-ocr page 1-
u^ès
KV)
K>
5 ets
i
/
.u
1897
De aanstaande Verkiezing
VOOR HET
Kiescollege der
Ned. Herv. Gemeente.
TRECHT
Een woord naar aanleiding van de
Brochure van ELI-DAN
DOOR
Dr. J. H. GUNNING J.Hz.
Predikant te Utrecht.
J. 6. W.
MAAS>\'
ten voordeele der Diaconie-Scholen.
5 ets.
-ocr page 2-
h
-ocr page 3-
>
In deze eerste dagen na het Nieuwe Jaar, kort na het heer-
ljjke pasgevierde Kerstfeest, verscheen er eene brochure die,
tegelijk met N° 14 van het „Gereformeerd Weekblad" bh\' vele
leden der Gemeente, en zoo ook bij mij, werd thuis bezorgd.
Daar de achterzijde van genoemd Weekblad geheel aan de
naderende Verkiezing voor het Kiescollege gewijd js, en de
lijst van de candidaten der Kiesverecniging „tot Behoud der
Vaderlandsche Kerk", in ,dat Weekblad opgenomen, met den
meesten aandrang wordt aanbevolen door den Redacteur Dr.
de Lind van Wijngaarden, ligt de gissing voor de hand dat
mijn geachte ambtgenoot aan de verschijning dezer brochure
niet geheel en al vreemd is. In elk geval is het van algemeene
bekendheid dat hij tegenwoordig met nadruk de beginselen van
„Behoud" in ons midden verdedigt, zoodat deze candidatenln\'st
en al wat er in genoemde brochure tot aanprijzing van die lijst
wordt gezegd, onder zijnen veelvermogenden invloed de Ge-
meente ingaat.
Dit legt mij de verplichting op, waar ik de beginselen van
„Behoud" niet deelen kan, evenals hij de Gemeente, die ook
mj) aan het harte ligt, vóór te lichten. Ik doe dit geheel zon-
der éénig mandaat nóch van eenige Kiesvereeniging nóch van
enkele particuliere personen — alleen omdat ik er mij toe
gedrongen voel. Want de brochure van Eli-Dan is naar mijne
heilige overtuiging een even onwaar als onwaardig perspro-
duct, alleszins geschikt om verwarring te stichten, maar heel
weinig om tot helderheid en tot vrede te brengen. Dit korte-
lij ks aan te toonen, en zoo mogelijk enkele verontruste gemoe-
deren tot meerdere klaarheid te brengen, is het doel van de
volgende regelen.
De titel dier brochure luidt aldus: „De verkiezingen voor
het Kiescollege. Een ernstig woord aan de Gemeente Utrecht
door Eli-Dan." Zij is uitgegeven bij de firma Kemink en Zoon
alhier en kost ƒ0.15. Eli-Dan (uit dezelfde letters kan men ook
den naam „Daniël" vormen) is vanzelf een pseudoniem. Ge-
woonlijk
schrijven onder zulk een aangenomen naam vreesachtige
lieden, die een verkeerde zaak voorstaan, maar gaarne zelven
buiten schot blijven. Natuurlijk is dit hier niet het geval, en komt
het hier uit christelijke bescheidenheid voort. De auteur wil zijn
persoon geheel en al op den achtergrond hebben, opdat „afgezien
van den schrijver, het aangebodene nauwlettend worde gelezen
-ocr page 4-
•2
met een onbevooroordeeld harte." Ik hoop dat men het van
mij niet al te onbescheiden zal vinden dat ik mijnen naam
maar niet terughoud, en rondweg voor nnjne meening uitkom.
Een ieder heeft zoo zijn eigen aard!
De strekking van Eli-Dan\'s brochure is allen, die men „de
ethischen" gelieft te noemen, aan de Gemeente voor te stellen
als drijvers van eene hoogstgevaarlijke leer, in tegenstelling
met „de gereformeerden", die „de Waarheid" handhaven en
de trouwste verdedigers zijn van hare belangen. „De ethischen"
zijn het, volgens Eli-Dan, die de Kiesvereeniging „Gemeente-
belang" bevolken, terwijl „de gereformeerden" zich scharen onder
de banier van „Behoud". Wie het dus wèl meent niet het Sion
Gods kiest de candidaten van „Behoud". Ziedaar doel en inhoud
van Eli-Dan\'s „ernstig woord."
Wie zijn nu toch die „ethischen", van wie in deze brochure
zulke ontzettende dingen verhaald worden?
Wanneer men spreekt van „de gereformeerden" weet men zoo
ongeveer
wel te zeggen wie bedoeld worden. Het zijn zij, die
zich scharen rondom de Belijdenis onzer Nederd. Gereformeerde
Kerken, en die de handhaving dezer Belijdenis met ernst be-
geeren. Dat ook die „gereformeerde" naam hen niet verhindert
in allerlei schakeeringen u\'téén te gaan is algemeen bekend.
Men kan twee groote groepen „gereformeerden" onderscheiden,
die, ondanks hun gemeenschappelijke Belijdenis, nu juist niet
broederlijk te zamen gaan. Gereformeerden buiten en Gerefor-
meerden binnen de Xed. Herv. Kerk. De eersten kan men weer
onderscheiden in Gereformeerden A, B of C, Christelijk-Gere-
formeerden, Oud-Gereformeerden, enz. De laatsten — om ons
nu maar alleen tot ons goede Utrecht te bepalen — in Gere-
formeerden van het type-Gewin, type-Felix, type-de Lind van
Wijngaarden (drie schakeeringen die waarlijk niet altijd geneigd
zijn elkander de broederband te reiken !) terwijl er nog heel
wat meerderci voorgangers zijn, die, met nnj, hoogen prijs
stellen op hun „gereformeerden" naam. Genoeg reeds om u
te doen verstaan, waarde lezer! dat de tegenstelling „Gerefor-
meerd of Ethisch", gelijk Eli-Dan ze met zooveel nadruk stelt,
aan duidelijkheid nog wel iets te wenschen overlaat. Maar „zoo
ongeveer" weet men dan toch wel dat „de gereformeerden"
die leden onzer Kerk zyn, die de oudvaderljjke Belijdenis in
hooge eere houden, of zeggen te houden.
Maar wie zijn dan nu „de ethischen?"
Ik heb nog al eens vaak van die menschen gehoord en gele-
zen, maar eene klare voorstelling heb ik nog altijd niet van hen.
Ik heb het er steeds voor gehouden dat z\\j ah partij het aan-
zijn danken aan het veldheerstalent van Dr. A. Kuyper die,
strijdbaar held als hij is, niet alleen in zijn eigen leger orde
en tucht wil hebben, maar ook zjjne talrijke vijanden in ver-
-ocr page 5-
:-?
schillende corpsen, elk met hun eigen vaandel, indeelt. Tegen
het onophoudelijk protest in van hen, die het ethisch karakter
der Waarheid voorop stellen, heeft hij net zoo lang van „de
ethischen", „de ethische heeren" en „de ethische partij" gespro-
ken, dat men eindelijk deze benaming heeft aangenomen, voor-
namelijk bij hun tegenstanders „de gereformeerden", die dan nu
eene echte partij te bestrijden kregen.
Ik voor mij herhaal het geen klare voorstelling van die „de
ethischen" te hebben, en hen nimmer te hebben ontmoet. Maar
indien ik ooit zulk een kwaadaardig gezelschap op mijnen weg
tegenkwam, als men ze nu jaar in jaar uit heeft afge-
schilderd, ik verzeker u, dat ik hen met afschuw uit den
weg zon gaan! Zij „verloochenen den Christus," zij „scheuren
de, Schrift aan Harden," zij „verwoesten de Kerk," zij „zijn
Gods .Sion gram," enz. enz. Deze, en dergelijke aanklachten
kan men elke weck in de „gereformeerde" pers te lezen krij-
gen, zoodat gn\', op zijn zachtst genomen, zoowat dezen indruk
krijgt van zoo\'n „ethische" : een zoetsappige, halfslachtige vroom-
prater, die wel niet modern is maar toch nog veel minder
gereformeerd, zoo\'n tusschending tusschen vleesch en visch,
zoo\'n water-en-melk-man die „de groote lui" ontziet en „de
kleine luyden" veracht, en wiens leer het gevaarlijkste en
ontzettendste mengsel is van waarheid en leugen, dat men zich
denken kan. Zie er Eli-Dan\'s brochure slechts op na!
Maar — vraagt allicht een enkele onnoozele — vanwaar
weet gij dat alles toch ? Wat is dan toch het program, wat is
de leer dezer „ethischen?"
Ja, lieve lezer, nü komt eerst de moeilijkheid! Want die
„ethischen" zei ven hebben nooit een partij gevormd, en dus nimmer
een programma opgesteld. Zeker, er zijn wel menschen die
erkennen dat de waarheid „ethisch" is, dat wil zeggen „zede-
lijk van aard" (want dat beteekent dit woord), maar zij zouden
het een pure dwaasheid achten zichzelven die benaming te
geven. Verbeeld u: een groep menschen die zich „do zedelijken"
gingen noemen! Zoudt ge niet vragen of zij gek waren ge-
worden ? Maar wèl zijn daar verschillende godgeleerden en
gemeenteleden, die zeggen: „de waarheid is ethisch, is zedelijk
van aard," waarmede zn" te kennen willen geven dat de leer
der zaligheid niet allereerst een verstandelijk stelsel is, dat men
desnoods ook zonder geloof en zonder innerlijke overtuiging
zou kunnen omhelzen, maar eene ethische, eene zedelijke groot-
heid, die zich allereerst tot het hart des menschen richt, zoo-
dat alleen de wedergeborene haar kan kennen en genieten.
Voelt gij nu wel dat het hoogst zonderling is menschen, die
dit aannemen, „de ethischen" te gaan noemen? Zijn dan zjj,
die deze gedachte nu niet zoo op den voorgrond stellen, soms
owzedeljjk? of minder zedelijk dan zjj?
„Maar — zult gij misschien antwoorden — dan hebben die
-ocr page 6-
4
„ethischen" ook niets bijzonders! Want de Heilige Schrift zegt
immers zelve dat de natuurlijke mensch de dingen des Geestes
niet verstaat?"
Zeer zekerlijk! En daarom weigeren die zoogenaamde „ethischen"
dan ook altijd, en altijd weer, als een aparte partij tegenover
de „gereformeerden" gesteld te worden! Zij begeeren niets
anders dan zich zoo kinderlijk en zoo blijmoedig mogelijk aan
den Bijbel te onderwerpen. Zij zijn óók al niet allen even
eendrachtig (evenmin als de gereformeerden," gelijk wij hier-
boven opmerkten) en gij treft ook onder hen menschen aan,
die beslister en anderen die weer minder beslist voor de waar-
heid uitkomen; maar ik ben er zeker van dat geen enkele
,ethische" zijn geestelijk portret in de brochure van Eli-Dan
terug zal vinden. Ik voor mij verklaar u zijne „ethischen" voor
de naarste christenen te houden, die ik mij vóór kan stellen.
Zie, ik heb geenerlei opdracht namens „de ethischen" te
spreken. Ik weet niet of één onzer leeraren zich beslist tot
hen rekent; ik voor mij noem mij zoo niet. Ik ben eenvoudig als
eerlijk man gereformeerd, omdat ik niet begrijpen kan hoe
iemand leeraar in onze kerk zou kunnen zijn, indien hij hare
Belijdenis niet deelde. Haar ik vind menige gedachte en menige
waarheid in de geschriften dier zoogenaamde „ethischen" uitge-
sproken,die ik met hart en ziel beaam, omdat zij schriftuurlijk is,
en al wat schriftuurlijk is, dat is gereformeerd. Ik haat die tegen-
stelling: „gereformeerd of ethisch". Wat? Onze heerlijke ge-
reformeerde belijdenis zou niet „ethisch" zijn, niet met het
zedelijk leven in betrekking staan?
Wanneer ik nu de beschuldigingen zoo eens naga, die Eli-
Dan in zijne brochure dien „ethischen" voor de voeten werpt,
dan denk ik telkens: „hoe komt ge er aan?" Het is zijn doel
in dit boekske de vrienden en de candidaten van „Gemeente-
belang" te bestrijden. Zij zijn die .ethischen." En daar ook
ik, thans niet voor het eerst, de candidaten van „Gemeente-
belang" steun, heb ook ik mij deze aanklacht eenigszins aan
te trekken. Wie zulke „ethischen" steunt, zal ook zelf wel\'een
weinigje met hunne ketterijen besmet zijn!
Allereerst dan vernemen wij dat „de ethischen" de „alge-
meene verzoening" leeren, en wel in dien zin dat Christus
voor alle menschen, hoofd voor hoofd, gestorven is, zoodat ook
alle menschen in den hemel komen.
Nu vraag ik toch: waar vindt gij deze meerling door (let
wel! niet door een enkelen zonderling) maar door vde ethischen"
geleerd? Noem eens uit de geschriften, bijv. van Prof. de la
Saussaye Sr. of van Prof. Gunning, twee mannen die het ethisch
beginsel der theologie altijd hebben hoog gehouden, eenige duide-
ljjke uitspraken op, waarin zij deze onschriftuurhjke leer verdedigen!
-ocr page 7-
.5
Wat mijzelven betreft: de uitverkiezing van Gods volk is m\\\\
eene waarheid, zóó heerlijk en troostvol, als ik geone andere
ken. Zoo ik mij niet door Gods vrije genade met alle kinderen
Gods van eeuwigheid wist uitverkoren, het leven zou mij geen
dag meer de moeite des levens waard zjjn! Maar het praten, het
twisten over de uitverkiezing, het uitwerken van deze zalige heils-
waarheid
tot een logisch, juist in elkaar gezet stelsel, acht ik
onschriftuurlijk, al weet ik dat vele „gereformeerden", ook de
edele Calvjjn, voor deze verzoeking bezweken zijn. De belijdenis
onzer kerk is dat ik met alle kinderen Gods uitverkoren ben
(zie het heerlijke antwoord op vraag 54 van onzen Catechismus).
Maar het verstandelijk rekenen: „die wèl en die niet" en het
gebruik maken van de dierbare leer der goddelijke verkiezing
als een twistappel in onzen kerkdijken verkiezingsstrijd, zoo-
dat men tal van onbekeerden het hoofd warm maakt door de
leuze „algemeene verzoening of particuliere genade?" — zie,
dat vind ik een onheilig, onwaardig, onchristelijk werk. Hoe
anders, met welk eene heilige teederheid, spreken onze vaderen
over deze waarheid!
Heel die uitvoerige samenspraak in Eli-Dan\'s brochure over
dat goddelooze drijven der „ethischen" van „de leer der alge-
meene verzoening" is.... een vechten tegen windmolens.
Zoo lees ik in datzelfde boekske ook van de schrikkelijke
verwoestingen door „de ethischen" in de Heilige Schrift teweeg-
gebracht, als zouden zij die verscheuren, in flai\'den rukken en
op alle mogelijk wijzen verdraaien.
Ik mag en wil niet ontkennen dat velen, die men tot „de
ethischen" rekent, omtrent den oorsprong en de samenstelling
der Heilige Schrift dingen gelooven, die ik voor mij ten
nadrukkelijkste bestrijd, en menigeen, die tot de hunnen ge-
rekend wil worden, niet minder. Men denke nu maar alleen aan
Ds. Hulsman, wiens brochure „moderne wetenschap of bijbelsche
traditie", zoo pas vei\'schenen \'), een waarlijk niet onduidelijk
geluid geeft. Daarom gaat het al wederom niefyx&n een gansche
groep medebelijders, die ernst wenschen te maken met het
geopenbaarde Woord van God, op zulk eene wijze voor de
Gemeente te brandmerken. Ik voor mij vind in Prof. Bavinck\'s
Dogmatiek mijne schriftbeschouwing bijkans geheel terug —
en toch raad ik met volle vrijmoedigheid u aan. waarde stern-
gerechtigden ! de candidaten van „Gemeentebelang" te kiezen.
Ik verzeker u wanneer zij allen zulke goddelooze schriftver-
valschers waren als Eli-Dan u zijne, „ethischen" afschildert, dat
ik dezen raad wèl in mijn pen zou houden ! „Of er nu op die
lijst" (vraag ik met mijn geachten ambtgenoot de Lind 2)
*) Kemink en Zoon. Prijs f 0.00.
2) Geref. Weekblad van 2 Jan. 1897, 3e bladz. 3e kolom.
-ocr page 8-
6
niet een paar zijn, die wij er liever afhadden, of er niet een
paar gemist worden, die wij er liever ophadden ?" Best mogelijk,
maar nu de lijst eenmaal er is, moeten we haar ook in haar
geheel
overnemen. Tiet kan aan ééne stem hangen!
Het is mijne stellige overtuiging dat men goed doet de can-
didaten van „Gemeentebelang" te kiezen, niet omdat zij „zoo
ethisch" zijn (ik houd mij verzekerd dat verreweg de meesten
hunner daar niet toe willen gerekend worden), maar omdat gij
van hen en hunsgelijken zeker een waardiger, voorzichtiger,
onpartijdiger behartiging der gemeentelijke belangen kunt ver-
wachten, dan van menschen die onzen Nicolaas Beets uitwerpen,
omdat hij niet voor „de waarheid" is, en die; ons aan de partij-
zucht van de Eli-Dan\'s willen overleveren, van welke ik hoo-
hoegenaamd geen heil voor Kerk en Godsrijk kan tegemoet zien.
De brochure van Eli-Dan is een leerrijk en waarschuwend
staaltje, van hetgeen ons te wachten staat wanneer deze geest
de overheersehende moet worden in onze Gemeente. Van de
82 bladzijden van dit hoekske zijn er niet minder dan 10 aan
,le dorre (bovendien in zoo menig opzicht ook nog onjuiste!)
uiteenzetting van „Gereformeerd en Ethisch", van de Algemeene
Verzoening, het verderfelijke, nadeelige en troostelooze van
deze leer gewijd! Is dat nu waarlijk het eerste en eenige dat
men van onze; aanstaande kerkbestuurders moet weten, dat zij
goed o]) de hoogte zijn van deze spitsvondige stellingen? Zijn
dat nu de mannen, die ook voor onze studenten, onze op-
groeiende jongelingschap, de herders en leeraars moeten aan-
wijzen, geschikt en bekwaam om in onzen hootfsternstigen tijd een
antwoord te geven op de vele vragen, die hij opwerpt? Gelooft
men werkelijk dat aan onze armen en onze kerk een dienst
wordt bewezen, wanneer men uitsluitend zulke voorgangers
kiest? Dr. de Lind en ik, wij zijn nu beiden nog maar kort
hier; wij hebben beiden (-/onbezette kerken; wil ik eens
een lijstje publiceeren over een geheel jaar van ons beider
kerkcollecten? Zijn dat nu geheel en al onbeteekenende zaken?
Heeft mem in \'t geheel niet te letten op de behoeften van dat
breede, aanzienlijke deel der Gemeente, dat toch nog iets
anders begeert dan de prediking der ultra-orthodoxie in den
geest van „Behoud ?"
Met nadruk kom ik op tegen den rechterlijken toon, dien
Eli-Dan aanslaat. Het is zoo gemakkelijk zich den schijn van
groote „getrouwheid" te geven bij de groote massa, die maar
al te licht klinkende frasen en forsche beschuldigingen goed-
keurt, zoodi\'a zij maar gelooft dat het om „de waarheid" gaat,
en dat men „de eere Gods" verdedigt. Maar ik vraag in ge-
moede aan allen, die de brochure van dezen wegschuilenden
kampvechtcr gelezen hebben: „is dat nu de toon van een oot-
moedig belijder, die over het hart van een ander niet oordeelt ?"
-ocr page 9-
t
Durft en kan men zeggen dat liet zedelijk karakter der zooge-
naamde „ethischen" in dat boekske niet wordt aangetast ? Moet
niet een der zake onkundige, die de gesprekken van K met
zijn buurman P niet aandacht volgt, den indruk krijgen: „welke
onbetrouwbare, listige, Jezuïtische mannen zijn toch die „ethi-
schen",dic vijanden van den dierbaren ({(\'reformeerden naam?"
Nog eene omstandigheid worde niet vergeten! Het is van
algemeene bekendheid dat de vrienden van „Behoud" er niet
tegen opzien mannen in den Kerkeraad te brengen die, zij\'
mogen al onberispelijk zijn in leven en belijdenis, dooi\' ont-
wikkeling en stand toch niet de meest geschikte mannen moeten
heeten om aan het hoofd te staan van eene zoo aanzienlijke
Gemeente als deze. ik bezit brieven van gewezen ouderlingen
—   en ons kerkelijk Archief evenzoo — die krioelen van taal-
fouten; ons notulenboek bewaart de herinnering aan de meest
„zonderlinge" discussies, evenals onze eigen memorie. En nu
geloof ik toch wèl dat het zaak is het bestuur en het belteer
onzer geestelijke en stoffelijke belangen aan wijze, zelfstandige,
onafhankelijke mannen toe te vertrouwen. Dat het er mij
niet om te doen is uitsluitend „heeren" in de verschillende
colleges te hebben, weet ieder die mij kent; ik geloof wel dit
getuigenis in de gemeente te hebben dat ik noch op den kansel
noch in particulieren omgang de „groote lui" spaar of hun den
weg des levens breeder maak dan voor anderen, maar dat er
toch ook in dit opzicht een niet te miskennen gevaar dreigt,
is onloochenbaar. Indien men straks in den naam des Heeren
Heeren alle meer gematigde elementen uit het kiescollege ver-
wijderd heeft, en elke predikantsvacature door mannen vervuld
ziet, die öf de gezangregeltjes angstvallig niet de kleinste
maat afmeten öf geheel en al het christelijk lied uit de gemeente
der geloovigen bannen ; wanneer straks de hoofden der diakonie-
scholen (heusch niet alléén door de penningen der Behouds-
inannen in stand gehouden!) allen in dezen enghartigeii partij-
geest werkzaam zijn, en de nu zoo heerlijk bloeiende scholen
de sympathie van velen, zeer velen verloren zullen hebben
—   waarljjk dan zal men het zich te laat betreuren het milde,
belangstellende, inderdaad niet het minst ontwikkelde deel der
Gemeente voor goed van haar verwijderd te hebben.
Ten slotte een woord over „Gemeentebelang."
Wanneer de Heer der Gemeente liet toelaat dat de mannen
van „Behoud", en daarmede de geest die uit Eli-Dan\'s brochure
spreekt, de overwinning behaalt, dan zal het mn\' bitterlijk be-
droeven om al den hartstocht, om al den theologischen haat,
die er noodwendig uit volgen zullen. Zij, die zich vroegere
jaren van onzen Utrechtschen Kerkeraad herinneren, zullen
niet licht beweren durven dat de toon, de broederlijke omgang
toen christelijker waren dan tegenwoordig, al waren zij misschien
toen wèl zuiverder „gereformeerd."
-ocr page 10-
8
En toch zou ik zulk eene overwinning van „Behoud" over
ons, die een ruimer en schriftuurlh\'ker opvatting van kerk en
theologie meenen voor te staan dan Eli-Dan c. s., niet enkel
als een ramp en eene bezoeking kunnen aanzien. Daar kunnen
ook wel eens overwinningen zijn die erger moeten heeten dan
nederlagen, dan namelijk wanneer zij den overwinnaar over-
moedig en ongeestelijk maken. En mocht ook ditmaal „Gemeente-
belang-" zegevierend uit de stembus voortkomen, o hoe vurig
wensen en bid ik dan dat het een waardig en voorzichtig ge-
bruik van zijne meerderheid en van zijn invloed maken moge!
Op den band, den geestelijken en kerkdijken band, óók met
het meerendeel van hen, die zich bij voorkeur door de mannen
van „Behoud" laten voorlichten, stel ik voor onze gemeente
den hoogsten prijs. Ik weet het: daar z\\jn vele teedere, waarlijk
godvruchtige mannen en vrouwen onder, wier lietde, wier steun
en wier gebed onze kerk niet missen kan; en diep zou het
mij smarten wanneer „Gemeentebelang" ook hunne belangen
niet ernstig overwoog en behartigde, al heeft het zeer zekerlijk
óók met die vele anderen te rekenen, die eveneens Gods Woord
en de Belijdenis eeren, schoon op eenigszins andere wijze, en wier
zielen toch immers even goed aan onze zorgen zjjn toevertrouwd
dan die der vrienden van „Behoud". Het is juist in de hoop
en het vertrouwen, die mij vervullen, ddt dit inderdaad het
ge va! zal zijn, meer dan by de mannen van „Behoud" die, ook
krachtens deze brochure van Eli-Dan, niet anders zouden kunnen
dan allen weren, van kansel, school en kerkeraad, die niet in
alles met hen nieê willen gaan — het is in de vurige hoop
dat by „Gemeentebelang" de belangen der gansche gemeente
het veiligst zullen blijken te zijn, dat ik aan genoemde ver-
eeniging ook op deze wijze mijnen steun heb willen schenken.
Moge die hope nimmer beschaamd worden!
Meermalen moest ik in het bovenstaande den onbekenden
Eli-Dan bestrijden. Het zij mij vergund thans te mogen eindi-
gen met een woord van hem, dat ik met volkomen instemming
overneem, het toepassende op die gedraging, waartoe ik u,
geliefde medeleden onzer Gemeente! in deze regelen heb opge-
wrekt. „Slaan wij de hand aan den ploeg, gedrongen door den
Geest der waarheid, die ons tot spreken dringt. Gij vraagt mh\'
of ik een goeden uitslag verwacht? Ik hoop te durven bidden
dat wy de nederlaag mogen lijden, als de overwinning niet is
in de gunste des Heeren. Maar dan ook, de uitkomst aan Hem
overlatende, die alle dingen werkt naar den raad Zijns wils,
zullen wij blijven getuigen en tot deelneming aansporen, juist in
de bewustheid dat de Heere in ons werkt beide het willen en
liet volbrengen, naar Zijn welbehagen."
Utrecht 14 Januari 1897.                 J. H. GUNNING J.Hz.