-ocr page 1-
PA*\\
né^G
.t&qq,^^
KARAKTER
DOOR
Ds. J. J. KNAP, pred. te Groningen.
gehouden te Kampen, op Maandag 20 JFebr. \'99.
Welwillend afgestaan ten voordeele van
den CHR. NAT. WERKMANSBOND, afd. KAMPEN.
WW
KAMPEN.
T. VAX HALTEREN HKzn.
— -1899.
-
. ■.
-ocr page 2-
;
.
--■l:?/;^
■ ■■
. -
•/ ■V-"-\'-;>^ -1§
-\'•-■-:
■ ■ •
-ocr page 3-
KARAKTER
DOOR
Ds. J. J. KNAP, pred. te Groningen.
Lezing,
gehouden te liampen, op Maandag 20
Welwillend afgestaan ten voordeelo van
den CHR. NAT. WERKMANSBOND, afd. KAMPEN.
KAMPEN
T. VAN HALTEREN HKzn. — 1899.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
KARAKTER.
Vóór dat ik met u over mijn onderwerp ga spreken,
mag ik het bestuur der Kamper afdeeling van don Cliristc-
lijk Historische», Kiezersbbnd
wel eens bedanken voor de
eer zijner uitnoodiging om van avond hier een spreekbeurt
te vervullen; — ik was erg blij niet die uitnoodiging, en
wel om méér dan een reden. Vooreerst omdat Kampen
mij lief is, plaatsen waar onze dooden rusten zijn altoos
een soort heilig land.....; maar dan ook omdat het
een Christelijke vereeniging was, die mij inviteerde, en ik
dus bij het houden van een lezing het christelijk geloofs-
beginsel niet zou behoeven aan kant te zetten ; want laat
mij u maar dadelijk zeggen, dat ik niet meedoe met hen,
die alléén maar ter sluiks en als in het geheim christenen
willen zijn, doch er liever niet over spreken behalve Zondags
in de kerk; — de Heere Jezus heeft ons nooit anders dan
goed gedaan, en ik zie dus wezenlijk niet in, waarom men
Zijn naam slechts fluisterend zou mogen noemen, alsof we
ons heimelijk schaamden zijne discipelen te zijn!
Maar er is nog een derde reden, waarom ik zoo blij
met mijne uitnoodiging was: ik bedoel het verlof, dat me
zelfs ongevraagd werd gegeven om niet over een politiek
onderwerp te spieken, doch zelf een onderworp te kiezen.
Niet alsof ik de politiek niet belangrijk vind, on or mij niet
mee bemoei; maar, al durft men tegenwoordig niet zoo
stout meer beweren dat dominees „weetnieton" zijn waar
het de staatkunde geldt, — en al vindt men hot niot zoo
heel vreemd meer, dat zieleherdors zich zoo waar ook al
bekreunon om de lichamen dor menschen, — toch moet
erkend worden, dat het ons „vak" eigenlijk niet is.
Ik besloot daarom dan ook maar een onderwerp te
kiezen, dat met religie on moraal, of, om die vreemde
-ocr page 6-
4
woorden te mijden, — dat met godsdienst en zedeleer op
het nauwst is verbonden. En, — waarschijnlijk heeft het
wel in de kranten gestaan, zoodat het voor u al geen ge-
heim meer is, — ik wilde van avond eens met u spreken
over „Karakter".
Natuurlijk had ik een doel met de keuze van dit on-
derwerp, en heb ik het maar niet op de manier van de
jongens met strootjestrekken gekozen. En wie nu eenigs-
zins met zijn tijd meeleeft heeft allicht dat doel reeds ge-
raden. Ge weet toch evengoed als ik, dat ds tegenwoordige
tijd er op aangelegd schijnt te zijn de onderscheidene ken-
merken, de bijzondere gelaatstrekken van iederen mensch in
het bijzonder uit te vlakken, en zoo een waas van anonymi-
teit over de menschheid uit te spreiden. Er is in onze
dagen een streven om over den enkelen mensch heen te
loopen en hem nog slechts te beschouwen als een stuk van
het geheel; — een streven om de scherpe lijnen, waardoor
de ééne flguur op het wereldtooneel zich van den andere
onderscheidt, weg te doezelen, zoodat heel de maatschappij
min of meer vaag wordt, met onduidelijke gestalten in
plaats van hoekige figuren die als in marmer zijn gebeiteld.
Men krijgt zoo van lieverlee den indruk of er een zware
mist over de wereld hangt, zoodat men nog wel menschen
ziet loopen, maar niet scherp afgeteekend zooals op een
zonnigen dag, maar onduidelijk en zwevend, — zóó onduide-
lijk en zwevend, dat alle menschen precies op elkander lij -
ken en men ter nauwernood meer onderscheid ziet tusschen
een man en een vrouw!
Onze eeuw is groot en breed, haast reusachtig, in al
wat ze doet. Onze maatschappelijke, en soms ook onze
geestelijke leidslieden vestigen den blik méér op \'t algemeen
belang dan wel op dat van de individuen, méér op het
geheel dan wel op de deelen; — méér op de massa dan wel
op ieder afzonderlijk; — méér op „wij" dan op „ik"; — en
het schijnt hun al te dikwijls peuterwerk toe om te tornen
en te rafelen aan den enkelen mensch ten einde hem beter,
grooter en schooner te maken.
In deze belangstelling voor de gemeenschap ligt nu
veel edels en heerlijks; — het herinnert u aan het aandoen-
lijk roepen en lokken der kloek, die niet rust en niet op-
houdt eer ze al haar kiekens onder de beschermende, koes-
-ocr page 7-
5
terende vleugels vergaard heeft, en die onrustig blijft on
beangst zoolang er nog één wordt gemist. En ik verzoek
u wel te willen geloovon, dat het Evangelie van Christus
volstrekt deze liefde voor de gemeenschap niet afkeert;
want wél wordt er in de Heilige Schriften groote waar-
de gehecht ook aan den enkelen mensen, — men denke
slechts aan de blijdschap in den hemel, over één ziel
die zich bekeert, — maar daarnaast mag toch niet worden
vergeten, dat de doorgaande leer van het Nieuwe Testament
die is van het ,,Koninkrijk" Gods, — van\' een rijk dus,
waarin de velen tot één saamgovat zijn; en men voelt hier
alreeds, dat het hedendaagsche parool van roodgetinte en
andere hervormers, ik bedoel het woordje „gemeenschap",
eigenlijk uit Jezus\' woordenboek is overgeschreven.
Oók Jezus was voor de gemeenschap, — vóór een
Rijk, zooals hij het noemde, en meermalen leest ge dan ook,
dat hij over de „schare" met innerlijke ontferming bewo-
gen was; en, wilt ge nóg een doorslaand bewijs, dat óók
het christendom de menschen onderling saamvoegt, ze ver-
bindt, en ze vergadert tot één, sla dan het oudste belijde-
nis-schrift der christelijke kerk slechts op, en ge leest op
het einde: „ik geloof de gemeenschap der heiligen".
Maar, al mag nu óók op christelijk standpunt, de
heerlijkheid der gemeenschap niet worden bestreden, toch
protesteer ik tegen de leer, die heden ten dage zooveel
aanhangers telt, — de leer, als zou de gemeenschap een groo-
ta „slokop" zijn, die het volstrekt eigenaardige van ieder
individu eenvoudig verslindt; — ik protesteer tegen de nei-
ging om do spons te halen over het individuëele, dat den
éénen mensen onderscheidt van den ander; - - ik protesteer
tegen de leer, die de egge haalt over den akker der mensen-
heid, om toch maar alwat uitsteekt, alwat zich boven het
alledaagsche verheft te effenen en vlak te maken en te
doen verdwijnen.
Het karakteristieke in iederen mensch moet worden
gehandhaafd; doet ge het niet, dan wordt een mensch niets
dan een golf in den vloed der gebeurtenissen, — niets dan
een stuk uit een legkaart, dat wel in vorm en uitwendige
gestalte, maar niet in geaardheid van zijne medestukken
verschilt; — en heeft men de menschen eenmaal gemaakt
tot mooie onderdeolen van de reuzen machine die men „ge-
-ocr page 8-
6
meenschap" noemt, — is het dan wonder, dat de levensmoed
inzinkt, de spankracht der enkelen verslapt en de veerkracht
breekt? — is het dan wonder, dat traagheid, matheid en
vadsigheid rond beginnen te sluipen tusschen een goed dool
der menschheid ? — is het dan wonder, dat reeds bij de
jeugd het staal van lieverlee verdwijnt uit de spieren, de
fierheid uit den blik, de eerzucht uit het hart?
En dat gevaar ligt niet in een onzekere toekomst;
maar het ligt reeds in het heden ; er is haast geen volle,
bruisende kracht meer, maar bij velen loomheid naar lichaam
en ziel; — voor de stem van den plicht bij velen geen oor
meer; — voor wat den mensch waarlijk verheft geen oog
meer; — voor een strijden tot bloedens toe om waarachtig
een „man" in de wereld te worden geen smaak meer;
— doch de werkplaatsen en de salons krioelen van nog
jeugdige grijsaards, die loopen te slenteren en te sloffen op
hun levensbaan, insteê van zich aan te grijpen en te ver-
kloeken en met vasten tred door het leven te gaan !
Het scheen mij dus uiterst gepast er eens op te wijzen,
dat onze eeuw, die zoo rijk is aan alles, doodarm is aan
„karakters" ; en dat een wereld van sentimenteele hospitaal-
figuren niet deugt; — een wereld, waarin de man liever op
sofa\'s en in luierstoelen hangt met een flodderjasje om de
slappe leden, insteê van met omgorde lendenen het bange
leven te staan en zich te storten midden in het gewoel
van den strijd; — een wereld, waarin de vrouw (mag ik
het hardop zeggen?) — waarin de vrouw nog liever dom
is dan leelijk.
Laat mij dan mogen trachten u van avond eens op
eenvoudige wijs duidelijk te maken, dat een „mensch" méér
is dan een „ding", méér dan een „iets", maar een „iemand";
dat hij méér is dan een „het", maar een „hij", d. w. z.
een man, een persoonlijkheid met een eigen gelaat;
i. a. w. dat iedere mensch iets volstrekt éénigs is in
de groote schepping van God: iets waarvan ge de copie, of
laat mij liever zeggen: de wederga vruchteloos op de beido
halfronden zoudt zoeken.
Drie dingen vragen hierbij achtereenvolgens uw aan-
dacht:
eerst dient duidelijk gezegd te worden, wat een karak-
ter eigenlijk is; — zijn we het daarover ééns geworden, waar-
-ocr page 9-
7
schijnlijk wol tot onze beschaming, dan rijst van zelf ten
tweede de vraag, of een karakter veranderd, gevormd kan
worden, dan wel of het iets in ons is waaraan niets te
veranderen valt, evenmin als wanneer we met een scheeven
mond worden geboren; — en daaraan sluit zich dan als van
zelf ten derde de vraag aan: op wat wijs we ons karak-
ter vormen kunnen?
En zoo noemde ik u dan de drie deelen, waarin mijn
voordracht van zelf vervalt.
*
1. In de eerste plaats dient dan de vraag beantwoord te
worden wat een karakter is? — en om die vraag duidelijk
te beantwoorden moeten we al dadelijk aan hot onderschei-
den gaan. Het is n.1. volstrekt niet hetzelfde of ik u
zeg: „gij hebt een karakter" dan wel ofiku zeg: „gij zijt
een karakter" of wat hetzelfde is, u aan anderen aanwijs
als een „man van karakter".
Noem ik u een „man van karakter", dan doet u dit
de borst zwellen van trots, want ge gevoelt wel, dat het
een lof is, die ik ieder niet toezwaai, maar dat dit compli-
ment u op een voetstuk stelt en u boven het middelmatige
verheft, — boven wat de Duitschers zoo aardig den mensen
„in doorsnee" noemen.
Zeg ik echter eenvoudig dat ge een karakter hebt,
dan laat u dit betrekkelijk koud, want ge voelt wel dat
dit op schier alle menschen past, en het doet u weinig
méér genoegen, dan wanneer ik u zeg, dat gij met sluik
haar zijt geboren, terwijl uw buurman zich in het bezit
van een krullekop mag verheugen.
Alles hangt hierbij van de nadere omschrijving af —
of een karakter open of\' valsch is; - edol of gluiperig; —
fier of sluw ; — en zoo ziet ge, dat het woord „karakter"
in dezen meest algemeenen zin, waarbij we ons voorloopig
bepalen en die ons straks van zelf tot de hoogere beteeke-
nis zal brengen, eenvoudig aanduidt: datgene wat u bijzon-
dor eigen is in onderscheiding van anderen.
Deze definitie nu, die we uit het spraakgebruik afleid-
den, klopt bijna geheel met de oorspronkelijke beteekenis
van het woord, wat wel het beste 1 ie wijs van haar deug-
delijkheid is.
Slaat ge toch uw woordenboek op bij letter K, dan
-ocr page 10-
8
leest ge daar, dat het woord „karakter" overeenkomstig
zijne afleiding oorspronkelijk gebezigd werd ter aanduiding
van hetzij willekeurige, hetzij min of\' meer eigenaardige
ingekraste „merken" op het een of andere voorwerp; —
of om het met minder deftige doch klaarder woorden te
zeggen: oorspronkelijk was een karakter een van buiten af
aangebracht kenteeken, ter onderscheiding van mensch, dier
of ding.
In zóó algemeenen zin wordt in onze dagen het woord
echter niet meer gebruikt, en ieder die nadenkt, merkt aan-
stonds op, dat het gebruik hetwelk wij van het woord
maken in tweeërlei opzicht van het oorspronkelijk gebruik
verschilt.
Vooreerst denkt niemand bij „karakter" meer aan een
teeken dat van buiten af aangebracht is, zooals een blau-
we streep op den rug van een schaap of een etiket op een
pot met augurkjes; en ge zoudt heel wat bekijks hebben,
indien ge beweerdet, dat het karakter der schippers bestaat
in de ringetjes die ze in hun ooren plegen te dragen.
Maar daarbij komt nog ten tweede, dat wij het woord
niet meer gebruiken ter onderscheiding van welk voorwerp
dan ook: mensch, dier of ding, — maar alleen als we spre-
ken van den mensch.
Alléén de mensch heeft karakter.
In het plantenrijk en de dierenwereld bestaat zoo iets
niet. En toch is ook daar wel een kenmerkend verschil
tusschen twee exemplaren van dezelfde soort. In heel de
schepping zijn geen twee dingen precies aan elkander ge-
lijk ; zelfs geen twee bladen aan denzelfden boom, zelfs
geen twee droppels water, die zooals u bekend is, een spreek-
woordelijk geworden gelijkenis aan moeten geven; want,
konden ze spreken zooals in het zinrijke sprookje, de één
zou u vertellen dat hij eigenlijk een traan, de tweede dat hij
een dauwdrop, de derde dat hij een druppel doodszweet was;
en legt ge er twee onder het microscoop, dan ziet ge dat
elk dier twee een geheel verschillende levende wereld be-
vat. Maar, hoeveel verschil in gehalte er ook tusschen
twee waterdruppels moge bestaan, toch spreekt ge niet van
hun karakter; ja, ge doet dat zelfs niet bij het dior van
de hoogste soort die tot den drempel der inonschelijkheid
schijnt te naderen.
-ocr page 11-
\'J
Wilt ge dus, sprekende over karakter, blijven hangen
aan de oorspronkelijke beteekenis van „kenteeken" of
„merk", — het is mij wel, doch bedenkt dan vooreerst dat dit
merk niet iets opgeplakt is, — niet iets dus, dat van
buitenaf aangebracht of aangeleerd is; en ten tweede, dat
het alleen de eer en het voorrecht der menschen is een
karakter te kunnen bezitten: — achter een karakter schuilt
altoos een persoonlijkheid, een mensen, een „ik".
Wat dat merk nu is, dat u anders doet zijn dan mij,
en mij wederom anders dan hém, — wel, het komt dui-
delijk uit in een bekende Schriftuurplaats, en zoo blijken
de Schriften ook hier de beste leidsman te zijn. Ik bedoel
den aanhef van den brief aan de Hebreen, waar ge leest
zooals er in het oorspronkelijk staat, dat de Christus is:
„het karakter der zelfstandigheid Gods", — of om nog het
woord „zelfstandigheid" door een meer gangbare uitdruk-
king te vervangen: dat de Christus is: „het karakter van
het wezen Gods," — en slaat ge de uitnemende Statenver-
taling nu op, dan wordt daarin ook het woord „karakter"
zeer juist in zuiver hollandsch weergegeven; immers ge
leest daar dat Christus is „het uitgedrukte beeld van het
wezen Gods".
Christus was het uitgedrukte beeld, het karakter van
het wezen Gods; immers al de volheid der Godheid, heel
het wezen der Godheid, woonde lichamelijk in Hem, zóó
zelfs, dat Hij kan zeggen: „wie mij gezien heeft, die heeft
den Vader gezien."
Welnu, pas datzelfde nu toe op ons terrein; dan vindt
ge, dat, gelijkerwijs Christus het karakter van Gods wezen
is, — dat juist zoo \'s menschen karakter het uitgedrukte
beeld zijner eigen zelfstandigheid is, — het uitgedrukte
beeld van zijn eigen innerlijk wezen.
Uw karakter wordt dan het merk, het afgestempeld
beeld van wat ge wezenlijk zijt.
Uw karakter is uw zielsbestaan, zooals het zich naar
buiten vertoont voor eigen en anderer oog, — de saamvat-
ting, de hoofdsom, het resumé van al uw redelijke eigen-
schappen, zoowel van uwe deugden als van uwe ondeugden.
Uw karakter is, om het in één woord te zeggen, dat
duidelijk en bevattelijk is, — uw karakter is het gelaat
uwer ziel.
-ocr page 12-
10
Zoo kwamen we op ongezochte wijs tot een populai-
re, voor ieder verstaanbare definitie van het begrip „karak-
ter" en me dunkt dat ze daarenboven volkomen juist is,
wat wel haar beste aanbeveling is.
Zie ik wel, dan mag in vierderlei opzicht het karak-
tej" „het gelaat der ziel" worden genoemd.
In de eerste plaats omdat ge uw karakter op den duur
niet. verborgen kunt houden,
evenmin als uw aangezicht,
hetzij dat het fijn besneden is of grof; met een huid zoo
zacht als satijn of\' met een huid van perkament of grauw
pakpapier. Uw aangezicht is de eenige geheel onbedekte
plek van uw lichaam, zoodat aller oog er op ziet en het
beoordeelt en keurt. Uw fraai gevormde armen verbergt
ge zorgvuldig in de mouwen van uw kleed; uw mooie hals
gaat schuil achter een plooisel; uw krijtwitte handen steekt
ge in kostbaar glacé; - maar uw gelaat kunt ge niet
voor u zelf alléén behouden; daar kunt ge geen geheimpje
van maken tusschen u en uw spiegel, uw aangezicht is
het eigendom van het groote publiek. En zóó is het nu
ook met uw karakter gesteld, — het is de open, bloote
plek van uw zielsbestaan en kan door ieder worden be-
speurd; want het openbaart zich in al uw daden; het spreekt
zich uit in al uw woorden; het komt zelfs te voorschijn
in uwe gebaren; op den duur kunt ge het onmogelijk ver-
borgen houden, tenzij ge een zedelijk komediant zijt, ge-
woon om een rol te spelen en met een masker te loopen.
Ge kunt het wel verborgen houden voor een poos; er
zijn menschen die, als ze uitgaan, nooit hun „voile" ver-
geten, natuurlijk niet om mooier te lijken, maar voor den
snerpenden wind, weet ge! — — doch, al moet men aan-
vankelijk méér naar die gesluierde aangezichten raden dan
dat men ze ziet, van lieverlee leert men ook door de\'n
sluier heenzien, — — en in den regel valt het onderzoek
dan schromelijk tegen.
Zoo zijn er nu ook gesluierde karakters; — menschen,
die horretjes zetten voor de vensters van hun ziel, soms
wel heele vitrages er voor hangen; maar, och, over de
horretjes zien de nieuwsgierige menschen wel heen, en tus-
schen de vitrages blijft zoo gemakkelijk een reet; en ook
helpt die afsluiting maar voor den halven dag van het le-
ven; want loopt het tegen den avond, en wordt het licht
-ocr page 13-
11
aangestoken, dan ziet ieder er door; vroeg of laat verraadt
het „binnenhuisje" toch zijne geheimen en wordt ons ka-
rakter openbaar.
Maar er is nog een tweede reden die pleit voor de
juistheid van onze bepaling; — bedenk slechts wat uw gelaat
is naar het lichaam; het is daarom niet slechts de meest
open en blootliggende plek, maar het is daarvan bovenal de
teerste en eêlste plek, die het meest in eere gehouden moet
worden, en waarover ge het minst kunt velen, dat wordt
gespot en gelachen. Een der grootste beleedigingen, die
men iemand kan aandoen is, dat men hem op zijn aange-
zicht slaat, want die slag brandt u niet slechts op de wang,
doch de pijn gaat veel dieper en gloeit door tot in uwe
ziel; — uw gelaat is voor uw zelfbewustzijn oneindig veel
méér dan een stuk van uw lichaam; bet is zoo teer en
zóó edel, dat, gelijk u bekend is, een kinnebakslag in som-
mige kringen slechts door bloed kan worden verzoend; —
zóó teer en zóó edel, dat als u iets bijzonder grievends
bejegent, ge uw smart niet beter vertolken kunt dan door
te zeggen, dat het u aankwam, alsof ge, „een klap in het
aangezicht kreegt".
En geldt dit alles nu ook niet van uw karakter, dat
ik het aangezicht van uw ziel heb genoemd? Is dat óok
niet de teerste, edelste plek van heel uw zielsbestaan ?
Moet dat óok niet het meest door anderen worden ontzien?
En eischt ge niet, dat men uw karakter meer dan iets
anders eerbiedigt? Laat men u zeggen, dat ge een man
zijt zonder smaak om u te kleeden, omdat ge een souve-
reine minachting toont voor de mode, het laat u betrek-
kelijk koud;
laat men u zeggen, dat ge een man zijt zonder ge-
voel voor de kunst, omdat ge geen Rubens van een Ra-
faël kunt onderscheiden, — ge buigt deemoedig het hoofd;
laat men u zeggen, dat ge een man zijt zonder oog
voor het schoon, omdat ge in een zonsopgang niets anders
ziet dan het begin van een nieuwen dag, — ge legt er u
tamelijk rustig bij neer.
Maar zoo men u zegt, dat ge een man zijt zonder
karakter, o, dan begint zelfs het anders matte oog vonken
te schieten, en de anders doffe ziel waakt dan op uit haar
sluimer! Want dan raakt men uwe Achilles-hiel; — dan
-ocr page 14-
12
tast men u in uw eer; — dan gevoelt ge, dat dat verwijt
niet iets raakt aan u of in u, maar dat het u zelf raakt
in de edelste deelen van uw innerlijk wezen; — — het
aantasten van uw karakter is u niet meer en niet minder
dan een kinnebakslag op de ziel!
Naast die twee redenen staat nu nog een derde, die
pleit voor de juistheid van de omschrijving, die we van een
„karakter" hebben gegeven.
Onze definitie is n.1. in de derde plaats zoo juist, om-
dat er op den aardbodem evenmin twee menschen rondloopen
met precies hetzelfde karakter als met precies hetzelfde
gelaat.
Er zijn mooie gezichten en minder fraaie gezichten;
eigenlijk leelijk is geen enkel gezicht, zoolang het bezield
is; want, — laat mij het er bij mogen voegen tot troost
van degenen, wier spiegel meer oprecht dan beleefd is, —
niet de lijnen maken vooral een aangezicht schoon, doch
het leven, dat er in tintelt. Doch afgezien daarvan bestaat
er dus een even groote verscheidenheid van karakter als
de verscheidenheid van gelaat; er zijn natuurlijk wel karak-
ters, die tal van trekken gemeen hebben, geestelijke broe-
ders en zusters, of sterker, geestelijke tweelingen dus,
maar wie goed toeziet merkt alras, dat zelfs vogels uit
hetzelfde nest van elkander verschillen.
Evenwel, — er is nog een vierde grond voor de definitie
die ik u gaf; — niet slechts omdat ons karakter niet altoos
verborgen kan blijven; — en óok niet slechts wegens zijn
edelste teerheid en verscheidenheid noemde ik het karakter
het gelaat uwer ziel, doch in de vierde en voornaamste
plaats wegens het min of meer duidelijk uitkomen der trekken
zoowel bij het één als het ander.
Er is toch menig gelaat, waarin ge niets leest, oen
onbeduidend, een nietszeggend, ejen anoniem gelaat; —
een gelaat zonder uitdrukking; — misschien wel zeer fraai,
met lijnen, die aan de strengste eischen der schoonheidsleer
voldoen; — klassiek, zoo ge wilt; — maar zondor gloed,
zonder warmte, zonder bezieling en leven; — i. a. w. een
gelaat zonder uitdrukking.
Zóó staat het nu ook met het gelaat der ziel; — óók
dit beeld is bij den één scherper belijnd dan bij den ander;
— bij velen heeft het iets vaags; — de trekken vervloeien;
-ocr page 15-
13
— de lijnen zijn, als het ware, met potlood gestippeld, met
houtskool geschetst; — \'t is wel een beeld, een gelaat, maar
ge moet er op turen, — meer raden en vermoeden dan
zien. — — — — — —
Welnu D. en H., — de mensch met zulk een onbe-
duidend geestelijk gelaat, o, zeker, ge moogt hem niet vol-
slagen „karakterloos" noemen, evenmin als ge van iemand
met een gelaat zonder uitdrukking zoudt mogen zeggen,
dat hij geen aangezicht heeft; — neen, zoo iemand heeft
wel een karakter, een vrij duf karakter weliswaar, — maar
hij is geen karakter; het komt u niet in den zin hem een
„man van karakter" te noemen.
En zoo komen we van zelf tot ons uitgangspunt te-
rug.
Als ge spreekt van „karakter" dan denkt ge bij voor-
keur aan een flink uitkomend beeld, met forsche lijnen ge-
teekend ; — of, wilt ge liever, aan een beeld in marmer ge-
beiteld, waarin het gansche zielsbestaan van dien mensch
is neergelegd, en waarin ge heel zijn persoonlijkheid voelt
kloppen;
— ge denkt aan een mensch, die weet wat hij is, en
die weet wat hij wil; • die zich van de kracht zijner per-
soonlijkheid bewust is, en die toch de klip weet te mijden,
waarop onophoudelijk die zelfgenoegzame karikaturen stran-
den, die zich zelf zoo ongeveer houden voor het middel-
punt van het heelal, waarom alles moet draaien.
Karakters zijn mannen met een sterksprekend geeste-
lijk gelaat; die niet de speelbal van anderen, ja, maar ook
niet de speelbal van eigen luimen en grillen verkiezen te
zijn.
Karakters zijn mannen, die niet als een zwalpend riet
heen en weer waggelen tusschen Ja" en „neen", maar die
met koninklijke zelfstandigheid, met majesteit, over de om-
standighedon des levens gebieden en die beheerschen, ja,
maar die bovenal zich zelven bezitten; — mannen dus, die
volkomen macht hebben over zich zelf, en die, zelfs op de
puinhoopen van hun geluk, op de puinhoopon huns levens,
op de puinhoopen van hun verwachtingen en droomen, zich
met de hand op de borst slaan, zeggende: „Ik ben van
mij zelf!"
Karakters zijn dus, die voltooide, als uit staal gegoten
-ocr page 16-
14
figuren, zonder barst of scheur, die pal staan in den storm
der gebeurtenissen; — — figuren, tegen welke de maal-
stroom der dagelijksche voorvallen machteloos woelt en
brandt en kookt; —
—    ze staan als een rots in \'t midden der kokende
zee; onwrikbaar vast als een rots; onbeschermd en onge-
dekt als een rots; alléén als een rots; zei ven een rots!
Laat beuken de golven. Laat loeien de stormen.
Laat geeselen de winden: ze sidderen, maar breken niet;
— ze worden gekneusd, — maar wijken niet, — ze wanke-
len — maar vallen niet — ze vallen — maar ze sterven niet!
En nu voelt ge wel, D. en H.! — dat zulke karakters
niet legio zijn; ik zeg u meer: slechts één zulk een vol-
tooid karakter heeft rondgewandeld op aarde; en die Eé-
nige was Jezus, die zóó vast stond, dat hij onveranderlijk
zich zelf bleef; --
—  zich zelf in den kring zijner vrienden, die telkens
en telkens weer poogden hem tot hun lager liggend levens-
terrein neer te halen en hem dus tot „één hunner" te ma-
ken ; - zich zelf tegenover den booze, die hem wilde zal-
ven tot koning over de aarde, en dus wederom tot iets
„anders" dan waartoe Hij in de wereld gekomen was, om
n. 1. koning over de zielen te zijn; —
—  zichzelf ook tegenover stadhouders en priesters, die
tegen hem aanspuwden om hem de bekentenis te ontwrin-
gen, dat hij een „ander" was dan „zich zelf" n.1. dat hij
niet was de Zoon van den levenden God; — maar steeds bleef
de Christus zich zelf; — en waarlijk, tegen zoó éen hielp
het aanloopen en aanduwen niet; — op zulk éenen brak
zelfs de macht der duisternis, laat staan dan de machten
des levens, als een riethalm af; — hij was, laat mij u zijn
eigen uitspraak in herinnering mogen brengen: hij was
waarlijk wat vastheid en onwankelbaarheid betreft, gelijk
aan een „steen", zooals hij gezegd heeft: „ieder, die op de-
zen steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt
dien zal hij vermorzelen."
2. Zulk een karakter als ik u teekende is een goud-
mijn voor wie er de gelukkige eigenaar van is, maar daar-
enboven is het oen macht waarmee wonderen kunnen
worden gedaan.
-ocr page 17-
15
Karakter is macht: dat kunt ge zien aan den boos-
wicht, die zijn oogen neerslaat tegenover een man van
karakter, hoe onaanzienlijk hij overigens ook moge zijn.
Karakter is zulk een macht, dat ze zelfs de lichame-
lijke gestalte van den mensch beheerscht en min of meer
vormt. Er bestaat toch een innig verband tusschen het
geestelijk en het lichamelijk leven van den mensch, zoó
zelfs, dat schier alle bewegingen en roerselen van het ge-
moedsleven zich weerspiegelen en zichtbaar worden in de
lichamelijke gestalte; — zie het maar aan den blos, dien
de schaamte u over het aangezicht jaagt; — aan den toorn,
die flikkert in uw oog; — aan de blijdschap, die zich uit
in een klinkenden lach; — aan de droefheid, die zichtbaar
wordt in een traan.
Krachtens dezen samenhang nu drukt ook ons karak-
ter zich min of meer af in onze lichamelijke gestalte; ge
kunt er haast vast op aan, dat fierheid van karakter ge-
paard gaat met fierheid van gestalte, of althans, zoo ge
slechts een Zacheüs-gestalte bezit, met fierheid in den
opslag van het oog; en het schijnt mij een gelukkige greep
van de kunstenaars om den Christus altoos af te beelden
in hooge gestalte, uitstekend boven de anderen.
Maar zien we nu eens rondom ons, dan ontdekken we
slechts heel enkele hooge gestalten, — ik bedoel in geestelijk
opzicht; — veel dwergen, veel tusschensoort, weinige reuzen;
en aangezien niemand daarmee op den duur vrede kan heb-
ben, vraagt men als van zelf zich af, of daaraan niets
veranderd kan worden; of er dan geen mogelijkheid bestaat
om weer „karakters" te vormen. En zoo kwamen we dan
tot onze tweede vraag, n.1. of karaktervorming mogelijk is1?
Men heeft die vraag niet steeds bevestigend beantwoord ;
er is zelfs een pessimistisch wijsgeer geweest, die leerde,
dat het even onmogelijk is een karakter te veranderen als
om een eik door zorgvuldige verpleging in een abrikoos te
herscheppen; een schaap, zei hij, is en blijft een schaap,
al doet ge nog zoo uw best hem het apporteeren te leeren,
dat uw jachthonden zoo gemakkelijk afgaat.
Gelukkig stemmen we niet in met deze troostelooze
leer, want, al hebben we ons karakter vergeleken bij ons
gelaat, en al hebben we velerlei overeenkomst ontdekt tus-
schen die twee, toch bestaat er ook een verschil, en wel
-ocr page 18-
16
dit: dat we noodzakelijkerwijze met hetzelfde gelaat in onze
doodkist zullen liggen als waarmee we werden geboren,
maar dat we volstrekt niet hetzelfde geestelijk gelaat ons
leven lang behoeven te houden. En dat dit verschil wezen-
lijk bestaat, voelt ieder reeds hieraan, dat niemand zich
aansprakelijk acht voor de mindere schoonheid van zijn
gelaat, terwijl ieder zich verantwoordelijk voelt voor de
mindere schoonheid van zijn karakter.
Onze pessimistische wijsgeer heeft dus o. i. gedwaald,
en, me dunkt, zijn dwaling schuilt hierin, dat hij \'s men-
schen natuurlijke inborst, zijn temperament, zooals men
het noemt, verwarde met zijn karakter. "We komen n.1.
allen met een bepaalde natuurlijke neiging ter wereld, die
beslist onveranderlijk is: de één met visschenbloed en de
ander met vuur in zijn aderen; — met dezen aanleg of
deze inborst of dit temperament worden we geboren, maar
ons karakter moet in den strijd des levens worden gemaakt,
worden veroverd. Het temperament is het werk van onzen
Maker en dus „zeer goed" gelijk al wat Hij heeft gewrocht,
en niets behoeft daarin te worden gewijzigd; — maar het
karakter is ons eigen werk; —
het één heeft de Heer gewrocht, het ander moet door
óns worden gemaakt; — het temperament is het kostbaar
marmerblok, dat God neergelegd heeft aan den ingang van
ons leven, en nu moeten wij er den beitel in zetten om
uit dat ongevormde marmer een beeld, een karakter te
voorschijn te halen, — en nu behoeft het toch geen betoog,
dat het er volstrekt niets toe doet, of het marmer zwart
is of wit, rood of\' geaderd, — het beeld kan uit alle vier
kleuren even schoon worden gebeiteld.
Er is n.1. vierder let temperament, als grondstof voor
het karakter, en ik wil ze u in een paar woorden beschrijven.
Allereerst de cholericus; — een „kruidje-roer-me-niet",
—  een prikkelbaar mensen, — opvliegend als bruispoeder, —
koppig, — halsstarrig, — tot heersenen geboren, — hij kan
breken, maar niet buigen; — hij wil iets groots zijn en iets
groots doen: — groote zonden of groote edele daden; —
—   — daar hebt ge den Italiaan!
Dan de sanguinicm; — — een man van indrukken, een
man van het oogenblik, een blikken pan, zoó heet en zoo
koud; een lach en een traan tegelijk; — wispelturig en wuft,
-ocr page 19-
17
met het hart op de tong; — hij kan praten als Breèroo en
als een kameleon van meening veranderen; — een beweeg-
lijk menschje, — een kwikzilvermanneken, — — daar hebt
ge den Franschman!
Dan de melancholicus; — ge stolt u dien het best voor
als een mensch zoó hoog van gestalte, dat ge hem zoudt
willen verzoeken een knoop in zijn beenen te leggen; —
hij steekt vér uit boven alle menschen, waarop hij uit zijn
hoogte hoofdschuddend neerziet; „hoe is het mogelijk",
vraagt hij, „dat er zulke levenslustige menschen in dit
tranendal zijn", — van die oppervlakkigheid heeft hij den
diepsten afkeer, want hij heeft den ernst des levens weer-
staan, — ernst in arbeiden, — ernst in zijn genieten, — ernst
in zijn wandelen: — ja, als ge hem, \'t liefst in de kraag
van een jas met ruiten gedoken, met ernstige stappen door
de straten ziet gaan, herkent ge hem aanstonds; — daar
hobt ge den Brit!
En eindelijk de flegmaticus; — de man van het kalm
redeneerend verstand — iru alles houdt hij de maat; —
geen uitersten als \'t u blieft; — de man, die onder het ge-
not van een bittertje over den zegen der afschaffing spreekt;
— wél wikken, wél wegen, wél overleggen; anders mocht
men er eens berouw van krijgen; — hij houdt van verklein-
woorden: zoetjes aan, dan breekt het lijntje niet; — eerst
eens saampies kalmpies overleggen onder een koppie koffie
met een taretje of een segaartje. \'t Is de man, die aldoor
als op eieren loopt, — — — daar hebt ge — — —, maar
neen, dat durf ik niet zeggen! —
Welnu, uw temperament geeft den toon aan in uw
karakter; — en die vaste plooi is het onveranderlijke, — ge
zoudt haar kunnen noemen het beenilerensteteel van uw ka-
rakter; — het stramien, dat de Schepper u gaf om daarop
uw karakterbeeld te borduren.
Zoo komt het dan ook, dat, al ontwikkelden zich
mannen als Jacobus en Johannes, Petrus en Paulus zoo
hoog als zich denken laat, toch de hoogste veredeling geen
Jacobussen tot Johannessen, en geen Petrussen tot Paulus-
sen maakt.
En dat behoeft waarlijk ook niet; want de schoonheid
der schepping bestaat juist in hare schakeering, en de heer-
lijke boog in de wolken verloor een goed deel van zijn luister,
-ocr page 20-
18
zoo hij, insteè van op zeven, slechts kon roemen op één
enkele kleur.
Elk temperament kan in dienst der gerechtigheid treden,
maar ook tot een wapen der ongerechtigheid worden ge-
steld. En juist de vorming van uw karakter bestaat nier-
in, dat ge, op den bodem van uw temperament, uw na-
tuurlijke gaven en talenten blijvend tot hun heerlijkste en
volste ontplooiing doet komen; — blijvend en doorloopond,
— hierop leg ik den nadruk; want ook een slecht of mid-
delmatig karakter is wel eens voor een vluchtig oogenblik
tot groote dingen en edele daden in staat; —
de opwinding, het voorbeeld, de omgeving, de toejuiching
der schare werken bij alledaagsche menschen soms wonde-
ren uit, en halen hen over tot daden, die niemand van hen
zou hebben verwacht, en zij zelven het allerminst; maar
dat getuigt nog niet van „karakter"; integendeel, wie
slechts van tijd tot tijd optreedt als een man uit een
stuk en in dat opzicht gelijkt op de aloë, die wel eens
bloeit, n.1. ééns in de honderd jaar, — die toont, dat hij
zich zelf nog niet onder de knie heeft, dat hij niet steeds
zich zelf blijft, en dat er dus nog heel wat aan hem ver-
vormd moet worden.
3. En op wat wijze kunnen we ons karakter dan vormen?
Ge ziet, we naderen reeds tot het laatste punt dat ik
u in den aanvang noemde.
Het kan natuurlijk mijn doel niet zijn u, in het korte
oogenblik, waarover ik nog heb te beschikken, een vol-
ledig overzicht te geven van de middelen, die tot karak-
tervorming kunnen dienen; ik moet er mij toe bepalen u
een drietal middelen te noemen, en wel zulke, die onder
ieders bereik liggen, tot welken stand in de maatschappij
men ook moge behooren en hoeveel of hoe weinig men ook
geleerd moge hebben.
Het eerste middel, dat ik u aan de hand doe, ligt
voor het grijpen; het is de les, die de oude wereld reeds
poogde te leeren en waarin ook wij nog lang niet volleerd
zijn: „Ken u zelf."
Zelfkennis is toch de eerste voorwaarde tot zelfbe-
stuur en dus tot vorming van uw karakter. Nu is het
-ocr page 21-
10
wel waar, dat sommige wijzen ook al weer leeren, dat die
zelfkennis onmogelijk door ons verkregen kan worden, want
dat er zulke diepten in ons gemoed zijn, dat het peillood
ons aan de machtêlooze handen ontvalt; en dat de menseh
daarenboven zoo onbeschrijfelijk ijdel is, en zoo nameloos
op zich zelf verliefd, dat hij zijn eigen gebreken als van
zelf tint met het goud van ingebeelde deugden; — maar
toch geloof ik, dat zelfkennis wel ter dege mogelijk is, en
ik ben het volstrekt niet eens met mevrouw Witte, die
meent, dat men evenmin zich zelf kan leeren kennen, als
men zich zelf op de lippen kan kussen! — Neen, neen, het
groote onbekende vasteland binnen in ons kan wel terdege
worden ontdekt, als wij zelf maar de Columbus willen zijn
en aangegord zijn met den moed en het geloof van dien
Genuees. Er behoort n.1. in de eerste plaats een ontzag-
gelijke moed toe om tot zelfkennis te komen. Ge moet
weten, — durven weten en aan u zelf durven zeggen, wat
er aan uw karakter ontbreekt.
Zooals de huismoeder de opgescheurde mouw omkeert,
het binnenste buiten, om precies te zien waar de scheur
begint en waar ze eindigt, zoo moet ge den moed hebben
u zelf van binnen te bezien, — u zelf te bezien als met de
oogen van een ander, — en dan afdalen in de diepten van
uw hart, de eéne trap na den ander.
Ge moet dat portret, dat ge draagt in het geheim al-
bum daar binnen in u nauwkeurig bestudeeren, — ja, over-
teekenen, zou ik haast zeggen, zoodat ge genoodzaakt wordt
stil te staan bij — en na te denken over eiken nieuwen
trek, dien ge ontdekt.
Ge moet dus voor u zelf een beeltenis maken van uw
inwendigen menseh; o, niet zooals de photograaf, die een
beeltenis maakt; want het een of ander lichteffect kan dan
wondoren doen, en een bekwaam retoucheur weet van de
minst behagelijke figuur toch nog zulk een bevallige ver-
schijning te maken, dat men soms over de schoonheid van
zijn eigen beeltenis versteld staat!
Neen, dat is niet de ware manier! — Maar go moot
dan als de schilder, die voor den spiegel gaat zitten om
zijn eigen portret te maken, en dan moet uw blik door-
dringen in alle voegen, en die gansche bevallige figuur als
het ware stuk voor stuk uit elkaar nemen, de leelijke trek-
-ocr page 22-
20
ken even getrouw weergeven als de fraaie, — ja, zelfs niet
terugdeinzen voor het mismaakte — — —.
En als ge dan u zelven kent, wat inderdaad eerst
recht mogelijk is, wanneer God zelf met den fakkel zijns
Geestes u voorlicht in de donkere gangen van den doolhof
daarbinnen, — dan wijs ik u als tweede middel voor karak-
tervorming den omgang met de wereld, in den goeden zin
van het woord, of, wilt ge het meer bepaald: den omgang
met den kring waarin uw Maker u heeft geplaatst.
„Een karakter wordt niet in de stilte, niet in de een-
zaamheid, maar in den stroom der wereld gevormd" heeft
reeds Goethe gezongen, en het werd honderden malen na
hem herhaald. Na zelfkennis komt menschenkennis. En
die verkrijgt men niet door zich in een kloostercel op te
sluiten of door zich als een pilaarheilige af te zonderen; —
men wordt er niet beter maar slechter op, als men den
raad opvolgt van het verre Oosten en, in geestelijk op-
zicht, jaren lang op éen been gaat staan om naar het
puntje van uw neus te kijken, instoè van wrijving en
voeling te houden met uw omgeving.
Het leven, niet de woestijn of het klooster of het
kerkhof, maar het rijke, volle, openbare leven is do school
waar „karakters" worden gevormd!
Op die gladde baan, waarop het kind reeds gesteld
wordt, o, niet opdat het leere vallen, maar opdat het
loere staan, — daar wordt toch ook gestreden en gewor-
steld, en niets staalt de spieren als een bange worsteling,
waarin het gaat om overwinnen of sterven.
In de ruime wereld wordt voorts ook die vriendschap
gesloten, welke een zoo groote opvoedende, vormende kracht
heeft; — daar, en niet in het boekjen, waarmee ge in een
hookjen kruipt, vindt ge do mannen, tot wie ge als uw
meerderen opziet; en niets verheft en veredelt den mensen
als het opzien tot het grooto en edele! Het omgaan met
edele naturen, het leven naast en met hén, die meer zijn
dan wij, en wien we niet waard zijn den schoonriein te
ontbinden, het ontmoeten van en het opzien tot de rots-
mannen, tot de mannen van staal is een zoo machtig mid-
del tot het vormen van een karakter.
Maar toch, ge hebt daaraan niet genoeg; ge bemerkt
al ras, dat ook de edelsten onder de menschen, hetzij go
-ocr page 23-
21
hen ontmoet in het leven, hetzij ge hen uit de geschiedenis
hebt leeren kennen en liefhebben, — want ook van de dooden
gaat nog bezielende kracht uit, — dat ook de edelsten met
gebreken behept zijn; — ge bemerkt vlekken op uw zon;
en als ge den stralenkrans, dien ge hun misschien wel
wat al te lichtvaardig om de slapen geteekend hadt, dan
ziet verbleeken;
als ge dan ziet, dat ook de zuilen der gemeente aan
het waggelen raken, wat dan?
Moet ge u dan maar weer terugtrekken uit dien te-
leurstellenden omgang, en maar liever op uw eentje gaan
leven ?
Moet ge dan uw levenskring, uw kring van vrienden,
maar weer vernauwen?
Dien raad durf ik u niet geven; ik zou veeleer het
tegendeel zeggen: ge moet dan, — en dat is het laatste
middel tot karaktervorming dat ik u aanwijs, — ge moet
dan dien levenskring nog verruimen, — veel wijder maken,
—  zoo wijd maken, dat ge er ten minste nog een Vriend
bij insluit, die tot dusver wellicht nog heel ver van u af-
stond; zoo wijd moet ge uw levenskring maken, dat ge er
den eeuwigen God in opnemen kunt!
De omgang met God; — de gemeenschap met God, zoo-
als Hij zich geopenbaard heeft in Jezus Christus, die waar-
lijk een „Man" was in den vollen, rijken zin van het woord ;
—  de voortdurende gemeenschap met dat geheel eenig ka-
rakter, dat nooit iemand teleurstellen kan, omdat er niets
aan ontbreekt, — dat is het ware middel om zelf waarlijk
een karakter te worden.
Alléén de mannen, die leven dicht bij den Heer, zijn
waarlijk groot, omdat ze zich van niemand ter wereld af-
hankelijk gevoelen, behalve van den almachtigen God, en
omdat door hun leven een koelte waait van hooger leven,
een koelte, die ze telkens weer meebrengen van den berg
der aanbidding.
Ook de in \'s werelds oog geringe van talenten en ga-
ven wordt dan wezenlijk groot! Wie zou niet groeien,
groeien naar de ziel, door het koninklijke bewustzijn, dat
hij tot Vriend heeft het eénig voltooide karakter, dat de
aarde ooit droeg?
Wie zou niet groeien, als hij uit den mond der waar-
-ocr page 24-
22
heid verneemt, dat, al loopt heel de wereld over hem heen
ten hate der gemeenschap, de Christus niet over hem heen-
loopt, al streeft ook de Christus naar het tot stand brengen
van de groote gemeenschap van het koninkrijk Gods?
Wie zou niet groeien, wanneer hem gezegd wordt, dat
er voor die gemeenscha]) ook op hom is gerekend; dat hij
er met zijn bijzonder karakter niet kan worden gemist;
dat hij, kleine mensen, beslist noodig is voor de harmonie
der gemeenschap?
En daarom is het voor een iegelijk zaak, om te gaan
zitten aan de voeten van dien grooten Meester, in wiens
gemeenschap en door wiens omgang wezenlijk, „karakters"
worden gevormd! En dan doet het er niet toe, wat men
tot dusver was, want Jezus Christus is een groot kunste-
naar, die alle soort van grondstof weet te verwerken.
Uit klei boetseert wel een aardsch kunstenaar het ge-
laat van een Engel; —
aan het harde, stugge marmer onttoovert de beeld-
houwer wel een Christusgestalte met de handen uitgebreid
om de wereld te zegenen; — ik vraag u: wat kan de groo-
te kunstenaar Jezus Christus dan wel niet maken uit de
weerbarstige stof van een mensen, die toch maar een wei-
nig minder dan de Engelen is?
Ik heb gezegd!
Groningen, 17 Februari 1899.