-ocr page 1-
- •
"\'
-
-
.
i
.
.
. ,„
\' \'
•
VV\\YK
Ui
Yi
]S
\'.                                                                                                                                                                                                ■ ■■                                                                                                                                                                 ■ \' .
\'■-\' \'->"\' ■\',. .\'"\'
I)Ë TOESTAND DER WERKLIEDEN IN DE
BOUWBEDRIJVEN TE AMSTERDAM.
RAPPORT
Uitgebracht door de Commissie van Onderzoek,
benoemd door den Gemeenteraad in zijne Vergadering
van 30 Juni 1897,
Bestaande uit de Heeren:
L. SERRURIER, Voorzitter
Mr. Pk. FALKENBIJRG, Secreturis
C. Y. GERRITSEN, \\
Dr. C. W. JANSSEN, Leden.
W. van der VLIET. )
1898.
Verkrijgbaar bij het Bureau voor Statistiek, Raadhuis, Amsterdam.
Prijs f 0.35
-ocr page 2-
. ,-■>
i
■;
\'
\'■■:_<
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029635889B
2963 588 9
-ocr page 3-
\'S ■ -
■ETvfc-Y
•E TOESTAND DER WERKLIEDFJ \'
BOUWBEDRIJVEN TE AMSTERÖ^I
RAPPORT
Uitgebracht door de Commissie van Onderzoek,
benoemd door den Gemeenteraad in zijne Vergadering
van 30 Juni 1897,
Bestaande uit de Hoeren:
L SERRURIER, Voorzitter
Mr. Pk. FALKENBURG, Sm-etaris
C. V. GERRITSEN, j
Du. C. W JANSSEN, f Lrdn,.
W. VAN DER VLIET. !
1898.
Verkrijgbaar bij het Bureau voor Statistiek, Raadhuis, Amsterdam.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
I N II O ü D.
Blad
Inleiding..................          5
Rapport...................        13
Bijlage A. Overzicht van de resultaten der telling van de
weiklooze timmerlieden, gehouden op 11 November 1S!)7 .        35
Bijlage B. De stand der werkloosheid onder de timmerlieden
in de maanden Januari—Mei...........        38
Bijlage C. De stand der werkloosheid onder de timmerlieden
bij de controle, gehouden in de eerste week van Juni . .        39
Uitlach D. De duur der werkloosheid der timmerlieden — leden
van vakvereenigingen gedurende de eerste 25 weken van 1S98        40
Bijlage 15. De stadsuitbreiding..........        41
Bijlage V. liet bouwcrediet............        53
Bijlage G. Schrijven van de Maatschappij ter bevordering
der bouwkunst................        (ill
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Inleiding.
Bij raadsbesluit van 30 December 1896 werd eene Commissie ingesteld
tot het uitbrengen van advies omtrent maatregelen ter beperking van de
gedwongen werkloosheid en tot leniging van den nood, die van die werk-
loosheid het gevolg is.
Deze Commissie heeft blijkens haar eindrapport, dd. 21 Mei 1897 (opge-
nomen in het Gemeenteblad 1897, 1° afdeeling N°. 471) aan het eerste deel
der haar gegeven opdracht niet kunnen voldoen door onvoldoende kennis
van de lokale arbeidstoestanden.
Ten einde die kennis aan te vullen, had de sub-commissie uit bovengenoemde
Commissie, welke met de beantwoording der vraag omtrent de tegen de
werkloosheid te nemen maatregelen belast was, zich bereid verklaard zich
als enquête-commissie te constitueeren, zoo het Gemeentebestuur haar daartoe
den noodigen geldelijken bijstand en daarmede ook zijn zcdelijken steun
wildo verleenen.
Het dagelijksch bestuur der Gemeente was van de wenschelijkhcid van
een dergelijk onderzoek overtuigd, maar meende dat dit beter rechtstreeks
door het Gemeentebestuur kon worden ter hand genomen dan dat daarmede
eene daarbuiten staande Commissie zou worden belast.
Aan deze overweging had de voordracht van Burgemeester en Wethouders
dd. 24 Juni 1897 {Gemeenteblad lu afdeeling N". 524) haar ontstaan te
danken, welke voordracht do strekking had hen uit te noodigen om in
overleg met do Commissio van Bijstand voor de statistiek, een ondorzook to
doen instellen naar de arbeidstoestanden in deze gemeente, en voor de
kosten van dit onderzoek oen credict te verleenen van f 5000.—.
Deze voordracht kon echter in den Gemeenteraad geene meerderheid ver-
werven on besloten werd in do zitting van 30 Juni 1897 aan de oude sub-
comniissio (bestaande uit de heeren L. Serburibr, C. V. Gerritsen, C. W.
Janssen, Pu. Palkenburg en W. v. d. Vliet), die zich bereid had verklaard
mot oen gemeente-subsidie het gewonschto onderzoek te aanvaarden, daartoe
de opdracht to verstrekken en haar tot dekking der te maken kosten een
subsidie to geven van f 5000.—.
De genoemden namen de tot hen gerichte uituoodiging aan, constitueerden
zich als Commissie van onderzoek en benoemden uit hun midden den heer
Serrurier tot voorzitter, den heer Falkenburo tot secretaris-penningmeester.
De heer P. C. M. Bos, doctorandus in do staatswetenschappen, werd door
hen aangewezen om hen bij huuno werkzaamheden behulpzaam te zijn.
De oorsto vergaderingen waren gowijd aan eeno bespreking van do wijze,
waarop de commissie zou trachten aan hare opdracht te voldoen. Om zich
-ocr page 8-
c
een oordeel over het baar ter onderzoek opgedragen onderwerp te vormen,
besloot zij zoowel do statistiek als de methode der mondelinge enquête te
baat te nemen.
Een statistisch onderzoek kon worden ingesteld naar het aantal werk-
lieden in bet een of ander vak, volgens de beroepstellingen in 1880,
185\'J en 1849 aanwezig, naar de stadsuitbreiding, de toeneming der be-
volking, vestiging en vertrek. En daarnaast zou een mondeling onderzoek
moeten plaats hebben om door personen, tot bepaalde vakken behoorend,
ingelicht te worden omtrent de wijze, waarop het vak uitgeoefend wordt
en vroeger uitgeoefend werd, waarin die veranderingen bestaan, en waardoor
zij zijn ingetreden. In \'t algemeen zou daar, waar aan een o geregelde arbeids-
statistiok niet kon worden gedacht, eene enquête uitnemende diensten bewijzen.
Om echter binnen niet te langen tijd tot eenig resultaat te komen, werd beper-
king bij hot onderzoek van hot ruime gebied der arbeidstoestanden noodiggeacht.
Waar alzoo de methode van onderzoek aangewezen was, bleef nog te be-
slissen over, welk vak of welke groep van vakken hot eerst zou worden
ter hand genomen. Die beslissing viel niet moeilijk. Do bouwbedrijven
toch hadden in den blutsten tijd het meest van werkloosheid to lijden gehad
en het was de treurige toestand in deze vakken, die aanleiding gegeven had
tot benoeming eener Commissie van onderzoek. Bovendien belmoren de bouw-
vakken tot dio bedrijven, waarin het grootste aantal personen werkzaam is.
Eon oogonblik rees bij de Commissie bet denkbeeld om een register samen
te stellen van alle werklieden in de bouwvakken en dan naar hunne persoon-
Ijjko omstandigheden een of meerdere malen onderzoek te laten doen. De
moeilijkheid echter om de daarvoor noodige, vertrouwbare gegevens te ver-
krijgen en de grooto kosten, in elk geval aan de uitvoering van dit denkbeeld
verbonden, deden de Commissie daarvan afzien.
Toch werd het wenschelijk geoordeeld den omvang van >do toon (in den
aanvang van den winter 1897) bestaande werkloosheid te loeren kennen.
Als middel daartoe koos onze Commissie de directe telling bij aanmelding
na oproeping.
Slechts aarzelend koos zij dien weg, meer nog omdat zij eeno poging in
die richting wilde wagen, dan omdat zij meende eenigszins betrouwbare
resultaten daarmede te bereiken. Het was haar toch bekend dat overal
elders, waar men door directe telling eeno statistiek der werkloosheid had
trachten op te maken, in Dresden, Berlijn, Hamburg, Leipzig, Keulen, Ncu-
renberg, Stuttgart, Elberfeld, Barmen, Holle en Brunswijk l), de uitkomsten
weinig betrouwbaar zijn geweest. De oorzaak van het mislukken van dcr-
gelijke pogingen ligt voor de hand. Van de werkloozcn, aan wie men niets
anders beloven kan, dan dat hunne opgaven dienen zullen om materiaal te levc-
ren voor het overzicht van eenen algemcenon toestand, kan een getrouwe opkomst
niet worden verwacht. Directe voordcelen was onze Commissie niet in staat
aan de aanmelding te verbinden. Deze waren het geweest, welke voor de
\') Dr. John Sciiikowski, zur Methode der Arbeitslosenstatistik 1895.
Dr. Kaki. Thiess, Statistik der Arbcitslusigkeit, Deutsche Worte 1893.
-ocr page 9-
7
statistiek der werkloosheid !| in 1895 uitgegeven door het gemeentelijk
Bureau van statistiek vrij vertrouwbaar materiaal hadden geleverd.
Niettegenstaande dus de verwachtingen niet hoog gespannen waren,
meende men toch tot tolling te moeten overgaan. Ten einde later gemakko-
lijker op do verkregen resultaten controle te kunnen uitoefenen en teneinde
het onderzoek te bepalen tot een zoo juist mogelijk te definiceren gebied, werd
besloten, zich te beperken tot dat bouwvak, waarin do werklieden nog het
best zijn gcorgauisoord, hot timmervak.
In de eerste plaats werd door ons aanraking en samenwerking met de
verschillende alhier bestaande tinimerlioden-vorecnigingeu gezocht. Aan de
besturen der vereenigingen Concordia inter nos, Door eendracht verbetering,
Eenheid onder ons, St. Josoph, afdeoling van don Roomsoh-Katholiokon
Volksbond en de afdeoling //Timmerlieden" van hot algemeen Ncderlandsch
werkliedenverbond //Patrimonium", werd do uitnoodiging gericht con of meer
leden aan te wijzen tot hot bijwonen van eene vergadering der Commissie,
waar do uitvooring der plannen zou worden besproken. Aan dit verzoek
werd door alle vereenigingen voldaan, en onze Commissie kan met waar-
deering constatoeren, dat do bespreking met de gedelegeerden der vorecnigingon
geleid heeft tot eenigc wijzigingen in hot voorloopig vastgestelde plan, die
de uitvoering daarvan zeer ten goede kwamen.
Naar aanleiding van die besprokingen word het volgende plan vastgosteld.
Do telling zou plaats hebben op 11 November in drie op voldoenden afstand
van elkaar verwijderde lokalen, namelijk in d\'Goelvinck, Ons Huis en het
wachtlokaal aan het \'s Gravenhekje, tusschon half tien des morgens en vier
uur in den namiddag. Eene ofticioolo kennisgeving zou vanwege de Com-
missio aangeplakt en in do couranten geplaatst worden, terwijl do vakver-
conigingen voor do noodigo publiciteit op do straat en in de werkplaats
zouden zorg dragen.
In de lokalen van opneming zouden onze commissieleden bijgestaan worden
door eenigo gedelegeerden der vakvereonigingen en ecnige studenten in do
rechtswetenschap, dio zich daartoo bereid hadden verklaard.
Do telling zou geschiodon door invulling van tclkaartcn. Elke kaart groot
74 bij 52 cM., bevatte elf vragen, waarvan er zeven in de tollingburoaux
naar de inlichtingen van den werkloozc zouden worden ingovuld, terwijl de
vier overige vragen uit het Bevolkingregister zouden worden beantwoord.
Do aan den werkloozo te stollen vragen betroffen zijn naam, voornamen,
woonplaats, zijn laatsten patroon en hot werk waaraan hij het laatst had
gearbeid, de oorzaak van zijn ontslag, don duur zijner werkloosheid en ten
slotto de vraag of do werkloozo uitsluitend het timmervak beoefende of ook
nog in een ander bodrijf of beroep werkzaam was.
De door het Bevolkingregister te beantwoorden vragen botroft\'en:
1° den geboortedatum;
\') Statistiek dor wcrkloozen, die zich in den winter 1894/1895 bij de. Commissie
voor werkverschaffing te Amsterdam hebben aangemeld. Statistische mededeelingen
uitgegeven door liet Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam N°. 1.
-ocr page 10-
8
2° den burgerlijken staat;
8° het aantal inwonende kinderen;
4° den datum van vestiging te Amsterdam.
Geheel overeenkomstig de opgemaakte plannen had de telling op den
llJen November plaats.
In het geheel meldden zich aan bij het bureau:
1" in do Gcelvinck 106 werkloozeu
2" in Ons Huis
              108            „
3" in het Wachtlokaal 79            „
Wij kunnen hier niet nalaten een woord van dank te brengen aan de
gedelegeerden der vakvereenigingen en de studenten in de rechtswetenschap,
door wier gewaardeerde medewerking wij in staat werden gesteld de telling
te houden en aan de ambtenaren van het Bevolkingsregister, die er veel
door hunne controle toe bijdroegen, dat de verzamelde gegevens zooveel
mogelijk niet de werkelijkheid overeenkwamen.
De uitkomsten der toen gehouden telling zijn in bijlage A opgenomen.
Na liet houden dezer telling, die slechts als proef was ondernomen, heeft de
Commissie zich afgevraagd of het wenschelijk was ook voor andere bouw-
vakken zulk eene opname van den oogenblikkelijken toestand te organisecren.
Zij beeft (oen die vraag noch in ontkenneiiden noch in bevestigenden zin
kunnen beantworden, en daarom eene afwachtende houding aangenomen.
De beantwoording der vraag hing toch hiervan af of de plaats gehad hebbende
telling als geslaagd was te beschouwen.
Nu hoorde zij in de eerste dagen herhaaldelijk verluiden, dat een kleiner
of grootor aantal personen zich om verschillende redenen niet bij de bureaux
had aangemeld. De vakvereenigingen oordeelden het totaal getal van 353
te gering, maar aangezien ook zij gcenc betrouwbare gegevens hadden om
tot staving harcr meening te dienen, kon de Commissie alleen op die
enkele uiting hare telling niet als mislukt beschouwen. Later toen zij
langs een anderen zekerder weg nogmaals de werkloosheid onder de tiimner-
Iieden kon opnemen, werden gegevens verkregen, die de betrouwbaarheid
harer eerste telling vrij waarschijnlijk maakten. Doch deze ervaring deed zij
te laat op, om in den afgeloopen winter nogmaals eene directe telling te
ondernemen.
Aanleiding tot een hernieuwd onderzoek naar de werkloosheid bij de timmer-
lieden leverde een schrijven van 2 December 1897 van de besturen der
tiininerliedenvereenigingen: ,/Door eendracht verbetering", //Concordia inter
nos" en //Henheid onder ons." Deze besturen wensehten de 2080 bij hen
bekende timmerlieden te Amsterdam te bezoeken om hen ongeveer dezelfde
vragen te stellen, als opgenomen waren op do telkaart, welke onze Commissie
bij hare telling van 11 November had gebruikt. Daarenboven wilden zij ook den
grondslag leggen voor eene blijvende statistiek der werkloosheid, door bij alle
bezochte personen drie modelkaarten voorzien van postzegels, achter to laten.
De eerste kaart bevatte oen formulier, dat do werkman had in te vullen
op het oogenblik dat hij werkloos werd; de tweede kaart zou dienen tot
het aangeven van het oogenblik, dat de werkloosheid had opgehouden en
-ocr page 11-
9
bij welken patroon weer werk gevonden was; de derde kaart zou bestemd
zijn kennis te geven van verhuizingen, (n de gevallen, dat deze kaarten
zouden gebruikt zijn, zouden de werklieden van nieuwe kaarten voorzien
worden.
Aangezien deze gcheele organisatie een voor de vereenigingen belangrijk
bedrag eischte (de begrooting nam een bedrag van ongeveer f 200.— aan),
verzochten de besturen hen financieel tegemoet te komen. Na eenig beraad
besloot onze commissie aan die besturen modo te dooien, dat zij bereid
was voor hot voorgestelde doel een subsidie toe to staan onder de voor-
waarden, dat de resultaten van het onderzoek ter beschikking zouden worden
gestold van liet Bureau van Statistiek der Gemeente en dat met de beide
overige timmerliedon-vereenigiiigen, de afdeelingen van het werkliedenverbond
//Patrimonium" en van den //Koomsch-Katholieken Volksbond" in overleg zou
worden getreden om met de drie re<|uest roerende vereenigingen samen te
werken. Binnen enkele dagen werd bericht ontvangen dat de beide nog
niet aangesloten vereenigingen tot medewerking bereid waren gevonden.
Met ijver werd door de gecombineerde besturen de arbeid aanvaard. Het
register der timmerlieden werd met de leden der laatstbijgekomen verceni-
gingen aangevuld en tevens vermeerderd niet do namen van de niet goor
ganiseerde timmerlieden, die zich bij die telling van 11 November hadden
aangemeld en wier namen en adressen op dat register nog ontbraken. Ter
invulling van de bij het persoonlijk bezoek to verkrijgen gegevens weiden
door ons do noodige tolkaartcn afgestaan, van hetzelfde model als bij de
vorige telling door ons waren gebruikt.
Tevens stolde liet Bureau van Statistiek een modeltelkaart samen, dio
dienen moest om geregeld olkc week do werkloosheid der bezochte en bo-
kendo timmorliodon aan to teekenen. Deze kaart heeft oen gemakkelijk te
hanteeren formaat van 10 cM. hoog en 14.J cM. breed. De bovenste ruimte
van 4 cM. hoog is bestemd tot noteering van het registe\'rnummer van den
werklooze, zijn naam, woonplaats en burgerlijken staat en of bij lid vaneen
der 5 vereenigingen is, of bij geen dier vereenigingen is aangesloten. De
onderste ruimte van ti x 14.1 cM. is verdeeld in 52 vakken, elk voorzien
van een nummer der week. De werkloosheid gedurende eone bepaalde week
zou dan aangetoekend worden door een streep in hot voor dio week be-
st einde vak.
Een tijdvak van meer dan 3 dagen zou voor een geheole week gerekend,
ecno periode van minder van !i dagen zou verwaarloosd worden. Deze
kaarten zouden het voordooi opleveren na verloop van een jaar met gemak
den duur dor werkloosheid en do perioden van werkzaamheid te kunnen
nagaan.
In do oersto dagen van Januari van dit jaar was hot persoonlijk bezoek
afgeloopen en waren de noodige aanteekeningen godaan op de oorspronkelijke
tolkaarton der Commissie. Dok thans werd do verificatie dier gegevens aan
het Bevolkingsregister verricht, in zooverre dit daaruit mogelijk was. Daarna
werden de boven omschreven kleine blijvende legtolkaarten ingevuld en ter
telling aan het Bureau van Statistiek afgestaan. Wekelijks hoeft daar de
-ocr page 12-
10
controle plaats van de kaarten der werkloozen, die werk hebben gevonden
on van de kaarten der werklieden, die in die week werkloos zijn geworden.
De resultaten dezer wekelijkscke opname der werklooze timmerlieden zijn in
bijlage H opgenomen.
Reeds van den aanvang af vreesden wij, dat de resultaten van bet door-
loopende onderzoek naar de werkloosheid van de niet georganisoorde timmer-
licden niet evenredig zouden zijn aan de hooge uitgaven en niet geringe
moeite, daarmede verbonden. Vooreerst toch moest elke werkman steeds
woiden voorzien van -i modolbriefkaarton met postzegels; en daarenboven
zou bet ook noodig zijn om van tijd tot tijd over te gaan tot een hernieuwd
persoonlijk bezoek aan de ingeschreven timmerlieden, teneinde na te gaan
of zij steeds voldaan badden aan hunne verplichting tot inzonding dier
briefkaarten. Want verflauwde hunne belangstelling, dan was het aange-
legde register niet meer vertrouwbaai- en zou dus bet doel gemist worden,
dat men zich voorstelde. Op dien grond meenden wij, dat de besturen der
vakvercenigingen wel genoodzaakt zouden zijn de opname der werkloosheid op
de bovenomschreven wijze na korter of langer tijd te beperken tot hunne
eigen leden.
De controle, die tusschen 29 Mei en 5 Juni gehouden is, heeft de gegrond-
heid onzer vrees bevestigd. In die week namelijk hebben de gecommitteerden
der werkliedcn-vorconigingen een persoonlijk bezoek afgelegd bij alle op het
register ingeschreven timmerlieden, teneinde na te gaan of do omtrent
bunnen toestand aanwezige gegevens overeenkwamen met de werklijkheid.
Terwjjl nu volgens het kaarten-register 281 timmerlieden (waaronder 46 leden
van vakvercenigingen en 2-"15 onvoroenigden) werkloos moesten zijn, bleek
bij onderzoek, dat het aantal werklooze leden van vakvereenigingen 50 bedroeg,
terwijl bovendien 13 tengevolge van ziekte buiten werk waren; en verder
dat liet aantal werklooze timmerlieden, die tot geen enkele vakvereeniging
behoorden, slechts 132 bedroeg on daarenboven 15 ziek waren. In hot geheel
waren dus 188 timmerlieden buiten werk (behalve de zieken), terwijl volgens
het register dat aantal niet minder bedroeg dan 281. De volledige resultaten
der controle zijn in de bijlagen C en I) opgenomen.
Uit deze controle was dus duidelijk gebleken, dat de opgaven der onver-
een igde timmerlieden zooveel te wenschen overlieten, dal aan eene gere-
gelde bijhouding dier statistiek langs den gevolgden weg geen waarde was te
hechten, terwijl ook tevens de noodzakelijkheid was aangetoond de gegevens
omtrent de werklooze leden van vakvereenigingen aan \'periodieke controle te
onderwerpen.
Al is echter bot doel, zoo ruim als men zich dit aanvankelijk bad ge-
steld, niet geheel bereikt, toch meent de Commissie dat hare medewerking
niet vruchteloos is geweest, nu dit resultaat is verkregen, dat binnen den
kring der vereenigingen voortaan nauwkeurig zal worden boekgehouden van
de werkloosheid harer loden. Do vereenigingen in de andere bouwvakken
vinden wellicht daarin een spoorslag om bet voorbeeld der timmerlieden
te volgen.
-ocr page 13-
11
Intusschen had de Commissie het houden van enquêtes ernstig ter hand
genomen.
Deze waren voorafgegaan door het inwinnen van inlichtingen omtrent
het bouwbedrijf in het algemeen. Naar aanleiding van het toen gehoorde
waren vervolgens twee vragenlijsten samengesteld, een voor patroons en een
voor werklieden, die tot handleiding bij de mondelinge verhooren zouden
dienen. De vragen, in deze lijsten vervat, betroffen de vakopleiding, het loon,
den arbeidsduur, het sweatingstelsel en den fabrieksarbeid, de veiligheids-
maatrcgelen op bouwwerken, enz. enz.
Teneinde te vernemen welke patroons en welke werklieden bet meest
geschikt en geneigd waren ons de mondelinge inlichtingen te verschaffen, welke
wij wenschten te verkrijgen, hebben wij ons tot de verschillende vakver-
eenigingen van patroons en van werklieden gewend. Zoo werd het verzoek
om zoodanige personen te willen aanwijzen, gelicht tot den Nederlandschcn
Aannemersbond, de aannemers-sociëteit //Amsterdam," den /,l?oomsch Ivatho-
lieken Giidenbond" en de 1\'atroonsvereeniging //Boaz," aan de timnierlieden-
vereenigingen //Door eendracht verbetering," //Concordia inter nos," //Eenheid
onder ons", //St. Josoph, afdeeling van den H. K. Volksbond" en „Patrimonium",
vakafdeeling timmerlieden, aan de metselaarsverecnigingen //Door verbroedering
verbetering" en //St. Marinus", afdeeling van den R. K. Volksbond, aan de
opporliedenvoroeniging //Nieuw leven," aan de //Stucadoorsvereeniging", aan de
Schildorsvereonigingen //Vooruitgang zij ons doel," //Centrale organisatie van
schildersgezelleu" en ittii. Lucas," aan de grondwerkersvereeniging //St>. Leo-
nardus" en heiwerkersvereeniging //Vooruitgang". Bovendien werden buiten
deze vereenigingon om tot verschillende architecten en personen met het
bouwcrediet bekend, uitnoodigingen gericht de Commissie voor te lichten.
Onze Commissie constateert met groote erkentelijkheid dat alle genoemde
vereenigingen (slechts met eene uitzondering) de gevraagde medewerking
hebben verleend en dat alle getuigen met de grootste bereidwilligheid aan
de tot hen gerichte oproeping hebben voldaan.
De verhooren werden in hoofdzaak door onzen voorzitter geleid, over-
eenkomstig de vastgestelde vragenlijst, terwijl de overige leden voortdurend
gelegenheid hadden het gevoelen der getuigen te vernemen.
Hoewel onze Commissie niet voorzag dat uit de beantwoording der aan
de getuigen te stellen vragen moeilijkheden zouden voortspruiten voor de
werklieden, heeft zij toch aan het verlangen van enkele vereenigingen voldaan,
om eerst de patroons te hooren, voordat zij tot de werklieden overging.
De zittingen dor enquête-commissie zijn na afloop dor voorenquête\'s en
vaststelling van de vragenlijst begonnen op 9 November 1897, terwijl de
laatste op den 31\'1» Maart 1898 werd gehouden. In dien tusschentijd zijn
25 zittingen gehouden en werden 39 personen gehoord. De vergaderingen
hadden steeds in den namiddag plaats en hebben te zamen ongeveer 50 uur
geduurd.
Hetgeen in dezo vergaderingen door ons is vernomen, gepaard aan hetgeen
uit andere bronnen ons bekend was of werd, stelt ons in staat tot het
volgende rapport omtrent den toestand der bouwbedrijven te Amsterdam.
-ocr page 14-
R A P P O 11T.
Tusschen de bevolkingsvermeerdering eencr groote stad en den huizenbouw
bestuit in den regel een dubbel verband. Vooreerst is het de uitbreiding der
bevolking, die aanbouw van woningen noodig maakt; maar tevens is het die
aanbouw, welke de tocstrooming van nieuwe arbeidskrachten naar de groote
stad ten gevolge heeft. Dit dubbele verschijnsel doet zich evenwel niet altijd
voor. Oude steden, die achteruit gegaan zijn, kunnen nog langen tijd aan
eene zich uitbreidende bevolking woonruimte bieden zonder stadsuitbreiding.
IJcvolkiiins- Tn dit laatste geval verkeerde Amsterdam langen tijd. In 1795 was de stad
groot genoeg om 217024 bewoners te huisvesten. Toen nu in den Franschen
tijd de bevolking daalde tot 200130 zielen, moet er een groot overcompleet
van woningen hebben bestaan, dat eerst langzamerhand verminderde. Want
eerst tegen de helft onzer eeuw bereikte de stad weer het zielental, dat. zij
ongeveer een eeuw geleden heeft gehad. De aanvulling van het geleden
verlies was dus zeer langzaam geschied. En ook nog in de eerste twintig
jaren na dit tijdstip is do bevolkingsvermeerdering zeer gering, zoodat van cene
diepgevoelde behoefte aan nieuwe woningen geen sprake is geweest.
Zooals in de bijlage E uitvoeriger wordt uiteengezet, ving de voel-
baar sterkere bevolkingsuitbreiding eerst tegen het jaar 1870 aan. In de
beide decaden, die dit jaar voorafgingen, bad die vermeerdering slechts 8,7
per 100 inwoners bedragen. In de eerste 10-jarige periode na 1870 stijgt
die vermeerdering tot 18 per 100 zielen en bereikt zelfs in de daarop vol-
gende periode 1880—188!) een cijfer van 25,ti. Niet in elk der laatstver-
loopen vijf-on-twintig jaren was die toeneming even sterk. Er waren jaren
van matige toename, waarin deze slechts 10,G per 1000 (1875), 12,8 per 1000
(1871) en 14,8 per 1000 (1881) bedroeg; er is ook cene periode geweest
(de jaren 1881—188:»], waarin de bevolkingsvermeerdering een tot op dat
oogenblik en ook later ongekende hoogte bereikte (36,3; 35,9 en 31.8 per
1000 inwoners). Groote regelmatigheid in den aanwas is een verschijnsel,
dat zich in de gehcele periode 18G8—1893 niet voordeed. Meestal is de in-
tensiteit der vermeerdering gedurende eenige jaren klimmend, om dan plot-
seling belangrijk te vallen. In andere jaren stijgt, de vermeerdering soms
plotseling niet de helft of tweederden (1887), zonder dat daarvoor bijzondere
oorzaken aan te wijzen zijn.
Stailsuithrei- Het spreekt van zelf, dat. de huizenbouw zeer moeielijk zich op elk oogen-
iling
             blik kon aanpassen aan die grillige bevolkingsvermeerdering. Slechts zelden
kon het aan de particuliere bouwers gelukken niet. veel meer of\' minder
nieuwe huizen aan de markt te brengen dan noodig was. En wanneer soms
-ocr page 15-
18
do huizenbouw met de bevolkingsvermeerdering overeenkwam, dan was dit
aan het toeval te wijten. Over hot algemeen kan men dan ook zeggen, dat
de voeling tusschen huizenbouw en bevolkingsaanwas steeds zeer gering is
geweest. Soms is er plotseling in den huizenbouw een terugslag, die niet
gemotiveerd wordt door een gelijken terugslag in den bevolkingsaanwas. In
andere jaren stijgt het aantal nieuwe huizen verre boven de behoefte der
vermeerderde bevolking. Zoo in de periode 1802—!>4, waarin het geinid-
deld aantal nieuwe huizen belangrijk hooger was dan in een der jaren dei-
voorafgaande periode en daarnaast de bevolkingsvermeerdering gevoelig had
afgenomen.
Vermoorde- Het ligt voor de hand dat, waar in sommige jaren (o. a. 187!*) de stijging
"i"i" x\'l\'! in den huizenbouw meer dan 10(1 percent bedroeg, de voor den bouw noodige
werkkrachten niet te Amsterdam aanwezig waren. In dit gebrek werd op
twee verschillende wijzen voorzien. Vooreerst vestigden zich de bouw-werk-
lieden van het platte land te Amsterdam metterwoon en vervolgens betrokken
do bouwers de noodige werklieden jaarlijks gedurende het bouwseizoen van
het platte land, terwijl deze werklieden na afloop daarvan weder naar hunne
woonplaatsen terugkeerden.
Oudergcwoonte kwamen nog geruimen tijd, wanneer te bouwen viel, metse-
laars en stukadoors jaarlijks bij den aanvang van het seizoen vooral uit Noord-
Hrabant en de aan Nederland grenzende Duitsche provincies naar Amsterdam,
en verlieten de stad weder tegen het najaar, om op het platte land van het
oververdiende gold den winter door te brengen. Toen nu de stadsuitbrei-
ding bleef aanhouden, hebbon zich vele van die werklieden voor goed te
Amsterdam gevestigd. Anderen vonden in de verbeterde toestanden en de
verlevendiging van den bouw in hun geboorteplaatsen aanleiding om niet
meer naar Amsterdam te komen. In den laatsten tijd heeft deze jaarlijksche
trek zoo goed als geheel opgehouden.
In de tweede plaats werden de noodige arbeidskrachten voor de bouw-
vakken gevonden door do vestiging van personen uit de provincie. Anister-
dam had in de eerste jaren na 1870 voor do ambachtslieden uit do pro
viucie groote aantrekkingskracht. De verdiensten waren hier hooger dan ergens
anders, op welke omstandigheid de invoering van het in den aanvang zeer
goed betaalde stukwerk een grooten invloed had, en dikwijls genoeg werd
hij do verhuizing naar do hoofdstad hoofdzakelijk aan die hoogere verdiensten
gedacht, zonder genoegzaam in aanmerking te nemen, dat ook het leven
te Amsterdam veel hoogere uitgaven vorderde dan waaraan men in kleinere
plaatsen gewoon was.
De behoefte aan werklieden in de bouwvakken is steeds veel grooter ge-
weest, dan door enkele vakopleiding van amsterdamsche jongens kon worden
aangevuld. Immigratie van werklieden van buiten was dus onontwijkbaar.
Do Commissie had gedurende hare verhooren de gelegenheid van do ge-
tuigen te vernemen wie van hen of hunne kennissen te Amsterdam ge-
boren werden en telkens overtuigde zij zich, dat dit aantal zeer gering was.
-ocr page 16-
14
Nadere gegevens echter konden door haar omtrent dit punt niet worden
verzameld, toen de onmogelijkheid gebleken was om cene individueele en-
quête bij alle werklieden in de bouwvakken te doen plaats hebben. Daarom
moet zij volstaan met hier haren indruk weer te geven, dien zij uit het
gehooide verkreeg.
Do vermeerdering van het aantal personen, dat in de bouwbedrijven werk
vond, was in de periode der tegenwoordige stadsuitbreiding buitengewoon.
De volkstelling van 1859 was tevens eene beroepstelling geweest en ook aan
die van 188!) was eene beroepstelling verbonden. Deze beide tellingen
bieden ons de gelegenheid tot vergelijking. In 185!) had het aantal personen,
in de bouwvakken werkzaam, nog slechts (5808 (= 28,4 per 1000 inwoners)
bedragen. Tn 1889 was dit aantal meer dan verdubbeld en bedroeg toen
13870 (= .\'M per 1000 inwoners). De stijging bedroeg dus 102 procent,
* terwijl de bevolking in dienzelfden tijd slechts met 08 procent vermeer-
de rd was.
Het platte land had het te Amsterdam bestaande tekort aan werkkrachten
aangevuld. In vele gevallen waren het aannemers van buiten geweest, die
uit hunne plaats een aantal werklieden meebrachten. De aanvulling nu, die
bij den sterken aanbouw gedurende de jaren 1876—1882 hoogst gewenscht
was, bleek in de latere jaren, toen de huizenbouw ging verminderen, dik-
wijls te groot voor de behoefte. Want zij, die zich onder de gunstige con-
junctuur alhier hadden gevestigd, waren niet aanstonds bereid bij minder
gunstige conjunctuur hunne oude haardsteden weer op te zoeken. Dit ver-
schijnsel is niet lokaal Amsterdamsen, maar doet zich in elke groote stad
voor. De vermindering van den bouw deed dus wederom eene wanverhouding
tusschen vraag en aanbod van arbeidskrachten geboren worden, thans even
ongunstig voor de werklieden als de vroegere in hun voordeel was geweest.
Wijzigingen Gaan wij thans na welke wijzigingen het bouwbedrijf gedurende de periode
in het bouw- d(,r laatste stadsuitbreiding ondergaan heeft.
Voordat de stadsuitbreiding een aanvang nam, waren de werkzaamheden
in de bouwvakken in hoofdzaak beperkt tot reparatiewerk.
Een enkele maal gebeurde het, dat de een of andere particulier een huis
naar zijne eigen wenschen liet bouwen. Zoowel in dat geval als steeds bij
reparatiewerk werd het werk toevertrouwd aan bazen, die men kende.
Tntusschen was het reeds langen tijd de gewoonte, dat publieke lichamen,
groote vereenigingen of maatschappijen hunne bouwwerken lieten aanbesteden.
Het, lag voor do hand dat de voordcelen, die deze wijze van bouwen aan don
bouwheer bood, ook den particulieren bouwhoer aanlokkelijk voorkwamen.
Spoedig dan ook waren enkele patroons bereid den bouw van huizen voor
particuliere rekening voor een van te voren vastgesteld bedrag aan te nemen.
En toen dit stelsel eenigen tijd had bestaan, ondervonden de bouwheeron,
dat zij in den regel veel boter af waren, wanneer zij van de open markt
gobruik maakten. Men bouwde goodkooper en kreeg althans bij voldoende
toezicht gocdo waar, zoodat het niet lang meer duurde, of ook het groote
reparatiewerk werd in den regel op dezelfde wijze uitbesteed.
In het algemeen was aan die wijze van uitvoering van nieuwbouw on
-ocr page 17-
15
reparatiowerk het groote voordeel verbonden, dat de bouwheer zijn risico
kon afwentelen op den aannemer.
De behoefte aan nieuwe woningen en de wensch om kapitaal in woningen
to beleggen, welke verband hield met de groote verdiensten in het diamant-
vak in den zoogenaamden kaapsehen tijd, waren aanleiding, dat deskundigen
(veelal timmermansbazen), zich op den bouw van huizen voor eigen rekening
gingen toeleggen. Deze soort van eigenbouw was aanvankelijk van een
deugdelijk karakter en vele solide woningen zijn daardoor tot stand gekomen.
Maar er lag toch een groote verleiding in om in het vervolg minder degelijk
te gaan bouwen. Immers, de huizen, eenmaal gereed, gingen grif van de hand.
Op de gebreken, die eerst na een langer gebruik merkbaar waren, weid lang-
zamerband minder gelet.
Zoo kwam het, dat de kwaliteit der nieuwgebouwde buizen steeds achter-
uitging. Eu deze ongezonde ontwikkeling werd nog sterker, toen de koopprijzen
der nieuwe huizen gaandeweg gingen verminderen. Men moest toen wel de
kwaliteit van het werk gaan opofferen aan den prijs. Daarbij kwam de
speculatie in bouwterrein, die door den opgewekten bouw in het leven werd
geroepen. Het waren dikwijls bouwers met geringe middelen, die bereid
waren aan de grondspeeulanteu de hoogste prijzen to betalen, waartoe zij in
staat werden gesteld door hypotheekbanken, die in het geven van bouw-
crediet eeue uitbreiding van het terrein harer werkzaamheid zagen.
Dit was te Amsterdam de oorsprong van den slechten bouw, door de spraak-
niakende gemeente met den eigenaardigen naam van revolutiebouw bestempeld.
Van het oogenblik af, dat de onbemiddelde revolutiebouwers een groot gedeelte
van den nieuwbouw in handen kregen, waren het de credietbanken, die aan
den bouw de leiding gaven. Het doel dezer laatste instellingen is het uit
den aard der zaak niet om goede, verkoopbare en bewoonbare huizen te helpen
bouwen, maar om winst te maken. Toezicht te houden op de kwaliteit van
het gebouwde behoorde niet tot haar taak. Zij zijn tegenover hare aandeel-
en pandbrief houders ten volle verantwoord, wanneer slechts het verhypothe-
keerde perceel in voldoende mate waarborgen verschaft voor het daarop
geleende kapitaal,
nuerscheid Het onderscheid tusschen de verschillende categorieën van bouwers, die
K-schillende aan den nieuwbouw deel namen, blijkt in hoofdzaak reeds uit hetgeen wij
atcgoricen over haar ontstaan mededeelden. Wat de kwaliteit hunner producten aan-
gaat, moeten aan den eenen kant gerangschikt worden de aannemers en de
goede cigenbouwers, aan den anderen kant de revolutiebouwers. De grenslijn
tusschen goede eigeiibouwers en revolutiebouwers is natuurlijk zeer moeilijk
te trekken.
De aannemer werkt met eigen of opgenomen kapitaal, maar draagt zelf
in ieder geval het risico van den bouw. Zijn bestek dwingt hem tot hot
opleveren van een gebouw, dat aan bepaalde eischen moet voldoen; dit
levert dus meestal eenigen waarborg ten opzichte van de kwaliteit van het
gebouwde en daai-enbovcn is hij aan zijnen goeden naam verschuldigd zijne
financieele verplichtingen tegenover zijne crediteuren en zijne arbeiders na te
komen; gelukt hem dit niet, dan heeft hij zijne positie verloren.
-ocr page 18-
16
De goede eigenbouwer, meestal een timmermanspatroon, heeft voor een
goed deel dezelfde belangen bij een vrij deugdelijke" bouw als de aannemer.
De koopers zijner buizen zullen wel degelijk letten op de kwaliteit van bet
gebouwde. Ook bij beeft eene reputatie op te bouden, èn als aannemer èn
als burgerbaas.
Al deze waarborgen zijn bij den revolutiebouwer afwezig. Hij bezit zelf in
den regel geen middelen; hij beeft geen handelsroputatio op te houden.
Wat de kwaliteit van den bouw betreft, is bij aan niemand verantwoording
schuldig. En ook zijn financieel belang zet hem niet aan tot bet bouwen
van woningen van goede kwaliteit, daar de zeer kleine kapitalisten, die zijne
huizen koopen bet met die kwaliteit niet nauw nemen. De wijze, waarop bet
proces van den speculatiebouw verloopt, kan dit duidelijk maken. In de meeste
gevallen is bet niet de bouwer zelf, die bet initiatief neemt tot den bouw.
Hij wordt tot bouwen aangezet door grondspeeulantcn, of door vertegen woor-
digers van hypotheekbanken. De grondspeculant heeft van de gemeente of van
een anderen grooten grondeigenaar een vrij uitgestrekt bouwterrein gekocht
en wil dat in perceelen zoo voordeelig mogelijk van de band zetten. Van den
revolutiebouwer nu kan bij een prijs maken, die door een onaf liankelijk persoon
niet zou zijn betaald. De hypotheekmaatschappijen wenschen niets liever dan
haar crediet te verleenen tegen booge belooningen, b\'isico bij dit ver-
bond loopen noch grondspeculant, noch hypotheekmaatschappij, noch de
houwer zelf. De credietmaatschappij toch verleent slechts zooveel crediet,
als door de krap begroote waarde van het gebouwde wordt gedekt. Zij
verbindt zich alleen tot het verstrekken van zooveel geld in termijnen als zij
telkens na taxatie van het gebouwde zal goedvinden te geven. Dij executie
derhalve van het gebouwde is de credietgever bijna altijd zeker zooveel terug
te ontvangen, als bij aan crediet beeft uitbetaald. En de grondeigenaar is
de eerste, die door den bouwer uit de ontvangen sommen wordt betaald.
De bouwer zelf kan de bouwspeculatie uit den aard zijner positie zonder
risico aanvangen, omdat bij meestal geen eigen kapitaal bezit en bij decon-
(Uure dus de nadeelige saldo\'s op anderen afwentelt. Zijn doel was dan
ook niet een huis te bouwen als tinancieele belegging, maar alleen om ge-
durende den tijd van den bouw te kunnen leven en in bet allergunstigste
geval bij liquidatie iets over te houden. De personen echter, die bij de
bouwspeoulatic directe, tinancieele schade kunnen lijden, zijn de leveranciers,
de kleine werkbazen en de werklieden, de laatsten bij de hier geldende
gewoonten meestal echter slechts voor een gering bedrag. De indirecte
schade, die uit den revolutiebouw voor den werkman voortspruit, blijve hier
buiten beschouwing.
Financieel Op deze wijze beeft zich dus het tinancieele risico van den bouw boe langer
isicovanden n0B meor verwijderd van hem, die ten slotte de eigenaar van bet buis zal
houw
                                               .                                  ,.            , , ,               ....
zijn en dit voor bewoning zal bestemmen. \\ roeger drukte het financieel risico
alleen hem, voor wiens rekening het reparatie werk werd uitgevoerd of een
enkele nieuwbouw werd ondernomen. Daarna neemt de aannemer een groot
deel van zijn risico over. En bij den revolutiebouw is bet den toekomstigen
eigenaar zelfs onbekend, wie het perceel bouwt, dat hij zal koopen, terwijl
-ocr page 19-
17
daarenboven de bouwer zijn risico heeft afgewenteld op enkelen der bouw-
crediteuren. Het tegenwoordig geldend hypotheekrecht begunstigt dien toestand
en helpt er toe mede, dat de reöele bouw langzamerhand geheel wordt
verdrongen door kapitaallooze en unfaire ondernemingen. De nadeelen, die de
toepassing van het tegenwoordige bouwcrediet oplevert, zoowel voor do
leveranciers van bouwmaterialen en voor de werklieden bij don bouw als voor
de toekomstige bewoners dier huizen zijn in de bijlage F uitvoerig uiteengezet,
iovolgcn van Do wijzigingen, die het bouwbedrijf ondergaan heeft, bobben in het algemeen
de wijzigin- fen gevolge gehad, dat de spoed, waarmede gewerkt wordt, steeds grooter
bouwbedrijf. wordt. De steeds heviger concurrentie onder de aannemers hoeft ongetwijfeld
de neiging in de hand gewerkt om voortdurend goedkooper te produceeren
en met oudere, duurdere productiewijzen te breken. Maar ook werd in die-
zelfde richting een drang op hen uitgeoefend door de architekten. die in
hunne bestekken steeds korter opleveringstermijnen voorschreven. Dit laatste
is eene algemeene klacht der aannemers, die, hoewel meestal hun eigen
belang tot vlugge uitvoering aanzet, om verschillende redenen liever bij den
bouw over grooter tijdsruimte wenschon te beschikken dan thans in de
meeste gevallen wordt toegestaan. Do door de Commissie gehoorde architekten
stelden die kortere opleveringstermijnen op rekening van de omstandigheid,
dat do concurrentie hen dikwijls dwong in deze hunne principalen to believen.
Voor eene definitieve keuze van oen bouwplan wordt door don bouwheer allo
tijd genomen, maar is die keuze eenmaal gevestigd, dan moet de oplevering
spoedig geschieden.
Die korte opleveringstermijnen hebben verschillende nadeeligo gevolgen. In
de eerste plaats leiden zij tot opeenhooping van werk op een onkel oogenblik,
\'t geen de onzekerheid der werklieden om voortdurend werk te vinden ver-
groot. Vervolgens lijdt de kwaliteit van hot werk onder die grooto haast.
De architect is dikwijls juist met hot oog op de korte termijnen moreel
verplicht werk goed te keuren dat hij onder andere omstandigheden zou
hebben afgekeurd. En de aannemer wendt zich, hoofdzakelijk om van eene
spoedige oplevering overeenkomstig de bestekken zeker te zijn, in den laatsten
tijd bij voorkeur tot do timmerfabrieken in of buiten Amsterdam, terwijl
hij andere bewerkte stukken kant en klaar uit het buitenland laat komen. Dat
op deze wijze veel werk den Amsterdamschen werkman ontgaat, hetwelk hij
bij langere termijnen had kunnen verrichten, ligt voor de hand.
Deze omstandigheid scheen der commissie zoo gewichtig toe, dat zij zich
tot de Maatschappij voor Bouwkunst wendde met verzoek te willen moedeelen,
wat in deze kon worden gedaan om eenigo verbetering aan te brengen.
Het antwoord der Maatschappij, dat in de bijlage G is opgenomen, erkent
de nadeelen, die aan do korte opleveringstermijnen verbonden zijn en geeft
als eenig middel ter verbetering aan, dat op den principaal een moreele
drang worde uitgeoefend en de architekt hem steeds wijze op de nadeelen
voor het werk zelf, die door het toestaan van langere termijnen kunnen
afgewend worden.
Bij den eigenbouwer wordt de drang tot grooten spoed nog vergroot door
de wijze en de voorwaarden, waarop hem bouwcrediet wordt gegeven. Geen
-ocr page 20-
18
enkel belang staat als remwerktuig daartegenover. Hij zal het door hem
gebouwde niet zelf exploiteeren en het is hem dus onverschillig of de slechte
bouw aanleiding zal zijn van spoedige en herhaalde reparaties. Zijn streven
zal het zijn het gebouwde zoo goed en zoo spoedig mogelijk van de hand
te doen. Om dit te bewerken is het voldoende aan te toonen, dat er voor
het huis huurders gevonden worden. En deze laatsten laten hunne keuze
slechts zelden afhangen van do meerdere of mindere soliditeit der woning.
/erraindeiing Zoowel aannemers als eigenbouwers zijn er steeds op uit op hunne pro-
tiekostoii ductiekosteu te bezuinigen. De eersten met het doel do concurrentie het
hoofd to kunnen bieden, de laatsten om bij hunne vrij hooge kapitaalsuit-
gavon (de gevolgen hunner zwakke financieele positie) op het oogenblik van
de liquidatie hunner bouwspeculatie nog een voordeelig saldo over te houden.
Bij beide categorieën leiden verschillende wegen tot hetzelfde doel. Grooto
besparingen op den inkoop van bouwmaterialen kunnen de aannemers niet
maken, maar toch wel kleine. Tot de kleine besparingen behoort o. a. het
betrekken van bewerkten natuursteen van de groeve. Daardoor worden de
transportkosten belangrijk verminderd, terwijl tevens bet arbeidsloon aan de
groeve in de meeste gevallen minder bedraagt dan de bewerking te Amsterdam
zou gekost hebben. Verder zal de aannemer trachten zijn kwade kansen zoo
gering mogelijk te maken. Een middel daartoe is bijvoorbeeld het onder-
uitbesteden van timmerwerk aan eene timmerfabriek. De timmerfabriek
garandeert den aannemer het timmerwerk volgens bestek af te leveren in
een bepaalden tijd tegen een van te voren bepaalden prijs; zij verbindt zich
verder ingeval van eventueele afkeuring van dat timmerwerk door de directie
de financieele gevolgen dier afkeuring op zich te nemen.
Een ander gevolg van den drang tot goedkoopere productie voor hen, die
reeds langer in het vak waren, was de afschaffing van de eigen werkwinkels.
Timmermans- en metselaarswinkels, die vroeger aan vele werklieden een vrij
vast bestaan boden, worden steeds geringer in aantal. De aannemers van
heden hebbeu op enkele uitzonderingen na nagenoeg geen vaste werklieden
in dienst en moetou bij de aanneming van een bouwwerk telkens opnieuw
hunne werklieden recruteeren.
Ten slotte is het stukloon het middel geweest om de intensiteit van den
arbeid zoo groot mogelijk te maken. Sommigen waren zelfs van meening
dat de intensiteit van den arbeid in de laatste 30 jaren ongeveer verdubbeld is.
Behalve door uitsluitend van stukloon gebruik te maken, heeft do revolutie-
bouwer nog een ander middel te baat genomen om zijne productiekosten te
verminderen. Zijn materiaal namelijk is in den regel van veel slechter
kwaliteit, dan dat door den aannemer gebruikt. Te nat hout, slechte mortel,
niet doorbakken steenen, onvoldoende fuudeering, verf, in hoofdzaak gemaakt
van water en krijt, ziedaar de bouwmaterialen van vele eigenbouwers. Hunne
geringe credietwaardigheid maakt hen dan ook niet tot koopers, die hooge eischen
mogen stellen.
# #
*
-ocr page 21-
19
In het vorenstaande werd in \'t algemeen de moderne ontwikkeling van het
bouwbedrijf ontvouwd.
In het volgende zal worden nagegaan welken invloed die ontwikkeling had
op de arbeidstoestanden in de bouwvakken te dezer stede en meer in het
bijzonder op de werkloosheid. Achtereenvolgens zal in de volgende blad-
zijden in het kort worden nagegaan de invloed, dien de geschetste ontwik-
keling op elk vak in het bijzonder had.
Het timmervak omvat hier ter stede en over het algemeen in Nederland
allo houtbewerking, die bij den bouw van een huis te pas komt en onder-
scheidt zich dus in omvang van het buitenland, waar het ruwe en het fijnere
werk gescheiden zijn. Wil de werkman aan alle eischcn kunnen voldoen,
die hem gestold kunnen worden, dan heeft hij eeno vrij lange voorbereiding
noodig. En deze voorbereiding is hot, die hem niet alleen de noodige handig-
heid moot geven, maar ook zijn verstand moot ontwikkelen, daar hij in staat
moet zijn volgens teekening te werken on de hem opgedragen taak in don
kortst mogelijken tijd af te werken. Het is dan ook niet toevallig, dat het
juist de timmerlieden zijn, waaruit de moeste aannemers en vele eigen-
bouwers zijn voortgekomen.
Gedurende den loop der jaren, waarover wij hier sproken, is het timmervak
aan den eenen kant erop vooruitgegaan; aan den anderen kant is echter
een achteruitgang onmiskenbaar.
De invoering van den mochinolen arbeid heeft de waarde van het vak in
zooverre verhoogd, dat thans vele bewerkingen, welke vroeger door onont-
wikkelde werklieden konden worden verricht, aan de machine overgelaten
worden. Het schaven van vloerdeelen, b.v. is geen handwerk meer en
wordt door de machine verricht
Maar aan den anderen kant is er eone grootere uniformiteit in het timmer-
werk gekomen, die er toe heeft geleid, dat aan den timmerman lagere eischen
kunnen worden gesteld. Wel bestaan hier ter stede nog oude burgerwiukols,
waar werk van de grootste verscheidenheid wordt gemaakt of werkplaatsen
van aannemers, waar volgens de teekeningen van den architekt elk stuk
werk op eene andere wijze moet worden vervaardigd; maar over het
algemeen heeft men bij den bouw een vast type van kozijn, deur en trap,
enz. aangenomen. Honderden stuks werk van denzelfden vorm en dezelfde
afmetingen moeten door den werkman worden afgeleverd.
Dit heeft ten gevolge, dat het meeste timmerwerk kan worden verricht
door personen, die geen eigenlijke vakopleiding hebben gehad, maar in de
praktijk zijn groot geworden. Bovendien treedt ook op de betere werk
plaatsen de spoedige en goedkoope aflevering op den voorgrond en is de
werkman ook daar niet zeker, dat hij gedurende langer tijd dan een bepaald
werk zal duren, aan het werk wordt gehouden, hetgeen bij hem de liefde
tot zijn vak wel moet verminderen.
Die omstandigheden, die reeds voor den werkman ongunstig genoeg zijn,
worden nog slechter door het stijgend gebruik, dat de aannemers van timmer-
fabrieken maken. Welke beweeggronden de aannemers hiertoe leiden, hebben
wij reeds hiervoren uiteengezet.
-ocr page 22-
20
Even ongunstig als de timmerfabrieken voor den amsterdamschen timmer-
man zijn, is de invloed van de sweaterswinkels, waar in hoofdzaak jeugdige
krachten worden geëxploiteerd.
Iletstcenhou- Hot steenhouwersvak is in tegenstelling met hot timmervak, dat thans
dikwijls zonder werkplaats wordt uitgeoefend, een winkelvak. In verreweg
de meeste gevallen staat de steenhouwer tegenover zijn eigen patroon, niet
tegenover den aannemer of\' den bouwer. Een enkele maal bij een uitge-
breid werk, neemt de aannemer eigen steenhouwers in het werk zonder
tusschenkomst van eenen steenhouwers-patroon. Een overeenkomst met het
timmervak bestaat daarin, dat ook voor het steenhouwersvak eene bepaalde
opleiding noodig is. Daarenboven moeten zoowel de timmerman als de
steenhouwer voorzien zijn van eene uitgebreide collectie gereedschappen.
Tengevolge van de bouwbeweging is het vak hier ter stede belangrijk
vooruitgegaan. Moest men vroeger om witten steen te bewerken de werk-
lieden uit het buitenland laten komen, thans zijn amsterdamsehe werklieden
daarvan zoo goed op de hoogte, dat zij zelfs hunne diensten met vrucht in
het buitenland kunnen aanbieden. Toch verkeert het vak op het oogenblik
in kwijnenden toestand en hebben zij, die het beoefenen, veel met werk-
loosheid te kampen. De eigonbouwerij heeft weliswaar op dit vak geen
directen invloed kunnen uitoefenen, daar bij dien bouw weinig natuursteen
wordt verwerkt, maar do richting waarin zich het geheele bouwbedrijf
heeft bewogen, het overhaasten van het werk, het drukken der eenheids-
prijzen hebben ook voor dit vak ongunstige gevolgen gehad.
Van groot gewicht is hier het streven der bouwondernemers geweest om
te profiteeren van de lagere loonen, aan de groeven voor steenhouwerswerk
betaald, en van besparing op vrachtkosten van bewerkten steen. Het spreekt
van zelf, dat de invloed, dien de loop van zaken op dit bedrijf moet hebbeu
gehad, van denzelfden aard is goweest als wij bij de timmerlieden hebben
geschetst. Ook hier kan van liefde voor het vak, oehoudens zeer enkele
uitzonderingen bij artistiek werk, geen sprake zijn.
Het metsel vak Het metselvak te Amsterdam dateert eerst van de laatste stadsuitbreiding.
Voorheen kwamen de metselaars, indien een nieuwbouw werd ondernomen,
voor den tijd dat het werk duurde van elders (b. v. uit Brabant) en keerden
na afloop weder terug. De metselaarswinkels beperkten zich tot reparatie-
werk aan muren, riolen en schoorsteenen.
Over de vakkennis, vereischt voor den metselaar in den nieuwbouw, moet
in het algemeen niet licht worden gedacht. Het vak vereischt eenige kennis
van teekenen, een goed begrip van het samenstel van een huis en de onder-
deelen ervan en de kunst om den gebakken steen in bepaalde afmetingen en
vormen te hakken om aan het metselwerk een kunstvorm te geven.
De ontwikkeling van den bouw hier ter stede heeft er evenwel toe geleid,
dat minder eu minder bekwame metselaars hij den bouw van een huis noodig
werden. De timmerman zorgt voor de profielen, de steenbakkerij levert
tegenwoordig de steenen in alle gewensehte vormen, terwijl het voegen een
zelfstandig vak is geworden, dat door speciaal daarin bekwame werklieden
wordt uitgeoefend.
-ocr page 23-
21
Het metselen in den nieuwbouw is steeds een vak geweest, dat aan den
invloed van weer en wind bloot stond, en tengevolge daarvan onderscheidt
het zich van andere vakken door minder regelmatigheid. Aanhoudende regen
en vorst onderbreken den arbeid. Daarenboven wordt die onregelmatigheid
nog in de hand gewerkt door eene andere omstandigheid. Terwijl het bij
do aannemerij nog wel voorkomt, dat do metselaar zonder tusschenman te
werk wordt gesteld, treedt bij den revolutiebouw zoo goed als altijd de
metselaarsbaas op als aannemer van het metselwerk, soms met bijlevering
van het bouwmateriaal. De minder krachtige positie van zulk een baas is
de vermoedelijke oorzaak van het verschijnsel, dat do metselaar zien vrijer
en ongebondener gevoelt dan eenig ander werkman in de bouwvakken,
Concurrentie van de machine of van jongensexploitatie — het altijd drei-
gonde gevaar voor don timmerman — kent do metselaar niet. Vandaar dat
uit een economisch oogpunt zijne positie beter is dan van een werkman in
welk ander bouwvak ook.
liet stuka- Het stukadoorsvak omvat zoowel het gewone werk binnenshuis aan muren
doorsvak en plafonds als het buitenwerk aan gevels. Wat het plafondwerk betreft,
behoorde dit vak eenmaal tot de kunstvakken. De tijden echter, waarin
door den stukadoor die schoone plafonds werden vervaardigd, welke wij
in oude huizen nog kunnen bewonderen, zijn sedert lang voorbij. Het
maken van onze tegenwoordige zooveel eenvoudiger plafonds is niet eenmaal
geheel zijn werk. De modellen daarvoor toch worden op de stukadoorswerk-
plaatsen thans door speciale modelmakers of beeldhouwers vervaardigd of
van buiten ingevoerd. En de taak van den stukadoor op de werkplaats
bepaalt zich tot het maken van gietvormen en afgietsels. In den Interen
tijd heeft do algemoene neiging tot goedkooporo productie hem gedeeltelijk
ook dat werk uit de handen genomen; want zoo goed als alle ornamenten
voor den eigenbouw betrekt men thans uit de fabriek.
Ook in het stukadoorsvak doet zich het verschijnsel voor, dat in een-
zelfdo vak twee categorieën • van werklieden bestaan, die in bekwaamheid,
positie en opleiding verschillen. De stukadoors in den revolutiebouw behoeven
eene zeer geringe opleiding. Hunne bekwaamheid bestaat alleen in de kunst
van spoedig werken. Teneinde zooveel mogelijk te besparen, neemt de eigen-
bouwer dikwijls een stukadoor in dienst, wieu hij dan de noodige materialen
— meestal niet van de beste kwaliteit — verschaft en wien hij de vrijheid
laat door jongensarbeid de lage prijzen waarvoor hij het werk op zich heeft
genomen te compenseeren.
De stukadoor, in dienst van den grooten stukadoorsbaas, is van beter ge-
halte. Zijne opleiding had op de werkplaats plaats. Do materialen, waar-
mede hij werkt, zijn goed. En wat van hem gevorderd wordt, is in den
regel goed werk. Hiermede wil niet tevens gezegd zijn, dat hij meor ver-
dient dan do minder bekwame stukadoor in den eigenbouw.
Zijn positie echter is minder wisselvallig, evenals die van zijn patroon.
De belangrijke aanuomingswerken stellen dezen laatsten soms in staat om
een vrij groot aantal werklieden gedurende langoren tijd in het werk te houden.
-ocr page 24-
22
En houdt dan soms het werk in den nieuwbouw \'s winters op, dan kunnen
nog op do werkplaats ornamenten in voorraad worden gemaakt.
Witters Over dit vak kunnen wij kort zijn. Uit de verhooren is gebleken, dat
witwork slechts bij uitzondering in den drukken tijd door stukadoors wordt
\' verricht. Het witten is dan ook als afzonderlijk vak te beschouwen. Doch
doordat het uit den aard der zaak slechts gedurende een klein gedeelte van
het jaar wordt uitgeoefend, is het aan groote schommelingen onderhevig,
zoodat het aantal van hen, die er hun hoofdbedrijf van maken slechts zeer
gering kan zijn, en de meeste witters ook als opperman optreden of op
andere wijze bijverdiensten hebben. Wanneer de schoonmaaktijd gekomen
is, wordt het aantal hier gevestigde witters versterkt, behalve door eenige
van buiten komende krachten, door kleine neringdoenden en losse werklieden,
die voor eene wijle de witkwast hanteeren.
schilders- In do korte beschrijving van verschillende vakken, die hier voorafging,
*
              hebben wij reeds verscheidene bedrijven leeren kennen, waarvan de toestand
niet te prijzen viel. Maar in geen enkel bedrijf is de toestand zoo slecht
als in het schildersvak. In geen vak worden vroeger betore materialen
gebruikt dan daar on thans kan men dikwijls hot tegenovergesteld o waar-
nemen. Niet alleen in de materialen ziet men dien achteruitgang maar ook
in de wijze, waarop deze worden verwerkt.
Het aller treurigst is de toestand bij den rovolutiebouw, waar het schilder-
werk wordt uitbesteed aan kleine scherp concurreerende patroons, zeer vaak
zelfs aan werklieden, die als schildersbaasje optreden. Op alles moet daar
natuurlijk bezuinigd worden. De materialen, daarbij gebruikt, gelijken in
den regel dan ook in niets op de deugdelijke verfstoffen van vroeger ; het.
werk van den schilder, dat, opdat dit zoo goedkoop mogelijk zij, hem in
stukwerk wordt uitgegeven, komt hierop neer, die slechto materialen in den
kortst mogelijken tijd op het hout, op den muur of het plafond aan te bren-
gon. Voor dezen arbeid is dus slechts eene uiterst geringe vakbekwaamheid
noodig, welke jongens en personen die geen vak geleerd hebben in korten
tijd zich kunnen eigen maken.
Bij den beteren eigenbouw en de aannemerij zijn de toestanden gunstiger.
De materialen zijn beter en aan de afwerking wordt meer zorg besteed.
Somtijds wordt het schilderwerk hier in eigen beheer uitgevoerd, meestal
echter wordt het opgedragen aan burgerwinkels die zich meer op dat werk
zijn gaan toeleggen.
In deze burgerwinkels, in hoofdzaak werkende voor de reparatie en den
souden bouw, is de toestand van het vak het gunstigst. De kwaliteit van
het daar gebruikte materiaal is meestal voldoende, terwijl ook de wijze van
bewerking goed mag worden genoemd, al staat zij ook beneden het schilder-
werk van een vijftig jaar geleden. Nog altijd zijn voor het werk, dat hier
verricht wordt goed opgeleide krachten noodig.
Op den ouden burgerwinkel bostond meer kans om in den winter met
verfwrijvcn en stopverf maken aan het werk gehouden te worden dan thans
nu dat werk fabriekmatig geschiedt, en de goede werkman wiens plaats op
een burgerwinkel is, heeft dan ook alleen een vrij zeker bestaan wanneer
-ocr page 25-
2.3
hij behoort tot de kern van werklieden, dio or reeds lang zijn. Behoort hij
tot hen, die ofschoon deugdelijke werkkrachten, alleen in den drukken
tijd hier plaatsing kunnen vinden, dan loopt hij gevaar bij vermindering
van werk weggezonden te worden en is hij genoodzaakt elders, b. v. in den
revolutiebouw werk te zoeken. Hij behoort dan tot die groep welke door
de werklieden wordt aangeduid met den naam van burger-revolutie, en is
dan evenals degene, die alleen vlug met slecht materiaal weet te werken en
dus uitsluitend in den revolutiebouw terecht kan, niet alleen afhankelijk
van alle omstandigheden, die den revolutiebouw zoo wisselvallig en onregel-
matig maken, doch tevens heeft hij dan de concurrentie te vreezen van
werklieden, die zoo even de verfkwast hebben leeren hanteeren.
Oppcilieden Zoowel bij het metselwerk als bij dat der stukadoors zijn opperlieden
noodig, die de bouwmaterialen op de plaats van bewerking aanvoeren en de
kalk aanmengen. Met den nieuwbouw is het aantal opperlieden te Amster-
dam zeer belangrijk toegenomen. De kwaliteiten voor de beoefening van dit
vak vereischt, komen alleen neer op groote spierkracht, zoodat een jonge man
in dit vak spoediger in staat is het volle loon to verdienen dan in eenig ander.
Door zijne nauwe voeling mot het metselaars- en stukadoorsvak heeft het
vak van opperman van dezelfde onregelmatigheden te lijden als de zooeven-
genoemde. Als de metselaar niet werkt, dan wordt de opperman tot het
staken van den arbeid gedwongen en ook omgekeerd.
Van machinale concurrentie heeft het vak niet te lijden. Terwijl het in het
buitenland meer en meer gewoonte is geworden de bouwmaterialen mot stoom-
kracht op de bouwsteigers te brengen, wordt hiervoor nog meestal ten onzent
menschenarbeid gebruikt. De eenigo wijziging, die het vak door de machine
heeft ondergaan, ligt daarin, dat hier on daar op groote werken de metsel-
specie niet meer door den werkman, doch door cone machine wordt bereid.
Hciei-s
           Het heiersvak is een vak, dat slechts in enkele nederlandsche gemeenten
wordt uitgeoefend. Vandaar dat de amsterdamscho heicr nooit groote con-
currentie van vreemde werklieden te duchten had. Het heiersvak is in de
periode waarover hier gesproken wordt, gewijzigd, doch gelukkig op een
oogenblik, dat dit geen groote nadeelen bracht. Vroeger werd het heiblok-
met de handtouwen getild en bestond do ploeg uit 16 a 18 man behalve
den hoibaas en den spaakhouder. Thans is de ploeg slechts 5 il 6 man groot,
en bestaat uit heibaas, machinist, handelsman, twee koptouwgasten en een
jongen. De werklieden nu, die bij de invoering der stooinhei overbodig
werden, kondon vrij spoedig bij nieuwe heistellingen plaatsing vinden,
waarvan het gebruik door de uitbreiding van den bouw noodzakelijk was
geworden.
Sommige aannemers en de grootere heibazen bezitten hun eigen machines
en hebben dan meestal enkele ploegen heiers in vasten dienst, terwijl andore
ploegen geregeld door hen worden aangenomen, wanneer er work is. Kleinere
bazen, die meestal voor den rovolutiebouw werken, huren huuno machines
en nemen slechts volk aan wanneer zij werk hebben. Deze laatste wijze
van werken heeft de concurrentie zeer vergroot.
Gravers
          In tegenstelling met het hiervoren besproken vak, is het vak dor gravers geen
-ocr page 26-
24
specifiek amsterdamscb vak. Een goede dertig jaren geleden bezat Amster-
dam slechts enkele hier gevestigde grondwerkers. Op geregeld werk kon niet
worden gerekend. Was er hier of daar een groot werk te doen, dan kwamen
gewoonlijk polderjongens uit de zuidelijke provinciën, die gezamenlijk in
de keet van een putbaas huisden. Deze leverde hen voeding en ligging en
gereedschappen en hield de kosten daarvan af van het gezamenlijke loon
van allen, dat hij van den patroon in ontvangst nam. Vele dezer polder-
jongens hebben zich in den loop der jaren te Amsterdam gevestigd, waar
zij bij den nieuwbouw in dienst traden van do verschillende hei werkers-
patroons, aan wie door de eigenbouwers het geheele graaf- en fundeerings-
werk wordt uitbesteed.
De te Amsterdam gevestigde grondwerkers leven thans nog in voortdu-
rende vrees voor concurrentie van buiten Amsterdam woonachtige gravers.
Als grooto graafwerken uitbesteed worden, zijn het alleen vreemde firma\'s,
die daarvoor inschrijven kunnen. En nu ligt het voor de hand, dat die
vreemde firma\'s bij voorkeur ook vreemde grondwerkers medebrengen, met
wie zij reeds lang gewerkt hebben, die den naam hebben van lijdzamer te
zijn dan de amsterdamsche werklieden en bovendien met minder loon te-
vreden zijn. Deze wijze van doen wordt nog bevorderd door de omstandig-
heid, dat de putbazen bij hunne patroons erop aandringen om vreemde
gravers aan te nemen, daar alleen deze de keetgasten worden, waaraan
iet\'; te verdienen valt, terwijl de Amsterdammers bij hunne gezinnen wonen.
In do vorenstaande bespreking der verschillende bouwvakken werden de
voornaamste wijzigingen opgesomd, die het veranderde bouwbedrijf in den toe-
stand van de ambachtslieden heeft gebracht. Naarmate het commercieele doel
bij den bouw meer op den voorgrond trad, werd de toestand van het vak
en in zeker opzicht ook die van den werkman ongunstiger. Dit wil niet
zeggen, dat er niet meer degelijk gebouwd wordt, dat er geen bouwheeren
meer te vinden zijn, die uit welbegrepen eigenbelang meer prijs stellen op
goed dan op goedkoop werk. Nog altijd bestaan te Amsterdam firma\'s, die
zich op eerste-klasse-reparatiework toeleggen en die — zoo vaak solied
bouwwerk wordt verlangd — met de uitvoering daarvan worden belast,
firma\'s in alle vakken, die als het ware een schuilplaats zijn voor den vak-
werkman. Het is alleen te bejammeren, dat zij zoo weinig in aantal zijn.
Als norm bij den nieuwbouw moet echter de revolutiebouw en de scherp
concurreerende aanneinerij worden aangenomen.
Twoeongun- Wanneer wij nu den toestand van den werkman in den revolutiebouw en
stipe omstan- ^ sci,erp concurreerende aannomerij in het algemeen gaan beschouwen, dan
diühecloiivooi\'                  l                                       .           ....                       -, , , -,                    ,..,
denwpi-kmnn springen ons twee ongunstige wijzigingen van den toestand voornamelijk
in het oog.
In de eerste plaats heeft de neiging tot inkrimping der productiekosten
bij de bouwers den baud tusschen den patroon en den werkman verslapt.
De patroon neemt zijne werklieden voor niet langer dan den duur van een
-ocr page 27-
25
bepaald bouwwerk in dienst; is dit werk afgeloopen, dan moet de werkman
opnieuw werk zoeken.
Op deze wijze is langzamerhand eene vlottende bevolking ontstaan van
ambachtslieden, die elk oogenblik govaar loopen van werkloos te worden, die
in het geheel geen zekerheid hebben, dat hun handenarbeid voor hen zal zijn
een middel van bestaan. Staat het bouwbedrijf stil, dan moet de werkman
thans in de allereerste plaats de gevolgon daarvan dragen. En naarmate nu
de perioden van bedrijvigheid en stilstand in den bouw elkander spoediger
afwisselen, naar die zelfde mate is do onzekerheid van bestaan van den
werkman toegenomen. Na eene korte arbeidsperiode wordt dikwijls de werk-
man overbodig en is hij gedwongen ergens anders een heenkomoii te zoeken.
Juist dit laatste is niet gemakkelijk, omdat het veronderstelt, dat elders ver-
meerdering van arbeidskrachten gowenscht is. Doch ook, indien elders
werkelijk behoefte aan werkkrachten bestaat, dan houdt dikwijls gehechtheid
aan de stad van inwoning, aan familie en bekenden, van eene spoedige
verhuizing terug.
Een tweede ingrijpend gevolg van do wijziging van het bouwbedrijf op den
toestand van den werkman is de haast, waarmede hij werken moet en die
hem een deel van zijne goede kwaliteiten als vakman ontnomen heeft. Toen
de stadsuitbreiding begon, had de afschaffing van do betaling per schaft en
invoering van het uurloon juist plaats gevonden. De amsterdamsche werk-
man werkte nog langzaam en om daarin eenige verbetering aan te brengen,
ging men er hier en daar toe over het stukloon in te voeren, dat in den
aanvang berekend was naar den ruimen tijdsduur, dien de werklieden tot
nog toe gewoon waren geweest voor een bepaald werkstuk te gebruiken.
De concurrentie onder de werklieden zelf, door den grooten toevloed van
werklieden naar Amsterdam veroorzaakt, drukte allengs het stukloon naar
beneden. Immers bij de patroons bestond de verklaarbare neiging om een
werkstuk vervaardigd te krijgen voor een prijs, waarvoor een man in de
kracht van het leven het op de basis van het uurloon doen kon. Deze loop
van zaken moest noodzakelijk van den kant der werklieden een streven ten-
gevolge hebben om het uurloon zooveel mogelijk te doen stijgen en als
principe te doen aannemen, dat dit uurloon als minimum-loon zou gelden,
hetwelk ook bij stukwerk altijd zou behooren te worden uitbetaald.
Van dezen samenloop van omstandigheden was een eigenaardig economisch
verschijnsel het gevolg. Terwijl de standaardloonen sedert 1875 zeer be-
langrijk zijn gestegen, is het werkelijk verdiende loon even belangrijk gedaald.
De standaardloonen bedroegen tot het jaar 1875 13 a 14 cents por uur;
van 1875—79 17 a 18 cents per uur; van 1879—92 18 a 20 cents per uur
en na 1892 20 a 25 cents per uur. Eu de werkelijk verdiende loonen, die in de
gunstige jaren 1875—1880 /\' 25 a /\' 30 perweek hadden boloopen, bedragen thans
in den regel niet meer dan / 12 ii / 20. De eenheidsprijzen voor stukwerk zijn
zoo verlaagd, dat de meeste werklieden slechts weinig meer dan het standaard-
loon maken kunnen, terwijl vroeger loonen werden verdiend, die het standaard-
loon altijd zeer belangrijk overtroffen. Voor eene juiste appreciatie ^an dit
verschijnsel moet men tevens in aanmerking nemen, dat de werkdag sedert
-ocr page 28-
26
1875 in niet geringe mate is verkort. De werkdag was omstreeks 1879 nog
12 uur en langer en bedraagt thans niet meer dan 11 uur. Het hing geheel van
het economisch overwicht van werkgevers of werklieden af, of het werkelijk
vordiende loon de grens van het minimum-uurloon naderde of zich daarboven
aanmerkelijk verhief. Het tegenwoordig betaalde uurloon regelt zich dan ook
niet naar de waarde van den vakarbeid, die thans van den werkman wordt
verlangd, maar is het gevolg van min of meer gunstige omstandigheden, die
eene algemeene verhooging van hot uurloon in een bepaald vak gedoogden.
Als bewijs van de laatste stelling moge dienen, dat de gemeente Amsterdam
een gelijk minimum-tarief heeft gesteld voor schilders, metselaars en tim-
merlieden, welk tarief bij de invoering verband hield met de toen bestaande
toestanden. De praktijk van thans maakt tusschen die werklieden een groot
onderscheid. Kan bij stukloon het uurloon van den metselaar gesteld worden
op ongeveer 30 cents, en dat van den timmerman op ongeveer 25 cents,
dan is daartegenover het loon van den schilder niet hooger dan 22 cents.
Doch niet alleen tusschen de verschillende vakken bestaat een vrij groot
onderscheid met betrekking tot het loon, ook in eenzelfde vak loopen de door
stukloon werkelijk verdiende loonen zeer uiteen. Uit den aard kunnen op die
werken hoogere loonen worden verdiend, waar minder op de uitvoering wordt
toegezien, reden waarom daar, waar het beste wordt gewerkt en dus het langst
over een bepaald werkstuk wordt gedaan, meestal niet het hoogste loon
wordt verkregen. Deze omstandigheid heeft dikwijls den bekwamen werkman
verleid om beter betaald werk van veel geringer kwaliteit bij den revolutie-
bouwer te zoeken.
Zoowel bij de aannemers als bij de eigenbouwers heeft het stukloon
ingang gevonden, maar bij beide niet in dezelfdo mate. Onder de aan-
nemers wordon er govonden, dio aan een vast uurloon (met of zonder bijslag
op het einde der week) do voorkeur geven. De revoluticbouwers daarentegen
kennen uitsluitend stukloon. Nergens komen de aan dit stelsel verbonden
nadeden dan ook zoo duidelijk uit als in den revolutiebouw. Do kwaliteit van
het werk staat daar geheel op den achtergrond. Om daarover te kunnen
oordoelen, ontbreekt bet den revolutiebouwer in vele gevallen aan vakkennis.
Bovendien drijft zijn belang hem niet om op de kwaliteit van hot werk
toezicht te houden.
De aanvankelijke voordeelen van het stukloon voor den werkman ver
anderden dus spoedig te zijnen nadeele. Het noodzaakte hem tot grooter
inspanning, terwijl hij zijne belooning niet evenredig zag stijgen. Het is
in vele gevallen zelfs moeilijk geworden om met inspanning >ran alle krachten
het geldende uurloon te bereiken.
Daardoor is in vele werkliedenkringen eene oppositie tegen het stukwerk
ontstaan en wordt op afschaffing daarvan aangedrongen als de oorzaak van
vele der bestaande misstanden.
Onze Commissie acht die beschouwing juist, in zoover als stukwerk zonder
deskundige controle door den werkgever er toe leidt het werk op eene wijze
te verrichten, dio de vakbekwaamheid van den werkman bijna geheel doet
verloren gaan. Dat echter uitsluitende toepassing van het uurloon den werk-
-ocr page 29-
27
man financieel voordeelig zou zijn, kan niet worden toegestemd, aangezien
deze afschaffing in de gevallen, waar zij is toegepast, meestal heeft geleid
tot een fooienstelsel dat den werkman geheel van de persoonlijke opvatting
van patroon of onderbaas afhankelijk maakt.
Misschien ware eene oplossing te vinden in de richting eener tarifeering
der meest voorkomende werkzaamheden. Het is echter niet te ontkennen,
dat de groote verscheidenheid der werkzaamheden en de invloed, dien
de wijze van bewerking op den benoodigden tijd uitoefent, aan het vast-
stellen van zulk een algemeen geldende tarifeering groote bezwaren in den
weg leggen.
Du werktijd Het stukloon had den arbeider tot de grootste inspanning aangezet en was
dikwijls in de drukste jaren der stadsuitbreiding de oorzaak geweest van
lange werkdagen, waarin de arbeider hooge loonen maken kon. Langzamer-
hand leerde men echter ook de nadeelen van den langon arbeidsdag kennen
en ontstond bij de werklieden zelf een streven den arbeidsduur aan banden
te leggen. Zoo daalde langzamerhand de arbeidsdag van 12 uren met
veel overwerk tot een van 11 uren waarbij slechts zelden overwerk
voorkomt. En ook thans is de propaganda der vakvereenigingen voor
een nog korteren arbeidsdag niet geëindigd. Op dit oogenblik, nu de toe-
standen in do bouwbedrijven niet\' gunstig zijn, en nog een betrekkelijk groot
aantal werklieden werkloos is, hebben de vakvereenigingen met eene ver-
korting van den arbeidsduur tevens do bedoeling om het aanwezige werk
aan meer werklieden ten goede te laten komen.
Eene uitbreiding van personeel evenwel laat de beperkte ruimte van de
werkplaatsen in de stad moeilijk toe, terwijl bij de aannemers een zekere
tegenzin bestaat het aantal vertrouwde werklieden te vermeerderen met per-
sonen, die zij niet zoo goed kennen. Tn den speculatiebouw gaat dergelijke
tegenstand niet van den patroon uit, aangezien deze zich in de meeste ge-
vallen neerlegt bij de tijdsregeling, door de werklieden zelf vastgesteld.
Bij dien bouw zou dus zonder groote bezwaren verkorting van den
arbeidsdag kunnen ingevoerd worden met het gevolg, dat tewei-kstelling
van een grooter aantal werklieden noodig zou worden. Want grooter inten-
siteit van den arbeid zal door de verkorting van den arbeidsdag hier niet
veroorzaakt worden, waar die intensiteit thans reeds een zoo hoog punt heeft
bereikt.
Hetaaimeinen Het aannemen van werkvolk geschiedt altijd nog op dezelfde wijze als
van werkvolk vroeger. De werklieden, waarmede de aannemer vroeger heeft gewerkt en
wier bekwaamheid hij kent, komen voor plaatsing in aanmerking, zoodra
hij weer een nieuw werk aanneemt. Uit de couranten vernemen de werk-
lioden den uitslag der aanbesteding en zij melden zich dan bij den ouden
patroon aan.
Heeft men meer werkkrachten noodig, dan zich persoonlijk hebben aan-
gemeld, dan worden de ontbrekende werklieden gemakkelijk gerecruteerd
op de aannemers-sociëteit, waarvan alle of bijna alle aannemers lid zijn.
Het komt ook herhaaldelijk voor, dat tegen het tijdstip, waarop een werk
ten einde loopt, do aannemer voor zijne werklieden plaatsing zoekt bij een
-ocr page 30-
28
collega, die een nieuw werk heeft aangenomen. Die persoonlijke informaties
van zijne collega\'s zijn voor den aannemer verkieslijker dan de eenvoudige
inlichtingen van eene arbeidsbeurs. Vandaar, dat eene arbeidsbeurs, althans
eene die zich over alle vakken uitstrekt, steeds groote moeite zal hebben
om het terrein harer werkzaamheid in belangrijke mate uit te breiden over
de plaatsing van do werklieden bij de aannemers.
Voor den kleinen baas, die voor den eigenbouw werkt, of voor den eigen-
bouwer, die zelf zijne werklieden aanneemt, staat natuurlijk de zooeven
beschrevene voor de aannemers bestaande weg niet open. Hunne keuze is
uit den aard der zaak beperkt tot de werklieden, die zich bij hen om werk
aanmelden of die zij kennen.
De werkman wordt in het zoeken naar werk eenigszins geholpen door de
registers, welke enkele vakvereenigingen aanhouden en welke dienen
moeten om hare leden zoo spoedig mogelijk in te lichten, waar arbeids-
krachten gevraagd worden.
Uitbetaling
Al werden nog misstanden in do wijze van uitbetaling der loonen gecon-
iI.t ldonen stuteerd, toch bleek hierin over het algemeen oenige verbetering te zijn ge-
komen. Terwijl het toch vroeger geen zeldzaamheid was, dat de uitbetaling
plaats vond in een herberg, of dat het loon van een groep werklieden in
bankpapier aan een hunner werd uitbetaald en zij zelf voor de onder-
linge verdeeling daarvan moesten zorg dragen, is hierin gaandeweg verbe-
tering gekomen naarmate de overtuiging doordrong, dat de werkman op
deze wijze aan oen sterke verleiding werd bloot gesteld. De gemeentelijke
voorschriften, volgens welke hot geheelo loon op het werk zelf, man voor
man, moet worden uitbetaald, hebben in dezen eene onmiskenbaar gunstige
werking gehad, daar zij ook op particuliere werken navolging gevonden
hebben, voornamelijk voor die werklieden, die direct onder den aannemer
of patroon werken.
Nog altijd evenwel bestaat do oude, afgekeurde praktijk voor metselaars,
opperlieden on hciers, bij onderaanneiningswerken en vooral bij do revolutie-
bouwers, die dikwijls eerst op het laatste oogenblik do voorschotten
ontvangen, die hen tot betaling in staat stellen. Wat de beiers betreft,
werd ons medegedeeld dat zij, ook op sommige gemeentewerken, alleen
het uurloon man voor man uitbetaald krijgen, terwijl het oververdiende
in één bedrag wordt uitgekeerd, hetgeen oudergewoonte in de herberg
wordt verdeeld.
Opleiding.        Na hetgeen hierboven over het bouwhandwerk in \'t algemeen werd mede-
gedeeld volgt als van zelf, dat de praktijk, hetzij op den winkel, hetzij op
het bouwwerk, slechts in hoogst enkele gevallen in staat is om degelijke
vakwerklieden te vormen. Het stelsel van stukwerk, waaronder de werk-
lieden arbeiden, laat niet toe, dat er tijd wordt besteed aan het onderricht
van jongelieden. Deze zullen hunne kennis van het vak alloen door afzien
hebben op te doen, terwijl zij dan \'s avonds op do teekenscholen de zoo
wenschelijke vaardigheid in het teekenen kunnen verkrijgen. Op de grootere
werkplaatsen worden echter in den regel niet gaarne jongens opgenomen.
De eenige plaatsen, waar de jongens gemakkelijk plaatsing vinden, zijn de
-ocr page 31-
2!)
sweaterswinkels en het sterk concurreerend schilders- en stukadoorswerk.
En daar juist wordt van hen meestal een arbeid gevorderd, die boven hunne
krachten gaat.
De geringe gelegenheid tot opleiding op de werkplaats zou een druk
gebruik van de ambachtschool wenschclijk maken. Over het algemeen zal
echter de taak dezer school beperkt blijven tot de theoretische opleiding, nl.
in dien zin, dat de jongen na het verlaten der school zich door samen
te werken met bekwame en geroutineerde werklieden verder heeft te vormen.
Gelukt hem dit niet en komt hij derhalve in den revolutiebouw terecht, dan
zal hij allicht op den duur de mindere worden van hem, die op eene
goede werkplaats groot geworden, zijne theoretische kennis heeft aangevuld
op de avondteekenschool.
Uit de jongens, die zonder voorbereiding dadelijk in den revolutiebouw
komen, kunnen zelden bekwame werklieden groeien, omdat de kwaliteit van
het daar geleverde werk dit zeer bemoeilijkt.
Veiligheid op Wat de veiligheid betreft, moet wederom onderscheid gemaakt worden
het werk tussehen de groote aannemerij en den overigen nieuwbouw. Omtrent de vei-
ligheid bij do aannemerij hoorden wij weinig klachten. De aannemer zorgt
zelf voor het steigerhout en heeft speciale steigormakers in dienst, zoodat
daar de steigers met de noodige voorzichtigheid en kennis worden gemaakt.
Het klimmateriaal wordt verder geregeld in den winter aan inspectie onder-
worpen, zoodat geheime gebreken niet onontdekt blijven.
Bij den overigen bouw is de toestand ongunstiger. Daar levert de metse-
laarsbaas het steigerhout, waarvan hij in den regel niet ruim voorzien is, terwijl
het steigermaken aan de metselaars en opperlieden is toevertrouwd, die het
werk zonder bijzondere betaling moeten verrichten. Gebrek aan materiaal is daar
bovendien oorzaak, dat eene tijdelijke afdekking der verdiepingen ontbreekt,
waardoor grooter gevaar voor vallen ontstaat en het mogelijk wordt, dat
de werklieden getroffen worden door vallende gereedschappen. Ook de
heistellingen van de kleinere heibazen, die door den eigenbouw gebruikt
worden, laten dikwijls te wenschen over.
De politieverordening van Amsterdam bevat in Hoofdstuk IX bepalingen,
die de veiligheid voor do werklieden bij bouwwerken moeten waar-
borgen. Sedert 1 Januari 1898 werkt art. 19 (sub 27—31) van het
Koninklijk besluit van 7 Dec. 1896 (SM. 215), ter uitvoering van de Veilig-
heidswet in dezelfde richting, ten aanzien van alle open en besloten werk-
plaatsen, waar meer dan tien personen arbeid verrichten of een krachtwerktuig
wordt gebruikt. Wordt derhalve aan de verordening en den algemeenen
maatregel van bestuur nauwkeurig de hand gehouden, dan zal het mogelijk
zijn vele der genoemde misstanden bij den eigenbouw uit den weg te ruimen.
De verzekering van werklieden tegen ongelukken is vrij algemeen voor
werklieden, die bij de groote aannemers werken. Zij ontbreekt geheel bij
den eigenbouw. Waar zij bestaat, geschiedt zij door den patroon geheel op
eigen kosten. Naast de binnen- en buitenlandsche maatschappijen, die op
dit gebied ook in de overige steden van Nederland werken, arbeidt
nog speciaal te Amsterdam de vereeniging „Amstel\'s bouwkring". Eene
-ocr page 32-
30
klacht tegen de meeste dezer verzckerings- contracten is deze, dat na een
ongeluk de uitkeering slechts plaats vindt naar uitwendige kenteekenen,
als verlies van ledematen enz., en dus zelfs het verlies van do geschiktheid
tot het uitoefenen van het vak door het ongeluk niet steeds tot eene
uitkeering leidt, waaraan tocli in zulke gevallen wel behoefte bestaat.
Do werkIie- De verzekering tot uitkeering bij ziekte mag men vrij algemeen noemen.
deiiverzeko- £ij g,vat meestal van den werkman zelf uit, hoewel sommige patroons hun
i [wr                 .                    .                                                                                                              .
invloed uitoefenen, opdat door hun personeel daarvan gebruik gemaakt worde.
Ook met doze verzekering houdt de vereeniging //Amstel\'s Bouwkring" zich
bezig. Haar ziekenfonds levert den werkman een voordeel boven de andere
fondsen. De patroon, die van deze vereeniging lid is, betaalt namelijk een
toeslag van 0,025 per week op de wekelijksche premie van 10 cents, die
door den werkman moet gestort worden. De zieken-uitkeering bedraagt
f 1.— per dag en wordt door den patroon uit eigen kas betaald, evenals
deze de contributie ontvangt en in eigen kas stort. Periodiek verrekent de
patroon zijne ontvangsten en uitgaven voor dit doel met zijne medeleden.
Verlaat vervolgens een werkman zijnen patroon, die lid is van het zieken-
fonds van Amsters Bouwkring, dan kan hij, zoolang hij werkloos is, bij dit
fonds verzekerd blijven, indien hij wekelijks de volle premie a /\' 0,126 aan zijn
ouden patroon betaalt. Deze blijft dan voor de ziekenuitkeering aansprakelijk.
Ook aan enkele vakvereenigingen zijn te Amsterdam fondsen verbonden
ter uitkeering bij ongelukken of bij ziekte en tot verzekering van de ge-
gereedschappen van den werkman tegen brandschade.
Itesumtic         Uit het voorgaande blijkt, dat hoewel de bouwvakken uit den aard dei-
zaak tot de bedrijven behooren, die het meest in staat zijn zich lokaal te
ontwikkelen, deze ontwikkeling te Amsterdam toch ongeveer hetzelfde beeld
vertoont, dat ook uit andere groote steden bekend is.
Groote concurrentie zoowel tusschen de patroons onderling als tusschen
de werklieden, heeft er toe geleid, aan de productie, wat spoed en geringen
prijs aangaat, steeds hooger eischen te stellen, waardoor de degelijkheid in
de uitvoering steeds achteruitging. Die invloeden hebben zich voornamelijk
doen gelden bij den eigenbouw, die door het betrekkelijk groote aantal werk-
lieden, hetwelk daarbij gedurende jaren werk vond van grooten invloed is
geweest op de geheele ontwikkeling der bouwvakken.
Van den aanvang der stadsuitbreiding af heeft het stukwerk-steliel steeds
grooteren omvang aangenomen, met dat gevolg, dat al spoedig bij langen
werktijd hoogo loonen konden worden gemaakt, waardoor vele werklieden
van buiten naar Amsterdam werden aangetrokken. De zeer geringe invloed,
dien de patroons op de zich onmisbaar voelende werklieden konden uit-
oefenen, gaf aanleiding tot groote onregelmatigheid bij het werk, tot Maan-
daghouden en daarnaast tot een dikwijls overmatig langen arbeidsduur
gedurende de overige dagen der week.
Toen de bouwwoede eenigszins verminderde, waren de werklieden gedwongen
zich met lagere stukwerkprijzeu tevreden te stellen; zij trachtten toen
door regelmatiger te werken en het maken van den grootsteu spoed bij de
-ocr page 33-
81
uitvoering hunne weekloonen te houden op het vroegere peil, waarnaar zij
hunnen levensstandaard hadden ingericht. De drang tot spoed gaf aan den
eenen kant aanleiding tot eene verbeterde werkwijze, maar was aan den
anderen kant oorzaak van den sehromelijken achteruitgang van de kwaliteit
van het werk, die nog in de hand werd gewerkt door de omstandigheid, dat vele
eigenbouwers niet in staat waren de hoedanigheid van het werk te be-
oordeelen.
De verlaging van de eischen, die aan het werk gesteld werden, deed de
vakbekwaamheid van den werkman verminderen en maakte het te werk
stellen van onvolwassen en halfbekwame krachten mogelijk, terwijl aan den
anderen kant de spoed bij het werk den meesten werklieden, die eenigszins
op jaren komen en dus niet meer mot volle kracht kunnen arbeiden, het
vinden van werk zeer bemoeilijkt.
Niettegenstaande den achteruitgang in\'schier alle vakken bleef de belooning
van den werkman betrekkelijk hoog, hooger althans dan in allo andere steden
van Nederland, dank zij den invloed der amsterdamsche vakvereeni-
gingen. Maar daardoor bleef\' de hoofdstad to moer oen aantrokkiiigspunt
voor werklieden uit plaatsen, die met Amsterdam belangrijk in loon verschillen.
Ten slotte moot nog gewezen worden op een eveneens ingrijpend gevolg
van de veranderingen in het bouwbedrijf\' voor den werkman, nl. op het altijd
dreigende govaar dor werkloosheid.
De concurrentie onder de aannemers heeft het voor hen onmogelijk ge-
maakt den werkman eenige zekerheid te geven, langer aan het werk te
worden gehouden dan een bepaald bouwwerk duurt. En daarnaast is de
eigenbouw aan gestadige schommelingen onderhevig, schommelingen, die
veelal te wijten zijn aan de omstandigheid, of\' de credietmaatschappijen een
grooter of kleiner kapitaal tot plaatsing aanbieden. Dit geeft aan het bestaan
van den werkman eene onzekerheid, die hem de liefde voor zijn vak ontneemt,
welke voor een goede uitoefening daarvan noodig is. De gevolgen van de
werkloosheid zijn voor hem van den meest belangrijken aard. De verdiensten
gedurende de afgeloopen periode van werkzaamheid laten niet voel gelegenheid
tot sparen over. En wat dan is overgespaard, is slechts voldoende om
daarvan eenige weken te leven. Een ander vak te gaan uitoofenen — zooals
vroeger dikwijls gebeurde —■ is thans moeilijk, omdat daarin meestal reeds
een overvloed van werkkrachten aanwezig is. De eenige overschietende
middelen om gedurende den tijd der werkloosheid met het gezin te leven,
zijn het crediet en de liefdadigheid. Het eerste doet hem in den winter
reeds beschikken over het loon, dat hij in het voorjaar nog ontvangen moet
en het tweede middel kan niet nalaten op den duur een demoraliseereuden
invloed uit te oefenen.
Wat de verzekering tegen werkloosheid betreft, heeft de commissie ge-
durende de verhooren, de overtuiging opgedaan, dat over dat denkbeeld niet
rijpelijk was gedacht. Zij vernam van niemand eene besliste meening over
de wijze, waarop eene dergelijke verzekering zou kunnen worden tot stand
gebracht. Zelfs werd het belang der verzekering slechts zelden beseft.
-ocr page 34-
32
Middelen ter De Commissie heeft zich de vraag gesteld, op welke wijze eenige ver-
fe betering in de geschetste toestanden zou te brengen zijn.
Om de zekerheid te hebben, dat telkens in de vraag naar werkkrachten
op voldoende wijze wordt voorzien, is dikwijls de arbeidsbeurs aanbevolen.
Uit hetgeen de Commissie van de gehoorde getuigen vernam, bleek haar
niet, dat patroons of werklieden in de bouwvakken van eene dergelijke in-
stelling veel verwachten. Door de vele werklieden zelf werd zeer beslist de
voorkeur gegeven aan een bureau tot aanwijzing van werk, dat zich zou
moeten beperken tot een enkel vak of eenige nauw verwante vakken en ver-
bonden zou moeten zijn aan de vakvereenigingen met vertakkingen in de
andere steden. Doch welke meening de getuigen ook toegedaan zijn, het
staat vast, dat eene arbeidsbeurs tegen de gevolgen van de onregelmatigheid
in den bouw zeer weinig vermag.
Wat de verzekering tegen werkloosheid aangaat, is de Commissie overtuigd,
dat de oprichting van eene algemeene verzekeringskas, waarin elke werkman
zich vrijelijk zou kunnen verzekeren, blijkens de in het buitenland opgedane
ervaring eene onmogelijkheid is. Want van den aanvang af zou zulk eene
kas het allermeest de slechtere risico\'s tot zich trekken, hetgeen de premie
zou doen stijgen tot eene hoogte, die voor de beurs van den werkman onbe-
reikbaar is. Eene andere vraag is, of deze wijze van verzekering niet mogelijk
is voor een beperkten kring van vakgenooten, die elkander genoegzaam
kennen en die daardoor kunnen waken tegen de toelating van al te slechte
risico\'s. Ook deze verzekering, die derhalve de gevolgen der werkloosheid
alleen zou kunnen verzachten voor een klein aantal personen, behoeft onzes
inziens nog eene vrij gecompliceerde organisatie, waartoe de amsterdamsche
werkman in den regel nog niet rijp is.
Mogen de genoemde middelen weinig tot het gewenschte doel bijdragen,
dan zou echter onzes inziens veel goeds bewerkt worden door de verbetering
van de aannemerij en vooral door de beperking van den revolutiebouw.
De opleveringstermijnen bij de aanbestedingen zouden een weinig langer
moeten worden gesteld en tevens zou bij de keuze van den aannemer onder
de inschrijvers niet enkel moeten worden gelet op de hoogte van de inschrij-
vingssom, maar daarnaast op de wijze, waarop de aannemer het werk zou
willen uitvoeren. Het zou met het oog op dit laatste punt wenschelijk zijn, dat
tusschen patroonsvereenigingen en vakorganisaties overleg werd gepleegd om
te komen tot de vaststelling van uitgewerkte standaardtarieven voor stukwerk,
welke dan in de bestekken van kracht moeten verklaard worden.
Ten opzichte van den eigenbouw zou wellicht eenige verbetering vorkregen
worden, wanneer de de bevoegdheid van het bouwtoezicht tot afkeuring van
ondeugdelijk materiaal en onvoldoende hulpmiddelen werd uitgebreid. In
dat geval zou ook eene uitbreiding van het personeel niet mogen achter-
wege blijven.
Aan grondige verbetering is echter niet te denken, zoolang de eigenbouw
in handen is van onbemiddelde bouwers, die uitsluitend steunen op het
bouwcrediet, hun door de hypotheekmaatschappijen verschaft.
-ocr page 35-
83
Daarom zou het wenschelijk zijn, dat de nieuwbouw langzamerhand aan
de handen van don eigenbouwcr werd onttrokken door groote bouwmaat-
schappijen, die zich ten doel zouden moeten stellen niet alleen woningen te
bouwen, maar ook de door haar gebouwde woningen zelf te exploiteeren.
Deze zouden er belang bij hebben, dat de nieuwbouw zich meer dan tot nog
toe aanpaste aan de behoefte aan woningen. Zij zouden zich spoedig het
kapitaal zien toevloeien, dat thans aan de hypotheekbanken wordt toever-
trouwd. En do gemeente zou het in hare band hebben bij de uitgifte van
terrein in erfpacht die bepalingen te maken, waardoor zij zekerheid kan ver-
krijgen, dat de bouwer ook tevens de eigenaar zal blijven.
Het komt ons voor, dut alle pogingen moeten worden gesteund, die tot de
oprichting van dergelijke bouwmaatschappijen kunnen leiden. Want alleen dan,
wanneer de waarborgen aanwezig zijn, dat het eigenbelang den bouwer brengt
tot den bouw van zulk een aantal solide woningen, als de woningsmarkt werkelijk
vraagt, is e)- kans dat de bouw verbetert en de overhaasting bij den arbeid
met al hare nadeelige gevolgen verdwijnt en dat er ten slotte in de stads-
uitbreiding meer regelmaat komt, die een eerste vereischte is voor do be-
staanszekerheid van den amsterdamschen werkman.
-ocr page 36-
-ocr page 37-
85
Bijlage A
OVERZICHT van de resultaten der telling van dewerklooze
Timmerlieden, gehouden op 11 November 1897
In de eerste tabel wordt medegedeeld het aantal buis- en scheopstimmer-
liedcn, dat zich bij een der drie bureaux van de commissie aanmeldde, ver-
deeld over vijf leeftijdsgroepen.
Tnltel 1
Leeftijd der werklooze Timmerlieden
!
II nis- Rcli»pps-
LEEFTIJ l>
timmerlieden timmerlieden
S;t me il
25—39 „ ......
40—54 „ ......
55—64 „ ......
65 en meer......
2:5 7.5 pCt.
fi7 21.7 „
128 40.0 ,;
7:! 2:5.7 „
22 7.1 „
5 11.6 pCt.
!> 20.0 „
1!» 44.2 „
10 2:3.:? „
2:5 fi.5 pCt.
72 20.4 „
132 .\'37.4 „
92 2fi.0 „
32 0.1 „
2 0.6 //
413 100 pCt.
358 100 pCt.
Uit deze tabel blijkt, dat bij de hiiistimmerlieden het grootste werkloozen-
percentage zich voordeed in de leeftijdsgroep van 40—54 jaar, terwijl het
grootste percentage der schccpstimmcrlieden in de andere leeftijdsgroep van
55—04 jaar voorkwam. Dit laatste verschijnsel is daaruit verklaarbaar, dat
in de laatste twintig jaren bijna geen werklieden tot schecpstimmerlicden
zijn opgeleid. De scheepsbeschieters hebben zich bij de telling onder de
lmistinnnerlieden gerekend.
In tabel 2 wordt de burgerlijke slaat der werkloozen en het aantal hunner
inwonende kinderen beneden 16 jaar medegedeeld.
Tabel 2
Burgerlijke staat der werkloozen en het aantal hunner
inwonende kindeken
Mei.
Met
Mei
Met
Mol
Met (>
1
\'2
:s
i
K
in meer
kind
kind.
kimt.
kind.
kind.
kind.
Zonrlcr
kindc-
1VI1
Totaal
:3fi
_
86
108
4!»
44
38
25
21
21
301
7
2
—
1
2
—
—
12
2
2
15:5
51
44
34
27
21
21
351
Ongehuwd. . .
Gehuwd.....
Weduwnaars.
Gescheiden . .
Totaal. .
-ocr page 38-
86
Onder kinderen worden verstaan inwonende kinderen onder 16 jaar.
Van de 351 personen, bekend op het Bevolkingsregister, waren 801 gehuwd.
Bijna 44 percent hadden geene inwonende kinderen lot hun last, terwijl meer
dan 29 percent drie ot\' meer kinderen hadden.
In tahel 8 is de tijd der vestiging te Amsterdam opgenomen.
Tabel :i
Tijd van vestiging
Gevestigd te Amsterdam vóór 1 Januari 1892 . . .
Bij do annexatie van Nieuwer-Anistcl ......
Uit andere gemeenten sedert 1892........
Onbekend ...................
Totaal
296
22
33
2
353
Bijna 84 percent der werkloozcn waren geboren Amsterdammers o 1\'hadden
zich alhier vóór 1 Januari 1892 gevestigd.
Tabel 4 bevat gegevens omtrent den duur der werkloosheid in verband
met den leeftijd der werkloozcn.
Tabel 4
Duur der wkrki.ooshf.id in verband met den leeftijd der wehki.oozen.
^!s;s!a\'S!2:s
M
P CO \'-* <M
B * I          I
LEEFTIJD
<N co •>* >o
(^ <N CO H
I_________l !^ ^
4 I 4— 6
i i i
23
72
132
92
32
tot 24 jaar ....
25—39 jaar . . .
40—54 jaar .. .
55—64 jaar ...
65 jaar en meer
Totaal. .
1i-
15
11    11 725
|
12    14154421
lil
6 10! 318 21
9
10
7
3! 2 2
1 1
1\'— 1\'----
3 ! 2 —
8
36 4125 96 73 21
171 5
3 2, 1 2- II 1
27
(»"/.,
351
102 29" „i109 « Ut"/,
148%
13 4 7»
Uit deze tabel blijkt dat van 100 werkloozcn:
(5 werkloos waren langer dan óón   jaar
4 ii             ,i          i, i, ,i     halfjaar.
13 ;/             ii          ii ii ii     drie maanden
48        ii              n          i, i, „     een maand
29 „              n          „ i, „    twee weken.
-ocr page 39-
37
Eene werkloosheid van langer dan vijf maanden kwam hoofdzakelijk voor
bij de werklieden, onder dan 54 jaar.
Van het grootste aantal of 48 pCt. duurde de werkloosheid op den datum
der telling langer dan 1 maand en korter dan 3 maanden. Deze hadden
dus allen in den zomer werk gehad ; ook omstreeks medio October was een
groot aantal werkloos geworden, namelijk 29 percent. Men mag dus aan-
nomen, dat 77 percent der personen, die zich aanmeldden, door den zeer
oiigunstigen stand van den oigonbouw in het vorige jaar vroeger dan anders
uit den arbeid waren gestooten.
-ocr page 40-
■f. -
ur
=- =
o
= =
9 2- •
»2 c
^
!l
c
i f >
o
5 £
»j»
^ ~
o o 4
" s
ir -■
=,12
1-5 =■
c
CD g
? 2. 7
2.7 ?
53
o«„ n"
o,. -
O \' -r
^
— 3-. n<
— -11 —
g "iï h-
K"
^_J
2 *J". t
1 = t\'
H
i 1 *■
H
11 w
o_*
— • *i
p"
\'^ \' ?r
?
f; f
--;
os\'. jj.
h**
X
2
; ; |
; ; 1
. . 7\'
. . 7\'
. . 7-
-----------------------------■--
—*^~
ro
o
l-i —
^i oo
•j*
SS
ro
o
Is :
X
«•
ii *-
—
X 05
ro
li U
IO
li ~
O)
05 —
— *-
IO
li Z
0\'
—
CO
bc :£
05 00 !
én
en o
N)
O
li —
O\' O\'
1
05 —
— *-
o
II
li
IO
O
-l O
■o
co
li ©
ro
IO
o
SS
"-"
ro
l* —
© oi
l-i
co
— ~
© 01
o
- —
ro
ro
.i.
ro
*>
05 —
ro
■o -S
00
05 O\'
o
1
•** O\'
en
li *~
o
© o
Tl
ro
ti ^f-
Z
05 —
ro
li v:
»
co
v©\'
£©\'
o
o
§ is
ti
1
ro
ti ^
01
ro
05 ->■
i~ ©
ro
co
Is
JJ-
S
CO
ii êfi
*■
;s o<
co
ro
ro
li O
"S
ro
l-i N^-
en
05 n-
co
ro
o
C5
\'en
— 1-*.
o
— h_
co
O X
KI
li —
ro
■—. -i-
co
~l X.
Ol
00 —
ro
li O
00 X
en
00 li
\'l
,1 *°__
co
00 C.
ro
li O
--------
^
ro
10
li i-i-
en
00 —
05 X
Ol
05 li
li
«
co
00 O\'
■si
^1 O
*■
O ^>
ro
ro
li >^-
en
05 —
IS
Ni" Mi-
li O
_-» ^1
en
*« li
o
ro
ro
li X
li —-
-1 UI
co
© OC
co
01 *>
Cn
S^ •i"
g
Ni- Ni*
li ©
li
O
00 ©
en
*• li
©
1
\'~ bc
X 05
co
Ol *■
ro
ti ~
^1 Ci
co
ro
ro
en
Ss
li
vi
\'ti \'—
*.
© 01
co
Ol *»
ro
li —
© Cl
è
coS
ro
ro
VI
si
co
00 \'~J
VI
Ut LO
VI
O -J
►iN
(**
ro
li -^
© *■■*
ê
SS
N
Ü3
£3
©
rs
ro
b\' ei
co
^- 555
VI
ro
O ^1
CD
li n^
?\' r"
È
E ïï
ro
VI
SS
li
05
CO
© "-1
O ►>■
VI
i
© \'4
SI
05
©
VI
ti
è
05
— O
;l co
X li
VI
li 01
ro
01 -1
én
li
05 X
to
go
00
il
^J
co
\'*■ X
Si
*. Ni.
to
wl ^1
ëö
X -1
co
00 X
00
Ni.
ie
~1 O
VI
oi li
ro
Ol ^1
IO
~^ N^
w
x ©
co
o
i
o:g
ti
\'-*
—
x -^
o
-1 05
ro
0\' ^1
~
X 05
ro
VI
Öo5
g
ül
li
X
co
x ir.
CO
CS ^J
ro
VI -.1
CO
f
o
ö
sa
3
re
g
O
o
ff
ft
o
3
Cb
TO
-1
&
TO
H
3
3
TO
to\'
O.
TO
3
3
U!
rf
TO
\'t
&
3
-ocr page 41-
3
a
§
3
5
Van de
registers
afgevoerd \')
r~ ^h
0i
co
ei
1—1
!>
9
^J GO
• o"
53 i-I
CS Cl
«n co
O
L—^
CO
00
oo
,jh dra
If1
C5 GO
l-H l-
05
855
1014
18G9
Yolgeuq de registers
AVerkloos
3> O
o"" o ~
^ cc
Cl
o

i-T
i-H
GO
<M
Aan liet
werk
981
1020
2001
Aantal
timmerlieden,
waarover
registers en
controle liepen
1027
1255
Cl
00
CN
Leden der 5 Vakvereeuigingeu
Onvereen ïVden.......
]
Totaal. . . .
PJ
OP
1
f
-o
J-
«-^
O
o
3
O)
1
O)
o
CD
o-a
* ö
cd
*-. t>
CD
CD
r—< <D
cd
ca
CD
i-S
-5
5
-ocr page 42-
H
ï-
O
-■
<;
-
C"
o
aal J
Er
1
:, i
Ë
ie
!
^
2
"!
C\'
cc
C\'
i-i5
~
2
«
»
I
1
-.
2 .
2
—
:■\'
co
ie
""
is t
|
*■
*>>
•^
Cl
~
<J~\' _ S
»
»
»
g
5
—•o o
-
B 2. r.-
t
°i <» §
<t — —
-i — r~
p
• £
_____!__Z.___\\___
__\'
_.
__
w cu
1
>^-
co #>
■^
1
ie
C\'
co
Ci
« co
u.
_
ie
■~1 00
—
*■
—
X
."— I-4-
o:
O 01
^*
1
1
r.
cr
1
w co
|
-a.
**
o —
1
—
c
s
*■
"*■
r !
g 8
-
1
c:
»
X
ie
i\'
pi
3
3
f° k
2
£
lil CO
1
1
Cl
Os
ra 1
--------
-----
o
s
w u
_
_
2
1
r. -i
co
ai
co
ie
—
""*
f6
1
IC
-X
• !>-•
_
-- O
ie
*"
""
-
ie
—-
£
CO
s
.— H^
1
s
»
Cl
ie
1
i" !
CJ\'
t° ie
1
_
2
2; \'
— IC
ie
~
r.
ie
Ci
|
<^l
B
.-
1
i
1
§
5= i
C\' Cl
i
oo
co
1
C !
cc
- !
5
1
\'* ie
—
§
~l GO
ie
C\'
Ol
s
ie
£
o
3
ie
B
O
1
1
1
2
*■> *■
1
1
ie
"
~
!t
ie
co
1—\'
1
1
1
1
§
ie ie
1
1
*~"
1
1
ie
5 s
-
co
C\'
-
ie
£
S co
__
Hi_
—
~ ie
ie
=
te
g
ie o
"-\'
3C
cc
3C
o
5
1
_
2
Ö
--.
B
~^.
-~
a
1
^_
tt
l*
■~
en
<v
«*.
3
8
S*
~.
-t
?S"
a
9
a
te
CD o
-ocr page 43-
Bijlage £
De STADSUITBREIDING.
Onder de meest belungrjjke gemeenten van Nederland, dio in on/e eeuw
cene snelle bevolkingsvermeerdoring hebben meegemaakt, behoort ook Anister-
duni. Aan de sjiits dezer beweging staat evenwel de hoofdstad nicl. In de
periode, die niet 1 .Januari ]8\'-W aanvangt en met 1 Januari 1807 eindigt,
stegen namelijk de Rotterdamscho bevolking niet 29b" pCt., De Arnheinsche
met 280 pCt., de \'s-Gravenhaagsche met 241 pCt., de Tilburgsche met 220
pCt. en de llaarlemsehe met 181 pCt., terwijl de vermeerdering te Amster-
dam 144 pCt. bedroeg. Maar ook de allerlaatste plaats wordt niet door
Amsterdam ingenomen; want Utrecht vermeerderde niet 122 pCt., Groningen
met 105 pCt. en Leiden slechts met 54 p(.\'t. \') Van al deze steden verkeert
alleen Rotterdam in het buitengewone geval van uitgebreid te zijn met de
bevolking van eene stad (Delftshaven), die over het algemeen niet bevolkt was
door hen, die in de groot e buurstad geen woning konden vinden. Anister-
dam daarentegen nam bij de annexatie van een deel van Nieuwer-Amstel slechts
een deel harer eigen bevolking terug.
\')         De bevolking bedroeg              op 1 Jan. ls:i<>              op 1 Jan. 1*!)7
te Amsterdam
202364
zielen
494189
zielen
» Rotterdam
72294
286105
» \'s-Uruveuhage
56105
101530
i) Utrecht
43407
96349
» Leiden
34564
53;i08
» Groningen
30260
62295
» Arnhem
14500
55064
» Haarlem
\'21007
00788
» Tilburg
117-20
37540
Te Amsterdam, Rotterdam, Leiden en Utrecht weid in deze periode het grondgebied
vergroot.
-ocr page 44-
42
Hoewel derhalve de uitbreiding der Amsterdamsche bevolking eenigszins
bij dio van andere steden achterbleef, waren de moeilijkheden, aan de uit-
legging der hoofdstad verhouden, ongetwijfeld grootor dan van vele der overige
sleden. Tol nog toe was hare uitlegging steeds regelmatig en systematisch
geschied. De verdienste daarvan komt in de eerste plaats aan het goede
inzicht der bestuurders, maar naast dezen aan de gemakkelijke en prac-
tische wijze van onteigening van toenmaals toe. Indien er eene stad
in Nederland was, die voor hare uitlegging behoefte had aan een tot in
de onderdeden nauwkeurig vooruit vastgesteld plan, dan was het voor-
zeker de hoofdstad. Hare ligging in den vorm oenor halve maan maakte
het noodig, dat veel grond beschikbaar bleef voor straten en grachten-
De ligging dezer verkeerswegen moest reeds dadelijk bij de uitlegging he-
paald zijn. En om dit zonder al te groote financieelc opofferingen te kunnen
doen. moest de stodsregoering het gohcele grondgebied der uitbreiding in
hare handen hebben. Aan dezen oisch was voldaan, toen men met de
voorlaatste stadsuitlegging in 1658 een aanvang maakte. Alle landen, tuinen
en erven, die tnsschen de oude en de nieuwe halve cirkels lagen, werden
dci\\ eigenaars volgens taxatie van schepenen onteigend. Na do onteigening
had men dus de handen vrij tot het aanleggen van markten, grachten en
straten. De oude fortificaties konden worden geslecht en do nieuwe buiten-
wallen gegraven. De overige grond werd weder verkocht, waarbij allerlei
voorwaarden en bepalingen konden worden gemaakt om te zorgen, dat het
nieuwe overal bij het oude paste en waardoor het tot stand komen van lange,
eentonige, rechte straten onmogelijk was. M Opnieuw werd do stad met muren
omringd, zoodat de Singelgracht de uiterste grens der bebouwde kom vormde.
Do stad had hiermede eene uitbreiding ondergaan van 295 bunders, zoodat
hare oppervlakte in l(i82 72ti bunders bedroeg. Dien omvang behield Amstcr-
dam tot vooi\' -SO jaren.
De laatste uitlegging van Amsterdam in onze eeuw staat bij de 17" eeuwsche
in menig opzicht achter. De behoefte aan belangrijke verwijding der grenzen
doet zich eerst tusschen 1800 en 1870 gevoelen. Tot dat jaar was de bevolking
wel gestegen, maar nieuwe stadsdeelen aan te bouwen was nog niet noodig
geweest. Tot het jaar 1839 bedroeg de bevolkingsvermeerdering jaarlijks
niet meer dan 4,4 per 1000 inwoners. In de periode 1839—49 steeg de
jaarlijksche aanwas tot G per 1000, in de periode 1849—59 tot 8,8 per 1000
en in de tien jaren, die daarop volgen, gemiddeld tot 8,7 per 1000. Die
vermeerderde bevolking had de oude van den Pranschen tijd af onbewoonde
huizen weder in gebruik doen nemen, of had van de bij den verminderden
handel overbodig geworden pakhuizen woonhuizen gemaakt. Eerst in de
eerste jaren na 1800 kwam er gebrek aan huizen, waarin slechts nieuwe
aanbouw op het terrein der vroegere wallen en buiten de oude Singelgrachten
\') Zie Am:t( idiimscli Jaarboekje lKSi-\'. I). C. Meijer Jn. de uitbreiding van Amstcr-
dam in de I7e eeuw.
-ocr page 45-
48
kou voorzien. Huizon begonnen te verrijzen op de terreinen, thans vormende
de wijken WW, XX, WIJ en V/A. \')
De groot e bevolkingsaanwas en de daarmede samengaande belangrijke be-
hoefte aan nieuwe woningen begint echtor eerst na 1809. In de periode
van 1870—7!) bedraagt de toename reeds 18 per 1000 inwoners, terwijl zelfs
na 1875 cijfers als 22,1 en 20,1 worden bereikt. Nog hooger stijgt de
vermeerdering in de jaren 1880 en 1881 (28,9 en 30,8 per 1000 inwoners.)
Op het eind van 1881 is echter het toppunt bereikt en de beide daarop
volgende jaren leveren cijfers van 35,9 en 31,8. De gemiddelde jaarlijksche
vermeerdering in de periode 1880—1889 bedroeg 25,0 per duizend. Veel
minder belangrijk is de stijging der bevolking in de jaren na 1890. Door
elkaar was zij niet grooter dan 22, 1 per jaar; terwijl zelfs het jaar 1894
het zeer lage cijfer van 7,9 oplevert, een cijfer dat sedert 1800 niet meer
was beleefd.
\') De bcvolkingsvcrtnourdcring en du nieuwbouw van woningen (voltooide lunzen)
bedroeg:
BKVOI.KIN<
STOKNVMli
-------------
Aantal
voltooide
nieuwe
litiiy.cn
11KVOI.KINC
STOIJNAMK
Aantal
voltooide
nieuwe
huizen
.l.\\ ah
Totaal
per 1000
inwoners
,l.\\ Alt
Totaal
per 1000
inwoners
1803
3475
13,0
20
1880
9185
28,0
502
—64
1218
4,7
48
—81
11851
36,3
753
—05
2083
11,5
3-2
—82
12154
35,9
031
00
1807
6,9
80
—83
11125
31.8
130
07
3120
11.8
1 43
-8\'t
5334
11,8
385
—08
4137
15,5
-132
—85
5665
15,5
474
—09
— 0005 n)
- 24,5 «)
152
—80
(.301
17.1
604
1870
4055
18,7
102
—87
4-5330
20,9
735
—71
3457
12,8
-158
— 88
9408
21,1
108
72
4254
15,0
155
■80
8037
21,0
313
—73
41 70
15,
31!
1800
0178
23.2
502
— 74
1088
17,7
281
01
0375
22,4
402
—75
3055
10,0
317
- 02
1(1078
25,7
570
- 70
0218
21,4
481
—93
8705
20.-
503
— 77
01100
20,5
403
—94
3523
7,0
505
—78
0082
22,1
258
—95
0177
13,7
582
- 70
8003
26,1
303
dus in de perioden:
lier jaar
i
perjaar
1805- 07
7910
10,1
204
1880- 88
27000
23,7
1807
1808—70
2127 «)
3,2 «)
410
1880 -91
27190
22,1
1217
1871—73
11890
14,5
027
1802 — 04
23200
17,9
1734
|H7\'t._7C
1 4250
2081-1
33190
22121
10,6
22,9
33,7
20,7
1070
1111
2270
1280
1877-79
1880—82
1883—85
1863—09
1870 -70
1K80—89
10081.
51912
91050
8.7
18.—
26,1
025
2982
5685
1800—05
48290
21,6
3220
--------
ff) Achteruitgang in 1869 wegens de volkstelling.
-ocr page 46-
44
Onder de particulieren, die in eeno hernieuwde opkomst van Amsterdam
geloofden, stond Dr. Saephaïi vooraan. Aan zijn initatief was de bouw-
van het Paleis voor Volksvlijt te danken en van de wijk, die daaromheen
ligt. Zijne werkzaamheid op dit gebied neemt omstreeks het jaar 1854 een
aanvang. Toen werd roeds de bouw van een tentoonstellingspaleis voorbe-
reid, waarvan do plannen door den architekt Outshoorn werden ontworpen.
Hoewel het kapitaal voor den bouw van het paleis reeds den 14den Juli 1856
volteekcnd was, duurden de onderhandelingen mot het gemeentebestuur on
het departement van oorlog nog twee jaren. Den 14den Juli 1858 werden
do plannen voor den bouw bij do gemeente definitief ingediend en hot be-
noodigdo terrein in erfpacht gevraagd. l) Aan dat ver/.oek werd door den
Gemeenteraad voldaan en kort daarop valt de Utrechtsche poort onder sloopers
handen. Dit feit opent de periode der moderne stadsuitbreiding.
Nauwelijks is in het voorjaar van 1859 met den bouw oen aanvang
gemaakt, of Dr. Sarphati wendt zich tot den Raad met een plan tot ver-
fraaiing van den omtrek van het Palcis en van de Amstoloevers. Plotseling
doen zich moeilijkheden voor, die de gcheele uitvoering van het plan hadden
kunnen verhinderen. De Minister van Oorlog namelijk wenschte de beschik-
king te krijgen over de terreinen van het bolwerk Ouderkerk en hot Dril-
veld, ten einde daarop nieuwe kazernes te bouwen. Om dit gevaar voor de
omgeving zijner stichting af te wenden, biedt Dr. Sarphati do gronden van
het bolwerk Muiden aan do gemeente aan, waarmede zich do Minister ten
slotte tevreden stelde. Den 18den Juni 1802 krijgt Dr. Sarphati de goed-
keuring op zijne bouwplannen.
Volgens de verleende concessie werden afgestaan do gemeente-grondon
en wateren begrepen binnen een gebroken lijn, aanvangende bij de Singel-
gracht, tusschen de Utrechtsche- en Weteringpoort, aan de oostelijke grens
van het terrein der Hollandsche gasfabriek, do afschutting van deze volgend
tot het nieuwe Amstelstraatje, langs deze en den Noordelijken wal van het
Amstelgrachtje loopend tot aan den Binnen-Amstel. Daarna over do Hooge
Sluis, langs den zuidelijken wal van de Lijnbaansgracht. Van hier zou de
grenslijn loopen in de richting van de bolwerken Weosp en Ooster lilokhuis
langs hot terrein van do Rijnspoorwegmaatschappij, dit ten Westen begrenzende,
en vandaar tot aan de limiet der gemeente Amsterdam; do lijn zou deze
limiet volgen tot aan de Boeren Wetering, langs deze tot de Singelgracht,
en deze weer volgen tot hot punt van aanvang.
Dezo ruimte zou verdeeld worden in 6 bouwvakken, De onkosten voor
het aankoopen, onteigenen en in orde brengen der gronden, het dompen van
water enz. vereischt tot uitvoering, zou geheel en al komen ten laste van
den concessionaris. Deze concessie word verleend voor 30 jaar.
De weldra door Dr. Sarphati opgerichte bouwmaatschappij, aan wio in
1865 op zijn verzoek de concessie werd overgedragen, ving met de bebou-
wing van oen doel van haro terreinen aan.
Intusschen was men ook op andoro plaatsen, als op de genormaliseerde
\') Bij Gemeenteraadsbesluit van 14 Juni 1865 ging het terrein in vollen eigendom over.
-ocr page 47-
15
Schans tusschen Haarlemmerplein en Raambarrière, nabij het Funen aan
de buitenzijde der Singelgracht gaan bouwen.
Langzamerhand echter was liet gemeentebestuur tot het bewustzijn ge-
komen, dat men aan de uitbreidingsplannen van particulieren niet meer den
vrijen loop mocht laten. De stadsingenieur, de heer J. G. van Niitkik,
werd belast met het ontwerpen van een uitbreidingsplan, waarmede hij reeds
in hot jaar 18(>7 gereed kwam. Zijne voorstellen werden toen door het
dagclijksch bestuur aan de Gemeenteraad aangeboden bij een schrijven •),
waarin o. a. de volgende overweging voorkomt:
//Hij do toenemende bevolking, de steeds klimmende behoefte aan goede
woningen en bij de allerwege ontwakende zucht tot bouwen, werd allengs
het gemis aan een plan van regelmatige uitbreiding der stad dermate ge-
voeld, dat wij gemeend hebben u kennis te moeten doen nemen van een
plan, door den stadsingenieur ontworpen."
Hij het ontwerpen van dit plan had de stadsingenieur, evenals bij de
vorige stadsuitbreidingen was geschied, zich op het standpunt gesteld van
vrij over het geheele terrein van uitbreiding te kunnen beschikken, zoowel
over het gebouwde als over het ongebouwde en de bebouwing te doen op
opgehoogde en buiten het polderverband gebrachte gronden.
Achter de minder gezochte wijken dei- oude stad (Jordaan) had hij eene
groote arbeiderswijk ontworpen. In de nabijheid hiervan, aan de overzijde
van de Kostverloren Wetering, waren terreinen uitsluitend bestemd tot het
oprichten van fabrieken. Zuidwaarts van de arbeiderswijk, in den omtrek
van het Hleekorspad, was een volkspark geprojecteerd. Tusschen dit en het
Vondelpark zou een geregelde stadsbebouwing volgen met een open markt-
plein. Daar was ook eene plaats aangewezen voor twee kerken. De toen
reeds bestaande bebouwing aan de oostzijde van den Overtoom was behouden
en met de in aanbouw zijnde nieuwe rij woonhuizen tegenover de Leidsche
poort tot één blok vereenigd. Het terrein dat zich van het Vondelpark uit-
strekto tot aan de Hoerenwetering was bestemd voor een wijk van villa\'s
met groote tuinen. Eenige voorname gebouwen zouden in dit stadsgedeelte
eene plaats vinden, nl. een museum (het latere Rijksmuseum), een nieuwe
schouwburg er. eene groote kerk.
Aan de oostzijde van de Wetering werd het ontwerp behecrseht door het
ontworpen Centraal Spoorweg-station, dat zuid-westelijk van het Paleis voor
Volksvlijt zou liggen en door eene breede allee, te vormen door de gedempte
Reguliersgracht, met do oude stad verbonden zou zijn.
Henoorden het stations-emplacement was eene geregelde stadsbebouwing
voorgesteld, terwijl ten zuiden daarvan eene wijk met buitenplaatsen en
tuinen was ontworpen. Deze vakken zouden aan den westelijken Anistel-
oevor aansluiten.
Aan den anderen kant van den Amstel moest rekening worden gehouden
mot de bestaande lijn van den Rijnspoorweg en de geprojecteerde lijn
van den Oosterspoorweg. Daar werd voorgesteld eene wijk voor gegoeden en een
i) Jlissive van Burgemeester en Wethouders van 13 April 18(17, Gemeenteblad ald I,
blz. 93.
-ocr page 48-
40
terrein voor burger- on arbeiderswoningen. In dit deel, begrensd tusschen
Amstel en Oeterwalerweg, was een marktplein niet grooto kerk opgenomen.
Om de Oostorbegraafplaats zou een bosch worden aangelegd.
Aan de overzijde van den Oeterwalerweg tot den Diemer-Zeedjjk werd het
uitbreidingsplan besloten door een groot rij- en wandelpark niet bebouwing.
Door het geheele plan zou een 30 Meter brcede, met twee rijen boomen
beplante allee loopen, die de geprojecteerde pleinen zou kruisen en waaraan
het Centraal-station zou liggen.
Hot plan van den stadsingenieur ontmoette evenwel in den Raad grooten
tegenstand. De Commissie van voorbereiding van de Publieke Werken
oordeelde het plan noch doelmatig, noch uitvoerbaar. Ondoelmatig wegens
de stelselmatige wijkindeeling, (hetgeen later zou blijken een der grootste
verdiensten van het plan te zijn geweest); onuitvoerbaar aangezien alleen
volledige onteigening van bet ganscho uitbreidingsterrein do uitvoering van
het plan mogelijk kon maken en deze onteigening zou afstuiten op de tot
nog toe gevolgde toepassing der onteigeningswet. Deze bezwaren waren
oorzaak, dat de Raad het plan verwierp en op voorstel van de Commissie voor
de Publieke Werken Burgemeester en Wethouders uitnoodigde ,/onvenvijld
eenige hoofdlijnen te ontwerpen, die in het belang van hot openbaar verkeer
of\' uit anderen hoofde voor eene spoedige uitvoering in aanmerking komen." \')
Telkens wanneer zich de behoefte aan bebouwing zou voordoen, zouden
Burgemeester en Wethouders dus een partieel stratenplan indienen. Aan
die opdracht voldeden zij in 1800 met betrekking tot oen terrein tusschen
Amstel en Overtoom en in 1872 met betrekking tot een terrein ten Westen
van de Boerenwotering.
Deze particele stratenplannon konden evenwel niet verhinderen, dat op
verschillende plaatsen langs den gchcelcn buitenrand, van de Willemspoort
tot de Muiderpoort, terreinen werden bebouwd.
De Nederlandsche Bouwmaatschappij, die in 1805 de concessie-SAKPHATJ
had overgenomen, was begonnen met den bouw van eenige huizen wederzijds
van hot Paleis voor Volksvlijt, het tegenwoordige Oost- en Westeinde. Aan
den buitensingel bij hot Rij- en Wandelpark en tegenover de Hollandsche
gasfabriek verrezen enkele nieuwe huizen. Dij de Utreohtschepoort werd een
blok arbeiderswoningen van de maatschappij //do Bouwkas" gezet. De grootste
bouwlust intusschen heerschte in de Plantage, in de omgeving van don
Dierentuin on in do Sarphatistraat.
In hoofdzaak had de nieuwbouw omstreeks het jaar 1808 de oude Singel-
grachten nog niet overschreden. Alleen de bouw in den Binnendijkschen
Buitenveldertschen polder, waar de terreinen van de Ncderlandsc.ho Bouw-
maatschappij (concessie Sarphati) gelogen waren, maakte op dien regel eene
uitzondering. De eerste eenigszins belangrijke stijging der bevolkingsver-
meerdering bad dan ook niet vroeger dan 1808 plaats.
Na dat jaar begint eerst de aanwas der bevolking een jaarlijks vermeer-
derenden omvang te krijgen, hl 1808 met 15,5 per 1000 zielen begonnen,
\') Zie Itappoi-t der Commissie (Gemeenteblad I80S, af.l. 1 N°. 40, Ijl/.. IS." 63) en ilo
Behanili\'ling in de Zitting van don Gemeenteraad van 8 April IH08 (Gemeenteblad\'1808.
afd. % blz. 144—145).
-ocr page 49-
•17
houdt de stijging aan, totdat in 1881 het culminatiepunt van 36,3 is bereikt
In die jaren 18G8—1881 ligt de grootste uitbreiding der stad.
Deze veertienjarige periode kan uit het oogpunt der uitbreidingstechniek
in twee doelen worden gesplitst, nl. de periode van 1808—1877, waarin de
stratenplannen der gemeente altijd achter den bouwlust der particulieren
aankomen en de periode van 1877—1881, waarin wederom een algemeen
uitbreidingsplan van gemeentewege de richting der uitbreiding aan de par-
ticulieren aanwijst.
In deze eerste vrije periode werd veel gebouwd, zooals blijkt uit do vol-
gende tabel. >)
15
U ü R
T
lüTAAI.
V
w
vv
WW
2
XX
4
YY
zz
1
2
9
1
1
—
4
5
4
3
18
1
2
2
10
5
—
1
21
4
3
7
8
4
3
3
32
24
1
1
!>
12
2
—
49
1!)
15
3
9
9
7
1
63
17
—
2
3
9
18
5
54
8
8
2
6
6
13
14
57
16
14
4
9
8
10
24
85
10
15
4
5
24
14
4
76
4
12
2
9
18
13
4
62
14
39
2
8
35
42
20
160
4
28
1
22
28
44
13
140
17
40
7
6
6
139
4
219
17
19
2
26
5
170
11
250
2
12
9
64
4
196
67
354
.Iaar
1861.
1862.
1863.
1864.
1865.
1866.
1867.
1868.
1869.
1870.
1871 .
1872.
1873.
1874.
1875.
1876.
Gaan wij in het bijzonder na, met welke straten in deze eerste periode een
aanvang werd gemaakt.
In hot Noordwestelijk deel der stad (buurten TT, UU, VV, WW) wordt
nog niet gebouwd, in de Marnixstraat (buurten DD-J.1 en MM-QQ) echter
dos te meer. Daar verrees het eene blok na het andere, o. a. drie blokken
van 280 arbeiderswoningen. In één enkel jaar (1871) werden daar tusschen
Zaag- en Willemspoort niet minder dan 108 percoelcn gebouwd.
In het Zuidwestelijk deel (buurt XX) was in 1867 met do Vondelstraat
begonnen en volgde in 1872 de eerste Constantijn Huygensstraat. In de
buurt YY opent een blok in do Gerard Doustraat in 1872 de rij. In het-
zelfde jaar wordt daar ook aan de l\'. C. Hooftstraat gewerkt. Daarop volgt
in dezelfde buurt onafgebroken do bouw van een reeks [nieuwe straten, n. 1.
de Jacob van (\'ampenstraat, de Frans Halsstraat, de van der Helststraat, de
\') Deze tahol hooit betrekking op de bouwvergunningen, iüp ocliter in dozen lijd
waarin do specnlatiebonw no^ weinig ontwikkeld was, wol bijna allo dcor werkelijken
houw ziiüon gevolgd zijn.
-ocr page 50-
48
Ruysdaelkode, do Stadhouderskade (1872), de Perdinand Holstraat (1873),
de Govert Flinckstraat de Jan Steenstraat (1874) en de van Haorlestraat in
1875. De overige straten dezer buurt ontwikkelen zich eerst in de bouw-
periode na 1880. In de vijfjaren 1875—1880 komen daar geen nieuwe
straten tot stand.
De omgeving van het Prederiksplein (buurt Z) behoort natuurlijk tot de
allereerste bouwvakken der stadsuitbreiding. In het Westeinde wordt reeds
in 18C6 met bouwen een aanvang gemaakt. Daarna in het Oosteindo (1869)
en in de Sarphatistraat (1870). De Sarphatikadc volgt, eerst in 1878.
Hij de Weesperpoort (buurten W en ZZ) in de nabijheid van het Station
komen de Tulpstraat, Huidekoperstraat, Huddestroat in 1870, de Andriesz-
kade en de Spinozastraat in 1872, het Tulpplein in 1875 tot stand en wordt
begonnen met de Hoerhave-, Swammcrdam- en van Loeuwenhookstraten |187(>).
Buiten de Muiderpoort worden de (\'oinmelin-, Dapper-, Vlaming-, van
Swinden- en Wagenaarstraten aangelegd en gedeeltelijk bebouwd (1875—77).
De aanbouw in de Plantage dateert evenals de omgeving van het Frederiks-
plein van de eerste jaren van den nieuwbouw (1866—1870). De naaste oiu-
geving van de Muiderpoort komt eerst na 1880 tot stand; de nieuwe straten
op de Oostelijke eilanden dateereu ook eerst van 1878—80 en belmoren dus
tot de tweede periode, waarover hierachter zal gesproken worden.
Intusschen was men hoe langer hoe meer tot de overtuiging gekomen, dat
de vaststelling van partieele stratenplannen nooit, tot een genoegzaam in
elkaar grijpend stel van nieuwe verkeerswegen kon leiden. De weg, dien men
in 1807 had afgekeurd, moest weder worden ingeslagen en een algemeen
uitbreidingsplan worden vastgesteld. Zoo vrij als men in 1807 in dit opzicht
was geweest, was men in 187(i niet meer. Sommige stadsgedeelten hadden
reeds een bepaalden vorm aangenomen, waarin geen verandering meer te
brengen was. Hij de vaststelling van een algemeen plan was dus haast.
Dat dit ook de meening was van het toenmalige dagelijksche bestuur der
gemeente, blijkt uit de memorie, die het nieuwe uitbreidingsplan begeleidde.
//Hoezeer aan een dergelijk plan, in het jaar 1867 aangeboden, geen gun-
stige ontvangst ten deel viel, en de Gemeenteraad toen niet verder wilde
gaan dan tot bet vaststellen van eonige lijnen, is het meer en meer gebleken,
dat de bestaande woningnood het particulier initiatief dermate opwekt hierin
te voorzien, dat men zonder zich aan die lijnen te storen, plannen ontwerpt
voor elk ter bebouwing eenigszins geschikt terrein, waar ook gelegen. Voor
het uitvoeren dier plannen is, waar het den aanleg dor wegen en andere
voor den openbaren dienst besterade werken betreft, medewerking der ge-
meente noodig, doch die medewerking kan niet worden verleend, wanneer
niet blijkt dat die plannen aan eene regelmatige uitbreiding der stad niet
in den weg staan, en dit laatste kan slechts beoordeeld worden bij het
bestaan van een algemeen plan van uitbreiding." \')
\') Zie. vonr de voordracht: Gemeenteblad 1K7G, afd. 1, bh. 117—128; voor het verslag
dei- afdeelingen aangaande deze voordracht: Oemeet\'teblatl 1X70. nfd.l, hl 7. I133—1142;
voor liet antwoord op dit Verslag: Gemeenteblad 1877, afd. I, blad/.. 53—58; en voor
de behandeling in den Raad: Gemeenteblad 1H77, afd. 2, blz. 114—125, bic 134—152
en blz 157 172.
-ocr page 51-
4!)
Ook thans wenschten Burgemeester en Wethouders, dat over dit plan
door den Raad alleen in algemeene trekken zou worden geoordeeld, zonder
over de details te beslissen. Daaruit zou volgen, dat als particulieren aan
plannen tot bebouwing uitvoering wenschten te geven, zij die in dien tijd in
overeenstemming konden brengen met het algemeene plan, doch geenszins
dat reeds van gemeentewege tot onteigening van grootere of kleinere uitge-
strektheden zou worden overgegaan. Als beginsel werd tevens aangenomen,
dat de voor de toegangswegen benoodigde gronden door de aangrenzende
eigenaars aan de gemeente kosteloos moesten worden afgestaan.
Het ontwerp omvatte 12 bouwblokken, meerendeels gescheiden door
bestaande waterwegen, t. w.:
Blok I tusschen Westerdoksdijk en Haarleminertrekvaart.
// II tusschen genoemde vaart en de Kattensloot.
// III tusschen Kattensloot en eene gracht ontworpen in het verlengde
van de Bloemgracht (Hugo de Grootkade).
v IV tusschen Hugo de G-rootkadc en Overtoomsche vaart.
u V tusschen Overtoom en P. C. Hooftstraat.
w VI tusschen P. C. Hooftstraat en Ruysdaelkade (Wetering).
tf VII tusschen Wetering en Amstel.
„ VIII tusschen Amstel en Rijnspoorweg.
// IX tusschen Rijnspoorweg on Oetewalerweg thans Linnaeusstraat.
//
         X tusschen Linnaeusstraat en Pontanusstraat.
. // XI Stads-Rietlanden.
ii XII Punen.
Ook uu weder wenschte men de bestemming der in die bouwblokken to
bouwen huizen eenigermate van te voren aan te wijzen.
In de blokken 1, 2 en 12 zou plaats zijn voor arbeiderswoningen. In
blok 4 waren twee grachten ontworpen, waardoor dat blok meer geschikt
scheen voor die industrieën, die de nabijheid van een waterweg behoeven.
Voor de groote industrie zou men terreinen vinden in blok 11 en 2. Voor
den houthandel zouden do terreinen van blok 1 het gunstigst gelegen zijn.
Plantsoenen waren ontworpen in blokken 1, 2 en 9. De daarin gelegen
begraafplaatsen zouden opgeheven worden. In verschillende blokken zijn
ruimten ontworpen voor pleinen en markten. In blok 4 zou het nieuwe
Buitengasthuis geplaatst worden. De geheelo uitbreiding zou worden door-
sneden door twee groote ring-verkeerswegen, nl. de Stadhouderskade genor-
maliseerde Buitensingelgracht) en de Ceintuurbaan.
Eerst werd in den Raad het besluit genomen, dat een algemeen uitbrei-
dingsplan zou worden vastgesteld (Vergadering van 14 Februari 1877 en
daarna werd plan en onderdeden besproken en met kleine wijzigingen goed-
gekeurd (Vergaderingen van 21 en 28 Februari 1877).
Het hier omschreven uitbreidingsplan geldt ook thans nog. Sedert 1877
zijn daarin wel enkele wijzigingen gebracht; in de algemeene trekken echter
is geene verandering gekomen.
De periode, die op de vaststelling van het uitbreidingsplan volgde tot
-ocr page 52-
50
het jaar 1883, is eene periode van omvangrijken aanbouw geweest, die vrij-
wel met de bevolkingsvermeerdering gelijken tred hield. Vergelijken wij
die algemeene bevolkingsvermeerdering met den nieuwbouw, dan zien wij
het volgende:
In 1876 bedroeg de bevolkingsvermeerdering 6218 inw. en werden 481 huizen voltooid,
//
1877
ii
ii
ii
6066
ii
ii
ii
463
ii
ii
//
1878
ii
ii
ii
6682
ii
ii
n
258
ii
n
//
1879
ii
ii
ii
9063
ii
#
ii
393
ii
ii
//
1880
ii
ii
ii
9185
ii
n
il
592
ii
ii
//
1881
ii
ii
n
11851
ii
ii
ii
753
ii
ii
II
1882
ii
ii
ii
12154
ii
ii
n
931
ii
ii
II
1883
ii
ii
ii
11125
ii
ii
ii
430
ii
ii
In 1882 is bij beide het culminatiepunt bereikt.
De vermeerdering der huizen in de wijken V, W, VV, WW, XX, YY
en ZZ blijkt uit de onderstaande tabel.
B
U ü R
T
V
w
VV
WW
XX
YY
ZZ
Jaar
Totaal
1
8
74
32
121
—
4
42
92
105
261
17
17
22
121
55
242
42
71
81
124
146
487
9
122
108
127
242
648
36
54
85
153
83
422
13
88
61
114
79
369
1877.......      6
1878.......;     11
1879.......!      5
1880.......|     10
1881.......;    25
1882.......1      6
1883.......i      8
7
5
13
15
5
6
In dezen tijd is het grootste deel van de nieuwe stad tot stand gekomen.
In blok I moet het eerst vermeld worden de concessie Redeker Bisdom
van 23 Maart 1879. Aanvankelijk was daar de lust tot bouwen gering.
In 1878 werd met den aanleg der Barentzskade, Barentszstraat, Heemskerk-
straat, Houtmankade, Planciusstraat, Lemairegracht en -straat, Tasman- en
Spaarndammerstraat een aanvang gemaakt. De verdere bebouwing aldaar
volgt eerst na 1883.
In blok II, dat al even weinig in trek was als blok I, was in het begin
de bouw zeer gering. In 1881 werd een aanvang gemaakt met den bouw
op de Nassaukade.
Er werden in 1880 25 perceelen gebouwd nabij het Westelijk Entrepotdok, in
1881 een zelfde aantal in de Nassaustraat, terwijl o.a. ook 19 perceelen werden
gebouwd aan den Haarlemmerweg in 1882 en 13 in de De Wittenstraat in 1883.
In Blok III dateert de groote bebouwing ook eerst vari de periode die
gevolgd is op 1883.
Voor dien tijd werd voornamelijk gebouwd aan de Nassaukade: de Ver-
-ocr page 53-
51
eeniging tot oprichting en instandhouding van het Protestantsch Weduwen
en Weezenibnds liet 12 perceelen nabij de Rotterdamsche brug, de diaconie
der Hervormde gemeente 18 bij de Raampoort bouwen.
Door particulieren werd voornamelijk tusschcn deze twee punten en aan
de ontworpen van Oldenbarneveltkade gebouwd.
In tegenstelling met den aanbouw in de blokken I—III, was de uitbreiding
in het zuidelijk deel der Gemeente zeer belangrijk.
Blok IV, gelegen tusschen de Hugo de Grootkade en de Overtoomsche
Vaart (het van Lennepkwarticr) en blok VII tusschen de Boerenwoteriug en
den Amstel ondergingen de sterkste uitbreiding. Zoo werd in enkele jaren
het grootste deel van de Van Lennep- en Da Costastraat gebouwd, zoodat
b.v. in 1881 66 perceelen, in 1882 ongeveer 85 werden gebouwd.
In Blok VII verrezen geheele straten: de Hemony-, Govert Flinck-, Jan
Steen-, de Van Wou- en Jan van der Heijden- werden 1879, \'80, \'81 en \'82
voor het grootste deel volgebouwd, waarbij zich aansloten de op de Ruys-
daelkade uitkomende, reeds ten deele aangelegde straten, als: Jacob van
Campen-, Quellijn-, Gerard Dou-, Saenrodam- en Daniël Stalpertstraat.
Hoewel minder, ook in wijk ZZ, omvattende de blokken VIII, IX, X en
XI, was de uitbreiding sterk. De aanleg van Swammerdam-, Boerhave- en
Leeuwenhoekstraten werden voortgezet, de Weesperzijde doorgetrokken.
Ook aan de Linnaeusstraat en de terzijde liggende straten, zoowel zich
uitstrekkend naar den Rijnspoorweg als naar de zijde van den Oosterspoor-
weg werd geregeld voortgewerkt.
Naast de vele kleinere burger- en arbeidershuizen heeft de bouwperiode
van 1877—1883 ook verscheidene grootere gebouwen aan te wijzen.
Niet minder dan 14 diamantslijperijen werden in die jaren gebouwd; verder
het gebouw d\' Geelvinck, do Kweekschool voor de Zeevaart (1878), gebouw
Frascati (1879), \'t gebouw voor den Werkmansstand op Rapenburg, \'t ge-
bouw van //de vrije gemeente" (1880), de industrieschool voor vrouwelijke
jeugd, \'t Paviljoen Vondelpark (1881), het Aquarium (1882), het gebouw van
den Werkenden Stand, eene R. K. Kerk op den Singel nabij do Beulingstraat,
het Weeshuis der Ned. Herv. Gemeente, het Panopticum, eenigo brood-
fabrieken (1882), terwijl in 1883 het Doelen-Hotel, de Passage Prins
Hendrikkade, de Suikerraffinaderij aan de van Noordtkade en de galerij in
den tuin van het Paleis voor Volksvlijt werden gebouwd.
In deze periode werd daarenboven het Rijksmuseum ondernomen, een
kerk der Nederd. Herv. Gemeente, het Centraal-Station en het Administratie-
gebouw voor de Hollandsche IJzeren Spoorweg-maatschappij.
Uit het vorenstaande blijkt voldoende, dat de grootste bedrijvigheid in den
nieuwbouw heerschto, eene bedrijvigheid, die echter niet lang op dezelfde
hoogte bleef.
Het Tentoonstellingsjaar 1883 werd evenals in vele andere bedrijven ook in
het bouwbedrijf een jaar van overgang. Tengevolge van de speculatie in de bouw-
zaken met het oog op de tentoonstellingsdrukte overtrof de aan bieding verre
de vraag naar gebouwde perceelen. Do crisis trad na afloop der tentoonstelling in.
-ocr page 54-
52
Terwijl in de jaren 1880 — 1882, 2266 huizen gebouwd waren, daalde dit
aantal in 1883—1885 tot 1289.
In deze periode wordt voornamelijk in blok IV gebouwd. De van Lcnnep-
straat wordt doorgetrokken, en voor het grootste deel worden de Kinker-,
Da Costa-, Bilderdijk- en Helmersstraten volgebouwd.
In buurt YY valt in de jaren 1883 — 1886 eenigo verflauwing waar te nemen.
Alleen het Sarphatipark (1887) komt in bebouwing. Eenzelfden stilstand wijzen
in die periode ook de bebouwingen van andere buurten aan. Alleen blok XII
maakt daarop eenigermate eene uitzondering. Het aanleggen en bebouwen van
Krayenhoff-, Blanken- en Bootstraten kan juist in 1884 en 1885 geconstateerd
worden.
Na 1886 volgt echter weer een tijd van grootere levendigheid in het
algemeen. De jaren 1886 en 1887 wijzen weder eene toeneming van den
huizenbouw aan. De reeds genoemde straten van blok XII worden voortgezet.
De omgeving der Muiderpoort komt tot stand. In de buurt YY (blok 6 en 7),
en ook in de buurt tusschen Overtoom en Potgieterstraat (blok 4) herleeft
de bouwlust. Maar overal slechts voor korten tijd.
Op deze periode van herleving 1886 — 1887 volgen de depressie-jaren
1888 en 1889, die van 1890 af op hunne beurt gevolgd worden door een
tijdvak van gestadigen aanbouw op alle punten der nieuwe stad, waartoe
evenwel de verminderde bevolkingsaanwas der laatste jaren geen aanleiding
had gegeven. \') De voortgang van den aanbouw in de laatste jaren is dan
ook niet zoozeer aan de behoefte aan woningen te wijten, dan aan omstandig-
heden, die met het bouwcrediet samenhangen. De jaren na 1890 wijzen op
eene overspeculatie in den woningbouw, die eerst in den winter van 1896
tot staan kwam.
») In
1884
steog
i\\0
1k\'\\
\'olking
mot
5334
zielen
ca
werden
385
yi
18*5
»
»
H
»
5C65
i)
»
474
»
188IÏ
»
>)
)>
»
G3C1
V
»
004
i
1887
ii
n
>■>
»
11330
»
»
735
»
1888
»
)\'
»
»
9408
»
ii
408
»
1889
»
»
»
»
8037
»
»
313
»
1800
»
»
»
»
9478
»
»
502
»
1891
H
)*
»
))
9375
»
»
402
»
1892
»
»
»
»
1097S
»
»
570
»
1803
II
»
»
»
8705
»
V
563
»
1804
»
»
))
n
35\'23
»
»
595
»
180:>
S
»
n
V
Cl 77
»
»
582
-ocr page 55-
Bijlage F
Het BOÜWCEEDIET te Amsterdam.
Nadat de Commissie uit verschillende getuigenissen reeds den indruk had
ontvangen, dat de misstanden in den speculatiebouw alhier voor een deel
te wijten waren aan de wijze, waarop het bouwcrediet wordt gegeven, besloot
zij nog eenige getuigen te hooren, die door hunne praktijk met dit onderwerp
van nabij bekend waren. Van hen ontving zij naast uitvoerige mondelinge
inlichtingen ook verscheidene gedrukte stukken en akten, die tot toelichting
van het gesprokene strekten.
In de laatste jaren is de speculatiebouw in handen geraakt van bouw-
ondernemers, die of geen of een zeer klein eigen kapitaal bezitten. De klasse
dier z. g. revolutiebouwers wordt gerecruteerd uit de werklieden en de kleine
winkeliers.
Deze zijn daartoe oorspronkelijk niet uit zichzelf gekomen, maar werden
door den een of ander tot den bouw verlokt. Nu eens is het de grond-
speculant, dan weer een tusschenman, die de bemiddelaar is tusschen den
bouwer en den credietgever.
In het eerste geval heeft zich de grondspeculant bouwterrein verworven
van de gemeente of van den een of anderen grooten grondeigenaar. Dit
terrein wordt door hem geparcelleerd en het is voor hem dan de vraag,
hoe op voordeelige wijze die perceelen weer van de hand te zetten. Dikwijls
spoort hij met dat doel zelf de personen op, die tot bouwen geneigd zijn.
Hij maakt voor hen de teekening van de te bouwen huizen on tracht van
een e of andere hypotheekbank te vernemen, welke som deze bereid is
op hypotheek te geven. De credietbank is tot het geven van hypotheek
alleen dan bereid, wanneer zich iemand tegenover haar borgstelt, dat de grond
werkelijk door den bouwer zal worden bebouwd overeenkomstig de teekeningen.
De rol van borg vervult dan de grondeigenaar-speculant tegen eene provisie
die meestal 2 pCt. van de totale som bedraagt.
In het andere geval wordt de bemiddeling bewerkt door een tusschenman,
min of meer agent van de crediet-maatschappijen. In de provisie voor het
aanzetten tot bouwen en crediet nemen ligt zijne verdienste. Het spreekt
van zelf, dat in sommige gevallen, wanneer de bouwer reeds eens of meer-
malen met de hypotheek-maatschappij een crediet-contract heeft afgesloten,
do bouwer en de maatschappij zonder eenige tusschenkomst tot elkander
komen. In den regel echter is de tusschenkomst van een ander persoon
vereischt.
Zijn de credietgever en de bouwer het over de voorwaarden eens geworden,
dan wordt een hypotheek contract afgesloten, dat in niet vele opzichten van
andere hypotheek-contracten verschilt. Het behoeft geen betoog, dat de
-ocr page 56-
54
hypotheek-maatschappij zich met alle wapenen, die de wet haar in de hand
geeft, beveiligt tegenover den financieel zwakken houwer. O. a. wordt bijna
altijd gestipuleerd, dat door den bouwer geenerlei beding zal worden gemaakt,
waardoor de dadelijke verkoopwaarde van het goed vermindering zou kunnen
ondergaan en dat geen huurpenningen bij vooruitbetaling mogen worden
ontvangen. Buitengewoon bezwarend zou men in \'t algemeen de bepalingen
van het crediet-hypotheek-contraet niet kunnen noemen, wanneer de crediet-
nemer een tamelijk welgesteld persoon ware, die bij den aanvang met eenig
eigen kapitaal begint. Voor den financieel zwakke staat de zaak evenwel
anders. Zijne kansen om plotseling voor het geval te staan, dat hij aan
zijne verplichtingen tegenover zijne andere crediteuren niet kan voldoen,
maken voor hem de bepalingen van zijn crediet-contract bezwarender. Dit
zal uit het volgende duidelijker blijken.
Na de tot stand koming dezer acte wordt het bouwterrein door den ver-
kooper overgedragen en de crediet-hypothcek ingeschreven. Soms komt het
voor, dat de overdracht van het terrein eerst plaats vindt, nadat een deel van
het gebouw is opgetrokken. In dit laatste geval spreekt men van een voor-
loopig koop-contract. Oordeelden wij zooeven de bepalingen van het crediet-
contract in \'t algemeen niet buitengewoon bezwarend, zoo moeten wij integendeel
zeer bezwarend noemen de bolooning, die de credietnemer voor zijn credict
moet betalen. Deze wordt niet in \'t oorspronkelijke notarieel contract van
hy])otheek gestipuleerd, doch een onderhandsch contract bepaalt daarvan de
hoogte. De belooning bestaat uit verschillende bestanddeelen. In de eerste
plaats moet rente worden betaald. Deze bedraagt slechts zelden meer dan
5 percent. Maar bij die rente komt dan de verlengingspromie of provisio,
die ten minste { pCt. voor de drie maanden bedraagt. Want bij den
aanvang heeft de credietgever zijn crediet aan een tijdsduur gebonden, die
meestal te kort is, zoodat eene verlenging niet kan uitblijven. De commissie
heeft eene rekening onder de oogen gehad, waarbij eene groote credietver-
eeniging voor rente 5 pCt., voor verlengingsprovisie 1 pCt. per maand en
voor waarborgpremie aan haren agent 2 pCt. berekende.
Het geld voor den opbouw wordt aan den bouwer niet in eens, maar in
gedeelten verschaft, naarmate de bouw vordert. De eerste termijn wordt
betaald dadelijk na de overdracht van den grond en valt dus den grond-
eigenaar in handen. Voor het geval van die eerste termijn nog een bedrag
overschiet, wordt daaruit de aannemer van het heiwerk betaald. De bouw-
materialen moeten meestal op crediet worden gekocht. De verdere termijnen
volgen eerst, wanneer de hypotheek-maatschappij door hare agenten heeft
doen constateeren, dat de waarde van het gebouwde do uit te betalen termijn
vertegenwoordigt. Deze termijnen dienen in de eerste plaats om de loonen
der werklieden en de voorschotten van de kleine werkbazen te betalen.
Alleen hetgeen dan nog overschiet, kan worden aangewend tot gedeeltelijke
betaling der bouwmaterialen. De volledige afbetaling van de leveranciers
der bouwmaterialen zal — indien zij mogelijk blijkt — eerst later plaats
hebben. Voor de taxatie der waarde van het gebouwde gebruikt de hypo-
-ocr page 57-
55
thcekmaatschappij meestal den tusschenman, door wiens bemiddeling het
oorspronkelijke credietcontract tot stand kwam.
Is de credietnemer nu bij machte om aan do vorderingen der hypotheek-
maatschappij geregeld en op tijd te voldoen, dan zal hij na afloop van den
bouw pogingen in het werk stellen om zoo spoedig mogelijk van zijne be-
zwarende crediethypotheek bevrijd te zijn. Hij tracht dan wat men noemt
*een vasten post" te sluiten. Gelukt het hem een geldschieter daartoe be-
reid te vinden, dan wordt de schuld aan zijn vroegeren credietgever zoo
spoedig mogelijk afgelost. Gelukt dit hem niet, dan zal de eenig over-
schietende weg zijn om ten spoedigste zijn perceel te verkoopen.
In het bovenstaande werd de loop der crediet-operatie bij den speculatie-
bouw kortelijk beschreven. Thans is het zaak na te gaan, welke nadeelen
deze operatie oplevert voor de daarbij betrokken partijen en de bewoners
der gebouwde huizen. We zullen daarvoor achtereenvolgens de positie van
elk der personen nagaan, die bij den bouw betrokken zijn.
1°. De bouwer zelf. Hierbij moet onderscheid gemaakt worden tusschen
den bouwer met eenig kapitaal en hem, die dit totaal mist. Den eerste zal
het crediet-contract weinig ongunstige gevolgen baren. Hij betaalt wellicht
het crediet dum-, te duur, omdat hij daardoor gedwongen is op den bouw
te besparen, wil hij althans de financieele voordeden behalen, welke hij
beoogt. Hij verkeert derhalve in ongunstiger conditie dan een ander, die
den ganscheil bouw met eigen kapitaal heeft kunnen ondernemen. Met
eenig overleg echter zal hij den bouw tot een goed einde kunnen brengen
zonder zijne crediteuren te benadeelen. Dit is evenwel in het algemeen niet
het geval met de geheel onbemiddelde bouwers; het contract, dat voor den
ecnigszins bemiddelden bouwer geene grooto bezwaren opleverde, is voor
den eerste de oorzaak van allerhande misstanden. Hij lijdt voortdurend aan
kapitaalgebrek. Do geldschieter fourneert hem eerst weer kapitaal, wanneer
het gebouwde weder eene vermeerderde waarde heeft, die voldoende zekerheid
levert voor eene vermeerdering van het crediet. Elk oogenblik heeft hij kans
voor de mogelijkheid geplaatst te worden met den bouw uit te moeten scheiden.
Ten allen tijde toch — zoo luidt de bepaling in vele dier contracten —
is de credietgever bevoegd het crediet te doen ophouden. Bezit dan de
bouwer geen andere relaties, die hem dat willen verschaften, wat de oor-
spronkelijke credietgever weigerde, dan houdt de bouwer op en wordt het
gedeeltelijk voltooide gebouw geëxecuteerd. Er bestaan alhier maatschappijen,
die onder andere werkzaamheden ook ten doel hebben dergelijke perceclen
op te koopen, te voltooien on te administreeron. Soms zijn hot de maat-
schappijen, welke de crediethypotheek verstrekken, zelve, die de administratie
voeren van de perceclen, die zij in executie verwierven.
De executie is den onbemiddelden bouwer zelf niet tot nadeel. Immers
te verliezen heeft hij niets; zijn opzet met den bouw was dan ook meestal
niet eene woning te bouwen als financieele belegging, maar eenvoudig om
gedurende den bouw door de bouwpenningen te kunnen leven. De dupes
zijn de leveranciers en werkbazen.
-ocr page 58-
56
Voor vele bouwers rijzen de moeilijkheden reeds gedurende den bouw,
terwijl anderen het mislukken der bouwoperatie te wijten hebben aan de
omstandigheid, dat door hen niet spoedig genoeg een ,/vaste post" kan ge-
sloten worden en zij derhalve de veel hoogere renten en premies van de
crediet-hypotheek moeten blijven betalen. De volledige afbetaling der leve-
ranciers van bouwmaterialen kan dan niet geschieden, zooals men verwacht
had, uit de som, die de definitieve hypotheek meer zou bedragen dan het op
crediet-hypotheek werkelijk gefourneerde bedrag. De periodiek te betalen
renten worden te bezwarend en het gevolg moet zijn executie ten verzoeke
van de crediteuren.
Goede kansen op succes biedt de bouwoperatie eerst dan, wanneer de
bouwer uit eigen middelen het bedrag kan aanvullen, waarmede de bouw-
kosten en de grondprijs het op crediet-hypotheek verschafte bedrag overtreffen.
Hoe groot het daartoe benoodigde eigen kapitaal behoort te zijn, kan
de commissie moeilijk uitmaken. Maar zeker is het, dat den bouwers,
die een zeer gering eigen kapitaal bezitten, hetzelfde lot beschoren kan
zijn van de geheel onbemiddelden alleen met dat verschil, dat do eersten
het geringe kapitaal, waarvan zij eigenaars zijn, bij den bouw inschieten,
terwijl de laatsten niets te verliezen hebben en hunne nadeelige saldo\'s dus
afwentelen op de crediteuren.
De onbemiddelde of zeer weinig bemiddelde eigenbouwer kon alleen met
zijne bouwspeculatie slagen, toen nog een crediethypotheek gegeven werd, die
hooger was dan de bouwkosten en do grondprijs samen. Vijf en twintig
jaren geleden beleefde Amsterdam eene periode, waarin een gereed zijnd
huis meer opbracht dan hot gekost had. Allecu toen was het mogelijk bij
meegaandheid der taxateurs door het bouwcrediet alleen do kosten te dekken.
De bouwkosten van den onbemiddelden cigonbouwor moeten in het alge-
meen hoog zijn en hij zal daarom in allo opzichten op het werk moeten
bezuinigen. Immers de grondspeculant levert hem het bouwterrein voor
een prijs, waarvoor andere bouwers tot hiertoe niet begeerig waren to koopon.
De crediet-hypotheekbank en hare agenten verlangen hooge belooningen en
ten slotte eischen do leveranciers van hen hooger prijzen voor de bouwmate-
rialon dan van meer solide bouwondernemers. Daarbij komt dan dat dezelfde
eigenbouwer geen overwegend belang hoeft bij betere bouwvoorwaarden.
2°. De credietgever. De wijze waarop het crediet wordt verschaft, de
betaling namelijk der bouwpenningen eerst dan, wanneer het gebouwde na
taxatie het daarop geschoten of te schieten bedrag vertegenwoordigt, maakt
het voor den credietgever onverschillig, met welken credietnemer hij zijn
contract sluit.
De bepalingen van het bestaande hypotheekrecht zijn oorzaak, dat hij zich
om do vorderingen van andere bouwcreditcuron niet heeft te bekommeren.
Zonder elk govaar kunnen hypotheek-maatschappijen aan een geheel onbemid-
deldon en crediet onwaardigen bouwer bouwcrediet geven. Ja zelfs bij een
doelmatig gebruik van de uitbetaalde bedragen zijn zij nauwelijks geïnteresseerd.
De credietgevers kunnen om velerlei redenen juist belang hebben bij eene
geringe solvabiliteit van den bouwer. Van eenen insolvabelen bouwer toch
-ocr page 59-
57
kunnen in \'t algemeen voordeeliger voorwaarden worden bedongen. En komt
de grond later in executie, dan is de gelegenheid voor den credietgever
uiterst gunstig om alles machtig te worden tegen een prijs, welke beneden
de werkelijke waarde blijft.
3". De grondspeculant. Ook hij behoort tot degenen, die bij de credict-
hypotheek voordeel hebben. Heeft hij bij het bouwproces geen andere rol
te vervullen gehad, dan zal hij reeds zeker kunnen zijn door den bouwer op
tijd en ruim betaald worden. En is hij do persoon geweest, die eigenlijk
het middelpunt van de geheele onderneming uitmaakte, dan zijn zijne voor-
deelen nog grooter. Hij zette den bouwer tot den bouw aan en verkoopt
op deze wijze een grond, die anders nog niet verkocht zou zijn. Hij brengt
den bouwer in relatie met den credietgever, waarvoor hij niet eene provisie
van 2 pCt betaald wordt. Hij is de adviseur van de hypotheekbank en
ontvangt als zoodanig bij de achtereenvolgende taxaties op nieuw eene be-
looning.
4". De werkman. De eerste belanghebbende, die bij den loop der zaken
nadeel heeft, is de werkman. In de eerste plaats is de bouwer, die met
crediet-hypotheek werkt, gedwongen tot grooten spoed. Spoed eischt hij dus
weer van den werkman. De kwaliteit van het geleverde werk staat op den
achtergrond. Zoo spoedig mogelijk moet het oogenblik bereikt worden, dat
de vaste hypotheek kan worden afgesloten en de bouwer bevrijd wordt van
het betalen van de hooge renten en premies. En daarenboven loopt hij
steeds kans om bij déconfiture van den bouwer financieele schade te lijden.
In Duitsche groote steden, waar dezelfde Bauschwindel in de hand wordt
gewerkt door dezelfde wijze van crediet geven, is het financieele nadeel van
den handwerker dikwijls grooter dan hier. Immers worden daar de meeste
onderdeden van den bouw aangenomen door de arbeiders en de kleine bazen
op zulk een wijze, dat betaling eerst volgt, wanneer het werk is opgeleverd.
Hier echter zorgt in den regel de werkman, dat hij tenminste zijn standaard-
loon wekelijks ontvangt, ook al heeft hij aangenomen werk. Wat dus de
werkman ten onzent erbij kan inschieten, is het loon van de laatste week
en dat bedrag, wat het aangenomen werk meer zou moeten opbrengen dan
het standaardloon. Niettemin komt het volgens verklaring van deskundigen
veel voor, dat werklieden bij de verificatie in faillissementen van eigen
bouwers als crediteuren voor hun loon opkomen.
Ten slotte mag daartegenover niet onvermeld blijven, dat de werkman
tegenover den eigenbouwer een sterkere positie inneemt dan tegen een
anderen patroon. De speculatiebouwer nl. is veel eer geneigd aan de loon-
eischen van den werkman toe te geven.
5°. De leveranciers der bouwmaterialen. De grootste gevaren zijn aan den
kant van de leveranciers der bouwmaterialen. Zij beginnen met te leveren
op crediet, meestal zouder eenige zekerheid om integraal betaald te worden.
De grondeigenaar werd contant betaald, de credietgever bezat altijd voldoende
-ocr page 60-
58
waarborgen voor de nakoming der tegenover hem aangegane verplichtingen.
Maar de leveranciers van bouwmaterialen moeten meestal wachten, totdat
de definitieve hypotheek is afgesloten. En dan moet deze nog zooveel hooger
zijn dan de crcdiet-hypotheck, dat hunne vorderingen ook werkelijk daaruit
kunnen worden voldaan.
In den laatsten tijd gaan de grootere leveranciers, o. a. de houtkooper en
de steenfabrikant, er toe over niet te leveren dan tegen beding van tweede
hypotheek.
Tegen een eventueel verlies trachten sommige leveranciers zich te vrijwaren
door den onbeniiddelden eigen-bouwers hoogere prijzen te berekenen dan
anderen. De commissie vernam van een deskundige, dat gewoonlijk 20 pCt.
op de gewone prijzen werd gelegd. Andere leveranciers o. a. de steen-
fabrikanten vragen geene hoogere prijzen, maar leveren waar van inférieure
qualiteit, waarmede de eigenbouwers zich moeten tevreden stellen. De
nadeelen van die gedragslijn drukken hier niet de eigenbouwers zelven,
maar de bewoners van de door hen gebouwde huizen.
De leveranciers van bouwmaterialen en de onderaannemers hebben zich
ongeveer een jaar geleden alhier aaneengesloten om door samenwerking
hunne belangen te verdedigen. Zij richtten toen eene vereeniging op: //Een-
heid geeft Kracht", welke tot voornaam doel heeft, waar dit mogelijk is,
eene collectieve hypothecaire inschrijving te verkrijgen ten bate van de
leveranciers en de onderaannemers bij eenig bouwwerk te Amsterdam. Deze
vereeniging bestond nog te koi-t om over hare resultaten een oordeel te
kunnen vellen.
6". De bewoner» drr huizen. Na hetgeen wij hiervoren opmerkten, kun-
nen wij over dit punt kort zijn. Het doel der speculatiebouwers, die
zonder eenige eigen middelen bouwen, is niet het produceeren van een
rendabel eigendom, maar alleen om gedurende den bouw te kunnen leven en
in het allergunstigste geval bij liquidatie een klein bedrag over te houden.
Dat daarvan insolide woningen het onontwijkbaar gevolg zijn, spreekt van
zelf.
De onsolide eigenbouw is door de bovenomschreven wijze van crediet
geven mogelijk gemaakt. En de daaruit voortspruitende gevolgen treffen
den leverancier, den kleinen werkbaas en den werkman. Terwijl de hypothe-
caire crediteur zeker is van integrale betaling, loopeu de overige crediteuren
de kans een grooter of kleiner deel van hunne vorderingen te moeten op-
offeren.
Dit alles is een onontwijkbaar gevolg van het wettelijk voorrecht, aan den
hypothecairen crediteur verleend. In alle landen, waar eene gelijksoortige
wetgeving op dit punt bestaat, zijn dan ook de gevolgen dezelfde.
Vooral de Duitsche \') steden hebben van dezelfde kwaal te, lijden als de
onze. De toestand aldaar maakte een onderwerp van bespreking uit op den
20tcn Duitschen Juristendag. De afgevaardigden Bassekmanx en TON Cluny
dienden in 1896\' en 1897 bij den Rijksdag ontwerpen van wet in, welke ten
-ocr page 61-
59
doel hadden aan werkbazen en werklieden bescherming te verleenen tegen
de rechtszekerheid van den hypotheekhouder. En thans heeft de Duitsche
Regeering in December van het vorige jaar een avant-projet gepubliceerd,
dat tot titel draagt JSntwürje eines Gesetzes betreffend die Sicherung der
Bauforderungen.
De algemeene strekking van het ontwerp is om aan verschillende bij den
bouw betrokken personen onder zekere voorwaarden een voorrecht te geven
op de opbrengst van het gebouwde met uitzondering van den grond. Voor
den credietgever wordt de hypotheek gereserveerd op den grond en een
tweede hypotheek op het gebouwde.
Het ligt niet op den weg onzer commissie zich uit te spreken over de
wenscholijkheid eener wijziging der wetgeving ten onzent in die richting;
zij acht zich daartoe niet in staat. Wel echter meende zij de aandacht te
moeten vestigen op hetgeen in het buitenland als geneesmiddel wordt be-
schouwd tegen een misbruik van hot bouwcrediet, dat aan de commissie bij
haar onderzoek van vele zijden word aangewezen.
1)                                                    Cf.
a Fritz Flechtner: das Baugewerbe in Breslau. Lage des Handwerks in Deutsch-
land Bd. IX 1897.
b Prof. Dr. Oertmamn: die Bauhandwerkerfrage und der Entwurf eines Reichsge-
setzes betreffend die Sicherung der Bauforderungen in Braun\'s Archiv für Sodal-
politik und Statistik Bd XII H 1 1898.
c Dr. K.ARL von Ma.ngoi.dt: der Batischwindel in Bayern-Sociale Praxis, .lahrg. VI,
Nr. 2 (1890).
Miethkasernen und Bauschwimlel, ibidem Jalirg. VI Nr. 25 (1897).
Der Bauscbwindel und die Gesetzesvorschlage zu seiner Bekampfung, ibidem Jahrg
VII, Nr. 23 (1898).
-ocr page 62-
Bijlage G.
Amstebdam, 3 Maart 1898
Aan de Commissie tot onderzoek van de arbeidstoestanden
te Amsterdam, benoemd door den Gemeenteraad.
WelRdel Geb. Heeren,
In antwoord op Uw tot het Bestuur van de Maatschappij tot Bevorde-
ring der Bouwkunst gericht verzoek, heeft dit Bestuur de eer U mede te
deelen, dat de architekten in het algemeen het niet anders dan zouden
toejuichen, indien voor de uitvoering van bouwwerken ruimere termijnen
konden worden gesteld dan in de laatste tijden gewoonlijk, vooral vooruit-
gebreide werken, het geval is.
Afgezien van het onaangename, dat bij den geringen tijd die voor de uit-
voering bestemd is, de arbeid op het bureau van den architekt te snel moet
geschieden, is op de bouwplaats zelve zulk een overhaasting allerminst
gewenscht.
Het is den particulieren architekt echter in de meeste gevallen onmogelijk
een behoorlijken tijd voor de uitvoering van het werk voor te schrijven;
hij is gehouden zich te voegen naar de velerlei wenschen en eischen van
hen, die hem bouwwerken hebben opgedragen, en wordt zelfs genoodzaakt
boeten te bepalen om ook daardoor tot eene tijdige oplevering aan te sporen.
Het eenige wat in zijn vermogen ligt, is het uitoefenen van moreelen
drang, om den termijn van oplevering zoo ver mogelijk te verschuiven.
Daartoe bestaat ook meer dan één aanleiding, omdat overhaaste arbeid
nadeelige gevolgen heeft, èn voor het werk zelve, — hoe minder vlug ge-
werkt wordt, hoe beter hot werk is — èn voorde werklieden in het algemeen.
Laatstbedoelde nadeelige gevolgen, waaronder ook somwijlen het leveren
van timmerwerken door fabrieken buiten de stad waar het bouwwerk wordt
uitgevoerd, zelfs buitenslands, en het vergrooten van het aantal werklooze
werklieden, — ook die gevolgen zijn meermalen in vergaderingen van de
leden van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst en hare afdee-
lingen ter sprake gekomen. En daar is gebleken, dat de architekt, voor
zooveel hem mogelijk is, zeker zal medewerken om te trachten deze nadeelige
gevolgen te voorkomen.
Het Bestuur van de Maatschappij is dan ook gaarne bereid, met U die
pogingen te steunen, welke geacht kunnen worden het goede doel te
bevorderen.
Met de meeste hoogachting heeft het Bestuur der Maatschappij de eer
te zijn:
(get.) A. Salm G.Bzn. "
Voorzitter
ii C. T. J. Louis Riebee,
Secretaris
d. . (=>c*zs