-ocr page 1-
mim \\\\é>cP^
Ba.qu.I.3aA
-ocr page 2-
-ocr page 3-
(fh.ut?j:tttik
INHOUD.
1.    Het Adres van Mr. N. F. van Nooten te Utrecht.
2.    De Liberale Unie en de Grondwet.
\'S.
   Het Kiesrecht en Belastingplicht.
4.
   Het Kiesrecht en de Huurwaarde.
-ocr page 4-
•
•
.
-ocr page 5-
f
In het laatst van Februari dezes jaars werd door Mr.
N. P. van Nooten te Utrecht, het volgende adres aan zijne
geestverwanten ter teekening aangeboden. Terstond vond
zijn roepstem gehoor bij talrijke medeburgers, die in de stad
Utrecht bekend staan als invloedrijke leden der Liberale
Partij. Vooral onder de leden der Utrechtsche Kiezersver -
eeniging werd instemming gezocht en gevonden.
Aan de Tweede Kamer der Stolen-Generaal.
De ondergeteekenden, allen inwoners van Utrecht en
voorstanders van vrijgevige toepassing der grondwettelijke
voorschriften, geven aan Uwe Hooge Vergadering eerbiedig
te kennen :
dat, naar hun inzien, eene doelmatige en geleidelijke
ontwikkeling der Nederlandsche Staatsinstellingen wijziging
van het aan Uwe Vergadering bij Koninklijke boodschap van
20 September 181)2, onder letter «, aangeboden wetsontwerp
tot reijeliny van de kiesbevocydlmd voor de Tweede Kamer
der Staten-Generaal en de Vrovinciale Staten
wenschelijk en
noodzakelijk maakt;
dat toch de voorschriften van dit Ontwerp, in plaats van
ernstig te voldoen aan den eisch der Grondwet, volgens
welken geschiktheid en maatschappelijke welstand den kiezer
moeten kenmerken , de kiesbevoegdheid afhankelijk willen
stellen ten eerste van de kennis van lezen en schrijven, te
blijken uit de daartoe eigenhandig geschrevene aanvraag tot
plaatsing op de lijst der kiezers, en ten tweede van het
voorzien in eigen onderhoud en dat van het huisgezin, terwijl
daarenboven ondersteld wordt, dat in eigen onderhoud en
dat van het huisgezin wordt voorzien door hem, die zelf of
wiens vrouw of inwonende kinderen gedurende het laatst
verloopene burgerlijk jaar geen onderstand heeft of hebben
genoten van eene instelling van weldadigheid of van een
gemeentebestuur;
dat deze voorschriften dus aan de tot hiertoe van kiesrecht
-ocr page 6-
2
verstoken volksmassa de macht willen schenken om, zonder
in het maatschappelijk leven voor deze moeieljjke taak vol-
doende leering te hebben ontvangen, op de verkiezing van
leden der volksvertegenwoordiging in Staat en Gewest een
zóó overwegenden invloed uit te oefenen, dat op den duur
geen Kegeering tegen de eischen dier massa bestand zal zijn;
dat bovendien dit wetsontwerp door de kuiperijen, welke
het te voorschijn roept bü de samenstelling der kiezerslijst,
door den invloed , welken het geeft aan bedriegelijke leuzen
der volksleiders, en ook door de noodzakelijkheid, welke het
aan de staatspartijen, op verbeurte van invloed, oplegt om
de volksmassa te vleien, het staatkundig leven met bederf
bedreigt;
dat de ondergeteekenden, die de beginselen der liberale
party zjjii toegedaan, uitbreiding van de kiesbevoegdheid
wenschelijk achtende, nimmer zoodanige bedoeld hebben als
thans is voorgesteld en door de radicale en socialistische
partyen wordt toegejuicht;
dat, naar de overtuiging der ondergeteekenden, mits men
het onbereikbare ideaal eener volmaakte regeling late varen,
by een ernstigen goeden wil aan den eisch der Grondwet zal
kunnen worden voldaan, door de kiesbevoegdheid afhankelijk
te stellen hetzy van een te bepalen bedrag dor huurwaarde van
het bewoonde huis in verband met stabiliteit van woonplaats,
hetzij van eenigen belastingplicht;
Op welke gronden de ondergeteekenden zich keeren tot
Uwe Hooge Vergadering, met eerbiedig verzoek, dat het
Haar behage voormeld wetsontwerp niet aan te nemen, dan
nadat het in voorschreven, of anderen daarmee overeenstem-
menden zin zal zyn gewyzigd.
\'t welk doende etc
Utrecht, Februari 1893
Hier volgen tal van namen van leden van den Gemeente-
raad, Hoogleer ar en, leden der Rechterlijke macht, particur
lieren, kooplieden
, tverkbuzen, neringdoenden, enz. enz. JJin-
ncn korten tijd teerden QjOO handteckeningen verkregen.
-ocr page 7-
:;
I.
De Liberale Unie en de Grondwet.
Ten opzichte van de keuze der kenmerken , verheugt zich
de Liberale party in een groote mate van vrijheid.
In het program, hetwelk de Liberale Unie in den verkie-
zingsstryd van 1891 uitvaardigde, komt geen enkel woord
voor, dat de keuze van ,lezen en schrijven" thans noodza-
kelijk maakt: „De kiesbevoegdheid voor de Tweede Kamer
der Staten • Generaal worde door onbekrompen toepassing van
het voorschrift der grondwet uitgebreid tot den kring der
werklieden, die reeds te lang daarvan verstoken bleef. De
wetgever ga aanstonds zoover, als een eerlijke uitlegging der
grondwet hem veroorlooft Persoonlijke en geheime invulling
van het stemrecht in het lokaal der stemming worde voor-
geschreven."
Ziedaar al, wat in het program der Liberale Unie over
kiesrecht staat.
In het ontwerp van het program stond echter meer. Daar
stond, dat het kiesrecht zou moeten worden verleend naar
het kenmerk van lezen en schrijven. Doch de tegenstand,
die in den boezem der Unie tegen deze regeling zich terstond
openbaarde, deed de algemeene vergadering van 11 April
1891, in welke het program werd vastgesteld, besluiten dat
kenmerk wcy te laten.
Deze geschiedenis van hetgeen in 1891 is gebeurd , mag
nog wel eens in herinnering gebracht. Want er blykt uit,
dat zjj, die bohooren tot de Liberale Partij en die zich niet
kuunen vereenigen met de kenmerken, welke de minister
Tak thans voorstelt, volkomen consequent zijn. Het kenmerk
van „lezen en schrijven" is metterdaad de poging om te ver-
wezenlijken, wat de leiders, de openbare of verborgen lei-
ders, der Unie in 1891 wilden, doch wat zij moesten laten
vallen, toen de toestemming van de leden der Unie noodig was
voor de totstandkoming van het program, met hetwelk men
-ocr page 8-
I
voor de kiezers ging optreden. Aan wat men toen liet vallen
is thans niemand gebonden.
En men liet het ook niet weg, omdat het een onvei\\schil-
lige vraag gold, een kleinigheid, een kwestie van détail.
Immers „de persoonlijke en geheime invulling van het stem-
billet" — een detailvraag, welke men veel eerder nog aan
den wetgever had kunnen overlaten, — dieu cisch behield
men wel degelijk.
Men verheugt zich dus in groote vrijheid.
Om liet program der Liberale Unie getrouw te blijven, zijn
drie dingen noodig. Men passé het voorschrift der grondwet
onbekrompen toe. Welnu, bekrompenheid zij verre van ons.
Ten tweede: men geve aan de grondwet eene eerlijke uit-
legging. Wat naar onze meening hieronder verstaan moet
worden, zal in het vervolg blijken. Ten derde: men geve
het kiesrecht aan den kring van werklieden, die reeds te lany
daarvan verdoken bleef.
De vraag is natuuurlijk, ivclke kring
van werklieden reeds te lang daarvan verstoken bleef? Men
spore dien kring op. Tusschen „ werklieden" en „werklieden"
bestaat in ons maatschappelijk leven en verkeer een hemels-
breed verschil. Daar ieder , die geen kapitaal bezit, moet
werken voor zijn brood, is „werklieden-kiesrecht", zonder
nadere bepaling, feitelijk een allemans-kiesrecht, en dit
is door de liberale Uni9 niet beoogd. Er heerschte in den
lande in 18\'Jl de meening, dat eene bepaalde soort van werk-
lieden het kiesrecht behoorde te verkrijgen. .Men duidde
die soort gewoonlijk aan met den term gczelcn werkman.
Een vaag begrip, zonder twijfel. Doch het is zaak van po-
litieke eerlijkheid om, zonder misbruik te maken van de
weinige scherpheid der lijnen en zonder daarom alle grenzen
te willen uitwisschen, dit beeld naar de bedoeling van hen,
die het zich voor den geest stelden, scherper thans te tee-
kenen. Het is bovendien zaak van dezelfde eerlijkheid om
zoodanige kenmerken to stellen in de kieswet, dat dit beeld
tot zijn recht komt.
Er is geen enkele reden, waarom de liberale party niet
-ocr page 9-
5
meer zou kunnen onderschrijven, wat de staats-commissie
ter grondwetsherziening in 1884 schreef: „Voor het oogen-
blik eischt het staatsbelang invoering van het algemeen
stemrecht uit te sluiten. Kiesbevoegdheid is niet een
recht, dat den staatsburger als zoodauig toekomt, maar een
recht, dat slechts in zooverre kan worden toegekend, als
die toekenning bevorderlijk is tot het samenstellen van een
vertegenwoordiging, welke de meest mogelijke Avaarborgen
oplevert voor een onpartijdige behandeling van alle openbare
belangen. Bij de tegenwoordige samenstelling der maatschappij
zou door toekenning van kiesrecht aan die ingezetenen, welke,
in ontwikkeling bjj anderen achterstaande, in getal verreweg
de sterksten zijn, zulk eene vertegenwoordiging niet verkre-
gen worden."
In dezen geest is onze grondwet onhvorpen; en in dezen
geest is ook het artikel der grondwet, hetwelk voor het
kiesrecht kenmerken vordert van geschiktheid en welstand,
tot stand gebracht.
De pogingen van sommigen om wat te dier gelegenheid is
voorgevallen, thans te schetsen als zóó buitengemeen ondui-
deljjk, dat men thans de vrijheid heeft om alles te doen wat
men wil, vloeien voort uit het verlangen om zich van
eiken band, dien de grondwet aanlegt, te ontslaan.
II.
Het kenmerk van Belastingplicht.
Waarom zou een gemeen overleg tusschen liegeering en
Vertegenwoordiging niet leiden tot een belangrijke wijziging?
Het door de liegeering voorgestelde ontwerp verheft een
paar zeer elementaire kundigheden — het schrijven zou men
zelfs veeleer eene „handigheid" kunnen noemen, — tot ken-
merken voor een gewichtig staatkundig recht. In een land ,
waar het lager onderwijs gemeengoed is der natie, is
de kennis van lezen en schrijven het eigendom van nog
vrij wat dieper lagen dan men bedoelt, wanneer men van
-ocr page 10-
o
den „ gezeten werkman" spreekt. Gedreven door de angst-
vallige zorg om niemand uit te sluiten, dien men wel eens voor
een geschikt kiezer kon houden , heeft het ontwerp de deur
van het stemlokaal geopend voor zoovele daadwerkelijk onge-
schikten, dat de invloed van hen, wien men in waarheid
vertrouwen schenkt, verzwolgen dreigt te worden in de me-
nigte van die anderen. Daardoor verijdelt de maatregel z\\jn
eigen doel. Het is alsof men, om een schip goed te sturen, een
aantal handen te werk stelt, maar uit vrees om kundige
stuurlieden buiten te sluiten, zoovele onkundige mede oproept,
dat de kracht dezer laatsten die der kundige overweldigt.
Wy zullen binnen kort in Nederland een belastingstelsel
hebben, dat door den wetgever geregeld is naar den Welstand.
Niets natuurlijker dan dat men het door de Grondwet voor
kiesrecht geëischte „kenmerk van welstand" dan ook zoeke
in den Belastingplicht.
Dat kenmerk heeft het voordeel, dat het ambtshalve vast-
staat.
Het heeft ook een zedelijk voordeel. Wie zijn geld naar den
Ontvanger brengt, — en dit is niet het geval by accijnzen,
doch wel bjj de vermogens- en bedrijfsbelasting, het personeel
en de grondbelasting, — hjj draagt rechtstreeks een deel der
staatslasten, en vervult een plicht. Hjj kan dan ook en
behoort ambtshalve op de kiezerslijst te worden gebracht.
Op die wjjze zouden allen, die naar de tegenwoordige wet-
ten of wetsontwerpen, een inkomen hebben van / GOO en
hooger, of die onroerend goed in eigendom hebben, of wier
woning in het personeel is aangeslagen, het kiesrecht bezitten.
Om in de allerlaagste klasse, waar het belastingschuldig
bedrag niet meer is dan ƒ 1.—, te verhinderen dat er kunst-
matige kiezersteelt plaats hebbe, door dat rijke personen in
het jaar der verkiezingen dien gulden voor den kiezer beta-
len, kan men voor de zeer lage aanslagen vorderen, dat zn\'
gedurende twee en drie achtereenvolgende jaren zjjn voldaan.
Maar is dat dan niet de lang veroordeelde census?
-ocr page 11-
7
Neen, dit is niet de lang veroordeelde census.
Deze was heel iets anders. Onder de vorige grondwet werd
voor het kiesrecht een vrij hoog bedrarj gevorderd (ƒ 20—
/ 160), te betalen in de rijks «directe belastingen en verschil-
lend naar de plaatselijke gesteldheid.
Welke moeielpheden zijn hieruit voortgevloeid ?
In de eerste plaats was de beoordeeling der „plaatselijke
gesteldheid" niet mogelijk zonder verregaande Avillekeur. De
verdeeling der Rijks in kiesdistricten eisclite vervolgens zeer
dikwijls samenvoeging van gemeenten van verschillende plaat-
selijke gesteldheid, alzoo met verschillenden census, zoodat
b. v. in het kiesdistrict Utrecht de buitengemeenten tal van
kiezers in het veld brachten, die, hadden zij te Utrecht
gewoond, ver beneden den stedeiyken census zouden gebleven
zijn. Ten derde was de regeling der rijksbelastingen hoogst
gebrekkig. Elke wijziging daarin moest — o>k al wegens
het hoog bedrag van den census — op het getal kiezers
invloed oefenen, en deze samenkoppeling belemmerde her-
vorming.
Al deze grieven hebben door de tegenwoordige regeling
van het kiesrecht reeds sedert 1887 veel van haar bodem
verloren, en zy zullen dien gehesl verlieeen, wanneer ons
rijksbelastingstelsel is herzien. Wanneer het kiesrecht niet
afhankelijk is van het bedrag, maar hiervan óf men be-
taalt, — dan heeft men de gezonde kern overgehouden van
het denkbeeld, dat in den ouden census diep verscholen lag
en door allerlei bijvoegselen onkenbaar was gemaakt.
En is belastingplicht als kenmerk voor kiesrecht nu ook
in de practn\'k proef houdend ?
In Zwitserland werd, naar wjj uit goede bron weten, alge-
meen stemrecht ingevoerd. Maar spoedig is daar in vele
kantons do vrijstelling van vermogens» en bedrn\'fsbelasting
zoo uitgebreid , dat vele kiezers niets meer betalen. Tegelijk
ontstond onder den drang der nietsbetalende kiezers een be-
denkelijke neiging tot opdrijving der uitgaven. Waar zij
de macht daartoe nog niet bezaten, hebben de kanton-
-ocr page 12-
8
nale regeeringen een afzonderlijke belasting ingevoerd ,
van welker betaling het kiesrecht afhankelijk is. En
wanneer nu de belastingen worden verhoogd, geldt in
vele kantons het beginsel, dat deze hoofdelijke omslag mede
wordt verzwaard. Zoo hebben de Zwitsersche democratieën
zich moeten verweren tegen de gevaren , welke dreigden van
hen, die er on uit waren enkel de lusten te genieten, en
niet de lasten te dragen der gemeenschap. De regel geldt:
„Wie zegt hoe \'t wezen moet, betale van zjjn goed."
Ook in Engeland heet het, dat wie lasten oplegt, \'ook de
lasten draagt.
En waarom zou nu wat zoo practisch is en menschkundig,
wat ook bljjkens de ondervinding elders zoo noodig is , —
waarom zou nu zulk een denkbeeld in Nederland worden
verwaarloosd ?
Waarom moet men , zonder zich rekenschap te geven van
de eigenlijke grieven tegen den ouden census der Grondwet
van 1848, in liet algemeen elk verband tusschen kiesrecht en
belastingplicht verwerpen \'i
Eén ding is waar. Wanneer men de vrijstelling van de
rijksbelasting, b. v. die van vermogen en bedrnïsinkomsten ,
uitbreidt, zou zulks medebrengen, dat vele personen het
kiesrecht verliezen , altlians hun recht afhankelijk zien gesteld
van andere kenmerken, welker aanwezigheid te bewijzen hun
minder gemakkelijk zou zjjn. Maar is dit niet juist een
voordeel ? Is dit niet juist een uitnemend geneesmiddel
tegen het misbruik, \'.tot hetwelk een uitgebreid stelsel van
rechtstreeksche belastingen licht verleidt, — het misbruik,
dat staatkundige partyen, om de volksgunst te winnen en
den steun der talrijke menigte te bekomen, maar al te spoedig
beloven de vrijstelling uit te strekken ver boven de grenzen
van het onmisbaar levensonderhoud? In Zwitserland is dat
misbruik menigmaal het groote lokaas bjj verkiezingen ge-
weest. Deze diep onzedelijke praktijk, welke nederkomt
op volksomkooping op groote schaal, kan niet beter worden
gekeerd dan door belastingplicht met kiesrecht te verbinden.
I
-ocr page 13-
9
Wie zouden, bij deze verbinding, liet kiesrecht deelachtig
worden ?
Zeer vele personen, die het nu niet bezitten. Tal van
neringdoenden in steden en dorpen. Men ga maar voor zich
zelven eens na wie al niet een inkomen heeft van f (500 en
hooger. Ook reeds, om van andere beroepen niet te gewagen,
de meesterknechts en de bekwame werklieden in de hoogere
arbeidsvakken. Want een arbeidersinkomen van/GOO \'s jaars,
d. i. van / 11.00 per week, is voor hen niet onbereikbaar.
Zulk een inkomen wordt door bekwame en degelijke
werklieden , die hun vak grondig verstaan, lang niet zelden
verworven. Want zulke werklieden worden gewoonlijk belast
met een toezicht over anderen of met het beste werk. Zij
vervullen in de werkplaatsen dezelfde rol, als de onderof\'ti-
cieren in het leger. Zij zijn, bjj uitnemendheid , hetgeen
men onder de „gezeten werklieden" verstaat.
III
Het kenmerk der Huurwaarde.
Strikt genomen, zou men het kunnen laten bjj de beta-
ling van den aanslag in de vermogens* en bedrijfsbelasting.
Immers, op welken grond steunt de vrijstelling van deze
belastingen beneden een inkomen van/ 000 \'s jaars? Op
geen anderen dan dezen, dat beneden dit inkomen slechts
wordt genoten het onmisbaar levensonderhoud. Welnu, wan-
neer de Staat zegt, dat personen van minder dan / 000
inkomen niet meer genieten dan dan wat tot instandhouding
des levens onmisbaar is, dan bezitten die personen ook geen
welstand in den echten zin des woords. Naar taal en zeden
in Nederland kent men geen „welstand" toe aan hem , die
slechts het onmisbare heeft.
Deze zeer eenvoudige oplossing van het vraagstuk omtrent
den welstand is nieuw, want zij berust op wetten en wets-
ontwerpen, die er nog niet waren toen het tegenwoordige
ministerie werd samengesteld. Dat destijds die oplossing niet
-ocr page 14-
11)
gevonden werd, spreekt wel van zelf. De gegevens voor de
oplossing ontbraken in onze wetgeving. Maar nu zjjn zjj er
wel. Waarom zou men van hen geen gebruik maken?
Wij zijn echter, naar het schijnt, nog zóóver van deze
radicale oplossing verwijderd , dat het misschien nuttig is
een antwoord te zoeken op de vraag, hoe bjj hen, die geen
belasting betalen, de woning een voor het kiesrecht bruikbaar
kenmerk van welstand kan znn ?
Om deze vraag te beantwoorden brenge men zich de om-
schrijving te binnen, welke de tegenwoordige voorzitter der
Tweede Kamer, mr. Gleichman in de zitting dier Kamer op
7 Juni 1887, van het begrip „gezeten werkman" gegeven heeft:
„Hij is, naar mijn inzien, de in den regel éen bedrijf of
ambacht uitoefenende, in de behoefte van zich en zijn gezin
voorziende, van de kennis van lezen en schrijven niet ver-
stokene , en door dit een en ander te zamen een zekere mate
van zelfstandigheid en onafhankelijkheid, — wie is volkomen
zelfstandig en onafhankelijk ? — bezittende werkman en
burger, indien deze term beter bevalt. Voor zoover mijne
kennis van de werklieden, die in deze omschrijving vallen,
strekt, — en ik tel onder hen vele vrienden, — kan het
kiesrecht hun veilig worden gegeven.\'\'
Het zwaartepunt dezer omschrijving ligt niet in de details,
ieder op zich zelf beschouwd, maar hierin, dat een aantal
gegevens nte samen zekere mate van zelfstandigheid en onaf-
hankelijkheid" moeten verzekeren. Zjj zijn dan volgens die om-
schrjjving: liet hebben van een gezin, de kennis van lezen en
schrijven, vastheid van bedrijf, en dat alles zóó dat men
ernstig kan spreken van maatschappelijke zelfstandigheid.
Nu zou ei\' reeds veel te zeggen zijn voor de stelling, dat
de personen , welke door Mr. Gleichman ziju bedoeld, over
\'t geheel genomen vallen onder de bednjfsbelasting, laagste
klasse. Maar wil men verder gaan, dan zou men, dunkt
ons, op voldoende wjjze dien kring van personen opnemen
in het kiezerscorps, indien men vorderde de gedurende eenige
jaren voortgezette bewoning van een huis van zekere huur*
waarde als gezinshoofd of hoofdbewoner, een leeftijd van
-ocr page 15-
11
30 jaar, en een schriftelijke persoonlijke aanvraag ten ge-
meentehuize.
Tegen de huurwaarde is aangevoerd , d it zij de beslissing
over het kiesrecht in handen geeft der schatters. Is echter
van deze klacht tot dus ver in de practyk veel vcrno-
men ? Er was anders tijd genoeg voor klagen; want sedert
1848 drijft een groot deel van het kiesrecht op de schatting
van het Personeel! Neen, deze willekeur der schatters is
vrij wat geringer, dan een bureau*ambtenaar, die nooit
schattingen verricht, allicht zich voorstelt. Bij arbeiders-
woningen hangt de schatting bijna geheel af van de materieele
inrichting des huizes, welke gemakkelijk kan worden onder-
zocht. Met een weinig goeden wil kan men een stelsel van
controle over de schattingen ontwerpen, waardoor willekeur
voldoende wordt tegengegaan.
Voorts eische men , dat de hierbedoelde kiezer gezinshoofd
of hoofdbewoner zij. In verreweg de meeste gevallen komt
dit praktisch hierop neder, dat hij gehuwd zou moeten zijn.
En dit is goed. Het huwelijk geeft banden, scheptverplich-
plichtingen in de maatschappij en wekt liet besef van
verantwoordelijkheid.
Moet men bn\' de huurwaarde letten op de plaatselijke
gesteldheid ? Ons dunkt, neen. Bij arbeiderswoningen legt
de waarde \\an den bouwgrond zeer weinig gewicht in de
schaal in vergelijking van de kosten van den aanbouw. Bij
de regeling van de vrijstelling van het onmisbaar levenson-
derhoud in de Vermogens- en Bedrijfsbelasting is evenmin
op verschil in de plaatselijke gesteldheid der gemeenten in
Nederland gelet. En dit terecht. Voor de levenseischen dei-
lagere klassen is die plaatselijke gesteldheid, bij gezet
onderzoek, een ontastbaar begrip, dat eiken vasten bodem mist.
Hoe hoog dan het minimum der huurwaarde te stellen ?
Men zou het moeten stellen op het bedrag, hetwelk voor
de arbeiderswoningen van de beste soort pleegt te wor-
den betaald. Het kapitaal, noodig om dergelijke woning
te scheppen, is in Nederland, naar wij meenen, ongeveer
/ 1300. Hieruit laat de normale huurprijs zich berekenen.
*
-ocr page 16-
12
Is nu iemand in zulk een woning eenige jaren hoofdbewo-
ner, en doet hij schriftelijk aanvraag ten gemeentehuize, dan
zou men hem tot de kiezerslijst kunnen toelaten. Maar die
zou dan ook slechts geldig mogen zijn voor één jaar, daar
zijne omstandigheden zich kunnen wijzigen en daar men van
iemand, die geen belasting betaalt, terecht een bijzonder
bewijs van belangstelling in de openbare zaak vorderen kan.
Tegen den gang van zijne medeburgers naar het kantoor
der belastingen mag zjjn gang naar het gemeentehuis wel
overstaan.
Het schijnt ons, dat men langs dezen weg een blijvende
regeling kan scheppen in volle overeenstemming met de
grondwet. Belastingplicht, en onder zekere voorwaarden
ook Huurwaarde kunnen den Welstand aanwijzen. Het
kenmerk van Geschiktheid, hetwelk de hoogste staatswet
eisclit, vindt men dan in de leeftijdsbepaling. Wenseht men
hieraan nog getuigschriften van Hooger en Middelbaar On-
derwijs toe te voegen, dit zou practisch een vrij onverschillige
zaak zijn, daar de bezitters dier getuigschriften bij hunne
politieke meerderjarigheid al spoedig onder de vermogens-of
bedrijfsbelastiug vallen.
De hier aangewezen regeling heeft dit voor, dat zij eerlijk
toepassing geeft aan hetgeen in 1891 de Liberale Partij heeft
verlangd.
Deze Partij zij zich te zeer bewust van de deugdelijkheid
harer beginselen en wete te goed wat zij wil, om thans eene
regeling te aanvaarden, welke hare bedoelingen verre voor-
bjjstreeft en welke daardoor het beoogde doel ten eenenmale
en voor goed dreigt te missen.
Wjj vertrouwen vast, dat een gemeen overleg tusschen de
Uegeering en de Volksvertegenwoordiging tot bereiking van
dit doel zal plaats hebben.