-ocr page 1-
^ ii s/j *■• r ^
Emiel GIELKENS
DE KWAAL DES TIJDS
OPEN BRIEF
AAN OEN
Heer Baron de PITTEURSHIEGAERTS
Gouverneur der provincie Limburg
xS *^Z5- -«—
SINT-GILLIS-BRUSSEL
DRUKKERIJ N. DEKONINK
l6, FORTSTRAAT, IÓ
1896
-ocr page 2-
-ocr page 3-
^4 y^ ^ S*Sp,\'~*
£a^ , s,
t^y^
DE KWAAL DES TIJDS
-ocr page 4-
VAN DEKZELFDEN SCHRIJVER I
Organisatiou d\'un syndicat et d\'un musée agri-
cole. — Création d\'un bureau de renseigne-
ments — Rapport présenté au comice agricole
de Hasselt en 1887.
Un Musée agricole.
La Loi sur Ie droit d\'auteur et les Sociétés
particulières.
Les Sociétés et Ie Droit d\'Auteur.
Les Sociétés et Ie Législateur.
Les Sociétés et la Loi de 1886.
Les Sociétés et les Tribunaux.
Les Sociétés et 1\'Association des Auteurs.
Les Sociétés et les Législations Etrangères.
Les Sociétés et les Principes, I.
Les Sociétés et les Principes, II.
Les Sociétés et les Chambres Législatives, I.
Réalitó.
CEuvres dramatiques et musicales. — Délit de
contrefacon.
La Liberté d\'association, I.
Open brief aan den heer Gevaert.
Voor Maatschappijen en Kunst.
-ocr page 5-
Emiel GIELKENS
DE KWAAL DES TIJDS
■oo«f-\'r*©»J4*o-
OPEN BRIEF
AAN DEN
Heer Baron de PITTEURSHIEGAERTS
Gouverneur der provincie Limburg
SINT-GILLIS-BRUSSEL
DRUKKERIJ N. DEKONINK
l6, FORTSTRAAT, l6
189Ó
-ocr page 6-
-ocr page 7-
De Kwaal des Tijds
Onze voorvaders vochten steeds
Voor het behoud van hun\' vrijheden.
Als men ons dan komt doen veel leeds
En weer hiertegen inkomt heden,
Is \'t ons zeker een\' heil\'ge plicht
Dit U te komen mededeelen.
\'t Is wat wij doen in dit gedicht,
Verzekerd dat gij dit zult heelen.
Wij ook moeten voor de vrijheid
Vrank hier weten vooruit te komen,
Daar in deze omstandigheid,
Men deze gansch zou kunnen toornen.
Wij spreken nu voor \'t algemeen
En moeten vrij onz\' stem verheffen.
Ook achterdocht hebben wij geen,
-ocr page 8-
— 6 —
Daar dit U zeker meest moet treffen
Zulks nog te vinden in onz\' rijn.
Gij zult, Heer Gouverneur, vergaren
De maatregels die noodig zijn
Om ons hier allen te vrijwaren.
Op zeekren dag, niet over lang,
Werd ik van verwondring geslagen,
Daar ik door onz\' straten aan gang,
Van veel kanten mij hoord\' uitdagen.
Hoe kon dit zijn? Ik zag niemand,
Waarheen ik mij ook dan kon draaien.
« Gij ligt hier, zei men, nu aan band,
« En zult niet veel meer verder maaien.
« Volkomen blijft gij in onz\' macht,
« En zult er niet meer uit geraken
« Wat gij hiertoe ook werkt of tracht;
«De zaken weten wij te maken
« Zoo dat niemand ons komt te slaan,
« En wij ook niets hebben te duchten.
« Wie zou ons toch staan in de baan ?
« Wie zou voor ons niet aanstonds vluchten ?
« Wij handlen gansch naar onzen wil,
-ocr page 9-
— 7 —
« En kennen wet noch overheden.
« \'t Is best dan ook U houden stil
« Wilt gij zoo wat hebben de vreden. »
Bij dit zeldzaams wat kon ik doen?
Wat wou men bij dit alles maken?
Was er geen verstandsdwaling toen?
Wat kunnen dat toch zijn voor zaken?
« Gij zijt hier nu alleen niet in,
« Zei men met zeker welbehagen.
« Het ligt nu gansch in onzen zin
« En ieder mensch moeten wij plagen.
« Wat verder, weten wij ook al. »
Ik dacht, dit gaat zeker niet duren
En zal verdwijnen bij geval.
Doch vervolgens verstreken uren
En steeds ging alles nog maar voort.
En zoo ging het dan ook bij dage;
En bij nacht ook, — is het gehoord? —
Moest ik dit nog al blijven drage.
En zoo moest ik al verder gaan,
En nog al meer kwam mij dan tegen.
Hoe kan een mensch zulks toch begaan?
Hoe kan hij iets zoo kwaads al plegen?
Gij die u oorlooft deez\' wandaad,
-ocr page 10-
— 8 —
Ziet gij dan niet onstaan de wolken?
Ziet toch dat er geen weerstand baat,
En dra \'t onweer u drijft naar kolken!
Doch blind zijt gij en blijft het al!
En verder steeds wilt gij dit drijven!
\'t Was nacht. Stil was het overal.
Nog grooter kwaad wou men bedrijven,
En wat zag ik voor mij ontstaan?
Iets wat om \'t meest mij moest verbazen.
Eensklaps was slaap bij mij vergaan,
En gansch de stad kwam om mij razen.
Het was niet zake hier van droom;
De werkelijkheid kwam opdagen.
De eene riep : « Gij zijt te loom. »
Een ander kwam mij weer uitdagen.
En verder hoorde men van al.
Men zou bij mij in huis inbreken,
En alles weg doen bij geval.
Men zou mij allerhande treken
Vervolgens spelen op den rug.
« Het gaat zelfs, zei men, om het leven.
En dan kwam nog een ander vlug
-ocr page 11-
De zaken maken overdreven.
Ik draaide en draaide mij al om,
En rust kon geenszins hier ik vinden.
« Wat toch wilt gij weerstaan, nu kom;
« Voelt gij dan niet dat wij U binden? »
Dit hoorde ik dan toch niet aan,
Hoe droevig \'t mij al moest voorkomen.
Doch als de zon weer kwam opgaan,
Als vogels zongen in de boomen,
En dan ook kraaide weer de haan,
Was ik, in dees omstandigheden,
Erger als vroeger op de baan.
En zoo nog ander hierdoor leeden,
En zelfs eenieder viel er in,
Ware het dan niet gansch bewezen
Dat middelen in besten zin,
Ook moeten worden uitgelezen
Om dit te reeglen als \'t betaamt?
Wij moeten \'t dan ook bestatigen
Dat het goed moet worden beraamd.
Voorzeker zal men \'t behartigen
En handlen volgens alle reen.
-ocr page 12-
— IO —
Onlangs kwam een schouwburg zich stellen
Met zijne wagens hier bijeen.
Onmogelijk nu te vertellen
Al wat zich daarbij al opdeed.
Doch dit moeten wij wel opgeven
Dat meenigeen hierdoor veel leed,
Niet toch door wat dit bracht al leven
Maar wel door wat nog kwam hierbij.
Een electriseh toestel moest drijven
Al onze lieden op de rij.
Zoo zag men saam er soms wel vijven,
Die waren gansch door dit geleid.
Men deed hun huizen maar intreden,
En met de grootste gerustheid,
Zonder te weten wat zij deden,
Daar blijven zitten uren lang.
Zij vaarden ook tot in een\' wagen
En waren niet het minste bang,
Om zonder eenig welbehagen,
Daarin te blijven waken al.
En als de dag weer kwam aanbreken,
Dan zag men hen trekken van wal.
Zoo werkt \'t toestel; \'t gaat over beken,
Ook over berg en over dal.
-ocr page 13-
— II —
Geen plaats waar men zich kunne steken
Of \'t komt ook daarin bij geval.
En gaat ook dan in alle streken,
Niets wat U zal ontdoen er van.
Tot in Duitschland is men gevaren,
En in Frankrijk gingen zij dan.
Niets kan dit stremmen; men blijft staren,
Opdagen ziet men maar geen eind.
In vreemde streek gingen wij reizen.
Wat zagen wij? Een leger seint,
En daar komt het voor ons oprijzen.
In goede orde zien wij \'t gaan;
\'t Trekt overal op zich de oogen,
En vrouw en kind blijft er bij staan,
En zegt : « Men kan er ook op bogen. »
Doch wat is dat? Daar komt \'t muziek
En laat zijn schoonste tonen hooren.
Verrukt en blij is het publiek,
Glimlachend ook spant het de ooren.
Ziet nu, eensklaps houdt het hier stil,
En naderbij komt \'t volk zich scharen
En van verrassing heeft \'t een ril.
-ocr page 14-
— 12 —
Doch wat zijn nu al die gebaren?
En dezen man bezien, waarom?
En waarom niet de hand hem wijzen?
Nieuwsgierig is men meer er om.
Een officier, — men moet hem prijzen, — .
Op zijne beurt komt naderbij
En hij komt ook hem buigend groeten.
En schooner klinkt de melodij
En trappelend gaan nu de voeten.
En officieren trekken door
En een voor een moeten zij komen,
— Wat baat het dat iemand men stoor\',
Men moet toch zoeken hem te toornen, —
En een voor een doen zij den groet.
Doch eindelijk is d\'uur verstreken
En verder gaan zij nu, het moet!
De opperofficier geeft \'t teeken.
\'t Muziek trekt verder ook al door;
Het volk maakt zich hier uit de voeten.
En hij waar men zoo lang stond voor,
Weet maar niet wat men hem doet boeten.
En is dit zoo voor andren ook?
En moet dit overal gebeuren?
De gansche nacht geen oog hij look;
-ocr page 15-
— 13 —
En meer en meer moest hij \'t afkeuren,
Want hij\'zag dit ook meermaals nog
En men moest sterk \'t hem ook verzuren.
Wat moest het leger dan zijn toch ?
"En moet dit dienen om te gluren
Wat zich somtijds zoo al opdoet?
En gaat het dienen om te plagen?
Of kan het beter nemen voet
En met verdiensten beter slagen?
Ja, dit moet zijn een school van eer
Zoo \'t is bij ons en was voordezen.
Dit moet voor ieder zijn een leer,
Dan zal het blijven hoog geprezen.
Dat het bevrijde \'t vaderland,
De algemeene rust beware,
De jongheid ook brenge tot stand,
En niets dan heil en voorspoed bare!
Dan zal men het zien, met geluk,
Altijd in ons plaatsen doorvaren!
Dan zal het ook altijd zijn druk,
Dan zal men zich nog meer vergaren
En toejuichen en prijzen hoog
Wat \'s lands grootheid weet te handhaven
Waarop ik fier voor ons hier boog!
-ocr page 16-
— 14 —
Dan ook, dit kan ik zeker staven,
Zal steeds het leger zijn \'t voorbeeld
En ons de grootste roem bijbrengen!
Hoe komt \'t, dat dit wat anders teelt
Soms, ook kwaad zich hieraan gaat mengen?
Hoe kan \'t, dat men \'t schoone vergeet
En zich ook soms late verdwalen?
Gij die zulks doet, begrijp en weet
Dat kwaad altijd zich doet betalen!
Wat \'t Electrisch Toestel nog deed
Is \'t ons een plicht ook te verhalen.
Zoo, hopen wij, zal allen, leed
Ontnomen zijn en zonder palen.
De jonge lui zijn toevertrouwd
Aan \'t leger om het land te dienen.
Dit heeft tot hier niemand berouwd;
Met geen rouw zal men ons bedienen. ,
Doch hoe komt het dat men ook dan
Met soldaten wil schrik aanjagen?
Hoe is \'t dat men gebruikt er van
Om ons en andren ook te plagen?
Hoe zendt men dees allen gelijk
-ocr page 17-
— 15 —
Om zedelijk er te bewerken?
Ziet toch dat, zoo gij neemt dees wijk,
Gij kwaad sticht zonder paal noch perken
Ziet toch dat de bescheidenheid
En ook de tucht zoo gaan verdwijnen,
En gij, dus doend, op korten tijd,
Het gansche leger al kunt mijnen!......
Met dit schoon Toestel zendt men ook
Nog de soldaten al met vrouwen;
En over zijnen misstap look
Soms d\'Overste d\'oog zonder rouwen.
Dat dit niet meer gebeuren mag,
Dit moeten wij hier toch niet zeggen.
Dat men dit ook al meermaals zag
En hiervan sprak over de heggen,
Kan geen verwondring doen ontstaan,
Moet allen tot verstand weer brengen.
En zoo het anders nog kon gaan,
Dan zou verdriet zich daarbij mengen.
Een groote zorg voor d\' Overheid
Is d\' orde weten te handhaven.
Heer Gouverneur, U opgeleid
-ocr page 18-
— i6 —
Is dit, en gij weet ze te staven.
Politie, leger staat ter zij,
Gereed om steeds dienst te bewijzen,
En zoo met de gendarmerij,
Die dit bewijst bij menig\' reizen.
Doch onder aandrang van \'t Toestel,
Wel eens hebben zij dit vergeten.
In Hasselt zag men dit al fel,
In Brussel ook heeft men \'t geweten.
Wij hebben dit meermaals gezien.
Ons werken, scheen \'t, kon men niet dulden;
Dan moesten zij van al aanbiên.
Zóö was \'t dat zij hun plicht vervulden.
\'t Electrisch Toestel woü dat zoo!
Men moest handlen zoo \'t schreven d\'ouden;
En daar nu dees zaak zich aanboo\',
Met zeemeerminnen dan ook zouden
Zij dit afmaken zoo maar al.
In \'t Brusselsch Park kwam mij ook tegen
Al meermaals nog zoo een geval,
Als harmonij klonk door de wegen
En vogels zongen overal.
Hardnekkig moest men ons zelf volgen,
Men deed gekheden zonder tal,
-ocr page 19-
— 17 —
Het scheen, men zou ons zien verbolgen
Of ook ons krijgen uit den weg.
En de gendarmerij kwam spelen
En d\'Officier kwam bij : « Nu, zeg,
« Gij moet, zei hij, U daar vervelen;
« Mijn sekretaris bracht U daar
« Zoo iets wat U zou kunnen leeren
« Wat schoonheid al kan maken klaar.
« De tijden gaan en nooit zij keeren;
« Pluk dan de vrucht die zich aanbiedt.
En weer een ander kwam gedreven
En weer zong men een ander lied.
Op reis ook kwam men dikwerf geven
Dan d\' een dan d\' ander plagerij
Om \'t leven ons maar moê te maken.
En man en vrouw waren daarbij;
En toch kon men er niet geraken.
Gij hebt dikwijls gelezen al
Van allerwonderbaarste zaken.
Dank \'t Toestel, zijn ze bij \'t geval
Te zien hier onder alle daken.
Wij hebben ieder op zijn\' beurt
-ocr page 20-
— i8 —
Hierbij meermaals vooruit zien komen;
En de besten, — \'t is nooit gebeurd! —
Zijn voortsgegaan als waar\' \'t in droomen,
En hebben daar gehad hun rol,
Die soms ook veel nog liet te wenschen,
En ons bewijst dat men zeer dol
Zich kan betrouwen op de menschen.
Rijtuigen krijgt men zoo op weg,
Die dan u overal begroeten
Op wal en straat, langs kant en heg.
Het Toestel wil het, en zij moeten;
De grootste zullen daarin zijn.
Zoodra iemand is aangegeven,
Ziet men liên komen op de lijn
Met dagblad of iets ook daarneven.
Vergramd nog staan zij op te zien
Als niet verlangd uitwerksels komen.
Op koets gaan zij zich zoo aanbiên;
En om de liên te kunnen toornen,
Ziet men zelf schoone vrouwkens hier
Zich voordoen met een hondje neven;
En rijen damen dan met zwier
Doen zich hier voor en lachen even,
En gaan verder en komen trug
-ocr page 21-
— 19 —
Om dan weer al maar te verdwijnen
Als schimmen over eene brug.
En schoone juffers zag men grijnen
Terwijl zij liepen naar een huis,
Door eene macht er toe gedreven
Die rechte liefde was kwansuis,
Doch wat zij wouden niet kon geven.
En\'ziet nu daar die kinders staan
En verder er nog meer bijkomen;
Zij zullen koordje springen gaan
En dansen dat zij er van droomen.
Dan zijn ze hier, dan weer al daar,
Dan zijn ze stil, dan weer aan \'t loopen,
Dan ver van een, dan al te gaar,
Dan weer ook gaat de rij gansch open.
En overal gaan juffers door
De kleedsels spannend om de leden,
En zoetluidend komt tot de oor
Een stem die zegt: « Kom, ga maar meden. »
Daar gaan ook moeders \'t kind aan hand;
De handen gaan, de oogen spreken.
Wien toch wil men leggen aan band?
Voor wien dan is \'t erkenningsteeken ?
Daar is zeker wat anders bij;
-ocr page 22-
— 20 —
Men wil hier tot iets anders komen.
Liên komen van ver en nabij;
Men ziet ze varen en ook stoomen.
Met rijwiel komen zij en peerd,
Met ijzerenweg en voertuigen.
Doch wat hen allen zoo regeert
En hun geloop stellig komt tuigen,
Schijnt hun te ontsnappen geheel.
En meer nog hebben wij vernomen.
Niet lang gelêen, kwam ons ten deel
En wierd de stad hier ingenomen
Door een circus met groot gespan.
Men zag de wagens zich opvolgen,
En voor het spel was er de man.
Niemand van ons was er verbolgen;
Eenieder zei : « \'t Is uitspanning;
« Na \'t werk, zal dit allerbest komen. »
En talrijk was het dat men ging;
De jongheid was niet in te toornen.
En niet alleen volgde zij \'t spel,
Zij nam ook nog lessen daarbuiten,
En op de peerden reed men fel.
-ocr page 23-
— 21 —
Niet een woü zich daaruit zien sluiten,
Niet een of hij woü ook nagaan
Het werk dat de kunstrijders deden.
Tot laat wees \'t handgeklap ons aan,
Dat \'t niet gebeurde zonder reden.
De kunstrijdsters die men daar vond,
Door geschiktheid ieder voldeden.
D\' eene was zwart, d\' ander was blond,
En schoon ook waren zij van leden.
Weldra weer waren zij bewerkt;
Zij ook moesten haar rol hier spelen.
Wie men in oog had werd gemerkt,
En zij moesten hem meest vervelen.
Door alle twee wierd hij bewerkt
En : « Gij kunt alles met ons deelen, »
Zei men en \'t scheen niet eens bemerkt.
\'t Electrisch Toestel bracht er velen,
En schooner nog was dan de stoet,
Die men bij goed weer zag doortrekken.
Geloop, gedraai, en staan en groet,
En hoofdjes die men wist te dekken,
Dit alles wierd in werk gesteld.
En na het einde van de feesten,
Wierd door gegons ons aangemeld
-ocr page 24-
— 22 —
Dat zij zich verblijdden om \'t meesten.
En rechts en links ging liefdepaar
En zang en lach deden zich hooren,
En tot laat in den nacht wierd daar
Gefeest dat het weerklonk in d\' ooren.
Dat het weerklonk in d\' ooren? Ja.
Hoort nu wat er zoo moest geschieden.
Een teeken kwam; men schreeuwde : « Ga. »
En aanstonds hoorde men gebieden
Dat wagens zouden zijn vol licht.
En donker was de nacht geworden
En overal was alles dicht.
Doch wat hoord\' ik? Zij spraken, morden,
En waren bezig ondereen.
Wat is \'t? \'t Zijn stemmen die wij kennen,
Doch juffers toch ziet men er geen.
En waren zij \'t? Ik moet bekennen
Dat ik \'t niet bevestigen kan,
En \'t scheen voorwaar, zij waren \'t allen.
Wat nu? Ik versta er niets van;
Dit zijn wonderbare gevallen,
Die ons het Toestel weer voorgeeft.
-ocr page 25-
— 23 —
Eene stem roept : « Hij moet maar komen,
« Gelijk de bijbel gezegd heeft,
« En dit, gelooft \'t, zijn geen droomen. »
Een andre zegt : « Ik krijg er geen;
« Ik wil dat hij mij kome vinden,
« Hij weet dat ik \'t bij hem goed meen.
« Men moet ons tweeen samen binden. »
Doch eensklaps hoort men,—wat is dat? —
Een groot geraas,...... en \'t is verdwenen
Wat men zoo even gezien had.
Men vraagt zich af : « Waar zijn ze henen? »
Niets, zegt men, wierd er meer gezien.
Slechts eene juffer voor de deure
Bleef aan \'t gezicht zich daar aanbiên.
En nog vraagt men hoe \'t kon gebeure!
Zou dit met het Rechtstreeks Verkeer,
Waarvan wij vroeger nog al spraken,
Hier voorgevallen zijn alweer?
Wil men er anders iets van maken ?
Zeker is \'t Electrisch Toestel,
Waaraan dit alles is verbonden,
Voor veel een uitvinding der hel.
-ocr page 26-
— 24 —
En nochtans kon het veel goeds gronden!
En nochtans kon \'t een voortgang zijn!
Kent gij ons groote uitvindingen,
De eer en glorie van ons tijn?
Met de Telegraaf kan niets dingen
Die doorgegaan is overal,
Die over waters, zeëen, bergen,
\'t Laatste nieuws overbrengen zal,
Voor wie geen plaats meer is te bergen,
Die gansch de wereld heeft doorzocht.
De Telephoon is doorgedrongen
En heeft de stem ons door de locht,
Waarvan de lof is voorgezongen,
Ten voordeele van nijverheid
En handel, tot in verre steden,
Met de raste schreden verspreid.
En nu zou men het anders smeden!
En nu zou een nieuw uitvinding
Die ons eeuw tot eer kon verstrekken,
Niets meer hier worden dan een ding,
Dat ongeluk in de vertrekken,
Moet brengen zonder onderscheid!
Hoe zou men toch zoo ver zien dalen
\'t Vermogen van onze menschheid!
-ocr page 27-
— 25 —
Doch in dit kunnen wij niet falen,
Dit kan toch niet gebeuren, niet!
De Telephoon die doet ons spreken,
— Dit was nog \'t schoonst wat was geschied,
Hoe ook dat men dit al aanreken, —
Bij middel van vlies, draad, hoorbuis,
Op wat zaak ook dat het moog\' wezen,
Of in een bureel of in huis,
Van al wat aanbelangt ons wezen.
Nu heeft men het Rechtstreeks Verkeer;
Nu kan men zonder iets zich spreken;
Nu kan men alles doen al meer;
Nu komt men ook in alle streken
En dringt overal door \'t gedacht
Voor alle belangens van \'t leven;
Nu kan vermeerdren nog ons macht
En kunnen wij ons verste neven
Ook nog vergrooten het erfdeel.
En dit zou men ook weer nalaten!
En dit zou men verliezen heel!
En voor ons en voor ons nazaten
Ook zou men aannemen \'t verwijt
Van uit eerzucht, om te gebieden,
Te hebben verachterd den tijd
-ocr page 28-
— 26 —
En ondergewerkt ook veel lieden!
Wie \'t zij, neen, dit kan toch niet zijn!
En waar \'t geluk van hem en allen,
Waar het van goed kon zijn een mijn,
Daar zal men niet ellendig vallen,
Daar zal men niet verliezen al!
Verliezen al? Ja, men moet weten
Wat zich voordoet voor een geval,
Wat men ook bij ons is vermeten,
En waar men bij dit naar toe gaat!
\'t Is zoo dat alles kan verdwijnen
Wat schoons, edels bij ons bestaat,
Dat men \'t goede kan ondermijnen,
En dan verlagen kan den mensch
Veel meer en erger dan de dieren.
Verhoogen ons moet zijn onz\' wensch,
Verbetering moeten wij vieren,
Vereedlen moeten wij onz\' ziel,
Verheven moet zijn ons bedoelen.
En zoo het bij het noodlot viel
Dat wij gansch anders kwamen voelen,
Dan waren wij ten achter heel,
-ocr page 29-
— 27 —
Dan waren wij dra ganseh verloren.
Doch voorzeker komt wie ons heel\'
En dit weet in den grond te boren.
Kent gij die wet die men ov\'ral
Eerbiedigen moet en ook vieren,
Die de geschiedenis ook al
Doet uitschijnen op al\' manieren,
Als de grootste eer van het menschdom ?
Weet gij wat wij steeds moeten zoeken,
Wat nooit verbreid zal zijn alom
En nooit genoeg men zal aanboeken?
Dat is de zedelijke wet
Waar alles steeds zich moet naar stellen,
Waar overal wordt op gelet
Als van grootheid men wil verzeilen
Wat ook gedaan wordt in het land.
Dees moeten wij altijd bijblijven,
Dees is voorzeker \'t beste pand
En moet men overal nadrijven.
Hierop regelt zich de voortgang
Hieruit komt al het ware goede.
Zij moge bij ons blijven lang!
-ocr page 30-
— 28 —
Zij moge ons altijd behoede!
En daarom moet.\'i Rechtstreeks Verkeer
Geregeld zijn in allen deele,
Men moet er aan houden steeds meer
Dees wet te hoeden in \'t geheele.
En wat zou dees toch worden hier
Zoo men gedurig aan in d\' ooren
Kon doordringen in dees manier
Met wat het meest zou moeten storen ?
Waar zouden wij toch gaan al heen
Zoo dit Verkeer ons kon vervolgen,
En zonder rust en zonder reen
Kon tegen ons maken verbolgen
Al wie ons hier omringen kan,
En vreemd en vrienden ook en magen?
Meer kan men lijden nog daar van,
Meer kan men zien nog alle dagen.
Zoo ontstaat somtijds een stortvloed;
Hij stroomt van den berg naar de dalen.
En wêe hem die-zich niet behoedt!
Hij lijdt een\' schade zonder palen.
Van water wordt alles bedekt,
En alles wordt daarbij bedorven.
Zoo ook is \'t dat dees kwaal zich rekt,
-ocr page 31-
— 29 —
En alles dra wierd uitgestorven
Als niets dees bij ons tegenhoudt,
En men ze haren gang gaan late.
Weldra ook waren jong en oud
Er aangetast van zonder mate.
\'t Eleclrisch Toestel werkt nog meer;
Het doet ontstaan nog erger kwalen;
Het kan ons ondermijnen zeer
En ons tot het laagste doen dalen.
Na wat wij reeds hebben gezien
Is er nog meer hier te verhalen.
Ziet wat zich hierdoor kan aanbiên!
Ziet hoe het leed doet zonder palen!
Het menschlijk leven doet zich voor
In de gewoon omstandigheden,
Nog meer, het loopt ook dan al door
Gelijk wij zelf het willen smeden.
Twee appels zijn ons aangebóon,
Zoodra zich openen de oogen,
En wij verkrijgen hem tot loon,
— Daarop nu kunnen wij hier bogen,
Dien welken wij hebben verdiend.
-ocr page 32-
— 30 —
Wat daar ook al moge van komen
Wij houden die. Tot niets het dient
Hiertegen verder te dwarsboomen.
D\' een is allerschoonst op \'t gezicht
En schijnt te roepen alle harten;
Hij is voor wien vergeet zijn plicht
En, bitter, geeft hij niets als smarten.
De ander schijnt ons minder waard,
Hij schijnt ons lastig te verkrijgen,
En \'t is al goed wat hij ons baart;
Met hem kunnen wij hooger stijgen.
Weet gij hoe men die appels noemt?
De eerste is die van vermaken,
\'t Is die welken men \'t meeste roemt,
Naar welken ook de meesten haken
En die niets nalaat als verdriet.
Wee hen die deze blijft in deele!
Weldra vergaan zij gansch tot niet,
Verlies brengen zij nog aan vele.
De tweede appel is meer waard,
En met wat moeite ook te plukken,
Men vindt hem in iederen gaard,
En hij doet voor ons al gelukken.
Dit is de appel van den plicht
-ocr page 33-
— 3* —
En \'t is naar dezen dat wij trachten;
En wat men ook tegen ons richt,
Wij volgen hem uit al onz\' krachten.
Men wil den natuurlijken gang
Door vreemde middels nu verandren.
Doch wat men doe hier ook voor drang,
Zij zullen zich kwaad doen malkandren
Die dit misdrijf hebben bedacht,
En zoo ook krijgen loon naar werken.
Hoort hier wat men ons heeft gebracht,
Hoe men zich ook zoekt te versterken!
Op \'t eind eens goed gebruikten dag,
Heeft men wel recht om goed te rusten,
En dan ook is het dat men mag
Voorzeker slapen en met lusten,
Tot dat de dageraad ons wek\'.
\'t Elcctrisch Toestel weet te maken
Dat het bed worde eene plek,
Die het verdriet niet meer kan staken.
\'t Rechtstreeks Verkeer wordt ons een last,
Ondragelijk in onze ooren,
En onder \'t kussen ligt het vast
-ocr page 34-
— 32 —
En weet het ons den nacht te storen.
En dan komt er nog weer iets bij
Wat meer ons moet leed nog aanjagen.
Men zet en rechts, en links, op zij,
Electrisch\' punten om te plagen,
\'t Is of er spoken zijn in huis.
Men hoort daar ook al soms van spreken
Voor plaatsen waar ze zijn een kruis.
Bij nachte komen zij inbreken
En schrikken ieder overal,
\'t Is wie het eerst dan weg zal vluchten; \'
En het verspreid zich heel en al
En allen staan die plaats te duchten,
\'t Gebeurt dan ook dat er hier naar
Al zekere mannen gaan zoeken.
Zij deinzen dan met groot misbaar
Voor wat hun voorkomt in de hoeken
En wat gewoonlijk niets uitmaakt.
Nu weet men dat ook te gebruiken,
Nu wil men dat dit ook mishaakt,
Om d\' een of d\' ander te doen duiken.
En men doet dit voorwaar zoo goed
Dat eenieder dan moet verstommen.
Men doet er wel een heele stoet
-ocr page 35-
— 33 —
Zich volgen en zich doen opsommen.
Men zegge niet : « Onmogelijk! »
Wij hebben \'t kunnen bestatigen
Nog wel dikwijls in onze wijk.
Wij willen ook \'t ons behartigen
En dit doen weten overal.
Nog meer ook doet men daarbij komen.
Gewichten sleuren met geschal,
En dit hoort men, doch niet in droomen
Maar wel in werkelijkheid heel.
En slagen vallen op de muren;
Veel anders komt ons nog ten deel,
Met al wie men daar naar doet turen.
Men doet de stemmen weer ontstaan
\'t Is of zij van overal kwamen.
En de matrassen doet men gaan
En als blaasbalgen ook nog pramen.
Zoo is het dat men soms al leeft
Om kwaad gedurig aan te stichten.
Wie zoo doet, voorzeker hij beeft
Van op zich zelf dit zien te richten.
Het recht is daar en maakt ons steeds
Zoodanig vóór al onze zaken
Dat men ziet vallen \'t grootste leeds
3
-ocr page 36-
— 34 —
Op wien dit woü aan andren haken.
Men legt u nog onder de neus,
— Dit schijnt alweer niet te geloven,
En toch hebben wij niet de keus
En immer komt het schuim meer boven, —
Geuren ook nog van allen aard.
Gij gaat naar bed moede van leden;
Gij wacht den slaap door werk vergaard;
Niets, niets! Dit kan niet zijn nu heden.
Waar men zich ook al draai of keer\',
Steeds zijn ondragelijke geuren,
Die u verpesten meer en meer
En dringen door venster en deuren,
U hier onder de neus geleid.
Gij zijt aan tafel stil gezeten,
Met werken gebruikt gij den. tijd,
Gij zijt in familie aan \'t eten
Of hebt een genoeglijke kout,
Daar is de geur weer bijgekomen
En al doordringt hij eensklaps stout.
Eenieder kan nu maar wegstoomen
Niemand is maar hierbij bestand.
-ocr page 37-
— 35 —
In huis ten minste moest men rusten;
Daar moesten zijn noch plaag noch band.
En daar vieren zich vreemde lusten
Nog zonder achterdocht, ten toom!
Onz\' voorvaders deden vrijwaren
Van inbreuk van waar hij ook koom\',
Wat leed hun tegenstand kon baren,
En hunne woon en hunnen haard.
En wij zouden hen dan niet volgen!
En wij zouden maar heel bedaard
En nog ten minste niet verbolgen,
Zulk misdrijf bij ons zien begaan!
Wij zouden ons niet hier verzetten!
En steeds moeten wij verder gaan,
En hoe lieden men kan verpletten
Nog naderbij hier doen inzien.
Gij meent dat de gewaarwordingen,
Die immer bij ons zich aanbiên,
Gedurig bij den mensch doordringen,
Alleen volgens hij ziet en voelt.
Zoo moest altijd het zich voorstellen;
Doch zijn moed is nog niet verkoeld,
-ocr page 38-
En hij wil meer nog lieden tellen
Die hij zoo maar ten onder brengt,
Hij die dit heeft in zijne handen,
Dit Toestel wat ons leven lengt
Of ook verkort met \'t aan te randen!
Men doet dat nu zoo als men wil,
En blij of droef doet men u worden;
Van schrik moet gij werpen een gil,
Van gramschap ook den band aangorden
Zoodra dat zoo geregeld is.
Daar kan men niet in tegen werken,
— Wonderlijke geschiedenis! —
En men doet, zonder paal noch perken,
Steeds kwaad, zoo dit niet wordt verhoed.
\'t Is door \'t werk dat wij ons vereedlen;
\'t Is dat wat ons voorwaarts gaan doet,
En voor wat wij ook moeten veedlen.
Wat goed en groot is komt. van daar,
En al de groote uitvindingen,
De eer van onze eeuw, voorwaar,
Zijn door het werk waarnaar wij dingen
Vervolgens hier gebracht tot stand.
En dit zou men komen verbreken!
Den mensch zou men leggen aan band!
-ocr page 39-
— 37 —
Gewaarwordingen zou men steken
In al door \'t Electrisch Toestel,
En zoo voor \'t werk hen gansch vernielen!
En hoe goed ook dat men al tel\',
Steeds zijn er nog al meer die vielen
Van die schoon middels, die wij hier
Genoeg niet kunnen doen uitschijnen.
Men plaagt ons op alle manier,
Men wil ons hu volkomen mijnen.
Zoo doet men beelden ook ontstaan,
Die ons verschrikken of vermaken.
Men doet ze voor ons loopen, gaan,
En dan ook kunnen wij ze raken.
Daar is men zorgvuldig aan \'t werk
En in gedachten heel verzonken,
Eensklaps ziet men, \'t is al te sterk,
Eene gedaante ons belonken.
Men draait zich links, men draait zich rechts,
Onmogelijk dit uit te maken;
Steeds ziet men meer en meer wat slechts,
Men kan er niet van af geraken.
Men ziet zoo mannen, vrouwen vrij,
-ocr page 40-
-38 -
Men ziet ook dieren zoo genaken;
Eenieder komt vooruit op rij;
Men helpt ons brein er andren maken.
En die gedaanten komen voor
Waar ook men zich kunne bevinden;
Wat men al doe, wat ook ons stoor\',
Men komt ze aan ons al vastbinden.
En wat is dat wat zich voordoet?
Wat verandring zien wij voorkomen?
Hoort! \'t Is of het ook dan al moet,
Hoort toch wat ons uit alle boomen
Hier tegenklinkt gedurig aan!
\'t zijn wel altijd vogelenstemmen,
Doch \'t zijn geen liedren dat zij slaan,
Die liedren die ons allen temmen;
Zij ook zij spreken mannentaal,
En dit wel over onze zaken.
Gelooft, niet dat wat ik u maal
Gemaakt zij om ons te vermaken.
Dit verwekt eerst verwondering;
Men zegt : « Hoe toch kan dit al wezen,
« Dat is nu hier een aardig ding;
-ocr page 41-
— 39 —
« Dat hoorde ik nog nooit voordezen. »
En men luistert dien zang al aan,
En men hoort dien van alle zijden,
En men kan niet van plaats vergaan
Of \'t is of zij maar allen zeiden :
« Wij, vogels, wij zullen voortaan,
« Al springend hier op deze boomen,
« U hooren en zien doen vergaan;
« Wij willen meer nog tot u komen. »
En dit wordt recht een smartgevoel,
En meer en meer slaat dit u tegen,
En men vraagt zich wat toch het doel
Hier van dit alles is, verlegen;
En men ziet nog een maal te meer
Dat dit tot kwaad alleen kan dienen.
« Hoe kan de menschheid toch zoo zeer,
« Zegt men zich, zijn noodlot verdienen,
« Door van wat goeds hij heeft in hand
« Het allerslechts gebruik te maken! »
Die lieden leggen zich aan band
Zij doen het ongeluk genaken.
Hoe toch kan zoo iets zich voordoen?
Als wij iets regelmatig hooren,
Of zang of muziek van \'t klaroen,
-ocr page 42-
— 4o —
Of ook den beier op den toren,
In den wandel voglengezang,
Het suizen van wind in de blaadren,
In een rijtuig den paardengang,
Bij eene kar \'t rollen der raadren,
Het doorvaren van den spoortrein,
Dan komt men zoo daaraan vasthechten
Op al\' manier het menschlijk brein,
En in stede van op te rechten
Wie goed kon doen, wie groot kon zijn,
Ziet men zoo al dikwijls verdwijnen
De besten, wier gemoed was rein,
Die zochten alles te verfijnen,
In oogen hebbend \'t waar en schoon.
Al verder nog kan men het drijven!
Al meer kwaad nog geven tot loon!
Zoo kan men al doen aan onz\' lijven
Wat men zoo maar bedenken kan.
De wetenschap doet wondre zaken,
Zij werkt op natuur en op man
En steeds zien wij ze verder raken.
O zalig is de vooruitgang,
-ocr page 43-
— 41 —
Die weet het goede steeds te stichten!
Doch weerstaan moet men aan den drang,
Die zich opdoet om al te slichten.
Dit is bijzonder het geval
Wanneer ziekzijn daarvan moet komen
En \'t zoo te vrezen is dat al
Verloren naar de zee kan stroomen.
Men wil u eenen huiduitslag
Van verre werpen op de leden,
En gij ziet, eenen schoonen dag,
Op \'t lichaam van dees vuiligheden.
Men weet dat dit zeer ver kan gaan,
En ware dat iets door gedreven
Dan zou \'t kwalijk met ons vergaan;
\'t Is zeker, men kan er van sneven.
En bij dat al is \'t niet gedaan.
Wie kent niet die leelijke kwalen,
Die d\'overdaad den mensch doet aan?
Dees geeft men u, \'t is om te falen,
Enkel door \'t Electnsch Toestel.
Zoo zei men maar : « Daar gaan zij komen. »
— \'t Schijnt ongloofbaar wat ik vertel,
Men zou veel êer zeggen \'t zijn droomen,—
En aanstonds ziet men alles zoo
-ocr page 44-
— 42 —
Opkomen en ook dra verdwijnen.
De merken zijn alzoo de bóo
Van boozen die u willen mijnen,
Voor wie kwaad doen het besten is
Wat ons in \'t leven kan gebeuren.
In hoever zij den bal slaan mis,
In hoever zij \'t geluk verbeuren,
Wat slechts diegenen te beurt valt,
Die steeds het goed hebben voor oogen
En wien men \'t leven gansch vergalt,
Dit voelen zij. En niet gedoogen
Dat men hierop roept hun aandacht!
Verwaand zien wij ze steeds meer loopen,
Doordrongen van hun groote macht,
Die zij zoo duur moeten bekoopen!
O wonderlijke verblindheid,
Waartoe brengt gij dikwijls de menschen!
En zoo gaat \'t beste van hun tijd
In kwaad stichten en ijdel wenschen!
De beste deelen van \'t lichaam
Daaraan gaan zij zich meest vast hechten,
En zij meenen daarbij hun faam
-ocr page 45-
— 43 —
Te maken en willen al slechten.
Zij geven een gezwel aan \'t oog,
Zij doen er zelfs wel twee opstijgen.
Hoe kan het dat men dit gedoog\',
Dat men de modder late stijgen!
Hoe kan men zich zoo stellen bloot
En alles laten onderdrijven!
Men ziet dan hier al niet de dood
Gereed te vallen ons op lijven!......
Met vlokken van allerlei kleur,
Die zich gedurig aan bewegen,
Stelt men soms ook de oogen veur.
Men spant er waarlijk een net tegen
Met kleine mazen gansch voorzien;
Vuurgeele, roode edelsteenen
Doet men in d\'oogen ook al zien.
Veel meer nog dan men al zou meenen,
Moet men gedurig hier ook doen.
Gerust gaat gij met d\'uwe wandlen,
Bewonderend wat het seizoen
Overal meebrengt en doet handlen;
Gij ziet de natuur en haar schoon,
De vogels springen in de boomen,
De oogsten ontstaan \'t werk tot loon.
-ocr page 46-
— 44 —
Eensklaps doet men een sluier komen,
Die u \'t gezicht geheel ontneemt.
En gij zijt van den nacht omgeven,
En in \'t rond wordt u alles vreemd.
Van overal komt men gedreven,
Van overal loopt men nabij......
Doch, o geluk! \'t Is weggenomen
Eu nu toch kunnen wij gaan vrij.
Zal men hierbij niet terug komen
Dat is wat wij niet weten, niet.
\'t Electrisch Toestel schijnt te werken
Gelijk het geval zich aanbiedt.
En zijn toepassing kan men merken
Gedurig aan in ons lichaam.
Aan onzen maag zet men de pijnen,
Die gansch ons afsnijden den aam,
En ons droevig met kanker mijnen,
En ons dan ook ter neder slaan.
Het hart ook blijft daar niet te buiten.
Daarnevens zet men iets in baan,
Waarop men nog zou kunnen stuiten.
Op pianos staat gewoonlijk
Een toestel dat de maat moet geven;
\'t Gaat gauw of langzaam, \'t is gelijk,
-ocr page 47-
— 45 —
\'t Gaat zoo als men het heeft gedreven.
Als met de metronoom is \'t hier;
Hier ook doet men wat men zou willen.
Langzaam en gauw, op al\' manier,
Gaat men en weet het ook te stillen,
\'t Is zoo geheel en gansch hartzeer,
Het kan niemand anders voorkomen.
En wie dit voelt, moet meer en meer
Op \'t eind van \'s levensdagen droomen..
Waar wil men bij dat al naar toe?
\'t Is d\'overmacht die men wil hebben!
En die liên zouden wij, wel hoe!
Zoo laten spannen hier hun webben!
Hier moeten wij tegen ingaan,
Zoo wij niet willen in onze oogen
Verminderd en verlaagd nog staan,
Zoo wij ons eigen nog gedoogen,
Zoo wij de menschheid waardig zijn!
Of wacht men tot het is verloren
Om zelf zich te vermalijn!
En om ons in den grond te boren
Bestaan nu middels zonder tal.
-ocr page 48-
_46 -
Een zinsverbijstering kan treffen
Of eenig ander ongeval
Wie meer en meer zich wil verheffen,
Wie, zoo als \'t moet, met volle hand
Het goed rondom zich wil uitstrooien.
Men kan hun raken in \'t verstand
En zoo gansch uit den weg hem gooien,
Hem, den verdienstigste van \'t land.
Zoo blind toch dikwerf zijn de menschen!
Alles moet weg of wel aan band
Wat men meernog hiersteeds moet wenschen,
De oorzaak van alle voorspoed,
Die welke overal vervolgen
Het ware, het schoone, het goed,
Die over het kwade verbolgen
Steeds werken door woord en voorbeeld
Om alle onheil te voorkomen,
Om al te scheppen wat vereelt,
Om ook de welvaart te doen stroomen,
Die de grootheid van \'t land uitmaakt!
Aan \'s lands goed willen wij meewerken
En niemand wie daar niet naar haakt,
Zoo hij niet zonder paal noch perken
Door slechte drift wordt meegesleept.
-ocr page 49-
— 47 —
Ook hebben wij hier niet te vrezen
Dat onz\' bevolking ingescheept,
De boot meer zinke dan voordezen,
Zoo wij steeds voor het eedle zijn,
Daar immer voor \'t manschap zal wezen
Al wat noodig, zonder dat \'t sein
Der nooddruft kome opgerezen.
De middels zijn naar vlijt van \'t volk.
Wij moeten dan ook altijd zorgen
Dat wij ons nimmer eenen dolk
Voor eigen kwaad bij ons al borgen,
Met niet te zien naar onderwijs
Noch opvoeding van andre lieden;
Want al, op een of andre wijs,
Komt samen zich altijd aanbieden.
Wij moeten onze beschaving
Met die van anderen vervolgen.
Als \'t leven anders men aanving
\'t Waar reden om te zijn verbolgen.
Daarom is \'t bewerken van !t brein
Altijd de eerste van ons plichten;
Nooit zullen wij \'t genoeg uitbrêin,
-ocr page 50-
-48-
Noch ons werkzaamheid daartoe richten.
Wie dit dan ook ten onder werkt,
Die komt het grootste kwaad hier stichten.
Niets is er meer wat hem beperkt,
Niets wat hij hier meer kan verrichten.
Doch \'t minst wat hij steeds zeker doet,
Is van de welvaart te vermindren,
Van ons te geven meer onspoed
En van den voortgang te verhindren.
\'t Ekclrisch Toestel staat op \'t brein
En weg is \'t werk van vroeger jaren!
Wie anders hier een man kon zijn
En voor ons allen nut kon baren,
Verloren is hij voor altijd!
Dit Toestel doet men best al werken;
Het brein raakt men, en weg de vlijt!
Geen spraak meer van het te versterken.
Het is geslagen links of rechts;
Men heeft getroffen het geheugen,
Men heeft gedaan wat er was slechts,
O waanzin! om zich te verheugen.
Geslagen is d\' inbeeldingskracht,
\'t Gevoel heeft men weten te raken.
En groot meende men toen zijn macht
-ocr page 51-
— 49 —
En grooter wou men ze nog maken!
En erger deed men nog daarbij;
Den mensen moest men maargansch bederven,
Dan was die nu weeral op zij.
Wie weet, men kon er iets van erven!
En best is die liefdadigheid
Die \'t algemeen kan onderwerken!
Hiertoe gebruikt men goed den tijd;
Men zal dit nog al meer bemerken!
Die ziekten zijn het niet alleen,
Waarvan wij al hebben gesproken,
Die men ons toezendt zonder reen.
Nog ander worden toegestoken,
Die ons afmaken zedelijk
En er te meer voor zijn te duchten,
Aan vele lieden gansch gelijk
Die er te meer om zijn te vluchten.
Zoo komt in de geschiedenis
Ons meer dan één tijd zich opgeven
Waar alles bij verloren is
Omdat de zeden zijn gaan sneven
En bij den Griek en den Romein
-ocr page 52-
— 50 —
En ook bij ons komt men ze tegen.
Men ziet daar hoe men ze moet mijn,
Hoe men ze moet slaan uit de wegen.
Weet gij wat men kan zien ontstaan ?
Weet gij wat wij zoo kunnen lijden?
Men ziet dan al ten onder gaan
En zonder dat men het kan mijden.
De ontucht, wijl wij dezen naam
Hier dan zoo maar moeten aanhalen,
Ontneemt ons niet alleen de faam,
Zij doet ons tot het laagste dalen.
Na haar volgen alle misdaan,
Zij komen het land overvallen;
Wij zijn er dra van overlaan,
Met d\'allerdroevigste gevallen.
Voorzeker is \'t niet zonder reen
Dat overal men ons komt toonen
Hoe dat er hierna meer is geen
Die niet van onz\' faut ons komt loönert.
En wij zien vervolgens ontstaan
Verraad, echtbreuk, bloedschande, stelen,
Al wat hierbij gepaard moet gaan
En men ook met geweld moet heelen,
Zoo men niet al verliezen wil.
-ocr page 53-
— 5i —
Ziet nu wat hieruit zoo kan spruiten !
Ziet nu waar wij naar toe gaan stil,
Zoo wij er ons zelven uitsluiten
En moedig niet durven vooruit!
\'t Electrisch Toestel zou volkomen,
Zoo men dit in zijn loop niet stuit,
De menschheid hier doen onderkomen.
Wie dit in zijne handen heeft,
Is er het eerst al van geslagen.
Neen, hij weet niet meer dat hij leeft,
En ongelukkig zijn zijn\' dagen.
En nijd en haat maken hem stroef
Waar hij door werk zich kon verheffen.
Hij maakt zich tot een galeiboef
Als hij het allerbest kon treffen.
Wat leven van tot andei-s plaag
En dag en nacht te moeten werken,
Als men tot anders nut hier staag
Kon bijdoen en zich zelf versterken !
Wat men groot moet zijn in zijn oog
Als men onze vrijheid komt stuiten !
Dat men dan ook er zich op boog\'
Als uit d\'achting men zich komt sluiten
Van zich en van het algemeen !
-ocr page 54-
— 52 —
Niet lang zal het niet meer aanloopen
Of allen spannen zij bijeen
Om dezen band te rukken open,
Die hun en hals en leden knelt.
Onz\' voorouders wisten te vechten;
Roemvol de werken die men telt,
Waar zij altijd wisten te slechten
Wat hen kwam roepen tot den strijd !
En waren wij niet gansch verloren
Zoo wij, allen aan band geleid,
Nog ons gemoed niet konden hooren ?
Zoo wij niet meester meer van ons
\'t Eleclrisch Toestel hoorden branden
In onophoudelijk gegons?
Zoo wij steeds ons zagen aanranden
Zonder hiertegen op te staan ?
\'t Rechtstreeks verkeer, ziekten en reuken,
Die men zoo maar zet in de baan,
Het brein wat men ook al kan beuken
En bij handlen zoo als men wil,
Maken dat niets kan overblijven
En dat men, als een lijk zoo kil,
Voortaan overal kan ronddrijven.
Weg is dan zeker de vrijheid!
-ocr page 55-
— 53 —
Weg zijn al haar openbaringen!
Drukpers, onderwijs, o ! gij zijt
Verloren immer zoo wij gingen
Den kop al bukken bij zulk juk !
Vereeniging-, godsdienstvrijheden,
Zoo dit steeds hier bleef werken druk,
Niettegenstaande onze beden,
Zouden ons gansch ontnomen zijn !
Zal wie dit bij ons heeft in handen
Er van in \'t land maken het sein
Van voortgang, in stede van banden
Te leggen, in zijnen hoogmoed,
Aan al wie eenigszins uitmunten ?
Zal hij aan wetenschap het goed
Wat hij kan doen voor vele punten,
Weten te brengen als \'t behoort?
Dit kunnen wij tot nu niet weten.
Men moet met ons vallen t\' akkoord
Dat \'t algemeen niet mag vergeten
Daartegen te gaan in verzet,
Daar men ons allen zal aanranden,
En d\' eene heden wordt gelet
-ocr page 56-
— 54 —
En morgen de andere standen.
Er moet worden vooruit gegaan!
\'t Bewind zal oog in het zeil houden
En moedig ook hand aan \'t werk slaan.
Hoe zou \'t dat wij betreuren zouden
Wat wetenschap ons bracht in leer?
Het zal ons voor het kwaad behoeden
En voorspoed brengen meer en meer.
Om daartoe middels te bevroeden,
Zal onze grootheid van weleer
En onze vermaardheid van heden,
Uie \'t land aandoet de grootste eer,
\'t Bewind hier geven alle reden.
Men viert overal onzen naam
En dit tot in de verste streken,
En steeds dringt verder onze faam.
En wat kan \'t werk is ons gebleken
In schoone kunsten, nijverheid,
In handel en in letterkunde.
Heer Gouverneur, gij zult altijd
Helpen behouden wat ons gunde
De zucht naar \'t goede en onz\' vlijt.
\'t Eleetrisch Toestel kan kwaad baren;
Gij zult er ons tegen bewaren
-ocr page 57-
— 55 —
Dat \'t worde de kwaal van onz\' tijd.
Emiel Gielkens.
Hasselt, den 22 september i896.