-ocr page 1-
\\6z&
m*w \\
DE CIRKELGANG
IN DE
GENEESKUNDE.
(Populair wetenschappelijke voordracht gehouden voor de
Vereeniging M. S. 8. op 22 Maart \'1
DOOR
Dr. H. F. A. PEYPERS,
Redact. van Janus,
Archiveg internationales pour 1\'histoire de la médecine
et la géographie médicale.
\'^ *s
:^o
HAARLEM.
DE ERVEN F. BOHN.
1899.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
DE CIRKELGANG
IN DE
GENEESKUNDE.
(Populair wetenschappelijke voordracht gehouden voor de
Vereeniging M. S. S. op 22 Maart \'99)
DOOR
Dr. H. F. A. PEYPERS,
Redact. van Janus,
Archives intemationales pour 1\'histoire de la médecine
et la géograpbie médicale.
HAARLEM.
DE ERVEN F. BOHN.
1899.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
DE CIRKELGANG IN DE GENEESKUNDE.
... wij zijn als kinderen, zittend op de schouders van
een reus, die kunnen zien wat de reus ziet en nog iets
bovendien.
                                  GüY DE Chauliac,
Magister ehirurgiae (1350).
.... maar wij verheffen er ons op dat wij mannen
zijn van veel hooger waarde dan onze voorvaderen.
Homerus.
M.H. Het is mij een eer en eon genoegen «rcvolg te kunnen
geven aan den roep der Vereeniging „Medieinae Studiosorum
Societas" om bij U in te leiden enkele takken der med. weten-
schap , die men op den series der Nederlandsche Universiteiten
vergeefs zoekt.. Het pleit voor uwen wetenschappelijken zin,
dat U zich een oordeel wenscht te vormen over de al of niet
belangrijkheid van vakken, die buiten uwe studielijn liggen,
maar toch een even interessant als breed gebied omvatten. Zij
zijn: de geschiedenis der geneeskunde, de epidemiographie,
de volksgeneeskunde, waarbij de geneeskunde der natuurvol-
keren en, last not least, de geographie der geneeskunde.
De historie der geneeskunde besluit een, voor de meesten
uwer zeker, in nevelen gebuid terrein, waaruit als min of
meer doffe klanken, soms de namen Hippocrates, Galenus,
Boerhaave, Pare U tegemoet klinken. De epidemiographie,
is de geschiedenis der volksziekten, die de menschheid hebben
geteisterd en millioenen ten grave sleepten. De voornanmsten
hunner — ik zal slechts lepra, pest, en engelsch zweet noe-
men — bezochten Europa in de middeneeuwen.
-ocr page 6-
4
Men meende deze in onzen tijd tot de „uitgestorven
ziekten" te mogen rekenen, ziekten, die nog slechts aan de
randen van Europa werden waargenomen. Alle drie, ook het
engelsch zweet, „Schweissfriesel, suette miliaire", doen echter
soms weer van zich hooren en bedreigen ons werelddeel min of
meer ernstig. Ons geslacht heeft van die ziekten geen of weinig
ervaring. De eerste kenbron ligt in de geschiedenis: — immers
historie is ervaring.
Een ander deel van de historia medecinae, die zelve een tak
der beschavingsgeschiedenis is, heet volksgeneeskunde. Ook
die is niet zoo te minachten. Gij weet het M. H., de folklore
bloeit op ieder gebied, alleen die der geneeskunde schijnt het
meest verwaarloosd. En toch ligt in de volksgeneeskunde de
geneeskunde der oude meesters en schuilt, ik zeg schuilt er,
medische ervaring der menschheid. Wat in de officieele genees-
kunde heeft uitgediend, kreeg reeds voet bij het volk. Het blijft
er eeuwen leven, sterft er vaak niet af. Meer nog. Er is wissel-
werking: cirkelgang. Uit de volksgeneeskunde is, buiten, of
ondanks de school, menige ontdekking voortgekomen.
Als voorbeeld noem ik U de vaccinatie, waarop onze serum-
therapie is gegrond. Inoculatie, inenting met zwakke pokstof,
bestond door alle tijden bij de meeste volkeren. In de weten-
schap had de beroemde school van Salerno ze ingeleid. Ze
werd echter vergeten. Maar zij bestond eeuwen lang bij de
Chineezen; de Brahmanen pasten ze toe, en bij Arabieren en
Perzen was zij zeer in zwang \'). Volgens Bouchut, maakten in
de middeneeuwen stadsomroepers te Moussoul b.v. bekend,
waar en wanneer stof te koop was om zich tegen pokken te
enten. — Het is U bekend dat Lady Montague deze methode
te Konstantinopel leerde kennen en ze in Engeland invoerde.
Deze groote dame beoefende dus volksgeneeskunde; of wilt ge
kwakzalverij, iets waarvan groote dames vaak niet af keerig zijn.
De onsterfelijke Jenner verbeterde, zooalsUweet, deinocu-
\') Zie over de vaccinatie sedert een paar eeuwen bij de Abyssiniers in gebruik,
Janus IV, pag. 21G.
-ocr page 7-
5
latie tot vaccinatie. Maar de ontdekking sproot niet uit zijn
brein als Pallas uit het hoofd van Zeus. Een eenvoudig boerin-
netje deelde als een volksgeloof aan Jenner mee, dat vaccinatie
beschut tegen pokken. Omdat hij die volksmeening niet zon-
der onderzoek verwierp kwam deze geleerde tot de zegenrijke
ontdekking1). Tegelijk met hem (1791) oefende • reeds een
empirist, een schoolmeester in het Holsteinsche, de vacci-
natie uit. Schoolmeesters durven vaak veel.
U ziet dus M. H., dat in de volksgeneeskunde kiemkrach-
tige zaden kunnen schuilen. Reeds de „ vader der geneeskunde"
Hippocrates, wees er op, dat een philosophisch arts ook acht
hebbe te slaan op de waarnemingen , zelfs van oude vrouw-
tjes; er is soms uit te leeren.
Het spreekt van zelf dat deze raad „cum grano salis" is
te betrachten. Een staaltje acht ik mij echter verplicht U te
bieden. Een scherpziende Italiaansche waschvrouw vertelde
terloops aan Bonomo, omstreeks 1686, dat bij de schurft een
diertje zichtbaar was. Bonomo bracht dit feit in de wetenschap,
en talrijke schrijvers bespraken de kwestie. Eveneens een
eeuw later Wichmann, wiens in zijn tijd veel gelezen „Aetio-
logie der Kratze" aan klaarheid niet te wenschen overlaat.
Evenwel werd de bekende zaak zóó vergeten dat in 1821
de „Académie de Médecine" een prijsvraag uitschreef over de
oorzaak der schurft. Vrouwen uit het volk hadden de vraag
kunnen beantwoorden, maar zij deden het niet. Geen ant-
woord kwam in. Eerst in 1832 leidde een Corsicaansch student
— Italianen waren sterk in scabies — den acorus weer in
de wetenschap. Ik zeg wéér, want naast het volk hadden ook
middeneeuwsche auteurs, de abdis 8. Hildegardis o. a., her-
haaldelijk den acorus als verwekker der scabies aangewezen,
soms zelfs afgebeeld \').
Zoo zegt b.v. Ibn Zohr (Avenzoarf 1162) in Boek Ilv Tract.
III, Cap. 9 van zijn Teisir, „soms ontstaan er op het lichaam,
•) Eigenlijk rééds voor Jenner, die in 1796 zijne eerste enting deed.
i) Zie over een oude afbeelding pg. 18 noot 1.
-ocr page 8-
6
onder de opperhuid, kleine zwellingen, die het volk „soab"
noemt en als men die huid opligt, komt er op sommige
plekken een zeer klein beestje te voorschijn, zoo klein dat
het nauwelijks zichtbaar is."
Wat U nu te zeggen M. H. van de geneeskunde der natuur-
volkeren. Zuivere, of wilt gij liever onzuivere, empirie M. H.
Maar aan die natuurkinderen danken wij de tabak, de thee,
de cacao, de china, de simaruba, de ipecacuanha, de coca,
— ik zou de lijst met tal van bekende namen kunnen ver-
meerderen. Geen wonder dat een onderzoeker als Kobert,
Prof. der pharmacologie en hist. med. in zijne histor. Unter-
suchungen aus dem pharm. Instit. te Dorpat, de volksmiddelen
der Letten, Finnen enz. tot een bron van uitgebreid onderzoek
maakte. Wanneer gij van de belangrijkheid van dit studievak
nog niet overtuigd zijt, zal het mij ook niet helpen als ik
er U op wijs dat de organotherapie, even als de suggestie-
therapie nog onder uwe oogen uit de volksgeneeskunde, weer
in de wetenschap is getreden. In Brown Sequard liepen twee ele-
menten der volkstherapie: inoculatie en organotherapie, samen.
Geen historie is denkbaar zonder geographie. Ook in de
geneeskunde grenzen deze vakken aan elkaar. Trouwens de
bakermat der geneeskunde lag bij zuidelijke volkeren, de
ziekten, die zij beschreven zijn gedeeltelijk sub-tropische of
tropische ziekten. Daarbij, de geschiedenis der geneeskunde,
de geschiedenis der pandemieën, voert ons over de gansche
aarde.
Kan men met eenige kwaadwilligheid de practische zij der
historia medicinae in twijfel trekken, dit is — bij koloniale
mogendheden ten minste — niet het geval met geographische
of wil men koloniale ziekten.
Overal in Europa beseft men de waarde der studievakken,
als wrft- pleitbezorger ik hier optreed; slechts valt de klemtoon
in het eene land op het eene, ginds op het andere deel. In
Engeland — het kan niet anders — vindt de studie der kolo-
niale ziekten, universeele en universitaire aanmoediging. In
Rusland beoefent men van zelf de studie van alle ziekten;
-ocr page 9-
7
geen wonder ook, wanneer men tehuis bijna alle klimaten
vindt. Overigens is de historia medicinae aan alle voorname
universiteiten vertegenwoordigd.
In Duitschland en Oostenrijk bloeit de hist. med. in over-
talrijke publicaties en in 18 cursussen aan universiteiten. In
Scandinavië werkt een belangrijke school van medische historici,
waarvan Prof. Petersen te Kopenhagen het hoofd is. Frankrijk
en Italië beoefenen historia medicinae en koloniale en scheeps-
geneeskunde ernstig en universitair. Evenzoo Spanje en Por-
tugal, ofschoon de ontdekkers van Z. Amerika aan kennis der
koloniale ziekten geen behoefte meer hebben. In Zwitserland,
dat wel voor de historia med. belangrijk is, wordt aan koloniale
en maritieme geneeskunde geen aandacht gewijd. Dat is te
excuseeren. Immers de admiraal van Zwitserland wordt slechts
in een Offenbachiade ontmoet. Griekenland kent ettelijke his-
torici, maar is meer nog een rijke mijn voor onze historie
zelve. Turkije staat niet vooraan met zijne onderzoekers, maar
kan er zich op beroemen, materie tot onderzoek, lepra en
pest ter markt te brengen. Buiten Europa vertegenwoordigt
Amerika ons gezamenlijk quartet van vakken. Nergens ter
wereld wordt zoo krachtig en met zooveel succes gepleit voor
studie der hist. medic, als daar. Amerika, dat nog slechts
eene kleine oudere geschiedenis heeft, doch met ijver nieuwe
zoekt te maken, stelt zijne medische voorvaderen — en ook
die van Europa — op hoogen prijs. Zouden de practische
Amerikanen historia med. wenschen op hunne universiteiten
als het vak zoo onpraktisch was?
Onze Belgische buren konden wel met een ja! antwoorden.
België kent slechts een paar bekende historici — daarentegen
zijn er drie, zegge drie, cursussen voor geographische patho-
logie aan belgische universiteiten. De Congo weegt er zwaar.
Rest ons vaderland, het land van Boerhaave. Werden
onze Trompen en de Ruiters, onze Sweelincks, Rembrandts
en Vondei\'s zoo genegeerd als de lessen van Boerhaave, den
enthousiasten vereerder en beoefenaar der historia medicinae
men zou ach! en wee! roepen. In ons land staat de beoefening
-ocr page 10-
8
der historie van ons vak op zoo lagen trap, dat tegenover de
± 80 publicaties en dissertaties op dit gebied in Duitschland,
er slechts 1 Nederlandsche komt — op zóó lagen trap, dat
een prijsvraag over de geschiedenis der geneeskunde na Boer-
haave tot tweemalen zonder antwoord bleef.
Toch eerde men, waar onze historici Bussemaker en Ermerins
de vaan hooghielden, waar Pruys van der Hoeven en Israëls
leeraarden, voorheen ons vak zóó, dat de oude O. I. Cie. de
kosten der groote (fransche) uitgave van Leclerq\'s Hist. de la
médecine op zich nam.
Ook gaf koning Willem I, wien het niet aan historisch
bloed ontbrak, eene ruime subsidie voor Isensee\'s Geschichte
der Medicin.
Dit is wel veranderd. Ook wordt het niet gecompenseerd
door de beoefening der geogr. geneeskunde in de 2e (of 3e)
koloniale mogendbeid van Europa zelve.
In ons land vinden candidaat-koloniale artsen, burger en
militaire, geen andere dan de gewone Europeesche basis voor
praktijk in de tropen. Zij trekken, om zoo te zeggen, alléén
van winterkleêren voorzien naar Indië. En al wilden zij zich
vooraf op de hoogte stellen van tropenhygiene, en de speciaal
indische ziekten, dan vinden zij , ik cursiveer, in hun gewone,
meestal duitsche handboeken
, zelfs de namen niet genoemd van
ettelijke ziekten, die zij weldra geroepen worden te genezen.
Dat
moet van zelf maar terecht komen. De cadet te Breda leert
Ind. krijgsgeschiedenis, leert land- en volkenkunde van Ned.
Indië; de a. s. regeeringsambtenaar beoefent de studie van
Mahomedaansch recht, maar de cand.-indische arts leert uit-
sluitend europeesche geneeskunde. Om land en volk en zijne
pathologie behoeft hij zich niet te bekommeren. Konden man-
nen als Eykman en Dubois zich een grooten naam verwerven,
aan hunne opleiding danken zij die niet.
Er is maar één lichtpunt M. H. Ons land , ondanks zijne
onvergelijkelijke armoede op medisch-historisch en geogr. ge-
bied, is toch het middenpunt geworden voor internationale
publicaties over deze vakken. In ons land verschijnt het eenig©
-ocr page 11-
9
„Sammelorgan" dezer takken van studie; de tweehoofdige en
drietongige Janus, die een Laveran, Patrick Manson, Peter-
sen, Davidson, Pagel, Cahnette, Kitasato, Sternberg, Kobert
onder zijne redacteuren telt.
Deze kostbare uitgave was mogelijk geworden door de warme
belangstelling en liberaliteit van de Dir. der Deli Mjjen, spec. der
Heeren P. W. en Dr. C. W. Janssen en van den tegenwoordigen
Min. van Koloniën. Zij wordt voortgezet, dank zij de energie
en loyale opvatting der uitgevers (Erven F. Bohn te Haarlem).
Wat den steun aan het jonge tijdschrift, door introductie
in den vreemde door Nederl. consuls aangaat, ook onze Min.
van Buitenl. Zaken en zijn welwillende secretaris-generaal, de
Heer Mr. Verkerk-Pistorius, benevens onze gezant te Peking,
de Heer Knobel, vereeren de Vereeniging, waarvan het tijd-
schrift Janus uitgaat, met zeer welwillende hulp. Ik acht mij
verplicht dien Heeren, van deze plaats, mijn bijzonderen dank
te brengen.
Na dit, misschien wat lang, maar, naar ik meen, niet
overbodig preludium, kom ik tot ons eigenlijk thema voor
dezen avond: de historia medicinae in engeren zin.
Zooals U bekend is, flikkeren er sterren aan den hemel,
zóó ver, van ons verwijderd, dat hun licht, eeuwen noodig
heeft om onze aarde te bereiken. Konden wij ons met de
snelheid der gedachte op die hemellichamen verplaatsen en
van daar uit met een ideaal gezichtsvermogen de aarde be-
schouwen, dan zouden wij achtereenvolgens de verschillende
phasen der wereldgeschiedenis voor onze oogen zien afrollen.
Wij zagen in Egypte de pyramiden bouwen; wij zagen er
schatten bergen, waarvan er een, het oudste medische ge-
denkstuk, als papyrus Ebers, voor enkele jaren aan de weten-
schap is hergeven, en waarvan er andere, hermetische dwaas-
heid — maar ook wijsheid — bevatten, die vaak voor ons
geslacht onbegrijpelijk zijn.
Wij volgden stellig van ons ideaal standpunt den tocht van
-ocr page 12-
10
een veroveraar, naar liet fabelachtig Indië, wij zagen den
grooten Alexander aan den nog grooteren Aristoteles, die
schatten van flora en fauna toezenden, die voor de grond-
vesting der natuurwetenschap zoo belangrijk werden.
Ook zagen wij Mahomed, den grooten profeet, als hij een
godsdienst in het leven riep, waaruit na de phase van vuur
een schitterende kuituur ontstond, die uit de woestijn op-
doemde en verzonk even snel en even heerlijk als een fata
morgana. Het was deze kuituur, die hoe kortstondig ook,
voor Europa van zooveel beteekenis werd, omdat zij diende
als middelaarster tusschen grieksche oudheid en midden-
europeesche renaissance.
Maar al konden wij zoo de bewegingen der volkeren gade-
slaan, wij zouden met de door ons gedroomde hulpmiddelen
nog niets waarnemen van den stillen arbeid des geestes.
En wat de geneeskunde betreft, wij zouden in het wereld-
rumoer, in de eeuwige woelingen der volkeren, den wasdom
niet bemerken van den nu zoo statigen boom, die door eene
levende generatie steeds „moderne geneeskunde" wordt genoemd.
En toch zijn de verschillende tijdperken van groei van dien
wijdvertakten kolos nog heden voor ons te reconstrueeren.
Het is wonderlijk. De tochten van groote veroveraars en gan-
sche volkeren mèt hen, zijn bijna spoorloos verdwenen en
datgene wat voor eeuwen stil in de geesten kiemde, is blijven
bestaan. De medische ideeën en scholen, die gezag hebben
gehad over het menschdom in zijn strijd tegen ziekte en dood,
zijn nog binnen ons bereik. En zoo zijn de geneeswijzen der
oude volkeren, reeds vóór zij de daden hunner helden op
schrift brachten, steeds voor ons te bestudeeren. Willen wij
weten hoe de Grieken zich cureerden in tijden vóór den Tro-
jaanschen oorlog, wij vragen het aan thans levende volkeren, die
op de kultuurhoogte staan, die de Pelasgen eenmaal innamen.
Zoo zullen ons b.v. de Roodhuiden met hun priesterartsen,
hun massage, hun empirie „im Groszen und Ganzen" vol-
doende inlichten. Want de geneeskunde van een volk, beant-
woordt aan zijn kultuurhoogte, altijd en overal.
-ocr page 13-
11
Willen wij de Grieksche geneeskunde in een latere periode
volgen, wij raadplegen bestaande historische documenten.
Voor onze oogen verrijst een Asklepeion. Daar ligt de aan
Aesculaap gewijde tempel, gesticht op een gezond en liefelijk
terrein, een warme bron belooft er zegen; frissche wouden
bieden een heerlijke koelte. Het is een lustoord aan de god-
heid gewijd. Geen gewoon sterveling, maar een vertrouwde
van den God treedt er als arts op. Dit kan niet anders dan
de hoop — in passende gevallen, de waarschijnlijkheid —
der genezing verhoogen. In de mystieke, van \'s werelds ge-
woel afgesloten omgeving, wordt de behandeling door een
vasten van 24 of meer uren ingeleid. Reinigingsbaden, warme,
en ook zóó koude, dat een Kneipp zou watertanden, treden
op den voorgrond. Dan volgt massage, door geoefende han-
den; ook berookingen met al of niet mystieke middelen. Het
geheel is een mechano-suggestief apparaat, waaraan zachte
muziek (incantatie) niet ontbreekt. Ook andere materieele mid-
delen, naast het water uit de heilige bron: de diaetetiek, de
laxantia, de voorgeschreven beweging, helpen den lijder op
den weg der genezing. Is deze ingeleid dan wordt de incu-
batie te hulp geroepen.
Incubatie — maar dat is hier niet de phase, die het uit-
breken eener ziekte voorafgaat — letterlijk de uitbroeding
der ziekte — het is het inslapen van den patiënt zelf — de
tempelslaap. In dezen hypnotischen toestand treedt de priester,
en soms wel Aesculaap in hoogst eigen persoon op, om tot
volkomen herstel zijn opperste goddelijke ordonnantie te ge-
ven. Vaak met succes. Immers materieele hulp gecombineerd
met geloofsgenezing zijn machtige agentia.
Maar ik had U gezegd, dat therapieën niet voor altijd
verdwijnen. Gij vraagt mij in onzen tijd een analogon van
deze behandelingswijze! ? Welnu M.H. — hebt gij naast zijn
apparaat, de gezonde boschrijke streek, de warme bron, het
zorgenvrije leven, de wandelingen, de diaetetiek, de massage,
de muziek, niet reeds den Asklepiosdienaar vermoed, die nog
heden onder de medici zijn zeer bizondere plaats inneemt?
-ocr page 14-
12
Eveneens de hoogere autoriteit, de suggestieve middelen — niet
meer incubatie, maar hypnose genoemd — zij ontbreken hem
niet. Alle characteristica zijn gebleven, slechts tijd, naam en
uiterlijk onderscheiden dezen ouden Asklepiosdienaar van den
modernen .. badarts. Ook de wijgeschenken, de exvoto\'s, voor
dezen priester zijn kostbaarder dan elders. Alleen worden de ge-
vallen van genezing niet langer tot eer der godheid op verguld
schrift en marmeren borden in den tempel opgehangen. De
reclameborden (vergeef mij dit ruwe woord) werden tot adver-
tentiën, maar de tempelbestuurders schromen niet, de heerlijke
mare der zegenrijke bron naar alle oorden te verspreiden. En
\'s zomers vooral, stroomt de heilbegeeiïge menigte toe en dui-
zenden brengen, zooals Homerus zingt, een Paean der godheid.
Uit de tempels van Asklepios vormden zieh de Asklepiaden-
scholen, met hun rijke, eeuwenoude ervaringen van zieken.
Die scholen, vooral van Knidos en Kos, boden stof voor het
corpus hippocraticum. De leer, die naar Hippocrates heet,
beoogt losmaking van alle theurgie en bijgeloof; het wordt
de grondvesting der wetenschappelijke geneeskunde. Het zijn
deze fundamenten, aan Hippocrates toegeschreven, die door
de grootste artsen van alle eeuwen als de beste zijn erkend.
Het hippocratisme is niet dood. Altijd keerden beroemde
meesters, Brissot, Sydenham, — en wil men — Boerhaave,
tot de hippocratische geneeswijze terug. En het was een hooger
lofspraak als Sydenham, een moderne Hippocrates, dan een
moderne Galenus genoemd te worden.
Inderdaad staat de jongere Galenische, of wil men Galenisch-
Arabistische school, verder af van de moderne wijze van na-
tuuronderzoek dan de hippocratische en oudere. Maar de
Galenisch-Arabistische is het, die ± 15 eeuwen van onze
jaartelling in de geneeskunde den scepter heeft gezwaaid om
eerst bij de renaissance weder voor de hippocratische te wijken.
Gij acht die school thans wel van den aardbodem verdwe-
nen M.H.? Niet geheel en al!
In Perzië, daar waar de Europeesche invloed nog niet
overheerschend is, wordt in de geneeskundige scholen steeds
-ocr page 15-
13
volgens den Canon van Avicenna en den Continens van
Rhases geleerd. Gij vindt dus daar nog een brokstuk van een
vroegere kuituur, een petrefact van de middeneeuwsche
universiteitsgeneeskunde.
Maar de tijd laat niet toe op de evolutie, maar geenszins
verdwijning, van de denkbeelden ook der oudste geneeskundige
scholen, diep in te gaan. Laat ik slechts aanstippen, dat de
oude humoraalpathologie, na Hippocrates opgekomen, zijn
voortzetting vindt in Fernel en Baillou. Dat het methodisme
of de solidairpathologie met Asclepiades (100 v. C.), Themison,
Soranus (100 n. C.) en na 16 eeuwen met Fred. Hoffmann,
en Cullen, zijn laatste woord vindt in de cellulair pathologie
van Virchow. Ook het aloude empirisme, ook het theoretisch
nibilisme, met Philinus (280 v. C), met Zeuxis, Sextus em-
piricus (190 n. Chr.) vindt aanhangers in alle eeuwen en vol-
keren, getuige Baco en Werlhof; het sluit met de jongste
Weener school. Denken wij aan het eclecticisme, de leer van
het „je prends mon bien oü je Ie trouve" met Athenaeus (50
na C), Rufus, Aretaeus (2e eeuw naC.) tot oude woordvoer-
ders — het is allerminst gestorven. Het telt in onze tijden menig
onbewusten aanhanger, die niet beseft, dat hij door den
historicus is ingedeeld en van een etiket voorzien.
Geen der oude scholen is geheel verdwenen. Zelfs het oude
animisme, dat gij als jong vitalisme, de leer der levenskracht
en als een dwaling der latere tijden aan onze universiteiten
soms hoort brandmerken, steekt het hoofd weer op. De organo-
therapie, waaruit de zoogen. levenskracht van speciale orga-
nen als b.v. klieren moet volgen, heeft haar tot een weinigje
nieuw leven gewekt.
„Multa renascentur, qui jam cecidere cadentq.
Usurpata modo medicamina, si volet usus" . ..
(Veel keert terug van midd\'len die waren verdwenen,
verouderd sterven zij af wanneer de mode het wil).
Deze woorden sprak voor niet langen tijd een professor in
de materia medica en beklaagt er zich over, dat uitnemende
middelen, die Hippocrates en Galenus in hooge eere hielden,
-ocr page 16-
14
zonder reden in onbruik geraakten. Hij, die zoo sprak was Jacob
Sylvius, bij de opening zijner lessen inPadua, waar hij voor
zijne studenten de Grabadin van Mesue verklaarde. Het was
in 1550. En hij ontleent zijne ware woorden aan Horatius,
die het p. m. 15 eeuwen vroeger reeds opmerkte.
Mij dunkt ik ben U nadere bewijzen voor dien cirkelgang
schuldig, al loop ik gevaar eentoonig te worden.
Nemen wij de anatomie. Thomas Willisius, Jos. Nic. Pechlin
en Peyer (1680) hebben de naar den laatste gedoopte darm-
klieren , plaques, het eerst beschreven. Maar Hippocrates kende
ze toch reeds — zij waren vergeten. Caspar Aselli (1600) \') (met
F. de Peiresc) staat bij U te boek als ontdekker der chylvaten.
Niet geheel terecht. Er was alleen sedert Herophilus en Era-
sistratus (250 v. C), niet meer over gesproken.
De ductus pancreaticus door Maur. Hoffman en Wirsung
(1630) ontdekt, was vroeger door Eudemus, een tijdgenoot van
Galenus, vermeld; evenals de tuba Fallopii door Rufus van
Ephese kort voor Galenus. Empedocles (500 v. Chr.) beeft de
cocblea en Alcmaeon, niet veel na hem, den gehoorgang bekend
gemaakt, die zóó beslist tuba Eustachii wordt genoemd, alsof
de oude ontdekkers nooit hadden bestaan. En toch, dezen ont-
dekkers, evenals den veel lateren grooten anatomen der Alex-
andrijnsche school, kan men niets anders verwijten, dan dat
zij te vroeg hebben geleefd.
Het was niet hun schuld, dat de bloeitijd hunner school,
die lijken en zelfs halsmisdadigers seceerde — wat tot hevig
protest van den antivivisectiebond aanleiding gaf — zoo kort
van duur was. In lange eeuwen verviel de anatomie, uitge-
zonderd de anatomia porci. Immers het zwijn diende in de
middeneeuwen voor de anatomische demonstratie. En van
daar dat men nog onder het volk de anatomische opmerking
\') Aselli deed de ontdekking, omdat hij zijne voorgangers kende. Bij eene
demonstratie van het diaphragna vielen hem talrijke witte strepen op het me-
senterium in het oog. Plotseling kwam hem de mededeeling der oude anatomen
betreffende deze eigenaardige, later niet meer besproken, vaten in de gedachten
en de chylvaten waren hervonden.
-ocr page 17-
15
hoort maken, dat de mensch er van binnen uitziet „net als
een varken"; iets wat pessimistische wijsgeeren niet geheel
willen ontkennen.
Gelukkig verhief zich de ontleedkunde, dank zij Mondini
(1300) en Vesalius (lijfarts van Karel V), dank ook de streng
katholieke school te Salamanca, die de anatomie, als zijnde
een nuttige wetenschap in bescherming nam en meer dan
eens \') getuigde van een geest, die men thans een liberale
zou noemen.
Het spreekt wel van zelf dat de therapie, méér nog dan
de anatomie, aanleiding gaf tot ontdekken en weer vergeten.
M.H. Niet alleen in den volksmond en in het wapen der
stad \'s Gravenhage, óók in de geneeskunde heeft de ooievaar
een symbolieke beteekenis. Hij is, naar men beweert, de uit-
vinder van het klysteer. Men zegt dat een overoud medicus
een geobstrueerden ooievaar zijn snavel als clysopomp zag
gebruiken en dat die medicus het idee overnam. Die clysteer
is sedert een „Völkergedanke" gebleven. Men vindt ze altijd
en overal in eere, een attribuut der medische professie — dit
is bekend — ook zonder Molière. Maar minder bekend is,
dat de Hegar\'sche irrigateur, van oude vinding en bij half-
beschaafde volkeren in gebruik is. In Perzië en bij ettelijke
natuurvolkeren fabriceert men een Hegar van een uitgeholde
vrucht — grooter dan een kokosnoot — waaraan een lange
buis bevestigd wordt:
„Wer kann was Dummes, wer was Kinges denken
"Was nicht die Vorwelt schon gedacht,"
zegt Goethe. In de therapie is dat zoo waar als elders. Nemen
wij het ijzer in de inwendige geneeskunde. In overouden tijd
\') Zoo b.v. in den strijd van Brissot over de aderlating (revulsie of deri-
vatie). De orthodoxe universiteit van Salamanca nam Brissot\'s geavanceerd
standpunt met zijn Hippocratisme in bescherming tegenover de universiteit
van Parijs, als gewoonlijk verdedigster van het star conservatisme.
-ocr page 18-
16
reeds door den mythischen Melampos aanbevolen, werd het
eeuwen lang veronachtzaamd; toen door Alex. van Tralies
weer ingevoerd, daarna weer vergeten. Het arsenik werd door
Lentilius bij koortsen en reeds door Hippocrates ook bij car-
cinoom gegeven. Eeuwen lang eclipseerde het in die therapie;
in onze eeuw keerde het terug. De scilla werd als diureticum
reeds door Pytbagoras verstrekt; het komt thans, na een
nieuwe periode van verval, meer in gebruik.
Zelfs de opium, die blijkens de vondsten reeds door de
paalbewoners der Zwitsersche meren, evenals in Oud-Egypte
moet aangewend zijn, zelfs de opium kende de wisseling.
Wat is de geneeskunde zonder opium, den sluier der pijnen?
Hippocrates, Heraclides en Serapion gebruikten het geregeld,
maar Diagoras bestreed het als gevaarlijk. In de middeneeuwen
vaak aangewend, was het in Paracelsus\' tijd weer zóó obsoleet,
dat deze wonderlijke arts er bij een raadsheer te Basel een
opzienbarende kuur mee kon doen.
Van enkele goede, maar vergeten, middelen, maakt zich vaak
een kwakzalver meester om „klanten" te lokken. Zoo doet
een zeer befaamd empirist, wiens naam vaak in de couranten
prijkt. Het is mij bekend, dat hij o. a. gebruik maakt van
oude recepten, in vroegere scholen in zwang en van bizondere
volksmiddelen.
In \'s mans succes wreekt zich ten deele de verwaarloosde
geschiedenis der geneeskunde op de moderne scholen , die zich
zelf geheel genoeg willen zijn.
In vorige eeuwen werden werkzame geheimmiddelen vaak
van staatswege opgekocht.
Zoo kwam de china, een middel van een natuurvolk, met
Talbot in kwakzalvers handen, en na hevig verzet, in de
wetenschap. Het was in Europa nooit bekend geweest. Anders
was het met een middel tegen taenia solium, dat Lodewijk
XIV opkocht, daar de toenmalige geneeskunde geen afdoend
middel kende.
Toen de prijs voor het middel betaald was, kwam de faculteit
in opstand. Immers er bleek, dat ook zij dit ei van Columbus
-ocr page 19-
17
wel had kunnen opgezet hebben. Galenus toch, had het
middel — het was de filix mas — als een uitnemend worm-
middel geprezen.
Maar zult gij zeggen, „is bij de inwendige therapie een
chronisch vergeten mogelijk, anders is het wel bij de chirurgie.
Wat de iHoovoyng, de handwerker, verricht, is te tastbaar;
dit gaat niet snel verloren.
In onze eeuw, waar de ligatuur en de „Eschmarch\'sche
Binde" ons de bloeding leeren beheerschen, en de narcose den
shock en de gevaarlijke zenuwinvloeden bedwingen, even-
als de antisepsis de wondziekten elimineert; in onze eeuw
met zijn onvergelijkelijke vindingen, ligt de absolute scheids-
muur tusschen nieuwen tijd en middeneeuwen!"
Er is waars in, maar minder dan gij denkt M.H.
Operaties, die men voor beslist modern zou houden, zijn
vroeger in zwang geweest en weer vergeten.
Door Asclepiades werd, volgens Caelius Aurelianus, laryn-
gotomie met succes uitgevoerd, terwijl de hippocratici zelfs de
intubatie van den larynx moeten hebben beproefd (Hippocr.
de Morbis lib. III; KühnEd. II, 301). Praxagoras, een meester
der Koïsche school, durfde laparotomie doen en darmnaad
aanleggen.
Herniotomie, door Hippocrates slechts vermeld, moet door
zijn meester Gorgias e. a. beoefend zijn. Nephrotomie werd
door Serapion (250 v. C.) genoemd; de nier wordt door chirur-
gen uit de hippocratische aera bij onderstelde suppuratie in-
of zelfs uitgesneden. De operatie, evenals de thoracocentese bij
empyeem, verdwijnt voor eeuwen en wordt door Domiuis de
Marchettis (1650 n. C.) opgerakeld.
„Maar de antiseptiek dan", vraagt gij M.H. — Welnu, in
de hippocratische periode werden de instrumenten voor de
operatie in kokend water gelegd, uit antiseptischo voorzorg.
Deze methode met een deel van het hippocratisch weten,
moet uit het oude kultuurland, Egypte stammen.
De onlangs overleden grieksche ophthalmoloog en medico-
historicus, Prof. Anaguostakis, heeft met kracht van citaten
2
-ocr page 20-
18
betoogd, dat de gansche antiseptiek eenvoudig van de Grieken
was te copieeren \').
Dit is een den enthousiast te vergeven overdrijving, eene
overdrijving, waarvoor echter de historicus uit liefde voorde
historie zich bizonder hebbe te hoeden.
Door Pasteur en Lister is het bandelen van den chirurg
in dezen, theoretisch gegrondvest en bewust geworden. Ove-
rigens is de gansche leer van het contagium animatura reeds
voor 2000 jaren door Varro, Lucretius Carus en anderen
duidelijk als een aetiologisch moment, o. a. bij malaria !)
aangegeven. Daarbij heeft Felix Würtz (1550), met een anti-
septisch voelen, het zoo goed als von Nussbaum uitgesproken,
dat de chirurg het wondverloop vrij van ettering diene te
houden. De lucht, zoo leerde hij, bedierf de wonden.
Er is nog meer. Het is door U allen aangenomen dat Pare
de uitvinder der ligatuur is. Echter was de ligatuur reeds,
en waarschijnlijk het eerst, aanbevolen door de anatomische
school van Alexandrië. Celsus schrijft voor, dat een beleedigd
vat op twee plaatsen moet onderbonden worden en daartus-
schen doorgesneden. Heliodorus, dezelfde die herniotomie
uitvoerde, en strictuur door urethrotomia interna durfde be-
handelen, beveelt ook de, modern geachte, torsie aan. Hij
zegt, naar aanleiding der herniotomie: „Wij onderbinden de
grootere vaten, de kleinere echter vatten wij met haakjes en
draaien ze ettelijke malen, om zoo hunne openingen te sluiten";
en elders, „voor eene operatie ben ik gewoon een ligatuur,
zoo vast mogelijk te leggen om de vaten boven de plaats van am-
putatie." Zoo bekend was de ligatuur, dat Galenus ons meedeelt,
dat de beste winkel om draden voor de onderbinding te koopen,
zich bevindt tusschen het Forum en den tempel van Roma.
\') Zie over den hoogen trap, waarop de ophthalmologie stond, over gewich-
tige vroegere maar vergeten ontdekkingen in de oogheelkunde, en over de
antiseptische ideeën bij de ouden een kort bericht in Janus IV, pag. 223.
!) Zie o. a. Puschmann, Geschichte der Lehre von der Ansteckung. H. F.
A. Peypers, un pseudo-précurseur de Pasteur, Janus I, pg. 56, met een af-
beelding van een eenigermate fantastischen acorus scabiei op pag. 66.
-ocr page 21-
10
De groote Pare, was eerlijk genoeg te bekennen dat hij de
methode niet had gevonden, maar bij Galenus gelezen. Se-
cundaire en tertiaire ontdekkers hebben deze naïveteit niet
gevolgd en menige vinding komt ter markt, die de importeur
klaarblijkelijk stilzwijgend aan de geschiedenis heeft ont-
leend.
Wie kan zich nu verklaren, dat een ontdekking als de
ligatuur kon verloren gaan? Zij was toch gemeengoed. Met
een doctorandus, de geschiedenis der bloedstelping volgende,
vonden wij, niet minder dan een twintigtal chirurgen vóór
Pare, die de ligatuur, hetzij met paardehaar, of met zijde etc.
aanbevalen. Die bekendheid zal U blijken, wanneer U bedenkt,
dat de beroemde methode van Antyllus tegen aneurysma op
de ligatuur is gegrond. Ook de „Eschmarchsche Biude", deze
aangebracht boven en beneden de plaats van amputatie, is
eeuwen oud. Zonder deze afbinding was bij de oude Grieken
zelfs geen amputatie denkbaar. Archigenes paste ze toe en
onderbond ook praealabel de voornaamste arteries gaande naar
het te amputeeren deel.
Er is nog meer \'). Zelfs de narcose bij operaties heugt
eeuwen. Theodoricus van Cervia (1250) en zijn leermeester
Hugo van Lucca, die ook op de waarde der wondbehandeling
zonder suppuratie wezen, opereerden evenals Bruno van Longo-
burgo in narcose, met behulp der zoog. slaapsponsen. Het
waren sponsen, gedrenkt met narcotische extracten uit: datura
stramonium, hyoscyamus, belladonna, mandragora, en ... wijn
of moschus, die in allerlei combinaties, den patiënt onder den
neus werden gehouden. Na afloop der operatie werd de lijder
door andere sponsen met azijn weer bijgebracht5). Deze of
\') Het is niet mogelijk hier alle moderne behandelingswijzen te volgen om aan
te toonen dat er voorloopers zijn geweest. Maar het zou te doen zijn. Zoo
lezen wij dat Guy de Chauliac stijve verbanden (met eiwit) aanwendde bij
fracturen, en de gebroken leden ophing in spalken met koord en katrol.
*) Een enkel recept ten bewijze, dat de anaesthesie in de middeneeuwsche
chirurgie werd toegepast, ontleenen wij aan den schrijver van het Breviarium,
Arnold van Villanova: „Om slaap te verwekken zoo diep dat de patiënt kan
-ocr page 22-
20
dergelijke methoden van narcotiseering waren zeer oud, en
bij het volk bekend. Herinnert U bet sprookje van doornroosje:
„de heks nikt baar eon appel, die ze dadelijk doet inslapen."
Wilt ge U niet door dit overoude sprookje laten vangen,
denkt dan aan den ontwaakten slaper in Duizend en één nacht.
De man wordt bedwelmd om ter bekwamer ure met sponsen
te worden bijgebracht.
Er wordt zelfs bij vermeld, dat den bedwelmde bij het
ontwaken stoffen uit den mond kwamen, die in een gouden
schaal werden opgevangen.
Deze slotscène van de narcosewerking hebt U telkenmale
bijgewoond — met uitzondering alleen van de gouden schaal.
De grap van Kalif Haroun, die bekendheid met narcose be-
wijst, moet door een der hertogen van Braband zijn herhaald
bij een schoenmaker, die gaarne boven zijn leest wilde stijgen.
Het zal U nu duidelijk zijn , dat narcotica in de midden-
eeuwen moeten toegepast zijn\'); het wordt ü nog bevestigd
door schrijvers als Porta in zijn magia naturalis. Hij meldt
ons, dat menig slachtoffer der pijnbank de tortuur met groote
standvastigheid kon verdragen. Beulen verkochten vaak den
delinquent heimelijk anaestheseerende middelen; gij weet het,
beulen practiseerden ook als chirurg, als helpers bij de won-
geopereerd worden zonder iets te voelen, evenals of hij dood ware. Het is een
experiment van magister Miehael Scotus. Neem van opium, mandragorabast,
van cannabiswortel gelijke deelen, pulveriseer ze, meng ze en voeg water toe.
Wanneer gij een patiënt wilt opereeren, doop er een spons in en leg die op
\'s mans voorhoofd en onder zijne neusgaten. Hij zal spoedig zoo diep slapen
dat gij met hem kunt, doen wat ge wilt. Om hem te doen ontwaken doop een
spons in sterke azijn. Hetzelfde middel is uitstekend hij hersenkoorts, als de
patiënt niet kan slapen, want als hij niet slaapt, gaat hij sterven." Overigens
schijnt ook de anaesthesie een „ Völkergedanke" te zijn. De hypnose treedt hierbij
op den voorgrond. Ook bedwelmen de chirurgen bij de Oeganda (Afrika) hunne
patiënten voor de operatie (Sectio Cesarea b.v.) met een wijn uit bananen
bereid. Bartels, 1. c. pag. 125. Zie verder, Cabanès, Les premiers ages de
1\'anesthésie, Janus III, pg. 43.
\') De literatuur wemelt van bewijzen in deze. Zoo gewaagt b.v. de Deca-
merone (40e vertelling o.a.) van een chirurg, die een slaapdrank gereed maakt
voor een zieke, die hij in narcose wil opereeren.
-ocr page 23-
21
den, die zij zelf moesten slaan. Bernardus deelt mede dat de
meesters van Salerno opium en cannabis pulveriseerden en
er een pleister van maakten om een deel dat zij wilden cau-
teriseereu, anaesthetisch te maken.
Wanneer nu, M. H., de anaesthesie in de middeneeuwen,
zoo bekend was, moet het U dan niet verbazen als een Vel-
peau gaat verklaren, dat het vinden van een middel om een
patiënt zonder pijn te opereeren, wel altijd tot de vrome wen-
schen zou behooren?
Theodoricus en Bruno van Parma narcotiseerden toch en
10 jaar na Velpeau\'s uitspraak had de anaesthesie in de chi-
rurgie weder haar „joyeuse entree" gedaan.
Zulke „blunders" kunnen ook meesters maken als zij de
historie negeeren.
Wat moet ik U na deze dingen nog meer aanvoeren tot toe-
lichting der stelling „Alles schon dagewesen"? Niet alleen enkele
geneesmiddelen, maar gansche stelsels van therapie verdwenen
en kwamen ook weer. De gansche hydrotherapie c. ann. der
Grieken en Romeinen, is meer dan eens in onbruik geraakt\').
Toch heeft niet alleen de geneeskunde, maar hadden de medici
zelf, aan het water veel te danken — van apothekers gewaag
ik hier maar niet. Het was de beroemde waterkuur bij keizer
Augustus, die Dr. Musa aan den adeldom hielp, nadat de
keizer, zooals het volk zegt, de „gansche apotheek was rond
geweest". De gelukkige kuur gaf niet alleen Musa, maarden
ganschen medischen stand bizondere voorrechten, o. a. vrijdom
van belasting — iets wat thans beslist in onbruik geraakt is.
Zoo ook verduisterde de hydrotherapie kort na Augustus.
Reeds Plinius bespotte Musa en Charmis, de waterprofeten.
Sedert de 5de eeuw geraakte de herrezen badtherapie wederom
in vergetelheid. In de latere middeneeuwen zien wij echter
Europa weer met badhuizen overdekt. Baders, aderlaters,
koppenzetters, masseurs, tierden welig. Het gilde der baders
was eens in Parijs zoo machtig, dat zij in staat waren in de
\') Baas, Grundriss der Gescli. der Med. 578—579.
-ocr page 24-
22
15de eeuw Prof. Jac. de Partibus, die niet in het teeken van
den waterman stond, de stad uit te drijven. Bij de groote
syphilis-epidemie in het laatst der 15deeeuw, werden wegens
de voortdurende infecties, de badhuizen weer verlaten.
Aan de baden der Grieken en Romeinen was de massage
verbonden. Massage was reeds voor 2600 jaren bij de Assy-
riërs in gebruik even als nu bij Javanen, Japanners e. a. Bij
de Grieken werden frictiones, unctiones etc. door de iatrolipten
stelselmatig beoefend.
Gymnastiek eerst recht.
Gij kent de gymnasia M. H. van yvfivóg naakt, thans alleen
inrichtingen tot behandeling van letternaakten. Bij de ouden,
met hun worstelaars en kampvechters, stond de gymnastiek
op den hoogsten trap. Velen der beroemdste artsen o. a., waren
in den aanvang gymnasten-of gladiatorenartsen (zoo Galenus).
Ge hebt in onzen tijd de massage en gymnastiek weer in
de chirurgie zien invoeren — de oud Grieksche heilgymnastiek
m. m. heet thans de Zweedsche.
Ook werd in de oudheid van gymnastiek bij lijders misbruik
gemaakt. Asclepiades, Baco, Welsch, Sydenham en Stahl
raden allerlei zieken de krachtigste lichaamsoefeningen aan,
enkele, zooals de oude Herodikos van Sylimbria zelfs koorts-
lijders en phthisici. In onze dagen tracht een arts te Londen
— Turner, is zijn veelzeggende naam — deze kuur nieuw
leven in te blazen.
Inderdaad er is een cirkelgang in de therapie. Het gaat met
de geneeswijzen, als bij den liereman, die zijn draaikastje
dr.iait en poppetjes laat opkomen aan een draad zonder eind.
Als men de laatste gezien heeft komt de eerste weer terug.
Alleen bij de therapie zijn de terugkeerende poppetjes anders
genoemd en sierlijker gekleed.
In de laatste dagen treden juist de oudste geneeswijzen weer
op den voorgrond, wat alleen reeds bewijst hoe \'n noodzake-
lijke studie historia medecinae is voor den waarlijk weten-
schappelijken vorscher.
In de psychotherapie wordt in enkele gevallen muziek
-ocr page 25-
23
aangewend. Oeroud! Pythagoras beval het aan, in de Asclepeia
paste men muziek toe Denkt ook aan Rembrandt met zijn
„David harpspelende bij den gemoedskranken Saul".
Een der oudste historische en geographische middelen ver-
der is de aderlating. Zij paradeerde in alle tijden eu volken —
maar wel geen therapeutische methode heeft zooveel wisseling
gekend. Ze is vergelijkbaar met de labielste speculatiefondsen
op de effectenbeurs. Podalirius, zoon van Aesculaap, moet de
eerste aderlating hebben toegepast. Sedert was zij een bron
van heftigen strijd. Hippocrates beval ze zeer aan. Chrysippus
ontried ze, gedreven ook door het misbruik in zijn tijd. Ga-
lenus paste ze ijverig toe. Erasistratus wilde er niets van
weten. De middeneeuwen dweepten er mee; van Helmont vond
ze overbodig of schadelijk. Sedert nam de „hausse" weer toe,
tot Broussais en Bouillaud met hun „saignées coup sur coup".
Deze overijverige vrienden der aderlating, brachten ze bijna
op het nulpunt. In onze dagen was het een kunstbewerking,
die een medicus van den achterhoek slechts steelsgewijze, als
een dief in den nacht, durfde uitvoeren. Doch zij komt weder.
De reactie van het huidige te weinig na het te veel van
Broussais, doet zich reeds gevoelen; en zij keert terug op de
roepstem der Académie de Médecine. Ook brengt zij de aloude
braakmiddelen, de koppen , de vesicatoria mede in haar zegekar.
Maar er zijn nog meerdere oer-oude middelen, die, terug-
keerende, daardoor de historie rehabiliteeren.
Er is geen ouder therapie dan de herboren organotherapie.
Wat lag meer voor de hand dan een ziek orgaan met de
bestanddeelen van een gelijk en gezond te genezen \') ? Ook dit
\') Quomodo omne simile adjuvet et confirmet suum simile, diligat et moveat
et amplectatur illud, zege Albertus Magnus en voegt er aan toe, dat de medici
dit reeds in toepassing brengen, want zij meenen, dat lever een goed medi-
cament is voor de lever en ieder orgaan voor zijns gelijke. Averroës zegt het-
zelfde omtrent de in de middeneeuwen zeer gebruikelijke isotherapie (Colliget
V 19). De natuur heeft het zoo ingericht dat zieke organen worden verbeterd
door gelijknamige organen etc: bij stoornissen van de maag worden de magen
van dieren voorgeschreven, in \'t bijzonder die van vogels en voor een zieke
-ocr page 26-
24
principe heerschte historisch en geographisch. Eveneens de
suggestietherapie, waarvan ik U reeds sprak. Hippocrates
verwierp deze mysticiteit, maar Galenus, in zijn latere periode,
beval ze aan.
Het was deze therapie, die in de duisterste middeneeuwen
als een woekerplant opschoot, en dank zij neoplatonisme en
kabbalistiek, de kiem van het nuchter natuuronderzoek ver-
stikte. Op actie volgt reactie. Dit natuuronderzoek heeft zich
gewroken en de suggestie en gansche mystiek op haar plaats
in de buitenste duisternis teruggedrongen.
Het kan U niet geheel onbekend zijn dat de hypnose en
suggestie sedert duizenden jaren in Egypte en Indië en ook
elders wordt toegepast. In de tempels van Aesculaap, teKos,
Knidos, Rhodos, Delphi, maar ook in de Isis- en Serapistempels
was zij een therapeutische hoofdschotel. Prof. Mendel, de be-
kende neuroloog te Berlijn , zegt over een phenomeen van het
hypnotismus: „ich meinte etwas Neues beobachtet zu haben ...
habe gesehen dasz auch dies schon früher von andern beo-
bachtet aber worden ist, wie ja überhaupt für all die angeblich
neuen Wunder des Hypnotismus das Wort: „Es ist alles schon
dagewesen" seine volle Wahrheit hat". En elders hierover „nur
zwei Dinge sind jetzt neu, das sind die beide Namen Hypnotis-
mus und Suggestion". Het is alles onder uwe oogen geschied
dat deze nieuwe woorden zijn uitgevonden voor oude zaken.
Het is onder uwe oogen geschied, dat na de ervaring om-
trent operaties met hypnose in Engelsch Indië, dank zij Lié-
bault, Bernheim, Charcot e. a., dit gansche oude en nevelach-
tige terrein weer in den kring van het natuuronderzoek is
getrokken. Daar naast ligt nog een uitgestrekt deel van de
aloude „zwarte kunst", die door woorden als: hypnose, ob-
sessie, telepathie, sonnambulisme, occulte verschijnselen enz.,
niet geheel worden gedekt. Deze zullen voor onze nakomelin-
gen waarschijnlijk even weinig bovennatuurlijk heeten, als
long, de longen van dieren, in \'t bizonder, die van vossen (zie verder Hopt\',
Geschichte der Organtherapie. Janus IV, pag. 227).
-ocr page 27-
25
een onweder het thans voor ons is. Toch is Zeus\' bliksem,
Thor\'s donder voor den natuurmensch nog dat, wat het voor
onze voorvaderen eeuwen lang was. Het terrein, waarlangs
wij thans dwalen, een gebied met psychische Röntgenstra-
len, met x1 stralen is zeer glibberig. Daar valt te onderzoe-
ken; — doch cavete! Mannen als Porta, Cardanus, Agrippa
van Nettesheim, Paracelsus, v. Helmont; ook nuchtere denkers
als Kant en Goethe, — gesteld dat wij Wallace, Crookes,
Zóllner, du Prei tot de onklare koppen moeten rekenen —
wisten en dachten van deze dingen méér, dan wij om met
Hamlet te spreken, in onze schoolwijsheid vermoeden.
Hier geldt echter een ignoramus — non ignorabimus. Onze
beschavingsperiode is nog slechts enkele eeuwen oud, en een
kind vergeleken bij die der Egyptenaren, Indiërs en Chineezen.
In hun langer leven kunnen die onze leermeesters zijn op
een terrein, waar onze wetenschap ophoudt. Leest de verhalen
van betrouwbare reizigers in Hindostan M. H — de nieuwere
invasie der suggestietherapie komt van daar — en gij zult
toegeven, dat ook hier voor ons de historie de groote leer-
meesteres moet zijn.
Trouwens in welk vak van wetenschap eert men de historie
niet?
Neem de rechtsgeleerdheid: Romeinsch recht, Pandekten,
is het niet historie ? Vraag het den letteren: oude en nieuwe,
wat zijn zij zonder historie. Zij omsluiten toch de historie zelve.
Bestudeer de wiskunde, zijnPythagorns, Euclides, Huyghens
of zelfs de sterrekundige waarnemingen der Egyptenaren, in
de rommelkamer geworpen? Beschouw de theologie, wil zij
niet gansch historie zijn? Roep ook de kunsten aan. Eert men
niet de muziekgeschiedenis? Spoort men niet oude zangwij zen
op en verhoogt men niet de harmonie der orkesten met ob-
soleete muziekinstrumenten? En in beeldhouw- en schilder-
kunst. Wie minacht de oude meesters in het land van Rem-
brandt? Gelden de groote kunstenaars uit Pericles\' gouden
eeuw niet steeds als onnavolgbare modellen? En alleen hij,
de groote geneesheer uit dien lentetijd in het leven der mensch-
-ocr page 28-
26
heid, hij, de vader der geneeskunde, reeds door zijn tijdgo-
nooten bijna vergood, alleen hij, de evenknie van Apelles,
Pheidias, Plato, Aristoteles, zou ons niets te zeggen of te leeren
hebben ? Gij gelooft het niet, M. H.
Ik durf het wagen U een ketterij te verkondigen.
In de Aphorismen van Hippocrates liggen wenken betreffende
de prognose, meer dan onze huidige scholen leeren. Ook de
hippocratische diaetetiek is meesterlijk. Verder geeft hij ons
epidemiologische opmerkingen, voorspellingen omtrent epide-
mieën, welke onder bepaalde atmospherische voorwaarden te
wachten zijn, die door groote waarnemers juist zijn bevonden,
maar door onze generatie vrij wel geignoreerd.
Stellig! onze eeuw is er een van groote uitvindingen. Da-
gelijks hooren wij onze tijdgenooten roemen. En het is voor
ons een streelend gevoel, dat de ware wetenschap en wijsheid,
zegevierend over oude dwalingen, aan onze wieg hebben
gestaan. Maar laat ons niet vergeten M. H., dat onze eeuw,
hoe belangrijk ook, toch slechts een enkele term is in de
lange reeks van voorgangers. En nog meerdere eeuwen, met
nog méér belangrijke ontdekkingen zullen volgen. Een wis-
kunstige waarheid blijft het, dat nooit een term eener reeks,
hoe groot die term ook werd, grooter is dan de gansche som
harer voorgaanden.
Bestudeert historie M.H. Zij zal U leeren en U interesseeren
meer dan ge verwacht. Maar de historie dient opgevat als tak
der beschavingsgeschiedenis. Evenmin als de politieke geschie-
denis alleen mag zijn eene opsomming van veldslagen met
de biographieën der vorsten, maar moet wezen een schilde-
ring van liet leven en de ontwikkeling der volkeren, zoo ook
is de geschiedenis der geneeskunde, naar mijne opvatting, een
tafereel van al wat er op ons gebied door de eeuwen heen in
het volk en in de scholen heeft geleefd. Gij zult die, naar ik meen,
breedere wijze van behandeling van een Hecker-Hirsch en Pe-
tersen in Haeser b. v. te vergeefs zoeken. Een enkel voorbeeld
kan u het verschil duidelijk maken. Het eerste hoofdstuk der
historia medicinae bevat de oudste, maar niet verdwenen,
-ocr page 29-
27
en dus nog actueele geneeswijzen en ziektengeschiedenissen.
Wij rekenen dus tot Cap. I: de geschiedenis van het medisch
mysticisme en de theurgie, de sympathetische kuren (steenen,
cijfers, amuletten etc), de signaturen , het medisch mysticisme
bij nutuurvolkeren en half beschaafden; bij Chaldeërs, Perzen ,
Egyptenaren, Indiërs, Grieken, Romeinen; de theurgie, de
demonomanie en het heksenwezen in de middeneeuwen; de
psyehopathieën der middeneeuwen; de danswoede in de Neder>
landen en in Italië, de kindertochten, de flagellantentochten
enz.; voorts de geschiedenis van het dierlijk magnetisme,
(Mesmer, Cagliostro) , de geschiedenis van somnambulisme,
occultisme, hypnotisme; de homoepathie, de isopathie, enz.
De geschiedenis, zóó als kultuurhistorie opgevat, is noch
dor noch onpractisch, en keert telkens terug tot analogieën
in het moderne leven.
Het is overbodig U te wijzen op de ontwikkelende kracht
van zoodanige historie, vooral in een tijd, waarin door een
toenemend specialisme in de medicijnen, de horizon van den
partieel-geneesheer zoo bedenkelijk wordt vernauwd.
De medico-historicus is niet meer product van eene school,
hij oordeelt niet na het hooren van ééne partij, doch reist
door tijden en volkeren, verneemt vele dogma\'s, verbreedt zijn
gezichtsveld en vormt zich philosophisch en kritisch. Hij leert
noch met het nieuwe dweepen, omdat het nieuw schijnt,
nóch het oude verachten, omdat het lang leefde.
Onmisbaar is historie voor den ernstigen geleerde, voor
hèm, die zich een rijp oordeel wil vormen; voor hem, die
vermijden wil als nieuw te geven, wat herhaaldelijk reeds ge-
zegd is; voor hem, die zich mede geroepen voelt tot den op-
bouw der wetenschap.
Immers in den schoot der historie liggen nog schatten
verborgen, die men slechts aan den dag heeft te brengen
en te ontdoen van slakken, van onwezenlijke aanhangsels,
om ze in het licht eener nieuwe wetenschap te doen schit-
teren.
Vele arbeiders hebben gewerkt in de mijnen der weten-
-ocr page 30-
28
schap en zijn afgeroepen vóór ze hun dagtnak ten halve had-
den verricht. Hun werk ligt nog daar als een erfenis, te
aanvaarden voor die ze vatten kan. Zoo deed Columbus , toen
hij een nieuwe wereld ontdekte, bezield door oude maren en
geleid door historiën van vroegere reizigers.
Niet voor niet is het, dat onze grootste meesters van alle
tijden, de historie der geneeskunde als onontbeerlijk voor den
vorscher hebben geëerd. Zij wisten dat ideeën, die heden de
hoogste wijsheid heeten , morgen licht uiterste dwaasheid wor-
den geacht en omgekeerd. De wetenschappelijke arts moet
historisch, kritisch en philosophisch ontwikkeld zijn.
Zoo begrepen het Hippocrates, Galenus, Boerhaave, Haller,
Virchow, Charcot.
In de historie liggen de kiemen van den vooruitgang, in
haar sluimeren ontdekkingen, die wij bevroeden maar niet
kennen.
Seneca doelde hierop toen hij zeide: „de geslachten van
„toekomstige eeuwen zullen door hun vlijt, dingen, die nu
„zeer verborgen zijn, aan het licht brengen, en dan zullen
„zij zich verwonderen, dat wij dingen niet begrepen, die hün
„zoo duidelijk zijn." (Seneca, Nat. Quaest. Lib. VII, cap. 25.)
Het is aan U, M.H., arbeiders van het komende geslacht,
die ook eens weer nazaten zult zijn, uwe voorvaderen te
eeren, als gij zelf geëerd wilt worden. Het is aan U alle
mijnen uwer wetenschap, óók de verlatene, te onderzoeken en
er toe mede te werken dat de profetie van Seneca ook door
uwen arbeid tot werkelijkheid worde.
-ocr page 31-
Bij DE ERVEN F. BOHN te Haarlem verschijnt:
JANUS.
i i
Je
a mm o a
i.
Paraissant mensuellement.
Rédacteur en chef:
Dr. H. F. A. PEYPERS.
Quatrième A&née.
Prijs per jaargang f 12.—.
Van de vorige jaargangen zijn nog enkele exemplaren
te bekomen.
•. • isr