-ocr page 1-
y^\\YV\\
*             -W - ir-ov
■ •
\'\'saswi\'-\'T^to.
-
-ocr page 2-
•••.-.
.
•
,
.-...■. ■■
.\' I
-ocr page 3-
EEN EN ANDER OVER \'T Xlle INTERNATIONALE CONGRES
VAN DIERENBESCHERMING TE BUDA-PEST.
--------lié
Het Congres van 18, 19, 20 en 21 Juli behoort alweer tot het
verleden en heel wat opvolgers heeft het reeds gehad in de mooie,
groote zaal der Festhalle op de Millenniumtentooustelling, alle min
of meer interessant voor vakkundigen of liefhebbers.
Dat het Congres door \'t nemen van een gewichtig besluit een
eigenaardige plaats in de geschiedenis der dierenbescherming en dus
der humaniteit verdient, werd in Androcles, Augustus, reeds vluchtig
besproken. Hoe men ook over \'t besluit en zijn strekking oordeelt,
\'t staat vast, dat er op dit Congres in waarheid gewerkt is en
daarom, voor ik mijn aangename taak als verslaggeefster begin , een
hartelijk saluut! aan de flinke mannen en vrouwen die \'t Xlle
Internationale Congres zoo breed op touw gezet en zoo dapper afge-
werkt hebben. En een hartelijk dank! aan de gastvrije onvermoeide
Hongaren, die met echt Oostersche gulheid en vriendschap hun
gasten verwelkomd en gevierd hebben.
Wat hebben wij (mijn reisgenoote en ik, die met Jhr. Mr. R.
A. Klerck
de gedelegeerden van Holland waren), dikwijls gewenscht,
dat ons landje wat grooter was of meer in Europa\'s centrum lag ,
om tot al die vriendelijke medestrijders te kunnen zeggen: weest een
andermaal Nederlands gasten en laten we u mogen tonnen , dat ook
\'t Noorden zijn vrienden waardig weet te ontvangen ....
Maar daargelaten, dat onze volmacht zulke stoute sprongen niet
toeliet, wie zou ook de concurrentie aandurven met de uitverkoren
plaats van \'t volgende Congres, met Parijs?
En de Parijzenaars hebben zich waarlijk toch niet te veel moeite
gegeven, om die eer te verdienen, want Frankrijk was ontegen-
zeggelijk \'t slechtst vertegenwoordigd op dit drukbezochtste der 12
Congressen, met zijn 238 deelnemers, waaronder 138 vertegenwoor-
digers van 121 vereenigingen.
Er was geloof ik maar éen Franschman aanwezig.
Dat eischt revanche; «daarom in 1900 in grooten getale op naar
Parijs» zei mij een duitsch-sprekende Hongaar en ik dacht, dat de wereld
-ocr page 4-
2
wat mooier zou zijn , als alle «revanches» voortaan op deze wijs ge-
schiedden. «Dus ondanks hun wegblijven ?» zei ik eu mijn Hongaar
trouwhartig: «Ebeu desshalb.»
Sceptische menschen zullen meenen, dat de Hongaar zoo\'n edel-
moedigheid in den vorm van een uitstapje naar Parijs niet onaardig
vond. Maar die weten niet, dat rechtgeaarde Magyaren maar éene
stad kennen en dat is — Buda Pest.
Spreek hun van Weenen en zij vertellen u met een gebaar vol
geringschatting, dat Wien «niets is; ze hebben daar niet eens de
Donau in de stad, alleen maar een kanaal!» Waar is \'t dat de
Kaiserstadt in dit opzicht een slecht figuur maakt tegenover haar
naijverige zuster.
De ligging van Buda Pest is al zoo dikwijls geroemd en bezongen
dat er niets nieuws van te zeggen valt. Ons overweldigde \'t effect
ondanks alle aankondigingen van vriendelijke medereizigers en ondanks
de schilderachtige Donauvaart van Presburg af. \'t Is of allen op \'t
dek de fascinatie meevoelden; al een uur vóór de aankomst verdrong
men zich om het eerste kijkje te hebben op de tweelingstad, die lang-
zaam oprijst uit den lichtgouden nevel, die na een zwoelen dag
zonder zon over de rivier hangt. De Margreten-Insel lieflijk rustend
in de krachtige armen van de Donau, aan de matgroene watervlakte
ter linkerzijde Pest, breed uitgebouwd met het statige nieuwe Par-
lementsgebouw op den voorgrond, rechts Ofen, met zijn wónder-
mooie Matthiaskerk, hangend tegen de bergen, de twee verbonden
door drie statige bruggen, meesterstukken van waterbouwkunst, — dit
alles gehuld in de avondschemering of feëriek bestraald, als de dui-
zenden lichtjes ontstoken zijn, wordt men nooit moe te zien en te
bewonderen. Wat het inwendige aangaat, wacht ons te Pest wel eenige
ontgoocheling; het karakteristieke, nationale, schilderachtige dat wij er
zoeken, ontbreekt zoo goed als geheel, ten minste voor den opper-
vlakkigen bezoeker, of \'t moest bestaan in de naambordjes, opschrif-
ten enz., die overal uitsluitend in \'t Hongaarsch geschreven zijn en
in een eigenaardigeu geur van rozenolie en een zeker sooft hout,
die uit bijna alle openstaande huizen u tegemoet komt. Maar verder,
geen bonte kleederdracht (dan op de tentoonstelling, waar veel boeren
komen, die er schilderachtig uitzien), geen eigenaardige bouwtrant,
geen verrassende oude hoekjes, maar elegante dames en heeren met
-ocr page 5-
3
Engelsche complets en Fransche ballonmouwen (helaas ook onzinnig
groote hoeden niet vogels en wieken bezaaid) groote moderne stijl-
looze huizen of\' eigenlijk kazernes (op de boulevards heeten ze paleizen),
de meesten gelijk en gelijkvormig in dood-rechte lijnen neergezet.
Wel is er een zekere grootschheid ook in die lange en breede boule-
vards en straten met hun houten plaveisel, hun uitstekende middelen
van verkeer, hun bedrijvigheid en nuchtere pracht, — we voelen er de
rustelooze energie en \'t streven van een zich verjongend volk—, maar
aan mooie of oude gehouwen hebbeu ïurksch geweld en modem
vandalisme niets overgelaten. Ofen heeft behalve zijn schoone kerk,
nog een curieus overblijfsel, een oude moskee, zorgvuldig met muren
omringd. In een achterstraat van Pest ontdekten wij met vreugde sporen
van een eigenaardigen, waarschijnlijk Turkschen bouwtrant; een aantal
vrij hooge huizen in een halven cirkel om een soort cour gebouwd , met
een gemeenschappelijk houten balkon en van de straat afgesloten
door een vervallen poort. Op de tweede verdieping van zoo\'n cour
vonden we zelfs ons vegetarisch restaurant, want ook de goede stad
Buda-Pest telt eenige niet-vleescheters onder haar bevolking, ofschoon
de sympathie voor \'t vegetarisme hier geriuger is dan in Duitschland,
waar wij meer dan ééu druk bezochte inrichting van dien aard aan-
troffen. Bij het bezoeken van die vegetarische restaurants moest ik nog al
eens denken aan eene beschrijving, die ik er van gelezen had (\'k meen
door Geerlruida Carelsen) en waarbij de gasten afgeschilderd werden als
bleeke, zwijgende personen, die met afgepaste, langzame bewegingen
aandachtig hun schrale spijzen naar binnen werken. Tot geruststel-
ling van vegetariërs «in spe» kan ik verzekeren, dat wij deze soort
van « steinerne » gasten niet hebben aangetroffen , dat zij er niet slechter
of beter uitzagen dan andere menscheukinderen, dat er druk gerede-
neerd en gediscussieerd werd en wij op éene uitzondering na (*) niets
dan aangename herinneringen meegenomen hebben aan de bezoekers,
zoowel als aan de producten der vegetarische restaurants.
Den 17den Juli \'s morgens gingen wij onze opwachting maken bij
prof. Julius Szalkay, den zeer populairen secretaiis van de Buda
Pester vereeniging tot bescherming van dieren. Na veel omzwervingen
bereiken wij het huis in de Kalap-Utcza (Hoedenstraat) en vinden
(*) Frankfort, waar \'t eten goed, maar \'t vaatwerk , enz. onzindelijk was.
-ocr page 6-
4
in het bureau, behalve prof. Szalkay zelf, verscheidene bestuursleden
druk aan \'t werk , bijgestaan door drie van professors leerlingen, die
vrijwillig het schrijfwerk op zich namen. De begroeting is allerhartelijkst;
men kan zich niets vriendelijker» en hedrijvigers voorstellen dan den
kleinen, blozenden professor die overal tegelijk is, niets of niemand
vergeet en met dezelfde belangstelling het «Vergniigungsprogramni» regelt,
als hij de gewichtigste congreskwestie behandelt. «Wat, wij zijn aange-
komen? en hebben hem, Szalkay Gyula, niet aan de landingsplaats
zien staan met een groot bord, waarop Congres voor Dierenbescher-
ming ?» «Helaas, neen, we hebben hem niet ontdekt, zeker door een
langdurig conflict over onzen koffer, die zoek was.» «En zijn de door
hem bestelde kamers naar genoegen ?» enz., enz. Onderwijl leveren we
onze geloofsbrieven in en maken kennis met het gezelschap, dat in
vriendelijkheid met den professor wedijvert en ons allerlei inlichtingen
geeft. Na veel plichtplegingen en hartelijke dienstaanbiedingen nemen
we afscheid, om elkaar den volgenden avond terug te vinden in de
Congreszaal, Festlmlle, Tentoonstelling, waar om 7 uur het XII
Iuternationale plechtig zal geopend worden.
Den 18den zijn we dan ook op tijd present, evenals ongeveer |
vau de leden, een deel komt eerst \'s Zondags, \'t Is drukkend heet in
de zaal, waar groote bedrijvigheid heerscht door \'t in en uitloopen
der gasten en \'t zoeken naar plaatsen. Eindelijk is ieder gezeten en
wordt bij acclamatie het door\'t voorloopig comité voorgeslagen bestuur
verkozen. Aan de groene tafel nemen naast den president, den staats-
raad Karl Veredy plaats, de heeren dr. Peabody (Amerika), dr. Oldsen
(Rome), John Colam (Engeland), Feodor van Pokhwaliwsky (Rusland),
en Probsl Dr. Karl Landsleiner (Oostenrijk), terwijl \'t Secretariaat
wordt waargenomen door de heeren Kdler-Jaggi (Zürich), B. Bor-
mann
(Berlijn), Rudolf Beryner (Graz) en onzen landgenoot Jhr.
Mr. R. A. Klerck.
De president verwelkomt de gasten in \'t Hongaarsch en Duitsch;
zijn officieele begroeting wordt daarop in \'t Fransch en Engelsch herhaald
door 2 Hongaarsche heeren. Daarop volgt de algemeene voorstelling;
ieder, wiens naam wordt voorgelezen staat op en presenteert zichzelf,
met vermelding van de volmacht der vereenigingen, die hij vertegenwoor-
digt. Er is iets in deze soort van kennismaking, dat alle stijfheid weg-
neemt; bij eiken naam weergalmen de hartelijkste Éljèns (vivat) door de
-ocr page 7-
5
zaal, alsof men een ouden bekende begroet, wat dan ook voor enkelen
\'t geval is; zoo wil \'t gejuich b. v. haast geen einde nemen, als de
wakkere Landsteiner, het type van een eenvoudigen, waardigen gees-
telijke, opstaat. Hij is \'t, die 2 jaren geleden in Bern al zoo flink
tegen de vivisectie gesproken heeft en zoo de aanleiding gaf tot het
invoeren van dat onderwerp op \'t programma, waarvan \'t, vreemd
genoeg, door weifelaars vroeger geweenl was!
Nog wordt een telegram voorgelezen van den Minister van Land-
bouw Daranyi, die het betreurt, dat hijzelf \'t congres niet kan
bijwonen, en de ceremonie is afgeloopen. Maar wie meent, nu rustig
uiteen te gaan tot den volgenden dag, kent zijn gastvrienden niet;
geen denken aan scheiden, de kennismaking wordt voortgezet op de
ongedwongenste manier, kaartjes worden gewisseld , afspraken gemaakt
voor een gezellig souper, Brüder- en Schwesterschaft gesloten. Wij
Hollanders, die niet zoo licht uit ons huisje kruipen, vinden dit in
\'t begin wel grappig, maar langzamerhand wennen we er aan en al
spoedig zitten we met een groot gezelschap aan tafel te luisteren
naar de wonderlijk zwaarmoedige Zigeuner muziek of wandelen rond
om de «fontaine lumineuse» en andere heerlijkheden der tentoonstelling
bij avond, te bewonderen. Maar \'t wordt laat, heel laat en eindelijk,
nadat men nog een toer door de stad heeft gemaakt, om ons de
«beste kapel» van Pest te laten hooren, gaat het gezelschap uiteen,
met een hartelijk: tot ziens! tot morgen!
De Zondagmorgen is tot ongeveer 11 uur gewijd aan de officieele
toespraken. In de openingsrede wijst de president er op, dat regee-
ring, gemeentebestuur en tentoonstellingsdirectie vertegenwoordigers
hebben gezonden; onmiddellijk daarna staat de staatssecretaris Bedö,
die den minister representeert, op, om in naam der regeering het
congres te begroeten; «de zaak der dierenbescherming gaat haar steeds
zeer ter harte, zoowel om den moreelen invloed, die van haar uit-
gaat, als om haar beteekenis voor de volkshuishoudkunde. Allen die
deze zaak voorstaan, kunnen op den steun der regeering rekenen.
(Applaus.)
Iets dergelijks, maar uitvoeriger zegt de vertegenwoordiger van
den minister van binneulandsche zaken, Dr. Alexander Sèlley, die
o. a. verzekert, dat de regeering in de dierenbescherming niet alleen
een weldadige verzachting der zeden ziet, maar ook een waarborg
-ocr page 8-
6
voor openbare gezondheid en veiligheid. Hij spreekt den wensch uit,
dat het congres schoone resultaten zal weten te leveren. (Applaus.)
De vice-burgemeester Karl Gèrloczy betuigt daarna zijn groote
sympathie met het streven der dierenbescherming en dankt de aan-
wezigen, voor \'t besluit om Buda-Pest als zetel voor hun besprekingen
te kiezen. Ook deze toespraak wordt met bravo\'s begroet, evenals
de nu volgende van den tentoonstellingsdirecteur Dr. Jozef Sckmidt
die \'t het schoonste doel der tentoonstelling noemt, dat zij tot plaats
voor bijeen komsten als deze gekozen wordt. Hij begroet \'t congres uit
naam van de directie en \'t Ministerie van Handel.
Als de rij der officieele redevoeringen gesloten is, deelt de alge-
meene secretaris, dr. Juüus Szalkay, onder stormachtigen bijval mee,
dat het pas begonnen congres het best bezochte is; het Xdo te Dresden
telde 78 vereenigingen, het XIde te Bern 93, dit 121 vereenigingen.
Niet alleen Europa, maar ook Amerika was nimmer zoo sterk
vertegen woord igd.
De rij der voordrachten werd nu geopeud met het referaat van
den Rijksveearts A. Sondermann te München «Over de verplichting
van den Staat om officieel als dierenbeschermer op te treden.» Wegens
afwezigheid van den referent moest dit stuk worden voorgelezen door
den Secretaris.
John Colam (Londen) spreekt in \'t Engelsen over «\'t Belang van
een flinke wetgeving en hare handhaving.» Hij dringt er opaan.dat
men toch vooral daarheen zal werken, om degelijke wetten te ver-
krijgen, maar bovenal ook zulke, die strenge handhaving en goede
controle toelaten; ontbreken deze twee, dan is de wet nutteloos. Als
eindbesluit wenscht de redenaar door \'t congres de wenschelijkheid te
doen uitspreken dat «de regeering wreedheid jegens dieren onder de
rubriek misdaden opneemt en een geregelde reek3 strafbepalingen
hieromtrent in hare wetten opneemt.» Dit voorstel wordt aangenomen.
Op \'t maken van nieuwe en \'t versterken van bestaande straf bepa-
lingen dringen ook de beide sprekers aan, die na Colam\'s rede het
woord gevraagd hebben, dr. K. Landsteiner en Prof. Paul Förster,
afgevaardigde van den Rijksdag te Berlijn. Overigens geeft dit
referaat geen aanleiding tot buitengewone opmerkingen of debat.
De nu volgende lange redevoering van Dr. Ohlsen, den bekenden
vogelbescherraer uit Rome, behandelt voornamelijk het moorden op
-ocr page 9-
7
groote schaal van nuttige vogels in \'t Noorden van Afrika. Onge-
loofelijk groote cijfers deelt deze redenaar mee, die ten slotte sterk
aandringt op internationale overeenkomsten ter bescherming van ver-
volgde vogelsoorten. Zeer natuurlijk sluit zich bij deze voordracht
aan het referaat, of beter gezegd, de causerie van mej. Agnes
Engel
uit Wiesbaden over «het vermoorden van vogels ten dienste
der mode.» Spreekster, die presidente is van een bond tegen deze
gruwelmode, meent dat de vogelmoord niet voldoende te bestrijden
is door een beroep op \'t beter gevoel der vrouwen. «Met de kinderen
moet begonnen worden» zegt frl. Engel, die daarop met warmte het
oprichten van kinderbonden aanbeveelt, waarmede zij reeds voor
eenigen tijd zelf begonnen is. Ten zeerste hoopt zij, dat het congres
een voorstel, om door het oprichten van kinderbonden de belangen
der kinderen en der dieren tegelijk te bevorderen, zal aannemen.
Dit voorstel geeft aanleiding tot een ernstig en zeer geanimeerd
debat, waaraan door verschillende sprekers wordt deelgenomen. Dr.
Karl Schenk uit Frankfort meent op paedagogische gronden zich tegen
alle kindervereenigingen te moeten verklaren; «kinderen moeten kinderen
blijven» roept de redenaar, die als zijn stellige meening te kennen
geeft, dat het deelnemen aan een kinderbond het kinderlijke aan de
jeugd zal ontnemen. Ook Dr. Ohlsen is tegen inwerking op de kin-
deren , want «dit is de taak der ouders en der school; men moet die
taak niet aan de bevoegden ontnemen».
Op dit laatste argument wordt door mej. S. Groshans (Scheveningen)
geantwoord, die vooraf eenige mededeelingen doet omtrent den Neder-
laudschen Kinderbond. Na doel en werking uiteen gezet te hebben
van dezen bond, die de jeugd leeren wil al wat leeft, dus ook het
dier, lief te hebben en te eerbiedigen, merkt zij op, dat alle voor-
standers van kinderbonden zeker niets liever zouden wenschen, dan
van hun taak ontheven te worden door de overtuiging, dat die bij de
ouders in de beste handen is. Zoolang echter nog in dit opzicht zoo
veel te wenschen overblijft, blijft het wenschelijk invloed op de kin-
deren te krijgen door palliatieven, zooals vereenigingen altijd zijn.
Eveneens vóór \'t oprichten van kindervereenigingen spreken Graf
Butler
(Wiesbaden) en de heer Kafle/\'n (Karlsruhe), Dünkel (Leipzig),
professor Paul Förster.
Predikant Kapjf uit Stuttgart verklaart zich tegen kinderbonden; hij
-ocr page 10-
8
meent, dat het kind uil sluitend blijven moet onder de hoede van
ouders, school en kerk.
De laatste uiting geeft de referente, mejuffrouw Engel, aanleiding
haar grieven tegen de geestelijkheid uit te spreken, die zich, voor
zoover hare ervaring reikt, ongeveer nooit voor dierenbescherming
interesseert (Geraas en bijval in de zaal).
De president protesteert tegen deze beschuldiging, die z. i. over-
dreven is, ten minste waar \'t Hongarije geldt. Hij dankt de spreekster
en verklaart, dat het besproken onderwerp nog niet rijp is tot het
nemen van een congres-besluit. Hoe teleurstellend dit resultaat mis-
schien voor vrienden van kinderbonden is, ik meen , dat het volkomen
beantwoordt aan het werkelijk belang der zaak. Immers, het debat
waarbij iederen spreker slechts 10 minuten werd toegestaan, was te
gehaast, het onderwerp voor de meerderheid te nieuw, dan dat een
besluit eenige werkelijke waarde zou gehad hebben. Het onderwerp
blijft nu aan de orde en zal. hopen wij later tot grooter klaarheid komen.
Volgt nog een voordracht in \'t Hongaarsch over «De pers en de
dierenbescherming» waarvan wij door vriendelijke vertolking veel goeds
opvangen, maar die door \'t gevoederd uur en de na een hevig debat
intredende reactie slechts door een deel der aanwezigen gehoord wordt
en tot geenerlei bespreking aanleiding geeft. Kwartier over 2 is de eerste
zitting geëindigd en verspreiden zich de leden van\'t congres, om na de
lunch in groepen of onder geleide van een lid van \'t teutoonstellings-
comité de zeer interessante historische aldeeling der expositie te be-
zoeken. Ook de dierenbescherming heeft hare afdeeling, klein maar de
moeite waard, modellen van hoefijzers, muilkorven , veewagens , slacht-
maskers, miniatuur-stallen, alles, zooals op de geheele tentoonstelling,
helaas alleen voorzien van Hongaarsche toelichtingen en opschriften.
Uitgezonderd deze kleine afdwaling van een sterk uil gesproken
patriotisme leek \'t weinige, dat we van de tentoonstelling konden
zien , ons buitengewoon belangrijk en uitstekend geacheveerd.
Maar terug naar \'t congres, dat Maandag, 20 Juli te .9 uur zijn
werk hervat. Na voorlezing van verschillende telegrammen en van \'t
verslag der werkzaamheden van gisteren wordt het woord gegeven
aan mevrouw Széchy, presidente van de Klausenburgsche vereeniging tot
bescherming van dieren ; de referente leest hare in sierlijk Fransch ge-
stelde rede, zittende op de tribune, welk voorbeeld later door ver-
-ocr page 11-
9
scheidene sprekers gevolgd wordt. Het onderwerp «Over de dieren
in gevangenschap» is met grooten smaak en helderheid behandeld;
behalve op het stuitende, dat voor elk beschaafd mensch in het
kerkeren van dieren ligt, wijst mevrouw Szc\'chy ook op de ontzag-
lijke Dadeelen, die voor den landbouw voortvloeien uil het vangen
der vogels, het onverstandig jagen en verzamelen, terwijl zij het
betreurt, dat in onze maatschappij dierentuinen nog als iets nuttigs
beschouwd worden.
Daarna spreekt Dr. Bi\'la P/osz, leeraar aan de veeartsenijschool
te Pest over de «kwellingen, die de paarden in onze groote steden
te verduren hebben»; staart afsnijden, slecht beslag, verkeerd aan-
spanneii, enz. zij alle zijn \'t gevolg van onbekendheid met de
eischen eener goede behandeling. Dit alles kan slechts verbeteren als
de behandeling van paarden een vak wordt. Leercursussen voor
koetsiers zijn hoog noodig. Ook zou het de paarden ten goede komen
als hun vleesch meer algemeen gebruikt werd.
De heer Jochs (Budapest) wil niets van die cursussen hooren. Het
publiek moet zich met de koetsiers bemoeien en hen opmerkzaam
maken op hun verkeerde behandeling.
De predikant Kapff (Stuttgart) daarentegen, meent dat men iemand
geen paarden mag toevertrouwen als hij geen bewijs van een des-
kundige overleggen kan dat hij op de hoogte is.
Dr. F\'órster (Berlijn) is dit met hem eens.
De heer Barylski deelt mee, dat in Warschau deze bepaling reeds
bestaat en schitterend werkt. Daarop stelt de heer Szv/enics (Pest) voor,
onmiddellijk een commissie te benoemen voor het oprichten van een
cursus, welk idee door den heer Pokhwalinsky (Rusland) gesteund wordt.
De president verklaart dat reeds met den minister van landbouw
over \'t bovenstaande gecorrespondeerd wordt en dat een cursus zal
worden opgericht te Buda-Pest. Daarop wordt een kwartier rust ge-
houden , ter voorbereiding van de naderende campagne; de aanwezigen
blijven in de zaal, waar een bijna plechtige stemming heerscht,
ieder voelt, dat het gewichtigste, kritiekste deel der zitting nadert.
Hier en daar onderhoudt men zich halfluid over de kansen op een
mogelijk gunstig resultaat voor hen die de vivisectie bestrijden, over
de houding van sommige vereenigingen, die geen afgevaardigden
zonden, om gelegenheid te hebben, neutraal te blijven, over de ver-
-ocr page 12-
10
houdingen van tegenstanders tot voorstanders. Maar de pauze is om
en onder doodelijke stilte neemt de eerste referent Förster (Berlijnsche
rijksdagafgevaardigde) het woord. Een forsche persoonlijkheid, een
echte Vikings figuur , deze spreker niet zijn reuzengestalte, helder blauwe
oogen en blonden baard. Iets van den strijdlust der oude Germanen
straalt nog door in zijne rede waar hij de verdedigers der vivisectie,
de quasi dierenbeschermers, die dit punt niet aandurven, den oorlog
verklaart.
Eene geestelijke epidemie noemt hij den alles beheerschenden geest
van experimenteeren, die onze wetenschappelijke mannen leidt.
Wat helpt daar vermanen en een beroep doen op \'t gevoel der
vivisectoren ? Wat zou beperking of controle kunnen uitwerken?
Holle klanken zijn het, dat geeft de tegenstander zelf toe. Neen,
een eerlijke strijd, maar dan «auf\'s Messer!»Geen gelegenheid voorbij-
laten gaan, om aan \'t publiek te laten zien , v/kt er gebeurt in de
laboratoria; bewijzen zijn er genoeg, de leerboeken der physiologie
wemelen er van. En daartegen in de weegschaal gelegd de resultaten,
ol\' liever het gebrek aan resultaten, het omslachtige, onvoldoende en
halfslachtige der meeste geneesmethoden. Want zouden wij al niet
onze gezondheid willen koopen ten koste van al dit lijden, hoeveel
te meer zullen wij er ons tegen verzetten, nu de uitkomst van al die
martelingen zoo gebrekkig is ? Spreker wil geen propaganda hier
maken, hij zegt slechts: de natuurheelkunde is zeker niet ondoelmatiger
dan onze gewone geneeskunst. Met de vivisectie is men echter altijd
op den verkeerden weg, niet \'t gevoel alleen, ook \'t verstand verzet
er zich tegen. Trouwens, wij kennen ze immers, de groote mannen der
wetenschap, die zelve haar vonnis geveld hebben; zijn dat dan
prullen of\' leugenaars? Laat niemand onpartijdig blijven in deze
moreele en tevens hygiënische kwestie. Men denke, onderzoeke en
verschuile zich niet achter anderen.» De redenaar, die met groote
belangstelling is aangehoord en uitbundig wordt toegejuicht, eindigt
met het volgende voorstel aan het oordeel van \'t congres te onder-
werpen: «De vivisectie behoort verboden en binnen \'t bereik eener
strafwet gebracht te worden.»
Viel in de rede van prof. Förster vooral het licht op het nutte-
looze der vivisectie, door hem met tal van aanhalingen en voorbeelden
gestaafd, bij den tweeden referent treedt vooral het beleedigd mensche-
-ocr page 13-
11
lijk gevoel op den voorgrond. Een geheel andere verschijning, de/e
vrijheer v. Warnus, afgevaardigde van Linz, met zijn jeugdig fijn
besneden gezicht, nerveuse levendigheid en hoogst eenvoudige, doch
meesleepende voordracht. «Waarom de vivisectie nog geduld wordt?»
vraagt hij. «Omdat zij niet bekend is. Wie, die eenig rechtsgevoel
bezit, zou haar steunen, tenzij hij valsch of\' gebrekkig ingelicht is?
Niet alleen tegen godsdienst en moraal , maar tegen \'t welzijn der
gemeenschap zondigt zij. 500 Engelsche doktoren hebben haar ruiterlijk
in deu ban gedaan en deze moedige daad zal navolging vinden. Er
zal een tijd komen, dat men zich niet toevertrouwt aan den arts,
die zijn kennis verkreeg door wat met een mooien naam vivisectie
heet, maar feitelijk dierenmishandeling is. En ook \'t eigenbelang der
menschen zal meehelpen, als zij gaan inzien, dat waar proeven op
dieren onvoldoende blijken (wat reeds \'t geval is), de weetlust naar
menscheüjk proefmateriaal zal vragen \'t Allerminst mogen ivij, dieren-
beschermers, aarzelen, om dit kwaad te veroordeelen en het den
naam te geven die hel verdient; de ergste aller dierenmishandelingen ?»
Deze voordracht die herhaaldelijk door stormachtige bravo\'s werd
afgebroken, duurde bijna een uur en werd gevolgd dooreen levendig
soms opgewonden debat, waarvoor bijna 30 sprekers, zoowel voor-
als tegenstanders werden ingeschreven, op voorwaarde, dat ieder zich
zoo mogelijk tot 10 minuten zal beperken.
De eerste spreker is Rudolf Bergner uit Graz, schrijver van tal
van flinke brochures over de dierenkwestie. «Flij wil radikaal te werk
gaan; reeds te lang heerscht in de vereenigingen tot b. v. d. een
valsche opvatting van dierenbescherming. Hij kent eu noemt er eenige,
waar vivisectoren in het bestuur zitting nemen. Deze komedie moet
eindigen. Men verklare zich vóór de vivisectie, maar Iegge dan zijn
lidmaatschap neer. Er zal een kloof, eene breuk ontstaan, maar
dat is beter dan halfheid. Liever met eene minderheid strijden, dan
met twijfelende vrienden. Over beperking mag een dierenbeschermer
niet denken; over \'t nuttigheidsargument evenmin, immers dat kan
men bij elk kwaad aanvoeren.
Wij moeten schiften — daarna verder strijden. Wij zullen \'t winnen
als wij niet vertwijfelen, denkt er aan, dat in\'t kanton Zürich 19000
menschen tegen de vivisectie gestemd hebben.»
De indruk dezer korte, maar treffende rede is groot.
-ocr page 14-
12
Groote onrust heerscht in de zaal, als Dr. Schenk (Frankfort) het
woord neemt. Hij verdedigt de vivisectie en noemt haar een nood-
zakelijk kwaad. (Uitroepen: er is geen noodzakelijk kwaad!) Hij vindt
haar verontschulding in de hedoelingen harer uitvoerders.
Daarna spreekt prof. Böhringer (Bazel), eveneens ten gunste der
vivisectie. Hij is voor beperking en strenge controle, want hij moet
erkennen, dat er groole misbruiken bestaan. Hot is de taak der
vereenigingen tegen het misbruik te strijden.
Nu staat Peabody (Boston) op, de onvermoeide bezoeker van tal-
looze laboratoria; hij is voor deze vraag uit Amerika overgekomen.
500 van de 2000 doctoren, die in zijn vaderland zich hebben
uitgesproken, zijn tegen de vivisectie en de beweging breidt zich
dagelijks uit.
Dit laatste wordt ook voor Engeland bevestigd door Mrs. Mallett
(London) die in \'t Duitsch een korte, maar krachtige rede houdt;
volgens hare cijfers is in Engeland nog maar een klein deel der
doctoren dat zich met de vivisectie als studie bezig houdt; maar als
aaneengesloten faculteit willen zij \'t principe niet opgeven.
De zitting wordt nu eenigen tijd opgeheven, ten einde de aan-
wezigen gelegenheid te laten een haastig koftiemaal te gebruiken. Om
half .\'! wordt het debat voortgezet; de stemming is zeer geanimeerd,
vooral als later op den middag de beslissing nadert. Het is onmogelijk
alle sprekers te vermelden, ook daar \'t verstaan soms moeielijk valt
door de opgewondenheid in de zaal. Bretel (Graz) spreekt tegen de
vivisectie en betreurt, dat de geestelijkheid niet meer meewerkt. Miss
Kate Deighton (Stuttgart) en Miss Anne Woodward (P^ngeland), zeggen,
dat waar de mannen mochten weifelen in hun besluit, de vrouwen
hun den weg zullen wijzen.
Mej. Marie Jungiu.i (Scheveningen), wier onlangs in besloten kring
gehouden rede tegen de vivisectie in deze of de volgende aflevering
van Androcles verschijnen zal, wijst er op, hoe wij teveel alle schuld
op den vivisector laden en vergeten , dat wij zelf verantwoordelijk zijn,
daar wij de, zij \'t ook vermeende, resultaten der methode accepteeren.
Laat ons beginnen met die te weigeren ; zooals nu de zaken nog staan,
dwingen de leeken den vivisector om te hunnen behoeve kwaad Je
doen. Met nadruk vraagt zij juist voor leeken \'t recht van kritiek;
«daarenboven waar of wanneer laat men ooit den beklaagde zelf
-ocr page 15-
13
rechter zijn ?» Hartelijk en langdurig applaus begroet deze met den
gloed der overtuiging uitgesproken woorden.
Mej. S. Groshans (8cheveuingen) neemt het op voor Holland, dat
daar straks bij de optelling van de landen die den strijd tegen de
vivisectie strijden, geheel genegeerd werd. Ook Holland doet het zijne
en zal nog meer doen, al is het klein. (Applaus). Zij leest hierbij
tevens een deel van het jaarverslag van den Nederlandschen Bond tot
bestrijding der vivisectie voor, waarin de president, de heer Honrda
van Eysinga,
den toestand van zaken bij ons te lande schildert.
John Baird (Edinburg) en de bekende Dr. Berdoe (London) spreken
in \'t Engelsch tegen de vivisectie, evenzoo in \'t Duitsch de heer
Dünkel (Leipzig) die doet uitkomen hoeveel meer kwaad de geleerde
physioloog doet dan de ruwe voerraansknecht!
De heer Kapff verklaart dat hij het voorstel Försler zal steunen,
al is het kras. Tandarts dr. Fliegl (Zürich) spreekt over den uitslag
der volksstemming in Zwitserland. Hij betreurt, dat het nog bij eene
minderheid gebleven is, daar door den invloed der doktoren van
de 90000 stemgerechtigden in \'t kanton Zürich slechts 19000 voor
geheele afschaffing, 39000 voor beperking waren. Spreker geeft
echter de hoop niet op, dat een volgende maal het resultaat beter
zal zijn.
Dr. Ohlsen (Rome) verklaart zich vóór de vivisectie; \'t is waar,
er wordt misbruik gemaakt, maar waar de mannen der wetenschap
haar nog voor noodig verklaren, mogen wij haar niet veroordeelen.
Beperking ware gewenscht. Men zoeke naar wetenschappelijke bewijzen
voor \'t niet-noodzakelijke der vivisectie, dan zal het volk er zich tegen
verzetten, niet eerder.
Dr. Landsteiner brengt in heiinnering, hoe door weifeling en dwaze
politiek op \'t congres te Bern het vivisectie-vraagstuk in \'t donker
gehouden is, hij wekt voor zoover nog noodig is \'t congres op, dit
heden niet toe te laten. (Bravogeroep : leve Landsteiner!)
Prof. J. Graef uit Temesvar krijgt het woord of liever tracht
het te krijgen, want de onrust is klimmende en verergert, als hij
mededeelt, dat hij, uit gewetensbezwaren, niet tegen de vivisectie
kan spreken.
Hij verafschuwt haar, maar zoolang hij niet weet, of middelen,
als b.v. \'t serum, werkelijk te verwerpen zijn, durft hij zijn votum
-ocr page 16-
11
niet geven. Hij zou bang zijn inconsequent te worden, als hij door
nood gedrongen, van zulke middelen gebruik maakte, om te trachten
een dierbaar leven te redden. Hij wenscht de allerstrengste en onaf-
gebroken controle (tumult en geroep van: Schluss! Unmöglich! De
president beveelt stilte, waaraan voldaan wordt). Spieker betreurt het,
dat hij den indruk maakt van een weifelaar te zijn, maar hij zal
zich van stemming onthouden.»
Na deze rede, die in. i. meer waardeering verdiend had, dan haar
op dit ongeschikte oogcnblik ten deel viel, is het woord aan den heer
Klerck, \'s Gravenhage. Hij zet de moeielijke positie uiteen, waarin
hij zich bevindt. Zelf tegen vivisectie, maakt hij deel uit van een be-
stuur, dat op dit punt nog niet tot éeusdenkendheid is gekomen; als
vertegenwoordiger van het bestuur mag hij dus niet doen wat hij als
persoon wèl zou doen. Mocht er dus volgens vereenigingen, en niet
hoofdelijk gestemd worden, dan moet hij zich van stemmen onthouden.
Verder waarschuwt hij tegen verdeeldheid, die door te ver gedreven
radicalisme zou kunnen ontstaan.
Nog is het woord gevoerd door eenige anderen die moeielijk te
verstaan zijn, of alleen hunne verklaring van vóór of tegen te stemmen
afleggen. Om 7 uur \'s avonds wordt eindelijk tot stemmen overge-
gaan: de zaal gelijkt een woelige zee, niemand is op zijn plaats
gebleven, de agitatie neemt nog toe, door het debat over de vraag:
hoe zal gestemd worden ? Met rechts en links gaan wordt besloten:
volgens personen.
De Secretaris roept de namen op van de lijst der vertegenwoordigde
vereenigingen, nadat hij het voorstel Forxter nog eens langzaam
heeft voorgelezen. Op het tumult van daareven is een doodelijke
stilte gevolgd, waarin het klinkende ja! gelukkig veel en veel malen
meer gehoord wordt dan het neen! Naar mate het vordert, klinken
de ja\'s triomfantelijker en de stemming eindigt met een snijdend
«nein», dat als een zwervende dissonant in de lucht blijft hangen;
om mij heen hoor ik zachtjes tellen, de betoovering van het span-
nemle heeft allen bevangen, alsof niet het eind besluit ook reeds
het einddoel zal bereikt zijn.
Eindelijk is de balans opgemaakt en deelt de secretaris Szalkay,
stralend van vreugde, den uitslag mee. Aangenomen met een
meerderheid van 160 stemmen! En daarop een gejuich, een gegons
-ocr page 17-
15
en algemeene uitgelatenheid; de deftige Engelsehen zijn niet te her-
kennen; zij vallen elkander om den hals; ik zie een lieve matrone,
wie heldere tranen uit de oogen druppelen; men verdringt zich om
de referenten, er is geen einde aan het handdrukken en feleci-
teeren. Alle vermoeienis en spanning is geweken en als voor een
triomftocht stroomt het naar buiten. Den voorgenomen «Ausflug» heelt
men er aan moeten geven, maar wie denkt nog daaraan? Het ergst
is het ijverig secretariaat er aan toe, dat nu eerst recht aan \'t werk
moet.
Dinsdag 21 Juli is om 9 uur het congres weer bijeen, helaas,
lang niet voltallig. Velen zijn al afgereisd, of haasten zich niet met
opkomen.
Toch is het onderwerp van den eersten referent Keller-Jaggi (Aaran)
over \'t veetransport belangrijk genoeg; spreker behandelt eerst de
wijze van inlading, daarna de verzorging en de voedering. Zijn voor-
naamste eischen zijn: betere en doelmatige ruimte, een begeleider,
die tevens zorgt, dat in 24 uren minstens éénmaal water gegeven
wordt en bovenal spoedig lossen bij aankomst.
Overeenkomsten met spoorwegmaatschappijen en internationale
regeling zijn de middelen om dit alles te verkrijgen; tot nu toe
grenzen de toestanden, waarvan hij eenige staaltjes meedeelt, aan \'t
ougeloofelijke.
Dr. Ohlsen is het met den spreker eens en wijst op \'t belang der
eigenaren; wie vee of gevogelte koopt, moet als koopvoorwaarde
stellen, dat hij het gekochte ontvangt op \'t juiste gewicht en in
volmaakten staat.
Dr. Ulrich (Breslau) is ook voor wettelijke regeling.
Mejuffrouw Engel zegt, dat bij \'t transport van gevogelte in \'t
Zuiden gruwelen voorkomen; aan de stations is water, maar niemand
wil de wagens openmaken, terwijl de dieren bij dozijnen van dorst
sterven.
Graaf Butler zegt, dat het openmaken aan het personeel verboden is.
Het voorstel van Keller-Jaggi om internationale regeling aan te
vragen, wordt aangenomen.
Dr. Ohlsen wijst er op, dat het congres geroepen is, op te
komen tegen de stierengevechten in Zuid Frankrijk.
De heer Kaeftein (Karlsruhe) refereert over \'t vogeltransport en
-ocr page 18-
16
betreurt, dat de in 1893 te Florence voorgenomen regeling door \'t
Duitsch-Italiaansche Spoorwegcomité, alleen op \'t papier bestaat. Hij
stelt alle afgevaardigden voor er bij de spoorwegbesturen op aan te
dringen, dat geen gevogelte tot vervoer wordt aangenomen, dan op
bepaalde wijze in luchtige, solide en van drink- en voerderbakken
voorziene kooien verpakt. Na aanwijzingen in gelijken zin van
Dünekel, Förster en Ohlsen wordt bet voorstel aangenomen.
Na eene korte pauze houdt de heer Bormann (Berlijn) een uit-
voerig, met veel statistiek verhelderd, referaat over de noodzakelijkheid
van dier-asylen in groote steden. Hij doet het voorstel, de oprichting
van een asyl in elke groote stad te bewerken. Met veel bijval wordt
het aangenomen, gesteund door mededeelingen van Landsleiner, Ohlsen,
Bul/er, D\'unckel
en mevrouw Hausmann (Pest).
De heer Kap/f\' houdt een pleidooi voor den zoo nuttigen egel
en stelt voor, de regeering te verzoeken, dezen helper van den 1 and-
bouw te beschermen. Met applaus wordt het aangenomen.
De rij der voordrachten is nu gesloten ; volgt de bespreking van een
schriftelijk voorstel, onderteekend door ll\'arnus en vele anderen om
een internationalen dierenbeschermingsbond van vele vereenigingen te
vormen, wat met luide instemming begroet wordt. Prof. Szalkay stelt
voor, landbouwvereeuigingen te verzoeken aan de bescherming mee te
werken. Verschillende mededeelingen, brieven en telegrammen komen
in. Op voorstel van den Franschen afgevaardigde wordt Parijs als
plaats van samenkomst in 1900 gekozen , nadat Londen en 1898 door
den heer Colam waren voorgeslagen. Het congres wordt daarna door
den voorzitter gesloten.
Moge veel van \'t gesprokene tot daad worden!
S. Groshans.