-ocr page 1-
/»«0 \\\\(fi?               $.rf/jf
v(« lid, . . _---------------------------------------------------------------------------■ ■JL-S*
>-.
i
Lessei] van
Levenswijsheid
yOOF^ EEN DEEL ONTLEEND
C. G. SALZMANN\'S Hemel op Aarde.
UTRECHT — 1896.
Stoom Boek- en Stecndrukkerij „de Industrie,"
J. van DRUTEN.
£82>f
Niet in den handel.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Lessen van Levenswijsheid.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Lessei] van
Levenswijsheid
yOOF^ EEN DEEL- ONTLEEND
C. G. SALZMANN\'S Hemel op Aarde.
UTRECHT — 1896.
Stoom Boek- en Steendrukkerij „de Industrie,"
J. van DRUTEN.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
EEN WOORD VOORAF.
Den lsten Juni 1844 brachten sommigen in Duitschland
eene dankbare hulde aan de nagedachtenis van Christiaan
Gothelf Salzmann, die daar, eene eeuio geleden, te Sö\'mmerda
het eerste levenslicht aanschouwde.
Hij toas een eenvoudig, nuttig en werkzaam man en direc-
teur aan het opvoedkundig gesticht te Schnepfenthal in Thü-
ringen, waar hij den Sisten October 1811 overleed.
Bovendien schreef hij vele en nuttige boeken, die bij ieder
die ze kende, in hooge waarde weiden gehouden.
De gedachten er in neergelegd, zijn dan ook voor latere
jaren nog gangbare munt, ja zelfs voor onzen tijd nog zóó
jong en frisch, alsof zij pas uit de pen waren gevloeid.
Dat de eeuwen dan ook niet in staat zijn om levenswaarheden
te doen verouderen, bemerkte ik bij het herlezen van zijn, in
1797 verschenen boek: Der Himmel auf Erde.
Telkens werd ik daarin verrast door een kostbaren schat
gezond verstand, gepaard aan levenswijsheid.
Naast \'deze beide treedt op den voorgrond een eenvoudig
-ocr page 8-
6
Bijbelsch geloof dan eenen Vader, Die, ofschoon het ons on-
waardige kinderen als wij zijn onbegrijpelijk voorkomt, toch
aller lot met wijsheid en liefde blijft regelen.
De vorm van het werk was echter niet geëvenaard aan den
voortreffélijken inhoud, en het kwam mij voor, dat onze tijd
geheel was ontwassen aan zulk langdradig geschrijf.
Reeds spoedig na deszelfs verschijning, werd het in onze
taal overgezet; het laatst geschiedde dit in 1847.
In deze uitgave werd het naar lateren schrijftrant gewijzigd,
maar de omslachtige stijl, die het méést hinderde, bleef behouden.
Naast andere verwante gedachten, gaf deze Hemel op Aarde
aanleiding tot dit geschrift. Het wat beknopter te maken was
het doel van mijn streven.
Hartelijk hoop ik dat menigeen, door te luisteren naar
Salzmann\'s verstandige raadgevingen, en door die op te volgen,
een gansch anderen blik zal kunnen slaan op het veelzijdige,
rijke en schoone menschenleven, door het ontdekken van licht-
punten, waar hij vroeger niets dan nevel en duisternis aan-
schouwde.
Ieder sterveling wenscht deel te nemen aan het feestmaal
des levens, maar niet weinigen deinzen terug voor de duurzame
inspanning, die er vereischt wordt ter bereiking van dit doel,
en op deze wijze vertrappen zij, met eigen voet, de bloemen
hun geschonken.
Wil men zich echter waarlijk gelukkig gevoelen onder alle
omstandigheden waarin men geplaatst is, dan wordt er oefe-
ning vereischt in zelfkennis en zelfverloochening, maar de nooit
te rooven vrucht, die er door verworven wordt, is dan ook
-ocr page 9-
7
wel dubbel waard de inspanning die men zich er voor moest
getroosten, namelijk een gelukkig leven, een opgewekte ouderdom,
en zooals wij willen hopen, een rustig sterfbed.
Al heb ik er verdriet genoeg van, dat ik nog lang niel ben
die ik wezen moest, toch voel ik mij gedrongen om bij dezen
te betuigen, dat het helder inzicht over vele geschilpunten,
Salzmann en anderen geschonken, en de vele verstandige raad-
gevingen in zijn werk gevonden, middelen waren in Gods
hand, om kleur en geur aan mijn levtn bij te zetten, door
het genoegen er van te verdubbelen, en het verdriet dat ik had,
te verzachten of weg te nemen.
Deze ervaring hebbende opgedaan, meen ik aan vrienden
en bekenden geen ondienst te doen, door hun dit geschrift aan
te bieden.
Hartelijk bedank ik bij dezen een mijner vrienden, die
gewoon is om met de pen om te gaan, en zijne lieve vrouiv,
die met hunne vriendelijke dienstvaardigheid mij trouw en
ijverig ter zijde stonden om mijn pleegkind in een passend
gewaad te hullen.
Utrecht, Dec. 1895.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
INLEIDING.
Menig talentvol kunstenaar schetste in beelden en kleuren
de zaligheid der hemelingen en de folteringen der heibewoners.
Die voorstellingen waren soms zóó aangrijpend, dat enkele
er toe kwamen om de dagelijksche plichten te verzuimen,
ten einde, zooals zij meenden, geheel alléén voor den Hemel
te leven.
Het gevolg daarvan bleef echter niet uit. Onvoldaan met
zichzelf, werden zij ongevoelig voor het vele schoone en
goede dat het leven biedt, en ten slotte kwamen zij er zelfs
toe, om de aarde een tranendal te noemen.
De materialistische strekking onzer dagen brengt mede, dat
vele onzer tijdgenooten het denkbeeld van een leven na den
dood lieten varen. - Ofschoon hoop op den hemel, of vrees
voor de hel op zedelijk gebied geen waarde bezitten, zijn er
toch menschen te vinden die het bedenkelijk voorkomt, dat
de hemel als drijfkracht tot het goede, en de hel evenzeer ook
tot afschrik van het kwade, in de hedendaagsche maatschappij
dreigen te gaan ontbreken, dewijl zij reeds nu daaraan toe-
-ocr page 12-
10
schrijven de afschuwelijke misdaden van den tegenwoor-
digen tijd.
Ik meen het oordeel van het meerendeel der menschen te
deelen, door te beweren dat het gros der aardbewoners zich
nog wel degelijk aan dit oude geloof blijft vastklemmen, en
dat zij, gebukt gaande onder kommer en zorgen, zich nog bij
voorbaat blijven verheugen in de zaligheid die hen wacht aan
gene zijde van het graf.
Alle eeuwen en alle natiën hebben er dan ook iets van
gevoeld (eene Ahnung van gehad). Naar aanleg en ontwik-
keling vormt een ieder zich een denkbeeld van het heil, dat
hem wacht in den door hem zich ged roomden hemel.
De sluier echter, die de toekomst voor ons sterfelijk oog
bedekt, is zóó ondoordringbaar, dat geen menschenkind in
staat is, om zich maar het allerflauwsle denkbeeld er van te
kunnen vormen.
Van den Hemel op Aarde valt echter heel wat meer te
zeggen, wanneer men hieronder verstaat het grootste, reinste
en duurzaamste geluk dat, onder alle omstandigheden des
levens, de nooit te rooven schat van ieder sterveling kan
worden!
-ocr page 13-
EERSTE HOOFDSTUK.
Nemen wij Sai.zmann\'s boek ter hand, dan bemerken wij
al spoedig, dat het trouw en ijverig behartigen van de gewone
dagelijksche plichten, door hem als schering en inslag wordt
beschouwd van een wezenlijk gelukkig bestaan. Ik stel mij
voor, dat menigeen dit lezende, de schouders zal ophalen en
zeggen, wat een praatjes! die man heeft het glad mis, want
ik doe wat ik kan en doen moet, zoo ijverig en nauwgezet
mogelijk, maar ik ondervond nog niets van het geluk dat
daaraan verbonden zou wezen. Geduld, goede vriend, Salzmann
is pas aan het woord, en vóór hij verder gaat, begint hij met
twee vooroordeelen aan te tasten, die het doen van het goede
in een kwaden reuk brengen.
Over het algemeen wordt plichtsbetrachting met deugd
verwisseld, en wordt dus beschouwd als iets dat men liever
naliet, dewijl het meestal in strijd is met ons genoegen.
Daarentegen wordt door het meerendeel der menschen, het
verkrijgen van dit laatste als een begeerlijk goed voorgesteld.
Heeft men het echter goed met zich zelf voor, dan moet
-ocr page 14-
12
dit scheeve oordeel verdwijnen en plaats maken voor het
begrip, dat plichtsbetrachting de grootste zegen voor een
mensch is, en dus niet meer als eene verdienste of een vloek
mag worden beschouwd.
De ons omringende zaken bezitten op zichzelve geene waarde.
Wij zien het dagelijks aan den egoïst, den verkwister, den
gierigaard, den dronkaard, die verkregen wat zij begeerd
hadden, en die met het bezit er van, hoofd voor hoofd een
ellendig leven leiden.
Wanneer het schoonschijnende doel bereikt is, bemerken
zij pas, dat zij zich bedrogen hebben.
Rijkdom en eer, langs slinksche wegen bemachtigd, delven
tergelijkertijd een graf voor het heil van hem, die meende
het daardoor te zullen verkrijgen. De achting voor zich
zelf verliest hij, het. vertrouwen van de menschen moet hij
missen. Bij het zien van het leed anderen aangedaan,
kwelt hem zelfverwijt en de machtige dood ontneemt hem
ten slotte alles wat hij meende te bezitten.
Hoe zou het mogelijk kunnen zijn, om dan nog onder deze
omstandigheden, één gelukkig oogenblik te kunnen hebben!
Een daglooner die tevreden is met het weinige dat hij
heeft, en die doet wat hij doen kan en moet, is er oneindig
beter aan toe.
Hij, die slechts zijn plicht betracht om de genegenheid der
menschen te verwerven, of om er eer door te krijgen, zal
dien gemakkelijk verzaken en zelfs het kwade niet ontzien
om zijn doel te bereiken.
-ocr page 15-
13
Iemand zonder beginselen, zou men kunnen vergelijken
bij een schip zonder roer of stuurman.
Alleen plichtsbetrachting uit liefde tot het goede, behoudt
blijvende waarde. In dezen geldt het ook: Uit een troebele
bron kan geen zuiver water geput worden. Scheppen wij
echter behagen in onze dagtaak, dan geschiedt het zwaarste
en vervelendste met genot en opgewektheid, en aan den avond
van iederen welbesteden dag wacht ons vrede en zelfvol-
doening.
De gedurige ervaring, dat vooruitgang in het goede geluk
aanbrengt, schenkt liefde tot plichtsbetrachting, en goed zijn
en goed doen wordt ten slotte de lust van ons leven, en dus
onze hoofdwensch.
Die weinig begeert, ondervindt weinig teleurstelling.
Is braaf te handelen ons grootste verlangen, dan hangt voor-
namelijk van ons zelven af, of wij onzen wensch krijgen.
Mist men echter genoegen in het werk, dan zoekt men
uitvluchten om er aan te ontsnappen, of werpt bij zijn eigen
verzuim, de schuld op de schouders van anderen.
Een mensch wordt wel eens overstelpt door tal van tegen-
strijdige plichten. Hij kan echter maar aan ééne zaak te
gelijk zijne aandacht wijden. Vandaar is het volgens Salzmann
geraden, om vóór hij handelt, eens te overleggen of een
ander ook nog wat voor hem kan doen. Hij, die vóór dat
hij een nieuw werk begint, eerst geheel voltooid heeft waar-
aan hij bezig was, zal bij ervaring bemerken, dat wereldsche
zaken zich in den regel schikken.
-ocr page 16-
14
Is er geen geluk denkbaar zonder verbetering van het
gemoed, zal men dan om in allen deele dit uitzicht verwezen-
lijkt te zien, niet geheel volmaakt moeten wezen?
Dit doel is echter nimmer te bereiken, want hoe de mensch
zich moge inspannen, de volkomenheid blijft natuurlijk zoo
lang als hij leeft, het nooit te bereiken Ideaal. Ware dit
anders, dan zou hij moeten ophouden mensch te zijn, want
het is nu eenmaal eene eigenaardigheid der menschelijke natuur,
dat de strijd tusschen goed en kwaad hem blijft vergezellen
van af de wieg tot aan het graf.
Jezus deelde ook dit gevoelen, want toen de rijke jongeling
hem aansprak met Goede meester, antwoordde hij door te
zeggen:
Wat noemt gij mij goed1} Niemand is goed dan God alleen,
Luc. XVIII: 18.
Er kan ook geen sprake zijn van deugd (de overwinning
van het goede over het kwade in ons) zonder voorafgeganen
strijd, want waar deze niet bestond, is de eerste eene hersen-
schim en dus onbestaanbaar.
Blijft volmaaktheid nimmer voor ons te bereiken, het is
dan wel een zegen dat wij op den duur, en met inspanning
van al onze krachten mogen streven om Jezus ideaal: wees
volmaakt gelijk uw Vader, die in den Hemel is volmaakt
is Matth. X: 48 dagelijks meer te naderen, want ook dit
streven er naar brengt reeds geluk aan.
-ocr page 17-
15
Dit zullen wel ondervonden hebben:
De waardigste vorst.
De eerlijkste koopman.
De zorgzaamste moeder.
De voortreffelijkste baas, meester, chef, winkelier of fabrikant.
De dito arheider of bediende.
De billijkste, welwillendste heer of vrouw.
De braafste, hartelijkste dienstbode.
Trouwe plichtsbetrachting maakt het deze laatste ook aan-
genaam,
want dan heeft zij behagen in haar werk en vermijdt
de aanmerkingen die anderen krijgen. Zij schept zich een
tweede tehuis, omringd door welwillende vriendelijke gezichten.
De andere, die niet trouw noch stipt is, vindt alles naar
en vervelend, en blijft hare huisgenooten als vreemdelingen
onverschillig aanzien. Er kan soms iets van haar gevorderd
worden, waarvan zij weet dat het niet goed is, dan moet zij
neen kunnen zeggen.
Zouden wij niet het beste beantwoorden aan het doel van
ons bestaan, wanneer wij het hoe langer hoe meer als
Hoofdzaak in ons gingen beschouwen, om te trachten
een juist begrip van onze plichten te krijgen, en om ons te
gewennen vóór wij onze taak beginnen, ons eens af te vragen,
wat het éérst voor onze rekening komt, en om daarna
maar met lust en ijver te doen, wat w\\j begrijpen dat het
noodzakelijkste is.
Al het andere goede dat ons eigen is, kan men in zoo-
verre bij eene nul vergelijken, dat het deszelfs waarde ont-
-ocr page 18-
16
leent aan hef goede beginsel, evenals de nul dit doet aan
het daarvoor geplaatste cijfer.
Eene bedrevene goede daad, waarvan eigenbelang, hoog-
moed, vrees of zwakheid van karakter de bron was, moge
al schitteren voor de wereld, zij is niet in staat, om den
bewerker er van duurzaam geluk aan te brengen.
Dit is alleen voor hen te verkrijgen, die den Algoeden en
de deugd bovenal liefhebben, en die hunne naasten als
broeders en zusters een goed hart toedragen.
Hoe jonger men geoefend werd om zichzelven te ver-
loochenen, des te beter, want dan wordt er voor de toe-
komst van het kind véél leeds gespaard.
Hoeveel hel vader of moeder ook kosten moge, om hunne
lievelingen iets te weigeren, zullen zij het ter wille van hunne
kinderen toch wel eens doen.
Vroeg zullen zij hen leeren hun te gehoorzamen, en niet
om het genoegen te denken, vóórdat het werk afgedaan is.
Zijn zij hieraan van der jeugd af gewoon geraakt, dan
missen zij later den strijd en het verdriet waaronder een
ander gebukt gaat, die door zwakke ouders werd groot-
gebracht.
De eerste leert met genoegen en heeft dus ijver bij het
werk, de ander zucht er onder, en vordert hierdoor niet zoo goed.
Door op deze wijze te handelen, worden in de kinderziel de
zaden gestrooid van nauwgezette plichtsbetrachting.
-ocr page 19-
17
In later jaren, soms na den dood der ouders, zullen zij er
de heilzame vruchten van inoogsten en de nagedachtenis
zegenen van hun beste vrienden ! Het kind toch, tot mensch
opgewassen, heeft zich daardoor het goede zóó eigen ge-
maakt on het zóó lief gekregen, dat dit hoe langer hoe meer
het eenige doel van zijn leven is geworden. Hij gaat recht
op dit doel af, zonder te twijfelen, want hij weet wat hij
wil en wordt dus een man van karakter.
Heeft het lichaam tot deszelfs onderhoud voedsel noodig,
wil het niet verkwijnen, goede gedachten zijn een behoefte
voor het zedelijk welzijn; want daaruit ontluiken de goede
beginselen.
Zou het dan geene zaak zijn voor hem of haar, die maar
gedachteloos voortleeft, om het hoofd met goede beelden te
vullen, bijv. met het leeren van mooie verzen\'? In het ledige
brein zetelt zich toch zoo licht het kwade.
Het moet ons immer voor den geest zweven dat gedachten
niet tolvrij zijn, want dat daaruit de woorden voortkomen,
en dat menige daad onbedreven zou zijn gebleven, als men
in tijds gezorgd had om de verleidelijke gedachte met eene
goede te verwisselen.
Heerscht er eene épidemie van pokken of roodvonk, dan
zorgt een ieder, en terecht, om de zijnen niet noodeloos aan
het gevaar van besmetting bloot te stellen.
Is het dan geen vreemd verschijnsel, dat diezelfde zorg-
-ocr page 20-
•18
zame betrekkingen, die zoo trouw het. lichamelijk welzijn
der hunnen behartigen, zoo zorgeloos kunnen omspringen
met de belangen hunner ziel, en op deze wijze, zonder het
te willen, er hun duurzaam geluk aan wagen?
Het goede voorbeeld der ouders, hoe noodig dit ook zij,
is daartoe nog niet eens voldoende. Er hangt ook voor hen
véél af van de keus hunner vrienden, en daarnevens ook
van de boeken, die zij lezen.
Hun smaak mag niet bedorven worden, door realistische
en andere verderfelijke werken, die goed, kwaad noemen en
die het verkeerde in een schoon daglicht plaatsen.
Het lezen van te veel romans, of die te overdreven zijn,
en de wereld dus anders voorstellen, als deze in werkelijk-
heid is, roovcn den kostbaren tijd, die nuttiger kon besteed
worden tot hun later welzijn.
Is dit alles voor hen van groot belang, nog van de mééste
waarde is het voor jongelieden, in de allereerste plaats
geleerd te hebben, om waar eene zondige gedachte in hen
opkomt, deze dadelijk door eene goede te smoren.
Nadert een dolle hond of een hollend paard, dan handelt
ieder, die toch geene hulp kan bieden, verstandig om maar
stil uit den weg te gaan.
Evenzoo moet men vreezen, om zich noodeloos aan ver-
zoeking bloot te stellen.
-ocr page 21-
1!)
Al bouwt men nog zoo op zijne deugd of op die der
zijnen, moet men toch de gelegenheid tot zondigen ver-
mijden.
Alle menschen, die zich gelukkig willen gevoelen, hetzij
jonge of oude, zij het geraden, om al deze middelen maar
trouw en ijverig ter hand te nemen door het ééne te doen,
en het andere fe laten, want iedere leeftijd brengt zijne
eigene verzoekingen mede, en overal zijn zij te vinden.
De wegen van goed en kwaad liggen vlak naast elkander,
alsof eene onmerkbare streep ze scheidt, en daarom mogen
wij de voorzichtigheid nooit uit het oog verliezen, want
anders konden wij den tweeden weg wel eens betreden,
meenende nog altijd op den eersten te wezen. Dit is te
méér noodig, dewijl de brave (hij die het goede wil) door
overdrijving van zijn goede hoedanigheden zondigt, evenals de
slechte dit doet door zijn kwade neigingen in te willigen.
Hij, die wel eens gemord heeft over zijn lot, zal in het
vorenstaande misschien zijn eigen portret wel ontdekt hebben)
en daardoor begrijpen waar hem de schoen wringt.
Dit zal hem hoe langer hoe duidelijker worden door het
oog te vestigen op de breede reeks van ellenden, die de ge-
volgen zijn of worden van een misbruikt leven, terwijl aan
iedere goede eigenschap, die wij in ons zelf aankweeken,
eene knop wast, waaraan bloesem en vruchten voor het leven
kunnen rijpen.
Ons oordeel over goed en kwaad, luidt niet immer hetzelfde.
-
M
-ocr page 22-
20
Er ligt een afkeurend oordeel gereed over het gedrag van
iemand, die niet betaalt wat hij schuldig is. Verkeeren wy
in hetzelfde geval, dan trachten wij ons vrij te pleiten door
te zeggen, „wel ik heb het niet, maak eens een vuist als men
geen hand heeft!"
Plicht geldt echter in de meeste gevallen voor den eenen
net zoo goed als voor den anderen.
Daarom zij het geraden, om ter wille van zeltkennis, van
tijd tot tijd even stil te staan, ten einde onze daden door den
bril van een ander eens te bezien,
In de zaak van schulden maken, zou dat oordeel luiden:
had hij maar op de kleintjes gepast en de dagelijks wegge-
worpen stuivers, die /"18 in het jaar uitmaken; ware hij
maar voor zich zelf en de zijnen wat zuiniger geweest, of
had hij maar wat meer overleg gehad, en zich geene uit-
gaven veroorloofd, die hij niet kon betalen!
Het is noodig dat wij dit doen, want de eigenliefde is eene
slechte raadsvrouw, die in de ééne hand een vergrootglas
houdt, en in de andere een glas om te verkleinen.
Bij het weinige goede dat wij doen, overreikt zij ons het
eerste, en bij het vele kwade, dat een ieder onzer nog aan-
kleeft, biedt zij ons het tweede aan.
Hoe gelukkig het doen van het goede ons in de gevolgen
ook make, er is altijd min of meer strijd aan verbonden,
dewijl lust en plicht slechte kameraden zijn, wier wenschen
zelden overeenkomen.
Deze strijd is echter schijnbaar, want dezelve eindigt zoodra
-ocr page 23-
21
men slechts den moed heeft, om zonder aarzelen de zaak
maar flink aan te pakken, want van uitstel komt wel eens afstel.
Door uit medelijden met zichzelven, vandaag nog eens
te doen, wat men morgen wil nalaten, verzwaart men zich den
strijd, vermits de ingevolgde begeerte hoe langer hoe sterker
wordt, terwijl in tegenstelling daarmede, de plicht ons door
gewoonte tot eene tweede natuur wordt.
Hoe moeilijk het ook zij, om na verkeerd gehandeld te
hehben, op het goede pad terug te keeren, nooit of nimmer
mogen wij den strijd opgeven, want de weg tot verbetering
blijft ten allen tijde geopend.
Ofschoon er inspanning en oplettendheid toe vereischt
worden, toch is het gewenscht om zich afkeerig te toonen,
waar het kwade ons dreigt mede te slepen. Door dit op den
duur te doen, wordt het ons eindelijk tot eene gewoonte.
Hij die weinig gedachten heeft, moet maar duurzaam een
enkel goed woord in zich zelve herhalen, clan wordt dit ten
slotte zijn eigendom.
De éérste stap is in den regel de moeilijkste, maar deze
zal blijken vruchteloos gedaan te zijn, indien die niet zonder
ophouden door andere wordt gevolgd, en waakzaamheid niet
immer het toezicht houdt.
Ieder, die zich op dit benedenrond recht aangenaam wil
gevoelen, moet zonder te angstig voor zich zelf te wezen,
toch ook rekening houden met zijne gezondheid.
Uit een valsch instrument kan zelfs de bekwaamste kun-
-ocr page 24-
22
stenaar geen zuivere toonen lokken. Het lichaam geldt bij
vele menschen voor den oersten persoon.
Is het niet vreemd te achten, dat zij het dan niet altijd met
die zorg behandelen, die strekken kan om hetzelve gezond
en krachtig te houden\'? bijv. hoe zeldzaam komt men er toe,
om eens iets van het genoegen daarvoor ten offer te brengen.
Waren in Salzmanns tijd baden en sport nog niet aan de
orde van den dag, en moedigde hij ter bevordering van de
gezondheid tot lichaamsoefeningen aan, nu is dat blaadje om-
gekeerd, en van wat hij toen aanbeval, mag nu met gerust-
heid gezegd worden, wacht u voor overdrijving.
Evenals de boog springt, als deze te sterk gespannen is,
evenzeer kan men zich maar tot eene zekere hoogte inspan-
nen; doch overschrijdt men zijne krachten, dan blijven de
treurige gevolgen niet uit, doch komen voor rekening van
hem, die dit deed.
Het ligt dus in onze eigen macht, om dit leed te voorkomen.
De kelk der vreugde mag niet tot den bodem toe geledigd
worden.
Het is een wijze raad, om een rijtoer of iets dergelijks te
eindigen, vóór dat het genoegen op is. „Er moet nog wat
te wenschen overblijven," werd mij eens door iemand gezegd.
Wat voor den eenen mensch geoorloofd is, is het daarom
nog niet altijd voor den anderen.
Hij, die het verdiende geld niet geheel noodig heeft tot
zijn onderhoud, mag onbetaalden arbeid met evenveel toewij-
ding verrichten als dien, waarvoor hij loon ontvangt, terwijl
-ocr page 25-
23
een ander, die het voor zich zelf of zijn gezin noodig heeft,
zich die weelde niet mag veroorlooven.
Omdat dit nu wel niet op zijnen weg ligt, behoeft de werk-
man, die zich dag in, dag uit voor zich en de zijnen inspant
daarom nog niet te denken, dat hij alleen tot dien werktuig-
lijken arbeid geroepen is. De opvoeding van zijn kroost
eischt evenzeer zijne zorgen en zijn goed voorbeeld kan op
zijne omgeving machtig werken.
Buiten andere plichten, heeft zijn lichaam ook behoefte aan
ontspanning. De Zondag is daar, om deze te schenken, zijnde
een zevende van zijn geheele leven.
Dan mag hij zich eens geheel aan de zijnen wijden en
zijnen geest eens verfrisschen door eene wandeling, eene
preek te hooren, of een goed boek te lezen.
Moet hij in de week zijn tijd besteden om geld te ver-
dienen, Zondags mag hij anderen ook eens kosteloos helpen.
Uit dit oogpunt beschouwd, wordt dan geld verdienen door
dagelijksch werk, ofschoon de eerste, slechts ééne der veelvul-
dige plichten, die op hem rusten.
Het is te verwachten dat er, na hetgeen voorafging, de
tegenwerping wel eens zal volgen: is plichtsbetrachting wel
zoo geheel van onzen wil afhankelijk?
In zekeren zin is deze bewering gegrond, want het ligt
niet in onze macht om de omstandigheden, noch de om-
geving, geheel naar onzen wensch te regelen, maar het is
óók waar, dat men met ernstigen wil en volharding zaken
kan doen tot stand komen, die bij eene oppervlakkige beschou-
wing, aan anderen onuitvoerbaar voorkwamen.
-ocr page 26-
24
Inspanning en spaarzaamheid, hebben menigeen in slaat
gesteld, om aan al zijne geldelijke verplichtingen te voldoen,
hoewel onvoorziene omstandigheden zijn inkomen plotseling
hadden verminderd.
Orde en overleg maakten het aan huisvaders mogelijk, om
de plichten jegens hun gezin te vervullen, in weerwil van
een lastig en tijdroovend ambt.
Bij strijd van plichten moeten de omstandigheden den weg
wijzen.
Doen zich hinderpalen voor, die het ons onmogelijk maken
om te verrichten, wat wij meenden dat plicht was, dan volgt
daaruit als van zelf, dat wij van de éérste ontslagen zijn
en tot het waarnemen van andere geroepen worden.
De doctor, die ziek te bed ligt, kan zijne patiënten niet
bezoeken, daarentegen is hij nu in de gelegenheid om zich
te oefenen in geduld, zachtmoedigheid en tevredenheid.
Wil men zijn aanzijn nuttig besteden, dan kan men in het
dagelijksche leven hiertoe ieder oogenblik gelegenheid vinden,
en door deze met open hand aan te grijpen, mist men den
tijd om te zuchten en te klagen, waarmede een ander zijn
leven vergalt, die een doelloos bestaan leidt.
Bemerken wij tot onze teleurstelling dat wij buiten ons
willen en weten, helaas weder in onze lievelingszonde ver-
vallen, laat ons dan vooral eerlijk met ons zelven omgaan en
het kwaad flink onder de oogen zien; elke andere uitvlucht
brengt ons geene schrede verder.
Door te weten, waar het ons aan hapert, kunnen wij er
ons echter in het vervolg voor wachten.
-ocr page 27-
25
De herinnering aan verzuimde plichten werpt eene donkere
schaduw op onze levensvreugde, en kweek* onvergenoegd-
heid, die dadelijk wijkt, zoodra het geweten op dat punt is
wakker geschud en wij aanvangen om terstond, al is het
ook wat laat, nog nauwgezet en ijverig te doen wat wij voor
plicht houden.
De bewustheid, eene verkeerde neiging te hebhen gesmoord,
en het daarmede gepaard gaande gevoel van kracht, ver-
schaft spoedig een duurzamer en reiner genot, dan het toe-
geven aan eene aardsche begeerte in staat is te schenken.
Een iegelijk zal de waarheid van deze bewering, bij de
onschuldigste zaken in het dagelijksch leven, wel eens bevestigd
hebben gezien.
Het is een heerlijk gevoel, als wij bemerken, dat wij in
kennis toenemen.
»Wat gij nu beweert (hoor ik al iemand mompelen) dat
méér te weten dan vroeger, geluk zou aanbrengen, is eene
groote dwaling". Die dwaling, mijn vriend, is zoo groot niet
als zij wel oppervlakkig schijnt, want het komt er maar op
aan, welke kennis ik op het oog heb.
Een predikant, wiens stokpaardje het bestudeeren van doode
talen is, en die op dit punt een groote geleerde werd, zal
zich daardoor nog niet altijd zoo gelukkig gevoelen als zijn
ambtsbroeder, die zijn tijd zooveel nuttiger besteedde met
op de hoogte te komen van de belangen zijner gemeente, welke
hij dan ook als herder trouw behartigde.
Om nu te weten, welke kundigheden den mensch het
-ocr page 28-
26
meest te pas komen, behoeven wij ons maar de vraag- voor
te leggen: wie ben ik?
Het antwoord daarop luidt natuurlijk: Ik ben een mensch,
samengesteld uit lichaam en geest.
De meesten onzer zullen wel weten, wat goed of kwaad
is voor hun lichamelijk welzijn, en die daarnaar handelt,
doet als een verstandig mensch.
Grenst het niet aan krankzinnigheid, om bij de wetenschap,
dat iets schadelijk voor de gezondheid is, er zijn toekomst
roekeloos aan te wagen, wetende dat hij onder de droevige
gevolgen zal moeten lijden?
Het beste deel, de geest, dit weet een ieder, moet geoefend
worden in wilskracht, op den weg van zelfverloochening
verkregen; in geduld, zachtmoedigheid, waarheidszin, reinheid,
ootmoed, orde, eenvoud en matigheid,
Wanneer wij in dit alles trachten vooruit te gaan, zullen
wij ervaren hoe het verstand en de geestkracht stijgen.
In den omgang met onze medemenschen, verschaft de
overtuiging van den goeden weg te bewandelen, door maar
stil onze roeping te volgen, eene zelfstandigheid, die geen
geld, noch stand, noch wal ter wereld ook, in staat is ons
te schenken.
De jeugd is de aangewezen tijd om alles te leeren. Aan
de ouders werd deze taak ter behartiging opgedragen.
Als de jaren aanbreken, dat zij aan de ouderlijke zorg
ontwassen zijn, en zich een werkkring gekozen hebben,
dan is het voor hun volgend leven van het grootste belang,
-ocr page 29-
27
dat zij den arbeid, die op hen rust, grondig verstaan,
opdat zij aan hun werk de grootst mogelijke volkomenheid
kunnen schenken, en eindelijk een meester in hun vak worden.
Wij zijn niet alleen menschen, maar wij moeten ook met
onze medemenschen kunnen omgaan.
De een heeft van nature tact, de ander kreeg dien in
den omgang met zijne huisgenooten.
Het spreekt van zelf dat hij, die het hierin het verst
gebracht heeft, ook het best met menschen weet om te gaan.
Die deze gave niet bezit, moet ze trachten te verkrijgen,
door maar véél de belangen van anderen zich voor oogen te
stellen en niet enkel te denken om eigen voordeel.
Tot den omgang met anderen is het ook hoog noodig, dat men
steeds tracht billijk te zijn en anderen een goed hart toe te dragen.
Al deze hoedanigheden moeten medewerken om den om-
gang met menschen gemakkelijk en aangenaam te maken.
Natuurlijk had ieder in het leven een tijdperk, waarin hij
alles onvoorwaardelijk aannam wat men hem leerde.
Langzamerhand ontwaakt het eigen bewustzijn, en begint
men te denken, te wikken en te wegen, en het gevolg daar-
van is dat men aan véél begint te twijfelen, wat men vroeger
voor goede munt opnam.
Om zich een juister en ruimer blik op het leven en de
menschen te verwerven, is het van het grootste belang, om
zonder noodzaak, niet aan zich zelve te denken, want de
zelfzucht doet onmerkbaar een scheef oordeel vellen, dewijl
alles daardoor maar van ééne zijde wordt bezien.
-ocr page 30-
28
Slechts uiterst langzaam vorderen wij er in, om ons een
zelfstandig oordeel te verschaffen, zoowel in geloofszaken, als
in onze opvatting van goed en kwaad, èn ook in dat over
menschen en toestanden.
Daarom raadt Salzmann aan, om intusschen maar vast te
houden aan datgene, wat ons het waarschijnlijkste voorkomt,
maar bij voorbaat er op rekenende, dat dwaling mogelijk zij.
Door dezen raad op te volgen, zullen wij rust voor ons
hart krijgen. De onzekerheid van vele vraagstukken, welke ons
vroeger slingerde, zal dan onze kalmte niet meer kunnen
rooven, want terecht zullen wij langzamerhand gaan inzien,
dat die het gevolg is van de beperktheid onzer zintuigen.
Bestaat er reden, om over de oogen te klagen als wij er
niet mede kunnen zien, wat op de maan voorvalt?
Niemand weet, wat hem op den levensweg wacht, maar
het zij geraden om daarop voorzichtig te wandelen, want
anders dreigt het gevaar dat een groot deel van deszelfs
doel voor ons verloren zal gaan.
Zou de ontwikkeling van het zieleleven, niet de Hoogere
bestemming van den mensch uitmaken?
Om dit doel te bereiken, is het raadzaam om hierin
niet alleen op eigen oordeel af te gaan, maar ook dat van
anderen in te winnen, beiden aan het verstand te toetsen,
en daarna het goede er van ons toe te eigenen.
Daarbij is de tijd kostbaar, dewijl die maar eens te gebrui-
ken is. Besteedt men nu de meeste uren aan datgeen wat
-ocr page 31-
\'29
met den smaak strookt, en is deze in strijd met hetgeen goed
en nuttig is, dan rest er geen tijd meer voor het allernoo-
digste, dat in de eerste plaats in staat is om tot ons geluk
mede te werken, door de kwelling te voorkomen die dit ver-
zuim na zich kon sleepen. Later kan dit toch tot een
kwelgeest worden.
Neemt men nu aan, dat ijverige nuttige werkzaamheid het
levensgeluk verhoogt, dan zal hiertegen ingehracht kunnen
worden, dat het dan wel te betreuren is, dat deze in den
ouderdom eer af dan toeneemt, en dat dit geluk dus met
de jaren verdwijnt.
Heeft iemand echter in den bloei des levens zijn zaak
trouw behartigd, dan zal hij ervaren, dat ook voor hem zelven
de goede gevolgen blijven bestaan, niettegenstaande hij door
den last der jaren verhinderd wordt om te arbeiden.
Willen wij ons echter in den ouderdom verheugen over
de gevolgen onzer daden, dan moet er ook in jonger jaren
wat goeds van ons zijn uitgegaan. Wie, na een weggedroomd
leven een opgewekten ouden dag verwacht, handelt even
dwaas als de landman, die hoopt op een rijken oogst van een
akker, dien hij onbeploegd en onbezaaid liet liggen.
De ondervinding leert, dat het geluk minder afhangt van
de uitgebreidheid van den werkkring, dan wel daarvan, dat
deze goed was. Onmogelijk zelfs kan men het zich voor-
stellen, dat men zich niet innig gelukkig zou gevoelen, na
het voltooien van een moeilijk en soms verdrietig werk.
-ocr page 32-
30
Ieder mensch heeft zijn oordeel, maar dat is niet bij allen
even juist!
De bron van dit gebrek ligt gedeeltelijk in eigenliefde,
want zooals gezegd werd, beziet deze de zaak slechts van
êêne zijde. Eene andere oorzaak daarvan is de gewoonte van
de meeste menschen om zich zonder nadenken maar te scha-
ren bij het oppervlakkig gevoelen van het algemeen. Men-
schen die zelfstandig denken en spreken, zijn dunner gezaaid
dan zij, die met de groote menigte Hosanna of Kruist hem roepen.
Een kind zal dikwijls over menschen en zaken een juister
oordeel vellen, dan menig volwassene, die met vooroordeelen
behebt is.
Dewijl ieder gaarne gelijk wil hebben, behoort er eenige
moed toe om op te komen tegen een aangenomen begrip.-
Heeft men het echter zóó ver gebracht, dat men goed, goed
en kwaad, kwaad durft noemen, trots de bewering van ande-
ren, dan verwerft men zich duurzaam een juister blik, en
het gevolg daarvan zal wezen, dat men er toe komt om
lieden met geduld en liefde te verdragen en zelfs hoog te
achten, die men vroeger geneigd was te verfoeien, dewijl zij
andere godsdienstige begrippen aankleefden, als die wij voor
de ware hielden.
Naarmate, dat ons gemoed op dit punt fijner besnaard is,
des te meer veihoogen wij onze levensvreugde, want het is
een groot genot te bemerken, dat wij zelfstandig gaan oor-
deelen.
-ocr page 33-
TWEEDE HOOFDSTUK.
Tot hiertoe was alles, wat er in dit boekje voorkwam, van
practischen aard, en dus pasklaar voor het leven.
"Wat nu volgt, kan daarop minder bogen, want de onder-
werpen daarin behandeld, brengen als van zelve vraagstukken te
berde, die nog nooit door iemand ter wereld met juistheid
werden beantwoord.
Hij, die vreemde oorden gaat bezoeken, voorziet zich bijtijds
van een goeden reiswijzer.
In de plaats van zijne bestemming aangekomen, neemt bij
bovendien ter besparing van moeite, tijd en geld, nog een
gids, die bekend zijnde met de landstreek, in staat is, om
hem den naasten, veiligsten en aangenaamsten weg te wijzen.
Op het ons onbekend gebied van het geestelijk leven, dat
wij nu naderen, zullen wij ook wel behoefte gevoelen, zij het
al niet aan een gids, dan toch wel aan een kompas, willen
wij den koers niet missen in de onzekere wateren van vraag-
stukken, die ons ten slotte op de eene of andere klip zouden
doen stranden, en die dus dreigen om ons geluk voor altijd
te verwoesten.
-ocr page 34-
32
Het geestelijk leven toch heeft de Allerhoogste met wijze
en liefdevolle bedoelingen voor ons verborgen gehouden.
Ware het mogelijk, om bovenzinlijke vraagstukken op te
lossen, dan zou het ons noch beter noch gelukkiger maken,
volgens het oordeel van hem, die meent dat zijn lot in de
beste handen berust.
Nu de oplossing er van tot de onmogelijkheden behoort,
dewijl zij den schijn hebben, om in tegenspraak met zich
zelf te wezen, zou het streven daarnaar dan niet aan
waanzin grenzen\'? Die met het hoofd door den muur wil gaan,
kan hetzelve wel verpletteren, maar het onmogelijke blijft
toch onbereikbaar.
Wat wij duidelijk met onze zintuigen waarnemen, begrijpen
wij nog niet eens ten volle. Wij eten en drinken, maar is
het dan toch nog geen raadsel, dat zonder ons toedoen, dit
voedsel in ons binnenste bereid wordt, en strekken moet
tot instandhouding van ons bestaan en tot groei en bloei
van het lichaam?
Omdat wij elk jaar de natuur in voorjaarsdosch zien ge-
huld, vragen wij niet meer hoe dit mogelijk zij, maar toch
is het een groot wonder, door geen menschenkind op te lossen,
dat die fijne, zachte, opgerolde en opgevouwen blaadjes in
staat zijn, om de harde schors te doen berslen. Al spreken
wij met den Franschman van pousser, toch blijft het even
onverklaarbaar.
-ocr page 35-
33
Nemen wij nu onzen ouden, trouwen Bijbel ter hand, om
in dezen voor kompas dienst te doen, dan wijst hij ons
op de woorden Deut. XXIX : 29: De verborgen dingen zijn
voor den Heer onzen God, en de geopenbaarde voor ons en
onze kinderen, daar Jezus zelf gezegd heeft dat er dingen
zijn, waarvan niemand weet dan de Vader alleen. Hiervan
getuigt ook zijn antwoord op de vraag van Pilatus: Weet
gij niet, dat ik macht heb enz. Joh. XIX : 10—11., met de
woorden : Gij zoudt geene macht over mij hebben, als u die
niet van Boven gegeven ware.
Zou het voor ons beperkt verstand niet geraden zijn, om
ons aansluitende aan Jezus opvatting van bovenzinlijke vraag-
stukken, deze eenvoudig te laten rusten, en ze op zijne wijze
te behandelen?
De spitsvoudige strikvraag van de Farizeen Luc. XX : 21—2.
beantwoordde hij, door te zeggen : Geef den keizer, wat des
keizers en Gode, wat Gods is. En die van de Sadduzeën
Luc. XX : 28—37 met het eenvoudige antwoord, dat er in
den Hemel geene huwelijken gesloten worden.
Deze zijne antwoorden sluiten volkomen op zijn zeggen
Matth. XVIII : 3 : Indien gij niet geheel anders wordt en
den kinderen gelijk, kunt gij in het Koninkrijk der Hemelen
geenszins ingaan.
Om goed begrepen te worden, kleedde hij zijne voorstel-
lingen van het onzienlijke in beelden, aan het dagelijksch
-ocr page 36-
34
leven ontleend, geheel in den trant der Oosterlingen. De ver-
loren zoon, het zuurdeeg, het mosterdzaad.
Door Jezus voorbeeld in dezen te volgen, behoeven wij toch
wel geen oogenblik te twijfelen, of wij wel den goeden koers
houden.
Na deze korte inleiding komen wij op ons IIde Hoofdstuk
terug, en meen ik niet te vermetel te spreken, door in
Salzmann\'s naam te beweren, dat de wereld er in ons oog
veel bekoorlijker zou gaan uitzien, als ieder de menschen
in zijne omgeving ging beschouwen, als door het Opperwezen
gezonden zijnde.
Vrij mogen wij ons op dit gebied begeven, want er kan
volstrekt geen sprake wezen, om geheimzinnige vraagstukken
op te lossen, maar wel daarvan, of Salzmann\'s opvatting in
staat zou zijn, om ons beter en gelukkiger te maken.
Zijn gevoelen daaromtrent, gaan wij nu in korte woorden
mededeelen. Wij worden omringd door onze natuurge-
nooten. De een doet ons genoegen, de ander schept be-
hagen in ons leed, maar allen doen wij rechtstreeks ofzijde-
lings iets voor elkander.
About herinnert dit in zijn A. B. C. du travaüleür, eenige
jaren geleden verschenen, en Salzmann leefde ook onder
die indruk, dat wij ons leven lang véél aan de hulp van
menschen te danken hebben.
-ocr page 37-
35
Ontelbaar is het aantal dergenen, die zich moeten inspannen,
om ons de geriefelijkheden te verschaffen, die kleur en geur
aan ons leven bijzetten.
Het is waar dat de aarde, de planten en de dieren aanwezig
waren tot het leveren der grondstoffen, maar het is ook
even waar, dat wij aan dit alles weinig zouden hebben,
als niet menschenhanden het bruikbaar voor ons hadden
gemaakt.
Wij zijn echter zóó gewoon geraakt aan deze onafgebrokene
hulp, dat wij die maar heel zelden meer waardeeren. Dit
is toch wel jammer, want er ligt een groote zegen in ver-
borgen om deze in dankbare herinnering te houden, vooral
wanneer wij God gaan danken voor de hulp, ons door
menschen gezonden
Na dit alles opgesomd te hebben, voegt hij er bij: als
iemand u eens vertelde, dat een engel hem had gewekt, het
ontbijt had klaargezet, een andere engel de brandstoffen had
gebracht en gezorgd had, dat bij zijne komst de kachel
rustig brandde. Wanneer hij nu zoo voortging om de hulp
die menschen hem hadden bewezen, aan engelen toe te
schrijven, zou het dan niet den schijn krijgen, of zoo iemand
op een andere planeet ware aangeland\'?
Door de maatschappij te beschouwen als eene verzameling
van Geesten, door God gezonden, worden wij herinnerd aan
onze verwantschap met eene hoogere wereld.
-ocr page 38-
36
Den goeden raad, ons door menschen gegeven, nemen wij
dan dankbaar aan en den kwaden, door het geweten afgekeurd,
beschouwen wij als een middel in Gods hand om ons in
wilskracht en zelfverloochening te oefenen, want zelve hebben
wij de overtuiging, dat het goede moet gedaan, en het kwade
moet gelaten worden. Het tevreden zijn is geene kunst,
als alles naar onzen zin gaat en niemand ons iets in den
weg legt.
Daar ontevredenheid, haat en twist het leven verbitteren,
is deze levensbeschouwing ook geschikt om ons leed en
ergernis te besparen.
Wil het kind in later jaren waardig zijne plaats in de
maatschappij bekleeden, dan moet het van de jeugd af véél
leeren, en de lessen worden hoe langer hoe moeilijker.
Zou dit met de levenslessen niet evenzeer het geval wezen ?
Klaagt de ijverige leerling niet dat hij zwaar moet
werken, maar verheugt hij er zich integendeel over dat hij
een hooger standpunt bereikt heeft, evenzeer moeten ook wij
bij het ontmoeten van moeilijkheden op ons levenspad, ze
dankbaar aannemen en er niet over klagen, want later zullen
wij de vruchten oogsten die zij afwerpen
Beproef het zelf maar eens en ge zult bemerken dat, wat
hij er van zegt, altijd door de ondervinding wordt bevestigd.
De opwekking daartoe kan veredelend op ons werken,
want met dit denkbeeld vervuld, zal men wel wachten om
willens en wetens de rol van duivel op zich te nemen.
Ieder mensch meent zijn eigen oordeel te volgen, maar
-ocr page 39-
37
zonder er zelf van bewust te zijn, strekt een ieder te gelijk
tot nut van het algemeen.
Zegt Salzmann, dat hij de menschen als engelen wil be-
schouwd zien, door God gezonden, dan sluit dit volgens hem
volstrekt nog niet in, dat zij daarom volmaakt zouden wezen,
maar alleen dit, dat zij tot ons nut werden gezonden.
Evenzeer waarschuwt hij ook tegen het maken van te
groote illusien van de menschen, want daardoor vindt men
zich later meestal bedrogen.
Door aan te nemen dat de menschen middelen in Gods
hand zijn, ter bereiking van Zijne hooge doeleinden, ontwikkelen
zich vraagstukken, waarop wij slechts ten deele, ofgehéél, het
antwoord moeten schuldig blijven.
Ten eerste. Zou de moedwillige moordenaar daarin dan ook
geen vrijbrief gaan zoeken voor zijne euveldaad, en zou dit
dan geene gevaarlijke stelling wezen?
Het geweten is echter nog daar, en hoe verstompt dit ook
bij menig zondaar moge wezen, hij vindt toch geen rust, en
in nacht en eenzaamheid spreekt het een veroordeelend vonnis
over hem uit, terwijl iemand, die bij ongeluk een of ander
kwaad berokkende, zich van den toeleg zou kunnen kwijten,
al blijft de daad zelve de vreugde zijns levens vergallen.
Ten tweede. Bestaat er dan geen zedelijke vrijheid meer?
Gelukkig weerspreekt ons geweten ook deze stelling, want
wij gevoelen het, dat we kunnen kiezen tusschen goed en
kwaad, terwijl een bloot werktuig geen keus kan doen.
-ocr page 40-
38
Kan het geweten in heide gevallen nog- eenig licht ver-
spreiden, dit laat ons in een stikdonkeren nacht waar sprake
is van menschen, die er op uit zijn om niet alleen lichamelijk,
maar ook zedelijk anderen te schaden.
Het spreekt van zelf, dat niemand onzer in staat zou wezen
Gods bestuur geheel te rijmen met de menschelijke vrijheid.
Vroeger bespraken wij reeds, dat wij nog niet eens altijd
doorgronden kunnen wat wij zien en hooren.
Was het ons volgens Dr. E. Laurillard gegeven, om één
viooltje geheel te begrijpen, van waar het deszelfs kleur en
geur ontleende, dan was er reeds veel voor ons opgeklaard.
Al is het de grootste geleerde, toch wandelt hij nog immer
in raadselen.
Voor kortzichtige menschen van een vluchtig bestaan is
natuurlijk het Ontwerp bedekt, door het Opperwezen geregeld
om het Heelal te besturen.
Iedere poging om het niet geopenbaarde te ontsluieren,
blijft dus van zelf vruchteloos en schenkt niets dan onrust,
want ons aardsche bestaan heeft grenslijnen, die wij niet
vermogen te overschrijden. Een dier grenslijnen belet ons
bijv. om te zien, wat ons wacht aan gene zijde van het graf.
Een blik op deze en andere vraagstukken doet ons ge-
voelen, dat wij de grens naderen waar het zéker weten op-
houdt en het geloof moet aanvangen, en met den dichter
Nicolaas Beets zeggen wij:
-ocr page 41-
39
Met begrijpen kan \'t niet gaan
Neem het onbegrepen aan!
Een ieder weet, dat de zonde zich in twee gestalten voordoet.
De eene is bekoorlijk en sleept dus mede, maar is tevens het
krachtigste middel tot onze vorming, dewijl de grootste inspan-
ning vereischt wordt om dezelve onverschillig voorbij te gaan.
Het tweede beeld is van hem die het merkteeken der
zonde draagt, of van hem die onder de gevolgen er van
gebukt gaat. Deze beide laatsten zijn dus geschikt om te
waarschuwen: Laat af van het kwade, en doe het goede.
De vroegere voorstelling van Satan, met hoornen en bokken-
pooten, was niet in staat om schrik voor de zonde in te boezemen,
maar wel is dit het geval bij het zien van hare wrange vruchten.
De mensch die duurzaam het goede wil, is meestal blind
voor zijne eigen gebreken. Het wakker schudden van het
geweten is alleen in staat om de oogen zijner ziel er voor
te openen. Er is verscheidenheid van menschelijke karakters,
even zoo goed als er verschil van planten bestaat.
Zouden echter allen, zoo goede als kwade, niet evenzeer hun
nut hebben voor het groote geheel?
De distel moet er zijn evenals de tarwe, de dwaas even
goed als de verstandige; wat nu in ons oog nog vergif is,
kan later blijken een heilzaam geneesmiddel te wezen.
Daar het verkeerde evenzeer zijn nut kan hebben als het
goede, moeten wij maar het voorbeeld van den landman
volgen, die op den duur zich inspant om zijnen akker van
onkruid te zuiveren.
-ocr page 42-
■40
Door bestendig het eene kwade na het andere uit het
hart te verwijderen, zullen de goed gezinden onzer hun leven
toch niet nutteloos besteed hebben. Ook mag daarbij Kaïns
woord: Ben ik mijn broeders hoeder? niet op hunne lippen
komen.
Beschouwen wij nu de maatschappij uit zulk een oogpunt,
dan zullen ons de dwalingen en boosheden der menschen
minder deren, ja dan zal de verscheidenheid hunner gaven ons
zelfs gaan aantrekken, evenzeer als het verschil van bloemen en
gewassen dit den botanicus doet. Ook al blijven wij het
kwade afkeuren, niet alleen in ons zelve, maar ook in anderen,
toch zal het ons oordeel over den persoon die het deed, verzachten.
Juist door deze levensbeschouwing zal men zich hoe langer
hoe meer gedrongen gevoelen om zich zelf voortdurend van
smetten te reinigen, en ten behoeve van anderen goed en
kwaad bij hun waren naam te noemen, dewijl de omstan-
digheden ons onbekend zijn.
Na dit een en ander betoogd te hebben, meen ik dit hoofd-
stuk gerust te kunnen besluiten met het woord van Jezus,
waarmede wij het aanvingen: Gij zoudt geene macht over
mij hebben, als u die niet van Boven gegeven ware; en met
de woorden van den Psalmist Psalm CXXVII:I: Zoo De
Heer
het huis niet bouwt, vergeefs is het, dat de bouwlieden
arbeiden; zoo De Heer de stad niet bewaakt, te vergeefs
waken de wachters.
-ocr page 43-
DERDE HOOFDSTUK.
In den Bijbel lezen wij, dat het Opperwezen in de oudheid
met de menschen sprak.
Hoe dit geschiedde, weten wij niet, maar zeker is het, dat
de gedachten der schrijvers van zulke verhevene gevoelens
doortrokken waren, dat er alle reden bestaat, om aan een
hoogeren invloed te denken.
Dit alles met juistheid te weten en dit alles te kunnen be-
grijpen zou, indien dit mogelijk ware, toch niet in staat zijn
om ons geluk te verhoogen.
Iets anders is het, om ons te spiegelen aan hun voorbeeld,
bijv. aan dat van Henoch, van wien geschreven staat Gen. IV :
22—24 dat hij met God wandelde; van Noach, die op welke
wijze dan ook, geheel werd ingelicht hoe hij zijne arke moest
bouwen en inrichten; van Salomo, die om wijsheid vroeg en
deze op zijne bede verkreeg, en van Hiskia. Ook Jezus
zeide:
Bidt en u zal gegeven worden, zoekt, en gij zult vinden,
klopt en u zal opengedaan worden.
-ocr page 44-
42
Ieder mensch, die met de gedachte aan het Opperwezen
vervuld is, zal wel in meerdere of mindere mate, de moge-
lijkheid van deze ervaringen kunnen bevestigen.
Van Henoch staan slechts enkele woorden geboekt, maar
dit weinige behelst toch de geschiedenis van een hoogst ge-
lukkig leven en van een zalig einde, zooals een ieder onzer
dit voor zich zelf zoude begeeren!
Waren nu alle menschen met denzelfden geest bezield, dan
zou er in dezen weinig meer te zeggen vallen, maar er zijn
er helaas, niet weinigen, die de Godheid vergeten, en zich ein-
delijk zóó in het stoffelijke verliezen, dat zij zelfs aan Zijn
bestaan gaan twijfelen.
Deze laatsten zien echter voorbij, dat er niets is of er moet
eene oorzaak voor bestaan, en dat in weerwil der ontwikkeling
van alle wetenschappen, deze grond, waarop alles steunt, nog
immer te vergeefs wordt gezocht!
Bij eenig nadenken behoeven wij gelukkig toch nog geen
oogenblik te twijfelen aan het bestaan van het Opperwezen.
Overal ontdekken wij de schoonste harmonie, en bemerken
wij, hoe alles naar vaste wetten is geregeld, als ware het
geheel een ingewikkeld kunststuk, een uurwerk, dat wij ons
zonder maker niet kunnen denken!
Geen sterveling kan met eenige zekerheid de vraag beant-
vvoorden, of God overal met Zijn Wezen tegenwoordig is, of
dat Hij alleen in Zijne Werken gevonden kan worden, maar
ieder godsdienstig gestemd gemoed gevoelt, dat het Opperwe-
-ocr page 45-
43
zen op hem persoonlijk werkt, al kan hij de wijze, hoe dit
geschiedt niet doorgronden, noch omschrijven.
Sommige wijsgeeren beweren, dat God zich wel met het
geheele, maar niet met de onderdeelen zou inlaten.
Troosteloozer leer kan er niet bestaan voor het nietige,
onrustige menschenhart, dat behoefte gevoelt aan hel woord
van Jezus, dat er geen muschje op aarde valt zonder Gods
wil.
Wordt door voornoemde bewering het Evangelie, de blijde
boodschap, niet geheel weggeredeneerd en dus van nul en
geener waarde verklaard\'?
Dit toch leert ons, dat de Allerhoogste ons aller Vader is,
dat wij derhalve Zijne kinderen zijn, die Hij liet heeft en dal
Almacht, Wijsheid en Liefde Zijn Wezen zijn. Dat Hij ieder
mensch persoonlijk kent en gadeslaat, en tegelijk voor het
geluk van anderen zorg draagt.
Hoe dit mogelijk zij, al weder stuiten wij op de beperkt-
heid onzer zintuigen, die ons beletten oin hierin verder door
te dringen, dewijl, zooals wij dit vroeger reeds bespraken, de
mensch het orgaan mist, om het onzichtbare waar te nemen.
Hij dus, die geene rust heeft vóór dat hij alle raadselen dien-
aangaande kan oplossen, zal met al zijn nadenken bedrogen
uitkomen. Telkens zal hij bij vernieuwing stuiten op geslo-
ten deuren en het is een zegen voor hem, dat deze bestaan.
Welke mensch toch vermag, zonder gevaar voor verstand
»
-ocr page 46-
u
en hart, dit Heiige der Heiligen te betreden, en hem die het
waagt, om slechts eene slip van het voorhangsel aan te raken,
wacht op den drempel er van, naast wrevel, morrend bedil
en twijfel, wanhoop en waanzin.
In iedere menschenziel sluimert, bewust of onbewust, ver-
wantschap met het Hoogste Wezen.
Die kiem door een godsdienstig bestaan te ontwikkelen,
is de sleutel tot den toegang van het grootste geluk, dat hier
reeds den nietigen sterveling beidt.
Men behoeft nog geen booswicht te wezen, om zich van
dit voorrecht verstoken te zien, want dit is uit den aard der
zaak evenzeer het geval met hem, wiens hoofd ledig is of
gevuld met daarmede strijdige denkbeelden, bijv. van hem,
die alleen om zichzelven denkt, om de zijnen en het zijne,
even zoo goed als met den materialist, bij wien het zinnelijke
leven de geheele ziel inneemt. Daar het ééne is, kan het
andere niet gevonden worden.
In het stoffelijke is het onbestaanbaar, maar ook in dezen
evenzeer, want het streven naar het ideale, de eenige keten,
die ons naast het godsdienstig denken, aan het onzienlijke, en
den Onzienlijke verbindt, wordt bij die allen te vergeefs gezocht.
Om dit goede deel het onze te mogen noemen, is het nog
niet genoeg dat wij om het Opperwezen denken, en van tijd
tot tijd bidden, neen, wij moeten nog een stap verder
gaan en bij alle wederwaardigheden, die ons en de onzen
treffen, kunnen instemmen met de woorden, aan Job op de
-ocr page 47-
45
lippen gelegd. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen,
de naam des Heeren zij geloofd!
Zoodra wij ons de gewoonte hebben eigen gemaakt, om
in vreugde en leed de hand van eene Weldoende Voorzienig-
heid
op te merken, krijgt alles een andere en hoogere
beteekenis in ons oog!
Menigeen leidt een droevig en zorg vol bestaan, maar als
men nu hiervan hen uitzondert, die dit aan eigen schuld te wijlen
hebben, dan zullen de overigen niet ontkennen, dat ook zij
nog van tijd tot tijd eens een lichtstraaltje op hun pad
ontmoeten.
Dit te waardeeren als eene gave van God, is het geheim
voor hen om naast goed gedrag, inspanning en het bezit van
veel toegenegen harten, duurzamen zonneschijn aan het leven
te schenken.
Bij de voorspoedigen in de wereld zal het van zelf ge-
makkelijker vallen, om de liefde van God te waardeeren,
want deze gevoelen dan sterker de behoefte, om het dank-
bare hart uit te storten, en dit zou niet mogelijk wezen,
als het gevoel van iets ontvangen te hebben, niet was voor-
afgegaan.
Véél zwaarder zal het hun vallen om dit op te merken,
als hevige stormen de levenszee beroeren en ziels- of lichaams-
lijden hen teisteren.
Voor den duurzamen vrede onzer harten is het echter
noodzakelijk, om ons ook dan nog te blijven vastklemmen
aan de Liefderijke Vaderhand, want juist in zulke dagen
-ocr page 48-
46
hebben wij dubbele behoefte aan dien steun, en aan het
bewustzijn, dat alles tot ons wezenlijk welzijn moet mede-
werken.
Gaan wij daaronder echter morren, dan gelijken wij op
kinderen die dadelijk de lip laten hangen, als vader of moeder
niet alles doen wat zij wenschen, dewijl zij dit in hun belang
beter oordeelen.
Wat zou het Koningrijk der Hemelen anders kunnen wezen,
dan hel hebben van vrede met Gods Bestuur!
Hij nu, die door de omstandigheden geleerd, zich dezen
vrede heeft verworven, mag dus wel als een gelukkig mensch
geprezen worden.
Zoowel de geschiedenis der volken als die van personen,
leert ons dagelijks, dat veelmalen geluk te danken is aan
voorafgaande rampen en smarten, en wie onbevooroordeeld
zijn eigen leven nagaat, zou al heel bekrompen meoten wezen
indien hij niet opmerkte, hoe hij zijne talenten, zijn karakter,
zijne geestkracht en de degelijkheid zijner kennis, méér aan
tegenspoed dan aan voorspoed te danken heeft.
Als wij nu, na deze kleine afwijking, nogmaals tot Henoch
terugkeeren, dan geloof ik gerust te mogen beweren, dat
hetzelfde, wat zijn leven tot een hoogst gelukkig bestaan
gestempeld heeft, ook de hoofdbron kan worden van ons
waar en duurzaam heil.
-ocr page 49-
47
Henocli wandelde met God, zoo lezen wij, dus met andere
woorden: hij gevoelde zich altijd, als levende in de Nabijheid
van het Hoogste Wezen.
Trots de wederleggingen in dezen te maken, is er toch
eene waarheid, die onbetwistbaar zeker en bewezen is, déze
namelijk: in hetzelfde oogenblik, waarin wij even als Henoch
dit grootste aller voorrechten smaken, gevoelen wij ons innig
gelukkig.
Het Opperwezen houdt nooit op, om Zijne Hooge tegen-
woordigheid
te doen gevoelen.
Indien ons geweten wordt wakker geschud, en daardoor de
slechte plek in ons karakter, ons recht duidelijk voor den
geest staat, zouden wij dat niet middellijk of onmiddellijk
aan Hem mogen toeschrijven, die door het kweeken van
ootmoed, ons vatbaar maakt om de belofte van Jezus vervuld
te zien: Die bidt, die ontvangt: die zoekt, die vindt, enz.
Luc. 11 : 9.
Want daardoor onze afhankelijkheid en zwakheid gevoelende,
sluiten wij de ooren voor het eigen oordeel, en grijpen wij
naar de Vaderhand, ten einde aan God den raad en steun
te vragen, die bij menschen niet te vinden zijn.
In de gevolgen onzer daden bespeuren wij ook Gods stem,
door de ervaring, hoe gehoorzaamheid aan den drang van
het goede, hare aangename gevolgen medebrengt, terwijl iedere
tegenkanting zichzelve straft.
Wordt het ons op deze wijze bekend wat wij doen moeten,
-ocr page 50-
48
evenzeer waarschuwt ons de gejaagdheid en onrust in ons
binnenste als wij iets moeten laten, dat verkeerd zou wezen.
Alles kan echter overdreven worden en zoo rijst de vraag
bij sommigen op, als het kwade ons aanlokt, moeten wij dan
daaraan ook gehoorzamen\'?
Jacobus komt tegen dit gevoelen op, waar hij schrijft,
Ja\'c. 1 : 13, 14. Niemand, als hij verzocht, wordt, zegge, ik
word van God verzocht, want God verzoekt niemand.
Al komen soms onwillekeurig zulke gedachten in ons
hootd, zij zijn Gode onwaardig, en mogen dus in onze ziel
geene blijvende plaats innemen.
Bij het naderen van de grens, waar het zeker weten op-
houdt en het geloof moet beginnen, behoort ook het. vraag-
sluk hoe het mogelijk zij, dat zondige gedachten, zelfs in
een waarlijk vroom gemoed, kunnen oprijzen!
Deze verborgen dingen zijn echter voor den Heer onzen
God, maar wij weten dat wij niet \'moeten luisteren naar iets,
waarvan wij overtuigd zijn dat het zonde is.
Het Opperwezen wordt altijd bereid gevonden om te raden,
te troosten en te steunen en ieder godsdienstig gestemd hart
zal zich hiervan wel een denkbeeld kunnen vormen.
-ocr page 51-
49
Hij, die in dezen onkundig is gebleven, mag dit gerust
aan zich zelf wijten, dewijl hij verzuimde om de gedachte
aan het Hoogste Wezen te kweeken en recht levendig te
houden.
De Bijbel verhaalt van menschen, die door den Geest van
God
tot groote werken aangespoord werden.
Zou ditzelfde, evenals in overoude dagen, ook nu nog niet
kunnen gezegd worden van hen, die zaken tot stand brachten,
welke zij in het volle vertrouwen op de hulp van den Almachtige
trots alle tegenkanting begonnen en voltooiden\'? Zij, die
voorgeven te gelooven in de Alwetendheid van het Opperwezen
en die toch niet vreezen, om werken te doen, die het daglicht
schuwen, toonen feitelijk, dat zij geene waarde hechten aan
dit geloof, anders zouden woorden en daden niet zoo in tegen-
spraak met elkander kunnen zijn.
Het is dan ook niet vreemd, dat voor deze lieden, de blik
op het leven hoe langer hoe somberder wordt.
Hoe meer wij de men:;chen als onze broeders en zusters
een goed hart toedragen, te meer kunnen wij ons voorstellen,
dat God de Hoogste Liefde is, want zooals wij zelf gezind
zijn, zoo vormen wij ons een beeld van de Goedheid.
Is het dan te verwonderen dat de Joden, die hunne vijanden
bij honderd duizenden versloegen, Hem met bloed en zoen-
offers dienden, terwijl Jezus, de zachtmoedige bij uitnemend-
heid, in het Opperwezen aanschouwde een Vader, die zelfs
het verst afgedwaalde kind niet verstoot.
-ocr page 52-
50
Naarmate wij vergeven, stellen wij ons dus voor, dat ook
onze schulden vergeven worden.
Kunnen wij het zóóver brengen, dat wij in tegenspoed
stil en tevreden blijven, doordien ons geloof krachtiger is
dan onze eigenliefde, dan zullen wij ervaren, welk vriende-
lijk licht dit op ons pad verspreidt. Ontevredenheid met het
beschoren deel is menigmaal de bron van veel zielelijden.
Dit te veranderen, ligt boven ons bereik. Wij kunnen
echter onzen toestand wel verbeteren, door onze ontevre-
denheid te beteugelen, en vertrouwend kalm en rustig te
blijven, als alles ons tegenloopt.
Het is geoorloofd om te doen, wat in ons vermogen is,
om ons levenslot minder drukkend te maken. Ontbreekt ons
echter daartoe de macht, dan moeten wij vrede hebben met
Gods Bestuur.
De mensch heeft behoefte om zijn hart voor God uit te
storten, maar toch mag dit nooit ontaarden in een zelfzuchtig
bidden, dat de Hoogste Wijsheid zoekt over te halen en te
bewegen om de bede te verhooren.
De één wil warmte hebben, de ander koude. De één regen,
de ander zonneschijn en droogte.
Er is b. v. eene betrekking vacant. Twintig vragen er
naar en bidden er om, doch slechts één kan maar de geluk-
kige wezen. Het natuurlijk gevolg daarvan is, dat de negen-
tien anderen teleurgesteld moeten worden.
-ocr page 53-
51
Alleen het gebed om wijsheid en kracht wordt verhoord I
Deze verhooring zal wel zamenhangen met de oprechtheid
onzer bede, en is deze goed gemeend, dan zal daarvoor ook
het woord van Jezus gelden : Bidt en u zal gegeven worden
Luc. XI : 9.
Zij echter, die zóó blind ingenomen zijn met hun eigen
oordeel, dat zij meenen de wijsheid alléén in pacht te hebben,
zullen echter deze woorden van Jezus voor onjuist uitkrijten,
dewijl zij alleen hun eigene stem hooren, en deze hun niets
kan mededeelen, wat zij niet reeds vooraf wisten.
Is het voor alle menschen een zegen, om van der jeugd
af geleerd te hebben, dat wat God doet wél gedaan is, dit
is het in dubbele mate voor de lijdenden onder hen, of die
missen, hetgeen een ander bezit.
Hun leven ontleent toch voor het grootste deel deszelfs
waarde aan dit geloof. Het verhoogt hunne vreugde. Het
verzoent hen met de wederwaardigheden, door blijmoedigheid
en tevredenheid te schenken in het heden, en rust en hoop
voor de toekomst!
-ocr page 54-
VIERDE HOOFDSTUK.
Het spreekt vanzelf, dat loutere natuurbeschouwing, ja
zelfs natuurkennis, met opsommin"; van namen en gelallen,
nog niet in staat is om invloed te kunnen hebben op ons
geluk.
Indien wij echter het Hoogste Wezen als onzen Vader lief
hebben, dan zullen wij niet vruchteloos den tempel der natuur
betreden, maar altijd in ons geloof versterkt, dien weder
verlaten ; want dan spreekt deze tot ons van Zijne Almacht
en Grootheid, ons geopenbaard zoowel in de niet uit te spreken
getallen en afstanden, als in de fijnheid, schoonheid en ver-
scheidenheid der vormen, in het kleine waar te nemen.
In welk helder licht vertoont zich de Wijsheid van het
Opperwezen indien wij bedenken dat er nooit eenige stoornis
of botsing ontstaat; dat zon en maan geregeld opkomen en
ondergaan en de sterren regelmatig haren weg volgen aan
het uitspansel.
Diezelfde Wijsheid vinden wij terug in een kringloop der
-ocr page 55-
53
natuur, waardoor de opgestegen dampen wolken vormen, en
door eene weldadige dauw of regenbui, het land drenken en
vruchtbaar maken.
Menschen, dieren en planten sterven en vergaan, en strekken
daarna tot voedsel voor de volgende gewassen en deze
laatste weder tot het onderhoud van menseh en dier.
Diezelfde Wijsheid vinden wij terug in de moederliefde in
de natuur, het gevolg van het instinkt der dieren.
De Liefde van hel Opperwezen kunnen wij voelen en tasten
in het licht der zon en in de warmte die van haar afstraalt,
die ons koestert en alles laat rijpen, en ons het genot schenkt
van bloem en vrucht. Het kleine ei van de visch verkondigt
ons dezelfde Wijsheid en Zorgende Liefde, want daarin ligt
reeds verborgen wat het diertje noodig heeft om te kunnen
zwemmen. De vlerk van een vogel doet ons in bewondering
stilstaan; want reeds bij het verlaten van het ei, was alles
ingericht om te kunnen vliegen; luchtledige pennen en vet
op de vleugels, zoodat de regen er afloopt. Buitendien
groeiden er dons en veertjes op den binnenkant der wieken,
waardoor deze het vogeltje niet konden kwetsen.
Bij zooveel dat ons het hart verkwikt, en ons roept tot
aanbidding van zulk eene oneindige Grootheid, klinkt daarnevens
de stem in ons binnenste, die getuigenis geeft van de Alwetenheid
van diezelfde Macht.
Heb geene zorg, arm zwak menschenkind voor de toekomst,
maar geef met gerustheid uw eigen lot en leven en dat der
uwen aan Hem over, van Wien gij bij ervaring weet, dat Hij
-ocr page 56-
54
het leed dat u drukt, zal verzachten en wegnemen, zoodra
Zijne weldadige doeleinden er mede bereikt worden.
Aardbevingen, orkanen, watervloeden en de dood, die hoog
en laag geplaatsten, rijken en armen velt, en die zijne
offers kiest onder jongen en Ouden, schenken een diepen
indruk van de Onbegrensde Macht van het Opperivezen, maar
hoe verpletterend deze eersten ook mogen wezen, wij kunnen
gerust en onbevreesd zijn, want door Jezus weten wij, hoe
alles tot ons waarachtig heil moet medewerken!
Zou nu zulk eene natuurbeschouwing niet in staat wezen
om het verslagen hart kracht en moed te schenken, in den
strijd en bij de smart van het leven?
-ocr page 57-
VIJFDE HOOFDSTUK.
Ieder mensch, ook al heeft hij weinig dat hem drukt, zal
van tijd tot tijd klagen over de verdrietelijkheden die zijn
deel zijn.
Hem, die met eenige belangstelling dit boekje gevolgd heeft,
zal het wel geen raadsel meer wezen waaraan deze onge-
neugten meestal hun ontstaan te danken hebben!!
Over het algemeen worden de omstandigheden buiten ons
er van beticht, en toch hebben deze er in den regel minder
schuld aan dan wij zelf, want zooals dit vroeger reeds
besproken werd, is trouwe plichtsbetrachting in staat ons een
Hemel op Aarde te openen, doch plichtverzuim brengt steenen
aan tot het bouwen eener hel.
Ofschoon de meeste menschen dit wel zullen beamen, wordt
er toch niet altijd naar gehandeld, maar dat is iets wat
ieder voor zich zelf moet weten! Voor anderen daarentegen,
wier duurzaam streven het is om het goede te willen en het
goede te doen, komen die afwijkingen doorgaans voort uit
onkunde, onoplettendheid en dwaling.
-ocr page 58-
56
Deze ontdekking moge niet streelend zijn voor de eigen-
liefde, toch kan zij den weg banen tot verbetering van ons lot.
Moedeloosheid, daarmede gepaard gaande werkeloosheid,
gekweekt door het vooroordeel dat men niet bij machte zou
wezen, om door eigen toedoen het leed te verzachten of weg
te nemen, koesteren meestal de levenssmart. De overtuiging
daarentegen dat men wel degelijk daartoe in staat is, behoort
eene der drijfkrachten van het bestaan te worden.
Menigeen klaagt en zucht en heeft medelijden met zich
zelf, maar blijft intusschen met de handen in den schoot liggen.
Hoe vertroostend in vele omstandigheden de gedachte ook
zij, dat men niets tegen God kan doen, houdt zij soms ook terug
om eigen toestanden te verbeteren, en men ziet menigmalen
voorbij, dat ofschoon alles ongetwijfeld van Hooger Hand
komt, aan den mensch soms tegenspoeden worden opgelegd
om er tegen te worstelen, ten einde daardoor zijn verstand
en wil te oefenen en zijn zedelijke krachten te ontwikkelen.
Daarom is het raadzaam om deze woorden niet ter hulp te
roepen, vóór dat men alles deed, wat men doen kon. Om
een voorbeeld te noemen. Eene onzer betrekkingen wordt
hard ziek. Mor niet, klaag niet en berust in Gods wil, maar
haal den knapsten doctor en den geschiksten oppasser, en
zorg voor alles wat de zieke noodig heeft.
Als gij dit doet, zult gij de meeste rust hebben, en zelf-
verwijt behoeft u dan niet te kwellen.
Onze te vergedrevene eigenliefde is menigmaal de ergste
vijand die ons geluk verwoest!
-ocr page 59-
57
Wij gevoelen ons door eigenliefde verblind, menigmalen
verwaarloosd, zelfs miskend, en zelden krijgen wij wat wij
meenen dat ons toekwam, ja, waar wij zelfs op gerekend hadden
en zoo is zij daar om ons leed te vergrooten; terwijl hij, die
weinig voor zich zelf verlangt deze teleurstellingen mist en
daarentegen het genot smaakt, dat hem telkens iets medevalt,
waarop hij niet gerekend had.
Die zuchtende en klagende zielen zijn bezig om het genoegen
dat zij zouden kunnen smaken, zelve te verbitteren.
Hoe méér men slaagt om overdreven egoïsme te beteu-
gelen, des te gelukkiger zal men zich op dit benedenrond
gevoelen, want grootendeels wijken hierdoor de bezwaren
des levens. Ziekelijke eigenliefde doet veelal vergeten, dat onze
persoonlijkheid in vergelijking met de millioenen aardbewoners,
slechts een deel van één druppel is in den onmetelijken Oceaan |
Doch ook dat deel van dien nietigen druppel is niet doelloos
aanwezig.
Gevoelt men zich tot eene taak geroepen en bestaan er
geen andere plichten, daarmede in strijd, handel dan zooals
gij meent volgens uw geweten te moeten doen.
Is dit echter niet het geval, bemoei u dan zoo min mogelijk
met zaken buiten uwen werkkring, maar wijdt dan liever
met hart en ziel al uwe krachten aan uwe levenstaak!
Gesteund door het vertrouwen op God, dat Jezus staande
hield in de moeilijkste omstandigheden zijns levens, zult gij
zelfs, hoe ontzettend zij ook wezen mogen, op algemeene
volksrampen veel bedaarder en berustender kunnen neder-
-ocr page 60-
58
zien, want dan zegt gij even als Hij dit deed: Wat vader,
wiens zoon om brood vroeg, zou hem een steen geven?
Hoeveel gaat de Liefde van God die van een aardschen vader
niet te boven ! Mat. VII: 9.
ƒ
Dan alleen zullen wij zóó iwi^God kunnen spreken, wan-
neer wij den Geest in den mensch als hoofdpersoon gaan
beschouwen, en daaraan dus de belangen des lichaams on-
dergeschikt rekenen. Hij, die in het een of ander opzicht
door de natuur misdeeld is, kreeg gewoonlijk méér verstand,
dat hem hielp om dit leed gemakkelijker te dragen; of een
zijner andere organen was méér ontwikkeld dan dit bij gewone
menschen het geval is, en bovendien bestaat er in dergelijke
omstandigheden een troost, dien wij bevoorrechten niet kennen.
Hoe ware het anders mogelijk, daty^emand te vinden zou
wezen, die naar het oordeel van het algemeen zoo rampspoe-
dig mogelijk was, en die toch beweert dat hij tot de geluk-
kigste stervelingen behoort!
Verbitter uw leven niet door te tobben over de verdor-
venheid uwer natuurgenooten, aan wie gij toch niets kunt
veranderen, maar tracht u zelf en\'de uwen voor kwade
invloeden te bewaren.
Gewen u aan de voorstelling, dat uwe ziel eene windharp
behoort te zijn, welke van tijd tot tijd klanken van Hoogere
sferen opvangt en deze dan in heel zuiver toonen kan terug geven.
Deze gedachte moet ons tot ootmoed stemmen en ons meer
-ocr page 61-
59
en meer vatbaar maken voor de grootste aller zegeningen,
die voor een menseh bereid is.
Bedenk dat het huis des Vaders vele woningen heeft en
dat de Almacht, Die hier regeert, alom Zijnenschepter zwaait]
Als wij bemerken dat, bij vroeger vergeleken, onze inzich-
ten verruimd werden, dan wordt het tijd om te waken tegen
hoogmoedswaanzin, welke dikwijls vergeet dat alles wat wij
het onze noemen, gaven Gods zijn en dat wij dus geene reden
hebben om op onze bekwaamheden te roemen.
Daar het niet gegeven is om de toekomst te ontsluieren,
moeten wij ons vertrouwen maar duurzaam stellen op den
Rots der eeuwen. Daardoor zullen wij ervaren, hoe rust en
vrede zich ten slotte eene duurzame plaats in ons binnenste
zullen veroveren.
Welk eene heerlijke gave de verbeeldingskracht ook moge
wezen, zij kan ons toch nog leelijke parten spelen, door ons
eene toekomst voor te tooveren welke later gebukt doet gaan
onder den last van onvervulde wenschen, en die ook in staat
is, om ons dubbel te doen lijden onder het leed dat ons treft.
Een ruiter en zijn paard vallen beide en breken ieder een
been. Beiden lijden smart, maar des ruiters leed wordt
verdubbeld door de zorg over de toekomst van zich en de
-ocr page 62-
GO
zijnen en door ile voorstelling, dat hij misschien voor het leven
verminkt moet blijven!
Lijden wij onder den smaad van anderen, dan hebben wij
dien verdiend, of wij hebben er geene schuld aan! In het
éérste geval krijgen wij wat ons toekomt, en in het tweede
behoeven wij het ons niet zwaar aan te trekken.
De menschen kennen ons, of zij kennen ons niet. Belas-
teren zij ons nu, laat het onze rust niet verstoren.
Van onze vrienden hebben wij dat niet te wachten, en het
oordeel van hen, die ons niet kennen, is ons onverschillig.
Opzien tegen de dingen is eene hebbelijkheid, waaraan
men zelfs in den ouden dag nog niet mag toegeven, want als
men er in tijds niet tegen gestreden heeft, zal men later onder
de gevolgen moeten zuchten.
Als het getij verloopt, moet men de bakens verzetten en dik-
wijls plaagt men zich noodeloos door een werk te willen doen,
waartoe men niet of niet meer in staat is om het goed te
volbrengen.
Het weekblad »de Hervorming", gaf eenigen tijd geleden
een goeden raad aan lieden van jaren. »Een oud mensch,
zoo stond daar geschreven, heeft behoefte aan warmte en licht.
Hij kieze zich daarom zoo mogelijk een vrolijk en zonnig tehuis.
Den omgang met jonge lieden moet hij niet vermijden,
maar opzoeken.
i
-ocr page 63-
(il
Terwille van dezen, moet hij zijn lichaam niet verwaar-
loozen en zich dus ook goed blijven kleeden. Om hen moet hij
trachten zijne kwalen te vergeten door er niet om te denken
en er niet over te spreken. Door lectuur moet hij zijn geest
blijven beschaven, anders wordt hij vervelend, en hij moet
hoe langer hoe meer behagen gaan zoeken om veel vreugde
rondom zich te verspreiden.
De tegenspoeden kunnen voor een godsdienstig mensch ook
bevorderlijk zijn aan de veredeling van zijn geest.
Sommige zonden zijn zóó met onze natuur samen geweven,
dat slechts door miskenning en leed ons zielsoog er voor
open gaal, en dan hebben wij daaraan menigmaal geduld,
zachtmoedigheid en vertrouwen op God te danken.
Dit alles toch wordt in de school des onspoeds geleerd.
Bestond er niets waartegen te waken en te strijden viel,
dan zou de wereld spoedig een hel worden, want na niet
langen tijd zou de meerderheid der menschen door den onop-
houdelijken voorspoed en de hierdoor toenemende heerschappij
der zinnen bedorven, zich zelf en anderen zooveel leeds be-
rokkenen, dat menigeen zijn bestaan zou gaan vloeken.
Ofschoon vervuld zijnde met de beste plannen, zou het toch
nog wel kunnen wezen dat het tot stand komen van die
goede voornemens in werkelijkheid schadelijk zou wezen voor
het algemeen, want dikwijls keurt de mensch goed wat in
den grond der zaak niet goed is, en gewoonlijk dweept men
-ocr page 64-
62
zóó met het eigen inzicht, dat men gegeven wenken in den
wind slaat, en dan ervaart men menigmalen later, dat de
Voorzienigheid dit door tegenspoed deed mislukken
In dagen van volksrampen wordt menigeen opgewekt tot
daden van edelmoedigheid, trouw en zelfverloochening, waartoe
in het dagelijksche leven zicli zelden de gelegenheid voordoet.
Rampspoed doet ook het hest gevoelen, hoe nietig en voor-
hijgaand ons leven is, en evenzeer aardsche hezittingen en
voorrechten; wij leeren er dus door ze niet liooger te schatten
dan zij waard zijn.
Uit het ellendige gevoel van zwakheid ontkiemt de hehoefte
om aan Hooger Wezen raad, steun en troost te vragen en
deze bede verhoord te zien, is de grootste aller zegeningen,
die voor den mensch is weggelegd, want hierdoor voelt hij
zich verwant aan eene Hoogere Wereld.
Menigmalen kan men ook opmerken, hoe lijden later de
bron werd van verblijden!
De dood, het sloopen van den aardschen tabernakel, zal
door velen wel als de grootste ramp worden aangemerkt!
Hebben wij echter zooveel reden tot klagen als wij eene
bouwvallige woning met eene betere gaan verwisselen en
krijgt de dood op deze wijze beschouwd, dan niet eene ge-
heel andere beteekenis\'?
-ocr page 65-
83
Dewijl nog niemand der onzen na zijn verscheiden terug-
keerde, is al wat ons wacht, na ons heengaan van deze
aarde, niet met zekerheid te bepalen.
Het kan echter niet betwijfeld worden, dat met het sterven
alle strijd en alle leed ophouden, die hun oorsprong in het
lichaam hebben, en dat al de tranen daardoor afgeperst, voor
goed verdwijnen.
Daarbij moet niet vergeten worden hoe het ware genot van
het stoffelijke verdwijnt voor hem die ziekelijk, hulpbehoevend
of verminkt is!
In den ouderdom verstompen de zintuigen, het bloed vloeit
niet meer zoo snel door de aderen. Men gevoelt, dat de
kracht ontbreekt om te doen, wat vroeger gedaan werd.
Dikwijls ervaart men, dat het verstand en het herinnerings-
vermogen verminderen en dat de ledematen stram worden!
Buitendien zou men eindelijk, indien dit mogelijk ware,
toch maar alléén overblijven en dus een vreemdeling zijn
voor het opkomend geslacht; een wandelende jood, van wien de
legende luidde, dat hel zijne straf was om niet te kunnen sterven!
Hoe ijzingwekkend en onverbiddelijk de dood ook in ons
oog moge wezen, toch is hij niet in staat om ons van onzen
God te verwijderen, door ons buiten het Groote Vaderhuis
te sluiten. Indien de aarde alleen de Vaderlijke woning
ware, dan zouden wij die door onzen dood nog kunnen
verlaten ! Jezus zegt echter : In het huis mijns Vaders zijn
vele woningen Joh. XIV : 2.
-ocr page 66-
64
Nu het onmelelyk Heelal met dien naam mag bestempeld
worden, verliezen wij dus nimmer het Vaderhuis!
Eene hoopvolle verheffende gedachte is het, bij het naderen
van het sterfuur, dat ons lot, hetzij wij leven of sterven,
door den Algoede zóó bestuurd wordt, dat het ten slotte
tot ons waar en duurzaam geluk moet medewerken.
Is ons uurtje geslagen, dan zullen wij ook wel niet aan
ons lot worden overgelaten!
Gaan wij daarom maar zonder vrees dien laatsten vijand
tegemoet!
Het sterven is verdooving en dus het einde van alle smart.
Zien wij het morgenrood gloren, dan is ons dit een bewijs
dat de dagvorstin in aantocht is.
Zou het verhelderd gelaat van een stervenden vrome ons
bedriegen, of zou dit ook de weerglans kunnen wezen van
de heerlijke visioenen, bij het heengaan hem geschonken\'?
De rustige blik van allen, die zich verzoend hebben met
bun lot en die alzoo vrede kregen met Gods Bestuur, spreekt
tot ieder onzer van de kalmte en zaligheid, die hierdoor hun
deel zijn geworden!
Noch de grootste ramp, noch de diepste smart, ja zelfs de
dood, zijn niet in staat om dit Koninkrijk der Hemelen van
hen weg te nemen !
éó/ft