-ocr page 1-
Verslag van het verhandelde op het Demografisch
Congres te Madrid.
Reeds in de openingsrede van den voorzitter (Jalleja, wiens
eerste woorden, na een dankbetuiging aan den Koning en de
Regentes voor het aanvaard patronaat, gewijd waren aan de
„heldhaftige Spaansche soldaten en zeelieden", kwam het duidelijk
uit, dat het congres stond onder de schaduw van het betrenrens-
waardig conflict met de Vereenigde Staten, dat bijna on middellijk
na de sluiting van het congres tot den oorlog leidde. Het kou
niet anders of in verschillend opzicht moest het congres daar-
door lijden.
Lang reeds vóór het geopend werd dreigden telkens de diploma-
tieke onderhandelingen tusschen Spanje en de Vereenigde Staten
niet tot een voor beide ryken bevredigend resultaat te zullen
leiden. Meer dan eens scheen oorlog onvermijdelijk. En waar,
bijaldien de oorlog vóór de opening van het congres mocht zijn
uitgebroken , dit laatste uitteraard zou zijn verdaagd geworden , is
het begrijpelyk dat met de voorbereiding daarvan, die belangrijke
uitgaven en arbeid vorderen moest. in Spanje niet te veel haast
gemaakt werd. Zoodoende moest, toen ten slotte het congres
bleek inderdaad te zullen plaats grijpen , deze voorbereiding ,
welke anders maanden gevorderd zou hebben , in enkele weken
geschieden , een overhaasting die natuurlijk tijdens het congres
zelf allerlei onaangename gevolgen met zich bracht.
Voorts waren , blijkbaar wegens den onzekeren politieleen
toestand van Spanje, een groot aantal demografen van het
congres weggebleven , wier tegenwoordigheid zeer werd gemist.
Bertillon , Juraschek , Blenck . Guillaume , waren verschenen :
maar Inama Sternegg, von Scheel, Böckh , Korösi, von Mayr,
Mischler , Falkner , Stieda, Sombart, Bleicher , Rauchberg en
meer anderen, wier tegenwoordigheid te Budapesth luister had
bijgezet aan het vorig congres, en die daar door hunne mede-
deelingen niet weinig hadden bijgedragen tot zijn wetenschappelijk
succes, ontbraken ditmaal. En wie verschenen waren , hadden
blijkbaar eveneens in de meening geleefd dat het congres zou
worden uitgesteld, zoodat zij ten slotte , toen liet toch doorging,
min of meer onvoorbereid naar Madrid togen.
Sedert de tijden der Grieken toen de strijdbare Pallas de
-ocr page 2-
2
godin der wetenschap was, is veel veranderd, en oorlog en
oorlogsgeruchten zijn aan het; welslagen van een internationale
wetenschappelijke vergadering thans weinig bevorderlijk. Houdt
rnen met dit een en ander rekening, dan bestaat er zeker alle
reden om dankbaar te wezen voor de mate waarin de Spanjaarden,
de wakkere secretaris van liet congres Dr. Amalio Gimeno in
de eerste plaats, ondanks alles voor bet succes van het congres
hebben weten te werken. In grooten getale waren de Spaansche
demografen verschenen, en door tal van mededeelingen en
rapporten hebben zij aan de werkzaamheden deelgenomen. En
over de hospitaliteit der Spanjaarden en de uiterlijke ontvangst
vau het congres, waarbij het hot\'op schitterende wijze voorging,
zal h\\] de buitenlanders wel slechts één roep zijn.
Het congres was verdeeld in drie afdeelingen die alle gelyk-
tijdig vergaderden. Hoewel in het aantal der secties sedert het
Pestner congres, waar er zeven waren, een zeer gewenschte
beperking is aangebracht, is het gelijktijdig vergaderen van de
verschillende secties toch een bezwaar, dat zich op hinderlijke
wijze telkens deed gevoelen. Er is m. i. geen enkele reden waarom
het demografisch congres niet uit een enkele sectie zou kunnen
bestaan. De vergaderingen zouden dan mogelijk wat langer duren,
doch waar thans in den regel de secties, die te 9 uur openden,
reeds te 11 uur gesloten werden, kan dit bezwaar niet zeer
groot genoemd worden. De onderwerpen zouden naar hun aard
gegroepeerd in behandeling gebracht kunnen worden, terwn\'1
met het oog op den in totaal minderen beschikbaren tn\'d, meer
dan tot dusver zou moeten worden toegezien op de onderwerpen
die zouden worden aan de orde gesteld. Het,komt m\\j voordat
op deze wijze het congres vruchtbaarder zou kunnen werken
dan thans mogelijk was.
De eerste sectie was gewijd aan de techniek der demografie,
de tweede aan de resultaten van het demografisch onderzoek,
en de derde aan de dynamische demografie,
In deze laatste sectie is bij mijn weten niets dan Spaansch
gesproken , en de beide keeren dat ik in hare vergaderingen
ben tegenwoordig geweest was er zelfs niemand aan wien men
zich in het Fransch , Duitsch of Engelsch verstaanbaar maken
kon, zoodat het mij niet mogelijk is van het daar verhandelde
iets mede te deelen. Met het oog op het belang der in deze
sectie behandelde onderwerpen , waaronder vooral „de aard en
gevolgen van de concentratie der bevolking in de steden" de
aandacht verdiende — had ik dit gaarne anders gewenscht.
Beter was liet in de beide andere sectiën in dit opzicht gesteld,
hoewel jammer genoeg door de Spanjaarden zelf ook daar in
den regel Spaansch werd gesproken, zoodat de inhoud van hetgeen
zij zeiden voor de vreemdelingen goeddeels moest verloren gaan.
Alleen in de eerste sectie , waar de even welwillende als n\'verige
-ocr page 3-
3
directeur van het Mannheimsch statistisch bureau, Dr. Schott,
onvermoeid was in het vertalen der Spaansche inededeelingen in
het Duitsch, werd dit bezwaar op bevredigende wijze ondervangen.
Dringend noodig echter is het. dat op volgende congressen het
gebruik van een der drie wereldtalen verplicht wordt gesteld.
In de eerste sectie werd door dr. Bleuck, bij het aanvaarden
van het eerepresidiaat, in eene rede vol piëteit en vereering
het sterven van zijn beroemden ambtsvoorganger. dr. Engel,
die aan het congres sedert zijn laatste bijeenkomst was ontvallen,
herdacht. Van Engel, die op zoo menig gebied een baanbreker
is geweest, kan gelden hetgeen hij zelf in 1876 op het statistisch
congres te Budapesth van Quetelet getuigde, dat zijn weten-
schappelijke beteekenis moet worden beoordeeld niet slechts
naar wat hij zelf tot stand bracht, maar ook naar datgene
waartoe hij anderen inspireerde. En in beide opzichten mag
worden getuigd dat de persoonlijkheid van Engel gewichtige
sporen in de geschiedenis der statistiek en der demografie
heeft achtergelaten.
Uit de geschiedenis vau het Pruisisch statistisch bureau in
het laatste decennium, door Blenck aan het congres overgelegd,
kan blijken dat dit bureau de traditiën van zjjn vroegeren
leidsman met eere handhaaft.
Twee onderwerpen in deze sectie in behandeling gebracht
trokken in bijzondere mate de aandacht. Op het vorig congres
was o. a. de belangrijke vraag aan de orde gesteld , of en zoo
ja op welke wüze men in de statistiek van den loop der bevolking
rekening zou kunnen houden met de verschillende sociale groepen.
Ik trachtte , over dit onderwerp refereerend, destijds te betoogen,
1". dat het van groot wetenschappelijk en practisch belang is
in de bevolkingsstatistiek rekening te houden met de verschillen
die in demografisch opzicht tusschen de sociale lagen der bevolking
bestaan en 2°. dat het middel daartoe moest zh\'n de onderscheiding
naar de beroepen ook in de statistiek van den loop der bevolking
in te voeren.
Geheel in overeenstemming met deze conclusiën kon Juraschek
thans mededeelen, dat in de jaarljjksche bevolkingsstatistiek
van Oostenrijk, in verband met hare algeheele reorganisatie,
voortaan met het beroepselement in zjjn vollen omvang (beroep
en positie daarin bekleed) zou worden rekening gehouden.
Voor de eerste maal was dit geschied in de statistiek over
1895, uit de drukproeven waarvan Juraschek ten congresse
reeds een en ander kon mededeelen. Het werk zelf is sedert
verschenen , en toont overtuigend aan het belang dezer innovatie
op demografisch gebied, waarvan Oostenrijk zicli de primeur
heeft weten te verzekeren. Het moge mij vergund zijn met
enkele voorbeelden dit nader toe te lichten.
De statistiek onderscheidt 4 beroepsgroepen n.1. land- en
-ocr page 4-
4
boschbouw , industrie , handel en verkeer . en openbare diensten
en vrije beroepen; voorts de personen in huiselijke diensten,
en de personen zonder opgave van beroep. In de eerste beroeps-
groep worden 5 afzonderlijke beroepen (resp. positie in het beroep)
onderscheiden, in de tweede 22, in de derde 5 en in de vierde ü,
zoodat in totaal 40 categorieën van personen worden onderscheiden.
Wat nu in de eerste plaats de statistiek der nuptialiteit
betreft blijkt onder meer, dat de verhouding der op jeugdigen
leeftijd huwende mannen tot het totaal het grootst is in den
landbouw (beneden 25 jaar 12.92 %) i het kleinst bij de vrije
beroepen (5.42 "/,,) en b\'\\) de groep handel en verkeer (6.34 %)•
De betere sociale positie der tot deze groepen behoorende per-
sonen , schijnt dus de mogelijkheid om een huwelijk te sluiten,
ten minste wat den leeftijd betreft, te bemoeilijken.
Verband brengend tusschen de beroepen van beide huwenden
treden eveneens merkwaardige feiten aan het licht. Terwijl van
]00 huwende mannen tot de groep landbouw behoorende meer
dan 85 een vrouw huwden uit dezelfde beroepsgroep , was dit
in de groep industrie slechts met 25 " ,, der mannen het geval
en in de groep handel en verkeer slechts met 5 %. Daarentegen
huwden van de mannelijke dienstboden weder 43 "/„met vrouwelijke
collega\'s. Met vrouwen zonder beroep huwden slechts 10 ° „
der mannen uit de groep landbouw, daarentegen 49 % der
mannen uit de groep handel en verkeer, en 58 "/„ der mannen
in staatsdienst of in vrije beroepen werkzaam. In het algemeen
bevestigt deze statistiek dat het voor eene vrouw gemakkelijker
is dan voor een man om door een huwelijk een of meer sporten
op den niaatschappelijken ladder te klimmen.
Ook met de geboorteplaats in verband met het beroep der
huwenden werd rekening gehouden. Daarbij bleek dat territoriaal
de keus der bruid voor de personen tot den landbouw behoorend
het meest beperkt is. In 81 % der gevallen waren in deze
groep bruid en bruidegom geboren in het Bezirk waar zij huwden;
in de groep industrie was dit percentage 43.25. Omgekeerd
blijken de personen in staatsdienst en in vrije beroepen de
ruimste Brautschau te houden. Slechts in 24 % der gevallen
toch waren hier de huwenden afkomstig uit het Bezirk waar
hun huwelijk werd voltrokken.
Wat de statistiek der nataliteit aangaat, geeft de Oostenrijksche
statistiek , tengevolge van de opneming van het beroepselement,
antwoord o. a. op belangrijke vragen als deze: welke is de
verhouding van de verschillende beroepen in het totaal: hoeveel
onwettige kinderen komen in ieder beroep op 100 geborenen ;
hoeveel doodgeborenen ; hoe zijn deze verhoudingen in de ver-
schillende deelen des Kijks ?
De mortaliteitsstatistiek brengt o. a. verband tusschen beroep,
totale sterfte en doodsoorzaak. Tegenstellingen tusschen land-
-ocr page 5-
5
en stadsleven tredeii daarbij telkens aan deu dag. Zoo zijn
bijvoorbeeld de verhoudingscijf\'ers voor diphtberitis, kinkhoest
en rood vonk bij den landbouw veel booger, daarentegen die
voor tuberculose, organische hartgebreken, zelfmoord, veel
lager dan by de overige beroepen.
Ook in andere opzichten neemt de Oostenrijksche bevolkings-
statistiek in haren tegenwoordigen vorm een e eerste plaats in
Maar men mag zeggen dat zij door de opneming van het beroeps-
element, voor de demografie geheel nieuwe hanen geopend heeft.
Het tweede der bovenbedoelde onderwerpen is de statistiek
der kindersterfte. Op het Pesther congres was eene commissie
benoemd bestaande uit de heeren Böckh, Bertillon, Silbergleit
en Zedbiszek , ten einde te praeadviseeren over de vraag, op
welke wijze de statistiek der kindersterfte liet doelmatigst zou
kunnen worden verzameld en bewerkt, welke commissie echter
naar de heer Zedlaszek moest mededeelen niet niet de bewerking
van een praeadvies gereed was gekomen. De heeren Böckh en
Silbergleit badden hem echter schriftelijk medegedeeld, dat naar
hun oordeel de statistiek der kindersterfte de overledenen behoorde
te onderscheiden naar geslacht, al of niet wettigheid , ouderdom
(den leeftijd naar dagen en uren gesplitst te vermelden), naar
de wn\'ze van voeding, de ligging der woning (sousterrain,
parterre, verdieping enz), de doodsoorzaken en de al of niet
medische behandeling. 1\'e heer Silbergleit wenschte bovendien
aan teeken ing te doen geschieden van bet beroep der ouders
en een overzicht te ontvarigen van de wettelijke voorschriften
in de verschillende landen niet betrekking tot de aangifte van
doodgeborenen.
De vraag rees nu of het wenschelijk was aanstonds over deze
voorstellen te beraadslagen en te besluiten, dan wel ze ter
onderzoek aan de bestaande of een andere commissie te renvoyeeren,
die dan tegen het volgend congres een gemotiveerd en vooraf
gedrukt rondgedeeld rapport zou moeten uitbrengen. Ik ver-
oorloofde mij ten gunste van de tweede wijze van behandelen
te spreken, eensdeels met oog op de afwezigheid zoowel van
Böckh als van Silbergleit, wien toch de gelegenheid diende
gegeven te worden hunne voorstellen nader te verdedigen,
anderdeels wegens de moeilijkheid om , zoolang men niet een
overzicht bezat van de wettelijke bepalingen in zake de aangifte
van doodgeborenen , te beoordeelen wat in deze materie thans
reeds internationaal bereikbaar is te achten.
Het waren echter Blenck, die gaarne reeds aanstonds het
congres partij zou zien kiezen tegen de aanbevolen onderscheiding
naar de wijze van voeding, en Bertillon die een verder uitstel
van behandeling ongeraden achtte, welke de sectie bewogen
aan de heeren Bertillon , Zedlaszek en Guillaume op te dragen
nog staande dit congres een bepaald voorstel te ontwerpen eli
-ocr page 6-
»5
in stemming te brengen. In een latere byeenkomst der sectie
werd dientengevolge, geheel in overeenstemming met hunne
voorstellen, besloten: 1". dat een kind na 6 maanden zwanger-
schap geboren en geademd hebbende niet als doodgeboren zal
zy\'n aan te merken ; 2°. dat eene onderscheiding naar de uren
door de overleden kinderen geleefd, hoe interessant ook, voor-
loopig niet aannemelyk is te achten als tredend te zeer in het
detail: wat de onderscheiding naar den leeftyd aangaat, aan
te bevelen : de gestorvenen beneden een maand te onderscheiden
naar dagen, en beneden een jaar naar maanden , subsidiair de
volgende groepen 0—4, 5—9, 10—19, 20-30 dagen ; 1—2,
3—5 , 6—12 maanden ; 4°. met betrekking tot de doodsoorzaken
enkele der belangrijkste, met name de infectieuze, afzonderlijk
te vermelden en als regel aan te nemen om, waar meerdere
doodsoorzaken hebben samengewerkt, de meest gevaarlyke te
vermelden : <r>\\ het al of niet maken der onderscheiding naar
de gevolgde wyze van voeding vrij te laten.
In dezelfde sectie werd op voorstel van den heer Guillaume
besloten steun te verleenen aan den wensch van het Institut
International de Statistique , dat in alle beschaafde landen in
1900, zoo dicht mogelijk by den aanvang der eeuw, eene
volkstelling gehouden zou worden, die voortaan met geregelde
intervallen van ten hoogste 10 jaar zou moeten worden herhaald.
In de toelichting werd er uitdrukkelijk op gewezen dat het
alleen den datum, niet ook den inhoud der volkstelling betrof,
en dat ten opzichte van den datum der telling een volkomen
uniformiteit ongetwijfeld gewenscht was, doch in het voorstel
niet werd verlangd. Ons land zal dus, indien de8e volkstelling
plaats grjjpt, overeenkomstig het voorstel Uwer Commissie , op
31 December 1899, aan den wensch van het instituut en het
congres hebben voldaan.
van het verder in deze sectie verhandelde vinde nog vermelding
dat van Spaansche zijde krachtig werd aangedrongen op centralisatie
van den statistischen arbeid , en voorts eene korte discussie over
de waarde der graphische methode. De Spaansche rapporteur
over dit onderwerp ging aanvankelijk zoo ver van ieder statistisch
werk incompleet te noemen waarin niet graphica een belangrijke
plaats bekleedde. Terecht wees Blenck er op, dat van de
middelen waardoor de statisticus de resultaten van zy\'n onder-
zoek bekend maakt, getal en woord verreweg de belangrykste
zijn. (rraphiscbe voorstellingen kunnen door den aantrekkelijken
vorm er toe bijdragen om de uitkomsten van statistische onder-
zoekingen te populariseereu, maar zy\' missen de scherpte van
uitdrukking van geta1 en woord , en mogen dan ook nooit op
zicli zelf blijven staan. Wetenschappelijk is hare waarde vry gering.
De tweede sectie was zooals ik zeide gewy\'d aan de mededeeling
van de resultaten van demografisch onderzoek. Van het in deze
-ocr page 7-
7
sectie verhandelde verdient in de eerste plaats te worden genoemd
een belangrijk referaat van Bertillon over de natalité gémellaire.
Aan de hand van de statistiek van Munchen (over de jaren
1880-96), Nieuw-Zuid-Wales (1893—1895) en St. Petersburg
(1882—1892) toonde Bertillon aan, dat het percentage der
tweelinggeboorten, althans tot het veertigste jaar, klimt met
den leeftn\'d van de moeder. Zoo kwamen in laatstgenoemde stad
op 1000 bevallingen bij moeders van 16—20 jaar 6, van21—25
jaar 9, van 26—30 jaar 14, van 31—35 jaar 21, van 36—40
jaar 22 tweelinggeboorten. Bij moeders van meer dan 40 jaar
is het percentage kleiner, te weten 16. (1)
De statistiek van St. Petersburg stelt bovendien in staat
rekening te houden met de rangorde der bevallingen. En dan
blijkt dat het percentage der tweelinggeboorten toeneemt met
het aantal bevallingen. Zoo kwamen op 1000 bevallingen bh\' de
eerste bevalling 8, bij de tweede 10, de derde 13, de vierde 15,
de vrjfde 19, de zesde 21, de zevende 22, de achtste 23, de
negende 26 en bij de tiende en verdere bevallingen 28 tweeling-
geboorten. Oppervlakkig zou het kunnen schijnen, dat hier slechts
in anderen vorm uitdrukking wordt gegeven aan de zooeven
genoemde wet, volgens welke de tweelinggeboorten toenemen
met den leeftijd der moeder. Immers zullen primiparae in den
regel jonger zijn dan moeders die reeds aan haar vijfde of ver-
dere bevallingen toe z^jn. Bertillon toonde intusschen aan , dat
beide oorzaken reëel zijn en elkander versterken. Met andere
woorden , waaneer men vergelijkt vrouwen van gelijken leeftijd.,
is de kans op eene tweelinggeboorte belangrijk kleiner voor hen
die haar eerste of tweede bevalling wachten , clan voor hen wier
bevalling b.v. de zesde of zevende zal zijn. Dit blijkt uit onder-
staande qjfers.
(1) Ook de statistiek van Finland had Bertillon kunnen
dienen (cf Statistique de la Suisse, 112e livraison). Zelfs waren
daar de beschikbare cijfers nog belangrijk grooter dan die Bertillon
ten dienste stonden. De verhouding der tweelinggeboorten was
daar over de jaren 1885—94 als volgt: bij moeders beneden
20 jaar 6, 20—25: 8, 25—30: 12, 30-35: 16, 35—40: 21,40
en daarboven : 16.8.
De Zwitsersche statistiek, evenals Bertillon wijzend op den
leeft\\jd der moeder, verklaart daaruit tevens het feit dat by de
onwettige geboorten de tweelinggeboorten minder talrijk zyn
dan bij de wettige. (In Zwitserland resp. 12 en 13 per mille;
in Munchen b\\j de onwettige kinderen ll°/0o t in Petersburg bg
de wettige 14%o)-
-ocr page 8-
s
Aantal tweelinggeboorten op 1000 bevallingen.
Ouderdom der
1ste
2de en 3de
4de—6de
7de
en verdere
moeder.
bevalling.
bevalling.
bevalling.
bevallingen.
10—20 j
aar
6
7
•—
—
21-25
»
S
9
17
—
26-30
n
12
12
17
20
31—35
*
13
19
19
20
36—40
ïj
10
17
20
20
Tevens blykt uit deze cijfers dat van de twee oorzaken de
leeftyd der moeder het minst krachtig werkt. Voor primiparae
van 30—40 jaar is de kans op een tweeling slechts weinig grooter
dan voor primiparae van 2!—25 jaar.
De vraag ryst nu, zijn de talrijke vroegere bevallingen een
predisponeerende oorzaak van tweelinggeboorte, of\' wijzen de
medegedeelde cijfers op eene selectie en kan men dus niet anders
zeggen dan dat de talrijkheid der vroegere bevallingen een teeken
is van bijzondere vruchtbaarheid der vrouw, welke vvucbtbaarheid
zich uit, zoowel in talrijke enkele bevallingen als in talryke
tweelinggeboorten? Eene vraag die Bertillon vooralsnog onbeant-
woord moest laten.
Ten slotte onderzocht Bertillon aan de hand der Parijsche
statistiek over 1892—1895 de verhouding der geslachten bij de
tweelingen in verband met den leeftijd der moeder. Werd deze
verhouding uitsluitend door het toeval beheerscht, dan zouden
van 100 tweelinggeboorten ongeveer 25 uit enkel jongens, 25 uit
enkel meisjes en 50 uit jongens en meisjes moeten bestaan. In
werkelijkheid is dit niet het geval en toont de natuur voorkeur
voor „grossesses unisexuées". Men vindt n.1. dat ongeveer \'/s der
tweelinggeboorten uit enkel jongens, \' 3 uit enkel meisjes en
\'/3 uit kinderen van beide geslachten bestaat (1). Tevens blijkt
echter uit de cijfers door Bertillon medegedeeld, dat op de
samenstelling der tweelinggeboorten de leeftijd der moeder zonder
invloed is. De verhouding blijft, onverschillig hoe oud de moeder
is, behoudens kleine en blijkbaar toevallige fluctuatiën, in hoofd-
zaak gelijk aan die welke ik zooeven noemde.
Van het verder in deze sectie behandelde noem ik de oude
quaestie van den invloed der huwelijken tusschen bloedverwanten
op de nataliteit, waarover prof. dr. Mayet, Regierungsrath in
het Keizerlijk statistisch bureau te Berlijn , een voordracht hield,
waarin ook uitvoerig by den inhoud der wetgeving op dit stuk
in de verschillende landen werd stilgestaan. Dat deze quaestie
(1) Of ook de aangehaalde Zwitsersche publicatie op bladz. 40*.
-ocr page 9-
o
nog steeds de aandacht trekt, zal wel goeddeels daarvan een
gevolg zijn. dat in de meeste landen in welke deze huwelijken
al of niet na bekomen dispensatie, geoorloofd zijn, geen bijzondere
statistieken daaromtrent verzameld worden, zoodat het beschik-
baar statistisch materiaal betrekkelijk zeer klein is, waardoor
aan persoonlijke opvattingen en appreciaties in verschillende
richting ruim spel gelaten wordt. Aangeteekend zij, dat Blenck
meende te kunnen constateeren dat het feit der bloedverwant-
schap, mits beide ouders gezond zijn, noch op qualiteit noch
op quantiteit der progenituur uadeelig werkt, doch dat gebreken
der ouders bij deze huwelijken in versterkte mate hun invloed
op de nakomelingschap doen gevoelen. Ook Bertillon bleek van
deze meening te zijn.
Met betrekking tot de demografie van Spanje werden ten slotte
in deze sectie een aantal mededeelingen gedaan, waarvan echter,
daar zij in het Spaansch waren gesteld, de inhoud grootendeels
voor mij verloren ging. Merkwaardig is intusschen dat niet
slechts de mortaliteit in Spanje als gevolg van de economische
en sanitaire toestanden zeer hoog is, (1) maar dat in de beide
hoofdsteden Madrid en Barcelona in de laatste jaren de sterfte
regelmatig de nataliteit overtreft. In Madrid biïv. is, ondanks
eene hooge nuptialiteit (in 1896 8.2 per mille) de nataliteit in
1896 32.7 per mille, de mortaliteit daarentegen 40 per mille.
In Barcelona was het verschil niet zoo groot, ook omdat daar,
vermoedelnk dank zij het zooveel gunstiger klimaat, de sterfte
veel lager is dan in Madrid; toch beliep ook daar de mortaliteit
in 1897 nog 23 %,, tegen 21 °/oo voor de nataliteit.
Het congres besloot zijne eerstvolgende zitting te honden in
1900 te Parijs. Moge het Parijsche congres eene schitterende
revanche nemen voor wat het Madridsche in wetenschappelijk
opzicht heeft te wenschen overgelaten.
Den Haag, Mei 1898.
C. A. Vebrijn Stuart.
(1) Zij wordt in Europa slechts overtroffen door die in Rus-
land en Hongarn\'e en bedraagt regelmatig meer dan 30 ° 00, de
nataliteit omstreeks 36 ° 0(). (Cf Bulletin de 1\'Institut International
de Statistique, Tomé VII, 2de livraison en Tomé X, Ie livraison).