-ocr page 1-
^ "5«?                    A ^,sun
/1-
>
Een Woord over tiet Ontwerp van Wet
KEGELENDE DE VOORWAARDEN
TOT VERKRIJGING
DEK AFZONDERLIJKE BEVOEGDHEID
TOT UITOEFENING DEK
TANDHEELKUNST
DOOR
HERODOTUS.
k
M
AMSTERDAM — C. G. VAN DER POST.
-ocr page 2-
•
-ocr page 3-
Een Woord over het Ontwerp van Wet
KEGELENDE DE VOORWAARDEN
TOT VERKRIJGING
DER AFZONDERLIJKE BEVOEGDHEID
TOT UITOEFENING DEK
TANDHEELKUNST
DOOR
HERODOTUS.
3«e-------
AMSTERDAM — C. G. VAN DER POST.
18T6.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Bij de aanstaande behandeling van het ,wetsontwerp, re-
gelende de voorwaarden tot verkrijging der afzonderlijke
bevoegdheid tot uitoefening der tandheelkunst, kwam het
schrijver dezer regelen van gewicht voor, het een en
ander daarover onder de oogen te brengen van hen, die
geroepen zijn over deze aangelegenheid te beslissen. Een
juist oordeel te vellen over de waarde van het inge-
diende wetsvoorstel, zal zelfs voor den ijverigen en nauw-
keurigen onderzoeker moeilijk blijven, indien van medische
zijde geene inlicntingen verschaft worden. Schrijver dezes,
met de tegenwoordige en vroegere toestanden nauwkeurig
bekend, heeft dit zoo eenvoudig en duidelijk mogelijk trach-
ten te doen, en hoopt dat de conclusiën, waar toe hij gekomen
is, ook in uitgebreiden kring bijval zullen vinden.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Om het wetsontwerp, waarvan ik de strekking en de
gevolgen hier wensch te onderzoeken, juist te kunnen beoor-
deelen, dient men in de eerste plaats na te gaan, welke de
werkkring is van den tandarts en met welke wetenschappelijke
kennis hij toegerust behoort te zijn, alvorens de Staat hem
het regt kan verleenen zijne specialiteit uit te oefenen. Ik stel
daarbij op den voorgrond, dat, wat zijne ervarenheid betreft
op operatief gebied, men van den pas gepromoveerden tand-
arts niet verwachten kan, dat hij met een sinds jaren geves-
tigd practicus op ééne lijn gesteld kan worden, doch wel,
dat hij, wat zijne theoretische kennis aangaat, met dat ge-
deelte der geneeskundige wetenschap, dat hij beoefent, in
al zijne onderdeden, nauwkeurig bekend zij.
Dikwerf wordt de hulp van den tandarts ingeroepen tot
het verwijderen van losstaande melktanden bij kinderen in
hunne wisselperiode. Deze kleine heelkundige dienst, die
wel de grens vormt tusschen de chirurgie en de gewone
verpleging van het ligchaam, kan elke leek verrigten. Bij
de wisseling der tanden komen evenwel zoovele anomaliën
voor, dat, stelt men er eenigen prijs op, dat de tweede den-
titie in hare ontwikkeling door de eerste niet gestoord of
belemmerd worde, die wisselperiode door een\' deskundige
dient te worden nagegaan, minder om die losse melktanden
te verwijderen dan om den juisten tijd aan te geven, waarop
-ocr page 8-
6
zij, zelfs al stonden zij nog vast, dienen verwijderd te wor-
den. De groei onzer tanden en kaken is aan vaste wetten
gebonden; de wetenschap noemt de kennis daarvan -.physiologie.
De physiologie, zoowel van de normale als van de abnor-
male toestanden, moet de tandarts dus nauwkeurig kennen.
Daartoe wordt vereischt de anatomische, histologische en
physiologische kennis van het geheele ligchaam. Deze eisch
moge overdreven schijnen, doch hoe kan men, vraag ik,
den bloedsomloop, de bloedsverdeeling, de ontwikkeling en
de voeding voor één enkel orgaan begrijpen, wanneer men
de algemeene wetten niet kent waaraan deze gebonden zijn,
den nauwen zamenhang niet doorgrondt tusschen de zenuw-
middelpunten, het hart en zoo menig ander onderdeel van
het groote organisme en het bijzonder bestudeerde orgaan.
Dat schei- en natuurkunde, anatomie en weefselleer den
grondslag der physiologie vormen, behoeft, dunkt mij, geen
nader betoog, en zoo voortgaande bekomen wij een schakel
van kundigheden, waarvan de eene voor de andere onmis-
baar is, wil men den groei en de ontwikkeling van een
enkel orgaan naar behooren begrijpen. Al die kennis wordt
van den candidaat in de medicijnen verlangd, alvorens hem
de ziekteleer met al hare onderdeden wordt onderwezen.
De specialist-tandarts mag dus bij dezen niet achter staan.
Er is misschien geene ziekte die zoo algemeen verbreid
is als die der tanden; de groote behoefte aan tandheelkun-
dige hulp, in verband met het gebrek aan tandheelkundige
kennis van de zijde der geneeskundigen en chirurgen, mag
wellicht als één der redenen gegolden hebben, waaraan het
wetsontwerp zijn ontstaan te danken heeft. Welke hulp kan
de tandarts bij tandpijn aanbieden ? In de eerste plaats den-
ken wij hier aan de extractie. De tandarts moet daarvoor
toegerust zijn met de noodige anatomische en chirurgische
kennis; de grootere of mindere zoogenaamde behendigheid,
-ocr page 9-
7
waarmede hij de extractie verrigten zal, hangt af van natuurlij -
ken aanleg en van oefening; men kan hem slechts de methode
hebben geleerd en hem in de gelegenheid gesteld hebben
zich practisch te oefenen. Doch wat hij wel en goed dient
te weten, is wanneer en waar de extractie is aangewezen.
Hij moet niet zijn de bediende van den geneesheer, die
hem gelast of verzoekt eene pijnlijke kies te verwijderen;
hij moet zelfstandig weten te handelen. En hoe dikwerf is
de tandpijn, die algemeen bekende smart, geen gevolg van
constitutioneel lijden? Hoe vaak staat die niet in verband
met catarrhale toestanden, met overprikkelde zenuwwerking?
Kan men den tandarts dan verontschuldigen zoo hij die
pathologische kennis mist?
De gevolgen der extractie, ontsteking, verbloeding enz.
worden almede door den tandarts behandeld. Maar zijn die
ziekteprocessen in den mond anders dan aan elk andordeel
van het menschelijk ligchaam? Moet de tandarts niet weten,
wat ontsteking en de doorgaans daarmede gepaard gaande
koorts is, hoe eene verbloeding behandeld moet worden ?
Moet hij de werking der geneesmiddelen niet kennen, die
aangewend kunnen worden, de wijze van toediening er van?
En of men zich nu tot één deel van het ligchaam bepaalt
of tot een ander, de ziekteprocessen zijn overal dezelfde;
van eenige bijzondere soorten van ziekteprocessen kan men
geen helder inzicht bekomen, zonder algemeene en bijzon-
dere ziekteleer te hebben bestudeerd.
Bij de behandeling van tandziekten is evenwel, bij tijdige
en doelmatige hulp, de extractie in vele gevallen niet nood-
wendig. Om die ziekten dan naar eisch te kunnen behande-
len, wordt vereischt de kennis van de weefselleer der tanden
in gezonden en zieken toestand. Men vergete niet, dat tan-
den levende organen zijn, even goed met bloedvaten en
zenuwen voorzien als elk ander deel van ons ligchaam. Dat
-ocr page 10-
8
de aan te wenden hulp van anderen aard is dan die bij
ziekten van inwendige organen, doet niets ter zake. De
behandeling van oog- en oorzickten verschilt ook geheel
met die van lever, blaas enz.; doch is het denkbaar, dat
een oogarts, een oorarts, de ziekteprocessen, die hij behan-
delt, begrijpen kan zonder die van het geheele organisme
te hebben bestudeerd?
De weefselleer der tanden kan men niet begrijpen zonder
dat men die van het geheele ligchaam bestudeerd hebbe.
De medicus tandarts moge, in zijn verdere loopbaan, de ge-
heele weefselleer vergeten hebben, die der tanden ziet hij
helder voor oogen omdat de tijd, dien hij aan de studie
der algemeene weefselleer besteed heeft, voor hem de ladder
is, die hem geleid heeft tot de nauwkeurige kennis der
elementen waaruit de tanden zijn opgebouwd.
Wat de wijze van behandeling betreft der verschillende
ziekten die de tanden kunnen aantasten is het, dunkt mij,
hier de plaats niet in details te treden. Houdt men even-
wel in het oog, dat tandpijn niet is eene ziekte maar het
symptoom van verschillende ziekteprocessen, dan behoeft het
wel geen verdere uiteenzetting om te bewijzen dat de herken-
ning en genezing dier ziekten even goed behooren tot het
gebied der geneeskunde als elke andere groep van ziekten
die men zelfstandig heeft bestudeerd.
De hulp van tandartsen wordt verder ingeroepen bij ziek-
ten van het tandvleesch. Na het hierboven gezegde be-
hoeven wij er niet verder over uit te weiden; de behandeling
dier ziekten behoort tot het geneeskundig gebied
Voor een patiënt, die jaren van tandlijden doorleefde, op
gevorderden leeftijd is gekomen of bij wien eene doelma-
tige behandeling in vroegere jaren is verwaarloosd, wordt
van de technische kennis der tandartsen groote en veelvul-
dige hulp vereischt. Vervaardigers van kunstgebitten kunnen
-ocr page 11-
9
inderdaad vele en goede diensten bewijzen. Doch behoort
deze technische hulp tot het gebied van den medicus tand-
arts? Laat ons, om hierover een goed oordeel te kunnen
vormen, eens nagaan hoe partieele en geheele kunstgebitten
worden vervaardigd en ingezet.
Met geweekte was, gutta percha of andere compositiën,
die door verwarming eene weeke consistentie verkrijgen,
wordt een afdruk van boven- en onderkaak genomen. In
de aldus verkregen empreinte wordt gips gegoten. Is deze
gipsmassa hard geworden, dan wordt de was, die deze gips-
massa bevat, wederom geweekt en verwijderd en er blijft
eene gipsmoule over, die een getrouw beeld van den mond
van den patiënt terug geeft. Op deze moule maakt de tech-
nicus eene plaat van goud, platinum, vulcanite of elke andere
doelmatige compositie, waaraan de daartoe gekozene kunst-
tanden worden bevestigd ter vervanging van die, welke de
patiënt heeft verloren. Is dat gereed, dan worden de platen
met de kunsttanden er aan in den mond van den patiënt
gebracht. De wijze van bevestiging hangt af van den toe-
stand van den mond; er kunnen nog tanden aanwezig zijn
die tot steunpunt kunnen dienen door middel van gouden
draden of stengen, die, aan de plaat bevestigd zijnde, deze
nog aanwezige tanden omvatten of, wat in later jaren door
de verbeterde techniek mogelijk is geworden, de platen
kunnen zoo nauwkeurig passend worden gemaakt tegen het
verhemelte of tandvleesch der onderkaak, dat er tusschen
deze en de plaat van het kunstgebit, na het opzuigen der
aanwezige lucht, een luchtledig ontstaat, zoodat de atmos-
pherische luchtdruk voldoende is om het kunstgebit, dit
moge een partieel of geheel gebit zijn, op zijne plaats be-
vestigd te houden. Kan, bij geheele rateliers, die luchtdruk
niet in toepassing gebracht worden, dan houden gouden
spiraalvederen, die aan het boven- en onderratelier beves-
-ocr page 12-
IO
tigd zijn en zoodanig werken, dat zij deze beide deelen
steeds van elkander trachten te verwijderen, zulk een rate-
lier op zijne plaats.
Of het kunstgebit beter of minder goed zal passen, hangt
voornamelijk af van de wijze, waarop de empreinte van den
mond genomen is. Is de moule zeer accuraat geweest, dan
kan het niet missen of het gebit zal zonder hinder worden
gedragen, terwijl daar, waar de empreinte onjuist was, de
moule in gips een\' anderen vorm teruggeeft dan de toe-
stand werkelijk is en dus het kunstgebit, ofschoon op het
gipsmodel nauwkeurig passende, in den mond gedragen
door ongelijke drukking somwijlen de ondragelijkste pijnen
veroorzaakt. Uit het medegedeelde blijkt derhalve dat, om
tot een goed resultaat te komen, in de eerste plaats een
zuivere afdruk van den mond verkregen moet worden.
Doch behoort deze manipulatie tot genees- heel- of tand-
heelkundig gebied? Immers neen. Het plaatsen en vervaar-
digen van kunstgebitten is eene industrie, die voor ieder
open en vrij staat. Dat de medicus tandarts, die technici in
zijne dienst heeft, kunstgebitten beter zal doen vervaardigen
dan zij, die zich alleen practisch hebben ontwikkeld, dat hij
met meer nauwgezetheid en vaardigheid die empreinte van
den mond in was zal nemen, dat hij bij de patiënten de kunst-
tanden beter en met minder pijn zal plaatsen, dat alles is
zeker; de lijders hebben dan den grootsten waarborg van
goede en doelmatige hulp; doch noodig is het niet dat de
inzetter en vervaardiger van kunstgebitten eenig examen
hebbe te ondergaan. — Een brillenkoopman zal een goeden
bril afleveren en dikwerf het juiste nummer van het glas
kunnen bestemmen dat benoodigd is, doch de ophtalmoloog
zal met grooteren waarborg voor den ooglijder en op we-
tenschappelijke gronden betere hulp kunnen aanbieden.
Noch de brillenslijper, noch de brillenkoopman behoeven
-ocr page 13-
II
eenig examen af te leggen. Hunne industrie is geheel vrij,
doch zoo zij in vereeniging met den wetenschappelijken
oogarts hun\' beroep uitoefenen, worden de patiënten zeker
het meest gebaat. \')
Maar, zal men vragen, vordert de toestand van den mond
niet dikwerf dat er tanden of wortels verwijderd worden vóór-
dat een gebit geappliceerd kunne worden ? Is het tandvleesch
niet dikwerf ziek, zoodat kunstgebitten niet gedragen mogen
worden ? Welnu; is er eerst eene heelkundige bewerking te
ondergaan, men wende zich tot den medicus tandarts, die dan
tevens zal oordeelen of een kunstgebit aan te raden is of
niet. De technicus kan dan verder zijn werk verrigten. Even-
zoo handelt de chirurg bij eene beenamputatie. Hij oordeelt
of de stomp genoegzaam genezen is tot het maken van een
kunstbeen en geeft zijne instructiën aan den technicus, die
kunstbeenen vervaardigt. Doch iemand, wien vóór jaren zijn
been geamputeerd is, gaat zonder bemiddeling van den
chirurg tot dien technicus, die vrijheid heeft hem daarmede
te helpen. Wil een chirurg technici in dienst hebben, des te
beter, noodig is het echter niet.
Dikwerf worden gaten in wortels van tanden geboord om
zooals het heet, tanden a pivots te plaatsen. Ook dit is
het werk van den medicus-taxxdaxts. Hierna wende men
zich alweder tot den technicus, tenzij de medicus-ta.nda.rts u
verder helpen kan of wil.
De vermenging van de begrippen van tandarts en ver-
vaardiger van kunstgebitten
heeft aanleiding gegeven tot het
verkeerd stellen der questie. Bij de vraag, of de tandarts
geneeskundige moet zijn, heeft men steeds bewust of onbewust
\') Hiermede wordt bedoeld dat de ophthalmoloog de gezichtsscherpte
bepaalt. Overeenkomstig deze bepaling geeft de brillenkoopman het ver-
langde nummer van glas af, terwijl de brillenslijper de lenzen volgens
ndicatie van den ophthalmoloog slijpt.
-ocr page 14-
12
de vraag binnengesmokkeld: „moet de tandarts, tevens ver-
vaardiger van kunstgebitten, geneeskundige studiën gemaakt
hebben?" en, omdat men deze studiën voor den technicus
overbodig achtte en de techniek voor den medicus bijna
altijd, en te regt, onbereikbaar oordeelde, ook aan het ant-
woord eene te uitgebreide strekking gegeven in de uitspraak:
de tandarts behoeft geen geneeskundige te zijn.
Nu leven wij sedert 1865 onder eene geneeskundige wet,
die eenheid van stand heeft ingevoerd, d. w. z. dat elk, die
de genees-, heel- of verloskunde of eenige onderdeden daar-
van beoefent, het arts-examen, dat voor allen gelijk is, heeft
af te leggen. De toekomst kan eerst leeren, of dat principe
heilzame gevolgen zal hebben, doch is het nu niet illegaal
om ééne specialiteit buiten die wet te plaatsen en andere
.niet? De wet van 1865, alle beoefenaars van de onderschei-
den takken der genees- en heelkunde tot één geheel, tot
éénen beroepsstand brengende, heeft onder die groote alge-
meenheid ook van zelf en krachtens het beginsel gebracht
de beoefenaars der tandheelkunde. Tot een inbreuk op dit
eenmaal gehuldigde beginsel kunnen niet dan degelijke gron-
den aanleiding geven, of kan alleen eene dringende noodza-
kelijkheid vrijheid verkenen. Men noemt het belagchelijk, dat
een tandarts een verloskundig examen hebbe te ondergaan,
maar die uitspraak geldt evenzeer voor den medicus, die
alléén de interne praktijk uitoefent, voor den ophthalmoloog,
voor den otiater. Wil men voor de tandheelkunde eene uit-
zondering maken, dan zondigt men tegen de wet. Men ver-
andere dan de geneeskundige wet van 1865 in haar geheel.
Want gaat ons betoog van de noodzakelijkheid eener alge-
meene, degelijke medische opleiding niet door voor tand-
heelkundigen, dan is die opleiding ook voor zoovele andere
specialiteiten als overbodig te beschouwen.
Wij willen evenwel het geval stellen, dat het wenschelijk
-ocr page 15-
13
blijkt te zijn een afzonderlijken stand van tandartsen in het
leven te roepen of liever te bestendigen. Aan welke eischen
moet dan de tandarts bij het af te leggen examen beant-
woorden ? Het wetsontwerp noemt in art i op:
a.  de ontleedkunde van de tanden, de tandkassen en het
tandvleesch;
b.  de physiologie van deze deelen;
c.  de gezondheids- ziekte- en geneesleer van deze deelen,
daaronder begrepen de onderkenning der ziekten van
de tanden en het tandvleesch, waarvan de oorzaak al-
gemeen is of in andere deelen zetelt;
d.  de geneesmiddelleer en de recepteerkunde, voor zooveel
noodig tot het voorschrijven van plaatselijke genees-
middelen bij de sub c bedoelde ziekten j
e.  de operative tandheelkunde en het inzetten van kunst-
tanden en gebitten.
Maar wij zagen het reeds, deze geheele lijst van plaat-
selijke en specieele, eigenlijk fragmentarische kennis, heeft
geenerlei waarde, is niet degelijk, is niet eens voldoende
verkrijgbaar zonder stelselmatige, geneeskundige vorming.
Daarom moet de tandarts eigenlijk kennen: natuur- en schei-
kunde, geneesmiddelleer (derhalve ook botanie), anatomie,
physiologie, pathologische anatomie, pathologie, therapie,
algemeene en specieele chirurgie, wat deze zes laatste weten-
schappen betreft voornamelijk van hoofd, mond en tanden,
doch ook, zooals ik hierboven heb aangetoond, van het ge-
heele ligchaam, daar hij, ze slechts van één enkel orgaan
bestudeerd hebbende, deze wetenschappen onmogelijk be-
grijpen kan. Doch dan hebt ge medici! Nog maar een half
jaar aan deze studiën gewijd, en men kan het artsexamen
afleggen.
Welke is nu echter de practische grond, die aangevoerd
wordt, om voor de tandheelkundigen eene uitzondering op
-ocr page 16-
14
het beginsel van eenheid van stand der geneeskundigen te
maken? Niets dan een nuttigheidsgrond.
Er wordt n. 1. geklaagd, dat men in sommige steden en op het
platte land geene tandheelkundige hulp heeft, en de Minister
van Binnenlandsche Zaken wijst er op, dat sedert 1865
slechts vier artsen de tandheelkunde uitoefenen. Zeer juist!
Doch waar ligt de schuld? In het volslagen gebrek aan
onderwijs in tandheelkunde aan de hoogescholen. Een ge-
neesheer moge in zijn studietijd gezien hebben, hoe nu en
dan eene kies meer of minder handig is geëxtraheerd, maar
tandheelkunde, volgens de tegenwoordige eischen der weten-
schap, is hem nergens ooit onderwezen, zoodat het ons nog
verwonderen moet, dat er vier artsen gevonden worden, die
zich den tijd en de onkosten, aan studiën elders verbonden,
getroost hebben. — En nu wil men om aan dien tandartsen-
nood tegemoet te komen, examina in tandheelkunde afne-
men! Maar eilieve, wie moet dan zulk een examen afnemen ?
De staatscommissie natuurlijk, bestaande uit hoogleeraren
die geene tandheelkunde hebben kunnen onderwijzen, en
geneesheeren, die ze nooit hebben geleerd! Zulk een
examen kan blijkbaar geen waarborg geven, dat men goede
tandartsen zal krijgen! Men zet slechts de deur open voor
eene kwakzalverij op groote schaal, zooals die tot 1865
hier aan de orde is geweest en nog is, getuige de vele dag-
bladadvertentiën en andere reclames. Want wat zijn, op
enkele uitzonderingen na, de meeste onzer tandmeesters ?
Niet anders dan vervaardigers van kunstgebitten, misschien
zeer knappe technici, die, ter loops, een weinig de anatomie
der kaken en tanden en het extraheeren van kiezen bij
den een of ander chirurg hebben geleerd. Hun examen
had niets te beteekenen. Het werd afgenomen door de pro-
vinciale commissiën, door medici, voor wie de tandheelkunde
een gesloten boek was.
-ocr page 17-
15
En niettegenstaande dit gemakkelijk examen van vroeger
bestaat en bestond er schaarste van tandmeesters in kleinere
plaatsen en ten platte lande. Waarom? Omdat een speci-
aliteit, van welken aard ook, slechts in groote gemeenten de
kans geopend vindt op eene voldoende praktijk. Heeft men
misschien met het ontwerp van wet, dat voorgesteld wordt,
vooral op het oog, aan buitenlandsche tandartsen de gele-
genheid te openen zich hier te vestigen, dan vergete men
niet, dat men vooreerst de kans loopt van tegen één be-
kwamen tien slechte te verkrijgen. Goede vreemde tandartsen
vinden in den regel in hun eigen land arbeid genoeg. Maar
gelooft men in ernst dat buitenlandsche tandartsen, voor
wie men de gelegenheid wil open stellen zich hierheen te
begeven, zich eer dan onze gewone ouderwetsche tandmees-
ters in kleine gemeenten of op het platteland zullen vestigen ?
Behalve in onze drie hoofdsteden vinden ze nergens een
aan hunne verwachting beantwoordenden werkkring. Bezitten
zij evenwel bekwaamheid genoeg om een artsexamen af te
leggen, dan verbiedt hen de wet van 1865 niet in ons land
te practiseeren.
Nu vreest de minister, dat er bij het einde dezer eeuw
geene tandartsen, of specialiteit-geneeskundigen meer zullen
zijn. Die vrees is zeer gegrond, zoo er geene gelegenheid
bestaat, waar artsen deze specialiteit kunnen leeren. Men
antwoorde niet, dat men zich daartoe naar het buitenland
zal hebben te begeven, daar men dan evenzoo met de ge-
heele geneeskundige wetenschap zou kunnen handelen.
Wil de staat afzonderlijke tandheelkundige examina af-
nemen, een stand van tandartsen creëren, is hij dan niet
staatsrechtelijk verpligt, eene school voor tandartsen te
stichten ? Is het denkaar, dat de staat examina afneemt
in iets, waar hij geen onderwijs in geeft? Vóór 1865 had
men chirurgen en plattelands-heelmeesters, maar de staat
-ocr page 18-
iC
zorgde voor clinische scholen. Men kan examina als inge-
nieur afleggen, doch de staat zorgt voor het onderwijs; voor
veeartsen bestaat de veeartsenijschool; voor vroedvrouwen
de verloskundige school te Amsterdam, enz. enz.
Nu is eene tandheelkundige school naast de hoogescholen
in ons klein land niet alléén onpractisch, maar onmogelijk.
De groote kosten daaraan verbonden zouden niet in ver-
houding staan tot het betrekkelijk gering aantal tandartsen
waaraan jaarlijks behoefte is. Zulk eene school zou immers
behoeven docenten in de natuurkundige wetenschappen, in
de anatomie, physiologie, chirurgie, om niet eens van de
docenten in de tandheelkunde te spreken. Zulk eene bij-
zondere school is echter zelfs met het aanhangig wetsont-
werp niet in volkomen harmonie. In dit ontwerp toch wordt,
bij art. i, de bevoegdheid om de tandheelkunde uit te
oefenen, behalve aan de afzonderlijke tandmeesters, ook
toegekend aan alle artsen. Deze artsen zullen wel bijna
uitsluitend aan de Hoogescholen gevormd worden, en hebben
derhalve aanspraak op het onderwijs, dat noodig is, om
hunne bekwaamheid in de tandheelkunde te voltooien. Zij
hebben hierop aanspraak, maar vooral het publiek; opdat
die bevoegdheid niet aan onkundigen worde weggeschonken.
Indien dus de speciale tandarts niet anders kan worden
gekweekt dan door degelijk en volledig geneeskundig on-
derwijs, en de arts, die tot de uitoefening der geneeskunde
in haar geheelen omvang, en dus ook tot de tandheelkunde,
bevoegd is en inderdaad zijn moet, wederom behoefte heeft
aan het theoretische en practische onderricht, dat gevorderd
wordt, om den gezonden en den zieken toestand van tanden
en kaken te kennen, dan staat maar één weg open: d. i.
onderwijs en vorming aan de Hoogescholen.
Naar mijne meening moet elk arts onderwijs bekomen
in tandheelkunde, zoowel theoretisch als practisch. Zij, die
-ocr page 19-
17
zich als specialiteiten zullen vestigen, zullen daar per se
meer tijd aan wijden dan de gewone artsen. Doch ieder
arts moet weten, wat de tandheelkunde praesteeren kan
en hoe in verschillende gevallen, gehandeld kan en moet
worden, waar de hulp van een bijzondere specialiteit ge-
vorderd wordt. Dan vervalt van zelf ook de vrees, dat er
in kleinere gemeenten en ten platte lande geen hulp voor
tandlijders zal te bekomen zijn. Integendeel. Die hulp zal
op ruimer schaal aangeboden worden dan tot nog toe het
geval was, en overal in degelijkheid toenemen, daar ieder
arts bij tandziekten zal kunnen handelen of oordeelen. Eene
tandheelkundige polikliniek is even noodig als eene chirur-
gische en eene ophthalmologische. Wil men het onderwijs
in de tandheelkunde aan den hoogleeraar in de chirurgie
overlaten, dan blijft de toestand, zooals die thans is: erbar-
melijk. Trouwens de chirurgiae professor heeft genoeg op
zijne schouders, al is het dat de verloskunde en oogheel-
kunde niet meer door hem worden onderwezen. Het is zeer
de vraag, of alle professoren in de heelkunde de juistheid
van mijn betoog zullen erkennen, getuige de briefwisseling
in de N. Rott. Courant van 26 en 19 Febr.\' 2, 7 en 9.
Maart jl. tusschen Prof. Polano en „een paar Leidsche Oud-
Studenten." Doch dat laat ik niet gelden: van de verlos-
kunde en oogheelkunde, waarin zij vroeger ook onderwijs
gaven, hebben sommige hoogleeraren in de heelkunde mede
a contre-coeur afscheid genomen.
Een practisch bezwaar kan ik niet wegcijferen. Waar vindt
men het geschikte onderwijzend personeel? Ik erken gaarne,
dat die vraag moeilijk op te lossen is; doch gesteld, dat
er niemand in den lande daartoe geschikt bevonden worde,
dan verbiedt de wet immers niet dat men buitenlandsche
docenten hierheen beroepe. Wil men daartoe niet besluiten
en beantwoordt het onderwijs van den nieuwen docent in
-ocr page 20-
i8
de tandheelkunde alsdan niet terstond aan alle eischen, hij
zal zich, al onderwijzende, in zijne nieuwe betrekking metter
tijd toch vormen; geen beter middel immers, om zich in iets
te bekwamen, dan de verpligting om daarin onderwijs te
geven.
Het korte resumé van ons betoog komt hierop neder.
Een tandarts heeft even als ieder specialiteit op medisch
gebied, behoefte aan algemeene geneeskundige vorming; het
beginsel onzer geneeskundige wet moet ook op hem toege-
past worden. Gaat men van de tandartsen minder kundig-
heden vorderen dan van alle geneeskundigen, dan kweekt
men onkunde aan. Stelt men zich van dien uitzonderings-
maatregel als resultaat voor, het land allerwege meer en
beter van tandartsen te voorzien, dan bedriegt men zich.
Juist van de handhaving van het eenheidsbeginsel zal dit
het gevolg zijn. Dan zal ook het universitair onderwijs in
de tandheelkunde, dat toch ook volgens het voorgedragen
wetsontwerp gevorderd wordt, inderdaad vruchtbaar zijn.
Op deze gronden, durf ik gerust als mijne innige overtuiging
neer te schrijven: het ontwerp van wet, waarbij eene af-
zonderlijkc
bevoegdheid tot uitoefening der tandheelkunde
wordt voorgesteld, behoort niet te worden aangenomen.
De staat zorge zoo spoedig mogelijk, dat er in tandheel-
kunde aan de Hoogescholen onderwijs gegeven worde.
-ocr page 21-
S toomtl rukker ij
Louian, Kirberger & van Keeteren.
Amsterdam.