-ocr page 1-
$>^zzz~---y\\ ....          /
VA1 MEI 18961) ^H5bCj
<gREC
OVERBEVOLKING
de Hoofdkwaal der hedendaagsche maatschappij
en het middel
om daarin verbetering te brengen.
DOOK
£
Geene waarachtige verbetering der eco-
nomische toestanden kan worden te gemoet
gezien, zoo niet de aanwas van de bevolking
aanmerkelijk trager wordt.
Mr. N. G. Pikrson.
\'S-GRAVENHAGE.
1896.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
I
OVERBEVOLKING
de Hooïdkwaal dep hedendaagsche maatschappij
en net middel
om daarin verbetering te brengen.
DOOR
Geene waarachtige verbetering der eco-
nomische toestanden kan worden te gemoet
gezien, zoo niet de aanwas van de bevolking
aanmerkelijk trager wordt.
Mr. N. G. Pierson.
\'S-GRAVENHAGE.
1896.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Een krachtig middel tegen overbevolking.
Het doel van dit geschrift wordt den lezer door
titel en motto vereenigd aangeduid, het is name-
lijk, hem te doen zien:
1°. Dat er heden ten dage overbevolking heerscht;
2°. Dat zij de hoofdoorzaak is van den gedrukten
toestand, waarin het maatschappelijk lichaam
tegenwoordig verkeert en die het gezegde tot
waarheid maakt: „Life is sad at the close of
the nineteenth century"
1).
3°. Welk het krachtige middel is, dat ik tegen
haar aan de hand wensch te doen.
Wat ik daarbij aanleiding zal vinden, hetzij als
vaststaande feiten, hetzij als mijne meening mede
te deelen, heeft uitsluitend op dat gedeelte van
het menschdom betrekking, dat de hedendaagsche
beschaafde maatschappij uitmaakt.
1) Het leven is treurig op het einde der negentiende eeuw.
-ocr page 6-
4
Ik heb dan in de eerste plaats het bewijs te
leveren van de stelling:
Er heerscht heden ten dage overbevolking.
Om dit aan te toonen moet ik den lezer op
eenige cijfers wijzen en hem verzoeken er de noodige
aandacht aan te willen wijden. Hij zal dan zien,
dat, waar vroeger met moeite één gegadigde was te
vinden, thans groote legers van aspiranten met
allerlei middelen eene betrekking zien te bemach-
tigen, waarvoor dezelfde persoon voorheen zoude
bedankt hebben. Zoo werd bijv. voor eenigen tijd
aan de geneeskundige badinrichting te Laag-Soeren
een boekhouder gevraagd, op eene jaarwedde van
300 gulden. Daarvoor boden zich aan 225 sollici-
tanten, waaronder twee vrouwen en een meester
in de rechten. Als er geen meesters in de rechten
in overvloed waren, zou men dan denken, dat er
zich één zou aanbieden, voor die nederige en slecht
bezoldigde betrekking?
Volgens het Vaderland van 11 November 1894 is
er thans in Brussel één advocaat op de 1000 inwo-
ners; volgens matige berekening zou dit, om een
redelijk bestaan op te leveren, l op de 5000 mogen
zijn. Te Bergen en te Charleroi is er echter 1 op
de 200 inwoners.
Voor elf plaatsen van Inspecteur bij de rijksveld-
-ocr page 7-
o
wacht op eene jaarwedde van 900 gulden boden
zich 300 sollicitanten aan, waaronder velen, die
den 5-jarigen cursus van de hoogere burgerschool
hadden doorloopen; en in het Vaderland van 18
November 1894 lezen wij: „Met het oog op het toe-
gemend aantal vrouwen, zoowel gehuwde als ver-
platene en weduwen, die zich bij het werkbureau
„van den Christeli/jken Volksbond aanmelden om
„plaatsing als schoonmaakster, noodhulp, naaister
„of ziekenverpleegster, die aldus trachten in het on-
„derhoud van haar gezin te voorzien, wordt het
„publiek dringend uitgenoodigd, bij behoefte aan
„bovengenoemde werkkrachten toch van dit werk-
„bureau gebruik te willen maken."
En onlangs las ik in het Vaderland: „Voor de
„vacante betrekking van Directeur der gemeente-
reiniging te Breda, waaraan ƒ1000.— jaarwedde is
„verbonden, hebben zich reeds bijna 100 sollicitanten
„aangemeld. Onder hen bevinden zich officieren in
„actieven dienst, gepensionneerde officieren, onder-
„officieren, kleermakers, bakkers, slagers, kantoor-
;;bedienden, aannemers, metselaars en timmerlieden."
In October 1891 vroeg de Maatschappij tot Nut
van het Algemeen een boekhouder op f 900 \'s jaars.
Zestig sollicitanten boden zich aan. Iemand, met
diploma van goed afgelegd eindexamen van de
5-jarige burgerschool kreeg de betrekking enz. enz.
-ocr page 8-
(\')
Onwillekeurig moeten wij bij het vernemen van al
die feiten vragen, hoe komt het toch, dat zoovele
sollicitanten zich voor eene betrekking aanmelden,
die in vele gevallen verre beneden hunne vroegere
positie staat? en het antwoord, dat ik mij daarop
gaf, was: dit komt doordien de overbevolking het
bij elk beroep en in elke betrekking alleen voor hem
mogelijk maakt, een (goed) voldoend middel van
bestaan te vinden, die uitmunt door bekwaamheid
of wel handig weet te intrigeeren of door protectie
wordt vooruit geholpen. Wie een winstgevend be-
roep uitoefent, vindt soms vergoeding voor hetgeen
hij in verdienste te kort komt door de prijzen van
zijne waren te verhoogen. Arbeiders echter kunnen
hunne verdiensten niet zoo gemakkelijk doen stijgen:
en dit zou trouwens voor de velen, die geen werk
kunnen vinden, toch geene uitkomst wezen.
Het zal voor den lezer die ook maar de belang-
rijkste en het ergste in het oog vallende verschijnse-
len ojjmerkt, die zich om hem heen voordoen, zeker
wel overbodig zijn nog meer voorbeelden daarvan
aan te halen, want hij kan de treurige gevolgen
van de overbevolking thans in alle beroepen en be-
trekkingen waarnemen.
En die invloed van de overbevolking stijgt al hoo-
ger en hooger, zoodat hij overal doordringt — tot
in de scholen, de gevangenissen en de krankzinni-
-ocr page 9-
7
gengestichten. Zoo weet ik o. a. dat in \'s-Graven-
hage iemand voor zijn kind toelating vroeg op twee
scholen voor lager onderwijs, en hem werd mede-
gedeeld, dat op die scholen eerst over een of twee
jaar op plaatsing kon gerekend worden.
Wat zijn de gevangenissen niet overal goed gevuld;
ja! er worden zelfs sommige veroordeelingen tot ge-
vangenisstraf veranderd in geldboete of niet ten uit-
voer gebracht omdat er geen plaats meer is. De
opmerking zoude gemaakt kunnen worden dat er dan
geen gevangenissen genoeg zijn, en er meer gemaakt
moeten worden, doch dezen weg moeten wij niet op.
Zij die het meest de gevangenissen bevolken moeten
bekend gemaakt worden met de eischen eener goed
geordende maatschappij, dan zullen ook zij inzien
dat overbevolking hier de hoofdrol speelt en met
hun nageslacht misschien zooveel medelijden krijgen,
dat zij er voor zorgen dat dit niet te talrijk wordt.
En hoe is het met de krankzinnigengestichten ge-
steld? Het gesticht te Vucht zond in Januari 1895
weer 80 lijders naar \'s-Gravenhage terug, omdat
daar plaats te kort komt: en hier kon men hen ook
niet plaatsen.
Recht treurig ziet het er uit als wij de sta-
tistieken inzien en ontwaren dat als oorzaak van
krankzinnigheid, de moeielijkheden die het leven
oplevert, hoe langer hoe meer als zoodanig op
-ocr page 10-
8
den voorgrond treden. In 1888 waren op het einde
des jaars opgenomen 5844, in 1889 6050 en in
J890 6215 krankzinnigen; voorwaar eene belang-
rijke toename, terwijl, en dat is hier het belang-
rijkste punt, die oorzaken, die wij als de sociaal-
oeconomische kunnen beschouwen, zoo aanzienlijk
toenemen; nl. door overdreven geestesarbeid klom
van 1882 tot 1890 het aantal van 1.9 tot 3.2
pCt. en door verdriet van 12.3 tot 14.3 pCt. 1)
Voor den lezer die de maatschappij eenigszins kent,
zal het niet noodig zijn hier te bewijzen dat over-
dreven geestesarbeid en verdriet weer haar hoofd-
bron vinden in groote gezinnen.
Zien wij de cijfers van armenzorg 2), dan worden
wij ten volle overtuigd dat het getal behoeftigen
onrustbarend toeneemt, bijv. in 1891 werden door
de verschillende gemeenten in Nederland 704 hoof-
den van huisgezinnen en 579 alleenloopende personen
en door de armbesturen 812 hoofden van huisge-
zinnen en 281 alleenloopende personen meer bedeeld
dan in 1890. Het totaalcijfer was nl. in 1891
139138 hoofden van huisgezinnen en 62529 alleen-
loopende personen, te samen 201667, en dat op
1)  Zie het verslag van het staatstoezicht op krankzinnigen en krank-
zinnigengestichten in 1888, \'89 en \'90.
2)   Zie do regeeringsverslagen over het armbestuur in Nederland
over 1891.
-ocr page 11-
9
eene bevolking van pi. m. 4620000 inwoners. Dat
hiervoor zware offers gevorderd worden, blijkt uit het
feit, dat alleen door gemeentebesturen en door be-
sturen van instellingen van weldadigheid in 1891
voor onderstand aan behoeftigen werd uitgegeven
f 13.857.799 en wat wordt nog niet aan de liefda-
digheid geofferd buiten die besturen om!
En die overbevolking is geen voorbijgaand ver-
schijnsel van de laatste dagen: neen, zij doet zich
in steeds erger en erger wordende mate voor, zoodat
het hoog tijd wordt dat het menschelijk vernuft
middelen uitdenkt om hieraan een einde te maken.
Ziehier nog eenige van de sterkst sprekende cijfers.
In 1894 werd in Gouda eene vrouw met hare zes-
tiende, en een dag later eene andere met hare
twintigste telg „verblijd". In December 1891 werd
dringend hulp gevraagd voor een gezin te \'s-Graven-
hage waar het negende kind om een boterham vroeg,
die er niet was. In Juli 1891 vierde iemand te
Aalsmeer zijn honderdsten verjaardag, waarbij die
gelukkige patriarch met trotsche zelfvoldoening op
zijne 50 klein- en achterkleinkinderen wees.
Voor eenige jaren stierf te Stiphout in Noord-
Brabant, iemand die zeven zonen en dochters had,
die te samen 90 kinderen hadden, waarvan thans
nog 70 in leven.
In het dagblad het Vaderland van 19 Juni 1895
-ocr page 12-
10
vindt men eene mededeeling dat te Dubbeldam
iemand zijn 29ste kind bij den burgerlijken stand
liet inschrijven.
Nu zal de lezer misschien zeggen: „Die gevallen
zijn uitzonderingen". Toegegeven. Ik heb ze zelf
onder „de sterkst sprekende cijfers" gerangschikt. Maar
zij spreken sterk voor het niet te loochenen feit,
dat er elk jaar veel meer menschen geboren worden
dan sterven. Wie dit niet uit zijne dagelijksche
waarneming kan opmaken, kan het zien uit de sta-
tistieke bescheiden, bijv. in \'s-Gravenhage was in
1891 het cijfer van de geboorten 2289 hooger dan
dat der overledenen. Nederland had in 1890 -1.511.415
inwoners en in 1891 4.564.505 , het aantal van zijne
inwoners is dus in een jaar vermeerderd met 53150.
In Britsch-Indië nam de bevolking van 1881 —1891
dus in tien jaar. met 32.555.584 toe, dat isgemid-
deld jjer jaar 3.255.558.
In Londen was het cijfer van de geboorte in 1892
453G5 hooger dan dat der sterfgevallen.
Waar moet het heen als dit zoo voortgaat?
De hygiëne en de geneeskunde spannen zich in
om de sterfte te beperken en dat zij hierin gelukkige
resultaten verwerven, zien wij onder anderen daaruit
dat alleen in Weenen in de tien laatste jaren ge-
middeld per jaar 1102 personen minder stierven aan
infectieziekten dan in een vorig lOjarig tijdvak.
-ocr page 13-
11
De percentage der sterfte aan infectieziekten was
van de totale sterfte in 1882 10 pCt., in 1889 6.19 pCt.
In het decennium van 1871—1880 stierven daar
pi. m. 29 per 1000, in het volgende van 1881 — 1890
pi. m. 23 per 1000.
In Pesth stierven in 1874 44.9 personen per dui-
zend, in 1892 29.
Is het bij aandachtige beschouwing van die cijfers
niet voor iedereen duidelijk, dat er te veel menschen
komen?
Ik meen hiermede in voldoende mate het bewijs
te hebben geleverd voor mijne eerste stelling: „Er
heerscht heden ten dage overbevolking\'\'1
(bl. 4) en heb
nu hetzelfde te doen voor mijne tweede stelling:
Zij is de hoofdoorzaak van den gedrukten
toestand, waarin het maatschappelijk
lichaam verkeert.
Dat die overbevolking daarvan voor een belangrijk
deel
oorzaak is, is al uit zich zelf duidelijk. Minder
duidelijk is het echter dat zij daarvan voor het
grootste deel
oorzaak is; dit is het ten minste op
verre na niet voor iedereen, immers — iedereen,
• die wel eens iets heeft gelezen, dat over dit onder-
werp handelde — en ik mag wel aannemen, dat dit
met de meeste mijner lezers het geval zijn — zal
zich wel andere oorzaken herinneren, die daarvan
-ocr page 14-
12
de schuld krijgen; en hij zal het wel met mij eens wezen
als ik beweer, dat als de voornaamste daarvan
worden vermeld,
1°. Het ophoopen van kapitaal.
2°. Het zich te veel ophoopen van menschen in
de groote steden.
3°. De invoering van stoom en electriciteit als
beweeg- en werkkracht.
4°. De weelde, die men „overdreven weelde" noemt:
terwijl men de hoofdoorzaak bijna nooit hoort
noemen, hoewel de verschijnselen, ondersteld zij
worden juist geschilderd, allen bijeengenomen, nog
niet zooveel maatschappelijke ellende veroorzaken
als de overbevolking alleen. En het is opmerkelijk,
hoe vaak het oordeel van hen, die zoo spreken,
wordt beheerscht door het sociale, intellectueele en
godsdienstige standpunt waarop zij staan, die dat
oordeel vellen.
Zoo is het bijv. een bekend stokpaardje van de
sociaal-democraten aan de eerste van die oorzaken
de schuld te geven; maar het ongegronde van die
bewering is reeds zoo vaak aangetoond, dat wij er
hier niet langer bij behoeven stil te staan.
2°. het zich te sterk ophoopen in de groote steden. •
Werkelijk is dit een kwaad — te meer omdat
daardoor vaak handen aan den veldarbeid worden
onttrokken, maar men moet niet uit het oog ver-
-ocr page 15-
>
13
liezen, dat de bevolking van de groote steden, toch
een betrekkelijk klein deel van het menschdom uit-
maakt, terwijl bovendien het verblijf in de steden
een groot voordeel oplevert. Het draagt zeer tot
vorming en ontwikkeling bij.
Wij komen nu aan:
3°. De invoering van stoom en electriciteit als
beweeg- en werkkracht (hieronder dus ook begrepen
de invoering van de machines). De stoom en de
electriciteit maken werkelijk veel handenarbeid over-
bodig, doch men vergeet hierbij gewoonlijk dat om
die krachten aan \'t werk te brengen nog meer han-
den noodig zijn. Men denke slechts aan allen die
spoorwegen, stations enz., gebouwen, rails, toestellen,
wagens maken en den kost aan het bedrijf verdienen.
Dit is toch alleen bij onze twee groote spoorweg-
maatschappijen 25 a 30000 man; welk eene bewer-
king moeten de samenstellende deelen niet ondergaan
eer het ijzererts, uit de ingewanden der aarde gehaald,
in zulke werktuigen is veranderd.
Wat wordt het brood niet goedkoop afgeleverd
als het graan machinaal gezaaid, geoogst, gemalen
en verder bereid wordt.
De telegraaf maakt slechts een deel der postillons
overbodig, doch geeft daarentegen aan veel handen
werk, zoowel om haar daar te stellen als te onder-
houden en te bedienen. En hoeveel voorwerpen
-ocr page 16-
14
worden er niet, dank zij de machines, vervaardigd,
die voor de weinig bemiddelden of wel onmisbaar
zijn, of althans hun heel wat genot opleveren en
die zonder de machines veel duurder en dus in
verreweg de meeste gevallen niet verkrijgbaar zouden
zijn. Zeer terecht zegt de Heer T. Hettema dan ook
in zijn artikel: „De invloed van de machines op den
stand van de loonen", voorkomende in het Dagblad
van Friesland
(Harlinger Courant), een van de num-
mers van het jaar 1894:
„De invoering van de machines veroorzaakt ver-
„laging van prijs; dit vermeerdert ieders inkomen
„en werkt de vorming van kapitaal in de hand,
„getuige Engeland, waar de fabriekmatige nijverheid
„eene hooge vlucht heeft genomen. Nergens is de
„rentestand zoo laag, hetgeen natuurlijk op over-
„vloed van kapitaal wijst.
„Alles te samen genomen mogen wij de invoering
„van de machines een zegen noemen, waarvan de
„gunstige werking alleen is verminderd door den over-
„matigen aanwas van bevolking die in onze eeuw heeft
„plaats gehad.
„De nadeelen, aan de plotselinge invoering van
„vele machines verbonden, zullen in de toekomst
„bovendien nog worden verminderd door het feit
„dat reeds vele kostbare machines in werking zijn
„gesteld."
-ocr page 17-
15
De vierde oorzaak van de sociale ellende van onze
dagen heet eindelijk te wezen: de overdrevene weelde.
Nu is weelde als zij overdreven wordt en in die
mate algemeen heerscht, zeer zeker een maatschappe-
lijk ziekteverschijnsel, maar men noemt vaak „over-
dreven
weelde", wat volstrekt niet als overdreven
verdient te worden beschouwd, doch een natuurlijk
gevolg is van de steeds toenemende verfijning van
smaak en van het streven naar gemak, netheid en
gezondheid; onder anderen in de woningen. Het
denkbeeld van weelde is zeer betrekkelijk; wanneer
men enkele staaltjes van de leefwijze van onze voor-
ouders ziet (zooals die onder anderen door den be-
kenden Franschen staathuishoudkundige, Paul Leroy
Beaulieu, in zijn artikel over de weelde worden
medegedeeld) 1) dan ziet men dat zeer veel van het-
geen zij als weelde zouden hebben beschouwd, nu
zelfs bij de werkende klasse tot de eerste levens-
behoeften behoort; en als men den gang van de
redeneering dien hij daarin volgt, tot in de toekomst
blijft vervolgen, die buiten de grenzen van zijn
artikel ligt, dan ziet men daaruit, dat de weelde
in zekeren zin steeds zal stijgen. Hij bewijst echter
tevens met scherpzinnigheid en kennis van zaken,
dat de weelde er toe heeft bijgedragen de bescha-
1) Eevue des Deux Mondes van 1 November 1894.
-ocr page 18-
16
ving te doen stijgen en vooral ook het leven van
hen die niet rechtstreeks deel aan de weelde hebben,
rijker aan genot te doen worden, ja zelfs de drin-
gendste levensbehoeften, ook voor de minst gegoeden,
meer verkrijgbaar te maken; en in den zin van eene
gevolgtrekking hieruit, voegt hij er bij: „Il y a un
„luxe sain et intelligent, et un luxe malsain, extra-
„ vagant sans que 1\'on puisse dresser une nomen-
„clature qui serait naturellement incomplete et trop
„absolue, de 1\'une et de 1\'autre categorie; Ie luxe
„est sain chez les esprits sains et il est morbide
„chez les esprits maladifs portés a 1\'extravagance."
Nu ik den lezer de kwaal van de overbevolking
in eenige van hare voornaamste verschijnselen heb
doen zien, wenschte ik zijne aandacht op de beide
gevolgen van haar te richten, die ons het meest in
het oog vallen; namelijk:
1°. De werkeloosheid, die wij thans alom zien
heerschen en die weer op hare beurt, zooals ook
iedereen weet, eene der hoofdoorzaken is van:
2°. de socialistische woelingen van onzen tijd.
Hierbij wensch ik er echter wel uitdrukkelijk op
te wijzen, dat zij niet uitsluitend het gevolg zijn
van overbevolking; zij komen ook nog uit andere
oorzaken voort, maar hoofdzakelijk uit overbevol-
king. En dat zij werkeloosheid moet veroorzaken
-ocr page 19-
17
spreekt van zelf; ik behoef daarover niet verder
uit te weiden.
Rest mij nog, nu ik de kwaal heb aangewezen,
als een noodzakelijk vervolg daarop, het genees-
middel tegen haar mede te deelen, zooals ik reeds
op blz. 4 heb gezegd. Ik heb hierbij alleen het ge-
neesmiddel tegen overbevolking te bespreken; midde-
len tegen de maatschappelijke verschijnselen van
onze dagen, die met meer of minder grond mede
als oorzaken van het lijden worden beschouwd,
waaronder het sociale lichaam van onzen tijd ge-
bukt gaat — kan ik buiten beschouwing laten;
ik bedoel hiermede namelijk de verschijnselen, die ik
reeds op blz. 4 en 5 heb vermeld.
Eene bestrijding van hen is vergeefs; immers men
kan de kapitaalvorming niet tegen gaan en men kan
bij den tegenwoordigen stand van de materieele
beschaving de weelde niet doen verminderen; men
kan daar wel tegen prediken, maar daadwerkelijk
stoort niemand zich daaraan. De machines vernieti-
gen — \'t is te dwaas om van te spreken; bovendien
staat het gebruik van de machines tot de weelde in
de verhouding van gevolg tot oorzaak.
Wat men wel zou kunnen doen, dat is: den stroom,
die de bevolking van het platteland naar de steden
voert, in de omgekeerde richting terug voeren, of
2
-ocr page 20-
18
ten minste tegenhouden. Dit zou echter toch ook niet
veel baten, zoolang men de overbevolking zelve
niet in zeer belangrijke mate doet verminderen 1).
Nu is de vraag, welke middelen kan men te dien
einde te baat nemen?
0, zeggen de optimisten, geen nood! er is ruimte
genoeg op de aarde. Er kunnen nog wel milliarden
menschen plaats vinden.
Maar ik zou kunnen vragen, laat uw blik verder
reiken dan eenige tientallen van jaren en wat verder
zien in de toekomst.
Als alles gaat zooals men het voor een mensch
gepast en wenschelijk acht. zooals, volgens sommi-
gen , de natuur het eischt, nl. dat een kalm, werk-
zaam, hygiënisch leven genoten kan worden, dan
vermeerdert eene bevolking zóó, dat deze gemiddeld
in vijf en twintig jaren verdubbeld is, waarvan
vele voorbeelden uit de vorige eeuw in Europa zijn
bij te brengen en in het tijdvak van de ontwikkeling
in Noord-Amerika eveneens; daar zijn verschillende
staten, waarin de bevolking in het midden dezer eeuw
in vijf en twintig jaren juist verdubbeld was, buiten
rekening gelaten de immigranten, zoodat, als wij
ons doel bereiken en er niet zoovelen meer door
epidemiën, door oorlog of door gebrek en kommer
1) Zie het motto van dit geschrift.
-ocr page 21-
19
worden weggemaaid, in weinig eeuwen het geheele
aardoppervlak met menschen bedekt is.
Doch ondersteld men zeide „après nous Ie déluge",
denk dan in elk geval eens hierover na. Hoe zou
het gaan als de overtollige bevolking eener plaats
aangezegd werd om de thans onbewoonbare, niet
ontgonnen deelen der aarde als woonplaats op te
zoeken ?
Sticht in gedachte eens eene kolonie in de tro-
pische en zuidelijke streken van Zuid-Amerika of
in het hart van Afrika, \'t zoude voor de meeste
hetzelfde zijn alsof zij, die daarheen gevoerd werden,
veroordeeld waren om een ellendigen tijd van marte-
ling te ondergaan, en weldra te bezwijken door
invloeden van klimaat en bodem. De philanthropen
wenschen toch zeker geen oorlog of geene epidemie;
en dat zouden toch nog betere middelen zijn om de
te sterk aangroeiende bevolking weer te besnoeien.
Om echter niet beschuldigd te worden, dat ik
vage beweringen voor bewijsgronden geef, zal ik
achtereenvolgens de verschillende deelen van den
aardbol in beschouwing nemen, die — alweer vol-
gens de optimisten — in geschikte woonplaatsen
voor het te veel van de bevolking zouden zijn te
herscheppen; ik meen geen tegenspraak te ontmoe-
ten wanneer ik als zoodanig vermeld:
1°. Noord-Amerika.
-ocr page 22-
20
2°. Zuid-Amerika (meer bepaald Argentinië).
3°. Zuid-Afrika.
4°. Onze Oost-Indische Koloniën.
5°. De onbebouwde streken in ons land.
Ik begin dan met:
1°. Noord-Amerika.
Dit land is langen tijd voor velen een toevluchts-
oord geweest, maar de vloed van de overbevolking
heeft daarvan uit het Oosten zooveel Europeanen
en tevens van uit het Westen zooveel Chineezen
binnengevoerd, dat de regeeringen van die staten
al maatregelen hebben genomen om dien stroom te
keeren en dat daar in oeconomischen zin niet veel
plaats voor landverhuizers meer is, blijkt ook duide-
lijk genoeg uit het groot aantal van hen, die naar
Europa terugkeeren.
In Noord-Amerika is dus geen plaats meer, maar
in Zuid-Amerika. dan? Voor dat gij iemand raadt
daar heen te gaan, moet gij eens lezen wat van de
toestanden daar door een paar personen wordt ge-
zegd, die zeker wel een gezond oordeel daarover
kunnen vellen. Wij lezen dan in het Sociaal Weekblad
van Zaterdag 26 Dec. 1891, 5e jaargang, N°. 52,
blz. 470, het navolgende:
Landverhuizing naar Argentinië.
De Staatscourant van 9 Dec. 1894 behelst een, de
landverhuizing betreffend uittreksel, uit een alge-
-ocr page 23-
21
meen verslag van den Nederlandschen Consul-Gene-
raal te Buenos-Ayres over de Argentijnsche Repu-
bliek, dat voor menigeen eene nieuwe aanbeveling
zal schijnen om naar Zuid-Amerika te trekken.
„Heeft Argentinië", zoo luidt de aanhef\', „tegen-
„woordig in een finantieel opzicht, geenszins ten
„onrechte eene ongunstige reputatie, met evenveel
„recht is dit het geval op het gebied der landver-
„huizing".
Gewaarschuwd wordt tegen het geloof-hechten
aan een ongunstig oordeel over dat land, zooals men
het tegenwoordig telkens hoort uitspreken: „wil
men niet op een dwaalspoor geleid worden; men
doet wel ten deze voorzichtig te zijn, bij de vele
immigranten-berichten, welke vooral in den laatsten
tijd worden openbaar gemaakt."
Intusschen behelst het rapport eene zinsnede, die
hoewel blijkbaar ook neergeschreven ter weerlegging
der ongunstige berichten van den laatsten tijd, de
ellende van den arbeider in Argentinië duidelijk
blootlegt voor wie leest wat er staat. Ziehier: „een
„goed oppassend werkman, iemand die zijn weg
„weet te vinden in het eerst kort bekende land,
„hij die, wanneer er in zijn bijzonder vak juist geen
„werk is, iets anders kan en wil ter hand nemen,
„kortom een inderdaad flink immigrant verdient hier
„in \'t algemeen nog steeds zijn brood."
-ocr page 24-
22
In \'t algemeen, alzoo: een flink, oppassend werk-
man, terstond op zijn gemak in een hem geheel
vreemde omgeving, tusschen menschen wier taal hij
niet verstaat en die twee ambachten kent of er
niet tegen opziet, bij wijlen af te dalen tot los
sjouwerman — zoo\'n pronkjuweel van vlijt, scherp-
zinnigheid en geestkracht verdient in Argentinië niet
eens altijd zijn brood. En in 1895 zijn de toestanden
nog veel slechter dan voor 5 jaar. Die erkentenis is
afdoende. Hoe zij te rijmen is met de rest, blijve
voor rekening van den schrijver. Gewone arbeiders —
om van de middelmatige niet te spreken — kunnen
nu al vast nagaan, hoe groot hun kans is op hon-
gerlrjden.
Bovendien vindt men in het verslag vermeld, dat
er ongeveer 4000 Nederlandsche landverhuizers in
Argentinië gevestigd zijn.... terwijl er toch alleen
in 1889 rechtstreeks 4007 aldaar aankwamen.
Waar zijn nu de duizenden overigen gebleven?
Hoevelen zijn er naar het vaderland teruggekeerd?
Hoevelen jammerlijk ten gronde gegaan? Een goed,
eerlijk verslag zou die vragen onnoodig hebben ge-
maakt. Men kan er echter nu zeker van zijn, dat
het cijfer der laatsten te groot is om er voor uit
te komen en dat het verslag met bijbedoelingen
werd geschreven.
Onze werkeloozen — in den regel niet de be-
-ocr page 25-
23
kwaamste werklui — naar Argentinië te lokken, is
dan ook eenvoudig onmenschelijk. En buitengewoon
degelijke, flinke arbeiders hebben ook hier hun brood,
ja, meer dan dat.
Of is het soms in het nationaal belang van Neder-
land, wanneer de beste werklieden het land ver-
laten? Wordt onze natie, wordt onze maatschappij
door hun vertrek krachtiger of zwakker?
Bedenkt men een en ander, dan staat men er
over verbaasd, dat, terwijl alle andere consulaire
verslagen slechts worden opgenomen in de daarvoor
bestemde en door de regeering bij Greb\'s. van
Cleef uitgegeven „Verzameling", die van den consul-
generaal van Riet, voorzoover zij de landverhuizing
betreffen, bij uitzondering ook in de Staatscourant
worden geplaatst.
Waarop had het departement van buitenlandsche
zaken, toen het in 1888 er mede begon, daarbij
het oog?
En in De Standaard van Dinsdag 6 October 1891
lezen wij het volgende, dat vrijwel als eene zelfde
waarschuwing luidt:
Emigratie.
„Nog altijd schijnen velen in den waan te ver-
„keeren dat emigratie een middel kan zijn om de
„sociale wanverhouding te verbreken. Terwijl er
„gelden in den lande worden bijeengebracht om de
-ocr page 26-
24
„ongelukkige emigranten uit de Argentijnsche Repu-
„ bliek weer naar het moederland te doen terugkee-
„ren, komt de heer v. d. Wall met het plan voor
„den dag, om opnieuw anderen te laten vertrekken."
De heer v. d. Wall wete, dat reeds lang voor hem
over dit middel, om de overvoerde arbeidsmarkt te
verlichten, rijpelijk is nagedacht door mannen, wier
namen in de staathuishoudkunde een goeden klank
hebben en dat dit middel is verworpen, wegens de
groote kosten, die het zou veroorzaken, wanneer
het op groote schaal werd toegepast. (Om den aan-
was van bevolking te keeren zouden er jaarlijks
alleen uit Europa 3 millioen menschen moeten ver-
trekken). En gesteld dat dit geschiedde, dan zouden
de emigranten in de landen, waarheen zij verhuisden,
weldra overbevolking veroorzaken en dus geen
grootere welvaart genieten dan in het moederland.
De kosten worden door den Heer v. d. Wall m. i.
zeer verkeerd berekend. Kapitaal zal niemand aan
een landverhuizer, die in den vreemde iets moet be-
ginnen, leenen a 3 pet., tenzij uit liefdadigheid, die
op groote schaal natuurlijk niet in toepassing kan
gebracht worden.
Rekent de Heer v. d. Wall dan niets voor de
enorme risico1? Hoe dikwijls zouden de ondernemin-
gen der landverhuizers mislukken, zooals wij nog
onlangs gezien hebben in Argentinië (en wat de
-ocr page 27-
25
Vereenigde Staten aangaat — men leze het derde
blad van het Nieutcs van den Dag van 2 October 1891).
Ik wil gaarne aannemen, dat de Heer v. d. Wall
een goede boer zoude worden, maar de twijfel is
toch gerechtvaardigd of dit met al zijn mede-emi-
granten het geval zou zijn. En een weinig verder:
Emigratie werkt goed op kleine schaal, maar een
middel om de sociale wanverhouding te verbeteren
kan het nooit worden; en meerdere studie van dit
onderwerp zal denkelijk den Heer v. d. Wall over-
tuigen, dat hij, zij \'t dan ook met de beste bedoe-
lingen de kracht van het door hem aanbevolen ge-
neesmiddel grootelijks overschat heeft.
En ten slotte in het Nieuws van den Dag van
8 April 1895, 3e blad, 2e kolom, regel 3 van boven.
Brieven uit Amerika.
„Niet alleen de droogte maar ook de voortdurende
daling der prijzen hebben den landbouwer in de
laatste jaren zóó doen achteruitgaan, dat zelfs goede
landerijen in de oostelijke staten bijna niets meer
opbrengen. Onlangs werd in den staat New-York
eene boerderij, die aan een spoorweg en aan een
heerweg was gelegen en 47 Acres groot was, met
huis en schuur, vruchtboomen en ander hout, ver-
kocht voor 200 dollars. Eene andere van 60 Acres
voor denzelfden prijs. Bij zulke prijzen kan men
wel nagaan, dat het land in de oostelijke streken
-ocr page 28-
26
haast in \'t geheel geen waarde meer heeft.
Zij die van plan zijn te immigreeren met het doel
zich hier aan den landbouw te wijden of teel zij, die
eene emigratie-maatschappij willen oprichten, mogen dit
wel bedenken, voor dat zij beslissende stappen doen.
Tot zoover de mededeelingen van personen die
de toestanden aldaar uit eigen aanschouwing en
vaak uit persoonlijke ondervinding kunnen beoor-
deelen.
Leest verder de Officiëele verslagen daaromtrent,
zie de vele particuliere berichten en het groote aan-
tal half verhongerden, dat terugkeert; dan zult gij
daar eene wederlegging van die bewering vinden,
die duidelijk genoeg is.
Ook daar vinden wij dus geen onderkomen; maar
in Zuid-Afrika dan en in de Transvaal? Sommige
noemen deze streek een Eldorado; men vindt daar
een klimaat dat voor Europeanen zeer geschikt is;
daar is bovendien eene maatschappij die hare taak,
alles in gereedheid te brengen ten einde Europeanen
onder dak te helpen, heeft volbracht; en toch
is ook daar slechts voor een klein deel van de emi-
granten een geschikt middel van bestaan te vinden.
Van de 5000 die daar ieder jaar heen trekken
vindt nauwelijks de helft een redelijk bestaan.
Maar onze Oost-Indische koloniën dan?
-ocr page 29-
27
In Nederland, waar wij het onder den druk van
de overbevolking al zoo benauwd hebben, leven
8000 inwoners op eene G geographische mijl, op
Java en Madura 10000.
Men denke er ook aan, hoe vaak als iemand het
denkbeeld oppert, daarheen te gaan om een geschikt
middel van bestaan te zoeken, men van personen,
die met de toestanden daar goed bekend zijn, waar-
schuwend hoort zeggen: „het vet is daar ook al van
den ketel."
Ten overvloede kan ik niet beter doen dan hier
aan te halen, wat wijlen de Heer Gr. Emants, die
veel over sociale toestanden heeft geschreven, over
de landverhuizing in een artikel gezegd heeft, dat
onder den titel: „Oorzaken van Armoede," in de
Vragen des Tvjds van Juli 1889 voorkomt. Hij zegt
aldaar blz. 242 3de alinea):
„Men stelt het nu tegenwoordig voor, alsof land ver-
huizen zoo maar voor allen mogelijk is. Overal worden
faciliteiten verschaft, regeeringen staan om niet of
voor geringen prijs grond af aan wie deze maar
bebouwen willen, en stoomvaart en spoorwegmaat-
schappijen vervoeren tegen eene minimum vergoeding
van kosten, landverhuizers. Dit verblindt velen, die
gaan denken dat het met de bevolking is als met de
oppervlakte van het water, dat voor een oogenblik
wel hoogten en laagten aanwijst, uit zich zelf
-ocr page 30-
28
weldra in zijn natuurlijken toestand terug valt.
Zoo meent men, dat ook hier wel tijdelijke over-
bevolking en gebrek aan bevolking naast elkaar
bestaanbaar zijn, maar dat weldra door vraag en
aanbod eene gelijkmatige verdeeling van de mensch-
heid, naar de bestaanmiddelen, plaats vindt.
Maar land verhuizen is geen genoegen, men gaat
er slechts door nood gedwongen toe over. De mensch
is gehecht aan zijn geboortegrond, hij is gewoon
aan de levenswijze van zijn land, heeft betrekkin-
gen waarvan het scheiden hem hard valt, terwijl
zijn natuur, naar het klimaat van zijn vaderland
gevormd, niet altijd past in den vreemde. Diegenen
zijn dan ook meestal slechts bereid tot vertrek, die
een slecht bestaan hebben, en dat zijn, zooals men
weet, maar al te dikwijls de onkundigen; de ge-
schikte personen kunnen gewoonlijk ook wel in een
dicht bevolkte streek een zekere welvaart genieten.
Daarbij komt nog dat voor landverhuizing een kapi-
taaltje noodig is, om de kosten der reis te bestrij-
den en gedurende den eersten tijd in de nieuwe
woonplaats rond te komen.
Verder is de taal dikwijls een beletsel. De kennis
van vreemde talen bezitten de minder gegoeden
niet, en zij hebben gewoonlijk niet de ontwikkeling,
die hun het aanleeren gemakkelijk maakt.
Wie zich de geschiedenis van den moordenaar
-ocr page 31-
29
Jut met zijne vrouw herinnert, zal weten hoe zelfs
deze schijnbaar ondergeschikte hinderpaal de koloni-
satie belemmert. Men had hier te doen met een
gezin, dat ruim van middelen was voorzien, daar-
mede naar het buitenland was vertrokken, maar
niet bij machte was de engelsche taal aan te leeren
en daardoor zooveel bezwaren ondervond in den
omgang, dat het gedwongen was terug te keeren.
Voorts ligt een hinderpaal in het klimaat en meer
omdat landverhuizers niet komen in een land van
melk en honig, waar de rijkdom zoo maar voor \'t
opnemen ligt, maar hard moeten werken, dikwijls
harder dan in de sterk bevolkte streken en dit nog
wel dikwijls te midden van gebrek. Wie daarom geen
veerkrachtige natuur heeft, moet van de kolonisatie
alleen daarom reeds afzien, of zal, zoo hij gaat, in
zijne verwachtingen deerlijk te leur gesteld worden.
Dan ook heeft men, om onder andere voorwaar-
den te gaan leven, behoefte aan een eenigszins kos-
mopolitisch karakter. Velen kunnen ook daarom
hun vaderland niet verlaten, zooals bijv. de Franschen;
en wie er toch toe overgaan, gevoelen zich ver van
den kring waarin zij verkeerden, ongelukkig, het-
geen op hun arbeid natuurlijk een allerongunstigsten
invloed uitoefent.
Eindelijk is voldoende vakkennis een groot strui-
kelblok. In de sterk bevolkte landen behooren vele
-ocr page 32-
30
gezonde en krachtige mannen uit de werkende
klasse, die overigens voor landverhuizing in de eerste
plaats in aanmerking zouden komen, tot diegenen
die, „van alles kunnen" zooals zij zeggen.
Dit „alles" moet, zooals men weet, zeer beperkt
worden opgevat; het beteekent meestal dat werk
van allerlei aard door hen is aangepakt om aan
den kost te komen, maar zonder kennis van be-
teekenis. Dergelijke werkkrachten zijn voor land-
ontginning zoo goed als altijd zonder waarde. Er
wordt hier vakkennis gevorderd; is het land dun
bevolkt, voornamelijk van den landbouw, is de
verdeeling van den arbeid grooter dan ook van
andere vakken.
Deze laatste hinderpaal is op zich zelf reeds zoo
groot, dat overbevolking en onbebouwde grond
naast elkander blijven bestaan, niet alleen op groote
afstanden, maar in elkanders onmiddellijke nabij-
heid. De Vereeniging voor fabrieks- en handwerks-
nijverheid en de Vereeniging voor nijverheid hebben
zich eenige jaren geleden weder verdienstelijk ge-
maakt, door eene commissie te benoemen, die
onderzoeken zou in hoeverre heide-ontginning aan
overtollige personen werk zou kunnen verschaffen.
De commissie kwam tot het resultaat, dat de over-
bevolking der steden op deze wijze niet te ver-
helpen is. De Voorzitter der Commissie, Mr. Pahud
-ocr page 33-
31
de Mortanges, die zoo beleefd was mij inlichtingen
over deze zaak te geven, schreef mij: „de werkeloo-
zen in de groote steden bestaan grootendeels uit
ambachtslieden, zooals schilders, meubelmakers,
metselaars, timmerlieden enz., allen menschen die
het spitwerk niet verstaan en ook niet bij machte
zijn het te verrichten, zooals dit bij eene ontgin-
ning van heidegrond gevorderd wordt. Zij hebben dit
nooit gedaan noch geleerd; hunne lichamelijke ont-
wikkeling maakt hen daarvoor ongeschikt, terwijl
zij daarenboven aan een stadsleven gewoon, zich
niet of moeielijk aan een landleven gewennen."
Tot dit resultaat kwam de Commissie, die natuur-
lijk in de verste verte niet met de bezwaren had
te kampen, aan landverhuizing verbonden. Het oor-
spronkelijke plan was zelfs, zoo ik mij niet vergis
om dagelijks de werkkrachten met den trein heen
en terug uit de stad naar het land te brengen,
zoodat ieder zijne oorspronkelijke leefwijze zou kun-
nen voortzetten en zelfs daartoe zag zij geen kans.
Waar dus de wanverhouding tusschen bevolking en
vraag naar arbeidskrachten op zoo korten afstand
blijft bestaan, daar behoeft men niet te vragen,
hoe armoede door landverhuizing is te verminderen
of op te heffen.
En zij voor wie al deze bezwaren niet bestaan,
vinden nog moeielijkheden in de verschillende
-ocr page 34-
32
eischen aan vakgenooten in verschillende landen
gesteld.
Gesteld bijv. er zijn in Nederland timmerlieden
te veel en in Zuid-Afrika te weinig, dan is het
mogelijk dat in Afrika timmerwerk te veel verspreid
is om werklieden alléén daarin een bestaan te ver-
schaffen; men moet dan timmerman en landbouwer,
timmerman en verver, oppasser, kok of wat ook zijn.
Er komen aldus allerzonderlingste combinatiën
voor: de vakkennis behoeft misschien niet zoo vol-
ledig te zijn als in West-Europa of andere dicht
bevolkte streken, maar zij moet van verschillenden
aard zijn bij één en denzelfden individu en aan die
voorwaarden voldoen de landverhuizers ook maar
niet terstond. Zij kennen gewoonlijk slechts één
handwerk en beoefenen zij er meerdere, dan is het
toeval indien de combinatie is, gelijk men haar
behoeft."
Moet het nu verwondering baren, dat door dit
alles de landverhuizing, naar evenredigheid van de
bestaande wanverhoudingen, zeer beperkt is? De
bezwaren zijn zoo vele, dat men wel kan aanne-
men, dat landverhuizing in zekeren zin uitzondering
zal blijven. Ik wil hier nog in verband met de emi-
gratiekwestie in herinnering brengen dat, zoo deze
op groote schaal uitgevoerd werd en daardoor bijv.
drie millioen personen per jaar Europa verlieten,
-ocr page 35-
33
dit wel het bestaande te veel verwijderen zoude, doch
het, door onbeteugeld procréeeren, aanstaande te veel,
niet zoude tegengaan.
Wij zullen dus maar in ons eigen land blijven,
zeggen alweer de optimisten; en dan zullen wij
daar den grond gaan ontginnen. "Welnu, wij hebben
gezien welke bezwaren emigratie naar andere landen
in het algemeen als naar Noord-Amerika in het bijzon-
der
met zich brengt; en toch in weerwil van dit
alles vluchten nog velen daarheen. Zoo gingen bijv.
in 1S92 ruim 109000 emigranten alleen uit Odessa,
regelrecht naar Amerika, 22000 uit Amsterdam en
Rotterdam, uit Engeland, Schotland en Ierland
248000, uit Duitschland 130000, uit Oostenrijk
45000, uit Scandinavië 44000, uit Italië 32000, uit
Portugal 16000, uit Denemarken 6000 en uit Frank-
rijk slechts 5000. Wij zien hieruit dat 657000 per-
sonen in één jaar uit Europa vluchtten, om hunne
positie te verbeteren. Hiervan gingen 619000 naar
de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Waarom
verlieten deze lieden hun geboortegrond? de plaats
waar hunne ouders leefden, de plaats waar eens
hun wieg stond, de plaats waarvan het natuurlijk
nationaliteitsgevoel ieder zoo noode doet scheiden.
Zij zouden dat toch zeker niet hebben gedaan als
zij op de onbebouwde streken in hun eigen land
3
-ocr page 36-
34
een bestaan hadden kunnen vinden door deze te
gaan ontginnen.
Ten slotte zal ik nog eene bevolkingsstatistiek
van den beroemden statisticus Ravenstein aanhalen;
deze geeft aan, dat in 1800 de aarde pi. m. 1467
millioen bewoners had, dat de bevolking gemiddeld
per 10 jaar 8 pCt. toeneemt, zoodat bij dezen gang
van zaken er in het jaar 2073 6000 millioen be-
woners zullen zijn, dus over 182 jaar de aarde vol
zoude zijn, want de steppen en de woestijnen niet
medegerekend zouden dan 12420 bewoners op elke
D Greogr. mijl gevonden worden, wat als maximum
mag aangenomen worden.
Nu kunnen wij ons wel van de zaak afmaken
door te zeggen: komt tijd, komt raad, maar dit is
iets, waar het gevoel van iedereen tegen op zal
komen, die in den waren zin van het woord mensch
is. Wij moeten met terzijdestelling van alle voor-
ingenomenheid de zaak van alle zijden rationeel
beschouwen en onzen blik verder laten gaan dan
onze levensperiode en onze kleine omgeving; wij
moeten den weg aanwijzen waardoor veel ellende
afgeweerd kan worden en waardoor voorkomen wordt
dat zoo oneindig veel slachtoffers van \'t noodlot
in \'t leven geroepen worden.
Nu zal men zeggen: „Wij zijn het met u eens,
maar wat moeten wij dan doen om verbetering in
-ocr page 37-
35
die toestanden te brengen? Wat moeten wij doen
om die overbevolking tegen te gaan?"
En mijn antwoord daarop luidt:
Zij die een huwelijk aangaan moeten het noodige
doen, om te zorgen, dat er uit hun huwelijk geene
menschen geboren worden, waarvan het te voorzien
is, dat zij of zeer vroeg weer zullen sterven door
gebrek aan goede zorgen of dat zij hier een leven
van ontberingen moeten leiden. Ziedaar het krachtige
middel dat ik u tegen de overbevolking aan de
hand wilde doen.
Ik zal u niet meevoeren, lezer, naar de plaatsen
waar ik uit den aard mijner betrekking en door
de zucht om kennis te maken met de verschillende
toestanden waarin de mensch leeft, zooveel lijden
zag; waar ik zoo oneindig veel pas geborenen zag
te gronde gaan door gebrekkige zorg; waar ik
zoovele ouderen met de uitdrukking van levens-
moeheid op \'t gelaat een treurig leven zag voort-
slepen; naar die gezinnen waar een zekere stand
opgehouden moet worden, doch waar voor de vele
spruiten geen voldoend voedsel te verstrekken was;
denk slechts aan die groote gezinnen waarvan het
hoofd een vast inkomen heeft en waar onder den
invloed van onbezonnenheid en bij gebrek aan erva-
ring, een budget opgemaakt wordt, dat het eerste
jaar kan voldoen, maar waarvan spoedig blijkt dat
-ocr page 38-
36
de fundamenten niet deugden voor veel langer ter-
mijn, als daar weldra vijf, zes of meer telgen met
gezonde magen eene min of meer kostbare opvoe-
ding eischen; denk dan aan die groote werkmans-
gezinnen waar ongeveer de helft van het kroost
voor het tweede jaar begraven wordt omdat vol-
doend voedsel en goede verzorging ontbreken en
waar de nog zeer talrijke rest moet opgroeien onder
de ellendigste omstandigheden, waar honger, onzin-
delijkheid en zedelijk verval hun stempel zichtbaar
op afdrukken. Voor weinig jaren wees de statistiek
nog aan dat circa £ der kinderen beneden de 5 jaar
stierven.
Ik kan ze u dagelijks bij honderden aanwijzen,
waar de physieke en moreele toestand zoo ellendig
is, dat men medelijdend moet vragen: wat hebben
die ongelukkigen toch misdreven, dat zij zulk een
treurig leven moeten lijden; en waarom worden
zoovelen geboren die toch zoo spoedig weer moeten
sterven.
Hij wiens denkwijze door confessioneele gemoeds-
bezwaren wordt overheerscht, zal het onzedelijk
vinden de procreatie tegen te gaan; maar kan hij
met logische consequentie de zaak overzien, dan
moet hij het misdadig vinden om voor korter of
langer tijd het leven te schenken aan onschuldige
individuen, die veelal geboren worden om te lijden
-ocr page 39-
37
en niets of weinig kunnen doen ten algemeene nutte
of tot ontwikkeling van het menschdom.
Er kunnen slechts twee bezwaren bestaan tegen
het beperken der geboorte; het eerste berust op
de orthodox-godsdienstige overlevering, wegens eene
langgeleden opdracht aan een bepaald man, voor
eene bepaalde streek (Abraham voor Kanaan)
dat de mensch zich overal en altijd moet
vermenigvuldigen en liefst met alle kracht, die in
hem is, opdat niets verloren ga; maar waar blijft
dan de consequentie? er moesten dan toch voor
eiken man minstens eenige dozijnen vrouwen be-
schikbaar zijn; en zoodra deze de kiem van een
aanstaand wereldburger bij zich droegen, gedurende
circa een jaar onaangeroerd blijven; en sla eens
een blik in de natuur, in de planten en dieren-
wereld. Hoevele zaden gaan niet verloren, waarvan
nooit vruchten komen, of waar de vrucht wel tot
rijpheid komt maar nooit eene nieuwe plant wordt
of tot voedsel zal dienen. In de plantenwereld zien
wij steeds altijd en overal hetzelfde verschijnsel, nl.
dat als er ruimte op geschikten bodem is, de ver-
menigvuldiging zeer snel en weelderig plaats heeft,
komen er te veel bijeen, dan wordt het voedsel
dat de plant uit lucht en bodem trekt ontoereikend
om krachtige planten te maken terwijl het produc-
tief vermogen nog lang intact blijft. Vele zaden
-ocr page 40-
38
komen tot ontkieming, doch de levensomstandig-
heden zijn niet meer zóó dat een krachtige plant
gevormd wordt. Zij worden in hare bekrompen
ruimte steeds minder krachtig en men ziet weldra
een krachtig eikenwoud verkwijnen tot een onbe-
duidend kreupelhout.
Dit natuurlijk verschijnsel kan men ook op de
graanakkers waarnemen, terwijl de dierenwereld
hetzelfde te aanschouwen geeft. Tot toelichting op
dit laatste zal ik den lezer een geval van dien
aard mededeelen, dat aan mijne persoonlijke onder-
vinding, uit mijne jongelingsjaren ontleend is.
Ik kreeg nl. een paar witte muizen, dat zich in
weinige maanden in eene ruime woning bij rijkelijke
voeding tot een tachtigtal had vermeerderd. Toen
ik die weelderige procreatie wilde matigen, be-
steedde ik minder zorg aan hunne hygiëne en gaf
veel minder voedsel, denkende dat de productiviteit
wat zou verminderen. Ik bedacht er echter niet aan
dat zij geen ontwikkeld verstand hadden en dus ook
geene goed georganiseerde maatschappij vormden
waar de rechten voor elk individu door politie en
justitie worden verdedigd.
Het recht van den sterkste gold en het vreed-
zame leven, waarbij procreatie en voeding de hoofd-
rol speelden, verdween. Toen het voedsel schaarsch
werd, zag ik de sterksten den zwakkeren het laatste
-ocr page 41-
39
voedsel ontnemen; toen dit geheel verbruikt was,
begon een waar Kanibalisme in de kooi te heer-
schen; een algemeene strijd ontstond en dagelijks
werden door de sterksten eenige der zwakkeren
gedood en als voedsel gebruikt, zoodat in weinig
weken van de tachtig muizen nog slechts twee
waren overgebleven.
Wij kunnen met eenige welwillende medewerking
van ons voorstellingsvermogen een parallel trekken
tusschen die muizenwereld en de menschenmaat-
schappij; want al eten wij nu onze natuurgenooten
niet op, wij maken door den nood gedrongen elkaar
toch het leven zoo moeielijk, dat velen, eerst door
moreele moedeloosheid getroffen, weldra physiek zoo
zeer achteruit gaan, dat een vroegtijdige dood na
een ellendig leven er een einde aan maakt.
De mensch vermag echter op elk gebied van dien
aard met behulp van zijne rede in te grijpen, ten
einde den al te weelderigen groei van planten en
dieren te keer te gaan; en niemand heeft bezwaar
daartegen, zoolang het de planten of dierenwereld
geldt.
Dit alzoo zijnde, is de mensch, die in de planten-
en dierenwereld nuttig tusschenbeide kan komen,
teneinde een al te sterken groei te beletten, ge-
rechtigd niet alleen maar ook verplicht, dit ook in
-ocr page 42-
40
de menschenwereld te doen; en het vernuft moet
naar middelen zoeken om dit doel te bereiken,
zonder het gevoel van sexueele betamelijkheid te
kwetsen en zonder de eischen van de hygiëne daarbij
uit het oog te verliezen.
Dat dit mogelijk is, bewijzen ons sommige volken.
Niemand is van deze leer meer doordrongen dan de
Franschman en de praktische geloovige Amerikaan.
Men vindt daar alleen bij uitzondering nog zulke
groote gezinnen; en vooral Frankrijk toont ons dit
in de eerste plaats, daar de boerenstand aldaar,
ook reeds met preventieve middelen goed bekend
is; en waar heerscht meer welvaart? waar meer
geestelijke opgewektheid? En wat is de oorzaak dat
Frankrijk in 1892 met zijne ruim 40 millioen be-
woners slechts 5000 1) emigranten leverde, terwijl
Nederland met zijn gemoedelijken procreatiegeest in
dat jaar, met nog geen vijf millioen inwoners, meer
dan 10000 emigranten leverde? 2)
Daarom zijn ook de socialistische woelingen daar
vooral ten plattelande zooveel minder erg dan elders.
En dat er wel degelijk verband bestaat tusschen de
woelingen en het niet toepassen van het middel dat
ik hier bedoel, blijkt ten duidelijkste uit mededee-
1)  Zie pag. 33.
2)  Zie pag. 33.
-ocr page 43-
41
lingen die ons hieromtrent door dr. Minime in zijne
brochure worden gedaan. Hij zegt daar op blz. 1:
„ Dans les milieux ouvriers et surtout dans les
„ grands centres, Ie malthusianisme u\'est pas en
„ usage, ce qui tient a 1\'ignorance des pratiques
„necessaires, a 1\'indifférence et a 1\'abandon."
En op blz. 3:
„ L\'ouvrier... qui n\'a pour vivre que Ie salaire
„ quotidien, salaire considérablement reduit par Ie
„ chomage et la maladie, produit beaucoup d\'enfants."
Uit dat groot aantal arme kinderen ontstaat natuur-
lijk werkeloosheid onder hen die geen ander middel
van bestaan hebben dan handenarbeid en aangezien
socialistische woelingen het natuurlijk gevolg zijn
van werkeloosheid — zoo verklaart zich hieruit het
verschijnsel, dat die „ grands centres " tevens brand-
punten van het revoïutionnair-socialisme zijn. En nu
ik hier op het gebied van de werkeloosheid, met
dit gevolg van haar, ben verzeild geraakt, wenschte
ik daarbij nog even stil te staan.
Velen die in de zaken niet gaarne verder door-
dringen, dan een oppervlakkige blik toelaat, zijn
moeilijk te overtuigen en voor dezulke heb ik nog
de moeite genomen om, uit verschillende officieele
stukken, cijfers te putten, die als versterkend be-
wijs kunnen gelden voor mijne overtuiging, die ik
zoo gaarne door iedereen zag overnemen, die wer-
-ocr page 44-
42
keiijk het middel zoeken om veel maatschappelijke
ellende weg te nemen.
Om te bewijzen dat de overbevolking en daardoor
de werkeloosheid en het pauperisme onrustbarend
toeneemt geef ik hier cijfers uit het z.g. blauwe
boek dat de werkeloozen in 1890 in Engeland aan-
geeft. Deze geven n.1. aan dat in 35 districten van
Engeland-Schotland en Ierland, waar de statistiek
hieromtrent de meest betrouwbare cijfers geeft,
dat in Januari 1893 325 800 en in Januari 1S94
342 680 werkeloozen waren, dus in een jaar 16 880
meer. Verder dat de verschillende vakvereenigingen
in 1892 in het Britsche rijk 68 559 leden telden,
die allen toch met goeden wil gewapende en ge-
oefende werklieden waren en dat daarvan 21642,
met den besten wil geen werk konden vinden om
in hun onderhoud te voorzien, dat het aantal armen
in Londen in Januari 1892 was pl.m. 95000, in
1893 pl.m. 105 000.
Uit eenzelfde werk, over de Vereenigde Staten
van Noord-Amerika zien wij, dat in 1892 gemiddeld
5,5 pCt. van de bevolking werkeloos was en in 1893
6  pCt.; en dat in 1893 in de 13 voornaamste steden
van die staten op een gezamenlijke bevolking van
7 304100 inwoners 427 000, dat is 6.3 pCt, werkeloos
waren.
Hij, die deze cijfers onpartijdig overweegt en in
-ocr page 45-
43
verband brengt met de maatschappelijke toestanden,
kan dunkt mij, tot geen andere slotsom komen als
die waarbij zij , als oorzaak, overbevolking aanneemt.
Als geneesmiddel tegen dit ziekteverschijnsel tracht
men kunstmatige werkverschaffing aan te nemen.
Maar ik vraag hun, die dit middel als een afdoend
beschouwen: Zoudt ge werkelijk meenen dat de
maatschappij er door gered werd, als wij al die
werkeloozen met kunst en vliegwerk bezig hielden?
Er zijn toch pakjesdragers genoeg, boerenarbeiders
te veel, elke smid, timmerman, metselaar enz. kan
dagelijks dozijnen knechts krijgen. En neemt nu
eens aan, dat het mogelijk was eene groote machine-
fabriek, steenbakkerij, of welk industrieel atelier
ook met dat doel op te richten — waar zou men
dan met de produkten van al zulke inrichtingen
moeten blijven? Sommige machinefabrikanten moeten
al werkvolk afdanken daar er ten nadeel e der werk-
gevers overal meer voorraad is dan de afnemers
kunnen gebruiken; er worden reeds meer steenen
gebakken dan men noodig heeft, vele smeden maken
des zomers werk in voorraad om de knechts aan
den gang te houden; neemt eens aan dat wij alle
heiden, plassen en binnenzeeën begonnen te ont-
ginnen en droog te maken, ja zoolang dit werk
duurt is het een middel van bestaan voor vele
polderjongens en voor hen die de gereedschappen
-ocr page 46-
44
zullen leveren, maar wat helpt dit op den duur ?
Men schijnt bij al dat kunstmatig werk verschaffen
ook nog een ding uit het oog te verliezen, wat bij
eene nuchtere beschouwing toch dadelijk in \'t oog
moest vallen, nl. dat werkverschaffen in de meeste
gevallen niets anders is, dan het verplaatsen der
werkeloosheid. Om dit te bewijzen slechts een voor-
beeld: voor een paar jaren heeft de Maatschappij
tot Nut van het Algemeen, een paar dorpen in
Friesland waar vooral \'s winters veel gebrek wordt
geleden, de bevolking aldaar uit de armoede gered,
door haar in de gelegenheid te stellen, al het be-
noodigde vischtuig zooals manden, netten enz. te
vervaardigen, wat de visschers op de Noordzee aldaar
noodig hadden. Zij, die dit middel met goede be-
doeling in praktijk brachten, hebben er niet over
nagedacht, dat die arme werklieden van andere
plaatsen, die vóór hen die gereedschappen leverden,
nu werkeloos gemaakt waren en gebrek leden.
Zeer terecht zegt dan ook de heer W. M. H. Anten,
geheel in denzelfden geest sprekende, in zijn stuk
„ Een krachtdadig middel tot bestrijding van werke-
loosheid" — in De Controleur van 27 Jan. 1194,
blz. 3:
„ Nu de werkeloosheid met de ellende die haar
natuurlijk gevolg is, zich in dezen tijd van het jaar
vooral in Amsterdam en in de Noordelijke provin-
-ocr page 47-
45
ciën van ons land weer zoo kwellend merkbaar
maakt, kunnen wij in de verschillende bladen zien,
dat men niet weet welke middelen men daartegen
al niet zal te baat nemen; de een beveelt dit aan,
de ander dat; en tusschen de regels door is dan
toch nog de wanhopige overtuiging te bespeuren,
dat men al wat men van dezen aard verzint, zelf
toch nog maar als palliatieven beschouwt, waartoe
men zijne toevlucht neemt — meer omdat men voelt,
dat er toch iets moet worden gedaan, dan omdat
men overtuigd is, dat men er baat bij zal vinden.
Het voornaamste van die wanhoopsmiddelen heet
„Werkverschaffing", of als men het niet met dien
mooi-klinkenden naam wil noemen, maar zooals \'t
precies behoort genoemd te worden: men zoekt en
peinst of er niet het een of ander is uit te denken
of te vinden waar men den werkelooze werk mee
kan verschaffen; dan is men tenminste voor het
oogenblik weer geholpen. Maar het ligt toch voor
de hand, dat zulke mijnen van werk ééns uitgeput
moeten raken; en zelfs hij die zich met de optimis-
tische machtspreuk laat gerust stellen: „ er is altijd
wel werk te vinden-!11 zal in zijn for intérieur moeten
erkennen, dat hij er bij moest voegen: „maar lang
niet genoeg om alle werkeloozen te helpen!11 Het
is dan ook vreemd en treurig tegelijk, dat men al
niet lang baat heeft gezocht bij het eenige middel,
-ocr page 48-
46
dat op den duur afdoend verbetering kan aanbrengen:
de vermindering, in belangrijke mate, van het aan-
tal geboorten, zooals ook in het Januari-nummer
van het maandblad The Malthusian — het orgaan van
den Engelschen Nieuw-Malthusiaanschen bond —
werd opgemerkt. En te meer is dit te verwonderen
en te betreuren, omdat het een waarheid is, waar
een van onze grootste autoriteiten op het gebied
van Staathuishoudkunde al vrij lang geleden op
heeft gewezen; ik bedoel Mr. N. G. Pierson, onzen
tegenwoordigen Minister van Financiën (in zijn Leer-
boek der Staathuishoudkunde, deel II blz. 163.)
Nu ligt het voor de hand, dat het eenige middel
dat men bij personen uit de volksklasse, waaruit
de werkeloozen voortkomen, practisch te baat kan
nemen om het aantal geboorten in die mate te doen
verminderen, bestaat in de toepassing van het Nieuw-
Malthusianisme: dit stelt hen namelijk in staat, op
even vroegen leeftijd te huwen en evengoed al de
genietingen van het huwelijk deelachtig te worden
als de meer gegoeden. En nu moge men daartegen
inbrengen: „ daar zijn die arme werkeloozen nu op
het oogenblik niet mee geholpen!" dan antwoord
ik : neen, niet aan werk geholpen, dat is waar, maar
het is toch ook even goed waar, dat zij voor hun
persoon
dan tenminste gevrijwaard zijn tegen ver-
ergering van ellende door het toenemen van het
-ocr page 49-
47
aantal van hunne kinderen; en dat als dit middel
het eenige afdoende is, dan moet er toch ééns een
begin mee worden gemaakt, het in toepassing te
brengen; anders komt er nooit een einde aan dat
lijden."
Alles wel overwegende, wat ik tot nog toe hier
heb gezegd, kom ik tot de slotsom, dat, zoo wij
ons niet weten los te maken van „ de orthodoxe
overlevering, dat de mensch zich moet vermenig-
vuldigen en dit liefst met alle kracht die in hem is,
de rampzaligste gevolgen niet kunnen uitblijven;
geene middelen zullen daartegen baten: dit moet
iedereen duidelijk zijn of worden, die zijne oogen
maar niet moedwillig daarvoor sluit; hij zal dan
met mij zeggen:
„ Het grootste gedeelte van het menschdom ver-
„ keert nu reeds in ellende en hoe langer zoo meer
„neemt dat cijfer grooter verhoudingen aan."
Te leven moet een genot, althans geen straf zijn,
maar hoevelen die reeds met den strijd en de zorgen
des levens kennis gemaakt hebben, roepen niet in
wanhoop uit: „Mijn God, waarom ben ik geboren?"
Niemand vraagt daar ook om en iedereen wordt
„malgré lui" maar in dit aardsche strijdperk ge-
plaatst, terwijl de procreator er niet over nadenkt
of hij het product zijner wellust er een genoegen
-ocr page 50-
48
mee doet, of de nieuwe wereldburger plaats kan
vinden op het schip dat hem moet overvoeren; of
de afstand van zijn wieg tot zijn graf groot genoeg
zal zijn dat hij tijd heeft om als mensch tot volle
rijpheid te komen, zoodat hij bij het scheiden kan
zeggen: „ Ik heb gelukkig geleefd!" ik heb ten alge-
meene nutte gearbeid! ik heb op waardige wijze
deelgenomen aan het grootsche werk, het mensch-
dom dichter bij de geestelijke volmaaktheid te
brengen.
Willen wij ons dus den naam van verstandelijke
en zedelijke wezens ten volle waardig maken, dan
moeten wij, even als de Franschen „ modérer la
procréation".
En nu nog in \'t kort een en ander over de
middelen, die aangewend kunnen worden om over-
bevolking te weren en groote gezinnen te voor-
komen.
Hoe zal ik dit aanvangen? Het behoort nu een-
maal tot de hedendaagsche zeden, alles wat op het
sexueel verkeer betrekking heeft zeer geheimzinnig
te behandelen. Dit mag met het oog op de naïve
-ocr page 51-
9
jeugd gewenscht zijn, voor het overige is het eene
traditioneele dwaasheid, eene door cultuur gerijpte
gewoonte, eene af te keuren struisvogel-politiek, \'t
is in een woord eene belachelijke kwasienaïveteit.
Ieder man en de meeste vrouwen weten toch, waar
het op neer komt, de schoolkinderen lichten elkander
immers, gewoonlijk reeds lang voor de puberteit
(geslachtsrijpheid) in, voor de jeugd is het steeds
het meest geliefde onderwerp van het gesprek.
Opmerkelijk is het, dat de meeste ouders nog
meenen dat hunne kinderen onwetend, ja onschuldig
zijn. Ik vraag mij dikwijls af, hoe komt het toch
dat wij zoo naïf zijn, en het antwoord is: „ omdat
wij steeds eene nadeelige geheimzinnigheid in acht
nemen, zoodra het de sexueele kwestie geldt". Ik
noem dit daarom nadeelig omdat het daardoor voor
ons gevoel shocking blijft, deze zaken in het ware
daglicht te stellen en als eene opvoedkundige kwestie
openlijk en overal waar dit nuttig kan zijn te be-
spreken. Wij behoeven dit onderdeel der natuurlijke
historie niet als dagelijksche kost met onze kinderen
te bespreken, maar daar waar het te pas komt en
nut kan hebben, moeten wij er ruiterlijk voor uit-
komen dat het voldoen aan de natuurlijke eischen
van het geslachtsleven, regel is. Het is eene be-
lachelijke dwaasheid, dat velen geheele onthouding
prediken in navolging van Malthus, want zij, die
4
-ocr page 52-
50
dit doen, weten zeer goed, dat zij zelven dit ook
niet gedaan hebben en het verraadt eene mensch-
kundige onwetendheid of gemaakte naïveteit, als
men zich zelven wijs maakt, dat men eene uit-
zondering maakt of maakte. De feitelijke waarheid
is, dat iedereen die normale sexueele organen heeft,
deze gebruikt, op welke wijze dan ook.
De natuurlijkste wijze om aan deze ontembare
aandrift te voldoen, is de geslachtsvereeniging en
daarom moet de gelegenheid hiertoe voor iedereen
bereikbaar gemaakt worden op een leeftijd waarop
die aandrift tot geheele ontwikkeling gekomen is.
Dan kan men met recht en billijkheid eischen, dat
de jeugd zich onthoude van het immatuur sexueele
genot en daarvoor afdoende, opvoedkundige middelen
beramen, \'t Is laf om onthouding te eischen, tenzij
hij, die dit doet, eene impotente natuur heeft, want
die dit niet heeft, heeft aan dien eisch ook niet
voldaan en zal het nu van anderen verlangen. Ik
verklaar ieder, die dit tegenspreekt voor oneerlijk,
voor onoprecht. Treurig, comisch is het feit, dat
juist in die klassen en coteriën, waarin het meest
gepredikt wordt tegen het nieuw-Malthusianisme,
de meeste personen gevonden worden, die het ten
eigen bate in praktijk brengen. Bij de meesten van
hen vindt men in de slaapkamers een klein arsenaal
van irrigators, pessariums et tutti quanti. Onge-
-ocr page 53-
51
looflijk is ook het aantal dat daarvan uit de maga-
zijnen afgeleverd wordt. Het wordt echter zeer
clandestien behandeld, alleen de huisarts en ver-
trouwde vriendin weet ervan. In de gesprekken over
dit onderwerp wordt het echter gewoonlijk ge-
negeerd.
Daar ik zoo sterk overtuigd ben van deze waar-
heid , is steeds mijn streven om het middel te vinden
waarop aan dezen eisch der natuur voldaan kan
worden, op de minst schadelijke wijze; op de wijze
waarop het gevoel het minst gekwetst wordt, het
physiek het minst benadeeld wordt en waarop de
maatschappij gevrijwaard blijve van een overtollig
aantal individuen, waardoor het menschelijk bestaan
onbeschrijfelijk ellendig, een straf, een ramp wordt.
Een in alle opzichten afdoend middel hebben wij
nog niet en daarom moeten wij ons behelpen met-
het beste wat wij hebben en dat zijn die van het
Nieuw-Malthusianisme. Wordt hierbij met het oog
op de moreele zijde van het vraagstuk de man op
den achtergrond geplaatst, de vrouw komt hier meer
op den voorgrond en heb ik reeds verklaard, dat
van hygiënische zijde tegen de toepassing van het
Nieuw-Malthusianisme geen bezwaren bestaan, van
moreel-oeconomische kan het ook gebillijkt worden.
Met het oog op den eisch der natuur ten opzichte
van het sexueel genot hebben wij slechts te kiezen,
-ocr page 54-
52
hieraan te voldoen op onnatuurlijke of natuurlijke
wijze, want behoudens de hoogst zeldzame uitzon-
deringen , icordt er aan voldaan zoodra de puberteit
daar is. Wij behoeven dit niet van de daken uit te
bazuinen maar als mannen, die de waarheid huldigen
en den mensch willen verbeteren, een anthropolo-
gisch-physiologisch onderwerp behandelen, moeten
wij er rond voor uitkomen, dat dit de feitelijke
waarheid is en er niet met eene zekere schuchter-
heid om heen draaien en eene houding aannemen
alsof wij wel weten, dat velen schandelijk aan hunne
sexueele lusten toegeven, doch dat wij anders zijn
of waren. Zoolang wij zoo onwaar e» traditioneel
huichelachtig blijven, verwacht ik geen verbetering
op dit gebied, niettegenstaande alle goedgemeende
raadgevingen, al het werken en het streven van
vereenigingen tegen onzedelijkheid, prostitutie en
dergelijke. Veel kwaad, om de zuivere waarheid
tot gemeengoed te maken, doen ook de werken
zooals die van den Zweedschen Professor Ribbing,
die zich uitsluitend op ethisch standpunt plaatst en
bijv. op pag. 42 en 43 aanbeveelt, dat jonge echt-
genooten zich onder gewone omstandigheden uu en
dan twee a twee en een half jaar van het geslachts-
verkeer zullen onthouden. Niettegenstaande het
gunstig onthaal en den overvloedigen lof dien dit
werk te beurt viel, vraag ik elk waarheidslievend
-ocr page 55-
53
echtgenoot met natuurlijk gevormde geslachtsorganen:
kan aan dezen eisch der Ethiek voldaan worden?
zal niet elk eerlijk man bij zich zelf moeten erken-
nen, dat dit te machtig is voor eene gezonde natuur?
Hoewel er veel goeds in dat werkje voorkomt en
de ethische consequentie goed is volgehouden, geeft
de schrijver toch, aangenomen hij ter goeder trouw
is, blijken van onbekendheid met den waren toe-
stand zooals die feitelijk is en met de menschelijke
natuur; althans als de mensch ook niet gecastreerd
of opgesloten wordt, zooals zijne paarden (pag. 21).
Met het oog op de vaste overtuiging, dat wij op
zedelijk terrein niet vooruit zullen komen zoolang
de zuivere waarheid wordt verscholen achter onbe-
wuste of gemoedelijke schijnheiligheid, roep ik met
hem (Ribbing pag. 168) uit: „ Caveant consules ne
quid detrimenti respublica capiat" 1), want zij moeten
handelen met het bewustzijn, dat niets in staat is,
noch strenge wetten, noch kerkelijke dogmata, noch
moreele vertoogen, het sexueele genot te keeren.
Castratie slechts kan het vernietigen en veel arbeid
kan het slechts matigen. Vorst en bedelaar, boer
en edelman, geleerde en werkman, zedemeester en
indolent nietsdoener, ieder die normale sexueele
organen bezit, gebruikt die op zijne wijze, in over-
1) Mogen de volksleiders op hunne hoede zijn om op een dwaal-
spoor te geraken.
-ocr page 56-
54
eenstemming met zijne physieke capaciteit en de
sociale omstandigheden waaronder hij verkeert, on-
verschillig op welk moreel standpunt hij zich be-
vindt. Dit is de zuivere waarheid. Geen eerlijk man
zal dit tegenspreken en daardoor word ik hier ge-
drongen om openlijk eenige middelen aan te geven
die met het oog op de bewezen onmogelijkheid om
het sexueel genot aan banden te leggen, toch de
gelegenheid geven om aan dien eisch der natuur te
voldoen zonder de maatschappij te overvullen en
het leven ondragelijk te maken. Wij hebben slechts
van drie te kiezen, onnatuurlijke bevrediging van
de geslachtsdrift, natuurlijke met inachtneming van
de lessen van het Nieuw-Malthusianisme of eene
maatschappij waarin we elkander weldra uit zelf-
behoud zullen moeten verdelgen.
In de eerste plaats wil ik uit een oeconomisch
oogpunt, met herinnering aan het hiervoren ge-
zegde, verklaren, dat het toepassen van preventieve
middelen niet alleen geoorloofd is, maar een plicht,
die op elkeen rust, die het met de maatschappij,
met zijn evenmensen goed meent; en ten tweede
van een medisch standpunt, dat de middelen die
aangegeven worden niet schadelijk voor de gezond-
heid noch voor den man, noch voor de vrouw zijn,
mits zij volgens de deskundige voorschriften toege-
past worden. Professor dr. Hector Treub, een van
-ocr page 57-
55
onze uitstekendste gynaecologen, zegt in zijn leer-
boek der Gynaecologie, bij het bespreken der mid-
delen ter verkrijging van willekeurige onvruchtbaar-
heid op blz. 514: „als middelen van welke op zich
zelf nooit gevaar te duchten is, noem ik vaginaalin-
jecties (inspuitingen), en het pessarium occlussivum
(de z.g. afsluitende moederkrans) en daarnevens als
middelen die bijna nooit tot bezwaren aanleiding
geven, de congressus interruptus (het afbreken der
actie van den bijslaap voor het einde daarvan) en
het Condom."
En dr. Minime, een Fransch geneesheer, verklaart 1):
„ Il résulte d\'une enquête que nous avons faite
„ sur les médecins parisiens etc. que.....sur 1800
„ ménages de médecins parisiens, on compte en
„ moyenne 1 enfant et V2 par ménage."
Vooraf nog de positieve verzekering dat in onzen
artsenijvoorraad geen middelen aanwezig zijn die
onvruchtbaarheid bij de vrouw te weeg kunnen
brengen en dat eenmaal bestaande zwangerschap
niet door het innemen van middeltjes kan verstoord
worden zonder de gezondheid en het leven der vrouw
in ernstig gevaar te brengen
en dat bij eene zwangere
vrouw, bij wie het geslachtsapparaat in normalen
toestand verkeert
ook de mechanische kunstmiddeltjes,
1) In «Le Neo-Malthusianisme», lettre a Max Hausmeister, blz. 16.
-ocr page 58-
56
zooals veel dansen, trappenklimmen, zich zwaar
vermoeien door lichaamsbeweging enz. enz. niet tot
het gewenschte doel leiden.
Ik wijs er hier daarom op, omdat bij het publiek
oneindig veel middelen den naam hebben, zwanger-
schap te kunnen verstoren, terwijl die toch inderdaad
berusten op traditioneel verspreide uitkomsten die
nooit positief bewezen zijn en die daarom zoo lang
een zeker burgen-echt behouden, omdat deze kwestie
steeds met eene angstige geheimzinnigheid behandeld
wordt en in den regel met personen, die geen phy-
siologische of voldoende gynaecologische kennis be-
zitten, terwijl de belanghebbende, die in een soort
van tijdelijke wanhoop verkeert, alle, door iedereen
aanbevolen middelen aanwendt zonder een werkelijk
deskundige hierover te raadplegen.
Meermalen toch was ik getuige dat zwangeren
schatten aan saffraan verbruikten, groote massa\'s
aschwater of zeepwater dronken, sabenakruid afge-
trokken of de olie daaruit evenals het moederkoorn
innamen, zonder het gewenschte gevolg te bereiken,
dat sommigen zich op eigenaardige wijze van eene
bovenverdieping naar beneden begaven n.1. zoodanig,
dat de partes posteriores op elke trede een krachtigen
schok kregen; dat het dansen in overdreven lange
tempo\'s werd te baat genomen, soms bij gebrek aan
betere gelegenheid met behulp van eene dienstvaar-
-ocr page 59-
57
dige vriendin, op een zolder. Ik herhaal het hier,
dat al deze middelen niet helpen, tenzij men de
toepassing zoover doorvoert, dat de gezondheid of
het leven in gevaar komt en meent men bij matige
toepassing toch effect te zien, dat er dan geen
zwangerschap bestond (wat toch in de eerste maan-
den niet zoo gemakkelijk is uit te maken) of dat
er iets aan de natuurlijke gesteldheid der vrouw
haperde.
Voor hen, die in de tropen wonen en dit geschrift
lezen, wil ik er nog bijvoegen, dat al de daar ge-
bruikte middelen met de daon il er aan het hoofd
ook niet zonder gevaar kunnen gebruikt worden,
evenmin als het heroïek middel dat ik met eigen
oogen in de binnenlanden van Borneo bij eene
Dajaksche vrouw zag aanwenden, n.1. het dagelijks
herhaald drukken, stooten en pompen met een
kolossalen keisteen op den buik, gewoonlijk uitgevoerd
door den doekon met behulp van den liefhebbenden
echtgenoot.
Er zijn derhalve thans vier middelen bekend, die
zonder de gezondheid te benadeelen en zonder het
zedelijk gevoel al te veel te kwetsen, kunnen aan-
gewend worden voor het doel, n.1. de inspuiting,
de afsluitende moederkrans, het tijdelijk afbreken
der geslachtelijke actie en het condom. Het spreekt
van zelve, dat eene sterk ontwikkelde, gemoede-
-ocr page 60-
58
lijke, teergevoeligheid eerst een weinig afgestompt
moet zijn, eer men deze middelen te baat neemt.
Bij velen kost het een zwaren strijd eer men het
goede en nuttige er van inziet en het als plicht
beschouwt, geen nakomelingschap te verwekken,
wanneer het vrij zeker te voorzien is, dat dit een
leven van ellende zal moeten lijden. Bij velen wordt
eerst deze overwinning behaald als zij zelven dat
lijden in eigen kring zien en als zij zelven gebukt
onder en afgemat door de zware huishoudelijke
zorgen, die een groot gezin geeft, levensmoede
de toekomst van hun kroost in eene overvulde,
benauwde maatschappij beginnen te overzien.
Dat deze teergevoeligheid, ook bij meer ont-
wikkelden, dikwijls overwonnen wordt, bewijzen
de vele gevallen, die ons in onze betrekking voor-
komen.
Meermalen toch gebeurde het, dat ouders van
een of twee kinderen besliste tegenstanders van het
Nieuw-Malthusianisme waren door geloofsovertuiging,
dat zij het toepassen van preventieve middelen als
goddeloos en misdadig streng veroordeelden, doch
die na de komst van het derde of vierde kind, de
moeite en de zorgen toch te groot vonden en dan
in sommige gevallen ook inzagen, dat hun kroost
lichamelijk niet sterk en krachtig, een geestelijke
indolentie bezat waardoor het voor hen onmogelijk
-ocr page 61-
59
zoude zijn om in den zwaren strijd om het bestaan
een dragelijk leven te kunnen lijden, weldra vroegen
om toch ingelicht te worden omtrent het toepassen
van voorbehoedmiddelen en deze ook zoo goed in
praktijk brachten, dat het gezin daarna niet grooter
werd. Economische en gemoedsbezwaren kunnen
derhalve overwonnen worden, terwijl hygiënische
bezwaren inderdaad niet bestaan.
Het middel dat het gemakkelijkst zonder omslag
of finantieele bezwaren kan te baat genomen worden
zal ik in tegenstelling van Professor Treub boven-
aanstellen, n.1. de „ congressus interruptus". Ik heb
het hierboven vertaald met „ het afbreken der actie
van den bijslaap voor het einde, daarvan en zonder
den trivialen volksterm te gebruiken, zal de bedoeling
wel begrepen worden.
Het heeft dit bezwaar, dat jonggehuwde harts-
tochtelijke personen, door een soort van roes over-
meesterd, in de eerste huwelijksjaren niet het juiste
oogenblik te baat nemen om te doen wat wenschelijk
is. Men is hiertoe eerst in staat als men de volle
overtuiging heeft gekregen, dat beperking plicht is
en reeds de bezwaren van te groote uitbreiding
van het gezin gevoeld heeft. Dan worden deze twee
zaken krachtige remtoestellen bij het sexueel genot,
terwijl bij eenige oefening door geen van beide
partijen veel gemist wordt. Het duurt niet lang of
-ocr page 62-
00
de kracht der gewoonte heeft hier haar nuttigen
invloed doen gelden en weldra geniet men ongeveer
evenveel huwelijksgenot.
Ik hoorde dit meermalen verklaren door geoefenden
op dit terrein.
Het m. i. in het tweede gelid passende middel
is de in- of liever uitspuiting. Dit is niet zoo on-
voorwaardelijk te vertrouwen als het eerst genoemde,
doch, wordt het met overleg toegepast, zal het in
de meeste gevallen eene conceptie voorkomen. Men
heeft hier niets voor noodig dan een irrigator met
vrij lange slang en canule. Deze dient, met gewoon
water gevuld, steeds in de slaapkamer, tot gebruik
gereed, opgehangen te zijn. \'s Winters kan hiervoor
lauw water gebruikt worden ofschoon dit niet
dringend noodig is, evenmin als het zooveel aan-
geprezen aluinwater.
Het is echter wel dringend noodig, dat de uit-
spuiting onmiddellijk na volbrachte actie plaats
heeft. Zoo uitgevoerd, zal het middel zelden falen.
Het derde middel, dat ook zeer is aan te bevelen,
is het pessarium occlussivum (pessaire des sages
femmes), de afsluitende moederkrans. Dit is een uit
zeer dun caoutchouc vervaardigd kapje, waarin een
zacht veerende ring is bevestigd, die den vorm van
een halven bol heeft. Bij het inbrengen wordt het
saamgedrukt en bij eenige oefening door de vrouw
-ocr page 63-
61
in een oogwenk ter plaatse gebracht. Sommige
laten dit kapje rustig zitten tot de maandelijksche
periode het noodig maakt het tijdelijk te verwijderen.
Dit is echter om verschillende redenen af te
keuren: eerstens uit een zindelijkheidsoogpunt en
ten tweede omdat zich in den regel achter het
kapje stoffen verzamelen, die aanleiding tot prik-
keling en soms tot ontsteking kunnen geven. Beter is
het om des avonds den krans te plaatsen en na
het volbrengen der actie te verwijderen. Het is
goed, voor het wegnemen eerst eene uitspuiting te
gebruiken. Het plaatsen en wegnemen van dezen
krans geschiedt met zoo weinig moeite en omslag,
dat hij bijna ongemerkt gebruikt kan worden. De
grootte dezer kransen wordt door daarop gedrukte
nummers aangegeven en het is van belang het
nummer vooraf te bepalen om een kapje van pas-
sende afmeting te gebruiken. Verder moet er op
gelet worden dat het niet gescheurd is, daar dan
groote kans voor teleurstelling bestaat. Zij die een-
maal zich aan het gebruik van dit middel gewend
hebben, verklaren het voor doelmatig en zeer een-
voudig.
Aangaande het vierde middel, n.1. het Condom,
behoef ik niet veel te zeggen, het was vroeger het
eenige middel, had een zeker burgerrecht verkregen
en is voor degenen die er mede weten om te gaan,
-ocr page 64-
02
wel doelmatig en behoeft niet verworpen te worden.
Volgens het oordeel van velen echter, staat het bij
de andere middelen ten achter.
Zij, die nog meer hierover willen vernemen,
kunnen op gemakkelijke wijze, verdere inlichtingen
verkrijgen bij den Nieuw-Malthusiaanschen bond.
De Secretaris-penningmeester is steeds bereid hun
kosteloos de geschriften te doen toekomen en de
adressen op te geven, waar men zich kan vervoegen
om nader bekend gemaakt te worden met de wijze
van toepassing enz. der hier aangegeven middelen.
Het adres van den Secretaris-penningmeester van
den Nieuw-Malthusiaanschen Bond is W. M. M.
Anten, Jacob van der Doesstraat 101, te \'s-Gra-
venhage.