-ocr page 1-
a
^Sc
AfS
.WIK U^P\'
Het ProèeOreyfus
GETOETST
AAN
WET EN RECHT
DOOR
Mr. A. A. DE PINTO
II
Revisie, tweede veroordeeling, gratie
\'s-GRAVENHAGE
GEBB, BELINFANTE
= 1899 =
^Bk
\\%V- ■■■■■<£■ ■• ■■•■ *H
tijnï&\'y
-ocr page 2-
-ocr page 3-
y*
-ocr page 4-
-ocr page 5-
AAN
WET EN RECHT
DOOK
Mr. A. A. DE PINTO
II
Revisie, tweede veroordeeling, gratie
\'g-GRAVENHAGE
G E B R. B E1,1 N F A N T E
= 189« =
RIJKSUNIVERSITEIT TE
A06000019036577B
1903 6577
-ocr page 6-
Gedrukt bfl F. J. BELINFANTE, voorh. : A. 1). ScHIKKKL.
-ocr page 7-
VOORWOOKD.
Met het oog op het goede onthaal, dat de eerste
reeks mijner DRKYFUS-arlikelen, na hun publicatie
in het „ Weekblad van het Recht" op hel laatst van
Februari
1898 als brochure verschenen, ook buiten
den gewonen kring der lezers van dit vakblad vond,
achtte ik het wenschelijk ecne tweede reeks van
artikelen, daarin over de latere geschiedenis van „de
zaak" opgenomen, op gelijke wijze en in denzelfden
vorm te verzamelen en uit te geven.
Ik iveet het, door de voorloopige pacificatie, die
de gratie bracht, is eene periode van rust ingetreden
in het
Dreyws-drama. De beroering, die het in
Frankrijk veroorzaakte, de spanning, waarin het de
gchccle beschaafde wereld, nu tvel twee jaren lang,
hield, is tijdelijk lot bedaren gekomen. Daaren-
boven, een andere kamp om het recht, de verfoeilijke
oorlog, die in deze dagen, met, helaas, nog altijd
onzekcren uitslag tegen onze stamgenooten in Zuid-
Af rika
wordt gevoerd, neemt ons aller belangstelling
schier uitsluitend in beslag.
-ocr page 8-
VI
Toch kan ik niet geloovcn, dat het proces Dbbyfus
iim onherroepelijk geëindigd is, dat, zooals Dr. M.
Stenglein, lid van het Duitsche Eijksgcrcchlshof,
het uitdrukt in de
Deutsche Juristen-Zeitung van
15 Octobrr jL, hel gordijn te Hennes voor goed is
gevallen voordat het stuk uit is.
Wal daarvan zij, de vier thans afgespeelde bedrij-
oen vormen, al volgt er geen vijfde, een hoofdstak
in de geschiedenis der strafrechtspleging van de ten
einde spoedende negentiende ecmo, dat door geen,
ander in belangrijkheid wordt overtroffen. Ik vlei
mij daarom, dat wat door mij vroeger en nu over
liet proces
Dkeyfus is bijeengebracht van cenig
blijvend belang zal kunnen zijn, ook dan wanneer,
wat nu het geval nog niet is, de zaak zelve voor
goed lot de geschiedenis zal behooren.
\'s-Gravenhage, 5 November 18\'JU.
A. A. DE PlNÏO.
-ocr page 9-
INHOUD.
Hl/..
Vóór de revisie.............      1
Het eerste arrest van het Hof van cassatie . .      9
Een en ander naar aanleiding der jongste Fransehe
gelegenheidswet............    19
Het vierde bedrijf en de voorloopige pacificatie .    oO
Bijlage, arrest van het Hof van cassatie van 3
Juni 1899..............    52
-ocr page 10-
-ocr page 11-
X
Vóór de Revisie.
(W. van 23 Sept. 1898, n°. 7170).
Het. ia onzen lezers bekend, dat de Fransche minis-
terraad, onder voorzitterschap van den President der
Republiek, in zijne zitting van Zaterdag 17 Sept. jl.
den Minister van Justitie gemachtigd heeft — eene
machtiging rechtens geheel onnoodig omdat volgens
de wet de Minister van Justitie hier zelfstandig en
op eigen verantwoordelijkheid handelt — den eersten
stap te doen om tot eene revisie in zake Drbyfus te
geraken.
Die eerste stap is de bijeenroeping der commissie,
welker advies de Minister ter voldoening aan art. 444,
2e lid C. d. I. C. (n i e u w) moet inwinnen, alvorens
— eene bevoegdheid, die hem alléén toekomt —
eene aanvraag om revisie te doen aan het hof van
cassatie in het geval van art. 443, 4° (n i e u w), lui-
dende:
Lorsque, après une condamnation, un fait viendra a se produire
on a révéler, ou lorsque dos pièees inconnues lurs des débats
Reront représentées, de nature a établir 1\'innoeence du comdamué.
Met het oog op deze wetsbepaling schreven wij onder
dagteekening van 23 Februari in W. 7079.
Ken nuvu m, een b e li o o r 1 ij k geconstateerd feit
of een vroeger onbekend stuk, kunnende strekken om
de onschuld van D. in, rechte te bewijzen, is tot nu toe niet
aan liet licht gekomen. De voorstanders van een nieuw, volledig
en openbaar onderzoek der zaak hebben dan ook voor het oogen-
blik hunne blikken afgewend van de revisie om die uitslui-
tend te richten op de cassatie als middel ter bereiking van
hun doel.
1
-ocr page 12-
2
Is er in de zeven maanden, verloopen sedert wij
dit schreven, in de zaak, beschouwd uit het toen aan-
gegeven standpunt, eene afdoende verandering geko-
men ? Is er nu minder grond tot cassatie volgens
art. 441, meer grond tot revisie volgens art. 448, 4°
I. C. dan toe? Wij zijn er niet ten volle van
overtuigd, ofschoon de Minister van Justitie om
welke reden dan ook van cassatie niet wil weten
en ofschoon nu reeds van regeeringswege de eerste
stap is gezet op den weg, die tot revisie kan leiden,
eene uitkomst, die men zich voor zeven maanden,
zelfs met de meeste optimistische verwachtingen, be-
zwaarlijk kon voorstellen.
Kon het na alles, wat het eerste proces Zola aan
het licht bracht (1), nauwelijks worden betwijfeld, dat
aan den krijgsraad in raadkamer vóór het vellen van
het vonnis stukken zijn overgelegd ten laste van den
beklaagde vroeger, noch later aan dezen of zijn ver-
dediger medegedeeld, dat dit werkelijk i s geschied,
wordt zoo goed als zeker door de t w e e d e akte
van beschuldiging in zake Dreyfus, de par-
lementaire rede van den Minister van Oorlog Ca-
vaignac, uitgesproken in de zitting der kamer van
afgevaardigden van 7 Juli jl., — de tweede akte van
beschuldiging, welke in tegenstelling met de eerste,
die door eene tot nu toe niet ontdekte onbescheiden-
heid eerst openbaar werd ongeveer 3 jaar na de veroor-
deeling, ingevolge besluit der Kamer in 36000 Fransche
gemeenten werd aangeplakt, al zonde nauwelijks eene
maand na deze zegevierende publicatie, deze nieuwe
openbare tentoonstelling van „den verrader" verloo-
pen zijn, toen reeds bewezen en erkend was, dat het
alles afdoende document, voor welks authenticité
rnatéridlc et morale
de Minister instond (2), de brief
(1)   Zie liet hoofdartikel van II\'. 7082 (2. Cassatie).
(2)   Journal Offiiiel van 8 Juli 1898. p. 1957, 3e kolom.
-ocr page 13-
van November 189(5, waarop ook reeds door de gene-
raals de Pellieux en de Boisdeitre een beroep was
gedaan in zake Zola, als kennelijk noodsehot tegen-
over de jury (3), niets anders was dan het werk van
een ellendigen falsaris.
Dit valsche stuk, gefabriceerd in November 189(5,
naar aanleiding der bekende interpellatie van den
afgevaardigde Castelin, het eenige der door den
minister aangehaalde, waarin de naam Dreykus vol-
uit voorkwam, kon natuurlijk geen dienst hebben
gedaan bij de beraadslagingen van den krijgsraad in
December 1894. Meer dan waarschijnlijk was dit wel
het geval met twee ook reeds van vroeger bekende
ongeteekende briefjes, waarin alleen de letter D. voor-
kwam. Immers, ook op deze twee briefjes, clir> nooit
ter kennis van den beklaagde of van M° Demange
waren gebracht, in verband met het nu erkend val-
sche stuk van November 1896, beriep de heer Cavaig-
nao zich met grooten nadruk. Daarentegen over „het
borderel", den grondslag der eerste acte van
beschuldiging, het borderel, het eenige aan
Dreykus en zijn advocaat medegedeelde stuk, het
„materieele" bewijs der schuld van den beklaagde,
het anker des heils van den regeeringscommissaris,
den commandant Brisset, toen alle „moreele" bewij-
zen hem ontvielen, in de t w e e d e akte v a n b e-
schuldiging, de ministerieele rede van 7 Juli
1898, geen enkel woord meer.
Als men dit nagaat, dan zoude men meenen, dat
er geen eenvoudiger en natuurlijker middel was en
is tot herstel van het grievende onrecht, in den aan-
vang van 1895 gepleegd, dan een aanvraag tot cas-
satie van het vonnis, op grond, dat daarbij recht is
gedaan op, althans na kennisneming van, den krijgs-
raad eerst in raadkamer medegedeelde, den beklaagde
!3) II\'. 7082, 1)1. 2. kol. 2.
-ocr page 14-
I
onbekend gebleven stukken. De tegenwoordige Fran-
sche regeering denkt daarover echter anders, en nu
de Minister van Justitie, gesteund door den minis-
terraad, den weg der revisie heeft ingeslagen, moet
men onderstellen, dat er werkelijk een novum, een
nieuw feit is, als bedoeld bij art. 448, 4° I. C,
dat deze rechtvaardigt. Wat dat nieuwe feit is
volgens des ministers opvatting, is tot nu toe, voor-
zoover ons bekend, niet bepaald gebleken, en het is
zelfs waarschijnlijk dat de minister hieromtrent eenige
reserve zal blijven inachtnemen totdat hij het rapport
der thans bijeengeroepen commissie van advies zal
hebben ontvangen.
Mag men echter aannemen, dat de heerCAVAiGXAc
het in zijne rede van 7 Juli jl. geïgnoreerde borderel
ook geheel had geabandonneerd, omdat hem gebleken
was, dat dit stuk niet was van de hand van Dreykus,
en verder dat de Minister van Justitie het in d i t
opzicht eens is met zijn vroegeren collega van
Oorlog, dan is er een nieuw feit, dat niet alleen
tot revisie, maar ook na de revisie op het renvooi
aan een anderen rechter tot vrijspraak moet leiden,
rmmers, staat eenmaal vast, dat het borderel niet
door Dkeyfus is geschreven, dan vervalt daarmede
eigenlijk ook het eenige feit, dat hem in het mees-
terstuk van den commandant ivOrmesciieviixe was
ten laste gelegd.
Toen er in de laatste weken voor het eerst ernstig
spraak was van revisie, is ook gewezen op het fal-
sum, gevolgd door den zelfmoord van den falsaris,
een der voorname getuigen in zake Dreykus, in ver-
band met art. 44;!, 3° I. C, dat revisie toelaat inge-
val een der gehoorde getuigen na de veroordeeling is
vervolgd en veroordeeld wegens valsch getuigenis tegen
den beschuldigde of beklaagde.
Aan toepasselijkheid dezer bepaling kon echter
niet worden gedacht, nu de overste Hf.NRY, al werd
-ocr page 15-
.->
door zijn in 189(> gepleegd falsutn en het herhaalde
bedriegelijke gebruik van het valsche stuk zijn in
1894 voor den krijgsraad afgelegd getuigenis zeer
verdacht (4), niet vervolgd of veroordeeld was wegens
valsch getuigenis in zake Dreyfus. Vervolging en
veroordeeling te dier zake zoowel als wegens de
twee jaar later gepleegde valschheid voorkwam hij
door den zelfmoord, waartoe men hem weinige uren
na zijn arrestatie, opzettelijk of bij gebreke aan de
meest gewone voorzorgen, in de gelegenheid stelde.
Intusschen is het de vraag, of de omstandigheid
zelve, dat de getuige, tegen wien een vermoeden van
valsch getuigenis is gerezen, te dier zake niet vervolgd
is kunnen worden wegens zijn overlijden of om eenige
andere reden niet als nieuw feit valt onder het
bereik van art. 44o, 4°. Met het oog op den tekst
der wet moge twijfel hier niet zijn buitengesloten,
haar geschiedenis pleit ondubbelzinnig voor deze ruime
uitlegging. In den oorspronkelijken tekst van het
ontwerp der wet van 8 Juni 1895, houdende nieuwe
regeling van de revisie in strafzaken, zooals deze was
(4) Hel wiis de commandant Hkniiv, die voor den krijgsraad
verklaarde, dat vóór de inbeslagneming van liet borderel stukken
waren ontvreemd op liet tweed • bureau van den generalen stuf,
en dat de schuldige aan deze ontvreemdingen — hij had liet van
een eerbiedwaardig persoon — was een oftieier van liet ministerie.
..Quelle persoinu; liomirable\';" vraagt Me. Dkmamjk. De getuige
weigert den persoon te noemen. Ken der leden van den krijgsraad
noodigt hein zelfs uit zich nader te verklaren, maar vruchteloos.
()[> dat oogenblik stuift DhkïfuS op, vragende: ,.Maur wie is
dan die persoon? Laat men hem hier brengen, hem hooien, hem
zien, wij zijn hier niet gesloten deuren, niemand zal zijn naam
weten. Xiets belet hem te laten komen". De getuige liet zich
door geen aandrang van den beklaagde of diens advocaat van zijn
stuk brengen, maar, zich omkeerende naar DltEïFTTS, sprak hij
op theatralen toon deze woorden: „Monsieur, je suis nfficier;
Ie képi dun soldat doit ignorer cc cpi\'il y a dans sa tête". Zulk
een zwetscrij moest dienst doen als getuigenis der waarheid. Men
zie het uitnemende geschrift van .Iistin Vaxkx : f\'ou /ifibfe. uu
non/
1,1. 20, 21.
-ocr page 16-
6
aangenomen door de kamer van afgevaardigden, was
uitdrukkelijk bepaald, dat in art. 443, é" nieuw
ook begrepen was het geval, dat de vermoedelijk
schuldige aan het feit, waarvoor een ander was ver-
oordeeld (no. 2), of de valsche getuige (no. 3), o. a.
wegens zijn dood niet meer kon worden vervolgd.
De Senaat schrapte deze uitdrukkelijke bepaling, niet
omdat zij haar onjuist, maar omdat zij haar over-
bodig achtte, vermits het geval, daarin voorzien,
van zelf viel onder de zeer ruime uitdrukking (les
lermes gencraux)
van nommer 4 van het nieuwe
artikel (5).
In slotsom.
Gesteld de vraag cassatie of revisie, dan blijven
wij, evenals in Februari, ofschoon wij erkennen, dat
de sedert verloopen zeven maanden belangrijke ver-
anderingen in den stand der zaak brachten, nog
altijd van ons juridisch standpunt de voorkeur aan
de eerste geven.
Voor cassatie bestaat onbetwistbaar een perem-
toire grond, waarvoor het overtuigend bewijs ruim-
schoots aanwezig is, terwijl het formeele bewijs daar-
voor licht zoude zijn te verkrijgen, als de Minister
van Justitie goed had kunnen vinden, wat hij niet
goed vond, zijn onderzoek daarheen te richten door een
verhoor van generaal Meuoikr, Minister van Oorlog
in 1X94, den man, die zijne noodlottige, om niet te
zeggen infame, boodschap aan den krijgsraad in raad-
kamer overbracht, de leden van den krijgsraad en
anderen wellicht.
Voor revisie zijn ongetwijfeld in den tegen-
woordigen stand der zaak ook goede gron-
den aan te voeren. Toch zijn deze in facto en in
(5> Zie meer in de auuteekeningen van .1. Dkpjsïges op ile
wet van 8 Juni 1895 in het Amimiire <h In létjislation fruttfaiêe,
XV (1895). bl. 112. noot 1.
-ocr page 17-
7
jure voor verschillende beschouwing vatbaar, en
schijnt daarom de goede uitslag der revisie, waartoe
nog slechts een eerste stap gedaan is, hoezeer wij
dezen ook wenschen, niet volkomen zeker.
Tot besluit nog dit.
Vele Fransche bladen, vooral die, welke eerst zeer
onlangs tot de herziening bekeerd zijn, en op hun
voetspoor onderscheidene Nederlandsche couranten
verkondigen de stelling, dat de schuld of onschuld
van Dreyfus „niets-hoegenaamd" met de vraag der
herziening te maken heeft.
Wij achten deze stelling maar half juist.
Zeker, indien het hof van cassatie eventueel het
vonnis van den krijgsraad vernietigt op grond van
art. 443, 4" I. C, dan is daarbij de schuldvraag niet
voor goed uitgemaakt, en zal deze opnieuw moeten
worden onderzocht door een anderen bij het in revisie
gewezen arrest aangewezen krijgsraad.
Toch is het vernietigend arrest van het hoogste
rechterlijk college een belangrijk praejudioiurn
iu het voordeel van den beklaagde. Men bedenke
toch, dat de vernietiging op grond van art. 443, 4°
alléén volgt, wanneer na de veroordeeling
een feit aan het licht is gekomen „van aard om de
onschuld (6) van den veroordeelda te doen
uitkomen" (de nature a établir l\'innocence du
condamné).
Het hof van cassatie erkent dus, het novum
aannemende als grond van vernietiging van het in
kracht van gewijsde gegane, door gewone rechtsmid-
delen niet meer aantastbare vonnis, wel degelijk het
bestaan van een vermoeden in het voordeel van den
veroordeelde, dat bij den nieuwen rechter zeer zwaar
moet wegen en dan ook in verreweg de meeste ge-
(6) Wij sptttieeren.
-ocr page 18-
8
vallen ten slotte zul leiden tot eene vrijspraak en
rehabilitatie van den beklaagde.
Revisie, gevolgd door eene nieuwe veroordeeling,
is rechtens niet onmogelijk; maar, zal het groote,
eigenlijk het eenige doel van dit heilzame reehts-
instituut, herstel van rechterlijke dwalingen, bereikt
worden, dan mag men vertrouwen, dat dit, ofschoon
mogelijk, tot de zeer zeldzame uitzonderingen zal
blijven behooren.
-ocr page 19-
Het eerste arrest van het hof van
cassatie in zake Dreyfus.
La véritu est eu marclie.
ZOLA.
I.
(W. van 2 Nov. 1898, »u. 7187).
Ziehier den tekstueelen inhoud van het arrest in
zake Dreyfus, Zaterdag jl. 2!) October door het hof
van cassatie na eene beraadslaging van drie en een
half uur gewezen en des namiddags ten vijf uur
door den president Loew in openbare zitting uitge-
sproken:
La Cour, vidant sou délibéré en uhambre ducunseil dans 1\'ufEaire
de revision Dbeyits, rend 1\'arrêt suivant:
Vu In lettre du garde des sceaux, en date du 27 septcmbrc
1898;
Vu lo réipiisitoire du procureur générul prés lii Cour de cas-
sution déiioncaut a la Cour la condiinniatioii prononcée par Ie
premier eonseil de guerre du gouvernement militaire de 1\'uris,
Ie 22 décenibre 1894. eontre Alkhkd Dkkyj-xs, alors capitaine
(1\'artillerie stagiaire a l\'état-inajor de 1\'armée;
Vu toutes les pièees du proces:
Vu également les artieles 443 a 445 du Code d\'instructioii cri-
minelle modihés par lil loi du 8 juin 1895 :
Sur lil reeevabilité en la fomie de la deniande en revision :
Attendu ipie la Cour est saisie par sou procureur genend en
vertu d\'un ordre expres du ministre de la justice, agissant après
iivoir pris Tavis de la eoiniiiission instituée par 1\'artiele 444 du
Code d\'instruction criminelle ;
Que la demande rentre dans les cas prévus par Ie dernier para-
graphe de l\'article 443; (ju\'elle a élé introduite dans Ie déltti
-ocr page 20-
10
fixé par Partiele 444; qu\'enfin Ie jugement dont la revision est
demundée a force de cliose jugée ;
Sur Fétat de la procédure:
Attendu que les pièces produitcs ne mettent pas la Cour en
mesure de statuer au fond et qu\'il y a lieu de piooéder ;ï une
instinct hm supplementaire,
l\\ir ces niotifs,
La Cour déclare la demande recevable en la forme;
Dit cju\'il sera procédé par elle a une instruction «upplcmen-
tuire ;
Uit n\'y avoir lieu de statuer, ipiant a présent, sur la demande
de M. Ie procureur général, tendant a la suspension de la peiue.
Rechtskundig belang heeft dit zeer sober gemoti-
veerde arrest niet, feitelijk des te meer.
] Iet bevolen nader onderzoek is in overeenstemming
met het advies van den raadsheer Bard, in overeen-
stemniing ook met de vordering van de civiele partij
Mevrouw Dreyfos, vertegenwoordigd door den advo-
caat MobnaRD, en de subsidiaire conclusie van den
procureur-generaal Manau, wiens principale conclusie
strekte tot vernietiging van het vonnis van den eer-
sten Parijschen krijgsraad d.d. 22 December 1894 nu
reeds en verwijzing der zaak naar een anderen
krijgsraad.
Rechtens is bij het gewezen arrest alleen de
ontvankelijkheid der voorziening uitgemaakt. Verder
is het arrest zuiver preparatoir, het beveelt alleen
een nader onderzoek; maar in de gegeven omstan-
digheden, die ieder nu heeft kunnen leeren kennen,
inzoover hij er vroeger niet reeds mede bekend was,
uit het uitgebreide rapport van den raadsheer Bard,
— „een model van duidelijkheid" zooals men ons uit
Parijs schrijft —, is de bevolen supplementaire
instructie van het uiterste gewicht.
Waarlijk, er was nu reeds stof genoeg tot vernie-
tiging van het in revisie aangevallen vonnis, met of
zonder verwijzing naar een anderen krijgsraad. Nieuwe
feiten waren in het rapport en het requisitoir vol-
-ocr page 21-
11
doende in het licht gesteld. De twijfel, om er niet.
meer van te zeggen, door nader gebleken onistandig-
heden opgewekt aan de juistheid van het advies van
de meerderheid der schriftkundigen van 1894, de
bekentenis van den falsaris Henry, de nu stellig
gebleken omstandigheid, dat hij het was, die in 1894
het „borderel" had aangebracht, zonder den agent te
noemen, van wien hij het zoude hebben gekregen,
dit alles en meer nog maakte het vonnis van 22
December 1894 verdacht in die mate, dat het, al
werd het dan ook nog niet dadelijk vernietigd door
het hoogste Gerechtshof, niet kan blijven be-
s t a a n. Maar alvorens die vernietiging uit te spreken,
heeft het Hof het volle licht willen doen opgaan ook
over de nu nog verborgen schuilhoeken van dit ge-
rechtelijk drama, zonder iemand of iets te sparen,
leder, die recht en gerechtigheid lief heeft, moet zich
verheugen over deze preparatoire beslissing van het
hof van cassatie. Dat zij de waarheid eindelijk ten
volle zal doen zegevieren, achten wij nu reeds zeker.
Eerst dan, het zal, naar het zich laat aanzien, niet
lang meer duren, zullen allen, voor wie er geen recht
is buiten de waarheid, verlost van de nachtmerrie,
die hen reeds zoo lang benauwt, met een vrij gemoed
kunnen zeggen : Tandem bona causa trlwmphat.
11.
(W. van 9 Nov. 1898, n" 7190).
Thans ligt voor ons het uitgebreid stenographisch
verslag der zittingen van het Hof ven Cassatie van
27—29 October, gelijk het is openbaar gemaakt in
de supplementen van Le Siècle van 28 —30 October.
Wij hebben van dit verslag met ongemeenc belang-
stelling kennis genomen. Welk een verschil met het
proces Zoi.a voor het Parijsche hof van assises. Men
-ocr page 22-
12
gevoelt zich hier in het heiligdom der justitie. Geen
uitingen van hartstocht, geen enkele interruptie
waar na de twee waardige magistraten, den raadsheer
Bard en den hoog bejaarden procureur-generaal
Manaij, de kundige en welsprekende advocaat Morxaru
aan het woord is. De waarheid, de geheele waarheid,
niets dan de waarheid, — dit is het doel, waarnaar
de drie begaafde sprekers als om strijd streven.
De geheele waarheid, ziedaar in drie
woorden de toelichting van het arrest. De w a a r-
h e i d, zeker men was haar reeds op het spoor, men
had haar reeds gevonden, nu na het falsuni van
Henby, den aanbrenger van het borderel, overtuigen-
der nog dan vroeger was gebleken wat wij reeds in
den aanvang van Maart schreven in W. 7082: „het
van den aanvang af zoo zwakke gebouw der beschul-
diging tegen Dreykus is tot puin vergaan". Het ver-
oordeelend vonnis van 1894 zoude dus reeds nu
kunnen zijn vernietigd, en de onschuld van den
martelaar van hot Duivelseiland zonder verder uitstel
kunnen zijn geproclameerd. Maar nu men op het
departement van Oorlog nog altijd achter slot en
grendel beweert te hebben geheime en ultra geheime
dossiers ten laste van den veroordeelde; nu na den
generaal Meruier, den man der achterbaksche pro-
ductie in raadkamer, nog vier ministers van Oorlog,
de heeren Billot, Cavaiunac, Zurlinden en Cu anoine,
altijd maar door blijven verkondigen, door niets
— ook niet door het faux Henby — in hunne over-
tuiging van Dbeyfus\' schuld te zijn geschokt, nu
eischt het algemeen belang die heeren in degelegen-
heid te stellen de gronden hunner overtuiging door
bewijzen — niet alleen door goedkoope phrases — te
staven.
Daartoe strekte het advies van den rapporteur
maar zoo luidde ook de welsprekend toegelichte con-
clusie van den vertegenwoordiger van mevrouw
-ocr page 23-
1->
■ •
Dreyfus, de edele vrouw, die na vier jaren bangen
maar onversaagden strijd geen vrijspraak, geen on-
schuldigverklaring, geen rehabilitatie van haar echt-
genoot vraagt noch wenscht voordat ,,een verblindend
licht" zal zijn opgegaan over de ontzettende rechter-
lijke dwaling van 18!>4 en de pogingen, nog steeds
aangewend om over haar noodlottige oorzaken den
sluier des geheims te werpen.
Ziedaar de ware toelichting der door hét Hof van
cassatie bevolen supplementaire instructie; maar
beter dan in onze woorden komt zij uit in het advies
van den raadsheer Bard en de mondeling toegelichte
conclusie van den advocaat Morkard, welke beiden
wij hieronder tekstueel ontleenen aan het stenogra-
phisch verslag der zittingen van 28 en 29 October.
Rapport van den raadsheer BARD.
De raadsheer Bard, in de zitting van 28 October
aan het woord om zijn rapport, dat de gehcele zit-
ting van 27 October reeds had ingenomen, voort te
zetten, sprak als volgt:
Messieurs. nous vous avons exposé hier les deux moyens de
revision invoqtiés: nous avons résumé Ie contenu des dossiers;
mms y avons joint les indications fournies par Ie lieutenant-colonel
Piuquart. indieations deiuandées |>ar Ie gouvernement et données
confidentiellement. inais que Ie garde des sceaux a cru devoir
inmmuniquer a la Cour et dunt il était impossible que vous
n\'eussiez pas eonnaissanee, ear vous ne devez rien ignorer.
Quï va faire ïnaiiiteiiant la Cour? Si vous renvoyez aujourd\'luii
Dreyfus devant uu autre eonseil de glierre, vous établissez d\'em-
Idée uu préjugé considérable en faveur de son iunocence, puisque
riioiinne qiii avait pris la responsaliilité de la provenance de \'a
pièee accusatrice a été convaincu de mauvaise foi et de faux dans
eette affaire inême, puisque 1\'expertise qui reconnaissait 1\'écriture
de Dreyfus est ruinée par les faits subséquents et uu examen
nouveau. L\'aecusation, qui ne pourra, eeei est a retenir, s\'appuyer
légalement que sur Ie dossier par vous examiné, 1\'accusation reste,
u notre avis, alisolument désarmée; elle 1\'est a tel point qu\'on
serail aniené ü se ileinander si on nedevrait pas niieux alors cassei
-ocr page 24-
14
saus renvoi, comme vous 1\'avez fait Ie 22 janvier dernier pour un
jugemenl ilu conseil de guerre d\'Alger dans nne affaire... au rap-
port de M. Ie consciller Bouillier. D\'une faeon ou de l\'autre, il
11"v a ]>liis d\'accusation possible.
..C\'est. dira-t-on, la reconnaissance de 1\'innocence du condam-
né". 1\'ivciséiiieiit, lépoiidoiiN-imus. Ni in> acqnittemcnt <loit inter-
venir. il ne faut pas qu\'il intervienne dans ces eonditions, il ne
faut pas qu\'il sorte de 1\'incertitude des expertises ni des lacunes
de rinstruction. ni de la confusiou et de lobscurité, qu\'il s\'appuie
encore sur une partie des faits. La vraie justice exige avant tont
la lumière: elle 1\'exige eneore plus lorsqu\'il s\'agit d\'un crime
contre la Patrie: il faut que la lumière soit faite. qu\'elle soit
eclatante ]>nur tnus les liommes de bonne f oi; lt»s au tres necomp-
tent pas.
Or. quelle que soit actuelleiuent votre impression personcllc.
vous n\'oubliere/. pas que Ie precedent ministre de la guerre Ie
général Zurliudcii. qui avait pu (ceci était écrit il y a quelques jours)
eonsulter la plupart des dossiers soumis a la Cour. s\'était opposé
a la ilemande de revision. Voici dans quels termes il fomiulait
sou opposition au ministre de la Justice, ü la date du 16 sep-
tembre dernier... Je vous lis sa lettre, qui n\'était évidemment pas
destinée n la publicité. parce qu\'elle précise d\'une facon complete
toutes les objections de 1\'autorité militaire contre la revision.
Volgt de hoogst onbeduidende brief d.d. 16 Sept.
1S9S van den minister van Oorlog, generaal Zur-
linden, aan zijn collega van Justitie, de redenen ver-
meldende waarom hij is tegen eene aanvraag tot
revisie van het vonnis van 1894, nu ,.geen enkol
vermoeden van onschuld" dit heeft verzwakt, maar
integendeel „nieuwe bewijzen van schuld" dit hebben
versterkt. Men moet het maar durven schrijven. Het
papier is overigens geduldig.
Met een tint van ironie vervolgt de rapporteur:
Xcus ne prétendons pas que les arguinents de cette lettre soient
s.\'n1 réplique. Il n\'en résulte pas moins qu\'il une date récente
1\'autorité militaire repoussait encore la revision. Nous estimons
que reviser sans mime une enquête préalable serait ne pas avoir
suffisamment égard a sa longue résistance efc a ses scrupules.
Il convient donc d\'étudier la cause, d\'en vérifier la valeur dans
eet esprit d\'impartialité qui préside a tous vos travaux.
-ocr page 25-
IS
De rapporteur treedt nu in eenige bijzonderheden
om van zijn ruim en onpartijdig standpunt aan te
toonen, dat de zaak nog niet in staat van wijzen is
en besluit aldus:
L\'affaire est donc fort loin d\'être en état. Qui peut et doit In
mettro en état \': La 1 <>ï est formelle a eet égard: elle n\'a pas
voulu i[iie oe f At [\'autorité judiciaire dimt les actes simt mis en
question, et rien nest plus sage. On com[>rend. en effet, que ceux
qui ont pris parti dans nne affaire, qui consciencieuaement ge int
arrivés a la conviction dunt ils sont aniinés peuvent diffieilemenl
exaininer avec d\'autres yeux et reapril libre d\'idérs préconcucs.
Quant a vous. messieurs. vous poussez si loin la préoccupation
de la liberté d\'esprit du juge que, dans une cause célèbre, celle
du crime de la Mancarde, vous avez dessaisi dun incident se
rattaeliant a l\'affaire la Cour d\'appèl qui, dans Ie premier proces.
avait rempli sa mission avec la plus scruptdeuse impartialité.
liiiin de diniinuer ainsi 1\'autorité morale d\'uu grand corps judi-
ciaire. vous alliez au devant des scrupules les plus délicats de
sa eonscience.
Aujourd\'hui. eest 1\'application même de la lui que de déssaisir
1\'autorité militaire de 1\'instruction du proces Dreyfus: c\'est a
vous, et a vous seuls. que la loi contie Ie soin d\'instruire l\'affaire
soit par vous-mêmes, soit par ceux dont vous requerrez Ie concours
dans la forme legale. „La cour. dit la loi, procédera directement
ou par commission rogatoire a toute enquête sur Ie fond : con-
frontation. reconnaissanees d\'identité, interrogatoires et autres
niovtns propres a mettre la vérité en évidenee".
Mettre la vérité en évidenee. voila la mission que vous imposc
la loi; vous 1\'aecomplirez. Combien 1\'oeuvre sera delicate, il est
superHu de Ie dire : vous êtes tixés a eet égard. Mals que cepuisse
ètre uu motif de vous dérober, personae ne 1\'admettra, et vous
1\'admettrez moins que personne. 11 y a eu assez de défaillaticcs
dans cette trop longue série d\'incidents déplonibles. Dégagés de
toute autre conxidérntion que celle de la justice, inaccessibles ii
toute suggestion, insensililes aux menaces comme aux outrages,
vous êtes en présence d\'un grand devoir. Vous apprécierez cc qu\'il
exige et vous ferez ce que votre eonscience vous dictera.
Notre tache persniinelle est tenuinée.
Conclusie en pleidooi-
De advocaat Mornaujj besloot zijne zeer uitgebreide,
-ocr page 26-
10»
maar als een bus ineensluitende schriftelijke conclusies
aldus:
Attcudu. que 1\'exposante repnusse toute é<|iiiv<xjue. que, défen-
dant avant timt 1\'lionneur de bod inari. elle entend faire 1ü pleine
lumière, et arriver si la revision pour la discussion et la destruc-
t ion de toutc objeution proposée;
Par ces motifs,
Déclarer recevalile la demande de revision contre Ie jiigenieni
dn lev conseil de guerre ile Paris dn 22 décembrc 1894.
Ordnnner mie instrnction conformément » 1\'articlc 445 dn (\'(Mie
dinstriictoin ciimincllc „pnr tous moven* propre* a mettre la
veiité en évidenee".
Ordnnner, d\'ores et déja. a eet efïet. la production de:
1°. Dossier dn conseil d\'enquête (|iü si mis en réforme Ie com-
inanilant Ksterliazv :
2°. Dossier du conseil d\'enquête qui a mis en réforme leliente-
nsint-coloiH\'I 1\'iijuart :
3°. Dossier de la mise en non-activité du lieutenant-colonel du
Paty de (\'lam ;
4°. Dossier de la poursuite correct ionelle contre Ie lieutenani-
colonel l\'ici|iisirt et l\'sivocat Leblois pour prétendue contrareutiun
•1 la loi dis 18 avril 1886:
5°. Dossier de la poursuite contre Ie lieutenant-colonel Picqunrl
pour prétendu faux 011 usage de faux:
6°. Dossier invoqué par Ie général Zurlinden et discuté par ie
rapport de lieutenant-colonel Pioquart, dit ..dossier secret":
7°. Les trois pièces fausses fabriquées par Heiirv et invoquées
dans Ie discours ministeriel du 7 juillet 1898:
8C. Kt d\'une maniere générale toutes pièces. quelles puissent
ètre invoquées a charge et a décharge, susceptibles de faire la
pleine lumière.
Hierbij sloot zich aan de epiloog van het pleidooi,
die wij tot besluit tekstueel onder de oogen der lezers
van het Weekblad wenschen te brengen:
J\'ai terminé, messieiirs. et. parvenu au terme de la route trop
longue que j\'ai dö parcourir. je reniercie la Cour de la bienvcil-
lante attention (pi\'elle in\'11 si libéralement accordée.
M\'adressant a votre raison, je cruis avoir démontré que la base
legale de lu condamnation proncmcée contre Drcyfus est iiujour-
d\'liui irrémédiablement ruinée par les faits nouveaux (ini se sont
-ocr page 27-
17
révélés, que les objections formulées a la demande de revision
par M. Ie ministre de la guerre Zurlinden ne simt que des argu-
meiits chancclants, mais que, néanmoius, en présence de cel te
conviction, en présence de eette appréciatien du ministre de la
guerre, il est absolument indespensablo qu\'une instruction soit
faite pour faire luire aux yeux de tous la Iumière et la vérité.
I\'eut-être, messieurs. en terminant, me sera-t-il permis niainte-
nant de m\'iulresser a vntre ei>eur et de vous demander si réellc-
ment vous sentez une liypoerisie, line eomédie dans eette longue
et doulomeiise protestation d\'innoeenee qui s\'éeliappe depuis prés
ile ipjatre années de la prison de Dreyfus, si vraiineut vous sentez
une nature basso et vile dans eet liomine, qui enurhé et blamlii
par Ie eliiigi\'in, ne xouge quïi la douleur des siens et a la ïiiuni-
fostation de la vérité, si vrainiont vnus sentez uu trailiv dans eet
IniiniiH\' a <|ui tont souriait, avenir, fort une. familie, qui a tuut
perdu et, qui ne pleure que son lionneur!
Messieurs, je ne veux pas entrer iei dans Ie. domaine de la psy-
eliologie oiï il\'ailleurs toutes les aueusations portées contre Dreyfus
se lieurtent partout a des impossibilités absolues, la conduite Ie
Dreyfus avant, pendant et aprèg Ie proeès, demeurant pour tous
ses acciisatetirs une indéehiffrable élligme; j\'eiitcnds rester sur n\'
terrain jiiridiquc et sur Ie terrain de la demonstratie» en fait.
La Cour entend liien que je n\'apporte a eette. barre au mini de
mes malhciircux clients aueune protestation. aucun eri d\'acerbo
réerimination. Une erreur a été eommise. il en sera eoiuinis.
belas! tant que les hommes resteront des hommes!
Ce que nous vous ilemaudons seuleinent. eest la mise en Iumière
do eette erreur; mais oe.fe Iumière. messieurs, nous la voulons
pkine et eiilière. nous la voulons éelatante. nous la voulons aveu-
riante ; et vous la ferez. messieurs, eette Iumière, vous la ferez.
non seuluinent aveu notie concours, mais avee Ie concours deceux-
ia-iuêines qui se proclaiuent nos adversaires et qui s\'aftirnient nos
cmicniis les plus acliarnés.
Nous ne suspectons la sineérité des eonvietions de personne,
mais les eonvietions sincères ne craignent pas la. discussion. Cis
eonvietions, on vous les apportera donc avec preuves a 1\'appui :
nous les diseuterons, vous les apprécierez et la Iumière jaillera.
Messieurs, il vous appartient aujourd\'hui do dire Ie dernier mot
sur eette affaire, ü\'est gr&ce a vous, grace a votre haute autorité,
si noblemt\'iit cxereéo. grace a 1\'iilée de suprème justice qui vous
inspire que peu a peu Ie ealme et la paix reuaitront entin dans
tous les esprits de bonne foi.
\'2
-ocr page 28-
IS
Jamais peut-être votre grande nrission n\'est apparu plus haute
et plus sacrée. C\'est plein de uuntiance et rassuré que je m\'en
ïeinets ii vuns du soin de r.oceomplir.
Waardiger en indrukwekkender taal kon voor het
hoogste gerechtshof niet gevoerd worden, voordat liet
zich in raadkamer begaf ten einde het arrest te
wijzen, dat den weg opent om eindelijk het volle
licht te brengen in de zaak, die nu reeds gedurende
vier jaren het publiek geweten in en buiten Frankrijk
verontrust.
-ocr page 29-
Een en ander naar aanleiding der
jongste Fransche gelegenheidswet.
(W. van 7 April 1899, n°. 7254.)
De tekst der beruchte Fransohe gelegenheidswet,
die in haar eenig artikel eene hernieuwde
lezing inhoudt van art. 445 (lid 1 en 2) C. d\'I. C,
waarvan — evenals van de artt. 443, 444, 446 en
447— eene nieuwe lezing werd vastgesteld hij de wel
doordachte revisievvet van 8 Juni 1895, luidt als volgt:
Artlrfe imii/iir. — Les deux premiers para.graphes de 1\'artiule
445 dn dode d\'instruction criminelle sont remj)lacés par Uw dispo-
sitions suivuntes;
Kn eas de recevabilité, Ia cliambre criminelle statuera sur Ja
demaiide en revision si 1\'affaire est en état.
Si 1\'affaire n\'est pas en état, la ehambre criminelle procèdera
directement ou par commissions rogtitoires, u toutes enquêtes sur
ki fond, uoiifrontations, reconnaissances d\'identité et moyens pro-
j,\'ivs a mettre la vérité en évidence. Après la fin de 1\'instruction,
il sera alors statué par les chambres réunies de la cour de cas-
sation.
Lorsque 1\'affaire sera en état, si la chambre criminelle, dans
Ie eas du paragraplie Ier ci-dessus, ou les chambres réunies, dans
Ie cms du paragraphe 2, reconnaissent qu\'il peut ét re procédé a
de nouveaux débats contradictoire*, elles annuleront les jugements
ou arrêts et tous aetes qui feraient obstacle a la revision ; elles
fixeront les questions qui devront être jiosées et renverront les
accusés cm prévenus, selon les cas, devant une cour ou mi tri-
bunal autre que ceux qui auront primitivement connu de 1\'affair».
De wet werd door den Senaat in haar zitting van
1 Maart 1899 na een driedaagsch debat, waarin
mannen als Bkrengkr en Waldeck Roüsseau, in
schitterende redevoeringen, er te vergeefs hunne ver-
-ocr page 30-
•20
nietigende kritiek over uitspraken, aangenomen met
155 tegen 125 stemmen. Reeds daags daarna (2
Maart) werd zij afgekondigd in het Journal officicl
en volgens den regel van art. 1, 3e lid, C. C. was
zij dus den oen Maart verbindend te Parijs, al zoo bij
name ook voor het Hof van Cassatie.
Vier jaren ongeveer had de wet van 1895 onge-
wijzigd gegolden. Een betrekkelijk vrij aanzienlijk
aantal revisies was in dat tijdperk volgens de onge-
wijzigde wet behandeld. Nooit had men in die zaken
iets vernomen van haar verkeerde werking. De
wijzigingswet werd dan ook niet voorgesteld, omdat
de ongewijzigde wet slecht zoude hebben gewerkt
in de met inachtneming van hare voorschriften
afgedane zaken, maar enkel en alleen omdat men
zich bevreesd maakte voor hare onvoldoende werking
in eene bij het hof van cassatie aanhangige, reeds
in staat van wijzen gebrachte zaak. Men achtte het
namelijk noodig „pour 1\'apaisement et dans 1\'intérót
public" (1) — het belang van den beklaagde, dien
men door het geweld der wet aan zijn rechter ont-
trok, bleef daarbij buiten overweging -- deeindbe-
slissing op de aanvrage om revisie van den afgetreden
minister Sarbien in zake Drkykus, midden in de
behandeling, van de strafkamer, daarmede door de
geldende wet belast (art. 444, 3e lid), over te dragen
op de vereenigde kamers, al is het op zich zelf reeds
een avontuurlijk denkbeeld de beslissing van een
proces op te dragen aan 49, zegge .negen en
veertig rechters. En dit deed men nog wel in
overeenstemming met het advies van den eersten
president van het hof van cassatie (2), die, zonder
(1)  Rede van <)en minister Lgbrbx in den Senaat.
(2)   De president-senator Ma/.kai , die echter, toen liet er op
aankwam zijn meer politiek dan juridisch of magistraal advies
in den Senaat te verdedigen tegen do scherpe kritiek van velen
zijner collega\'s, daar alleen door zijne afwezigheid schitterde.
-ocr page 31-
21
„de goede trouw" en „de eerbiedwaardigheid" (l\'hono-
rdbilité)
van zijne collega\'s in de strafkamer in ver-
denking te brengen, toch de vrees uitte, dat zij in
de zedelijke vrijheid om in deze bepaalde zaak recht
te spreken zouden worden belemmerd, eensdeels door
de beleedigingen, waaraan zij hadden blootgestaan,
en anderdeels — wij laten deze insinuatie liefst
onvertaald — als „entrainés pour la plupart dans
des courants contraires par des préventions qui les
dominent a leur insu". Heel duidelijk is deze laatste
phrase niet, maar toch duidelijk genoeg om met een
fraaien aanloop te kennen te geven, dat de eerste
voorzitter van het hof van cassatie de strafkamer
in haar geheel achtte te verkeeren in wat art. 542
C. d\'I. C. noemt een staat van wettige verdenking
(suspicion légitime). Is dat het geval met andere
strafrechters, dan verwijst het hof van cassatie de
zaak, waarin de verdenking rees, naar een rechter
van gelijken rang. Welnu, deze wet had geen ander
doel dan om, met aanvulling van wat men geliefde
te noemen eene leemte in de bestaande wetgeving,
door tusschenkomst der wetgevende macht, nu er
geen hooger rechterlijk college bestond om dit te doen,
aan de verdachte strafkamer haar taak in de aan-
hangige zaak uit handen te nemen. Dit thema werd
met groote virtuositeit uitgewerkt door den heer Bis-
seuil, rapporteur der commissie in den Senaat. En
toch bepleitte deze heer met andere voorstanders der
wet in vollen ernst de stelling, dat men hier niet te
doen heeft met eene gelegenheidswet, o. a. op dezen
fraaien grond: „Vous n\'êtes pas en présence d\'une
loi de circonstance, car elle survivra a la circonstance
qui 1\'aura fait naitre" (3).
Zulke argumenten en meer van gelijk gehalte zijn
werkelijk geen wederlegging waard. Het is de evi-
(3) Rede van den lieer Lamahzklle.
-ocr page 32-
22
dentie zelve, dat men hier te doen had niet alleen
met eene gelegenheidswet, maar tevens met eene wet,
die volgens de bedoeling van haar auteur terugwerkt
in den meest odieusen vorm. Men heeft getracht ook
dit, ofschoon het klaar is als de dag, te betwisten.
Voor deze betwisting moest dienst doen de bewering, dat
de nieuwe wet alleen betrof den vorm van het proces,
in welk geval de stelling juist zoude zijn geweest,
dat zij, zonder terug te werken, ook op bij hare
invoering aanhangige zaken kon worden toegepast (4).
Over deze bewering heeft Bérenger reeds recht
gedaan in den Senaat, waar hij onder meer zeide:
C\'est mie simple loi de procédure-, ajoute-t-ou. Ah ! entendons-
nous. mie loi de procédure jusqu\'a présent j\'avais compris que
e\'était celle qui modiliait quelques unes des formes de la procé-
dure, inais saus toucher au juge.
Croyez-vous que Ie choix du juge üeiine a la procédure? Je ne
1\'avais point entendu dire encore. On Ie déclare cependant aveu
assurance, et je suis heureux, d\'apprendre que c\'est la un des
principaux argument» sur lesquels se fonde 1\'opinion que je com-
bat, «ir il est facile a réfuter.
La loi qui change Ie juge n\'est point une loi de procédure,
c\'est une loi de juridiution ; elle constitue en conséquence une
violation formelle d\'un des principes que la constitution de 1852
elle-niènie a reconnus comme Ie droit public intangible des
Francais.
Inderdaad, de bevoegdheid des rechters om van
eene zaak kennis te nemen wordt gefixeerd op
het oogenblik zelf, dat deze bij hem aanhangig wordt
gemaakt. Een latere wet kan dus de ingevolge de
vroegere bij hem aangebrachte zaken niet aan zijne
kennisneming onttrekken, zonder terug te werken.
Nu lag dit niet alleen in de bedoeling dergelegen-
heidswet van den heer Lehret, maar het eenige en
(4) Vgl. art. 56 van onze transitoire wet en A. A. UK 1\'iM\'u
in zijn supplement op Mkijkh\'m 1\'rincijie* .-»/• let quettion*
tmu«itoiicg.
(Leiden, 1858). p. 147—150.
-ocr page 33-
2?,
erkende motief dezer wet. waarbij over niets andera
dan over de zaak Dreyfus gesproken werd, was deze
aan de strafkamer van het hof van cassatie, door wie
zij in staat van wijzen was gebracht, te onttrekken.
Vreemd genoeg echter, dat de wet zelve die terug-
werkende kracht, die onmiskenbaar in des wetgevers
bedoeling lag, niet uitsprak. Nu dit het geval niet
was, nu in de wet geen uitzondering werd geschreven
op den regel van art. 2 C. C. (5), moest die regel
gelden, en had het hof van cassatie dus, streng ge-
nomen, moeten weigeren de nieuwe wet toe te passen
op de tijdens haar inwerkingstelling bij de straf-
kamer aanhangige zaak Dreyfus. Men springt echter
in deze zaak met het recht en de meest elementaire
rechtsbeginselen zoo wonderlijk om, dat het den besten
■uristen wel eens begint te schemeren.
Dit over de retroacticiteit der nieuwe wet. Nu nog
een en ander over een paar belangrijke vragen,
waartoe hare toepassing aanleiding geeft: de eene
nog onbeslist, de andere reeds uitgemaakt bij het
arrest van het hof van cassatie over het wrakings-
incident.
Vooreerst, de nog onbesliste vraag.
Kan het hof van cassatie, termen vindende tot
revisie, ook onder de nieuwe regeling, de zaak zelf
afdoen zonder renvooi ? In Frankrijk schijnt men
vrij algemeen onder den indruk te hebben verkeerd,
dat het, nu wet geworden, ontwerp Lebrkt een ont-
kennend antwoord gaf op deze vraag. Onder dezen
indruk schreven wij ook in het hoofdartikel van W.
7233 (6), dat vermoedelijk „het hof van cassatie de zaak
Dreyfus zelf zoude hebben afgedaan, ware het geweld
der retroactieve wet niet tusschen beide getreden".
(5)  La loi nc dispose que pour 1\'avenir, elle n\'a point d\'effet
létnmetif.
(6)  Dat artikel is in deze verzameling niet opgenomen. Hei
betrof onze nieuwe revisiewet.
-ocr page 34-
24
Bij nadere overweging beantwoorden wij de vraag
in anderen zin.
Het is waar, art. 445, 3e (oud 2e) lid I. C. stelt
als regel, dat het hof in vereenigde kamers, de aan-
vraag om revisie gegrond bevindende, de zaak tot
een nieuw contradictoir debat verwijst naar een
anderen rechter (hof of rechtbank) dan die daarvan
vroeger heeft kennis genomen; maar dezelfde
regel stond met dezelfde woorden geschreven in
het 2e lid van art. 445, zooals het van 1895 tot 1899
heeft gegolden. Na den regel van het 2e volgde
echter de uitzondering van het 5e (nu 6e lid) van
art. 445; „Si 1\'annulation de 1\'arrfit ü 1\'égard d\'un
condamné vivant ne laissc rien subsister qui puisse
être qualifié crime ou délit, aucun renvoi ne sera
prononcé". Aan deze uitzondering is bij de jongste
revisie der revisie niet geraakt evenmin als aan den
regel. Alzoo is zij met den regel van kracht gebleven.
Wij zien eigenlijk niet in, welke grond redelijker-
wijze voor het tegendeel kan worden aangevoerd.
Daarom kunnen wij de vraag laten rusten, of, gelijk
door den senator Tiiksaru, oud-deken der juridische
faculteit te Poitiers, is beweerd, niet bij de discussie
in den Senaat maar later in eene Fransche courant,
niet reeds het 4e (nu 5e) lid van art. 445 mede-
brengt, dat, bij aanneming der revisie, het hof van
cassatie de zaak „au fond" moet afdoen. Dat lid
namelijk voorziet in het geval, dat een nader mon-
deling debat tusschen alle pa r tij e- n onmogelijk
is, bij name „en cas de décés, de contumace ou de
défaut d\'un ou de plusieurs comdamnés" enz. (7).
Nu is beweerd, dat deze bepaling ook hier hare
toepassing moet vinden, als het hof van cassatie tot
de overtuiging komt, dat vermoedelijk Dkeyfus on-
schuldig Esteriiazy, als auteur van het borderel,
(7) Kr worden meer voorbeelden genoemd, maar de bepaling
luidt niet limitatief.
-ocr page 35-
25
schuldig is aan het landverraad. Deze bewering
steunt dus op de onderstelling, dat Esterhazy, door
de strafkamer als getuige gehoord, eigenlijk partij
is in het revisie-proces. Deze onderstelling schijnt ons
onjuist, maar om de reed3 opgegeven reden gaan wij
daarop thans niet verder in.
En nu de wraking.
Art. 444, 2e lid, bepaalt, dat de drie leden van het
hof van cassatie, die, met de „directeurs" van het
departement van justitie, den minister, hoofd van dat
departement, van advies dienen over de aanvragen
tot revisie, jaarlijks door het hof worden aangewezen
buiten de strafkamer, die volgens de wet van 1895
alléén en uitsluitend bevoegd was om van die aan-
vragen kennis te nemen en daaromtrent te beslissen.
Deze zeer rationeele bepaling was in 1895 op voorstel
van den senator Mazeau, destijds reeds president van
het hof van cassatie, in de wet opgenomen met het
kennelijk doel om de leden der strafkamer, geroepen
om als rechters over de revisie te beslissen, niet in
eenig opzicht, bewust of onbewust, in hun vrij en
onbevangen oordeel te belemmeren door een vooraf-
gaand advies, in welken zin ook, als leden der con-
sultatieve commissie uitgebracht.
Hoe zoude het nu gaan onder de nieuwe wet, die
aan het Hof in p 1 e n o de beslissing over de
revisie opdroeg, ingeval er een voorafgaand onderzoek
heeft plaats gehad ?
De senator Demóle wenschte dit stellig te zien
uitgemaakt door het volgend amendement:
Lorsque les chumbres réunies a la Cour de cassation seronl
appelées a statuer, les trois magistrats <|iii aurunt fait partie de
Il commission instituée par Ie deuxième paragraphe de Partiele.
444 du Code d\'instruction criminelle pour donner son avis sur
la demande on revision, ne poiuTtmt concourir au jugement de
l\'affaire.
Dit amendement werd verworpen. Waarom echter ?
-ocr page 36-
26
Niet omdat het onjuist maar omdat het o v er-
bod i g werd geacht. Dit blijkt onmiskenbaar uit
het hieronder volgend advies van den heer Guérin
president der senaatscommissie, met welk advies de
president-minister, de heer Dopdy, zijne instemming
uitsprak.
Je cruis que 1\'article 444 du Code d\'instruction eriminelle, que
M. Dk.mölk invoque, tranche lui menie In quertioH qui est
inscrite dans son amendement. Cet article dit que lis deinaudes
en revision ne seront déférées ïi la Cour de cassation ((u\'ajuès
avoir j>"is préalaldeinent 1\'avis d\'une coininission eonsultative coni-
posée des direeteurs du ministère de Ia justice et de tiois con-
seillers qui ne feronl point part ie de la eliamlire eriminelle.
Cela tracé aux mac/istmts leur devoir. Cela veut dire que, dans
la pensee du législatew. les couseillcrs qui ont été appelés a
dunner un avis dans lu eomniission eonsultative ne devront
point faire part ie de la chambre qui statuera sur Ie fond.
Kt Ie Sénat approuve :
Tres bien ! tiès Itien ! sur divers bancs.
Je dis, poursuil M. Oiéhin\', que cet article, en trneaiit mix
ntagUtrats leur devoir,
rend inutile et superflue la disposition
ildditionnelle.
Met het oog op deze ondubbelzinnige verklaring,
was het niet al te gewaagd van den schrijver in Ie
Siècle
van 3 Maart, waaraan wij het bovenstaande
ontleenen, te spreken van: „Question tranchée".
Toch zoude zeer spoedig blijken, dat het hof van
cassatie termen vond de vraag uit te maken in
geheel anderen zin dan in de aangehaalde woorden
werd bedoeld.
De raadsheeren Petit, Lepelleïier en Sallantin,
leden der consultatieve commissie in zake Dreyfus,
meenden zich niet te moeten verschoonen van de
kennisneming dezer zaak als rechters. Zij werden nu
door mevrouw Dreyfus bij monde van haar advo-
caat, Mc Mornard, gewraakt. Deze wraking werd
echter, gelijk bekend is, door het hof verworpen in
-ocr page 37-
27
strijd met de conclusie van den Procureur-Generaal
Manau. Dit arrest is zeker, ofschoon men het alge-
meen anders had verwacht, verklaarbaar en zelfs
verdedigbaar voor allen, die hechten aan eene ge-
strenge uitlegging van den tekst der wet, zonder
rekening te houden met des wetgevers daarin
niet uitgedrukte bedoeling. Het bewijst dan
weder eens voor de zooveelste maal, dat één woord
in de wet meer waard is dan honderd woorden, bij haar
tot stand komen, uitgegaan van de verschillende
factoren der wetgevende macht, eene les uit den
vreemde, waarmede men ook bij ons zijn voordeel
kan doen.
Bij \'s Hofs beslissing kwam het echter niet alléén
aan op de bijzondere bepaling der revisiewet, maar
ook en zeker niet minder op het algemeene voor-
schrift van 378, 8" C. de Pr. civile (8), dat onder de
redenen van wraking o. a. noemt een door den
rechter gegeven advies over de zaak: „si Ie juge a
donné conseil .... sur Ie différend". Ons komt het
evenals den Procureur-Generaal voor, dat een gezonde
opvatting van deze bepaling zonder meer had moeten
leiden tot de toewijzing der wraking van de drie raads-
heeren, die als leden der consultatieve commissie
tegen de aanvraag om revisie hadden geadviseerd,
nu zij geen termen vonden om zich te houden aan
de in den Senaat met instemming der regeering uit-
gesproken meening, dat hun ambtsplicht mede-
bracht om zich van de kennisneming van de zaak
als rechters te verschoonen.
(8) I)i\' Fransche wetgeving bevat geene bepalingen over de wia-
king van rechters in strafzaken, maar algemeen wordt aangeno-
nien, en ook in
deze zaak is aangenomen, dat daarop mede van
toepassing zijn de arlt. 378—396 1\'r.
Civ. Vgl. D.u.i.uz, Rêpur-
toire, voce Récutcttion n. 20.
-ocr page 38-
•28
Tot besluit nog dit.
Het eenige zakelijke argument, in den Senaat aan-
gevoerd voor de gelegenheidswet, was, dat het niet
wenschelijk, in elk geval in strijd met de beginselen
der Fransche strafrechtspleging, zou zijn, denzelfden
rechter, voor wien het onderzoek om de zaak in
staat van wijzen te brengen had plaats gehad, de
eindbeslissing over de aannemelijkheid der revisie
op te dragen. Hierop werd echter door Waldeck
Rousseau en anderen zeer terecht geantwoord:
Vooreerst, als het argument opging, dan was de
nieuwe wet in het oog loopend inconsequent, men
had dan immers, met uitsluiting van de strafkamer,
de eindbeslissing alléén aan de twee burgerlijke
kamers (chambrc civile en chambre des requêles) moeten
opdragen. Ten andere, het argument hield geen
steek, omdat het berustte op eene verwarring — ook bij
ons niet vreemd aan de bestrijding van het openbaar
debat in het revisieproces in de vergadering der
Tweede Kamer van den 2en Maart — tusschen de
enquête, door den rechter gehouden of bevolen ter
voorbereiding van zijne eigen beslissing, en het voor-
onderzoek eener zaak, alleen ingesteld met het doel
om uit te maken of er termen zijn om een bepaald
persoon deswege in rechte te vervolgen.
Het fraaiste zoude volgen. Nauwelijks was het Hof
in pleno van de zaak gesaisiseerd, of het begon met
een nieuw onderzoek, of liever het hervatte het onder-
zoek, door de suspecte strafkamer reeds ingesteld.
Waarmede en wanneer dit onderzoek zal eindigen,
is op dit oogenblik aan niemand bekend. Men weet
alleen, dat het begonnen is met de hernieuwde raad-
pleging van de geheime dossiers, op het departement
van oorlog achter slot en grendel geborgen, toch niet
zoo secuur, dat er niet soms een stuk op raadsel-
achtige wijze uit is zoek geraakt, tijdelijk of voor goed.
Waarvoor die maatregel eigenlijk moet dienen, is ons
-ocr page 39-
29
niet volkomen duidelijk; vermits het hof van cassatie
toch niet zal eindigen met, min of meer het voetspoor
volgende van den krijgsraad van 1S94, zich in zijne
heslissing te laten leiden door geheime stukken,
die, al zijn zij nu aan den advocaat Mornard
medegedeeld, toch „om redenen van staat" geen
element mogen uitmaken van het openbaar debat
voor het Hof van (Cassatie.
-ocr page 40-
Het vierde bedrijf en de voorloopige
paeifieatie.
(W. va» 2-r) en 29 Sept. en 9 Oct. 1899,
n°. 7327, 7329 en 7333).
Kine neue Verurtlieilung des Alfred Dreyfus,
das ware das schlimmste, Unheil, das der iirgste
Feind Fi-ankreichs gegen das schwergepriifte
Land auszuziimen ini Stande sein kóinte.
(Ottij Mi\'iTKi.S\'iünr, Die Affaire.
Dreyfu»,
S. 61).
NTótre Sedan innral est. perdn, cent fois plus
désa-streUN que 1\'autre, celui mï il n\'y a en quo
du sang versé.
(Eshle Ziii.a, Ie Oinquième Aele).
I.
Genaderd tot liet laatste gedeelte zijner voortreffe-
lijkn pleitrede sprak de advocaat Mornard in de zitting
van het hof van cassatie (vereenigde kamers) van
1 Juni 1899 de volgende woorden, die na den nood-
lottigen afloop van „de zaak" te Hennes nog wel eens
in herinnering mogen worden gebracht:
Une seule question se pose:
[<ai Cour se prononcera-t-il elle-même (ju chargera-t-elle uu
nouveau Conseil do guerre de prononcer la réhahilitation .ie
Dreyfus f
Sur I\'ordre de ma cliënte, messieurs, j\'ai du prendre des conclu-
sions aux fins de renvoi devant un Conseil de guerre, et j\'avoue
ipie je ne 1\'ai pas fait sans un serrement de cieur, car je me de-
mande si. véiïtaldeinent. cc n\'est pas trop sacrilier a certaines
susceptibilités que d\'imposer a ce martyr quelques seinaines de
plus encore de ce bagne.
-ocr page 41-
31
Je me demande si, véritablement, il n\'eiit pas été plus humain
de conclure, comme j\'en avais Ie droit, a In cassation saus renvoi,
car je veux quil soit bien établi que si j\'ai conclu a uu renvui
ilevant Ie Conseil de guerre, c\'est parce que ma cliënte I\'a voiilu,
parce que Dreyfus vent comparaite devant des pairs!
Welnu, Dreyfus is dan nu geoordeeld en
andermaal veroordeeld door „zijne gelijken", en
de uitkomst heeft geleerd, hoe ongerechtvaardigd het
vertrouwen was, door zijne edele vrouw en zijne ver-
dere naaste betrekkingen in hun door niets gedeerd
optimisme (1) nog steeds gesteld in de militaire
rechtspleging, niettegenstaande al de bewijzen van
haar onbetrouwbaarheid bij zijne eerste vervolging en
veroordeel ing, in het schijnproces tegen Esterhazy
— de ergerlijkste comedie die ooit in een rechtszaal
is opgevoerd — en bij de schandelijke vervolgingen
tegen Picqiiart.
Al wat vroeger gebeurd was in deze drie nauw
samenhangende zaken, hoe tergend ook voor het rechts-
gevoel, werd nog ver in de schaduw gesteld door het
proces te Rennes en de veroordeeling wegens 1 and-
verraad met ... „verzachtende omstandigheden",
waarop dit uitliep. Wij zouden over deze nieuwe
orakelspreuk der militaire rechters liefst willen zwij-
gen, omdat het pijn doet er over te spreken. Toch
(1) Van ,,ijdelheid\'\' Kouden «ij in onzen diepen eerbied voor
mevrouw Drkvkus hier liefst niet spreken, maar overigens zegt
Mi\'iTKi.sTiinï\' n|i hl. 59 van zijn uitnemend geschrift terecht: ..Die
Familie des Angeklagten lege Wert-h darauf, dass Alfred Dreyfus
von seinen l\'airs, seinen militarischen Kameraden rehabilitirt
winde. Kin Beweggrund, in dem französische Eitelkeit und selbst-
gefülliger Optimismus die vernunftigen Erwagungen einfachen
Rechtsgefüllls wieder einnial zurückgedriingt baben". Opvallend
is het, dat, niettegenstaande de door Me Mornard in strijd met
zijne persoonlijke overtuiging op uitdrukkelijken last zijner cliënte
genomen conclusie tot verwijzing naar een anderen krijgsraad,
daartoe met eene meerderheid van slechts twee stemmen werd
besloten, na de vernietiging van het veroordeelend vonnis van den
eersten 1\'arijsclicn krijgsraad van 22 Dec. 1894 hij liet arrest van
3 Juni 1899 (\\V. 7280), hierachter als bijlage gedrukt.
-ocr page 42-
32
mogen wij na al wat vroeger in het W. v. h. Tl. is
geschreven over „de zaak" in hare opvolgende phases
— na het historische woord van Méline in de zitting der
kamer van afgevaardigden van 24 Februari 1898: il
n\\i/ a plus d1 affaire Drci/fus,
even zooveel verrassin-
gen — de aangrijpende finale van het vierde bedrijf,
te Hennes afgespeeld (2), en de daarop binnen weinige
dagen gevolgde voorloopige „pacificatie" niet geheel met
stilzwijgen voorbijgaan.
Op Zaterdag 9 September jl., \'s namiddags 4 u. 50 na.,
werd in de groote zaal van het Lyceum te Rennes
door den president buiten tegenwoordigheid van den
beklaagde voorgelezen het vonnis, dat hieronder volgt
in den oorspronkelijken tekst. Voor de geschiedenis
der zaak is het niet zonder belang de ongemotiveerde
uitspraak van den Fransehen krijgsraad, die in de
gansche beschaafde wereld één kreet van verontwaar-
diging deed opgaan, in onze kolommen te bewar e n.
Veel wordt daardoor van onze ruimte niet gevorderd.
Het orakel sprak aldus:
...\\njiiui.riuii 9 seritembre 1899. Ie (\'onseil ile gnerre <le la 10c
région ilc corps d\'armée, délibérant a liuis irliw,
..!..\' président :i |Misé In ipiextion snivimte:
..Dicvl\'ns. Alfrod. ciipitninc brcvelé au 14e regiment d\'iirtilleric.
stagiaire a Pélat-major. est-il coiipahlc dnvoir,, en 1894, proviMjié
iles macliiiiations im entretenu dos intelligeiie.es avec une puis-
sanoe étrangère mi tin ileses agents, puur l\'engager a eonimeltre des
liostililés uu a entreprendre la gnerre «\'oiilie la Franco, oll potir
lui in prociirer les inovens en lui liviant les nutes et document s
ivnferniés dans Ie bordereau"?
Les vnix rocueillies séparénieiit. en coinineiioant par Ie grade
inférieur et Ie moins ancien duns chaqne grade, Ie président avant
émis sou avis Ie dernier.
Le Conseil déclare sur la question, a la majorité de 5 voix
contre 2:
(2| Het eerste bedrijf werd opgevoerd in 1894 voor den eer-
sten 1\'arijsohen krijgsraad, het tweede, (liet schijnproces EstER-
iia/.v) iu 1897 voor den tweeden 1\'arijschen krijgsraad, het derde
voor hel Hof van cassatie in 1898 en 1899.
-ocr page 43-
33
„Oui, 1\'accusé est coupable".
„A la majorité, il y a des circonstanoes atténuantes".
A la suite de quoi, et sur les réquisitious du eommissaire du
gouvernement, Ie président a posé la question et a recuelli de
nouveau les voix dans la forme indicjuée ci-dessus.
Kn conséquent», Ie Conseil condainne a la majorité de eincj voix
contre deux Ie nommé Dreyfus (Alfred), a la peine de dix ans de
détention, par application des articles 76 du Code pénal; 7 de la
loi du 8 octobre 1830; 5 de la Constitution du 4novembre 1848:
Ier de la loi du 8 juin 1850; 463 en 20 du Code pénal; 189, 267
et 132 du Code de justice militaire, uinsi concus (volgt de tekst
der aangehaalde artikelen).
De krijgsraad, die in de geheele behandeling der
zaak weinig of geen notitie had genomen van het
in den aanvang zijner eerste zitting voorgelezen arrest
van het Hof van cassatie, waaruit het zijne bevoegd-
heid om recht te spreken eeniglijk ontleende, schijnt
het zelfs niet noodig te hebben geacht dat arrest in
de praemissen zijner uitspraak te vermelden. Toch
kon hij er niet aan ontkomen de vraag, hem als ge-
delegeerden militairen rechter door het hoogste bur-
gerlijke gerechtshof ter beantwoording opgedragen,
tekstueel in zijn vonnis op te nemen.
Deze op zich zelve zeer eenvoudige, met de om-
schrijving der misdaad van landverraad in art. 76
C. P. parallel loopende vraag bracht de zaak terug
tot den stand, waarin zij zich bevond bij de ver-
schijning van kapitein Dueykus in December 1894
voor den eersten Parijschen krijgsraad, als beschul-
digd van in da t j aar in misdadige verstandhou-
ding te zijn getreden met eene vreemde mogendheid
of een harer agenten, met het opzet om haar
uit te lokken vijandelijkheden te ple-
gen of een oorlog te ondernemen tegen
Frankrijk of haar daartoe de middelen
te verschaffen, door haar de in het borderel
genoemde aanteekeningen en stukken te leveren. Bui-
ten deze vraag vielen alle verdachtmakingen betref-
:s
-ocr page 44-
:M
fendo vóór 1894 gepleegde verraderlijke handelingen,
die, al misten zij allen redelijken grond, ook in het
proces te Rennes door de beschuldigers niet zijn los-
gelaten en evenzeer alle leverantie van in het bor-
derel niet genoemde stukken.
Heeft de krijgsraad zich gehouden binnen de door
het Hof van cassatie in de gestelde vraag getrokken
grenzen ? Zeker niet bij het noodeloos gedurende 4
a ö weken gerekte onderzoek, waarin door de oud-
ministers van oorlog en de officieren van den gene-
ralen staf, bij gebreke van eenig bewijs voor het in
1894 door levering der in het borderel genoemde
documenten gepleegd verraad met het in art. 76 C. P.
zeer bepaald omschreven opzet, de geheele militaire
loopbaan van den beschuldigde werd uitgerafeld. en
alle mogelijke en niet mogelijke gevolgtrekkingen
werden gesmeed uit de na 1894 uit alle hoeken en
gaten verzamelde, veelal ad hoc gefabriceerde vodden
van het geheim dossier, waarover door Demange is
recht gedaan in een der uitvoerigste en best gelukte
deelen van zijn pleidooi, waarvoor wij overigens geen
onbepaalde bewondering koesteren (3).
Wanneer nu het onderzoek ter terechtzitting vooral
tengevolge van de onuitputtelijke breedsprakigheid
der oud-ministers van oorlog en der heeren van den
generalen staf, die de president altijd maar door liet
pleiten en oreeren, ver is uitgebreid buiten de door
het Hof van cassatie gestelde grenzen, heeft dan ten
minste de krijgsraad in zijn uitspraak zich binnen
die grenzen bepaald ?
Het is niet wel mogelijk op deze vraag een stellig
(3) Ook door Mittklstöut, den grooten Dnitsehen criminalist
en oud magistraal is, hl. 50 van zijn geschrift, op niet inalsehc
wijze de staf gebroken over Int geheim dogsier. Wij nemen de
vrijheid de rediu\'tien van een naar Nederlandsche bladen, die van
meening zijn. dal de si-huid van ]). zeer wel kan zijn veldeken
uil dat geheim dossier, o. m. daarheen te verwijzen.
-ocr page 45-
35
antwoord te geven. Daar de uitspraak geheel onge-
motiveerd is, ontsnapt den lezer ook alle mogelijke
controle over de wijze, waarop door den krijgsraad
uitvoering is gegeven aan de opdracht van het Hof
van cassatie. Waar in het vonnis op de gestelde
vraag eenvoudig ja is geantwoord, zonder dat daar-
voor eenige reden wordt gegeven, is het geheel
onmogelijk rechtstreeks uit te maken, of de krijgsraad
zich bij dat antwoord en de daarop gegronde schul-
digverklaring streng aan de vraag heeft gehouden.
Toch zijn er sterk sprekende vermoedens, dat dit
niet het geval was.
II.
In 1894 voor den eersten Parijschen krijgsraad werd
geen ander materieel bewijs der schuld van Dreyfus
aangevoerd dan „het borderel", dat volgens drie van
de vijf gehoorde schriftkundigen zijne hand verried,
zij het dan ook in een gemaakt schrift (une écriture
forgée), om daaraan den schijn te geven, dat het van
een ander afkomstig was, eene verdediging, waarop
hij zich echter, met hoeveel kunst zij ook zoude zijn
voorbereid, nooit beriep. Dit is natuurlijk onverklaar-
baar in het stelsel IJertillon, hoe men overigens
over zijn geleerden onzin denke. De zoogenaamde
moreele bewijzen, in het beruchte rapport van den
commandant d\'Ormesoheville bijeengegaard, waren
reeds in 1894 tot niets teruggebracht, in die mate dat
de commissaris der regeering in het eerste proces, vol-
gens de niet weersproken verklaring van Me Demange,
ze geheel liet rusten en al zijn heil zocht in het bor-
derel. Op de overtuiging der rechters schijnt nevens
dat stuk, volgens de verklaring van een hunner, den
kapitein FreystStter, ook nog krachtig gewerkt te
-ocr page 46-
36
hebben het met veel emphase voorgedragen getuige-
nis van Henry, al was dat niet meer dan een testi-
monium de auditu
— zoo nauw zien de Pransche
militaire rechters niet —, uit de tweede hand opge-
vangen van eene niet genoemde „personne tres hono-
rable", die in het proces te Rennes bleek lang zoo
„honorable" niet te zijn geweest. In raadkamer zal op
de rechters ook nog wel een niet onbelangrijke in-
vloed zijn geoefend door de aan hen buiten de verde-
diging om krachtens den „ordre moral" van den
minister Mercier overgelegde stukken, vooral het
beruchte „ce canaille de D.". Nadat het hof van
cassatie in de overwegingen van zijn arrest van 3 Juni
had uitgemaakt, dat dit hoofdnommer van het geheim
dossier was „inapplicable au comdamné", werd het
tevens rechtens voor goed buiten het geding
gesteld. Of dit feitelijk ook is geschied, blijkt
niet uit het ongemotiveerde „oui" van den
krijgsraad.
De n a het vonnis van 22 December 1894 stellig
gebleken ontoepasselijkheid van het aan den krijgs-
raad in raadkamer medegedeelde geheime stuk op
den beschuldigde was een der twee nieuwe f e i-
t e n, die, door het Hof van cassatie beschouwd als
„de nature il établir 1\'innocence du comdamné",
leidden tot de revisie.
Het andere feit of liever het andere complex van
feiten, waarvan het arrest zegt, dat zij strekken om
— op gronden, aan den eersten rechter onbekend —
„aan te toonen dat het borderel" — base de Vaccusa-
iion
ook volgens het hof van cassatie —, „niet door
Dreyfus zoude zijn geschreven", was voor de eind-
beslissing nog van veel meer rechtstreeksch
belang. Wij hebben de gronden voor dit door het
hoogste rechterlijk college met eenparige stemmen
aangenomen vermoeden van onschuld van
-ocr page 47-
37
Dreyfus slechts met een enkel woord in herinnering
te brengen. Zij zijn aan een ieder bekend. Drie nieuwe
experts, de hoogleeraren bij de école des chartes,
Mkyek, Giky en Mownier hadden reeds in het proces
Zola en later in de enquête voor de strafkamer op
de meest besliste wijze in het borderel de hand van
Esterhazy herkend. Bij hen voegde zich nu de heer
Chakavay, een der experts in het eerste proces, die
na kennis te hebben genomen van twee brieven van
den „cher commandant", het borderel ook zonder
eenige aarzeling aan hem toeschreef, waardoor de
meerderheid van drie graphologen, in 1894 tegen den
beschuldigde gericht, nu was geslonken tot eenc min-
derheid van twee tegenover eene meerderheid van
zes. Daarbij kwam, dat het in den handel zeer wei-
nig voorkomende papier (papier pclure quadrille),
waarop het borderel was geschreven, de meest tref-
fende gelijkheid vertoonde met dat van twee brieven
van E. dd. 17 April 1892 en 17 Augustus 1894, ter-
wijl zulk papier bij D. niet was gevonden en ook
niet was gebleken, dat hij er zich ooit van had be-
diend. Door dit alles werd dus op de meest stellige
wijze bevestigd de door E. na zijne vrijspraak af-
gelegde en alom met zijn medeweten verspreide
bekentenis, dat hij het borderel had geschreven,
zij het dan al of niet op last van den overleden
kolonel Sandhkrr, om een bewijs tegen D. te
scheppen.
De commandant Carrikre, te Rennes vertegenwoor-
diger van het Openbaar Ministerie, van welks ver-
heven roeping hij toonde geen flauw begrip te heb-
ben, maakte zich in zijn requisitoir gelijk van alles
ook van de alles beheerschende vraag der herkomst
van het borderel — grondslag der beschuldiging ook
volgens het arrest van renvooi — met verbazende —
wij zouden haast zeggen gewetenlooze — luchthartig-
-ocr page 48-
88
heid af. Over het papier, waarop het borderel geschre-
ven was, een der twee factoren van het door het Hof
van cassatie uitgesproken vermoeden, dat dit stuk
niet van D. afkomstig was, sprak de regeeringscom-
missaris niet één woord. En wat het schrift aangaat,
de experts waren het daarover niet eens — dat dan
toch zes tegen twee het stuk zoo stellig mogelijk
toeschreven aan den „cher commandant", die erkende
het te hebben geschreven, scheen een détail, der
vermelding onwaardig — en hij, commandant, als
zijnde noch een „graphologue", noch een „crypto-
graphe", had er geen verstand van. De heeren rech-
ters moesten het dus maar weten, de vertegenwoor-
diger van het O. M. onthield zich op dit punt van
advies.
De heeren rechters konden zich natuurlijk in raad-
kamer van de beslissing dezer vraag, waarbij hun de
voorlichting van het O. M. begaf, zoo gemakkelijk
niet afmaken. Het is echter geheel onaannemelijk,
dat, afgescheiden van de quaestie van het papier,
waaraan het hof van cassatie blijkbaar groot gewicht
had gehecht, nu G van de <S gehoorde experts in het
borderel de hand van Esteriiazy hadden herkend,
in overeenstemming met diens bekentenis, de meer-
derheid, die haar stem aan de veroordeeling gaf, als
stellig bewezen aannam, niet alleen, dat het stuk niet
door E., maar zelfs, dat het wel door D. geschreven
was. Geheel onaannemelijk, al hecht men geen ge-
wicht aan het scherpzinnig betoog van den heer
Havet, dat D., die uitmuntend Fransch schrijft, zich
niet in het koeterwaalsch van het borderel kan heb-
ben uitgedrukt; geheel onaannemelijk ook al is eene
verklaring mogelijk, hoe D., die in Mei 1894 reeds
wist, dat de stagiaires de manoeuvres niet zouden
bijwonen, toch in Augustus kon schrijven: je vais
en manoeuvres;
geheel onaannemelijk eindelijk, ook al
-ocr page 49-
39
stelt men het betoog van den majoor Hartmann en
andere deskundigen, dat het borderel volgens zijn
inhoud niet afkomstig kon zijn van een knap
artillerie-officier, zooals D. door vriend en vijand er-
kend werd te zijn, ter zijde.
Het is wellicht mogelijk, dat de meerderheid van
den krijgsraad door dit alles het bewijs niet
geleverd achtte, dat het borderel niet door D. geschre-
ven was, maar dat die meerderheid niettegen-
staande dit alles het bewijs aanwezig achtte,
dat hij dit stuk wel geschreven had, dat weigeren
wij te gelooven. Nu is op zich zelf de mogelijkheid
niet volstrekt uitgesloten, dat D. in 189-1 met E. heeft
samengespannen, en dat de in het door E. geschre-
ven borderel genoemde stukken door D. zijn geleverd.
Maar van zoodanige samenspanning is schijn, noch
schaduw van bewijs geleverd. Eene bedekte verdacht-
making in die richting moge niet door het O. M.,
maar door een der getuigen-beschuldigers zijn opge-
worpen, maar noch hij, noch een zijner bondgenooten
durfde het aan vierkant het feit te stellen, dat door
D., die E. nooit heeft gekend, werd gelogenstraft met
eene verontwaardiging, die hem zelfs voor een oogen-
blik zijne bewonderenswaardige, schier bovemnen-
sehelijke kalmte deed verliezen.
De rechters van 1894 hebben D. alléén veroordeeld,
omdat zij het bewijs geleverd achtten, dat hij het
borderel geschreven had. Dit was hun genoeg om aan
te nemen, dat D. de misdaad van art. 7<> C. P. had
gepleegd, ofschoon dat er — wij hebben het vroeger
breedvoerig aangetoond — volstrekt niet uit volgde.
Bij de hypothese, dat D. een mededader of mede-
plichtige had, die het stuk zoude hebben geschreven,
waarin de door hem geleverde stukken zou-
den zijn genoemd, heeft de eerste Parijsche krijgsraad,
die van E. niets afwist, zeker geen oogenblik stilge-
-ocr page 50-
-KI
staan. Die hypothese is voor het eerst in 1899 te
Rennes zeer bedekte]ijk geuit. Zij hing echter geheel
in de lucht. Op zich zelve onwaarschijnlijk, was zij
door geen enkel bewijsmiddel, direct of indirect,
waarschijnlijk gemaakt, veelinin bewezen.
Wil men niet aannemen, wat voor ons reeds sedert
het proces Zola vaststaat, dat de onschuld van D.
aan het feit, omschreven in de door het hof van
cassatie gestelde vraag, overtuigend is gebleken, onbe-
twistbaar is het in elk geval, dat zijne schuld
aan dat feit niet is bewezen.
Er is echter meer.
Het feit zelf, waaraan de krijgsraad te Rennes D.
heeft schuldig verklaard, de 1 e v e ran t i e der in
het borderel genoemde stukken aan eene vreemde
mogendheid of een harer agenten is totaal onbewezen.
Geen der gehoorde getuigen-beschuldigers wist daar-
van iets af. En de regeeringscommissaris, de oud-
commandant der gendarmerie en student in de rechten,
de onsterfelijke heer Carrière dreef de naïveteit zoover,
dat hij, die zich geroepen achtte bij zijn requisitoir
in de zitting van 7 September de beschuldiging, hoe
dan ook, vol te houden, dat 1). de bewuste stukken
geleverd heeft, vooraf in de zitting van 5 September,
tot tweemaal toe, verklaarde, dat hem het b e-
staan dier stukken niet bekend was,
en dat h ij daaraan t w ij f e 1 d e.
Eerst naar aanleiding der incidenteele conclusie
om Schwabzkoppen en Panizzardi als getuigen te
hooren:
•Ie cruis que Ie luit que 1\'oti poui\'siiit 110 peut étre a1 teint, abso-
luincnt pas. Lu. défense qui a des niiivcns d\'action pnissanls puur-
niit pc\'Ut-êlre ulitenil\' la revision des pièccs, s\'n.s kximtkxt.
Daarna onder het verhoor van den Senator
Trarikux:
Je ne connais pas 1\'existence de ces documents. U\'est lii défense
(jui les a signalés.
-ocr page 51-
11
De heer CARRIÈRE wist dus volgens zijne eigen
verklaring van die stukken niets af. H ij t w ij-
f e 1 d e, of ze wel bestonden. Toch was
het volgens zijn requisitoir voldingend bewezen, dat
die — wellicht niet bestaande — stukken door D.
aan eene vreemde mogendheid of een harer agenten
waren in handen gespeeld.
Voor zoo iets heeft alleen de Fransche taal een
naam: „un comble\'\'.
Heeft nu de krijgsraad aan de vraag: heeft D. het
hem ten laste gelegde verraad gepleegd? doen vooraf-
gaan de vraag : is dat verraad wel gepleegd, blijkt,
dat werkelijk de in het borderel genoemde stukken
met verraderlijk opzet direct of indirect aan eene
vreemde mogendheid zijn geleverd?
Wie zal het zeggen? Toch is het voor ons volkomen
onaannemelijk, dat de meerderheid der rechters de
levering bewezen heeft geacht, al wist niemand van
dit feit iets af, en al was zelfs het bestaan van die
stukken volgens de erkentenis van het O. M. twijfel-
achtig. Evenmin kunnen wij ons voorstellen, dat,
gesteld de levering werd als bewezen aangenomen of
gratuit ondersteld, de rechters te goeder trouw
hebben kunnen beslissen, dat het boven allen twijfel
voor hen klaar en duidelijk was — anders mochten
zij niet veroordeelen —, dat Drkyfus de stukken
heeft geleverd. Dkkyfus — om dit ten slotte nog
eens in herinnering te brengen als één onder de vele
afdoende bewijzen zijner onschuld — -, van wien één
dag vóór zijne veroordceling, juist nog tijdig genoeg
om het door den heer Palkologue officieus ter kennis
van den krijgsraad te doen brengen, door de Duitsche
regeering in het officieel gedeelte van den Ueichs-
Anzeiger nog eens in den meest officieelen vorm
was bevestigd, dat zij nooit in eenigebe-
-ocr page 52-
42
trekking, welke ook, heeft gestaan met
hem (4).
In aansluiting aan het slot van ons vorig artikel (I)
leidt al het hier voorafgaande ons tot de conclusie,
dat de d a a r bedoelde „sterk sprekende vermoedens"
het overtuigend bewijs leveren, dat de krijgsraad bij
de schuldigverklaring van D. zich niet streng kan
hebben gehouden aan den inhoud der door het hof
(4) Deze merkwaardige verklaring, door den krijgsraad te Ren-
nes eenvoudig voor notificatie aangenomen, evenals de afdoende
inededeeling van den Italiaanschen gezant Tohmk.li.i aan Tra-
KIKUX, opgenomen in diens zoowel voor liet Hof van cassatie als
voor den krijgsraad te Hennes afgelegd getuigenis, luidt in haar
geheel aldus :
,,Wij zijn gemachtigd in liet onderstaande de verklaringen te
herhalen, welke ten aanzien van den gewezen Franschen kapitein
Dreyfus door de keizerijke regeering zijn afgelegd, niet loyale
inachtneming van de behoedzaamheid tegenover eene binnenland-
t-elie aangelegenheid van een anderen staat noodzakelijk, doch
tot handhaving van eigen waardigheid en ter vervulling van een
plicht iler inenschelijklieid.
,,De keizerlijke gezant bij de Fransclie republiek, prins Mün-
ster vim Dernchurg heeft, na de bevelen van Zijne Majesteit den
Keizer te hebben vernomen, in December 1894 en Januari 1895
aan den minister van buitenlandsche zaken Hanotaux, den minister-
president Dupuy en den president der republiek Casimir Perier
herhaaldelijk verklaringen gedaan in dezen zin, dat het Keizerlijk
Gezantschap in Frankrijk nooit — noch rechtstreeks noch zijdc-
lings — in eenige betrekking, welke ook, heeft gestaan niet
kapitein Dreyfus.
,,De staatssecretaris van buitenlandsche zaken, minister van
staat graaf von Bülow, heeft den 24en Januari 1898 in de verga-
dering der begrotingscommissie van den Duitsi-hen Rijksdag de
volgende verklaring afgelegd : ,, ,.lk verklaar ten aillerstelligste, dat
er tusschen den tegenwoordig zich op het Duivelseiland bevindenden
Franschen gewezen kapitein Dreyfus en welke Duitsche organen
ook geenerlei betrekkingen of verbindingen, van welken aard dan
ook, liestaan hebben\'\' ".
Kn dan de extra-judicieele ,,bekentenis" van D., dat hij toch
niet geheel zuiver in de zaak zoude hebben gestaan? Over deze
even belachelijke als infame legende, waaraan het Hof van cassatie
bij zijn arrest van 3 Juni alle beteekenis heeft ontzegd, onthouden
wij ons, na al wat wij er vroeger bij verschillende gelegenheden
over schreven, van verder debat.
-ocr page 53-
43
van cassatie gestelde vraag; maar onder de pressie,
die de getuigen-beschuldigers voortdurend op hen
oefenden, een vonnis hebben geveld, dat niet berustte
op het voor hen afdoend bewijs, dat de beschuldigde
het hem eeniglijk ten laste gelegde feit werkelijk had
gepleegd, maar dat alleen eene uiting was van die
onbestemde intime convictie, eene opinie zonder argu-
menten, welke in de Fransche rechtspraak zooveel
onheil sticht en hier de reebters kan hebben geleid
tot het besluit, dat de beschuldigde, reeds eenmaal
door hunne en zijne krijgsmakkers veroordeeld, ook
nu niet geheel ongerept was gekomen uit den feilen
strijd, andermaal tegen hem en voor die onvolprezen
„eer van het leger" gevoerd.
Hierin ligt wellicht ook eenige verklaring van die
raadselachtige „verzachtende omstandigheden", waar-
over wij in verband met de gratie ten slotte nog een
woord hebben te zeggen.
III.
Waarin toch wel gelegen kunnen zijn de „verzach-
tende omstandigheden" van het snood bedrijf, waar-
aan Deeyfus door den krijgsraad te Rennes andermaal
is schuldig verklaard ? Men kan zich de moeite spa-
ren daarnaar lang te zoeken, want zij zijn er eetivou-
dig niet. Integendeel. Indien deze officier van het
Fransche leger, wien door zijne tijdelijke plaatsing
bij den generalen staf nog wel een blijk van bijzonder
vertrouwen gegeven was, Fransche staats- of legerge-
heimen in tijd van vollen vrede laaghartig heeft ver-
raden aan eene vreemde mogendheid, om van hare
zijde een oorlog uit te lokken of haar daartoe de
middelen te verschaften, dan is dit landverraad in
plaats van onder verzachtende omstandigheden, die
-ocr page 54-
11
zich in het algemeen bij deze misdaad moeilijk den-
ken laten, gepleegd onder zeer verzwarende omstan-
digheden.
Niettemin zijn „verzachtende omstandigheden" —
hetzij als eene transactie met een of meer rechters,
die anders zouden hebben vrijgesproken, hetzij omdat
de meerderheid meende, dat eene half bewezen mis-
daad dan maar half moest worden gestraft — in bet
vonnis aangenomen, en ging de krijgsraad bij de
verzachting der straf uit dien hoofde bijna zoo ver
als volgens de wet mogelijk was.
Jn plaats van deportatie in eene versterkte plaats,
door art. 1 der wet van 8 Juni 1850 gesteld op
politieke misdaden, vroeger met den dood strafbaar,
komt, ingevolge art. 4(53 C. P., gelijk het is gewijzigd
en aangevuld door de wetten van 28 April 1832 en
13 Mei 1863, bij aanneming van verzachtende omstan-
digheden, hetzij gewone deportatie, ook eene levens-
lange straf, hetzij vestingstraf (détention), volgens art.
20 C. P., gelijk dit is vastgesteld bij de wet van 1832,
eene tijdelijke straf van ten hoogste 20 en ten minste
5 jaren. Alzoo bleef de krijgsraad nog ver beneden
het maximum der laagste vervangende straf, toen
hij eene detentie van slechts tien jaren uitsprak.
Het geweten der militaire rechters was echter door
deze groote clementie voor den landverrader, den
vroegeren bewoner van het Duivelseiland, nog niet
gerust gesteld. Onmiddellijk na zijn • veroordeelend
vonnis wendde de krijgsraad zich tot de regeering
om den veroordeelde gratie te verleenen van de
militaire degradatie, de beruchte middeneeuwsebe
strafoefening, door art. 189 C. M. ook verbonden aan
de vestingstraf,
Door dit van de militaire rechters geheel uit eigen
beweging uitgegaan verzoek in verband met de bij
hun vonnis aangenomen verzachtende omstandigheden,
leidende tot de toepassing van eene betrekkelijk zeer
-ocr page 55-
45
lichte straf, was der regeering als het ware de richting
aangewezen om verder voort te gaan op den weg der
genade.
„Le verdict même du Oonseil de guerre" zoo
leest men in het rapport van den ininister van oor-
log aan den President der republiek dd. 19 September
1899
        »qui a admis des cireonstances atténuantes,
le voeu immédiatement exprimc que la sentenee fut
adoucie, sont autant d\'indications qui devaient solli-
citer 1\'attention".
Daarna wordt gewezen op de billijkheid om niet
alleen de vijf jaren, door 1). op het Duivelseiland
gesleten, te imputeeren op de tien jaren vesting-
straf, maar zelfs om deze als reeds geheel onder-
gaan te beschouwen met het oog op de uit haar
aard zooveel zwaardere en buiten haar aard nog met
verfijnde wreedheid verzwaarde straf, op den veroor-
deelde reeds ter uitvoering van het vonnis van 18\'Ji
toegepast.
Nog wordt door den minister de aandacht van
den President gevestigd op den gezondheidstoestand
van den veroordeelde, om te eindigen met be-
schouwingen van meer algemeenen aard, die naar de
gratie heenwijzen. De regeering zoude volgens het
advies van generaal uk Galliffeï slecht beantwoor-
den aan den vvensch van het land, dorstende naar
bevrediging (avidc de pacijication), zoo zij zich niet be-
ijverde, voorzoover dit van haar afhangt, al de sporen
uit te wisschen van een sinartelijken strijd. Den Pre-
sident was de taak voorbehouden, om hier de eigen
woorden van het rapport weder te geven : „de donner
le premier gage (5) a 1\'oeuvre d\'apaisementque
Popinion reclame et que le bien de la République
commande".
In overeenstemming met dit rapport volgde nu op
(5, Wij spatieeren.
-ocr page 56-
46
denzelfden dag een Presidiaal Besluit, waarvan het,
in verband niet onze verdere beschouwingen, niet
zonder belang is hier den woordelijken inhoud terug
te geven :
Il est occordé a Dreyfus (Alfred) remise < 1 n reste du Ia [leiuu
de dix ans du déteiilion m\'ononoée contre lui par itrrêt du eonseil
de guerre
do Hennes en date du 9 sej)tcudiie 1899, ninsi ijue de
la dé^radation militaire.
Aan 1). werd alzoo volgens de woorden van het
besluit gratie verleend van de rest der vrijheidstraf
van tien jaren, waartoe hij door den krijgsraad was
veroordeeld. De rest \'i Hoe was dit mogelijk, daar de
gratie werd verleend onmiddellijk nadat hut vonnis
door den afstand van het daartegen aanvankelijk in-
gesteld beroep bij den militairen raad van revisie in
kracht van gewijsde was gegaan, maar vóór de
executie van dit vonnis, voordat de daarbij opgelegde
straf, al ware het slechts gedurende een dag of een
uur, was uitgevoerd ?
Zeker was het billijk den veroordeelde bij wege
van gratie de 4 a 5 jaren van vrijheidsberooving
op het Duivelseiland doorgebracht, uit kracht van
het vernietigde vonnis van 181)1, in rekening te bren-
gen op den duur der hem nu opgelegde vestingstraf
van 10 jaren. Maar eene wet, waarin de fictie haar
grond zoude Hebben, dat de in September 1899 op-
gelegde straf reeds in 1895 zoude zijn aangevangen,
wordt noch in het Besluit van gratie noch in het
daaraan voorafgegaan rapport genoemd, en men schijnt
dus veilig te mogen aannemen, dat zoodanige wet
niet bestaat.
In werkelijkheid is den veroordeelde gratie ver-
leend van de straf van 10 jaren vestingstraf, hem
opgelegd bij het vonnis van 9 September 1899, van
die straf voor haar vollen duur, voordat daaraan eenige
uitvoering was gegeven. In strijd niet de waarheid is
-ocr page 57-
47
dus in het Besluit geschreven, dat den veroordeelde
gratie werd verleend van de rest der vrijheidstraf,
die op den dag van het Besluit nog niet was inge-
gaan en zelfs niet voor het geringste deel was uitge-
voerd. Indien rechtens het verblijf op het Duivels-
eiland, de daar krachtens een vroeger vonnis geleden
straf van deportatie in eene versterkte plaats, moest
gelden als gedeeltelijke uitvoering van de later te
Rennes uitgesproken vestingstraf, dan zoude a f o r-
tiori de in 1895 voltrokken militaire degradatie
moeten gelden als gcheelc uitvoering van de identiek
gelijke straf, nu uit kracht van het vonnis van 9
September 1899 te voltrekken. In het stelsel van het
gratie-besluit was het dus eene groote inconsequentie
uitdrukkelijk gratie te verleenen, gelijk daarin is ge-
schied, van de militaire degradatie.
Het springt in het oog, dat door den vorm, waarin
uit kracht van eene stilzwijgend aangenomen, in de
wet niet gegronde fictie de gratie is verleend, als gold
het daarbij kwijtschelding van den nog onvervulden
straftijd, door de regeering aan den veroordeelde is
onthouden wat het natuurlijk gevolg is, althans moet
zijn van de gratie van eene onteerende vrijheidstraf,
vóór hare uitvoering den veroordeelde geschonken.
Volgens art. 28 C. P., gelijk het reeds in 1S32 en 1854
werd aangevuld en gewijzigd, is aan alle crimineele
straffen, bij name ook aan de vestingstraf (délention),
verbonden de déyradution civique, die naar luid van
art. 34 o. a. ten gevolge heeft de ontzetting uit en
uitsluiting van alle openbare ambten en bedieningen
en in het algemeen van alle burgerschaps- en staat-
kundige rechten. Deze belangrijke capitis deminutio
is, al kan zij ook afzonderlijk als hoofdstraf worden
uitgesproken (art. 35 C. P.), een noodzakelijk accessoir
van alle crimineele straften. Nu werd vroeger in
Frankrijk algemeen aangenomen, wat volkomen ratio-
neel is, dat met de principale straf, zoo daarvan v 6 ó r
-ocr page 58-
48
hare uitvoering gratie werd verleend, de acces-
soire straf van zelf verviel. Men zie in dezen geest
een advies van den raad van state van 8 Januari 1823
bij Dalloz, Rép. voce Grdce et commutation de peine;
verder de hoogst belangrijke beschouwingen en mede-
deelingen van Merlin, Rep. voce Grdce en voce Mort
civile; Questions de droit,
voce Grdce. Dit beginsel
was zelfs voor de capitis deminutio maxima, den bur-
gerlijken dood (6), met zooveel woorden uitgedrukt
in art. 26 C. C, luidende: „les comdamnations con-
tradictoires n\'eniportent la mort civile qu\'a, compter
du jour de leur exécution, soitréelle, soit par efligie".
Men moet intusschen toegeven, dat volgens den tekst
van art. 28 C. P., maar eerst zooals deze is vastgesteld
bij de wet van 28 April 1832, en dus toen art. 2G
C. C. nog gold, voor het intreden der dégradation
civique,
dat is het mindere, een ander tijdstip schijnt
te zijn aangewezen als voor het aanvangen van den
burgerlijken dood, het meerdere. Immers sedert de
inwerkingtreding der revisie-wet van 1832 luidt de
slotbepaling van art. 28 C. P.:
La dégradation civique sera encourue du jour mi In comdam-
nation sera devenue irrcvouiible et, en cus de condamnation par
eontumuce, du jour de 1\'exécution par efligie.
Twijfel is geoorloofd, of de wetgever van 1832 bij
het nederschrijven dezer bepaling iets anders voor
oogen heeft gehad dan het normale geval, namelijk
dat de onherroepelijkheid der veroordeeling onmid-
dellijk, althans zoo spoedig mogelijk, wordt gevolgd
door hare uitvoering. Immers het is volkomen ratio-
neel, dat het rechtsgevolg der onteerende straf, het
gevolg dat haar on teerend maakt, intreedt
met haar uitvoering, onverschillig of 1 a t e r al dan
niet van hare verdere uitvoering gratie wordt verleend.
(6) (lelijk liekeml is. in Frankrijk eerst afgeschaft l>yj eene wet
vu n 31 Mei 1854.
-ocr page 59-
49
Het is daarentegen volkomen irrationeel, dat waarde
hoofdstraf geheel onuitgevoerd blijft, omdat zij bij
gratie wordt kwijtgescholden, voordat daaraan eenige
uitvoering werd gegeven, de onteerende gevolgen, die
in het stelsel van den Code aan de straf, niet aan
de misdaad zijn verbonden, blijven voortduren. Meent
men echter, dat de woorden der wet (art. 28 C. P.)
eene andere uitlegging niet toelaten, dan is de gratie
het aangewe7.cn middel om in de uiterst zeldzame
gevallen, waarin eene crimineele straf (pcine aflliclive
et infomante ou sculemcnl infamantc)
vóór hare uitvoe-
ring geheel wordt kwijtgescholden, het gevolg met de
oorzaak op te hellen. Dit beval de President Loubet
bij zijn Besluit van 19 September 1899 ten aanzien
der degradation militaire; maar onder het voorwendsel,
dat de aan kapitein Dhkykus in September 1899 op-
gelegde vestingstraf reeds zoude zijn ingegaan en
uitgevoerd in Januari 1895, liet hij de déyradation
civique
in haar geheel. Den balling van het Duivels-
eiland, tot tweemaal toe onschuldig veroordeeld,
werd dus eindelijk de vrijheid wedergegeven, maar
het herstel in zijne burgerlijke eer bleef hem ont-
houden. Ontzet van zijn rang en titel in het leger,
van het recht om ooit weder de wapenen voor zijn
land te dragen, blijft hij getroffen door de capilis
deminutio,
welker verdere gevolgen in art. 84 C. P.
breedvoerig zijn omschreven.
Dit was geschreven en reeds ter perse, toen wij de
Deutsche Juristenzeiticng van 1 October ontvingen. Dit
blad wordt geopend met een „Epilog zum Prozess in
Rennes", met het volgende in deze dagen — denkt
ook aan Finland en Transvaal — zoo gedenkwaardige
woord van Kant aan het hoofd: „Wenn die Gerech-
tigkeit untergeht, so hat es keinen Wert mehr, dass
Mensehen auf der Erde leben". De schrijver dezer
bijdrage, de Berlijnsche advocaat Dr. J. Stranz, komt
tot het besluit, dat ten gevolge der verleende gratie
-ocr page 60-
.50
de dégradation civique niet is ingetreden, en Drbyfus
dus officier in het Fransche leger is gebleven,
Dit wordt afgeleid uit art. 190 C. M., waarin o. m.
te lezen staat: „la dégradation militaire entraine:
1°. etc, 2°. 1\'incapacité absolue de servir dans 1\'armée,
a quelque titre que ce soit, et les autres incapacités
prononcées par les artt. 28 et 34 du C. P. ordinaire".
Zeker echijnen deze woorden zonder meer op den
eersten aanblik mede te brengen, dat de dcyrudation
civique,
rechtsgevolg der dégradation militaire, zonder
haar niet aanvangt en dus casu quo met haar ver-
valt. Wij betwijfelen het echter zeer, of dit wel in de
bedoeling heeft gelegen van den C. M. In art. 189
bij de aanwijzing der gevolgen van de daar vermelde
strafi\'en wordt de dégradation civique op den voorgrond
gesteld, daarna eerst de dégradation militaire genoemd
(en outre, la dégradation militaire\'). Heeft men nu in
de reeds aangehaalde woorden van art. 190 iets anders
willen uitdrukken — wij erkennen het op minder
gelukkige wijze — dan dat, bij werkelijke uitvoering
der militaire degradatie, de civiele degradatie (dégra-
dation civique)
gelijktijdig intreedt? Wat er zij van
het antwoord op deze rechtsvraag, feitelijk is het,
zoover wij weten, in Frankrijk eene onbetwiste stelling
dat D., getroll\'en door de dégradation civique, heeft
opgehouden Fransch oüicier te zijn.
L"incidenl est dos schreef Generaal de Galliffkt
tot tweemaal toe in een een paar dagen na de gratie
aan het leger uitgevaardigde dagorder, waarin hij,
doof voor den kreet van verontwaardiging in de gan-
sche beschaafde wereld over het vonnis van 9 Sept.
opgegaan, was gekomen tot de verrassende ontdek-
king, dat de militaire rechters, omringd van aller
eerbied, in alle onafhankelijkheid uitspraak hadden
gedaan.
-ocr page 61-
51
Welzeker, het incident is gesloten, wel te
weten het tusschenspel der gratie, dat het vierde
bedrijf, te Rennes afgespeeld, scheidt van het vijfde
bedrijf, het tweede voor het Hof van cassatie, dat dan
.,de zaak" voor goed zal afdoen en de eindelijke zege-
praal van recht en waarheid verkondigen.
De gratie, al mist zij om de boven aangegeven
redenen onze volle sympathie, waardeeren wij gaarne
als eene daad van voorloopige pacificatie: ,,le
premier gage a 1\'oeuvre d\'apaisement\'\', zooals de
minister van oorlog haar zelf noemde in zijn rapport
aan den President, een stuk in toonaard zoozeer ver-
schillende van zijn manifest aan het leger.
Volkomen pacilicatie is alleen te wachten van vol-
komen herstel der dubbele rechtsverkrachting.
Van de tweede revisie staan wij thans lang zoo-
ver niet af als na Zola\'s veroordeeling van de eerste
revisie, die, ondanks alle machinaties, alle verdacht-
makingen en alle valscbheden, i s gekomen en zelfs
door de verfoeilijke lol de desaisissement, een mijn die
verkeerd sprong, niet kon worden weerhouden.
Er is dan ook nu nog geen reden om te wanhopen
aan het volkomen eerherstel van kapitein Dreyfus,
de volle zegepraal van waarheid en recht.
-ocr page 62-
Bijlage (W. 7280).
Hof van Cassatie in Frankrijk.
Vereenigde Kamers.
Zitting van den 3 Juni 1890.
President, de heer Mazeau.
Arrest in zake Dreyfus.
Lu Cour;
Gul M. lc président Ballot-Beaupré dans son rapport, M. ie
procureur-général Manau dans ses réquisitions, et Me. Mornard,
uvncat de Mme Dreyfus, ès qualité intervenant en ses conclusions,
Vu 1\'article 445 modiflé par la loi du Ier mars 1899,
Vu 1\'arrêt du 29 octobre 1898 par lequel la chambre eriminelle
a ordonné une enquête et a déelaré recevable en la fonne la
diniaivde tendant a la revision proposée d\'Alfred Dreyfus, con-
damnc Ie 22 déeembre 1894 a la peine de la déportation dans
une enceinte fortihée et a la dégradation militaire pour crime
de haute trahison,
                                                                 ^
Vu les procès-verbaux de ladite enquête, lesquels sont joints
au dossier,
Sur Ie moyen de cc que la pièce sccrète, ,,Ce canaille de D..."
aurait été communiquée au conseil de guerre:
Attendu que cette communication est prouvée a la fois par la
déposition du président Casimir-l\'erier et par celles des généraux
Mercier et de Doisdreffe eux-mêmea;
Que, d\'une part, Ie président Casimir-l\'erier a déelaré tenir du
genera! Mercier qu"on avait mis sous les yeux du conseil de guerre
-ocr page 63-
53
la pièee contenant les mots: „Ce oanaile de D...\'\', regardes alors
comme désignant Dreyfus;
Que, d\'autre part, les généraux Mercier et de Boisdreffe invites
a dire s\'ils savaient que la coinmunication avait eu lieu, ont
refusé de répondre et qu\'ils 1\'ont ainsi reoonnu iniplicitement;
Attendu que, la révélation, ]>ostérieiirement au jugement, de
Iji communication aux juges d\'un document qui a pu produire sur
leurs esprits une impressdon décisive et qui est aujourd\'hui con-
xidéré comme inapplicable au condamné, constitue un fait nouveau
de nature a étaldir 1\'innocence de celui-ci ;
Sur Ie moyen eoncernant Ie bordereau:
Attendu que Ie crime reproché a Dreyfus eonsistait dans Ie fait
d\'avoir livré a une puissance étrangère, ou a ses agents, des
document* interessant ladéfense nationale, confidentiels ousecrets,
dont 1\'envoi avait été accompagué d\'une lettre missive ou bor-
dereau non datée, non signée et écrite sur un papier pelure fili-
grané au canevas après fabrieation de ïayures iiu quadrillage de
quatre milimètres eu cbaque sens;
Attendu que cette lettre, base de 1\'accusation dirigée contre lui,
avait été successivemcnt soumise a cinq experts chargés de com-
parer 1\'écriture avec la sienne et que trois d\'entre eux, Charavay,
Teyssonnières et Bertillon la lui avaient attribué;
Que 1\'on n\'avait d\'ailleurs ni découvert en sa possession, i>i
trouvé qu\'il eiit employé aucun papier de cette espèce et que les
recherches faites pour en trouver du para] chez un certain nombre
de iniirchands en détail avaient été infructueuses;
Cependant qu\'un échantillon gemblable, bien que de formtit dif-
iérent, avait éié fourni par la maison Marion, marchand en
gros, cité Bergère, oü 1\'on avait déclaré que Ie modèle n\'était plus
courant dans Ie coinmerce;
Attendu qu\'en novembre 1898 1\'enquête a révélé 1\'existence et
amené la saisie de deux lettres sur papier pelure quadrille, dont
1\'authenticité n\'est pas douteuse, datées 1\'une du 17 avril 1892,
1\'autre du 17 aoflt 1894, celle-ci contemporaine de 1\'envoi du
bordereau, toutes deux émanant d\'un autre officier qui, en décem-
bre 1897 avait expressément nié s\'être jamais servi de papier
calque;
Attendu, d\'une part, que trois experts commis par la chtunbre
criminelle, les professeurs de 1\'école des chartes, Meyer, Giry,
Molinier, ont été d\'accord pour affirmer que Ie bordereau était
écrit de la mime main que les deux lettres susvisées et qu\'a
-ocr page 64-
I
54
leui\'8 eonclusions Charavay s\'est rattaché, aprcs examen de cette
écriture qu\'en 1894 il ne connaissait pas;
Attendu, d\'autre part, que trois experts également commis, Pu-
tois, Choquet, président honoraire de la chambre syndicale du
papier et des industries <|ui Ie transforment, et Marion, marchand
en gros, ont constaté que, comme mesures extérieure» etmesures
de quadrillage, comme nuance, épaisseur, transparenee, poids et
collage, comme niaticres premières employees a la fabrication, Ie
papier du bordereau présentait lus caraclères de la plus grande
similitude avec celui notamment de la lettre du 17 aoïit 1894;
Attendu que ces faits, inconnus du conseil de guerre qui a pro-
noncé la condamnatiun, tendent a démontrcr que Ie bordereau
n\'aurait pas été écrit par Dreyfus;
Qu\'ils sont de nature par suite a établir 1\'innocence du coii-
damné ;
Qu\'ils rcntrent dès lors dans les cas prévus, dans Ie paragraphe
4 de 1\'art. 443, et qu\'on ne peut les écarter en invoquant des
faits également postérieurs au jugement, comme les propos tenus
Ie 5 janvier 1895 par Dreyfus devant Ie capitaine Lobrun-Renaud ;
On ne saurait, en effet, voir dans ces propos uu aveu de culpa-
bilité, puisque, non seulemenl ils débutent par une protestatiou
d\'innocence, mais qu\'il n*est pas possible d\'en tixer Ie texte exact
et complet par suite des dirl\'ércnces cxislant entre les déclarations
successives du capitaine Lcbrun-Renaud et celles des autres té-
moins; —il n\'y a pas lieu de s\'arrêter davantage a la déposition
de Depert, contredite par celle du directeur du Dépót qui, Ie 5
janvier 1895, était prés de lui;
Kt attendu que, par application de 1\'article 445, il doit ètre
procédé a de nouveaux débats oraux;
Par ces motifs, et sans qu\'il soit besoin de statuer sur les autres
nioyens ;
Oasse et annule lo jugement de condamnation rendu le22décem-
bro 1894 contre Alfred Dreyfus par Ie Ier conseil de guerre du
gouvernement militaire de Paris, et renvoie 1\'accusé devant Ie
conseil de guerre de Rennes, a ce désigné par délibération spéciale
prise eiv cliamibre du conseil, ijwuir êfcre jugé sur la question
suivante :
..Dreyfus est-il coupable d\'avoir, en 1894, provoqué des maclii-
nations ou entretenu des intelligences avec une puissance, étran-
gère ou uu de ses ageids, puur l\'engager a commettre des hosti-
lités ou entreprendre Ia guerre contre la Prance ou pour lui en
-ocr page 65-
r>r,
procuver les movens en lui livrant les notes et documents renfer-
més duns Ie bordereau" ;
Dit que Ie présent anêt sera imprimé et transcrit sur les
régistres du premier eonseil de guerre du gouvernement militair.-\'
de Paris, en marge de la déeisiou annulée.
Volgens de berichten uit Parijs is de vernietiging van liet
vonnis van den krijgsraad uitgesproken met al gemeen e stern-
men en drie onthoudingen, vermoedelijk van de raads\'.eeren, die
in de consultatieve coinmi-sie tegen de aanvraag der revisie had-
den gestemd. Deze raadslieden namen echter deel aan de stem-
ming over de vel wijzing, waartoe met eene meerderheid van twee
stemmen werd besloten.
-ocr page 66-
Bij de Uitgevers dezes zijn o. a, verschenen:
Mr. A. A. de Pinto, Ontwerp-Wetboek van
Burgerlijke Regtsvordering on Memorie van
Toelichting. Uitgegeven met toestemming,
onder toezigt van —. (1867).....f 6.25
Wetboek van Strafregt voor Ned.-Indië
(Wetboek voor de Europeanen), gevolgd
door de Memorie van Toelichting. Uitge-
geven ingevolge magtiging en met eene
voorrede en aanteekeningen, ter aanvulling
van de Memorie van Toelichting (1866). .
- De afschaffing der doodstraf in het
Koningrijk Saksen. (1869)......
Bedenkelijke Beactie op strafrechte-
lijk gebied. (1886)........
-    3.—
-    0.25
-    0.40
-----Het Proces Dreyfus, getoetst aan
Wet en Recht, I en II (1898 en 1899).
Weekblad van het Recht, Rechtskundig
Nieuws- en Advertentieblad, onder redactie
van Mr. A. A. de Pinto, per jg. met register
p. post............
- 23.—