-ocr page 1-
Prijs 15 Cents.
Neerland\'s
KORT BEGRIP
DER
Reprin&s-Colleps van Rijt, Provincie en Gemeente
VOOR DE
Kiezers uit den Werkenden Stand
IN VERBAND MET
ÜE C3-H03STID- E3ST KIESWET
DOOR
M. J. GILLISSEN
Oud-typografisch vverkgezel
— VOL.KSUITGAVE —
\'s-GRAVENHAGE
GEBR. BELINFANTE
— 1897 —
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Neerland\'s Staatsmaehine
KORT BEGRIP
DER
Eeperto-Colleges van Ei, Provincie en Gemeente
VOOR DE
Kiezers uit den Werkenden Stand
IN VERBAND MET
IDE GKROHSTID- E3ST KIESWET
DOOR
M. J. GILLISSEN
Oucl-typografis.ch werkgezel
— VOLKSUITGAVE —
\'s-GRAVENHAGE
GEBR. BELINFANTE
— 1897 -
-ocr page 4-
Gedrukt bij F. J. BELINFANTE, voorh.: A. D. SCHINKEL.
-ocr page 5-
Neêrland\'s Staatsmachine,
KORT BEGRIP VOOR DE NIEUWE KIEZERS UIT
DEN WERKENDEN STAND.
Eindelijk heeft dan de vooral door werklieden zoo lang
gewenschte herziening der Kieswet plaats gehad en heeft het
Nederlandsche volk eene nieuwe Kieswet met uitgebreider kies-
recht dan vroeger gekregen en is deze thans in werking.
Mag die nieuwe wet ook niet bevredigen allen die algemeen
kiesrecht verlangen, waartoe eene herziening der grondwet noodig
zou zijn geweest, maar waardoor men de sociaal-democraten een
wapen uit de hand zou hebben genomen; keuren anderen het
vroegere ontwerp van Minister Tak beter en eenvoudiger dan
de nu vigeerende wet van Minister van Houten, die bij de
uitvoering blijkt zeer lastige, omslachtige, veel administratie
vorderende formaliteiten te bevatten en het kiesrecht nog steeds
afhankelijk maakt van belasting betalen (census), wijs hebben
de beide Kamers der Staten-Generaal gehandeld om de wet-
van Houten aan te nemen, in de hoop later, als het Neder-
landsche volk toont rijp te zijn voor nog verdere uitbreiding,
het algemeen kiesrecht in te voeren.
In het voorbijgaan zij hier opgemerkt dat velen stemrecht met
kiesrecht verwarren. Het zijn twee verschillende rechten.
Kiesrecht is het recht om de afgevaardigden des volks in de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Provinciale Staten en de
Gemeenteraden te kiezen. \' i\'\' -
Stemrecht heeft eene veeï meer uitgebreider beteekenis. Het
is, evenals zulks in Zwitserland gebeurt, het in goed- of afkeu-
renden zin uitbrengen zijner stem, bijvoorbeeld over oorlog of
vrede, over in te voeren wetten en belastingen enz. Men noemt
dit ook volksstemming of plebiscit.
Door de nieuwe Kieswet zijn thans tienduizendtallen Neder-
landers kiezer geworden, maar daaronder zijn er zeker duizenden,
die niet weten wat kiesrecht beteekent, waarvoor, hoe en wien
zij moeten kiezen, om de eenvoudige reden dat zij weinig ot
-ocr page 6-
4
niet bekend zijn met onze Staatshuishouding, met andere woor-
den: met de verschillende staats- en burgerlijke collegieïi en
hunne bevoegdheden, waardoor ons volk wordt geregeerd.
Zeer nuttig en noodig ware het voorzeker, indien reeds op de
lagere scholen aan de jeugd eenig onderricht werd gegeven
omtrent onze staatshuishouding, opdat zij later kennis droeg hoe
een en ander als eene machine, waarvan de raderen zich onder-
ling grijpen, in elkander zit, en wat de rechten en plichten zijn
als staatsburgers.
Natuurlijk bestaan er over de inrichting van ons staatsbestuur
vele en lijvige boekdeelen, door deskundige mannen geschreven,
maar deze zijn voor den minderen man te kostbaar, te veel
omvattend en vorderen tijd om ze te bestudeeren.
Ten einde hierin, vooral voor de nieuwe kiezers uit den wer-
kenden stand, eenigszins tegemoet te komen, zijn deze bladzijden
door een oud-werkgezel, die zich van een en ander steeds op
de hoogte heeft gehouden, geschreven. Zij bevatten lang niet
alles; het is slechts een kort begrip; maar zij kunnen, naar hij
hoopt, toch eenig nut doen.
De Grondwet.
Laat ons even nagaan de wording en verdere aanvulling onzer
grondwet, waarin de inrichting en de bevoegdheden der regee-
ring en de rechten en plichten van het volk zijn bepaald.
De Nederlanden zijn steeds om hun rijkdom en ligging voor
de oppermachtige gebieders van grootere rijken een begeerlijk
plekje gronds geweest. Vandaar de bloedige oorlogen in vroegere
eeuwen om het bezit er van.
De zeventien verschillende gewesten, (waaronder ook eenige
tegenwoordig Belgische provinciën) werden in 1548 geheel
onafhankelijk, en alleen in naam tot het Duitsche Rijk gerekend.
Steeds door verschillende vorsten geregeerd, kwamen zij door
huwelijk en erfenis eindelijk geheel onder het bestuur van
Karel V, hoewel zijne macht zeer beperkt was, daar ieder gewest
en elke stad afzonderlijke rechten en vrijheden (privilegiën) had.
Juist deze privilegiën gaven niet alleen steeds onderlinge
twisten tusschen de steden en gewesten, maar ook botsingen
met den vorst onder wiens opperheerschappij zij stonden.
Meestal betroffen die den godsdienst, de geldzaken, de rechts-
zaken, de krijgsmacht enz., en toen nu Karels zoon, Philips II,
Koning van Spanje en heer der Nederlanden, deze geschillen
ten zijnen gunste wilde doen beslechten, brak de tachtigjarige
oorlog uit en werd Noord-Nederland vrij.
In 1579—1580 sloot een deel der tegenwoordige Nederlandsche
-ocr page 7-
5
provinciën een verbond van verdediging, de Unie van Utrecht,
welk verbond (het verbond der Edelen genoemd) men de eerste
Nederlandsche grondwet kan heeten.
Ue Unie had eigenlijk slechts ten doel de handhaving der
vrijheden en privilegiën, onder erkenning van Philips II als
heerscher; maar toen deze zijn grootsten tegenstander Willem
van Oranje, Stadhouder van Holland en Zeeland, vogelvrij ver-
klaarde en dus uit den weg wilde ruimen, verklaarden de ver-
bonden gewesten Philips vervallen van zijn oppermacht over
deze landen. In 1648 werd bij den vrede van Munster de onaf-
hankelijkheid der Nederlanden door Spanje erkend en ons land
genoemd „de Vereenigde Nederlanden."
Bij deze eerste grondwet stond elke provincie (of gewest) op
zichzelf en werd geregeerd door vertegenwoordigers of Staten,
genomen uit de edelen of regeeringen der steden. Die Staten
waren de wetgevende macht, terwijl meestal een Stadhouder de
wetten uitvoerde en het recht handhaafde.
Buiten de zaken voor elk gewest, waren er ook die al de
provinciën betroffen, als het voeren van oorlog, het sluiten van
vrede, het aangaan van bondgenootschappen enz., en om die
te behandelen, hadden er vergaderingen van gemachtigden der
verschillende gewesten plaats, en noemde men die de vergade-
ringen der Generale Staten (Staten-Generaal).
Daar deze Staten slechts tijdelijk vergaderden, was er een
ander collegie, de Raad van State, dat de algemeene wetten
uitvoerde, totdat in 1593 de Generale Staten die uitvoering ook
zelf ter hand namen.
Oorlogszaken en de financiën bleven voortdurend bij den Raad
van State. De rekeningen van het algemeen bestuur werden
nagezien (gecontroleerd) door de „generaliteits rekenkamer";
de zeezaken stonden onder toezicht van het college „de Admi-
raliteit" genoemd.
Niets is meer zeker dan dat de Unie van Utrecht eene zeer
onvolmaakte grondwet was; maar zoolang de „Vereenigde
Nederlanden" bestonden, en dat was een zeer lange tijd, kon
men tot geen verbetering komen, hoe treurig de toestand des
lands daardoor ook werd. Omdat iedere provincie, ja elke stad,
eigen rechten had, wilde de eene niet wat de andere wel wilde.
Er was geen goed recht, leger en vloot waren slecht; aan
onderwijs, ontwikkeling en gezondheid van het volk werd zeer
weinig gedaan ; ambten en bedieningen werden geërfd of verkocht
en kwamen in handen van onbekwamen, bevoorrechten en adel-
lijke familiën; die niet tot de Gereformeerde Kerk behoorde
werd tot geene waardigheden verheven.
De zucht der provinciën en steden om op zichzelf te staan
en het bestaande te behouden, voerde tot eene algemeene
regeeringloosheid en verwarring.
Toen nu, door de natuurlijke ontwikkeling van den mensch,
-ocr page 8-
6
die door niets is tegen te houden, nieuwe denkbeelden en de
zucht tot verandering en verbetering zich een baan maakten,
brak, trots alle behoudsmannen, in 1789 de Fransche revolutie
uit en zou ook ons vaderland den invloed daarvan ondervinden.
In 1795, na de vlucht van den Stadhouder Prins Willem V,
werden onder de zeer kostbare bescherming van Frankrijk, onze
vereenigde provinciën gevormd tot een rijk: „de Bataafsche
Republiek", en hoe onrustig en noodlottig die dagen ook zijn
geweest, erkend moet worden dat er ook veel goeds door is tot
stand gekomen in ons land, voornamelijk door de nieuwe Grond-
wet die in 1798 werd vastgesteld. Onder anderen werd daarin
bepaald:
Zonder onderscheid van geboorte, rang of stand hebben alle
leden der maatschappij aanspraak op hare voordeelen;
Ieder burger heeft de vrije beschikking over zijne goederen,
inkomsten en de vruchten van zijn arbeid, en mag alles doen
wat een ander in zijne rechten niet schaadt;
Ambten en bedieningen zijn niet erfbaar of verkoopbaar
en geen bijzondere voorrechten. De keus van den eenen burger
boven den anderen moet zijn gegrond op meerdere bekwaam-
heid of deugd;
Vrijheid van drukpers;
Vrijheid van vergadering;
Vrijheid van godsdienst;
Heerlijke rechten en titels aan bijzondere personen worden
vernietigd;
Een algemeen burgerlijk- en strafwetboek;
Afschaffing der pijnbank;
Afschaffing der gilden. Ieder heeft het recht zoodanig eerlijk
bedrijf uit te oefenen als hij zelf wil en kan; enz. enz.
Door den onrustigen staatkundigen toestand en vooral door
den invloed van Frankrijk, kwam er van deze Grondwet weinig
tot uitvoering, totdat er in 1801 weder een nieuwe kwam, die
al minder Republikeinsch was opgesteld. Vervolgens wist Napo-
leon I te bewerken dat den 9<len April 1805, weder onder een
nieuwe Grondwet, bij volksstemming (plebiscit) Rutger Jan
Schimmelpenninck
tot raadpensionaris werd gekozen, en kort
daarop, bij het verdrag van 26 Mei 1806, werd de Republi-
keinsche regeeringsvorm afgeschaft en Napoleons broeder Lodewijk
als Koning op den troon geplaatst. Dus weder een nieuwe
Grondwet, maar ook weder met geringe uitvoering van hare
bepalingen.
Eindelijk, als de vrucht van verdeeldheid, inlijving van ons
land bij Frankrijk, met al de verschrikkingen van oorlog, uil-
zuiging door belastingen en alle ellenden die daaraan verbonden
zijn geweest.
November 1813 gaf ons de onafhankelijkheid terug. Het rijk
der vereenigde Nederlanden werd geboren; Willem Frederik,
-ocr page 9-
7
prins van Oranje, werd tot souverein vorst uitgeroepen, en daarna,
met de Zuidelijke Nederlanden (thans België) vereenigd, ontstond
het Koninkrijk der Nederlanden, waarbij in twee grondwetten,
die van 1814 en 1815, de Regeering van den Staat en de be-
trekking tusschen Vorst en Volk werden geregeld.
Willem I was een vrij absoluut (eigenmachtig) vorst, want de
Grondwet van 1815 week zeer ver af van die van 1798.
De vrijheden van het volk waren zeer ingekort; zijn aandeel
in de Regeering was gering en daarentegen voor het hoofd van
den Staat en zijne bewindsmannen de gelegenheid om willekeurig
te handelen, vooral in het maken van wetten en de geldmiddelen,
zeer groot. Er werd ook onderscheid gemaakt tusschen den adel,
de steden en het platte land.
Met zulk een Grondwet kon het onmogelijk goed gaan. Hoewel
Willem 1 tegen elke verandering was, omdat die zijne macht
zou verkorten, werd, vooral na de afscheiding van België,- de
aandrang tot grondwetswijziging in Noord-Nederlandschen geest
al grooter en grooter.
Nadat in 1840 eenige kleine wijzigingen waren aangebracht,
volbracht in 1848 Koning Willem II de ridderlijke daad om
aan ons volk eene herziening der Grondwet te geven, welke
voor dien tijd bijna aller wenschen bevredigde.
De invloed en het toezicht van het volk op de Regeering
werd, door het kiesrecht, grooter; de zelfstandigheid der pro-
vincion en gemeenten werd, zonder nadeel voor de eenheid van
den Staat, uitgebreid; de verhouding tusschen de staatsmachten
en het geldelijk beheer geregeld; de volksvrijheid uitgebreid en
de wetgeving aanmerkelijk verbeterd.
In 1887 heett er weder eene herziening tot verdere ontwik-
keling van de Grondwet plaats gehad, o. a. wat betrof de uit-
breiding van het Kiesrecht, en in 1896 had er, gedrongen door
het steeds heftiger geuit verlangen van den werkenden stand,
wel geene herziening der Grondwet plaats, maar de bepaling,
naar welken maatstaf de burgers van den Staat als kiezers in-
vloed kunnen uitoefenen op de Regeering van het Rijk, werd
zoover uitgebreid als zonder herziening der constitutie moge-
lijk was.
En zoo leeft het Nederlandsche volk dan onder eene Grondwet
(constitutie), door welke zijne vrijheden zijn gewaarborgd, zijne
rechten worden gehandhaafd, en zijne verplichtingen tegenover
den Staat worden voorgeschreven. Door die wet kan geen Koning
het volk overheerschen of willekeurig behandelen, want hij en
al zijne Staatsbestuurders zijn er even vast aan onderworpen als
de minsten zijner onderdanen.
-ocr page 10-
8
Het Koningschap.
Hoewel de Kroon thans wordt gedragen door eene Koningin,
zal in deze regelen steeds worden gesproken van den Koning.
De Koning der Nederlanden is een erfelijk vorst. Door recht
van eerstgeboorte gaat de Kroon over, maar steeds heeft de
mannelijke tak den voorrang vóór den vrouwelijke.
Bij de grondwetsherziening van 1887 is de troonopvolging
verduidelijkt en heeft deze nu plaats als volgt:
Wanneer onze jeugdige Koningin Wilhelmina onverhoopt
geene nakomelingen mocht achterlaten, komt de Kroon door de
onlangs zoo plotseling overleden Groot-Hertogin van Saksen-
Weimar, Prinses Sophie der Nederlanden, dochter van wijlen
Koning Willem II, in het huis van Saksen-Weimar. Zij was
reeds van af den dood haars broeders (Koning Willem III) onze
Kroonprinses, maar voerde dien titel niet, omdat de grondwet
dien alleen aan den oudsten zoon des regeerenden Konings toe-
kent.
Nu, na haren dood, is haar kleinzoon Willem Ernst, oud 20
jaren, Krf-Groothertog van Saksen-Weimar, onze Kroonprins.
Heeft hij bij zijn dood geene nazaten, dan volgt op zijn
broeder Bernard Hendrik en diens afstammelingen.
Dan door de oudste dochter van Prinses Sophie komt de
Kroon in het huis van Reuss en door hare jongste in dat van
Mecklenburg.
Wanneer er in het huis van Saksen-Weimar (dus de lijn van
Willem II) geene afstammelingen meer zijn, waarvoor op dit
oogenblik geene vrees bestaat, gaat de Kroon over op die van
Prins Frederik, broeder van Willem II, en komt door diens
kleindochter in het huis van Denemarken en daarna door zijne
dochter Marie in het huis von Wied.
Koning Willem II had nog eene dochter, Prinses Marianne.
Door haar zoon Albert komt de Kroon in het huis van Hohen-
zollern; door hare oudste dochter in het huis van Saksen-
Meiningen en door hare jongste dochter in het huis van Reuss.
Wanneer een Koning huwt buiten overleg met de Staten-
Generaal, vervallen zijne kinderen van hunne aanspraken op den
troon evenals een prins of prinses van het Koninklijk Huis, die
zonder de toestemming dier Staten huwt, alle recht daarop
verliest.
Eene Koningin, huwende zonder overleg met de Staten-Gene-
raal, doet daardoor tevens afstand van de Kroon.
Wanneer eene regeerende koningin huwt in overleg met de
Staten-Generaal, bekomt haar echtgenoot geen prerogatieven ter
uitoefening van de koninklijke macht.
De Koning of Koningin mag geen vreemde kroon dragen.
Een Kroonprins wordt reeds op 18-jarigen leeftijd staatsrechte-
-ocr page 11-
9
lijk meerderjarig en gerechtigd de kroon te dragen. Een vroeger
gesloten huwelijk verleent geene staatsrechtelijke meerderjarigheid.
Vóór dien tijd tot den troon geroepen, staat hij (evenals thans
Koningin Wilhelmina) onder voogdij van een daartoe uit hooge
staatsambtenaren te vormen Raad van voogdij, terwijl een regent
of (zooals thans) eene regentes de regeering voert.
Wanneer een koning onbekwaam tot regeeren wordt, treedt de
kroonprins op, of, indien deze ontbreekt of nog minderjarig is,
tijdelijk de Raad van State, totdat een regent is benoemd.
Wanneer een koning sterft of afstand doet van den troon,
treedt zijn opvolger onmiddellijk op en wordt in eene binnen
Amsterdam te houden openbare vergadering der beide Kamers
van de Staten-Generaal beëedigd en gehuldigd (niet gekroond,
zooals velen meenen).
De beëediging is dat de koning den eed van trouw aan de
grondwet aflegt, terwijl de huldiging bestaat in het door den
voorzitter der vereenigde Kamers, namens het geheele volk,
afleggen eener gelofte van erkenning en trouw.
De Koning der Nederlanden is een constitutioneel Koning,
evenals Nederland een constitutioneel rijk is; dat wil zeggen dat
de Koning wel opperbestuurder, maar niet oppermachtig gebieder
is, en aan dezelfde wetten en regelen gebonden is als de een-
voudigste onderdaan.
De Koning is onschendbaar, dat is: niet verantwoordelijk voor
de daden der regeering. Zijne raadslieden, de ministers, zijn
dat wel.
Hij voert de wetten uit en stelt de maatregelen van algemeen
bestuur vast.
Hij heeft het recht oorlog te verklaren, maar de Staten-
Generaal moeten de daartoe noodige gelden toestaan.
Hij onderhoudt de betrekkingen met de buitenlandsche mogend-
heden en sluit en bekrachtigt alle verdragen daarmede.
Hij heeft het opperbestuur over land- en zeemacht en be-
noemt, bevordert, ontslaat en pensionneert de officieren, evenals
hij dit doet met de Staatsambtenaren.
Hij heeft het opperbestuur over de Koloniën en bezittingen
in andere werelddeelen.
Hij heeft het opperbestuur over de geldmiddelen des Rijks (*).
Hij mag zijne beeltenis op de munt doen stellen.
Hij verleent adeldom en ridderorden (thans de Militaire
Willemsorde, Nederlandsche Leeuw en de Oranje-Nassauorde).
Hij mag zelf vreemde ordes, waaruit geene verplichtingen
voortvloeien, aannemen. De prinsen en onderdanen hebben daar-
toe zijne vergunning noodig.
(*) Al deze regeeringsdaden geschieden echter ook volgens de wet en
onder de ministerieele verantwoordelijkheid.
-ocr page 12-
10
Hij heeft het recht gratie te verleenen van door de rechter-
lijke colleges opgelegde straffen.
Hij beslist omtrent geschillen tusschen provinciën en gemeenten
onderling.
Hij kan aan de Staten-Generaal wetsontwerpen en andere
voorstellen inzenden en de aangenomen begrootings- en andere
wetten goed of niet goed keuren; zijne handteekening en die
van een of meerdere zijner Ministers (contraseign) wordt vereischt
onder alle wetten en besluiten.
Ue afkondiging der wetten geschiedt in zijn naam.
Hij kan tot ontbinding der beide Kamers van de Staten-
Generaal besluiten.
Deze rechten (prerogatieven der Kroon genoemd) zijn even-
wel door bijzondere wetten nader geregeld, zoodat de constitu-
tioneele macht des Konings nooit in eene absolute (onbeperkte)
kan ontaarden en de samenwerking van Vorst en Volk ver-
zekerd blijft.
De Koning heeft zijn eigen Kabinet (thans het Kabinet der
Koningin), dat niet tot de hooge colleges van staat behoort,
waar al de werkzaamheden worden verricht, die onmiddellijk
van den Koning uitgaan.
De Ministers.
Berust bij den Koning de uitvoerende macht, feitelijk wordt
die uitgeoefend door de Ministers, die met den Koning de
Regeering vormen. Zij staan aan het hoofd van Ministeriën ot
Departementen, waar een groot aantal ambtenaren onder hunne
leiding werkzaam is.
Het zijn de Ministers en de Departementen van Buitenlandsche
Zaken; Justitie; Binnenlandsche Zaken; Marine; Financiën;
Oorlog; Waterstaat, Handel en Nijverheid; Koloniën.
Uitgezonderd de financieele schade door de regeeringsdaden
der ministers veroorzaakt, zijn zij voor die daden aansprakelijk
voor de wet en kunnen strafrechterlijk worden vervolgd.
Zij bespreken met den Koning alle regeeringszaken, als: de
aan de Staten-Generaal in te dienen wetsontwerpen en die
door die Staten worden aangeboden, de besluiten en maatregelen
van algemeen bestuur, de uit te vaardigen wetten enz., terwijl
die stukken steeds door den Koning en een der Ministers (ge-
woonlijk wiens departement het aangaat) worden onderteek end.
Elk departement ot ministerie heeft zijn eigen werkkring,
namelijk:
Buitetihmdsche Zaken. De betrekkingen die wij met buiten-
-ocr page 13-
11
landsche mogendheden onderhouden door de vertegenwoordiging
van ons land bij die vreemde natiën door gevolmachtigde
ministers, minister-residenten, gezantschapsraden, attachés en
secretarissen. Zij worden genoemd diplomatieke agenten en
behandelen de zaken van staatkundigen aard.
Voor de handelszaken en die van burgerlijken aard zijn aan-
gesteld consulaire agenten (consuls en vice-consuls).
Justitie. Het rechtswezen, dus de Hooge Raad, de gerechts-
hoven en andere colleges, de rechters, procureurs, advocaten,
deurwaarders, het notariaat, de Rijks-politie, de gevangenissen,
opvoedingsgestichten enz.
Binnenlandsche Zaken. Het onderwijs, kunsten en wetenschap-
pen, de volksgezondheid, het armwezen, de schutterij enz.
Marine. Al wat tot onze zeemacht behoort.
Financien. De inkomsten en uitgaven van het rijk, als: het
innen der directe en indirecte belastingen, invoerrechten en
accijnsen; de Staatsloterij; de domeinen; de toevallige baten;
verder het betalen van traktementen ; de rente der Staatschuld ;
kosten van openbare werken ; pensioenen; alsmede de zorg voor
de geldcirculatie, de munt; de Nederlandsche bank.
Oorlog. De landsverdediging (defensie) met al wat daartoe aan
levende en doode strijdkrachten behoort.
Waterstaat, Handel en Nijverheid. Het toezicht op de water-
keering en waterloozing; de dijken, rivieren en stroomen; de
Rijkswegen, de strandvonderijen; de belangen van landbouw, handel
en nijverheid ; de posterijen; de telegrafie, enz.
Koloniën. Al wat de Nederlandsche koloniën in Oost- en
West-Indie betreft, met afzonderlijke begrootingen en regeerings-
reglementen (grondwetten) voor Oost- en West-Indie.
De ministers zenden jaarlijks aan de Staten-(leneraal ter onder-
zoek en goedkeuring eene begrooting, waarin voor elk ministerie
afzonderlijk zijn opgenomen de inkomsten en uitgaven en al wat
verder tot de Rijksfinanciën behoort.
Kik minister verdedigt in de Kamers der Staten-Generaal de
door de Regeering ingediende wetsontwerpen en begrootingen
en vertegenwoordigt daar, gezeten aan een afzonderlijke tafel
(de groene tafel genoemd) zijn departement.
Is een Minister tevens gekozen tot lid van een der Kamers,
dan heeft hij daarin ook recht van stem; anders slechts eene
adviseerende (raadgevende).
Zij worden benoemd door den Koning.
Wordt eene ingediende wet of begrooting door de Staten-
Generaal verworpen, of wordt door deze eene motie van wantrouwen
in \'s ministers beleid of afkeuring zijner handeling aangenomen,
dan treedt in den regel de minister, wien zulks betreft, af (legt
zijne portefeuille neder en stelt die ter beschikking des Konings).
Betreft zulk eene verwerping of motie, al de ministers (het
geheele kabinet) dan treden allen (het geheele ministerie) af.
-ocr page 14-
VI
Hoewel geen ministerie zijnde, bestaat er ook eene Algemeene
Rekenkamer, met een president aan het hoofd. Aan deze Kamer
is de taak opgedragen alle inkomsten en uitgaven van het Rijk
te controleeren, en bij de minste onjuistheid worden de posten
niet goedgekeurd en wordt het daarbij betrokken Departement
terecht gezet.
De Raad van State
Dit lichaam is, zooals uit de eerste bladzijden van dit kort
begrip blijkt, reeds sedert eeuwen in de Nederlanden bekend.
Het is een adviseerend college, dat wil zeggen: het onder-
zoekt en geeft raad.
De Koning is voorzitter van dezen Raad, ofschoon de vice-
president steeds het voorzitterschap waarneemt. De Kroonprins
is bij zijn 18e jaar, zonder aanstelling, lid er van.
De Koning benoemt de leden van den Raad van State, die
den titel dragen van Staatsraad.
Er zijn ook Staatsraden in buitengewonen dienst, die door den
Koning ten getale van 15 kunnen worden benoemd. Dit ambt
is een eerepost. Zij worden voor sommige zaken tot de zitting
van den Raad opgeroepen en hebben dan dezelfde rechten als
de gewone leden.
De Raad van State is in verschillende afdeelingen verdeeld.
Hij onderzoekt de Koninklijke ontwerpen en besluiten vóór
die aan de Kamer der Staten-Generaal worden gezonden, evenals
de wetsontwerpen, welke door de leden van de Tweede Kamer
worden voorgesteld (initiatief-voorstellen), maar van laatstge-
noemden geschiedt het onderzoek door den Raad van State
eerst na aanneming door de beide Kamers.
In geschillen van bestuur bisschen provinciën ot gemeenten
en Gedep. Staten, is de beslissing, na een ingesteld onderzoek,
aan den Raad van State (afzonderlijk administratief-rechtsprekende
afdeeling).
Directe inmenging in de Regeeringszaken heeft dit college
niet. Alleen wanneer de Koning buiten staat is de Regeering
waar te nemen en er geen Kroonprins is, dan oefent de Raad
van State de Koninklijke macht uit, totdat er een Regent is
benoemd door de volksvertegenwoordiging.
-ocr page 15-
13
De Volksvertegenwoordiging.
De Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De volksvertegenwoordiging is de wetgevende macht, waardoor
niet alle regeeringsmacht bij den Koning berust, maar het volk
daarin ook een aandeel heeft en er dus samenwerking tusschen
Kroon en Volk plaats heeft.
Zij is verdeeld in een e Eerste en Tweede Kamer der Staten-
Generaal.
De leden der Tweede Kamer ot de Kamer van 100, moeten
zijn Nederlanders, den ouderdom van 30 jaren hebben bereikt
en! worden gekozen volgens eene daarvoor bestaande Kieswet.
{Zie het uittreksel hierachter).
Er zijn honderd leden, gekozen in de enkelvoudige districten
waarin het Rijk en de groote steden zijn verdeeld. Dat wil
zeggen dat de kiesgerechtigden van elk district één afgevaardigde
of lid verkiezen.
De verkiezing (candidaatstelling) heeft plaats op den eersten
Dinsdag der maand Juni, de eigenlijke stemming eenige dagen
later, terwijl al de leden vier jaren zitting hebben en te gelijk
aftreden en al of niet kunnen worden herkozen.
De Tweede Kamer kiest uit hare leden jaarlijks (dat is voor
elke nieuwe zitting, die van den derden Dinsdag in September
tot September des volgenden jaars duurt) een drietal, waaruit de
Koning eene keus als voorzitter doet.
De vergaderingen zijn openbaar, doch kunnen in zekere ge-
vallen ook met gesloten deuren plaats hebben.
De leden zijn vrij en onschendbaar, dat is: dat zij voor het-
geen zij in de Kamer spreken niet voor den rechter kunnen
worden geroepen.
Evenals de Koning en de Ministers (dus de Kroon, de Regee-
ring) ontwerpen van wet kunnen indienen, hebben ook de leden
van de Tweede Kamer dat recht (het recht van initiatief).
Zij onderzoeken en bespreken alle door de regeering aan de
Kamer ter goedkeuring ingezonden wetten en hebben het recht
daarin veranderingen te maken (het recht van amendement), ze
aan te nemen of te verwerpen, evenals zij zulks kunnen doen
met de jaarlijks door eiken minister voor zijn departement op
te maken en in te zenden begrooting van ontvangsten en uit-
gaven.
Zij hebben het recht de ministers omtrent hunne regeerings-
daden inlichtingen te vragen (te interpelleeren).
Zij hebben het recht omtrent zaken een onderzoek te gelasten
(het recht van enquóte). De uitoefening van dat recht wordt bij
de wet geregeld.
-ocr page 16-
14
Men heeft in de Tweede Kamer (ook in de Eerste) gewoon-
lijk eene rechter- en linkerzijde.
Wanneer de meerderheid der leden niet de zienswijze der
regeering is toegedaan, zoodat er geene voor land en volk vrucht-
bare samenwerking kan bestaan, heeft de Koning het uitsluitend
recht (prerogatief der Kroon) de Kamer te ontbinden en andere
leden door de kiezers te doen verkiezen. Vaak treedt dan echter
het kabinet of ministerie (de ministers) af en worden, door den
Koning vervangen door anderen, in den geest der meerderheid
van de leden der Kamer.
De leden der Kamer (ook die der andere colleges, wier leden
door het volk worden verkozen) mogen om verkozen te worden,
aan niemand iets schenken of beloven, en bij het uitbrengen
hunner stem over wetten enz. niet vooraf raadplegen met hunne
kiezers (ruggespraak houden).
Eerste Kamer der Staten-Generaal.
De Eerste Kamer der Staten-Generaal bestaat uit 50 leden,
welke worden gekozen door de Provinciale Staten. Elke provincie
kiest een zeker aantal. Zij worden gekozen uit de hoogst aan-
geslagenen in de rijks directe belastingen en uit diegenen der
inwoners, die hooge en gewichtige (bij de wet genoemde) be-
trekkingen bekleeden. Zij moeten Nederlander en 30 jaren oud
zijn.
De verkiezing heeft plaats in eene zitting der Provinciale
Staten op den tweeden Dinsdag van de maand Juli. De leden
worden verkozen voor een tijdperk van negen jaren. Zij treden
niet gelijktijdig af dan bij eene ontbinding der Kamer door den
Koning, maar om de drie jaren treedt een derde gedeelte at
(periodieke aftreding) en is weder herkiesbaar.
De leden der Eerste Kamer zijn, evenals die der Tweede
Kamer, onschendbaar.
De Voorzitter wordt telkens voor eene zitting (een jaar) recht-
streeks door den Koning uit de leden benoemd.
Aan de Eerste Kamer worden alle wetten en begrootingen,
welke door de Tweede Kamer zijn aangenomen, ingezonden,
waarna zij, na in sectiën te zijn onderzocht, in openbare ver-
gaderingen worden behandeld en besproken, " maar de leden
hebben niet het recht van amendement (verandering). Na de
discussie (bespreking) stemmen zij alleen vóór of tegen de wet
of begrooting. Daarna behoeven de wetten nog de goedkeuring
des Konings en de plaatsing in de Staatscourant om van kracht
te zijn.
-ocr page 17-
15
Er hebben ook vereenigde zittingen van de beide Kamers
plaats, bijv. bij de opening en sluiting der zitting en bij de
inhuldiging des Konings, ook bij de wet op het Regentschap
of de Voogdij over een Koning of Koningin.
Ook zijn bij de Grondwet vereenigde zittingen der beide
Kamers in dubbelen getale bepaald, als bij gebreke van een
opvolger voor den troon, een nieuwe opvolger moet worden
benoemd.
Niemand kan tegelijk lid van de Eerste en de Tweede
Kamer zijn.
Hij, die bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer
over zijne goederen heeft verloren of van de verkiesbaarheid is
ontzet, kan geen lid der Kamers zijn.
Geen lid van een der Kamers kan tevens lid zijn van den
Raad van State, president, vice-president, procureur-generaal,
advocaat-generaal of lid van den Hoogen Raad, president of lid
van de Rekenkamer of Commissaris des Konings in eene
provincie.
Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van een
der Kamers van de Staten-Generaal aannemende, zijn gedurende
hun lidmaatschap op non-activiteit.
Provinciale Staten.
Elke provincie heeft haar eigen college van Provinciale Staten,
welks werkkring in eene door de Staten-Generaal vastgestelde
en door den Koning bekrachtigde provinciale wet is bepaald.
Het aantal leden is voor elke provincie vastgesteld, terwijl men
in de provincie- moet wonen van wier Staten men lid wordt en
voor geen twee provinciën kan optreden.
De leden worden op den eersten Dinsdag der maand Juni
voor den tijd van zes jaren door de kiesgerechtigde ingezetenen
gekozen, waartoe elke provincie in districten is verdeeld, elk
waarvan een of meer leden kiest.
De helft der leden treedt om de drie jaar at, maar is weder
herkiesbaar.
Aan het hoofd van elke provincie staat een Commissaris
des Konings (thans der Koningin), die door den Koning wordt
benoemd en in diens naam optreedt. Hij is voorzitter in de
vergaderingen der Staten.
De hoogste bevoegdheid der Provinciale Staten is, dat door
hen worden benoemd of gekozen de leden voor de Eerste
Kamer der Staten-Generaal, zoodat zij een middellijken invloed
op de wetgeving des Rijks en de zaken der Regeering uit-
oetenen.
-ocr page 18-
16
Zij hebben een eigen gouvernementshuis, waar de bureaux
zijn gevestigd en waar een groot aantal ambtenaren, voor de
verschillende zaken in sectiën verdeeld, werkzaam is. Men noemt
dit het gouvernement of de provinciale griffie.
De leden der Provinciale Staten kiezen uit hun midden een
college van Gedeputeerde Staten, bestaande uit zes (in Drenthe
vier) personen, welk college is belast met het dagelijksch
bestuur der provincie en met de uitvoering der verordeningen
en besluiten door de Provinciale Staten vastgesteld in hunne
openbare vergaderingen, die gewoonlijk tweemaal per jaar, in
Juli en November, plaats hebben en zomer- en najaarsvergade-
ringen worden genoemd.
Tot de roeping der Provinciale Staten behoort in hoofdzaak
de regeling van het polder- en waterschapsbestuur en der openbare
werken in de provinciën. Zij hebben het recht de belangen der
provincie en hare ingezetenen bij den Koning voor te staan. Zij
mogen opcenten op de rijksbelastingen heffen en geldleeningen
sluiten. Zij houden toezicht op de eigendommen der provincie,
de wateren, wegen, bruggen, waterwerken, waterschappen, ver-
veeningen, bedijkingen, droogmakerijen, de jacht en visscherij in
de binnenwateren, de regeling der militie enz, en maken voor
dat alles de noodige verordeningen, keuren en reglementen, die
evenwel de goedkeuring des Konings behoeven en door hem
ook kunnen worden verworpen.
Zij zenden jaarlijks aan den Koning eene begrooting en reke-
ning en verantwoording der enkel provinciale en huishoudelijke
inkomsten en uitgaven der provincie.
Zooals reeds is gezegd, treedt uit de Provinciale Staten op een
college van Gedeputeerde Staten, waaraan de uitvoerende macht
is opgedragen.
Aan dat college moeten de besturen van alle gemeenten
hunne jaarlijksche begrootingen en rekeningen ter goedkeuring
inzenden, alsmede een aantal besluiten en verordeningen, welke
het kan verwerpen, met beroep op den Koning.
Ook zenden de gemeentebesturen jaarlijks een verslag van den
toestand hunner gemeenten aan die Staten, welke op hun beurt
weder een verslag van den toestand der provincie aan de rijks-
regeering inzenden.
Gedeputeerde Staten worden door de Regeeriug zeer dikwijls
geraadpleegd omtrent verschillende zaken, vooral omtrent het
lager onderwijs; de volksgezondheid, den landbouw enz. en geven
dan de noodige inlichtingen.
Alle besturen van hoogheemraadschappen en polders zijn
onderworpen en rekenplichtig aan de Provinciale Staten.
-ocr page 19-
17
Gemeenteraden.
Aan het hoofd van elke gemeente staat een burgemeester, die
door den Koning voor den tijd van zes jaren wordt benoemd.
Hij is voorzitter van den Gemeenteraad, en heeft daarin,
wanneer hij er niet tevens lid van is, eene raadgevende (advi-
seerende) stem.
Hij is tevens hoofd der gemeentelijke politie en regeert volgens
eene door de Staten-Generaal vastgestelde en door den Koning
bekrachtigde Gemeentewet.
Hij zorgt voor de uitvoering en naleving der Rijkswetten
en van de verordeningen welke door den Raad worden vastge-
steld. Hij treedt voor de Gemeente in rechten op (bij processen)
en is dan eischer of gedaagde.
De leden van den Gemeenteraad worden door de kiesgerech-
tigde ingezetenen uit de ingezetenen der Gemeente gekozen. Het
aantal leden regelt zich naar de bevolking der Gemeente en
loopt van 45 tot 7. Zij worden verkozen voor zes jaren; om de
twee jaren treedt een derde gedeelte af en is herkiesbaar.
De verkiezing heeft plaats den laatsten Dinsdag van de maand
Juni.
Geen bloedverwanschap mag bestaan tusschen den burgemeester
en de leden van den Raad of tusschen de leden onderling; ook
geen zwagerschap in den eersten en tweeden graad.
Ambtenaren der Gemeente, commissarissen van politie, geeste-
lijken, onderwijzers bij het lager en middelbaar onderwijs en
krijgslieden in werkelijken dienst kunnen geen lid van den Gemeen-
teraad zijn.
Aan den Raad is opgedragen de zorg voor de zedelijke en
stoffelijke belangen der Gemeente, die hij door politie- en andere
verordeningen en bijzondere bepalingen kan verzekeren.
De Raad houdt zoo dikwijls dit noodig is openbare zittingen
tot het bespreken van de belangen der Gemeente en hare inge-
zelenen. De openbare vergadering kan ook worden veranderd in
eene geheime, voor het publiek en de pers niet toegankelijk
(geheim comité).
Hij heeft het recht tot het heffen van plaatselijke belastingen
en het sluiten van geldleeningen enz.
Een en ander steeds onder de goedkeuring des Konings of van
Gedeputeerde Staten.
De Raad benoemt en ontslaat alle ambtenaren der gemeente
en regelt hunne bezoldiging.
De leden kiezen uit hun midden een college, wethouders
genoemd, deze vormen met den Burgemeester het Dagelijksch
Bestuur. Zoo is er een wethouder voor openbare werken; een
voor den burgerlijken stand; een voor het onderwijs; een voor
de financiën.
Ieder wethouder zorgt voor de belangen en den goeden gang
-ocr page 20-
18
der zaken tot zijne afdeeling behoorende. Zij genieten een vaste
bezoldiging.
De leden van den Raad ontvangen geen bezoldiging, maar
kunnen onderling een presentiegeld vaststellen.
Hoe men Kiezer wordt.
Om kiezer voor leden van de Tweede Kamer of der Provin-
ciale Staten te worden, moet men zijn Nederlander of als zoo-
danig zijn erkend (genaturaliseerd) en op den 1513™ Mei van
het jaar, waarvoor de kiezerslijst wordt vastgesteld, den ouder-
dom van 25 jaar hebben bereikt.
Men moet over het volle laatst verloopen dienstjaar zijn aan-
geslagen in de grondbelasting voor ten minste een bedrag van
een gulden, in de vermogens-, bedrijfs- of personeele belasting,
en die aanslag ook hebben betaald.
De aanslag der vrouw en der minderjarige kinderen geldt
voor den echtgenoot en vader.
Wie in deze belastingen niet is aangeslagen, kan toch kiezer
worden indien hij, gehuwd of ongehuwd, voldoet aan een der
volgende bepalingen:
i°. Wanneer men als hoofd van een gezin of alleen wonend
persoon op den 31 Januari sedert den iste" Augustus van het
vorige jaar in huur had een huis of gedeelte daarvan en in die
zes maanden slechts ééns is verhuisd.
(De minste huurprijs is voor elke gemeente door de wet be-
paald en loopt van f 0.80 tot f 2.50.)
2". Indien men als eigenaar of huurder gedurende genoemd
half jaar heeft bewoond een zelfde vaartuig van ten minste 24
kubieke Meter.
3<>. Wanneer men op den 31 sten januari sedert den i9ten Janu-
ari van het voorafgaande jaar bij denzelfden persoon of instelling
in dienstbetrekking of als inwonende zoon in het beroep zijner
ouders is werkzaam geweest en over dat jaar zeker loon heeft
genoten.
(Het kleinste bedrag van het loon is voor elke Gemeente door
de wet bepaald en loopt van f 275 tot f 550 per 52 weken.)
40. Wanneer men aan loon en inwoning of kost en inwoning
in denzelfden tijd gelijk inkomen heeft.
(Hoeveel het minst voor inwoning en kost en inwoning mag
worden berekend is voor elke Gemeente door de wet bepaald
en loopt voor inwoning van f 25 tot f125 ; voor kost en inwoning
van f 175 tot f 350 per 52 weken.)
-ocr page 21-
19
Wie in vasten dienst is en door ziekte of verwonding in dat
jaar gedurende twee maanden geen loon heeft genoten, wordt
geacht het wel te hebben genoten.
50. Indien men aan pensioen of aan pensioen en loon een ge-
lijk inkomen heeft als in sub 30. gemeld.
6°. Wanneer men gedurende een jaar in eigendom heeft eene
inschrijving groot f 100 nominaal op het Grootboek der Natio-
nale Werkelijke Schuld.
70. Wanneer men gedurende een jaar in eigendom heeft een
inleg van ten minste f 50 in de Rijkspostspaarbank.
8°. Indien men een door of namens de wet gesteld examen
voor eenige betrekking heeft afgelegd.
Militaren van de land- en zeemacht van af den graad van
onderofficier zijn ook kiesbevoegd, indien zij aan bovengenoemde
voorwaarden voldoen.
Om kiezer te zijn voor den Gemeenteraad moet men eenjaar
in de Gemeente hebben gewoond; in één of meer der rijksbe-
lastingen zijn aangeslagen, en dien aanslag hebben betaald.
Niet aangeslagen zijnde in die belastingen, maar aan een der
andere vereischten voldoende, moet men bovendien in eene der
plaatselijke belastingen zijn aangeslagen (en ook hebben betaald)
een bedrag door de wet voor elke Gemeente bepaald en loopende
van ten minste f 0.80 tot f 2.50.
Van het kiesrecht zijn uitgesloten:
Zij, die hunne aanslagen in de belastingen niet hebben voldaan ;
Zij, wien dit is ontzegd bij eene onherroepelijk rechterlijke
uitspraak;
Zij, die in gevangenschap of hechtenis zijn;
Zij, die bij onherroepelijk rechterlijke uitspraak de beschik-
king of het beheer over hunne goederen hebben verloren;
Zij, die in het jaar, voorafgaande aan dat der vaststelling van
de jaarlijksche Kiezerslijsten, van eene instelling van weldadig-
heid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten
(geneeskundige hulp is niet van toepassing).
Schorsing heeft plaats ten aanzien van militairen der land- en
zeemacht beneden den rang van onderofficier, zoolang zij als
vrijwilliger of milicien in werkelijken dienst zijn.
Op valsche aangifte, onbevoegd optreden als kiezer, onbehoor-
lijk gedrag bij de stembus, het verkoopen van zijne uittebrengen
stem enz. zijn gevangenisstraf en boeten bepaald.
Hoe men Kiest.
Veertig kiesgerechtigden kunnen aan den burgemeester, op
een door hen allen onderteekend formulier, candidaten voor de
te vervullen plaats in Kamer of Raad inzenden op den daarvoor
aangewezen verkiezingsdag.
-ocr page 22-
20
Ten minste drie dagen vóór den dag der stemming ontvangt elk
kiezer eene kaart, waarop staat vermeld zijn naam, zijn nommer
op de kiezerslijst, het college waarvoor hij moet kiezen, den
dag waarop en de plaats waar hij moet kiezen, alsmede de
namen der candidaten waaruit hij kan kiezen.
Met deze kaart gaat de kiezer naar het daarop vermelde
stembureau, geeft die aan den Voorzitter over en ontvangt dan een
stembiljet, waarop wederom de candidaten zijn vermeld, staande
voor eiken naam een teeken f dit: JTjÊ) een zwart vierkant
met in \'t midden een witte punt.
Met dit stembiljet gaat hij naar een der gereedstaande lesse-
naars, neemt het daaraan hangende potlood en maakt de witte
punt in het zwarte vierkant, dat voor den naam staat van den
candidaat op wien hij zijne stem wil uitbrengen, zwart.
Hij vouwt het stembiljet in vieren, zoo, dat het daarop ge-
plaatste stempel der gemeente van buiten zichtbaar is, gaat
weder naar de voorzitterstafel, houdt het biljet in de hoogte,
zoodat de voorzitter van het stembureau het stempel kan zien
en ontvangt dan van dezen verlof het in de gereedstaande bus
te werpen.
Van onwaarde zijn alle biljetten die anders worden ingevuld
dan is voorgeschreven, waarop bijschriften zijn geplaatst en
waarop het stempel ontbreekt.
Indien een kiezer zijne stemkaart verliest of zijn stembiljet
verknoeit, kan hij aan het stembureau een ander bekomen.
P2en lichamelijk gebrekkig kiezer kan zich door iemand doen
bijstaan.
De stembureaux moeten geopend zijn van \'s morgens 8 uur
tot \'s namiddags 5 uur.
Naschrift aan de Kiezers uit den werkenden stand.
Uit dit kort begrip heeft men nu eenigszins bemerkt hoe het
Nederlandsche staats- en burgerlijk bestuur is ingericht en hoe
alle colleges aan elkander aansluiten en een goed geheel vormen.
Men zal nu begrijpen, wat „kiesrecht" beteekent en welk
krachtig woord het volk daardoor in de regeering des lands
mag meespreken, omdat het zelf de mannen kiest aan wie het
maken der wetten, de uitvoering daarvan en de beschikking
over de geldmiddelen is opgedragen.
Zullen na de nu plaats gehad hebbende uitbreiding van het
kiesrecht vooral de werklieden daarvan gebruik maken, en na
het jarenlange geschreeuw en geschrijf daarover nu ook toonen
dat zij dat recht op prijs stellen, en niet wegblijven wanneer zij
naar de stembus worden geroepen?
-ocr page 23-
21
Het is te hopen! Maar te wenschen is het ook dat zij het
doen ordelijk en na wijs overleg.
Het kiesrecht geeft den werkman geen brood, maar er is nog
veel in onze wetten wat vooral in het belang van den werkman
op verbetering en daarstelling wacht. Als daar zijn:
een betere armenwet;
een staats-pensioenfonds voor alle ouden en gebrekkigen uit
den werkenden stand;
het tegengaan van overmatigen arbeid en het drankmisbruik;
verbetering der woningtoestanden;
de verwaarloozing der kinderen doen ophouden;
arbeids -contracten;
gedwongen leerplicht en kosteloos onderricht voor ieder op de
hoogere scholen;
minimumloon en maximum arbeidstijd;
opheffing van het verbod tot onderzoek van het vaderschap ;
verbetering van het pachtcontract;
verbetering van den rechtstoestand der vrouw;
algemeene dienstplicht:
en wat er al meer is.
Welnu, dat moet in de eerste plaats gebeuren door de tusschen-
komst der Tweede Kamer van de Staten-Generaal, waarvoor de
verkiezing in Juni aanstaande is, en die een heeten strijd tusschen
de partijen belooft te worden.
Brengt uwe stem dus uit op die mannen, van wie gij weet
of verneemt dat zij de belangen van den werkman zijn toege-
daan, niet door eerzucht om een zetel in die Kamer, maar door
waarachtige overtuiging, toewijding en verstand.
Heeft iemand voorlichting noodig wien hij zal kiezen, hij
vrage die aan onbevooroordeelde mannen, die het weten kunnen,
of zoeke die door zich aan te sluiten bij kiesvereenigingen van
burgers of werklieden.
Bestaat bij de werklieden misschien het plan een werkman te
kiezen als afgevaardigde in de Tweede Kamer of in een
Gemeenteraad, dan kieze men geen heethoofd, maar een be-
zadigd, ordelijk, ontwikkeld persoon, onverschillig van welken
godsdienst, maar iemand die op dit punt neutraal en verdraag-
zaam is, want de werklieden zijn allen broeders, die door geen
verschil van godsdienst van elkander verwijderd mogen staan.
Men zoeke dit doel te bereiken door overleg en samenwerking
met de Kiesvereenigingen uit de burgers; niet door de werk-
lieden afzonderlijk, want dan is het te vreezen dat door ver-
snippering. van stemmen dit pogen wordt verijdeld en de klassen-
haat wordt aangewakkerd.
Den Htnig,
April 1897.
M. J. Gillissen.