-ocr page 1-
\'t Blijft:
f
Oranje boven:
1544-1898.
— K?/? £^/7 0^/ Vorstenhuis.
en van eene jonge Vorstin
....
DOOR
ELISABETH.
NIJKERK,
G. F. CALLENBACH.
-ocr page 2-
*. «. \\ \' > "* .\'
Stoomboekdrukkerü - C. C. Callenbach — Nijkerk.
-ocr page 3-
31 Augustus 1898.
Ons hart gedenkt op dezen Dag
Een ouden Zang....
Een lied, in Nederland gehoord
Drie ecuwen lang!
,,\'k Blijf u getrouw, mijn Vaderland!
„Tot in den dood;
„Ik richt mijn oogen op den Heer,
„Zijn macht is groot!
„Wees niet bevreesd en niet vervaard:
„— Uw redding naakt!
„Wegdrijven zal decz\' donkre wolk:
„Uw Arader waakt!
„Alleenlijk .... bid voor mij, mijn volk!
„Hei — nacht en dag,
„Dat ik, Zijn grootcn Naam tot eer,
„U helpen mag!" ....
De wolk drééf weg; do Vrijheid kwam;
En roem; en eer!. . . .
. . . . Maai\' d\' oedle Zanger van dit lied
Hij was niet meer!
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Hem trof — o, Uur van rouw en smart!
Eens moorders hand;
Hij stierf.... Zijn laatste woord
Een beê — voor Nederland!
Ons hart gedenkt op dezen Dag
Dien ouden Zang....
En ook die Beê, door God verhoord:
Drie eeuwen lan»\'!
-ocr page 6-
I.
am! . .. . bam! . . . . bam! . . . .
Langzaam weergalmen zes slagen van de torenklok der
Grootc kerk.....
15am! . . . . bam! . . . . bam ! . . . .
Vol en duidelijk trillen ze door de stille avondlucht; dan
sterven ze weg.
\'t Is Augustus; 31 Augustus 1880.
Op een achterkamertje — \'t huisje stond in een der moer afge-
legen buurten van \'s Gravenhage — zit oude vrouw Wolters,
ijverig breiend, voor \'t open venster.
„Zes uur!" zegt ze halfluid, even van haar werk opkijkend.
Haar gelaat is gerimpeld meer nog door zorgen dan door oudcr-
dom; \'t dunne haar, dat hier en daar onder \'t mutsje te voorschijn
komt, is geheel 8\'rijs, maar een vriendelijke, vredige uitdrukking
in de heldere oogen zegt ons. dat haar hart jong en hoopvol is
gebleven.
Al zijn de ouderwetsche meubeltjes door langjarig gebruik ter
degc versleten, — toch ziet het kleine vertrek er recht netjes en
gezellig uit.
Tusschen de blocmpotjes in de vensterbank zit poes; ze spint
welbehagclijk en verliest de glinsterende, tikkende breinaalden geen
seconde uit het oog.
„Zes uur!" herhaalt hare meesteres onrustig: „waar die jongen
toch blijft! Weet jy \'t, poes?"
Poes houdt heel eigenwijs den kop schuin ... en spint nog hardei\'.
.... Pang!!....
Wat was dat? Grootmoeder schrikt op; poes ook..... Eene
-ocr page 7-
6
ontploffing? Do oude vrouw kan \'t geluid niet duidelijk onder-
scheiden; ze is nu en da» wat hardhoorend.
Een minuut blijft alles rustig; toen weer: .... Pang!!! ....
Daar wordt de deur mot een ruk opengegooid en een blozende
achtjarige jongen stormt letterlijk naar binnen: „Grootmoeder!"
hijgt hij. Maar verder komt hij niet, hij moet even adem scheppen . . .
„Grootmoeder!" ....
Pang!!___
—  „Weet u, wat wc hebben? Wc hebben een prins of een
prinsesje; daarom schieten ze met kanonnen in den Koekamp.....
Mag ik gaan kijken met Jan en Gcrrit en . . . ." Weg is hij!
Maar Grootje hem na, „Jongen!" roept ze: „wat zeg je?"
„We hebben een prins of een prinses; in \'t palcis is het. Je
kunt aan \'t schieten hooron, wat het is ... . Tel de schoten
maar . . . ."
Pang!!!....
„— honderd een voor \'n prins; een en twintig voor \'n prinses.
Dag, Grootmoeder!"
Hoofdschuddend gaat vrouw Wolters weer zitten; ze neemt haar
breiwerk op, maar tot groote verbazing van poes, die deze werk-
staking heel ongewoon vindt, laat ze hot weldra in den schoot
vallen — om beter te kunnen luisteren!
.... Pang!! . . . . pang!!....; nu \'t oor er aan gewend is, hoort
ze duidelijk, dat \'t kanonschoten zijn! Hoeveel waren er al geweest ?
Twee, voordat Piet kwam; toen nog twee, en nu weer twee; dat
zijn er al zes.....
En ze telde voort, het oude vrouwtje! .... God weet, hoevelcn
met haar meetelden in den Haag!
—   „Twintig;.... een en twintig".....\'t Werd stil; wat duurde
die minuut lang!
\'t Blééf stil.
„Een prinsesje dus!" fluisterde Grootmoeder; „wat zal hij blij
zyn met zijn dochtertje, onze oude Koning! Had mijn Gerrit dezen
dag eens mogen beleven!"
-ocr page 8-
7
Ze verzonk in diep gepeins.
Als ze aan den Koning dacht, dan dacht ze ook aan haar man:
volgens haar behoorden die twee bij elkander..... Zij was er
nooit over uitgepraat tegen ieder die \'t booren wilde, dat Groot-
vader in 1830 den „tiendaagschen" bad meegemaakt: ..Onder den
Koning zen vader, die toen nog prins van Oranje was; vijf jaar
is ie weggeweest voor dien tiendaagschen veldtocht, ergens in België!
— \'t Was zen gelukkigste tijd; in zijne laatste ziekte lag hij er aldoor
over te malen en ook over zijn „metalen kruis*\'; dat hadden allen
die mee uitgetrokken waren van den Koning gekregen, toen ze
thuiskwamen. Wat was mijn gocje Gerrit daar trotsch op! Later is
ie aan \'t hof gekomen. Vijf en twintig jaar heeft ie dezen Willem llt
als lakei gediend; hij heeft hem vaak gesproken en hij zou zijn Ie ven
voor zen vorst gegeven hebben. „Vrouw," zei Gerrit. kort voor hij
stierf, tegen me: „onze Koning is altijd goed voor me geweest;
\'t pensioentje, waarvan je na mijn dood leven kunt. heb je ook al
aan hem te danken. Houd hem in cere en leer het den jongen
ook"..... Die „jongen" was Piet, hun ouderloos kleinkind, die sinds
zyn derde jaar bij hen inwoonde. Wat zou ze hebben moeten
beginnen zonder dat pensioentje? Zij was te oud en te zwak om
uit werken te gaan; met breien kon ze wel een duitje, maar lang
niet genoeg verdienen, en Piet bracht natuurlijk nog niets in.
Aan dit alles dacht Grootje op dien zomeravond .... en ze
eindigde met biddend de banden te vouwen.
Want ook haar hart klopte warm voor \'t Oranjehuis!
Intusscben hadden Piet, Gerrit, .Jan — en welke namen ze
verder dragen mochten — \'t op een loopen gezet naar den Koekamp.
En hoe verder ze kwamen, des te meer groeide de troep jongens
aan, evenals een sneeuwbal, al rollende, steeds grooter wordt! Maar
dat is dan ook \'t eenigc, wat deze jongens met een sneeuwbal
gemeen hadden, want ze zagen ev veeleer uit als vuurbollen, toen
ze, blazend en hijgend, de plaats bereikten, waar ze wezen wilden;
van buiten en van binnen waren ze warm!
-ocr page 9-
s
Zij kwamen nog tijdij,\'\' genoeg voor de laatste schoten.....
\'t Was liefhebberij, zooals die knalden; de grond dreunde ervan!
Goed. dat je wist, dat \'t maar los kruit was; anders zou je
werkelijk ban»- gaan worden!. . . . AVant — natuurlijk waren
onze jongens door de mcnselien hecngedron<;en, en stonden ze vlak
vooraan!.... Hij elk schot riepen zij: „Hoera!!"; - na \'t laatste
....klonk hun „Leve de Prinses!" boven dat der menigte uit;
van geestdrift overschreeuwden ze zich haast; en ze zwaaiden met
de handen en wuifden niet de petten - als rechtschapen Nedcr-
landers en echte Oranjeklanten!
Toen - langs \'t Noordcindo — terug - Kijken, dat zododen!
Ze bezagen \'t Paleis van boven tot beneden: maar er was niets
buitengewoons aan op te merken..... Die Koninklijke Standaard
woei gisteren ook van \'t dak; die schildwachten stonden daar altijd!
\'Poch bleven ze kijken.
..Zou jij der niet eens even willen zien, Jaap?"
..Nou, óf ik!"
..Ze leit zeker in een gouden wieg, hé?"
„Natuurlijk! goud is oinuiers \'t duurste, wat er is!!"
..Wc hebben nou één prins en één prinsesje.....\'k Vind het
aardig, dat \'t een meisje is."
„Een meisje!" .... zei Piet verontwaardigd: „een meisje! Een
prinsesje bedoel je."
„Nou, is een prinsesje dan geen meisje? Ze is toch geen jongen,
domoor!"
„Zeg, jij hoeft me niet te schelden hoor!.... of ik zal je ...."
— „Pas op! Daar komt een diender."
Gelukkig maar. want \'t had weinig gescheeld of ze waren al
dadelijk ter wille van ecne vermeende belcediging van \'t Konings-
kind aan \'t bakkeleien gegaan. — Nu liep de zaak „met een sisser"
af; en ze togen verzoend verder. Ja! in hun hofje aangekomen, hieven
zij. alvorens te scheiden, verschillende Vadcrlandsche liederen aan;
jammer, dat ze van de meeste slechts enkele regels kenden — en
bij allo middenin bleven steken.
-ocr page 10-
9
\'t Lied — zoo juist niet wijs en al door Piot gemaakt, ging \'t
best van alles, \'t Was even toepasselijk als kort en veelzeggend, —
ze zonden \'t dan ook verscheidene malen:
Ornnje boven! Oranje boven!
Leve Willem drie !
Met de Koningin en \'t Prinsesje derbij;
Lang, heel lang nog leven zij.
Oranje boven! Oranje boven!
Leve Willem drie!!"
I)c jeugdige volksdichter vond zijne Grootmoeder nog zittend bij
\'t open venster.
\'t Was schemerdonker. „Je slaapt tocli niet, Grootje?.... We
hébben een prinses!"
..Ik weet liet! ik weet het!.... tellen kan je Grootmoeder
nog wel, lioor! . . . . Daar, jongen, hier heb je een dubbeltje, haal
een krentenbroodje bij den bakker..... Ik steek onderwijl de
lam]) aan en zet een kopje koftic; we eten en drinken dan op de
gezondheid van ons prinsesje."
In minder dan geen tijd was Piet met het verlangde terug.
Ze vierden dien avond feest met hun bcidjes, en vrouw Woltors
haalde \'t eene belangwekkend feit na \'t andere op uit Grootvaders
loopbaan. In één woord, zij stelde liet leven van lakei „bij den Koning
zclvers" zóó begeerlijk voor, dat Piet in ware geestdrift ontstak:
„Dat zal ik ook worden, Grootje!"
„.Ia, jongen, maar Z. M. is al zoo oud en jij bent nog zoo\'n
kleine jongen."
„Dan bij prins Alexander, als die koning wordt! Zal dat niet
heerlijk zijn, Grootmoeder?"
„\'t Lijkt wol, of het je niemendal kan schelen, dat onze goede
Koning dan eerst dood moet!" zei vrouw Wolters. een beetje onte-
vreden, want op dat punt vatte ze dadelijk vuur.
„Zoo meen ik het niet." verdedigde Piet zich. „U zegt zelf, dat
ik geen lakei meer worden kan bij dézen Koning."
-ocr page 11-
-ocr page 12-
10
Natuurlijk had haar jongen \'t zóó niet bedoeld! Grootje had tor-
stond berouw over hare haastigheid, en ze wou \'t weer goed maken:
„Krijg jij Grootvilders boek maar uit de latafel, hoor! .7c moogt \'t
vanavond hebben, als je er heel voorzichtig mcê bent."
In „Grootvaders boek" — \'t kwam alléén bij extra gelegenheden
voor den dag — stond de geheele geschiedenis van \'t Huis van
Oranje; ook oen Stamboom van dit doorluchtig geslacht en de
portretten van al de vorsten.
Dat vrouw Wolters haren kleinzoon toestond dit kostbaar geschrift
te bekijken, was wel \'t grootste hcwijs, dat haar hart dezen avond
in cene feestelijke stemming was.
Onder degenen die óók naar de kanonschoten geluisterd en meê-
geteld hadden, waren de bewoners van een huis in de Zeestraat
— vlak bij \'t Noordeindc —: Mr. en Mevrouw van Merlen.
Annie, hun vijfjarig dochtertje, was verrukt, toen hare ouders
haar vertelden, hoc die 21 kanonschoten den volke verkondigden,
dat er eenc prinses geboren was! Wat had zij veel te vragen;
vooral, toen ze in haar bedje h-ur en Mama bovenkwam om haar
goedennacht te zeggen:
„Is \'t prinsesje net zoo\'n kindje als Willie van tante Ella?
Ligt ze in een wieg, met gewone Meertjes aan of heeft ze een
kroontje op haar hoofd — net als die prinses in mijn toovergodin-
nenboek? Doet haar dat geen pijn?"
\'t Was een din»\' voor hare moeder om overal een antwoord op
te geven! Dat \'t prinsesje gewone kleertjes aanhad en geen kroon
droeg, — bracht Annie in de grootste verbazing; eerlijk gezegd,
was ze wel een weinig teleurgesteld!.. .. Maar, na even nagedacht
te hebben, zei ze met een zucht: „Zij zal véél lekkerder slapen
zónder!"
Op \'t punt van haar avondgebcdje te doen, vrocjj- ze: „Maatje.
moet een prinsesje ook den Heer Jezus liefhebben?"
„Ja zeker," antwoordde Mevrouw ernstig. BWjj willen hopen,
dat zij reeds vroeg den lieven Heiland zoeken en vinden mag!"
-ocr page 13-
11
\'t Kind legde haar kopje vertrouwelijk tegen moeders schouder
en fluisterde: „Eerst dacht ik, ziet u, dat zij wel in den hemel
zou komen, omdat ze oen prinsesje is ... . Mama! dan moet zü
toch bidden ook; .... wie leert haar dat?" — Toen, bijna onhoor-
baar, vlak aan moeders oor: „Ik weet het wel. — de Koningin,
niet waar? Die leert het prinsesje bidden, zooals u \'t mij heelt
geleerd..... Nu kan ze nog niet praten! . . . . Mag ik vanavond
den lieven Heer vragen haar te zegenen net als Papa en u en
Flits en allemaal?"
Hare moeder knikte toestemmend; en ze bad mcê, toen Annie den
Hemclsehen Vader om een zegen vroeg voor: „dat lieve prinsesje,
dat Hij vandaag aan den Koning en de Koningin gegeven had."
Voortaan zouden er velen zijn in Nederland: uit alle standen,
van eiken leeftijd, die, ieder op zijne wijze, dat jonge, kostbare
leven zouden opdragen aan de hoede van Hem. Wien gegeven is
alle macht in Hemel en op aarde!
II.
en jij ook niet blij met ons prinsesje, Mie?" vroeg Annie
den volgenden morgen, zoodra ze de oude werkvrouw in
de gang tegenkwam.
„Blij?" zei Mie, uiterst verbaasd. „Weineen; wat kan \'t óns
menschen schelen? We worden er niet beter en niet minder van;
we moeten even hard werken."
Deze laatste woorden vooral gingen Annie te hoog — ze was nog
zoo\'n klein ding! — maar ze herhaalde verschrikt: „Hen je niet
blij; ook niet een heel klein beetje?"
„Ik wil \'t wel wezen," beloofde Mie, want ze was goedig van
aard: „als ik er u pleizier mcê kan doen, jongejuffrouw, dan zal
ik \'t zijn!"
Maar Mie\'s gezicht bleef even donker en somber als altijd. Annie
-ocr page 14-
12
had een vaag vermoeden, dat zulk cene uiting van vreugde de réchte
niet was..... Met een gezichtje zóó ernstig, als ze \'t bij moge-
lijkheid trekken kon, ging ze vlak vóór de oude vrouw staan en
zei met een bevend mondje: „Jans en Gerritjo zijn wel blij; Papa,
Mama en Flits ook; dus moet je \'t ook wezen."
Toen keerde zij zieb haastig om, ging naar hare moeder en
barstte in tranen uit.
..Mie meent het zoo kwaad niet," zei mama vertroostend, nadat\'t
kind haar leed met horten en stooten had meegedeeld; „je moet
haar zoo tusschenbeide eens wat van \'t prinsesje vertellen; — je
zult zien, dan zal \'t wel beter worden..... Ga nu gauw spelen."
.... Maar Annie bleef diep teleurgesteld door deze ondervinding,
en midden onder haar spel vroeg ze aan hare grootste pop: „Wat
denk je? Zouden er nog méér menschen wezen, die niet blij zijn
met ons prinsesje?"
Ergens in een afgelegen deel van ons Vaderland, werd dienzelfden
31 Augustus ook een kindje geboren. Vader en moeder waren
arm, doodaim. In hunne hut kon je niet eens rechtop staan; geen
tafel, geen stoel, geen bed was daarin te vinden; — niets dan oen
boomstam, wat gebroken vaatwerk en eenige oude lappen om je
meê toe te dekken! Do vloer bestond uit ruwe zwarte aarde — als
\'t regende of sneeuwde uit modder, — want op \'t dak lagen geen
stevige pannen, maar graszoden.....
Al hadden zo bijna geene kleertjes om \'t aan te trekken, —
toch waren ook déze ouders blij met hun kleine meisje. Moeder
noemde hot Wilhelmina, want zij dacht aan hare eigene moeder,
die zij zoo vroeg verloren had.....Dat er in den Haag een prinsesje
was, even oud, dat ook Wilhelmina heette, was hun onbekend;
maanden later nóg; hunne hut stond zoo ver weg op de hei! Van
wetten of regeering hadden zij geen hoogte;.. .. zij wisten ter-
nauwernood, dat hun land Nederland heette en dat er een Koning
aan \'t hoofd van hun volk stond..... Ze lazen geene kranten;
blieven kregen ze nooit, — dus ze kenden hun\' Vorst niet van de
-ocr page 15-
13
postzegels;.. . . zijne portretten, op de muntstukken, die zij in
handen kregen, waren zoo onduidelijk, zoo afgesleten, en zoo bitter
klein.....Grootcr dan op een dubbeltje zelden!
Feestvieren, bijzondere dagen gedenken .... ze deden er niet aan.
Als ze maar niet van honger omkwamen, en \'t \'s winters niet te
koud hadden; als vader slechts geregeld werk had bij \'t turfgraven
in de venen; als ze maar niet te vaak ziek waren. — dan leefden ze
tevreden.....Maar gelukkig, recht gelukkig, gevoelden zij zich nooit!
.... Want \'t treurigste van alles was, dat zij God niet kenden;
dat niemand, niemand hen ooit kwam spreken van den Heiland.
Die Zijn leven ook voor hen gegeven had.
Op die uitgestrekte heide woonden vele menschen, even arm en
onwetend als zij.
lil.
2q es weken zijn voorbijgegaan.
„Prinsesje wordt vandaag gedoopt!" — Met deze gedachte
werd Annie Dinsdagmorgen, 12 Octobcr, al voor dag en voor dauw
wakker. Hare ouders
TOEGANG-KAART
tot bijwoning in do Witloraskork
DER 1\'LEGTIOE BEDIENING VAN DEN
HEILIGEN DOOP
AAN
H. K. H. de Jonggeboren Prinses der Nederlanden,
OP DINGSDAG DEN 12 OCTOBER 1880,
des namiddags ten 1 uur.
De Opper-CeretHOnienttteitter,
0. BARON VAN WASSENAER VAN CATWIJCK.
Ingang tut do kerk, door de deur, zijde Hauritskade.
Plaats: Wijk                  Bank N°.
Men wordt verzocht zich een half uur vóór den aanvang der
Plegtigheid op zijne plaats te willen bevinden.
bevonden zich onder
degenen, aan wie eene
toegangskaart werd ge-
zonden tot bijwoning
dezer plechtigheid; hoe
dikwijls \'t kleine meisje
die kaart wel bekeken
had. weet ik niet!
.... \'t 8tuk grond,
gelegen aan de Nassau-
laan, waarop de Wil-
lemskerk zich verheft, behoorde aan Koning Willem II; in 1845
— toen er gebrek aan werk was, — liet deze Vorst hier huizen
-ocr page 16-
14
zetten; \'t middelste werd bestemd tot rijschool of manege. Zijn
opvolger gaf dit gebouw ten geschenke aan de Ned. Herv. Gemeente
te \'s Gravcnliage; van 1854—1859 werd liet tot kerk ingericht,
wat \'t sedert gebleven is.
De prachtige (alleenstaande) preekstoel van uitgesneden hout
— een waar kunstwerk —, het sierlijk zilveren doopvont met
voetstuk, het Avondmaalstel van \'t zelfde metaal, zijn eveneens
geschenken van onzen laatsten Oranjevorst, wiens naam in den
gevel vermeld staat en naar wien \'t bedehuis Willemskerk werd
genoemd.
.... Binnen déze muren zou de jeugdige dochter van Koning
Willem III en Koningin Emma den Heiligen Doop ontvangen.
Tegen den tijd, waarop hare ouders uit do kerk konden komen,
zat Annie op den uitkijk en ze drukte haar neusje letterlijk plat
tegen \'t venstor.
Daar waren Papa en Mama dan eindelijk!.... Ze vloog naar
de deur.... en gunde hare moeder letterlijk geen rust om haar
goed af te doen. — Zoo spoedig mogelijk moest Mama gaan ver-
tellen: van den Koning en de Koningin; van den Vader der
Koningin, die uit Arolsen was overgekomen, om zijn klcindoch-
teitje te zien doopen; van prins Frcderik; en prinses Hendrik
maar vooral van \'t kindje zelf! Hoc de vorstelijke doopelinge op
een kussen werd binnengebracht door Haror Majesteits Grootmees-
tcres. die \'t prinsesje aan de Koningin had overgegeven; hoe de
Moeder zelve haar dochtertje had vastgehouden, terwijl de grijze
leeraar het doopwater op \'t kinderhoofdje sprenkelde; — hoe heilig
en plechtig een oogenblik dat geweest was, waarop de oude man met
ontroerde stem deze woorden sprak:
.. Wühelmina. Helena, Paulina. Maria; ik doop u in den naam
des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes."
....
Den vorigen Zondag had Annie haar nichtje zien doopen. en naai\'
aanleiding hiervan had Mama haar een en ander verteld van de
heerlijke bcteekenis dezer gewichtige handeling, \'t Kleine meisje
-ocr page 17-
-ocr page 18-
15
kon er dus iets van begrijpen, toen hare moeder liaar ten slotte
uitlegde, dat de Vader in den liemel lieden ook tot haar geliefd
prinsesje gesproken had: „Gij zijt Mijn kind; gij waart dat reeds,
maar nu zult gij er nimmer aan kunnen twijfelen, dat Ik u het
eerst en zoo uitnemend heb liefgehad."
Zou Grootmoeder Woltcrs weten, dat „Prinsesje" vandaag gedoopt is ?
„Jongen!" zei ze dien avond tegen Piet — haar grootc Bijbel
lag vóór haar; ze had juist gevonden, wat zij zocht, .... al spre-
kende, hield ze er den vinger op en schoof haar bril in de hoogte;
„jongen, hier staat het, dat heerlijk woord, dat ik je wilde voor-
lezen : „ Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet,
want derzulkcn is het Koninkrijk der hemelen." Dat hebben van-
daag die goede Koning en die lieve Koningin gedaan; ze hebben
hun kind tot den Heer .Jezus gebracht, \'t Was hot beste, wat ze
doen konden! Niemand heeft daar ooit berouw van gehad! . . . .
God zegene hen en het nieuwe lammetje van Zijne kudde; moge
het altijd maar dicht bij den Herder blijven!"
\'k Geloof niet, dat onze Piet recht begreep, waar Grootje heen-
wilde; hij luisterde maar half, want hij had zijn aandacht veel
meer bij \'t scheepje met wijduitstaandc zeilen, dansende op woest
schuimende golven, dat hij bezig was te tcekenen.
Had Grootmoeder dien avond de krant gelezen, dan zou ze
daarin gezien hebben, dat de predikant, die de Doopplechtigheid
leidde, juist denzelfden tekst had gebruikt en toegelicht, dien
zij haren kleinzoon v oorlas — Markus 10 : 165.....Zeker zou ze
van harte hebben ingestemd met \'t geen hij aan het slot zijner
rede had gezegd: „Dat hij hoopte, dat het kind de zaligheid van
dit woord zou ervaren; . . . . dat het zich eenmaal zou toonen te
zijn eene cere voor het geslacht van Oranje; één met Nederland
door gemeenschappelijk lieven en lijden." En stellig zou ze de
Gezangen hebben opgezocht en gelezen, dien middag in de Wil-
lemskerk gezongen: Gcz. 07 : 1 en 8; en Gcz. 218 : 8.
De wensch, uitgesproken in dit laatste vers:
-ocr page 19-
16
„Mocht eens de monrl
Van \'t kind, dat w\' U hier wijden,
Den heilgen naam van onzen Heer belijden
En roemen in Zijn Doop verbond." —
werd zestien jaren later vervuld; maar velen van degenen, die dit
lied op 12 Octobci- 1880 hadden meegezongen, waren toon reeds
heengegaan.....Ook de oude dominee, die het opgegeven had.....
IV.
n de volgende jaren hadden de Hagenaars vaak gelegenheid
„Prinsesje" te zien; óf uitrijdend met de Koningin, öf wan-
delend op \'t Voorhout, öf spelend aan \'t Scheveningsche strand.
Wie kende niet — al in de verte - dat kleine rijtuig met die
vlugge paardjes bespannen, die Prinses Wllhelmina zelve reed, zoo-
dra hare handjes de teugels konden vasthouden?
Wanneer de Koninklijke standaard wapperde op \'t Paleis in \'t
Noordeinde, ten toeken, dat het Hof van \'t Loo, Hoestdijk of uit \'t
buitenland in de Residentie was teruggekeerd, — dan verheugden zich
velen.... vooral kinderen: Annic natuurlijk ook! Zij leefde zóó meê
met „Prinsesje\'\', dat ze haar eigen hond Swell II noemde; — naar
den trouwen viervoeter, die zoo vaak de eer genoot aan de voetjes
zijner Koninklijke meesteres in \'t rijtuig te zitten; ja, die later op
een en \'t zelfde portret met de Kroonprinscs werd afgebeeld.
De Kroonprinsen; want 21 .luni 1884 stierf de laatste zoon des
Konings, prins Alexander. Toen waren er velen in ons Vaderland,
die met weemoed dachten aan \'t zoo zwaar bezochte Oranjehuis en
nog vuriger dan anders den Heer smeekten om \'t behoud van \'t
Kroonprinsesje. — Er waren er ook, die toen eerst recht beseften,
welke grootc gave God in dat vierjarig kind geschonken had aan
\'t Ncdcrlandsche volk.
-ocr page 20-
H.M. EMMA, Koningin en H.K.H. WILHELMINA, Kroonprinses der Nederlanden, (1885).
Met bij/ondere vergunning van H. M. de Koningin-Regentes.
-ocr page 21-
17
Den Haag, 15 Februari 1887.
„Beste Truus!
A.s. Zaterdag- — als onze Koning 70 jaar oud is, — zal \'t
bij ons groot feest zijn. Ze zeggen wel: overal in \'t land — bij
jelui zeker ook; maar hier hebben wc de Koninklijke familie er
bij ... . Mama staat me toe je te logoeren te vragen; . . . . dus,
Truus, als je ouders \'t goedvinden, kom dan dézen Vrijdag. Je
zult er geen spijt van hebben!!"
Je liefli. nichtje Anna van Merlen."
Juist had het briefschrijfstortje met een sierlijke krul haren naam
gezet, toen haar 11-jarig broertje Flits haar kamertje binnenkwam
met den uitroep: „Nu, An! dat \'s iets voor jou! Hij ons op school
hebben ze vanmorgen een prijs uitgeloofd voor \'t beste opstel
over.... Raad eens!"
„\'t Prinsesje!"
„Weineen; hoe kan je daar nu een opstel over maken!?"
„Den Koning?"
„Over \'t hcele Oranjehuis; vooreerst hoe \'t in elkaar zit; en dan
van alle vorsten iets — ook van onzen Koning..... We hebben
er een maand tijd voor..... Weet je, wat de prijs is?"
;.Een boek?"
„Gelukkig niet;.... een toekendoos!.....Ijj bent zoo verbazend
knap in die dingen, An, je moet me eens wat op weg helpen, hoor!"
„Ik zal \'t papa vragen," was \'t antwoord. „Die kan \'t veel
beter!"
Annie voegde de daad bij \'t woord en liep regelrecht naar de
.studeerkamer. „Kunt u ons vanavond of zoo niet vertellen van \'t
Huis van Oranje?" vroeg ze, met de deur in \'t huis vallend.
Mr. van Merlen keek verbaasd van zijn werk op. „Waarom zoo
op eens?" lachte hij, opstaande; — want \'t was koffietijd. Terwijl
zij samen naar de huiskamer gingen, deelde zijn dochtertje hem
meê, in welke moeilijkheden Flits zoo onvenvacht geraakt was.
„Laat hem eens hier komen. ... O! daar is hij al! . . .. Wel,
-ocr page 22-
18
Frits, jongen, ben je zóó verlangend geworden naar de geschiedenis
van ons Vorstenhuis? Wilde je daar graag veel van weten?"
„Ja, voor mijn opstel. We mochten er thuis naar vragen, zei
mijnheer..... Ik wou die teekendoos zoo graag hebben, ziet u!"
Papa schudde \'t hoofd en keek zijn weetgicrigen zoon bedenkelijk
aan. ..Ik weet wat! Zaterdagavond licbben jelui geen schoolwerk
en dan ben ik ook vrij..... Beter kunnen wij den zeventigsten
verjaardag van Zijne Majesteit niet vieren, dan dat ik aan de
thee de geschiedenis vertel van ons Oranjehuis. Afgesproken?"
„Ik zet \'t nog onder mijn brief aan Trans!" juiclite Annie.
,.We gaan toch eerst naar de illuminatie kijken, niet waar Papa?"
vroeg Frits, die een tochtje door de verlichte straten een nóg
aardiger en toepasselijker feestviering vond.
V.
cel den Haag isin fcestdos op dien 19enFebruaii 1887. Vroolijk
wapperen de vlaggen van uit huizen en openbare gebouwen!. ..
Voor tal van winkclramcn ziet men bustes of portretten der leden
van \'t Vorstelijk gezin uitgestald, te midden van groen, bloemen
en vlaggendock!. ... Groepjes kinderen, die zich mooigemaakt
hebben met mutsen, sjerpen, degens — ja, wat al niet! — van
oranjepapier, trekken, al trommelslaande en zingende, de straten
door. Tal van draaiorgels laten hunne vroolijkste wn\'sjes hoo-
ren..... De eigenaars daarvan — sommige in vreemdsoortige
kleurige pakjes gestoken — hebben hunne instrumenten op de
kwistigste wijze versierd met linten en strikken van rood-wit-blauw
of oranje, takjes groen, en papieren bloemen of slingers;.... op één
orgel zit — aan een ketting — een aapje met een oranjesteck op!
Pleziertreincn brengen steeds meerdere feestvierenden aan uit alle
doelen des lands.....De bewoners van omliggende plaatsen zijn
talrijk vertegenwoordigd; Schcveningers, kenbaar aan hunne eigen-
-ocr page 23-
1!)
aardige kleedij met zilveren knoopen; Scheveningsters, met hare
zachtkleurige schoudermantels, ontbreken natuurlijk niet.
Eén dei\' punten, waar de menigte zich telkens weer verzamelt,
is \'t plein vóór \'t Koninklijk Paleis.
„Daar woont ie nou, onze Koning," zegt een buitcnman tot zijn
zoontje; \'t kind kijkt vol bewondering naar \'t groote gebouw:
„Keer je nou om," gaat vader voort: „zoo; hier heb je zijn stand-
beeld, vlak tegenover zen Paleis, zie je wel?" ....
„Dat heb je mis, man!" zegt een vrouwtje, dat naast hem staat.
„Kijk zelf maar; daar staat het......Ja, dat kan ik niet lozen; dat
is zeker Franscb! Hier, aan dézen kant moet je wezen: Prins
Willem met een I er voor en \'t is opgelicht door Koning Willem II.
Onze Koning hoeft in allen gevalle een drie achter zen naam." ....
„\'t Zal de Koning zen Grootvader wezen, toen hij nog prins
was: die heette Willem I. .. . Hoor! . . . . meziek!!.... Ga op zij,
mensch!.. . . daar kommen ze van do parade thuis!" ....
.... Paardcnvolk, met muziek, voorop; .. . . weer paardenvolk,
met vaandels; ook voetvolk, een lange, lange rij, eveneens met
vaandels;. . . . daarachter de woelende, joelende, krioelende menschen-
massa.....
.... Voort.... voort.... den geheelen dag door!
Geen oudje bleef bij \'t spinnewiel; Grootmoeder Wolters ook
niet. Zij had nu wel geen spinnewiel, maar wat voor haar even-
veel zeggen wilde, — ze liet hare breikous in den steek!
,,\'k Moet ook de Koningin en \'t Prinsesje zien vandaag," zei ze
na \'t eten tegen haar kleinzoon, — nu een flinke jongen van bijna
veertien. — „,)ij geeft je Grootje wel een arm, hè?"
„Ja, Groot! we gaan samen," antwoordde Piet terstond.
Eigenlijk had hij met de jongens uit \'t hofje afgesproken dien
middag een optocht met hun vaandel te houden.
Jaap had op zijn verjaardag een kwartje van zijn peetoom
gekregen; daarvoor werd bordpapier gekocht, en Piet had hem
geholpen \'t vaandel te snijden; ze hadden \'t beplakt met rood, wit
on blauw papier; in \'t wit had Piet met gele verf geschilderd:
-ocr page 24-
20
..Oranje boven! Leve Willem IIIT Prachtig mooi! Piet had \'t
zoo verzonnen.
Nu stonden ze hem in \'t steegje op te wachten.....
Hij was een ferme jongen; hij liet er Grootje niemendal van
merken, dat hij een beetje teleurgesteld was, — want had ze om
den ..optocht" gedacht, dan zou ze natuurlijk thuisgeblcven zijn!
..Ik kom dadelijk terug," zei hij; en ging even naar beneden om
zijn makkers te zeggen, dat ze vast vooruit zouden gaan .... en
over een uur nog maar eens langs moesten komen; misschien waren
Grootmoeder en hij dan wel weer terug.
...Ie bent een flauwerd!" was \'t algemeen oordeel.
..Zoete jongen! loop jij maai\' gauw naar je Grootje!" spotte
."Inap, de vaandeldrager.
Piet kreeg een kleur als bloed; hij deed een stap vooruit om
zijn kwelgeest een klap te geven „waar hij \'t voorloopig moê doen
kon," — maar op \'t zelfde oogenblik schoot het hem in, dat het
de 70° verjaardag van zijn ouden Koning was; .... dan ga je
toch geen vechtpartijen aanlegden! Hij draaide zich om, héél lang-
zaam. om te toonen, dat hij niet bang was; hij wachtte nog even
tot de stoet zich in beweging zette .... en ging toon weer naar
boven. Grootje had juist hare mooie sjaal met de palmen omge-
slagen en hare Zondagsche muts opgezet.
„Er hoort nog wat Oranje bij," vond Piet: „anders schelden ze
je voor een Kees! Hier licb ik een sigarenlhitje, daar maak ik een
strikje van en steek dat tussclicn je muts."
Op Piet\'s borst prijkte ook een Oranjerozet en zoo gingen zo
o;i weg.
\'t Was een toer om door die volle straten te komen, vooral voor
Grootje, die niet heel best ter been was; nu en dan raakten ze
zóó deerlijk in \'t gedrang, dat Piet voorstelde „maar liever naar
buis te gaan."
\'t Wachtwoord der oude vrouw was en bleef echter: „Naar \'t
Paleis, Iieclemaal naar \'t Paleis!"
Eindelijk daar stonden ze hcelshuids bijna vlak over \'t welbe-
-ocr page 25-
21
kende geoouw in \'t Noordeinde. Terzijde van \'t Ruiterstandbceld
— tegen \'t hek van den tuin voor een groot lieerenhuis, — liad
Piet een opperbest plaatsje voor Grootmoeder gevonden.
„Sta je zoo goed?" vroeg hij telkens. „Ze zeggen, dat de Koning
te ziek is om uit te gaan, maar dat do Koningin en \'t Prinsesje
over \'n kwartiertje van Schevcningcn komen; je kunt ze hier net
zien uitstappen."
Er stonden reeds vele menschen om hen heen en nog steeds
groeide de menigte aan; geen ongewoon verschijnsel op die plaats
in den Haag!
Vlak voor Grootmoeder en kleinzoon stond Mr. van Merlen met
Annie, Truus en Flits. Mijnheer had dadelijk schik in dien aardigen
Piet, die zulk een zorg had voordat nette, vriendelijke oude vrouwtje.
„Is dat je kleinzoon, moedertje?" kon hij niet nalaten te vragen.
..Ja, meneer!"
„Hij ziet er Hink uit." — Piet hoorde \'t niet; hij tuurde den
kant van Schevcningcn op. „Wat moet hij worden?"
„Sinds verleden jaar zomer is hij op een winkel, om \'t verven
te lecren; .... maar, ziet u, \'t gewone huizen schilderen, daar is
\'t hem niet om te doen. Ik weet niet, hoc je zoo\'n man noemt
die de fijnere dingen aan de zolders verft." ....
„Dócoratieschilder bedoel je! Wil hij dat worden? Maar dan
moet hij goed kunnen tcekenen en .. .."
„Dat kan ie, meneer!" viel Grootje in. „Dezen eigen morgen
nog heeft ie me verrast met een geschilderden Oranjeboom: al de
appels, die er aan hangen, stellen de prinsen en koningen van
\'t Oranjehuis voor! Je staat verstomd, waar de jongen \'t vandaan
gehaald heeft!. . . . Maar zen goeje vader knutselde ook zoo graag ....
Wat duurt het lang, meneer, voordat ze kommen!"
Frits had met open mond toegeluisterd naar dat verhaal van den
Oranjeboom; — hoe zou die toch in elkaar zitten? Terwijl Papa
nog met Grootje doorpraatte, ging hij naar Piet en trok hem b\\j
de mouw: „Zeg, jongen! laat my je Oranjeboom eens zien. Kom,
as je blieft, eens bij ons; we wonen Zeestraat 17. Doe je het? ik
-ocr page 26-
22
moet een opstel maken over ons Vorstenhuis en ik kan er niets van!"
„\'t Is best;" zei Piet. „Ik.... komen de Koninginnen?"....
Ja!.. . Neen!.. . Er ontstaat beweging onder de menschenmassa:
enkelen rekken den hals uit en gaan op de teenen staan; anderen
dringen vooruit;... . de politieagenten hebben moeite de orde te
bewaren.
Wat zeg je!! Is dat \'t Koninklijk rijtuig?!.... De paarden
zijn op liol geslagen; ze zijn niet tot staan te brengen.....In
woesten vaart komen ze aanrennen! .... Als Göd het niet verhoedt,
— zal straks liet rijtuig met zijn kostbaren last tegen \'t Ruiter-
standbeeld te pletter worden geslagen!!....
Grootje is hardlioorend, maar ze is helder van hoofd; het óóg
der liefde ziet scherp, waarom zou dan het óór der liefde ook niet
scherp hooren ? . ... Zij bemerkt terstond, dat er onraad is; ... .
dat haar oogappeltjc „\'t Prinsesje" en der beminde Koningin gevaar
dreigt.....„Moet \'t lieve schaap hier nou voor men oogen veronge-
lukken! .... En ik ben juist gekomen om der te zien, den eersten
en eenigen keer van me leven!.. .. O! goede God, dat kunt Gij
toch niet willen!" .... Ze vouwt smeekend de handen.....\'t Rumoer
neemt toe..... Wéér een gerucht; dat do paarden tot staan zijn
gebracht; dat ei\' één is geweest, een uit het volk, die moed genoeg
had ze te grijpen; dat de Koningin \'t rijtuig heeft verlaten en met
de Kroonprinses in de armen den verderen wc^ te voet aflegt.....
Mr. van Merlen ziet nog juist, hoe Moeder en Kind ongedeerd
\'t Paleis binnentreden. — Ook hij is ontroerd.
De menschen blijven staan; zij houden zich eerbiedig stil.
Waarom wachten ze toch?
\'t Koninklijk rijtuig — van andere paarden voorzien — komt
weldra weder voor; de glazen deuren worden geopend, de Koningin
en \'t Prinsesje stappen in.... en onder luide, luide juichkreten van
\'t volk ryden zij opnieuw uit; angst en schrik vergetend; — zich
gevend aan die feestvierende menigte, welke toch zoo graag zijne
vorstinnen begroet! .. ..
„Da\'s dapper!" zegt Piet binnensmonds; hy kan \'t maar half
-ocr page 27-
23
velen, dat vrouw Wolters bezorgd opmerkt: „Als ze nu maar weer
geen ongeluk krijgen; dat had ik nou maar liever niet gedaan."
\'t Zou niet noodig geweest zjjn, dat Grootje \'t gedaan had; niemand
had het behoeven te doen;.... alleen de Koningin!
In \'t gedrang, dat nu volgt, hebben ze den „meneer" en de
kinderen uit \'t oog verloren.
„Zeestraat 17".... mompelt Piet; hy heeft \'t adres goed ont-
houdcn; onderweg vertelt hij Grootmoeder zijn gesprek met Frits.
\'t Oude menscli was letterlijk öp, toen ze eindelijk weer in haar
kamertje zat; ze hijgde van vermoeidheid. . . . neen, méér nog ten
gevolge der doorgestane ontroering.
„Jongen," zei ze: „je kunt er van verzekerd zijn: God Zelf waakt
over ons Kind. \'t Is me net of we haar vandaag opnieuw van Hem
gekregen hebben!"
En in de vreugde van haar hart liet ze haar kleinzoon voor de
weinige eenten, die ze missen kon, een paar vetkaarsen halen; die
staken ze in de bloempotjes op de vensterbank, met vlaggetjes van
oranjepapier er tusschen.....
Eerst zat Grootmoeder een poos alleen, want Piet ging met
den „optocht" nog een straatje rond; — jongens verzoenen zich
o! zoo gauw, vooral als ze mekaar noodig hebbon! — Toen Piet,
opgewonden van plezier, thuiskwam, haalde hij den keurig en
kleurig geteckenden Oranjeboom voor den dag en legde dien zijn
Grootje haarfijn uit. \'t Goejc menscli begreep er weinig van;
ze dacht, dat al de regeerende Oranjevorsten „Willem" hadden
geheeten: „In mijn tijd leerde je dat zoo; ze brengen tegenwoordig
toch overal verandering in. Die Maurits en Frcderik Hendrik hooren
er nou heelemaal niet bij." Zij streed er lang over — tot ze
eindelijk, hoofdschuddend, voor de waarheid moest bukken.....Maar
waar ze wèl gevoel van had, was dit: „\'t Is aardig met ons
Oranjehuis; als \'t op punt was uit te sterven, dan zorgde onze
lieve Heer juist bjjtyds, dat \'t niet gebeurde___Oranje boven!
bleef het toch!"
Tot \'s avonds laat zaten ze achter hunne bloempotjes, vlaggetjes
-ocr page 28-
24
en brandende kaarsen; tot \'s avonds laat kreeg Grootje van haar
kleinzoon een les in de Vadcrlandsche geschiedenis.
Ja, ja! een mensen is nooit te oud om te leeren!
Zoo vierden zij \'s Koning-s 70en verjaardag; die kaarsen en vlag-
getjes vertegenwoordigden ook de melk en kofficcenten; dus. ze
zaten, al feestvierende, „op een droogje." — Maar dat hadden ze
graag voor lmnnc illuminatie over!
Toen Annic, Truus en Frits dien middag thuiskwamen, hadden ze
terstond in kleuren en geuren aan Mama verteld, in welk een gevaar
de Koningin en „Prinsesje" verkeerd hadden. —Papa sprak er geen
woord over. — Na \'t eten was hij met de kinderen een straatje
omgegaan en zij hadden de illuminatie aan de Openbare Gebouwen
ter doge bekeken. Nu zaten ze bij elkaar in de gezellige huiskamer.
Annic wilde haren vader juist nog eens aan zijne belofte van 11.
Dinsdag herinneren, toen Mr. van Merlen zijn boek dichtsloeg en
vroolijk zei: „Wie komt er nu bij me zitten om naar de geschie-
denis van het huis van Oranje te hooren?"
In een oogwenk schaarden allen zich om hem heen; mama en
Truus aan den ecnen kant; Annie en Frits aan den andere. De
laatste met een heel gewichtig gezicht; zeker vanwege z\\jn opstel!
Tot hunne groote verbazing nam Papa een der kranten op, die
voor hem lag, en zei met \'t ernstigste gelaat van de wereld: „Ik
ga eerst een stukje voorlezen en wel uit de „\'s Gravenhaagsche
Kerkbode". „Voor kinderen" staat er boven; dus \'t geldt jelui in
de eerste plaats:
Terwijl de gnnsche stad feestviert en er ook in de kinder-
wereld eene groote beweging heerscht, is de wensch zeker niet
ongepast, dat de kinderen dit oude, maar te weinig bekende
Vaderlandsche lied nogmaals lezen. .... en van buiten leeren
tot aankweeking van den echten Oranjegeest:
„Wilhelmus van Nassouwe
Ben ik van Duitschen bloed,
Het Vaderland getrouwe
Blijf ik tot in den doed.
-ocr page 29-
25
Een prinse van Orangië\'n
Beu ik vrij on ver veert;
Den Koning van Hispangiën
Heb ik altijd geëerd."
.... Maar, \'t is onnoodig, dat ik de negen coupletten, die hier
afgedrukt staan, herhaal, \'k Ben er zeker van, dat jelui dit volks-
lied zonder haperen kunt opzeggen; de wijs lioor ik je vaak genoeg
zingen of op den citer spelen..... Wel, Flits, zeg jij \'t eerste
vers maar eens op."
O, wee! Flits stotterde verlegen:
„Wilhelmus van Nassouwe
Wilhelmus van Nassouwe
Wilh....."
„Kom, jongen, nu verder!" lachte Papa, die er zich in verkneu-
terdc, dat \'t baasje, dat anders zoo\'n hoog woord had, nu zoo danig
in den knoei zat.
Flits begon weer en bracht liet ook ditmaal niet verder dan den
eersten regel.
„Wel! wel! Eén regel ken je van ons Willielmuslied! En jij,
Annie?" Annio kende er drie; Truus vier.
,,\'k Begrijp ook niemendal van die woorden," zei deze laatste
verdrietig. „Wie is toch die Wilhelmus?"
„Dat is Willem de Zwijger, onze prins Willem I," antwoordde
Mr. van Mcrlen. „„Ben ik van Duitschen bloed"" beteekent, dat hij
afstamde en ook geboren werd in Duitschland.....!\'
Truus\' gezichtje betrok. „Dus was lüj niet eens een Hollander?
Daar heb ik nooit zoo over gedacht!"
„Hoewel elders geboren, kon hij toch met \'t volste recht zeggen:
„Het Vaderland getrouwe blijf ik tot in den dood;" hoewel hij met
dat Vaderland niet Duitschland bedoelde, — maar ons Nederland.
Luister goed:
Toen mama en ik verleden jaar zomer in Duitschland reisden,
bezochten we ook Dillenburg; een klein stadje in \'t hertogdom
-ocr page 30-
-ocr page 31-
26
Nassau, \'t Ligt te midden van begroeide bergen, waarin men
heerlijke wandelingen kan doen. Maar wij kwamen hier nog om
iets anders!
Op den zoogcnaamden „slotberg" vindt men de overblijfselen
van \'t kasteel Dillenburg; hier werd in 1533 Willem van Oranje
geboren..... Ter zijner nagedachtenis richtte men, cenige jaren
geleden, op dezen zelfden berg den „Willemstoren" op; waaruit
men een heerlijk vergezicht heeft en waarin men allerlei merk-
......                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                              ■                                                                                                                                                                            ■ * ■
waardige dingen — op hem en zijn geslacht betrekking hebbende —
verzameld vindt. Van \'t eigenlijke kasteel — \'t werd in 1760" door
de Franschen verwoest — is niets over dan een stuk muur en hier
en daar wat brokken steen; begroeid, verweerd en met mos bedekt
komen ze uit \'t gras te voorschijn. Op het vroegere voorplein staat
nog de beroemde lindeboom, waaronder prins Willem zoo vaak
gezeten heeft. De oude boom werd door den bliksem getroffen,
maar zijne takken geven nog schaduw genoeg....."
-ocr page 32-
27
„Ja!" viel mama in. „We hebben er wat heerlijk van genoten,
want \'t was dien dag duchtig warm!"....
„In 1533 — \'t kasteel telde toen meer dan 70 vertrekken —
woonden hier Graaf Willem van Nassau, bijgenaamd de Rijke, en
zijne vrouw, Juliana van Stolberg."
„Hun zoon heette toch Willem van Oranje; hoc kwam dat?"
vroeg Flits, wiens herinneringsvermogen, wat geschiedenis betrof,
bijzonder klein was.
„Heb maar geduld! Weet je wel. waar \'t prinsdom Oranje
ligt?" Alle drie waren ze \'t vergeten!
„In Provence, in het Zuiden van Frankrijk, \'t Kasteel, waarop
duizend jaar geleden reeds prinsen van Oranje woonden, lag tussclien
kale bergen en vruchtbare groene dalen. I)c moed en de dapper-
heid dezer vorsten wordt al bezongen in zeer oude Fransche volks-
liederen; .... in den loop der eeuwen werden zij al rijker en
machtiger. Hendrik van Nassau, een broer van Willem den Rijke
(die op den Dillenburg woonde), huwde met prinses Claudc van
Oranjc-Chalons; ze hadden één zoon, Roné, die \'t prinsdom Oranje erfde.
Toen René stierf, liet hij al zijne bezittingen in Frankrijk en
Holland na aan zijn neef, den oudsten zoon van den Graaf van
Nassau-Dillenburg. De jonge graaf, ónze Willem de Zwijger,
was pas elf jaar oud, toen hij al twintig titels bezat: hij was prins,
hertog, graaf, baron, markies — alles tegelijk; naai\' zijne voor-
naamstc bezitting werd hij „Prins van Oranje" genoemd. Zijne
ouders zonden hem naar Brussel, om zijne opleiding te ontvangen
aan \'t hof van Keizer Karcl V; van dien weten jelui genoeg...."
„Hij was óók koning van Spanje?"
„Juist; Keizer van Duitschland, koning van Spanje en graaf van
Holland.
Willems moeder had haar zoon eene vrome opvoeding gegeven;
zijn gansche leven door vergat hij hare lessen en vermaningen niet.
Men zegt, dat hij den naam van „den Zwijger" kreeg, omdat hy,
toen hij nog zéér jong was, eens iets vreeselijks hoorde, maar nooit
tóónde, dat hjj \'t wist — tot het er de tijd voor was. Als
-ocr page 33-
28
jongeling was hy, namelijk, eens op jaclit met Koning Hendrik II
van Frankrijk, in \'t bosch van Vincennes; in een vertrouwelijk
oogenblik deelde deze hem mcê, dat liij en do Koning van Spanje
— VVillems meester — \'t plan gevormd hadden om alle belijders
van den Protestantschen Godsdienst in Frankrijk en in Holland
te vervolgen, te verbannen of te dooden. Velen gelooven, dat dit
gesprek onzen prins den eersten stoot gaf om de zaak van \'t arme
Nederlandsche volk, waartegen zulke booze plannen gesmeed werden,
tot de zijne te maken.
Hoe \'t ook zij: zwjjgen kon Willem als de beste; Keizer Karel
vertrouwde hem daarom volkomen. In 1555 deed deze vorst afstand
van de regeering; geleund op zijn krukje en op den schouder van
Willem van Oranje, sprak de vroeg-oude Keizer zijne laatste rede
uit als Heer der Nederlanden. Dit zou nu voortaan zijn zoon
Philips wezen; maar deze moest niets van Holland hebben; hy
stelde in ons land stadhouders aan — prins Willem was een van
de voornaamste — en vertrok zoo spoedig mogelijk weer naar
(Spanje.
„Den Koning van Hispangiën" \') heeft Willem zoolang geëerd, als
hij maar bij mogelijkheid kon! Maar toen Philips II ons arme volk
hoe langer hoe willekeuriger behandelde, zijne wetten schond en
het onderdrukte; toen hij ieder die trouw bleef aan \'t Protestant-
schc geloof voor een rechtbank liet dagen, in de gevangenis liet
werpen en dooden; toen niemand meer veilig was, die den Bijbel
in huis had of de prediking van \'t Evangelie bijwoonde, .... toen
koos prins Willem zonder aarzelen openlijk de partij van \'t Neder-
landsche volk en had hij er goed en bloed voor over om ons land
vrij te maken." ....
Een diepe zucht van Flits deed zyn\' vader even ophouden: „U
vertelt allemaal geschiedenis; toe, vertel u nu eens van dat hjj
doodgeschoten werd."
„Maar, jongen! ik moet toch eerst van zyn leven vertellen en
\') Spanje.
-ocr page 34-
29
lioc treurig het er in dien tijd voor ons volk uitzag! Vele edelen
— ook de prins van Oranje — hadden \'t land verlaten, toen
Philips den wreeden Alva zond om de „oproerige" Nederlanders
tot gehoorzaamheid en onderwerping te brengen, \'t, Eerste wat Alva
deed was Willoms vrienden, Egmond en Hoorne, gevangen te nomen;
en, bij gebrek aan den prins zelf, diens oudsten zoon Philips. De
13-jarige knaap werd naar Spanje gebracht; zijn vader zag hem
nooit weder! .. . .
„Mijn schild en mijn vertrouwen,
Zijt Gij, o! God, mijn Heer!
Op U zoo wil ik bouwen
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik toch vroom ma<r blijven
Uw dienaar \'t nllen stond;
De tyranny verdrijven.
Dio mij mijn hart doonvondt."
zegt ons Willielmuslted en het voert den prins sprekende in !
Nu Philips II hem zijn zoon ontroofd en zijne goederen verbeurd
verklaard had, — nu was voor licm de tijd gekomen om den
Spaanschen koning den oorlog te verklaren.
Op 24 April 1568 zat Willem van Oranje — \'t was juist zijn
35c verjaardag — in den slottuin te Dillenburg, onder den ouden
lindeboom; toen hij bezoek kreeg van drie aanzienlijke mannen uit
Antwerpen, dio hom uit naam van de Nederlanders kwamen smoeken
hen ter liulpe te komen.
Had bij \'t arme volk dan vergeten?
Weer \'t Wilhclmuslicd:
„Oorlof, \') mijn arme schapen
Die zijt in grooten nood,
Uw herder zal niet slapen,
Al zijt gij nu verstrooid.
\') Vaarwel.
-ocr page 35-
30
Die vroom begeert te leven
Bidt God nncht ende dag
Dat Hij mij kracht zal geven,
Dat ik u helpen mag!"
Neen; hij liad zijn tijd goed gebruikt; zijne maatregelen waren
reeds genomen. Van geleend geld, en uit de opbrengsten van zijne
verkochte kostbaarheden scliaftc hij zich twee legers aan. Met het
eene viel zijn broeder Lodewijk in \'t Noorden van ons land en
versloeg de Spanjaarden bij Heiligerlee, waar Graaf Adolf van
Nassau sneuvelde....
„.. .. Graaf Adolf is gebleven,
In Friesland, in den slag,
Zijn ziel, in \'t eeuwig leven,
Verwacht den jongsten dag!"
Met het andere leger trok de piins bij Maastricht de Maas over;
— hij hoopte, dat liet volk zijne partij zou kiezen, maar.... de
schrik voor Al va zat er nog te diep in. ... Helaas! spoedig moest
Willem terugtrekken en zijn leger afdanken:
„Zoo het de wil des Heeren
Op dien tijd was geweest
Had ik geern\' willen kecren
Van u dit zwaar tempeest: \')
Maar de Heer van hier Boven,
Die alle ding regeert,
Die men altijd moet loven,
Hij heeft het niet begeerd!"
\') Onheil, ramp.
-ocr page 36-
3]
.... Dit was \'t ontmoedigend begin van den 80-jarigen oorlog,
die zoo roemvol voor ons vaderland zou eindigen.....Maar, mama
kijkt zoo op de klok; \'t is zeker bedtijd. Zullen we afspreken, dat
ik morgenavond iets voorlees of vertel van de laatste dagen en
den dood van Willem den Zwijger?"
„Ja! ja!" liepen de kinderen; zo trokken buitengewoon spoedig
af, want ze waren moe geworden van \'t luisteren.
„Als ik me begin te verdiepen in de geschiedenis van ons
Vaderland, dan kan ik crjiaast niet van uitscheiden," zeidc Mr.
van Merion tot zijne vrouw, wat latei\' op den avond. „Die Willem
de Zwijger, hij is en blijft toch een grootschc figuur door alle
tijden heen! \'t Stemt me altijd zoo droevig, wanneer ik er aan
denk, dat met onzen Koning de laatste vorst uit dat roemrijk ge-
slacht van Oranje heengaat..... Ik las zoo juist dit treffend
gedicht van Nicolaas Bects: „Op \'s Konings zeventigsten Verjaar-
dag;" .... de slotverzen vooral troffen mij diep:
„De laatste Oranje! ... . \'t Hart vergeet er geen;
Van cl\' Eerste, die een reddende Engel scheen
Van God gezonden,
Tot dien, wiens bloed bij Waterloo gevloeid
Eén zelfde zucht als ze allen had ontglocid
Ons blijft verkonden.
En thans .... Mijn Vorst! Vergeef een dankbaar volk
Zoo \'t op zóó schoon een dag, zóó droef een wolk
Niet kan verdrijven.
Te luider spreekt de bede in \'t vol gemoed:
Dat die, helaas! de laatste wezen moet
Het langst moog blijven." ....
„God liet Hem ons reeds lang; maar als Hij eens wordt weg-
genomen, wat dan?"
„\'t Blijft Oranje boven!" antwoordde zijne vrouw hoopvol. „Nu
vergeet je heelemaal ons Kroonprinsesje!"
-ocr page 37-
32
„Haar vergoten? .... klim .... klim .... En dat na vanmiddag?"
Nu pas kreeg Mevrouw van haren echtgenoot een uitvoerig verhaal
omtrent \'t geen hij eenige uren geleden had bijgewoond.
V.
\'i\\k kan onmogelijk zeggen, dat Frits den volgenden dag cven-
zeer naar \'t vcrteluurtje verlangde als de beide meisjes.
„Jelui bent gcscliiodeniswurmen." voegde hij haar Zondagmiddags toe.
„En jij bent een Kees!" gaven Annie en Truus hem terug.
„Dat is niet waar! Ik houd evenveel van den Koning, de
Koningin en \'t Prinsesje als jelui. — Je kunt net zoo goed van
ze houden zónder geschiedenis."
Zusje noch nichtje konden hier iets tegen inbrengen; daarom
zwegen ze voorloopig over dit onderwerp.
Dien avond bracht Papa. toen 11 ij beneden kwam, een boekje
mede
„Gaat u daaruit voorlezen?" vroegen de kinderen.
„Zoo nu en dan, als mijn geheugen me in den steek laat." ant-
woorddc bun vader. Allen schikten zich weer in een kring, en
Mr. van Merlen zette zijn verbaal voort:
„De inneming van den Brie! door de Watergeuzen was de
eigenlijke oorlogsverklaring van \'t volk aan den Spaanschen
dwingeland. Nu begonnen de Nederlanders moed te krijgen.
..In naam van Oranje, doe open de poort!" —■ dat werd voortaan
de leus; meer en meer steden vielen in handen der prinsgezinden
of kozen vrijwillig zijne partij. Aan Avicn de Hpaanscbc Koning de
schuld gaf van zijn steeds verminderend gezag in de Nederlanden,
kwam vooral uit in 1580, toon hy den ban over Willem den
Zwijger uitsprak. Ik zal eens voorlezen, wat o. m. in dit geschrift
dat ruimschoots onder \'t volk verspreid werd, te lezen stond:
-ocr page 38-
;5:3
„Wij verbieden aan onze onderdanen, in \'t geheim of in \'t
openbaar met hem gemeenschap te houden; hem levens-
middelen, drank, vuur of andere levensbehoeften te verschaften.
Wij stellen genoemden Willem van Nassau ten toon, als een
vijand van het menschelijk geslacht en geven zijn eigendom
aan ieder, die er bezit van wil nemen. En indien iemand
edelmoedig genoeg ware om ons te bevrijden van dezen
pest, hem ons levend of dood overleverende, hem zal de som
van 25000 kronen in goud worden uitbetaald. Indien hij
eenige misdaad, hoe verschrikkelijk ook, begaan hebbe, —
beloven wij hem vergiffenis; ja, we zullen hem, zoo hij geen
edelman is, tot den adelstand verheffen als belooning voor
zijn moed!"
„Laaghartig, dat hij \'t volk zóó opstookte!" riep Frits.
„Ik ben in Gods handen," schreef de Prins terug; „mijne
goederen en mijn leven zijn reeds lang aan Zijn dienst gewijd;
Hij beschikke daarover, zooals dit Hem het beste dunkt —
tot Zijne eer, tot mijne zaligheid. God weet, dat indien mijne
levenslange verbanning of mijn dood u, mijn volk, bevrijden
kon, ik bereid zou zijn het land te verlaten, ja te sterven.
Waartoe heb ik al mijne bezittingen gegeven? Om mijzelf te
verrijken? Waartoe heb ik mijne broeders \') geofferd? Opdat
ik nieuwe zou vinden? Waarom heb ik mijn zoon zóó lang
een gevangene van Spanje gelaten? Kunt gij mij een ander
kind
geven? Waarvoor heb ik dit alles gedaan en mijn leven
zoo dikwijls in gevaar gebracht? Op welk loon kan ik hopen
na mijne jarenlange diensten; — indien dan niet uwe vrijheid,
mijn volk, — misschien verkregen ten koste van mijn leven."
Dezen brief, waarvan eveneens tal van afschriften onder \'t volk
verspreid werden, had de prins onderteekend met de wapenspreuk
van zyn geslacht: „Je maintiendrai" = Ik zal handhaven.
*) Zfln broeder Adolf viel b(j Heiligerlee; Lodewflk en Hendrik in den slag op do
Mookerheide (H April 1572).
3
-ocr page 39-
34
Ja, hg zou handhaven: de rechten, de vrn\'heid van ons volk tot
zijne laatste ademhaling toe!... .
Flits zei daarnet, dat Koning Philips de Nederlanders opstookte
tegen den prins; — maar in 1581 werd de Spaansche vorst zelf
plechtig afgezworen; de Nederlanders zeiden hem eenvoudig alle
gehoorzaamheid op! Aan Willem van Oranje daarentegen werden
door de Staten of Afgevaardigden uit de verschillende provinciën
meer en moer waardigheden opgedragen.....Tot nu toe was onze
prins slechts stadhouder geweest; hij had den titel van Graaf steeds
geweigerd.....In 1583 boden de Staten hem nogmaals de erfelijke
Grafelijke waardigheid aan; in December van dat jaar besloot
Willem deze aan te nemen, om te voorkomen, dat de Nederlanders
zich ooit weer vrijwillig aan Spanje zouden onderwerpen. Men sprak
reeds over den dag, waarop zijne inhuldiging zou plaats hebben,
toen er 10 Juli 1584 in Delft iets gebeurde, dat ons Vaderland in
diepen, diepen rouw dompelde.
Dit stadje zag er vóór 300 jaren al net zoo uit als nu; \'t werd
doorsneden door grachten en kanalen. Op \'t „Oude Delft," bijna
vlak tegenover de westzijde der Oude Kerk, — stond het huis van
den Prins van Oranje, \'t Was een eenvoudig stcencn gebouw, twee
verdiepingen hoog; een ruime binnenplaats scheidde het van de
straat; de stallen en bijgebouwen strekten zich uit tot aan de
muren der stad; een nauwe steeg, welke langs het huis liep, voerde
rechtstreeks naar de wallen.
Hier hield de prins met zijn gezin verblijf, toen, op Zondagmorgen
8 Juli 1584, een bijzondere boodschapper van \'t Fransche hof zich
aan \'t Paleis vervoegde. Men wist niet beter of hij was een zekere
Francois Guyon, die in de vorige lente \'s prinsen hulp had inge-
rocpen. Hij had toen verteld, dat hij Protestant was en om die
reden Frankrijk had moeten verlaten, waar al zijne goederen ver-
bcurd verklaard waren. Hij ging door voor een vroom, stil jonge-
ling, dien men zelden zonder zijn Bijbel en gebedenboek zag."
„Heette hij niet Balthasar Gerards?" vroeg Truus.
,,.la;. . . . dat was zyn ware naam. Hy was ook niet Protestant,
-ocr page 40-
35
maar Roomsch Katholiek. In den Prins van Oranje zag- hij een
vijand van zijn Godsdienst, ja, een dwingeland; en — vooral nadat
de ban over Willem was uitgesproken, — had hij \'t vaste besluit
genomen dien vorst te doodcn. Onder een valschen naam had hjj
zich overal ingedrongen; zoo was hij ook in Holland en later weer
aan \'t Franschc hof\' gekomen..... Op dien Zondagmorgen stond
hij dan eindelijk tcg-enovcr zijn\' vijand, Avant de prins liet hem
bij zich komen op zijne slaapkamer. Maar daar Gérard onverwacht
had moeten vertrekken, had hij gecne wapenen bij zich; en hij had
ook geono maatregelen kunnen nemen om na de volvoering van
zijne boozc plannen te ontsnappen.....
De prins, verdiept in de lezing dei\' brieven, die de boodschapper
hem overgegeven had, bemerkte niets van diens teleurstelling; hij
deed zijn bezoeker nog een paar vragen en liet hem toen gaan.
Toen Gérard op de binnenplaats was gekomen, bleef hij daar nog
een poosje rondslentercn en berekende stilletjes de hoogte der
muren ; ook keek hij oplettend, waar zich de uitgangen bevonden.....
„Hei daar! Wat moet jij!" riep eensklaps een sergeant van de
hellebaardiers, naderbij komende. „Waarom sta je hier te wachten?"
,,\'k Zou zoo graag do Godsdienstoefening hierover willen bijwonen,"
zei de man, in \'t minst niet van zijn stuk gebracht. Hij wees naar
de kerk aan den overkant; juist luidden de klokken voor den
ochtenddienst. „Zie je," voegde hij er vertrouwelijk bij, „met deze
stoffige, haveloozo kleeren kan ik daar toch niet binnengaan: had ik
maar geld om een paar nieuwe kousen en schoenen te koopen!"
De schildwacht koesterde geen argwaan; hij bekeek den man van
onder tot boven, en vond, dat hij er werkelijk bijzonder armoedig
uitzag en ook — maar dit zei hij niet hardop! — vrij onnoozelen
dom. De seigeant vertelde \'t geval aan zijn officier; en eindelijk
kwam het ook den prins ter oore. Goedhartig als altijd, liet Willem
den boodschapper een som gelds voor nieuwe kleeren ter hand
.stellen. Gérard was zeer dankbaar,.... want voor deze muntstukken
Jfocht hij den volgenden morgen yan een soldaat twee pistolen.... .
Dinsdagmiddags, terwijl de vorstelijke familie zich-jdoor de gang
-ocr page 41-
36
naar de eetzaal begaf, kwam Gérard onverhoeds uit een duisteren hoek
te voorschijn en vroeg den prins om een paspoort. Zijn vaalbleek
gelaat, zijne sombere dreigende oogen deden de prinses onaangenaam aan.
„Wie is die vreemdeling?" fluisterde zij.
„Iemand die \'t land wil verlaten en een paspoort komt vragen,"
was \'t antwoord van den prins; hij wendde zich tot zijn\'secretaris
met verzoek een dergelijk geschrift gereed te maken.
„\'k Heb nooit zulk een weerzinwekkend uiterlijk gezien!" hield
prinses Louise vol. — Haar voorgevoel heeft haar niet bedrogen!
Tegen twee uur stond de prins van tafel op om zich naar zijne
eigene vertrekken te begeven, die eene verdieping hooger waren.
De eetzaal kwam uit in een vierkant portaal, dat door een gewelfde
gang gemeenschap had met den hoofdingang. Links van de trap,
die halverwege door een groot raam verlicht werd, was een diep
inspringende deur, welke naai- \'t steegje leidde, waarvan ik jelui zoo-
even sprak. Langzaam liep de prins de trap op;. . . . nauwelijks was
hij op de tweede trede gekomen, of uit die donkere nis trad plot-
scling een man te voorschijn .... Gérard! Hij naderde den vorst
tot op een paar pas, — alsof hij hem zijn paspoort wilde overrei-
ken, — toen schoot hij een pistool af in de lichting van Willem\'s
hart! . . . . „O, mijn God! ontferm U over mij, ontferm U over dit
arme volk!" riep de Prins in \'t Fransch. De kogel, die hem
doorboorde, sloeg aan de andere zijde in den muur......Jakob van
Maldore, zijn stalmeester, die vlak bij hem stond, ving zijn bewus-
tcloozen vorst in zijne armen op. Een oogenblik legde men hem op
de trap neder; een rustbed werd gehaald.....
Zoo bracht men den prins naar de eetzaal terug, waar vrouw,
kinderen en zuster hem, luid jammerend, omringden. „Mijn broeder,
mijn dierbare broeder! hebt gij uwe ziel opgedragen aan Jezus
Christus?" vroeg zijne zuster, zich over hem heenbuigende. De
stervende vorst scheen deze woorden verstaan te hebben; met eene
flauwe hoofdbeweging antwoordde hij: „.Ja." Weinige oogcnblikken
later was hij ingeslapen, om bij God te ontwaken..... Hij was
pas een en vijftig jaren oud!"
-ocr page 42-
:M
Mr. van Merlen hield even op; Annie keek schuin naar Truus
en toen naar Mama; ja, die beiden hadden óók tranen in de
oogen!. . ..
..Nauwelijks had de moordenaar zijn pistool afgeschoten, of hjj
snelde naar \'t zydeurtje, om te trachten door \'t steegje naar de
wallen te ontkomen..... Weldra werd hij achtervolgd door ver-
scheidene soldaten en wachten, doch hij was hun ver vooruit.....
Nog éón seconde, en hij zou in de gracht gesprongen zijn, waar
hem aan de overzijde een gezadeld paard wachtte;.... maar in zijn
haast struikelde hij over een hoop rommel, die aan den kant lag.....
Hij word gegrepen en naar \'t Palcis teruggebracht. \'Poen men hem
ondervroeg, erkende hij brutaalweg zijn misdaad ; ja, hij verhief er
zich zelfs op en twijfelde er geen oogenblik aan, dat de prins
dood was.
De gruwelijke martelingen, welke hij tot straf voor dien moord
moest ondergaan, waren wel eene scherpe tegenstelling met het
zachtmoedig hart van den belijder van Christus, wiens edel leven
hij moedwillig verkort had!. . ..
Willem de Zwijger had ons volk gebracht tot op den drempel
van vrijheid en onafhankelijkheid; toen riep God hem tot Zich; —
op cene andere wijze dan hij zich had voorgesteld in \'t Wilhelmuslied:
„Nu \'t zuur zal ik ontvangen
Van God, mijn Heer, het zoet;
Daar naar zoo doet verlangen
Mijn vorstelijk gemoed;
Dat is, dat ik mag sterven
Met eere, in het veld,
Een eeuwig rijk verwerven,
Als een getrouwe held."
Hij stierf niet in het veld, maai\' wel op het veld van eere!. . ..
En \'t was niet de wil des Hemelschen Vaders, dat zooveel geduldig
geloof, dat zulk een jarenlang gebed vergeefs zou zijn.....God
heeft zijn laatste beê niet alleen gehoord, maar ook verhoord: drie
eeuwen lang!....
-ocr page 43-
88
Twintig jaren na zijn
dood, — toen \'s lands
schatkist \'t beter toeliet, —
werd te Delft in de Oude
kerk, boven de plaats waar
zijn stoffelijk overschot
rustte, een praalgraaf
opgericht. Daarin werd
deze corcnaam gebeiteld:
„Vader des Vaderlands."
Dit was de schoonste
titel
van den held, wiens
levensleuze kón zijn:
„Kalm te midden der
woedende baren,"
— om-
dat hij zijn vertrouwen
stelde op den Heer.....
En nu, kinderen! voor
vanavond niet verder. Van
Maurits en de andere Oranjevorstcn vertel ik, hoop ik, den vol-
genden Zondag."
Ditmaal waren ze niet moe van \'t luisteren; waarom niet?
VI.
„O! Frite, ben je daar eindelijk!" riep Annic eenige dagen later,
toen haar broertje \'s morgens uit school kwam. „Er is een pakje
voor je gekomen; niets anders staat er op dan: „Aan den jongen-
heer van Zeestraat 17;" een jongen heeft het gebracht. Hij zei, dat
je wel wist, wat er inzat, en datje\'t niet weerom bclioefde te geven."
„Zeker de Oranjeboom!" juichte Frits.
In een oogwenk had hij \'t papier losgemaakt. „O mama! o, An!
-ocr page 44-
39
De Oranjeboom .... met vlaggen er onder! Zóó een teeken ik er
na voor mijn opstel."
Wat werd Piet\'s kunstwerk bewonderd! Ook door Papa, toen
deze \'s middags thuiskwam. „Je moogt dien knappen jongen wel
gauw gaan bedanken. Weet je, waar hij woont?"
Neen; Prits had er niet aan gedacht het hem te vragen.
„\'t Spijt me geducht!" zeide de vader. „Wat heeft hij dien Stam-
boom aardig gekleurd en geteckend; en die vlaggen! Kijk eens,
wat liggen ze netjes over de stokken gerold. Ja, zijn Grootmoeder
vertelde me, dat hij zoo graag décoratieschildcr wilde worden; we
moeten zijn adres te weten zien te komen, misschien kan ik hem
wat voorthelpen! Wel, wel! die Oranjeboom zal dienst doen, mor-
genavond!"
Voor het eerst van z\\jn leven verlangde Frits naar verhalen uit
de geschiedenis! Annie hield vol, dat \'t alleen was om dien Oranje-
boom ; — Truus kon niet meêplagen, want ze was al weer vertrokken.
Hoe \'t zij : vol trots haalde de knaap Zondagsavonds zijne nieuwe
bezitting voor den dag en legde die voor Papa op de tafel neer.
„Let nu eens op!" begon Mr. van Merion. „Beneden in den stam
vinden we nummer I: dat is Jan van Nassau, de vader van
Willem den Rijke en van Hendrik, die met Claudc van Oranje trouwde.
Zie, de tak van hun\' zoon, Bene, sterft uit; maar wijst naai- Willem
den Zwijger,
die zijne bezittingen erfde en prins van Oranje werd.
Do tak van Jan den Oude, den broeder van onzen prins Willem,
gaat den anderen kant uit; zijn zoon Willem Lodewijk was de eerste
Friesche stadhouder-.....
Nu verder: aan den tak van Willem den Zwijger, vinden we zijn
zoon Philips (die in Spanje gevangen zat); — diens tak sterft uit
(zyn oudste broeder erfde den titel van Prins van Oranje), Maurits
en Frederik Hendrik.....
Eerst vertel ik jelui wat van prins Maurits. Hij was een even
dapper en bekwaam krijgsman als zijn vader een groot staatsman.
Toen Prins Willem vermoord werd, was Maurits pas zeventien
-ocr page 45-
-ocr page 46-
40
jaar oud; maar hij had zijne jeugd goed gebruikt. In \'t bijzonder
had hij zich toegelegd op wiskunde (hoor je \'t, Prits!) en krygs-
kunde; voornamelijk \'t innemen en belegeren van steden. Reeds als
kind liet hij zijne houten soldaatjes marscheeren, verschansingen
aanleggen en vestingen bestormen, dat het aardigheid was.....
Zijn zinspreuk was: ..Eenmaal wordt de struik een boom;" toen
hij een boom was, kwam \'t hem goed te pas, wat hij als struik
geloord had. Geroepen om in ernst oorlog te voeren, toonde hij zich
een meester in een geheel nieuwe soort van krijgskunde. Ook in de
samenstelling van \'t leger voerde hij zoovele verbeteringen in, dat
hij tot in \'t buitenland toe beroemd werd; ja, vele veldheeren
kwamen in zijn dienst \'t oorlogvoeren leeren. Schitterende krijgs-
tochtcn heeft hij tegen de Spanjaarden ondernomen. Al zijne wapen-
feiten kan ik niet opsommen: denk maar eens aan den slag by
Nieuwpoort, \'t beleg van Breda, enz. enz. Wat had ons volk dien
moedigen zoon van Vader Willem lief: „Prins Mouringh," zooals \'t
scheepsvolk hem noemde! Wat ontvingen de Hagenaars hem met
eerbewijzen, toen hij na eene reeks overwinningen in zijne Eesidentie
terugkeerde! Omstreeks dien tijd werd ter zijner eere eene gedenk-
penning geslagen, waarin deze woorden gegraveerd werden:
„Hij Imam, hij zag, God overwon!"
„Ik kwam, ik zag, ik overwon;" .... wie zei dat ook alweer?"
vroeg Frits.
„Een trotsch Romeinsch veldheer: Julius Caesar; hij kon niet
anders spreken, — omdat hij een heiden was!".... antwoordde
vader.
„Men heeft uitgerekend, dat Maurits 38 steden en 45 forten
door beleg heeft overmeesterd; en 12 vestingen en 10 forten heeft
ontzet. Hij was 58 jaar, toen hjj stierf; meer dan de helft van dien
tijd heeft hij gewijd aan \'t Vaderland.
Toch beleefde ook hy niet, dat Nederland een vrij volk werd! .. ..
Aan onzen Oranjeboom zien we, dat niet Maurits\' tak, maar die
van zijn\' broeder en opvolger, Frederik Hendrik, verder de hoogte
ingaat. Op 23 April 1625 (Maurits\' sterfdag) werd de jongste
-ocr page 47-
41
zoon van Willem I stadhouder; hij was nog zeer jong, toen z\\jn
vader stierf, maar diens edel voorbeeld zweefde hem steeds voor oogen.
„Patriaeque Patriqiie" = „Voor Vaderland en Vader;" deze
woorden koos hij zich tot levensspreuk. Vol liefde tot het
Vaderland; vol eerbied voor de nagedachtenis van zijn\' edelen vader,
zette hij \'t werk der bevrijding voort. Frcderik Hendrik kreeg al
spoedig den naam van: „Stedendwinger;" wél een bewijs, dat ook
hij de kunst van oorlogvoeren verstond. Meer en meer plaatsen in
ons land kwamen aan zijne zijde! "Weldra zouden de Spanjaarden
voor goed het land moeten ontruimen.
Men noemt den tijd van zijne regeering wel eens „het gouden
tydperk." Handel en nijverheid begonnen te bloeien; tal van schilders,
bouwkundigen, schrijvers, kunstenaars op velerlei gebied, leefden
er toen in ons land. Frcderik Hendriks\' gemalin, Amalia van Solms,
heeft veel bügedragen tot verfraaiing van den Haag. Weet jelui
wel, dat zij de Stichtster is van dat bekende Zomerverblijf onzer
Koninginnen, dat midden in \'t Haagsche bosch ligt, en daarom
„Huis ten Bosch" wordt genoemd?
Jammer, dat Frederik Hendrik \'t eind van den 80-jarigen oorlog
niet beleefde; hij stierf in \'t begin van Maart 1647.
Eene zijner dochters, Albertine Agnes, was gehuwd met den
stadhouder van Friesland, Willem Frederik. — Kijk, op onze plaat
komen de Hollandsche en Friesche takken bij elkaar! Eene andere
dochter, Louise. trouwde met den keurvorst van Brandenburg; zy
was eene vrome vrouw, die schoone liederen dichtte. Gez. 269, een
onzer nieuwe Gezangen, werd door haar vervaardigd.
De eenige zoon van den overleden prins volgde hem op, onder
den naam van Willem II. Deze had een dapper, voortvarend
karakter; hij brandde van begeerte ons land grooter en grooter te
maken en hu\' was een krijgsman in zijn hart.....
Maar, op 30 Januari 1648 werd te Munster de vrede met Spanje
gesloten. Nederland werd door de Staten van Europa erkend als
een zelfstandige natie; ten teeken hiervan mocht de Leeuw in \'t
Nederlandsche wapen voortaan een kroon dragen!
-ocr page 48-
42
„Den Spaanschen Leeuw waren de tanden gestompt, de nagels
geknot, de klauwen verlamd; de Nederlandsche richtte zich stout
en moedig omhoog, trillende van fierheid en vol betrouwen op zijne
frisschc, jeugdige kracht," zegt Hofdijk, een onzer\' Vaderlandsche
schrijvers.
Dit roemvol einde van onzen 80-jarigen worstelstrijd hadden wij,
naast God, to danken aan de uitnemende leiding der eerste drie
Oranjes!....
"Willem II heeft niet lang geregeerd; in dien korten tijd lag hij
voortdurend overhoop met de Staten; zij en hij begrepen elkander
niet!
Jammer, dat binnenlandsch getwist, nu \'t land pas vrij was!
Na Willems dood, volgde \'t eerste stadhouderlooze tijdperk. De
eenige zoon van den prins werd als „kind van Staat" aangenomen,
en opgevoed door Jan de Witt, een der grootste staatslieden, die
er toen leefden.
Willem heeft eenc treurige, eenzame jeugd gehad. Hij was zwak
van lichaam, maar vlug van verstand; later had liij gelegenheid om
zijne vele gaven en talenten voor \'t Vaderland te gebruiken!
Want, zoodra de Republiek in nood kwam: toen er oorlog was
met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen en de vijand ons te
land en te water bedreigde, — ja, de Franschen zelfs de grenzen
overtrokken en de eene vesting na do andere innamen, — toen
dacht ons volk aan de heldenfeiten van Willem I en zijn dappere
zoons en ze riepen luid om de verheffing van Frederik Hendriks\'
kleinzoon.
In 1G72 was \'t weer: „Oranje boven!" — Want de stadhouder
der Republiek, de opperbevelhebber van \'t leger, dat de vijanden
uit Nederland zou verdrijven, was Willem III, prins van Oranje.
Zijne soldaten volgden hem met geestdrift, evenals \'t scheepsvolk
zich juichend schaarde onder de Ruiter en Tromp! Dat waren
dagen om nooit te vergeten!
Nogmaals redde God ons lieve Vader-land door een Oranje. Wat
had ook deze derde prins Willem Nederland lief! Geen land ging
-ocr page 49-
48
hem daarboven. Hij was een der grootste mannen van zijn tijd: er
kwamen jaren, waarin geheel Europa de oogen op ónzen prins ge-
vestigd hield! „Ik ben van God geroepen om de vrijheid van
Europa en den Protcstantschon Godsdienst te verdedigen," zcidc hij
vaak. en dat geloof in zijne roeping gaf hem moed en kracht. Toen
de Engclschon gevaar liepen die vrijheid van Godsdienst te verliezen
en zijne hulp inriepen \'tegen hun koning, — stak hij naar Engeland
ovei\', verjoeg dien vorst, en word door het dankbare volk als zijn
opvolger ei\'kend.
Natuuurlijk bracht zijne nieuwe waardigheid van koning mede,
dat Willem III vaak in Engeland moest vertoeven. Maar nergens
was hij liever dan in Holland, vooral op \'t Palcis \'t Loo; daar in
de bosschen te jagen was zijne grootste uitspanning.....
19 Maart 1702 overleed hij, aan de gevolgen van een val van zijn
paard. Onze Oranjeboom wijst aan, dat zijn tak uitsterft. Daar hy
gecne kinderen had, vermaakte hij al zijne titels — ook dien van
„prins van Oranje" — aan zijn\' neef, den Frieschen stadhouder.
In Engeland werd hij opgevolgd door de zuster zijner vrouw;
— in Holland kreeg hij in do eerste jaren géén opvolger!
Het tweede stadhouderloozc tijdperk duurde — tot Holland weer in
nood raakte en \'t volk riep: „\'t Moet weer ..Oranje boven" zijn!"....
In 1747 kwam" de Friesche tak naar Holland over; de stadhouder
van Friesland werd onze Willem IV. Gelukkig, dat na zijne ver-
heffing spoedig de vrede te Aken gesloten werd, want in zijn strijd
tegen de Franschen was hij niet heel gelukkig. Hij stierf, toen zijn
zoon nog te jong was om zelf te regecren; de latere Willem V
kwam dus onder voogdij zijner moeder."
„Dien prins hebben ze later \'t land uitgejaagd!" riep Flits.
„Mis; hij heeft zich vrijwillig in ballingschap begeven, in die on-
gelukkige tijden, toen er cene omwenteling in Frankrijk uitbrak,
de geest der ontevredenheid ook naar óns land oversloeg, en ons
volk maar al te veel luisterde naai\' verkeerde raadgevingen! . . ..
Er ontstonden twee partijen: één vóór, een tégen den stadhouder.
Willem was wel goedig van aard, maar te zwak en besluiteloos
-ocr page 50-
44
voor die onstuimige dagen. Daar \'t meer en meer bleek, dat hij
zijn gezag niet kon handhaven; en Frankrijk, waarmee wij weer in
oorlog waren, wel vrede wilde sluiten met ons volk, maar niet met
den stadhouder, — besloot hij zijne waardigheden neer te leggen.
18 Januari 1795 verliet hij met zijn gezin ons Vaderland; in een
visscherspink stak h\\j naar Engeland over. Hij keerde nimmer
terug!. . . .
Ondertusschen haalden de Nederlanders jubelend de Franschen
binnen. Wat hadden ze daar later een spijt van! \'t Is gauw verteld,
wat er nu vorder met ons arme land gebeurde onder onze vrienden
en bevrijders, de Franschen! Daar weten oude mensehen je veel
van te vertellen; allemaal verhalen, die ze van hunne ouders gehoord
hebben: Toen handel en nijverheid stilstonden en de scheepskapiteins
„op sloffen" liepen; toen mannen en jongelingen soldaat moesten
worden en op slagvelden, over gansch Europa verspreid, den dood
vonden; toon Holland geen Holland meer was, maar eene Fransche
provincie, en je dat woord „Oranje" niet durfde uitspreken, uit
vrees voor Keizer Napoleon en zijne handlangers.....
\'t Leek wel, of \'t nooit weer „Oranjehoven!" zou worden; ik zeg:
„\'t leek wel," want we weten \'t beter — en ook onze stamboom
zegt het anders. Na Napoleons val, — wat waren die Franschen
toch gauw ons land uit! — begonnen we opnieuw, als vrije Neder-
landers, met een Koning Willem I. Een gezantschap werd naar
Engeland gezonden, om den zoon van Prins Willem V te verzoeken
tot ons te komen..... Niet in een visscherspink, maar in een statig
schip landde hij te Scheveningen....."
„Bij de „Naald!"
„.Juist. Wat werd hij met vreugde ontvangen! Misschien is er
nooit zoo luid „Oranje boven" geroepen! Ik herhaal „misschien," —
want hoe \'t in September 1898 wezen zal, daar kunnen wc nog niets
van zeggen! . . . . In de Nieuwe Kerk te Amsterdam werd Willem
als Koning gehuldigd, \'t Duurde niet lang of er kwamen weer
moeilijkheden! Nu met België, dat toen nog bij ons land hoorde.
In 1830 begonnen de Belgen — zij waren al lang ontevreden en
-ocr page 51-
45
oproerig geweest — op te staan: ze bedankten er voor om langer
onder Holland te zitten; ze wilden een eigen bestuur hebben, enz.
De prins van Oranje (later Koning Willem II) trachtte hen tot
ondenverping te brengen; hij ondernam met een leger dappere Hol-
landsche soldaten den „tiendaagsehen veldtocht." In \'t begin ging
alles naar wensch! Maar daar kwam Frankrijk met een flink leger
België helpen; de kroonprins zag, dat verdere tegenstand nutteloos
verlies van menschenlevens zou wezen en trok terug.
Een paar jaar later werden de beide landen voor goed gescheiden;
de Belgen kozen nu zelf een koning. In Nederland blééf het „Oranje
boven!"; in België werd het: „Leve Leopold!" Maar dit konden
zij niet zoo hard roepen als wy: wij waren er al drie eeuwen aan
gewend!
In 1840 deed onze eerste Koning afstand van de regeering. Zyn
dappere zoon, Willem II, die ook bij Waterloo tegen Keizer Napo-
leon had gevochten, volgde hem op. Willem II was de lieveling van
het volk; van zijne minzaamheid en eenvoudigheid zijn tal van
verhalen in omloop. Mijn vader vertelde, dat hij zoo maar in bur-
gerkleeding op straat liep en de menschen vriendelijk aansprak;
mijne lieve moeder placht dikwijls aan te halen, dat gestoofde witte
kool \'s Konings lievelingsgerecht was; — alsof vorsten \'t gewone
eten ook niet \'t smakelijkst kunnen vinden!. . . .
Willem II heeft maar negen jaar geregeerd. Gedurende dien tyd
bracht hij gewichtige veranderingen aan in \'t bestuur van zijn Kijk;
in 1848 teekende hy de nieuwe Grondwet, \'t Volgend jaar stierf
hij onverwacht te Tilburg; zijn oudste zoon Willem III volgde
hem op. We zullen dus spoedig den dag gedenken, waarop onze
tegenwoordige vorst, vóór 40 jaren, aan de regeering kwam. Op
12 Mei 1880 vertel ik, als God wil, een en ander uit zijn leven."
„En mijn opstel?" zei Frits bedenkelijk.
„\'t Zou een beetje erg zijn, als je uit je zelf niet iets van
onzen Koning wist te vertellen" antwoordde Papa, opstaande.
\'t Was laat geworden; zóó laat, dat Frits gauw zijn Oranjeboom
inpakte, — want zyne oogen vielen byna dicht.
-ocr page 52-
46
Of \'t kwam, dat Prits zóó goed geluisterd had naar vaders ver-
halen, dat hij nu eerst nut ging trekken van de geschiedenislessen
op school, misschien was \'t ook door den net geteekenden Stam-
boom, volgens Piet\'s voorbeeld, dien hij er tot verklaring en op-
luistering bijgevoegd had, — in ieder geval, hij behaalde den prijs
en kwam met de teekendoos thuis!
Allen waren eenstemmig van oordeel, dat Prits een „bolleboos"
was; hij werd zóó door loftuitingen overladen, dat hij er nederig van
werd en erkende: „De helft van mijn teckendoos komt aan „dien
jongen" toe! \'t Is vervelend, dat we maar niet te weten kunnen
komen, hoe hij lieet en waar hij woont."
Voor alle zekerheid holde Prits voortaan eiken jongen, die in de
verste verte op Piet geleek, na; maar als deze — dusdanig ach-
tervolgd — zich verschrikt omdraaide, dan blikte ons vriendje
steeds in een ander gelaat dan in dat van den teckenaar van den
Oranjeboom!
VIL
ieuwjaarsmorgen 1888.
Vrouw "Wolters is zoo juist uit de Groote Kerk huiswaarts
gekeerd en zit nu te genieten vanhaar Zondagsch kopje koffie; poes
niet minder! van \'t Zondagschc schoteltje warme melk. Piet heeft
Grootje tot aan de deur gebracht; — vóór \'t eten liep hij nog graag
een eindje om.
Daar wordt aan de deur getikt. „Pinnen!" roept Grootmoeder;
en vrouw Winkelaar, die sinds een maand of drie beneden woonde,
komt \'t kamertje in.
„Vrouw Wolters!" zei zo haastig; „verexcuseer, dat ik zoo maar
oploop! Maar je houdt ook zooveel van \'t Koningshuis, en ik weet
niet of je \'t al gehoord hebt van die kleine prinses..... Zie je,
met u kan ik erover spieken; tegen mijn man met zijn sociale
-ocr page 53-
47
gevoelens moet ik er nooit over beginnen..... Ik ben er zoo vol
van!"....
„Wat is er gebeurd?" vroeg Grootje ontsteld, en ze zette haar
kopje koffie vrij onzacht neer.
„Niks, mensch ! niks kwaads ten minste. Maar wel iets goeds;. . ..
ze zeggen, dat ons lieve prinsesje van morgen in de kerk was, —
in de Klooster!" ....
„Zoo? wat je zegt!" zei Grootje, en hare vriendelijke oude oogen
begonnen te stralen: „Menschlief, wat je zegt! Hoe oud is ze? laat\'s
kijken: ze gaat met \'t jaar mcê..... Wc schrijven nou 1888:
acht jaar dus! Wel, wel! dat lieve kind gaat al vroeg naar Gods
Huis.....Ik was zeven, toen ik voor \'t eerst in de kerk zat naast
me moeder; niet, dat ik ons vergelijken wil met onze Koningin en
\'t prinsesje! — Maar \'t was toch ook mijne moeder, die me meenam.
En, wordt je nog zoo oud, — zoo\'n eersten koer vergeet je nooit;
.... al zou ik den tekst niet meer weten en al begreep ik niets
van wat do dominee zei. In dien tijd deden ze nog aan heel
lange preeken; — niet, dat ik kwaad van dien dominee wil zeggen,
hoor! Maar voor een kind was \'t een ding! . . . . Wil je niet een
kopje koffie, buurvrouw?"
„Neen, dank je! ik moet gauw naar huis..... Zie je, je zult \'t
misschien kinderachtig van me vinden, maar die tijding van van-
morgen deed mijn hart zoo goed; ik moest het even aan iemand
vertellen, die met me meevoelde, \'t Is zoo hard, Grootje, als je een
goejen man hebt on zijn kamcraads maken \'cm zoo anders.....
Goeden dag! — \'t Is waar ook: God zegene je inliet Nieuwe jaar!"
Grootmoeder drukte haar hartelijk do hand: „Van harte \'t zelfde.
Hü, zegene u beiden..... Dat hadden wc haast vergeten, hé?"
„\'t Komt door prinsesjes eersten kerkgang!" zei vrouw Winkelaar
glimlachend, terwijl ze de deur achter zich dichttrok.
„Mama! mama!" fluisterde Annie — ze zat op dien Nieuwjaars-
morgen naast hare moeder in de Kloosterkerk; — „\'t Prinsesje is
er ook!"
-ocr page 54-
48
„Stil, kind!" fluisterde Mevrouw, want de predikant begon juist
zijn voorgebed; zij was toch bhj, dat haar dochtertje het haar vóór
\'t bidden had gezegd.
Terwijl de voorzang werd opgegeven, keek Annie even naar
\'t Koningskind, dat, net als zij, \'t bedoelde lied opzocht en eer-
biedig meezong. Ook sloeg \'t Prinsesje zelve den tekst op, dien de
leeraar voorlas:
Ps. 121: „Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne
hulp komen zal!".................
Het Rcislied der geloovigen. Heerlijke, treffende, troostende woorden
bij den aanvang des jaars. Onze Bewaarder zal sluimeren, noch
slapen; Hij neemt ons allen onder Zijne hoede; jongen en ouden,
rijken en armen, aanzienlijken en geringen!........
„Zou \'t prinsesje wat begrepen hebben van de preek, moeder?"
„Misschien iets, lieveling, maar ik denk niet veel. Jjj bent vijf
jaar ouder en je begrijpt immers nög maar heel weinig; en zij is
pas acht jaar. Had de dominee een onderwerp uit de Bijbelsche
geschiedenis behandeld, dan zou het zeker gemakkelijker voor haar
geweest zijn; men vertelde mij laatst, dat ons Prinsesje hiervan goed
op de hoogte is en dat hare Moeder haar daarin zelve onderwijst.
Over eenige jaren zal je beter begrijpen, wat ik hedoel, Annie, maar
ik wil het je nu toch zeggen: allen, die ons Vorstenhuis waarlijk
liefhebben, zullen er den Heer voor danken, wanneer zij hooren,
dat ons aanstaand Koninginnetje het nieuwe jaar begonnen is door
op te gaan naar Gods Huis, om met de gemeente mede te zingen
.... en mede te bidden!"....
Zoo dacht een oude dichter \'), die nu reeds bh\' den Heer is, er
ook over; ter gelegenheid van dezen Nicuwjaarsmorgen 1888
zong hy:
\') Ds. Hasebroek.
-ocr page 55-
49
„Lief prinsesje! wees gegroet
In deez\' heiige woning,
Waar u, Koningskind, ontmoet
D\' allerhoogste Koning.
Die u hier een Rijk belooft
Als geen tweede op aarde.
En een krone voor uw hoofd
Meer dan d\' uwe in waarde.
Daarom doet gij goed voor Hem
Vroeg u neer te buigen,
En uw eerbied voor Zijn stem
Open te betuigen.
VIII.
ts^x volgde een tijd, waarin do Koninklijke familie meest op liet
Paleis \'t Loo, bij Apeldoorn, vertoefde, wegens toenemende
zwakheid en krankheid des Konings..... In \'t voorjaar 1889 ver-
ergerde de toestand van den Vorst dermate, dat van 3 April af
het |Koninklijk gezag moest worden waargenomen door den Raad
van State.
Als Willem III veertig jaar aan de regeering was, dan zou er
feest in Nederland zijn! hadden velen zich voorgesteld; maar nu
begon men zich bezorgd af te vragen, of de Vorst dezen dag nog
wel beleven zou ? . . . .
Scheen \'t niet een wonder, dat Z. M. zelve weder de teugels
van \'t Bewind aanvaard had (2 Mei) en in. bctrekkelijken welstand
verkeerde op 12 Mei 1889?
-ocr page 56-
50
Een buitengewoon Nummer van de Nederlandsche Staatscourant,
dien morgen verschenen, bevatte de volgende
PROCLAMATIE.
Geliefde Landgenooten en Onderdanen!
Heden zijn veertig jaren voorbijgegaan sedert den dag waarop
Ik plechtig de Regeering over het Nederlandsche Volk heb
aanvaard.
Zal Mijn Volk van Mij getuigen, dat Ik Mijn Koninklijk
woord heb gestand gedaan, Ik weet dat in lief en leed, in
blijde en droeve dagen, Mijn Volk getrouw is gebleven aan
Mij en Mijn Huis.
Ik heb er steeds naar gestreefd, de welvaart en den bloei
van ons Vaderland te bevorderen.
Met innigen dank jegens den Almachtige zie Ik op het
vervlogen tijdperk terug. Zijn zegen heeft het oud verbond
van Oranje en Nederland bevestigd.
Over do toekomst van Mijn Huis en Mijn Volk roep Ik op
dezen plechtigen dag dienzelfden zegen in. De herinnering aan
het verleden is Mij een waarborg voor de toekomst: Oranje
en Nederland onder Gods zegen één, krachtig en vrij!
Het Loo, 12 Mei 1889.
WILL E M.
.... „Als de Koning 40 jaar Koning is, dan zet ik mijn verhaal
voort," had Mr. van Mcrlen beloofd;.... maar toen die gedenkdag
aanbrak en er tóch feest was in Nederland, waren Annie en Frits
bitter bedroefd, want hun vader las,"- gevaarlijk krank.
\'t Is somber en stil in dat groote huis, anders zoo vol leven en
gezelligheid! De avond begint te vallen.....Zooeven is do dokter
heengegaan, met belofte over een paar uur terug te komen. Mama
zit boven bij den kranke; Annie en Frits sluipen met angstige
gezichtjes doelloos rond. Eindelijk gaan ze dicht bij elkander in de
eenzame huiskamer zitten en staren naar buiten.....Wat een leven
-ocr page 57-
51
op straat! "Wat een zingende troepen; welk een gejoel! Hoegansch
anders hadden zij zich dezen dag voorgesteld: „ \'s Morgens naar de
parade; \'s middags naar de volksfeesten in de Maliebaan; \'s avonds
naar de illuminatie, en dan !. ...
„O, Frits!" snikt Annie: „zou papa nooit, nooit meer beter
worden?"
„Ik denk het wel!" zegt Frits. „We kunnen hem niet missen;
ik wist niet, dat het zóó vreeselijk voelde, als papa ziek is! Ik
geloof, dat ik zelfs die wiskunde prettig zou vinden, als hij maar
weer gezond was.....Hoor!" ....
Geratel van wielen; \'t doktcrskoetsjc houdt stil; de geneesheer
stapt uit en wordt terstond opengedaan..... De kinderen hooren
hem de trap opgaan; ze houden den adem in om te luisteren. —
Nu is hij bij papa! Wat blijft hij lang boven!. . . .
Als de dokter eindelijk de trap afkomt, voelt hij eensklaps een
ijskoud handje op de zijne en ecne bevende stem vraagt: „Kan
hij niet meer beter worden? Kan Göd hem ook niet meer beter
maken?" Er spreekt zulk een doodsangst uit die woorden, dat den
ouden man de tranen in de oogen komen. Hij legt de hand op
Frits\' hoofd en zegt ernstig: „Vraag het God Zelf, mijn jongen,
niet aan mij." ... .
Zacht opent hij de deur en trekt die geruischloos achter zich
dicht; .... \'t kootsje rijdt weg.
Frits blijft nog even staan; dan gaat hij weer naar binnen,
waar Annie hom angstig wacht.
.... \'t Wordt daarbuiten drukker en drukker; . . . . \'t wordt
hierbinnen stiller en stiller..... Annie heeft den arm om haar
broertje heengcslagcn; zij volgen den raad van den dokter: zij
vragen den grooten Medicijnmeester Zelf, wat zij weten willen; niet
eenmaal, maar telkens.
Een paar uur later vindt mama hen slapende, ieder in een grooten
stoel. Als moeder met de brandende kaars voor hen staat, —
openen ze terstond de oogen; verschrikt kijken zo rond, van koude en
slaap rillend,.... vol angst voor \'t geen ze mogelijk hooren zouden.....
-ocr page 58-
52
„Kinderen," zegt moeder zacht — er ligt zulk eene vredige, hoop-
volle uitdrukking op haar zacht gelaat en ze vatten weer moed;
„kinderen, ik kan je vader nu alleen laten. Hij slaapt rustig, —
dat is een goed teeken..... Willen wij eerst samen den Heer
danken?"
IX.
nnie en Frits vergaten dien avond nooit; zelfs niet, nadat er
meer dan een jaar was voorbijgegaan — en Mr. van Merlen
even flink en gezond was als vóór zijne ziekte.
Hadden ze tóen niet eerst recht gevoeld, hoe lief ze dien goeden
vader hadden en dat ze hem niet konden missen?
Toch zijn er kinderen, wien God hun vader ontneemt.....
Ook Koningskinderen.
Dat was een droeve, droeve dag voor Nederland, dien 23on November
1890, toon, na weken, ja, maanden van hoop en vrees; van ge-
bed, — God alleen weet, van hoeveel, van hoe vurig gebed! —de
treurmare uit Apeldoorn kwam:
„De Koning is dood; onze laatste Koning dood!".....
29 Octobor 1890 moest \'t Bewind nogmaals worden toevertrouwd
aan den Raad van State, die het op 14 November d. a. v. overgaf
in handen van Koningin Emma. \'t Was droeve noodzakelijkheid
geworden, dat Hare Majesteit op dien datum zich naar den Haag
begaf, om den eed af te leggen als Regentes voor den tijd dat de
Koning niet in staat zou zijn zelf te regceren.
.... En nu was de grijze Vorst ontslapen.....
Annie was bittor bedroefd; ze schreide zacht, toen mama haar
voorlas, wat de kranten vermeldden betreffende de gebeurtenis, die
zoo veler hoofd en hart vervulde; ook: „dat de jonge Koningin
zelve bloomen uit haren tuin had geplukt, welke zij had doen neer-
leggen op \'t sterfbed van haren besten Vader."
-ocr page 59-
53
„Als papa niet zoo ziek was geweest, dan zou ik \'t niet kunnen
weten, hoe vreeselijk liet voor \'t Prinsesje is geen vader meer te
hebben. Maar God zal liaar Vader zijn, niet, moeder?"
„Ja, kind, God blijft haar Vader," verbeterde mevrouw van
Merlen zacht.
X.
an den avond van den eersten December, kwam de rouwtrein,
die het stoffelijk overschot des Konings bevatte, van \'t Loo
in den Haag aan.
\'t Weder was koud en mistig en \'t motregende.
Langs een talrijke eerbiedig zwijgende menigte, bij toortslicht en
onder treurmuzick, werd het lijk van den laatsten Oranjevorst ver-
voerd door de straten zijner Residentie.....
De klokken luidden; kanonschoten werden regelmatig gelost —
van het oogenblik af, waarop de kist uit den rouwwagen werd getild,
totdat de stoot het Paleis bereikt liad.....
.... J5am! . .. . bam!. . . . bam! . .. .
Grootje zit weer voor \'t venster.
Maar \'t is nu gesloten. Geen zomerlucht zou naar binnenkomen,
sprekende van hoop, van leven; maar mist, koude, vocht!
wijzende op heengaan, .... op sterven!. . . .
.... Pang!!.... pang!!.... Van minuut tot minuut dreunden de
schoten.....
Ach, hoe vaak hadden ze gedreund in de laatste jaren!
Maar na dien éénen blijden keer, had Grootje ze nooit meer geteld.
Heete tranen biggelden langs liare wangen en vielen op het
breiwerk, dat onaangeroerd in haar schoot lag.
Daar werd de deur langzaam opengedaan — niet opengegooid,
zooals tóen! — en Piet kwam \'t vertrekje binnen. „Grootmoeder! ....
hij,... . de Koning,.... is....." Zijne stem begaf hem.....
-ocr page 60-
54
.... Laat ze maar vallen, die tranen, jongen! Schaam er je niet
over: ze strekken je tot eer! Ween jij maar vrijuit over \'t heen-
gaan van je Koning.... den laatste van zijn Stam! . ... . .
„Steek de lamp aan!" zei Grootje plotseling;.... en toen er
licht gemaakt was, trok ze Piet meê naar den Oranjeboom, die in
een lijstje aan den muur hing.....Ze wees met den vinger naar
dien appel bovenaan en naar \'t zonnetje daaromheen..... Toen
keek ze naai1 Hoven; haar blik verhelderde zich; en ze fluisterde
haren kleinzoon toe: „Geen Willem meer, maar toch ecne
Wilhelmina; — \'t blijft: Oranje boven !"....
XI.
4 December 1890.
(,T\\T ilhelmus van Nassaiiwe!
De doodsklok klept hot rond
Het lied van houw en trouwe
Op d\'ouden, vrijen grond;
Geen jublend zwaardgekletter,
Geen forsch geroerde trom
Geen fier trompetgeschetter,
.... De doodsklok klept alom! \')
„Ik wil ei\' vandaag uit, Piet! Als de drukte voorbij is; als ze
hem weggebracht hebben, — dan wil ik tenminste den weg zien.
waarlangs....."
Arme Grootje! Ze was er niet af te brengen. Of Piet al zei,
dat \'t koud was en zoo vol op straat, — ze bleef er op staan;
dus ze gingen.
Ze spraken weinig onderweg;. . . . liepen de spoorwegbrug onder-
\') Dr. Schaepman. Overgenomen uit hot „Dagblad voor Z.-Holland en \'s Gravenhage."
-ocr page 61-
55
door en kwamen op den Delftschen weg. — \'t Was er nu niet
vol meer!
Eentonig klepten de klokken;. . . . dof dreunden de kanon-
sclioten.....
Die sombere grijze lucht, waarin nergens een straaltje van licht,
was die geen treffend beeld van den rouw, die de harten van ons
volk vervulde?
Ja — en neen!
„Hier hebben ze hem dus langs gebracht, dien goeden Koning!"
zei Grootje, stilstaande, en met vochtigen blik den kant van Delft
opturende. „Piet, zal je altijd trouw blijven aan zijn kind? Ze
zeggen, dat hij zooveel van haar hield; dat ze zijn oogappeltje was! . . . .
Jongen, do menschen zijn zoo slecht; in den tegenwoordigen tijd
spreken ze soms zoo vreemd en zoo wonderlijk; — zij hébben geen
eerbied meer voor \'t geen God heeft samengevoegd, en al kunnen
ze dat nooit scheiden, ze probeeren het toch! Een Christen moet
altijd toonen, dat hij een Christen is; dat hij weet, hoe in Gods
Woord geschreven staat: „Vreest God; eert den Koning!" En of
\'t nu een Koning of eene Koningin is, dat\'s voor den Heer \'t
zelfde, hoor!.... Geef me de hand er op, jongen!.... Zoo....."
„Ik beloof \'t u, Grootje!" zei haar kleinzoon.
Meer niet; toen liepen ze weer dooi\'.
.... Daar werd den flinken jongen verver plotseling een hand
op den schouder gelegd; hij koek om: Mr. van Merlen en Frits
stonden achter hem.
„Nu heb ik je toch eindelijk en ik laat je niet gaan, voordat ik je
eens hartelijk bedankt heb!" riep Frits, want hij had „den jongen van
den Oranjeboom" — hoewel breeder en langer geworden — terstond
herkend. „Ik wist niet, waar je Avoonde; \'k heb je dus nooit kunnen
zeggen, hoc blij ik met je teekening was! — Zeg, vind je \'t niet
vrecselijk naai\', dat de Koning dood is?" ... .
„Als ik \'t niet naar vond," zei Piet kort en bondig; „dan was
ik geen knip voor men neus waard!"....
Mr. van Merlen en de oude vrouw waren ondertusschen ook aan
-ocr page 62-
56
den praat geraakt; — waarover anders, dan over den Koning?
„Luister!" zeide Prits\' vader eensklaps. „Ze schieten nog steeds;
of \'t nog lang duren zal?" ....
Neen, — \'t was \'t laatste schot geweest; de grafkelder te Delft
had ook den laatsten Oranjevorst in zh\'ne duistere diepte op-
genomen.....
.... ..Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe wegen
zijn niet Mijne wegen, spreekt de Heer. Want gelijk de hemelen
hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn Mijne wegen hoogcr dan uwe
wegen, en Mijne gedachten dan ulieder gedachten." ....
„\'t Blijft stil," zeide Mr. van Mcrlen met ontroerde stem: ,,Hjj
rust." .... Eerbiedig nam hij den hoed af; de jongens volgden zijn
voorbeeld en bleven eveneens zwijgend staan.....
En toen! — Op dat oogcnblik scheurde de lucht; de loodgrijze
wolleen werden zilvorgetind.....Eerst heel, heel flauw,.... toen al
scherper en scherper; de nevelen trokken op; de zon brak door.....
\'t Werd licht boven Delft!___
Mijnheer van Mcrlen was een geleerd man, een wetenschappelijk
man, maar hij had een warm hart; Grootje was noch geleerd, noch
wetenschappelijk, maar zij ook had een warm hart.
Zij zagen elkander aan en begrepen elkander! Omdat zij in één
God geloofden, konden zij hetzelfde hopen voor datgene wat ze
beiden lief hadden:. . . . hun Vaderland, hun Vorstenhuis.
Hij drukte Grootjc\'s gerimpelde hand en zij bracht onder woorden,
wat in hun hart omging: „\'t Wordt licht, meneer! Is het nu niet
net of God zeggen wil: „\'t Gaat door do duisternis heen, maar licht
zal het worden voor Nederland?" .... Bidden, meneer,.... bidden,
dat is altijd het beste, wat wc doen kunnen." ....
Toen ze eindelijk van elkander afscheid namen, wist papa \'t
adres van Grootje, en Frits \'t adres van Piet: dit was dubbel op!
„Dat hadden we niet gedacht, dat u ons wat van onzen Koning
-ocr page 63-
57
zoudt vertellen op zijn begrafenisdag," zeide Annic, toen \'t gezin
\'s avonds bij elkaar zat in de huiskamer. Terwijl zij zoo sprak,
nam ze vaders band in de hare en hare oogen schoten vol tranen,
want zo dacht weer aan het vaderloos Koninginnetje in het gesloten
Paleis; aan dien Koninklijken standaard, halfstok geheschen, ten
teeken van rouw.....
„Een paar dingen uit het leven des Konings hebbon diepen in-
druk op mij gemaakt," begon Mr. van Mcrlcn. „Ik was acht jaar
oud, toon mijn vader zijne Inhuldiging bijwoonde, in de Nieuwe
Kerk te Amsterdam, \'t Moet indrukwekkend geweest zijn, toen
Willem III onder koorgezang en orgelspel de kerk binnenkwam.....
Maar vooral was dat oogenblik onvergetelijk, zei vader, waarop de
Koning te midden van cene eerbiedige stilte de Troonrede uitsprak.
Een paar zinsneden daaruit heb ik onthouden; — ze werden mij zoo
dikwijls voorgezegd! — Ik zal ze voor jelui herhalen; je kunt uit
die weinige woorden genoeg zien, met welke heilige voornemens de
vorst bezield was, toen hij den troon zijns vaders besteeg:
..Thans is het oogenblik daar, waarop ik voor het oog van den
Almachtige, Die het lot van Koningen en volken in Zijne liand
heeft, mij, onder inroeping van Zijn\' heiligen Naam, ga verbinden
aan mijn edel, trouw en vredelievend volk.....Ik verbind mij aan
een volk, grooter iu deugden, dan in \'t bezit van oen uitgestrekt
grondgebied, machtiger door eensgezindheid dan door zielental; . . . .
het is eene grootscho roeping: Koning van zulk een volk te
zijn!" ....
Vader vertelde ons, dat de stem van den Vorst trilde van ont-
roering, terwijl hij dit zeide en dat hij even moest wachten, voordat
hij, de twee vingers der rechterhand in de hoogte stekende, den
eed van trouwe zwoer aan \'t Nedcrlandsche volk.....
Men zegt gewoonlijk, dat onder zijne regcering de vrede werd
bewaard; dat handel en nijverheid bloeiden; dat ons Vaderland in
velerlei opzichten vooruitging! En wil men een bewijs geven, hoe
lief hij zijn volk had, dan wordt in den regel aangehaald, dat
Willem III, toen sommige streken van ons land door zware over-
-ocr page 64-
58
stroomingen werden geteisterd, zich in eigen persoon naar die be-
zoclite streken begaf en er met levensgevaar vertoefde.....
Weet je, wat ik mij levendig
herinner? Den 17en November
1863; toen ter eere van den
50cn gedenkdag van Neder! and\'s
onafhankelijkheid na de Fran-
schc overhoersching, dooi\' den
Koning de eerste steen werd
gelegd van \'t Nationaal Moim-
ment op \'t Plein 181:5. Wat
was \'t weder dien dag vroolijk
en zonnig; cene recht feestelijke
stemming heerschte er in de
stad! Op \'t Plein was eene
keurig versierde tribune opge-
richt voor al de leden van
\'t Vorstelijk liuis; — in die
dagen was \'t nog een breede
rij; nu zijn die allen heenge-
gaan.....Hij ook ....!"
Papa hield een oogenblik op, en vervolgde toen: „Na afloop der
eigenlijke steenlegging en de daarbij gebruikelijke toespraken, kwam
\'t Koninklijk rijtuig voor, om den Vorst naar zijn paleis terug te
brengen..... Op \'t punt van wc^x te rijden, ging" de Koning over-
eind staan; — hij had zulk een flinke, krachtige gestalte en zoo\'n
vorstelijk voorkomen, onze Willem III!
\'t Volk drong dichter en dichter om hem heen; de politie kon
hen niet tegenhouden. Waarom ook? Ze hadden hem immers lief!
Wee, wee dengenc die de hand naar den Koning had durven
uitsteken!
.... Zij wuifden met zakdoeken, met hoeden en petten en riepen:
„Hoera!" en „Leve de Koning!" — zoo luid ze maar konden.....
Maar opeens werd liet doodstil; de Vorst had met de hand gewenkt:
-ocr page 65-
59
hij wilde zijn volk toespreken. „Kijk," Mr. van Merion haalde een
papiertje uit zijne portefeuille en vouwde het open: „Ik kan jelui
voorlezen, wat de Koning zeide; mijne moeder bewaarde altijd aller-
lei dingen aangaande \'t Vorstelijk Huis, en knipte dit berichtje uit
een tijdschrift, dat we lazen:
„Willem III zeide, dat die dag van de eerste steenlegging
van dit historisch gedenkteeken, dat de trouw en de liefde
van \'t Nederlandsche volk bij deze plechtigheid ter eere van
die gelukkige nationale herinnering, voor hèm niet alleen,
maar voor alle leden van \'t Oranjehuis cene nieuwe aan-
sporing zou wezen om nog meer te doen voor het welzijn
van het volk van Nederland."
„\'t Zal zijn," eindigde de Koning, en zijn stem klonk ver en
machtig, zoodat wij dit woordelijk verstaan konden: „zooals het
in vroegere dagen was, zooals liet onder Gods zegen zal blijven :
dat een prins van Oranje nooit, neen nooit genoeg kan doen voor
dat volk van Nederland.".... Kinderen! na deze toespraak was
\'t volk letterlijk buiten zichzelf van geestdrift; en dan zeggen
ze nog, dat wij, Hollanders, — wij, Friezen, vooral! — stug
en koel zijn; laat ons maar eerst eens warm worden! Ik en
mijne medestudenten, we waren voor deze gelegenheid uit Leiden
overgekomen, — hielpen duchtig meê met dat daverend: „Oranje
boven!" Ja, in mijne vervoering geraakte ik bijna onder de hoeven
dei\' paarden van \'t Koninklijk rijtuig; op dat oogenblik zou ik er
niets om gegeven hebben, als ze over mij heengereden hadden, —
en," (papa keek even heel ondeugend naar mama) „toon kende ik je
moedertje toch al!.... Gelukkig, („moedertje" stemde hiermee vol-
komen in) werd ik nog juist bijtijds weggetrokken door een braven
politieagent en Zag ik den Koning wegrijden. Hij glimlachte, terwijl
hij naar links en rechts boog; zijne oogen straalden; hij had zulk
eene gelukkige uitdrukking op zijn gelaat..... Ik denk. dat do
Vorst zich gedragen gevoelde door de liefde van zijn volk, welke
zoo duidelijk sprak uit al deze onstuimige huldeblijken.
-ocr page 66-
60
Maar nu nog iets over den avond van dien f eestelij ken 17on
November 1863..... Wat al vlaggen en vctpotjes! — in dien
tijd waren \'t nog uitsluitend vctpotjes. — De paleizen waren ook
schitterend verlicht; dat van den Koning van boven tot beneden.
En weet je, wat Prins Frederik gedaan had ? Voor de inrijpoort van
zijn palcis in \'t Korte Voorhout had hij een kolossaal transparant
laten neerzetten, waarop met grootc, vurige letters te lezen stond:
„Eere aan de nagedachtenis van:
Gijsbert Karel van ïïogendorp;
F. v. d. Duin van Maasdam;
Yan Limburg Stirum."
Dit waren de drie mannen, die in 1813 den eersten stoot gaven,
dat \'t volk weer: Oranje boven! durfde roepen; — vindt jelui \'t
niet aardig, dat deze oude prins de cenig overgeblevene Oranje-
vorst uit die jaren 1812 en 1813 de herinnering aan deze wakkere
Nederlanders zoo in eere hield! .)a, ja: Oranje en Nederland; Neder-
land en Oranje — dat hoort bij elkaar! ....
Daar was Willem lil ook van doordrongen. Wanneer ik het
Ruiterstandbeeld in \'t Noordeinde zie, dan denk ik vaak aan deze
woorden van onzen Koning," — een tweede uitgeknipt berichtje
kwam voor den dag:
„Dat hij nooit zoo levendig had gevoeld, wat een prins
van Oranje moest zijn voor \'t Nederlandsche volk, als bij de
inwijding van \'t \'Ruiterstandbeeld van Willem den Zwijger,
tegenover zijn paleis; van dien Willem, wien men den Zwijger
heeft genoemd, maar die wist te spreken en te handelen, waar
het de rechten der natie en de zaak der gewetensvrijheid
gold; dat hij dit niet zeide om zich op zijne voorzaten te
verheffen, maar om te doen gevoelen, hoe dit verheven voor-
beeld hem voor de oogen zweefde, om al wat hij vermocht
aan te wenden tot bevordering van \'t geluk en het welzijn
van het Nederlandsche volk." ....
.... Of Willem 111 altijd gedaan heeft, naar \'t geen hij zich
tóen voorstelde, — daarover kunnen en mogen w\\j niet oordeelen;
-ocr page 67-
61
ook Koningen kunnen dwalen en te kort komen, maar ook voor
Koningen is er vergeving bij God, om Jezus Christus\' wil.....
Veel droefheid was het deel van onzen overleden Vorst; wat
zag hij er velen sterven, die hem na bestonden. Hoe dankbaar zh"n
wij den Heer, dat zijn levensavond verhelderd werd door veel
liefde! . . . .
Ik denk, dat onze kleine Koningin omstreeks vijf of zes jaar
oud was, toen een oude Generaal — jelui noemt hem „Groot-
vader" — mij \'t volgende vertelde: „Op een receptie aan \'t hof
was Z. M. naar hem toegekomen en had hem aangesproken. Plot-
seling zcidc de Koning vroolijk: „En zeg me nu ook eens, Generaal!
Wat zeg je wel van mijn dochtertje, van mijn Willemicntje? Is ze
niet allerliefst?"
.... Maar \'t is immers genoeg bekend, welk een teeder Vader
hij voor dat dochtertje was! God Zelf zegene en vertrooste onze
jeugdige Koning-in." —
De kinderen vonden er niets vreemds in, dat Mr. van Merlen
eindigde door aan den avond van dezen dag van uitvaart met hen
te bidden voor de geliefde Vorstinnen. En wat hij voor Haar van
den Heer begeerde was dit: dat de Moeder eenmaal het einde zou
mogen zien van het werk, dat haar van heden af was opgedragen;
dat zij den dag zou mogen beleven, waarop zij dit Kind — toe-
gerust en bekwaam tot de vervulling harer roeping — zelfstandig
zou zien optreden als Koningin van Nederland. \')
„Ik zou \'t nooit geloofd hebben," zei Grootje dicnzelfden avond
tegen Piet, „wanneer iemand mij verteld had, dat ik om zoo te
zeggen een dankbaar gevoel zou hebben op den dag, waarop
ze mijn Koning begroeven! Zie je nu wel, Piet, dat ik van-
middag op dien Delftschen weg moest wezen? \'t Heeft me goed
\') 8 Doe. 1890 legde H. M. do Koningin-Woduwo in s G-ravenhage den eed af als
Regentes gedurende de minderjarigheid van H. M. Wilhelmina. (23 Nov. 1890—81 Aug.
1898.)
-ocr page 68-
62
gedaan; die meneer begreep een oud mensch..... En dat bjj me
nou beloofd heeft je voort te helpen, zoodat je misschien die lessen
aan de Tcekenakkedemie zult kunnen bijwonen!.....Jongen,
jongen, als dat eens waar was!" ....
XII.
ilhelma van Nassauwe,
Aanvallig Koningskind,
U blijft uw volk getrouwe
Het volk dat U bemint. \')
31 Augustus 1891 — de eerste verjaardag van Kroonprinses
Wilhelmina als Koningin der Nederlanden — werd met bijzondcren
luister in den lande herdacht. Wat al vroolijkheid en blijdschap
hcersehtc er; — in do eerste plaats onder kinderen, voor wie deze
dag ook in \'t vervolg tot een feestdag werd gemaakt!
Den Haag bleef niet achter. We staan ditmaal niet stil bij de
drukte in de straten, maar gaan met den stroom menschen meê
naar de volksfeesten in de Maliebaan.....
.... Wat \'n uitgelaten pret! . . . . welk een gelach! onder die
talrijke toeschouwers bij dat hardloopen, zakloopen, mastklimmen,
ja, wat al meer! Het mastklimmen vooral geeft onophoudelijk stof
tot uitbundige vroolijkheid.
"t Is dan ook een heele toer voor de liefhebbers! Ik zet het je
om langs zoo\'n hoogen met zeep besmeerden paal te klauteren; heel
naar boven — tot aan den met vlaggetjes versierden top, waaraan
o. a. een dikke worst hangt, die je nioogt meenemen, — als je
ze krijgen kunt! .... Hen je half boven en begin je juist te denken:
„\'t Gaat goed!" — dan glij je pardoes! weer een eind uit; je
\') Niuolaas Boots
-ocr page 69-
^
W4
18 n
IW-jm
ftn.
nn.
ê
i
n?7.
Sfi..
-ocr page 70-
63
kunt van voren af aan beginnen — en \'t mooist is: ze lachen je
nog op den koop toe uit!....
Vele jongens zyn reeds onverrichter zake teruggegleden; na her-
haalde pogingen hebben ze \'t eindelijk moeten opgeven! De dikke
worst hangt daar nog, uittartend, als eene onbereikbare heerlijkheid.
Onbereikbaar?!.... Zoo denkt de kleine jongen, die nu naar
boven klautert, er niet over; hij is vast besloten haar buit te
maken..... Krampachtig klemt hij handen en voeten om den ver-
raderlijk gladden paal..... „Hou je goed;.... hou je goed!" zegt
hij telkens, als hij voelt, dat hij vooruitkomt..... Die worst moet
hij hebben .... voor moeder; wat zal ze kijken..... Helaas! hij
glijdt!.... glijdt!! Gelach. Maar hij gééft het niet op; met de
uiterste krachtsinspanning werkt hij zich weer naar boven.....
.... Bravo!!.... bravo!! Men klapt in de handen; — hij heeft
zijn ideaal gegrepen! . . . . Nu: rrrts .... naar beneden, onder de
boeratjes der omstanders. De muziek valt in. De worst als zege-
teeken in de hand houdend, dringt do knaap door do menigte heen.
Gauw naar moeder; wat zal ze blij zijn! . . . . Zo waren zoo cirm.
Maar toen hij thuiskwam, was de worst weg. Had hij die ver-
loren; verkocht; opgegeten misschien?
Hoor maar, wat hij zegt.
„Moeder, \'k heb mastgeklommcn in de Maliebaan en ik heb een
worst voor je vanboven gehaald..... Maar \'k heb \'em wcgge-
geven!"
..Weggegeven?" Moeder keek heel verbaasd.
...la, .... ik kón \'t niet velen.....Er stond een troep socialen,
geloof ik, vooraan in \'t Bosch; . . . . ze zeiden oneerbiedige dingen.....
Een hoorde ik zeggen: „Wat heb je er aan," — hij meende de
Koningin, moeder! — „je hebt er nooit voordeel van!" .... \'k Hen
stilletjes achter \'em omgeloopen; ik heb mijn worst in zijn zak
gestopt en hem toegeroepen: „Daar, man, eet die maar — op de
gezondheid van de Koningin; als we geen Koningin hadden, dan
had jij nu geen worst!". ... Ze begonnen hard te lachen, maar ik
ben gauw Aveggcloopen.....Was het heel dwaas, moeder?"
-ocr page 71-
04
„Dwaas?" Moeder vond het zeker niet dwaas, want als eenig
antwoord drukte ze den kleinen Oranjeklant aan haar hart.....
Maar toen zij alleen was, moest ze toch lachen om \'t geval.
Wie er ook hartelijk om lachte was Grootje, aan wie vrouw
Winkelaar nog denzelfden avond \'t lieele verhaal kwam doen.
„Mijn Jan had er braaf schik van en hij zei, dat \'t toch wel
aardig was geweest om dien kleinen jongen zoo in vuur te zien
over zijne Koningin!" besloot zij. —Want de zoo onverwacht met
een worst begiftigde was niemand anders geweest dan .... haar man! —
Op verschillende plaatsen van ons Vaderland werd dien dag
feestgevierd; — ook in dien afgelegen hoek op de hei, waarvan
we in \'t begin van dit boekje spraken.
Een jaar of vijf geleden was. niet ver van de armelijke
hutten, een gebouwtje neergezet, heel ecnvoudiy en klein. Daarin
waren een paar menschen komen wonen, die een hart hadden vol
liefde tot den lieer en daarom ook tot hunne mcdemcnschcn.
Zij kwamen den holbewoners bet beste brengen, wat er is; het
hoogste; het heerlijkste; — het Eéne Noodige: het Evangelie.
De man bezocht gezonden en kranken en wees hen op Hem,
Die wil, dat alle menschen zalig worden.....
De vrouw verzamelde de kinderen om zich heen, leerde hen
naaien, breien en andere nuttige dingen en sprak hen onderwijl
van den grootcn Kindervriend.
.... En wat ze aan aardsche goederen bezaten, dat deelden zo
mede aan degenen die hot \'t incest noodig hadden.....
O! er was oneindig veel geduld en toewijding noodig voor dezen
arbeid der liefde, die langen tijd vruchteloos scheen te blijven ....
om dat gedold en die toewijding no<r grooter te maken!
God was met ben; zij zetten liet werk voort; .... en eindelijk
zagen zij er den zegen van.
Ook heden.
De holbewoners hadden feestvieren geleerd: Kerstfeest, Paasch-
-ocr page 72-
65
en Pinksterfeest allereerst.....Maar ook op andere gedenkdagen ver-
heugden ze zich: op hunne eigene — en op die van \'t Vorstelijk Huis!
Ze wisten nu, dat — al woonden zij nog zoo achteraf. — zij toch een
deel uitmaakten van \'t geheel: dat zij behoorden tot het trouwe, fiere
volk van Nederland; en onderdanen waren van eene Vorstin, die
niets anders begeerde dan ook voor hen eene goede Koningin te
zijn.....De kinderen voornamelijk kregen langzamerhand liefde voor
hunne jonge Vorstin; dat ééne kleine hutbewoonstertje — nu óók
een elfjarig meisje — was er wat trotsch op, dat ze net als \'t
Koninginnetjc ..Wilhclmina" heette en ook op 31 Augustus jarig was!
Wat hebben ze vandaag een schik gehad in ,,\'t lokaaltje\', waar
ze ter cere van den „Koninginnedag" onthaald werden op krenten-
brood en chocolade! . . . . Wat hebben ze — de jongens vooral —
zitten luisteren naar de verhalen uit de Vadcrlandsehc geschiedenis,
die „meneer"\' hun deed..... En gezongen, dat ze hebben! —
de meisjes vooral —; de Evangelist en zijne vrouw hadden eer van
hunne moeite !
.... De heibewoners bleven even arm als vroeger; hunne ziekten
en kwalen werden niet weggenomen, maar voor enkele althans was
\'t een ander leven geworden in de laatste vijf jaar ! — Met één
oogopslag kon men dat zien: èn aan hun gelaat, èn aan hunne hut,
èn aan hunne kinderen.....Hóórcn kon men \'t ook!
Ja, het Evangelie brengt altijd en overal: vrede en blijdschap,
hoop en levensmoed!
XIII.
„*W)/fc hebben tegenwoordig zoo\'n zoig over onze kleine meid." —
Vrouw Winkclaar -was even bij Grootje binnengeloopen en
klaagde deze haar nood: „\'t Is lieuiizicktc, zeit de dokter, en we
moesten haar zoo gauw mogelijk naar \'t Kinderziekenhuis brengen;
daar zou ze beter geholpen kunnen worden dan bij ons thuis.....
5
-ocr page 73-
66
Maar \'t valt ons zwaai\';.. . . mijn man vooral, — want ze moet daar een
heel poosje blijven. Hij staat er op \'t kind zelf weg- te brengen;
.... hij is dol op der — ze heet naar zen moeder, zie je! —
\'t Goejc mensch moest es weten, dat hij niet hebben wil, dat \'t wurm
gedoopt wordt; — wat zou ze daar een verdriet van hebben ....
net als ik!"___
„Je moet me maar eens gauw komen vertellen, hoe \'t je kleine
meid gaat; en wat dat andere betreft, doe jij maar, watje kunt, en
laat het overige aan God over,"\' troostte Grootje, die terstond bc-
sloot ook déze zaak met haren besten Raadgever te bespreken.
Als altijd ging vrouw Winkelaar bemoedigd van hare oude buur-
vrouw vandaan.
Ken maand of drie later kwam zij weer bij vrouw Wolters op-
loopen met zulk een stralend gelaat, dat Grootje verwonderd
vroeg: ..Wat is ei\' met je gebeurd? is je kind weer thuis?"
.... ,.\'k Ga er even bij
zitten..... Neen, ze is nog
niet weerom, maar ze komt
nu toch gauw: zij is zooveel
beter in den laatstcn tijd.....
Maai\', er is iets anders, dat ik
je vertellen wilde......Je
moet weten, vanmiddag\' gïn-
g\'eu mijn man en ik samen
— dat gebeurt anders nooit —
naar \'t Kinderziekenhuis, om
naar \'t kind te zien.
Ons lievertje zat overeind
in haar hchlerwitte bedje; de
zuster vlak bij haar. Zóó dat
we de zaal inkwamen, riep
ze: „Vader, moedor; bloemen! van die!".... ze wees naar \'t por-
tret van \'t Koninginnetje, dat daar aan den muur hangt.....En wat
-ocr page 74-
67
had ze in haar handjes? Een bosje viooltjes;.... van die dingen die
zoo lekker ruiken. — Nu mot je weten, Grootje, dat \'t schaap dol
is op een bloemetje!
.... „Van die! van die!" riep ze maar, steeds met haar vingertje
naar \'t portret wijzende. „Zoo, Iievertje, van die?" zeg ik, om dei-
maar gelijk te geven, maar \'k bleef zitten; — mijn man keek \'t
venster uit. Daar was ze niet meê tevreden! hij was zoo goed
niet of hij moest vlak voor den muur gaan staan en \'t portret
bekijken.....Toen liet ze hem de bloempjes ruiken en liep alweer:
„Van die!"
„Wat meent het kind toch?" zei Jan. De zuster was juist
niet in de buurt; ze was bezig met een ander kindje, vooraan in
de zaal.....Maar eer we weggingen, vroeg ik het haai-. Zij ver-
telde me, dat onze Koninginnen dien eigen morgen een mand
vol viooltjes hadden gestuurd voor de zieke kindertjes; dat deden
zij wel meer. „Da\'s aardig; hoor je \'t, Jan!" zeg ik; me man
zei niemendal; . . . . ik schaamde mij voor de zuster en trok \'m
gauw meê.
Op straat zei hij nog niets.
Maar — of \'t spul sprak, — toen we in de Zeestraat kwamen;
wie komen daar achter ons aanrijden? Hare Majesteiten, allebei
nog wel; — ze kwamen van Schoveningen. En wat doet mijn man?
.. . . Hij blijft eerbiedig staan — \'t is waar, wat ik je vertel! —
en neemt zóó diep zen pet af, wat ie anders nooit doet, dat
ik van schrik vergeet naar de Koninginnen te kijken; ik had ze
wel ereis graag goed willen zien; ik kom zoo weinig op straat!
En ze waren al lang voorbij, — toen stond Jan daar nóg met
zen pet in de hand. „Man," zeg ik, „zet nou je pet maar weer
op." .... De menschen keken zoo naar ons, zie je! Hij veegde zen
oogen af met zijn mouw..... Ik deê net of ik \'t niet zag en liep
stilletjes door.
.... „Vrouw!" zcit ie opeens, „\'t Is een raar gevoel, als die
hooge menschen je eigen kind bloemetjes gaan sturen; — een raar
gevoel......Ie gaat secuur van ze houden!"
-ocr page 75-
68
„Zoo gaat ie goed!" dacht ik; want dat was voor hem al
heel veel. Menschlief! wat heh ik dikwijls angsten uitgestaan, als
wc Zondags zoowel eens een straatje omgingen en dan do Vorstinnen
tegenkwamen; ternauwernood tikte hij aan zen pet.... en hij
had er hcclemaal geen gevoel van.
Toen we thuiskwamen, zei ik nog niks. Maar een uurtje ge-
lcden — we zaten rustig bij elkaar, voordat hij weer naar zijn
werk ging, — kwam ik los. „Man," zeg ik, „je bent een beste
man en ijverig ook;" — want, Grootje, hij werkt zoo hard! —
„van huisuit ben je nooit zoo\'n sociaal geweest, die in kerk noch
kluis komt: denk maai\' creis aan je moedor (dat\'s zijn zwakke
puntje, weet je); ... . maai\' voor mij was \'t nu juist een sterk
puntje..... „Je vindt het zoo aardig," zeg ik. „dat de Koninginnen
ook aan jouw kind een bosje bloemen gestuurd hebben; liet doet
je goed, dat zij zich met je kind bemoeien — al is \'t maar
heel in de verte! Nu ken ik Iemand, je moeder kende Hem
ook, Die ons lieve meisje haar leven lang wil verzorgen en be-
waren - ook als wij er niet meer zijn; Die baar en ons daarvan
een zichtbaar teeken wil geven, zoodat wc \'t nooit kunnen ver-
geten. Ik meen onze Heiland, Jan; Hij wil baar bij den naam
noemen, haar o! zoo dicht naderen .... inden doop." .... „Vrouw,"
zeit ie. „Ik begrijp al, waar je naar toe wilt. Zou jij dan bij
\'t doopen net zoo\'n gevoel hebben, als ik daarstraks bij die
beketjes?"
„Ja," zeg ik; „maar \'t is alleen nog oneindig veel hooger en
heerlijker. Want, — nu vaar ik voor dezen éénen keer in jouw
schuitje, maar ik meen het toch héél anders! — onze geëer-
biedigde Koninginnen zijn menschen van gelijke beweging als
wij, en die bloemetjes verleppen weer! Maar onze Heer is de Koning
der Koningen, — en wat Hij geeft, dat geeft Hij voor de eeuwigheid.
Ik hoop, dat jij dit eenmaal net zóó zult voelen!" .... En wat
antwoordt ie me nou, buurvrouw?"
„Ik durf \'t niet raden!" zei Grootje.
„Laat jij \'t wurm maar doopen, hoor! als ze thuiskomt;.... \'t kan
-ocr page 76-
69
me niks schelen!" .... En nu ben ik op weg naar onzen dominee, —
daarom ben ik zoo blij en zoo dankbaar!"
XIV.
oningin Wilhelmina «roeide voorspoedig op onder de teedere
zorgen liarcr Moeder en Zij werd door God gespaard en
bewaard.
Wat \'t volk nooit genoeg liooren kon was dit: dat in welke
sclioone streken van \'t buitenland de jeugdige Vorstin ook vcr-
toefde, Zij toch altijd blijde was naar Holland terug te keeren.
„Hoor je \'t wel? Ze spreekt Hóllandseh!" was de verrukte
uitroep van een vrouwtje, dat met vele andere toeschouwers op
den wc\\i stond langs den vijver achter \'t Huis ten Bosch, en cenige
woorden opving, die Hare Majesteit — onder \'t schaatsenrijden — tot
de Koningin Regentes richtte.
.... Toen in den loop der jaren velschillende gedeelten van ons
Vaderland \'t voorrecht hadden de beide Vorstinnen voor kortoren
of langoren tijd in hun midden te hchben, wedijverden de bewoners
der steden en dorpen dan ook om door een feestelijke ontvangst te
toonen, hoezeer men de komst der hooge Bezoeksters op prijs stelde.....
In dézen tijd ontving Annio van Merlen \'t volgend briefje van
haar nichtje Truus:
„Ik heb jelui Haagje zoo vaak in fecstdos gezien; kom nu ook
eens ónze stad bekijken op „Koninginnendag.".....Ie zult je
handen in elkaar slaan, zoo feestelijk zal \'t er hier uitzien, als onze
Vorstinnen overmorgen komen! .... Wc wachten je bepaald." ....
Annio sloeg de handen in elkaar, toen Truus haar den volgenden
dag „van den trein" haalde en ze samen al vast een wande-
lingetje maakten door de stad. Wat al guirlandes van groen en
-ocr page 77-
70
bloemen — bijna huis aan huis! — om niet te spreken van de
eerebogen;. . . . de vlaggen weiden morgen pas uitgestoken!
„Dan is \'t nog véél mooier," zei Truus. „Van de illuminatie
morgenavond zal je ook opkijken; ja, ja, we kunnen \'t hier ook
wel!".... Niet alleen de aanzienlijke buurten waren versierd,
maar ook in de meer afgelegen wijken was gecne moeite gespaard;
.... daar zou menig lichtje branden, dat getuigde van veel liefde
en opoffering.
.... De grootc dag brak aan. .lammer, dat liet weder niet zoo
heel gunstig was en tegen den middag al donkerder en don-
kerder werd. Maar aan do geestdrift, waarmede de Vorstinnen
ontvangen, en — waar en wanneer zij zich vertoonden, — telkens
weder begroet werden, schaadde dit niet.
Tegen den avond scheen het wel of er een onweder kwam op-
zotten ;. . . . toch gingen Oom, Truus en Annie er moedig op
uit, om de schitterende verlichting in oogenschouw te nemen,
\'t Was dan ook wel de moeite waard! De volte en de drukte
waren onbeschrijfelijk; .... honderden —ja duizenden misschien —
bewogen zich in] de straten, meest in den omtrek van \'t gebouw,
waar de Vorstinnen verblijf hielden.
Zij waren juist gekomen op den hoek van eene vrij nauwe straat,
—  een waar kruispunt, — toen van den tegenovergcstelden kant
eene opgewonden zingende menigte kwam aanzetten.....Van beide
zijden drongen de menschen elkander op;. . .. \'t was een gevaarlijk
oogenblik! .... Daar kliefde een felle bliksemstraal de zwarte lucht!
.... een ratelende donderslag volgde onmiddellijk; dikke regen-
droppels begonnen te vallen.
De feestvierenden stoven naar alle kanten..... Zoo juist stond
Annie nog naast Oom en Truus; nu zag zjj ze nergens meer!
.... \'t Stortregende.....Verschrikt en niet wetend, wat te doen,
—  sloeg \'t jonge meisje een zijstraat in om aan \'t gedrang te ont-
komen. Ze wist heg noch steg, en raakte hoc langer hoc verder
van hare geleiders af.
Weer een bliksemstraal!. .. . een knetterende slag\'! . . . . Ze
-ocr page 78-
71
moest toch ergens zien te schuilen; maar waar? Zij was nu in een
stil straatje gekomen en stond vlak bij eenc kleine woning, voor
velks eenig venster een paar flauwe lichtjes brandden. Daar de deur
niet gesloten was, aarzelde Annie niet, maar trad binnen. Ze kwam
in een donker gangetje;.... bij \'t licht van den bliksem zag zij,
dat hierin verscheidene deuren uitkwamen; rechtuit was een trap.....
Juist wilde zij aan de voorste deur tikken, — toen zij stemmen
daarbinnen hoorde; onwillekeurig wachtte zij even.
Een schel kinderstemmetje vroeg: „Moeder, \'t Koninginnetje is
toch niet op straat in dien regen, hé?"
„Neen," antwoordde eene andere stem. „Zij zal nu wel in huis
zijn, wees maar niet bang."
„Moeder!.... zou ze \'t weten, ons Koninginnetje, dat onze
lichtjes zoo mooi branden? — Want ze branden immers mooi, niet?
Als z\\j \'t wist en als \'t niet zoo regende, zou zij dan niet eens
eventjes hierlangs komen om ze te zien?". . . .
„Zeker," antwoordde moeder: „dat zou zij stellig doen. maar ze
wéét het niet — en \'t regent immers, hoor!"
.... Weer een lichtstraal. .... do donder dreunde .... nu meer
in de verte.
Annie hoopte, dat \'t kind wéér spreken zou.
„ . . . . Moeder, zou ons Koninginnetje weten, dat we zoo dikwijls
geen boterham hebben, omdat vader geen werk heeft; . . . . dat
broertje ziek is en mijne oogjes nog zoo\'n pijn doen?"
„Neen, jongen, hoe kan zij het weten? Maar dat behoeft immers
ook niet: God weet het en Hij zal ons helpen."
De stemmen zwegen geiuimen tijd..... \'t Onweder trok af; de
regen hield op.
Annie besloot toch aan de deur te tikken, om naar den weg te
vragen. Eerst hoorde men haar niet; zij klopte nogmaals en trad
het armoedige vertrekje binnen. Eene blceke vrouw boog zich juist
over een wiegje, waarin een kindje, al slapende, lag te kreunen.....
Zij hief haar bleek gelaat op en staarde de onverwachte bezoekster
verwonderd aan.
-ocr page 79-
72
..Ik ben van mijn gezelschap afgedrongen," sprak Annie ophelde-
rend. .,\'t Begon zoo geducht te onweeren, ik zag deze deur opcn-
staan en schuilde in \'t gangetje. Ik wilde u vragen mij den weg
naai\' de Gravenstraat uit te duiden.....Waar is het kind, dat ik
daarnet Jioorde praten?"
„Hier," zeide de vrouw; ze bracht Annie bij eenc bedstede,
waarin een jongetje lag. „\'t Is cene dame, die voor den regen
schuilde. .Jantje," zei ze geruststellend; en dan zacht tot Annie:
„Hij heeft het zoo op zen oogen, juffrouw,.... maai\' hij stond er
op. dat wc die lichtjes zouden aansteken." — zij wees naai\' een
stuk of zes grove glazen op de vensterbank, waarin, op een dun
laagje olie, brandende nachtpitjes ronddreven! — ,.al kan hij ze zelf
niet zien..... Toen de Koninginnen verleden jaar in Amsterdam
waren — wij wonen nog kort hier — lag- hij daar voor de oogen
in \'t Gasthuis. I)c Koningin-Regentes bezocht dat juist en kwam
ook bij zijn bedje. Zij legde de hand op zijn hoofdje en sprak
vriendelijk met hem;.... en al de zieke kinderen kregen uit
naam van \'t .Koninginnetje een mooie plaat. — Daar hangt de
zijne!.... Dit bezoek heeft hij nooit vergeten;.... om hem
plezier te doen — hij hield niet op, — heeft mijn man die lichtjes
daar neergezet."
Annie keek van de plaat aan den muur — een takje groen hing
er boven! — naar de schamele verlichting in de vensterbank.
Ze wachtte even, tot ze hare stem weer in bedwang had; . . . .
toen streek zij zacht over \'t hoofdje van \'t kind. en zeide zoo
vroolijk als ze maar kon: „Je lichtjes branden prachtig, .Jantje!
op straat kun je ze al zien! Wat zouden de Koninginnen \'t aardig
van je vinden, als zij \'t wisten!" ....
In \'t donkere gangetje — op \'t punt van heen te gaan — vatte
Annie do hand dei- vrouw, drukte daar een rijksdaalder in en zeide
hartelijk: „Ik heb alles gehoord, wat het jongetje daarstraks vroeg,
— wees er niet boos om — en ook, wat ge hem geantwoord
hebt. God zal helpen!. . . . Misschien wil Hij \'t vandaag door mij
doen."
-ocr page 80-
73
Zij liep haastig de deur uit; en, de aanduidingen der vrouw
volgende, was zü weldra thuis.
Oom en tante waren in de grootste ongerustheid geweest over
haar uitblijven; Truus niet minder. Na een paar vergeefsche tochten,
wilde oom er nogmaals op uitgaan om haar te zoeken, toen zy
daar heelhuids aankwam!
Haar verhaal werd met grootc belangstelling aangehoord. — Ge-
lukkig. dat zy uit voorzorg don naam van \'t straatje onthouden
had en ook den weg daarheen;. . . . want allen waren \'t er over
eens. dat dit huisgezin geholpen moest worden.
Toen vader werk had. Jan en broertje versterkende middelen,
en moedor zoo innig dankbaar en gelukkig was, zei de kleine
jongen op zekeren dag: „Moeder, stuurt God wel eens engelen naar
de mensehen, om te zien wat ze noodig hebben?"
..Hij laat soms de mensehen engel en werk doen!" was moeders
antwoord.
XV.
fVyfl kunnen ze niet zwijgend voorbijgaan, die gewichtige laatste
dagen van October 1800, waarin onze Koningin belijdenis
des geloofs aflegde en (24 October) met de woorden: „Zijt getrouw tot
in den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens," (Openb. 2 : 10h)
werd bevestigd als lid der Ned. Herv. Kerk. Ook deze laatste
plechtigheid — door den hofprediker geleid, — had plaats in \'t
Paleis, in tegenwoordigheid der Koningin-Regentes en enkele
genoodigden.
Den daaropvolgenden Zondag nam de jeugdige Vorstin voor de
eerste maal deel aan \'t Heilig Avondmaal, dat bediend werd in de
Kloosterkerk.....
De Heiland zegt: „Die Mij belijden zal voor de menschen, dien
zal Ik ook belijden voor Mijnen Vader, Die in de hemelen is." ....
-ocr page 81-
74
XVI.
31 Augustus 1897.
en vi\'oolijkc kinderschaar speelde en ravotte naar hartelust in
den grooten tuin, achter do woning van Anna\'s ouders.
\'t Waren de leerlingen harer Zondagsschool, voor wie zij een feestje
had aangelegd: ter eere van den 17en verjaardag van Koningin
Wilhelmina! ....
Aan lange tafels in de open lucht opgeslagen, werd het jonge
volkje terdege onthaald.....Eindelijk gingen ze, moe van \'t pret-
maken, in een kring zitten, — want Mr. van Merlen zou een
verhaal vertellen! Ze zaten als muisjes zoo stil, toen hij begon:
.... Er was eens een Koning; lang, heel lang had hij geregeerd.
Kort voor zijn dood liet hij zijn zoon bij zich komen; hij zag
den vroolijkcn, levenslustigen jongeling ernstig aan en zeide:
„Mijn zoon, \'t zal niet lang meer duren of gij zult in mijne plaats
Koning zijn..... Gij zijt jong en sterk; ik ben oud, zeer oud;
ik heb dus meer van \'t leven gezien dan gij. Gij denkt, dat
wanneer gij op den troon zult zitten, niets dan geluk, eer en roem
uw deel zal zijn! Maar ik zeg u vooruit: als gij uw volk waarlijk
liefhebt, dan wacht u een leven vol zorg en moeite! . . . . Ja, ik
twijfel of er wel ooit een uur zal aanbreken, waarop gij u volkomen
gelukkig gevoelt!"....
De grijsaard zeide nog meer; maar zijn zoon begreep hem niet.
„Vader is oud en ziek," dacht hij; „daarom liccft hij zulke
sombere gedachten. AVaarom zou ik niet gelukkig worden, heel,
heel gelukkig?"
In den toren van zijn burcht liet hij een klokje hangen; hij nam
zich voor dit, zoodra hij Koning was, zelve te luiden, telkens wanneer
hij gevoelde, dat er niets aan zijne vreugde ontbrak .... en dat
zou ontelbare malen \'t geval zijn, dacht hij.
De oude vorst stierf en hij werd Koning. Er liccrschte blijdschap
in \'t land : overal zag men eerebogen en vlaggen, groen en bloemen,
\'t Volk was trotsch op dien jongen, krachtigen \\Torst en het riep:
-ocr page 82-
75
„Heil ons\' de Koning leve!" Vreemde gezanten kwamen om hem
te huldigen.....En velen benijdden hem!.. . .
Maar \'s avonds luidde het klokje niet,
Terwijl het volk feestvierde, .... was \'t hart van den jongen
Koning droevig en zwaar, want hij dacht aan zijn dooden vader en
hoc lief hij hèm had gehad, wiens plaats hij nu innam.....
Dagen gingen voorbij, maanden, jaren! . .. . Steeds hing het
geluksklokjc zwijgend en stil in don slottoren: \'t zijden koord
bleef onaangeroerd.....
Hij was een goed Koning; hij had zijn volk lief. — Hoe kon
hy nu volkomen gelukkig wezen, wanneer hij zag, dat in zijn rijk
zoovelcn waren, die vergingen van honger en kommer, die verteerd
werden door ziekten en rampen van allerlei aard. Had hij er enkelen
geholpen, — dan straalde zijn oog!. . . . Maar weer kwamen er
anderen, nóg zwaarder beproefd, die hij niet kón bevrijden van den
last die hen drukte;. .. . en in de eenzaamheid boog hij \'t hoofd
en weende.....
Eens, ja! toen was hij onuitsprekelijk verblijd: hij had een vriend
gevonden, dien hij liefhad en vertrouwde met zijn gansche hart,
„Nu lui ik mijn klokje!" riep hij.....Daar treedt een zijner raads-
lieden op hem toe en fluistert hem in: ,,Vorst, uw vriend, op
wien gij leundet en stcundet, — hij heeft u laaghartig verraden
en verlaten!" ....
Dien dag kwamen er velen; en ze zeiden den Koning veel schoons
en veel heerlijks.....Maar \'s avonds luidde het klokje niet.
In den vorstelijken burcht zat de jonge Koning; .... hij weende!
Want hij dacht aan zijn vriend, die hem bedrogen had.
Hij werd een rijk Koning; hem behoorden bosschen en lande-
rijen; zilver en goud had hy in overvloed.....En kon hij niet
alle armoede wegnemen, ei- kwam een tijd, dat zijn volk vrij en
gelukkig scheen..... Op een avond stond hij aan \'t venstor van
zyn slot: hoe vredig lag dat landschap daar voor hem! Neen, zijne
zorgen waren niet tevergeefs geweest; . . .. was er ergens een ge-
zegender volk dan het zyne? Kom, hij zal luiden, luiden! Zijne
-ocr page 83-
70
onderdanen zullen weten, dat liun vorst zich verheugt in hun
voorspoed, „dat hij zich volkomen ge....." Maar — wat is dat?
Een rookwolk daarginds! . ... nog een .... nog een!.. . . Daar
verdringt zich een schare angstige landlieden op \'t slotplein, en zij
roepen: „Heer Koning! heer Koning! ach help ons: de vijand viel
in \'t land..... Onze woningen zijn het, die gij daar brandende
ziet.....Ach help ons!. . . ."
Hun vorst is niet doof voor hunne smeekbeden; hij is ook een
dapper Koning. Hij laat het koord los en grijpt zijn zwaard; liij
gordt zijn harnas aan en verzamelt zijn leger.....
Zij trekken op ten strijde;.... zij werpen zich op don vijand ....
en blijven overwinnaar.
Op zijn krijgsros, omstuwd door zijne dappere soldaten, keert de
Vorst naar zijn burcht terug.
„Leve do Koning: onze redder!" roepen allen.....Hij buigt en
glimlacht.....
Maar \'s avonds luidde \'t klokje niet; .... want \'t hart van den
overwinnaar was droevig en zwaar..... Hij dacht aan de ver-
woeste wijnbergen, aan de vertrapte landerijen; hij zag de tranen
der weduwen en weezen van do gevallenen in den strijd, liij boog
het hoofd — en weende.....
Zijn haar werd grijs, zijn gang wankel; zijne oogen werden dof;
zijne knieën knikten, zijne handen beefden.....Hij was oud en moe;....
\'t bestaan van dat zwijgende klokje had hij bijna vergoten.....
Bleek en krachteloos lag hij op zijn legerstede; zou hij sterven
zonder als Koning volkomen gelukkig te zijn geweest?
Wat hoort hij daar? .... Snikken en jammerklachten! .... Welke
nieuwe onheilen bedreigen zijn arm volk?
„Wie wecnen daar?" vraagt hij zijn\' ouden lijf knecht.
„\'t Zijn uwe kinderen, heer Koning; \'t is uw volk, dat weeklaagt
en schreit..... Ze zeggen, dat hun vader van hen heengaat,....
en die vader zijt gij!"
Een glans van blijdschap komt op \'t bleckc gelaat van den ster-
venden vorst.
-ocr page 84-
77
„Mijne kinderen!" herhaalt hij. „Als zy mijne kinderen zyn, laat
ze dan hier komen!"
De volksschare stroomt binnen; snikkend knielen zij voor zijn
legerstede neder; ze zijn gekomen om hem voor \'t laatst te zegenen,
dien Koning van hun hart.....
De glans op \'t bleeke gelaat wordt sterker en sterker; de doffe
oogen scliittercn.
„Hebt gij mij zoo lief?" vraagt hij telkens weder.
Hunne tranen en zuchten zijn \'t welsprekendst antwoord.
. . : . Liefde omringt hem; enkel liefde! . . . .
De Koning rijst op; zijne hand zoekt liet koord.....Hij grijpt
het, en hij luidt! .... luidt!___luidt!!___
Terwijl de heldere reine tonen van \'t klokje alom zijn geluk
verkondigen, .... blaast de Vorst den laatsten adem uit.....
„Straks zal ik jelui zeggen, wat wij uit dit verhaal kunnen
leeren," ging Mr. van Meiien voort. ... . . . Maar eerst wil ik nog
iets vertellen van een anderen Koning, dien jelui allen kent: Gods
Woord spreekt van hem. Hij was nog heel .jong, toen hij geroepen
werd om te regeeren, en hij zag zeer tegen die taak op, want zijn
gansche hart begeerde zijn volk goed te doen.....Die jonge Koning
was Salomo. De Heer verscheen hem in den droom en zeide:
„Begeer wat Ik u geven zal!" Hij antwoordde: „Geef mij wijs-
heid, Heer, om Uw volk te lichten, want ik ben nog zoo jong en
Uw volk is groot." De Heer had behagen in deze bede en zeide:
„Omdat gij niet begeerd hebt rijkdom en heerlijkheid, zoo zal Ik
u dit alles geven!"
.... Kinderen! . . . . spoedig, heel spoedig — \'t volgend jaar,
zoo God wil, zal de dag aanbreken, waarop onze jonge Koningin
zelfstandig zal optreden om liet Ncderlandsche volk te regeeren.....
Uit mijn eerste verhaal hebben wij kunnen zien, hoe de liefde
des volks het geluk des Konings is, omdat hun lijden zijn lijden is; . . ..
uit de geschiedenis van Salomo zagen wij, hoe heerlijk het is
met den Heer te beginnen!
-ocr page 85-
78
.... Nu, aan liefde zal het onze Koningin Wilhclmina zeker
niet ontbreken; de liefde die wy Haar toedragen, is driehonderd
jaren oud! .... En, Godlof! onze lieve Koningin kent den besten
Vader, den trouwsten Vriend, den Trooster der bedrukten, den
maehtigsten Koning; — Die, telkens als de zorgen groot worden,
Haar zal toefluisteren: „Vrees niet, Ik zal u leeren van don weg,
dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn!"
Met den Heer beginnen; . . . . met Hem voortgaan;. . . . in Hem
eindigen: .... dat is het gelukkigste leven, dat zich denken laat!
En nu nog dit. Als ons een werk te doen wordt gegeven, waar-
van veel afhangt, waaraan wij ons met hart en ziel wijden, —
dan zien wij het o! zoo graag voltooid.
.... Niet ieder kan op aarde \'t werk afmaken, dat God hem
of haar te doen gaf. .... Maar, blijven beide onze Vorstinnen ge-
spaard, dan zal op dien heugelijkcn dag van \'t volgend jaar dit
het onuitsprekelijk voorrecht van onze Koningin Regentes zijn, dat
Zij zeggen kan: ..Zie. Heer. nu is mijne taak afgedaan. Hier is
dan liet Kind. dat Gij mij en liet volk van Nederland gegeven
hebt! Ik heb Haar geleerd op U te vertrouwen; — nu geef ik Haar
geheel aan U over: leid en bewaar Gij Haar!"....
God zegene onze geliefde Regentes voor alles, wat Zij in die acht
jaren voor ons deed; voor alles, wat Zij nog voor ons zal doen,
zoolang God Haar \'t leven laat."....
.... En nn. kinderen, wie roept met mij mede:
Leve de Koningin!!
Leve de Koningin Regentes!!
Zij hadden zich lang genoeg stil gehouden, — en riepen het uit
A\'olle borst: . . . . twee .... driemalen! . . . .
Daarna zette mevrouw zich voor \'t orgel, en ze zongen tal van
Vaderlandsche liederen, niet en zonder begeleiding-, „\'t Vlaggclicd"
en „\'t Wicn Neerlandsch bloed." en dat opgewekte „In naam van
Oranje, doe open de poort" niet te vergeten!
-ocr page 86-
71)
En toen eindelijk \'t uur van scheiden sloeg, — toen zeide Mr.
van Merlen, dat al de kinderen \'t volgend jaar weer mochten komen,
en dat er dan nog een véél grooter feest zou zijn! . . . .
Wij nemen hiermee afscheid van de familie van Merlen, en gaan
dezen avond nog even bij Grootje aan.
Ze woont tegenwoordig in een alleraardigst huisje op den Loos-
duinschen weg; — bij Piet en zijne jonge vrouw!
In \'t gezellige voorkamertje zit de oude vrouw in een leuning-
stoel. Ze is nu midden in de tachtig; hcur haar is zilverwit, maar
hare oogen staan nog even helder en vriendelijk.
.Jaantjc, hare nieuwe kleindochter, zit naast haar; Piet aan den
anderen kant van de tafel.
„\'t Slaat zes," zegt Grootje eensklaps, „\'t Is wéér zes uur!
Zeventien jaren is \'t geleden, dat ik op 31 Augustus die kanon-
schoten telde; toen was ik al oud en nu ben ik er nog......Vis ik
denk aan dien avond....."
Opnieuw kreeg Jaantjc te hooien, hoe Piet binnengevlogen was,
vol opgewondenheid over dat schieten in de Maliebaan;.... en
welk een Oranjeklant hij al van jongsaf geweest was! .. . . Zoo
pratende, kwam Grootje vanzelf op den Oranjeboom, zijn eerste
schilderstuk, dat, opnieuw gekleurd, in volle glorie aan den muur
hing; — zij had er nooit van willen scheiden! „Want," hield ze
steeds vol, en zoo eindigde zij ook nu wéér: „\'t leven hangt aan
mekaar van kleinigheden, als je \'t maar opmerken wilt!.... Dat
Piet zoo vooruit gekomen is in de wereld, dat heeft ie, naast God,
te danken aan dien goeden Mr. van Merlen. -- Maar of die hem
zou hebben voortgeholpen, zonder dien Oranjeboom, — dat staat
nog te bezien!"
Een poosje later vervolgde Grootje: .... „Nog één jaar, en dat
zonnetje daar bovenaan zal gaan schijnen! God geve, dat Zij een
zon mag blijven voor Nederland..... Piet, jongen, krijg jij den
Bijbel eens en lees me Ps. 121 voor;.... daar staat het in!"
-ocr page 87-
80
Piet wist niet, wat; maar hij deed wat zij vroeg, en las lantaarn
en duidelijk:
„Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar
mijne hulp komen zal. Mijne hulp is van den Heer,
die hemel en aarde gemaakt heeft.
De Heer is uw Bewaarder, de Heer is uwe schaduw
aan uwe rechterhand.....De Heer zal u bewaren van
alle kwaad, uwe ziel zal Hij bewaren. De Heer zal
uwen uitgang en uwen ingang bewaren van nu aan
tot in der eeuwigheid."
„Amen," zei Grootje, en zo vouwde de handen —Piet en Jaantje
ook: - - „Hemelsche Vader, als dit woord leeft in Haar hart en in
\'t hart van Haar volk op dien dag. - dan komt alles goed!"....
Zij meende dien Dag, waarop weer eeno Afstammelinge uit het
aloud Oranjehuis zal zitten op den troon van Nederland; .... dien
zesden September 1898, waarop heel een volk opnieuw dankend
zal juichen:
\'t Blijft:
ORANJE BOVEN!