-ocr page 1-
BR.qu.1,24.
*
-ocr page 2-
0ir. u ir z, w.
O7 • \\
MAATSCHAPPIJ               KjV
„ARTI ET AMICITIAE/\'
ONDER BESCHERMING VAN
H. M. DE KONINGIN-REGENTES,
AMSTERDAM.
» «I»—» -
Haar tegenwoordige toestand en die harer ver-
schillende Afdeélingen, met een Overzicht
van het gedurende de jaren i8<?j, 1894
en 1895 gevoerde beheer.
-ocr page 3-
In de navolgende bladzijden hebben wij, geheel in overeenstemming met het
Bestuur der Stichting »het Fonds voor Weduwen en Weezen van Kunstenaars, leden
der Maatschappij „Arti et Amicitiae", een getrouw beeld gegeven van den toestand waarin
de Maatschappij en hare voornaamste afdeelingen zich op het oogenblik bevinden, terwijl
wij tevens het sedert ons optreden als zoodanig (i Januari 1893) gevoerde beheer
hebben blootgelegd.
Wij meenen hiermede te handelen in het welbegrepen belang der aan onze
zorgen toevertrouwde Instelling.
Wij vestigen er voorts de aandacht op dat, uit den aard der zaak en om
deze bladzijden aan hare bestemming te doen beantwoorden, de geheele uiteenzetting
in het bizonder zaken van geldelijken aard betreft. Ten aanzien van de bemoeiingen
der Maatschappij op haar eigenlijk terrein, welke hier slechts zijdelings konden worden
aangeraakt, verwijzen wij naar de uitvoerige jaarverslagen.
Ten einde dit overzicht zoo duidelijk mogelijk te doen zijn hebben wij het
verdeeld in 6 hoofdstukken met 2 bijlagen, te weten:
Hoofdstuk I. De tegenwoordige toestand van de Stichting: »het Fonds voor
Weduwen en Weezen van Kunstenaars, leden der Maatschappij
»Arti et Amicitiae" en het gehouden beheer gedurende de
jaren 1893, 1894 en 1895.
» II. Overzicht van den toestand der Maatschappij »Arti et Amicitiae"
en van hare verrichtingen gedurende de jaren 1893, 1894 en 1895.
» III. De verkoop der verschillende Galerijen, ten bate van het
Weduwen- en Weezenfonds.
» IV. De Vereeniging tot Bevordering van Beeldende Kunsten.
» V. Het Fonds »Willink van Collen".
» VI. Het »Davids-Fonds".
terwijl Bijlage A. bevat: Uittreksel der R. C. Rente-Cassa 1893, 1894 en 1895.
» B. » Rapport der Commissie tot nazien der Rekening en Verant-
woording der Maatschappij over het jaar 1894.
Vóóraf wenschen wij er op te wijzen dat het »Weduwen- en Weezen-Fonds"
onzer Maatschappij — thans eene afzonderlijke Instelling — ten goede komt aan de
door de Maatschappij aangenomen Kunstenaars-leden, (als: Stemhebbende Leden,
Gewone Leden (oude wet) en Buiten-Leden) hunne weduwen en weezen of verder na
te laten, in het Reglement genoemde betrekkingen.
Aan hen die na 1 Januari 1895 ^s Stemhebbend" of als Buiten-lid zijn aan-
genomen en aan de Dames-Gewone Leden die de rechten van inzending, zooals die
voor de Stemhebbende Leden en Buiten-Leden zijn omschreven, hebben verkregen,
is de bevoegdheid verleend om aanstonds als lid der Stichting »het Fonds," enz. toe
te treden.
-ocr page 4-
Het Fonds is van den aanvang af geheel en al eene instelling ten bate der
kunstenaars en het heeft bovendien zijn vermogen grootendeels te danken aan deze
kunstenaars zelf die van elke in »Arti et Amicitiae" plaats gevonden verkoop 5 pCt.
hebben gestort, en in de vele bijdragen die de Maatschappij gedurende haar meer
dan vijftig jarig bestaan aan deze afdeeling heeft geschonken. Voor de giften en
legaten die het Fonds bovendien van verschillende zijde mocht ontvangen brengen wij
gaarne ook hier nogmaals een woord van oprechte hulde, er op wijzende dat ten deze
ons Vorstenhuis altijd het meest navolgenswaardige voorbeeld heeft gegeven en ook
thans nog geeft.
*
Het totaal der als bovengenoemde kunstenaars-leden der Maatschappij »Arti
et Amicitiae" bedraagt op heden:
37 Stemhebbende Leden,
6 Gewone Leden, (oude wet)
73 Buiten-Leden.
116 totaal, terwijl hierbij, om te komen tot het aantal (eventueel) rechtheb-
benden op uitkeering uit het fonds, gevoegd moet worden een getal van
50 zijnde het aantal der trekkenden over het jaar 1895.
166 totaal der (eventueel) op uitkeering(en) rechthebbenden.
Van deze rechthebbenden behooren 162 (waaronder zij die reeds uitkeering
ontvangen of aan wier nagelaten betrekkingen uitgekeerd wordt) tot de deelgerechtigde
leden volgens het vroegere Reglement van het Fonds, terwijl 4 daartoe zijn toegetreden
sedert de laatste reglementswijziging, waarbij het rechts-karakter van het Fonds werd
buiten twijfel gesteld. Voor de deelgerechtigde leden wordt jaarlijks uit de inkomsten
der Stichting een bedrag van ƒ 10,300.— gereserveerd. De maximum-uitkeering voor
de deelgerechtigden bedraagt ƒ 300.— \'sjaars.
*
Uit den aard der zaak is het volgende overzicht eenigzins uitvoerig, alhoewel
wij naar de meest mogelijke beknoptheid hebben gestreefd.
Ten slotte wijzen wij er nog op, dat in de Maatschappij »Arti et Amicitiae" —
eene door Kunstenaars opgerichte instelling — van den aanvang af steeds het beginsel:
»zelfbeheer" op den voorgrond heeft gestaan; in behoud van dit beginsel — dat tot
den bloei der Maatschappij in zoo groote mate heeft bijgedragen — ligt, mede naar
het oordeel van het tegenwoordig Bestuur, de eerste voorwaarde voor krachtig leven.
AMSTERDAM, Februari 1896.                           E-ESTUURDEREN DER MAATSCHAPPIJ
„Arti et Amicitiae":
CAREL L. DAKE, Voorzitter.
J. H. WIJSMULLER, Vice-Voorzitter.
GERARÜ MULLER, Secretaris-Penningmeester.
H. W. JANSEN, plaatsvervangend lcnningmeester.
FERD. G. W. OLDEWELT, plaatsverv. Sccr.
-ocr page 5-
I. De tegenwoordige toestand van de Stichting: Jiet Fonds voor IVeduwen
en IVeezen van Kunstenaars, leden der Maatschappij
„Arti et Amicitiae", en het gehouden beheer
gedurende de jaren 1893, 1894 en 1895.
Een der eerste zaken welke het tegenwoordig Bestuur der Maatschappij „Arti et Amicitiae"
(opgetreden i Januari 1893) ter hand nam, was het voorbereiden eener volkomen afscheiding
tusschen de Maatschappij en het „Weduwen en Weezenfonds". Reeds in vroegere jaren was
tal van malen op den onzekeren rechtstoestand waarin het Fonds verkeerde, gewezen, doch bij
dit wijzen en bij allerhand dcliberatiën bleef het. De onzekerheid bestond hierin: was het Fonds,
bijna gelijktijdig met de totstandkoming der Maatschappij in het leven geroepen, een wel met
de Maatschappij in nauwe betrekking staande, maar toch zelfstandige stichting, met een eigen
vermogen, eigen rechten en eigen verplichtingen, of wel was het een onderdeel der Maatschappij
en zou het met zijne bezittingen, kwam de Maatschappij zelve ooit in mocielijkhcden, door
eventueele schuldeischers der Maatschappij kunnen worden aangesproken? Het gevaar dat deze
laatste opvatting, indien ooit het oordeel des rechters mocht worden ingeroepen, als de juiste
zou worden aangemerkt en dat dien ten gevolge het vermogen van het Fonds zou kunnen
worden aangesproken tot voldoening van eventueele schulden van de Maatschap/ij, was uit een
juridisch oogpunt, verre van denkbeeldig.
Herhaaldelijk heeft men door allerlei reglements-wijzigingen getracht dit gevaar te keeren,
doch eene definitieve oplossing kwam eerst door het tegenwoordig Bestuur en op zijn initiatief
tot stand.
Op zijn voorstel werd het Fonds door de vergadering van stemhebbende Leden dato
4 December 1894, in eene onaantastbare stichting herschapen, terwijl tevens in het reglement
werd bepaald:
„Geene verandering mag van zoo ingrijpenden aard zijn dat de stichting zou ophouden
te werken als ondersteunings- of als pensioen-fonds, ten bate hetzij van leden der Maatschappij
„Arti et Amicitiae", hetzij van hunne weduwen en weezen cf verdere nagelaten betrekkingen."
Zoolang derhalve de Maatschappij „Arti et Amicitiae" bestaat, zal het Fonds aan
zijn oorspronkelijke bestemming blijven beantwoorden. Bij den vroegeren toestand zou dit
volstrekt niet onomstootelijk hebben vastgestaan. Waar de opvatting kon gelden dat het Fonds als
een onderdeel der Maatschappij bestond, was ook de mogelijkheid niet uitgesloten dat eene
toekomstige vergadering van Stemhebbende leden zou mcencn gerechtigd te zijn aan het voort-
bestaan van het Fonds, als een onderdeel en eigendom der Maatschappij, een einde te maken.
Zooals men ziet is ook dit, wellicht illusoir, bezwaar opgelost en is tevens bepaald dat, voor
eene richtige naleving van het bij eventueele ontbinding der Maatschappij „Arti et Amicitiae"
in zake verder voortbestaan van het Fonds vastgestelde, het Openbaar Ministerie bij de Arron-
dissements-Rechtbank te Amsterdam (of bij het College dat haar eventueel zal vervangen)
bevoegd is op te komen.
De akte dezer stichting waarin tevens het gehcele reglement is opgenomen, werd op
9 Maart 1895, ten overstaan van Notaris J. G. Pouw Jr., gepasseerd en een elk zal gereedelijk
moeten toegeven dat deze regeling ten eenenmale in het belang van genoemd Fonds is geweest.
Er is echter meer;
Op ultimo December 1892 bestonden de eigendommen van het Fonds uit:
Inschrijving 3Y2 °/o Grootboek......    ƒ 108.500.—
•»              2\'/ï %          »              ......     ,1 2.600.—
5 % Obl. „Arti et Amicitiae"......    „ 26.000.—
4 % n            *                *           ......    » 53.000.—
Kapitalen belast met vruchtgenot.....    „ 2.200.—
Totaal. ... ƒ 192.300.—
-ocr page 6-
— A —
In den aanvang van 1893 besloot de Maatschappij alle nog uitstaande leeningen ten haren
laste af te lossen en uit te geven ccnc 31/, °/0 Obligatieleening groot ƒ 160.000.—.
Het totaal bedrag van genoemde nog uitstaande schuld bedroeg ƒ 104.500.—.
Voor de door haar beoogde verbouwing oordeelde zij een som van ƒ 55.500.— noodig
en wenschte het geheel te vinden in ée\'nc leening van het genoemde bedrag ad ƒ 160.000.—.
Deze leening nu werd aan het Fonds aangeboden. In Maart 1893 verklaarde de Com-
missic van Beheer over gemeld Fonds (de afscheiding tusschen Maatschappij en Fonds was nog
niet tot stand gekomen) zich bereid om bedoelde leening op de door Bestuurderen der Maat-
schappij gestelde voorwaarden te nemen.
Dit geschiedde bij een brief van den volgenden inhoud:
VERKLARING VAN DE COMMISSIE VAN BEHEER OVER HET
WEDUWEN- EN WEEZEN-FONDS.
De Commissie van Beheer over het Weduwen- en Weezen-Fonds der
Maatschappij „Arti et Amicitiae", na kennis genomen te hebben van het plan door
Bestuurderen der Maatschappij in te dienen op de Vergadering van Stemhebbende
Gewone Leden om met 1 Juni 1893 uit te geven een nieuwe Geldleening ten laste
der Maatschappij „Arti et Amicitiae" ten bedrage van honderd zestig duizend
gulden (ƒ 160.000.—),
gehoord de toelichting en nadat alle gevraagde inlichtingen zijn verstrekt,
waaruit blijkt:
a.    Dat deze nieuwe Geldleening in de eerste plaats dienstbaar wordt gemaakt tot
aflossing en conversie der bestaande Maatschappelijke schuld van honderd en
vier duizend, vijf honderd gulden (ƒ 104.500.—) en voorts zal strekken tot het
dekken der kosten van de voorgestelde verbouwing, met welke verbouwing zij
zich ten volle kunnen vercenigen,
b.    dat deze leening van 160.000.— gulden zal zijn een obligatieleening aan toonder
onder hypothecair verband van eerste hypotheek ten laste van alle aan de
Maatschappij „Arti et Amicitiae" tocbehoorende perceelen en tegen pari met
een rentevoet van drie en een half (3V2) ten honderd zal worden uitgegeven,
betuigt Hare volle adhaesie aan het door Bestuurderen aan hun oordeel
onderworpen plan voor de Nieuwe Geldleening, mitsdien ook aan het voorstel van
Bestuurderen waarbij aan het Weduwen- en Weezen-Fonds — ingeval dit Fonds
de leening van 160.000.— gulden in zijn geheel neemt — wordt verzekerd een
vaste jaarlijkschc bijdrage van zes honderd vijf en vijftig gulden (ƒ 655.—) (zijnde
ƒ 655.— het bedrag dat het Fonds schade lijdt bij de conversie der in zijn bezit
zijnde schuldbewijzen ten laste der Maatschappij) welke restitutie voor derving van
renten ad ƒ 655.— \'s jaars nader in verband met de aflossing bij notariecle acte
zal worden gestipuleerd,
en verklaart,
de bcnoodigde honderd en zestig duizend gulden in zijn geheel te fourneeren
uit de eigendommen van het Weduwen- en Weezen-Fonds, met dien verstande dat
op 1 Juni 1893 ter beschikking van Bestuurderen zullen worden gesteld:
a.  de obligatie ten laste der Maatschappij rentende 5 % ten bedrage van ƒ26.000.—,
b.   48 Aandeden in de Geldleening van 1878,
c.    58 Aandeelen in de Geldleening van 1880
en voorts 81.000 (een en tachtig duizend) gulden in baar geld, munt- of bank-
biljctten, welke beschikbaarstelling zal geschieden tegen afgifte door Bestuurderen
van nieuwe hypothecaire obligaticn ten laste der Maatschappij „Arti et Amicitiae"
tot een totaal bedrag Nominaal van ƒ 160000.— (honderd en zestig duizend) gulden.
De rente dezer obligatiën zal betaald worden op primo December, terwijl
de berekening en betaling der verschenen rente in 1893 (in dier voege dat aan het
Weduwen- en Weezen-Fonds geen schade van inkomsten wordt berokkend) ge-
schieden zal in gemeenschappelijk overleg tusschen Bestuurderen en de Commissie
van beheer over het Wcduwen- en Weezen-Fonds.
Amsterdam, Maart 1893.
De Commissie van Beheer over het Weduwcn- en Weezen-Fonds
der Maatschappij »Arti et Amicitiae,"
C. F. PHLIPPEAU, President.
H. A. SANGSTER, Secretaris.
-ocr page 7-
— 5 —
De Commissie handelde ten deze geheel in overeenstemming met het reglement van het
Fonds. Art. 19 luidde in aanhef:
„De Commissie belegt de gelden zoo spoedig mogelijk in Aandeden der
geldlecningen ten laste der Maatschappij „Arti et Amicitiae", welke dadelijk als
eigendom van het Fonds zullen gewaarmerkt worden; in inschrijvingen op het
Grootboek der Nat. Schuld, enz."
De akte, waarin bedoelde rente-restitutie ad ƒ655.— werd overeengekomen, werd den
31 Mei 1893 verleden.
Terwijl uit het bovenstaande ten duidelijkste blijkt dat aan de inkomsten van het Fonds
niet het geringste nadeel is berokkend, wenschen wij tevens met cijfers aan te toonen dat de in
de drie laatste jaren plaats gevonden transactiën juist èn aan de inkomsten van het Fonds ten
goede zijn gekomen èn het bewijs leveren van een volkomen gezond finantiëel beheer.
De gemelde leening van 1893, groot ƒ 160.000.— is gesloten onder hypothecair verband
van alle aan de Maatschappij toebchoorende perceclcn, te zamen groot 1OOO Q Meter, gelegen
aaneengesloten in het hart der stad, en wel:
a.     het Maatschappelijk gebouw,
b.     alle perceelen gelegen aan het Spui (zuidzijde) No. 1, 3 en 5,
c.     de hoekperccelen, Kalverstraat en Spui, benevens het daar naast gelegen pand
(Kalverstraat No. 141, 141a en 143),
d.     het perceel Kalverstraat 151.
Eene matige taxatie stelt de overwaarde der daarop geleende ƒ 160.000.— aanstonds in
het licht. Eene schatting, door een der eerste makelaars hier ter stede verricht, gaf tot resultaat
eene waarde van minstens 4 tonnen gouds.
Ware in de wijze van belegging en in den voor iste klasse effecten thans geldenden rentevoet
geene verandering gekomen, dan zouden, zooals blijkt uit de volgende staten, de rente-inkomsten
1895 in vergelijking met 1892 toch reeds eene vermeerdering van ƒ 580.50 hebben ondergaan.
De huidige toestand is deze:
ƒ 160.000.— 3V2 % °bl- «Arti et Amicitiae", rente ƒ  5600.—
Rente restitutie „ ,, . . . ,,    655.—
,, 20.000.— 3 °/o Gemeente \'s Gravcnhage ......    600.—
,, 18.000.— ,, ,, Amsterdam.....,,    540.—
„ 15.000.— ,, ,, Rotterdam.....„    450.—
600.— „ Cert. Ned. W. Schuld......,       18.—
-----------------------                                                                                         ƒ 7863.-
Totaal ƒ 213.600.—
terwijl in 1892, aan rente werd verkregen,
ƒ 108.500.— 37, % Grootboek N. W. S.....ƒ 3797.50
„ 2.600.— 21/, %          „                „              .... „ 65.—
,, 26.000.— 5 % Obl. „Arti et Amicitiae" ....,, 1300.—
„ 53.000.— 4 % ,,            „                „          ......2120.—
-----------------------                                                                                          ., 7282.50
f 190.100.—
=                                                 Vermeerdering. . . ƒ 580.50
Volledigheidshalve voegen wij hierbij dat het Fonds zoowel in 1892 als in 1895 nog in
het bezit was en is van een kapitaal groot ƒ 2200.— (belast met vruchtgebruik) dat bij boven-
staande berekeningen niet in aanmerking is genomen.
Wij hebben deze berekening vóóraf laten gaan om het thans volgende beter in het licht
te stellen.
* *
*
Had het Fonds de volkomen soliede leening 1893 niet genomen, clan had het èn gehandeld
in strijd met zijn reglement en ter aflossing moeten aanbieden de in zijn bezit zijnde schuld-
bewijzen ten laste der Maatschappij, tot \'t totaal bedrag van 79.000 gulden. Ten einde niet
aan spoedige conversie bloot te staan had het deze gelden niet wel anders dan in 3 %
fondsen kunnen beleggen. Neem hierbij in aanmerking de ophanden zijnde Staats-conversie en het
resultaat: „eene aanzienlijke vermindering in rente-ontvangst" ligt voor de hand.
-ocr page 8-
— 6 —
De op ultimo Dcc. 1892 in zijn bezit zijnde kapitalen hadden derhalve in 3 % fondsen
moeten worden belegd, en cene andere werkelijke soliede belegging was wel niet goed mogelijk geweest,
aan rente opgebracht:
ƒ 187.500 a 3 •/,............ƒ 5625.-
,„ 2.600 „ 2i7„............„ 65 —
ƒ 190.100 Kapitaal.                                            Rente ƒ 5690.—
Tengevolge der tusschen 1893—1895 plaats gevonden transactiën is en het kapitaal
belangrijk vermeerderd èn aan het Fonds een belangrijk hoogere rente-inkomst verzekerd.
De huidige toestand is, zooals reeds gezegd, deze:
ƒ 160.000 3i % Obl. „Arti et Amicitiac" ... ƒ 5600.—
Rente-restitutie            ,,                   . . . ,, 655.—
„ 20.000 3 °/0 Gemeente \'s Gravenhage . . . . „ 600.—
,, 18.000 3 „            ,, Amsterdam.....„ 540.—
„ 15.000 3 ,,            „ Rotterdam.....„ 450.—
600 3 „ Ncd. W. S.........„ 18.—
ƒ 213.600 Kapitaal.                                           Rente ƒ 7863.—
Aan het Fonds is derhalve, en dit tengevolge van het beheer der
3 laatste jaren op volkomen solicden grondslag cene hoogere jaarfjjjksclie
rente-ontvangst verzekerd van f 7863 — ƒ 5690 = / 2173.—.
*        »
»
Wat de soliditeit van het dagelijksch beheer betreft, diene het volgende:
Alle kapitalen van het Fonds berusten in open bewaargeving bij de Nedcrlandsche Bank,
waar tevens een notarieel afschrift der akte van stichting en van het Reglement is gedeponeerd.
Ten bewijze hiervan:
N°. 2800.                                AKTE VAN OPEN BEWAARGEVING.
De stichting „Het Fonds voor Weduwen en Weezen van Kunstenaars,
Leden der Maatschappij „Arti et Arnicitiae".
60.000.—
./\'
IÓO.OOO.-----
20.000.—
11
I9.58O.---
31.000.—
11
30.070.---
2.000.—
M
I .96O.---
600.—
Yl
606.—
dato 3 April 1895, Nominaal ƒ 160.000
il            3              11                       n                                11
11 4              T>                      11                                11
n 1\' Mei ,,               ,,
„ 5 Dec. ,,               ,,
ƒ 213.600.—         ƒ 212.216.—
De Nedcrlandsche Bank,
De Hoop Scheffer,
Directetir- Secretaris.
Aan de Nedcrlandsche Bank is kennis gegeven gecne stukken, zelfs geene coupons af te geven
ofeventueele ruilingen te bewerkstelligen dan op schriftelijke verklaring van alle 5 Bestuursleden
der Stichting. De handteekeningen dezer Bestuursleden zijn bij de Nedcrlandsche Bank gcdepo-
neerd, terwijl de Bank geene wijziging in de samenstelling van dit Bestuur erkent zonder over-
legging van een extract uit de notulen der vergadering van Stemhebbende Leden der Maat-
schappij „Arti et Amicitiac" die alleen bevoegd is in deze samenstelling wijziging te brengen.
Voor belegging van kasgelden is de Rente-Cassa aangewezen. Overschrijvingen van kas-
gelden kan alleen geschieden op minstens 2 handteekeningen, terwijl alle uitbetalingen door
tusschenkomst van de „Associatie-Cassa" plaats vinden. De uitbetalingen gaan in den vorm
van assignatiën (volgens model vastgesteld in overeenstemming met de Directie der Associatie-
Cassa) en luiden op naam of order. Deze assignatiën moeten eveneens van minstens 2 hand-
teckeningen voorzien zijn, terwijl de Associatie-Cassa niet dan na vooraf ontvangen schriftelijk
advies met opgave tevens der onderteekeningen
tot uitbetaling overgaat.
*     *
Het Bestuur van het Fonds is verplicht geweest om voor het jaar 1893 de uitkeeringen
Van ƒ 250.— tot ƒ 200.— terug te brengen. Dit nu is alleenlijk geschiedt omdat de feitelijke
-ocr page 9-
inkomsten over gemeld jaar geen hoogere uitkceringen toelieten en omdat het tegenwoordig
Bestuur van het Fonds in geen geval den in 1892 gevolgden weg wilde blijven bewandelen.
Toen toch werden onder de inkomsten opgenomen:
a.    f 1000.— kapitaal, belast geweest met vruchtgenot en in dat jaar vrijgekomen.
b.    ƒ 400.—, gelden van de Maatschappij „Arti et Amicitiae", geleend, welke som uit
de inkomsten van het Fonds over 1894 zou worden gerestitueerd,
en dit terwijl in 1892 aan schenkingen en legaten een bedrag van ƒ 2405.^— werd ontvangen en
geen cent daarvan werd gebezigd daartoe, waarvoor het was bestemd: uitbreiding van het kapitaal.
Het verminderen van het bedrag der uitkeeringen was voor het tegenwoordige Bestuur
geen aangename taak, maar het rekende zich verplicht de handelwijze in 1892 gevolgd, waardoor
een door de inkomsten van het Fonds niet gewettigd bedrag van uitkeeringen ten deele uit Kapitaal
werd bestreden
geen dag langer te mogen laten voortduren.
Ook over deze opvatting en de daad welke daarvan het gevolg was, wachten de leden
van het Bestuur ieders oordeel met vertrouwen af.
De uitkeeringen houden tegenwoordig geheel en al verband met de werkelijke inkomsten,
terwijl tevens naar geleidelijke kapitaals-vermeerdering wordt gestreefd. Bovendien kunnen de
uitkeeringen thans per 3 maanden worden ontvangen en wordt hiermede aan vele belang-
hebbenden een werkclijken dienst bewezen. Over 1895 kon de uitkeering reeds tot ƒ 210.—
worden verhoogd.
-ocr page 10-
II. Óverzicht van den toestand der Maatschappij „Arti et Amicitiae" en
van hare verrichtingen gedurende de jaren
1893, 1894 en 1895.
Is in de voorafgaande bladzijden een beeld gegeven van den toestand waarin het
„Weduwen- en Weezen-fonds" op het oogenblik verkeert en tevens het sedert i Januari 1893
gehouden beheer over gemeld Fonds bloot gelegd, zoo wenschen wij tevens in het openbaar het
volle licht te doen schijnen op de verschillende verrichtingen der Maatschappij „Arti et Amicitiae"
zelve sedert ons optreden en op de tegenwoordig in gebruik zijnde wijze van administratie bij deze
omvangrijke instelling. Wij zullen ons daarbij van elke appreciatie onthouden en alleen onze
gegevens putten uit de voor een ieder toegankelijke bronnen (b.v. de jaarverslagen), tevens feiten
ter kennis brengend, die oogcnblikkelijk aan de scherpste controle kunnen worden onderworpen.
De hoofd-inkomsten der Maatschappij bestaan in:
a contributiën;
b huren der haar in eigendom toebehoorende perceelen;
c administratie-loon der „Vcreeniging tot Bevordering van Beeldende Kunsten" (zijnde
15% van de bruto-ontvangst der jaarlijks geplaatste loten);
d rente van kasgelden.
Deze ontvangsten waren •.
In 1892.
In 1895.
Vermeerdering.
f II315-—
/ I2577-50
ƒ 1262.50
„ 11520.—
„ 12053.33
« 533-33
, I950.—
„ 3243-75
r, 1293-75
44-25
,, 240.28
,, I96.O3
a    contributiën................ ƒ 11315.—
b    huren...................
c    adm.-loon Ver. t. Bev. v. Beeld. Kunsten
d    rente van kasgeld ............
ƒ24829.25              ƒ28114.86              ƒ3285.61
De jaren 1893, 1894 en 1895 geven over gelijke hoofden in vergelijking met 1890, 1891
en 1892 het navolgende resultaat:
1890, \'91 en \'92 1893, \'94 en \'95 Vermeerdering
a Contributiën..........ƒ 34,667.50            ƒ 36,827.50 ƒ 2.160.—
b Huren............,, 35,816.—            „ 36,693.33 ,. 877.33
c Adm.-loon Ver. t. Bev. v. Beeld. Kunsten ,, 5,988.75            „ 8,690.25 „2,701.50
d Rente van Kasgelden.......,, 354-375          r, 2,200.74  (*) ,, 1.846.365 (*)
ƒ 76,826.62^       y~84411.82 ƒ 7.585.I95
terwijl het totaal aan alle ontvangsten over de jaren 1893, 1894 en 1895 vergeleken met die der
jaren 1890, 1891 en 1892 eene vermeerdering geeft van: ƒ 11,713.20.
(De contanten der leening i8[)3 ten bedrage van f 81.000.— zijn in deze staten niet opgenomen,
evenmin als de saldi der verschillende dienstjaren.")
1893......ƒ 29.260.13                     1890......ƒ 27.698.09
1894......., 29.927.735 1891......„ 25.898.78^
1895......„ 31.361.46 1892......,, 25.239.25
Totaal ... ƒ 90.549.325                           Totaal ... ƒ 78.836.125
Vermeerdering ƒ 11,713.20.
(*) Deze groote verhooging ten deele een gevolg der voor de verbouwing ontvangen contanten.
Van de op 1 Juni ontvangen ƒ 81.000,— werden aanstonds ƒ 25.500.— ter beschikking van de
„Associatic-Cassa" gesteld, teneinde de tot gemeld bedrag in handen van particulieren zijnde obligatien
te kunnen aflossen.
-ocr page 11-
— 9 —
Sedert het optreden van het tegenwoordig Bestuur is de „Associatie-Cassa" met de aan
deze instelling verbonden „Rente-Cassa" als kassier der Maatschappij aangewezen, op gelijke wijze
als dit op bladz. 6 ten aanzien van het Fonds voor Weduwen en Weezen is beschreven.
Voor een richtig beheer der verschillende functionarissen is tevens door het tegenwoordig
Bestuur voldoende zorg gedragen.
Borgtocht is gesteld:
a door den Secretaris-Penningmeester — die, voor het eerst over 1895, een honorarium
van ƒ 2500.— ontvangt, — ten bedrage van.....ƒ 5000.— ;
b door den isten Administrateur ten bedrage van . . . „ 2000.—; (\')
c door den Kastelein-Huisbewaarder ten bedrage van . ,, IOOO.—, (-)
terwijl in de polis van pensioen-verzekering der verschillende beambten de navolgende clausule
is opgenomen:
„dat deze verzekering aan de Maatschappij „Arti et Amicitiae" zal strekken tot zekerheid
voor al hetgeen zij ter eeniger tijd van den Heer..........voornoemd zal te vorderen
hebben."
Deze pensioen-verzekering kwam op initiatief van het tegenwoordig Bestuur tot stand.
(1 December 1893).
Zij zijn gesloten bij de Nederlandsche Verzekering-Bank hier ter stede (directeuren:
Jhr. Th. A. C. de Geer en Mr. J. W. A. Immink) ten name van:
den isten Administrateur en zijne echtgenoote;
den 2den Administrateur en zijne echtgenoote;
den Kastelein-Huisbewaarder en zijne echtgenoote;
den Bode.
De borgtocht van den Secretaris-Penningmeester berust bij de „Associatie-Cassa" onder
bepaling dat terugvordering alleen geschieden kan op eene door 2 der overige Bestuursleden
geteekende verklaring.
Voor bedoelde terugvordering is de handteckening van den Secretaris-Penningmeester zelf
definitief buitengesloten
volgens schrijven van Bestuurderen dato 28 Januari 1895 en erkend bij
antwoord der Associatie-Cassa dato 28 Januari 1895.
* *
Het beleggen  van kasgelden bij de „Rente-Cassa" was van af 1 Januari 1893 zeer aanzienlijk.
In 1893................. . ƒ 107,900.—
In 1894    . . ,...............„ 81,700.—
In 1895..................„ 39,000.—
Totaal ... ƒ 228,600.—
Te verminderen met:
a Contanten, leening 1893......ƒ 81,000.—
b Saldo Rente-Cassa, uit. December 1893 ,, 56,200.—
c Saldo Rente-Cassa, uit. December 1894 „ 10,800.—
„ 148,000.—
Belegd uit gewone ontvangsten...........ƒ 80,600.— (3)
terwijl vroeger de gelden op prolongatie werden gegeven en daarvoor gebruikt was (volgens
nota\'s der firma J. A. Matthes & Co., Amsterdam)
In 1890......ƒ 12,000.—
In 1891......„ 12,000.—
In 1892......„ 4,500.—
Totaal ... ƒ 28,500.—
In het afgeloopen jaar 1895, toen derhalve de gehecle verbouwing betaald en alle vroeger
nog uitstaande obligatiën waren afgelost kon gaandeweg een bedrag van ƒ 28,200.— bij de
„Rente-Cassa" gedeponeerd worden. (\')
(\') Nationale Borg-Maatschappij te Amsterdam, Directeuren: J. Niknhuvs en J. VAN Thiel, No. 842 bedrag
ƒ 2000.— ten behoeve van de Maatschappij „Arti EtAmicitiae" voor den Administrateur W. J. deGkebber.
(•) ƒ 1000.— 3\'/s % Obligatie Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen 1892, No. 2888.
De borgstellingen van den Secretaris-Penningmeester en van den Huisbewaarder-Kastelein zijn eerst door het
tegenwoordig Bestuur in orde gebracht. De eerste ingevolge de op 1 Januari 1895 in werking getreden
Wetswijzigingen (art. 29 van de Wet der Maatschappij).
(*) Zie uittreksel R. C. Rente-Cassa 1893, 1894 en 1895, hierbij gevoegd. (Bijlage A).
(4) Ongeveer gelijkstaande met het totaal der over de jaren 1890, 1S91 en 1892 op prolongatie gegeven gelden.
-ocr page 12-
— to —
In min of meer gelijke omstandigheden was in 1892 voor belegging niet meer als
ƒ 4500.— aan te wijzen.
De gekweekte rente van kasgelden bedroeg:
in 1890......f 176.09               in 1893..... f 1051.17
1891......, 13403*                   1894....... 909.29
1892 .                 . . „ 44.25                     1895.......240.28
\'t 354-374                                                      / 2200.74
gevende eene vermeerdering van ƒ 2200.74—ƒ 354.374 = ƒ 1846.36\\.
(Deze groote vermeerdering is ten decle het gevolg van de voor de verbouwing ontvangen
contanten).
*
Hiertegenover staat, dat de Maatschappij in de laatste 3 jaren, speciaal ten gevolge van
de uitbreiding van haren werkkring, zich tal van uitgaven heeft getroost, en wel;
a Ten behoeve van het Fonds door het jaarlijks uitbetalen eener rente-restitutie ad ƒ 655.—;
b vermeerdering van rente-last;
c ten behoeve harer Kunstzalen door uit den dienst van 1893 te besteden een bedrag
groot ƒ 2900.— voor nieuwe lichtbekapping;
d voor de organisatie van Hollandsche afdcelingen op buitcnlandsche tentoonstellingen
ten bedrage van ƒ 1643.61 over 1893, 1894 en 1895;
e uitbreiding van de leestafel, het tevens geregeld in orde houden der Societeitszalen;
het aanschaffen van tapijten, enz. enz.;
f het instellen eencr pensioen-regeling ten behoeve harer beambten (waarbij het salaris
niet is getroffen); jaarlijks wordt hiervoor betaald ± ƒ 600.—. Hiervan wordt niet
meer dan ongeveer ƒ300.— als maatschappelijke bijdrage geboekt; het resteerende
bedrag is in verhooging van salaris gevonden;
g het in het bestek der verbouwing 1893/1894 opnemen der bepaling dat niet langer
dan 11 uur gemiddeld mocht worden gewerkt, terwijl dienovereenkomstig het loon
verhoogd werd met 2 cents per uur. Het totaal-bedrag aan extra-loon gedurende de
verbouwing betaald bedroeg ƒ 861.35 ;
(De Maatschappij „Arti et Amicitiae" is alhier de eerste geweest die dergelijke
gecombineerde bepalingen heeft in toepassing gebracht.)
h het geven van verschillende feestelijkheden, waaronder het Openingsfeest 2—9 Mei 1894
\'t meest belangrijke is. (Zie jaarverslag over 1894).
Deze in den loop der jaren 1893, 1894 en 1895 gemaakte extra kosten kwamen alle der
Maatschappij ten goede en hielden geheel verband met hetgeen in het hoofd harer Statuten staat
geschreven.
Art. 1 en 2 van de Wet der Maatschappij luiden toch als volgt:
ART. 1. De Maatschappij „Arti et Amicitiae", gevestigd te Amsterdam, stelt zich ten doel:
i°. Den bloei der Beeldende Kunsten te bevorderen en den zin daarvoor in \'t algemeen
te ontwikkelen.
2°. De zooveel mogelijke vergrooting van het kapitaal der Stichting: „het Fonds voor
Weduwen en Weezen van Kunstenaars", leden der Maatschappij „Arti et Amicitiae".
30. De verbroedering der Kunstenaars.
ART. 2. Dit doel zal zij trachten te bereiken door:
i°. Het houden van openbare Tentoonstellingen.
2°. Het geven van Kunstbeschouwingen enz,
30. De krachtige ondersteuning van de in art. I, 2°. genoemde Stichting door het batig
saldo van de jaarlijksche exploitatie der genoemde Tentoonstellingen, benevens eene korting
ad 5 pCt. ten laste van den verkooper van tentoongestelde kunstwerken, alsmede de jaarlijksche
bijdrage bedoeld in art. 10 en voorts zoodanige middelen als de Maatschappij daarvoor verder
ter beschikking zal kunnen stellen, aan haar af te staan.
4°. Het openstellen van zalen voor gezellig verkeer.
5°. Het bijeenbrengen van eene Boekerij en het ter lezing leggen van kunstbladen, tijd-
schriften, couranten enz.
6°. Het aanknoopen van betrekkingen met Binncn- en Buitenlandsche Inrichtingen die in
eene gelijke of verwante richting werkzaam zijn.
70. Alle gepaste middelen die verder daartoe kunnen leiden.
* *
-ocr page 13-
— Il —
Niettegenstaande de groote kosten welke alle deze onder a, b, c, d, e, f, g en // genoemde
aangelegenheden (in vroeger jaren, de laatste 10 ten minste, ten eenenmale onbekend) hebben veroor-
zaakt, is door het tegenwoordig Bestuur sedert i Jan. 1893 tot uit. Dec. 1895 een bedrag van
± ƒ 9000.— in soliede 3 °/0 fondsen belegd.
Deze fondsen zijn gedeponeerd bij de Associatie-Cassa, en bestaan thans in:
ƒ 5000.— 3 °/0 Obl. Gemeente Amsterdam.
„ 2000.— 3 % Obl. Maatschappij tot Expl. van Staatsspoorwegen.
,, 1000.— 3 % Ned. Werk. Schuld.
„ 500.— 3 °/o Premieleening Gemeente Amsterdam.
„ 500.— 3 % Cert. Ned. W. Schuld.
ƒ 9Ö00.- Nominaal.
terwijl de dienst 1896 voor belegging aanwijst een bedrag van minstens ƒ4000.—.
*         *
*
In de acte der leening 1893 groot ƒ 160.000.— is bepaald dat eventuecle aflossing gere-
geld zal worden tusschen het Bestuur der Maatschappij en H.H. Commissarissen. Uit hetgeen in
den aanhef over het Weduwen- en Weezenfonds is medegedeeld, blijkt echter dat aflossing allerminst
in het belang van het Fonds zou zijn. Waar het Fonds aan de Maatschappij de kosten van uit-
gifte eener nieuwe leening bespaarde door deze aanstonds in haar geheel te nemen, en tevens de
Maatschappij in de eerste plaats aangewezen is om deze haar zoo nauw verbonden Instelling te
steunen, mag derhalve van aflossing voorloopig geen sprake zijn.
Bij den tegenwoordigen toestand der Maatschappij zoude zij in staat zijn om van de
leening ten haren laste groot ƒ 160.000.—, jaarlijks ƒ 3000.— af te lossen waardoor deze leening
in ruim 50 jaren geheel zou zijn gedelgd. Deze aflossing geschiedt thans niet, omdat aflossing
niet is in het belang van liet Wedmven- en Weezenfonds,
maar daartegenover staat dat de Maat-
schappij thans jaarlijks omstreeks ƒ 3000.— rentegevend belegt.
De rente-last vermindert dus wel is waar niet, maar de inkomsten stijgen elk jaar gcmid-
deld evenveel als de uitgaven bij aflossing van jaarlijks ƒ 3000.—, zouden verminderen.
Voor de finantiën der Maatschappij komt dit op hetzelfde neer, maar bij aflossing der
leening zouden de belangen van het Wedu\\ven- en Weezenfonds niet zoo goed gewaarborgd zijn
als thans het geval is.
Tevens dient opgemerkt te worden dat de verschillende pcrceclen der Maatschappij
voor de eerstvolgende jaren goed zijn verhuurd en dat de door het tegenwoordig Bestuur afge-
sloten huurcontracten alle mcde-onderteekend zijn door twee soliede borgen.
De huurcontracten loopen :
Perceel Spui 1.......   tot 30 April 1897.
11                 ii
11
3.......    ,, 1 November 1896.
5.......    «30 April 1899.
„ Kalverstraat 141 . . .    „ 30 Mei 1898.
„                 „            141a. . .    „ 14 September 1898.
«                 „            143 • • •    r. 3° April 1899.
„                 „            151. . .    „ 1 November 1898.
*
Bij het mededeelen van enkele feiten uit den artistieken werkkring der Maatschappij
gedurende de drie laatste jaren, vermelden Bestuurderen met groote ingenomenheid in de eerste
plaats dat het H. M. de Koningin-Regentes behaagd heeft tot tweemalen toe ter hunner be-
schikking te stellen een Koninklijke Gouden Medaille, door hen uit te reiken aan een jongen
Nederlandschen Kunstenaar van groote bekwaamheden. Deze medailles werden toegekend aan de
H.H. G. H. Bkeitner en G. W. Dysselhof.
Gedurende de jaren 1894 en 1895 werden in de Maatschappij gehouden 12 tentoon-
stellingen, ofschoon het gebouw eerst met ingang van 1 Mei 1894 wederom in gebruik werd
genomen.
In de jaren 1890, 91 en 92 werden er niet meer dan 4 jaarlijks gehouden, evenals in
1893 toen de najaars-tentoonstelling uithoofde van genoemde verbouwing kwam te vervallen.
Alléén in 1895 werden 4 tentoonstellingen van het werk der kunstenaars-leden georganiseerd,
een aantal dat zeker in de laatste, aan 1893 voorafgaande, jaren nooit hooger dan 2 is geweest.
Bedoelde tentoonstellingen waren:
a.    Tentoonstelling van Studiën, enz.
b.                  „                ,, Tcekeningen in Zwart en Wit.
c.                  ,,                „ Portretten.
d.                  ,,                „ Aquarellen.
-ocr page 14-
— 12 —
Bovendien bleven in het afgcloopcn jaar de kunstzalcn tijdens de Stedelijke Expositie gesloten
en kwam hiermede de gebruikelijke najaars-tentoonstclling van schilderijen te vervallen.
* *
*                                                                                             \'
Sedert het optreden van het tegenwoordig Bestuur werden grootcndeels in vaste samen-
werking met het Genootschap „Pulchri Studio" een aantal van 6 Nederlandsche afdeelingen op
Buitenlandschc tentoonstellingen georganiseerd, te weten:
München......l893» 1894 en 1895.
Weenen......1894.
Antwerpen.....1894.
Dresden......1895/1896.
Van eene dusdanige geregelde en door liet tegenwoordig Bestuur steeds gewaardeerde organisatie
door tusschenkomst der beide groote Kunst-Vereenigingen was in vroeger jaren geen sprake.
Deze samenwerking met het Genootschap „Pulchri Studio" kwam op initiatief van het tegen-
xvoordig Bestuur der Maaiscliappij ^Arti et Amicitiae"
tot stand, (begin 1893).
Ook de regeling der Hollaiulsche afdeeling op de a.s. Jubileums-Tentoonstelling te Berlijn
geschiedt door een Comité uit de Vereenigde Besturen benoemd. Voorzitter van dit Comité is
de Heer H. W. MESDAG, Secretaris de Heer Gerard MULLER.
Het beheer der gelden wordt in hoofdzaak door den secretaris-penningmeester namens en
steeds in overleg met het Bestuur gevoerd.
Voor de dagelijksche uitgaven ten behoeve der verschillende afdeelingen ontvangt de
iste administrateur geregelde voorschotten, waarvoor hij in Rekening-Courant wordt gedebi-
teerd. Deze Rekening-Courant wordt op den laatstcn van elke maand afgesloten en dient met
behoorlijke bewijzen, door de verschillende afdeeling-sccretarissen nagezien en voor accoord
getcekend, te zijn gestaafd.
Sedert 1 Jan. 1893 zijn daarvoor bij den isten administrateur speciaal ingerichte kas- en
andere boeken in gebruik gesteld.
De inrichting der exploitatie van het buffet geschiedde mede na 1 Jan. 1893 op geheel
nieuwen voet, na raadpleging van een der eerste deskundigen. Van de gehcele exploitatie, alsmede
van den door den kastelein te verantwoorden voorraad wordt maandelijks balans opgemaakt.
Het beheer over de Kunstzalen en dat der Kunstbeschouwingen en Circulecrende Porte-
feuille berust bij afzonderlijke Commissiën. Ontvangst en uitbetaling der hierop betrekking
hebbende gelden geschiedt onder controle der bevoegde secretarissen door tusschenkomst van
den istcn Administrateur. Het debet en credit dezer verschillende rekeningen wordt in afzon-
derlijke Rekening-Courant maandelijks aan den Secretaris-Penningmeester verantwoord en dient
eveneens met behoorlijke bewijzen te zijn gestaafd.
*
Alle uitgaven worden vóóraf door het Bestuur gecontroleerd en zoo noodig gecontrasigneerd.
Het opmaken der kas geschiedt dagelijks, zoowel door den Secretaris-Penningmeester of door
den plaatsvcrvangenden Penningmeester en door den isten Administrateur. Bestuurderen kunnen
steeds van alle mogelijke bescheiden kennis nemen; dit geldt eveneens van de vele Commissiën,
voor zooverre de bepalingen van Wet en Reglementen dit voorschrijven. De verschillende
Correspondentie!! zijn voor de betrokken Commissiën dagelijks toegankelijk en worden maan-
dclijks geordend.
Het uitgebreide archief der Maatschappij is eerst na 1 Januari 1893 behoorlijk geordend
en geïnventariseerd. Een catalogus van het archief is mede in 1893/1894 gemaakt en alle zich
daarin bevindende stukken zijn thans omschreven en dadelijk te verkrijgen.
Na de verbouwing is tevens een zeer uitvoerig inventaris-boek aangelegd. Alle aan de Maat-
schappij toebchoorende zaken zijn met vermelding van de daarvoor aangewezen lokalen duidelijk
beschreven en ingeboekt. Voor het steeds aanwezig zijn der verschillende artikelen is de kastelein-
huisbewaarder aansprakelijk. Hij is gehouden van eventueel breken of te-loor gaan aanstonds
kennis te geven. Het op die wijze ontbrekende wordt oogenblikkelijk aangevuld, zoodat in het
aantal goederen, zonder bizondere omstandigheden geene wijziging wordt gebracht. De Admini-
stratie telt en ziet deze eigendommen cenige malen in het jaar na, terwijl in Augustus van elk
jaar een definitieve inventaris-staat wordt gemaakt.
Bedoeld inventaris-boek is door den assurantie-bezorger der Maatschappij een model van
goede inrichting genoemd.
-ocr page 15-
III. De Verkoop der verschillende Galerijen ten bate van
het lVeduwen- en IVeezcnfouds.
Aan het daaromtrent in ons vorig jaarverslag vernielde, wenschen wij nog het volgende
toe te voegen.
Nu achteraf is gebleken dat, volgens de berichten dienaangaande, op den koop der drie
Collectiën eene aanzienlijke winst schijnt behaald te zijn, doet het ons, die van het oogenblik van
ons optreden onze bizondere zorg aan de belangen van het Weduwen- en Weezenfonds hebben
gewijd, meer dan aan iemand anders leed dat wij ons geen grooter bedrag ten bate van gemeld
fonds hebben kunnen verzekeren.
De éénige vraag evenwel, die voor eene billijke beoordeeling van het in deze door de
Maatschappij — en geenszins speciaal door het Bestuur — gevolgde beleid, mag worden gesteld,
is deze:
„Bestonden er, toen tot verkoop werd overgegaan, voor de Stemhebbende Leden der
Maatschappij die het Bestuur der Stichting machtigden, en voor gemeld Bestuur
bestaande uit de H.H. GERARD MULLER, Voorzitter, Bart VAN HOVE, Secretaris,
H. A. SANGSTER, Penningmeester, H. P. BERLAGE Nzx. en E. S. WITKAMP JR., Leden,
dat met eenparige stemmen tot verkoop besloot, gegronde redenen om aan te nemen
dat deze verkoop op zich zelf gemotiveerd was en dat de koopsom een bevredigend
cijfer vertegenwoordigde?"
Tot beantwoording dezer vraag dicne het volgende:
a.     Het absolute gemis aan belangstelling van de zijde van het publiek en van de
Kunstenaars zelf.
De Historische Galerij werd voor het laatst tentoongesteld in 1889. Niettegenstaande de
cntrt:cprijs veelal op 10 cent was gesteld bedroeg het aantal bezoekers per dag nog geen 7.
Evenmin kwam ooit eene aanvrage tot het tentoonstellen dezer Galerij bij het tegcnwoor-
dig Bestuur in, en de diverse Commissiën van beheer over de kunstzalen, waarin sedert ons op-
treden als bestuur onder meer zitting namen, de H.H. BASTERT, BREITNER, HEIJL, Kever, roc.GEX-
BEEK, Rust, enz., hebben nimmer aangedrongen op het wederom tentoonstellen dezer Galerij.
b.    De kosten welke jaarlijks gepaard gingen aan het bewaren der collectiën, assurantiën
enz. en welke kosten door de Maatschappij moesten worden gedragen. Voeg hierbij dat het
tentoonstellen der Galerij voortdurend een nadeelig saldo ten laste der Maatschappij opleverde
en dat het e:ënige voordeel, dat het Fonds in de laatste 12 jaren uit het tentoonstellen der
Galerij genoot, niet meer bedroeg dan 5 Gulden 76 Cent.
c.   De de:plorabele toestand waarin de verschillende doeken en encadrementen zich bevonden.
Eene vernieuwing der encadrementen had minstens 6 duizend Gulden gekost, en de Verga-
dering van Stemhebbende Leden (waarin velen zitting hebben die aan de Historische Galerij
hadden medegewerkt) zou bij haar oordeel over deze Galerij, nimmer een dusdanig crediet hebben
verleend.
d.   Het rapport aan de Vergadering van Stemhebbende Leden, in zake bedoelde collectiën
uitgebracht Octobcr 1893, door eene speciaal daarvoor benoemde commissie, bestaande uit de
Heeren C. L. Dake, N. V. D. YVaav en GEO POGGENBEEK, rapporteur.
Dit rapport zegt onder meer:
„De laatste maal dat de Hist. Galerij werd tentoongesteld, was de belangstelling zeer
„gering, en het niet meer publiek tentoonstellen der Collectie zal slechts door enkelen betreurd
^kunnen worden."
-ocr page 16-
— 14 —
De Commissie adviseerde tot verkoop ten bate van het Fonds en zegt
verder:
„Het Weduwen- en Weczenfonds zou misschien met eene niet onaanzienlijke bijdrage
„versterkt worden".
Over de Collectie „DE Vos" luidt bedoeld rapport:
„Het artistiek gehalte dezer Verzameling is, volgens de opinie der Commissie, niet groot
„genoeg dat verder behouden en bewaren van cenig nut of belang voor de Maatschappij kan zijn".
e. De zoo goed als algeheele toestemming der nog levende vervaardigers van bijdragen der
Historische Galerij.
(Vóór dat tot verkoop werd overgegaan is deze toestemming uitdrukkelijk gevraagd. Van
de circa 40, weigerden aanvankelijk 5. Ten slotte hebben ook deze er zich mede vereenigd.)
Uit het bovenstaande zal voor ieder onbevooroordeelde blijken dat bij het eenstemmig
verleenen der machtiging tot verkoop door de Vergadering van Stemhebbende Leden, (slechts
een der leden hield zich buiten stemming) en bij het afsluiten van den verkoop door het Bestuur
der Stichting, toen zooals reeds is gezegd bestaande uit de HH. GERARD Mt\'LLKR, Bart VAN HoVE,
H. A. SANGSTER, H. 1\'. BERLAGE Nzn. en E. S. Witkamp Jr., allen in de mecning moesten
verkeeren dat een alleszins bevredigend bedrag werd ontvangen. Daaraan twijfelde op dit oogenblik
dan ook niemand.
Mn niemand kon verwachten dat zich later eene ongekende belangstelling
zou openbaren in eene collectie, die in voorafgaande jaren zich zelfs niet in de meest bescheiden
mate van belangstelling had mogen verheugen.
Hierbij komt nog dat voor de verzameling, bijeengebracht met het doel om eene verloting
ten voordeele van het fonds te organiseeren, nergens eenige sympathie was te vinden. Bijna alle
aanzoeken tijdens liet vorig Bestuur aan voorname ingezetenen hier ter stede gericht, om als Com-
missielid deze verloting te steunen, werden met eene weigering beantwoord.
Bij de beoordeeling van de som (ƒ 17,500) welke het Bestuur van het Weduwen- en
YVeezenfonds, na met bijna algemeene stemmen tot verkoop door de Vergadering van Stcmheb-
bende Leden der Maatschappij te zijn gemachtigd, voor de collectiën ontving, houde men
bovendien het volgende in het oog. (*)
Had men de collectiën hier in openbare veiling gebracht, de opbrengst zou wellicht
hooger zijn geweest, maar vele stukken — en daaronder ook van nog levende kunstenaars —
zouden voov luttele bedragen zijn van de hand gegaan.
Dit meenden Bestuurdcren der Maatschappij, Bestuurderen van het
Fonds en Stemhebbende leden eenpariglijk te moeten voorkomen, uit defe-
rentie jegens de vervaardigers dezer aan de Maatschappij ten geschenke ge-
geven schilderijen.
Daarom werd niet verkocht dan nadat de toestemming der nog levende vervaardigers
was gevraagd en gegeven en werd de verkoop op zoodanigen voet gesloten, dat naar men
meende, de zekerheid was verkregen dat de collectiën naar het buitenland zouden gaan en met
uitzondering misschien van een enkel doek, dat bij vervolg van tijd zou kunnen terugkeeren,
daar blijven. Dat de uitslag aan het gewettigd vertrouwen dat aldus zou geschieden, niet heeft
beantwoord, is de schuld der verkoopers niet. Bij het onderhandelen over en het afsluiten van
den verkoop heeft vervoer naar en verspreiding der collecliën in het buitenland steeds op den
voorgrond gestaan.
Hierdoor werd de koopprijs natuurlijk gedrukt, want ware geschied wat
bij den verkoop werd overeengekomen, dan zouden er jaren noodig zijn ge-
weest vóór de kooper deze Nederlandsche schilderijen in het buitenland zou
hebben geplaatst en voor zijne moeite beloond zou zijn geworden.
Zooals reeds in den aanhef is gezegd wordt het verloop dezer gansche aangelegenheid
door ons natuurlijk betreurd. Wij, zoowel als het Bestuur van het Weduwen- en Weezenfonds,
hebben, gemachtigd door de Vergadering van Stemhebbende Leden — de eenige eigenaresse der
drie bedoelde collectiën — en met de zoo goed als algeheele toestemming van de nog levende
vervaardigers der Historische Galerij, niet alleen te goeder trouw maar met de beste bedoelingen
gehandeld.
Wanneer thans door verschillende omstandigheden de door het Weduwen- en Weezen-
Fonds ontvangen som eene te geringe schijnt te zijn, dan volgt daaruit, blijkens al hetgeen hier-
boven is medegedeeld, nog niet dat op het oogenblik, waarop bedoelde verkoop werd afgc-
(*) De overdracht aan <le Stichting en de machtiging tot verkoop tot een minimum van ƒ 15,000.— geschiedde
op de Vergadering van 26 Februari, nadat het voorstel daartoe op de voorgaande vergadering (12 Februari)
was ingediend en uitvoerig was behandeld. Op geen dezer vergaderingen werd het voorstel zelf bestreden.
-ocr page 17-
— 15 —
sloten, gehandeld werd in strijd met de belangen van de Maatschappij en het Fonds voor
Weduwen en Weezen.
Hadden wij de collectiën stil in hare rustplaats gelaten, wij zouden ons zclven veel
onaangenaams hebben bespaard; maar de collectiën zouden bij gebreke van voldoend onderhoud
en van ecne behoorlijke bewaarplaats — en aan deze voor schilderijen noodzakelijke levens-
voorwaarden koil het tegenwoordig bestuur evenmin als vroegere besturen voldoen — langzaam
maar zeker belangrijk in waarde zijn verminderd.
Hadden wij deze gedragslijn gevolgd, veel stof dat thans is opgejaagd, zou stil zijn
blijven liggen; veel geschrijf zou ongeschreven zijn gebleven; veel wrijving zou zijn vermeden
en lasterlijke insinuaties — want ook die werden ons niet bespaard, — zouden waarschijnlijk
achterwege zijn gebleven; maar de collectiën zouden zijn begraven geweest en het Weduwen- en
Weezen-Fonds zou niets, hoegenaamd niets ontvangen hebben.
Zouden daarmede de belangen van het Weduu>en- en Weesenfonds beter zijn gediend geweest?
Wij zijn er dankbaar voor dat de Vergadering van Stemhebbende leden — Onze eenige
lastgeefster — niettegenstaande de van buiten met zooveel felheid en zooveel hartstocht aange-
blazen twist en tweedracht, de goede bedoeling welke bij allen voorzat die aan den verkoop der
collectiën hebben medegewerkt, geen oogenblik in twijfel heeft getrokken. Zoolang wij ons
kunnen verheugen in het vertrouwen der Vergadering van Stemhebbende leden dat wij thans in
zoo hooge mate mogen genieten, zullen wij onze beste krachten aan de ons toevertrouwde
belangen blijven wijden.
Een woord van dank mogen wij ook niet achterwege houden aan zoovelcn in en
buiten de Maatschappij die zich niet hebben laten medesiepen door den kunstmatig opgewekten
storm en na, zonder vooringenomenheid, het „hoor en wederhoor" te hebben toegepast, ons
hun steun zijn blijven verleenen.
-ocr page 18-
IV. De Verecniging tot Bevordering van Beeldende Kunsten.
Over deze Verecniging en hare vooruitgang kan het sedert i Januari 1893 opgetreden
Bestuur kortheidshalve met het volgende volstaan.
Op 1 Januari 1893 stonden ingeschreven 2426 leden; in den loop van dat jaar moesten
om verschillende redenen nog een tachtigtal afgevoerd worden; er bleven dus slechts 2346 over.
Aanstonds heeft het tegenwoordig Bestuur, wederom geheel op eigen initiatief en zonder
aanbeveling van welke zijde ook
de handen aan het werk geslagen om in den sedert jaren kwij-
nenden toestand verbetering te brengen.
Bij de laatst gehouden verloting December 1895 stonden dan ook ingeschreven 4525
loten, derhalve aanwijzende eenc vermeerdering sedert 1892 van 2179 loten.
In de drie jaren van het door het tegenwoordig Bestuur gevoerde beheer is het ledental
dezer Verecniging bijna verdubbeld.
Op 1 Januari 1893 bedroeg het aantal Correspondentschappen 143.
Op 1 Januari 1895 281.
De lijst der sedert I Januari 1893 139 nieuw gevestigde Correspondentschappen is hier-
onder gevoegd.
Aalsmeer.
Eeij naart.
Meerssen.
Varik.
Amerongen.
Geldermalsen.
Middclharnis.
Vechcl.
Anna-Paulowna.
Gemert.
Monster.
Vinkeveen.
St. Anna-land.
Gcndt.
Mijdrecht,
Vleuten.
Appingadam.
Genemuiden.
Neder-Langbroek.
Voorburg,
Assendelft.
Gieten.
Nieuw-Buinen.
Vreeswijk.
Axel.
Goor.
Nieuwe-Pekela.
Vries.
Barsingerhorn.
Grave.
Numansdorp.
Vrieseveen.
Batenburg.
\'s Gravendeel.
Nunspeet.
Vrijenban.
Beek en Donk.
\'s Gravensandc.
N ij broek.
Waardenburg.
Bellingwolde.
Haaksbergen.
Nijkerk.
Warfum.
Berkel.
Haaren.
Oirschot.
Warmenhuizen.
Bodegrave.
Heerde.
Oldenzaal.
Warmond.
Bokstel.
\'s Heerenberg.
Ommen.
Warnsveld.
Borger.
Hceswijk.
Oost-Voorne.
Wierden.
Boxmeer.
Hellevoetsluis.
Oost-Zaan.
Wilnis.
Brielle
Hoogeveen.
Ooster-Blokker.
Winkel.
Brouwershaven.
Hoogezand.
Oss.
Woerden.
Charlois.
Huissen.
Oud-Beijerland.
Wormer.
Culemborg.
Huizen.
Oudshoorn.
Woudenberg.
Deil.
Joure.
Papendrecht.
de Wijk (N.-Br.)
Delden.
Kerkerade.
Paterswolde.
de Wijk (Dr.)
Deurne.
Koevorden.
Rolde.
Zelhem.
Dicmcn.
Koog a/d Zaan.
Sittard.
Zevenbergen.
Diepenheim.
Krimpen a/d Lek.
Slotcrdijk.
Zoetcrwoudc.
Diever.
Krommenie.
Sluis.
Zoclen.
Dinteloord.
Kruiningcn.
Smilde.
Zuidlarcn.
Dinxperlo.
Leerdam.
Spanbroek.
Zwammerdam.
Drimmelen.
Leiderdorp.
Steendercn.
Zwartsluis.
Druten.
Leimuiden.
Steenbergen.
Zweelo.
Ede.
Lienden.
Steenwijk.
* *
*
Emmen.
Lissc.
Terschelling.
Bremcn.
Enschede\'.
Loencn.
Texel.
Deli.
Eraneker.
Maarsseveen.
Tholen.
Glasgow.
Erederiksoord.
Marum.
Uitgeest.
Het doel der Verecniging: de bevordering en verspreiding van Hollandsche
Kunst is mitsdien door het tegenwoordig Bestuur steeds in \'t oog gehouden.
-ocr page 19-
V. Het Fonds „IVillink van Co //en".
Het Fonds bestaat in:
ƒ 16.000.— 3 % Oblig., gemeente Rotterdam.     . .   f 15.680.—
,, 15.000.— 3 % „            „          Amsterdam.    . .   „ 14.700.—
„ 400.— 3 "/„ Loten, gemeente-crediet.            . .   „ 424.—
ƒ 31.400.— nominaal                                          ƒ 30.804.—
in open bewaargeving bij „De Nederlandsche Bank".
Volgens akte N°. 2830 gedagtcekend 29 April 1895 en geteekend
DE HOOI\' SCHEFFER,
Directeur- Secretaris.
Onder bepalingen opgemaakt door Bestuurdcren in hunne Vergadering van den 20 April 1895
waarvan extract notulen bij de Nederlandsche bank is gedeponeerd.
Deze bepalingen luiden dat voor terugvordering noodig zullen zijn de handteekeningen
van alle 5 Bestuursleden, zoowel nu als later. De rente-ontvangst zal geschieden met kwitantie
door twee Bestuursleden te onderteekencn.
* *
*
In vroegere jaren werden de inkomsten van liet Fonds gebruikt tot liet uitschrijven van
eene prijsvraag voor een te maken schilderij op bepaalde grootte en volgens opgegeven onder-
^=\'F. Tïoao >\\ijz.e van doen werd door de Kunstenaars in het algemeen nu juist niet als de
best te volgen weg beschouwd. Bovendien gaf de uiterste wilsbeschikking van den Heer
W. F. WILLINK VAN CoLLEN tot het uitschrijven dezer prijsvragen niet de minste aanleiding.
Onder meer luidt bedoelde wilsbeschikking — sprekende van „jeugdige Nederlandsche
Kunstenaren" en van „bijzonderen aanleg of bekwaamheden", — „latende ik de wijze van daarstel-
„ling van dit Fonds, van het beheer, van de toekenning en van het bedrag der te verkenen onder-
„steuning geheel over aan het oordeel van het Bestuur, enz."
Hieruit blijkt dat het tegenwoordig Bestuur in de wijze waarop het de gelden van genoemd
Fonds heeft besteed, geheel overeenkomstig de bepalingen van het testament heeft gehandeld,
gelijk ook door het advies van zijn rechtskundigen raadsman over de bij het testament aan het
bestuur toegekende bevoegdheid bevestigd wordt.
De inkomsten 1893, 1894 en 1895 bedroegen:. . . . aan saldo 1892 ƒ 814.79J
Aan rente 1893, 1894 en 1895...............„3131.40
Totaal .... ƒ 3946.19A
Zij werden besteed: a. aan een prijsvraag voor een muurschildering, waarvan de kosten
met inbegrip van tentoonstellen en terugbezorgen (de tentoonstelling kon wegens de verbouwing
niet in het Maatschappelijk gebouw plaats vinden) bedroegen ƒ 847.32^. (Aan elk der zeven
mededingers werd eene tegemoetkoming van ƒ 100.— verstrekt.)
b.    Tot het geven van diverse tegemoetkomingen aan jeugdige kunstenaars, te weten: de
Heeren N. W. JüNGMANN te Londen, F. G. KOSTER en K. V. LEEUWEN, tot een totaal bedrag
met inbegrip van kosten voor geldverzending van ƒ 731.37.
c.   Tot het beschikbaar stellen van een bedrag groot ƒ 360.— aan den Hoogleeraar-
Directeur der Rijksacademie van Beeldende Kunsten, ten einde drie der beste leerlingen dezer
Instelling in de gelegenheid te stellen een bezoek aan de National-Gallcry te Londen te brengen.
d.    Tot het aankoopen in 1894 van het schilderij van G. H. BREITNER, getiteld: „In
de Sneeuw."
Idem in 1895 van het schilderij van M. W. VAN DER Valk, getiteld: „Maannacht".
-ocr page 20-
VI. Het Davids-Fonds.
Het „Davids-Fonds" bestaat uit:
5 3°/0 Obl. Gemeente Amsterdam, elk groot ƒ iooo.— Nominaal
5 vi « \'sGravenhage „ „ iooo.— ,,
5 ii m Rotterdam „ „ iooo.— „
2 3Îrt. N.W. S. a ƒ ioo.— Nominaal........
ƒ
5.000.—
J
4.900.—
5.000.—
11
4.900.—
5.000.—
11
4.900.—
200.—
11
200.—
Nominaal.
ƒ 15.200.— ƒ 14.900.—
berustende in open bewaargeving bij de Nederlandsche Bank, ingevolge besluit van Bestuurderen
van 20 April 1895, akten No. 2831, gcdagteekend 29 April 1895 en 14 Juni 1895.
Geteekend: De Ned. Bank,
De Hoop Scheffer,
Dir.-Secr.
Afschrift notulen der Bestuurs-vergadering, tevens inhoudende vastgestelde bepalingen
omtrent terugvordering en rente-ontvangst is gedeponeerd bij de Bank.
De verschillende effecten kunnen alleen op de handteekeningen van alle bestuursleden
worden teruggenomen.
De inkomsten van het Fonds zijn bezwaard met een uitkecring ten behoeve van
Mevrouw S. H. gcb. C, thans wonende te Amsterdam, groot ƒ 200.— \'sjaars.
De inkomsten werden verder besteed:
a. tot het beschikbaar stellen van een bedrag groot ƒ 100.— aan het genootschap
„Architectura et Amicitiae" tot het uitschrijven van een prijsvraag.
b. Tot het geven van diverse tegemoetkomingen i°. aan eene in kommervolle omstandig-
heden verkeerende Kunstenaresse; 2°. aan den ex-leerling der Academie F. G. KOSTER
en aan den Kunstschilder P. EGMOND. te Enkhuizen.
-ocr page 21-
UITTREKSEL.
BIJLAGE A.
Anno 1893.
De Maatschappij „Arti et Amicitiae\' in Rekening-Courant met de Rente-Cassa.
Debet.                                                                                                             Credit.
20 Jan.—2 Dec.
Diverse stortingen per Associatie-Cassa ƒ107,900.—(*)
31 Dec.
Onszclve wijziging.......„ 220,800.—
Onszelve Rente........„ 1,051.17
27 Mei—29 Dec.
Diverse overschrijvingen per
Associatie-Cassa........ƒ 51,700.—
31 Dec.
Onszclve div. afboeking wegens continuatie,
gcw. conditie en wijziging van rentekoers ,, 220.800.—
Associatie-Cassa N°. 549 voor rente. . „ 1,051.17
Saldo overgebracht op Nieuwe Rekening „ 56,200.—
ƒ 329.751.\'7
ƒ329,751.17
S. E. O.
Amsterdam, 31 December 1893
De Rente-Cassa,
(w. g.) A. H. Beels.            J. W. H. CROMMELIN.
(*) Hieronder is begrepen ƒ 81,000.— contanten, leening
1893, bestemd voor aflossing en verbouwing).
Anno 1894.
De Maatschappij „Arti et Amicitiae\' in Rekening-Courant met de Rente-Cassa.
Debet.
Credit.
Per Saldo...........ƒ56,200.—
30  Jan.—10 Dec.
ƒ70,900. () j)iversc stortingen per Associatie-Cassa „ 25,500.—
31   Dec.
Onszclve wijziging........,, 92.S00.—
Onszelve Rente.........„ 909.29
18 Jan.—17 Dec.
Diverse overschrijvingen per
/YSSOClail<_-Ca»3ci ....
31 Dec.
Onszclve div. afboeking wegens continuatie,
gcw. conditie en wijziging van rentekoers ,
Associatie-Cassa N°. 635......„ 909.29
Saldo overgebracht op Nieuwe Rekening „10,800.—
ƒ175,409.29
ƒ 175,409.29
Amsterdam, 31 December 1894.
S. E. O.
De Rente-Cassa,
(w. g.) A.
H. Beels.
            J. W. H. Crommelin.
(\') In dit jaar werd de verbouwing in haar geheel betaald.
Anno 1895.
De Maatschappij „Arti et Amicitiae" in Rekening-Courant met de Rente-Cassa.
Debet.                                                                                                             Credit.
1 Jan.— 1 Dec.
Diverse overschrijvingen per
Associatie-Cassa........ƒ 34.200.—
31 Dec.
Onszelve div. afboeking wegens continuatie,
gew. conditie en wijziging van rentekoers „ 21.900.—
Associatie-Cassa N°. 588......„ 240.28 | 0
Per Saldo...........ƒ 10.800.—
4 Jan.—19 Dec.
Diverse stortingen per Associatie-Cassa „ 28.200.—
Onszelve wijziging........„ 21.900.—
31 Dcc.
240.28O
Saldo overgebracht op Nieuwe Rekening „ 4.800.—
ƒ 61,140.28
ƒ 61,140.28
Amsterdam, 31 December 1895
S. E. O.
De Rente-Cassa,
{w.g.) A.
H. Beels.
            J. W. H. Crommelin.
(") Betrekkelijk gering, hoofdzakelijk ten gevolge van
den lagen rente-standaard in 1895.
-ocr page 22-
BIJLAGE B.
RAPPORT DER COMMISSIE TOT HET NAZIEN DER REKENING
EN VERANTWOORDING OVER HET JAAR 1894. (*)
Aan de Vergadering van Stemhebbende Leden der
Maatschappij „Arti et Amicitiaë\'.
Jt/eiKDc/e/e o/Ccezen.
De Commissie benoemd tot het nazien der Rekening en Verantwoording over het jaar
1894, bestaande uit de Hcercn Bart van Hove, Geo POGGENBEEK en Ed. FRANKFORT, heeft
de eer U mede te dcelen, dat zij deze Rekening en Verantwoording met de daarop betrekking
hebbende bescheiden, heeft onderzocht en alles in de meest volmaakte orde heeft bevonden. In
bedoelde Rekening en Verantwoording was begrepen, de totale afrekening van de in 1893 en
1894 plaatsgevonden verbouwing. Het daarvoor bestemde credict van ƒ55,500.— is door bij-
schrijving dienst 1893 en cene bate over 1894 incasseerd gestegen tot ƒ58,848.35, terwijl de
uitgaven ƒ 57,954,99\' beliepen. Het saldo van ƒ893.355 is \'n de ontvangsten over 1894 ingenomen.
Waren de ontvangsten over 1894 met inbegrip der verbouwingssom ƒ94489785, het totaal der
gedeponeerde gelden bij de Rente-Cassa beliep ruim ƒ81,000.—.
De Commissie heeft met groot genoegen een uitstekend finantiöel beleid geconstateerd.
Bijna alle contributiën werden geïnd en hoofdzakelijk in de drie eerste maanden van het jaar;
het hoofd der achterstallige contributiën is op die wijze tot een minimum teruggebracht.
Verder wijst zij met genoegen op de directe resultaten hierdoor verkregen; aan kasrente bij de
Rente-Cassa werd nog ƒ 909.29 gemaakt. De huren weiden ook alle ontvangen; bovendien was
de bijdrage der „Vereeniging tot bevordering van Beeldende Kunsten" zeer ruim, en dat, als
gevolg van de groote vlucht welke deze Vereeniging heeft genomen, zoodar aan administratieloon
(15 °/o der bruto ontvangsten) ƒ 2988.90 kon worden geboekt.
In 1894 werden de laatste obligatiën van vroegere leeningen afgelost, zoodat de geheele
schuld der Maatschappij thans ƒ 160,000.— bedraagt en eigendom van de Stichting „Weduwen-
en Weezenfonds" is.
De uitgaven waren dit jaar om bizondere redenen zeer hoog.
In de eerste plaats de vermeerdering aan rente-last, tengevolge der verbouwing.
De verplaatsing der Sociëteit, eene directe uitgave van ƒ 780.—, terwijl bovendien dien-
tengevolge het nadeelig saldo der Buffet-exploitatie bizonder hoog was ƒ 1184.99.
Ook beliepen de uitgaven voor buitenlandsche Tentoonstellingen de somma van ƒ 815.76^
ten gevolge van het zelf in handen nemen der Hollandsche afdeeling op de expositiën in Weenen
en München, waarvoor een crediet van ƒ 800.— werd verleend.
De representatie-kosten moesten alleen door onze Maatschappij gedragen worden.
Alle kosten der openingfeesten werden uit dezen dienst bestreden.
Het verleend crediet van ƒ 5000.— werd met ƒ 443.50^ overschreden. Met het oog op
de zoo goed geslaagde feesten en hetgeen genoten is, is zulks niet bezwaarlijk te noemen. Toch
konden Bestuurderen nog ƒ 2530.04 voor aankoop effecten ƒ 2500.— nominaal bestemmen.
Op ultimo December 1894 bezat de Maatschappij ƒ 6000.— nominaal aan effecten, ge-
deponcerd bij de Associatie-Cassa.
Gaarne brengt de Commissie hulde aan de Bestuurderen voor de flinke en zoo duidelijke
wijze waarop thans de administratie is geregeld. Het nazien der Rekening en Verantwoording
werd daardoor zeer gemakkelijk gemaakt. Alles is tot de kleinste bizonderheden verantwoord
en gebracht op de daarvoor in aanmerking komende hoofden, zoodat de kosten van alle onder-
deelen juist konden nagegaan worden.
(w. g.) Bart van Hove.
Geo Poggenbeek.
Ed. Frankfort.
(") Óver 1895 moet de Rekening en Verantwoording nóg worden afgesloten en onderzocht.
Wat betreft het beheer over 1893 zegt het verslag over gemeld jaar:
»In de Vergadering van Stemhebbende Gewone leden dato 27 Maart 1894 deed de penningmeester
rekening en verantwoording over het jaar 1893. Deze werd onderzocht door eene commissie bestaande
uit de Heeren N. Bastert, E. S. Witkamp Jr. en J. H. Wijsmuli.er die in de vergadering van
26 juni 1894 een zeer waardeerend rapport uitbracht, met voorstel om den Penningmeester (de
Heer H. W, Jansen) onder dankbetuiging te dechargecren."
»/ 91