasten, het publiek opgelegd, o. a. de aangeplakte briefjes,
niet gemotiveerd schijnen. Ieder praktiseerend geneesheer
-ocr page 101-
w
weet, hoe vooral in den weinkelstand dit distinctief wordt
geschuwd, ook door de clientèle die de briefjes generaliseert
en niet te rade gaat met de meerdere of mindere gevaarlijk-
heid der daarop aangegevene ziekten.
Wanneer men zonder begrijpelijk nut dit deatinctief toch
laat aanbrengen, verlaagt het de waarde bij andere veel meer
gevaarlijke ziekten, en het publiek is, zoowel als het meeren-
deel der geneesheeren, er van overtuigd dat deze maatregel
tegen mazelen van gering belang is. Misschien dat hierdoor
wordt verkregen een uitstel van de infectie, een afstel zal wel
zeer zelden het geval zijn.
Van de andere wettelijke voorschriften zal wel ongeveer
hetzelfde gelden. In de meeste landen is de aangifte van
mazelen dan ook facultatief gesteld, m. a. w. zal zij wel niet
dikwijls geschieden.
lu Dnitschland mogen, tenzij de mazelen-epidemie tot de
zware wordt gerekend, de gezonde kinderen uit een huisgezin,
waar mazelen heerscht, de school blijven bezoeken met toe-
stemming van den Oberambtsarzt. O. i. zou de wetgever zich
tegenover deze ziekte, gesteld dat wettelijke bepalingen ter
bestrijding er van van praktisch belang werden geacht, op een
ander standpunt moeten stellen dan tot nu toe het geval is.
2. Roodronk. In de cijfergroepeering is het aantal sterf-
gcvallen aan deze ziekte gedurende de 2° jaargroep grooter
dan gedurende de eerste. In de laatste 6 jaren daalt dit
weer. Daarom is het moeilijk deze cijfers als maatstaf voor
eenigen wensch ten opzichte der wet aan te nemen, maar
o. i. zal geen medicus verlangen, dat de wetgever zich aan het
voorschrijven van voorbehoedmiddelen tegenover deze ziekte
onttrekke. In bijna alle landen is de aangifte van roodvonk-
gevallen verplicht; in Pruisen is zij facultatief, al naarmate
het onderhavige geval den medicus al dan niet gevaarlijk
voorkomt. Deze scheiding komt ons uiterst bedenkelijk voor;
wij zouden, wat deze ziekte betreft, tegenover alle gevallen
-ocr page 102-
100
gelijke strenge bepalingen wenschen. In sommige landen, o. a.
Pruisen en Zwitserland, wordt in de wet bovendien nog voorge-
schreven de tijd die moet verloopen, voordat een ex-lyder aan deze
en ook aan sommige andere ziekten de school op nieuw mag
bezoeken. O. i. verdiende de opname van een minimum-bepaling
in dit opzicht ook in onze wetgeving ernstige overweging.
3.    Diphtheritis. Uit tabel 0 blijkt dat aan deze ziekte een
klimmend aantal menschen te gronde gaan, zoodat strengere
bepalingen of betere uitvoering van de bestaande noodzakelijk
schijnen. Ook met de croup is dit het geval, en met het tegen-
woordige, goed gebaseerde, standpunt der wetenschap voor
oogen kan men moeilijk anders dan wenschen dat ook de
croup in eene volgende wetswijziging in de lijst der ziekten,
waartegen de wetgever voorzorgsmaatregelen beveelt, worde
opgenomen. Waarschijnlijk is, tegen uitbreiding van deze ziekten,
van eene gemakkelijk te bereiken flinke desinfectie veel heil
te verwachten.
4.    Typhw. (abdominalis en exantheraaticus) neemt eene
steeds kleiner wordende plaats in. Wij hebben das geen recht
met de cijfers in handen op wetswijziging aangaande deze
ziekte aan te dringen. Wanneer men echter ziet, dat in vele
landen, wat de bepalingen aangaat, een onderscheid wordt
gemaakt tusschen typhus abdomin. en exanthem. dan verdient
dit o. i. toejuiching. Niet gaarne evenwel zagen wij dat tegen •
over den typhus abdominalis eene volgende wetgeving zich nen-
traal zou verhouden.
5.    Pokken. Van deze ziekte geldt o. i. hetzelfde als van
typhus. Onze sanitaire bepalingen bezitten blijkbaar eene vol-
doende kracht tegenover haar.
6.    Kinkhoest. Het belangrijke sterftecijfer, dat over de ge-
heele periode ongeveer gelijk is aan dat van de diphtheritis
-j- de croup, wettigt de vraag of niet veeleer aan kinkhoe.it
dan aan mazelen in eene toekomstige sanitaire wet eene plaats
moest worden ingeruimd. O. i. zullen wettelijke bepalingen
-ocr page 103-
101
meer eene uitbreiding van kinkhoest dan van mazelen kunnen
belemmeren en minder gevaarlek is de ziekte in het algemeen
niet te noemen.
Wel bepaalt art. 6 van de wet regelende de uitoefening der
geneeskunst, dat ieder geneesheer verplicht is aan den Inspecteur
zijner provincie en aan Burgemeester en Wethouders zijner
gemeente kennis te geven van de waarneming eener ziekte, die
de volksgezondheid bedreigt, maar zelfs waar dit geschiedt
zal toch een kind, dat aan kinkhoest lijdt, de school blijven
bezoeken tenzij liet hoofd uitvoering geeft aan de bepaling,
die in sommige gemeenten hem het recht geeft kinderen, vol-
gens hem lijdende aan voor andereu gevaar opleverende ziekten,
voorloopig tot de school niet toe te laten. Meermalen is het
ons gebeurd, dat tegen ons advies, de ouders een aan kinkhoest
ljjdeud kind naar de bewaarschool zonden en dat dit kind werd
toegelaten. In deze ervaring zullen wij wel niet alleen staan.
Wkrnicii en Wkhmkr geven weliswaar op, dat Nederland
sedert 1865 een stelsel van schoolartsen bezit, — ons is bekend,
dut het hier nog niet bestasinde schoolartseustelsel de gemoe-
dereu der medici tegenwoordig warm houdt. In ieder geval
zouden de voorstanders in deze verhoudingen tegenover de kink-
hoest, ten minste een flink wapen aan hunne strijdkrachten
kunnen toevoegen.
Iu Zwitserland bestaat Anzeigepjlicht tegenover de kinkhoest,
in enkele Duitsche staten eveneens, in andere is het facultatief
gesteld.
Bovengenoemde schrijvers zeggen in hun «Lehrbuch des
oeffentlichen Gesundheitswesens»:
dn Holland ist über der mustergultigen liegelung der Au-
zeigepflicht anf strenge Hausersperren and schon von friiher
Zeit her, auf den Ausschluss kranker uud Verdiichtiger Kinder
aus den Schüleu der entscliiedenste Werth gelegt» etc.
Bij \'t nagaan der sanitaire wetten in andere staten kwam
het ons voor, dat in \'t algemeen onze wetten op dezen lof
-ocr page 104-
10?
aanspraak inogeu maken. Wel zouden wij enkele wijzigingen
en wat de raaatregeleu, en wat deu aard der ziekten aaugaat,
daarin wenschen, maar ons schijnt de hoofdoorzaak vau de
geringe resultaten te schuilen in eene niet voldoende uitvoe-
ring der bestaande wetten.
Wat door de commissie met den rapporteur ten zeerste be-
treurd wordt, is liet gemis aan een nauwkeurige morbiditeits-
statistiek, waaruit belangrijke conclusiën zouden te trekken ziju.
Dr. Denkkamp geeft, na eene uitvoerige hygiënische inede-
deeliug omtrent de melk en hare pathologische eigenschappen,
een overzicht van de regeling in verschillende lauden en voor-
name steden, vau de controle over den verkoop van melk en
de maatregelen ter voorkoming van vervalschiug.
Terecht wijst hij o. i. op de wetten, die in Engeland van
kracht zijn op den melkverkoop. Die wetten, evenals die van
Zwitserland, Pruisen, Parijs, Madrid, ziju grooteudeels in haar
geheel en in origiuali opgenomen. Als zijne desiderata voor
de melkcerkoop, melkerijen, melkwinkels, melkslijterijen geelt hij
\'t volgende te kennen:
In de eerste plaats moeten melkerijen, melkwinkels en vee-
stallen,
zoomede het vee, de melkboeren eu allen die belast zijn
met melken en de behandeling van melk, gesteld worden ouder
geregeld staats- of gemeentetijk toezicht.
De bouw van veestallen en melkiurichtingen moet af\'han
keiijk gesteld worden vau hygiënische wetten, betrekking
hebbende op veutilatie, licht, lucht, watervoorziening en
waterafvoer. Ruimten, die den eeuigen toegang vormen
tot eene woning, en ruimten die tot woonkamers of slaap-
kamers dienen, of waardoor aangrenzende direct licht ont-
berende slaap- of werkkamers lucht en licht betrekkeu, mogen
niet voor den melkverkoop gebruikt worden. In ruimten waar
melk bewaard wordt, mogen niet tevens euvel riekende of licht
bedervende voorwerpen bewaard worden. Voor reinheid der
-ocr page 105-
103
uielkvaten, voor koelheid der melkkelders uioet gezorgd worden.
De inelkvaten mogen niet gemaakt zijn van eenige stof, die
de melk schadelijk maken kan voor het gebruik. Controle moet
worden uitgeoefend op de melkboeren, ïnelksljjters enz., op
leden hunner gezinnen of dienstpersoneel welke lijdende zijn
aan besmettelijke ziekten. Aan hen moet de melk verkoop ver-
boden, resp. \'t behandeleu der melk of het hanteeren dei-
melk vaten onthouden worden.
Bjj eene eventueel desbetreffende wetgeving hier te lande
kan «the dairies row-shcds and milk-shops order of 1885» in
Engeland en Schotland vigeereiule, mutatis mutandis ten voor-
beeld strekken (zie pag. 41 — i5). Het gebruik van melk van
zieke dieren moet worden verboden en de zieke dieren moeten
worden geïsoleerd. Aanbeveling zou het o. i. verdienen de
melkkoeien periodiek te onderwerpen aan de tuberculiue-
proet eu de aanvulling slechts te doen geschieden met diereu
welke kort te voren de tuberculiue-proef hebben doorstaan.
Voor het uitoefeueu van beroep van melkboer, melkslijter enz.
moest de toestemming der overheid uoodig zijn, die de namen
van hen, welke het beroep uitoefenen, moet registreeren. Slechts
aan hen worde toegestaan dit beroep uit te oefenen, die de melk
van minstens 4 koeien kunnen leveren. De verkoop van biest-
melk
worde verboden; eveneens van melk die abnormale smaak,
reuk ot kleur vertoont. De volle melk moet een spec. gewicht
bezitten van 1021)—1034. Afgeroomde of gedeeltelijk afgeroomde
melk mag ter markt gebracht worden, maar de vaten welke
deze melk bevatten, moeten in duidelijk en onuitwischbaar
schrift de qualiteit der melk aanwijzen, en een minimum spec.
gew. bezitten.
Ook de gepasteuriseerde evenals de gesteriliseerde melk worde
op vastgezette tijden van overheidswege gecontroleerd.
Wij vereenigen ons geheel met hem, waar hij, bij algeheel
gemis aan regeling ten onzent, aandringt op wettelijke bepa-
lingen, bij voorkeur op die welke in Engeland gelden. Al mag
-ocr page 106-
104
die regeling het geheele land door geen volstrekte zekerheid
bieden tegen vervalsehiug (het referaat van Prof. v. Oveubekk
de Meyëk in het Tijdschrift van Geneeskunde van 10 Augus-
tus 11. strekke daarvoor het bewijs), er zal veel, zeker «iets»
worden bereikt, dat zelfde «ets», waarop de Minister Mouder-
man bij de verdediging der drank wet herhaaldelijk wees en
waarin hij zich, blijkens de ervaring, niet heeft vergist.
Dr. Homoet — den invloed van het drinkwater bij de ver-
spreiding van besmettelijke ziekten behandelende — schaart
zich aan de zijde van hen, die van meening zijn dat niet
aan den grond of bodem, doch aan het verontreinigde drink-
water vooral de oorzaak der infectie van cholera en febris
typhoïdea moet worden toegeschreven. Uwe commissie ver-
eenigt zich met dit gevoelen. Zij ondersteunt derhalve den
wenscb., dat de aanleg van drinkwaterleidingen of het slaan
van Nortonpompen worde bevorderd en dat van regeeringswege
het verschaffen van zuiver drinkwater in hospitalen, kazernen
en fabrieken worde bevolen. De verordening der gemeente
Arnhem betrekkelijk het verkrijgen van zooveel mogelijk zuiver
drinkwater voor de bevolking moge als model gelden. Den
verschillenden gemeentebesturen des lands kan o. i. met niet
genoeg nadruk de Arnhemsche regeling worden aanbevolen.
Dr. vax Wely — den invloed der woningen op het ontstaan
vau besmettelijke ziekten, behandelende — wijst o. i er terecht
op, dat er eene woningsstatistiek ontbreekt, dat zelfs geene
poging daartoe is aangewend, waardoor het oorzakelijk verband
kan worden opgespoord tusschen woning en ziekte. Waar dit
verband niet met zekerheid valt aan te wijzen, kan aan eene
wettelijke regeling niet worden gedacht, zooals de rapporteur,
dunkt ons, terecht in \'t licht stelt. Dat het centraal gezag
moest kunnen ingrijpen bij werkelijk gevaar, zal zeker aller
instemming ondervinden.
-ocr page 107-
105
Dr. Voute - handelende over riolen — stelt als zijne meening,
dat moeilijk of in \'t geheel niet kan worden bepaald de invloed
van rioolgassen op de verspreiding van infectie, zonder voorbij
te zien het gevaar dat ze kunnen veroorzaken. De rapporteur
merkt o. i. zeer juist aan: dat daar, waar de afvoer van riolen
aanleiding geeft tot verontreiniging van rivieren of meren, die
tevens dienen om te voorzien in de behoeften aan drinkwater
der omliggende gemeenten, of daar, waar wellen als drinkwater-
bronnen worden gebruikt en waar zich tevens in den bodem
beerputten bevinden, het dringend uoodig zal zijn door wet-
telijke bepalingen een einde te maken aan de verontreiniging
dier rivieren, meren of wellen. Het is ook onze meening, dat
men weinig aan de plaatselijke overheid moet overlaten, om-
dat persoonlijke belangen in dnsdanige gevallen te veel op den
voorgrond zullen treden.
Noodig is het: dat een rijkswet bepale dat beerputten op
zoodanigen afstand van de prise d\'eau worden geplaatst dat de
kans van bodemvervuiling tot een minimum worde gereduceerd.
Ten slotte behandelt Dr. van Wei.y de regeling der desin-
fectie. Volkomen juist toont o. i. de rapportenr aan, hoe ver-
keerd de wetgever deed door aan den Burgemeester of aan
Burgemeester en Wethouders over te laten met of zonder ad -
vies van den medicus te handelen en een gelijkvormige rege-
ling te treffen voor alle gemeenten. Hoeveel hier nog te doeu
valt, wordt uitvoerig aangetoond. Ook onze meening is het
dat het noodig zal zijn de desinfectie verplichtend te stellen,
vooral bij die ziekten, waar men met desinfectie wat kan be-
reiken. De regeering moet dan in de eerste plaats de taak der
ontsmetting op zich nemen en alles wat hierop betrekking
heeft aan het centraal gezag onderwerpen; hierbij moet echter
de autonomie der gemeenten niet uit het oog worden verloren.
Als zijne desiderata voor de regeling der desinfectie geeft
hij o. a. het volgende te kennen:
-ocr page 108-
106
1°. Dat in elke grootere gemeente of in een centraal punt
van bevolking, waar de regeering dit noodig oordeelt, er zij
een personeel geheel vertrouwd met alles wat betrekking heeft
op de ontsmetting, zoowel van goederen als van woningen en
terreinen. Dit personeel zou dan ook kunnen gebruikt worden
voor een bepaald gedeelte van de provincie, waarin die gemeen-
ten liggen.
2°. dat er in die gemeenten eene inrichting gemaakt worde,
hetzij afzonderlijk, hetzij aan rijks-gemeente of particuliere zie-
keninrichtingen verbonden, bevattende
a. een desinfectie-oven;
h. eene badinrichting, te gebruiken door het personeel en
door personen die uit een besmette omgeving komen en ten
hunnent geene gelegenheid tot baden hebben;
c.     een magazijn voor ontsmettingsmiddelen;
d.     lokalen tot tijdelijke huisvesting van personen of gezin-
neu wier woningen ontsmet worden, of die verdacht worden
van besmet te zijn ; en
e.     een transportabele desinfectie-oven ten gebruike voor de
omgeving.
3°. dat in elke gemeente, waar zich deze centrale desinfectie-
inrichting bevindt, een geneeskundige aan het hoofd worde
geplaatst, onder wiens verantwoordelijkheid alle ontsmettingen
moeten geschieden. Deze geneeskundige zon moeten beslissen of
werkelijk het gevaar voor besmetting geweken was en daarvoor
het bewijs afgeven, of in overleg met den geneeskundige die
den patiënt behandeld heeft.
Arnhem,           \\       Dr. HOMOET.
Groningen.       i       Dr. SCHELTEMA.
Amsterdam,     [       Dr. VOUTE.
Den Haag,      I       Du. VAN WELY.
Rotterdam,      \\       Dr. DKNEKAMP, Rapporteur,
üctober 1895    I
-ocr page 109-
107
Aan het slot van haar werkzaamheid gekomen, heeft Uwe
Commissie de eer U voor te stellen: dat de Ned. Ver. voor
Paediatrie
zich tot de hooge regeering wende met het ver-
zoek, dat:
1°. de wetten, houdende voorzieningen tegen besmettelijke
ziekten in overeenstemming gebracht worden met de weten-
schappelijke eischen van den tijd;
2°. dat aan het Geneeskundig Staatstoezicht eene uitvoerende
macht worde verleend en niet alleen het recht worde gegeven
te adviseeren ;
3°. dat bij afzonderlijke Koninklijke besluiten er bepalingen
in het leven wordeu geroepen, opdat het vervalsenen van melk
worde voorkomen, de levering van dit levensmiddel riau een
toezicht worde onderworpen, het toezicht op het drinkwater
worde uitgebreid, het vervuilen van water en bodem worde
tegengegaan en dat de uitvoering dezer besluiten aan het
Geneeskundig Staatstoezicht worde opgedragen;
4°. dat de bouw en inrichting van woningen aan strenger
eischen worden gebonden;
5°. dat aan het Geneeskundig Staatstoezicht worde opge-
dragen de uitvoering en het toezicht op de desinfectie na het
ophouden eener besmettelijke ziekte en alwat daarmede in
verband staat;
6°. dat en van wege «de Centrale Commissie voor de Sta-
tistiek» maatregelen worden genomen om te komen tot eene
deugdelijke statistiek der morbiditeit van besmettelijke ziekten
in verband met de woningen waarin zij voorkomen.
Arnhem,                 Dr.   HOMOET.
Groningen,       , Dr.  SCHELTEMA.
Amsterdam,    \' Du.   VOUTE.
Dm Haag,             Dr.  VAN WELï.
Rotterdam,      \' Dr.  DENEKAMP, Rapporteur.
October 1895.
-ocr page 110-
INHOUD.
G. Scheltama, Onderzoek naar het aantal overledenen
aan de in de Wet genoemde besmettelijke ziekten
(met uitz. van cholera en dysenterie en met toevoe-
ging van kinkhoest) over de jaren 1867—1873 en
1873—4879. (Met 4 tabellen).......BI. 1.
Dr. M. Denekamp, De eischeu der hygiëne betrekkelijk
de koemelk, de wettelijke regeling daarvan elders en
in hoever zjj ten onzent navolging verdient . . . » 13.
Dr. L. C. Homoet, Over den invloed van drinkwater
bij de verspreiding van besmettelijke ziekten. . . > 52.
Dr. D. Ij v. Wely, Invloed der woningen op het ont-
staan van besmettelijke ziekten.......» 69.
Dr. A. Voute, Riolen...........«77.
Dr. D. L. v. Wely, De regeling der desinfectie. . . » 84.
Eindrapport.......-........* 97.