-ocr page 1-
*                       -\'                                                               l/C:
&,. i(H)b,W; "V8-
DE EENHEID
VAN HET
SCHEPPINGSVERHAAL
TEGENOVER DE RESULTATEN DER CRITIEK
7
VERDEDIGD EN GEHANDHAAFD.
MET EEN NASCHRIFT NAAR AANLEIDING VAN PROF. VaLETON\'s
„Christus en het Oude Testament".
H. VAN EYCK VAN HESLINGA,
Herv. Pred. te Oostermeer c.a.
>
LEIDEN ,
D. A. DAAMEN.
1896.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
DE EENHEID
VAN HET
SCHEPPINGSVERHAAL
TEGENOVER DE RESULTATEN DER CRITIEK
VERDEDIGD EN GEHANDHAAFD.
MET EEN NASCHRIFT NAAR AANLEIDING VAN PROF. VaLETON\'s
„Christus en het Oude Testament".
DOOR
H. VAN EYCK VAN HESLINGA,
Herv. Pred. te Oostermeer ca.
„Simplex veri Sigillum".
leiden ,
D. A. DAAMEN.
1896.
-ocr page 4-
GEDRUKT HIJ J. .1. GROEN EN ZOON, TE LEIDEN.
-ocr page 5-
Wie acht geeft op de teekenen der tijden, zal spoedig bc-
merken, dat, in onze dagen, de geest en de resultaten der
hcdendaagschc Schriftcritiek, hoe langer hoe meer, uit de
wetenschappelijke wereld beginnen af te dalen in die des
volks. Niet, dat men zich daar reeds een afgeronde voorstelling
zou kunnen vormen van wat de critiek doet, wil, zegt, enz.
Neen, \'t zijn losse geruchten, die men hoorde, maar, als van
wetenschappelijke zijde afkomstig, worden ze door velen als
vaststaande feiten en onwedersprekelijke getuigenissen aan-
vaard en — terwijl de een ze met weerzin verneemt, maakt
de ander ze gretig tot het fondament, waarop de vermetelste
theorieën veilig kunnen worden gebouwd.
En ook in andere kringen, niet behoorende tot die des volks,
doet zich in dezen een merkwaardig verschijnsel voor. Men
heeft daar meer dan een onbestemd en vaag denkbeeld van
\'t geen de critiek is en leert, maar ook hier wederom wekt zij
eenerzijds weerzin en vrees, anderzijds toejuiching en vreugde.
„Zij werkt mede tot ondermijning van levenswaarheden", zegt
de een; „zij werkt mede tot zuivering van de atmosfeer van
oude en gehate vooroordeelen", zegt de ander, en, wat hier
vooral merkwaardig mag heeten: men schijnt aan beide zijden
evenzeer van \'t vaststaande der critische resultaten overtuigd.
Bij velen leeft een gedachte, die misschien nooit uitgespro-
ken werd, maar \'t best in dezer voege te vertolken zou zijn:
-ocr page 6-
4
„De critick leert dit en dat en dat andere, en wat zij leert, is
„nu eenmaal wetenschappelijk vaststaande. Werd ik er toe
„gedwongen, ik zou misschien veel van \'t geen ze zegt, moeten
„erkennen, maar — dat wil ik niet. Zij ondergraaft de mij
„dierbaarste waarheden. Ik laat ze dus voor \'t geen ze is en
„doe alsof ik er nooit van hoorde". Een soort struisvogel-
politiek dus. Anderen mcenen: „Wat de critiek leert, is
„eigenlijk \'t ware, maar — dat ware is nog tamelijk onbruik-
„baar, vooral voor \'t volk. In de Gemeente kan men er niet
„mede terecht. Ergo: ik zal den wetenschappelijkcn man
„maar scheiden van den man, die als Evangeliedienaar
„in de Gemeente moet arbeiden, op \'t gevaar af, dat de
„laatste spreekt in strijd met \'t geen de eerste voor waarheid
„houdt." Iets Janus-achtigs dus. \'t Eene aangezicht ziet naar de
wetenschap, \'t andere heeft alleen oog voor de Gemeente.
Of \'t was, omdat men dit gevoelde, wij weten \'t niet, maar
misschien om eenigermate deze tweeslachtigheid weg te nemen,
werd nog niet lang geleden aan predikanten de vraag voor-
gelegd, aldus of ongeveer aldus geformuleerd: „Op wat wijze
kan men \'t best de resultaten der critiek ter kennis der
Gemeente brengen bij catechisatie en prediking?"
A priori staat dus telkens voorop: „ Vast staan de resultaten
der critische wetenschap".
Is dat waar? Wij gelooven het niet en men vergunne ons
daarom, in alle bescheidenheid en aangaande een enkel punt
een woord van protest te doen hooren. Het gaat hier o. i. om
meer dan een vóór of tegen in zdke een wetenschappelijk
probleem. Het gaat hier om niets meer of minder dan om
\'t gezag van Gods Woord. Men ontneemt ons den Bijbel en wij
ontvangen dezen, na de critische revisie, verscheurd en versnip-
perd en, wat erger is, als een verzameling van sagen en mythen,
weerom. In ons oog zijn daarom de vragen van \'t hoogste
en meest actueelc belang: „Wat leert in dit of dat opzicht
de critiek ? Met welk recht ? Op welken grond ? Mag de weg,
-ocr page 7-
5
door haar aangewezen, betreden of moet dit zelfs, omdat er,
althans voor hem, die naar waarheid vraagt, geen andere
weg is?" Deze vragen eischcn een antwoord. De dingen moeten
onder de oogen gezien worden.
Wanneer wij dan die vragen trachten te beantwoorden in
zake de eenheid van het Scheppingsverhaal, versta niemand
onze bedoeling verkeerd! Wij willen daarmede n.1. niemand
verketteren of verdacht maken en wel allerminst Christen-
geleerden, die wij, als zoodanig, hoogachten. Ook als Christen
(in den engsten zin des woords) toch, kan men zich op
critisch standpunt plaatsen, terwijl men de consequenties van
\'t aangenomen wetenschappelijk stelsel eenvoudig niet aan-
vaardt. Mogen door ons (hoc kan \'t anders!) namen van ge-
leerden worden genoemd, ons protest geldt niet hun persoon,
maar hun arbeid en hunne uitspraken.
Of ons pogen dan niet zeer vermetel moet heeten ? Wij stern-
men \'t volmondig toe, waar wij zien op onszclven, maar ont-
kennen \'t even beslist, gelet op \'t geen verdedigd worden moet en
dat in sterkte onze zwakheid evenaart. De bastions, door velen
reeds beschouwd als door den vijand omgetrokken, zijn o. i.
nog vooreerst niet verloren. Wel worden ze door weinige
(immers onwetenschappelijke?) strijders verdedigd (althans in
ons land), maar dit wettigt te meer \'t medestrijden van al
wat wapenen heeft. Worde dan een der bedreigde punten
door ons bezet — blijke het, dat we die plaats niet al te
onwaardig waren, opdat \'t doel, dat wij beoogen, worde bereikt:
De eere van God en Zijn Woord.
OOSTERMEER,                                            H. V. E. V. H.
Sept. 1895.
-ocr page 8-
Literatuur.
Verschillende inleidingen op het Oude Testament als van: De
Wette, Bleek-Wellhausen, Keil, KöNIG e. a.
Verschillende commentaren als: Tuch „Genesis". Fr. Delitzsch
„Comment. u. d. (ienesis". Idem van Knobel-Dillmann. Vater
„Comment. u. d. Pentateuch". Keil „Bibl. Comment. u. d. A. T.
(Genesis)." Van de ouderen Joh. a Marck „Comment. Pentat."
Verschillende artikelen in Herzog Real-Encyclop, o. a. Vaihinger
„Art. Pentat". Zöchler „Art. SchöJ>fung". Pressel „Art. Paradies" e.a.
Verder: Ewald „Geschichte des V. Isr." Wildeboer „Letterk.
des O. V." Hoedemaker „Mo/.. Oorsprong". Drechsler „Einh.
und Aechtheit der Genesis". Hengstenberg „Authentie des Pent."
C. I,. J. Bunsen „Bibelwerk". Mc. Caul „The Mosaic Record".
Aids to Faith V, pag. 189—236. Rorison „The creative Week"
Reptils V, p. 277—345, die als verdediger optreedt, maar „de gein-
spireerde scheppingspsalm" symbolisch opvat. Huxtaüle „The Sacred
Record of Creation", die de Moz. Cosmogenie als parabel opvat.
E. C. Bissej», „Genesis printed in colours".
,. \'F: W. ScHutZE „Die Schöpfungsgeschichte".
<*»# .O. Naumann „Das erste Buch der Bibel".
*& ■►Hoelemann „Die .Einheit der beiden Schöpfungsberichte".
A
**:*««n»
ï$i
-ocr page 9-
De Eenheid van het Scheppingsverhaal
in Gen. I en II.
Wijze van behandeling.
Zal men op de rechte wijze de vraag beantwoorden, die
bovenstaande titel in zich sluit, n.1. : wat men te denken
heeft van den inhoud van Cap. i en 2 van het boek Genesis
en of daar één Scheppingsgeschiedenis of meer Scheppings-
verhalen gevonden worden, men zal zich dan hebben te wen-
den tot den tekst, om dezen voor zich te laten spreken. In
genoemde vraag wordt evenwel reeds tweeërlei resultaat van
dit Schriftonderzoek voorondersteld, welk resultaat zich dus
onmiddellijk aan ons voordoet en met en tegenover den tekst
geplaatst, ons oordeel vraagt.
Hoe nu dat oordeel te vormen? Met ter-zijde-stelling van
alle dogmatische opvattingen en vooroordeelen, zegt men.
Wij voor ons verklaren eerlijk, dat ons dit niet mogelijk is
en dat wij dit in \'t algemeen als voor ieder ondoenlijk
beschouwen \'). Onze dogmatische voorstellingen zijn daarvoor
te veel met ons samengeweven, wij zijn daarin van kinds-
been gegroeid. In hun licht leeren wij de dingen zien, dit
voorstaan en toejuichen, dat en dat andere bestrijden en
afkeuren. Men rukt zichzelf niet zoo gemakkelijk uit het
verband, waarin men eenmaal groeide. Voor een oogenblik
\') c. f. hierover: Dr. Hoedemaker : „Moz. Oorsprong", pag. 34 en verv.
-ocr page 10-
8
kan men dit of dat van een ander standpunt bezien, maar
\'t oog ziet daarbij toch altijd weer met de bewustheid, dat „dat
andere" ons standpunt niet is. Met genoegen merkt het op, wat
evenzoo, met tegenzin wat zich anders voordoet dan zooals wij
het gewoon waren te zien. Onze beginselen beheerschen ons te
veel dan dat wij bij machte zouden zijn, op een gegeven
oogenblik, hunne macht geheel te neutraliseeren. En dit alles
geldt o. i. vooral, waar \'t geldt het onderzoek der H. Schrift.
Men kan zich daartoe niet zetten als tot het onderzoek van
„ieder ander boek", als men nooit gewoon was de H. Schrift
daarmede op één lijn te stellen. Een heiden, die nooit iets
vernam van of omtrent dit Boek, zou misschien in de beste
conditie zijn om dezen regel der hermeneutiek op te volgen,
en toch — ook hij zou nog zijn heidensche ideeën en voor-
stellingen medebrengen.
Dat dan ook zij, die verklaren vast te houden aan dezen
regel en daarvan uit te gaan, daartegen zondigen, is gemak-
kelijk te bewijzen. De Wette verklaart, als hij gezegd heeft
dat vele gebeurtenissen in den Pentateuch in tegenspraak
zijn met de wetten der natuur en een onmiddellijk ingrij-
pende werkzaamheid Gods vooronderstellen, \'t volgende:
„Wenn es für den gebildeten Verstand entsckieden ist, dass
„solche Wunder nicht wirklich geschehen sind, so fragt sich,
„ob sie vielleicht den Augenzeugen und Teilnehmern so
„er se Menen sind ; aber auch dies muss man verneinen, u. s. w.
„Und somit ist schon das Ergebniss gewonnen, dass die
„Erzahlung nicht gleichzcitig oder aus gleichzeitigen Ouellen
„entnommen ist" \'). Vóór hij zich dus zet tot het onderzoek
van den Pentateuch, is \'t reeds voor hem beslist dat de won-
deren, er in beschreven, niet werkelijk geschied zijn, wat men
niet best een onbevooroordeelden toestand zal kunnen noemen.
Evenzoo openhartig is het, zegt Keil *), dat Ewald zijn
\') De Wette: „Einleitung", 3e Aufl., §§ 145.
*) Keil: „Die Comp. des Pent." achter „Comment.-Deuteron."
-ocr page 11-
9
naturalistisch standpunt uitspreekt \'), dat van een suprana-
tureele heilsopenbaring Gods niet weet en naar de begin-
selen waarvan hij de successieve vorming van den Pentateuch
ontwikkelt.
Die strijd tusschen theorie en practijk verwondert ons aller-
minst. Zou \'t mogelijk zijn, dat eenig schrijver, van welken
naam of eeuw, geschreven had, wat hij schreef, als hij niet
geweest was, wie hij was? Door \'t wie zij waren, werd inzon-
derheid aangaande allen, die iets omtrent de H. Schrift heb-
ben geschreven, bepaald wat zij schreven.
Beziet dus ieder de H. Schrift uit zijn oogpunt, daarmede
is niet gezegd, dat ieder oogpunt \'t rechte is. Bekend is het,
dat er allerlei Schriftbeschouwingen en uitleggingen bestaan,
vaak rechtstreeks tegen elkander strijdende, die alle moesten
geapprobeerd, als \'t oogpunt, waaruit, \'t licht, waarbij, de
wijze, waarop men ziet, indifferent waren "\'). Maar dat zijn ze
niet. De H. Schrift moet bezien worden bij haar eigen licht.
Zij moet beschouwd uit \'t oogpunt, van waaruit ze bezien
wil worden, ze moet onderzocht als datgene, waarvoor ze
gehouden wil worden, n. 1. als Openbaring Gods.
Dat deze cisch in strijd is met hetgeen ware wetenschap
vordert, ja zelfs, als gezegd is, met \'t karakter van \'t Pro-
testantisme, ontkennen wij zoo beslist mogelijk, \'t Geldt hier
niet de vrijheid van onderzoek, door Rome aan banden ge-
legd, evenmin als hier o. i. sprake kan zijn van vrees, dat de
H. Schrift \'t rechte wetenschappelijk onderzoek niet zou kunnen
doorstaan. Neen, \'t geldt hier de maatstaf, die ter hand moet
worden genomen, zal een zuiver oordcel gevormd worden. Hoog
wetenschappelijk luidt de eisch in onze dagen : De Schrift moet
behandeld en onderzocht worden als ieder ander boek. In naam
\') Evvald : „Geschichte des V. Israël."
2) Wat in onze dagen door velen wordt aangenomen. „Ieder", zoo rede-
neert men, „heeft zoo zijn opvatting, zijn beschouwing. Welnu, de een is even
goed als de andere. Wat waar is, weet toch niemand."
-ocr page 12-
IO
der wetenschap zelve moet het o. i. ieder verboden worden die
vrijheid te nemen, om de volgende, zeer eenvoudige reden.
Ik mag alle boeken ter wereld niet naar denzelfden maat-
staf beoordeelen, evenmin als ik dat alle menschen ter wereld
mag doen. Doe ik het, dan zal ik zeer partijdig en onrecht-
vaardig oordeelen. Die een goed oordeel wil vellen over een
mensch, over wat hij doet, zegt, is, enz., moet rekening hou-
den met allerlei dingen, die bepaald dien eenen mensch eigen
zijn: zijn verleden, zijn opvoeding, zijn beginselen, zijn om-
standigheden, enz. Hij moet m. a. w. in zijn eigeti licht
beoordeeld worden. Hijzelf geeft den maatstaf aan, waarnaar
\'t oordeel over hem moet worden gevormd. In hemzelven moet
die gezocht worden, zal \'t oordeel billijk zijn. Die maatstaf ver-
klaart
alleen op de rechte wijze, wat hij doet, zegt, is, enz. Denk
aan iemand, die uit behoefte, uit nood, uit armoede een brood
steelt. Reken ik bij \'t beoordeelen van zijn misdaad niet met
dien honger en dat gebrek, ik zal zijn daad misschien, in
strijd met de waarheid, toeschrijven aan baldadigheid of aan
kleptomanie. Als twee hetzelfde doen, is \'t daarom nog niet
hetzelfde.
Niet anders is het o. i. met \'t beoordeelen, \'t onderzoeken, het
zich een voorstelling vormen van een boek. De maatstaf, die
aangelegd wordt, zal moeten verschillen naar den aard, het
doel, enz., enz. \'t Moet beschouwd worden in zijn eigen licht, in
zijn eigen karakter, en is dit waar voor ieder boek, dan
ook zeker voor het Boek, de H. Schrift.
Zij moet beschouwd worden bij haar eigen licht als Gods
Openbaring, waarvoor zij zich geeft. Doet er zich dan iets voor,
dat met dit karakter schijnt te strijden, de fout moet niet
allereerst bij haar gezocht, maar bij den onderzoeker, zijn
methode van onderzoek, de gegevens, waarover hij beschikt,
enz. Niet, dat wij hiermede geacht willen worden \'t onder-
scheid op te heffen tusschen \'t geen de ouden bedoelden,
als zij spraken van den auctor primarius en den auctor secun-
-ocr page 13-
i r
darius. Mogelijk blijft \'t op dit standpunt, dat er hier en
daar bijv. in den Pentateuch (immers ook niet buiten god-
delijke leiding om) ophelderende opmerkingen zijn ingevoegd.
Onmogelijk evenwel wordt \'t dan, dat bijv. de eerste bladzijde
der H. Schrift ja zou zeggen en de tweede neen met betrek-
king tot dezelfde zaak.
Van af dit standpunt is het dus, dat wij thans de opge-
worpen vraag omtrent den inhoud van Gen. i en 2 wenschen
te beantwoorden. Zegt men dat dan \'t antwoord reeds gege-
ven is en dat er dan maar één Scheppingsverhaal in deze
capita gevonden zal worden, wij geven \'t gereedelijk toe.
Alleen, is \'t antwoord gegeven, \'t is daarom nog niet gerecht-
vaardigd. Dat
moet het, vooral tegenover de resultaten der
critiek en niet a tors et a travers, maar door volkomen
houdbare en aannemelijke gronden. Wij willen het beproeven
en stellen daartoe aan de orde :
I.      Het resultaat der critiek.
II.    De gronden, waarop het steunt.
III.  Den aard en de waarde dier gronden.
IV.  De eenheid van het Scheppingsverhaal.
V.    De zekerheid dier eenheid. En eindelijk :
VI.  Het resultaat van ons onderzoek, in enkele stellingen
te zamen gevat.
Terwijl wij op deze wijze den inhoud van Gen. i en 2 aan
een onderzoek onderwerpen, zullen wij dat, zooveel mogelijk,
doen en ook moeten doen met \'t oog op deze capita en
daarop alleen. Allerlei vragen omtrent den geheelen Pentateuch
kunnen niet geheel worden vermeden, omdat men er telkens
mede in aanraking komt, maar de Pentateuch-quaestie zelve
blijve buiten het geding, dan alleen, voor zoover ze ons onder-
werp raakt. In hoeverre dit van haar mag worden gezegd, zal
natuurlijk uit \'t volgende moeten blijken.
-ocr page 14-
12
Cosmogenetische en geologische problemen vallen mede
buiten ons gezichtspunt.
En eindelijk: de tekst van Gen. i en 2 wordt als bekend
voorondersteld.
I. HET RESULTAAT DER CRITIEK.
Die zich rekenschap tracht te geven van het resultaat der
critiek in zake Gen. i en 2 en daartoe de stemmen der critici
zelven beluistert, komt weldra tot het besluit, dat hij hier staat
voor ecne eenheid, ja, maar bij grootc verscheidenheid.
De eenheid der verschillende gevoelens is, in korte woorden
te zamen gevat, deze:
De beide eerste hoofdstukken van het boek Genesis bevatten
niet één Scheppingsbericht, maar twee Scheppingsverhalen.
Het cene is te vinden Gen. 1 : 1—Gen. 2 : 4a, het tweede
loopt van Gen. 2 : 4b—25. Beide verhalen handelen over de
schepping, maar zij doen dat onafhankelijk van elkander.
Zij staan tot elkander in geen verband. Hun inhoud is zelfs
tegen elkander strijdende. Zij zijn in ons bock Genesis ecn-
voudig onder elkander geplaatst, terwijl zij oorspronkelijk
behoorden tot twee verschillende oorkonden. Deze beide oor-
konden zijn vereenigd door een onbekende, een redactor,
een compilator.
Vaihinuer zegt, na de gronden voor dit gevoelen aange-
wezen té hebben: „Dies drangt zu der Annahme von zwei
„verschicdenen Vcrfassern und zwer verschiedencn Schriften,
„die vorhanden und im Umlauf, in spaterer Zeit aber in ein
„Werk vereinigt wurden" \'). „Dies", zoo luidt het elders, „dies
(n.1. die Verschicdenheit der ursprünglichen Concipienten) ist
•) Herzog: Real.-Encycl. Art. Pcntat., XII, 331.
-ocr page 15-
13
„z. B. besonders deutlich — in der Schöpfungsgeschichte, welche
„unverkennbar zwei verschiedcne Erzithlungen in sich verei-
„nigt, von dcnen wenigstens die ersterc ursprünglich ohne
„Verbindung mit der zweiten geschrieben is f\'
\').
„Als cin absolutes Erschaffcn aus Nichts erscheint die
„göttliche Schöpfcrthatigkeit auch in zweiten Schöpfnngssage
„des ersten Buchs Mose", aldus laat ZöCKLER zich hooren"-),
die de tweede oorkonde den eeretitel van sage laat toekomen.
„Er is onderscheid", zegt Prof. VALETON, „tusschen Cap. i
„en 2. Het eerste is een poging om te verklaren hoe alles
„geworden is. Het tweede is poëzie en de gedachte „mensch"
„is daar centrum. Cap. 2 en 3 behooren bij elkander. Het
„verhevene van Gen. 1 vindt men daarin niet. Dit is een
„verhaal. Cap. 1 is een schets, een programma der Schep-
„ping. Cap. 2 en 3 zou men kunnen teekenen" 3).
Deze citaten (wij namen de eerste de beste) deelen, behou-
dens een enkele minder beduidende wijziging, het gevoelen
mede van de geheele critische school, voor zoover daar althans
eenheid gevonden kan worden.
Immers, het is een eenheid bij groote verscheidenheid.
Moge er in zeker opzicht eenstemmigheid heersenen, in
meerdere en volstrekt niet onbeteckenende nevenpunten loopen
de gevoelens uiteen, meermalen zelfs tegen elkander in. Men
staat hier, als \'t ware, voor een bron, die de moeder schijnt
te zullen worden van één groote, breede rivier, maar nauwelijks
is de stroom geboren, of hij verliest zich in allerlei beekjes,
die naar alle zijden heenvloeien over en van het rotsachtig
terrein.
\'t Kan toch niet anders of uit de genoemde beschouwing
van Gen. 1 en 2 moeten allerlei vragen geboren worden, bijv.
\') Bleek—Wkllhausen : „Einl. a. d. A. T.," p. 80.
2)   Herzog: Real.-Encycl. Art. SchSpfung, XX, 718.
3)   Deze en volgende citaten van woorden van Prof. J. J. P. Valeton zijn
ontleend aan de „Exegese O. T.", gegeven door Z.H.G. 1881 -1882, naar ons
eigenhandig gehouden dictaat.
-ocr page 16-
H
wanneer en door wien zijn de beide oorkonden vereenigd,
wat te denken van hun karakter, hunne betrouwbaarheid, is
het historie of sage of mythe of retrospectieve profetie; staat
Gen. i—2 : 4 in geen verband met \'t volgende, zijn ook
daar invoegselen, heeft ook daar een-, twee- of driemalen een
herziening plaats gehad ? enz. En deze vragen nu zijn even
zoovele punten, waar de gevoelens uiteengaan.
De Wette bijv. laat \'t „Urschrift Elohim" (en dus ook Gen. 1)
ontstaan na Jozua\'s dood en de verdrijving der Kanaanieten.
De jehovistischc deelen (waartoe dan \'t tweede Scheppingsverhaal
behoort) stammen af uit den tijd der Koningen tot op Hiskia.
Bleek daarentegen laat het „Grundschrift" ontstaan in den
tijd van Saul, terwijl de redactie van Genesis later, maar
nog vóór de scheiding des rijks moet hebben plaats gehad.
Stade zegt: „ Gen. 2 is meer exilisch en verraadt duidelijk
de inwerking van de Babylonische theosophie. \'t Is een stuk
buitenlandsche mythologie, die zeer laat op \'t denken der
Joden heeft geïnfluenccerd." Weeehausen wil, in strijd met
\'t gevoelen van Prof. VALETON, Gen. 2 : 2b en 3^ beschouwen
als een interpolatie van een latere hand, die dit invoegde
om den Sabbat te relcvccrcn. Dezelfde geleerde besluit uit
de uitdrukking: Bereschit (Gen. 1 : 1), die hij aramaeïsch
noemt, tot een zeer laten geboortedatum van Gen. 1. GRAF
noemt het „Grundschrift" het jongste deel van den Penta-
teuch en \'t is, volgens hem, slechts de gewoonte, die \'t erkennen
daarvan belet. „Het valt ons zoo zwaar de Scheppingsgeschie-
denis in Gen. 1 niet als de grondslag van \'t volgende te
beschouwen."
Gemakkelijk viel het ons deze en dergelijke zeer uiteen-
loopende gevoelens nog met eenigc te vermeerderen. Verschil
en verscheidenheid is hier in alles en allerlei (ook later moet
daarop nog onze opmerkzaamheid gevestigd) en dit alleen
noemt het reeds ongerijmd van de critische uitspraken als van
een wetenschap te spreken, die vaststaat en waarop nu verder
-ocr page 17-
\'5
kan en moet worden gebouwd. Die bouwen zal, vraagt vaste
fondamenten en deze worden zeker nog niet gevormd door
uitspraken als bovengenoemd, veeleer een wilde zee dan een
vasten bodem gelijk. Wat slechts hypothetische waarde heeft,
mag niet als ontwijfelbaar zeker aangenomen worden en hoc
groot in \'t algemeen in het critische kamp de onzekerheid is (door
zoovelen niet eenmaal vermoed of uit de hoogte ontkend),
\'t wordt door niet de minsten onder hen volmondig beleden.
„Nicht einmal über die Folge der allgemcinstcn Schichten
„stimmen die Kritikcr überein", zegt WELLHAUSEN \'). „Das
„Gesetz Mose\'s wird von den einen an den Anfang und von
„den andern an das Ende der Entwicklung gesetzt". „Wan-
„neer ik zie", zoo laat Kukxkn zich hooren, „dat de bron-
„nensplitsingcn allen meer of minder van elkander afwijken,
„zoo begin ik te twijfelen of wij wel ooit volkomen zeker-
„heid zullen bekomen omtrent de samenstelling van deze en
„andere berichten". J) Waartoe meer? Duidelijk is het, na\'t ge-
zegde, dat niet dan onder groote reserve gesproken kan worden
van het resultaat der critiek. Als eenheid staat het boven, ja
maar ook te midden van een stroom van uitcenloopende
meeningen. Het is \'t /W/a\'re.sultaat, dat wij boven gaven in
zake de eenheid van Gen. i en 2, \'t hoofdrcsultaat, dat in
deze materie den grondslag vormt van al de andere.
Aanvaardt men nu, voor een oogenblik, dit resultaat, noemt
men voor een oogenblik die beschouwing de zijne, het wordt
dan dadelijk en duidelijk openbaar, dat men hier staat voor
iets van zeer vérstrekkende en gewichtige gevolgen.
Is het waarheid, dat Gen. i en 2 twee verschillende en
tegenstrijdige Scheppingsverhalen bevatten, de vraag doet zich
onmiddellijk voor : Welk van beide is betrouwbaar en waar,
waar eindigt de mythe, de sage, de leugen, waar begint de
\') BLEEK—Wei.liiauskn : „Kinl. u. d. A. T." Voibemerkungen.
*) „Kuenen": „Theol. tijdschrift", 1870.
-ocr page 18-
i6
historie, de waarheid? Onmogelijk, dat beide verhalen waar-
heid en niets dan waarheid bevatten; onmogelijk, dat hier de
vrucht is van goddelijke openbaring of van eenige soort van
profetie, het zij dan als geheel of als kern in deze hoofdstuk-
ken te vinden \'). Onmogelijk, om de lijn nog niet verder door
te trekken, dat een boek betrouwbaar mag heeten, waarvan
\'t begin reeds maant tot zoo groote voorzichtigheid, dwaas
en strijdig als het is in en tegen zichzelf. Moeilijk valt het dan
in beginsel, aan iemand \'t recht te weigeren om hier van
Assyrische en Babylonische mythe te spreken.
\'t Kan dus niet met reden ontkend worden, dat het resultaat
der critiek hoogst gewichtig in wezen en werking mag heeten ;
en dat dit ten allen tijde door de critici zelven is gevoeld,
wordt in hun eigen uitspraken openbaar.
„Als hij de vraag gesteld heeft of de vier eerste boeken van
den Pentateuch van één en denzelfden schrijver zijn, zegt
VAIHINGER: „Unsere Leser mussen sich auch hier auf ein
„vernemende Antwort gefasst machen. Zwar ist von Astruc
„an...... besonders durch die Begunstiger der Fragmenten-
„hypothese......viel gefehlt und gefaselt werden (welk een
belijdenis en welk een geringschatting der wetenschap door
een wetenschappelijk man) aber die Urkunden und Ergan-
„zungs-hypothese enthalt ein Kern, der zu einem sicheren
„Ergebnisse führt und für den, welchem die Walirheit fiber
„Alles gekt,
nur erfreulich sein kann. Das von dieser Be-
„obachtung die Genesis hauptsachlich betroffen wird, ist bei
„ihr als dem altesten Denkmal natürlich und lehrt den Augen-
„schein. Ist von ihr nachgewiesen, das ihr wenigstens zwei
„Darstellungen zu Grunde liegen, so ist damit zwar für die
„übrigen drei Bücher noch nichts bewiesen, aber das Auge
„wird gescharft sein, um spateres — vom früheren unterschei-
„den zu können" a).
\'J Zie over het in deze materie gezegde : Hoedemaker, „Moz. Oorsprong", p. 47
en 48.
                                                  2) T. a. p.
-ocr page 19-
\'7
Ook zonder vergevorderd te zijn\' in de kunst tusschen de
regels te lezen, zal men hier gemakkelijk verstaan, wat
„dat alles te boven moeten gaan van de waarheid" en „dat
oog, gescherpt om nu ook verder te zien" leeren omtrent
hetgeen de schrijver zelf van de gevolgen zijner zienswijze
gevoelde.
Niet minder opmerkelijk is het volgende :
In de voorrede op Dk WETTK\'s „Beitragc ins A. T." bekent
GklKsliACH : „Wie bcdenklich solchc Untersuchungen in Ab-
„sicht auf die Authoritat der Bibel werden könnten". Dat ze
dit reeds bij De WETTE geworden waren, blijkt uit zijn oor-
deel over den Pcntateuch en de geloofwaardigheid daarvan.
Sprekend zijn in dezen ook de woorden van Prof. VALETON.
\'t Is, als men ze hoort, alsof de geleerde geeft, om dan weer
als geloovig criticus te nemen. „Wij hebben hier" (nl. in Gen. i),
zoo luidt het, „een natuurbeschouwing der oudheid, die, verge-
„leken met wat wij weten, onvolledig en onnauwkeurig is."
En dan, daartegenover: „Ze is echter rein. Kr zijn geen dwaas-
,.heden in. Ze vormt het stramien voor de hoogste religieuse
„gedachte."
Sprekende over den boom des levens, luidt het: „Men
„kan zeggen, dat de schrijver een mythe heeft bedoeld, maar
„ook, dat hij een reëel beeld heeft willen geven, \'t Laatste
„moeten wij kiezen."
En later: „Cap. i is geen mythe. Cap. 2 en 3 zouden \'t
„kunnen zijn, maar mythe is \'t rechte woord niet. Men brengt
„er bij dat woord iets anders in dan er in zit, want mythe
„brengt een polytheïstisch idee mede. \'t Zijn verhalen uit den
„boezem des volks, die de drager wordt van \'t reine goddelijke.
„De naam mythe is dus volstrekt niet van toepassing op Gen.
„2 en 3." Het eerst aangehaalde woord is des te opmerkelijker,
omdat het nog een resultaat van \'t resultaat aanwijst. Immers, zijn
Gen. 1 en 2 eenmaal in twee tegenstrijdige verhalen ontbonden,
het einde der koord is lo.sgerafeld en de verdere ontbinding volgt
2
-ocr page 20-
18
vanzelf. De schaar kan ter hand genomen en is dan ook ijverig
gebruikt om Pentateuch en Hexateuch, al naar believen, in
kleiner of grooter aantal stukken te knippen, die de oor-
spronkelijke oorkonden dan vormen door een onbepaald aantal
compilatoren, met behulp van allerlei invoegselen, omzettingen
en interpellaties bij elkander gevoegd.
Is het resultaat der critiek dus van zoo groot gewicht en
van zoo verstrekkende gevolgen, de vraag dringt zich als
vanzelf aan ons op, op welke gronden het mag steunen,
\'t Zijn toch zeker (dat mag met reden worden verwacht)
vaste fondamenten, waarop zulke uitspraken worden gebouwd.
Is de inhoud van Gen. i en 2 aldus gevonnist, de rech-
ters zullen toch rechtvaardig geweest zijn en \'t vonnis is
zeker veelzijdig gemotiveerd. Het resultaat der critiek is de
vrucht der wetenschap; een vrucht, niet dan noode gedron-
gen van den boom der kennis geplukt? Zien wij of de gron-
den der critiek aan deze rechtmatige verwachting beant-
woorden.
II. DE GRONDEN DER CRITIEK.
De gronden, die de critici aanwijzen voor hun gevoelen,
laten zich in twee soorten onderscheiden. Zij gelden n.1. of
den stijl óf de stof van Gen. i en 2, den vorm of den inhoud
dezer capita. Bepalen we ons eerst bij de eerste soort, bij de
Gronden, ontleend aan den vorm.
De eerste reden, waarom dan het resultaat der critiek waar-
heid zal zijn, is de volgende :
A. Zooals door ieder, die den grondtekst leest (en zelfs door
den opmerkzamen lezer der Stat.-Vertal.), moet opgemerkt
worden, vormt Gen. 2 : 4 een punt van scheiding, een punt
van overgang van het voorgaande tot het volgende. Daar begint
iets nieuws. Het voorafgaande is daar afgesloten. Wat nu volgt,
-ocr page 21-
\'9
behoort daar niet meer bij. De woorden, waarmede Gen. 2 : 4
aanvangt, zijn:
f"lKm D\'DS^n nlnVln rPN (elè toledoot hasjamaim weha-
1 V T T :            ■ • T -                                                   V "
aretz), wat is overgezet: „Dit zijn de geboorten des hemels
„en der aarde", op welke vertaling wij nader hebben terug te
komen.
Dat „elè toledoot" komt meer voor, tienmaal in het boek
Genesis, en het geeft dan telkens, als opschrift, \'t begin van
iets nieuws aan. Dit opschrift nu is een belangrijke en toch
ook weer lastige uitdrukking voor de critiek op deze plaats.
Immers, het is een uitdrukking, in de taal der critiek, eigen
aan den Elohist, een der oorkonden en wel, volgens velen,
het oudste (das Grundschrift, de Priestercodex), waaruit \'t boek
Genesis en verder geheel de Pentateuch zal zijn samengesteld en
waartoe wel Gen. 1 : 2—3 (het eerste Scheppingsverhaal), maar
niet het tweede moet behooren. Men redeneert nu aldus : „Diese
„Worte standen entweder urspriinglich vor Cap. 1 : 1 und wur-
„den von den Jehovisten hierher gezogen nm scinc Darstellung
„mit der des EloJiisten zu verbinden
(men lette op de voor-
„onderstelling, die voorop gezet wordt), oder waren sie.vom
„Elohisten ausnamsweise an\'s EndedieserSchöpfungsgeschichte
„gestellt, wobei sic (let wel) dem Jehovisten bequeme Gelegen-
„heit darbotcn, seine Schöpfungsgeschichte erganzend daran zu
„knüpfen" \').
Elè toledoot is dus oorspronkelijk ook hier op schrift, maar
dan staat
7 verkeerd en is met opzet door den Jehovist
(schrijver van het tweede verhaal) hierheen verplaatst, om een
aanknoopingspunt te hebben voor zijn verhaal óf het is door
den Elohist (schrijver van het eerste verhaal) bij uitzondering
hier als onderschrift gebruikt.
Prof. VALETON redeneert aldus: „DNlSrQ (behibbareaam)
\') Vaiiiingkr, t. a. p.
-ocr page 22-
20
„en Dl*3 (bejoom), in Cap. 2 : 4 voorkomende, behooren niet
„bij elkander. Ook niet PlNiTi D^ÜU\'n (hasjamaim wehaaretz),
„volgende op elè toledoot en D^ÖC^l ï*^fc* (eretz we sjamaim),
„volgende aan \'t einde van vs. 4. \'t Blijkt dus, dat vs. 4« en
„4/; niet bij elkander behooren".
De scheiding valt dus niet bij vs. 4, maar midden in vs. 4.
Daar gaan de beide verhalen uit elkander. En elè toledoot?
Dat beteekent, zegt Prof. VALETON, quod generatur, \'t komt
van T?* (jalad), voortbrengen. Vandaar (en deze vertaling is be-
langrijk) beteekent het: geslachten, geschiedenis. Gebruikt de
Hebrecr dit woord, dan denkt hij aan hetgeen na hem volgt, niet
aan hetgeen achter hem ligt. Daarom past dus elè toledoot niet
bij Cap. 2 en 3. Wij zouden daar dan moeten verwachten
de geschiedenis van hemel en aarde en wij vinden daar de
schepping van den mensch en de planting van den Hof van
Eden veel meer als verhaal. Daarom is elè toledoot onder-
schrift van \'t voorgaande verhaal. Cap. 1 is inleiding en de
hier genoemde toledoot beginnen Cap. 5, want Cap. 2 : 4/;—Cap.
5 is er tusschen gevoegd. Elè toledoot is dus de grenspaal
der beide Scheppingsverhalen en die grenspaal zelf bewijst
dat Gen. 1 en 2 twee verschillende deelen bevatten. Daar,
bij dat elè toledoot, is de naad in de samengevoegde deelen, die,
zeer ten ongerieve van den Jehovist of van den redactor ot
van den harmonist, maar al te zichtbaar is voor ieders oog.
Op deze en de volgende redeneeringen komen wij nader terug.
Stellen wij thans den tweeden grond aan de orde, waarop
het resultaat der critici rust! \'t Is een zeer geliefkoosde, sterker
geacht misschien dan alle andere gronden. 1 Iet is deze:
B. Dat Gen. 1 en 2 uit twee verschillende oorkonden sa-
mengesteld zijn en twee Scheppingsverhalen bevatten, blijkt dui-
delijk uit de verschillende Godsnamen, in beide deelen gebruikt.
Gen. 1 : 1—2 : 3 leest men altijd den Godsnaam D\'hSk
-ocr page 23-
2\\
(èlohim), terwijl van daar in Gen. 2 telkens gelezen wordt
ÖVi1?** nirP (Jahwe Elohim).
Op zichzelven beschouwd, zou dit aanleiding geven tot de
vraag: Hoe moet dat verschil worden verklaard en is er ook
reden voor om juist in en van Ca]). 2 : 4 af Jahwe Elohim te
gebruiken? \'t Kon dan zijn, dat de zaak zich, langs eenvoudigen
weg, liet oplossen. Dien weg wil evenwel de critischc weten-
schap niet op en vragen wij waarom niet, \'t antwoord daarop
gunt ons een blik in de groote waarde, die dit argument
voor haar heeft, \'t Is een der pilaren, zoo niet de hoofdpilaar,
waarop \'t kunstig gebouw moet rusten.
Men gaat n.1. uit van de volgende beschouwing, die, voor-
opgezet, ook de Godsnamen en hun gebruik op een eigenaardige
wijze kleurt.
Het boek Genesis niet alleen, maar ook al de boeken van
den Pentateuch, is (zijn) gevormd uit allerlei fragmenten en
brokstukken van oude oorkonden, die door een zekeren on-
bekende werden samengevoegd. Men zocht nu voor die frag-
menten kenteekenen, kenmerken, en begon met deze \'t werk
des onbekenden weer te scheiden en te schiften. Dit behoorde
niet bij dat, maar bij dat andere, enz. Nu gebeurde het soms,
dat de scheiding hier of daar mislukte. De kenmerken gingen
niet op, bleken op zeker punt niet proefhoudend. Men achtte
ze daarom niet van onwaarde en evenmin werd men met het
geval verlegen. Blijkbaar was dan dat moeite gevende vers of
waren de verzen van dat genre ingevoegd door een tweeden onbe-
kende en had men ook aan dezen helper niet genoeg, de weten-
schappelijke verklaring werd afgelegd, dat van deze geschriften
allerlei veel verbeterde en vermeerderde edities in den loop der
eeuwen \'t licht hebben gezien. Van deze editeurs, redactoren of
hoe men ze noemen wil, had natuurlijk ieder zijn eigen inzichten.
Deze vond dit niet goed, gene achtte dat weer beter. Ieder
verbeterde nu op zijn wijze en altijd met de beste en vroomste
-ocr page 24-
22
bedoelingen ; vulde aan, voegde bij, verplaatste verzen en hoofd-
stukken, herhaalde ze, totdat dit eindelijk ophield en wij vereerd
werden met de nalatenschap, die nu door de critische weten-
schap, onder benificie van inventaris, is aanvaard.
Het gemak gevende van deze theorie valt in \'t oog. Rijmt
dit of dat niet met de vooropgezette hypothese, dan is dat
te wijten aan dezen of genen redactor, die weer wat veranderde
of wijzigde, en heeft men aan het aantal redactoren, die, als
bestaan hebbende worden aangenomen, niet genoeg, niets
ter wereld belet om een volgend nummer in \'t leven te
roepen. Wie meent, dat deze voorstelling der dingen minst
genomen onwaar is, raadplege de uitspraken der critici zelven !
In \'t vroeger aangehaalde citaat erkent VAIHINGER, dat er
„von Astruc an viel gefehlt und gefaselt" geworden is van
critische zijde. Hij verdedigt de hypothese, dat herhaalde
redacties der boeken elkander zijn opgevolgd, met de bewering,
dat het „Sitte" was in \'t Oosten oude documenten „zu ergiinzen."
Sprak Astruc reeds van de oorkonden-hypothese (door ElCll-
HORN, ILGEN, KELLE, GRAMBERG e. a. aangevuld), later ont-
stond de fragmenten-liypothese van VATER, HARTMANN en De
Wette (vroeger), terwijl De Wette (later) en met hem
DELITZSCH, STAHELIN, Ewald, enz., de aanvullings-hypo-
these
bepleitten, volgens welke een oude oorkonde, de Elohist,
uit een Jchovistische oorkonde is aangevuld. Nog later ontwik-
kelde Ewald een andere hypothese, door Delitzsch Krystal-
/isation-hypothese,
door anderen Buehmacherei-hypothese ge-
noemd.
Vier bestanddcelen leggen dan den grondslag van den
Pentateuch. Dan moeten twee Elohisten en twee Jehovisten
onderscheiden worden. De schrijver van \'t vierde bestanddeel
splitst zich dan nog in een 4<\'e en een 5de en ofschoon hij de
drie voorgaande boeken redigeerde (als 4a of is niet duidelijk),
bevatten deze bovendien nog toevoegselen uit den tijd van
Manasse en \'t exil. Spreekt men hier van Elohistische en
-ocr page 25-
23
Jehovistische stukken, elders neemt men er een Vor-Elohist
bij, terwijl er bovendien sprake is van een Jahwe-Elohist.
Eerst is de Elohist de „erganzte". Later blijkt het duidelijk, dat
men hierin dwaalde en dat hij vaak de „Erganzer" is. Verzen
en capita worden onder een zeker aantal schrijvers verdeeld,
die allen hun eigenaardigheden hebben. Zoo noodig spreekt
men (KöNIG) van een geheele reeks Elohisten (E, ll2 Ey)
en daarnaast nog van een soortgelijke reeks van priesterlijke
schrijvers (P, P., P3), die allen leefden na \'t exil. Om nu tot
hunne resultaten te komen, nemen al deze geleerden een groote
schaar ter hand, die, naast vele kleinere, dienst moet doen,
en deze is: \'t gebruik der verschillende Godsnamen. Dat ook
dit gezegde, zelfs in de wijze van zeggen, niet overdreven
is, blijkt o. m. uit den lof, door Prof. WlLDEHOER aan Astruc
toegezwaaid : „Hij gaf den onderzoekers \'t ontleedmes in handen,
„waardoor zij in staat werden \'t groote geschiedwerk in zijn
„oorspronkelijke bestanddeclen te ontbinden" \').
Past men nu deze methode toe op Gen. i en 2, dan ligt
het resultaat voor de hand. „Die zweitc Urkunde karakterisirt
„sich durch den Jehova-Namen", zegt Dr. HoFFMANN. 2).
„Vergleichcn wir", zegt VAIHINGER, „i Mos. i : i— 2 : 4
„mit 1 Mos. 2 : 5—4 : 26, so muss jedem\' Nachdenkenden
„die Verschiedenhcit der Gottesnamen auffallen, welche beide
„Stücke auszeichnet, indem das erstc stets den Namen Elohim,
„das andere stets den Namen Jahwe-Elohim braucht, wahrend
„es doch wenigstens im zwciten Kapittel, von derselbe Sache,
„von der Schöpfung, handelt".
„Gen. 2, 3 en 4", zoo leert Prof. ValeïON, „behooren tot
„dezelfde bron, niet tot den Priestercodex (waartoe Gen. 1),
„maar tot de volksverhalen (J. V..), en dit J. E. moet niet be-
„schouwd worden als een ineens geschreven werk. \'t Bestaat
\') Wildeboer : „Letterkunde des O. V."
Zie ook over deze materie : Hoedemaker, „Moz. Oorsprong", p. 116.
\') Herzog: „Real.-Encycl., I, Art. Adam,
-ocr page 26-
?4
„uit allerlei bcstanddeclen, die op zichzelf staan en weer anders
„zijn samengesteld dan q en je".
„Von diesen (Erzahlungen)", zegt BLEEK, „bezeichnet die
„Erstcrc die Gotthcit nur mit Elohim, die zweite dagegen mit
„der Benennung Jahwe-Elohim" \').
Slotsom is dus telkens: Ook in \'t verschillend gebruik der
Godsnamen is het duidelijk, dat Gen. i : i—2 : 3 en \'t geen
daarop volgt, oorspronkelijk niet bij elkander behooren.
Gaan wij thans over tot den derden grond, waarop dit
resultaat is gebouwd!
C.    Gen. 1 : 1—2 : 4 is, zoo zegt men, geheel anders ge-
schreven dan \'t volgende verhaal. Het eerste is tabellarisch,
kroniekmatig, droog, dor of ook plechtig, majestueus. Het schetst
niet, het teekent niet. Dat doet het tweede wel. Dat kon op \'t
doek gebracht en geschilderd worden. Dit is meer een verhaal
tegenover het eerste, dat meer een tafereel wil wezen.
„\'t Schema", zegt Prof. VALETON, aangaande Gen. 1, „\'t
„schema geeft hier meer dan de inhoud. Het hoe ontbreekt
„hier, het r/a/wordt alleen gemeld, \'t Is een schemel, een geraamte.
„Er is geen vleesch en bloed aan. Het tweede verhaal daaren-
„tcgen is mooier, naïever, maar minder eenvoudig, majestueus."
Bovendien moet Gen. 2 anthromorphistisch zijn en Gen. 1 niet.
Een vierde grond, nog altijd den vorm betreffende, sluit
hierbij onmiddellijk aan:
D.    Niet alleen de stijl, maar ook de taal verschilt.
In den Elohist (Gen. 1) keeren telkens vaste vormen terug:
„God zag, dat het goed was"; „En \'t was alzoo". In den
Jchovist vindt men ze niet.
De Elohist spreekt van hadretz, de Jehovist van Juiitdema.
In Gen. 1 is het hemel en aarde, in Gen. 2 aarde en hemel.
In den Elohist elè tolcdool (men zal zich herinneren, dat
\') Blüek-Wellhausen : „Einleit. a. d. A. T.", p. 80
-ocr page 27-
25
het in Gen. 2 : 4 voorkomende, gehouden wordt voor een
onderschrift van het eerste verhaal), in den Jchovist niet.
In den Elohist S13, bara, in den Jchovist !"!&\']?, asa.
TT                                                                                          TT
!"Op31 "Dt (Zakar oe nekeeba) bij den eersten (Gen. 1 : 27),
t*":           tt
rit^tf ïf\'tf, isch isclui bij den tweeden. Kn eindelijk: in den
t •
Priestercodcx bijna altijd de accusativus met DS (eet), bij
den anderen schrijver worden sufnxa gebruikt.
Hebben bovengenoemde gronden betrekking op vorm en
stijl der capita, die ons bezig houden, andere sluiten zich
daarbij aan en moeten tot \'t zelfde resultaat leiden, \'t Zijn de
Gronden, ontleend aan den inhoud, aldus luidende:
A. „In Cap. 1 : 1—2 : 4 ist der Mensch das lctzte, was gc-
„schaffen wird, nachdem Pflanzen und Thierc bcreitsgeschaffen
„sind (vs. 11, 12, 20—25); in dem Stücke Cap. 2 : 5 ff wird,
„sobald die Erde vorhanden und durch einen Ncbcl bcfruchtct
„ist, zuerst der Mensch (vs. 7, <S), dann nach ihm die Pflanzen-
„welt (vs. 9) und endlich (vs. 19) die Thierwelt geschaffen,"
zegt Vaihinükk \').
De volgorde der Schepping is dus in het tweede verhaal
geheel anders dan in het eerste en wat het een zegt, is in recht-
streekschen strijd met \'t geen het ander verhaalt. Evenzoo
zegt Bl.KKK: „Nach Cap. 1 erfolgt die Schöpfung der Thiere
„auf der Erde vor der der Menschen, dagegen Cap. 2 zwischen
„der Erschaffung des Mannes und des Wcibes" 2). Een derge-
lijke opmerking maakt KnoüKI.. Cap. 1 meldt, volgens dezen
geleerde, de schepping van de dieren en later die van man
en vrouw, terwijl Cap. 2 eerst den man, dan het dier, vervol-
gens de vrouw laat geschapen worden.
Er is dus verschil en strijd onderling in de volgorde der
verhaalde gebeurtenissen. Dit is evenwel het eenige niet.
\') Hkrzog: „Keal.-Encycl.", XI, Art. Pentat.
2) Bleek-Wei.lhausen : „Einl. a. d. A. T.", p. 81.
-ocr page 28-
26
B.   In Gen. i komen de dieren uit de aarde voort; in Gen. 2
worden zij uit de aarde gevormd. (KNOBEL).
C.   De schepping van de vrouw heeft in Gen. I op andere
wijze plaats dan in Gen. 2, n.1. door Gods machtwoord, tegelijk
met den man ; in Gen. 2 wordt de vrouw gevormd uit Adams rib.
D.   In Gen. 1 begint de Scheppingsgeschiedenis niet den
afgrond, waarover \'t licht opgaat; in Gen. 2 met de aarde,
waarop \'t nog niet heeft geregend.
E.   In Gen. 1 schept God met Zijn machtwoord ; in Gen. 2
met Zijne handen.
F.   In Gen. 1 wordt Adam geschapen naar Gods beeld; in
het verhaal van Gen. 2 en 3 wordt het hem tot zonde gerc-
kend, dat hij God evengclijk wil zijn.
Bl.EKK zegt dit eenigszins anders: „Nach Cap. 1 erschafft
,,Gott den Menschen vori Anfang au nach Seinem Bilde, wahrend
„es sich Cap. 2, 3 so dargestcllt findet, alsob der Mensch zur
„Aehnlichkeit mit Gott erst spater gekommen sei, dadurch, dass
„er zur Unterscheidung des Guten und Bösen gelangte" \').
Hier dus valt de nadruk op een vroeger en later van \'t
naar Gods beeld geschapen zijn.
G.   In Gen. 1 leest men van zes Scheppingsdagen; in Gen. 2
slechts van één dag.
H. De inhoud van Gen. 2 houdt geen rekening met het in
Gen. 1 reeds verhaalde: „In Gen. 2 ist auf den Inhalt des
„ersten (Gen. 1) keine Rücksicht genommen", zegt BLEEK,
„vielmehr im zweiten (Gen. 2) die Befruchtung der Krde und
„die Erschaffung der lebendigen Wesenauf derselben so erzahlt,
„als sei davon im Vorhergehendcn noch gar nicht die Rede
„gewesen" 2).
I. Nog is er verschil in zake de schepping der plantenwereld.
„Die Schöpfung der Gewachsc auf Erden wird Cap. 1
\') T. a. P.
*) Bleek-Wellhausen : „Einl. a. d. A. T.," t. a. p.
-ocr page 29-
27
„unmittclbar auf Gottcs Wort zurück geführt, wahrend Cap. 2
„das Hervorsprossen der Gestrauche und Krauter bezeichnet
„wird als vom Regen und von der Bebauung der Menschcn
„abhangig" \').
Ziedaar dan de gronden, die leiden tot het resultaat, dat
Gen. i en 2 twee van elkander verschillende en tegen elkander
strijdende verhalen bevatten.
Zoo volledig en zoo objectief mogelijk gaven wij ze weer,
de eigen (zij \'t dan ook soms vertaalde) woorden der critici
gebruikende. Met \'t oog op die gronden moet dan thans ge-
vraagd worden, hoc zwaar zij wegen, of zij en zoo ja, in hoe-
verre zij recht van bestaan hebben en of ze met recht mogen
geacht worden, vaste fondamenten te vormen voor hetgeen
men er op heeft gebouwd. Bezien wc ze, om dit te weten,
ieder op zichzelf van naderbij, en trachten we dus, dit doende,
tegelijk aan te toonen:
III. HUN AARD EN WAARDE.
A. De eerste grond, door de critiek aangewezen, vestigt
onze aandacht op Cap. 2 : 4. Daar begint iets nieuws, wat
niemand, op zichzelven genomen, zal ontkennen. Met vs. 4
begint werkelijk iets nieuws, een nieuwe afdeeling. Dat daar
evenwel geen nieuw verhaal, in den zin der critiek, begint,
is duidelijk, zoodra de hypothese der critiek losgelaten wordt
en men, dientengevolge, elè toledoot laat staan, waar het
staat, waartoe men \'t meest volkomen recht heeft.
Immers, „Elè toledoot" is geen onderschrift, maar opschrift.
Als zoodanig komt het tienmalen in Genesis voor. Het dient dus
kennelijk den schrijver als middel om de te behandelen stof
te rangschikken in tien afdeelingen. Niets dwingt er toe om
het nu hier bij uitzondering onderschrift te maken, dan alleen
\') Bi.ekk-Wei.i.hausen : „Einl. .1. d. A. T.," t. a. p.
-ocr page 30-
28
de hypothese, die men telkens voorop zet, en die dan, omge-
keerd, uit \'t geen openbaar wordt, weer bewezen moet worden.
Bovendien pleit tegen de bewering, dat het onderschrift zou
zijn, het volgende:
1.    De eigen vertaling der critici van elè toledoot: dit zijn
de geslachten of dit is de geschiedenis, waarbij Prof. VALETON
uitdrukkelijk opmerkt, dat de Hebrecr daarbij dacht aan het-
gecn na hem volgde, niet aan hetgeen acliter hem lag. De
conclusie, dat het dus niet behoort bij Cap. 2 en 3, moet alzoo
blijkbaar omgekeerd worden.
„Elè toledoot" zegt dat de geschiedenis van hemel en aarde
volgt, en waarom daartoe de schepping des mensclien en \'t
planten van den I lof niet zouden behooren, is ons niet duide-
lijk. Wat Gen. 2 van die geschiedenis verhaalt, zijn o. i. zeer
gewichtige gebeurtenissen, waarvan \'t belang geheel de Schrift
door in \'t oog valt en in \'t oog gehouden wordt.
2.   Met bovengenoemde beteekenis van elè toledoot in \'t
oog, ziet men duidelijk, dat het als onderschrift in Gen. 2 : 4 op
een zeer vreemde plaats zou staan. Immers, het voren ver-
haalde geeft niet de geschiedenis (in den eigenaardigen zin
van „toledoot := levensgeschiedenis) van hemel en aarde, maar
wel bevat het de geboorte, de sclicpping er van. In Gen. 2 : 4
en vervolgens volgt dan de geschiedenis, wat wij later nader
hopen uiteen te zetten.
3.   De vooronderstelling, dat van Cap. 2 : 4a tot Cap. 5 : 1
alles ingevoegd is. Is dat zoo, dan sluit Cap. 2 : 4a T**lN!"i1
(elè toledoot hasjamaim wehaaretz)onmid-
dellijk aan Cap. 5 : 1, aldus beginnende:
tt                :                v ■•
(tsè sefer toledoot adam), wat een opschrift is. Het onder-
schrift van Ca]). 2 : 4a sluit dan onmiddellijk aan dit opschrift,
wat, op zichzelven genomen, geen bezwaar oplevert. Maar
als nu Cap. 2 : 4a moet aanwijzen, dat in \'t volgende de ge-
-ocr page 31-
29
schiedenis van hemel en aarde zal worden verhaald en deze
geschiedenis is niet te vinden vóór Cap. 5, zoodat ze daarin
en in \'t geen verder volgt, moet worden gezocht, is er dan
toch niet iets dubbels, een noodelooze herhaling in dat on-
middellijk op elkander volgen van dit onderschrift en dit
opschrift?
4. De Eenheid van Gen. 2 : 4. De eerste helft van \'t vers
begint met elè toledoot, de tweede met Bejoom : Dit is de
geschiedenis — ten dage, dat, enz. Dezelfde verbinding is te
vinden Gen. 5:1 en Num. 3:1. Waarom moet nu alleen
Cap. 2 : 4 dat toledoot van Bejoom gescheiden worden ? Als
telkens verbonden en de twee deelen van den zin aan elkander
verbindende, protesteert het zelf tegen die scheiding. Voor de
hand ligt, dat, wat elders één is, ook hier bij elkander be-
hoort, en dan behoort, elè toledoot niet tot een ander verhaal
of tot een andere oorkonde zelfs dan \'t geen er aan verbonden
is door Bejoom en is dus ook geen onderschrift van Gen. 1—2 : 3.
Dat ook Hoki.kmanx \') Cap. 2: 4a beschouwt als onder-
schrift, is te wijten aan de wijze, waarop hij toledoot verstaat,
n.1. als „Entstehungen des lummels", welke vertaling reeds
boven weersproken werd.
Is dus elè toledoot opschrift, behoorende tot het clan volgende
verhaal, dat geheel aan de beteckenis beantwoordt, dan staat
het (in critische taal) als een Klohistische uitdrukking in een
Jehovistisch stuk, weerspreekt als zoodanig de scheiding en
tegenover elkander plaatsing dier stukken, vooronderstelt het
omgekeerde en kou hier niets aangeven dan \'t begin van een
nieuw hoofdstuk in en van \'t zelfde verhaal.
Dit wordt nog duidelijker, als men, uitgaande van de
stelling der critiek, let op den vooronderstelden redactor
of compilator en zijn werk. In zijn woordenkeus in vs. 4
\') Hoklemann : „Die Einh. der Schöpfimgsberichte", p. 12. Deze geleerde treedt
als apologeet op.
-ocr page 32-
30
(\'t gebruik van Jahwe Elohim bijv.) moet hij, volgens VAIHINGER,
„die Absiclit aussprechen uns über die Anstösse, welche die
„nachherige Abwechselung bereken könnte, glcich von vorn an
„hin weg zu heben" \'). Hij wil dus vereenigen zonder dat
men \'t bemerkt, zóó, dat zijn oorkonden als één geheel zullen
worden beschouwd. Hij doet daartoe moeite door verandering
van woorden, enz. èn — hij laat hier \'t opschrift elè toledoot
staan, dat op tien plaatsen in Genesis \'t begin van iets nieuws
aankondigt. Hij verplaatst het zelfs, zooals vroeger POTT en
KNOBEL, later WELLHAUSEN, hebben gezegd, van Gen. I : I
naar Gen. 2 : 4a. Zag hij dan niet, dat dit juist \'t tegenover-
gestelde zou bewerken, dat elè toledoot juist zou doen denken
aan iets anders en iets nieuws? Van den man, die het in
Genesis tien malen en kennelijk telkens met opzettelijke be-
doeling herhaalt, laat zich dit toch onmogelijk denken. Veeleer
wordt daardoor het tegenovergestelde resultaat bevestigd. De
man, die „elè toledoot" daar nederschreef in Cap. 2 : 4, moet
geweten hebben, wat het beteekende ; moet de bedoeling gehad
hebben er opmerkzaam op te maken, dat hier een nieuwe
afdecling begon; moet geheel vreemd geweest zijn aan de
gedachte, dat, wat hij hier schreef, eigenlijk twee tegenstrijdige
verhalen bevatte, die door hem zouden zijn vereenigd.
Wij meenen dus met recht te mogen besluiten, dat Gen. 2 : 4
yeen recht treeft voor \'t resultaat der critiek.
Letten wij thans op den in de tweede plaats aangevoerden
grond, wij komen dan tot een zelfde slotsom.
B. Dat vóór Gen. 2 : 4 de Godsnaam Elohim is, terwijl
met dit vers \'t gebruik van Jahwe Elohim begint, is evident.
Alleen, dat daaruit moet volgen het samen gevoegd zijn van
twee verschillende oorkonden, is minder duidelijk. Wat het
gebruik der verschillende Godsnamen in \'t algemeen betreft,
dat dit gebruik noodzakelijk aanwijst de samenvoeging van
\') Vaihinger, t. a. p.
-ocr page 33-
31
verschillende oorkonden, wordt door allerlei dingen weerspro-
ken. Niet \'t minst daardoor, dat het telkens weer als criterium
voor de bronnensplitsing den dienst weigert. Klohim en Jahwe
worden tot Exod. 6 : 3 promiscue gebruikt, zoodat dit criterium
bij het toepassen der scheidingshypothese dan ook telkens aan-
leiding heeft gegeven tot allerlei „tours de force," zooals de
resultaten der critici zelven aanwijzen. Bovendien kan \'t verschil-
lend gebruik der Godsnamen dikwijls en in vele gevallen bevredi-
gend verklaard worden uit de beteekenis der namen, in verband
met hetgeen de schrijver bericht. Vooral is dit waarheid van
„Jahwe Klohim", dat twintig malen in \'t boek Genesis voor-
komt en altijd beteekenisvol mag heeten. Toegegeven wordt
dit dan ook door critici als KüENEN, DELITZSCH, Könic; e. a.
DELITZSCH vindt zelfs „het gebruik van Jahwe Elohim gepast
„in de berichten, die ons aanschouwelijk maken, hoe de door
„Klohim geschapen wereld opgenomen wordt in de geschiedenis
„des heils", in welke uitspraak dus tegelijk wordt toegegeven,
dat er een nauw verband bestaat tusschen Gen. 1 en 2 en
dat dit zelfs in \'t gebruik dezer Godsnamen uitkomt. Breed-
voerig handelt overigens over deze materie HENGSTENBERG
in zijn „Authcntie des Pentat." \').
Voor ons tegenwoordig doel, het aantoonen van\'t onvoldoende
van dit criterium in zake Gen. 1 en 2, zij \'t volgende genoeg:
In Gap. 2 : 4 is Jahwe Klohim jnct opzet gebruikt, niet „urn
„uns über die Anstössc (van het compilatiewerk) hin weg zu
„hebcn" (\'t middel was tot dat doel niet zeer toereikend en
ook zeer ongeschikt), maar om te zeggen, wat ook Prof.
VALETON en met hem Prof. Mc CAUL (verdediger van de
Eenheid der Scheppingsverhalen) leert: dat onder Elohim
en Jahwe dezelfde God wordt verstaan.
\') Henustenberg, t. a. p., I, 181—414.
Zie ook Hoedemaker : „Moz. Oorspr.", 112 en22o, en Prof. McCAUL:„The
Mosaic Record. A\'uls to Faith\'\', V, p. 189—236.
-ocr page 34-
.^
Of liet dan ook voor verklaring vatbaar is, in welken zin
Klohim en in welken Jahwe wordt gebruikt en dus ook,
waarom \'t gebruik der Godsnamen afwisselt ?
Zeker kan dat verklaard worden en zelfs op velerlei wijze.
Klohim wordt gebruikt van God in \'t algemeen, Jahwe in betrek-
king tot Israël. Klohim is de Godsnaam voor den Schepper,
Jahwe voor den God des Verbonds. Klohim is God als Schepper,
Heer der wereld, Jahwe is God, staande in persoonlijke betrek-
king tot den mensch. Klohim is de God van hemel en aarde,
niet onderscheiden van, maar Dezelfde als Jahwe, de God, Die
komen zal. Al deze verklaringen zijn in antwoord op boven-
genoemde vraag gegeven en welke van die men nu wil aan-
nemen of verwerpen, vast staat, dat \'t gebruik van Klohim en
Jahwe en ook van Jahwe Elohim in Gen. 2 : 4 op bevredigende
wijze kan worden verklaard.
Moet dat Jahwe Klohim clan leiden tot \'t resultaat der critiek ?
Roept \'t luide en alleen uit: Hier zijn twee verschillende oor-
konden te zamen gevoegd? Is \'t niet mogelijk, kan \'t niet
anders of hier zal de onpartijdige uitroepen: „Ziedaar nu de
„naad, de voeg in \'t geen vereenigd werd \' ? Kan men zonder
„theologisircnde Aushülfe" niet aan deze slotsom ontkomen,
omdat dit Jahwe Klohim dringt en dwingt tot de stelling der
critiek? Wij zien \'t niet. Wij zien alleen, dat men bij voorop-
zetting der critische hypothese tot deze stelling komt, dat om
het te zien dus het gebruik van een bepaalden bril noodig is,
en dat, zonder dit xpütrov \\pëviio<r, het een met \'t ander valt.
Jahwe Elohim werd door den schrijver (zonder \'t critische
standpunt is er geen compilator) hier geschreven om te zeggen
dat Klohim en Jahwe dezelfde God bedoelt, en hij spreekt
daarmede reeds de schoone gedachte uit, die nader in de
heilsgeschiedenis zal worden ontwikkeld: „De God des hemels
„en der aarde is voor den mensch tegelijk de God des heils".
Stelt men zich trouwens op het standpunt der critiek, de
-ocr page 35-
33
vraag zou zich voordoen \') met \'t oog op de redactie dezer
geschriften: Waarom lezen wij hier niet Jahwe-Zebaoth, den
Godsnaam, die in den tijd der profeten zooveel werd gebruikt ?
Staat men niet op critisch standpunt, \'t antwoord op die vraag
ligt voor de hand : Die Godsnaam was het Mozaïsche tijdperk
vreemd.
Bovendien, aangenomen voor een oogenblik de waarheid
van deze beide critische gronden, welke waarde hadden ze dan
nog voor \'t critisch resultaat? Zij zouden de basis kunnen
vormen, maar zeiden toch in geen geval meer dan dat de
schrijver van Gen. I en 2 zijn stof uit twee verschillende
oorkonden had geput, welk vermoeden op zichzelf tamelijk
onschuldig is, en ook reeds door CAMP. VlTRINGA werd gc-
opperd 2). Genoeg! Uit \'t bovengenoemde blijkt duidelijk, dat
ook \'t verschillend gebruik der Godsnamen in Gen. i en 2
niet rechtigt tot de aanneming van het critisch resultaat.
De dan volgende gronden der critiek blijken o. i. bij nader
onderzoek mede onhoudbaar:
C. De stijl van den Elohist (Gen. i), zoo heeft men opge-
merkt, is anders dan die van den Jehovist (Gen. 2 : 4 en
verv.). In Gen. 1 is de stijl kort, gedrongen, kroniekmatig,
enz. Men herinnere zich het vroeger hieromtrent gezegde.
De waarde van dezen grond, in verband met het daarop ge-
bouwde resultaat der critiek, wordt duidelijk in \'t licht der
volgende waarheden:
Ieder schrijver van vroeger en later tijd is gedwongen
geweest zijn taal en stijl te richten naar \'t onderwerp, dat hij
behandelde, \'t Verhaal bijv. van feiten en gebeurtenissen zal
een andere wijze van behandeling eischen dan de opgave van
den stamboom van \'t een of ander vorstelijk geslacht. Paste
men dit criterium toe op een of ander werk van een nog
\') Door Keil tjedaan c. f.: „Die Composit. des Pent." achter Comm.-Deut.
2) Camp. VlTRINGA: „Observ. lil», v. dissert. 1 c. 4."
-ocr page 36-
34
levenden schrijver, men zou hem de verrassende opmerking
kunnen maken, dat zijn boek samengesteld was uit stukken
van een zeker aantal schrijvers, die zicli kennelijk van elkander
onderscheiden in stijl en woordenkeus.
Niet anders was het niet den schrijver van Gen. i en 2.
Zijn stijl is eerst kroniekmatig, kort, tabellarisch, majestueus
verheven. Het hoc ontbreekt, alleen het dat wordt gemeld.
Niemand zal dit bevreemden, die bedenkt wat \'t is, dat
Gen. i beschrijft. Die een denkelijk tafereel wil geven, moet
(wanneer hij althans zijn fantasie niet den vrijen loop wil
laten) zich categorisch uitdrukken. Nog moet ieder schrijver
dat doen, die iets groots, iets verhevens, iets plechtigs wil
teekenen. Dan wordt de stijl kort en gedrongen en daardoor
te indrukwekkender en in karakter meer overeenkomende
met de te behandelen stof.
Gaat dezelfde schrijver over tot beschrijven van aardsche,
meer voor de hand liggende, minder verheven dingen, die beter
in \'t raam onzer menschelijke voorstellingen kunnen worden
gevat en dus ook beter, nauwkeuriger in menschelijke woorden
kunnen worden beschreven, dan zal de stijl vanzelf vlotter,
loopender worden. Het hoc kan clan ruim en breedvoerig ge-
teekend worden. O. i. ligt daarin de oplossing van \'t verschil in
stijl, waardoor Gen. I—2 : 3 en Gen. 2 -.4—25 zich kenmerken,
en die het voor de hand liggende van deze oplossing opmerkt,
vraagt hij niet onwillekeurig of \'t wel immer mogelijk ge-
weest zou zijn, dat men een dergelijk gebruik van deze dingen
maakte, wanneer men niet a priori van de analyse-hypothese
was uitgegaan ?
Met de opmerking, dat Gen. 2 in tegenstelling met Gen. 1
anthropomorphistisch is, staat het evenzoo. Of is \'t niet en
minder anthropomorphistisch wat Gen. 1 vermeldt: „God
„zag", „God zeide", „laat ons menschen maken," enz.?
.Allerminst mag dan zeker op dezen grond tot de scheiding
der Scheppingsverhalen besloten worden en wederom is het niet
-ocr page 37-
35
anders met de waarde van \'t volgend bewijs, mede nog aan
den vorm ontleend.
D. De taal, zoo heet het, verschilt in de aangewezen oor-
konden. Bij ieder der opgegeven verschillen staan wij afzon-
derlijk stil:
i. In den Elohist (om dit \'t eerst te noemen) lezen wij
P"lWP D\'Oti\'n, (hasjamaim we haaretz), in den Jehovist is de
volgorde omgekeerd : D^Ot^l P^tf, (cretz we sjamaim) of (ver-
taald) in \'t eerste: de Jiemcl en de aarde, in het tweede : aarde
en hemel. Nu zou men kunnen zeggen en dan reeds ware
dit verschil verklaard : In Cap. 2 : 4 en verv. gaat de schrijver
meer bepaald over aarde en hemel handelen. Hij stelt nu de
plaats (de aarde) voorop, waarop de verder te verhalen ge-
schicdenis zal plaats hebben. Hij de later te geven vertaling
en verklaring van vs. 4 komen \'t recht en de kracht van
deze opmerking meer aan \'t licht. Thans evenwel is die
kracht te gevoelen overbodig, want om de waarde van dezen
critischen grond te doen begrijpen, is \'t volgende o. i. genoeg.
Ken dergelijke omzetting van woorden, tot één en dezelfde
uitdrukking behoorende, is te vinden: Gen. 1 : 26 en Gen.
5:3. In \'t eerste is \'t ljnW3 "I^VS (besalmecnoc
cidmoetnoe), „naar ons beeld, naar onze gelijkenis". In
het tweede is \'t omgekeerd: 107ÏD iniöH3 (bidmoeto ce-
salmo), „naar Zijne gelijkenis, naar Zijn beeld". Daar even-
wel is die omzetting nog nooit reden van splitsing geweest.
Integendeel behooren Gen. 1 en Gen. 5 volgens de critici
beide tot den Elohist. Waarom mag nu daar dezelfde schrijver
wel een dergelijke omzetting gebruiken, en mag die van Gen.
2 : 4 het niet doen ?
Onwillekeurig doet zoo iets weer denken aan een partijdige
zienswijze en die gedachte wordt nog sterker door de vol-
gende opmerking. De Septuaginta nl. heeft beide in Gen.
-ocr page 38-
36
i en 2: hemel en aarde. De volgorde is daar dezelfde.
Nu wordt het de vraag : Wat is de oorspronkelijke tekst, die
van de Masoreten of die van de LXX? ,;De eerste", antwoordt
de critiek. „De Septuaginta heeft hier opzettelijk veranderd
met \'t oog op Gen. i." Nu redeneert men dikwijls omge-
kcerd: de Septuaginta heeft de oudste lezing, bijv. Exod.
36—40. Deed men dit nu hier ook, clan verviel natuurlijk
\'t verschil en zou het blijken, dat in de oudste lezing de om-
zetting der woorden niet bestond. Waarom doet men dit nu
niet ? Waarom moet nu hier de Septuaginta de jongste lezing
hebben ? Ligt er ook in deze redeneering een tendenz ? Zou
ook hier de vooropgezette hypothese, die a tout prix moet
worden bevestigd, zich laten gelden ?
2. Een tweede opmerking der critiek is de volgende:
In \'t eerste Scheppingsverhaal wordt gebruikt de uitdrukking
nüpjl "DT (Zakar oc nekeeba), Gen. 1 : 27, en in het tweede
r\'..:         tt
Scheppingsverhaal is het {^\'tf (isch) en Pl$N(ischa), bijv. Gen.
T *
2 : 23. Het eerste kenmerkt den Pricstercodex, het tweede den
Jchovist.
Wat is nu in dezen waarheid ? Deze bewering ? Ja, als men
weer de critische hypothese vooropzet! Doet men dit niet,
dan lost \'t raadsel gemakkelijk op, want beide uitdrukkingen
worden eenvoudig gebruikt in hunne betcekenis, "13T (Zakar)
TT
bijv. is niet gelijk vir, man, een man (de persoon), maar aan
mas, het mannelijke, \'t collectivum, Wtt (isch) daarentegen
is gelijk man (de enkele persoon). Dat nu Gen. 1 :27 \'t eerste
voorkomt, is nogal natuurlijk. „God schiep den mensch
„(geheel in \'t algemeen) naar Zijn beeld ; naar \'t beeld van
„God schiep Hij hem ; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij ze."
God schiep den mensch dus sexueel in twee geslachten, wil
het zeggen. Dat nu Gen. 2 U^N (isch) gebruikt, is even na-
tuurlijk, omdat er geen sprake is van den mensch in \'t alge-
-ocr page 39-
37
meen (als type van een bepaalde species) noch van het
mannelijk geslacht, maar van één man, één persoon: Adam.
Met H3p3 en n$N is \'t niet anders. Zij zijn eenvoudig
opposita van ~OT en $\'H.
T T
De waarheid hiervan vindt men bevestigd door Matth.
19:4, waar Gen. 1:27 wordt aangehaald. Men leest daar
\'t neutrum xpasv xxt Si-j/tv. Matth. 19:5, aanhaling van Gen.
2 : 24, waar de vrouw qua persoon bedoeld wordt, heeft
yjvxtxx.
Beteckendcn Zakar oe nekecba en isch — ischa \'t zelfde,
dan had vs. 4 moeten gelezen worden: SivSpx v.xl yvvxïzx.
Op de eigenaardige beteekenis dezer uitdrukkingen in verband
met de plaats, waar zij staan, moeten wij mede later terug-
komen. De waarde van deze critischc opmerking zal door
het reeds gezegde duidelijk genoeg zijn. Stellen wij thans een
derde verschil in taal aan de orde :
3.   „In den Elohist," zegt men, „keeren telkens vaste vormen
„terug: „En God zag, dat \'t goed was", „en God zcide", enz.
„In den Jehovist worden die gemist."
Ook dit verschil laat zich eenvoudig verklaren. Dergelijke
formule-achtige uitdrukkingen zijn zeer gepast na het ver-
haal van gelijksoortige feiten. Daar alleen zelfs kunnen zij
worden gebruikt. Gen. 1 voldoet aan dat vereischte, Gen. 2
als aaneengeschakeld verhaal van ongelijksoortige feiten niet.
4.   Een vierde opmerking is deze: Het eerste Schcppings-
verhaal gebruikt flNn (haaretz), het tweede nönSH (haadama).
\\ V T T                                                                               T T -: T
Nu is dit vooreerst slechts waar cum grano salis, want
ook T*"ISH komt meermalen voor in Gen. 2 : 4—25 (bijv.
vs. 5 en 6), maar ook, afgezien daarvan, wordt ook hier \'t ver-
schillend gebruik niet door de beteekenis der woorden ver-
klaard ? Beteckcnt het eerste aarde, het tweede is gelijk aard-
bodem.
Het engere, meer plaatselijke begrip van \'t laatste
-ocr page 40-
38
woord komt volkomen tot zijn recht in Gen. 2 : 4—25.
Lees vs. 7: De mensch wordt geformeerd „uit \'t stof van den
„aardbodem." Is dat begrip hier niet gepaster dan dat van
aardbol in den ruimsten zin des woords ? Niet • anders is het
vs 9: De boomen spruiten „uit den aardbodem." Lees in de
plaats daarvan „aardA?/", gebruikt in tegenstelling met den
hemel, en men voelt het ongepaste. Als de landman zegt, dat
hij \'t zaad aan de aarde heeft toevertrouwd, of als de tuinman
vertelt, dat dit of dat plantje boven de aarde komt, denken
toch geen van beiden aan den aardfo/, gemeten van Noord-
tot Zuidpool.
Het gebruik van \'t woord nO"Nn (haadama) zegt zelf, dat
1 T T 1 T
\'t verhaal zich beweegt op enger, meer plaatselijk gebied dan
Gen. 1, en het pleit dus tegen \'t vermoeden, dat hier een
afzonderlijk Scheppingsverhaal zou gevonden worden. In een
Scheppingsverhaal qua talis mocht met reden het meer uit-
gebrcidc begrip van t^"lSn (haarctz) worden verwacht.
Evenzoo is het met \'t volgende: n.1.
5.   Met \'t verschillend gebruik van de verba N*13 (bara) en
T T
"lt£^ (asa). Het eerste beteckent: scheppen in \'t algemeen,
T T
iets te voorschijn roepen, dat te voren niet bestond ; het tweede
betcekent: maken, vormen, waar de grondstof voorhanden is.
Heide staan dus op hun plaats, zooals we nader hopen aan
te tooncn. Ook \'t gebruik van ilt!^ (asa) in Gen. 2 : 4—25
T T
pleit tegen de bewering, dat daar een Scheppingsverhaal zou moe-
ten worden gezocht. Hier zij alleen nog opgemerkt, dat op critisch
standpunt ook dit criterium niet opgaat, nfcj^ (asa) komt
ook voor in Gen. 1:31 en in Gen. 2:2 en 3, in den Klohist
dus, en kan daarom geen kenmerk van den Jchovist zijn.
6.   Wat aangaat het gebruik van                   (toledoot), dat
uitsluitend Klohistisch zou zijn, wanneer onze vroegere rede-
neering omtrent \'t opschrift in Gen. 2 :4 de rechte is, dan
-ocr page 41-
39
zou dit woord juist hier in een Jehovistisch stuk worden
gevonden.
Resteert nog:
7. üe vorming van den accusativus door middel van J"|N
(eet), waardoor de Priestercodex zich zou kenmerken, in
onderscheiding van den Jehovist, die suffix-a gebruikt.
Op \'t eerste gezicht zou men bij \'t vernemen van deze
opmerking in den waan geraken, dat in \'t I Iebr. de vorming
van den accusat. even goed op de eerste als op de in de
tweede plaats genoemde wijze kan plaats hebben. Het gebruik
van HN (eet) of dat van suffixa hangt geheel van de wille-
keur des schrijvers af en de voorliefde voor een van beide
kenmerkt hem. Dat is toch de vooronderstelling, waarvan
men, deze opmerking makende, moet uitgaan, zal ze waarde
hebben.
Nu is dit evenwel niet alzoo. De vorming van den accu-
saticf is niet willekeurig en alleen maar afhankelijk van de
voorliefde van een schrijver voor J"lK (eet) of voor suffixa.
Het „Suffixum Vcrbi," zegt GliSKNIUS, „ist eigcntlich immer
„Accusativ und bildet daher das gcwöhnlichste Mittel um den
„von einem Verbum regierten Accusativ des Pronomen aus
„zu drücken" \'), terwijl daarop deze aanmerking volgt: „Der
„Accusativ des Pronomen niuss mittelst des flX ausgedrückt
„werden wenn das Pronomen nachdrücklich voransteht,
„wenn das Verbum einen doppelten Pronominal-accusativ bei
„sich hat," u, s. w. \') Bovendien geldt aangaande de accusatief-
vorming .met HN, dat deze dan alleen kan worden gebruikt,
als het in dezen naamval geplaatste woord reeds nader bepaald
is, bijv. door \'t Artikel of door een Genitivus, enz. \'l).
\') Gksknius: „Hebr. Grammatik," 22te Autl., p. 268.
2) idem.
                                                   p. 260.
-ocr page 42-
40
Hier zijn dus vaststaande regels, die alle willekeur en
voorliefde uitsluiten. Die nu Gen. i en 2 met \'t oog op deze
accusativus-vorming doorleest, bemerkt vooreerst, dat wat als
kenmerk van het eerste verhaal opgegeven wordt, ook in
het tweede gevonden wordt, want de accusativus met TMi kan
men bijv. ook vinden Gen. 2 : 19 en 24, dus bij den Jehovist.
In de tweede plaats blijkt het bovendien, dat de schrijver zich
eenvoudig hield aan de vaststaande regels, bijv. Gen. 1 : 1
IHtfn flNl DVJt^rï r\\ü (eet hasjamaim we eet haaretz) wordt
nK (eet) gebruikt, terwijl de accusativus door \'t lidwoord
bepaald is. Daarentegen Gen. 2:4: D\'Eïfl t*"ltf (erctz
wesjamaim) ontbreekt r\\H, maar ook de nadere bepaling.
Gen. 2 : 24 wordt weer J"IN gebruikt, want de accusativa zijn
door suffixa nader bepaald. Zoo blijft er o. i. weinig over
van verschil en voorliefde en wat dies meer zij en weer rijst
de oude vraag: Hoe kwam men toch tot zulke beweringen;
moet de causa malorum niet in de hypothese worden gezocht ?
Dat geen der opgegeven eigenaardigheden in de taal dus
kan dienen om het gevoelen der critici te steunen, meenen
wij thans gerust te mogen constateeren. Trouwens, van
critischc zijde zelve schijnt men niet al te vast te durven
steunen op deze en dergelijke dingen:
„Der Elohist und der Jehovist," zegt DlLLMANN, „sind untcr
„sich sehr gleichartig. Sie haben viele Stoffe gemeinsam mit
„einander, so sehr, das die eine jedenfals von der andern
„abhangig sein muss" \').
Prof. WlLDEBOER oordeelt: „De critische ontleding staat
„vaak verlegen bij de splitsing der bronnen in J. en E. Uit
„denzelfden tijd afkomstig en in een zelfden geest geschreven,
„komen zij ook zóó overeen, dat het met geen mogelijkheid
„is uit te maken, wat van ieder afzonderlijk is. Daarbij komt
\') A. DlLLMANN: „Die Bücher Numeri — Josua", S. 615.
-ocr page 43-
41
„dat taal en stijl zeer weinig verschillen en de karakteristiek
„daarvan berust op een zeer twijfelachtige analyse" \').
„Bei der Art", zegt BLEEK, „wie der spatere Schriftsteller
„vielfach und im weiteren Fortgange des Werkes immcr-
„mehr, in Beziehung auf die altere elohistische Schriftverfahren
„ist, lasst sich in manchen Fallen nicht mehr in Einzelnen
„eine sichere Bestimmung und Scheidung dessen, was derselben
„angehört hat und was nicht, bewerkstelligen" l).
En als nu elders nog beweerd wordt, dat die scheiding nog
het best bewerkstelligd kan worden in \'t Scheppings- en \'t Zond-
vloedsverhaal en de redenen waarom men in het eerste scheidt,
bij eenig onderzoek, volkomen onhoudbaar blijken, wat dan
van \'t overige te verwachten? Geleerden, die de zwakheid
der argumenten zelve erkennen, eerden o. i. zichzelvcn, als zij
ze lieten varen met een „non tali auxilio" of althans erkenden, dat
wat op dergelijke gronden moet worden gebouwd, schijn noch
schaduw heeft van een vaststaand zvetenschappelijk resultaat,
dat, als zoodanig, objectief door ieder moet worden erkend. Na
het boven gezegde meenen wij dan ook met de meeste vrij-
moedighcid te mogen concludeeren tot de onhoudbaarheid
der critische gronden, ontleend aan den vorm van Gen. i en 2.
Gaan wij thans over tot de behandeling der tweede groep,
nl. tot die van de critische
Gronden, ontleend aan den inhoud.
„In het eerste Scheppingsverhaal," zegt men, „is de mensch
„de laatste, die geschapen wordt, terwijl planten en dieren
„reeds geschapen zijn; in het tweede wordt, zoodra de aarde
„voorhanden en door een nevel vruchtbaar gemaakt is, eerst
„de mensch (Cap. 2 : 7, 8), dan \'t plantenrijk (vs. 9) en cindclijk
„(vs. 19) de dierenwereld geschapen".
Wij vragen: Is dat waarheid? Wat hier aangaande Gen. 1
\') Wildehoek : „Letterkunde des O. V".
a) Bi.eek-Wéi.lhausen : „Einleit u. d. A. T", p. 100.
-ocr page 44-
42
gezegd wordt, stemt ieder toe, maar het omtrent Gen. 2 ge-
zegde, kan dat ook maar een oppervlakkig onderzoek door-
staan? Ziet men \'t waarlijk niet, dat deze verschillen of
tegenstrijdigheden alleen ontstaan door \'t vooropzetten der
critische hypothese; dat, om ze te zien, het bepaald nood-
zakelijk is door een bepaalden bril te kijken, omdat ze dan
eerst en dan alleen bestaan ?
„Zoodra de aarde voorhanden is," wordt in het tweede verhaal,
enz. Wij vragen: Waar staat dat voorhanden worden ? Het
tweede verhaal begint met Cap. 2 : \\b. Immers, het eerste ver-
haal moet hiervan gescheiden worden ! De inhoud daarvan rekent
niet mede. Ik heb dus niets dan Cap. 2 : 4b. Daar moet het staan.
Staat daar nu, dat God de aarde schiep, dat ze iverd} De
critische vertaling zelve luidt: „Ten dage, dat God JAHWK
„aarde en hemel maakte." Zeker een vreemde, sobere, karige,
weinig zeggende uitdrukking, als men er mede zeggen wil:
„God schiep aarde en hemel.\'\' Kennelijk wordt dat scheppen
voorondersteld en wil men verhalen, wat ten dage, in den tijd
van \'t maken van aarde en hemel plaats had of gebeurde,
aangenomen, dat ïTB\'V (asa) \'t zelfde beteekent als K"13 (bara).
TT                                                                                                        TT
Voor de hand ligt dus veel meer, dat hier Gen. 1 vooronder-
steld wordt dan \'t omgekeerde.
Even absurd is de verklaring: „Nadat de aarde door een
„nevel vruchtbaar gemaakt is, wordt de mensch geschapen."
Noodig is het, mede om de waarde van andere, te voren
genoemde verschillen, te beoordeelen, Gen. 2 : 4b, 5 en 6 te
lezen: „Ten dage," zoo lezen wij vs. 4b, ;,dat God JAIIWK \')
„aarde en hemel maakte" .... Waar volgt nu de slotzin?
Sommigen willen (DlLLMANN bijv.) in vs. 7. Vs. 5 en 6 is
dan tusschenzin. Zulk een lange tusschenzin is in het Hc-
breeuwsch evenwel, volgens Prof. VALETON, ondenkbaar, vol-
gens KlCll, onwaarschijnlijk, ofschoon de syntaxis er geen
\') Vei-taliny van Prof. Vai.kton.
-ocr page 45-
43
bezwaar tegen heeft. Dus begint de slotzin niet bij vs. 7.
Waar dan? Prof. VALETON zegt bij vs. 5 en vertaalt: „Ten
„dage, dat God J.UIYVK aarde en hemel maakte, toen ontstond
„er nog geen struik des vclds op de aarde en ontsproot er
„nog geen kruid des vclds, enz."
Grammatisch is evenwel ook dit onwaarschijnlijk, maar
omdat deze geleerde 4a als onderschrift bij Cap. 1—2 : 3
voegt, blijft hem niets anders over.
Laat men evenwel 4a staan, waar \'t staat, dan resteert,
na hetgeen gezegd is, vs. 4 in zijn geheel te kitcn en vs. 5
cen nieuwen zin te beginnen. De vertaling van vs. 4 wordt
dan: „Dit is de geschiedenis des hemels en der aarde, ten
„dage, dat de Hccrc God aarde en hemel maakte." Volgt vs. 5.
rrn\' (jihjè) is Imperfectum en moet, als aangevende een
onvoltooidcn toestand, alsmede gelet op het volgende nOlP
t : •
(jitsmach), vertaald niet door zvas, maar door tverd, ontstond.
De vertaling wordt dus de volgende: „Toen ontstond (groeide)
„er nog geen struik des velds op de aarde en sproot er nog
„geen kruid des vclds uit, want de Hcere God had niet doen
„regenen op de aarde en een mensen was er niet om den
„aardbodem te bouwen."
\'t Had dus niet geregend, maar:
vs. 6: „Maar een damp was (of is) opgegaan uit de aarde
„en bevochtigde den gansenen aardbodem."
Wat zeggen nu deze verzen? Vs. 5 : „Kr waren geen planten",
zoodat hier dan strijd is met Gen. 1, waar de schepping der
planten reeds is verhaald. Neen, dat staat er niet en kan
er zelfs niet gelezen worden. Er staat, dat de ontwikkeling
en groei der planten nog niet ingetreden is, omdat \'t nog
niet heeft geregend en er geen menschenhand was voor de
cultiveering \'). Omdat dit er staat, heeft vs. 5 zin en be-
teekenis. Opgevat als zou er gezegd zijn: er waren geen
) Wij komen later op deze verzen terug.
-ocr page 46-
44
planten, wordt het onzin. Kr zouden dan nog geen planten
zijn, omdat het nog niet had geregend en de mensch er nog
niet was. Waren regen en mensch dan onmisbare voor-
waarden, conditioncs sinc qua non, voor \'t scheppen der
planten? Zij zijn dit voor den groei en de cultiveering daar-
van, maar regen en mensch scheppen geen planten.
De tegenwerping: „Als er wel planten waren, maar geen
„plantengroei, wat aten dan de volgens Gen. i reeds geschapen
„dieren?" is van weinig beteekenis, als men er op let, dat hier
geen sprake is van een tusschentijd, wat wc nader hopen
aan te toonen.
Staat er nu in Cap. 2:4, 5 en 6 zooveel als: iste moment
„de aarde wordt voorhanden", 2(,e moment „er zijn geen
„planten", 3<le moment „de aarde wordt vruchtbaar door een
„nevel"? Het is o. i. eenvoudig onmogelijk, dat hier aldus te
lezen, als men het er niet lezen wil, omdat het gelezen moet
worden.
Evenmin geeft Cap. 2 :4—25 reden om hier te spreken
van een verschil in volgorde in de scheppingen van planten,
dieren en den mensch. Zal dat verschil bestaan, dan moet
er hier sprake zijn van die scheppingen en het is niet best
mogelijk die hier te vinden.
Cap. 2 : 7 verhaalt dan de schepping van den mensch.
Wij willen voor t oogenblik aannemen, dat lï\'51 (wajitscr)
niet als 1\'lusqiiam perfectum mag vertaald worden (zooals de Stat.-
Vertal. doet), waardoor dit vers dan zou moeten terugzien op
een vroeger verhaal — aangenomen, dat het als imperfectum
moet worden vertaald, als wanneer het, minst genomen, nog
altijd daarop kan terugzien —; de schepping van het plantenrijk
zal clan, volgens eigen aanwijzing der critiek, volgen in Cap.
2 :9. Dat dit in vs. 9 moet staan, als hier een afzonderlijk
Scheppingsverhaal gegeven wordt, is duidelijk, maar dat het
er staat, is minder duidelijk.
„En de Heere God deed uitspruiten," zoo luidt vs. 9, „alle
-ocr page 47-
45
„geboomte". Ook verder is alleen sprake van boomen. Nu is
„doen uitspruiten" niet hetzelfde als scheppen en geboomte
een vreemd collectivum voor \'t gehecle plantenrijk, waarvan
men hier de schepping wil verhalen.
Even wonderlijk is vs. 19, opgevat als scheppingsverhaal
van de dieren. „Want als de Heere God uit de aarde al het
„gedierte des velds en al het gevogelte des hemels maakte,
„bracht Hij die tot Adam," enz.
Blijkbaar bedoelt dit vers niet als hoofdmoment de mcde-
deeling van het maken van al \'t gedierte, enz., maar het brengen
van al de dieren tot Adam. Zou hier de schepping van
\'t dierenrijk vermeld zijn, dan ontbreken bovendien de vis-
schen, die hier niet worden genoemd.
Wij zien dus ook voor \'t verschil in volgorde geen grond.
Evenmin zien wij grond voor de bewering: In \'t verhaal van
Gen. 2 heeft het nog niet geregend, in Gen. 1 wel. In Gen. 1
is geen sprake van regen. Daar staat nergens, dathctieWge-
regend had op het tijdstip, waarvan Cap. 2 : 5 spreekt.
Op dezelfde lijn staat \'t woord: „Het eerste Scheppings-
„verhaal begint met den afgrond, waarover \'t licht opgaat;
„het tweede met de aarde, waarop\'t nog niet heeft geregend".
Gen. 2:4 en 5 zegt niet: God schiep de aarde, ook niet
hoe Hij schiep, maar zegt alleen, dat ten dage, als de Heere
God aarde en hemel maakte, er nog geen struik des
velds groeide, enz.
Van geen ander gehalte is de opmerking: In Gen. 1 wordt
gesproken van 6 Scheppingsdagen, in Gen. 2 slechts van
één dag. Men leest in Gen. 2 niet van één dag. In vs. 4
komt de uitdrukking voor „ten dage, dat". Niemand zal dat
toch gelijk willen stellen met één dag. Of is dan alles, wat
Gen. 2 en 3 verhalen, in één dag gebeurd, althans volgens
den schrijver?
Een ander verschil moet dit zijn: „In Gen. 1 schept God
„door Zijn machtwoord, in Gen. 2 met Zijne handen."
-ocr page 48-
46
Dit laatste moet dan zien op de schepping van den
mensch in Gen. 2. Maar juist aangaande die schepping lezen
wij van geen machtwoord in Gen. 1. Bij de andere schep-
pingen is \'t vermeld: „Daar zij licht," enz. Hier niet. Er staat
eenvoudig: „God schiep den mensch". Het dat wordt gecon-
stateerd, het hoe volgt in Gen. 2.
Ditzelfde geldt van \'t woord : „De schepping van de vrouw
„heeft in Gen. 1 op andere wijze plaats dan in Gen. 2, nl.
„door Gods machtwoord en tegelijk met den man ; in Gen. 2
„afzonderlijk en uit Adam\'s rib." Afgezien nu van hetgeen
Demtzkcii wil, datlptf (oto) en Ofltf (otaam) in Gen. 1 : 27
T
heenwijzen naar een afzonderlijke schepping van man en
vrouw, lezen we eenvoudig in \'t genoemde vers „man en
„vrouw (als man en vrouw, mannelijk en vrouwelijk) schiep
„Hij ze." Van een machtwoord geen spoor en van een tijds-
bepaling (tegelijk of iets dergelijks) evenmin.
Hen opmerking van gelijke waarde volge hier:
„Adam wordt in Gen. 1 geschapen naar Gods beeld en
„de schrijver van Gen. 2 en 3 maakt het hem tot zonde, dat hij
„„Gode even gelijk" wil zijn". Maar is dan „geschapen naar
„Gods beeld" hetzelfde als „Gode even gelijk," \'t zelfde als
het als God zijn ? Als \'t op zichzelf geen ongerijmdheid ware,
kon men opmerken, dat Gen. 1 : 28 in flagranten strijd is
met deze opvatting. Het is toch dwaasheid aan iemand, die
als God geschapen is, de heerschappij toe te wijzen over
\'t gedierte der aarde, die hij als God, zooals vanzelf spreekt,
reeds bezit.
Voor al de genoemde verschillen zien wij aldus zelfs geen
schijn van bewijs. Wij zien alleen, dat, als men begint met
hier twee Scheppingsverhalen te vinden, deze verschillen zich
voordoen, maar dat ze zonder dat eenvoudig niet bestaan.
Als het stelsel er niet toe dwong, zou men nimmer tot deze
resultaten komen, want om ze te krijgen, moet blijkbaar
gezondigd worden tegen de duidelijke bedoeling van den tekst.
-ocr page 49-
47
Zonder de minste aanmatiging mecnen wij clan ook te
mogen constateeren, dat ook de critische gronden, ontleend
aan den inhoud der beide capita, volkomen onhoudbaar zijn
en alleen hun ontstaan te danken hebben aan de voorop-
gezette hypothese, die er dan weer uit bewezen moet worden.
Noch stijl, noch taal, noch inhoud rechtvaardigt dus de
stelling, dat Gen. i en 2 twee Scheppingsverhalen bevatten,
en moet dus reeds uit de onwaarde van de gronden, waarop het
steunt, besloten worden tot de onhoudbaarheid van het resultaat
der critiek, dit besluit wordt nog versterkt door een enkelen
blik op de dilemna\'s, waarin de scheidingshypothese onvermij-
delijk brengt en waarop wc reeds met een enkel woord wezen.
Het zijn de volgende:
I. Wat te denken van den inhoud dezer hoofdstukken, als
zij twee verschillende en strijdige Scheppingsverhalen bevatten ?
Wat is waarheid, wat historie, wat mythe of iets anders?
Bovendien, mag Gen. i—2:3 een geregeld Scheppingsverhaal
vormen, wat wordt er qua talis van het tweede, van Gen. 2 :
4—25? Men leze het, na goed zichzelven te hebben ingeprent,
dat het een Scheppingsverhaal is \')!
Het begin vs. 5 en 6 plaatst ons dan voor een vochtige
aarde, van nevelen omgeven. In deze woestenij wordt de
man geschapen, eigenlijk te vroeg, want een geschikte vvoon-
plaats is er niet voor hem en evenmin voedsel. Hij is als
\'t kind des armen en eigenlijk nog minder, want dit vindt
nog bij zijn geboorte woning en voedsel gereed.
Als de mensch geschapen is, maar eerst daarna, wordt dan
de Hof van Eden geplant (vs. 8) en God stelt den mensch
daarin. Hoe dat planten van dien Hof evenwel geschieden
kon, is een onoplosbaar raadsel, want boomen zijn er nog
niet. üie spruiten eerst uit (vs. 9) na \'t planten van den Hof.
\') c. f. HoELEMANN : „Die Einli. <ler beiden Schöpfungsberichte", p. 6 0117.
-ocr page 50-
48
Spreekt bovendien vs. g van spijze voor den mensch, nog
later (vs. 10) vindt hij eerst water om zijn dorst te lesschen.
Tot vs. 11 genaderd, heeft men nog niets gehoord van de
schepping des hemels, der hemellichamen, enz. Ook in
\'t verdere wordt deze niet vermeld. Dat verhindert evenwel
niet, dat wij hier verder een minuticuse aardrijkskundige
beschrijving vinden en dat, terwijl men nog alleen van de
schepping der aarde, van die des menschen, van \'t planten
van den Hof en de daartoe bcnoodigde boomen heeft gehoord.
Vs. i s wordt de mensch clan nog eens in den Hof gesteld
en wel om dezen te bewaren. Waarvoor ? Zeker niet voor ver-
woesting van de zijde der dieren, want dieren zijn er niet.
Eerst wordt dan de Goddelijke gedachte vermeld, dat het niet
goed is, dat de mensch alleen zij, en daarop volgt dan de
schepping der dieren en de naamgeving, en eindelijk, na dit
alles, de schepping der vrouw. Die der dieren, hoc gewichtig
ook in een Scheppingsverhaal, wordt slechts „en parenthese"
en dan nog onvolledig vermeld.
Als Scheppingsverhaal opgevat, blijft er dan iets anders
over dan Gen. 2:4—25 „ein Convolut von Inconvenienzen"
of „ein Imbecillitat" te noemen ? Die een verhaal, van welken
aard ook, uit een zeker oogpunt beschouwt en daardoor in
samenhang, inhoud, enz. zoo groot een verwarring ziet aan-
gericht, zal toch wel tot de slotsom moeten komen, dat zijn
wijze van zien niet de rechte was! Of — zijn gedachte om-
trent \'t eenvoudig gezond verstand van den schrijver zal
zeer laag moeten zijn en dit leidt ons tot een tweede dilemna,
waarvoor \'t resultaat der critiek onverbiddelijk plaatst.
2. Immers, wat te denken van den redactor ? Hij vereenigt —
op wat wijze? Hij wil \'t zóó doen, dat men aan zijn arbeid
geen aanstoot neemt, dat hetgeen hij deed niet eenmaal op-
gemerkt wordt. En — hij begint met in Cap. 2 :4 duidelijk
voor ieder een scheidpunt te laten. Hij vergeet heclcmaal, dat,
vóór hij vereenigen kan, de onmetelijke verwarring, die in
-ocr page 51-
49
zijn tweede verhaal hcerscht, uit den weg moet geruimd en
dat dan nog de grove verschillen moeten uitgewischt en ver-
effend worden. En dat zijn arbeid dan nog verraden zal worden
door \'t verschil in stijl en taal, komt niet eenmaal bij hem
op. Wat deed hij een dergelijk werk te ondernemen! En als
hij het toch deed, waarom dan dat vermommen van zijn ar-
beid ? Dat was immers niet noodig in zijn dagen! Kr stak
geen kwaad in. \'t Was geen vroom bedrog, zeggen de critici.
Heelemaal niet. Dat „erganzen" van oude geschriften was
toen gewoonte ook onder andere volken. Men zag daarin
niets kwaads. Waarom liet de rcdactor dan niet eenvoudig
na, wat nu toch maar zoo gebrekkig geschiedde, \'t uitwis-
schen der kenmerken, die hem en zijn werk zouden verraden,
als wat hij deed, toch zoo volkomen onschuldig was?
3. Wat te denken van de Goddelijke openbaring, met of
in deze verhalen gegeven? Aangenomen, dat er alleen van
\'t laatste sprake kan zijn, druischt het niet rechtstreeks in
tegen \'t begrip van Goddelijke openbaring, dat deze zich zou
laten hullen in een kleed, bestaande uit waarheid en leugen ?
Aan het einde van zijne beschouwing over den Pentateuch
zegt VAIHINGKR (vertaald) \'t volgende:
„dat, niettegenstaande de resultaten van zijn onderzoek, hij
„toch den Pentateuch voor een werk houdt, dat geschreven
„is door schrijvers, gedreven door den H. Geest?\'
„Het kan ons," zoo luidt het, „slechts met dank aan God
„vervullen, dat de geschiedenis van Zijn volk zoo „mcistcr-
„haft zusammengestellt" tot ons gekomen is."
„Het blijft \'t Woord Gods in eeuwige kracht en zuiverheid,
al moeten wij er ons aan gewennen de inklceding van dat
Woord anders te beschouwen ])."
Hoe men dat nu rijmt met de resultaten der critiek, is ons
eenvoudig onmogelijk te begrijpen. Met \'t oog nu op Gen.
\') Heizog: „Real-Kncycl.\'». XI, Art. Pentat.
4
-ocr page 52-
50
1 en 2: verhalen, die strijden en verschillen, zoodat men
niet weet, wat waarheid is; verhalen, vereenigd door een
redactor, die zijn best doet, ons wijs te maken, dat hij niet
vereenigt, pogingen doende „uns über alle Anstösse hin weg
,,zu heben" — die verhalen zullen zijn „meisterhaft zusammen-
„gestellt", zuiver, heilig, ja zelfs zullen zij de inkleeding zijn
van Gods Woord en de schrijvers zullen gedreven zijn door
den H. Geest!!
Wie \'t vatten kan, vatte het.
C). i. behoort er groote moed toe tot het doen van zulke uit-
spraken, na een dergelijke beschouwing van een en ander
gegeven te hebben. Wij kunnen niet anders zien of tegelijk
met \'t aannemen der critische resultaten moet vervallen iedere
Goddelijke openbaring in de Schrift; moet vervallen \'t hebben
met of ook maar in de Schrift van Gods Woord; moet ver-
vallen ieder inspiratie-begrip, dynamisch of mechanisch ; moet
vervallen zelfs de eenvoudige geloofwaardigheid en betrouw-\'
baarheid van het verhaalde, lui dat van critische zijde althans
iets daarvan gevoeld wordt, blijkt zeker niet \'t minst uit den
ijver, waarmede het telkens weer wordt ontkend.
Trouwens, ook de geschiedenis kan hier medegetuigen.
Men leze de beschouwing van Kl\'ENEN (Theol. Tijdschrift
1870), overgenomen door Wem.HAUSEN in „die Geschichte der
A. T. Wissenschaft", achter de „Einleitung a. cl. A. T." van
BLEEK-WELLHAUSEN, waarin niet \'t minst merkwaardig te
dezen opzichte de beschouwing over Colenso. KUENEN vindt
in I\'. 4 van „The Pentateuch and book of JOSHUA critically
examined" een aantal juiste opmerkingen omtrent de samen-
stelling en het onhistorisch karakter van Gen. 1 —11.
Vrerder leiden de „nauwkeurige onderzoekingen van GkAF
(toch iemand, die meegeteld mag worden in de rijen der critici)
„over \'t geheel tot een negatief resultaat".
Genoeg, om te doen gevoelen hoe de critiek ook in dezen
-ocr page 53-
5\'
eer leidt naar een donkeren afgrond dan dat ze naar een
blinkenden bergtop zou voeren.
Een andere vraag vloeit vanzelf uit deze voort:
4. Wat te denken, met het critisch resultaat in \'t oog, van
de organische eenheid der H. Schrift ?
\'t Laat zich toch niet gemakkelijk loochenen, dat Gen. 1
en 2 èn in \'t O. T. èn in \'t Nieuwe telkens en telkens weer
de basis vormen, waarop men staat, die men aanvaardt, en
waarop woorden en daden van God en menschen beiden zich
gronden. Wat Gen. 1 en 2 beschrijven, wordt aangenomen
als geschiedenis, als historisch betrouwbaar. „lm Neuen Tcs-
„tament wird der Inhalt der mosaischen Schöpfungsurkunden
„in zahlreichcn Aussprüchc Christi und der Apostel als
„ge schicht lick vorausgesetzt" (Joh. 17 : 24, Matth. 25 : 34, Luk.
11:50, Efez. 1:4, 1 Petr. 1:20, Hebr. 4:3, Matth. 19:4—6,
Hand. 17: 24—26, 1 Tim. 2:13, enz.), zegt ZöCKLEk \'), die
er evenwel geen bezwaar in ziet van een tweede Scheppings-
sage te spreken.
Staat nu liet critisch resultaat vast, wat dan hiervan te
denken? Apostelen en profeten (om nog niet van den Christus
te spreken) wisten niet beter. Ja, maar als deze Godsgetuigcn
in dergelijke cardinale punten zich bedrogen, wordt daarmede
dan niet geheel de Schrift in zijn eenheid aangetast? Voelt
men \'t niet, dat het onmogelijk is de quaestie van de betrouw-
baarheid van Gen. 1 en 2 te scheiden van \'t oordcel over
de waarheid en waarde van alles, dat er in de H. Schrift
mede rekende of er op werd gebouwd ? Als \'t nieuw gebouwde
schip te water gelaten zal worden, wordt dit op \'t gegeven
oogenblik bewerkstelligd door het wegslaan van een enkele
wig. Met die wig zou men Gen. 1 en 2 kunnen vergelijken.
Alleen is dit het verschil, dat door \'t wegslaan er van \'t schip
niet in, maar uit zijn element zal geraken. De waarheid
») Herzog: „Real-Encycl., XX, Art. SchDpfimg*
-ocr page 54-
52
hiervan wordt bevestigd, als men \'t oog richt op een enkel
punt, hier nog slechts met een enkel woord, in de vijfde-
plaats, te noemen :
5. Wat toch te denken, op critisch standpunt geplaatst
tegenover Gen. 1 en 2, wat dan te denken van den CHRISTUS?
Alen leze Matth. 19:4 en 5, omtrent welke verzen TlSCHEN-
DORFF geen varianten vermeldt. In \'t vierde vers wordt aan-
gehaald Gen. 1 : 27 en in vers 5 Gen. 2 : 24, plaatsen dus
uit de twee tegenstrijdige Scheppingsverhalen, die, als zoo-
danig, onmogelijk beide betrouwbaar kunnen zijn. Wie moet
nu de Christus zijn? Blijkens den context haalt Hij deze-
woorden aan niet alleen als betrouwbaar, maar Zelf als God-
delijk gezag hebbende \'). Moet Hem hier Zijn eigen woord
gelden, eens tot NlCODEMUS gesproken: „Zijt gij een leeraar
„Israéls en weet gij deze dingen niet?" 2)
Hij ïveet 7 niet, wat het is, dat Hij hier aanhaalt, en dan
staat Zijne wijsheid verre beneden die der critische weten-
schap en is Hij, in geen geval, de Kengeborene des Vaders,
het Woord, dat vlccsch geworden is en dat van den beginne
was, enz. Of Hij weet \'t wel en haalt Hij dan toch dit woord
aan als Gods Woord (zelfs bij accommodatie) — Wie is Hij
dan? Het antwoord op die vraag zou den Christennaam van
een eernaam in een schandnaam veranderen.
Üp het standpunt der critiek zijn deze dilemna\'s onmo-
gelijk te ontgaan en wordt dus het resultaat der critiek
reeds geoordeeld door de onhoudbaarheid der gronden, waarop
het steunt, dat oordeel wordt nog versterkt door de onop-
losbare raadselen en problemen, die \'t baart.
Wij mecnen dus, na dit alles, de wetten der bescheiden-
heid niet te overtreden, als wij verklaren, dat het te bewijzen
is quod demonstrandum erat: „Dat Gen. 1 en 2 geen twee
\') C. f. Meijer : Comm. Mattheiis 362.
*) Joh. 3:10.
-ocr page 55-
53
„verschillende en tegenstrijdige Scheppingsverhalen bevatten.\'\'\'
Er blijft ons thans nog over: De Eenheid\'van het Schcppings-
verhaal
te poneeren en te handhaven.
Is het toch bewezen, dat Gen. r en 2 geen twee Schep-
pingsvcrhalen bevatten en blijkt het nu omgekeerd, dat het
één Scheppingsgeschiedenis geeft, het opgeworpen probleem
mag dan met recht opgelost hectcn en de vraag is dan in
dezen beantwoord, niet alleen wat niet, maar ook wat wel
waarheid is.
Aan de orde moet dus thans worden gesteld :
IV. DE EENHEID VAN HET SCHEPPINGSVERHAAL.
Slaan wij het boek Genesis op en vragen wij, wat daar
in den tekst van Gen. i en 2 voor ons ligt, wij lezen daar
dan het verhaal van de schepping van hemel en aarde,
dat nader blijkt inleiding te zijn op dat van de geschiedenis
van hemel en aarde, zooals het mede inleiding is op hetgeen
verder wordt verhaald.
Deze inleiding loopt van Gen. i : i—Gen. 2 :4 en vermeldt:
de schepping van hemel en aarde (vs. 1 en 2), die van \'t
licht (3, 4, 5), die van \'t firmament (6, 7, 8), van land en zee
(9, 10), van het plantenrijk (11, 12, 13), van zon, maan en
sterren (14—19), van visschen en vogels (20—23), van het
gedierte der aarde (24, 25) en van den mensch (26—31), om
daarna met de heiliging van den zevenden dag te besluiten.
Volgt daarna de geschiedenis des hemels en der aarde, in
Gen. 2:4—25 is daarvan vermeld: de toestand dor aarde,
tijdens de Schepping, inzonderheid ten opzichte der planten
(5, 6), de wijze, waarop de man werd geschapen (7), de
plaats, waar hij door God werd gesteld, en den arbeid, hem
toebctrouwd (8—15), de verhouding, waarin hij geplaatst werd
tegenover zijn Schepper (16, 27), tegenover de dieren (19, 20),
-ocr page 56-
54
tegenover de vrouw (ook in hare schepping, 18,21, 22), 23—25.
De inhoud van Gen. 1 en 2 vormt dus cen aaneengescha-
keld verhaal, waarin Cap. 2 :4 een nieuwe afdeeling, een
nieuw hoofdstuk begonnen wordt. Wat in dat hoofdstuk ver-
meld is, wordt gebouwd op het voren verhaalde, wordt ten
nauwste daaraan verbonden en gaat daarvan uit.
Gaf de inleiding in grootc trekken de Schepping in het
algemeen, die des menschen wordt in het begin van de gc-
schiedenis van hemel en aarde nader gedetailleerd, uitgebreid
en voortgezet. Vermeldt, aangaande de Schepping in \'t alge-
meen de inleiding het dat, wat verder volgt in Gen. 2 ver-
telt het hoe en wel met betrekking tot \'t hoofd der Schepping :
den mensch, op wien ook in Gen. 1 kennelijk alles aanloopt.
,,Dc mensch wordt Gen. 1 als doel van de ontwikkeling van
„\'t leven der natuur getcekend, in Gen. 2 als beginsel van de
„ontwikkeling der geschiedenis" \').
Dat deze beschouwing van Gen. 1 en 2 meer is dan cen
ongemotiveerde opvatting van het daar beschrevene, dat intc-
gcndeel alles en allerlei dringt en dwingt tot deze zienswijze,
blijkt uit het vele, dat haar staaft en bevestigt.
Van dat vele noemen we thans iets, en worde daarop
V. DE EENHEID GEGROND.
Zal men een zeker terrein volkomen en juist kunnen bcoor-
deelen, dan moet men het kunnen overzien en voor dat overzien
is noodig de rechte plaats, een plaats liefst, die zich boven
alles verheft en toch in \'t middelpunt gelegen is. Van den
toren overziet men \'t best cen stad en kan \'t oog \'t best de
lijnen volgen der straten en der bolwerken, die de vesting als
één geheel ommuren.
\') GouKi\': „La Création," Etudes Bibliques, I, 1893.
-ocr page 57-
y>
Zoo komt het ook hier o. i. aan op \'t „oc<; (tot TroüfTw", het
„point de vuc", en een dergelijk punt, dat aan alle cischen
voldoet, biedt zich aan in Gen. 2 :4. Van daar uit laten al de
lijnen zich gemakkelijk onderscheiden, niet \'t minst die, welke
ons Scheppingsverhaal omsluiten als een welgevormd geheel.
Zelfs zou dit vers in zekeren zin „des Pudels Kern" kunnen
heeten, omdat o. i. de beteekenis daarvan hier reeds alles
beslist. Wij plaatsen ons dus daar, hoog en tegelijk in \'t midden,
en \'t eerste, wat we, daar staande, opmerken, is, dat de Een-
heid van het Scheppingsverhaal niet slechts gesteund, maar
zelfs ge\'èischt wordt door den vorm. liet onderling verband en
den inhoud.
a. Wat het eerste, den vorm, aangaat, het                (toledoot)
van Cap. 2 : 4 spreekt hier sterk en stellig. Geeft het, zooals
wij te voren opmerkten, hier als opschrift, opzettelijk een
nieuwe afdeeling aan, die plaatsing zelve bestrijdt de moge-
lijkhcid, dat hier twee verhalen gevonden zouden worden, die
dezelfde stof behandelen, en dit doende, elkander bestrijden.
Maar evenals de plaatsing van dit woord getuigt ook de bc-
teekenis er van.
                 (toledoot) is een Nomen, gevormd
van den hiphil T/1H (holicd), van T?\' (jalad) voortbrengen,
en \'t beteckent dus letterlijk: voortbrengingen, \'t voortge-
brachtc door — vandaar de nakomelingschap, de geschic-
denis van iemand. Dit laatste evenwel nooit in den zin van
geboortegeschiedenis, maar altijd van /c.\'zv«.sgcschiedcnis.
\'t Spreekt, afgezien van iemands geboorte, van zijn geschic-
denis in den zin van \'t door hem gedane, geproduceerde,
voortgebrachte, dus van zijn daden en werken, enz.
Deze                   (toledoot), deze geschiedenis van hemel en
aarde volgt in Gen. 2, alleen, wat den eersten aanvang daar-
van betreft, maar duidelijk is \'t ook daardoor reeds, dat in
en door dit opschrift de geboorte, de schepping van hemel
en aarde als bekend wordt voorondersteld, die verhaald is
-ocr page 58-
56
in Gen. i. De wijze, waarop \'t nieuwe hoofdstuk begonnen
wordt, zegt dus duidelijk, hoe nauw het aan \'t voorgaande
verbonden is.
Laten wij, voor \'t oogenblik, het verdere van vs. 4 en ook
vs. 5 en 6 daar, om alleen op de constructie van het vol-
gendc te letten; opmerking verdient in dezen vers 7, dat
aanvangt met "Wil (Wajitsèr), Impcrf. met Waw. Consecut.
Bekend is het, dat het Hebrccuwsche Impcrf. mag vertaald
als Plusquam perfect \'), waarom de Stat.-Vcrtal. recht heeft
om hier te spreken van: „De Heere God had den mensch
„geformeerd". Door deze vertaling als de juiste te aanvaarden,
neemt men tegelijk de Kenhcid van het Scheppingsverhaal
als bewezen aan, want aldus vertaald, wordt hier kennelijk
de handeling der formecring als vroeger geschied en vermeld,
voorondersteld. Ook zonder dit aan te nemen evenwel, kan de
kracht van den hier gebruikten vorm moeilijk worden ontkend.
Immers, ook als men alleen als Impcrf. vertalen wil, is het
gebruik van het Imperf. met Waw. Consecut. hier opvallend,
omdat het „meermalen een nieuwe afdceling van een verhaal
„inleidt, zoodra er slechts een, zij \'t ook nog zoo losse aan-
„knooping aan het vroeger verhaalde heeft plaats gehad" J).
Die aanknooping is te vinden in vs. 5 en 6, want in vs. 7
begint eigenlijk de reeds in vs. 4 aangekondigde nieuwe af-
deeling van het verhaal. Bovendien staat het Impcrf. met
Waw. Consecut. altijd en overal in \'t nauwste verband met
het voorafgaande. Is het gebruik van dezen vorm hier dan
ook niet veelzeggend genoeg?
Hetzelfde getuigt "lï* (jatsar), dat niet scheppen, maar vormen,
- T
boetseeren bctcekent, evenals een kunstenaar zijn beeld for-
meert uit marmer of klei. Moest hier allereerst en allermeest
\') Gesenius.: „Hebr. Grammatik", p. 284.
*) idem
            idem           p. 287.
-ocr page 59-
57
aan scheppen gedacht worden (en dat moest in een Scluppingsvcr-
haal), dan kon "IX\' (jatsar) niet gebruikt.
" T
Dat \'t nu wel gebruikt wordt, zegt duidelijk, dat de schrijver
niet op \'t scheppen van den mensch als factum, maar op de
xuijze van het scheppen den nadruk wil leggen, en dit doende,
vooronderstelt hij weer \'t scheppen zelf als verhaald.
Merkwaardig is in dezen niet minder de aardrijkskundige
beschrijving in vs. ro—14, waarop we te voren wezen. Die
ze leest, moet opmerken hoe gedetailleerd ze is, sprekende
van kleinigheden als \'t goud, enz. van \'t land van Havila.
Plaatst men dit tegenover de fragmentarische wijze, waarop
hier van planten en dieren gesproken wordt, men zal \'t moeten
gevoelen, hoc met dezen vorm, zoo volkomen mogelijk, af-
stand gedaan wordt van den naam „Scheppingsverhaal". In
een dergelijk verhaal toch verwacht men niet een breedvoe-
rige beschrijving van een klein plekje der aarde, terwijl
Scheppingsdaden als die van de aarde, de planten, de dieren,
in \'t geheel niet, of in \'t allergunstigste geval, slechts zeer
in \'t voorbijgaan worden genoemd. Kennelijk wil dus \'t hier
verhaalde alles, behalve een Scheppingsverhaal, zijn.
Alleen, waar \'t Gen. 1 als Scheppingsverhaal vooronderstelt,
kan het in Gen. 2:4—25 medegedeelde worden begrepen. Er
is hier een opeenvolging van gedachten, niet van tijd, in de
verhaalde feiten. Neemt men dit laatste aan, dan ontstaat de
verwarring, waarop wij vroeger wezen. Alleen als men \'t hier
medegedeelde opvat als dienende tot opheldering van het-
gecn Gen. 1 verhaalt, verkrijgt het een gezonden zin en is
het mogelijk het te begrijpen. Onmogelijk hier dus te scheiden,
wat afzonderlijk (\'t mag vooral gezegd met \'t oog op Gen. 2)
niet eenmaal gerechtigd is tot een zelfstandig bestaan.
b. Tot geen ander besluit voert \'t opmerken van \'t onder-
ling verband
tusschen de deelen, dat zich ook reeds in den
vorm gelden deed.
Men vange weer aan met Cap. 2:4^: „Ten dage, dat de
-ocr page 60-
58
„Hccrc God aarde en hemel maakte", doet, op zichzclven gc-
nomen, vragen: wanneer, van\'waar die aarde en hemel, enz.;
vragen, die hier als reeds beantwoord worden voorondersteld.
Dat antwoord wordt tegelijk met de scheiding van Gen.
I : I—2 : 3 afgesneden.
Legt Gap. 2 : 7 den nadruk op het /10c der Schepping, \'t refc-
reert zich daardoor als vanzelf aan het dat, vermeld in
Gen. 1 : 27.
Het daar medegedeelde wordt hier uitgebreid en in bijzon-
derheden verhaald. Ken zelfde wijze van handelen vindt men
Gen. 11 : 31 en Gen. 12 : I, enz. Wat het eerste te zamen
gevat heeft gezegd, breidt het volgende uit en detailleert het.
Zoo blijft het ook als men verder leest. Van \'t groote gaat
\'t oog naar het kleine, van \'t onbepaalde en algemecne naar
het bepaalde, plaatselijke. Zooals Gen. 2 :7 staat tot Gen.
1 : 27, zoo staat in zekeren zin Gen. 2:8 tot Gen. 1 : 1 en 2.
Daar de schepping der aarde, zoo algemeen mogelijk; hier in
den engsten zin het planten van een hof. Evenzoo Gen. 2 :9
en Gen. 1 : 1 1. Daar \'t plantenrijk geschapen; hier uitspruiten
van alle geboomte, enz. Het algemeene wordt beperkt, maar
die beperking vooronderstelt natuurlijk stilzwijgend \'t bestaan
van \'t algemeene. Dat détaillceren, beperken, afdalen tot het
bijzondere spreekt zich zelfs uit in de woordenkeus. In Gen. I
treedt het begrip aarde ?*"ltfH (haaretz), in Gen. 2 dat van
I V T T
nD"Wn (haadama), aardbodem, op den voorgrond. Evenzoo
t T -: t
(zie het vroeger opgemerkte) is in Gen. 1 slechts sprake van
het mannelijk en vrouwelijk geslacht, in Gen. 2 van ccén
man, één vrouw. Niet anders is het met den gedachtengang.
Terwijl het verhaal tot \'t bijzondere overgaat, wordt het tegelijk
voortgezet. Op \'t scheppen der planten volgt het uitspruiten
en groeien en \'t planten van een hof, op de schepping der
dieren volgt nu hun naamgeving. Op Gen. 1 : 28, waar den
mensch macht gegeven wordt over de dieren, volgt hier Gen.
-ocr page 61-
59
2 : 19 de aanvaarding van die heerschappij. Op Gen. i : 27,
dat de schepping des menschen (als type van zijn soort) ver-
haalt, volgt hier niet alleen Gen. 2 : 7, maar ook Gen. 2:18
—25, dat de vrouw een hulpc noemt tegenover den man,
dat zegt, wie deze voor haar zal zijn en in één woord \'t ge-
ncralc van Cap. 1 : 27 zoo sterk mogelijk individualiseert.
Vult aldus het een \'t ander aan, beide zijn dan ook zoo
nauw mogelijk aan elkander verbonden en kunnen niet ge-
scheiden worden, zonder in beteckenis en doel, althans in
beginsel, te worden vernietigd. De deelen van een stoommachine
laten zich scheiden, maar niet zonder dat het geheel daardoor
op non-activiteit wordt gesteld.
Van hoeveel waarde in dezen evenwel het getuigenis van
al \'t voorgaande moge zijn, in kracht wordt het o. i. nog over-
troffen door \'t geen een blik op \'t verband van den inhoud
in V algemeen ons leert.
c. Indien reeds in \'t voorgaande de vragen beantwoord
werden: Wat is Gen. 1 voor Gen. 2 en omgekeerd, de tekst
zelf legt hier o. i. een allesbeslisscnd getuigenis af.
Nog altijd is Gen. 2:4 \'t middelpunt, van waar uit wij
zien. Vestigen wij thans den blik op dat vers zelf! Zoo ge-
trouw mogelijk vertaald, luidt het aldus: „Dit is de gesekie-
„denis des Iicmels en der aarde, toen zij gcscliapcn werden, ten
„dage, als de Heere God aarde en liemel maakte".
Blijft men
nu hier bij de gewone vertaling en verklaring, dan staat
men hier voor een dubbel, een pleonasme. Voorop staat:
„Dit is de geschiedenis des hemels en der aarde", dan volgt
„ten dage, als de Heere God aarde en hemel maakte", en
dit laatste wordt door het tusschenstaande „toen zij geschapen
„werden" volkomen overtollig. Dat pleonastische zet zich dan
nog sterker voort in vs. 5, waar verhaald wordt, dat er toen
nog geen struik des velds ontstond, enz., wat volstrekt niet
uitdrukkelijk behoefde vermeld te worden, omdat er „ten dage,
-ocr page 62-
6o
„als de Hecrc God aarde en hemel maakte (in den zin van schep-
,,pen)", onmogelijk struiken des velds, enz. konden bestaan.
Zien wij wel, dan komt het hier vooral aan op de betee-
kenis van fll^j? (asoot), van ntTJf (asa), voorkomende in vs. 4b
en gewoonlijk vertaald door maken, wat men zich dan gelijk
denkt aan K12 (bara), scheppen. De gelijkstelling van deze
TT
verba is zeker foutief. Immers, X"G (bara) betcekent scheppen,
T T
creare, een te voorschijn roepen van iets, dat niet is. Als zoo-
danig wordt het gebruikt van God, nooit van een mensch.
Kr is nog een ander bara, waarvan \'t adjectief bori zzz vet
is afgeleid en flat wel voorkomt van menschen, maar een
andere beteekenis heeft. Nu lezen we vs. 4a: DX"l3n3 (bchib-
t : t • :
barcaam), d. i. de Inf. Constr. Niphal van N"13 (bara), letterlijk
T T
vertaald dus: „bij het geschapen worden van hen". Niphal
geeft het 1\'assivum van de Qal. De vertaling wordt dus: „als
„zij geschapen werden".
In vs. daarentegen leest men HltJ^ (asoot) van Pltyj? (asa).
: -:                                       tt
Nu betcekent dit werkwoord facere, ook creare, maar dan
toch meer in den zin van produceeren en verder en wel in
de grondbeteckenis laborare, tractare aliquid, dus werken,
bewerken, vormen, bereiden, behandelen van iets (zooals
Exod. 31 : 4).
nt^y (asa) heeft twee accusativa, terwijl N*D (bara) nooit
TT                                                                                                                                        TT
voorkomt met den accusativ. der stof en men daarbij niet denkt
aan een stof, waaruit geschapen wordt.
Houden wij dit in \'t oog, dan vormen deze verba hier geen
synoniemen, maar moet vs. 4 aldus vertaald, althans verklaard
worden : Dit is de geschiedenis des hemels en der aarde, als
zij geschapen werden, ten dage, als de Heere God aarde en
hemel
(zonder artikel, als één geheel gedacht, de samenvat-
ting van \'t geschapene) bereidde (vormde, in_ den zin van
nader bewerken, nader in orde brengen van \'t geschapene).
-ocr page 63-
6i
Is deze verklaring de rechte, dan spreekt Gen. 2 dus verder
van hetgeen geschiedde tijdens deze nadere vorming of be-
reiding van het geschapene, en wat opmerkelijk is, is dit, hoe
beide, \'t voorgaande en \'t volgende, deze verklaring steunen.
Allereerst heeft nu DWOHS (bchibbareaam) in vs. 4 bc-
t : t :
teekenis en is volstrekt niet meer overtollig, en vs. 4 zegt nu
met nadruk
wat verder zal worden verhaald en in welke
verhouding \'t voorgaande tot \'t volgende staat. Immers, de
schrijver zegt, dat nu volgt wat tijdens het scheppen van
hemel en aarde gebeurde, toen n. 1. \'t geschapene gevormd,
nader bereid
werd. Het scheppen zelf is in grootc trekken
geteckend in Gen. 1.
Wat nu tijdens \'t nader vormen van dat geschapene plaats
had, tijdens \'t geven van het geschapene van den normalen
loop, \'t regelen der natuurwetten, enz., dat zal nu worden
verhaald. Dat is noodig, want Gen. 1 heeft daarvan niet ge-
sproken, \'t Geeft alleen in groote omtrekken: de Schepping
en deze alleen.
Hoe duidelijk en in onze materie beslissend deze betee-
kenis wordt van vs. 4, behoeft zeker geen betoog.
Beteekenis heeft nu ook \'t laatste woord van vs.
(laasoot) en \'t wordt niet minder veelzeggend.
Gen 2 : $b, onmiddellijk dus aan vs. 4 voorafgaande, luidt:
„omdat Hij gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen
„had; om te maken, om te volmaken", zegt de Stat.-Vertal.,
„door te maken" wordt elders vertaald.
In den gewonen zin is nu ook dit Dlt^Uv (laasoot) een
soort van overtollig aanhangsel, \'t Kon evengoed gemist worden.
Alleen zou \'t kunnen dienen om den accusativ. werk te redden,
die niet past bij bara. Hij bovenstaande verklaring evenwel
wordt ook dit woord niet iets, maar veel zeggend.
Er wordt dan gezegd : dat God gerust heeft van Zijn werk,
dat Hij geschapen had — ja, maar de uitdrukkelijke opmer-
-ocr page 64-
62
king maakt de schrijver dan, dat God Zijn werk schiep door
het te vormen (laasoot), door liet te bereiden.
Hij schiep èn vormde het (twee momenten dus) en van
beide rustte Hij, maar dat vormen is nog niet verhaald.
\'t Scheppen wel. Welnu, flVcy? (laasoot) moet nu blijkbaar den
overgang vormen tot \'t volgend verhaal en onmiddellijk daarop
volgt vs. 4: „Dit is de geschiedenis.... ten dage, dat de
Heere God aarde en hemel bereidde" en opdat men zich niet
vergisse in den tijd van dat vormen, staat er uitdrukkelijk bij:
„tijdens \'t geschapen worden van hen". Als een schrijver
zich zoo duidelijk en klaar, zoo nauwkeurig en voorzichtig
uitdrukt, kan hij \'t helpen, als zijn woorden misverstaan
worden ?
Want nog meer wordt helder bij dit licht. Zien wij van
ons „point de vue" nog verder terug naar Gen. 2:2 en Gen.
1:31! In beide verzen weer Dt^V (asa), Gen. 2 : 2 „Zijn
T 7
„werk, dat Hij gemaakt had", Gen 1:31 ,,En God zag al
„wat Hij gemaakt had." Nu eerst wordt in dezen zin PlB?J?
T T
gebruikt. Niet eerder. Eerst aan \'t einde van het Scheppings-
verk. Nu kan het en moet het gebruikt. fcOD (bara) zegt hier
T T
te weinig, want \'t noemt slechts één moment van Gods werk.
Het vormen en bereiden daarentegen sluit tegelijk \'t scheppen
in en daarom wordt in TWXl (asa) \'t Godswcrk te zamen gevat.
T T
Let mede op Gen. 1 : 26, op de uitdrukking: „Laat ons
menschen maken". Ook daar Hl^V (asa), niet K"D (bara).
TT                                                    TT
Lezen wij in Gen. 2 : 7 het hoe van dat maken, dat hoe wet-
tigt het gebruik van dit verbum in Gen. 1 : 26, omdat de
mensch gevormd wordt uit de voorhanden zijnde grondstof,
en omgekeerd wijst dus dit TVÜTJ (asa) van Gen. 1 : 26 naar
T T
de wijze van \'t scheppen, in Gen. 2 : 7 vermeld.
Wijst zelfs de keuze van een enkel woord .aldus niet op
een wederkeerig en zeer nauw verband?
-ocr page 65-
63
Nergens is hier willekeur, zooals niet minder duidelijk
wordt, als we van Cap. 2 :4 \'t oog verder richten naar \'t geen
volgt. Men leze in één adem Cap. 2 :4 en 5 : „Dit is de
„geschiedenis des hemels en der aarde, als zij geschapen
„werden, ten dage, dat de Hecre God aarde en hemel (nader)
„vormde (of bereidde). Toen ontstond (groeide) er nog geen
„struik des velds en sproot er nog geen kruid des velds uit,
„want," enz.
Dat was de toestand, zegt vs. 5 en 6, en dus was \'t zeer
noodig, dat \'t geschapene nader bereid werd.
\'t Had bijv. nog niet geregend. De mensch was er nog
niet om den aardbodem te bouwen. Wanneer niet? Na den
Sabbat, als \'t Scheppingswerk geëindigd was? Neen, „bij
„\'t scheppen van hen", zegt vs. 4, tijdens de Schepping, toen —
schiep God de planten Gen. r : 11, maar dat was op zichzelf
niet genoeg. Zij moesten groeien en daartoe was regen noodig.
De natuurwetten moesten geregeld worden. Evenzoo was er
geen mensch. De planten waren er wel, maar er was geen
orde. Om de aarde was alleen slechts een nevel, een damp.
Vorming, bereiding is dus noodig en — die heeft ook plaats
gehad en God heeft ook daarvan op den zevenden dag
gerust. Ja, maar \'t is nog niet verhaald wat ten dage van
die vorming gebeurde. Dat zal hij nu doen en hij doet het in
\'t volgende: Cap. 2 : 7 vv.
Wij vragen: Sluit dat niet, is hier geen logische gedachten-
gang? En indien ja, wordt hoe ons niet hoe langer hoe moei-
lijker ons ook maar \'t bestaanbare der critische voorstelling
in te denken ?
En voor deze verklaring en voor \'t nauwe verband tus-
schen Gen. 1 en 2 pleit immers nog meer.
Wordt TlfoV (asa) gebruikt in Gen. 2 :a, op zichzelve reeds
TT
noemt dit de grondstof, die gevormd moet worden, voorhanden ;
X"13 (bara) zoekt men dan ook in \'t verdere van Gen. 2
-ocr page 66-
64
tevergeefs. De verba, verder gebruikt (c.f. bijv. vs. 7), vooron-
derstellen alle \'t voorhanden zijn van de stof en sluiten dus
elke Sckeppingsged&chtc, qua talis, buiten.
Genoeg o. i. om te constateeren, dat geheel de inhoud; de
woordenkcus en vooral \'t uitdrukkelijk gezegde in Cap. 2 :4
rechtstreeks heerwijzen naar en niets anders mogelijk laten
dan de Eenheid van \'t Scheppingsverhaal.
Gestaafd wordt die Eenheid niet minder door
d. de eenheid der gedachte, die beide in Gen. 1 en 2 heerscht.
Kennelijk toch is de mensch in beide hoofdpersoon en cen-
trum van \'t geschapene. Gen. 1 vermeldt zijne schepping het
laatst, als alles voor hem bereid is. Vóór hij geschapen wordt,
overlegt de Heilige met Zichzelven. Als hij geschapen wordt,
is het naar Gods beeld en gelijkenis en als hij geschapen is,
zegent Zijn Schepper hem en wijst hem de heerschappij over
al het geschapene toe. En is het anders dan hier, dat de
mensch in Gen. 2 op den voorgrond treedt ? Zijn schepping
wordt nader gedetailleerd. De zijne alleen, die van planten
en dieren niet. De plaats, waar hij woont, wordt uitvoerig
beschreven, maar die plaats ook alleen. Om zijne verhouding
te teekenen tot God, de dieren, zijne vrouw, daartoe moet
al \'t overige dienen. In beide capita geldt alles hem. In beide
is hij het centrum, het doel.
Niet anders is het, waar wij letten op de wijze, waarop hij
geschapen wordt. Met nadruk stelt Gen. 1 voorop, dat \'t is
„naar Gods beeld en gelijkenis", en Gen. 2 zet die gedachte
voort en laat ons zien, hoe de mensch geroepen wordt het
Godsbeeld uit te drukken, opdat hij zich bewust worde hoe
en dat hij de drager daarvan is. Daartoe \'t verbod om van
den boom der kennis te eten. Als beelddrager Gods moet hij,
uit vrije gehoorzaamheid, willen: \'t zelfde wat God wil. Daar-
toe ook het noemen van al het gedierte. „Als beelddrager
„Gods voert ook de mensch „heerschappij en noemt wat onder
-ocr page 67-
65
„hem staat, zooals God Zelf \'t licht en de duisternis en \'t uit-
„spansel noemde" \').
Zoo heerscht in beide capita dezelfde gedachte, dezelfde
omtrent den mensch en zijne schepping en de plaats, die
hij inneemt tegenover zijn God. Dezelfde ook omtrent God,
den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. „Hij
„spreekt en\'t is er", zegt Gen. i. „Wat Hij wil, dat geschiedt",
zegt Gen. 2. Dezelfde ook omtrent de dieren en al \'t ge-
schapene en hun ondergeschikte betrekking tot \'t hoofd dei-
Schepping : den mensch. Zou dan ook dit niet getuigen van
de eenheid van wat onze tekst zoo nauw aan elkander ver-
bindt? Zou \'t mogelijk zijn, dat twee verschillende en tegen-
strijdige verhalen, afkomstig van twee auteurs, zich kenmerkten
door een eenheid van gedachte als deze?
En nog meerdere getuigen pleiten vóór en onder die niet
het zwakst:
e. De historische betrouwbaarheid van deze Scheppingsge-
schiedenis. Laten wij tekst en inhoud eenvoudig voor zich-
zelven getuigen, alles zegt, dat hetgeen hier voor ons ligt
als historie wil worden beschouwd en voor de waarheid dier
beschouwing wordt hier meer dan één voldingend bewijs ge-
vonden.
Let op den eenvoud van het verhaal, terwijl \'t zoo verheven
een onderwerp bespreekt. Geen spoor is hier te vinden van
opgesmuktheid en opsiering. Iedere trek op zichzelven kan den
eenvoud zelf worden genoemd. Denk aan het overleggen van
God met Zichzelven, Gen. i : 2b, de schepping van den man,
Gen. 2 : 7, en die van de vrouw, Gen. 2:21 en 22, en stel
daartegenover het wonderlijke van het in allen eenvoud ver-
haalde. De vrouw wordt uit den man genomen. God blaast
den adem des levens in de neusgaten des mans, de dieren
worden tot Adam gebracht, enz. Denk daarbij aan het ver-
\') Hoedemaker : „Handboek O. T."
5
-ocr page 68-
66
hevene der gedachten, hier uitgedrukt. „Scheppen is voor God
„niets meer dan voor ons \'t noemen der dingen" (LüTHER).
Trapsgewijze gaat de Schepping voort in onafzienbare ver-
scheidenheid en toch ook weer in heerlijke overeenstemming
van de deelen onderling, en zij gaat voort tot \'t bereiken van
één aanbiddelijk doel. De mensen wordt geschapen naar Gods
beeld en gelijkenis, van welke gedachte de verhevenheid zeker
• wel \'t sterkste uitkomt, als men ze vergelijkt met wat latei-
eeuw in dezen uitvond, bijv. met de hypothese van DARWIN.
God Zelf bereidt de woonplaats des menschen — om niet
méér te noemen.
En nu hetgeen zoo verheven gedachten vertolkt, wat is
het (wij zeiden \'t reeds vroeger) tegelijk minutieus namvken-
rig,
zelfs waar \'t schijnbaar zeer onbelangrijke dingen geldt.
Denk aan de uitdrukking „tegen het Oosten", Gen 2:8; aan
\'t planten der boomen in den Hof en wel in \'t midden van
den Hof; aan \'t goud van Havila en de opmerking, dat er
ook bedolah en dat er ook de steen sardonix is.
En als men dan aan al deze dingen gedacht heeft en ze
goed ingedacht heeft, dan vrage men zich eens in oprecht-
heid: „Est-il ainsi qu\'on invente?"
Historisch betrouwbaar, hoe wordt deze Schcppingsgeschie-
denis niet minder aldus genoemd door de vergelijking met
de cosmogenieën der andere volkeren. Onmogelijk en onnoodig
tegelijk hier die vergelijking te maken, waar dat elders veel
beter is gedaan.
Alleen, hoe waar wordt door die vergelijking de conclusie:
„De laatste (de heidensche cosmogenieën) vertoonen, zonder
„uitzondering, of een hylozoïstisch óf een pantheïstisch-ema-
„natistisch karakter, terwijl niet één uit die allen zich tot een
„zuiver begrip eener eigenlijk gezegde wereldse hepping ver-
„heft. De grenslijn, die het verhevene van het belachlijke
„scheidt, wordt daar onophoudelijk, hier daarentegen nooit
„vergeten. In zijn geheel en in zijne deelen vertoont ons
-ocr page 69-
67
„Scheppingsverhaal niet slechts een streng-monotheïstisch,
„maar ook een zuiver zedelijk karakter" (Van OOSTERZEE).
Er is verschil, een kenmerkend verschil tusschen ons ver-
haal en de cosmogenieën der volkeren en toch ook weer een
verrassende overeenkomst. Waar dit verschil op bovenge-
noemde wijze moet worden gequalificecrd, zou de overeenkomst
niet, tegelijk daarmede, wijzen op ons verhaal als op de oor-
spronkelijke en historisch betrouwbare bron?
Maar dan de resultaten der natuurwetenschap en die der
geologie, hoe die te rijmen bijv. met Gen. i ? Onmogelijk hier
ook daarop in te gaan en geheel \'t veld der met deze vraag
geopperde problemen te overzien.
Alleen — omtrent de wording der aarde heeft de geologie
nog het laatste woord niet gesproken, maar wat ze met
zekerheid weet, weerspreekt de opgaven des Bijbels niet.
Weersprak zij ze wel, wij zijn er vast van overtuigd, zij
zou den weg gaan van de Assyriologie en de Egyptologie, die
eerst minachtend wijs \'t hoofd schudden over zooveel in de
Schrift en die in onze dagen dat hoofd stilhouden en dieper
buigen over de hiéroglyphen, waarvan reeds veel werd ont-
cijferd — dat maar al te luide getuigenis gaf van de waar-
heid der Schrift \').
En is er niet een lange rij namen te noemen van natuur-
kundigen, die de voorstelling van de Schepping, in Gen. i
gegeven, door het wetenschappelijk onderzoek in tal van
trekken zagen bevestigd ?
Maar ook afgezien van allerlei geologische uitspraken en
nu niet alleen lettende op Gen. i, maar ook op Gen. 2, be-
kend is het, dat de historische betrouwbaarheid dezer verhalen,
althans in beginsel, niet met recht kan weersproken worden, zelfs
op \'t meest geavanceerde standpunt, waarop men zich plaatst.
\') Men leze \'t lezenswaardige werk van A. H. Savce : „The higher critism and
the verdict of the monuments".
Cf. ook : Ern. Renan: „Histoire du peuple d\'Israel," door Dr. Polak, „Gids" 1893.
-ocr page 70-
68
„In der Nöthigung, hier Mythe zu finden, liegt cin starkes
„Prajudiz dafür, dass die Sache eben in diescr einfachhind-
„lichen Weise gescliehen sei; denn nur am Gcschehenen bildet
„sich der Mensch in seine Kindheit. Soll er sich die Sache
„so denken mussen, so liegt darin die Voraussetzung, das sie
„so für ihni begreiflich war. Warum also soll sie nicht so
„geschenen sein?" (Dr. Hoffmann) \').
Neen, „mag man heutzutage nach drei bis vier Jahrtausenden
„über die Composition dieser Geschichte, über die einzelnen
„Urkunden — Hypothesen aufstellen, welche man will — der
„rein historische und geographische Karakter dcrselben macht
„sich doch immer und immer wieder geitend, wenn die Hy-
„pothesen wechseln, wie die Wolken, welche die Sonne um-
„schweben" (I\'resski.) \') En — dat van deze historische be-
trouwbaarheid de eenheid van \'t verhaalde eisch is, wie kan
het ontkennen? Een tweeheid, die innerlijk verschilt en strijdt,
vernietigt allereerst het karakter van waarheid.
f. Niet minder is daarom deze eenheid eisch van en wordt
zij gestaafd door \'t karakter van Godsopenbaring, dat onmoge-
lijk aan den inhoud van Gen. i en 2 kan worden ontzegd, zelfs
niet, als men het eerste opvat als allegorie of ook als retros-
pectieve profetie, waarvan trouwens in de H. Schriften geen
tweede voorbeeld wordt gevonden. Postulaat van dat karak-
ter is de eenheid van \'t verhaalde, want het is onvereenig-
baar met een tweeheid, die strijdt en verschilt. Is het hier
onmogelijk waarheid en leugen te scheiden, wat dan nog be-
trouwbaar te heeten en wat moet dan als Goddelijke open-
baring erkend en kan zelfs die laatste vraag niet naar eisch
beantwoord worden, wat te denken van een Godsopenbaring,
die zich niet maar in gebrekkige menschelijke vormen, maar
in fabelen kleedt, die kaar waarheden verduisteren, bedekken
en bestrijden? Wil men, dat de Godsopenbaring hier verbor-
\') Herzag: „Real-Encycl.," I, Art. Adam.
s) llerzo^: „Real-Encycl.," XX, Art. J\'aradUs.
-ocr page 71-
69
gen is als de kern in een vrucht, men vergetc niet, dat geen
vruchtkern wordt omsloten door een niet passenden, haar
zelfs met ondergang dreigenden bolster, en dat, in ieder geval,
de kern door icderen bolster volkomen onzichtbaar wordt
voor \'t oog.
Zou ook wel dit koninkrijk, indien aldus tegen zichzclvcn
verdeeld, tot heden hebben bestaan ?
Waarheen wij zien, van alle zijden roepen aldus de ge-
tuigen ons toe, dat één is hetgeen de Scheppingsgeschiedenis
verhaalt.
Worde ten slotte hun eenstemmig getuigenis besloten, ver-
sterkt en bekroond door dat van den
g. Waarachtigen en Getrouwen Getuige, Wiens woord ook
hier allesbcslissend mag heeten, want voor de Eenheid van
het Scheppingsverhaal heeft niemand minder dan de Christus,
de Eengeborene des Vaders, gepleit.
Wij lezen in Matth. 19:4 en 5 : „Doch hij, antwoordende,
„zeidc: „Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne de men-
„schen gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en
„vrouw?" "
(vs. 5) „En gezegd heeft: „Daarom zal een mensch vader en
„moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen, en die twee
„zullen tot één vlecsch zijn."
In het vierde vers wordt aangehaald Gen. 1 : 27, in het
vijfde Gen. 2 :24. De aanhaling geschiedt als die van een
woord, dat Goddelijk gezag bezit, en als zoodanig, beslist in
het geschil, waarvoor de Earizeén den Heiland hebben ge-
plaatst. Zij gaat dus uit van de vooronderstelling :
a.   dat Gen. 1 en 2 één verhaal bevatten van dezelfde ge-
schiedenis. Woorden uit twee tegenstrijdige verhalen, waarvan
dus minstens het één leugen bevat, kan Hij, Die de Waar-
heid is, niet in één adem citeeren ;
b.  dat \'t geen Gen. 1 en 2 verhalen, historisch betrouivbaar
is. „God heeft ze gemaakt man en vrouw", „Hij heeft gezegd",
-ocr page 72-
70
enz. De feiten worden, in deze aanhaling, eenvoudig daar-
gesteld, als geschied, „als zóó plaats gehad hebbende, als \'t ge-
zegd wordt. Waren ze aan eenigen rechtniatigen twijfel onder-
hevig geweest, dit ware zeker niet van den Spreker te wachten,
en eindelijk wordt hier voorondersteld:
c. dat in Gen. i en 2 Goddelijke openbaring wordt gevonden.
Het vierde vers zegt wat God deed, het vijfde, wat God zeide
en daad en woord en wil, in beide vervat en kenbaar ge-
maakt, zij worden geldende gemaakt als Goddelijk gezag
hebbende.
Waaruit dus moet volgen, dat Hij, in Wien de Schriften
vervuld werden ; dat Hij, Die in den beginne was als \'t Woord,
dat bij God en zelf God is en zonder \'t welk geen ding ge-
maakt is, dat gemaakt is; dat Hij, in Wiens mond geen be-
drog is gevonden, den inhoud van Gen. 1 en 2 heeft be-
schouwd als:
een niet strijdig, maar historisch betroiavbaar verhaal, dat
als Godsopenbaring moet ontvangen en gebruikt tvorden;
van welke beschouwing Hij in Matth. 19:4 en 5 openlijk
getuigenis heeft afgelegd voor de Farizcén, \'t volk van Israël
en voor alle eeuwen.
„Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mensch
„niet."
Meenen wij, aan het einde van ons onderzoek gekomen, met
recht te mogen constateeren: „De Eenheid van het Schep-
pingsverhaal" en mogen wij dus het daaraan beantwoordende
gevoelen beschouwen als op zekere gronden te handhaven en
te rechtvaardigen — wat daaruit dan verder volgt omtrent
den schrijver, de samenstelling van den Pentatcuch, den Mo-
zaïschen oorsprong daarvan, enz. moet hier buiten beschouwing
blijven, als een afzonderlijke behandeling en studie eischende.
Hoe de schrijver (waarom niet Mozes ?) aan de kennis dezer
geschiedenis kwam, door schriftelijke aanteekeningen, mon-
-ocr page 73-
7i
delinge overlevering of onmiddellijke openbaring, niemand zal
het misschien ooit met zekerheid kunnen zeggen \'). Afgezien
van al deze dingen, waaromtrent het persoonlijk gevoelen op
zichzelven niets zegt, als \'t niet behoorlijk gestaafd en be-
wezen is, wat onmogelijk te doen is in ecnige woorden en —
ziende op \'t boven verhandelde, mcencn wij, met recht, te
mogen besluiten tot de volgende stellingen, daarin neerleggende :
VI. HET RESULTAAT VAN ONS ONDERZOEK.
1.    Het onderzoek der H. Schrift   moet rekening houden
met de Godsopenbaring, ons daarin
   en daarmede gegeven,
en met hare organische eenheid als
   voertuig der Godsge-
dachte en -gedachten.
2.    Wordt daarmede rekening gehouden, dan wordt een
atomistische critick onmogelijk, die vorm en inhoud beide,
bandeloos willekeurig, scheurt, scheidt en verplaatst.
3.    De methode, die de critiek toepast, is in tegenspraak
met de methode, die zij de alleen geldende noemt, n.1. het
zonder a priori aannemen van cenige hypothese en met ter
zijde stellen van alle vooroordeelen, onderzoeken der Schrift.
4.   Met betrekking tot Gen. 1 en 2 tracht de critiek hare
mecning te bewijzen, door a priori die meening (hypothese)
als bewezen aan te nemen.
5.    Volgt men deze methode van onderzoek niet, dan is
het onmogelijk tot de resultaten der critiek te komen.
6.   De resultaten der critiek kunnen alleen als van hypo-
thetische waarde en dus niet als objectief vaststaande weten-
schap worden beschouwd.
\') C. f. hierover Hoedemaker : „Moz. Oorsprong," 38.
-ocr page 74-
72
\'J. De resultaten der critiek en de consequenties daarvan
zijn onvereenigbaar met een ander dan een naturalistisch
standpunt, ingenomen tegenover de Schrift.
8.   De resultaten der critiek zijn in strijd met de Hamar-
tologie, Christologie, Sotcriologie en Pneumatologie der H.
Schrift, als één geheel beschouwd.
9.    In Gen. 1 en 2 is geen grond voor de ontbindings-
hypothese van den Pentateuch.
ÏO. In Gen. 1 en 2 is geen grond om het auteurschap
van MozES te loochenen.
11.    De tekst van Gen. 1 en 2 leert de eenheid van het
verhaalde en bevat niet meer dan één Scheppingsverhaal.
12.   De Eenheid van het Scheppingsverhaal, geleerd door
den tekst van Gen. 1 en 2, wordt gestaafd en bevestigd door
het Woord des Hceren: Matth. 19:4 en 5.
-ocr page 75-
NASCHRIFT.
Reeds was het vorenstaande geschreven en uit onze handen,
toen (terwijl de uitgave door omstandigheden werd vertraagd)
van de hand van Prof. VALEïON de brochure „Christus en
het Oude Testament" verscheen. Omdat het daar besprokene
in het nauwste verband staat met veel van het door ons ge-
zegde, achten we tot rechtvaardiging daarvan dit Nabericht
noodzakelijk.
Nog eens en hier vooral zij vooropgesteld, dat wij door
dit schrijven allerminst geacht willen worden iets te kort te
doen aan den eerbied en de achting, den Christen-geleerde,
eens ook onze leermeester, uit wiens pen „Christus en \'t
Oude Testament" vloeide, verschuldigd, \'t Geldt hier zaken,
geen personen, maar dan ook zaken o. i. van \'t hoogste be-
lang niet alleen voor de wetenschap, maar ook voor de gc-
meente als zoodanig. Isagogische en historische vragen moeten,
zoo wil Prof. V. \'), bij de studie van het O. T. gescheiden.
Wij zouden willen vragen: Is dat wel zoo volkomen mogelijk,
als Prof. V. \'t wil, en, stemt hij zelf toe, dat ze nauw met
elkander samenhangen, is die samenhang niet nog nauwer
dan hij zich dien denkt? Raakt de „zuiver wetenschappelijke
zijde van de studie des O. T." niet in zulk een mate den
bodem van de godsdienstig-theologische, dat ze dien kan
ondergraven en ondermijnen?
Zegt de wetenschap, dat de aartsvaders 2) historische per-
>) C. f. pag. 12, „Ciir. en \'t Ü. T."
*) C. f. pag. 41 en 42, „CliR. en \'t O. T.\'\'
-ocr page 76-
74
soncn waren, maar tegelijk, dat hun geschiedenis veel per-
sonifïcatie bevat, wat is dan werkelijk in \'t leven der patri-
archen geschied, wat is hun later „in den tijd der grootc
profeten" toegedicht en wat dan te denken van geschriften,
die ons ook dat laatste als historie verhalen, en wat wordt,
bij dit mengsel van waarheid en verdichting, de Godsopen-
baring daarvan of zelfs daarin ? Mag \'t waar zijn, dat „in
„dergelijke profetisch-dichterlijkc verhalen ware herinneringen
„uit den voortijd bewaard zijn gebleven", hoe \'t ware van \'t
dichterlijke te scheiden, het te midden daarvan te onderken-
nen, en ook al kan men dat, wat wordt er van \'t karakter van
deze verhalen, wat van hun betrouwbaarheid en dus ook, wat
wordt er van hun waardeering voor de „godsdienstig-thcolo-
gische zijde", die dan toch vooral \'t geloofsleven en de Gc-
meente raakt? „Die in JEZUS CHRISTUS gelooft, kan geen
„principieel bezwaar hebben tegen de voorstelling, dat God
„zich aan MOZKS of aan wien ook heeft geopenbaard."
Neen — maar is dat in \'t algemeen gezegde genoeg, ook
waar het \'t bijzondere geldt? Is \'t daarom hetzelfde of\'t waar is,
wat daar geschreven staat op deze of gene bepaalde plaats:
„God sprak tot —" of dat \'t niet waar is (al kon \'t dan ook
waar wezen), en indien dit laatste, is de verdichting, om niet
te zeggen de leugen, is de onbetrouwbaarheid van \'t geschre-
vcne daarmede volkomen vergoed ?
Met tegendeel is o. i. waar en aldus laten isagogische en
historische vragen zich moeilijk geheel en volkomen van
elkander scheiden, daar toch in de meeste gevallen \'t ant-
woord op de eerste dat op de laatste vragen bepaalt.
Moeten de „zuiver wetenschappelijke en de godsdienstig-
„theologische zijde van de studie des O. T." van elkander
worden gescheiden, zou die scheiding niet tot andere resultaten
leiden, als men ze beide in denzelfden bodem, dien des gc-
loofs, wortelen liet? Zou er clan geen sprake kunnen zijn
van opbouw en steun in plaats van botsing en strijd en —
is \'t dan alleen wetenschappelijk, wat, zoo dan al niet van
\'t ongeloof uitgaande, toch ook met \'t geloof geen rekening
houdt?
-ocr page 77-
75
Zal Prof V. \') „niet zeggen, dat \'t voor de wetenschappe-
„lijke zijde onverschillig is of men al dan niet in Christus ge-
„looft," verklaart hij bepaald dat „de verschillende zijden van
„\'s menschen geestelijk leven nu eenmaal niet door een muur
„van elkander gescheiden zijn en dat er bovendien, ook bij
„den meest streng wetenschappelijken arbeid, altoos zooveel
„speelruimte overblijft voor verschillende combinatièn, enz., dat
„het subjectieve clement, de persoonlijkheid, nooit geheel zal
„kunnen worden buitengesloten" — wij zouden willen vragen:
Ware het dan niet beter nog een stap verder te gaan en wat
niet geheel kan worden buitengesloten, in \'t geheel niet meer
buiten te sluiten? Een positief zich plaatsen op den bodem
des geloofs, een rekening houden met \'t „hoogste" en \'t be-
houden daarvan ook bij wetenschappelijk onderzoek, zou het
geen alleszins te billijken maatregel alleen reeds van vcilig-
heid zijn, opdat de schat niet verloren ga en — zou \'t geen
wetenschap mogen hecten, die, op dezen bodem staande,
zich bemoeit met bevestigen, versterken, opbouwen en vcr-
dedigen ?
In de meening, dat die vraag toestemmend mag worden beant-
woord, zijn wij niet \'t minst door \'t lezen van „Christus
en \'t O. T." versterkt.
Tot zijn eigenlijk onderwerp overgaande, behandelt Prof. V.
de vragen, wat de H. Schriften materieel en formeel voor den
Heiland zijn geweest, en \'t antwoord op de eerste dier vragen
kon wel niet anders van den schrijver worden verwacht. Bij
het geven daarvan spreekt niet \'t minst de C/irislen-gclccrdc
en misschien zal dit deel dan ook wel \'t minst wetenschap-
pelijk hceten voor hen, voor wie alleen wetenschap is, wat
door ongeloof wordt beheerscht. Maar waar dan Prof. V.
voortgaat met \'t formeele standpunt des Heeren tegenover de
Schriften uiteen te zetten, ontstaat er daar geen strijd met
het te voren gezegde; is \'t daar geleerde aannemelijk en wordt
\'t aangenomen, heeft \'t dan niet vérstrekkende gevolgen ook
voor de godsdienstig-theologische waardeering met name van
de woorden en getuigenissen des Heeren ?
\') C. f. pag. io, „Cilr. en \'t O. T."
-ocr page 78-
76
Het formeele standpunt des Hecrcn tegenover de Schriften
noemt Prof. V. een zoodanig, dat Hij allereerst niet wil
„gelden als autoriteit in vragen van wctenschappclijkcn aard" \'),
evenmin als „de goddelijke Geneesheer een medicus geweest
„is, bij wien men terecht kon met theoretische vragen over
„ziektekundc," enz.
„JEZUS is in zijn formeele verhouding tot de Schrift een
„kind van zijn tijd en van zijn volk, dat zich eenvoudig als
„in zijn kleeding, taal, enz. aansluit bij hetgeen Hij als gewoon
„en algemeen geldende vindt." Tot zoover, tot zoo diep wordt
Hij mensch, wordt \'t Woord vlcesch.
Wij zouden willen vragen : Is dat aannemelijk, houdbaar,
waar? Sloot Hij zich zoo eenvoudig aan bij \'t gewone, dat
Hij algemeen geldende vond, ook als \'t feitelijk op onwaar-
heid, dwaling en verkeerde voorstellingen berustte ? Is \'t waar,
dat Hij Zijn tijdgenooten ongemoeid liet in dezen? Trad Hij
dan niet telkens op tegen zooveel, dat gewoon en algemeen
geldende was, en zou Hij dan, niet eenmaal stilzwijgend,
maar in de vooronderstelling, waarvan Zijn woorden uit-
gingen, dwaling en leugen als waarheid hebben erkend ? Be-
roept Hij Zich telkens weer op de Schriften, in de meening
en met \'t doel, aldus Zijn Woord te versterken en Zichzelvcn
te plaatsen in \'t rechte licht — heeft Hij daarin in zulk een
mate gedwaald, dat Hij veeleer verzwakte dan versterkte,
immers, waar \'t nu blijkt, dat die Schriften geheel iets anders
waren en zijn dan Hij meende?
Is het Woord vlcesch geworden, ook in dien zin, dat een
dergelijke accommodatie plaats had, is \'t mogelijk, dat Hij
mensch en ons gelijk is geworden zelfs in zooverre, dat Hij
leugen voor waarheid hield, dat Hij de historische betrouw-
baarheid aannam van wat, immers naar de uitspraken der
critische wetenschap, niets meer was dan een kunstig ver-
dichte fabel?
Zou Hij dan dus eerbied en dien eerbied voor de Schriften,
die Hij kwam vervullen, hebben gehad, terwijl die, ongeluk-
\') Pag. 30, „Chr. en \'t 0. T."
-ocr page 79-
*
77
lagerwijze, op een valsche voorstelling dier Schriften was
gebouwd ?
Prof. V. wil niet, dat hier sprake zij van een „zich vcr-
„gissen".
Maar als de Heiland spreekt uitgaande bijv. van de voor-
onderstelling der historiciteit van \'t boek JONA en \'t nu blijkt
dat JONA niets is dan een fantaisie, die Gods barmhartigheid
jegens de heidenen predikt — heeft Hij dan niet gedwaald ?
Wist Hij niet beter, kon Hij, mensch geworden, niet beter
weten, berustten dan toch Zijn weten en spreken niet op een
valsche voorstelling, en is dit geen dwalen, een zich vergissen,
wat is \'t dan? Blijft, als men dit aanneemt, deze Spreker
bc/jw/ïfbaar in Zijn uitspraken? Of volgt hier niet de moge-
lijkhcid uit, dat Hij zich in meer heeft vergist en dat er ten
slotte niet zoo heel best op Zijn uitspraken kan worden
vertrouwd, althans, voordat ze gerectificeerd zijn door de
wetenschap onzer eeuw ?
Zou \'t waar zijn, dat Prof. V. deze consequentie der stel-
ling aanvaardde? Wij geloovcn \'t niet.
Iets anders is \'t o. i. bij dezen Heiland terecht te willen
met allerlei wetenschappelijke vragen, als ware Hij in dezen
een speciale autoriteit; iets anders is dit, dan te meencn dat
in Zijn uitspraken niets wordt gezegd of voorondersteld in strijd
met de waarheid, zoodat, waar Zijn Woord in conflict komt
met dat der wetenschap, dit laatste zich buigen moet voor \'t
eerste. Zonder dat men den Christus per se vooral en aller-
eerst wil beschouwen als leeraar in isagogischc quaesties, komt
men toch voor deze vraag te staan: Dit leert de wetenschap
der isagogiek, dat leert of vooronderstelt kennelijk des Heeren
getuigenis en \'t een druischt rechtstreeks tegen \'t ander in;
wat is dan van die beide waar?
Is het \'t eerste, dan dwaalt het laatste. Een middenweg is er
o. i. niet. De poging, om beider waarheid en waardigheid te
redden, is o. i. zelfs een geleerde als Prof. V. niet gelukt.
Een voorbeeld ten bewijze: Volgens de tegenwoordige
wetenschap is \'t boek Jona \') „eene in verhaaltrant gevatte
\') Pag. 46, „Chr. en \'t O. T."
-ocr page 80-
78
\'
„prediking van de barmhartigheid Gods jegens de heidenen".
„In \'t gcheelc bock geen pcricoop — haast geen vers —
„dat geen bedenking tegen den ouderdom en \'t historisch ka-
„rakter rijzen doet".
\'t Mag dan als profetische prediking hoog staan, \'t is dan
toch verdichting, fictie, wat we daar in en van JONA lezen.
Hij is nooit te Ninevé geweest, heeft er nooit gepredikt,
de Ninevieten hebben hem nooit gekend, zich ook nooit be-
kcerd, enz. Leg nu daarnaast Matth. 12:41: „De mannen
„van Ninevé zullen opstaan in het oordcel met dit geslacht
„en zullen het veroordeclcn; want zij hebben zich bekeerd
„op de prediking van JoXA, en ziet, meer dan JoXA is hier".
Kennelijk (ook Prof. V. erkent het volmondig) vooronder-
stelt dit woord, dat JONA voor de Ninevieten gepredikt heeft
en dat ze zich bekeerd hebben, enz. Hoe nu dit „neen\' en
„ja" te rijmen en de waarheid en waardigheid van beide
uitspraken te redden ? Prof. V. beproeft het door te zeggen:
„De Christus accepteert hier eenvoudig een door al Zijn
„tijdgenootcn geloofd verhaal". Maar is daarmede alles dan nu
in \'t reine ? Verschijnen ons bij deze stelling èn de persoon en de
arbeid des Hccren niet in een zeer vreemd licht? Door \'t
eenvoudig acccptccren van dit verhaal neemt Hij leugen als
waarheid aan, nog wel omtrent en aangaande \'t wezen der
Schriften, die Hem ten nauwste raken en aangaan. Doet Hij
dit ook onbewust, is een dergelijk Zich inleven in dwaalbe-
grippen Zijner tijdgenootcn niet geheel in strijd met den
persoon, \'t wezen, \'t karakter van den menschgeworden Zoon
van God ? Kan Hij, Die de Waarheid is, ook als mensch, ook
maar voor één oogenblik en zelfs onbewust leugen voor waar-
heid houden en als zoodanig acceptecren ?
Nog meer! Des Heeren Woord heeft onwillekeurig moeten
dienen om Zijn tijdgenootcn in hun dwaalbcgrippcn te ver-
sterken. En wat nog meer zegt, wat de Heiland daar in
Matth. 12:41 heeft gezegd, is innerlijk onwaar. Ook bij \'t
aannemen van JONA\'s geschiedenis als fictie, mogen de tijd-
genooten des Heeren even veroordeelingswaardig blijven, bij
\'t licht van die ontdekking blijkt het toch, dat-\'t hun niet in
dezen vorm
gezegd had mogen worden. De mannen van Ni-
-ocr page 81-
79
ncvé zullen dan niet opstaan in \'t oordeel niet dit geslacht
en dit veroordcclcn. Zij hebben zich dan niet op de predi-
king van JONA bekeerd, want die hoorden ze nooit. Ook
als beeldspraak bedoeld, ligt er dan iets in dit Woord des
Heercn, dat valscli en omvaar is en dat zoo sterk mogelijk
afsteekt bij den ernst daarvan, \'t Kan niet anders, of die
ernst wordt bij dat licht dan nu ook voor ons verzwakt.
Feitelijk, zooals wij dat dan nu zien en weten, feitelijk ligt
daar dan nu in Matth. 12:41 een woord voor ons, dat een
treffende waarheid bevat, afgeleid uit een verdicht verhaal,
zooals nog waarheden worden afgeleid of opgehelderd door
grepen uit de mythologie, maar de Spreker, de historiciteit
van JONA aannemende, dwaalde, vergiste zich (wij weten er
geen ander woord voor), en jammer is \'t dus, dat er iets
onwaars in bleef. Verliest bij deze beschouwing dat woord
werkelijk niets van zijn ernst, kracht, betcekenis en be-
trouwbaarheid zelfs? Treedt de Spreker hier niet in een
licht, waarin Prof. V. Hem toch ook niet geplaatst wil
hebben ?
Die onder zooveel reserves de uitspraken des Hecren moet
aanvaarden, begeeft hij zich niet tot een huiverig werk? Kan
Iemand wel veel vertrouwen inboezemen, Die zich in dingen,
die hem \'t meest raakten, zóó heeft vergist en Wiens woor-
den thans een zoodanige rectificatie noodig hebben ?
Had deze Heiland zoo verkeerd een oog op de Schriften,
kan Hij, zal Hij ook niet in meerdere dingen verkeerd heb-
ben gezien ? En om dit nog eens hier te vragen: Zijn derge-
lijke isagogischc uitspraken alleen maar van gewicht voor
de school of in hunne consequenties ook van \'t hoogste be-
lang voor de godsdienstig-thcologische zijde en dus ook voor
de Gemeente? Het antwoord kan o. i. niet twijfelachtig zijn.
De uitspraken der wetenschap en die des Heercn raken
elkander te nauw, om hier van deelen te kunnen spreken.
Er kan slechts van kiezen sprake zijn en dan is de keuze niet
moeilijk. Het getuigenis des Heeren kan niet geneutraliseerd
worden zonder dat het inwendig wordt verzwakt en ook Zijn
eigen waardigheid schade lijdt. Dat het daarom blijve wat het
is, maar dan ook in al zijn waarheid en kracht worde aan-
-ocr page 82-
So
vaard, al zal ook misschien cen immers toch niet onfeilbare
wetenschap hare uitspraken moeten herzien.
Maar genoeg! \'t Was niet ons doel cen repliek te schrijven
op „CHRISTUS en \'t O. T.", een arbeid, die trouwens bevoeg-
der hand eischt dan de onze. Wij achtten ons alleen geroepen
reden te geven, waarom wij meenen niet te kunnen voldoen
aan den eisch „CHRISTUS buiten \'t geding te laten". Moge het
gezegde daartoe genoeg zijn............
Die in onze dagen te midden der Gemeente leeft met een
hart voor haar en hare hoogste belangen, met een hart ook
voor onze oude Vaderlandsche Kerk, hij ziet veel, dat hem
met weemoed vervult, en onder dat vele ook dit, dat de Ge-
meente hoe langer hoe meer vervreemdt en ook wel moet
vervreemden van haar mannen der wetenschap, en dat, aan-
gaande de Kerk, het niet \'t minst vriendenhanden zijn, die den
vijand \'t materiaal leveren om de oude muren te breken. En
die dit ziet en aldus ziet, hij hoopt en bidt dat \'t anders en
beter worde en dat, zooveel dat nu wegdrijft en verstrooit,
moge bijeenbrengen en vergaderen.
O., Febr. 1896.                                        H. V. E. V. H.\'
«
-ocr page 83-
«
»
"
-
:
■ ■
•
•
...
■*-■
Men leze met aandacht:
het Prospectus,
den Inhoud,
de beoordeelingen van binnen- en buitenlandsche geleerden
van Dr. HOEDEMAKERS werk:
De Mozaïsche Oorsprong der Wetten in de
Boeken Exodus, Leviticus, Numeri.
Prijs ƒ3,90 ingenaaid.
„ ƒ4,50 gebonden,
\' .
\'.
\'
•
\'
•
•
.
•\' •
.
1
.
*/-
.
>
•
,