-ocr page 1-
HANDLEIDING
I
VOOIt
*o* f
een doelmatige bemesting.
MOTTO:
Alleen door goede bemesting worden de rijkste
oogstopbrengsten verkregen.
Hoe zullen we bemesten?
-
VRT.T VERTAALD UIT HET H*OOG DUITSC FI.
T&,
•j *
.% •
DORDRECHT
.. *
MORKS & GEUZE,
1S97.
«
i
-ocr page 2-
\\
\\
-ocr page 3-
HANDLEIDING
VOOK
een doelmatige bemesting.
MOTTO:
Alleen door goede bemesting worden de rijkste
oogstopbrengsten verkregen.
Hoe zullen we bemesten?
VRIJ VERTAALD UIT HET HOOGDUITSCH.»
----------*- €§^---------
DORDRECHT,
MORKS & GEUZE,
1897.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
INHOUD.
Bladz.
Samenstelling der planten.............................................      5
De planten voedingsstoffen des bodems ...........................      5
Vergoeding der voedingsstoffen.......................................      5
De stikstof..................................................................      6
De minerale bestanddeelen.............................................      6
De humus ..................................................................      7
Verhouding tusschen de voedingsstoffen en den oogst ......      7
De eerste voorwaarde bij rijke oogsten ...........................      8
De bemesting moet geldelijk voordeel opleveren..............t      8
Stalmest en kunstmest ................................................      8
I. Stikstofrijke meststoffen .......................................    11
De stalmest.........................................................    12
Stikstofhoudende handelsmeststoffen .....................    12
II. De minerale meststoffen..........................................    16
a.    Phosphorzuurhoudende meststoffen.....................    14
b.    Kalirijke meststoffen..........................................    18
c.     Kalkhoudende meststoffen.................................    18
III.   Meststoffen met meer voedingsstoffen........................    20
IV.    Keuze, bewaring en gebruik der meststoffen ............    20
V. Gebruik der bemestingstabellen ..............................    21
Tarwe..................................................................    23
Rogge..................................................................    24
Gerst ..................................................................    26
Haver..................................................................    28
Maïs ..................................................................    29
Gierst..................................................................    29
Boekweit ............................................................    30
Boonen...............................................................    30
Linzen ...............................................................    31
Erwten ...............................................................    31
-ocr page 6-
Ö.                                                     ÏNHOüD.
Blad*
Wikken...............................................................    32
Lupinen..................................:............................    32
Sojaboonen .........................................................    33
Roode klaver ......................................................    33
Bastaardklaver......................................................    34
Witte klaver.........................................................    34
Incamaat ............................................................    35
Luzerne...............................................................    35
Esparcette............................................................    36
Serradella............................................................    36
Zaadmengsels ......................................................    37
Aardappel............................................................    38
Topinambour ......................................................    40
Beetwortel............................................................    40
Suikerbiet............................................................    41
Koolraap ............................................................    42
Raapknollen.........................................................    42
Gelepeen ............................................................    43
Pastinaak ............................................................    43
Cichorei...............................................................    43
Koolzaad ............................................................    44
Oelrcttig...............................................................    44
Witte mosterd......................................................    45
Papaver...............................................................    45
Zonnebloem .........................................................    46
Kummel ...........................................................    46
Hop ..............................................................\'....    46
Vlas ..................................................................    47
Hennep ...............................................................    47
Tabak..................................................................    48
Wijnstok ............................................................    48
Ooftboomen en Struiken .......................................    51
Ooftboonikweekerij................................................    52
Tuingewassen ......................................................    52
Weiden ...............................................................    53
-ocr page 7-
Samenstelling der planten.
De planten bestaan uit water, planten\'vezels, waarvan de
laatste weder uit verbrandbare, organische stol\' en uit
onverbrandbare minerale- of asehbestanddeelen.
Volgens E. Wol II\' bevatten 1000 dl. vari:
Luzerne (begin van den bloei) 740 dl. water, 240,8 org. stof,
19,2 asch;
Luzernehooi, 160 dl. water, 778,9 org. stof, 02,0 asch,
Tarwe, a) korrels, 144 dl. water, 839,2 org. stof. 10.8 asch.
» b) stroo, 143 dl. water, 811,0 org. stof, 70.— asch.
Evenals de dieren zijn ook de planten levende wezens,
die behoefte hebben aan voedsel. De tot hare voeding
benoodigde stoffen, worden bij bepaalde temperatuur,
vochtigheid en lichtinvloed, als gas, uit den dampkring
door de huidmondjes der bovenaardsche groene planten-
deelen, of uit den bodem, door middel van de planten-
wortels opgenomen.
De plantenvoedingsstoffen des bodems.
De aan den bodem onttrokken voedingsstollen vorderen
in de eerste plaats de aandacht van den landbouw, want
hieronder bevinden er zich, die den bodem regelmatig
weder vergoed moeten worden.
Gebeurt dit niet, of in onvoldoende mate, dan wordt
het bodemkapitaal, d. w.z. de voorraad voedingsstollen des
bodems, aangesproken en langzamerhand opgeteerd; er
wordt roofbouw gedreven.
Vergoeding der voedingsstoffen.
De noodwendige vergoeding kan geschieden door bemes-
ting en \'t is daarom, dat de bemestingsvragen de belang-
rijkste zijn op \'t gebied van de plantenteelt. Voor bemesting
komen slechts weinige stollen, die tot voeding der planten
dienen, in aanmerking: van de verbrandbare stollen de
-ocr page 8-
6
stikstof, van de aschbestanddeelen het phosphorzuur, kali en
kalk. In de practijk moeten we daarom steeds zorgen vooreen
behoorlijke aanbrenging van stikstof en minerale bestand-
deelen. Dit is de hoofdvoorwaarde voor het behoud van
de vruchtbaarheid des bodems, voor het verkrijgen van
rijke oogsten.
De stikstof.
De voorraad stikstofverbindingen in den bodem is met
uitzondering der veengronden in de meeste gevallen gering,
terwijl de aan gebonden stikstof rijke Cultuurgewassen
zeer groote behoefte aan stikstof hebben. De stikstof, die
het hoofdbestanddeel van de lucht vormt, kan slechts door
een bepaalde plantengroep, de vlinderbloemigen, zooals
Lupinen. Boonen. Erwten. Klaver enz. in bijna onbeperkte
mate aan deze bron onttrokken worden. In den verbouw
van deze stikstofverzamelende planten hebben we een
voortreffelijk middel, om op eenvoudige en bijna kostlooze
wijze tot verrijking van den bodem te komen en den
bouwvoor van stikstof te voorzien.
Alle andere planten daarentegen zijn bij haren groei
afhankelijk van directen toevoer van stikstof houdende
meststoffen.
De minerale bestanddeelen.
De voor de planten opneembare verbindingen van
genoemde minerale bestanddeelen komen gestadig in
geringere hoeveelheden voor in den bodem, zoodat zonder
regelmatige vergoeding van minerale bestanddeelen, d. i.
zonder rationeele bemesting aan een loonende plantenteelt
niet valt te denken.
Men zal nauwelijks een gecultiveerden bodem kunnen
aanwijzen, die van genoemde stoffen zooveel bevat, om
de planten volkomen tot ontwikkeling te brengen, ja, de
geregeld met stalmest bemeste akkers zullen zich steeds
dankbaar betoonen voor een phorphorzuur bemesting, en
wegens de groote uitvoer van landbouwproducten van
allerlei soort, eveneens voor kali en kalk, en hoogere
opbrengsten leveren, dan zonder deze bemesting. Dit geldt
overal en voor alle Cultuurplanten, want de hoofdvoor-
waarden voor den plantengroei zijn steeds en overal gelijk.
-ocr page 9-
7
Van de minerale voedingsstoffen is het voornaamlijk het
Phosphorzuur, dat in bijna alle bouwgronden in verhouding
geringe, voor een rijke productie steeds onvoldoende
hoeveelheden voorkomt; ze wordt door ieder plant in
aanmerkelijke hoeveelheid opgenomen en vormt in gewicht-
verhouding een der belangrijkste bestanddeelen van de
asch. Ook schijnt de verdeeling van het phosphorzuur in
den bodem lang zoo gelijkmatig niet te zijn als bij andere
licht oplosbare plantenvoedjngsstoffen. Hieruit is het ook
te verklaren, dat daar, waar de analyse een hoog Phnsphor-
zuurgehalte aanwijst, een phosphozuurbemesting toch nog
rendabel is.
Dikwijls zijn ook kali en kalk in onvoldoende hoeveel-
heden voorhanden, zoo o. a. in lichte zand- en veengronden;
zoodat ze niet in staat zijn de planten hiervan voldoende
te voorzien; wil men rijke oogsten, dan is eene aanvulling
noodig.
De humus.
Een groote beteekenis voor de planten, niet als voe-
dingsmiddel, maar wegens zijn indirecte chemische en
physikalische werkingen heeft de humus. Deze, ontstaan
uit in den bodem vergane overblijfselen van plantaardigen
en dierlijken oorsprong, werkt ontledend op de voedings-
stoffen in, verhoogt de vochtigheid en het absorptiever-
mogen van den grond, dewijl hij de voedingsstoffen vast-
houdt tot het tijdstip, dat de plantenwortels haar noodig
hebben; verder vindt men er de zoo nuttige microorga-
nismen in, zonder welke de omzetting van de stikstof-
houdende organische bestanddeelen in opneembaar plan-
tenvoedsel niet mogelijk is.
In een humusrijken bodem werken de minerale mest-
stofïen veel gunstiger op den plantengroei in, dan in een
humusarmen. De waarde van den stalmest, alsmede van
de groenbemesting berust voor een deel op laatstgenoemde
eigenschappen.
Verhouding tusschen de voedingsstoffen
en den oogst.
De hoegrootheid van den oogst wordt steeds en overal
bepaald door de samenwerking van de gezamenlijk
noodige plantenvoedingsstoffen. Hoe juister de verhouding
-ocr page 10-
8
tusschen rle verschillende stoffen is, des te beter groeit
de plant, des te goedkooper is de oogst. Men kan het
verder voor waar houden, dat de opbrengst bepaald wordt,
dooi- de in bet minimum verkeerende voedingsstof, maar
zoo gauw of zoo lang een voedingsstof niet in voldoende
hoeveelheid voorhanden is, verkommert de plant, of geraakt
in allen gevalle niet tot volkomen ontwikkeling. (Liebig\'s
leer van het minimum.)
I>e nevenstaande afbeelding No. 1, blz. 9, levert ons
liet zichtbaar bewijs voor de juistheid van deze wet.
We zien hier meerdere zeer ongelijke ontwikkelde
exemplaren van de tarweplant. Hét opvallend onderscheid
iler onder gelijke veorwaarden gegroeide planten is uit-
sluitend door het ontbreken van de een of ander planten-
voedingsstof veroorzaakt.
De eerste voorwaarde bij rijke oogsten.
Tegenwoordig, nu de grond en bodem overal een hoogere
waai\'de verkrijgt, nu ook de arbeidsloonen voortdurend
stijgen, ziet ieder landbouwer zich gedwongen zijne lan-
derijen door do plantencultuur steeds grooter opbreng-
sten ai\' te dwingen. En dat is slechts mogelijk door
zorgvuldig na te gaan de resultaten der nieuwe bemes-
tingsleer. Aan de hand hiervan valt het de landbouw
gemükkeiijk te zorgen, dat de Kultuurplanten gedurende
bare gansene ontwikkeling aan niets gebrek lijden.
De bemesting moet geldelijk voordeel opleveren.
De vraag, op welke wijze men moet bemesten, is een
bij uitstek practische. De landbouw heeft hierbij niet
alleen rekening te houden met de scheikundige en physyo-
logische onderzoekingen, maar ook met de onderzoekingen
naar de linantieele voordeelen: de bemesting moet ren-
dabel zijn.
In \'t algemeen moet kennelijk het streven daarop gericht
zijn. de hoogste opbrengsten van alle kultuurplanten te
verkrijgen, wier verbouw met het oog op de gesteldheid
van bodem en klimaat de meeste aanbeveling verdienen
en wiei\' opbrengsten de meest loonende zijn.
Stalmest en Kunstmest.
Volgens de verhoudingen van de voedingsstoffen in den
-ocr page 11-
o
Tarwe.
ünbemest
Volledig bemest.
Stikstof, Kali.
Fbosphorzuur, Kalk.
Eenzijdige bemesting.
-ocr page 12-
10
stalmest, blijkt deze nergens voldoende, zelfs niet, wanneer
door zorgvuldige conserveering van den mest. door goed
aangelegde mestvaalten en gierputten alle verliezen naar
mogelijkheid vermeden worden en daarbij nog de geza-
melijke afvalproducten uit de boerderij, slootaarde enz.
door kompostbereiding op zijn voordeeligst aangewend
worden.
Thans heet het niet meer: «Stalmest of Kunstmest,"
maar «Stalmest en Kunstmest."
De grondwet, welke alle vooruitstrevende landbouwers
zich tot richtsnoer nemen moeten luidt thans >«>zoolang
nog een rendabele verhooging van de opbrengsten door
meerdere aanwending van kunst- of hulpmest verkregen
wordt, zoolang moet deze aangewend worden. Deze grens
werd zelf op intensief gedreven boerderijen zelden bereikt.
In stalmest en in uit plantaardige-, dierlijke-en andere
stoffen samengestelde kompostmest zijn weliswaar alle
plan ten voedingsstoffen, die den bodem toegevoerd moeten
worden, aanwezig, doch in ongunstige verhoudingen;
voornamelijk ontbreekt phosphorzuur en in niet goed
behandelden stalmest ook de stikstof. Op dezen grond
reeds is het onmogelijk, zelfs bij rijke stalmestvoortbren-
ging en bij vlijtige kompostbereiding der planten zooveel
voedingsstoffen aan te bieden, als noodig zijn voor het
voortbrengen van rijke oogsten. Een oordeelkundig gebruik
dei\' kunstmeststoffen biedt in dezen nog meerdere voor-
deelen.
De landbouwer kan zich ten allen tijde die planten-
voedingsstofi\'en verschaffen, die licht oplosbaar en daardoor
snel werkend zijn. Een gewichtige omstandigheid hierbij
is, dat hij naar believen de verschillende enkelvoudige
voedingsstoffen, al naar de behoeften koopen kan. Ontbreekt
het den bodem aan phosphorzuur, wat gewoonlijk het
geval is, terwijl er misschien stikstof en kali genoeg
voorhanden is, zoo kan men licht door aanwending van
een phosphorzuurhoudende bemesting een juiste voedsel-
verhouding daarstellen. Verder is ook de geconcentreerde
vorm, waarin de voedingsstoffen voorkomen, in de kunst-
meststoffen in aanmerking te nemen, waardoor de vracht-
prijzen bij aanschaffing in verhouding tot hare waarde
slechts gering zijn. Een centenaar (50 KG.). Thomasmeel
-ocr page 13-
11
bevat evenveel phosphorzuurals70—75 centenaar stalmest
en 1 centenaar zwavelzure ammoniak, zooveel stikstof
als ongeveer 40 centenaar stalmest. De aankoop en de
aanwending der kunstmeststofien wordt daardoor zeer
vergemakkelijkt. Overeenkomstig de stoffen, diebij denland-
bouw in aanmerking komen als plantenvoedsel, treffen we
aan op de mestmarkt: stikstof-, phosphorzuur-, kali- en
kalkhoudende meststoffen, en bovendien mengmest, welke
2—3 verschillende voedingsstoffen bevat. De hoofdzaak
blijft altijd, voor ieder veld de juiste kunstmest te kiezen,
haar op den rechten tijd en op voor het gewas passende
wijze aan te wenden en onder te brengen; dan zal ze
tot zegen van den landbouw strekken, daar op deze wijze
hoogere opbrengsten zullen worden verkregen, dan zonder
aanwending er van.
                                                     ,
I. Stikstofrijke Meststoffen.
De stikstof is de drijvende kracht des bodems. Zij
verhoogt de groeikracht en bewerkt daarbij een krachtige
ontwikkeling van blad, halm en stengel; vormt bovendien
een hoofdvoorwaarde voor een rijken oogst. De vrije stikstof
bevindt zich in onuitputtelijke hoeveelheid in de lucht,
als vrij, gasvormig lichaam. Dit is alleen voor die planten,
welke uit dit groote stikstofmagazijn hare behoefte aan
stikstof bevredigen kunnen; zij behoeven dus geen stik-
stofbemesting; verrijken integendeel veel meer den bodem
met deze zóo gewichtige voedingsstof.
De geschiktheid, de vrije stikstof van de atmosfeer tot
hare voeding te gebruiken, bezitten in samenleving (sym-
bróse) met bepaalde bacteriën, de Vlinderbloemige planten
(peulvruchten, klavers), die derhalve dikwijls voor groen-
bemesting verbouwd worden. Ze maken echter slechts dan
er gebruik van, indien haar toereikende hoeveelheden
phosphorzuur. kali en kalk, daarentegen geen pasklaar
stikstofvoedsel, als salpeterzuur, in den bodem aangeboden
wordt. De opgenomen stikstof dient, in vereeniging met
phosphorzuur, koolstof, zuurstof, waterstof, zwavel tot
vorming van de voor \'t leven zoo gewichtige eiwitstoffen.
-ocr page 14-
12
De groenmestplanten verschaffen den bodem naast
stikstof, ook de noodzakelijke humusstoffen; bovendien
toonen ze zich van gunstigen invloed, doordat ze, wat
men noemt, bodemgaarheid veroorzaken.
Het voordeeligst en zekerst werkt de groenbemesting
op lichten zandigen bodem, waar het vergaan, verteren
van de humusvoorraad bijzonder snel gaat.
Om de groenmestplanten tot krachtiger ontwikkeling
te brengen en haar tot grootere stikstofopname te nood-
zaken, is een rijke bemesting met phosphorzuur en kali
onvoorwaardelijk noodig. Als het meest doelmatige phos-
phorzuur-bemestingsmiddel moet het phosphorzuur- en
kalkrijke Thomasslakkenmeel aanbevolen worden, terwijl
de kalitoevoer doelmatig door Kaïniet kan geschieden.
Afbeelding II (blz. 13) veraanschouwlijkt de werking
der kali-phosphaatbemesting bij erwten. Een gelijktijdige
gift van stikstof blijft zonder eenige uitwerking.
Afbeelding III (blz. 15) geeft aan, de nawerking der
groenbemesting op de navrucht, in dit geval lupinen en
erwten, die zich, in vergelijking met boekweit, veel sterker
werkend vertoonen; dit laatste heeft geen grootere opbrengst
opgeleverd.
De stalmest.
Ook in den stalmest zijn het voornamelijk de stikstof en
de organische stof, die de gunstige werking derstalmest-
bemesting veroorzaken. Helaas, ontstaan er bij de gewoon-
lijk gebrekkige stalmestbehandeling zeer groote verliezen
aan deze dure bestanddeelen. Onder gewone omstandig-
heden gaat 1/3 en meer van de humusvormende stof, en
1/4, ja volgens prof. Muntz de helft van de stikstof verloren.
Een eerste taak van den landbouwer is het, deze verliezen
zooveel mogelijk tot een minimum te beperken.
Stikstofhoudende handelsmeststoffen.
Onder deze zijn er eenige, die de stikstof bevatten in
organischen vorm, zooals bloedmeel, hoornmeel, wolafval,
enz. Deze meststoffen zijn van zoodanigen aard, dat men
haar nauwelijks eenigen invloed op de mestmarkt kan
toeschrijven. Bij aanwending ervan moet men zich herin-
neren, dat de aanwezige stikstof door verrotting der orga-
-ocr page 15-
13
Erwten.
Zonder bemesting.
Bemest met Kali en
Phosphorzuur.
Bemest met Kali, Phosporzuur
en stikstof.
-ocr page 16-
14
sche bestanddeelen in opneembaren vorm, dus eerst in
ammoniak en ten slotte in salpeterzuu r omgezet moet
worden, daar de Cultuurplanten geen orgonische verbin-
dingen vermogen op te nemen. Behalve de stikstofverza-
melende planten, de stalmest en de laatstgenoemde mest-
stofïen, bezitten we nog twee andere, die het ons mogelijk
maken, de planten te allen tijde een zekere hoeveelheid
van lichtoplosbare stikstof, geheel naar de behoefte der
planten toe te voeren. Zulk in water oplosbare stikstof-
verbindingen hebben we in:
Zwavelzure ammoniak en Chilisalpeter.
In zwavelzure ammoniak hebben we een meststof,
waarvan de stikstof langzamerhand in salpeterzure ver-
bindingen omgezet wordt. Zoodra het uitgestrooid wordt
lost het zich in het bodemvocht op en verdeelt zich
gelijkmatig door den grond, waar het geabsorbeerd, d. i.
zoo vastgehouden wordt, dat het zelfs door sterke neerslagen
niet naar diepere aardlagen gevoerd wordt. In den bodem
begint dan de omzetting van zwavelzure ammoniak in
salpeterzureverbindingen. Dit proces verloopt zoodanig,
dat het ongeveer gelijken tred houdt met de behoeften
der planten,
De tweede stikstofhoudende meststof, de Chilisalpeter,
biedt weliswaar de planten een direct opneembaar stikstof-
voedsel aan, doch er bestaat tevens gevaar, daar het door
sterke neerslagen uit het bereik der wortels naar den
\'ondergrond gevoerd wordt. Boor deze omstandigheid is
men bij de aanwending aan bepaalde grenzen gebonden.
II. De minerale meststoffen.
Zullen de stikstofhoudende stoffen tot volle uitwerking
komen, dan moeten de overige voedingsstoffenphosphorzuur,
kali en kalk in voldoende hoeveelheden m den bodem
aanwezig zijn. Het is zelfs aan te bevelen, voor een zeker over-
schot aan deze voedingsstoffen te zorgen en dit kan zonder
eenig gevaar geschieden, daar de genoemde bestanddeelen
in den bodem blijven, dus niet verloren gaan en ook niet
in werkzaamheid verminderen, voor zoover men Thomas-
slakkenmeel en kaïniet gebruikt.
-ocr page 17-
-ocr page 18-
16
De phosphorzuurhoudende meststoffen.
De verrijking van den bodem met voor de planten licht
toegankelijk phosphorzuur is een eerste eisch voor alle
bouwerijen, die streven naar verhooging van winst. Zoowel
de groote behoefte der planten aan deze voedingsstof, als
ook de geringe werkzaamheid van de van nature in den
bodem aanwezige voorraad, maken het bepaald noodig
een regelmatige bemesting met phosphorzuur toe te passen.
In verreweg het grootste aantal boerderijen staat de
hoegrootheid van den oogst in juiste verhouding tot de
hoeveelheid phosphorzuur, welke men den bodem toevoert.
En deze toevoer is thans na ontsluiting van rijke phos-
phorzuurbronnen gemakkelijk en goedkoop te doen.
De phosphorzuurhoudende meststoffen, die in de eerste
plaats in aanmerking komen, zijn Thomas-slakkenmeel
en Superphosphaat. Het beendermeel, dat ook zich baan-
gebroken had als kunstmeststof, is thans tegenover de
werkzamer vormen, geheel op den achtergrond gedrongen.
En daar alle proeven met andere phosphaten zonder
resultaat gebleven zijn, of integendeel het resultaat gegeven
hebben, dat ruwe en geprepareerde phosphaten bijna
geheel onwerkzaam zijn, zelfs bij aanwending van groote
hoeveelheden, zoo beperken wij ons met eene korte be-
schrijving van eerstgenoemde stoffen te geven, en wel
wat hare samenstelling en werking betreft.
1.    De Superphosphaten. De waarde hiervan berust op
haar gehalte aan phosphorzuur, dat in water oplosbaar
is. Andere bestanddeelen komen niet in aanmerking. In
den handel komen voor superphospaten met 12—20 °/0
in water oplosbaar phosphorzuur en verder dubbel super-
phosphaten, die niet met zwavelzuur, doch met phosphorzuur
behandeld zijn. Deze laatste hebben, tengevolge van de
wijze van bereiding, een veel hooger gehalte aan oplosbaar
phosphorzuur (40 °/o en meer) dan de gewone super-
phosphaten. Het is vooral de gelijkmatige verdeeling van
het superphosphaat-phosphorzuur, waardoor zij in werking
alle andere vormen van phosphorzuur overtreffen. Met
haar gelijk in werking is slechts het injfcitraat oplosbaar
phosphorzuur in Thomas-phosphaatmeel. (Zie fig. IV blz. 19.)
2.   Tliomas-phosphaatmeel is een bijproduct bij de bereiding
-ocr page 19-
17
van phosphorvrije staal uit ruw ijzer. Bijna alle ijzererts
bevat zekere hoeveelheden phosphorzuur; «leze wordt bij h« t
smelten van het ijzererts met kool in hoogovens tot
phosphor gereduceerd en vormt met een zeker deel van
het metallisch ijzer phosphorijzer. Ruw ijzer met tamelijk
groote hoeveelheden phosphor is voor de bereiding van
smeedijzer en staal ongeschikt; bij \'t verarbeiden springt
het bij gewone temperatuur uiteen : het is broos. Thomas &
Gilchrist gelukte het in 1878 een middel te vinden, waardoor
onder bijvoeging van kalk bijna al het phosphor aan het
ijzer wordt onttrokken. Het hierbij gewonnen kalkphosphaat
noemt men Thomas-slakken, wier gehalte, n.l. aan de
voor den landbouw gewichtige bestanddeelen, het phos-
phorzuur, verschilt alnaar den toestand van \'t ruwijzer,
de hoeveelheid gebruikte kalk en het verloop aan het proces.
Tot heden werd er in Thomasslakken gevonden, gemid-
deld 47,50 °/0 phosphorzuur. 49,6 \'70 kalk en 4.7 "/„ mag-
nesia. Het fijngemalen Thomasslakkenmeel is een uitnemend,
voor de planten direct werkzaam bemestingsmiddel, dat
overal den gunstigsten invloed op den groei der planten
en op haar qualiteit laat zien; dit bewijzen de opgedane
ervaringen met ontwijfelbare zekerheid. Weliswaar is het
in Thomasslakkenmeel voorhanden phosphorzuur niet in
water oplosbaar, maar toch in zoo\'n werkzamen vorm, dat
zij in den bodem oplost; het wordt niet slechts opgelost
door het door de wortels uitgescheiden plantenzuur, maar
gedeeltelijk ook door het bodemvocht. Van dit in den
bodem oplosbaar phosphorzuur, dat dezelfde uitwerking
heeft als het in water oplosbaar phosphorzuur der Super-
phosphaten, zegt men, dat het in Citraat oplosbaar is.
Men verstaat daaronder, volgens de proeven van Prof. Dr.
Wagner (Darmstadt), zulk Thomasslakkenmeel phosphor-
zuur, dat zich in een oplossing van citroenzure ammoniak, die
eenig vrij citroenzuur bevat, oplost. Hoe grooter hoeveel-
Vieden van dit phosphorzuur hierin opgelost worden, des te
beter werkt het Thomasslakkenmeel op de ontwikkeling
der planten. Naast het spoedig werkende phosphorzuur
vindt men in het Thomasslakkenmeel nog een klein deel.
dat moeilijker oplosbaar is, doch na korter of langer tijd
toch werkzaam wordt, een omstandigheid die vooral bij
overblijvende gewassen van gewicht is, b.v. de gezamen-
-ocr page 20-
18
lijkt\' voederpianten. Een gunstige werking komt ook liet
hooge kalkgehalte (10—50 "/„) in Thomasslakkenmeel toe,
een voordeel, dat vooral op kalkarme gronden niet zonder
beteekenis is; ook liet niet geringe gehalte aan magnesia
verdient hier vermeld ing.
Kalirijke meststoffen.
De hoofdbron voor het tot allerlei kultures benoodigde
kali, vormen de Stassfurter. kalizouten, die in de laalste
jaren in groote hoeveelheden worden gebruikt. Voor den
landbouwer zijn de ruwe kalizouten, natuurlijke bergpro-
ducten, welke in fijngemalen toestand als Carnallit. Kaïnit
en Sylviniet. geleverd worden, van bijzonder gewicht.
Hierin vindt men naast Chloorkalium, zwavelzure kali.
magnosiazout en chloornatrium (keukenzout). I!ij gevoelige.
teere planten moeten de ruwe zouten met voorzichtigheid
gebruikt worden, omdat zij de <|ualiteit en waarde licht
benadeelen. ()]> zwaron samenliangenden bodem geeft men
de voorkeur aan gezuiverde zouten, welke, gelijk zwavel-
zure kali en zwavelzure kaliiiainagnesia. voornamelijk een
uitstekende uitwerking hebben bij zulke planten, bij welke
liet aankomt op het verkrijgen van een bijzonder goede
kwaliteit van den oogst. b. v. bij tabak, wijn, groenten,
suikerbieten enz.
Ook het chloorkalium is op zoodanigen bodem zeer goed
te gebruiken en biedt dit voordeel, dat het bij gelijke
werkzaamheid, in verhouding tot de opbrengst, wat goed-
kooper is.
Kalkhoudende meststoffen.
De werking van de kalkhoudende meststoffen is drieërlei,
n.l. voedend, scheikundig en natuurkundig. De kalk speelt
als plantenvoedsel overal op den aardbol een gewichtige
rol. Zij kan nergens gemist worden, want de planten kun-
nen haar evenmin missen als de andere minerale stollen. Men
gebruikt haar in den regel als indirect werkende meststof,
waarbij men minder aan directe voeding der planten denkt,
dan wel aan den invloed, dien ze uitoefent op de ontleding
van den humus en op de verbetering van den natuur-
kundigen toestand. Wanneer zij slechts dient als planten-
voedsel. zoo kan men de behoefte aan kalk bevredigen
-ocr page 21-
-ocr page 22-
20
door het aanwenden van Thomas-slakkenmeel. In deze
meststof hebben we naast phosporzuur en magnesia,
gemiddeld 40—50 "/„ kalk in fijnen toestand, zoodat zelfs
<le kalkrijkste planten zich hieraan kunnen verzadigen.
III. Meststoffen met meer voedingsstoffen.
Tot de meststoffen, die meer voedingsstoffen bevatten,
behooren eenige, die van natuurlijken oorsprong zijn
zooals Beendermeel, Peruguano, Vischguano enz., benevens
de in mestfabrieken fabriekmatig bereide mengsels. In
\'t algemeen kan men als waar aannemen, dat de aanschaf-
fing van meststoffen met één der voornaamste voedings-
stoffen grootere zekerheid aanbiedt, dat men werkelijk
ontvangt, wat mom koopt dan bij aankoop van mesf-
mengsels. Verder moet men hierbij vooral in aanmerking
nemen, dat de mestmengsels duurder komen, dan wanneer
men de plantenvoedingsstollén afzonderlijk aankoopt en
ieder afzonderlijk aanwendt of zelf dooreenmengt; dit
geldt ook voor de samengestelde natuurlijke meststoffen,
die eveneens te hoog in prijs zijn, gelet op hare gehalte.
Zoo betaalt men b.v. in Peruguano de beide in aan-
merking komende voedingsstoffen, stikstof en phosporzuur
vrij wat duurder, dan wanneer men ze afzonderlijk gaat
aanknopen in den vorm van zwavelzuren ammoniak en
Thoinas-slakkenmeel. Bijna \'t zelfde geldt voor beendermeel.
IY. Keuze, bewaring en gebruik der meststoffen.
Bij de keuze van meststoffen met dezelfde voedingsstoffen
en veronderstellende, dat de werking gelijk is, komt het
eerst in aanmerking de prijs.
Zoo is, in waggonladingen aangekocht, het in citraatoplos-
baar phosphorzuur van \'t Thomasslakkemneel 30—iÖ °/0
goedkooper dan het superphosphaat phosphorzuur; ook de
stikstof in zwavelzuur ammoniak is 28- \'A2 °/0 goedkooper
dan in chilisalpeter. En dat is wel te begrijpen. Men wacht
met de bestelling niet tot den tijd, dat het gebruikt moet
worden, maar voorziet vroegtijdig in de behoefte en geeft
-ocr page 23-
21
de voorkeur aan die stoffen, die lang liggen kunnen zonder
schade en koopt daarvan een zekeren voorraad; buitendien
blijft de bemesting niet zelden geheel uit, zeer tot nadeel
van de oogsters. Alle meststoffen, die niet direct gebruikt
worden, moeten op een droge plaats bewaard worden.
Ze kunnen afzonderlijk uitgestrooid worden. We kunnen
alzoo eerst met Thomasslakkenmeel, dan met Kaïniet en
eindelijk met een stikstofhoudende meststof bemesten.
Thomasslakkenmeel en Kaïniet kunnen ook gemengd wor-
den; deze menging moet echter kort voor \'t uitstrooien
plaats hebben, omdat de massa zeer spoedig klontert. Een
bijmenging van Thomaslakkenmeel, Aetzkalk of asch bij
andere meststoffen is niet aan te bevelen. Ammoniakinest
verliest hierdoor een deel van de stikstof, en andere, die
oplosbaar phosphorzuur bevatten, worden daardoor voor
een deel onoplosbaar.
Men zorge verder, dat de meststoffen zuiver gelijkmatig
verdeeld worden, omdat een ongelijkmatige verdeeling
steeds nadeelig werkt. Over den tijd van aanwending on
over de diepte van onderbrenging kunnen geen algemeen
geldende regels gegeven worden. Meststoften als Thomasslak-
kenmeel en Kaïniet, wier voedingsstoffen in den bodem niet
verslechten, wat den vorm aangaat, en ook niet uitgewas-
schen worden, kunnen reeds vroegtijdig b.v. in den herfst of
in den winter voor de zomervruchten gezaaid worden.
Deze handelwijze is zelfs zeer aan te bevelen. Van we-
zenlijken invloed op de diepte van onderbrenging is de
toestand van den bodem. Voor zware gronden is het in
\'t algemeen beter de mest ietwat dieper onder te brengen,
zoodat, uitgezonderd chilisalpeter, inploegen beter is dan
ineggen: voor lichtere gronden is ineggen beter, te meer
bij vroegtijdig uitstrooien van de meststoffen.
V. Gebruik der bemestingstabellen.
Wanneer men bedenkt, dat niet alleen de toestand en
samenstelling van den bodem vorm, en hoeveelheid der
aan te wenden meststoften bepalen, maai\' ook de vrucht-
opvolging, de bijzondere eischen dei\' verschillende cul-
tuurgewassen en andere zaken inderdaad in aanmerking
-ocr page 24-
\'22
moeten genomen worden, zoo is het ons mogelijk de
voorwaarden te vervullen, onder welke de toevoer van
voedingsstoffen de meest volkomene uitwerking heeft; en
daarmee komen we het voorgestelde doel, het behalen van
de grootst mdgelijke winsten, zelfs bij bescheiden aan-
wending, nader en nader.
De opgaven in de volgende bemestingstabellen gelden
niet als vaststaande recepten : ze dienen slechts als uit-
gangspunten en verdienen als zoodanig de aandacht van
de landbouwers, daar ze steeds in de practijk bewaarheid
zijn en zeer gunstige resultaten opgeleverd hebben. Den
vooruitstrevenden landbouwer zullen deze opgaven aan-
leiding geven, door bemestingsproeven vast te stellen,
welke hoeveelheden meststoffen hem de grootste zuivere
opbrengst leveren.
De aangegeven hoeveelheden meststoffen zijn voor zoover
niet uitdrukkelijk andere getallen genoemd worden, overal
per H.A. berekend.
Zij duiden aan een gemiddelde en een sterke bemesting.
Hoever de landbouwer gaan kan in. a. w. in hoeverre met
de dooi\' sterke bemesting veroorzaakte verhooging van
\'t voortbrengend vermogen van den grond ook de rente
stijgt, dat moet dooi\' waarneming en berekening in ieder
bijzonder geval vastgesteld worden.
-ocr page 25-
23
6
X\'
O
2
*
i*
a
bc
™
\'Z
.i;
»
—
di
SI
home
=
igei
lic
erb
C,
LH
j?
«■*
3
s
-i
-i£
-
:~
—
r
—
—
CU
5
i
c
I
^
£~t, \'■\'■ *-5a *5 s sg . ?. s ~ s - ï £<
sai-
a o
-1:
•\'s»
3 a $
Ïi\'3-S
= ^g
g
0>
^
33
«
sc_L*
c
-
bes
zone
apei
lave
0
i
v
,M
fi
u
^
_o
=
-
3
:,
^
JJti
IfsiUi
3 w O) M 4, ^
!ï|l!ll
o> o
bc
o j>
a "^t; f
I-ïi«3i|
II
o |5
-ocr page 26-
24
ié-p mt
3 2 SS 5-94 u
11-91^4=?
*■ 3: s * .2 a B
^"ftS-ë-B = :§ &•
3 lO — o) O 03
T3 Ol tn ^i c ^
m . « O S « O
%£ =■** g*
-2 ® • a
g 2 ja bc . s se
2 c M ~ ® j*
a
- s          x
.. eo o o
03 u\'r -h3 CO CC        CO
„r^a ix»H CC <M
« fl
2 «
Jd-S
s «
£1
Jffg^l^oij*
b -1
c
bc
5
■ssils
; 3
i I
!ix
fïlliö
HIJ
£S
i sits lil Hv.jiiJï*>!
B.S ffljj*^ S S.iS " -S Su Ü «\'S r            cb 35
9
SI
SI
e
a
Hi;t,-l
J*liaIfa
«lB|illll
J
d
c
1)
-
=.
2
ft
^H
—
c
CS
cc
III
d d g> d fl m j.
• « o bc ga © ï}>—
o -s *?
tl
I?.
SP a
M 3
|^a-lf-|&.
3 O
1) "O
ft 03
3
J4
d g S
_5 asjd  es a
!-• -M ra 5 o  bc «
L . \'S S  bfS
c bc          o  c >
T* rf 5 —   Q)
-lil
g-2 a
Il 11
o -cja
5 2
II"
«I
£ 3
0) B
bcc
M*JfJ
slll-a
d.
feja-a s
H« «jj
IJSHI
rl il 11*?
o M c <S g
««e 3 a
«CSoS
bc os » h £
bc S oc-5
2 cN <u -
03
o) eu
es .2 N
£      --\' —
o\'-S fl.S a
-ocr page 27-
25
Akkerbemesting spr oef met Rogge.
Opbrengst van 3 Are.
Zonder bemesting. Opbrengst 52 K.G. Koren en 112 K.G. Stroo.
Bemest. 1.5 K.G. Phosphorzuur, 3 K.G. Kali en 0.95 Stikstof.
Opbrengst SS K.G. Koren on 191 K.G. Stroo.
-ocr page 28-
26
«Sm hS
. bTj3,M©
■rigsg-
,5 si ®
-2 So x, \'.3
\'S JJ -« °< ■
ü H o a m
S 5 « a
02 Q w —.,
l« ..S -• \'S
M2 ó
fló
aSp
s p
2 ° -ö
J<i to
0)
C L
05 .-
C d
■2 3
^ u
-» o
£ g
O) i»
— H
d >
N-«
05
il\'
j*
Mg §        g
.3-ON         &
-^ Oh
£0 cé        £>
r
II
1  1-s
lés.
BC ri C
-t^ ,,13
2  " s
bc 6CT3
i.P
-s ï
©5
o «
£ ■ _s
br.tr
-a
S E\'S n5
»H^ SS
\'S .-.o £.d5
£ & .NO
_ Ch 05
«■a g
O)
fl §.2
^ft3ii
Si
Zl
11
©bc o
raii
O 1)
a s
P O\'
•3 © g\'
02 ^ ï*-h
05 o
J3 0)
45
>© o
> O lO
■sis.
«111 I
J\'eoo«5Q
es e t-h i-t
g-s,»
33
a
•E". S
3:^i.
II
05 0)
T3 e*
* xJH CM
gi 3  q"a
o o g  3 S
"^^         05
3 — 05   N ö
C 3 _S   05 a
> "S —  s-
» \'T -   0^_
8 3 S  ^^
g3 3  dj
/: 05 h   os S3
» S ó è
05 05 «r1 O
S\'t * *
23 2-g
.SS3?
Ö "\'S d
ai "^ oq si
? ï » h
II
I
§g
«1
© 3
©
© a
Ja
©
bc
Hl
bit ©
o
lffPI:
3 co
w 05 > 05
-\'S 3"®
05 C3 C3 05
05 3        ^
hg O
35 g S 45
? 3
!^3w
s § "
3w
öi g
h —^05
05 cj
ü-d «
III
3  Co 05
05  O 3\'d
S  N d a
d  -rN -
d  d g
-   05 05 05
9 T3 bC-o
05  2 PO
-ó £^
ftj Oj
o o
> o
91
ffgf
Bil
:05 -S
11
üT^S
. d os
:-\'3 d
-I   
d ^^!
1 ^
O -s \'
^\'S
h-h CBT*
05 N
jd^
d g
05
d.sps\' ■«
45 \'t!        45 -W
gs Bj|
03           Ö
bc d a»
Ë §§
Cü 45 -^H
N \'
05
- u
d d
Il g
IJl
S «.s
>■ bc Cl)
45 ?5 ï d 45
«^
-ocr page 29-
27
AkUerbemeatiinysproef niet Gerst.
Opbreuu\'st van 8 are.
Ontatest. Opbrengst 08 K.(i. Koren en $1 K.G. Sttoo.
Bemest IJS K.O. PhuBphorzuur, 3 K.U. Kali. 1.4 K.U. Stikstof,
Opbrengst: 111 K.U. Koren en 143 K.U. Stroo.
-ocr page 30-
28
■S-g
e se
il
: 1)
o o
1*11
;lll4
c.£^
M
a-° ~
a Mg g
5^5 § -
S fl g ap
0) "
i:
s 3
H
bc -
J $
« oM
-aj* C
O\'S C
SS-0
Mo
> dB oo
1=
OS
*- U
oj •
v
mm
fe 5c
«f 1
q ao C
, ^ ^ -3
n
SëasS^Sa
> o
^ cj d
sb-° E
o o> S
1-1 --.
I               —
-ET> CD
^2-5
CO ___
- a:
-o o
11
gif
sas\'
11.
-3 H
-•co
oo o o
2
\'\'•-O !h
1 g-s
93
I
\'A.>
H
Joo
C OOIO
0) Ci -* i-l
8
I 0J
HM
tij-I
_a a *t-
1 d S
B
9
-S ■§ "3
ilgi
« 2 «""•* £
\'s.\'ise
S&ïTöJ
I \'       \'CD
fl  o> S
3   Mcj
t<  tn &
e  s s
\'S £:
ï-è
ip
ka.
S a c
a n fa
CD CU
O -2
h*tJ
o o
a^
Sb
a s
a 9
a ~
bc E
ö S
£.5 a
- v
5 o-a
£ W3
; n re*
V!
^ oo T3 O
T3 00 r»
-ocr page 31-
29
A-S^S
ï S « "O
I-S? 3 M
s^rg»
<U ~"0 *^-,
•oo«^s
88*11
^
OU
2
. =s.S-S^2 " "\'f *
* 3 k.Kcpp g 3 w
cï^ ;, .3.3
U\'S 3 £ £
I \'3 *21 \'S
~ co
3
-£ O-
a R «
U C
\'t;.
ir .
S o-p 2 3 o „,£, *
■•«f «II*
■ s^SSS
.2^:2
O O O O lO
s 2 S
- 3\'
i
tr;
pj o i-icj ca)
SN rB O .3 t/J T "*T T—I
6 " UU ^ P -S = o ö O ö
•«
eS =3 4,
. B fl -£
•■Oflfl
ÏI1IH
il
cjo a<^i b 3 cu
£2«
o
t3
pi M _-
O _ T3
2 ooi
3
\'O
js B.
S C3
** a 3 B       
^ M  3.ÏÏ  £  N 3
b. *." C3 » J h  h     - K
15- ei oc\'3  M 4>  g  fl""0
3 Cm  4j &>  o   cv 3
»3i*l   ^ B  >•   SC.O
ea
bc
1
o
§ 3 3
= *j o> e -B
seo> I\'S®
B -3
jlPIpPIUli
o
c
o
SC 3
- C-3
O O -
0> . 2
;«llil
•la!l|
I
fö=>3>
iljl
;/.
S g i-s S
bc i
-ocr page 32-
30
M
nmmn
1 s
- 5 >
Is ■
■c ««
eoaj;
o          ■*
■_ d 4> -w
« o
ri . o; **
9 d w <•-
■p Es
~.;=~.2
•^ fl c 5 "O
i«HF
8.2
l:||Iï|
«Ülefl
C 9
il:
w 1
It
j«
V
Itf
iS-V!
llllll
$S.
r;gs§£J.
Ij
il
1/ O
\'S\'8
V
bc
£
»
M
tei
_
-
*
—
c
:r
-.< -
-
kl
-;
—
z
r.
r/ï
Aj
rff
ï1
3
—
v
;
o,
I
—
o - 5
;- :s»-ö
- s g
M n -r
0.§ £
.-*- X
z- *
^
—
c —
£ 5/ë
-
-5 ~ —
g J4 Ja
~
<\\®0
s "3
-
|1 ■
w — Ö
3Ï-8
C ff
5 o
~
r2 o ö
& " ■*
—
.--M C
-
§§£
gs°
SllÊléïM
^cS =
15
al
1%
?,irE;-- «
■J
N ^ a
lil\'3 <
H
»
s
e
e
£
^s
III
I*
■J= > il
^4 ü £ N
illiliïjj
<tb a
Is-.
..= \'K> Mg
II
Uil li! II
(5 1
N
ss-ssfg
4=1 § IJ 0-f
w*Uiï*ï
SS
w
o e
V
JS|*ê3-34
s *«•
PI
-r.
r;=ï - SC ir.
J4" > N O p <! O
-55 £.2 5 Je.
£ O M
3 s ".S3 ? C
"» 5-3 «
-ocr page 33-
m
m
gs
ss?
LO "f
-r
:5=~S
§3
«5E
c
o
w.
n. sus
53 c
► 53
, 8
d
^5
11
^ -\' -4-3
s
o
5.
£ d e
N 53 «
.S og
J 2 £
■SpS
^?53l
O it <
P
S\'{I
N
:*a
IJfic
c £ £s
- ■
8*
II
és
ÖH !> ?
■j. a
q:b>
"-.53
■Ste
53 d ei
2 HL
53 «5 O
q cp g>
—3 f-* ?
s.3-~ i
ei —" ** td-
Sg.S 03
S 2S g
:-3J2 ó
Q 2 P
SS8
ia i-h
o S ds 9
BÜJ
e sX
J I
I!
!
11
\' c
—
■ x
a.s "a-i
3-S
C
af-
e © tp
Hf
II!
53-2^= 3 ci-d
g|
?:S
ïl
§  h  £
c  s  C
§ g o
S  5  >
-
11
d^i
c
C 53
53 S
a%
s^
c d
- 53
> 53
ss
O 53
ja 53
53
53 ei
O\'S
13
s
mm
*-l Qj
J8:3»
cc *C
ö-l
&.*
2s
"O 53
g^
■a\'-S 53
03S"d
oo o
s* us
!* 3 S c
I1!
-
Sid^
d
53 :?->
— 53
3 tc
d
03
\'S E
S 53
c
«s
Sec «
O 53 Jj d
S
        C 03
c S _- > 9
03T"d ei
"ö S-S_tc ft
o S S -fcs
a .S51
HJÏ d 53
Sj 8 If
53 to > &i*
:ïji
Uil
l= s
11
a
-\'-5
53 M
5* o
\'■» 5
il
1%
g i
d,o
S d
d "d
S S d m-j
w
ft? „
^2S
C 7. Tt ~Z 5.
53 CS
-ocr page 34-
32
HM
s d e S
" O) - r
— — r r
a
~\'= ?-r
0)
5JD
dl > c
a
^" *""\' —^H £■*
3
pmei
o ■
? Sf ir. o
siSf .
M a -r - —
o-£> o «;
Stfö > —
_.
U
\':C
•\'?
d
J3
esti
■3
£
bc
5
.E
£*
B
O • - *s 02 1
adï-§ .
*^o.p.s
a S d £ £-3
^j
- jj. S 8 | -
XI
1 -^ j* o" d ü
B
■-ï-B-aa*
a> -f o> ja
o
^ £j s "2 "t;
>
^ -\'• a o £ o
ïo a a ° 3
"llfït
liliillil
eisehen.
a »:s> a c ^- r :p ö
2
e - ^ * £ S 2 — S= Ja
o
.* S £ „ , <£ E <» m- a
ï±:.±zZ5i=ï
M
ih^uUi
"uurrn
1!
pril
doe\'
9Ai S
"5\'S
IQ .
ai
£ 2
9 °
5 -^
$ >■
£ ©
J3
r
—
g o
O 0)
C 13
Si, 55
b a
S>ö
•w S
. £
c S
►Td*a J4.2\'tt
c
l1
4)
?>
2-s ?" a 9o| 1\'
-=
h O-
itl\'MJil
•a§is>i^
•è.s-3s
:svi 3
^3 11 ai *!* s5jȕ2
D fl > C O fl,                Q)G       S n S
&~J3 5 £8® 8.3 "3 *| SJ
I
i
a
S 5
IPI11
if* \'-*
§•33.81 2
o
Sïl!
•SJ.-S
—I
jS
&
—
d
w
1
M
a
-1
JO
2
3
o
C
Z
o
K
\'S
bt-J2
-ocr page 35-
83
suil
Ï2 ; i
\'S \'83 2
r< fl QQ \'£,
m cc *h OP
° 03 03 i
- a"5 $
o ® 8/2
s ? s.
saj
T3^
s
§e.S
i|rl!
II
.1,in
®
■/.
y,
Ö a
03 S
C
sa
15
3 Irg
c
"Ijs.®. .
,2 b/D l-S SC 61
Uil
3
2 H g n ^
$, 3 a-> ;h a> O)
0/44 -O ;> -3^3
j e s#r
i ^
S 2 «9 33.3 $ "B
o *» 03 ™
o^ o ö cd
N \'O TS 03 -tS
m
<3) i *
lel
\'S 23
H S 3)
03^
o .SP
s»*> -3
§te3
i| g ,
03 .£3 nS !
03 $ 3 ;
O O O (
A ons !
d i 03 i,::?
wig-g £
lil-*!
|lït\'p
0* ^1 ■**
5*5 3
O) Pi
2 w> .2
bc 0 g
fi\'SS
03 •"
> » ..
te Q
■p ai M
S8j j
XAMrS o
\'S S J g ^
oom c- 5, gp
S ö ® | ö
£ cp :c 03 u
§ * £^
3&3 °
=e°S al
■"3 m M 0 £
J8 «\'S *
Q« cc Srf
A\'ZAZ
■a o
d.2
S
0
93
N O «
5* Mg
w .> M
ê5s
,Q TS <aA
-ocr page 36-
34
«TS £ g
■M«
8 * p |
j*
§,3.23
unerkingei
slechts één
oortreffelij
beteekenis
met roode
alle grond
1 best will
O
«Sia
*% .
8 ?>\'sc
^ a
O 3 /a
B"ë %
c o> 53
a-a •
■st £
ai B P-
SC
honii
aïnie
a
HM
©
SC
fa
a
Al *
il
0>
|
ffl
gg
L-J ffi
3
ii
fa
Sg
«s
(3
*
«
-
«5
er- en
, Kan
ld ge-
ndere
laver-
iii*0
—
3
S o§^
P
r-J
^ c< a
a - , 0
O
g
3 s^-p
■4J
>
Wordt
nierkor
ker op
aid woi
aversoo
ocheid}
O 5 d
S > N
sa
anop
st on-
el ïap-
laten-
11 groot
rbouwd
jke lee-
en zan-
ichtigen
echter
it gewas
aange-
a
JJ 0) 01 ~0
— 0 a 0
Ja
fci a 0 c
e S RB g -■«
® - SC—
> S 9 > B •* w
ieisc
Bastaard klav
gronden met de
derscheiden ei
pen, met weinig 1
MirH
c
^1 .—< —\' ^H .- ^ ^
Bodei:
den onderg
humusgeha
worden. H
mige zandg
dig leem 1
ondergrond
voor de teel
meer bijzi
wezen.
1
0)
IS* 9 |
HJI
a a » 0
a
SC
0
Fh
>
C
0
c
<P ï> *C
—
OQ
t, ofz
a M c
£ 0 a
V
a
m • S **
>
-
_2
3
I
c/^S
1 S a g
» BtS se >^
-
Ii
3:S
J= 3
HM
SC -
Al r
gg
-ito
I I
4/
o
».1
Dekvrucl"
zomerkoren
Veel bescheidener in
haar eischen, wat den bo-
dem aangaat, dan roode
klaver, is de witte klaver,
die nog voort wil op een
sterk zandigen bodem,
wanneer deze slechts een
weinig voclithoudend is.
Zij komt nog voort op een
vlakken ijzerhoudenden
grond, waar roode klaver
in \'t geheel niet groeit.
-ocr page 37-
-ocr page 38-
36
mi
"iliii
O o
Cf
o g
(SI
\'S K 3 » m
3 § &>-g>~-
sL • b
,\'JS8
0) B ?h 5 T3
i ï o) g « n
i rf 8 .SP.» S
i.S o o~ Sb
4illt
-ocr page 39-
37
fl cs fl t->
CD co CD CD
> CO ""Ö rrS
CD C3 d H
- JS «
Si "\'S"®
A 3.2 g
CD Ö-Ö >*
S     g.S
cf 03 CC /r,
S o3 CD -S
CD Ëf-Ö CD
ft O A\'S
os e
13 \'■o cd
Sm 5 o m a
cf-a-
3\'-3-a
I 03 O»
-fl fl
tfë"8.s
J S >-^
-° > _, o
fl co
(_, CO CD -*fl
O\'S -^\'s
>ll.H
3 5
3 es
43 O
«?.1 É &o §
M3»
fl oo2
CD CD g
fl ■—\' CD
g co CD
g».g
£•§£
-Ag
^ «13 fl
8 -e
.2 J
o fl
n $
s a uv
fl CC § Ü ..-S
»\'"-§ c aM
-ü OftS:n>:3
CD O i S N \'S
O ss "-3 o -
bC .. « ► O il," \'
■Ö-* | ff ,
e.S.aa\'iS!
o 43 «c.S b-r! <
cd co cj 43 bc-W ;
bc
HW
ie  gS „
8E
  OCP.S
eo«P cdoj sp |
z> ^-l fl        o -ü»
eg cd  ö o-a
fl S o  cd > fl
%> 3  g fl«
.9 _L O   ft CD CD
\'43 T •>  B T3 ,£f
II
cS Mg
a fl
t2
■""O pi
| \'cD\'g 03
\' co 3
; y>S-a
■ fl <v \'S
1 s s
CD r-i
cdS S
Sfc3 cd
\'3
S 8 §
fl fl T3
Q fl S
3 9
^ pt
—il.-.—
g g-45 S
** p^J CD CD
,g cdj; o\'
-§ §.a ®
O <■] -*a «-v
-O          CD £■
cD^-fl-s
T3 .tï co ^3
■§ £):«
«f
•»-a o a ^^
fl ° ~a
03-ö C
g ^ S fl
t% fl
cd -C N
\'S grj
> 0C^<
■»" B *»
O CD O
3 ,-, fl
•> O >
3s^
II
o 5
M
1
.1-2.2 I
■a co-s »o
-* \'S m -.
CS Cü 58
CD CD 3 *
.fl
CC
fi.\'O
oc
• I—1
o
>
ü
Ui
CD
-/;
i>
S
alïfl
O CD
fl.ËP
CD —
CD ~
I fl S
lil
3 cs CD^.
ei > ®5!
_y fl &S
■hO-S
p Q>
CJ _j 2:
a^ aan
C0 .O CO CO_r
g \'S .5 taco
"Jan
& « a 2 -e
DON ^ ;»
■30^.^ CO
dSSSo
co a-a >a
MM S
55*3 o
« s S
cd bc
10 fl fl" 2
««I
>5S.
f\'
f
Illli
H co u O
•S*a •? fl
o
s
o
[-iS
g-s
bc h
__i O
i CD te
CD ^
CD O £
■-/..■
a b-o
! .5 2
jc - i.
I
Sc
lïfll
;t3 §
\'S o^a
lllll
S
i
^)
bc a
O CD O
-ocr page 40-
38
I
Een Kaïnietbemesting
wordt hot bost op de voor-
vrucht of tijdig in den
herfst toegepast. De dank-
baarhcid van den aard-
appel voor de bemesting
zien we duidelijk aan fig.
VII bldz. 39.
Een niatigo bemesting
van 800—40Ökg.Thomas-
phosphaat, 200 kg. zwa-
velzure kali on 200 kg.
chilisalpetcr heeft de op-
brengst per II.A. verhoogd
van 12.500 (onbemest) tot
24.000 kg.
i
1
1
De aardappel vraagt een
zeer kraclitigen bodem.
Niet gemakkelijk wordt de
bemesting to ruim geno-
men. Hij is zeer dankbaar
voor stalmest en zijn uit-
stekenden groei na klaver
of in \'t algemeen stikstof
verzamelende planten, be-
wijst voldoende, dat hij
grooto behoefte heeft aan
stikstof. Alnaardat meer
of minder zwaar met stal-
mest is bemest of do aard-
appel als tweede vrucht
na een stalmestbemesting
optreedt:
300—500 kg. Thomasph.
150—250 ., Zwavelz. kali
000—000 „ Kaïniet.
150—300 „ Chilisalpeter.
•-
Voorvrucht.
In de vruchtwisseling
vraagt hij oen plaats tus-
schen twee hnlmgewassen.
Ook gelukt de teelt zeer
goed na klaver, luzerne of
pas gescheurd of nieuw
ontgonnen land. Na aard-
appelen wil beter zomer-
dan winterkoren.
1
Do aardappel groeit in
eiken bodem, waar ook
een halmgewas wil groei-
on. Het best slaagt hij op
een meer lichten bodem,
zooals leemig zand en zan-
dig leem. Natte gronden
passen niet voor den aard-
appel. Op zeer zware gron-
den kan men door sterke
stalmestbemesting nog be-
hoorlijke opbrongston ver-
krijgen.
-ocr page 41-
30
Alckerbemestingsproef met Aardappelen.
,         Opbrengst van 1 are.
Bemesting 0, 2 kg. Chilisalpeter.
0,4 kg. P., O,
1,0 „ k2 O
187 kg.
0,4 kg. Pa 05
1,0 „ K„;OJ
2,0 „ Na N03
246 kg.
Bedrag 125 kg.
161 kg.
De bemesting, die een meeropbrengst van 121 KG. per
Are, 242 eenteniaren per H.A. geleverd heeft, kostte ± 47,50—
50.00 mark. Rekenen we de 100 KG. aardappelen slechts op
1,50 mark, zoo bedraagt de winst, veroorzaakt door de
bemesting 303,00—305,50 mark.
-ocr page 42-
40
&§*
M
Jl
a
o
o S
Sip
gs^ „
W i-v\'
""* Aa C?
. SP-ë £
gj C 3
o .3 a> cd
o =§ o-s
. « 9 H
82-2\'S
0) O
ijl
\'M
ïh
bc>
as
ïc
lil
f lil
SCO
cs *"
"3 d
bc o)
-^»
= 1
i\'s,
— —
—■ \'—
o
ïfi *^
fla«ï
E. u . £
» Ct3
Bot»
•« -S bc bc
O c3
&"\'=« 5
o>               es
OJ B \'S »
t,» ° a
j, & e
f
* ^
bc
s
a
"«1
O r! «3
ö**" -e
□ tn
3 X Qj         
2\'2-g
O.h s
ü
bc *
M Q
o o a>
«ld
S -o *>
snot
\'3tHMN,p E-f >
S»! ï
II
2 v
■O -
* a .
„_bCg
S a-S
ë^~
| I ©j
88 c o
-
i
CQ
o
11
4^ "
1
Ö i *■"
s§-§ .
P e h
C \' O «
«e r i
i © aa
ge bcB <p
ö 93 «_■ 5? •
s»o§
■Soos
fs-s
£ s E1
5 > > a
J8|.
iï bc
O o»
g"3
"<&
0^3
a S
-^ — /
bc-C 2
g 3
se C
3 o
T3 J2
!IP|
itilll
«
!*«■
a-g d
• Sa
o< 9
B o
a **«
g J
d a cj
S S «
> »*«
n :£7Vh
H 1) J
co oj 9
«lil!
8  g  c
> s  a
9  3 S
ai       cs oj
U\'S  g*^
o S  N **
»-s 2
I
Q
- °
;ipj
7!
•f"*ï#jj
111311
4B S s-S
• ai
.* o
- ïï^r 2 as o o
•O bc-o bo-ö P" J3 O ja (» ?
-ocr page 43-
41
lïff:
■cc0? 1
II i 11
H
Is
,i.4i ö S
a-I
SB cS C
60 3 3
■ES*
O ft-H ]^
E H"6o-d
■Cg-g es
.a 6o e *
6o8 2:r
3  .
»     GO
9  9
p  c
o
a
eo-Q
\'Ja  n
ö  fi
co   O
9  is
e-g
e   -
M   ?-
, e   ■*
&J 0ST3
M .
s
0)
ei\'
»8
3 0) 1>
E 60»
s «ir
II
a
» ó> n 2 jj
fi 60 © CT3
II
^Jxj^SjS J2
_ S co 2 b fl
3\'S 2 5 2 P
§-£j5 fi fl 60
« 3 «. 8,0 \'S
Ë w o 11 §
o
.3 co s
attti
lif 11
H Ö 0> J
a^fl
se
"^60
s
o°.S
— \'O P -
n 60_, tj ,1
•STf <j>g
fl o s-o
*&MJs
1g-g
18 3:3 5
«•"ja SJ3
co_2 o ©
-
o ■
SS
* S
**■ CD Jvï
3lli!
-ocr page 44-
42
g Sc£ 8 .SPI
■e-a sT2,a g
« §oS * c = ^
I- I\'S $.* §
tn n es > 2 a>
° 3 ï c i «
\'S ? SC sVS
o s c
^ ra ^
O ® fl .
£ Sc
^ o c
_ O ** O)
02 MS c
o o F
c S bc
3
1 t
E1 >^?
o -Kis
Q .?5 »
o ■££
te
-U - -
©O © O
o o o >t
>o
o ■* co
II I I
SS8 S
z- ie cm e-i
e
s
s.
s
3
ea
iiiiiri
1
o
t
EG
a
c
*-
■a
■a
£
.jS.fi
90
il.
00
-
c
S
■a
i
aln
vol
o.
0
6
f—ï*
5
00
:=-■
lie
s;
Ijk\']
z
-fi
,j
-
\'e
0
5
|
5
ö
M
2
8
S
"" =-s BE
iüli
(53
\' 9> C
-/:
C 11
ga
§1
s o
«^
43
o
g
u
~
fc\'.
>
o
\'•B-i
C 7-
O 3
lllï
" s  os „ _
o-b  n c a
s 3  S o \'
Or_\'   M G ~
a  e a\'s
a>"3     ja ,
HS3oc
22
CJS
^ gflS
-S«
• 18 8 PU
o ö
c S
V
C-fi
o
l!
e
ai
O) O
je js
-ocr page 45-
43
i 9 2
° b. 9
H
II
ff
11*
•»* a
-e *.*
P c£>
o o s
-o A\'S
03 S
5 g
o. 9 "5
r « n
■* 3j f*-
-  S s
S o S
- — —
CD *^ CS
05 O
o J5
3 CD
Ü
> te
a S
_ o os
«■O -g
cd fl j3
► 3 8
=5,2
K «
o - /•
pa \'
ïl
p
lp
a g ■
o>-g."
5 $"2
.S 2 S "
S oj *
ri
iï.I
s s-
co -« —
4 S -2-3
5.a>s
lil
.ü.2 v
■i * £
IJl I
t
• • e.
28«-i?
Thon
Kaïn
Chilu
er
s
*
OOO
OOO
-f f cc
-008
Ö
--
É
j?..   &
ooo     o
-t 3 cc       ^
mi    \\
o o c       o
ooo       Ba
55 -f 53       ei
s
s
«
B
9
V:
9i
■ft
!
& ë§1 gl
2- i-a
e
S33.2Ê
|.9gJ||
0>
a-«
«Ijl
s."o-aiSflj««si
0
ei
*JÏS
Mllii
"aitlf11
Jj,
cc»
53,2 a
-5 o ca
o -Q 8
ïlv-rt «
13 3  3
S a  **
MS   M
3 g
  o
lil
g3
§•11
t1!
fff
111
■ffl
1413
cp cp
cd cp
II
S^2 3
rS\'H O
B 3 M
o u
.- c >
\'ï\' tj
Sec
j- CD 03
o hp-g
13
II\'
l
S cd
■o S73
" CS .
" o
8
-3 90-j
w g.2
•
5-°
Sc -
ja $ "ï
s £ 2
co t> O
Se"
□ (O
« CD ~
" Ö :ss»
lil
=IÏ
ït3 -
a§2
eSSS5
-ocr page 46-
44
»ö 3
3 o
ai-
J5.2 arcS-o
O\'S ft O fl
o o Ja j» o
c
M
bc *& -
§3J?3Ö
êi^^a
t> o o> W
3 »
bC-O
ÏBÏS
.5 s jt e a
3 3j Ih 0> 0>^
.O «O CS 05 . g
© Cö 2 3 -
►4 O *a 8*0 -ö
la>*ii:
O £ 3 O «
NS«2
1

es
s
"3
e
M
M
bc
ft
3
5
o
H
J»i
R
•3
3
e
o
o>
-M
r-
C
c
\'S
-*^*
Mg
| M
■— «
2 «s
oed gecu]
■e
a
o
SC
i-H
bc
f*
ir
f #11
jfi|
iii.!
gfsS
§ É
o 3
s a
\'a 3
■ald
33 *
•■i-B
■».£t3
8 01
■ga
II
Ü
Pil
•O 9
«5,3
-/.
ajg
.. ©
l^ï
-s-g
°S
«Ja
■g
o
§ g p-S
53 g
•e-M
-s-o
ü
5.5 §
3 go
3 35 °
\'t!  «h       3
3   O   3   4)
5  c  o  o
8   >   e   
a
«ïïi
o
o
-ocr page 47-
45
a
V
o
0-)
sc E
0
a
is
0)
d
-O
=!
0
M
N
a
d
U
s
■ U
den
si-i
2
1 i^-S^ d --
gT3 P CS
S-ais.
> a> d g
t» Sa W
9^*2
_ o
11
CSX
Ffl
^ d
- o
a -a
as
o *
s
■ 1-H
c5
COJ!
—    —
.2*2
M
8 c*   ï^ w
■o;8 «  P
S II
SC <*   a a
I
lil*
•5 -S?S~ 5^-a .
5 I
\'X. w 8
F R bc.**
" 2 a
3> 8 c3
tiiltiii
SC F O SC 00 P .8 to
M
<A 8
Si
o a
bc 55
y
a d *»
o 5 «
■"SI
!§►§
88 =
.S.8
m 3 J3 \'es ja
2 Shmo
I > &r
O SC c R
JS om
^000
cc 5öo«S
•8 fc T \' *?
00 *^ 1
> 55 05 «O rH
■o
fa
v
-w
x
•
H
4)
■f IJ
«1|
a
03
■8 d
.- CD
MM
•ss
CD «
.2\'S
M CS
*^ S
SC CD
•9 SC
8
ee
»
cd
o
w
li
I5* dl
CS t, cp d SC
M o«o.« d
3
S
CD
.
-e na
*ïii
-ocr page 48-
46
met
gen
len.
»£§
ngen.
:3 Ja
a s o
M
» M
u
bc a, 3
0?
• 3 CT1 S3
s
■s°e
•^5
ft
-t3 bc—
o
bC o-X
Sn 0>
>-sg
XI bc
=« .
o 53
f .11
a ** .ra
§ .2 ,s s
3.5 SS
bc
\'ZS
— " Zï _zr
02
0?
HM g^
a
bh N
o
^ e e R
pa
©oio o
ie io cm co
III
oo oo
o © o S5
-t< Th 0I<M
B
*
J
X!
V
.
3
^
XI
>
ü
3
Ft
3
OP
>
o
N
o
•» 3
>
3 o
0? .
C —
o <■>
Wj
3
aai;
O <p"0
^ bc
V \'S a
1
i
\'s
loem gei
kalkach
leibodej:
gsten.
.o «J4 g
p
O
II4
pa
o> S jl ^
rs _ e ■«
siJJ
t
-51
uil
*i|s
fi;
Ï-3-2.SM
o a
«uil
m
0) 0)
si
H
s:
2 •
" 3 bc
•/. 3 O >?
o 3 io <M
üü [ I
1«§8
m *5* \'M
II
■       
53 a ■£ 3
lll\'fï
Mi
•f £ Sxï^ a I]
4) •* 3"» i
«
bh » gS"fi\'-
~* o a 3 3
mi
Ji!!f
Sfl°a
ill
o) 3
II
3-^
> 0)
§1
« 6
c" <D
3 3
O 3
OBJ)
MS .
I
XI
c2 a> a
MJ
> Sr*
lil
si
xi-5
Ifllf
•S33
» a-o a
A\'S
3 5 fS
,1
§•.2 8-as 2
-ocr page 49-
47
SA
sS 2
g » o
dat.
s ► a
•g o a>
d> È
■-3 o;
& a o a
§ * sa > §
Is .11
S S He 0)
W =3 C:K>-3
o3 e C a
a a
II
O et
Sn
l
■■3
2 ►
|
llli
te -3 v > bc— es
^d\'1^
-M fe—• bc ^-S"5
lil?
jnjj
\'S 8*11
90
sl
- È43 ü
o; fi, 3 cj ei
OJ 0) cj OJ Ö
a ö s.d,a
H
lil
£44
3 «
~ —
9C.S
N ©O O
<n C H
r o <a
411
iii
lil
Pj
■Il
illi
O bc N
.1» HS .,
-ocr page 50-
48
P -LI •\' M A> T3
H12
a o 2
£
sa SS
ap
3J fli .
I?
II II f
lm
•PO as n
— P T3
II5
a
S
S
a
a 5
lift
si
a a !s a
Slss
1
«ft
«Ml
CP i--3 GO .O)
•cIS 2 2 I
£ 8-3■"
i
jg o e o S 9
mW^ > -O S*
•§•§!#
iinr
-"«5 ga
,a
flü
gss|
2 ja 3
\'S l>
2 P
il
Ja $.
11
lil
lil
5!\'
É
0>
s
J
II
aa
o ■
S *
bc *
P
|i!
j»*
. «
böoQ
-«•**,
5-a^^
■E^lS
*i d o
Is §
» I
e
i5
J5
s
I I
llfrl
II
II,
lil
Ss.ï g
a\'
sc£
Uil*
iaill
^ d t,T3 cc
\'S\'S SrK-3
pN •« •
la il s
^ 0 o> ï
>- o,Q G
5 3 S s
o a
h 2,m!h
So«o «
=* ca
P CS
>"3
SI
s
CP *5\'
■"^.
0J -i-i
■ - cc
II
P a>
Il |
"3 SCo> .
o
60
S o c &
— s — —
a.i ij
^^ c^<
H^ glS
2 g a
7. — - -
.1 §.ü°
\' 2 2 1\'
o a fl a
lal
x <è a ,\'
53 lo
ï a° ?
3 5,5,8
S O        O
«5^1 o
nlS j
f ►■31
I s a 1
S 4) ï 3
toT5 be^
\'iWJI
c
o
s
CU
fc. o
se .o
\'S c
C3 0)
a c p
g § 6C
H ■»< -,
00 « \'S
m\'gr se
a c
o? "
ace
~ 1) O •
SC & \'S
r< SC-S
\'S _h ffl\'2
S       
^3
?Q^ r! w « - ffl
02 r-
o S
•9 o,-* =0^3 °3
58 H i &!
I 0^5.»° O d
\'jlllil
S c
O es
-3 fi
-ocr page 51-
Drivif.
Opbrengst per plant.
Zonder bemesting: 11 Trossen = 155 gr., 10 Trossen = 135 gr.
-ocr page 52-
Druif.
.■\'•■■;.\'»■"-\';"■-•.■,.\'■\':\':■\' \'■■                                           .\'■\'? :,i:.\'\'.\'" ï*»^ï*-«l\'--;\';-,\'-,7^\',>\':^\'!\'*\'.....\'-\' :"öj \':■\'\' \'~flfcï»v-\'- \'. v?\'--f3
^♦S*»*
e*^4
pp;;
3Hfa
m
Bemesting per H.A.
960 K.G. Oliekoeken. 500 K.G. Chloorkalium.
Opbrengst per plant:
80 Trossen = 1140 gr. 22 Trossen = 925 gr.
-ocr page 53-
158. Oof\'tboomen en Struiken.
Vroeger meende men, dat eene bemesting vuur ooft-
boomen niet noodig was („dit meent men tegenwoordig
ook nog in vele streken"). Als van zelf volgde op een
goed oogstjaar een slechter. Er is volstrekt geen oorzaak
voor te vinden, waarom de ooftboom niet telken jare een
goeden oogst kan voortbrengen, indien slechts genoeg voe-
dingsstoffen in den bodem aanwezig zijn en de boom bij
den vrnchtenoogst \'niet mishandeld wordt. Reeds bij aan-
planting moeten de jonge boompjes met minerale stollen
bemest worden, waardoor zij zich krachtig ontwikkelen.
Worden nieuwe boomgaarden aangelegd, dan kan de toe-
voer van kali en phosphorzuur uitstekend plaats hebben
in den vorm van Thomasmeel en Kaïniet. Rij aanplanting
van afzonderlijke hoornen neme men ± 1\\\',—2 KG. Zwa-
velzure kali en 4 KG. Thomasslakkenmeel, die zoo mo-
gelijk gelijkmatig in de bovenste laag en in den onder-
grond verdeeld worden. Rij grootere aanplantingen strooie
men voor het omgraven 1500 KG. Thomasphosphaat
en bij lichten grond 400 KG. (Tdoorkalium of Zwavelzure
kali uit.
Dragen de hoornen kenmerken van mindere weligheid
d. w. z. komen zwakkere houtscheuten en onvoldoende
loofontwikkeling, gele kleur van de bladen met verminderde
opbrengst te voorschijn, dan is dit een zeker bewijs, dat
de bodem aan alles gebrek beeft. Alsdan is voor boom-
gaarden en groote aanleggen van besvruchten de volgende
bemesting aan te bevelen:
500 KG. Thomasphosphaat.
400 „ Zwavelz. kalimagnesia of 250 KG. Zwavelz.
kali.
200 ,, Zwavelz. Am. of een gelijke hoeveelheid
Chilisal peter.
Een alleen staande krachtige boom heeft jaarlijks noodig:
2—2.50 KG. Thomasphosphaat.
0.5—0.75 „ Zwavelz. kali.
0.5—0.00 „ Zwavelz. Am. of Chilisalpeter.
Toont de boom sterke houtvorming en weelderige blad-
-ocr page 54-
52
ontwikkeling en daarnaast gebrekkige bloei en vrucht-
vorming, zoo beperke men de bemesting zoo lang tot
Thomasph. (± 2 KG. per jaar en per boom), tot bloei-
vorming en vruchtaanzetting in evenwicht zijn met het
hout. Zoo gauw als dit tijdstip voorbij is, moet natuurlijk
de volledige bemesting weder toegepast worden.
43. Ooftboomkweekerij.
Om in de kweekerijen gezonde, krachtige telgen te kwee-
ken en de snelle ontwikkeling te bevorderen, dient men
een rijke minerale bemesting toe. Men geve daartoe den
bodem bij de voorafgaande bewerking: iff^tJS f,
1000—1200 KG. Thomasph.
1200—1500 „ Kaïniet.
Op een goeden bodem kan de kalibemesting zonder na-
deel verminderd worden, terwijl Kaïniet geschikt door
geconcentreerde zouten kan vervangen worden. Men geve
al naar de samenstelling van den bodem 100—200 KG.
Chloorkalium of een gelijke hoeveelheid Zwavelzure kali.
Een eerste voorwaarde blijft steeds een groot gehalte van
den bodem aan organische stof.
44. Tningewassen.
In \'t algemeen wordt de bodem, voor tuingewassen be-
stemd. zeer sterk met stalmest bemest. Door hare eenzij-
digheid echter, bereikt men niet, wat men beoogt, een
groote opbrengst van goede kwaliteit; dit laatste is voor
tuinvruchten juist van belang. Daarom is een bijbemesting
met kunstmeststoffen noodig. De intensieve stahnestbe-
mesting vraagt eerstens een aanvulling met phosphor/uur.
Hiervoor leent zich op voortreffelijke wijze het Thomasphos-
phaat, van welk een toegift van 50—00 KG. op 10 Are
toonend is. Deze gift is overal als boofdvereischte nevens
de stalmest- en aaltbemesting enz. te beschouwen. Of verder-
een aanvulling met kali en stikstof bepaald noodig is,
hangt af van de sterkte van de stalrnestbemesting. van de
samenstelling van den bodem en van de behoeften van de te
verbouwen gewassen.
a) Legiiminosen, ontvangen geen stalmest, maar
staan het beste als tweede vrucht,
o) Tuinboonen: 00 KG. Thomasph. 30 KG. Chloor-
kalium op 10 Are.
-ocr page 55-
53
b) Erwten 50—60 KG. Thomasph. 20—25 KG.
Chloorkalium op 10 Are.
b)  K o o 1 s o o r t e n: Sluitkool, Savoyekool, Bloemkool enz.
De koolooorten zijn veeleischend, wat betreft de
stikstof. Men bemest ze daartoe gewoonlijk met sta 1-
mest, latrine of aalt in sterke mate. Ontbreekt dit,
dan gebruike men daarvoor Chilisalpeter in de plaats,
gedeeltelijk bij de bestelling, gedeeltelijk als over-
bemesting.
25—30 KG. Chilisalpeter .
50—60 „ Thomasph. f          ._ .
10-20 „ Zwavelzf kali j Per 10 Are-
40—80 „ Kaïniet             \'
al naar de bodemgesteldheid.
c)  Augurken, selderij enz. worden evenals kool, ge-
woonlijk met stalmest bemest. Kali-phosphaatbe-
mesting verbetert de kwaliteit en verhoogt de
duurzaamheid.
50-60 KG. Thomasph.
20—15 „ Chloorkalium
20—30 „ Zwavelz. Am. J per 10 Are.
of
25—40 „ Chilisalpeter 1
d)  Uien. Stalmest deugt niet, omdat de planten dan
door „vreterij" worden aangetast en minder duur-
zaam worden. Als tweede vrucht.
25—30 KG. Thomasph.
10—15 „ Chloorkalium.
e)  Asperge. Houdt van zandig leem of van leemig zand
met wat humus en kalk. Asperge vraagt een ruime
bemesting. Men geeft afwisselend het eene jaar
stalmest, het andere kunstmeststoffen.
40—50 KG, Thomasph. .
50—75 „ Kaïniet, of
             ■ ,n .
10—15 „ Chloorkalium *)ei 1U Are-
25—30 „ Zwavelz. Am. \'
45. Weiden.
Zooals bekend is, heeft men vroeger dikmaals beproefd
een speciale meststof voor weiden samen te stellen, om
den landbouwer het gemakkelijk te maken, hunne hooi-
landen een behoorlijke vergoeding aan te bieden voor de
groote hoeveelheden voedingsstoffen, die deze gronden door
-ocr page 56-
54
de hooioogsten worden onttrokken. De samenstelling van
een speciaal weidemeststof is thans een feit geworden,
wijl wij een onovertroffen weidemeststof bezitten, die bo-
vendien veel goedkooper is niet alleen dan de vroegere
speciale meststof, maar ook dan de later tot weidemest
gebruikte stollen als compost, asch, aalt enz.
Deze geboren weidemeststoffen zijn Thomasphosphaat
en Kainiet. Over de buitengewone werking dezer stoffen
heerscht in de kringen der practische landbouwers volle
overeenstemming; geen landbouwer, die eenmaal op oor-
deelkimdige wijze Thomasphosphaat en Kainiet op zijne
weiden gebruikt heeft, wil weder van het gebruik dezer
meststoffen afstand doen. De kaliphosphaatbemesting be-
vordei\'t onmiddelijk den groei van verschillende klavers
en andere vlinderbloemigen en maakt daardoor een stik-
stofbeinesting overbodig. Ook de vergoeding aan kali be-
hoeft niet overal volledig plaats te hebben; is zelfs onder
bepaalde omstandigheden eveneens wel te ontberen.
Onvoorwaardelijk noodig is een kalibemesting op alle
veenachtige en zandige gronden. De geringste hoeveelheden
kali verlangen die weiden, welke door moeder Natuur
rijkelijk van water worden voorzien, evenals die op zware
gronden (leetn- en kleigronden). Terwijl de stikstofbe-
mesting overal, de kalibemesting in sommige gevallen
onnoodig is, is een phosphorzuurbemesting onder alle
omstandigheden aanbevelenswaardig, \'t Zij een zand-, klei-
of veen bodem, \'t zij de weide te bevloeien is of niet, eene
vergoeding voor het in den hooioogst den weidegrond ont-
nomen phosphorzuur moet overal geschieden.
400—000 KG. Thomasph.
500—800 .. Kainiet.
Op verwaarloosde en verarmde weiden is bij de eerste
maal bemesten, een sterkere bemesting met Thomasphos-
phaat niet overbodig, terwijl men later de hoeveelheden
iets kleiner kan nemen. Op veen weiden is een krachtige
kalibemesting alleszins noodig, terwijl zij op bevloeibare
weiden en op een leembodem verminderd kan worden,
of wel heelemaal achterwege kan gelaten worden, zooals
ook reeds straks is gezegd. Men bedenke echter steeds,
dat onregelmatige bemestingen m.a. w. niet jaarlijks we-
derkeercnde, als geheel en al onoordeelkundig moeten
bestempeld worden.
-ocr page 57-
MAATSCHAPPIJ „NEDERLAND",
Landbouwkundig-, Handels- en Technisch Bureau,
GEVESTIGD TE DORDRECHT.
Telegram-Adres: LANDBOUW DORDRECHT.
Intercommunaal Telefjioon 272 -170.
Onder Rijkscontrole
levert cle Maatschappij alle soorten van Stikstof-. Piiosphorzitur-,
Kali-, Magnesia- en Kalkhoudende
Meststoffen voor Land- en Tuinbouw.
Specialiteit
ECHT DUITSCH THOMASSLAKKENMEEL.
Krachtvoeder voor Vetweiderij, Melkvee, enz.
Verstrekt volgens tarief adviezen tot ontginning van woeste
gronden; maakt begrootingen van kosten; taxeert landerijen.
Aan de Maatschappij zijn verbonden een practisch Landbouw-
hundige, ren gediplomeerd Tuinbouwkundige en Tuinarchitect
en een gediplomeerd Landbouwkundige.
Behandelt in haar
LACT0L0GÏSCH LABORATORIUM
W ETEXSCIIAl\'PEtJJ K I) K
Zuivelbereiding, Lactologie, Bacteriologie, Grondonderzoek
EX/.. ENZ.
Onder leiding van den lieer G. .1. KRIEBEL.
Levert alle Zuivel- en Landbouwwerktuigen, Leermiddelen voor
Landbouw- en ander onderwijs.
Prospectussen, Brochures, enz. kosteloos op franco
aanvraag te verkrijgen.