-ocr page 1-
rvM#0       (iïrjM.JZ
^MUSg/
MEI 1896
r^c*
££?T; \\
>*
UPrijs 25 et.
Van Snmatra\'s Noordbist #
# tot den Goiierg
IETS OVER
LAND EN VOLK
VAN
GROOT ATJEH.
DOOK
C. J. LEENDERTZ.
^^^qXS^**\'
LEIDEN,
Firma
C. KOOYKER,
J. C. HUYSMAN JR.
1896. •
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Yan Snmatra\'s Noorfllnist #
#tot
IETS OVEK
LAND EN VOLK
VAN
GROOT ATJEH.
DOOK
C. J. LEENDERTZ.
•
"\'^vtiS^*\'"
LEIDEN,
Firma C. KOOYKER,
J. C. HUYSMAN JR.
1896.
-ocr page 4-
f
-ocr page 5-
Het eerste verkeer onzer landgenootcn met de Atjehers dag-
teekent van 1599. Den 21lM1 Juni van dat jaar lieten de schepen
de Leeuw en de Leeuwin, onder bevel van de broeders Cornelis
en Frederik de Houtman, op de reede van Atjeh het anker vallen.
Het Atjehsche rijk had toen zijn toppunt van bloei bereikt, en
de grootste vorsten van het oosten zochten zijn vriend- en bond-
genootschap. Het despotiek gezag van den vorst had een tegen-
wicht in den invloed der Orang-Kaja\'s of edelen, die ons beschreven
worden als zeer vermogend en wonende in versterkte huizen, om-
ringd door tal van volgelingen, en dikwijls vrijelijk den teugel
vierende aan hun trots en woeste hartstochten. Het rijk had toen-
maals een veel grooteren omvang dan thans en strekte zich aan
de Oostkust tot Deli uit, terwijl aan de Westkust Padang de zuidelijke
grens vormde. De handel concentreerde zich echter aan de Noord-
Westkust, waar de hoofdstad gelegen was.
Alle kooplieden der Oosterschc gewesten, van Arabic tot Japan,
werden er wel ontvangen en door de matige rechten aangelokt en
zelfs de Portugeezen, ofschoon onder de vorige vorsten steeds
aangerand en geplunderd, waren bij de verschijning onzer land-
genooten in grooten getale te Atjeh aanwezig.
Een vriendschappelijk karakter droeg de eerste kennismaking
der Nederlanders met de Atjehers niet. De inblazingen der Portu-
geezen, en de weigering van de Houtman, om den sultan in den
krijg tegen Djohor bij te staan, hadden een verraderlijken aanval
op onze schepen tengevolge, waarbij velen der onzen sneuvelden
en Frederik de Houtman met zeven Hollanders werden gevangen
genomen, om 26 maanden lang in Atjehsche gevangenschap te
zuchten. Dus was het onvriendelijk begin van onze eerste aanraking
met het volk, dat wij thans nog bevechten.
De O.-I. Compagnie onderhield echter, vooral om de grootc
voordeelen die de peper afwierp, de handelsbetrekkingen met Atjeh,
doch het is van algemeene bekendheid dat deze handelaars al
-ocr page 6-
2
spoedig veranderden in overheerschers, waar zij zich ook vestigden.
De kaart van Sumatra onderging in den loop der eeuwen eene
heele verandering.
Wij zien tot 17!)f) onze vlag wapperen tot Baros aan de West-
kust, terwijl aan de Oostkust de rivier van Tamiang de grens
vormde met Siak. In dat jaar werden onze bezittingen in naam
van den Prins van Oranje opgeeischt en had het Atjehsche rijk,
zoowel aan de zee als aan de landzijde, de Engelschen tot buur-
lieden gekregen, terwijl gedurende een tijdvak van twintig jaren,
Engeland de eenige Europeesche mogendheid was, die eenigen invloed
uitoefende op de zaken van dat rijk. Na het teruggeven onzer kolo-
niën in 1814 trachtten de Engelschen dien invloed te behouden,
en het duurde tot 1824 alvorens er een tractaat werd gesloten,
waarbij de rechten der Nederlanders werden erkend en waardoor,
althans oogenschijnlijk, aan den onderlingcn naijver een einde kwam.
In dat verdrag werden tal van zaken, de koloniën betreffend, ge-
regeld. Engeland stond al zijne bezittingen op Sumatra aan Neder-
land af, terwijl wij van onzen kant Malakka ontruimden en geen
protest tegen de bezetting van Singapore zouden doen gelden.
Ten opzichte van Atjeh werd in het tractaat zelf niets bepaald,
maar door de Engelsche gevolmachtigden werd daarbij eene nota
overgelegd, waarin het volgende voorkwam: „Een verdrag in het
jaar 1819 door Britsche agenten met Atjeh gesloten, is in strijd
met het 3° artikel van het tegenwoordige tractaat. De Britsche
gevolmachtigden nemen daarom op zich, dat het verdrag met Atjeh,
zoo spoedig mogelijk, in eene eenvoudige schikking voor de gast-
vrije ontvangst van Britsche schepen en onderdanen in de haven
van Atjeh zal veranderd worden. Maar daar sommige der voor-
zieningen van dat verdrag (die aan de Nederlandsche gevolmach-
tigden zijn medegedeeld) bevorderlijk kunnen zijn aan de algemeene
belangen der Europeanen, gevestigd in de Oostersche zeeën, ver-
trouwen zij, dat de Nederlandsche regeering maatregelen zal nemen,
opdat de vrucht dezer voorzieningen behouden blijve. En zij druk-
ken hun vertrouwen uit, dat geene maatregelen, vijandig tegen
den koning van Atjeh, zullen wórden genomen door den nieu-
wen bezitter van Fort Marlborough (Benkoelen)." De Neder-
landsche gevolmachtigden beantwoordden deze mededeelingen en
opmerkingen met de verklaring, „dat het Nederlandsche Gouver-
nement zou zorgen zijne betrekkingen met Atjeh in dier voege
-ocr page 7-
8
te regelen, dat deze Staat, zonder iets van zijne onafhankelijkheid
te verliezen, den zeevaarder en handelaar die bestendige veiligheid
zou aanbieden, die er niet scheen te kunnen bestaan dan door de
gematigde uitoefening van Europeeschen invloed."
Met opzet hebben wij den inhoud van dit Londensch tractaat van 1824
eenigszins uitvoerig medegedeeld, omdat deze verklaringen der weder-
zijdsche gevolmachtigden, het uitgangspunt waren der verwikke-
lingen met Atjeh, die ten slotte zijn uitgeloopen op den oorlog van
] 893. Wat toch was het geval ? Nederland moest voortaan zorgen
voor de veiligheid der scheepvaart in de Atjehsche wateren en
moest dit doen zonder Atjeh van zijne onafhankelijkheid iets te
ontnemen. De taak, door deze verbintenis ons op de schouders
gelegd, was voorwaar een uiterst moeilijke. Atjeh begon ons boven-
dien als zijn erfvijand te beschouwen en luisterde niet naar onze
vertoogen maar ging, vaak op zeer onbeschroomde wijze, voort
met zijne zeerooverijen. Eindelijk werd in 1857, na allerlei onder-
handelingen en dreigementen, een tractaat met den Sultan gesloten,
waarbij laatstgenoemde zich verbond tot het tegengaan van zee-,
strand- en menschenroof. De bepalingen van dit verdrag werden
echter in het geheel niet nageleefd; integendeel de kust was zoo
onveilig mogelijk en de zeeroof ging zelfs zóó ver dat in 1870
Britsch Indische schepen door hunne regeering gewaarschuwd
werden om zich niet meer te wagen op Sumatra\'s Westkust.
Daarbij kwam nog iets. Na de opening van het Suez-kanaal behoorde
de vaart langs de Atjehsche kusten tot de „Ocean highways."
De stoomschepen die van Ceylon koers zetten naar den Grooten
Oceaan, moeten in de nabijheid van deze stranden komen, en toch
deden zich hierbij groote bezwaren voor : de kust was op enkele plaat-
sen onveilig en bovendien slecht verlicht. Aan dien toestand moest
een einde komen. Een nieuw tractaat met Engeland, in 1871 gesloten,
gaf ons de vrije hand in de Atjehsche aangelegenheden. Bij dit
verdrag toch werd bepaald dat „Hare Britsche Majesteit afziet van
alle vertoogen tegen de uitbreiding van het Nederlandsch gezag in
eenig gedeelte van het eiland Sumatra, en mitsdien van het voor-
behoud, in dit opzicht voorkomende in de nota\'s, door de Neder-
landsche en Britsche gevolmachfigden uitgewisseld bij het sluiten
van het tractaat van 17 Maart 1824. Als compensatie voor deze
gunstige bepaling verleenden wij, binnen het rijk van Siak en
onderhoorighcden, aan de Engelschen al de rechten en voordcelen,
-ocr page 8-
4
welke aldaar aan den handel van Nederlandsche onderdanen en aan
de Nederlandsche scheepvaart verleend waren of moesten worden.
Van nu af was de oorlog onvermijdelijk. Er werden wederom
onderhandelingen mnt den Sultan geopend, die echter tot geen
resultaat leidden. liet bleek uit alles, dat Atjeh weder, evenals altijd,
dubbclhartig en verraderlijk jegens ons te werk ging. Vrees voor
de inmenging van vreemde mogendheden, aan wie door de Atjehsche
regeering het protectoraat werd opgedragen, dwong, ons bovendien
meer handelend op te treden en den 21 Maart 1893 werd de oor-
log verklaard.
Ziedaar nu in korte trekken de aanleiding tot den oorlog. Het
antwoord op de vragen: »Wat doen wij toch in dat land? Waarom
moesten wij dien onzaligen oorlog beginnen, die zooveel geld en
menschenlevens verslindt ?" enz. zal na het voorgaande wel tamelijk
overbodig zijn.
Ons bestek laat niet toe de krijgsverrichtingen onzer troepen
van af het tijdstip der landing — 6 April 1873 — tot op den
huidigen dag te vermelden. Bovendien is de Atjeh-litteratuur rijk
aan verhalen waarin hulde wordt gebracht aan den moed, de dap-
perheid en volharding van het N. I. Leger, zoowel door offieieren
als minderen betoond en op die daden mag niet alleen het leger,
maar moet het geheele Nederlandsche volk trotsch zijn. De Neder-
landers zijn wel geen militaire natie maar hebben toch dikwijls
bewezen volstrekt niet ongevoelig te zijn voor krijgsroem.
Wij willen thans het oorlogsterrein, waarop binnen enkele dagen
weer scherpe en hevige gevechten zullen worden geleverd, eens
nader in oogenschouw nemen, doch alvorens hiertoe over te gaan,
even een bezoek brengen aan een paar voorname eilanden, welke
in de nabijheid der kust zijn gelegen. Ik bedoel Poeloe-bëras en
Poeloe-Way. Het eerstgenoomde is een rotsachtig eiland, op welks
hoogste punt een vuurtoren — de Willemstoren — is gebouwd.
Het kustlicht werd in 1875 ontstoken en is den zeeman thans een
baken langs deze kusten, maar tevens vormt het een blijvend
monument voor de trouw en plichtsbetrachting onzer krijgslieden.
De toren toch draagt het volgend opschrift:
Gesticht in oorlogstijd — den vrede gewijd;
tevens een blijvende eerzuil voor al de dapperen en braven
die, ter bereiking van dit doel des vredes,
hun bloed en leven ten offer gaven.
-ocr page 9-
5
Van meer gewicht is Poeloe-Way, (Water-eiland) of, zooals het
thans naar de Engelsche uitspraak wordt genoemd: Poeloe-Weh.
Dit eiland is bij uitstek geschikt voor de vestiging van een kolen-
en handelsstation. De haven is voortreffelijk; de Socbong-baai heeft
een uitstekenden ankergrond en voldoende diepte. Het water in de
baai is altijd rustig, en het binnenkomen is dag en nacht bij alle
weersgesteldheid mogelijk. De regeering laat thans kolenloodsen
bouwen en eene waterleiding aanleggen, ten einde de schepen van
een en ander te kunnen voorzien. De steenkolen onzer Ombilin-
velden moeten hier voornamelijk aan de markt gebracht worden,
en ze zullen ongetwijfeld gereeden aftrek vinden wanneer men weet
dat de Cardiff-kolen pi. m. 24 gulden per ton kosten, terwijl wij
onze steenkolen, die in gehalte voor de Engelsche kolen niet
onderdoen, voor ongeveer de helft van dien prijs kunnen verkoopen,
daar de ton in de Emma-haven, bij Padang, slechts te staan komt
op een kostprijs van ten hoogste 4 gulden. Die kolen kunnen dus
grove winsten afwerpen. Aan ondernemende handelaars moet het
dan verder worden overgelaten om de schepen van provisiën te
voorzien. Wij hebben het thans in onze macht, om de fout onzer
vaderen — den verkoop aan de Engelschen van het eilandje,
waarop thans Singapore is gebouwd — te herstellen. Wij kunnen
en moeten den handel van Singapore en Pinang naar onze bezit-
tingen leiden; dan zal het Hollandsche bloed niet te vergeefs
hebben gevloeid op Atjeh\'s slagvelden en zullen wij eindelijk de
vruchten kunnen plukken van den kostbaren en langdurigen oorlog,
welke op Sumatra\'s noordpunt wordt gevoerd.
Wenden wij thans van de reede van Oleh-leh den blik land-
waarts. Met een enkelen oogopslag krijgen we dan een denkbeeld
van den vorm en de uitgestrektheid van Atjeh-proper of Groot-
Atjeh. Ter linkerzijde toch zien we een laag gebergte, dat een
uitlooper naar zee zendt, en aan welks voet het visschersdorp
Kroeng-raja gelegen is. Landwaarts in zet dat gebergte zich voort
tot aan den Ja-Moerah of Goudberg, waarvan de kruin zich scherp
tegen den wolkeloozen hemel afteekent. Aan de rechterzijde zien
we ook een gebergte welks voet door de zee bespoeld wordt. Dit
is echter hooger en kloeker van vormen dan het zoo even genoemde.
Slechts onderbroken door het dal der IV Moekims, strekt het zich
landwaarts uit en nadert al meer en meer het oostelijk gebergte.
De hellingen van beide gebergten sluiten ten slotte aan elkaar en
-ocr page 10-
6
een hooge top in het westelijk gebergte komt, voor het oog althans,
zoo dicht bij den Goudberg, dat de inlanders deze beide bergen
als een echtpaar beschouwen en hun den naam van Slawah-agam
en Slawah-inong, de mannelijke en de vrouwelijke Slawah, gegeven
hebben. Dit echtpaar heeft één kind; het is de groote Atjeh-rivier,
welke daar haar oorsprong neemt. Het tusschen beide gebergten
gelegen land is Groot-Atjch. Het heeft den vorm van een driehoek,
waarvan het strand, van af Kroeng-raja tot Sumatra\'s Noordweste-
lijke punt, de basis, en de beide zoo even genoemde gebergten de
opstaande zijden zijn. Het grootste deel van dezen driehoek was
voormaals een inham der zee, doch het vruchtbaarmakend slib
van de Atjeh-rivier, die men wel den Nijl van deze vallei zou
kunnen noemen, heeft zich op den zeebodem neergelegd en een
kleilaag gevormd, welke op sommige plaatsen eene dikte heeft van
meer dan anderhalven Meter. Langs de kust liggen eenige strand-
meren of lagunen, die door smalle landtongen flidi) van de zee
gescheiden zijn. Ze danken hun ontstaan aan eene zeestrooming
welke van oost naar west langs de kust gaat, en waardoor het
slib der Atjeh-rivier en der overige kuststroompjes evenwijdig
langs den kustzoom wordt neergelegd. Op een dier lidi\'s ligt de
havenplaats Oleh-leh. Een havenhoofd, op ijzeren schroefpalen
gebouwd, maakt de ontscheping gemakkelijk, terwijl een spoorweg-
brug, over de lagune aangelegd, de verbinding met Kotta-Radja
tot stand brengt. Deze spoorlijn staat door drie hoofdlijnen in ver-
binding met de ceintuurbaan, waaraan onze posten van de gecon-
centreerde linie gelegen zijn. Het hierbinnen gelegen gebied komt
zoo ongeveer overeen met een gclijkzijdigen driehoek met eene
zijde van twee uren gaans. Een dezer zijden is dus de zee, terwijl
de beide overigen door de posten-linie worden gevormd. Het inge-
sloten terrein heeft eene oppervlakte van 690 KM2, dat is dus de
halve provincie Utrecht.
Wanneer men zich in een luchtballon boven Groot-Atjeh kon
verheffen, zoude men, op het onderliggende landschap een blik
slaande, niets ontwaren dan eene afwisseling van licht en donker-
groene vlakken, waar de Atjeh-rivier en eenige kleinere stroomen
als zilveren draden doorheen loopen. De lichtgroene kleur wijst op
Sawahs (rijstvelden) wier onafzienbare vlakten het grootste deel
van Groot-Atjeh vormen. In de nabijheid van Kotta-Radja vallen,
behalve het uitgestrekt Militair kampement, de Gouverneurswoning
-ocr page 11-
7
en de groote moskee of masdjid \') Raya dadelijk in het oog.
Laastgenoemd gebouw is een geschenk van de Ncderlandsche
regcering aan de Atjehsche bevolking,
Den 19en October 1879 werd met groote plechtigheid de eerste
steen gelegd door het Atjehsch Hoofd Toekoe Kali in tegen-
woordigheid van den generaal van der Heyden, Gouverneur eft
Militaire Bevelhebber van Atjeh, van de Ncderlandsche militaire
en civiele autoriteiten in Atjeh, een groot aantal aanzienlijke hoof-
den en grooten en duizenden Atjehers. De generaal hield bij die
gelegenheid eenc redevoering, welke daarna in het Maleisch en het
Atjehsch werd vertolkt, waarin hij er o. a. op wees dat de Indische
regeering met het herbouwen van den Masdjid Raya aan de Atjehsche
bevolking een blijk wenschte te geven, dat het haar ernst was om den
godsdienst en de instellingen van den Islam te eerbiedigen, en hij de
hoop te kennen gaf, dat Atjeh zich spoedig zoude mogen herstellen van
de rampen, die het van den oorlog had ondervonden. Na deze
redevoering werd door Toekoe Kali namens de Atjehsche bevol-
king dank gezegd voor de haar door de Regeering betoonde gunst,
en daarna, onder, een saluut van dertien kanonschoten, de eerste
steen van het gebouw geplaatst. De voornaamste priester sprak
hierop een gebed uit, na afloop waarvan een feestmaaltijd plaats
had, welke door de gcheele bevolking op gouvernementskosten
werd gehouden. Den 27en December 1881 was het gebouw voltooid
en werd het bedehuis, wederom met groote plechtigheid, door den
Gouverneur Pruys v. d. Hoeven aan de bevolking overgegeven.
De lichtgroene sawah-vlakten waarop we neerzien zijn omzoomd
door het donkerder groen der tuinen, welke, eens aangelegd, wei-
nig onderhoud meer noodig hebben en den Atjeher overvloedig
de benoodigde klappers en andere vruchten, alsook sirih en pinang-
noten verschaffen. In die tuinen zijn de kampongs, of zooals de
Atjeher zegt, gampongs gelegen, waarvan de huizen echter niet op
rijen staan, doch zeer verspreid en door elkander liggen.
Wanneer wij nu onzen luchtballon verlaten en een kampong
binnentreden, is er letterlijk niets, wat ons, om zoo te zeggen,
aangenaam aandoet. Elk huis ligt in den regel te midden van een
grooten, slecht onderhouden tuin, welke dikwijls omgeven is door
stevige bamboe-paggers, daar eene flinke afsluiting gewoonlijk be-
1) Masdjid is : plaats der nederbuiging: bedehuis.
-ocr page 12-
8
vorderlijk is tot het onderhouden eener goede buurschap. De
huizen zijn, met het oog op de dikwijls voorkomende overstroo-
mingen, en wegens de ongezonde uitwasemingen van den bodem,
op palen eenige Meters boven den grond gebouwd. De ruimte onder
de huizen wordt in den regel benut tot het verschaffen van een
onderkomen aan geiten en kippen en tot het opbergen van land-
bouwgereedschappen en dergelijken.
Als we de houten trap, die gecne leuning heeft, doch waarboven
een stuk touw of ketting bengelt, om bij het opstijgen behulpzaam
te zijn, zijn opgegaan en een laag hekje hebben overgestapt, dan
bevinden we ons in een soort van voorgalerij, die, hoewel van
voren open, toch schaars is verlicht, daar het dak laag is en ramen
ten eenenmale ontbreken. Op deze plaats brengt de Atjeher het
grootste deel van zijn leven door: de huisvrouw verricht er hare
dagelijksche bezigheden, de man ontvangt er zijne vrienden, en
voor het geval er gasten van verre komen, wordt daar een plaatsje
afgeschoten voor hun nachtleger. Tegen den wand ziet men
gewoonlijk eenige klewangs en donderbussen hangen. Tegenwoordig
zal het wapenrek bij enkelen ook wel versierd zijn met een
beaumont-geweer en den daarbij behoorenden patroonzak. Als zit-
plaatsen gebruiken de bewoners slechts een paar matjes. Eenige
treden opgaande komen we door een smalle deur in het overige
gedeelte van het huis, gewoonlijk bestaande uit een paar donkere
kamertjes, waar de familie slaapt en de kostbaarheden opgeborgen
worden. De waarde van zoo\'n huis wisselt af tusschen /\' 200 a f 300
en is natuurlijk afhankelijk van de bij den bouw gebruikte materialen.
Behalve deze woningen, welke alléén aan de mcergegoeden
toebehooren, zien we ook nog armoedige, meestal vervallen hutjes
(djamboe). Ze dienen tot huisvesting aan een even armoedig prole-
tariaat, zijn uit de meest primitieve materialen opgebouwd en zien
er uiterst vervallen en vuil uit.
Het is een bijzondere karaktertrek van den Atjeher, dien hij
met vele Inlandsche volken van Sumatra gemeen heeft, dat hij
bijzonder gehecht is aan huis en erf. Hij offert gaarne alles op voor
zijne vrijheid, en moet eerst tot het uiterste gebracht worden, voor
hij die prijs geeft; doch zijn huis laat hij niet in den steek, dat
is zijn heiligdom. Vandaar dan ook dat bij het verbranden van
weerspannige kampongs door onze troepen, de achtergelegen dorpen
al spoedig tot onderwerping kwamen. Nu moge men, met mij, het
-ocr page 13-
9
platbranden van dorpen, het vernielen van huis en erf, in oorlogen
tegen een inlandschen vijand, als onmenschelijk, wreed en eener
beschaafde natie onwaardig afkeuren, als oorlogsmiddel is het in
sommige gevallen geoorloofd en dikwijls noodzakelijk. Of is soms
het bombardeeren van een groote stad, als Straatsburg bv., minder
barbaarsch? Is het bombardement niet door de Duitschers als
middel gebezigd om zoo spoedig mogelijk den oorlog te beëindigen ?
En werden daardoor ook niet tal van gezinnen van hun have en
goed beroofd? te meer nog omdat het voorschrift luidt: dat het
geschutvuur bij voorkeur moet gericht worden op die plaatsen
waar brand is ontstaan teneinde het blusschingswerk te belemmeren
en te verhinderen. Jaag daarom ook den Atjeher, zoo hij weer-
streeft, van zijn erf, en vernietig onder zijn oog zijne bezittingen
en.....de overigen zullen gedwee en onderworpen worden.
Behalve van de veestallen, bewaarplaatsen voor veevoeder en
de rijstschuren, die men op sommige erven aantreft, moeten we,
alvorens de kampong te verlaten, nog melding maken van twee
gebouwen: de balei en het bedehuis.
De balei is eene groote overdekte loods, die op eenige stijlen
rust en aan alle zijden open is. De vloer van bamboelatten ligt
bijna een Meter boven den beganen grond, terwijl het uit nipah-
bladeren bestaande dak door de zooeven genoemde stijlen gedra-
dragen wordt. Zulk een balei dient in de eerste plaats tot ver-
gaderzaal voor de kampongbewoners, om de gemeenschappelijke
belangen te bespreken; in zooverre vertegenwoordigt ze onze raads-
zaal. Verder dient dit gebouw tot het ontvangen van vreemdelingen,
waar hun de gewone groet: het assalam alaikoem (vrede zij
over U) wordt toegeroepen, die beantwoord wordt met: wa alai-
koem assalam (en over U zij vrede). Tevens wordt, evenals bij
vele andere Oostersche volken, als bewijs van welkom de beteldoos
aangeboden, want ook hier is het aanbieden der sirih een teeken
van vredelievende gezindheid.
De bedehuizen, binnen den kampong gelegen, worden masdjid,
déjah of mandarsah genoemd. Het verschil in beteekenis tusschen
deze drie soorten van Mohammedaansche kerken is, dat alleen in
de eerste de Vrijdagdienst mag gehouden worden, in de twee
laatsten evenwel niet.
Wij hebben, gedurende ons verblijf te Atjeh, een geruimen tijd
in de masdjid-Longbattah onze tafel gehouden; omdat dit gebouw
-ocr page 14-
10
binnen de versterking gelegen was, doch de tempel maakte door
zijn gemis aan architectonische motieven, niet den minsten indruk
en kwam mij eerder voor de laatste overblijfsels te zijn van een
ouden, statigen Hindoe-tempel. Dit bedehuis toch lag op eene
verhevenheid waar vier steenen trappen toegang gaven tot de
binnenruimte. Hier zag men een zeer ouden steenen muur van
ongeveer anderhalven meter hoogte, waarboven verder een atappen
dak, dat vrij spits toeliep, was aangebracht. Van pracht en weelde,
zooals bij de nieuwe Masdjid Raya, was dus hier geen sprake.
Van de oorspronkelijke volkseenheid. de kampong, komen we
nu tot de staatkundige eenheid, de Moekim. Het woord Moekim
is van Arabischen oorsprong en duidt eigenlijk den ingezetene
eener plaats aan. De Mohammedaansche wet, die ook in Atjeh
gehuldigd wordt, leert dat voor de geldigheid van een Vrijdags-
dienst de aanwezigheid van minstens 40 mannelijke, vrije, meer-
derjarige moekims vereischt wordt. Waar dus het aantal bewoners van
eene kampong te gering was om den Vrijdagsdienst te doen plaats
hebben, werden meerdere kampongs tot een Moekim vereenigd.
Het hoofd van zulk een Moekim, de Imam, had dus slechts in
den aanvang eene geheel of grootcndeels godsdienstige taak te
vervullen, te zorgen dat aan Allah\'s wet de hand werd gehouden,
en dat vooral de rituëele voorschriften van den Islam niet ver-
onachtzaamd werden. Het ambt is echter zeer spoedig geheel
ontaard daar, zoodra in Atjeh aan den een of ander zeker gods-
dienstig toezicht is opgedragen, daarmede tevens een wijd veld
voor zijne heerschzucht geopend wordt. Thans zijn de Imams adat-
hoofden, zonder eenig godsdienstig karakter. Onder een krachtig
oelèëbalang is de Imam niet veel meer dan een tusschenpersoon;
onder een zwak oelèëbalang weet een energiek Imam zich, zooveel
zijn gebied betreft, geheel in diens plaats te stellen. Ook is het
lang niet zeldzaam, dat een Imam, door den oelèëbalang opgeroe-
pen om met zijn volk hem te komen bijstaan in een strijd, een-
voudig werkeloos blijft of zelfs formeel weigert. Vooral in tijden
van verwarring, zooals de tegenwoordige, wanneer nog andere dan
de traditioneele hoofden partijen vormen, is de onafhankelijkheid
van vele Imams in dat opzicht groot.
Wij noemden daar de oelèëbalangs. Deze zijn de heeren des
lands, de territoria\'e hoofden bij uitnemendheid, zij worden dan
ook de radja\'s — vorsten of koningen — van hun gebied ge-
»
-ocr page 15-
11
noemd. Een confederatie van Oelèëbalangs deed de sagi ontstaan.
Buiten de driehoekige centrale provincie treffen we drie sagi\'saan
en naar het aantal Moekims, dat elke sagi oorspronkelijk bezat,
werden ze genoemd : als de sagi der XXV, de sagi der XXVI en
de sagi der XXII Moekims. Een blik op de kaart is voldoende
om ons te doen zien, dat de sagi\'s als het ware tegen de zijden
van den driehoek gelegen zijn; het woord sagi beteekent dan ook
„zijde eener figuur". Dat elke federatie behoefte gevoelde aan
één hoofd en daartoe den invloedrijksten, machtigstcn oelèëbalang
uit haar midden aanwees, ligt voor de hand. Zulk een hoofd kreeg
den titel van panglima sagi; hij oefent alléén in die zaken gezag,
waarbij gemeenschappelijke belangen betrokken zijn, voor het
overige besturen de andere oelèëbalangs hun eigen gebied.
Na het land komt de bevolking en hare middelen van bestaan
als van zelf ter sprake. Wij kunnen echter niet alles mededeelen
en zullen daarom volstaan met hier en daar slechts een greep te
doen. Elk Atjeher kent en beaamt het spreekwoord: ,,de meester
van alle soorten van broodwinning is de landbouw." In de eerste
plaats houden zij zich dus bezig met den veldarbeid, d. i. het
werken op de rijstvelden of sawah\'s en de pepertuinen, in de sui-
kerriettuinen, in de pinang- en klapperbosschen, of, voor de hooger
gelegen streken, in de koffietuinen. Ook de veeteelt, voornamelijk
die van buffels, paarden en geiten, behoort tot hun bedrijf. De
kustbewoners vinden hun hoofdmiddel van bestaan in de vis-
scherij, waartoe ze van groote werpnetten en fuiken gebruik
maken. Behalve met den landbouw, veeteelt en visscherij houdt
de Atjeher zich bezig met den kleinen scheepsbouw, het snijden
en vervaardigen van allerlei voorwerpen uit bamboe, het smeden
en slijpen van wapenen, het weven van katoenen stoffen en het
bewerken van goud en zilver tot sieraden. Onder die goudsmeden
worden dikwerf zeer bekwame personen aangetroffen. Gedurende
den langdurigen oorlog hebben zij zich ook toegelegd op de be-
werking van patronen voor het beaumontgeweer, en ik heb in mijn
bezit een tweetal patronen, van onze ledige hulzen vervaardigd,
die met kennis van zaken zijn nagemaakt. Eindelijk oefenen zij
zich in het hanteeren der wapenen. Dit laatste neemt, vooral in
de laatste jaren, bij den Atjeher een ruime plaats in. Behalve onze
beaumont-geweren en van elders ingevoerde vuurwapens bezitten
de Atjehers blanke wapens, onder welke vooral de recht nationale
«
-ocr page 16-
12
klewang moet genoemd worden. Dit is een recht, van onderen
breed uitloopend, zwaard, ter lengte van 50 a 60 cM. Ze snijden
echter met dit wapen meer dan ze er mede houwen. Ook de
rentjong, een soort ponjaard, wordt dikwijls in het gevecht van
man tegen man gebezigd. Hunne versterkingen bestaan uit vier-
kante aarden redouten. In de wallen zijn bamboe-kokers aange-
bracht, waardoor bij de bestorming wordt gevuurd, en daar ze ook
over de borstweringen hunne schoten afgeven ontstaat er een
étage-vuur, dat den aanvaller noodzaakt de versterking met om-
zichtighcid te naderen. Als het terrein het toelaat wordt er dan
ook gewoonlijk op de saillanten gestormd, doch in de meeste ge-
vallen trachten onze troepen de bentengs om te trekken. Deze
versterkingen zijn dikwijls met veel oordeel aangelegd, door chi-
canes omgeven, en steunen elkander onderling met hun vuur. Van
eigenlijke krijgstaktiek is bij dit volk geen sprake, maar ze voeren
den „kleinen oorlog" op meesterlijke wijze en vinden als guerilla-
benden wellicht in den geheelen archipel hunne wedergade niet.
De Atjehsehe vlag bestaat uit een rood veld; waarop twee gekruiste
klewangs en de wassende maan in witte kleuren zijn aangebracht.
Ze hijschen die binnen hunne versterkingen en hangen er dikwijls
onze vlag onder; ook kan de bezetting van zoo\'n veldwerk zich
soms avonden amuseeren met het slaan op een trom of het blazen
op een hoorn, welke op onze troepen zijn buitgemaakt.
Alvorens ten strijde te trekken doen zij den „kogeleed."
De handeling bestaat daarin dat de zwerenden gezamenlijk water
drinken, waarin een kogel is gedompeld, of den kogel beurtelings
vasthouden, daarbij den vloek uitsprekend, dat die kogel elk hun-
ner ten verderve moge worden die het verbond breekt. Ook ver-
binden zich de onderhoorigen of landgenooten van een hoofd tot
eeuwige trouw aan hem, door water te drinken waarin hij zijn
rentjong gestoken heeft.
Deze wijze van zweren heeft een zuiver polynesisch karakter
en wordt bij vele volken in den Indischen Archipel aangetroffen.
In de Molukko\'s zegt men daarom ook wel: „minoem soempahan",
een eed drinken.
Polygamie komt, zooals te begrijpen is, op Atjeh voor. De ge-
wone kleine-man heeft evenwel zelden meer dan ééne vrouw;
eerstens veroorloven hem zijne middelen niet de weelde om er
meerdere vrouwen op na te houden, tweedens is de echtscheiding
-ocr page 17-
13
hier uiterst gemakkelijk, zoodat hij, indien eene andere vrouw,
dan die hij reeds heeft, hem meer behaagt, hij heel eenvoudig aan
deze haar afscheid geeft. Meer dan vier wettige vrouwen mag een
man echter niet bezitten, hoewel op dit Koranischc voorschrift door
de hoofden wel eens inbreuk wordt gemaakt. Zoo moet de thans
zoo beruchte Toekoe Oemar zich de weelde veroorloven van zeven
wettige vrouwen te hebben. Over het algemeen zijn de meisjes op
elf- of twaalfjarigen leeftijd reeds huwbaar, en zoo zij den leeftijd
van twintig jaren voorbij zijn, worden ze reeds als oude vrijsters
beschouwd. Hoe nu de Atjeher zich het beeld van eene met alle
bekoorlijkheden toegeruste Venus voorstelt is moeilijk te zeggen.
De een vindt eene lange, rijzige taille zijn ideaal, een ander noemt
als zoodanig, eene korte ineengedrongen gestalte met breede heupen,
zwaar gevulde armen en malschen boezem; een derde geeft de
voorkeur aan die, waarin Niasch bloed zit; een vierde verkiest als
zijne uitverkorene een meisje van Arabische afkomst, enz., doch
allen stemmen hierin overeen, dat, wil een meisje voor mooi door-
gaan, zij niet een al te donker „teint" moet hebben; hoe meer dit
het lichtgele nadert, — in Midden-Java zou men zeggen Koelit-
langsrp — hoe mooier.
En nu het standpunt van ontwikkeling? De intellectueele ont-
wikkeling van het Atjehsche volk is niet zeer hoog.
In de laatste jaren van oorlog en beroering die het heeft beleefd
werden de scholen slecht bezocht, zoodat het onderwijs van de
jeugd veel te wenschen overliet. Hooggeplaatste Atjehers kunnen
slechts voor een klein deel schrijven; zelfs lezen, behalve dan den
Koran, kunnen de meesten maar zeer oppervlakkig. Ze zijn dus
verplicht alles aan den Krani of een schrijver over te laten, en
daar zulk een schrijver het volle vertrouwen van zijn meester ge-
niet, wordt hiervan, dikwijls ten koste der bevolking, grovelijk
misbruik gemaakt. Toch ontbreekt het vele Atjehers niet aan
doorzicht en bevattingsvermogen, terwijl hun een vrij sterk ont-
wikkeld oratorisch talent niet mag ontzegd worden. Dat er, in
weerwil van hunne geringe opleiding, Atjehers zijn, die zich in
wetenschappelijke richting boven het peil der massa weten te ver-
heffen, bewijst de dichter van het nieuwste Atjehsche heldendicht.
In de Hikajat prang Kompeuni worden de heldendaden der
Atjehers in den strijd tegen de Hollanders bezongen. D o k a r i m,
de dichter dezer Hikajat, kan lezen noch schrijven, doch zijn wel-
-ocr page 18-
14
gestoffeerd geheugen laat hem zelden in den steek, want Dr. Snouck
Hurgronje verhaalt ons hoe hij uit eigen ervaring kan getuigen, dat
twee voordrachten van het gedicht, door den auteur zelf op ver-
scheidene tijden gedaan, vooral niet meer van elkander verschilden
dan twee geschreven exemplaren van onverschillig welk ander
Atjehsch boek.
Wij zeiden dat in dit epos de heldendaden der Atjehers worden
verheerlijkt, doch ook aan onze troepen en vooral aan den Generaal
v. d. Heijden wordt hulde gebracht.
Een der strophen van dit epos luidt:
De pogingen der Kompeuni om den Imeum (Imam) von Loeëng
bata met geld te winnen bleven vruchteloos. In den strijd des
vijands tegen de XXVI Moekims stond juist hij met Teukoe Paja
pal voor de verdediging. Maar toen de XXVI Moekims over-
wonnen waren en kort daarop de éénoogige Generaal zegerijke
tochten zelfs door de XXII Moekims ondernam, tot verbazing van
de tot dusverre zwetsende Bovenlanders, toen stak de Imeum van
Loeëng bata het zwaard in de schede en trok zich uit het open-
bare leven terug.
Nu brak een driejarig tijdperk van rust aan, waarin de eenoogigc
Generaal zijne veroveringen bevestigde. De „Radja Moeda," Teu-
Koe Nja Moehamat, spande alle krachten in om de hoofdplaats
en Oelèë Iheuë (oleh-leh) tot welvaart te brengen, en dit gelukte
hem in die mate, dat de uit hare dorpen gevluchte bevolking in
niet te stuiten stroomen naar de hoofdplaats kwam en zich met
de kafirs verbroederde. Men leefde als in voortdurende fecst-
viering, men dreef voordeeligen handel en de krijgsvorsten konden
geen volk meer vinden, dat hen volgde.
Alles ging den éénoogigen Koning hulde brengen.
En aan het slot krijgen we deze ontboezeming:
De Kompeuni is nu druk bezig met allen invoer te verhinderen
tot groot ongerief van de lieden binnen de linie. Om die sluiting
afdoende te maken, heeft zij een nieuwe soort van zeer ingebeelde
en opgeblazen soldaten aangesteld, de matoetè (maréchausée) ge-
naamd. Deze vertoonen veel moed wanneer zij enkele gampong-
bewoners tegenkomen, arresteeren zulke lieden met veel misbaar
en brengen ze met slagen en schoppen naar binnen. Zien zij een
bende strijders, dan kruipen zij weg.
Zooals de Kompeuni thans te werk gaat, krijgt zij Atjeh nooit.
Billijk was de éénoogige Generaal!
-ocr page 19-
15
Hoe is alles sedert het vertrek van den éénoogigen Generaal
veranderd. Toen heerschte overal rust en vrede en thans krijgen
we wederom de handen vol met een gelukzoeker, met een politiek
avonturier, door ons ter kwader ure vertrouwd, die nu, met meer
dan twee honderd goed-gewapende en van Beaumont-geweeren
voorziene volgelingen, is gedeserteerd. Toen lag onze zuidelijkste
post, Glé-Kambing, niet minder dan 21/:> uur Z. O. van Lambaroe
en thans zijn al onze posten, op een tweetal na, buiten de linie,
van alle gemeenschap afgesloten. In die buitenlinie liggen 21
Atjehsche bentengs met volk van Toekoc Oemar bezet. Ze behoor-
den nog kort geleden tot onze vrienden. Tusschen de Atjehsche
bentengs bevinden zich 13 onzer posten, over welke 1000 man-
schappen, infanterie en artillerie, zijn verdeeld. Zoo heeft Tjot Rang
ecne bezetting van 78 man infanterie en 8 artilleristen, Ketapang-
Moet 100 man infanterie en eenige artilleristen met twee stukken
geschut, Anak Galoeng, dat onlangs beschoten is, ook 100 man
infanterie en bediening voor twee vuurmonden; enz. De geheele
bezetting van Atjeh bestaat thans, wat de infanterie betreft, uit het
3e, 12° en 14° bataljon, le compagnie van het 15e en de beide
garnizoensbataljons; de artillerie uit de 4e compagnie bergartillerie,
de lüe, 17e en de 22e compagnie vesting-artillerie, verder genie
1 detachement; cavalerie: het linkerhalf 4e escadron en eindelijk
het corps marechaussee. Deze macht zal weldra worden versterkt
met twee bataljons infanterie en een batterij artillerie, waarmede
Generaal Vetter thans onderweg is. Moge het hem, den energieken
overwinnaar van Mataram en Tjakra Negara, gelukken de roode
vlag met de gekruiste klewangs en de wassende maan neer te
halen van Atjeh\'s stranden, en onze driekleur van het Noorder-
strand tot den Goudberg boven de tinnen der moskeeën als een
symbool van orde en rust voor altijd blijven uitwaaien!
-ocr page 20-
BRONNEN:
Dr. C. Snouck Hurgronje, De Atjehers, Dl. I en II.
Dr. Julius Jacobs, Familie en Kampong-leven op Groot-
Atjeh Dl. I en II.
Mr. M. P. Brooshooft, De Atjeh-oorlog.
Prof. Dr. P. J. Veth, Atchin en zijne betrekkingen tot
Nederland.
Tijdschrift v/h Aardr-Genootschap, Dl. V.
E. de Waal, Onze Indische finantiën.