-ocr page 1-
iï$<j5
31
rrtm
/3t. /tfy/xr
TOESPRAAK,
TE HOUDEN
op den 316le" Augustus 1595,
op verzoek van eenige kerkeraden saamgesteld
DOOR
F\\ P. L. C. van LINGEN.
\'•■^r*\'
-ocr page 2-
V \'
• -
- ,"
-                   i.
- ■■ -■
.
- .
-• , \'*
.
-ocr page 3-
TOESPRAAK,
TE HOUDEN
den 5l6len Augustus 1898,
op ïerzoek ?an eenige kerkeraden saamgesteld
DOOR
F. F. L. C. van LINGEN.
^r"\'
-ocr page 4-
Aan elk rechtgeaard Nederlander is het Oranjehuis dierbaar.
Daarom zal niemand, die in God gelooft en alzoo ook aan de
kracht des gebeds, den 31 sten Augustus van dit jaar zonder
smeekingen laten voorbijgaan.
Geen gemeente, het allerminst, die de belijdenis der
waarheid hooghoudt, zal haar bedehuis op dien gedenkwaar-
digen dag onbezet kunnen laten.
Door meer dan eene, verstoken van een voorganger in
den dienst des woords, is reeds het bezwaar geopperd, dat
eene toespraak, voor die gelegenheid geschikt, haar ontbreekt
Zoo kwam het verzoek tot mij zulk een woord op te stellen
en zoolang alleen voor kerkeraadsleden verkrijgbaar te doen
zijn, totdat die dag zou zijn voorbijgegaan.
Ik beproefde het, wel wetende dat het gemis van een
passend woord op menige plaats het samenkomen bezwaarlijk
maken zou.
Daarom mocht ik, hoewel van onbekwaamheid bewust,
niet weigeren.
Ga menige innige bede des geloofs en der liefde dien dag,
maar dien niet alleen, voor onze koninginne op tot onzen
God, die hoort en verhoort.
F. P. L. C. VAN LINGEN.
-ocr page 5-
-ocr page 6-
Als de gemeente in haar Godshuis is vereenigd moet
vóór alles des Heeren woord worden vernomen. Wij lezen
daarom vooraf Psalm 91.
Psalm 23 zij de nachtegaal onder de: psalmen genoemd,
ik zou Ps. 91 wel een adelaar der Gode gewijde liederen willen
hceten , een adelaar, die elke bekommerde ziel op zijne vleu-
gelen draagt, en voor neerzinken behoedt (Kxod. 19 : 14:
Deut. 32 : 11 v.v.). Dat die psalm heden de inhoud onzer
smeekingen zij en in \'t bijzonder zijn aanhef (vs. 1), welken wij
nogmaals met u lezen:
Die in de schuilplaats des Allerhoogsten
is gezeten, die zal vernachten inde
schaduw des Almachtigen.
Vertroostend zonder wederga is voor allen , die gelooven dat
woord , hetzij het hart voor ons zelven , voor ons vaderland , voor
onze Kerk, of voor eene hooggeliefde met zorg of zielsver-
langen vervuld is.
Waar de vijand roept: »ter dood" \') roept God zelf ons
hier toe: »naar de schuilplaats."-) Wie die stem des Heeren
hoort en volgt, is »Zijne duive, zijnde in de klove der steen-
rots" (Hoogl. 2 : 14), terwijl daarbuiten steeds het roofdier
achtervolgt. >Buiten God", zegt een groot dichter: ■»is \'t nergens
veilig."
Zoo zij dan ook ons begin in den naam des Heeren en
ons eerste werk op deze plaats des gebeds de toevlucht te
nemen tot Hem , die het koninklijk hart neigt als waterbeken
(Spr. 21 : 1), maar ook dat der onderdanen tot al wat Hij wil.
Stort, o onze God! den Geest der genade en der gebeden
uit over het volk van Nederland, ook over mij. (Zach. 12 : 10).
>) ad patibulum, bekend woord van J. Hessel in den raad van beroerte
2) ad latibulum.
-ocr page 7-
GEBED.
TUSSCHKNZANG I\'S ALM 123 : 1.
L-^en ongewone dag, een ongewoon uur voor kerkelijk
\'         samenzijn bracht ons hier en wie onzer zou het
antwoord behoeven schuldig te blijven op eene vraag als aan
Elia werd gedaan: »wat maakt gij hier?" Indien tot ieder
van ons de vraag des Meeren kwam, eens gedaan, toen de
koningskroon op het hoofd van een jeugdigen was gezet:
«Begeer wat Ik u geven zal", één antwoord kwam van onzer
aller lippen, ééne bede, samenstemmende met die, welke in
het harte is van haar, die in den tempel der hofstad zich
buigt voor God en bidt.
Toch weet ik het niet, welke toon voor ons thans de
hoogste moet zijn , die van dank of van gebed. Maar danken
is bidden en bidden is danken. Dat zij te samenvloeien tot
éénen psalm en die psalm vereenigd zij met dien van gansch
het volk van Nederland, of het in kathedraal of synagoge of
in het bedehuis der verdrukten zich tot God verheft.
Zonder twijfel trof het u menigmaal, dat zoo groote over-
eenkomst is tusschen ons dierbaar vaderland en het Kanaan
van Israël, een naam. welke ook de vertaling van »Nederland"
duldt. Ook onze geschiedboeken getuigen van redding uit de
macht van een verdrukker, als het ook onzer vaderen ernst
was om den eenigen God naar Zijn woord en bevel te dienen.
Ook ons is een koningshuis gegeven, waarvan wij weten,
dat het niet door een Sauls keuze, maar naar Gods verkiezing
het onze werd. Israël spreke van een David, die de oorlogen
des Heeren heeft gevoerd en in Gods kracht den vijand over-
won, ook wij denken aan een >beminde des Heeren", aan
den grooten Zwijger, dien wij onder den Vader in de hemelen
den vader des vaderlands mogen noemen.
Ik wil thans geen droevige snaren aanraken ; anders sprak ik
-ocr page 8-
— 6
van afscheuring van Davids huis, maar alleen wil ik u nog
wijzen op één punt van overeenkomst, dat betrekking heeft op
den tijd van heden.
Het was in de dagen van den priester Jojada, dat het
scheen ol Davids nakroost uitgestorven was en vreemden over
Gods volk zouden regeeren. Toen weende, al wat God vreesde in
Israël. Waar waren dan die beloften, dat het huis van den
man naar Gods hart bestendig zou zijn ? Wat kon er komen
van de vervulling der profetieën omtrent het heil, door den
Koning der koningen, den eenigen Davids zoon, teweeg te
brengen ? Toen was er wel een Abrahams geloof noodig om
vast te houden, dat (ïod machtig was om uit den verstorvenen
[zak een nakomelingschap te verwekken, gelijk Hij uit de
verstorvene Sarah een zoon geschonken had.
Maar eene koningsdochter had een jongske verborgen en
het groeide in stilte op en werd groot. God had het Davids-
huis niet willen laten uitsterven. Gods beloften bleken Ja en
Amen te zijn. Het >de koning leve" weerklonk onder het
handgeklap des volks in den tempel voor den jeugdigen Davids-
zoon , den vader van zoovele godzalige vorsten , van Hizkia en
Josia , den vader van Hem , die tot in eeuwigheid op den troon
van Israël, wat zeg ik, op <jlen hemeltroon zit.
Ik behoef niet nader te verklaren. Gij hebt met mij reeds
in uw hart uwen God gedankt, die het Oranjehuis niet wilde
doen uitsterven, maar ééne spruit ons deed overblijven, die,
door eene vorstendochter opgevoed, onze hoop heeft doen
herleven op nieuwe heerlijke openbaring van dien geliefden
stam. Voor haar is ons gebed , dat ook voor de toekomst van
ons land een rijke wasdom van dien boom in haar gegeven
zij , en bovenal dat het geloof in den Zone Davids , door hare
voorvaderen beleden, bescherming vinde in haar en haar
nageslacht.
Veel dankt Nederland aan zijn Oranjehuis op maatschappelijk
gebied, veel is ook door de voorvaderen op kerkelijk gebied
gedaan , zoodat de kerkdeuren zich ook heden wel tot dankbaar
gebed mochten openen, \'t Is Oranje, die ons vrijvocht van
Roomsche priesterheerschappij. Oranje gaf de hoogeschool,
waar de heilige theologie als moeder aller wetenschappen werd
-ocr page 9-
beschouwd. Oranje riep Dordrechts Synode te samen, waar
kerkleer en kerkorde werden vastgesteld, eiken Gereformeerde
nog heden dierbaar. En niet alleen de groote mannen, maar
ook de vorstinnen uit dat huis hebben gearbeid voor het
Koninkrijk Gods. Luistert slechts naar dat lied:
Jezus is mijn toeverlaat!
Hij, mijn Heiland is in \'t leven ,
Zou ik dan niet aan Gods raad
Mij blijmoedig overgeven f
Schoon der graven lange nacht
Huivrend soms worde ingewacht.
\'k Voel mij door den nauwsten band
In die hope aan Hem verbonden;
Mijn geloove houdt Zijn hand
Vast tot in mijn laatste stonden
¥.n geen macht van dood of graf
Rukt mij ooit van Jezus af.
Gij hebt reeds den naam genoemd dier godzalige dichteres ,
de dochter van onzen Frederik Hendrik.
Die psalm vloeide uit haar hart bij het woord van Job
(19 : 23—27), »ik weet mijn Verlosser leeft."
Hebt gij niet bij de herinnering dier regelen reeds eene
bede geuit, deze bede: Heere! laat het geloof, laat de Geest,
welke leefde in de keurvorstinne van Brandenburg, ook leven
in en zaligen het hart onzer jeugdige koningin?
Zij heeft op die bede recht.
De Apostel Paulus hield niet op te bidden voor de gemeente
(Kol. 1 : 9), bij dag en bij nacht (1 Thess. 3 : 10), maar
vraagde ook: »Rroeders! bidt voor ons" (1 Thess. 5:25;
2 Thess. 3 : 1). Stervende bad de groote Willem voor zijn volk,
en op het slagveld zien wij een Maurits geknield voor God.
Waarlijk, van het Oranjehuis mag wel de vraag tot ons komen
en met blijdschap daaraan worden voldaan, een vraag om te
doen wat het zoo innig deed voor ons.
De Apostel had wel reden om gebeden aan te bevelen voor
-ocr page 10-
— 8 —
degenen, die in hoogheid zijn gezeten. Hij wist het wel, dat
nergens de gevaren grooter zijn dan waar de stoel der eere is
geplaatst. Waarlijk bij het »waar schoonheid is" mag wel
geplaatst worden: »waar hoogheid is, is mooglijk stof tot dan-
ken, maar zekerlijk daar is tot bidden stof." Een Agur bad:
»maak mij niet rijk, o Heere! opdat ik U niet verloochene en
zegge: wie is de Heere?" Waar gelegenheid is om alles te
genieten, dat op aarde in de oogen schittert, daar is groote
genade noodig om als een Noach te wandelen met God.
De Heere spreekt van hen, die lange kleederen dragen
en in der koningen huizen zijn. Bewierookt door de wereld
is dikwerf verre van God, en als van eene koninginne een
godinne wordt gemaakt, moet eene ellende worden gevreesd
als een Herodes overkwam na het: »eene stemme Gods!"
Broeders! bidt voor haar.
De godzalige Eduard van Engeland sprak op zijn sterfbed:
»Ik ga heen, waar ik niet vele koningen vinden zal." Hij
wist, welke geest in die vorstenzalen heerschte. Wij, eenvoudige
burgers, vormen ons geen denkbeeld van al de verzoekingen,
die daar het jeugdig hart bestormen. God make haar, wier
eenvoud zooveel is geroemd, voor alle vleitaal doof en in de
koninklijke binnenkamer moge vaak eene neergeknielde voor
God bewonderend met een groot koning vragen : »wie ben ik
Heere! en wat is mijn huis?" Hoe hooger wij staan, zegt
Cicero (de Off.), des te geringer moeten wij ons gevoelen.
Bidt niet alleen nu, maar bestendig voor haar.
Meer dan ooit worden in onze dagen koninklijke hoofden
bedreigd. Hebben niet de laatste tijden het bewezen, welke
de gevolgen zijn, dat de bijbel aan het volk is ontnomen ? Wij
zijn dankbaar, dat wij weten mogen dat haar deel is, wat een
groot redenaar der Romeinen (Cic. Phil. 2: 44, 112) uitsprak:
»door liefde der burgers moet de troon omgeven zijn, niet
door wapenen" en wat een ander (Seneca de Clem.) schreef:
»er is eene onverwinnelijke bescherming, namelijk de liefde der
burgers", maar toch gij vertrouwt niet op menschen: wij ver-
trouwen alleen op de hoede van onzen God. Onze hulpe is
daarom van Hem, die hemel en aarde heeft gemaakt en onze
bede die van Psalm 84 : 10: »0 God! ons schild! zie en aan-
-ocr page 11-
— 9 —
schouw het aangezicht uwer Gezalfde." Doornenkronen lieten
duizendcrlei zegeningen na. De kronen welk hemellingen dragen,
zullen niet schaden , want daar boven worden ze aan de voeten
van het Lam neergelegd, maar gouden kronen der aarde zijn
zoo zwaar. Gij hebt een huis, gij hebt een klein deel aardsch
goed te verzorgen. Wat al bekommernis voor dat weinige.
Maar hoe groot moet de zorg dan niet zijn voor een geheel
land! Gij hebt enkelen. voor wie gij te arbeiden, te waken
hebt. Wat moet het niet zijn als duizenden, als millioenen
onderdanen op koninklijke belangstelling en besturing recht
hebben ? Neen! waarlijk, vergeten burgers behoeven niet
te benijden, die in hoogheid zijn. Begeerlijk scheen die
heerlijkheid een Damocles toe, maar hij begeerde ras nog
sterker er van verlost te worden , en zoo gij eens kondet wegen
al den last, beseffen al de verantwoordelijkheid, welke op
koningen en koninginnen rust, ge zoudt spoedig de waarheid
van het woord van Thomas a Kempis erkennen: *het is het
best onbekend te zijn." \')
Eén ding is voor ieder sterveling noodig. Eén ding bovenal
is onmisbaar voor onze vorstin om gelukkig te zijn. Als gij
den koninklijken harpzanger, den man groot in de lofzangen
Israëls hoort juichen in zijn God dan gevoelt ge dat ook in
paleizen zaligheid zijn kan. Als de Heilige Geest de snaren
des harten trillen doet, als de God der krachten ook de
Jehovah der ziele is, dan geen nood. Gelijk een herder achter
den grooten Herder met al zijne zorgen gerust kan wezen,
zoo ook cene koningin als zij van den Koning der koningen
eene volgelinge is.
Daarom, gedachtig aan het woord van Plutarchus (Dem. 30):
»het slechtste teeken voor de liefde der menschen tot hunne
koningen en vorsten is de overmaat van eerbewijzen", zoeken
wij eene hoogere uiting voor onze liefde en bidden voor haar,
dat God haar wijsheid, bescherming, genade geve. Wij
begeven ons niet in de dichte stroomen des volks maar veel
naar de binnenkameren om dezelfde bede te uiten, welke de
Engelschman in zijn volkslied voor zijne koninginne vraagt.
\') Ama nesciri.
-ocr page 12-
— IO —
Is God haar schild, wat heeft zij dan met haren God te
vreezen ? Al staat zelfs een braambosch in brand , als de Heere in
het midden is, dan wordt die niet verteerd. Als Jezus Christus
in \'t scheepke is, dan mogen de ruwe stormen woeden, het
woord zal waarheid zijn >rustig te midden der woeste golven." \')
Al ging men door een dal der schaduwen des doods, de vreeze zou
overbodig zijn. Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is
gezeten , die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen."
Dat woord bracht de Heere in tijd van nood en gevaar bij
herhaling voor de aandacht van Ruslands keizer, Alexander I.
Na den val des vijands werd steeds opgemerkt dat een papier
zorgvuldig aan het hart van den vorst werd bewaard en na
zijn dood dacht men een gewichtig Staatsstuk te vinden. Dat
Staatsstuk was niet anders dan het eerste vers van 1\'salm 91.
Dat God datzelfde woord diep in het hart onzer jeugdige
koninginnc griffe, opdat zij blijmoedig haren weg vervolge
en haar volk regeere «rechtvaardig, wijs en zacht.\'\'
Biddende voor die u regeert zorgt ge voor uw eigen wei-
zijn. Met is niet voor de eerste maal en het zal niet voor de
laatste maal gezegd zijn : «Oranje en Neêrland één." God heeft ze
onverbrekelijk saam verbonden en als I\'aulus zegt (1 Kor. 12 : 26):
Hetzij dat één lid lijdt, zoo lijden al de leden mede; hetzij
dat één lid verheerlijkt wordt, zoo verblijden zich al de leden
mede," dan moogt gij zeker onder dat ééne lid in bijzonderen
zin onze koningin verstaan en onder die leden allen wien \'t
Neêrlandsch bloed in de aderen vloeit, allen zeker, die op
dezen gezegenden bodem God vreezen.
Tegenover het woord van den wijzen koning (Pred. 10: 15):
■ Wee 11, land! welks koning een kind is" mogen wij een
ander stellen : vgezegend het land welks vorstinne met haar
God wandelt." Welk verschil in Israël naarmate het hart van
den koning van God was afgeneigd of God zocht. Van het
bezit van het koninkrijk Gods hangt alles, ook de tijdelijke
zegen af. O, om uws zelfs wil, burgers van Nederland! laat uw-
gebed komen tot des Hcercn troon, want de Heere neigt der
koningen harten als waterbeken tot al wat Hij wil. Dat hart
\') ^ranquilla saevis in undis.
-ocr page 13-
— II —
is in Zijne hand (Spr. 21 : 1), en immers gij weet het bij erva-
ring: »God hoort het gebed" of anders leest wat onze Heere en
Heiland in redenen en gelijkenissen zegt van de kracht en den
zegen des gebcds. Ziet het uit voorbeelden , welke de Schrift
u mededeelt. Ken jongske ligt verborgen onder de struiken ,
smachtende van dorst. Hut bidt en het gebed van het kind
doet den hemel opengaan en den engel der verlossing neder-
dalen. Laat Jakobus u verhalen van een man van gelijke
bewegingen als wij, die biddend de regenwolken jaar aan jaar
terughoudt en ook weder nederdalen doet. Voor Mozes gebed
wijkt Mirjams melaatschheid en der Kananietische bede verjaagt
den duivel uit het dochterke. Ken Petrus zucht in den kerker,
waarin hij den dood verwacht, maar sterke muren en knellende
banden en wacht aan wacht lijden te samen de nederlaag,
als de kleine gemeente in Maria\'s woning bidt. Het gebed is
eenigermate eene almacht omdat het in heilig verbond met
den Almachtige staat. Laat de gansche hel dan samenspannen
en hare legio\'s van verleidingen en bedreigingen doen woeden ,
als de gemeente waarlijk bidt knarst satan zijne tanden stomp.
Wie naar verklaring van dat wonder vraagt, die wete, dat,
als de gemeente van den Koning bidt in Zijnen naam, ook
de Koning der gemeente in de hemelen als voorspraak en voor-
bidder staat voor den troon der genade. Hij, die altijd wordt
gehoord.
Het is ons daarom zoo goed te weten, dat op dezen
zelfden dag, in deze ure, waarin gansch Nederland als een
stroom \'s Heeren troon voor zijne koninginne aanloopt, hare
bede in \'s Gravenhage\'s Kloosterkerk zich met de onze ver-
eenigt. Die ons gebed vraagt erkent eigen machteloosheid.
Die ons gebed vraagt erkent hoogere macht, gelooft aan de
kracht en den zegen des gebeds.
Gelukkig Nederland! indien gij door eene biddende wordt
geregeerd. Dan zingen wij den dichter na : »Den man zij op
aarde de scepter verbleven, der vrouw is de geest des gebeds
meer gegeven. De biddende vrouw draagt op aarde de kroon."
Die bidt heeft behoefte aan biddende harten. Die zijn
haar deel van duizenden, ook van ons.
Zegene de Heere haar, gelijk wij een Adamskind, dat
-ocr page 14-
— 12 —
in zonde geboren behoefte heeft aan de herscheppende genade
Gods tot zaligheid.
Zegene de Heere haar en volbrenge Hij Zijne kracht in hare
zwakheid, opdat haar wandel zij tot verheerlijking van haren God.
Zegene de Heere haar als Christinne, die opwast in genade
en kennis van den Heere Jezus Christus.
Zegene de Heere haar als koninginne, die straks de kroon
mag dragen over een gelukkig volk, dat in vrede het goede
geniet.
Zegene de Heere haar met wijsheid en verstand om recht
en gerechtigheid te handhaven en te wandelen op het pad,
door den Alleen-wijzen geteekend.
Zegene de Heere haar, opdat jaar op jaar hare stem zich
moge verheffen in de vergaderzaal des lands, getuigende van
voorspoed en heil.
Zegene de Heere haar, de dochter dier moeder, die uit
den vreemde geen vreemde voor Nederlandsche harten bleef
en noeme ons volk nog lang het tweetal koninginnen, als ver-
bonden door den liefelijksten band.
Zegene de Heere haar als Oranjespruit en zij ze bestemd
om het oranjebloed te bewaren voor Neêrlands volk en met
ons te verbinden wat voor de belangen onzer natie hoofd en
hart bezit.
De dag is nabij, waarop de duizenden en tienduizenden
naar de hoofdstad zich spoeden tot gejubel voor de van God
ons gegevene en ons »Leve Neêrlands koninginne!" klimt dan
als gebed tot Hem, die in haar harte mogen antwoorden
(Jes. 44 : 2): «Gij zult van Mij niet vergeten worden."
Die dag zij een eerste van overvloedigen zegen.
God, de Vader zegene haar en behoede haar.
God de Zoon zij haar licht en sterke haar door genade.
God de Heilige Geest verheffe over haar Zijn aangezicht
en geve haar den vrede, die alle verstand te boven gaat.
AMEN.
PSALM 121 : 4.
-ocr page 15-
Typ. J. Bokma, Hzn., Utrecht.