-ocr page 1-
<f
\\/<A
rr~
v*m \\\\6^y
Het zuivere Goud
VAN HET
Beginsel der Geheel-Onthouding.
REDE
bij gelegenheid der 17de algemeene Vergadering van de
Nationale Christen-Geheelonthouders Vereeniging,
op 29 September 1897 te Groningen
uitgesproken door
Dr.Is. VA.N DIJK,
Hoogleeraar te Groningen.
TYP. f. WÊNT2ÜL - L. flMEEÖTR, 43 - UTRECHT..
Prijs fx. p. p. f 0.05; 50 Ex. i 2,-; ÏOO Ex. f 3,-.
Vcrkrygtnuii\' bij de Al\'d. Utrecht der Nut. Chr, Geh. Onth. Vereeniging
-ocr page 2-
-ocr page 3-
2^eer baarde \\oe\\\\oord\\er=A
Het verheugt mij dat ik hier van avond een enkel woord mag
spreken. Ik had het niet verdiend. Toen ik mij aansloot bij de
plaatselijke afdeeling van de Nationale Christen-Greheelonthouders-
Vereeniging, heb ik ter wille van ambtsbezigheden en van anderen
op mij rustenden arbeid moeten zeggen dat ik voor de afdeeling
weinig of niets zou kunnen zijn. Men heeft dat toen voor lief
genomen, en zie, nu heeft het Hoofdbestuur mij uitgenoodigd om
van avond hier een woord te spreken. Ik ben daar dankbaar voor.
Het verheugt mij al verder dat ik eens iets mag zeggen over
het beginsel der geheel-onthouding, dat ik een poging mag wagen
om\'u eens te laten zien het fijne, het zuivere goud van het beginsel.
"Want ik heb zoo\'n gevoel dat dit fijne, zuivere goud van het
beginsel soms schuil gaat onder allerlei bijmengselen en toevoeg-
selen. Anders gezegd: in den loop van enkele jaren hebben zich
om het beginsel zelf heengezet allerlei verkeerde opvattingen, ver-
keerde voorstellingen, verkeerde praktijken, die maken dat men
het dikwijls al te gemakkelijk opneemt met de bestrijding van het
beginsel. Ik heb nog al wat gelezen tegen geheel-onthouding, maar
eerlijk verklaar ik dat het mij nog niet heeft mogen gebeuren een
argument tegen het beginsel zelf onder de oogen te krijgen; al wat
men zeide kwam altijd weer neer op de bedoelde verkeerde toe-
Gesproken op do openbare avond-vergadering in de Martinikerk, bij gelegen-
heid dor 17do algeraeene Vergadering van de Nationale Christen-Geheelonthouders-
Vereeniging, op Woensdag 29 September 1897, te Groningen.
-ocr page 4-
2
pnssingen, verkeerde praktijken, onzuivere opvattingen. Daar maakte
men dan stokken van om het beginsel te slaan. Maar dat mag
toch niet. Wie heeft er ooit bezwaren gehad tegen de beginselen
van het Protestantisme of van de Hervorming op grond van de
omstandigheid dat niet alle Protestanten of Hervormden die begin-
selen zuiver aanhangen, belijden, toepassen?
Wij zijn hier voor Gods aangezicht bijeengekomen. Dat maakt
dat wij alles onomwonden kunnen zeggen. Laat mij u zeggen hoe
ik van huis gegaan ben. Ik ben van huis gegaan in \'t bezit van
een overtuiging, niet in den geest van gelijkli ebberij, ik ben van
huis gegaan niet met het plan om harde dingen te zeggen, wel
met de bede in het hart om trouwe dingen te zeggen. Eer ik u
nu het zuivere goud van het beginsel laat zien, wil ik n eerst eens
in de gelegenheid stellen alles, althans het voornaamste te zeggen
van wat u op het hart ligt togen de geheel-onthouding. Natuurlijk
kunnen wij hier niet over en weer spreken, maar ik wil uw eerlijke
tolk zijn. Want ik kan mij best voorstellen dat er wellicht niet
weinigen onder deze groote menigte zijn, die, ons hoorende spreken,
bij zich zelf zeggen: wat deze mannen zeggen is niet kwaad op
zich zelf, maar sommige bezwaren roeren zij toch maar niet aan.
Ik ben er nog al voor om alles aan te roeren. Kom zeg nu
eens vrij uit wat u op het hart ligt. Mij dunkt, ik hoor u zeggen:
„ik heb ook over deze zaak wel eens ernstig nagedacht, maar ik
kan er toch niet toe komen om mij aan te sluiten, want — mag
ik het hardop zeggen? — ik heb zoo\'n indruk dat die geheel-
onthouders zich zelven voor beter, ernstiger, nauwgezetter christenen
houden dan anderen." Nietwaar, dat bezwaar zat bovenaan. Maar
mag ik u nu eerst eens vragen: drukt gij u nu toch wel goed en
vriendelijk uit? „Ja maar," zegt ge, „daar zijn toch sommige
geheelonthouders die" . . . Zeker, maar met uw welnemen, eerst
begont ge te spreken van die geheelonthouders zoo gansch in \'t cdge-
meen,
en nu zijn we al in een ommezien gekomen op sommige
geheelonthouders.
Zoo gaat het niet en zoo mag het niet. Weet
ge wel dat de gewoonte van generaliseeren, de gewoonte om een
bizonder geval tot een algemcene stelling, een algemeene uitspraak
te verheffen, een groote zonde is? Men spreekt wol van de zeven
hoofdzonden, ik zou geen bezwaar hebbon om genoralisceren do
achtste hoofdzonde te noemen. — Het is dan nu daarop gekomen
-ocr page 5-
3
dat sommige geheelonthouders tien indruk geven dat zij zich voor
beter, ernstiger, nauwgezetter christenen houden dan anderen.
Indien dit waar is, wat toch waarlijk niet vreemd zou zijn onder
het bij den dag grootor wordend aantal geheelonthouders, indien
er geheelonthouders zijn, die niet alleen dien indruk geven, maar
die ook werkelijk in dien waan leven, dan moet gezegd, dan moet
hun gezegd worden dat zij zich in en door dien waan grootelijks
bezondigen voor God. Maar mijn toehoorder, wat heeft dat nu te
maken met het fijne, het zuivere goud van het beginsel, dat ik u
zoo aanstonds toonen ga? Immers niets, letterlijk niets. Welnu,
reik mij dan dien stok, waarmee gij nog altijd het beginsel slaat,
maar vriendelijk aan, dan zet ik hem achter mij neer in den preek-
stocl, hij komt daar niet meer vandaan!
Een tweede stok. „En dan zijn er geheelonthouders," zegt ge.
Juist, zóó moet hot uitgedrukt worden: „er zijn geheelonthouders,
die, geheel werktuigelijk, tegen den drank zich beroepen op de een
of andere alleenstaande plaats uit de H. Schrift." Om de zaak wat
te bekorten, ga ik nu maar dadelijk voort: en er zijn tegenstanders
van de geheel-onthouding, die geheel werktuigelijk vóór den drank
zich beroepen op de een of andere alleenstaande plaats uit do
II. Schrift. liet einde van de zaak is dan dat deze broeders gaan
twisten, twisten b.v. over den aard en de hoedanigheid van den
wijn in den Bijbel, over de vraag of die wijn gegist of ongegist
is. En het tweevoudige droeve resultaat van alles is een warm
hoofd en slechte exegese. Ach, ik denk dat Gods engelen in don
hemel over zulk ondiep schriftgebruik zich bedroeven. Wanneer
zal Christus\' gemeente het leeren te leven en te wonen in haar
heerlijke II. Schrift, wanneer breekt de dag aan dat zij van die
Schrift zich geheel doordringen en doortrekken laat in al haar
denken on spreken on handelen? — Maar mijn toehoorder, wat
heeft dit verkeerde schriftgebruik nu toch te maken met het beginsel
der geheel-onthouding? Immers niets, zegt ge met mij, letterlijk
niets. Welnu, reik mij dan dien tweeden stok maar vriendelijk
aan, dan zet ik hem achter mij neer in den preekstoel, naast dien
anderen van zoo even.
En dan is er nog een derde stok. „Er zijn geheel-onthouders",
zegt ge, „die zich niet onthouden ter wille van anderen maar ter
wille van zichzelven. De geheel-onthouding is dan een middel tot
-ocr page 6-
4
meerder persoonlijke heiliging. Mon noemt dat met een vreemd
woord ascetisme, gelooven we, maar \'t komt eigenlijk neer op werk-
lieiligheid." Mijn toehoorder, ik denk er niet aan het ascetisme,
onder welken vorm ook, in bescherming te nemen, en werkheiligheid
in verfijnde gestalte dunkt mij, voor wien ook, uiterst bedenkelijk.
Maar ik moet al wederom vragen: wat heeft deze onzuivere, deze
averechtsche toepassing nu te maken met het zuivere goud van
het beginsel? Kom, reik mij dien derden stok nu ook maar aan,
dan zet ik hem bij de twee andere. Daar staan ze nu alle drie!
Nu is het veld ruim en vrij om het beginsel zelf van alle zijden
te zien en te bezien, het beginsel zelf zonder bijmengselen en toe-
voegselen. Waarop komt dan neer, wat ik reeds een enkele maal
noemde: het fijne, het zuivere goud van het beginsel? Het kan
met weinige eenvoudige woorden gezegd worden. Dat beginsel is
het beginsel der solidariteit, dat wil zeggen der mede-verantwoordelijkheid
voor anderen, en dat beginsel nu gesteld op christelijken grondslag,
dat beginsel uitspruitende, opschietende uit den wortel van het geloof
in Christus.
Eenvoudiger kan het moeilijk gezegd worden.
Mede-verantwoordelijkheid voor anderen, dat laat zich wel hooren,
zegt misschien iemand. Neen, mijn toehoorder, dat laat zich niet
alleen wel hooren, maar God heeft dat heerlijk beginsel van den
beginne af als aanleg in zijn menschenwereld gelegd. "Wij staan
niet op onszelf, wij zijn geen eenlingen, geen atomen, ,wij hooren
bij elkander. Van Christus\' gemeente, waarin de menschhoid aan-
vankelijk tot haar bestemming kwam, wordt gezegd dat zij is het
lichaam van Christus. In den kleinen kring van het huisgezin
wrocht God die mcdc-verantwoordelijkheid in de banden des bloeds,
als uitvloeisel van zuiver natuurlijke liefde. Daar is een gezin:
man, vrouw en twee of drie volwassen zoons, laten we zeggen
studenten. Do gewoonte van hot leven brengt daar mee dat er nu
en dan, dat er telkens wijn, bier of wat anders gedronken wordt.
Daar ontdekt de moeder — het oog van moedors ziet in deze din
gen veel scherper dan dat van vaders — daar ontdekt de moeder
dat de jongste zoon neiging, hang, te veel neiging, te veel hang
tot drinken krijgt. Neen, het valt nog niet in \'t oog, maar aan
haar oog is het toch niet ontgaan. De moeder spreekt er den
vader over en deze ouders zullen nu immers in stilte en ongemerkt
alles doen, van alles verzinnen om de gelegenheden, de aanleidin-
-ocr page 7-
5
gen tot drinken to verminderen, zoo mogelijk te vermijden. "Werk
het voorbeeld nu zelf maar verder uit.
Wat heeft daar nu plaats? Daar heeft dit plaats dat ook die
ouders zelven nu minder wijn en bier drinken. Waarom ? Voor
hun eigen gezondheid? Neen. Omdat zij zelf gevaar loopen aan
den drank te raken? Neen. Terwillc van meerder persoonlijke
heiliging? Neen. Waarom dan? Wel uit liefde tot hun kind,
zegt ge. Natuurlijk. Zou het dezen ouders moeilijk vallen zich
tot den allerlaatstcn druppel alcohol te onzeggen, indien zij
daarmee hun kind van een gevaarlijken weg konden redden ?
Immers neen.
Ik ga iets verder. Zou liet een broeder zoo moeilijk vallen zich
iets te ontzeggen terwillc van een natuurlijken broeder, dien hij
liefheeft en van wien men hem zegt, van wien hij nu ook zelf wol
merkt, dat hij op een gevaarlijke helling is? Ik denk het toch
niet. — Ik ga nog een stap verder. Hebt gij een vriend? Ik durf
het bijna niet vragen in deze eeuw, waarin zoo snol geleefd wordt.
Ik vraag niet: kent gij vriendschap op de wijze van David en
Jonathan, maar laat ik dan zeggen: zoo half-David en half-Jonathan?
Wat dunkt u, zou het zelfs bij deze maat van vriendschap zoo zwaar
zijn zich eens iets te ontzeggen voor een vriend, die in gevaar is?
Ik kan niet gelooven dat do heerlijkheid van het offer zoover bene-
den onze natuurlijke gezichtslijn ook maar zou liggen.
Maar zoo komt ge er niet, zegt ge. Geduld, mijn toehoorder,
ik kom er. Neen, herneemt ge, zoo komt ge er niet, want do
geheel-onthouding vraagt niet dat ouders zich iets ontzeggen voor
hun kinderen, broeders voor broeders, vrienden voor vrienden.\'
Neen, de geheel-onthouding trekt de lijn door tot ... . Wat moet
ik nn zeggen, wat moet ik voor u invullen? De geheel-onthouding
trekt de lijn door tot ... . vreemde, wildvreemde menschen ?! Mijn
toehoorder, nu zijt gij gevangen. Want ik was immers begonnen
met het beginsel der mede-verantwoordolijkheid voor anderen te
stellen op christelijke basis. En nu heb ik toch geen twee minuten
noodig om u te doen gevoelen dat er voor een christen geen vreemde
en vooral geen wildvreemde menschen zijn. Voor een christen zijn
er niets anders dan menschen, voor wie Jezus Christus gestorven is,
menschen die onze broeders zijn in den ideëolcn zin, d. w. z. naar het
heilig recht van \'s ïïeeren liefde ook op hun hart. — Is er tegen dit
-ocr page 8-
G
kristalheldere beginsel nu ook mnar iets te zeggen? "Wie het doen
zou, zou immers afraken van hot gebaande pad van zijn christelijke
belijdenis.
Maar nu moeten nog twee vragen beantwoord worden, deze twee:
is de drankellende inderdaad zoo groot, zoo hoog gestegen, en is
geheel-onthouding het beste middel om toe te passen het ontwikkelde
beginsel der mede-ver antic o ordelijkheid voor anderen ?
Is de drankellende inderdaad zoo groot? Wat zal ik zeggen?
Gïj weet niet welk een vijand ik ben van overdrijving, maar hier
zeg ik: men kan op dit punt niet gemakkelijk overdrijven. Kon
ik u maar eens in gedachten meenemen bij mijn bezoeken in de
strafgevangenis te dezer stede, maar de tijd laat natuurlijk niet toe
in bijzonderheden te treden. Laat ik u alleen meededen dat bij
niet minder dan 80 van de 100 gevangenen de drank of een hoofd-
rol, of althans een rol speelt in hun val en veroordecling. Een
kenner, die dagelijks deze gevangenis bezoekt, zegt, dat het niet 80,
maar 90 procent is. Arme veroordeelden, zegt ge. Zeker, arme
mannen, maar immers ook arme vrouwen en arme kinderen, die
daar staan achter die veroordeelden in de donkerheid der drank-
ellende !
Heeft het uw aandacht wel eens getroffen dat krankzinnigen-
gestichten en inrichtingen voor zenuwlijdcrs zich zoo uitbreiden en
vermenigvuldigen? Gij moet eens vragen aan bestuurders en doc-
toren van die gestichten en inrichtingen bij hoevele van die onge-
lukkigc lijders de drank betrokken is in hun droevig lijden, of
rechtstreeks door persoonlijk misbruik of zijdelings door erfelijke
gevolgen. — Uit persoonlijk door mij ingewonnen inlichtingen weet
ik dat in onze goede stad niet weinig werklieden \'s morgens om
zes uur al vijf of zes borrels jenever gedronken hebben. Arme
mannen, zegt ge. Zeker, arme mannen, maar ook arme kinderen
en arme vrouwen, die eens met deze mannen vroolijk naar het
echtaltaar gingen en die nu met zulke mannen door het leven
moeten gaan!
Kont gij de zedelijke gevolgen der drankzonde? Als ik een dok-
ter hoor spreken over de lichamelijke gevolgen van het drinken,
luister ik dikwijls maar half, omdat ik lang niet alles begrijp. Maar
als hij mij spreekt over de zedelijke gevolgen, ben ik een en al
oor. Een dokter verzekerde mij: de drank tast het lichaam aan,
-ocr page 9-
7
de drank tast ook het intellect (verstand) aan, maar naar onze
ervaring zijn het vooral de zedelijke eigenschappen van een mensch,
die gaan lijden. De betrouwbaarheid, de soliditeit, dat wil zeggen de
kern wordt aangetast. Een andere dokter vertelde mij het volgende:
hij had maanden lang een dronkaard bij zich aan huis gehad.
Deze ongelukkige was nu door gedwongen onthouding en verdere
behandeling zoover dat hij volstrekt geen behoefte aan drank meer
had. Alleen in een kamer zijnde, waar alcoholica op tafel stonden,
zou hij er niet aan raken. Ik viel den dokter in de rede en zei:
maar dan is de man volkomen genezen, o, Jfeen, was zijn antwoord,
dan begrijpt gij de zaak niet, zoo goed als zeker vervalt deze man
weer tot dronkenschap. Als hij in het gezelschap van zijn vrienden
teruggekeerd is en zijn vrienden animeeren hem wat sterk om te
drinken, dan zal er geen weerstand zijn, want de wil is bij zulk
een lijder verzwakt, verlamd. Toen zei ik: maar dokter, dan ver-
woest de drank nog meer het zedelijke, het geestelijke iu den
mensch dan zijn lichaam. En zijn wedcrwoord was: maar wist u
dat dan niet? — o, Zeker, ik wist het wel, maar iets weten en
zich van iets volkomen doordringen, dat zijn er twee. — Vaders
en moeders in ons midden, ziet gij op het hooren van zulke dingen
uwe lieve kinderen wel eens aan, die opgroeien in een maatschappij,
waar de invloed van den alcohol groot is?
Maar ik ga nu over tot de tweede vraag: is geheel-onthouding
liet beste middel om toe te passen het ontwikkelde beginsel der mede-
verantwoordeltjkheid voor anderen?
Uit den vorm der vraag merkt
ge al dat ik andere middelen en maatregelen tegen den drank niet
misprijs. Al wie ernstig tegen den drank getuigt en strijdt, is
medestander, bondgenoot. Maar dit is thans de zaak niet, de vraag,
waarop het aankomt, is deze: is geheel-onthouding het natuurlijkste,
het vruchtbaarste, het beste middel? En deze vraag moet natuur-
lijk niet beantwoord worden naar onze voorliefde, onze voorkeur,
onze vooroordeelen, maar naar den stand der icerkelykheid. De
geheel-onthouding is in mijn oog een buitengewoon middel, de vraag,
de eenige vraag is nu maar: is de toestand, waarin wij leven,
buitengewoon, is de vijand, waartegen het gaat, buitengewoon?
O, zegt ge misschien, de drankvijand is zeker buitengewoon en
geducht. Mijn toehoorder, om zelfs den schijn van eenige overdrij-
ving te mijden, wil ik u deze bijvoegelijke naamwoorden; buiten-
-ocr page 10-
8
gewoon en geducht wel schenken, indien gij mij maar toestemt dat
deze vijand taai, o zoo taal is.
Deze vijand is zoo taai. Mag ik dat u eens op eenvoudige wijze
doen gevoelen? Wij hebben nu sedert enk oio jaren een drankwet,
een wet tegen den drank. Hebt gij den indruk dat do drankellende
voelbaar en tastbaar aan \'t afnemen is? — Wat wordt er sedert
jaren tegen den drank gestreden op allerlei wijs, van allerlei stand-
punt, in allerlei richting. Hebt gij den indruk dat de drankellende
zoo voelbaar en tastbaar aan \'t afnemen is? Maar wij behoeven
niet bij indrukken te blijven staan, er kunnen feiten en vele feiten
genoemd worden. Ik noem er intusschen, ter wille van den be-
perkten tijd, maar één, een feit, dat plaats grijpt onder den rook
van onze huizen. De wet regelt, bepaalt het aantal vergunningen,
die er mogen zijn. Dat is uitnemend, zegt ge. Zeker, dat is het
ook, maar hoe is nu do feitelijke toestand? Op elke 500 inwoners
mag er ééne vergunning zijn. Xemen wij nu de stad onzer inwo-
ning, Groningen. Onze stad telt op \'t oogenblik 62,000 inwoners,
hot aantal wettelijke vergunningen, d. w. z. vergunningen, die er
volgens de wet mogen zijn, zou dus zijn 124 ïi 125. Hot werkelijk
aantal vergunningen is intusschen 475! Zoo is het niet alloen
hier, zoo is het elders ook.
Wat dunkt u ? Begrijpt, voelt ge niet dat de drankvijand lieden
avond achter den rug van do sprekers zicli in de handen wrijft en
zegt: praat maar toe tegen den drank, praat maar toe, ik stel
iederon dag, iedcren avond geregeld, rustig en kalm mijn 475
inrichtingen open! Is het dan vreemd, mijn toehoorder, dat inhefc
hart van don geheel-onthouder de wenscli opkomt: o, kwamen alle
belijders van don Heer nu eens vlak naast elkander te staan, scliou-
dor aan schouder, alle belijders van den Hoer, alle voorgangeis der
gemeente, oude en jonge, alle studenten in de theologie, allo ouder-
lingon en diakenen, schouder aan schouder tegen dezen vijand!
Want, mijn broeder en zuster, wat stelt ge u toch eigenlijk voor in
deze zaak?
Meent gij wezenlijk dat de Regeering er spoedig too
komen zal om af te wijzen, te weigeren het énorm bedrag, dat
jaarlijks uit en door den drank in de schatkist vloeit? En meent
go soms dat het liooge feitelijk aantal vergunningen wel spoedig
zoo vanzelf naar beneden zal schommelen op hot wettelijk aantal?
Neen, dat meent ge toch niet! En stommen mij nu de voorgan-
-ocr page 11-
9
gers der gemeente op grond van opgedane ervaring niet toe dat er
weinig ernstiger en vooral weinig taaier beletselen voor de werking,
de doorwerking van het Evangelie te noemen zijn dan de invloed
van alcohol? Want, niet waar, daar ligt het doel: wij zijn er nog
niet, als de drank weg is, maar de drank staat den Heer in den weg !
Gij zult mij den lof niet kunnen onthouden dat ik de ronde
waarheid gezegd heb tegenover mijne medestanders en mij/elven:
ik heb in den aanvang van mijn woord \'allerlei klippen genoemd,
waarop een geheel-onthouder stranden kan. Ik heb niets vergoe-
lijkt, niets bemanteld. Maar nu mag ik toch ook eerlijk en trouw
zijn tegenover tegenstanders.
Ook in de wateren van uw leven, mijn broeder kunnen er klippen
zijn, waarop gij, ik zeg niet: strandt, maar stranden kunt. Laat
ik maar enkele even aanduiden. Daar is de klip van de overweging
dat gij vandaag geheel-onthouder wordende eigenlijk don stat\' zoudt
breken over uw gedrag en houding van gister, dat gij in zekeren
zin uzelven ongelijk geven, ongelijk bekennen zoudt: Keen, ik zeg
niet dat gij op deze klip strandt, maar ik weet wel dat ons hart
soms vreemde dingen opgeven kan. Ik noem al verder de klip
der menschenvrees. Ik zeg niet dat gij er op strandt, maar een
mensch kan er toch wel op stranden, deze klip .kan toch liggen ook
in de wateren van uw leven.
Bij een derde klip sta ik iets langer stil, ik bedoel de klip van
een ongezonde vrijlieidszucht. In de Stemmen voor Waarheid en
Vrede
van Augustus de?es jaars komt een opstel voor over het
ascetisme in onzen tijd. l)
In dit opstel worden vele goede dingen gezegd, maar wat er in
gezegd wordt over de geheel-onthouding komt mij bijzonder zwak voor.
In het geheelc opstel heb ik geen woord, geen letter gevonden tegen
wat ik genoemd heb het fijne, het zuivere goud van het beginsel der
geheel-onthouding, \'t Gaat steeds tegen het gevaar van ascetisme.
Nu is het volstrekt de bedoeling niet van den schrijver, om met
dezen stok het beginsel zelf te slaan, maar door niet in te gaan op
hot beginsel en door steeds te blijven bij het gevaar van ascetisme,
ontstaat, tegen zijn bedoeling natuurlijk, de schijn, het gezichte-
bedrog dat de slagen niet precies neerkomen naast den rug van
1) Van de hand van Ds. H. H. Bargor te Bloemondaal, nu te Utrecht.
-ocr page 12-
10
het beginsel. — En dan staat aan het eind de conclusie: „de
christelijke vrijheid mag niet worden aangerand." \') Dat woord
aanranden komt nog eens in het stuk voor. Als ik zulk een kras
en krachtig werkwoord lees, moet ik altijd glimlachen, omdat ik
zoo\'n gevoel heb dat wij kalme Hollanders de dingen niet makke-
lijk aanranden, \'t gaat bij ons in den regel een gangetje.
Maar dit daargelaten, ik ben bang dat wij soms vergeten wat
christelijke vrijheid is. Wat is christelijke vrijheid? Toch waarlijk
niet zoo in \'t afgetrokkene de vrijheid om te doen wat op zich zelf
onschuldig en geoorloofd is. \'t Heeft er niets van. Laat ik mij nu
ook eens op den Bijbel mogen beroepen en dat niet op een alleen-
staande schriftuurplaats, maar op een groot voorbeeld, neen op een
mensch, een man in Christus, die zoo heerlijk geweten heeft wat
christelijke vrijheid was en die ook zoo heerlijk geweten heeft wat
hij soms met zijn christelijke vrijheid moest doen.
In de gemeente
van Corinthc waren zwakke broeders, die bezwaar hadden om vlecsch
te eten dat aan afgoden gewijd was geweest. 1\'aulus deelde dat
bezwaar volstrekt niet, hij voelde zich volkomen vrij om dat vleesch
te eten, hij vond dat vleesch goed en smakelijk en hij dankte God
zeker voor deze gave — en daarmee was het nu uit? Neen, daarmee
was het volstrekt niet uit. Als het moet, zegt Paulus, als het
noodig is, zal ik ter wille van deze zwakke broeders in eeuwigheid
geen vleesch eten.
Nu wil ik Paulus eens op zijn Hollandsen, op zijn Groningsch
in de rede vallen: „Paulus, denk er aan, denk er tocli aan dat gij
uw vrijheid, uw persoonlijke christelijke vrijheid niet prijsgeeft, niet
laat aanranden; zijt gij niet gebonden, o Apostel des Hoeren, als
gij zoo zegt in het onderstelde geval in eeuwigheid geen vleesch
te zullen eten en als gij u natuurlijk daar dan ook aan houden
zult? Zijt gij dan niet gebonden?" Mij dunkt, wij kunnen raden
wat Paulus zijn hollandschen, zijn groningschen broeder antwoorden
zou. Hij zou ongeveer zeggen: mijn broeder, ik geef mijn vrijheid
niet prijs, ik laat mijn vrijheid niet aanranden, ik offer alleen maar
J) Ook ik onderschrijf zoo zonder meer het volzinnctjo niet: ieder christen
moet uit liefde tot don naaste geheelonthouder zijn," omdat ik ieder christen in
deze zaak wensch vrij te laten in de tegenwoordigheid van zijn Heor, maar ik
vraag alweer: waarom praten wij toch liever niet eens principieel door over het
beginsel zelf?
-ocr page 13-
11
een klein deel van mijn vrijheid op, en in dat offer blijft mijn
vrijheid eigenlijk ongedeerd, want in dat offer is er immers de
ritseling, de beweging der liefde, is er dat machtige en tegelijk
zoo heerlijk bevrijdende, wat ik soms noem: de liefde van Christus.
Mij dunkt, wat wij Paulus daar hooren zeggen is en blijft
onwederlegbaar; er kan niets aan verschoven of verbogen, niets
aan verwricht of verwrongen worden. Maar ik ga nu eindigen, ik
laat u met uw persoonlijke beslissing in deze zaak in de tegen-
woordigheid des Heeren. Of nog liever zeg ik: ik stel u, ik laat
u met uw persoonlijke beslissing aan den voet van Golgotha\'s kruis.
Waarom doe ik dat? Om een stichtelijk slot te hebben buiten de
zaak om, die ons bezig houdt? Neen waarlijk niet, maar om juist
bij deze zaak te blijven in het middelpunt zelf. Laat mij nog met
een paar woorden duidelijk maken wat ik bedoel. Iemand vroeg
mij eens waarom ik geheelonthouder was geworden. Toen ik hem
dit verteld had, vatte hij alles wat ik gezegd had, als van een
leien dak, heel goed samen, op deze wijze: gij zijt dus geen
geheelonthouder geworden om uw gezondheid. Neen, antwoordde
ik. Ook niet, omdat gij zelf neiging hebt om aan den drank te
raken. Gelukkig neen, antwoordde ik. Ook niet ter wille van
meerder persoonlijke heiliging. Ook niet antwoordde ik. Gij zijt
het dus geworden uit liefde tot uw naaste? Op die vraag heb ik
niet dadelijk vlot ja gezegd. Waarom niet? Och, mijn toehoorder,
omdat mijn liefde tot den naaste, als ik baar een oogenblik ge-
schciden denk van wat ik zoo aanstonds ga noemen, zulk een klein
en gering en armelijk ding is, dat men het niet noemen kan. Als
ik het woord liefde in dit leven en in deze wereld hoor, worden
mijn gedachten, wordt mijn ziel als door een magneet onweerstaan-
baar heengetrokken naar het kruis van Golgotha. Daar is liefde,
die dien naam lijden kan! Ik kan er nu maar weinig van zeggen.
Dezer dagen kwam mij onder de oogen een versje van den ook u
bekenden Ds. Huet, dat ik uit het geheugen aanhaal een versje»
waarin het zoo naïf, zoo natuurlijk en eenvoudig tegelijk zoo teeder
gezegd wordt:
wik heb het niet geweten,
o, trouwe, dierb\'re Heer,
dat Gij mij zoo bemindet,
zoo onuitsprekelijk teer."
-ocr page 14-
12
En als we in don hemel komon, zal het nog zoo zijn, zegt hij:
«Dan als \'k u recht zal kennen,
Dim zeg ik al den tijd:
Ik hel) het niet geweten
Hoe eiml\'loos goed Gij zijt."
Zoo is het en zoo blijft het! Ik laat u thans met uw persoonlijke
beslissing aan den voet van Golgotha\'s kruis. Daar leg ik u op
do hand het fijne, het zuivere goud van het beginsel der modc-ver-
antwoordelijkheid voor anderen. En daar moot gij antwoorden op
de vraag of niet in de gegeven omstandigheden gehecl-ontliouding
hot natuurlijkste, het vruchtbaarste, liet beste middel is om toe te
passen dat beginsel der mede-verantwoordelijkheid voor anderen.
Aan dat beginsel ontkomt ge toch niet, wilt ge immers niet ont-
komen! De genade van onzen Heer Jezus Christus zij mot u bij
en in uw beslissing. Amen.