-ocr page 1-
wÜ?q ïïtëXtË
II
9 jti\'
&&&.....M&&&
-ocr page 2-
-ocr page 3-
[NRICHTING^
VAN DE
IE.
ANTWOORD
T)\\ F, E. DAUBANTON,
Predikant te Amsterdam,
NAAR AANLEIDING VAN ZIJNK
„O HA. TI O F HO DOMO"
(Stomen, 1889, bl. 89—127)
Dr. J. M. S. BALJON,
Predikant te Almeloo.
-~>o$>~i<s>i~Qo~
LEIDEN. - E. J. BRILL.
1889.
BIBLIOTHEEK OER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHTi
-ocr page 4-
RIJKSUNIVERSITEIT
A06000003944471B
-ocr page 5-
Amice!
Het schijnt mij niet overbodig toe U mede te deelen, hoe
ik tot mijn opstel „De inrichting van de Encyclopedie der
Christelijke Theologie" (Theol. Stud. 1889, bl. 39—74) kwam.
Het was de invloed van Prof. Doedes, die mij reeds als stu-
dent tot het onderzoek van Encyclopedische kwesties drong.
De vrucht hiervan kunt gij vinden in de twaalfde en de der-
tiende stelling achter mijne dissertatie, die aldus luiden: „De
benaming Wetenschap van den Godsdienst is te verkiezen
boven Theologie" en „In eene Encyclopedie van eene Weten-
schap van den Godsdienst moeten wij drie deelen (literarisch,
historisch, philosophisch deel) aannemen". Het was ook weder
Prof. Doedes, die ons met de grootste overredingskracht
en de meeste duidelijkheid op het hart gebonden had, het
terrein van gelooven en weten, in casu het onderscheid tusschen
waardeeringsoordeelen en het zuiver wetenschappelijk oordeel
zoo goed mogelijk uiteen te houden. Ook de sporen van dat
onderwijs kunt gij reeds in mijn proefschrift vinden. De veer-
tiende stelling komt hierop neder, dat niet navolgenswaardig
is, in het wetenschappelijk debat van openbaringsgodsdiensten
te spreken. Reeds toen toch was ik er van doordrongen, dat
men bij begrippen als openbaring zich niet op zuiver weten-
schappelijk gebied, maar op het terrein des geloofs, der waar-
deering, der appreciatie bevindt.
Ik had mij, zooals U uit mijne genoemde theses blijkt,
een schema van eene Encyclopedie gevormd en ik was begee-
rig, dat schema te gelegener tijd uit te werken. Dat plan, in
1884 opgevat, bracht ik in 1888 ten uitvoer en ik bood mijn
-ocr page 6-
4
opstel voor Uw tijdschrift aan. Werd het in Uw tijdschrift
opgenomen, dan sprak het toch vanzelf, — de beleefdheid ge-
bood het reeds — dat ik voortdurend nota nam van hetgeen
gij, de redacteur, in Uw tijdschrift over de Encyclopedie der
Christelijke Theologie geschreven hadt. Mijn streven was bij
het „fortiter in re" het „suaviter in modo" niet te vergeten
en het doet mij daarom genoegen, dat gij bij groote vrijmoe-
digheid gewoonlijk veel waardeering in mijn schrijven ontdekt.
Ik kleedde mijne bedenkingen dikwijls in vragenden vorm in,
om de bescheidenheid, die mij als jongere tegenover U den
oudere betaamde, niet te vergeten.
En nu ter zake. Bij mijn antwoord volg ik U niet op den
voet en begin dus niet met de Practica om dan over te gaan
tot „Het object der Theologie" enz. maar ik houd mij aan de
volgorde der onderwerpen van mijn eerste opstel. Ik begin
dus met
I. Be benaming onzer loetenschap. Gij meent, dat het vol-
doende is van Theologie te spreken, als gij bedoelt den cyclus
der wetenschappen, die op den Christelijken godsdienst be-
trekking hebben. Ik kan U dit niet toegeven. G-ij moet spreken
van de Christelijke Theologie; anders maakt gij u aan ondui-
delijkheid schuldig. Een Mosleem, een Buddhist kan ook spre-
ken van zijne Theologie. Was het niet Nagelsbaoh , die een
boek schreef over de Homerische Theologie? De beoefenaar
van het Oude Testament spreekt b.v. van de Theologie van
Ezeohiël. Ik laat voor een oogenblik de kwestie daar, of het
goed is, dat genoemde belijders van verschillende godsdiensten
en genoemde geleerden van hunne Theologie spreken. Een feit
is, dat het gebeurt en gij hebt met dat algemeen feit te re-
kenen. Gij kunt nu eenmaal het spraakgebruik niet dwingen,
maar moet daarop achtslaan, ja dat volgen, zoolang ten minste
door dat volgen geen verwarring ontstaat en gij in de nood-
zakelijkheid zijt, eenen eigen weg te kiezen. Men moet er zich
voor wachten — en dit geldt ook voor het vervolg van uwe
-ocr page 7-
5
studie —, er geen woordenboek op eigen hand op na te nou-
den. Anders spreekt men voor anderen in eene vreemde taal
en wordt men niet begrepen.
Op mijn bezwaar, dat het woord Theologie door den Chris-
telijken godgeleerde in drieërlei zin gebezigd wordt, en het
dus aanbevelingswaardig is van de Wetenschap van den Chris-
telijken godsdienst
te spreken, als men bedoelt den cyclus der
wetenschappen, die op den Christelijken godsdienstbetrekking
hebben, slaat gij geen acht en daardoor maakt gij u wel wat
al te gemakkelijk van mij af. Hier, zou ik zeggen, moet het
spraakgebruik gewijzigd worden, wil men zich voor dubbel-
zinnigheid wachten. Kan men mij dit niet toegeven en is men
te veel aan den naam „Christelijke Theologie" gehecht om
dien prijs te geven voor de benaming „Wetenschap van den
Christelijken godsdienst", welnu men ga zijn\' gang. Aan
woordenzifterij wil ik mij niet schuldig maken. Mits men er
dan slechts toe besluite, om als men het woord Theologie
gebruikt, duidelijk uit te drukken, of men bedoelt „Den cyclus
der wetenschappen, die op den Christelijken godsdienst be-
trekking hebben", of „De Leer aangaande God" of iemands
leerbegrip.
In verband met de benaming van onze wetenschap brengt
gij Uwe zienswijze over de zg. godsdienstwetenschap ter
sprake. Ik verblijd mij, dat gij bij nadere toelichting van
Uw gevoelen toegeeft, dichter aan mijne zijde te staan dan
ik vroeger vermoedde. Toch waarde vriend! gaat gij m. i.
niet ver genoeg en staat alzoo m. i. nog niet op het eenig
juiste en zuiver wetenschappelijke standpunt. Ik zal U niet
aanraden hier ter schole te gaan bij sommige mannen der
godsdienstwetenschap, Leidsche Hoogleeraren, die gij zelf
noemt, maar ik wijs U naar Prof. Lamees en Prof. Chantepie
de la Saussaye. Zij zouden ernstig protest aanteekenen, dat
gij slechts — ik zeg wederom met nadruk slechts — van
afgodenleer en mythologie spreekt, waar de weten schappelijke
-ocr page 8-
6
man van godsdiensten en godsdienstige verschijnselen spreken
moet. Op het standpunt der Hoogleeraren van de Vrije Uni-
versiteit, die staat op Gereformeerden grondslag, is het vol-
komen consequent van de afgodenleer en de mythologie zelfs
op de „Series Lectionum" te spreken. Maar op ons stand-
punt past dat niet. Prof. Lamees heeft ons geleerd, dat wij
even goed van den godsdienst der Moslemim als van dien der
Bosjesmannen en van dien der bewoners van de Zuidzee-
eilanden spreken moeten als van den Christelijken godsdienst.
Ook hier wederom speelt uw waardeeringsoordeel U parten,
waar gij een zuiver wetenschappelijk oordeel vellen moet. De
zaak lijkt mij zoo duidelijk en eenvoudig, dat ik niet begrijp,
dat ook gij het niet inziet. Noem als Christen, als belijder
des Heeren, uwen godsdienst den eenigen, waren, den besten
godsdienst, den godsdienst bij uitnemendheid en gij hebt vol-
komen gelijk. In uwe hoedanigheid evenwel van wetenschap-
pelijk theoloog moogt gij dat niet doen en moet gij er naar
streven zooveel mogelijk de billijkheid ook tegenover andere
godsdiensten te betrachten. Ik weet zeer goed, dat gij ook
als theoloog niet volkomen „papier blanc" kunt zijn en uwe
sympathieën en antipathieën niet geheel verloochenen kunt.
Toch moet gij er naar streven. Zooveel mogelijk objectief —
dat zij uw ideaal!
II. Object van de Christelijke Theologie.
Gij noemt als object van de Christelijke Theologie de Kerk.
Ik moet van U verschillen en noem als object den Christe-
lijken godsdienst. Spreekt gij van de wetenschap van de kerk,
dan zal ik niet meer vragen: Van welke kerk? opdat ik
Uwen toorn niet opwekke. Toch blijf ik er bij, dat als gij met
de kerk de Joodsche en de Christelijke kerk, het voortge-
brachte werkstuk der openbaring, bedoelt, gij het dan zeg-
gen moet. Het doet er niet toe, of gij reeds vooraf in Uwe
studie over kerk gesproken hebt. Als gij eene definitie geeft,
moet gij U op de meest mogelijke nauwkeurigheid toeleggen.
-ocr page 9-
7
Ik weet, dat gij U voor uwe qualiflcatie van de kerk op de
Oud-Gereformeerde schrijvers beroepen kunt, — gij hadt er de
Neo-Gereformeerde schrijvers gerust aan kunnen toevoegen,
b. v. met tal van citaten uit de Heraut, — evenals op wijlen
Prof. Chantepie de la Saussaye. Toch wint gij mij niet voor
Uw gevoelen. Wij, die leven in 1889, moeten ons aan de
beteekenis der woorden houden, die er thans op goede gron-
den, op het gezag van onze taalgeleerden aan gehecht wordt,
maar niet willekeurig daaraan beteekenissen toeschrijven. Gij
herinnert U wat ik U in den aanvang van mijn opstel over
uw eigenaardig woordenboek schreef. Zie toe, dat er niet te
veel faxt- Keyóiievx in voorkomen. De mannen van het vak
verstaan tegenwoordig onder kerk de uitwendige openbaring
als genootschap, gemeenschap, instituut van de gemeente des
Heeren Jezus Christus. Vraagt gij mij werkelijk nog, dat
ik mijne bepaling van de kerk zal verdedigen? Welnu! amice!
dan vraagt gij op uw beurt naar den bekenken weg. Gelijk
gij weet, is het woord kerk eene specifiek Christelijke uit-
drukking. Kerk wordt afgeleid van Kvptxxév, xupixxii, dat reeds
in de vierde eeuw als aanduiding van Christelijke kerkge-
bouwen voorkomt. Van het gebouw ging de naam over op
de gemeente, die daar samenkwam om den Heer te loven.
De zoo even gegevene afleiding, die, gelijk ik weet, ook uwe
afleiding is, wordt thans algemeen, gelijk U zelven even goed
als mij bekend is, door de taalgeleerden zoo goed als unaniem ge-
geven , terwijl vroeger nog al door sommigen waarde werd ge-
hecht aan de afleiding van curia of van circusl). Kan het niet
als algemeene regel gelden, dat men bij de bepaling eener
zaak vooral op de afleiding van het woord letten moet, hier
bij kerk geldt dit wel. Hier moet m. i. de geschiedenis van
het ontstaan van dat woord het meeste licht verschaffen.
Ik zeide: Het begrip kerk is een specifiek Christelijk be-
1) Vgl. b.v. het Etymologisch Woordenboek der Ned. Taal van Dr. Franck (sub voce);
-ocr page 10-
8
grip. Lees wat Köstlin (Herzog\'s Real-Encyclopedie, 2e Aufl.
sub voce) schrijft: „Wenn wir in biblischer, dogmatischer
und ethischer Ausführung von Kirche reden, so verstehen
wir darunter «xxa»jo7« im Neutestamentlichen Sinne des Wor-
tes oder die Gemeinde Christi."
Wijlen Prof. Van Oostebzee noemde (Christelijke Dogma-
tiek, II, bl. 420) de kerk eene vereeniging van evangelie-
belijders, waarvan de verheerlijkte Christus het hoofd is, en
rekende haar ontstaan vanaf het eerste Christelijke Pinkster-
feest. De Hoogl. vestigde verder de aandacht op het geheel
eenig karakter der Christelijke kerk. Alle scholen, door wijs-
geeren gesticht, zijn tenietgegaan. Zelfs de Theocratie, door
Mozes tot stand gekomen, was niet van blijvenden aard. Hoe
geheel anders is het daarentegen met de Christelijke kerk ge-
gaan ! Bl. 422 gewaagde de Hoogl. van het spraakgebruik der
oude Hervormers, die met voorliefde schrijven ook over de kerk
des Ouden Verbonds, maar de Hoogl. kon dat spraakgebruik
niet overnemen, omdat het z. i. onjuist was.
Het begrip kerk is een specifiek Christelijk begrip. Een
Mosleem spreekt niet van zijne kerk en evenmin een Bud-
dhist. Gij stemt zelf toe, dat in het Oude Verbond het woord
kerk of iets, wat daaraan beantwoordt, niet gevonden wordt.
Maar ik zou zeggen, dring dan aan het Oude Verbond niet
op, wat daarin niet te vinden is. De definitie van kerk, die
gij van J. Clarisse overnaamt (hominum, Deum verum colen-
tium societas) past eer voor het begrip gemeente dan voor
kerk. Gij meent, de kerk reeds te ontdekken in de jTl!T Sip
des Ouden Verbonds. Schrijf voor kerk „gemeente" en ik ga
geheel met U mede.
Ik handhaaf, geachte opponent! mijn stelling: Uwe bepa-
ling van de Christelijke Theologie als de Wetenschap van de
kerk is te vaag en te practisch, derhalve te weinig weten-
schappelijk.
, Uit mijne gronstelling, dat het object van onze wetenschap
-ocr page 11-
9
de Christelijke godsdienst en niets dan die godsdienst is, vloeit
voort, dat ik in de Encyclopedie van de Christelijke Theolo-
gie de Oud-Testamentische vakken niet opneem. Wil ik con-
sequent zijn, dan kan en mag ik het niet doen. Vooruit
kon ik berekenen, dat het buitensluiten van de Oud-Testa-
mentische vakken aan U en aan vele andere geleerden, die
ik hoogacht, bezwaar zou geven. Doch, hoe mij dit speet!
ik kon niet anders en moest in dat opzicht mijnen eigen weg
volgen. Ik sluit de Oud-Testamentische vakken buiten, omdat
men m. i. in de Encyclopedie niet te maken heeft met de
vakken, die de godgeleerde moet beoefenen om een goed god-
geleerde te zijn, maar omdat daarin het organisme der weten-
schap van den Christelijken godsdienst moet beschreven wor-
den. Het Oude Testament is wel onmisbaar voor de juiste
kennis van den Christelijken godsdienst, maar men kan niet
zeggen, dat het Oude Testament eene bron is voor de ken-
nis van dien godsdienst. Voor de kennis van den Christelij-
ken godsdienst is ook noodig kennis van de Grieksche wijs-
begeerte ten tijde van het ontstaan van den Christelijken
godsdienst. Maar men kan toch moeilijk die wijsbegeerte eene
bron voor de kennis van dien godsdienst als zoodanig noemen.
Uit eene bron moet iets onmiddellijk kunnen worden afgeleid.
Ik zie niet in, dat door mijne bepaling van de Christelijke
Theologie misverstand in de hand gewerkt kan worden. Ieder,
die kennis van zaken heeft, weet wat met de uitdrukking
„Christelijke godsdienst" bedoeld wordt. De Christelijke gods-
dienst is een van de godsdiensten der wereld, en wel die
godsdienst, die zich naar Christus noemt, waarvan Christus
de grondvester is. De kwestie late men hier daar, dat over
het wezen van den Christelijken godsdienst, over zijn eigen-
aardig karakter weder verschillend geoordeeld wordt. Dit heeft
de Christelijke godsdienst gemeen met alle eenigszins ontwik -
kelde godsdiensten. Over het wezen en het karakter van den
Israelietischen godsdienst, van het Buddhisme; van den Islam
-ocr page 12-
10
zijn de geleerden het ook nog niet eens. Dit neemt evenwel
niet weg, dat als gij spreekt van den Israelietischen gods-
dienst, het Buddhisme, den Islam, ieder theoloog weet wat
gij bedoelt. Alzoo is het ook het geval, als gij spreekt van
den Christelijken godsdienst. Hiermede is zoo goed mogelijk
in wetenschappelijken term wedergegeven een concreet ver-
schijnsel op het gebied van het geestelijke leven.
III. Waardeeringsoordeelen en het zuiver wetenschappelijk
oordeel.
Een mijner bezwaren tegen uwe definitie van de Christe-
lijke Theologie was, dat gij een waardeeringsoordeel in plaats
van een zuiver wetenschappelijk oordeel veldet. Ik had ge-
schreven en schrijf nog: „Ik geloof van ganscher harte aan
eene bijzondere openbaring ... Maar ik vraag: Wat heeft deze
mijne geloofsovertuiging hier met de wetenschappelijke kwestie
te maken, hoe ik het object mijner Theologische wetenschap
zal definieeren? Zonder eenige reserve antwoord ik: Niets.
Men make zich toch niet ieder wetenschappelijk debat met
mannen, die onze geloofsovertuiging niet deelen, onmogelijk".
Gij noemt dat krasch gezegd, maar zijt het niet met mij eens.
Laat ons zien, of wij het tezamen eens kunnen worden.
Een wetenschappelijk oordeel noem ik een oordeel, dat rust
op zuiver wetenschappelijk onderzoek, m. a. w. dat rust op
eene wel gegronde en wel geordende kennis. Een oordeel is,
zooals gij zelf zeer goed weet, eene uitspraak. Zoo is het wel
degelijk een wetenschappelijk oordeel — ik moet hier van u
verschillen —, dat a<a-\\-b, m. a. w. dat het geheel grooter
is dan een zijner samenstellende deelen. Ook de axioma\'s be-
hooren tot het gebied van het wetenschappelijk oordeel. Maar,
zooals van zelf spreekt, tot dat terrein behoort nog meer dan
het axioma. Om op het gebied der Theologie te blijven: Het
is een zuiver wetenschappelijk oordeel, gegrond op degelijk
onderzoek, op wel geordende kennis, gegrond op de Logica,
dat de 5 boeken „Mozes" in hunne tegenwoordige gedaante
-ocr page 13-
11
onmogelijk van Mozes afkomstig kunnen zijn; dat er ver-
schillende bronnen uit verschillende tijden en van verschillende
personen aan ten grondslag liggen. Het is een zuiver weten-
schappelijk oordeel, door niemand, die der zake kundig is te
weerspreken, dat men in den Pentateuch de sporen vindt
van een Bondsboek, van een priestercodex, van verschillende
profetische en priesterlijke verhalen, van een Deuteronomist
en van een of meer redactoren. Het is een zuiver weten-
schappelijk oordeel, door niemand, die op de hoogte der we-
tenschap is, te weerspreken, dat er verwantschap bestaat
tusschen de synoptische evangeliën en dat die verwantschap
verklaard moet worden uit het gebruik van gemeenschappe-
lijke bronnen. Het is een zuiver wetenschappelijk oordeel, dat
de Handelingen der Apostelen van het ontstaan der katho-
lieke kerk eene andere voorstelling geven dan de Paulinische
brieven. Wetenschappelijke oordeelvellingen of uitspraken zijn
het, dat de Pastoraalbrieven bezwaren opleveren tegen den
Paulinischen oorsprong dier brieven en dat de Openbaring niet
„aus einem Gusse" geschreven is.
Onder waardeeringsoordeel versta ik iets anders. Bij zulk
een oordeel waardeert, taxeert men, schat men hooger of
lager al naar dat de smaak, de geestesrichting, de individu -
aliteit van den beoordeelaar gesteld zijn. In \'t algemeen is het
een waardeeringsoordeel, als ik zeg: Dat vind ik mooi of
minder mooi. Ik schat die kunst hooger of lager dan eene
andere kunst. Het is een waardeeringsoordeel, als gij beweert:
De Christelijke godsdienst is de ware godsdienst, de godsdienst
bij uitnemendheid. Ik zeg niet, dat gij als Christen dat oor-
deel niet vellen moogt, ja vellen moet, maar ik houd staande,
dat gij als godgeleerde, als wetenschappelijk man u van eene
dergelijke uitspraak dient te onthouden. In den Christelijken
godsdienst zoowel als in den Israelietischen godsdienst kunt
gij hoogere, goddelijke factoren, Gods openbaring zien. Vol-
komen terecht. Maar de ervaring leert u, dat velen, die de-
-ocr page 14-
12
zelfde feiten beschouwen, ze met een ander oog waarnemen,
en van natuurlijke, geleidelijke ontwikkeling spreken, waar
gij meent, daarmede niet te kunnen volstaan. Yanwaar dat
verschil te verklaren ? Ik meen, dat het verklaard moet wor-
den uit verschil van opvoeding, aanleg, karakter, geestelijke
ontwikkeling, uit verschil van geestelijk oog. Nog eens: Gij
omschrijft zelf die Godsopenbaring als eene appreciatie, d. i.
als eene waardeering van verschillende feiten. "Welnu! de
wetenschap heeft met die feiten, en het geloof — doch hier-
over wordt niet gehandeld — , met onze appreciatie, onze
waardeering van de feiten, onze opvatting van de Gods-
openbaring te maken. Zeg dus niet meer: Ieder wetenschap-
pelijk oordeel is een waardeeringsoordeel, want alzoo maakt
gij u aan groote verwarring schuldig. Een wetenschappelijk
oordeel is — om uwe terminologie te gebruiken, — wel de
vrucht van ons xpiveiv, maar niet van onze waardeering of
taxatie. Boven deze is het verheven. Wilt gij mij niet geloo-
ven, ga dan ter schole bij de Hoogleeraren Doedes, Lamers,
Valeton en Opzoomee, van wie ik deze onderscheidingen ge-
leerd heb. Indien gij dit doet, zult gij niet meer zeggen, dat
ik, in mijn vorig opstel over waardeeringsoordeelen schrijvende,
met Fransche ,.aisance" in twee, drie woorden over de ern-
stigste problemen der wetenschappelijke methode besliste. Ik
kon daar slechts aanstippen wat ik hier uitvoeriger heb ont-
wikkeld. Toch waren ook mijne opmerkingen, daar gegeven,
op onderzoek gegrond.
Volgaarne erken ik, dat op het gebied van de geestelijke
wetenschappen, in casu op het gebied van de Christelijke
Theologie het waardeeringsoordeel en het zuiver wetenschap-
pelijk oordeel dikwijls zeer na aan elkander grenzen. Zoo zal
dit b.v. het geval zijn bij de Christelijke Dogmatiek en Ethiek,
waarin de Theoloog het Christelijk geloofs- en zedelijk leven
beschrijven moet in zijnen aard, oorsprong, grond en ont-
wikkeling. Hier moeten zij somtijds in elkander vloeien. De
-ocr page 15-
18
Theoloog toch moet het geloofs- en zedelijk leven beschrijven,
zooals hem dat op grond van de getuigenissen van Jezus en
de apostelen als ideaal voor den geest zweeft. Hij moet hier
uit beginselen, in het Nieuwe Testament uitgesproken, zooveel
mogelijk een stelsel vormen; uit grondstoffen, daar bewaard,
een gebouw oprichten. Jezus en de apostelen hebben nu een-
maal geen Christelijke Dogmatiek en Ethiek achtergelaten.
"Wij moeten die construeeren. Van heeler harte stem ik toe,
dat het Christelijk ideaal op het gebied van het geloofs- en
zedelijk leven van den een verschillen zal van dat van den
ander, omdat niet alle Theologen dezelfde opvoeding, denzelf-
den aard, dezelfde ontwikkeling en hetzelfde geestelijk oog
bezitten. Tegen het onvermijdelijke vermag men niets. Maar
dit pretendeer ik, dat de Christelijke Theoloog, die zijne
Christelijke Dogmatiek en zijne Christelijke Ethiek schrijven
zal, zooveel mogelijk zijne persoonlijke inzichten en beschou-
wingen daar moet laten; zooveel mogelijk zuiver objectief of
zuiver wetenschappelijk te werk moet gaan. Hij moet bouwen
op de gegevens van den Heer en de apostelen. Eene Chris-
teliïjke
Dogmatiek en Ethiek moet hij geven. Die Dogmatiek
en Ethiek moeten wetenschappelijk zijn ingericht en dus be-
antwoorden aan de eischen der Logica. De Dogmaticus en
de Ethicus moeten zuiver redeneeren, goed deduceeren,
scherp onderscheiden. Vooral wachte men zich er voor, dat
men in de definitie van Christelijke Dogmatiek en Ethiek
reeds met een waardeeringsoordeel beginnen zou, zooals gij,
Amice! doet als gij schrijft: „De door God in Christus vol-
ledig geopenbaarde waarheden — welke haar invloed ook zij, —
zijn de voortbrengende en motorische krachten der kerkge-
schiedenis, dit woord in den ruimsten zin genomen. Die
waarheden zijn het voorwerp der philosophische Theologie.
Zij beschrijft die." Ik tracht dit te vermijden, als ik de
Christelijke Dogmatiek en Ethiek noem de wetenschappelijke
beschrijving van het geloofs- en het zedelijk leven des Chris-
-ocr page 16-
14
tens. Doch thans weid ik niet verder over Christelijke Dog-
matiek en Ethiek uit, daar het hier te doen is om de juiste
onderscheiding tusschen het waardeeringsoordeel en het zui-
ver wetenschappelijk oordeel.
IV. Verdeeling van de Encyclopedie der Christelijke Theologie.
Wij nemen heiden in de Encyclopedie drie deelen aan,
maar verschillen in de deelen zelven en in de uitwerking
daarvan. Gij spreekt van Empirische Theologie, Philosophische
Theologie, Practische Theologie. Ik spreek van een Litera-
risch, Historisch en Philosophisch deel en het Praktisch deel
laat ik wegvallen. Dit laatste is in uwe oogen eene groote
zonde en gij begint dan ook uwe „Oratio pro domo" met het
volgend hoofdstuk: „De plaats der Theologia Practica in het
instituut der Encyclopedie gehandhaafd".
Volgens mijne opvatting heeft de wetenschap, de zuivere
wetenschap alleen theoretisch, en dus geen praktisch belang.
De wetenschap geeft de op ervaring berustende, door degelijk
onderzoek verkregen regelen of wetten aan, die een bepaald
gebied beheerschen, maar laat zich niet met de kwestie in,
of deze regelen of wetten later aan de practijk kunnen wor-
den dienstbaar gemaakt. De natuurkundige bestudeert b.v. de
electriciteit. Hij tracht grooter ontdekkingen op dat terrein
te doen, meer wetten op te sporen, tot meer verrassende
uitkomsten te geraken, maar hij laat als wetenschappelijk
man de vragen onbeantwoord, of zijne ontdekkingen winst
afwerpen voor de practijk en of er voordeel voor de samen-
leving van kan worden getrokken. Ik beweer volstrekt niet,
dat de geleerde zich niet met de practische zijde des levens
mag bezighouden, maar ik houd alleen staande, dat hij dit
niet doet als wetenschappelijk man. De ervaring leert zelfs,
dat de zuiver wetenschappelijke menschen, de vakgeleerden
over \'t algemeen weinig praktische personen zijn. Zij zijn ge-
woon, zich in eene andere wereld te bewegen. De Pathologie
is niet, zooals gij schrijft, de theorie, volgens welke de me-
-ocr page 17-
15
dicus den zieken mensch moet behandelen, — want dan moes-
ten onze diaconessen ook de Pathologie bestudeeren, — maar
het is de leer van de ziekten, van hare verschillende soorten,
oorzaken, aanleidingen, kenteekenen en verschijnselen. Ik
vraag u: Is de Pathologie niet eene zuiver theoretische weten-
schap? Hoe kunt gij u daarop beroepen voor uwe stelling,
dat men de practische vakken wel degelijk tot de Encyclo-
pedie der Christelijke Theologie moet rekenen ?
In onze Encyclopedie komen de vakken ter sprake, diebe-
trekking hebben op den Christelijken godsdienst als zoodanig,
niet de vakken, die met den Christelijken godsdienst zijde-
lings in verband staan. In het historisch deel van onze En-
cyclopedie spreken wij over de geschiedenis van den Christe-
lijken godsdienst, want die geschiedenis staat in rechtstreeksch
verband met den Christelijken godsdienst. Wij handelen even-
wel niet over de geschiedenis van de Christelijke kerk, want
met de Christelijke kerk staat de Christelijke godsdienst slechts
in zijdelingsch rapport. Christelijke kerk en Christelijke gods-
dienst zijn geen synoniemen. Er werd Christelijk godsdienstig
leven gevonden ook buiten de Christelijke kerk. Bij de prac-
tische vakken, die gij tot het derde deel der Encyclopedie
rekent, staat niet het belang van den Christelijken godsdienst
als zoodanig op den voorgrond. Daar is het niet de vraag,
wat de Christelijke godsdienst heeft, is of geweest is, maar
aldaar worden practische wenken gegeven wat vooral de her-
der en leeraar doen moet tot heil van de Christelijke kerk,
van grootere of kleinere kringen, hoe hij zijn Christelijk ge-
loof en zijne Christelijke kennis aan het welzijn van de ge-
meente des Heeren kan dienstbaar maken. In uw derde deel
vindt men de theorie van de praktijk. Gevoelt gij niet, Amice!
welk eenen vreemden indruk het maakt, als men, na in het
Literarisch deel over de kenbronnen, in het Historisch deel
over de geschiedenis van den Christelijken godsdienst en in het
Philosophisch deel over de Christelijke geloofs- en levensbe-
-ocr page 18-
lfi
schouwing gehandeld te hebben, in een vierde of laatste deel
stil zal staan bij de kwestie — ik houd mij aan Uwe woor-
den, — „dat de Christelijke godsdienst over een geheel van
geestelijke krachten beschikt, van waarheden en middelen,
die zijne instandhouding waarborgen, of ten minste geacht
worden het te doen." Indien de Christelijke godsdienst die
geestelijke krachten niet bezat, waarom zou dan de Theoloog
zich zooveel inspanning daarvoor getroosten? Bij zijn onder-
zoek gaat hij uit van de onderstelling, die op zijne enopan-
derer ervaring rust, dat de Christelijke godsdienst die gees-
telijke kracht bezit. Anders was hij de moeite zijner beschouwing
niet waardig.
Laten de beoefenaars van andere wetenschappen geheel op
soortgelijke wijze als de theologen het doen, een praktisch
deel in de Encyclopedie hunner wetenschappen aannemen,
b.v. de beoefenaars van de Medische wetenschap, en ik wed,
dat gij zoudt glimlachen. Dacht gij, dat de Faculteit der
Medische wetenschap er ooit aan denken zou, in hare Ency-
clopedie op te nemen practische wenken, aan onze diaconessen
gegeven, hoe zij met de zieken moeten omgaan, wenken, die
ook de medici niet verwaarloozen mogen, zoo zij met al hunne
kennis en geleerdheid bij de zieken iets zullen uitrichten?
Geloove wie het kan!
Ik meen op goede gronden te mogen volhouden: Wat in
het practisch deel der Encyclopedie ter sprake komt, heeft
meer met de voorbereiding van den evangeliedienaar te ma-
ken dan met de instandhouding of het belang van den Chris-
telijken godsdienst als zoodanig. Door de Homiletiek, de theorie
der predikkunde, leeren wij hoe men eene goede preek moet
samenstellen en uitspreken. Uit de preek of leerrede moet
blijken dat de predikant wetenschappelijk goed onderlegd is,
een theoloog, al is \'t ook in bescheiden mate, heeten mag,
maar de preek als preek is toch geen wetenschappelijk stuk
en de Theorie der predikkunde valt dus buiten het kader
-ocr page 19-
17
van de Theologische wetenschap, bijgevolg buiten de ency-
clopedie dier Wetenschap. Tot haar organisme behoort zij
niet. Ik sla willekeurig de Practische Theologie van wijlen
Prof. Van Oosterzee op en tref daar aan wat de Hoogl. in
het tweede deel, blz. 38 enz. over de Liturgische zaken in \'t
midden bracht. Welke voortreffelijke wenken gaf Prof. Van
Oosterzee daar over den Liturgischen tijd, de Liturgische
plaats, de Liturgische taal en het Liturgisch gewaad. Nie-
mand evenwel zal kunnen beweren, dat de daar behandelde
onderwerpen een specifiek wetenschappelijk belang hebben.
Het zijn wenken voor den predikant als Liturg. Vergelijk de
afdeeling over de Algemeene Poemeniek (II, bl. 226 en 272),
waarin gij schoone verhandelingen vindt over „Herderlijke
kennisneming", „Herderlijk Toezicht", „Herderlijk bestuur",
„Herderlijk Leven", „Herderlijke Trouw", en stemt gij mij
niet toe, dat het altemaal onderwerpen zijn van overwegend
praktisch belang, geen wenken, die de Theoloog als Theo-
loog, als wetenschappelijk man heeft in acht te nemen?
Nog eens: De evangeliedienaar predikt het evangelie, bouwt
de gemeente op en verzorgt haar. Het is van uitnemend ge-
wicht , de theorie der werkzaamheid van den evangeliedienaar
als prediker, liturg, catecheet en zielzorger te beschrijven,
wanneer men handelt over de voorbereiding voor zijn ambt
in eene bepaalde kerk. Homiletiek, Liturgiek, Catechetiek en
Poemeniek zijn voortreffelijke vakken, maar zij hebben een
zuiver practisch belang. De belangen eener bepaalde kerk en
van bepaalde voorgangers domineeren, en niet het belang van
den Christelijken godsdienst als zoodanig. Daarom behooren
m. i. deze studievakken in onze Encyclopedie niet thuis.
Laat mij tot verduidelijking er bijvoegen, dat ik met voorbe-
reiding voor het ambt niet alleen bedoel de voorbereiding om
tot het ambt te geraken, maar ook de dagelij ksche voorbereiding
voor den ambtelij ken werkkring. Ik geloof, dat wij elkander
nu beter zullen begrijpen. De Practische Theologie, zeide Prof.
-ocr page 20-
18
Van Oosterzee — en laat mij hiermee dit punt besluiten, —
is de wetenschap der werkzaamheid voor het Koninkrijk Gods,
in al haren omvang gedacht, gelijk die bepaaldelijk door den
Herder en Leeraar der Christelijke gemeente wordt uitgeoe-
fend. Ik herhaal: gelijk die bepaaldelijk door den Herder en
Leeraar der Christelijke gemeente wordt uitgeoefend. Gij ziet
wat ook volgens Prof. Yan Oosterzee bij de Practica op den
voorgrond staat.
Uw eerste deel in de Encyclopedie draagt tot opschrift
„Empirische Theologie" en bevat de volgende onderdeelen:
Statistiek, Historische en Literarische Theologie. Ik had mijne
bezwaren tegen uwe qualificatie Empirische Theologie. Empirie
is bij mij ervaring, ondervinding en ik kan niet inzien, dat
uw epitheton empirisch zuiver omschrijft wat gij bedoelt. Kondig
eene lezing aan over de Empirische Theologie en ik wed, dat,
zoo men uwe studiën over de Encyclopedie niet gelezen heeft,
er weinig zullen zijn, die vermoeden, laat staan zeker bepa-
len, dat gij uwe lezing met een betoog over de Statistiek
zult aanvangen. Empirische Theologie? zullen velen verwon-
derd zeggen. Daarvan hebben wij nog nooit gehoord. Ik vrees
voor u, dat gij met uwe nieuwe terminologie weinig eer zult
inleggen. Of zal ik ook in dit opzicht een profeet zijn, die
brood eet? De toekomst zal het leeren.
Gij wilt dan in uwe Encyclopedie beginnen met de Statistiek.
Slaat gij handboeken over Kerkgeschiedenis en Statistiek op, dan
zult gij bemerken, dat men de Statistiek gewoonlijk houdt voor
een onderdeel, eene hulpwetenschap van de Kerkgeschiedenis.
Doch dit slechts tusschen twee haakjes. Gij zult dan uwe Ency-
clopedie beginnen met getalsopgaven, want gij dient toch althans
in hoofdtrekken ook in de Encyclopedie het karakter der Statis-
tiek te bepalen. Gij zult geven eene soort van kerkelijke geogra-
phie. De grenzen van de uitbreiding van den Christelijken gods-
dienst in den tegenwoordigen tijd zult gij noemen. Daarenboven
het getal van de verschillende belijders, van de verschillende
-ocr page 21-
19
secten. Over de inkomsten en de werkzaamheden van de on-
derscheidene kerkelijke beambten, dienaren en kerkelijke be-
sturen moet gij spreken. Ook vergeet gij niet het getal echte
en onechte geboorten te noemen, den stand van het godsdienst-
onderwijs, van den godsdienst ig-zedelij ken toestand uit den
tegenwoordigen tijd te bepalen. Nadat gij dit alles beschreven
hebt, zult gij — want ook dit behoort tot de Statistiek, —
de wetten noemen, op de ervaring gegrond, die het geeste-
lijk leven, den geestelijken wasdom en den geestelijken ach-
teruitgang bepalen. Welnu! ik aarzel niet te zeggen, dat gij
zoo in plaats van met het begin, met het einde begint, en
datgene vooropstelt wat eerst de kroon op het werk der Ge-
schiedenis van den Christelijken godsdienst zetten kan. Eene
andere misvatting is, dat de Literarische Theologie bij u
volgt op de Historische Theologie. Men zal dan de geschiede-
nis beschrijven van eenen godsdienst, welken men in zijn
essentieel karakter, in zijne eigenaardigheid, in zijn ontstaan
nog moet leeren kennen. Hoe langer ik over uwe indeeling
nadenk en ik mij in uwen gedachtengang tracht te verplaat-
sen, hoe duisterder de zaak mij wordt. Ik zou zeggen
met zoovele geleerden, die over de Encyclopedie geschreven
hebben: Laat ons eerst den Christelijken godsdienst uit zijne
kenbronnen verstaan, weten wat hij is; daarna zijnegeschie-
denis beschrijven om het Historisch deel te besluiten met de
Statistiek, d. i. met te constateeren wat er tegenwoordig is,
hoe het er thans met dien godsdienst uitziet. Dit komt ons
voor eene geleidelijke, genetische, normale ontwikkeling in de
Encyclopedie te zijn. Zoo beschrijft men een organisme.
Tot het Literarisch deel, waarin de kenbronnen van den
Christelijken godsdienst ter sprake gebracht worden, reken
ik alleen het Nieuwe Testament. Het Oude Testament neem
ik daarin niet op, omdat dit tot de kenbronnen van den
Israelietischen godsdienst behoort. Evenmin komen in mijn
Literarisch deel de Kerkvaders en de Reformatorische litera-
-ocr page 22-
20
tuur voor. Uit dezen leert men de ontwikkeling van den
Christelijken godsdienst kennen en zij behooren dus tot de
bronnen der geschiedenis van den Christelijken godsdienst.
Nog veel minder breng ik tot mijn Literarisch deel Jaarboe-
ken, Dagbladen en wat gij verder in verband hiermede noemt.
Dit alles, mits scherper bepaald, behoort tot de bronnen van
de Statistiek. Sla er uwen Hagenbaoh nog maar eens op na!
Qui bene distinguit, bene docet.
Nog ééne opmerking betreffende het Literarisch deel. Het
spijt mij, dat gij \'t mij kwalijk genomen hebt, dat ik met
het oog op uwe schets zeide: „Niet eerst vertalen en dan
verklaren. Eene vertaling zonder voorafgaande juiste verkla-
ring is een onding". Ik vertrouw, dat ik mij niet aan onhof-
felijkheid ten uwen opzichte heb schuldig gemaakt. Uw persoon
liet ik geheel onaangeroerd. Ik besprak eene zaak, een exe-
getisch beginsel. Bij uwe nadere toelichting hebt gij het m. i.
er niet veel beter mede gemaakt. De exegeet als exegeet
vertaalt niet, maar verklaart en de vertaling zet het zegel
op zijn werk. Prof. Doedes was gewoon op zijne colleges over
de Exegese altijd eerst den Griekschen tekst te bepalen, dan
den gezuiverden tekst te verklaren en zijne vertaling kwam
op \'t eind. Zoo doet ieder goed exegeet.
V. Be Theologie des Nieuwen Verbonds. De Symboliek en de
Geschiedenis der Theologie.
Ik vind in uw zesde hoofdstuk, dat over de plaats van de
bovengenoemde vakken in de Encyclopedie handelt, niet veel
aanleiding tot repliek. Gij hebt mij niet overtuigd, dat de
Theologie des Nieuwen Verbonds en de Symboliek niet tot
het derde of philosophisch deel behooren. Ik volsta hier met
den lezer te verwijzen naar hetgeen Prof. Doedes, die de
Theologie des Nieuwen Verbonds en de Symboliek tot zijn
dogmatisch (= mijn philosophisch) deel rekent, in zijne En-
cyclopedie daarover schreef en naar hetgeen ik in mijn vorig
opstel daarover in \'t midden bracht. Wat de geschiedenis der
-ocr page 23-
21
Theologie, d. i. de geschiedenis van de wetenschappelijke be-
oefening van de Theologie betreft, hoewel ik het groot gewicht
daarvan volmondig erken, meen ik dat vak buiten onze En-
cyclopedie te moeten sluiten, omdat in de geschiedenis der
Theologie de wetenschappelijke beoefening van de verschillende
leervakken, niet het belang van den Christelijken Godsdienst
als zoodanig op den voorgrond staat. Gij zult dan ook b.v.
bij Prof. Doedes en Hagenbac-h tevergeefs naar dat vak in
de Encyclopedie zoeken. Gij kent mijn gevoelen (Studiën, 1889,
bl. 60): „Schrijft men over bedoelde onderwerpen, als b.v.
over de wetenschappelijke beoefening van de kerkgeschiedenis
afzonderlijke boeken, zooals dat Dr. Sepp deed overdeweten-
schappelijke beoefening van de kerkgeschiedenis door de Ne-
derlanders, dan verricht men een uitnemend werk, maar men
levert geen schakel in de keten der Encyclopedie. Het is ook
zeer nuttig, dat men eene geschiedenis geeft der wetenschap-
pelijke beoefening van de Encyclopedie, maar zulk eene ge-
schiedenis vindt toch niet hare plaats in het historisch deel
der Encyclopedie. Zij worde behandeld in eene inleiding op
de Encyclopedie". Ik ga geheel met u mede, als gij schrijft,
dat naast de geschiedenis en de wetenschappelijke beoefening
van ieder leervak ook eene geschiedenis van de Theologie in
haar geheel gegeven kan en moet worden, omdat de Theolo-
gie eene organische eenheid is. Het is niet in mijne gedachten
opgekomen, dit te ontkennen, hoewel ik gaarne toegeef, dat
ik mij in dat opzicht vroeger vollediger had kunnen uitdruk-
ken om geen aanleiding tot misverstand te geven. Zelfs zou
ik uwen wensch tot den mijnen kunnen maken, dat de ge-
schiedenis der Theologie eene plaats innam op de „Series
Lectionum", indien genoemde „Series" al niet reeds zoovele
vakken voor de studenten in de Theologie bevatte.
VI. Philosophisch deel.
Ik begin mijn philosophisch deel met de Theologie des
Nieuwen Verbonds, d. i. met de geloofs- en levensbeschouwing
-ocr page 24-
22
van Jezus en de apostelen, voorzoover wij die kennen. Dit
kan u niet behagen. Neen! zegt gij: De Wijsgeerige Godge-
leerdheid is niet de geschiedenis van anderer wijsgeerige god-
geleerdheid. Zij is wat haar naam aanduidt en niets anders.
Bij de Theologie des Nieuwen Verbonds beweegt men zich
volgens U op historisch terrein. Ik kan U dit niet toestem-
men en gij weet, dat ik hier eenen krachtigen bondgenoot
heb in Prof. Doedes. De aard der stof bij de Theologie des
Nieuwen Verbonds is dogmatisch en ethisch. Bij de Theologie
des Nieuwen Verbonds letten wij op de verhouding, waarin
Jezus zich plaatste tot het Oude Verbond; voor wien Hij
zich zei ven hield, wat zijne voornaamste uitspraken zijn
aangaande God, den mensch, \'s menschen verlossing of be-
houdenis en toekomst. Na de prediking des Heeren staan wij
stil bij de geloofs- en levensbeschouwing van sommige apos-
telen en geven aldus zooveel mogelijk een Paulinisch, Jaco-
beïsch, Petrinisch en Johanneïsch leerbegrip. Dit alles is geloofs-
en levensbeschouwing, en wel zooals zij zich voordeed in de
geschiedenis, bij den aanvang der geschiedenis van den Chris-
telijken godsdienst. Toen Dr. Bavinck zijne dissertatie schreef
over de Ethiek van Zwingli, werd hij geen historicus. Blijft
gij niet op uw eigen terrein, dat van Dogmatiek en Ethiek,
al geeft gij ons uwe studiën over de leertypen van sommige
Apocriefen des Ouden Verbonds, waarbij gij natuurlijk ook
acht geeft op historische ontwikkeling?
Ja maar zegt gij: Bij wijsgeerige godgeleerdheid moet gij
uwe eigene wijsgeerige godgeleerdheid geven, niet de geschie-
denis van anderer wijsgeerige godgeleerdheid. Mijn antwoord
hierop luidt aldus: In mijn philosophisch deel geef ik de geloofs-
en levensbeschouwing van den Christelijken godsdienst, of om
mij juister uit te drukken, van de belijders van dien gods-
dienst. Die geloofs- en levensbeschouwing moet de specifiek
Christelijke zijn. Ik begin dus met het begin en zet de geloofs-
en levensbeschouwing, door Jezus Christus en de apostelen
-ocr page 25-
■21
gegeven, uiteen. Om mij aan te sluiten aan het verledene,
en met mijne beschouwingen over Christelijk geloof en leven
niet in de lucht te zweven, bouw ik op de geschiedenis en
laat derhalve op de Theologie des Nieuwen Verbonds de Sym-
boliek volgen. Zoo doende, wordt de overgang gebaand tot
datgene wat wij op het gebied van geloofs- en zedelijk leven
voor de hoogste waarheid houden, m. a. w. tot onze Dogmatiek
en Ethiek. Ik meen aldus den juisten weg te bewandelen.
Over uwe definitie van Dogmatiek en Ethiek heb ik reeds
gesproken en mijne bezwaren daartegen gehandhaafd in mijn
hoofdstuk over de Waardeering soordeélen. Bepaalde ik de
Christelijke Dogmatiek en Ethiek als de wetenschappelijke
beschrijvingen van het Christelijk geloofs- en zedelijk leven,
zooals ons dit als ideaal voor den geest staat, dan wil ik,
om aan uwe bezwaren tegemoet te komen, daaraan toevoe-
gen, zooals ons dit als ideaal voor den geest staat op grond
van hetgeen de geschiedenis van den Christelijken godsdienst
ons heeft geleerd. Zoo zult gij mij niet meer beschuldigen
van ideologie, onvruchtbare gymnastiek des geestes en ijdel
Platonisme. Hoezeer ik er van doordrongen was, dat wij bij
onze beschouwing van Christelijk geloofs- en zedelijk leven
op de historie moeten bouwen, kunt gij hieruit opmaken, dat
ik in mijn philosophisch deel Theologie des Nieuwen Verbonds
en Symboliek aan Dogmatiek en Ethiek vooraf laat gaan.
Spreek ik van de Christelijke Dogmatiek en Ethiek als van
de wetenschappelijke beschrijving van het geloofs- en het
zedelijk leven des Christens, dan heb ik met geloofs- en zede-
lijk leven natuurlijk geen tegenstelling op het oog. Volgens
mijne opvatting zijn het geloofs- en het zedelijk leven twee
ontplooiingen of openbaringen van het ééne godsdienstige leven
van den Christen. Het zijn twee takken van éénen boom.
Het godsdienstig leven is een geloofs-leven, want een Christen,
die waarlijk Christen, een oprecht godsdienstig mensch is,
heeft zijn Christelijk „credo". Ik vraag: Wat onderstelt zijn
-ocr page 26-
24
Christelijk geloofsleven ? Welk geloof aangaande God ? Welke
beschouwing aangaande den mensen, hoe geschapen, hoe ge-
worden (Anthropologie), aangaande de zonde, haar karakter,
oorsprong, invloed, gevolgen (Hamartiologie)? Wij vragen
verder: Hoe kwam die zondige mensch tot dat leven des
geloofs? Wie werkte dat in hem (Christologie, Soteriologie) ?
Eindelijk staan wij stil bij de ontwikkeling van dat leven des
geloofs in de toekomst, wanneer God zal zijn alles in allen
en het Godsrijk volkomen mag heeten (Eschatologie).
Het geloofsleven is gëloofs-leven en moet zich dus openba-
ren in het leven op het gebied der zedelijkheid. Zoo wordt
het geloofsleven zedelijk leven. De Christen, die gelooft,
vraagt: Hoe moet ik handelen, om aan mijne geloofsbelijde-
nis te beantwoorden en daarnaar te leven\'? Wat is de prak-
tijk der godzaligheid? Leert mijne Dogmatiek mij, dat God
mij heeft liefgehad, in mijne Ethiek zoek ik het antwoord op
de vraag: Hoe moet ik mijne liefde jegens God en den naaste
toonen? Leert mijne Dogmatiek mij, hoe God mij schiep en
wat er van mij werd, dan moet ik in de Ethiek verder onder-
richt worden aangaande de wijze, waarop ik mede kan wer-
ken, opdat mijne medeschepselen zóó worden als zij zijn moeten.
Ik kom dus hier in rapport met het maatschappelijke, het
sociale leven. Leert de Dogmatiek mij, dat Christus zich
voor mij overgaf in den dood, dan zegt mijne Ethiek mij,
hoe ik mijne dankbaarheid jegens Christus in Zijne gemeente
zal openbaren, wat ik doen kan, doen mag, doen moet voor
het werk der in- en uitwendige zending. Het is hier de plaats
niet, om de nauwe betrekking, die er volgens mijne opvat-
ting van Christelijke Dogmatiek en Ethiek tusschen beiden
bestaat, nader uit te werken. Ik hoop evenwel genoeg te
hebben gegeven om U te doen zien, dat ik mij bij mijne
qualiflcatie van Christelijke Dogmatiek en Ethiek niet aan
dualisme schuldig maak en tot een overwonnen standpunt
terugkeer. Wat gij bedoelt met uwe opmerking, dat onze
-ocr page 27-
25
Dogmatiek door en door ethisch moet zijn, gaf ik te kennen,
toen ik de Dogmatiek noemde de wetenschappelijke beschrij-
ving van het leven des geloofs. De Dogmatiek is bij mij niet
eene dorre, drooge leer, maar — om uwe terminologie te
gebruiken, — eene van leven bruischende werkelijkheid.
Een enkel woord over het verdeelingsbeginsel tusschen Dog-
matiek en Ethiek. God en mensch — ziet daar, zegt gij,
de twee werkelijkheden, waarnaar het organisme der wijs-
geerige godgeleerdheid geordend wordt. Ik had mijne beden-
kingen tegen uw verdeelingsbeginsel en vond uwe tegenstelling
meer stout dan waar. Als gij nader beschrijft, wat gij met
die twee werkelijkheden bedoelt, begrijp ik U beter. Doch
dit is niet genoeg. Uwe bepaling moest m. i. meer correct
zijn. In eene definitie voegen geen onjuistheden of onduidelijk-
heid, die later moeten worden weggenomen. God en mensch —
al ben ik geen pantheist als Spinoza, ik vind die tegenstel-
ling op wijsgeerig gebied onjuist, verouderd. Er ligt aan uwe
tegenstelling een openbaringsbegrip ten grondslag, dat wel
past in de Oud-Gereformeerde Theologie, maar niet in de
Theologie van onzen tijd. Wij kennen nu eenmaal God niet
buiten den mensch om. Vgl. over dit punt nader wat ik schreef
Studiën 1889, bl. 72, 73, dat door U niet is wederlegd. Hoe
eenvoudig en klaar is het: In de Dogmatiek hebben wij niet
alleen met God te doen, maar ook met den mensch, die ver-
lossing behoeft en in wien de verlossing bewerkt wordt. In de
Ethiek staat niet alleen de mensch, maar ook God op den
voorgrond, inzoover Hij de wetgever is, die ons zegt, hoe
wij leven moeten, aan wiens eischen en wetten wij in ons
zedelijk leven moeten beantwoorden, dien wij rekenschap
schuldig zijn. „Weest dan volmaakt gelijk uw Vader in de
hemelen volmaakt is", zie daar het beginsel van onze Christe-
lijke Ethiek. Maar indien dit zoo is, kunnen wij toch niet
stellen: In de Ethiek hebben wij met den mensch te maken
en in de Dogmatiek met God. In de werkelijkheid nu wilt gij
-ocr page 28-
26
dat ook niet. Om niet onbillijk te zijn, erken ik dan ook gaarne,
dat mijne bezwaren meer de deflnieering dan de uitwerking
van uw gevoelen betreffen.
Mijne laatste opmerking geldt do confessioneele bepaaldheid
van de Ethiek. Naar mij met velen toeschijnt, moet eene
Christelijke Ethiek Christelijk, en dus niet confessioneel be-
paald zijn. Eene confessioneel bepaalde Ethiek behoort in de
Encyclopedie der Christelijke Theologie niet thuis, omdat
daarin het belang van den Christelijken godsdienst, met dat
van de eene of andere kerk of confessie den boventoon voert.
In de Encyclopedie moeten wij het organisme onzer weten-
schap verklaren en dus hier bepaald de betrekking, die tusschen
Dogmatiek en Ethiek bestaat. Met om de wetenschappen als
zoodanig is het ons te doen, daar wij geen materieele, maar
slechts eene formeele Encyclopedie geven. Toch wordt ook in
onze Encyclopedie eene kleine karakteristiek van Dogmatiek
en Ethiek verwacht. Wie de samenstelling van de leden eens
lichaams zal verklaren, moet toch de leden van dat lichaam
eenigermate beschrijven. Zoo doet gij. Zoo doet ieder, die
over Encyclopedie schrijft. Dit met het oog op hetgeen aan
mijn adres gericht is in verband met uwe opmerkingen over
de confessioneele bepaaldheid van de Ethiek.
Wij geven in de Encyclopedie de regelen op, waaraan de
Christelijke Ethiek, als zij goed zal zijn, beantwoorden moet.
Wij schetsen haar dan naar haar ideaal. Omdat wij evenwel
zoowel bij Dogmatiek als bij Ethiek, hoe zuiver wetenschappe-
lijk wij te werk gaan, onze waardeeringsoordeelen nooit geheel
kunnen buitensluiten, daar de eigenaardigheid van de vakken
Dogmatiek en Ethiek zulks medebrengt, zal het ideaal, zoo
zeide ik, nooit geheel bereikt worden. Confessioneel bepaald
mag de Ethiek niet zijn evenmin als de Dogmatiek. Zie hier
de theorie. De praktijk evenwel zal ons leeren, dat ieders
Ethiek meer of min de sporen draagt van de eigenaardige
individualiteit en geestesrichting van den schrijver. Ik schreef
-ocr page 29-
27
(bl. 70) en schrijf nog: „Wij stemmen gaarne toe, dat in de
werkelijkheid aan iemands Ethiek onwillekeurig te bespeuren
is, welke confessie hij is toegedaan. De Ethiek van een Luthersch
godgeleerde zal er wel anders uitzien dan die van een Ge-
reformeerd theoloog. In de Encyclopedie evenwel hebben wij
de Ethiek naar haar ideaal te schetsen, het Christelijk leven,
zooals wij ons dat in zijne volkomenheid voorstellen. Zal de
Ethiek individueel bepaald zijn, confessioneel bepaald mag zij
niet worden. Ik stem U toe, dat ik aan dit punt — de
confessioneele bepaaldheid van de Ethiek — slechts weinige
regels wijdde. Gelijk gij evenwel weet, voegde ik aan mijne
woorden de woorden van Prof. Doedes toe en gaf het gevoe-
len van dezen Hoogl. tamelijk uitvoerig weder. Dat gevoelen
drukte zoo juist het mijne uit en ik dacht: De woorden van
Prof. Doedes zullen in dit opzicht voor U meer gezag hebben
dan de mijne.
Hierbij, Amice! moet ik het voor ditmaal laten. Het was
mij een genot over zulke hoogst belangrijke onderwerpen, als
wij behandelden, met U van gedachten te wisselen. Ontvang
mijnen dank voor de welwillendheid, waarmede gij mij hebt
aangehoord en geloof mij als altijd
t. t.
Al mei o o, April \'89.                          J. M. S. Bal jon.