-ocr page 1-
xofö*
\'•■^/M?
wivi
.-»> \\
De vürkifizinp voor het Kiesco ege.
EEN ERNSTIG WOORD
AAN DE
O-EiMIEIEIlSr\'riE UTEBOHT,
DOOR
ELI-DAN.
. - •
\' 7 /
*£■£--4;Ci c-ïs ^V7V \'7-
<?* \'*-*t. V~VT *-..:,
^"©K
\\ ^N V ^ y\\
^
UTRECHT
\\
V *^^E MINK & ZOON,
(over de Domkerk).
1897.
Prijs ƒ 0.15.
l
-ocr page 2-
.
■ £t&\'&£,:&
<
. .
\'
•
.
-
,■
f--m^:^-L
.
.
.
-ocr page 3-
De verkiezinaen voop let Kiescolleae.
EEN ERNSTIG VOORD
AAK DE
GKEÜVLEZEÜXTTIE XJTHEOHT,
DOOE
ELI-DAN.
>H&*
UTRECHT,
KEMINK & ZOON,
(over de Domkerk).
1897.
-ocr page 4-
AAN DEN LEZER!
Waarde Lezer, ik zend dit boekje de wereld in onder een
pseudoniem. Niet, omdat ik mij schaam voor de icaarheid,
daarin beleden. Maar het is zeer jammer, dat een werkje dik-
werf geprezen of veroordeeld wordt niet om den inhoud, maar
om den persoon die het schreef. Dat zou mij zeer spijten als
dit nu het geval was. De ernst van de verkiezingen kan niet
genoeg beseft worden. Daarom wilde ik gaarne dat, afgezien
van den schrijver, het aangebodene nauwlettend worde gelezen
met een onbevooroordeeld harte. Ik heb geschreven onder den
naam
„Eli-dan", omdat deze naam beteekent „Mijn God is
rechter", en ik dit nederschrijf voor het aangezicht van Hem,
die de harten kent en de nieren proeft, en weet, dat ik mijzelven
niets anders bewust ben dan, afziende van de personen, te
spreken om des beginsels wille. Moge God Almachtig in deze
gemeente Zijn Koninkrijk uitbreiden en zegene Hij daartoe allen
arbeid die om Zijns Naams wille verricht wordt.
De Schrijver.
-ocr page 5-
IHSTLEHDIlTGh
K. Goede avond, buurman, als gij er niet op tegen hebt,
dan kom ik eens een oogenblikje praten.
P. \'t Is best buur, maar is er wat gewichtige aan de hand,
want mij dunkt, uw gezicht vertelt er mij iets van.
K. Gij maakt het mij gemakkelijk, en ik val dan maar
dadelijk met de deur in huis. Ik kom van avond eens met
u praten over de kerkelijke verkiezingen.
P. Over de kerkelijke verkiezingen ? Nu ik heb daar niet
zoo heel veel zin in. Ik laat anderen kiezen en blijf altijd
zelf maar stilletjes thuis. Mij dunkt, dat wij dan het minst
ons zelven lastig maken.
K. Dat is waar, maar buurtje, zijn wij dan ook soms voor
ons gemak op de wereld? Ik zie daar het martelaarsboek
voor u liggen. Stel eens voor, dat alle menschen er altijd
zoo over gedacht hadden, en gedaan dat het gemakkelijkst
was, dan zouden er zeker nooit geen martelvuren zjjn ge-
weest, want heusch, buurman op den brandstapel stond men
niet op zijn gemak!
P. Nu ja, dat is heel wat anders! Toen ging het om de
waarheid, vriend!
K. Ja daar hebt gij het nu juist, toen ging het om de
waarheid, en nu gaat het ook om de waarheid, en als ge
-ocr page 6-
4
dat nu in moogt zien door Gods genade, dan ben ik er zeker
van buur, dan blijft gij niet op den stoel!
P. Hoor eens gij moet niet te bout spreken, om de waar-
heid zou het nu gaan? Dat is toch wel wat al te kras. Maar
kom dan eens en bewijs mij hetgeen gij daar zoo driestweg
uitspreekt.
K. Goed daar ben ik juist voor gekomen en daarom
zullen wij eens met elkander spreken over het gewicht der
a. s. verkiezingen !
Gereformeerd en Ethisch.
K. Weet gij wel, buurman, dat er twee richtingen zijn,
die beide orthodox heeten, maar waartusschen eene klove is,
zoo breed, dat men met de zevenmijlsch laarzen van klein
duimpje die nog niet over kan stappen?
P. Gij bedoeld zeker de ethischen en de gereformeerden ?
K. Juist, en het verschil tusschen hen is zoo groot, dat
de laatsten zich buigen voor den Christus der Schriften en
de eersten voor een Christus, dien zij zichzelven ge-
droomd hebben.
P. Wel foei man, wat een liefdeloosheid en dat van zoovele
ernstige menschen. Hoor eens K. als gij mij niet bewijzen
kunt zoo klaar als twee maal twee vier is, dat de Christus
dier ethischen zulk eene hersenschim is, dan zal ik u voor
een vuigen lasteraar houden, en gij zult uwe ongerechtigheid
dragen!
K. Ik ben zelf van den ernst mijner beschuldiging over-
tuigd, maar ik weet ook, dat ik op geene losse gronden
spreek, en ik zal het u, indien God mij duidelijkheid van
spreken geeft, klaarlijk doen zien. Maar voor alle dingen
ééne vraag: Gods Woord beslist immers ook voor u alles ?
Want anders kunnen wij niet redeneeren.
P. O zeker, als gij mij deze dingen bewijst door den
Bijbel, dan hoop ik overtuigd te zijn!
-ocr page 7-
5
K. Welnu het fijne puntje tusschen Gereformeerden en
niet-Gereformeerden zit in de algemeene verzoening.
P. Wat wil dat woord dan toch eigenlijk zeggen ? Ik hoor
er zoo dikwerf over spreken.
K. De algemeene verzoening leert, dat Jezus Christus in
de wereld gekomen is met het doel en voornemen om voor
alle menschen hoofd voor hoofd eene verzoening aan te
brengen.
P. Maar daar is toch niet veel tegen te zeggen! Wij lezen
immers in Johannes II : 2: Hij is eene verzoening voor onze
zonden en niet alleen voor de onzen, maar ook voor de zonde
der geheele wereld. Daar staat toch zoo duidelijk geheele
wereld. Ik moet zeggen, ik heb die woorden nooit helder
begrepen.
K. Wel P. dan eerst eens eene vraag. Wat beteekent
het woord wereld?
P. Wel ik zou denken alle menschen, die ooit op de
aarde zijn geweest, zijn, of zullen zijn, niemand uitgezonderd!
K. Zoo zoudt gij dat denken. Maar als de menschen van
Jezus zeiden: „Zie, heel de wereld volgt hem na," zou dan
daarmede ook bedoeld zijn alle menschen, die ooit op de
aarde zijn geweest, of zullen zijn, niemand uitgesloten?
P. Ben je dwaas man, neen, dat weet ik wel beter. Ik
dacht nu juist aan dat woord niet, maar nu gij het zegt,
herinner ik het mij. Neen dat beteekent daar allerlei men-
schen, rijken en armen, wijzen, eenvoudigen, braven en
slechten, in één woord: allerlei soort.
K. Recht zoo, dat ben ik geheel met u eens, maar dan
ziet gij, dat het woord wereld dus in den Bijbel niet altijd
beteekent alle menschen hoofd voor hoofd. Nu moet gij mij
toestemmen, dat in Johannes dit woord wereld dus die be-
teekenis ook niet behoeft te hebben. Het zou kunnen zijn,
dat het daar ook eens minder algemeen was.
P. Maar hoe moet ik dan dit woord begrijpen?
K. Wel gij weet wel, dat de Christenen uit de Joden nog
-ocr page 8-
6
wel eens geneigd waren, om wat uit de hoogte op de Christenen
uit de heidenen neder te zien. Petrus, Jezus discipel nog
wel, onttrok zich in Antiochië aan de gemeenschappelijke
aanzitting met de Christenen uit de Heidenen uit vreeze voor
de Joodsche Christenen. Hij werd daarover in het openbaar
door Paulus bestraft. Daarom ijverden de apostelen er altijd
voor om de Christenen uit de Joden het op het harte te
binden, dat in Christus geen onderscheid is tusschen Jood en
Griek, man en vrouw, en vrije en slaaf. Johannes hier nu
ook sprekende van de verzoening van Christus zegt:
Hij is niet alleen eene verzoening voor onze zonden, n.m-
voor ons, Joden, maar voor de zonde der geheele wereld,
voor barbaren en grieken, en allerlei natiën en tongen.
P. Best, dat kan heel goed de bedoeling zijn, dat gevoel
ik ook. .\'t Is eene duidelijke, ongekunstelde uitlegging, en daar
houd ik van, maar als de wereld dus beteekenen kan allerlei
volken
en ook alle menschen hoofd voor hoofd, met welk
recht neemt gij dan de eerste beteekenis aan en niet de
tweede?
K. Wel, man, luister! Kan de Bijbel zichzelf tegen-
spreken ?
P. Neen zeker niet, want de Bijbel is het werk van den
H. Geest, en de H. Geest kan niet op de eene bladzijde
leugen verklaren, wat hij op de andere bladzijde als waarheid
geleerd heeft.
K. Juist. Als dan de H. Geest zeer duidelijk leert, dat
Jezus alleen gekomen is voor Gods uitverkoren gemeente, kan
Hij dan gelijkelijk leeren, dat Jezus voor alle menschen gekomen
is, hoofd voor hoofd? En als er dan een tekst is, die men
tweeledig kan uitleggen, in de laatste en in de eerste be-
teekenis, zijn wij dan niet gebonden door andere bijbelplaatsen
in onze uitlegging?
P. Ja dat gevoel ik, dat noem ik Schrift met Schrift
uitleggen.
K. Juist en zoo noem ik het ook. Nu lezen wij heel
-ocr page 9-
7
duidelijk, dat Jezus particulier voor Gods kinderen gekomen
is, dat de genade Gods niet over allen gaat.
P. Zoo, ik wil daar toch wel eens gaarne van hooren.
K. Welnu zien wij dan eerst op Israël. Indien Jezus
voor allen hoofd voor hoofd gestorven ware, zou God dan
die blijde boodschap ook niet aan allen hoofd voor hoofd
bekend gemaakt hebben? En nu lees ik toch zoo duidelijk
in Psalm 147:19, 20: „Hij maakt Jacob Zijne woorden be-
kend, Israël Zijne inzettingen en Zijne rechten, alzoo en heeft
Hij geen volk gedaan, en Zijne rechten, die kennen zij niet."
In Hand. 14: 16 lezen wij, „welke in voorledene tijden alle
de Heidenen heeft laten wandelen in hunne wegen." Indien
alle menschen hoofd voor hoofd Gods lieve kinderen waren,
voor wie Hij Zijn Zoon heeft opgeofferd, zou dan God zoo
met de Heidenen hebben gedaan? Kunt gij u een hemelschen
Vader voorstellen, die Zijn lieve kinderen in hunne eigene
wegen wandelen laat? Neen, neen, dat weten de vromen wel
beter. Dien God liefheeft, kastijdt Hij en niet weinig ook.
Genoeg, wij zien dat God dus zelf onder het Oude Verbond
een lijn heeft getrokken en de afschaduwing van den Christus
niet aan allen hoofd voor hoofd heeft medegedeeld.
P. Dat is duidelijk, maar misschien was Israël van nature
wel wat vatbaarder voor het Evangelie?
K. Maar buur, hoe heb ik het nu met je? De Heere zegt:
Ik doe het niet om uwentwille, maar om Mijns grooten Naams
wille. Veertig jaren had de Heere verdriet in de woestijn
aan dat volk, dat is: juist zoolang, als zij er in waren. De
Heere zegt, dat Hij de armen heeft uitgestrekt tot een weder-
spannig en weerstrevend volk. Israël wordt vergeleken met
een pasgeboren, weggeworpen kind, dat in zijn bloed vertreden
lag! Ik vraag u, wat begeerlijks is daar nu in?
P. Neen buurman, dat woord trek ik in, ik gevoel, dat
ik een dommen zet deed. Ja ik moet ook zeggen, dat voor
alle
menschen is mij te kras. Maar dat is het Oude Ver-
bond, hoe ia het onder het Nieuwe?
-ocr page 10-
8
K. Precies hetzelfde. Ook nu zijn er, als wij alle naam-
christenen eens echte christenen noemen, toch nog 1000
millioen, die wandelen in het goeddunken des harten. Indien
Jezus voor allen gestorven ware, zou er dan van Gods wege
niet gezorgd zijn, dat alle bewoners der aarde ook nu het
Evangelie hadden! Wat baat hun de liefde Gods als deze
wel Zijn Zoon zendt, maar de prediking uit welke het geloof
is, achterwege laat? Wat zoudt gij wel van een schipper
zeggen, die een schip in nood op de baren ziet, en nu al
zijne krachten inspant om de reddingsboot aan strand te
krijgen, alle man in het gareel brengt en dan, als alles voor
de redding gereed is, zijne boot aan het strand laat staan?
En zoo is het toch maar met de algemeene verzoeningsleer.
God zou voor die 1000 millioen heidenen de grootste inspan-
ning Zijner krachten gedaan hebben in het oneindige offer
van Zijn Zoon, en, als alles volbracht is, zou God verder
naar hen niet omzien en hen op de baren der levenszee
laten omkomen. Is dat geen radicale onzin, buur?
P. Ja, maar ik heb ook wel eens gehoord, dat die
heidenen die zonder kennis aan het Evangelie sterven, óf niet
opstaan, óf nog een bekeeringstijd na dit leven hebben.
K. Dat gij het gehoord hebt, geloof ik graag! De mensen
maakt droevige bokkesprongen om aan het leerstuk der vrije
genade te ontkomen. Een ding is zeker. Gij hebt het niet
uit Gods Woord gehoord!
P. Niet?
K. Luister eens eventjes wat Paulus zegt van hen die de
wet als Israël niet ontvangen hebben. „Die zonder wet ge-
zondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan."
P. Dat is kort en krachtig, daar zwijg ik op.
K. Goed, maar ik wil nog iets aan dat particuliere toe-
doen. De Engel zeide tot Maria: „gij zult zijn naam heeten
Jezus", want (en nu komt immers het doel der zending, zooals
dat in den naam ligt uitgedrukt), „want hij zal Zijn volk zalig
maken van hunne zonden." Hij kwam dus voor Zijn volk.
-ocr page 11-
9
Johannes verhaalt ons een heerlijk woord van Jezus. „Ik ben
de goede herder! De goede herder stelt zijn leven voor zijne
schapen!" Daar wijst Jezus dus zeer duidelijk op zijne zelf-
offerhande voor zijne schapen, en wie zijn nu die schapen?
Alle menschen hoofd voor hoofd ? Wel Jezus beschrijft ze
ons nader en zegt: „Ik ken de Mijnen en word door de
Mijnen gekend!" En nu vraag ik u, of van hen die Jezus
verwerpen tot hun dood gezegd kan worden, dat zij den
herder kennen? Immers neen, want indien zij Hem gekend
hadden, zij zouden den Heere der heerlijkheid niet verworpen
hebben, want die Jezus kennen, zijn eerst door hem gekend:
„Ik ken de Mijnen!" Nog sterker drukt Jezus zich uit: „Ik
heb nog andere schapen, die van dezen (nam. Israelitischen)
stal niet zijn, deze moet ik ook toebrengen en zij zullen
mijne stem hooren." Zijn die schapen nu alle menschen zonder
onderscheid, dan moesten ook allen hooren, want, zegt Jezus,
zij zullen mijne stem hooren. Zijn er, die geene schapen zijn,
dan heeft Jezus daar zijn leven ook niet voor gesteld. Mij
dunkt, het is zoo duidelijk mogelijk, buur.
P. Ja het is duidelijk, ik weet er niets tegen in te brengen.
K. Nu dan zullen wij het nu hier maar bij laten. Ik voor
mij zou u anders nog wel gaarne een menigte plaatsen noemen,
waar van die, die Christus verlost heeft door zijn dood, ge-
zegd wordt, dat zij zijne gemeente, zijn lichaam zijn, een huis
waaraan niets ontbreekt enz. Maar wij zijn het nu daarover
eens, dat wij van die remonstrantsche leer der algemeene ver-
zoening niets hebben moeten. Met het oog op de Utrechtsche
verkiezing staat dat voorop als een paal boven water, niet
waar?
P. Ja, onder voorwaarde, dat gij mij nu eerst eens het
nadeelige van de leer der algemeene verzoening aantoont.
Want al is zij nu onwaar, het zou toch kunnen zijn, dat zij
niet bijzonder nadeelig was, en dat het veel beter ware om
des lieves vredes wille dat stuk maar te laten rusten. Er is
zooveel geharrewar in de wereld en de liefde is toch al zoo
2
-ocr page 12-
10
verkoeld en daarom zeg ik met de Schrift: zooveel in uw
vermogen is, houd vrede met alle menschen.
K. Heel best, maar er is een valsche vrede niet waar,
buur? Op het kerkhof is het ook rustig en stil, maar het
is dan ook een kerkhof! En in de Roomsche kerk is het
ook zoo vreedzaam, maar het is niet minder de ruste des
grafs. Kijk buur, ik lees in Ezechiel, dat, toen de Geest in
de doodsbeenderen werken ging, er leven kwam en beweging.
En dus vrede is goed, maar het mag toch niet ten koste
der lieve waarheid.
P. Neen, dat ben ik wel met je eens, maar ik wil toch
eerst van u eens zien wat het nadeelige er van is, ik ben
en blijf toch bang voor niets afdoende twisten.
Het verdervelijke der algemeene verzoening.
K. Luister, die de algemeene verzoening prediken doen
af van de volheid van Christus!
P. Bewijs.
K. Bewijs het zelf! Christus is voor allen gestorven,
zeggen zij, en toch worden niet allen behouden. Dus is het
offer van Christus niet genoegzaam. Dat is zoo helder als
de zon. Christus is misschien een halve Zaligmaker, maar
geen volkomen Zaligmaker.
P. Maar zouden zij dan de verzoening ook anders op-
vatten?
K. Ja juist, dat is het hem. Het borgtochtelijke leeren
zij niet.
P. Wat bedoelt gij daarmede?
K. Wel ge weet wat bij de loting der militairen een
nummerverwisselaar is. Er zijn eenige nummers getrokken,
en nu zijn er twee die willen omruilen. Dan komt b.v. 8 te
staan waar 20 stond, en 20 komt op de plaats van 8. Dan
ondergaat 20 alles wat 8 ondergaan zou hebben, en 8 wat
met 20 had plaats gehad. Loot N\'} 8 in, dan wordt de
-ocr page 13-
11
jongen, die eerst 20 had, soldaat. Hij die eerst 8 had komt
vrij, als 20 vrij is en wordt eerst opgeroepen, als door sterf-
geval of andere omstandigheden 20 mede moet uittrokken.
P. Nu ja, dat weet ik wel.
K. "Welnu zoo is het ook met den borgtocht van Jezus. Jezus
komt op de plaats te staan van Gods zondige volk, en wordt
dus onder de misdadigers gerekend, en wordt zonde gemaakt,
en over Hem komt de vloek der wet; en nu ook omgekeerd,
waar Jezus door Zijne lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid
alles volbracht heeft en de eeuwige gerechtigheid verworven
heeft, daar staan nu Gods kinderen op de plaats van Jezus
en zooals hunne zonden Zijne zonden werden, zoo wordt nu
Zijne gerechtigheid hunne gerechtigheid.
P. Dat versta ik!
K. Ja P. en dat is alleen de ruste der ziel. De monnikspij
moet van onze eigengerechtige schouderen af, buur. Met
de geeselknoopen slaan wij er de zonden in onze ziel niet uit,
maar als de Heere ontkleedt, dan legt Hij dien mantel van
Christus werken over de schouderen van Zijn arme volk en
hunne naaktheid is bedekt.
P. Goed, goed, maar willen dan die ethischen daar
niet aan?
K. "Wel man, hoe kan je dat vragen! Als Christus
Borg voor alle menschen is, dan komen zij immers allen
op Zijne plaats te staan en dan kan niemand verloren gaan
in der eeuwigheid. De poorten der hel zullen Christus\'
gemeente niet overweldigen, die Hij gekocht heeft met Zijn
dierbaar bloed. En daarom huiveren zij van dat borgtochte-
lijke karakter van de voldoening van Christus, als eene ver-
zoening van Gods wraakvorderende gerechtigheid.
P. Maar hoe stellen zij dan de verzoening voor?
K. Zoo algemeen mogelijk! Kent gij de geschiedenis van
de ladder Jacobs? Welnu volgens hen is Jezus alleen zulk
eene ladder, die hemel en aarde verbindt, en waarlangs de
zondaar nu maar naar boven moet klauteren.
-ocr page 14-
12
P. Maar, buurman, zij zullen toch wel leeren, dat de
mensch dat niet kan!
K. Welzeker, en dan leeren zij er bij, dat er eene mede-
werkende genade des Geestes is, die er bij komt om een
weinig te helpen! Nu, gij zult mij toestemmen, dat dit „een
beetje helpen" kan voor een sterken man, maar P. als er nu
een Mephiboseth is, die aan beide voeten kreupel is,
wat dan?
P. Ja zulk een moet wel geheel naar boven gedragen
worden!
K. Juist. En als hij er dan nog eens een onwillige bij is ?
P. Ja, dan moet hij gewillig gemaakt, en ter deeg vast-
gehouden, anders woelt hij zich los en zou op de bovenste
sport van de ladder nog naar beneden springen ook.
K. Juist buurman, daar hebt gij het, en waar nu niet
de algemeene, maar de particuliere verzoening geleerd wordt,
daar gelooft men en rust men in den Christus, die alle schuld
volkomen betaald heeft, en die door Zijn arbeid het recht heeft
verworven om door den H. Geest woning in Gods kinderen
te maken. Zij mogen alle zorgen voor Jezus werpen, Hij is
een volkomen Middelaar. Maar dat gaat niet bij de algemeene
verzoeningsleer, en daarom zeg ik in de eerste plaats, dat
deze aan de volheid van Christus afdoet.
P. Nu ja, dat zie ik ook, maar is het nu nadeelig voor
de menschen? Het geeft toch wel een ruim aanbod van ge-
nade, en daar houd ik van.
K. Hoor eens P. Vooreerst moet gij mij toestemmen, dat
de eere Gods meer geldt dan de zaligheid van onze ziel.
Alleen dus reeds hierom dat de algemeene-verzoeningsman-
nen aan de volheid en algenoegzaamheid afdoen van Jezus,
moet hun leer ons afschuwelijk zijn, maar bovendien ook
voor de menschen is zij hoogst nadeelig!
-ocr page 15-
13
De algemeene verzoeningsleer nadeelig
voor menschen!
K. Maar ik zal u ook dit bewijzen! Ik neem een voor-
beeldje van mijne eigene ondervindingen. Ik bezoek zoo nu
en dan wel eens een kranke! Zoo kwam ik ook eens bij
een armen man, die den dood al reeds op het aangezicht had.
Ik vroeg, hoe of hij het maakte. Ik bedoelde dit in geestelijken
zin, want het andere zag ik wel. De man dacht echter, dat
ik zijn tijdelijke omstandigheden bedoelde, en toen vertelde
hij mij, van zijne ziekte, van zijne armoede, en toen kwam er
een stortvloed van woorden, waarbij de man zijne ontevreden-
heid uitdrukte, dat hem zoo weinig bedeeld was geworden!
P. Was dat waar!
K. Ja men bedeelt hier niet veel. Er zijn honderde ver-
eenigingen, die het geld wegvangen. Als er veel gejaagd
wordt, is het wild weinig! En de menschen geven het liever,
zoo het schijnt, aan menschelijke instellingen dan het aan de
van God ingestelde diaconie te geven. Maar dat doet hier
eigenlijk niets ter zake. De man had natuurlijk wel zooveel
gehad, dat hij geen gebrek behoefde te lijden. Maar P. nu
eene vraag? Hoe denkt gij over den geestelijken toestand
van iemand, die mopperende voor de poort van de eeuwig-
heid ligt?
P. Ja, daar antwoord ik nog eens niet op. Maar wat
deedt gij?
K. Ik begon dien man natuurlijk te wijzen op het eene
noodige, en ik vroeg hem of hij wist dat hij sterven ging!
P. En zijn antwoord?
K. Wel, dat wist hij wel, en hij was er maar blijde om
ook, dan was hij uit alle verdriet. En op de vraag, of hij dan
zekerheid van zijne zaligheid had, was zijn antwoord: „Och
daar hoop ik wel op, want Jezus is toch voor ons gestorven!"
Dat was zijn oorkussen P. Is dit niet bedroefd? Dat is de
-ocr page 16-
14
vrucht van die algemeene verzoeningsleer. Evenals in de
dagen voor de Ballingschap de Israëlieten riepen: „Des Heeren
tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel is deze" zoo
riep ook deze man: „De Heere Jezus, de Heere Jezus is
deze" maar evenals God den tempel aan de Israëlieten ont-
nam, zoo heeft de Heere dat oorkussen ook aan dien man
ontnomen. O, P. wat is het toch verschrikkelijk, met een
ingebeelden hemel naar de hel!
P. JS"u ja, maar dat is er nu één, zijn er meer?
K. Wel P. honderden! ik verzeker het je! En hoe kan
het anders! De kleine kinderen leeren het al in hun jeugd.
Zij zuigen het met den paplepel in. Vraag maar eens een
catechisantje, voor wie dat Jezus gekomen is, en van de hon-
derd negen en negentig maal zal het antwoord zijn „voor ons!"
En dat voor ons zit er ingeroest, als zij oud geworden zijn!
P. Maar wat zou uw antwoord dan zijn?
K. Wel ik laat de Schrift maar spreken. Jezus is gekomen
niet om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot be-
keering. Als wij „zondaar" voor God worden! Als al onze
gerechtigheid ook voor ons een wegwerpelijk kleed is, zooals
zij het is voor God, als de wet voor ons een spiegel is geworden
waarin wij onze wangestalte zien, als diezelfde wet ons een
drijver wordt, die ons naar Jezus toejaagt, dan mag ik geloo-
ven, dat Christus ook voor mij is, op grond van Zijne belofte:
„die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen." Maar anders:
„die den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe!"
P. Dat is zoo, maar die man, waarvan gij zoo even
spraakt, misbruikte de leer der algemeene verzoening! Maar
mij dunkt, gij zult mij toestemmen dat misbruik daarom nog
geen gebruik verbiedt!
K. Gij hebt gelijk! Die man en honderden met hem
misbruiken haar. Maar als zij haar gebruiken, dan is het
niet minder slim.
P. Wat blieft u, daar te zeggen?
K. Dat gebruik hier al even ellendig is als misbruik. Ja
-ocr page 17-
15
buur, gij hebt goed gehoord. Kijk maar niet zoo verwonderd.
Dit zult gij mij toestemmen, één van tweeën: of de leer
wordt misbruikt, en dan is zij een oorkussen! of de leer
wordt gebruikt en dan is zij eene oorzaak van eigengerechtig-
heid. Want als Jezus voor allen gestorven is, dan moet er
iets in den mensch zijn, al is het nog zoo\'n spikkeltje, al is
het dat hij zich laat zaligen, in tegenstelling van anderen,
waardoor hij zalig wordt en de verzoening hem vruchtbaar
is. Ik wil je dat eens duidelijk maken met een woord van
een pater Jezuïet. Van den Hagen, een priester in den Haag,
schrijft het volgende: „De R. K. kerk leert, evenals alle
orthodoxe Protestanten, dat Christus door zijne bloedige offer-
hande aan het kruis niet alleen eene genoegzame, maar zelfs
overvloedige voldoening, eene voldoening van oneindige waarde,
heeft gegeven voor alle zonden van geheel de wereld. Zij leert,
dat de schat der genaden, welke Christus voor ons door
Zijn Kruisoffer heeft verdiend, onuitputtelijk groot, en dus
meer dan voldoende is, om alle menschen tot hunne eeuwige
zaligheid te brengen. De Katholieke Kerk erkent dus, dat
de losprijs voor onze zondenschuld aan het kruis door Christus
geheel en al werd afbetaald. Door het bloedig offer werd
het werk onzer verlossing in zoover geheel voltrokken, dat
alle genaden, welke ons ooit worden geschonken, daar dan
aan het kruis werden verdiend. Doch aan de genaden en
verdiensten van dat bloedig kruisoffer moeten wij worden
deelachtig gemaakt; de eenmaal gestorte losprijs moet ons
worden uitbetaald, moet inderdaad in ons bezit overgaan,
zoodat ieder onzer, daarmede woekerende, den hemel kunne
verdienen." Zie buurman, dat leert een pater Jezuïet. De
verdienste van Christus bestaat met hare toepassing hier in,
dat Hij voor ons het recht verworven heeft om te mogen
verdienen. Zoo is Christus voor alle menschen hoofd voor
hoofd gestorven en nu komt het er maar op aan wie er ge-
bruik van maakt en den hemel voor zich verdient.
jP. Ja dat zegt die Pater, en na het geen wij gesproken
-ocr page 18-
16
hebben, geloof ik ook dat onze Rem onstrantsche leeraars dat
leeren, maar K. volgt daar dan niet uit dat de Remonstranten
eigenlijk Roomsch zijn?
K. "Wel zeker Roomsch in hun eigengerechtige werken,
in al hunne vroomigheid. Er zijn er die vreeselijk verbeten
op Rome zijn! Maar geen wonder. Zij verschillen alleen
in den vorm, niet in het wezen, en die elkander het naast
staan, kunnen elkander het minst verdragen. Maar P. hebt
gij nu begrepen hoe die algemeene verzoeningsleer tot eigen-
gerechtigheid voert, niet door mishvuik, maar door gebruik?
P. Ja, maar nu wil ik nog éen ding weten. Gij zegt, de
Eemonstranten van onzen tijd, doen af van de volheid van
Christus; zijn gevaarlijk, want zij voeren bij misbruik tot doode
gerustheid, bij gebruik tot eigengerechtigheid; alleen eén
ding hebt gij mij nog niet bewezen, dat zij naar uwe stoute
meening een ingebeelden Christus hebben! Dat is mij nog
te machtig! Dat vat ik niet.
K. Zou het niet buur, gij kent de catechismus?
P. Ja zeker, sommigen zeggen, dat ze hem in onzen tijd
anders geschreven zouden hebben, maar daar ben ik het niet
mede eens.
K. Nu dat hangt er van af, wie of hem zouden schrijven;
als onze remonstrantjes hem op papier brachten, daar zou
menig vlokje wol aan de heg blijven hangen. Maar dit nu
daargelaten, gij houdt dus van dat boekje ?
P. Gewis. Het is de boter, die God bij de drukking der
melk in de dagen der Hervorming heeft voortgebracht, en
de echte boter houdt altijd hare waarde, trots de vele kunst-
boterfabrieken.
K. Herinnert gij u Zondag XI vraag 30?
P. Laat ik eens hooren.
K. Er wordt gevraagd: Gelooven dan die ook aan den
cenigen Zaligmaker Jezus, die hunne zaligheid en welvaart
bij de heiligen, bij zichzelven of ergens elders zoeken ? En
dan is het antwoord: Neen zij, maar zij verloochenen met
-ocr page 19-
17
der daad den eenigen Heiland Jezus, ofschoon zij zich Zijns
met den mond roemen; want van tweeën één, of Jezus moet
geen volkomen Zaligmaker zijn, of die dezen Zaligmaker door
het geloof aannemen, moeten ook alles in Hem hebben, dat
tot hunne zaligheid van noode is.
P. Goed, maar hoe past gij dit nu op de ethischen toe?
K. Wel de Roomsche heeft zijn heilige in den hemel
tusschen Jezus en zijne ziel en de Eemonstrant heeft zijn
heilige in zijn hart tusschen Jezus en zijne ziel. Hoe diep
verdorven, er is toch nog een vonkje bij den mensch, al was
het dan maar dat hij het vermogen heeft, zoo zij zeggen ,
om de doorwerkende genade des Geestes zoo te weerstaan,
dat die Geest met machteloosheid geslagen is. Jezus is voor
hen geen volkomen Zaligmaker, en daarom vloeien uit Jezus
aan Gods kinderen ook niet alle gaven toe (al zijn het er
vele), waardoor een vijand, een vriend wordt, en een lijk
een levende ziel. Gij ziet dus wel P. als ik zeg, dat zij een
anderen Christus hebben, dan is het in navolging van dat
boekje, dat gij niet veranderd zoudt willen hebben.
P. Best, ik word huiverig van de remonstrantschen; \'t gaat
mij nog toeschijnen, dat zij de fundamenten der zaligheid bloot
woelen. Hebt gij misschien nog meer?
Het troostelooze der algemeene verzoening.
K. "Wel zeker, ik wil u eens het troostelooze van hunne
leer laten zien! Want dit is waar, de waarheid zit zoo schoon
in elkander, dat stel een vraagteeken bij het eene punt, gij
moet het ook bij het andere doen! Het is er mede als met
het bouwen van een steenen boog! Wroet eens éen steen
los, en heel het werk heeft zijne waarde verloren. Ik zou dan
u kunnen wijzen op vele dingen, maar om niet te lang te
wijlen, wil ik u alleen bepalen bij het bekrompene van hunne
stellingen!
-ocr page 20-
\'
18
P. Bekrompene, maar buurman, ik dacht, dat zij te ruim
waren ?
K. Dat zeggen zij, ja, zij willen van een smallen weg
een breeden maken om velen binnen te krijgen, maar hij wordt
zoo smal onder hunne behandeling, dat indien hun woord
waar was, er eenvoudig niemand in den hemel kwam.
P. Verklaar u nader 1
K. Wel P. als Jezus voor allen voldaan heeft, dan, indien
er nog verloren gaan, dan is zijn offer onvoldoende. Dan
heeft Jezus Zijn volk slechts voorwaardelijk gekocht en het
eigendom van Jezus te. zijn, beteekent dan, dat dat eigen-
dom toch nog verloren kan gaan! Maar nu vraag ik u, hoe
troosteloos! Niet voor die Remonstrantsche heilsleger-christe-
nen, die geene zonde kennen, maar voor waarlijk ontdekten!
Voor hen, die zuchten onder hunne schuld, en niet weten
waarheen. Voor hen is de gedachte vreeselijk, dat er van
hunne zijde toch iets verwacht wordt. Zij zien hun ellende,
hun diep verdorven harte, hun onwil en onmacht beide en
.....nu moeten zij iets doen. Gevoelt gij wel hoe trooste-
I008? Daarentegen wanneer God de waarheid aan het harte
verzegelt, hoe rijk wordt hun leven dan. Dan zien zij, hoe,
zij weten het zelf niet, God weet het, dan zien zij zich ge-
wasschen door het bloed van Christus. Dan zien zij personeel
hunne zonde, hunne schuld uitgewischt, dan zien zij den
trouwen Herder met zijne schapen bij zich, zij lezen hun naam
op den borstlap van den Hoogepriester. Neen P. ik ruil voor
de bekrompene leugenleer der algemeene verzoening niet de
rijke waarheid der particuliere genade van Gods woord. En
bij de Utrechtsche verkiezingen gaat het om die rijke waar-
heid! Laten wij daar nu eens over spreken!
K. Goed , maar ik wilde nog wel twee korte vragen doen ?
P. Dat is?
K. Is het offer van Christus dan niet voldoende voor allen
hoofd voor hoofd ?
P, O als gij over de waarde spreekt, al waren er tien
-ocr page 21-
19
duizend werelden te verlossen geweest, dan zou het nog over-
vloedig genoegzaam zijn. Het is echter de vraag, voor wie
dat offer bestemd is. Het is voor de armen niet genoeg te
weten dat er rijke menschen zijn, maar zij moeten particulier
verzekerd zijn, dat het geld\'aan hen geschonken zal worden,
anders zullen zij niet getroost zijn.
K. Maar plukken niet allen eenigszins in de vruchten?
P. In den tijd hier op aarde, o zeker! Indien er geen
kruis van Golgotha geweest ware, wij zouden ook op aarde
geen brood eten en water drinken. Dat eene door God ver-
vloekte aarde nog bij het onkruid, tarwegraan voortbrengt, is
eene vrucht van het kruis, eene prediking van de langmoe-
digheid Gods, een tegengetuige in den oordeelsdag tegen de
verhardheid van den mensch.
P. Het is genoeg, K., maar nu over de verkiezingen zelf.
Gij zegt, dat het hierbij om die waarheid gaat?
K. Zeker en gewis. Aan de eene zijde staan de alge-
meene verzoeningsmannen en aan de andere zijde die de par-
ticuliere genade leeren.
P. Maar er zijn er toch aan weerszijden wel die eigenlijk
bij den overkant behoorden?
K. Nu ja, misschien een enkele. Altijd heeft men er
allicht een verdwaald schaap bij, dat uit onnoozelheid, of ook
wel uit bijbedoelingen met de vijanden van zijne eigene kudde
heult, maar over \'t algemeen kan men de grenslijn zoo trekken.
De invloed der Verkiezingen.
P. Ik zie wel in, dat hier twee groepen scherp over
elkander staan, maar is de verkiezing voor het kiescollege
nu zoo gewichtig, dat men daarbij de puntjes op de i moet
zetten? Mij dunkt er wordt toch wel wat overdreven ge-
handeld!
K. Noem dan maar eens een voorbeeld op.
P. Welnu, verleden jaar hebben de twee kiesvereenigingen,
-ocr page 22-
20
„Behoud" en „Schrift" een emeritus-predikant en hoogleeraar,
algemeen geacht, er uit willen werpen, dat is toch wel wat kras!
K. Maar P. ik ben blijde, dat gij daar eens over begint!
Het is van die beide vereenigingen, volstrekt niet de bedoeling
om van de eerwaardigheid van den door u bedoelden persoon
eenigszins iets af te doen. Indien de Koningin de eereteeke-
nen harer onderdanen op de borst ging hechten, dan zouden
die beide kiesvereenigingen zeker zeggen: „Indien de gaven
van den Schepper in het schepsel geëerd mogen worden,
dan van dien talentvollen eerwaardigen man het eerst", maar
P. het geldt hier niet een eerebaantje. Luister toch eens
goed: wij kiezen mannen, die straks in onzen naam ouder-
lingen
en predikanten zullen kiezen, en nu moet men niet
vragen, wie is het meest begaafd, of het rijkst, of heeft zich het
verdienstelijkst gemaakt, maar wel, wie kiest rechtzinnige
ouderlingen en predikanten. Indien er iemand in de gemeente
zeer veel wel doet, en overvloed van geld aan de armen
geeft, dan mag en moet ik hem daarin achten, maar als ik
tegelijk weet, dat hij zijne stem als lid van het kiescollege
aan een ethisch predikant en ouderling geeft, dan mag ik
hem als zoodanig niet kiezen. Gij gevoelt toch wel, dat dit
niets van de achting afdoet, die ik hem toedraag. Al was
zulk een mijn eigen lieve vader, dan zou ik hem niet mogen
stemmen. Bij de verkiezingen geldt deze eene vraag: Wat
is waarheid!
P. Maar is er toch niet een streven bij de kiesvereeni-
gingen „Behoud" en „Schrift" om het aristocratisch element
weg te nemen? De menschen, die zij kiezen zijn zoo hoogst
eenvoudig.
K. Neen P. ik verzeker u, dat het niet zoo is. Zie
maar eens op de lijst. Daar staan namen op, die klinken als
een klok. En dat doen zij zoo gaarne. Zij zijn zoo dank-
baar, als ook de hoogere standen belijdenis doen van hunne
armoede, en den rijkdom van Christus. Zij weten het, dat
ook rijkdom eene gave Gods is, met kennis en stand. Daarom
-ocr page 23-
21
zijn zij verheugd, als de grooten der aarde, hun niets-zijn
belijden en leven uit de volheid van Jezus en rusten op de
genade des Heeren. Zulken zetten zij dankbaar op de lijst
en beschouwen ze als door God zelf aangewezen. Ik zeg
nog eens: Zie de lijst maar na. Maar natuurlijk, als de
hooge standen niet beslist in de waarheid zijn, dan begrijpt
gij toch wel, dat zij alleen om hunne positie niet genomen
kunnen worden. Het is geen eerebaantje, bedenk dat
toch wel!
P. Geen eerebaantje, maar wat heeft het kiescollege dan
toch te doen! Ik wil er nog wel eens wat meer van hooren!
De werkzaamheid van het kiescollege.
K. Gij weet P. dat het kiescollege hier in Utrecht bestaat:
1° uit de elf predikanten, 2° uit de 46 ouderlingen en dia-
kenen, en uit 114 gemachtigden. De predikanten en de ouder-
lingen kiest het kiescollege. De 114 gemachtigden moeten
wij kiezen als gemeenteleden. Nu gaat alles bij volstrekte
meerderheid. Als het kiescollege samenkomt en niemand
ontbreekt dan is de volstrekte meerderheid 86. De 114 ge-
machtigden zijn dus de baas. Zijn zij ethisch, dan kiezen
zij ethische ouderlingen en diakenen en predikanten. En
dus komt er een ethische kerkeraad. Zeg eens P. is dat nu
geene zaak van gewicht?
P. Ja, maar ik geloof dat gij de lijn toch wat strak trekt.
Ik zie hier de lijst van „Gemeentebelang", de remonstrant-
sche kiesvereeniging, en daar zie ik namen op staan, die ook
op uwe lijst voorkomen, dus mij dunkt als zij zoo liberaal,
zoo vrijgevig zijn, dan zullen de gekozen gevolmachtigden
toch ook alles niet met wortel en tak uitroeien!
K. Hoor eens P. Daar is eene groote gemeente in het
Zuiden van ons land, waar van de 7000 inwoners, er mis-
schien 5500 Boomschen zijn. Toch zitten er altijd een 2tal
-ocr page 24-
22
protestanten in den raad, altijd twee, niet meer en niet
minder!
P. Wel hoe kan dat!
K. De pastoor zegt tegen zijne kudde, dat zij die pro-
testanten stemmen moeten. En dan komen zij er ook. Maar
het mogen er ook niet meer als twee zijn. De Roomschen
zijn dus zeer vrijgevig, maar zij zorgen dat zij als het op
het beginsel aankomt, de macht in handen houden. Dat doen
zij met zeer wijze bedoelingen.
P. En nu wilt gij beweren?
K. Wel dat gemeentebelang eerlijk erkennen zal, dat het
een kleinen visch uitwerpt, maar om een snoek te vangen. Zij
geeft eenige stoeltjes aan de overburen, maar zij zorgt wel
dat zij de macht in handen houdt.
P. Vindt gij dat af te keuren!
K. Ach ik houd altijd veel van menschen, die gaarne wat
voor hun beginsel doen, al zijn het tegenstanders. Ik zou
echter liever zien, dat van weerszijde de gelederen zuiver bleven.
Al die politiek in het verkiezingswerk, is voor mij een twisten
met de voorzienigheid van God. Maar ik ben nu niet ge-
komen om over de verkiezingsmanoeuvres te spreken, ik wilde
u alleen doen zien, dat een enkele candidaat op de lijst van
gemeentebelang, die van onze zijde genomen is, ons nog
volstrekt niet moet doen hopen , dat het kiescollege met hunne
candidaten gevuld, voor predikanten, ouderlingen en diakenen
onze candidaten zal laten zitten. Dat heeft dit kiescollege
ons in het voorjaar doen zien.
P. Ja, dat ging toen kras. Het heeft maar aan weinigen
genade bewezen.
K. O, P. dat de gemeente toch het werk van die dagen
eens overwegen mocht, wat zou zij opschrikken. Toen zijn
er ouderlingen uitgeworpen, zooals de broeders P. en de L.
die in oprechtheid hun God vreesden. Ik durf dit te zeggen,
omdat ik ze persoonlijk ken. Het viel mij althans zeer hard.
Niet, let wel, alsof ik het niet verwacht had. Ik begreep
-ocr page 25-
23
het reeds te voren, maar dien slag te zien aankomen, of
den slag te ontvangen, zijn toch nog twee. En bij de diakenen
ging het niet beter. Eén, die zich jaren lang zeer verdien-
stelijk jegens de diaconie gedragen had, broeder W. werd
evenals de anderen er uit geworpen. Wel waren er nog mede-
diakenen, die hem bij alle verschil van richting wilden ge-
handhaafd zien, maar toch, hij viel.
P. Maar buurman, zoudt gij dan wel gaarne gehad hebben
dat de remonstrantsche broederen die gespaard hadden ?
K. Ja en neen! Ja, als ik denk aan het verlies, dat wij
in hen geleden hebben, neen, omdat ik niet gaarne een gunst
ontvang van hen, die ik zulk eene gunst niet zou kunnen
terug bewijzen. Abraham weigerde den buit van den koning
van Sodom te ontvangen. „Opdat niemand zegge, zoo sprak
hij, ik heb Abraham rijk gemaakt." Abraham wilde alleen
rijk gemaakt zijn door God. Daarom wensch ook ik wel, dat
onze ouderlingen blijven, maar niet als eene gunste van onze
tegenpartij, wel als eene gunste van God. Ik leg de schuld
dan ook niet op onze gemeentebelangers! Zij handelen naar
mijne overtuiging in hunne blindheid. De schuld zoek ik bij
mij zelven en bij al onze geestverwanten, die in lauwheid
op hun stoel blijven.
P. Maar, vriend, wie zijn voor die ouderlingen in de
plaats gekomen, dat zijn toch ook wel degelijke mannen!
K. Hoor eens, buur, ik wil hier niet over personen spre-
ken, maar wel over beginselen. Wat de personen aangaat,
o! onder hen is althans één, die de toegenegenheid van mijn
hart heeft, die veel gearbeid heeft onder de Roomschen,
zoowel in België als in ons land. Ik acht hem zeer hoog!
En daarom nog eens de personen blijven rusten, maar ik
spreek over de beginselen.
P. En dan?
K. Nu P. moet gij dat nog vragen. Onder de gekozenen als
ouderling is er een, die een verschrikkelijk voorvechter voor
de tegenwoordige bijbelcritiek is.
-ocr page 26-
24
P. Wat wil die bijbelcritiek toch? Wil dat zeggen, dat
de Bijbel ons critiseert, met een goed hollandsch woord,
dat de Bijbel ... ons toetst, of wil het zeggen, dat wij . ..
den Bijbel toetsen?
K. Het eerste is de bedoeling des Heeren, het laatste is
uit den mensch, die altijd Gods werk zoekt om te keeren.
Als wij spreken van de bijbelcritiek, dan bedoelen wij daar-
mede die richting, die eens met haar verstand zal uitmaken
wat in den Bijbel Gods Woord is.
P. Maar zoo krijgt ieder een anderen Bijbel!
K. Zeker, en die Bijbel wordt hoe langer hoe dunner P.,
ik wil tot uwe onderrichting er eens iets van zeggen. Vol-
gens de algemeene meening van die menschen zijn de 5
boeken van Mozes van veel later dagteekening als Mozes is.
Van hem is er misschien een enkel woord in. De kern der
tien geboden of zoo wat; maar één gedeelte, Deuteronomium
is volgens hen pas geschreven in de dagen van Josia. Het
wetboek, dat de priester vond in \'s Heeren huis en over
welks bedreigingen Josia zich den mantel scheurde, dat zou
dan alleen Deuteronomium in hoofdzaak zijn en door een zoo-
genaamd vroom priesterbedrog in Josia\'s handen gespeeld zijn
als de wet van God.
P. Het is verschrikkelijk.
K. Ja een ander gedeelte wordt nog later geplaatst in de
ballingschap of daarna en ademt, zoo zeggen zij, den geest,
die in Ezra gevonden wordt.
P. Heeft die critiek zich alleen om Mozes bekommert?
K. Dat kunt gij begrijpen. De Psalmen erkent zij voor het
grootste gedeelte niet meer van David. De opschriften zijn onecht,
P. En de Heere Jezus spreekt van Psalmen als door David
gezongen!
K. Wel dan zeggen zij, dat de Heere Jezus het ook niet
wist; of dat Hij zich geschikt heeft naar zijn tijd.
P. Het eerste strijdt met zijne alwetendheid, het tweede
met zijne oprechtheid.
-ocr page 27-
25
K. Maar wil ik je nog eens vertellen, wat zij met Jesaia
doen? of met het boek Daniël?
P. Ik heb wel eens gelezen, dat in de dagen der christen-
vervolgingen er bestrijders waren met de pen, die het boek
Daniël onecht verklaarden en zeiden, dat het eveneens door
priesterbedrog tot stand gekomen was in de dagen der Mac-
cabeeën om het joodsche volk te stalen in de verdrukking.
K. Juist, en er is ook in dezen niets nieuws onder de zon,
datzelfde doen zij ook in onzen tijd! Wat toen de Heidenen
deden, dat doen nu zoogenaamde christenen. Wat vindt
gij daarvan?
P. Een der hervormers heeft eens gezegd: „Van het Woord
zullen zij afblijven!" Daar ben ik het goed mede eens.
Maar ik vind het verschrikkelijk, dat men zulken dan als
ouderling kiest. Doet dat gemeente-belang f Dan zeg ik, dat
die vereeniging haar naam op eene onwaardige wijze draagt.
Hoe kan het ooit in het belang der gemeente zijn, als Gods
Heilige Schriften uiteengerafeld worden.
K. Ik ben blijde, dat gij dat inziet. Alweer een bewijs,
dat het om de waarheid gaat bij de verkiezingen. Maar wij
willen nu eens niet langer zien op die door gemeente-belang
gekozen of door hen uitgeworpen zijn, maar wij willen eens
met elkander stilstaan wat de gevolgen van de verkiezin-
gen zijn.
De keuze van predikanten.
K. Het is geene kleine taak, die aan het kiescollege is
opgedragen. Het moet de beroeping der predikanten doen.
P. Nu daar hebben wij vooreerst nog geen zorg over.
De laatste vacaturen zijn vervuld onder den ouden toestand.
En weet gij, ik ga nu iederen Zondag naar de kerk.
K. Hoor eens vriend, gij leeft niet alleen in Utrecht. Aan
de predikanten zijn ruim 50 duizend zielen toevertrouwd. Het
zal u toch niet onverschillig zijn of Gods Woord gebracht
-ocr page 28-
26
wordt in de kerk en in de woningen aan die 50 duizend,
of niet?
P. Weineen, maar ik wil maar zeggen, dat de keuze van
een predikant misschien nog jaren in de toekomst ligt.
K. P. Sluit gij des avonds uw huis.
P. Zeker, want het zou kunnen gebeuren, dat er eens
een dief wilde inbreken.
K. Goed, maar het zou ook kunnen zijn, dat gij gedurende
uw gansche leven niet lastig gevallen werd. Waarom sluit
gij dan?
P. Omdat ik ook met het gebeurlijke moet rekenen!
K. Welnu zoo is het met de predikantskeuze. Het kan
zijn, dat er jarenlang geene vacature is, maar het kan ook
zijn, dat er spoedig een is. Alle elf predikanten zijn even
nabij den dood. De jongste en krachtigste kan op eenmaal
de ledige plaats maken. Bovendien er kan er een van de
elf vertrekken. God is het Jimmers, die zegt: „ga en hij
gaat!" en „kom en hij komt!" Wat dunkt u zou het niet
noodig zijn, daaraan te denken? Zal dan de ledige plaats
worden aangevuld door een die de waarheid brengt of de
waarheid verdraait? Weet gij het wel, dat de predikanten
de gemeente hebben te weiden op de paden van Gods Woord.
Wat treurig, als de gemeente opkomt en zij hoort wel eene
bloemrijke rede, maar zij mist het voedsel voor de ziel. Hoe
treurig als de wonden bepleisterd worden, voordat zij zijn
gereinigd. Als de prediker wel roemt van de schare, die
niemand tellen kan, maar verzwijgt dat de weg smal en de
poort eng is, die ten leven leiden. Hoe diep, diep treurig,
als alle ongetroosten zonder vollen Christus naar huis moeten.
Huet zegt in zijne gedichten:
Droevige tijd, als Jeruzalems wachters
Blazen bazuinen, schier zonder geluid.
Zonder verschrikking voor \'s Hemels verachters,
Zonder verkwikking voor \'s bruidegoms bruid.
-ocr page 29-
27
Dat woord heeft mij zoo dikwerf weemoedig gestemd, en
het heeft mij zoo veel doen vragen of God maar wachters
wil stellen over Zijne kudde, wier bazuin geen onzeker geluid
geeft. P. durft gjj door tehuis te blijven mede te werken,
dat gemeentebelang wachters roept, wier bazuin onware tonen
voortbrengt ?
Maar ik moet u nog wat meer aantoonen van het gewicht
dezer verkiezingen. Het kiescollege kiest niet alleen predi-
kanten maar ook ouderlingen en diakenen, dus den geheelen
kerkeraad. Nu willen wij niet bij alles stilstaan. Alleen wil
ik u er op wijzen, hoe enkele gewichtige belangen aan den
kerkeraad zijn toevertrouwd. Wij spreken het eerst over de
Diaconiescholen.
De kerkeraad heeft zijn diaconiescholen. In het bestuur zijn
gezeten twee predikanten, vier ouderlingen en zes diakenen.
Deze worden gekozen door den kerkeraad. Natuurlijk als de
meerderheid van den kerkeraad ethisch is, dan ook de meer-
derheid in zulk een college. Die kleine commissiën spiegelen
altijd af wat de geheele kerkeraad is. Maar welk eene be-
langrijke zaak. Want de onderwijzers-benoemingen zijn juist
aan deze commissie opgedragen. En die onderwijzers moeten
de kinderen voeden met het Woord.
P. Nu ja, maar zou dan zulk eene benoeming in den
geest van de meerderheid zijn ?
K. Wel dat spreekt van zelf. Geef mij de school, zoo
heeft eens iemand gezegd, en ik heb de toekomst. En al is
dit woord te kras met het oog op Gods voorzienig bestuur,
toch kunnen wij dit zeggen, dat middelijkerwijze de school
van geweldig veel gewicht is. Wij weten, dat het kind zoo
gemakkelijk opsluit, en dat het in later leeftijd tot in den
ouden dag de kwade of goede vruchten plukt van het school-
onderwijs.
-ocr page 30-
28
P. Maar K., men leert toch in die scholen geen geloofs-
leer? Het is toch eenvoudig bijbelsche geschiedenis?
K. Ach, P., denkt gij dat wij geschiedenis kunnen ver-
tellen en onze geloofsleer tijdelijk op non-activiteit kunnen
zetten? Of met andere woorden, gelooft gij waarlijk, dat wij
in het vertellen van de bijbelsche geschiedenis onzijdig
kunnen zijn?
P. Misschien niet!
K. Misschien? "Wel man ik hoorde nog onlangs van een
onderwijzer, buiten deze stad, (de naam doet niets ter zake)
die tot zijne kinderen zeide: „Of gij het verhaal van Bileams
ezel als waar opvat of niet, doet aan uwe zaligheid niet af."
Zie, mijn vriend, dat zijn van die vergiftige pijlen van den
Satan, waarmede hij den eerbied voor Gods "Woord, die er
uitwendig door kracht van opvoeding gevonden wordt, zoekt
te vernietigen. En als de onderwijzer bij het kerstfeest van
den Heere Jezus vertelt, zal het dan niet veel verschillen,
of hij die kindertjes, maar laat zingen en juichen, dan wel
of hij ook eens zegt: „Kinderen als gij niet bekeerd zijt van
uwe boosheid tot God, dan hebt gij geen kerstfeest!" Mij
dunkt, het is niet onverschillig aan wien ik mijn lieve kin-
dertjes toevertrouw. Ik kan u zeggen, P., als de onderwijzers
niet gereformeerd zijn en allerlei dwaalleer er op na houden,
dat ik mijne kinderen dan nog liever zend naar een onder-
wijzer, die van allen godsdienst zwijgt. Zoo ziet gij. dat de
gevolgen der verkiezingen reiken tot in de diaconiescholen toe.
Commissie Godsdienstonderwijs.
K. Maar, vriend, ik zal mij bekorten! Ik zou kunnen
spreken over het diaconie-weeshuis. Hiervoor geldt echter
veel van hetgeen boven gezegd is omtrent de diaconiescholen.
Ik wil alleen nog even met u stilstaan bij de Commissie voor
Godsdienstonderwijs. Deze doet les geven aan de openbare
-ocr page 31-
29
scholen, en het is volstrekt niet onverschillig al wederom, wie
of er les geeft. Maar er is eene andere zaak waarbij ik u
bepalen wil. Die Commissie draagt ook de krankebezoekers
voor aan den kerkeraad en de kerkeraad kiest dan, wie het
zijn zal. In verbinding met den kerkeraad heeft deze com-
missie (die door en uit den kerkeraad gekozen wordt), eene
gewichtige taak. Krankenbezoekers, geen kleinigheid. Het
geldt de vraag of er een daar straks aan het bed van een
zieke treedt en hem het Woord Gods predikt, den dood en
het leven, den zegen en den vloek, dan wel of hij alleen
zal roepen van vrede, vrede en geen gevaar. Zal in die
laatste ure nog wel met looze kalk gepleisterd worden of
niet? Zullen daar in oprechtheid de wonden worden geopend,
maar dan ook om den eeniggenezenden balsem er op te leggen,
of zal men laten slapen, wat slaapt? Vriend! laten wij het
ons toch eens goed voorstellen. Ook zulk een krankbezoeker
zal zijn naar de meerderheid in den kerkeraad, tenzij God
wonderbaarlijk tusschen beide trede.
Wie zullen wij kiezen?
P. Maar K. wie zal ik dan kiezen. Daar zijn nog al wat
verschillende namen genoemd. Er waren verleden jaar drie
lijsten. Eéne was van „Behoud", eene van „Schrift" en eene
van „Gemeentebelang." De laatste dan niet, maar wie van
de twee eerste.
E. Daar waren verleden jaar wel twee lijsten, die bijna
gelijkluidend waren, maar nu is er maar één. Hebt gij de
lijst in huis, voorgesteld door de vereeniging: „Behoud van
de vaderlandsche kerk?"
P. Zeker, maar vriend daar zijn toch wel een paar namen
niet op, die ik er gaarne op gevonden zou hebben.
K. Het is best mogelijk, er is een aftredend lid, dat ik
zelf er ook wel gaarne op gehad had. Maar mijn beste
-ocr page 32-
30
vriend, weet gij wel dat eendracht macht geeft. Zie eens óp
gemeentebelang, want daar kunnen wij wel ter schole gaan.
Zij stemmen allen als een éénig man, die op de vastgestelde
lijst voorkomen. Voordat de lijst uitkomt, dan kan je spreken,
en zoek dan te overreden wat ge kunt, maar is eenmaal de
lijst gereed, dan ook niet meer getwijfeld. Stem, want anders
maakt gij uzelven tot een nul, en gij speelt den vijand in
de hand. In de laatste dagen der Richteren deed ieder wat
goed was in zijne oogen. Droevige toestand! En daarom
laat die toch niet ;onder ons gevonden worden. Strijd wat
gij strijden wilt onder elkander, maar straks in gesloten ge-
lederen naar het veld toe om een stevige slagorde den
vijand tegenover te stellen. Ik kan u verzekeren P. als mijn
vader aftredend lid was, en hij werd geen candidaat gesteld
door de belijdende-leden, ik zou toch, al zou het mij zeer
doen, de vastgestelde lijst stemmen. Die zichzelf weet te
verloochenen, kan voor de waarheid strijden. En daarom is
het mijn hartewensch, dat ook gij al uwe bezwaren, waar-
mede gij te laat komt aandragen, op zijde zet, en als een
man u toont, ook in dezen strijd.
Slot.
P. Maar nog een enkel woord, K., ik zie, dat gij opstapt!
Wat denkt gij van den uitslag? Zou de druk van Gods ge-
meente wel niet eens goed voor haar kunnen zijn? Kan een
nederlaag wel niet eens een overwinning zijn?
K. Zeker buur. Laat ik nog even daarover mijne ge-
dachten mogen zeggen. Toen Israël in de woestijn dag in
dag uit het manna at, toen vonden zjj die kost te licht en
het walgde hun daarvan. Zoo kan eene gemeente door den
overvloed van waarheid, wel eens die waarheid zelve zeer
licht gaan vinden. Als Israël vet werd, sloeg Israël achteruit.
-ocr page 33-
31
Zoo ook in het geestelijke. Hier in deze gemeente is er bij
velen eene treurige verdeeldheid en verdachtmaking, en dat
ook onder de gereformeerde leden onzer kerk. Het is dus
heel goed mogelijk, dat de Heere het licht op den kandelaar
verdonkert, want dien God lief heeft, dien kastijdt hij. Maar,
en let nu wel op, buurman, God weet den tijd van het oor-
deel, dat Hij, niet wij doen komen. Daarom slaan wij de
hand aan den ploeg, gedrongen door den Geest der waarheid,
die ons tot spreken dwingt. Gij vraagt mij of ik eenen goeden
uitslag verwacht. Ik hoop te durven bidden, dat wij de
nederlaag mogen lijden, als de overwinning niet is in de
gunste des Heeren. Maar dan ook de uitkomst aan Hem over-
latende, die alle dingen werkt naar den raad Zijns wils, zullen
wij, zoo wij hopen, blijven getuigen en tot deelneming aan-
sporen, juist in de bewustheid, dat de Heere in ons werkt
beide het willen en volbrengen naar Zijn welbehagen. Mag
ik, buurman, onze samenspraak eindigen met de lezing van
een gedeelte van Gods Woord ? In Ezechiel XXXIII lezen wij :
1.    En des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende:
2.    Menschenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en
zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over eenig land breng ,
en het volk des lands eenen man uit hunne einden nemen,
en dien voor zich tot eenen wachter stellen;
3.    En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast
met de bazuin, en waarschuwt het volk;
4.    En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort,
maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en
neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.
5.    Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet
waarschuwen; zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat
waarschuwen, behoudt zijne ziel.
6.    Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen,
en blaast niet met de bazuin, zoodat het volk niet is gewaar-
schuwd; en het zwaard komt, en neemt eene ziel uit hen
-ocr page 34-
32
Weg; die ia wel in zijne ongerechtigheid weggenomen, maar
zijn bloed zal Ik van de hand des wachters eischen.
7. Gij nu, o menschenkind! Ik heb u tot eenen wachter
gesteld over het huis Israëls; zoo zult gij het woord uit
Mijnen mond hooren, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
Zie P. zoo roept Gods Woord tot allen die een kwaad
zien komen. Die niet waarschuwt ontlast zijne conscientie
niet.
Nu weet gij, waarom ik tot u gesproken heb!
•