-ocr page 1-
BR^qu. H, 36
-ocr page 2-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000030542611B
iiiiinniiiiiiiiiii
3054 261 1
-ocr page 3-
•
•
•
. -
•
•
•
ORANJEBOND VAN ORDE.
:
•
•*
-
PERSOONLIJKE EIGENDOM?
.
ï
.                           .    .
i
STRENG VERTROUWELIJK.
•
-ocr page 4-
•
•      • . . . ...
-ocr page 5-
ORANJEBOND VAN ORDE.
PERSOONLIJKE EIGENDOM?
STRENG VERTROUWELIJK.
-ocr page 6-
Typ. J. Bokma Hzif. - Utrecht
-ocr page 7-
INHOUD.
BU
De Memorie van den heer P. B. Bruijn van Rozenburg.
Inleiding...........................           5
Memorie...........................           6
ie Naschrift..........................         14
2e Naschrift..........................         15
Beschouwingen en tegenwerpingen van het Dagelijksch Bestuur.
Inleiding...................... ....          17
De stichtingen van Bescheiden Heidegeluk •......-.......         iy
De ontleding der Memorie-B. v. R................ . .         33
Uit het dagboek...............•........         30
Voordrachten en levende figuren. Het rapport-L. W. Th. Schmidt.
Inleiding............... ...........         48
Voordrachten en geschiedenissen...................         50
Naschrift...........................         03
Tabellen en cijfers........................    6567
Slotbeschouwingen en conclusie....................         68
Bijlagen, a.    Extract-Hypothecaire acte.
b.     Schuldbekentenis installatiegeld.
c.     De circulaire van October 1893.
d.     Reglement-Onderhoudsfonds.
e.     Concept-Erfpachtscontract.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
Memorie van den heer P. B. Bruijn van Rozenburg.
Aan het Algemeen Bestuur van den
„Oranjebond van Orde."
INLEIDING.
Mijne Heer en!
Den 5dtn Augustus j.1. schreef ik aan onzen hooggeachten Voorzitter o. m. het volgende:
„Ik had mij voorgesteld in de Bestuursvergadering van 29 Juli gelegenheid te vinden
eene door mij samengestelde „memorie" over persoonlijken eigendom aan het oordeel
mijner mede-Bestuurders te onderwerpen; en dit, naar aanleiding va.n wat ik kon waar-
nemen van den nieuwen koers, die gestuurd wordt.
Toen de agenda echter meer tijd in beslag nam dan ik had vermoed, en in het debat
\'t beginsel, door mij voorgestaan, niet werd aangeroerd, begreep ik dat er tijd en lust
zouden ontbreken om die memorie aan te hooren met de aandacht waarop het onderwerp,
naai- mijne meening, aanspraak kan maken.
En toen bovendien bleek, dat het zelfs niet gewenscht werd de door mij aangeboden
motiveering van mijn onthouding van stemming (en mijn zeker niet onopgemerkte ont-
houding van debat over de nieuwe stichting) te hooren, toen kwam het mij passend voor
van mijn plan zelfs geen melding te maken; en mij ertoe te bepalen. U particulier toe-
zegging te doen van een schrijven.
Aan die toezegging ben ik zoo vrij gevolg te geven door dezen brief."
Nu mij in \'s Voorzitters antwoord daarop zoo welwillend de toezegging werd gedaan,
dat deze memorie door de zorg van het D. B. gedrukt en aan U zou toegezonden worden,
vergezeld van enkele beschouwingen van dat Bestuur, nu heb ik er alsnog bij aan te
teekenen, dat ik geen strijd voer tegen het stelsel van pacht bij de Erica-SlicJitiiig
gevolgd, ook niet tegen het stelsel van huur bij de stichting Hu/\'s en Hof aangenomen;
maar dat ik éénig en alléén waarschuw tegen het in mijn oog praematuur veranderen
van \'t beginsel eigendom op \'t Hofveld.
Met eenigen nadruk moet ik mijn geachte mede-Bestuursleden verzoeken dit vast te
houden.
De Bond kan op mijn medewerking rekenen bij alle stichtingen, afwijkende van
\'t beginsel eigendom, door mij voorgestaan; maar ik weiger medewerking bij het in mijn
oog te vroeg afbreken van wat met zooveel moeite, maar ook met zooveel instemming
en succes, eerst twee jaar geleden werd daargesteld; dat, in weerwil van het nieuwe,
zulke verrassende uitkomsten gaf; en dat ik dan ook voor goed blijf houden — behoudens
de fouten, die ik reeds aanwees — al waren de teleurstellingen in \'t zoo kortstondig
bestaan verkregen, grooter en talrijker geweest.
-ocr page 10-
6
MEMORIE VAN DEN HEER P. B. BRU1JN VAN ROZENBURG.
En dat ik in deze meening niet alleen sta, bleek mij herhaaldelijk; en na de samen-
stelling dezer memorie nog treffend uit het U/r. Prov. en Sted. Dagbl. van 30 Augustus j.1.
Het van zooveel zaakkennis en goed oordeel getuigende hoofdartikel: Naar de heide ?
waarin besproken wordt wat ik in \'t ontwerp Hofveld heb gelegd, kan hierbij met vrucht
geraadpleegd worden.
Na deze inleiding mijn:
MEMORIE ter verdediging mijner stelling, dat eigendom,
van huis en liof voor den arbeider en het hulpbehoevende
gezin ten platten lande is aangewezen, als middel ter be-
reiking van wat de „Oranjebond van Orde" zich o. m.
voorstelt.
(Bestrijding der Sociaal-Democratie, zedelijke, geestelijke
en stoffelijke opheffing van\'t volk, en, \'t daardoor scheppen
van betere maatschappelijke toestanden en verhoudingen).
Wie geen vreemdeling is in de beschavings-geschiedenis — en \'t was Mr. M. W. F. Treub,
die er ons onlangs nog aan herinnerde door zijne rede in de notarieele vereeniging „de
Staat en het Eigendomsrecht," (het ontstaan van den persoonlijken eigendom in de middel-
eeuwen) — voelt, dat het goed was gedacht wat Mr. J. A. Levv op 26 April d. j. met
zijne bekende scherpzinnigheid en eigenaardige zeggingskracht in \'t Handelsblad aanvoerde
tegen het jongst gepubliceerde Nutsrapport omtrent Volks-Huisvesting.
„Het is niet een toeval dat de gansche eigendomsgeschiedenis vertoont één voortgaande
lijn, aanvangende met den gcmeenscliappclijken on uitloopcnde op den individueelen eigen-
dom
.....Deze laatste wijst naar hoogere beschavingsvorm dan de eerste."
En, waar hij der Nuts-Commissie dan verwijt:
„Zij onderschat de psychologische bekoring zoowel als het economisch weerstands-
vermogen, geivckt en gevestigd door individueel bezit van onroerend goed," en daarbij
op Frankrijk wijst, daar zou ik, met het oog op de heerschende ontevredenheid vooral,
willen herinneren aan wat de groote Mexg-Tsku reeds 3% eeuw voor \'t ontstaan van \'t
Christendom aan Wenkoeng, vorst van ïeng, zoo klemmend voorhield \'), n. dit:
„Zij welke een vasten eigendom bezitten, toereikend voor hun onderhoud, hebben een
altijd rustigen geest.
„Zij welke niet zulk een blij venden eigendom bezitten, hebben geen altijd rustigen geest.
„Als hun geest niet steeds rustig is, dan spruiten daaruit rechtsverkrachting, verdor-
venheid des harten, ongebonden zeden, dolzinnige losbandigheid voort."
En lezen wij nu verder 2) hoe deze zoo zedelijk hoog ontwikkelde menschenkenner
en staatsman dan een voor zijn tijd en land passend type eener groep bezitters schetst,
dan kunnen onze gewijzigde navolgingen nu nog daaraan worden getoetst, zooals wij onze
„kunst" toetsen aan de Grieksche en andere klassieke.
Hij zou n.1. aan 8 gezinnen ieder 100 morgen land in eigendom willen toegewezen
zien. Van deze 800 morgen, in negen gelijke stukken verdeeld, moest het middelste ne-
gende door gemecnschappelijken arbeid tot algemcencn akker dienen, om uit de opbrengst
daarvan aan alle geldelijke verplichtingen, op \'t land drukkende, te voldoen.
En, moge dit al wat Chineesch schijnen, let dan op wat hij van dat „in koloniën
1)    De heilige boeken der Chinezen, uitg. van Bkedekode te Haarlem, 1862. Bladz. 307.
2)    Bladz. 311.
-ocr page 11-
MEMORIE VAN DEN HEER P. B. DRUIJN VAN ROZENBURG.                                                  7
samenwonen" en van dien gemeenschappelijken arbeid voor individu en gemeenschap
verwacht:
„Noch dood noch reizen zullen deze kolonisten uit hun dorp doen gaan.
„Zij zullen nauwe vriendschapsbanden vormen; zij zullen elkander in hunne behoeften
en ziekten wederkeerig beschermen en helpen; dan zullen alle huisgezinnen in een vol-
maakte eensgezindheid leven."
En nu hale men de schouders niet op voor de optimitische verwachtingen van dezen
klassieken wijze.
Immers, Maurice Palèologue verzekert ons, in zijn van groote opmerkingsgave ge-
tuigende beschrijving van Peking \'):
„Dat ieder gezin eene afzonderlijke woning heeft, daaruit blijkt reeds de voorliefde
voor \'t huiselijk leven, die bij het Chineesche ras zoo sterk is. De eenvoudigste burgers,
de geringste handwerkers willen alleen en meester zijn onder hun eigen dak, en zouden
voor geen prijs in onze kazerne-huizen willen wonen.
Nergens zijn inderdaad de banden des bloeds krachtiger dan in China; nergens leggen
ze meer plichten op, kiveeken ze meer deugd"
Dit onverdachte getuigenis van een fransch geleerde, heeft voor mij daarom vooral
waarde, omdat in \'t land waar het klein grondbczt algemeen wordt geacht te zijn het palla-
dium van Staat en Maatschappij — en dit op onwraakbare historische gronden, — toevallig
kort na de verschijning van het aangehaalde boek, drie fransche Volksvertegenwoordigers:
prof. Leveillé, de heer Hubbard en de abt Lemire, een voorstel bij de Wetgevende
Macht aanhangig maakten, om den eigendom van huis en hof wettig te beschermen; zooals
die bescherming reeds voor lang in de nieuwe wereld en in Australië, onder den naam
„Homestead" werkt.
Om ons eigen land niet voorbij te zien, teeken ik hierbij aan, dat v. M. in het
Haagsche Dagblad — zeker wel niet te verdenken van gewaagde stappen bij maat-
schappelijke of economische nieuwigheden — omstreeks Augustus \'94 onder het opschrift
„Homestead" een aanbeveling tot ernstige overdenking van Leveillé\'s voorstel schreef.
Hij neemt uit des hoogleeraars „exposé des motifs" over, hoe juist deze den kleineji
eigendom
voor een volk waardeert en kwalificeert; en erkent daarbij, dat er een „groote
strooming" is waar te nemen, tot uitbreiding van klein grondbezit.
De schrijver scheen toen echter kennelijk nog niet bekend met het opmerkelijke feit,
dat de Noorweegsche „Storthing" reeds in Juni t. v. 800.000 kronen beschikbaar stelde,
om daarvan aan onbemiddelden voorschotten te verstrekken, voor het koopen eener eigen
woning, en 200.000 kronen om in \'t groot grond te koopen, die aan onbemiddelden voor
inkoopsprijs in \'t klein zal worden verkocht.
Bij dit feit is elke redeneering overbodig.
Liet ik hier een der oudste onder de beschaafde volken voorgaan, later — zoo ziet
men — gaat de Nieuwe Wereld voor, en, \'t andere Europa begint te volgen.
De keuze uit mijn vele aanteekeningen onderwerpelijk was dan ook niet zonder tendenz.
Ik beoog daarmee het voorkomen van uitstel van een besluit „tot de geleerden het
eens zijn" óf „tot onze ondervinding ons zal hebben geleerd."
Waar de oudheid ons dit alles geleerd heeft, en de nieuwe wereld ons datzelfde nog
leert, waar groote oude en nieuwe volken die leer met goede uitkomsten toepassen, daar
zijn onze proeven op kleine schaal onnoodig, en is wachten onraadzaam; mits men — wat
trouwens van zelf spreekt — volksaard en landsgebruik evenzeer in rekening laat gelden,
als de vigeerende landswetten; die intusschen — waar ze belemmeren of niet geven wat
behoort — wijziging kunnen en moeten ondergaan, dan wel vernieuwd of aangevuld be-
hooren te worden.
1) De hoofdsteden der Wereld door Honigh (1893).
-ocr page 12-
8                                           MEMORIE VAN DEN HEER V. 11. BRUIJN VAN ROZENBURG.
Wetten toch moeten ontstaan door gebleken behoeften; en moeten worden gehouden,
passend voor hun tijd.
Wij kunnen dit o. a. toegepast vinden in de Engelsche Kolonie Nieuw Zeeland, waar
in \'91, ter bevordering van het klein grondbezit, bij een wet werd bepaald, dat grondbezit
beneden de 500 pond waarde vrij is van grondlasten, en dat ook die waarde niet wordt
meegerekend bij de inkomsten-belastiug.
Beide belastingen werden toen sterk progressief gemaakt voor groot grond-bezit.
In het verslag der voordracht van den Belgischen hoogleeraar Colin uit Caen, kan
men met betrekking tot den eigendom lezen: *)
„Xa een langen strijd over de voor- en nadeelen van den grooien en kleinen eigendom,
is men het tegenwoordig eens, om de belangrijkheid van de laatste manier, dat bebouwen
van den grond door den eigenaar zelf, verkiesbaar is boven alle verpachtingsvormen; dat
de uitbreiding van dit principe op een krachtige manier de behoudende belangen begunstigt.
„Van daar de proeven in verschillende landen om den kleinen landeigendom te stichten.
„Wetten op de Rcnlcugiitcr in Duitschland, de Small Holdings act in Engeland, eindelijk
de pogingen in Italië voor inwendige colonisatie des lands, door het in waarde brengen
van Sicilië, en van het Agro-Romano.
„Maar men moet niet alleen een klas van eigenaars stichten, men moet ook den kleinen
eigendom, daar, waar hij bestaat, beschermen tegen de gevaren die hem bedreigen. En
die gevaren zijn talrijk."
„Door het familiegoed oninbeslagiiccmbaar te maken, zal de wetgever een der drei-
gendste gevaren van onze moderne samenleving bestrijden; n.1.:
Het verdwijnen van den kleinen eigendom; hij zal aan den grond een bevolking
hechten, behoudend en vrienden van orde."
Het artikel in de Revue des deux mondes van 1 Dec. \'95 , waarin Georges Picots van
de Académie des Sciences Morales, zoo krachtig aandringt op bevordering en bescherming
van den persoonlijken eigendom , en aantoont dat 5\';3 millioen Franschen in hun eigen huizen
wonen, noemt die eigendom voor boer en arbeider de grootste prikkel tot werkzaamheid.
En, op grond van mijn ervaring zie ik geen overdrijving in het beweren van dien geleerde:
„la propriété est leur passion."
Toen Mr. S. vam Houten in de Gids en Vragen des Tijds zijn artikelen schreef, waar-
van in \'S$ een tweede overdruk verscheen, *) sprak hij het reeds uit, dat de landbouwer,
de veldarbeider en arme dorpsbevolking eigen grond — tuin en veld — behooren te hebben;
en betoogde hij, dat wij bij de oplossing van het agrarisch vraagstuk, nog een geheel
eigenaardig belang hebben, door ons Koloniaal bezit.
Ik herinner voor dit laatste aan het onderzoek naar de rechten op den grond op Java,
1)    Ook gepubliceerd in „Ons Belang" van 26 Juli \'95 en volgende nummers.
2)    „God , Eigendom en Familie" bij V. LOOY en GBM.INGS . Ie Amsterdam.
-ocr page 13-
MEMORIE VAN DEN\' HEER P. Ii. BRUHN VAX ROZEXliURÜ.                                                   g
en het besluit, dien ten gevolge, om, daar waar dat door de bevolking wordt gewenscht,
de conversie van communaal en individueel grondbezit voor den inlander toe te laten.
Ook in Indië dus, de te lang verdaagde schrede voorwaarts, door erkenning, beves-
tiging en bescherming van klein grondbezit.
En wie dit taaie proces sedert 1866 — zij het dan ook ontstemd— volgde, of inzage
had van het „eindrésumé," waarvan het laatste deel, na een arbeid van misschien 15 jaren
(echt Nederlandsche spoed!) onlangs gereed kwam, zal wel kunnen toestemmen, dat ook
hier ontwikkeling der volkswelvaart door persoonlijken eigendom, wordt erkend en beoogd.
Dat de Indische Rcgcering hierin niet alleen staat, blijkt reeds lang, en — meer
bijzonder voor ons leerzaam — nog zeer onlangs uit een degelijk artikel over Nieuw
Guinea, waarin de wenschelijkheid werd aangetoond om voor Christen Inlanders de
gelegenheid te openen grondeigendom te verkrijgen.
Werd in dat stuk wijselijk gewaarschuwd tegen zekere overhaasting die de uitvoering
van \'t beste denkbeeld kan schaden, ook de wenk om minder op dadelijk gewin te zien
dan naar de vruchten, die de arbeid te zijner tijd zal opleveren, schijnt mij voor ons alle
aandacht te verdienen.
Ik moet hier Mr. S. van Houten echter even het woord geven, om te doen zien,
hoezeer de heide-stichtingen van den O. v. O. te Apeldoorn ook met den geest zijner
rationeele — vroeger als te geavanceerd beschouwde — denkbeelden overeenstemmen.
Hij zegt ter zake o. a.:
„Mij dunkt een veel gezonder toestand werd geboren, indien de arme dorpsbevolking
in de onmiddellijke omgeving der dorpen terrein kon krijgen. Kr behoeft slechts weinig
betaald te worden om de tegenwoordige eigenaren schadeloos te stellen; en men erlangt
dan vele groote voordeelen. Vooreerst dat de ontginning van een stukje heidegrond een
nevenbedrijf wordt, hetgeen die ontginning behoort te zijn, omdat de voordcelen zóó
schraal zijn dat zij geen volledig levensonderhoud aan een gezin kunnen verschaffen.
„Maar wanneer de anders verloren arbeidsuren van een dagloonersgezin op een bepaald
plekje eigen grond werden aangewend, zou liet resultaat van cenigc jaren uit ecu economisch
en
vooral uit een zedelijk oogpunt niet onbeduidend zijn. Ten anderen wordt de
landelijke bevolking- door de gelegenheid om ook slechts een klein eigendom te verwerven,
aan hare omgeving gebonden, en terug gehouden, zoowel van het doelloos trekken naar
de steden, als van de vestiging in hutten op afgelegen velden, waar zij, aan den invloed
der beschaving onttrokken, te midden van de hedendaagsche maatschappij zijn, als onkruid
in een korenveld."
Doet dit nu denken aan het eerste exposé van mijn oorspronkelijk plan, én aan wat
ik daarvan onderwerpelijk publiceerde, toch kan ik verzekeren, dat ik daarbij niet aan
Mr. v. U\'s. opstellen dacht, omdat het reeds zoo lang geleden was dat ik ze las; en, dat
ze mijn aandacht eerst onlangs weder trokken, toen do heer Eoo Bergsma, in zijn pas
verschenen belangrijke brochure: „Proeve van onderzoek omtrent de uitvoering der
Armenwet in Friesland," aan Mr v H\'s. proeve tot oplossing van het agrarisch vrnag-
stuk herinnerde, door een paar citaten, die mij onwillekeurig deden vragen, hoe het
toch kwam dat die „proeve" door anderen en mij zoozeer uit het oog was verloren.
In dit merkwaardig vlugschrift van den heer E. B. — dit zij hier nog in \'t bijzonder
gezegd — wordt ook met cijfers aangetoond, dat daar waar klein grondbezit, én het
bezit van eigen huis, het veelvuldigst onder de arbeidende klasse voorkomt, do armzorg
veel minder groot is, dan waar men huurt of pacht, en waar men geen grond bezit ter
bebouwing.
De oordeelkundige vergelijking van Overijsel met Friesland, in die brochure gemaakt,
werpt een beter licht op dit vraagstuk dan vele redeneeringen.
2
-ocr page 14-
IO                                              MEMORIE VAN DEN HEEK P. Ii. URUIJN VAN ROZENBURG.
Verwondert het nu wellicht niet dat men in Frankrijk, het land van klein grondbezit,
de kloekstc en bezadigste mannen voor eigendom en bescherming; daarvan ziet ijveren,
wat onderwerpelijk in \'t land van groot grondbezit bij uitnemendheid dit jaar plaats greep,
en nog wel onder een conservatief ministerie, trekt terecht als merkwaardig teeken des
tijds meer aandacht.
Het voorstel van het parlementslid Sir A. Hickman , om de gemeentebesturen wettelijk
te machtigen, onder zekere voorwaarden, geld te verstrekken aan werklieden, die zich
een eigen woning willen bouwen of koopen, vond instemming en steun bij de regeering,
en werd in Maart j.1. in tweede lezing goedgekeurd met 276 tegen gi stemmen; zoodat
de aanneming, bij de meerderheid waarover de regeering beschikt, dus verzekerd schijnt.
(Men onderscheide dit wetsvoorstel wel van de reeds sedert 1866 in Engeland zoo
goed werkende wet, die den Staaf, machtigt voorschotten voor den bouw van arbeiders-
woningen te geven ; daar hierbij meer vercenigingen en maatschappijen bedoeld zijn).
Ik ken de overwegingen niet, die tot dat verrassend feit hebben geleid; maar het feit
alleen reeds spreekt luide genoeg — en ik heb daarover dan ook mijn meening gepubli-
ccerd in de X. Apeld. Ct. van 25 Maart. jl. — voor de erkenning, dat in persoonlijken eigendom
van Iiuis en hof — in klein grondbezit — ook daar een krachtig middel wordt gezien,
om blijvende verbetering te brengen in die maatschappelijke toestanden, welke — naarde
meest gezaghebbende meeningen — het eerst verbetering behoeven ; — en waarmee men
dus beginnen moet. —
Zoo denkt kennelijk ook Dr. Schaepman bij ons, die door een arbeidersvereeniging,
door hem geleid, aan H. M. deed verzoeken, door de regeering maatregelen te willen
doen beramen, die het mogelijk maken, den werkman „een eigen woning te verschaffen."
Evenzoo denken ook kennelijk de mannen van „Boaz" (patroonsvereeniging) volgens
het proces verbaal hunner jaarsvergadering (1893), waar het onderwerp door den Heer
T. E. Kuijpers werd ingeleid.
Zoo dacht ook zeker de inzender van een ontwerp voor eene „Maatschappij ter be-
bcvordering van het kleine grondbezit," opgenomen in de Mededeelingen der G. O. M\'i
van Landbouw van 1 Juli \'93.
En zoo dacht ook waarschijnlijk Dr. A. M. Prins bij het schrijven van zijn artikel
„Land voor arbeiders" in het Landbouwkundig Tijdschrift afl. 3 van \'93.
En als ik nu uit den overvloed van bewijsmateriaal voor mijn stelling hier nog noem
Prof. Eaiiius, Mr. Kerdijk en Notaris Huender (deze laatste in zijn open brief aan het
bestuur der M\'i van Weldadigheid (besproken in „Sta Pal" van 20 Oct. \'94), om mij nu
nu maar tot éénige Nederlanders te bepalen, die openlijk voor eigendom pleiten, dan kan
ik ook nog op het bij uitnemendheid practische Enschedé wijzen, waar de R. K. arbeidersver-
eeniging zéér onlangs besloot huizen met grond direct in eigendom aan hare leden te geven,
die f 1000.-— kosten; en waarvoor het geheele bedrag in hypotheek a 3 °/0 wordt verkregen.
Merkwaardige overeenkomst alweer met \'t oorspronkelijk ontwerp „Hofveld"!
En laat ik hieraan dan nog mogen toevoegen:
i°. Dat Dr. Schaepman in zijn adres aan H. M. het noodzakelijke betoogt, dat de werk-
manswoningen zooveel mogelijk eigen woningen moeten zijn, om redenen van zede-
lykheid en hygiëne; verder, om bij den werkman arbeidzaamheid, spaarzaamheid, ma-
tiglicid en orde aan te kweeken; en eindelijk, ter bevordering der algemeene welvaart.
2°. Dat het Nutsdepartement Oude-Pekela in December\'93 besloot flinke arbeiderswonin-
gen met tuingrond te bouwen; die, zonder te groote opofferingen, binnen een niet al
te lang tijdsverloop, het eigendom der bewoners zullen zijn.
30. Dat in het prov. comité van uitvoering te Groningen, de heer Hubscher, Rijksbouw-
kundige, verleden jaar een ontwerp ter tafel bracht voor woningen, geheel beant-
woordende aan de gestelde eischen van gezondheid, voor een prijs van ƒ 1000.— die,
bij een huur van / 66.— per jaar, den huurder na 20 jaar eigenaar maakt.
-ocr page 15-
MEMORIE VAN DEN HEEK P. 11. ISKUJJN VAN KO/ENI\'.URG
4°. Dat voor twee jaar te New-York een maatschappij werd opgericht, genaamd „Buy
your own home;" die voor haar leden huizen bouwt, welke na het elfde jaar schuld vrij
eigendom zijn.
Maar ik heb zeker reeds genoeg aangevoerd om te doen zien, dat er een réveil is op
onderwerpelijk gebied, waarvan zegenrijke gevolgen worden verwacht; en waaruit tevens
blijkt, wat er buiten den O. v. O. met betrekking tot eigen huis en hof wordt gedacht,
geleerd en gedaan.
Hier kan nu worden herinnerd aan de ,. Circulaire in zake heideontginning" die van
het H. B. vari den Bond uitging; en gepubliceerd werd in zijn orgaan van 14 Oct. \'93.
Daarin leest men o. m.:
„Geeft den werkman een aangename woning, eenvoudig maar geriefelijk en gezond.
Ja, zoekt een middel om hem die in eigendom te geven.
„Zoo roept en raadt men van alle kanten.
,.Nu dan, de O. v. O. beaamt zulks ten volle.
en verder Sub 6:
„De aangewezen bewoner betrekt de woning als eigenaar, omdat hem dan de behartiging
der zaak het best is toevertrouwd, en het geruststellend en verlieffcnd besef van tezitten op
een eigen stukje grond, van waar — zoolang hij aan zijne verplichtingen blijft voldoen —
(en welk eigenaar heeft die niet ?) niemand hem verjagen kan, en waarvan de bearbeiding
hem alleen ten goede komt, zeer zeker een zede1 ijk gunstigen invloed op hem oefenen moet."
Uit deze circulaire volgde voor den Bond niet slechts den plicht om het geld, dat naar
aanleiding ervan inkwam, te besteden zooals vrager en gever bedoelden; maar ook de
verantwoordelijkheid voor de ins/andhotidiiig van het beginsel, dat erin was neergelegd.
En men tast niet ver mis door te meenen, dat juist \'t beginsel eigendom \'t aantrekkelijke was.
Bij het doorbladeren der eerste jaargangen van „Sta Pal" ontmoet men dan ook niets
waaruit kan blijken, dat het H. B. de in zijne circulaire uitgesproken overtuiging heeft los-
gelaten. En daartoe was trouwens geen aanleiding; of, deze moest gezocht worden in de
afwijkende meeningen van de latere beheerders van beide .Stichtingen, — aan het H. B.
en mij bekend.
Ik zal deze meeningen hier niet bespreken, omdat ze zich vormden door veel te kort-
stondige waarneming en te weinig ervaring en praktijk.
Bij de scherpzinnigste opmerkingsgave toch, bij de geniaalste vaardigheid in \'t beoor-
deelen van menseken, zaken en toestanden, kan men in zoo\'n korten tijd niet objectief
genoeg worden, om aan mistasting te ontkomen.
Vooral wanneer die kortstondige waarneming en ervaring niet zijn vooraf gegaan door
een gezette studie van \'t onderwerp, die do oogen opent voor veel wat anders de aandacht
ontsnapt.
Wij mogen hier Camuxe Mêlinand gerust gelooven:
„Onze meeningen, onze theorien zijn alleen iets waard door de ervaring op welke zij
berusten."
Beter, practischer, schijnt het mij daarom, eens na te gaan, wat de Stichting op het
Hofveld, in haar tweejarig bestaan, leerde.
Op den voorgrond zij daarbij gesteld, dat dit in den volsten zin leerjaren waren voor
de bewoners; en dat dezen, vooral in \'t eerste jaar, aan invloeden bloot stonden, waaraan
zoo weinig zelfstandige individuen zelden lang weerstand blijven bieden. Men zie hiervoor
o. a. „Van het Hofveld" door \'t H. B. gepubliceerd in jjSta Pal\' van 17 Xov. \'04.
Welnu; slechts drie van de 18 — dus nog geen 17 °/0 verlieten hun bezitting, res-
pectievelijk wegens onvoldoende waardcering, minder goed begrip, en onder verkeerde
invloeden.
En nu eens in \'t midden latende of één er van althans niet gebleven zou zijn onder
andere leiding en omstandigheden, wil ik het gevraagd hebben, of een zóó gering percen-
-ocr page 16-
12                                               MEMORIE VAN DEN HEER P. I). BRUIJN VAN ROZENHURG.
tage van teleurstelling, bij een zóó geheel nieuwe zaak, en onder de moeilijkheden die
elk begin kenmerken, aanleiding mag geven om een wel doordacht stelsel, een als goed
erkend beginsel los te laten.
(Ik breng hier drie andere mutatiën niet in rekening, omdat deze plaats hadden resp.
door overlijden, huwelijk en benoeming tot een rijksambt.)
Elke proef die — mits goed én lang genoeg genomen — minder dan 50 "/„ teleurstelling
geeft, kan geslaagd worden geacht.
En stel nu eens 10 jaar voor een zóó in \'t geheele leven en zijn ingrijpende verande-
ring, waarop men niet was aangelegd, en waarvoor de onmisbaarste eigenschappen
ontbraken, tot minimum van proeftijd; — wat beteekenen clan au fond die beide eerste
leerjaren, al hadden ze driemaal zooveel teleurstelling gegeven, en niet de groote vol-
doening waarop nu reeds kan worden gewezen?
Men wijze mij één maatschappelijke hervorming aan, zóó ingrijgend in het individucele-
cn familieleven, zóó afwijkend van de vroegere stoffelijke levensvoorwaarden, en zoo geheel
anders ook met betrekking tot de zedelijke verhoudingen als die welke de eerste bewo-
ners van \'t Hofveld ondergingen; men wijze mij éénc zoodanige hervorming, welke zulke
verrassende uitkomsten gaf in een korte spanne tijds, als hier zijn te constateeren ?
Dit wordt allerminst gezegd omdat ik de Stichting ontwierp en daarstckic.
Ik deed daarvoor niets bijzonders en niets nieuws; dat blijkt trouwens reeds uit het
klein historisch overzicht dat ik gaf.
\'t Wordt hier alleen gezegd, omdat wij de waarheid onbevooroordeeld onder de
oogen moeten zien. En wat hier gezegd is, zal door ieder kunnen worden onderschreven,
die met de noodige objeclieviteit \'t Hofveld en zijn bewoners bezoekt, en dezen met den
noodigen tact
ondervraagt.
Men late zich toch niet ontmoedigen of van de wijs brongen door enkele mistastingen
of niet verwachte ervaringen; bijna altijd immers gevolgen van \'t onzerzijds aanleggen van
een verkeerde maat, bij ons oordeel over menschen, onder en met wien we niet leefden; —
die we dus niet kenden, niet begrepen.
Ook hebben wij ons te wachten voor het ongeduld, het haastige, dat alles tegen-
woordig kenmerkt.
Maatschappelijke hervormingen en verbetering van menschen eischen nu eenmaal tijd;
en kunnen nooit slagen, als ongeduld de uitvoerders behcerscht; als men resultaten wil
zien, zonder den tijd die noodig is, om deze langs de lijn der evolutie te verkrijgen.
Maar er is meer; — en hiervoor vraag ik bijzondere aandacht.
Elke vereeniging die iets wil tot stand brengen met hulp en steun van velen, behoeft
vertrouwen. — En vertrouwen verwerft men niet door heden als slecht gebleken los te
laten, wat men gister aanprees als beproefd goed.
Vastheid van beginsel is voor alles oen aanbeveling; maar, voor wat de O. v. O.
wil, een eerste, een hoofdvoorwaarde.
Het publiek dat zich vaak zoo koud, zoo traag en onverschillig toont als alles gewoon
gaat, merkt al spoedig op, dat er gehinkt wordt op twee gedachten; dat het geloof in
\'t goede der middelen, die men koos, wankel staat; dat er proeven genomen worden, in
stede van een kordate toepassing van voor deugdelijk gehouden middelen, wèl overdachte
plannen.
\'s Bonds vijanden — die vooral vijanden zijn, althans geen vrienden, omdat ze voelen
dat zij in gebreke waren of niet schander genoeg om te ontdekken wat de Bond zag —
ze zijn handig genoeg om zwakheden op te merken en zullen er munt uit weten te slaan.
Men zie toch ook niet voorbij dat onze tijd van oppervlakkigheid zooveel te aan-
-ocr page 17-
MEMORIE VAN DEN HEER P. 11. HRUIJN VAN ROZENRURG.
13
schouwen gaf en geeft, \'t welk het gemoedclijkste vertrouwen schokt; — dat zoovelen
reeds bedrogen uitkwamen door de ondervinding, dat wat voor goed aangeprezen en
gehouden werd, toch eigenlijk weinig deugde.
Laat de O. v. O. het getal dier sceptici toch niet vermeerderen, door te spoedig —
ik kies hier het zachtste woord — een beginsel los te laten, dat door de geschiedenis
van eeuwen werd geijkt, dat met de eenvoudige menschelijke natuur strookt, dat niet
alleen door de beste denkers der oudheid en van onzen tijd. maar ook door de meest
practische voorgangers voor goed werd en wordt gehouden: het beginsel van persoonlijken
eigendom.
Dat dit beginsel geleden heeft, verklaart zich voldoende, door \'t «\'//natuurlijke \'t welk
in den laatsten tijd veld wint bij het individu en in de maatschappij — of, wil men liever,
door het kunstmatige, waardoor soms spoedig maar kortstondig wordt verkregen wat
goed schijnt.
Waardiger en meer passend bij \'t karakter van den O. v. O. acht ik het, den ietwat
trageren, maar meer natuurlijken gang te volgen; om — zij \'t dan ook minder spoedig —
te verkrijgen wat goed is en blijvend.
De oude waarheid geldt immers ook hier nog:
Slechte maatschappelijke toestanden worden slechts verbeterd door de herscheppende
kracht van steeds geldende
beginselen; terwijl elke verbetering beginnen moet bij het
individu in het gezin.
De Bond nu wil maatschappelijke toestanden die hij, met alle wcldenkenden, voor
slecht houdt, verbeteren.
De geschiedenis leert den objectieven bcoordeelaar o. a. dat die slechte toestanden
voor een goed deel aldus zijn geworden door gemis van bezit. En, hoe bespiegelend de
staathuishoudkunde en sociologie ook vaak behandeld worden, de waarnemer, de man van
praktijk, weet hare stellingen te toetsen; en ervaart dan, dat ze op waargenomen feiten
zich gronden, die, trots het vaak nieuwe er van, niet te loochenen zijn; althans niet
mogen worden miskend of geringschat; daar ze, op zich zelf en in onderling verband,
hun waarde behielden en behouden, voor zoover ze natuurlijk en ongekunsteld zijn;
wenschelijk en maatschappelijk dus bij uitnemendheid.
En nu ten slotte nog dit:
De Bond stelt zich vierkant tegenover de Sociaal-Democratie, die het privaat bezit
veroordeelt en wil opheffen.
Zou dit alleen, gevoegd bij de beweging voor land-nationalisatie, niet reeds reden
genoeg zijn om persoonlijken eigendom van onroerend goed te bevorderen ?
Uit overweging van een en ander meen ik mijn stelling te moeten handhaven, dat
eigen huis en hof — klein grondbezit — het zekerst werkend middel is om het doel
dat de O. v. O. zich stelde te bereiken, en de uitkomsten van zijn streven zoo duurzaam
mogelijk te doen zijn.
Ik liet hier opzettelijk coöperatie en gemeenschappelijk bezit onbesproken, al zag ik
niet voorbij, wat voor de eerste te zeggen is, én dat er voor het laatste, om goede
redenen, ook nog voorstanders, ja ijveraars zijn.
Voor de coöperatie, onderwerpelijk bedoeld, wordt een veel hoogere graad van
zedelijke en intellectueole ontwikkeling geeischt dan vrij algemeen wordt gedacht. Wie,
zooals ik, zich vele jaren met coöperatie bezig hield, zal wel kunnen erkennen. dat bij
hen, op wie de Bond bij woningverbetering het oog heeft, in de naaste toekomst althans
nog wel niet zullen worden aangetroffen de eigenschappen, voor andere dan consumtieve
coöperatie onmisbaar. Dit is de schuld van onze volksopvoeding; de volksschool leert
niet denken, opmerken, waarnemen en zelfstandig oordeelen; de volksschool voedt niet op.
Gemeenschappelijk bezit is uit den tijd; en kan ook nooit de bevrediging en de uit-
komsten geven van persoonlijken eigendom, liet is een teruggang, in de ontwikkeling
-ocr page 18-
14
MEMORIE VAN DEN HEER l\'. II. ISRUIJN VAN ROZENBURG.
der menschhcid. die — bij het onmisbaar gemeenschapsgevoel — naar een krachtige
individualiteit, naar zelfstandigheid en economische onafhankelijkheid moet leiden.
De waarheid dat onder machtige collectieve invloeden het individu te gronde gaat,
moet moedig onder de oogen worden gezien door hen, die in dezen tijd — waarin de
éénheid in de gemeenschap dreigt op te gaan — de maatschappij willen verbeteren door
de samenstellende deelen er van: het individu en \'t gezin.
En wanneer ik hier nu nog aanstip dat ik mij onderwerpelijk, ter juister waardeering
van hunne bedoelingen, in correspondentie stelde met Mr. Levtj en Dr. Schaepman; dat
ik een onderhoud ter zake had met Mr. Bergsma (den verdienstelijken bewerker van \'t Eind-
resumé); dat ik reeds te voren, na eene openbare polemiek met Mr. Engelen — wiens
bekende meening zeker niet zonder invloed was op \'t rapport der Nutscommissie — met
dezen over eigendom bij monde van gedachten wisselde; en, dat vooral een onderhoud
met den Noorweegschen predikant Jacoh R. S. Walnü.m , die in Sept. a. p. \'t Hofveld be-
zocht. mij sterkte in de overtuiging dat wij met die stichting op den besten weg naar
ons doel zijn, dan meen ik den inhoud van deze memorie veilig aan \'t oordeel mijner
medebestuursleden te kunnen onderwerpen.
Apeldoorn, Juli 1896.
De afgetreden Beheerder van \'t Hofveld. Bestuurslid
en Ecrevoorzitter van den O. v. O.
P. B. Bruijn van Rozenburg.
ie NASCHRIFT.
In het Utrechtsen Dagblad van 30 Augustus j-\'-> I<! bid., komt een hoofdartikel voor:
getiteld: Naar de Heide?
Daarin wordt geoordeeld over stichtingen als ons Hofveld , n.1.:
..Vestiging van individuen op eigen erf.....Menschen die door hun eigen inspan-
ning hun eigen grond in waarde doen toenemen; menschen die men in staat wil stellen
geheel op eigen beenen te staan."
De schrijver denkt zich die stichting aldus:
„Als iemand, die met werken zijn brood geheel of ten deele verdient, in de nabijheid
der plaats waar hij werkt een woning met een stukje heide of anderen woesten grond krijgt,
kan hij dat, onder verstandige leiding, gemakkelijk in cultuur brengen, en daarop aard-
appelen en wat koren en eenige groenten teelen voor zijn gezin, en misschien ook voor
eenig vee.
„Op die wijze kan dat gezin in beter doen komen. Maar om dat doel te bereiken is
veel noodig: inspanning van alle krachten, en vooral ook vastheid van karakter en al-
geheele toewijding.
„Daartoe wordt samenwerking van het geheele gezin vereischt."
Hij toont dan verder — over heidekolonien sprekende — aan, dat men geen groote
koloniën moet stichten en dat deze een opvoedend, een vormend karakter moeten hebben.
Eén man moet ze kunnen overzien, beheeren en drijven; — dat die man niet zoozeer
de administrecrende — maar de drijvende, de bezielende kracht moet zijn; — dat hij allen
van zijn geest moet doordringen . allen moet kennen. en moet weten wat er met hen te
doen is, wat er van hen is te maken.
En erkent de schrijver dan ten slotte dat men niet veel mannen vindt, die bij de
noodige geschiktheid en het juiste inzicht ook hart voor de zaak hebben, hij erkent ook,
-ocr page 19-
MEMORIE VAN DEN\' HEER 1>. R. BRUIJN VAN ROZENBURG.                                               15
dat men wel niet met allen die op zoo \'n stichting worden geplaatst, het voorgestelde doel
zal bereiken.
„En toch — zoo zegt hij woordelijk — is het een doel, waardig om nagejaagd te
worden Want, ieder die op deze wijze op den goeden weg gebracht wordt, wordt ont-
trokken aan de macht dergenen, die leven ten koste van \'t algemeen, en teruggegeven aan
de maatschappij, waarvan hij een nuttig en zelfstandig lid kan worden, mede arbeidend
aan de welvaart van het geheel, waarvan hij vroeger een kankerend deel uitmaakte."
B. v. R.
2" NASCHRIFT.
Het Handelsblad van 27 Sept. (avondblad 2e bl.) zegt tot slot van een zeer waar-
deerend opstel over onze stichtingen:
„De Bond verdient in ruimen kring bekend te worden en daarbij den steun van allen
die met de bestuurders van meening zijn, dat in ons land het groote sociale vraagstuk
van den dag kan worden opgelost, door het in \'t leven roepen, bevorderen en beschermen
van het individueel klein grondbezit, dat Frankrijks rijkdom uitmaakt."
B. v. R
-ocr page 20-
-ocr page 21-
Beschouwingen en tegenwerpingen van het Dagelijksch Bestuur.
Aan het Algemeen Bestuur van den
„Oranjebond aan Orde."
I N I. E T D I N G.
Mijne Heer en I
Hot Dagelijksch Bestuur van den Oranjcbond van Orde heeft het van overwegend
belang" geacht de hiervoren afgedrukte Memorie van \'s Bonds Eere-voorzittor over persoon-
lijken eigendom
aan Uwe belangstellende aandacht te onderwerpen in zoodanigen vorm,
dat de kennisneming zijner gewichtige beschouwingen U gemakkelijk worde gemaakt en
tegelijk het volle licht valle op de tegenwerpingen, die het aan de inzichten van den
geëerden stichter van Bescheiden Heidegeluk meent te moeten tegenoverstellen.
Behoeft het aan den eenen kant waarlijk geen betoog, dat ons Dag. Bestuur het
bestaan van het zeer ingrijpend meeningsverschil oprecht betreurt, niet het minst omdat
het grooten eerbied heeft voor den stichter en, trots hetgeen er dezerzijds in afgekeurd
wordt, machtig veel goeds ziet in de sticht/«g, — aan den anderen kant meende het, nu
eenmaal de grootc strijdvraag, die reeds tot zooveel wisseling van gedachten aanleiding
gaf, aan Uw oordeel onderworpen stond te worden, toch niet te mogen verzuimen voor
de vorming Uwer conclusiën al die bouwstoffen aan te brengen, die U in staat kunnen
stellen het pro en contra rijpelijk te overwegen.
Allereerst zij dan opgemerkt, dat ons Dag. Bestuur zich wel ter dege overtuigd houdt,
dat aan stichter en stichting a fair chancc gegeven moest worden; dat het volkomen
begrijpt, hoe het den stichter aan het hart moet gaan, dat niettemin in den loop der
jaren door inbreuken op zijn stelsel, die hij praematuur oordeelt, doch dezerzijds door de
omstandigheden geboden schenen, aan zijne schepping geweld is aangedaan; dat — wat
goed te begrijpen is — het ons D. B. dan ook zeer moeilijk gevallen is aan deze schepping,
oorspronkelijk door het Bondsbestuur (gelijk het met vele dingen gaat, over welke de
ervaring haar licht nog niet ontstak) in opzet en uitwerking toegejuicht, langzamerhand
gebreken te moeten toekennen, welker ernstig karakter aan ons Dag. Bestuur niet kon, maar
ook niet mocht ontgaan; dat het intusschen, in het volle bewustzijn zijner verantwoordelijk-
heid, gemeend hoeft de ernstige bedenkingen der opvolgende Beheerders, wier diagnose
gaandeweg meer en meer samenstemde met den indruk, dien het Bestuur zich ook zelf-
standig vormde, niet te mogen in den wind slaan.
En wel voornamelijk om deze reden: De stichtingen van Bescheiden Heidcgcl/tk zijn
reeds sedert jaren door den stichter ontworpen, doch eerst tot stand gekomen, nadat de
Bond de daarover noodige geldmiddelen heeft weten bijeen te brengen. Zij zijn dus in de
eerste plaats Bonds-Stichtingen. Hangt aan haar meerdere of mindere deugdelijkheid
3
-ocr page 22-
I 8                                 BESCHOUWINGEN EN TEGENWERPINGEN VAN HET DAGELIJKSCH BESTUUR.
voor den stichter, om het recht te zeggen, oen zekere eer, een zekere reputatie als econoom
(een eer en een reputatie, bij welke de vermeende zwakke zijden van den arbeid nooit in
staat zullen kunnen zijn de groote daad, de betoonde wilskracht, het hoog bedoelen, de
zeldzame toewijding te overschaduwen), voor den Bond hangt er aan zijn naam als crediet-
waardige instelling, zijn beteekenis als sociaal-economisch pionnier op een fonkelnieuw
veld, zijn toekomst als hulpkracht voor het welzijn des vaderlands.
Door deze stichtingen heeft de Bond een naam gekregen. Hij dankt het den stichter.
Op diens weg moge het nu ook liggen in te zien, dat die naam een goeden klank behouden
moet. Kan dit goede slechts bereikt worden door iets wat voor den eerwaardigen man
uitteraard pijnlijk is, toch moet het niet kunnen missen of hij zal zich met zelfverloochening
en een opoffering van idealen, die den inzet waard is, willen nederleggen bij een critiek,
die slechts het goede zoekt, die uitgaat om op te bouwen en aan dankbare waardeering
volstrekt niets te kort doet.
De stichting: het Hofvcld, kwam, volgens uitdrukkelijken wil van het toenmalige
Bondsbestuur, tot stand als proef. Voorop stond, dat de uitkomsten der proefneming
gewogen zouden worden. Tegen dit wegen op zich zelf heeft de stichter geen bezwaar.
Jlij meent nochtans, dat het niet aangaat die uitkomsten te schatten na zoo korte ervaring
en naar de ziekten der jeugd. Deze opvatting zou zeker gedeeld kunnen worden, indien
niet tweeërlei vooropstond: i". dat niet de ziekten der jeugd in het geding worden ge-
bracht maar de aangeboren kwalen; 20. dat \'s Bonds verplichtingen en de nakoming er
van, ten nauwste betrokken zijn bij de deugdelijkheid der basis. Ons Dag. Bestuur is
van meening, dat de geregelde rentebetaling op de hypothecaire vorderingen gevaar
loopt en dat ook het hypothecair onderpand dreigt door zelfondermijning krachteloos te
worden. Aangenomen dat dit zoo zij, wat het zal trachten hieronder te bewijzen, gaat
het dan aan (het geldt hier apres tout niet den stichter ter wille te zijn, maar de stichting
te bewaren) gaat het dan aan eerst een tal van jaren het vermeende kwaad te laten voort-
woekeren ? Indien ons Dag Bestuur er zoo over dacht, indien het de stichting niet tegen
de misschien te ver gedreven liefde van den stichter in bescherming nam, zou het zijn
plicht verzaken en straks moeten schromen voor de vierschaar van den Bond te komen.
Dus maar al te zeer beseffend, dat in deze beschouwingen en tegenwerpingen pijnlijk
werk wordt verricht; zoo mogelijk nog beter beseffend, dat objectieviteit bij uiteenzetting
een eereplicht is tegenover den man, die niet voor niets tot des Eerevoorzitters-zetel
genoodigd werd, aanvaardt ons Dag. Bestuur de hem opgelegde taak met verantwoorde-
lijkheidsbesef en met de vriendelijkste gevoelens. Maar met opgewektheid ook. Want
zijn de stichtingen aan haar schepper dierbaar, ze zijn dit niet minder den mannen, die
ze behecren, den mannen, die hier uwe aandacht inroepen en wier hartelijke wensch het
is, dat uwe wijsheid de materialen moge vinden om een brug te bouwen over een klove,
die breed genoeg schijnt om er den Bond in te kunnen doen vergaan.
En met het oog op dit laatste vooral, wordt gemeend, dat de gerezen moeilijkheden
voorshands, moge het zijn voor altijd, worden onttrokken aan de inmenging en de schceve
beoordeeling der buitenwereld. der niet tot oordeelvelling bevoegde Bondsleden ook.
Van daar — en ook omdat zeer vrijmoedig\' over tal van personen gesproken zal worden, —
dat aan deze wederzijdsche beschouwingen dat streng vertrouwelijk karakter gegeven
wordt, \'t welk waarborgt, dat van den strijd niets uitlokke, opdat men straks en in de
verre toekomst den innerlijken Bondsvrede ziende, zal kunnen denken: Immer dagewesen.
# *
*
Tot recht verstand worde inmiddels verklaard, dat des Eerevoorzitters opvatting niet
juist is, dat de door hem aangeboden motiveering zijner onthouding van stemming in
Uwe Vergadering van 29 Juli niet werd gewenscht. Ware dit zoo, terwijl die wensch
door zijn zachte uiting ontsnapt moest zijn aan Uwe aandacht, het zou Uwen Voorzitter
tot oneer zijn geweest. Daarom zij medegedeeld, dat toen op het vergevorderde uur de
-ocr page 23-
HESCHOUWINGEIJ EN TEGENWERPINGEN VAN HET DAGELIJKSCH HESTUUR.                          Ig
stemming over Huis en //i?/geschiedde en aan den Eerevoorzitter, op diens beurt, gevraagd
werd zich te verklaren, hij, bij de mededecling zijner buiten stemming blijving, dus in
zake „Huis en Hof",
de vraag uitte: „Mijnheer de Voorzitter, wenscht U dat ik deze
onthouding zal motiveeren"? waarop het antwoord luidde: „Dank U. Mijnheer." Het
scheen den Voorzitter toe niet aan te gaan de debatten tijdens de stemming te heropenen
en hij was er zich niet flauw van bewust, dat met de vraag bedoeld werd, of motiveering
van des Eerevoorzitters voorkeur voor persoonlijken eigendom werd gewenscht.
HOOFDSTUK I.
De Stichtingen van Bescheiden Heidegeluk.
Het was in den zomer van 1893, dat \'sBonds toenmalig Permanent Comité uit de
dagbladen vernam, welke denkbeelden reeds sedert tal van jaren den heer B. v. R. be-
zielden opzichtens de mogelijkheid om den weinig gewaardeerden heidegrond, om bewoonde
plaatsen gelegen, dienstbaar te maken aan het tegengaan van den trek der arbeiders naar
de steden, aan de bescheiden welvaart der minbedcelde plattelandsbewoners, aan de ver-
hooging van de nationale welvaart ook. Door lang voortgezette proefnemingen bleek de
heer B. v. R. de sterkste overtuiging verkregen te hebben, dat de cultuur van den hoog-
gelegen heidegrond, mits met zaakkennis en behoorlijk overleg toegepast, ontegensprekelijk
loonend geacht moest worden. Hij wenschte, dat van zijne ervaringen ten deze voortaan
meer partij mocht worden getrokken en wilde van de gemeentebesturen . dat zij de ontwij-
felbaar gunstige uitkomsten zouden ten goede brengen aan den kleinen man. Het gemak,
waarmede zij tegen lagen interest groote kapitalen kunnen negocieeren, scheen hem niet
minder op de wenschelijkheid van hun intermediair te wijzen, dan het belang, dat zij er bij
hebben een welvarende bevolking van „kleine luyden" te kweeken en daardoor aan de
toeneming van het pauperisme, dus aan de taak der arm verzorging, perken te stellen.
Maar zijn stem vond geen echo, niet bij de gemeentebesturen, niet bij landbouw-ge-
nootschappen, niet bij particuliere personen. Misschien wel te minder, omdat hij niet alleen
streed voor de aangeduide benutting der heide, maar ook voor het denkbeeld, dat een
zekere uitgestrektheid gronds, bijv. 1 Hectare, met een daarop gebouwde woning, aan die
minbedcelden onder hypothecair verband in eigendom moest worden gegeven, en wel in
dadelijk ingaanden \'eigendom. Zie, dit was der publieke meening te kras. Of hij al wees
op het groote economisch nut, uit de bevordering van den kleinen eigendom te behalen;
of hij al betoogde, welke kracht uit den maatregel zou kunnen worden getrokken ter
versterking der sociale orde, ter bestrijding van de sociaal-democratie, het mocht niet
baten. Men vond de heide weinig beter dan good for nothing, gevoelde zeer weinig voor
die theorie van den kleinen eigendom en zag in z\'n verbeelding niet een bestrijding, maar
integendeel een groot accres van het pauperisme, oen zeer onwenschelijke uitbreiding van
gemeentelijke uitgaven voor onderwijs, policie-zorg, enz. enz., uit de verwezenlijking der
denkbeelden tegemoet.
Het Bondsbestuur begroette ze echter met sympathie; zag er, wel verre van een
reis naar Utopia, een ander ei van Columbus in en stelde zich met den heer B. v. R. in
betrekking, hetgeen er toe leidde dat op 31 Augustus 1893 éen overeenkonrst beklonken
werd, strekkende: dat de heer B. v. R. voor \'s Bonds rekening in de buurt van Apeldoorn
een stuk goed gelegen heidegrond van behoorlijke qualiteit, ter grootte van 6 Hectare,
zoude aankoopen en daarop naar zijne plannen 6 arbeiderswoningen zoude stichten. De
Bond zou beproeven do middelen hiervoor te vinden. Het Permanent Comité droeg de
geheele leiding aan den heer B. v. R. op, maar conditionneerde, dat de stichting zoude
-ocr page 24-
20                                                         DE STICHTINGEN VAN BESCHEIDEN HEIDEGELUK.
worden aangemerkt als er eene te zijn van den Bond en dat zij geheel het karakter zoude
dragen van een proef. Reeds toen werd ingezien, dat uitbreiding der stichting \\vensche-
lijk zou kunnen blijken en daarop werd dan ook bij den aankoop van den grond gelet.
De grond werd gekocht voor f ioo.— per Hectare en de eigenaar, het Markbestuur,
verklaarde zich bereid voor denzelfden prijs het eventueel meer benoodigde terrein te
leveren.
In hoofdzaak werd verder overeengekomen, dat huis en grond, perceel voor perceel,
zouden worden gegeven in dadelijk ingaanden eigendom en toegewezen aan aanbevelings-
waardige personen; dat voor elk perceel f 1 ooo.— zou worden geleend en dat het voor
dit volle bedrag hypothecair zou worden verbonden; dat de Bond zijn moreele medewerking
zoude verleenen, doch financieel buiten de operatie zoude staan, slechts — voor den duur
van zijn (toen nog zeer précair bestaan - zijn bemiddeling tusschen eigenaar en hypotheek-
houder zoude ten beste geven; dat de gelden zouden worden geleend voor hoogstens 3 l/j
en verstrekt voor hoogstens 4 procent; dat het verschil zoude gestort worden in een P\'onds
van Beheer, \'t welk ook door eventueele giften gebencficiccrd zoude worden en zou moeten
dienen ter bekostiging der administratie en voorts van alle uitgaven ten behoeve van het
belang der stichting in haar geheel; dat de Beheerder zijne goede diensten kosteloos zoude
prestoeren; dat geen bewoner zou worden aangenomen, die niet sinds minstens 2 jaar in Apel-
doorn gewoond had en er zijn (zij het schraal) bestaan uit eigen arbeid had gevonden, waarbij
een uitzondering zou kunnen gelden voor niet ter plaatse woonachtige kleine gepension-
ncerden; dat wat na bekostiging van grond en huis van de /\' 1000— zoude overblijven, zoude
dienen 1" om een klein gedeelte van den grond te bemesten en te bewerken , 2 "om de kosten
der notarieele acten te bestrijden (de heer notaris W. Walter bleek vriendelijk bereid
slechts de kosten, dus geen salaris, in rekening te brengen), 3" om het dan nog over-
blijvende te besteden voor den aankoop van klein vee, pluimgedierte, gereedschappen,
zaaikoorn, pootaardappelen , enz. enz., alles ter keuze van den bewoner, en het eventueel
saldo aan den man in contanten zoude worden uitbetaald, des, dat hij de volle f 1000.—
in waarde zoude hebben genoten; eindelijk, dat de door den eigenaar verschuldigde rente
(met inbegrip van grondbelasting en assurantiepremie) zoude worden betaald in wekclijksche
gelijke termijnen van f 0.S0, dus schijnbaar als weekhuur en dat schuld-aflossingen bij
geen mindere bedragen dan / 100— zouden worden toegelaten; dat de hypotheek-acte
(zie bijlage A) ecnigc bepalingen. strekkende tot bevoegdheidsbeperking zoude inhouden
en dat de eigenaar-bewoner ten opzichte van het installatiegeld (voor dit doel begroot op
het montant van rond f 100.—) eene schuldbekentenis aan den Bond zoude afgeven (zie
bijlage B) waarop hij geacht zoude worden telken jare stilzwijgend en dus onbetaald
f 10.— te hebben afgelost, zoodat deze schuld in den tijd van 10 jaar zoude zijn gedelgd,
maar, bij eerder verlaten van het pand, aan den Bond, ten behoeve der installatie van
den opvolgenden eigenaar, voor het resteerend deel zou worden gerestitueerd.
En nu stak het scheepje in zee, dat is te zeggen de grond werd aangekocht. Inmiddels
trachtte het P. C. de noodige fondsen bijeen te brengen. Dit ging zeer moeilijk. De eerste
poging mislukte geheel. Van de 80 in zee gezonden circulaires werden er 40 ongunstig,
zijn er 40 nog niet beantwoord. Ondershands werden nieuwe stappen gedaan. H. M. de
Regentes trad zoo spoedig in de rij dergenen, die den Bond bij dezen gewichtigen
arbeid wilden steunen, dat ten behoeve van Hare Majesteit de eerste drie der woningen
hypothecair konden worden ingeschreven. Op 31 October werd de eerste spade in den
grond gestoken. En eer de winter goed en wel voorbij was, zag men het geheele Hofveld
volgebouwd, 14 woningen staande op 1 . 4 woningen staande op \'/j Hectare. Flinke wegen,
deels beplant, doorsneden de stichting. Het geheel zag er aantrekkelijk uit. De stichter
had zich in zijn volle kracht, zijn volle energie getoond. En het was een gebeurtenis,
die niet naliet door geheel het land indruk te maken, toen op Pinkster drie van 1894 het
Hofveld werd ingewijd met het hijschen van de Nederlandsche vlag. Op dat moment
-ocr page 25-
1JE STICHTINGEN VAN IIESCHEIIJKK HEI DEGELIJK.                                                          2 1
waren de 18 woningen door even vele eigenaren betrokken en niemand dacht er toen aan,
dat over het systeem der stichting, die met den toenaam van Bescheiden Heidegeluk
gedoopt en mot de zinspreuk Cliaritate et Industria begiftigd was. na weinig tijds zulk
ingrijpend meeningsverschil aan den dag zou treden.
Dat verschil komt hierop neder, dat de heer B. v. R. elk pand aan den bewoner in
eigendom, dadelijk ingaande, wil geven, terwijl ons Dag. Bestuur van oordeel is, dat dit
verkeerd is. Om twee redenen, i° om de algemeene reden, dat de Bond over een in
eigendom geschonken pand niets moer te zeggen heeft. Wat nu een mooie stichting is,
waarover de Bond nog oenigermate waken kan, zoolang de hypotheek-acte haar belemmerende
werking nog min of meer kan doen gelden, waar nu geen kroeg gehouden, geen krot
gebouwd kan worden — heeft kans zeer leelijk gevlekt te worden, zoodra door overlijden
of om andere redenen. het perceel van eigenaar verwisselt. De hypothecaire waarborg
reikt niet vorder dan hij doet. Niemand kan er voor instaan, dat niet op een kwaden dag
plotseling vernomen wordt, dat een eigenaar zijn pand voor de f 1000— hypotheek plus
de winst van een schotel linzen aan een speculant, een herbergier of een uit eenigerlei
hoofde ongewenschten „vreemden étranger van buiten, die daar niet thuis hoort," heeft
verkocht. Dan, arme stichting! Ja, als het Bondsbestuur er dan als de kippen bij is en
over geld disponeert, is misschien, zéér misschien, nog een groot onheil te koeren. Maar
gebeurt het voor de tweede, derde, vierde maal, dan past op de stichting dat gevleugelde
woord van Minister Heemskerk: „Het mooie is er af."
Te dezen aanzien zegt de heer B. v. R. gaarne, dat men zich ook van het eigenlijke begrip:
stichting moet losmaken. Laat het zijn. Past daarom meer een clandestiene tapperij of
een landelijk bordcel op deze plek van sociaal goedbedoelen ? Zal het daarom minder
leelijk staan indien het nu frissche complex door onmenschwaardige woningen ontsierd
wordt? Zal het daarom minder onuitstaanbaar wezen, als de huisjesmelker er zijn schepter
zwaait, antwoord gevend op het „C/irrssez Ie naturel, il revient au galop?\'
„Maar dat alles zal niet gebeuren," zal de heer B. v. R aanvoeren, „want de goede
menschen, die zoo aardig in hun wasch gezet zijn , zullen hun eigendom zóó liefhebben, dat ze
bij leven en dood wel oppassen zullen tegen al die pessimistische gebeurlijkheden. Dit is
het nu juist, wat ons Dag. Bestuur wraakt en wel omdat bij dit systeem, zal het goed
werken , alles afhangt van de vraag of de eigenaar hoog staat of laag. Staat hij hoog en
weet hij vóór zijn overlijden er iets op te vinden, dat bij de deeling der nalatenschap niet
behoeft te worden overgegaan tot in eenig opzicht onéreuse maatregelen, dan loopt de
zaak rond. Doch staat hij laag, dan is er gevaar van af het oogenblik, dat hij het
eigendom aanvaardt.
Welnu, ons Dag. Bestuur kan zich zeer wel een tamelijk hoogstaanden eigenaar
denken, want er zijn er enkelen op \'s Bonds stichtingen. Doch zeer enkelen. De meesten
staan laag. Aan hen is de meeste eer te behalen. Da\'s waar, maar met hen wordt ook
een gevaar geloopen, dat niet gering is en zeer dikwijls reeds in een ramp of een slechts
ter nauwernood afgewende ramp is overgegaan. „Ze moeten opgevoed worden, die menschen,"
zegt de heer B. v. R. Goed, maar moet dit geschieden door middel van doctrinaire
paedag\'ogie? Moet men in het kamp der deugdzamen den demon binnenvoeren, om eens
te zien of hij iets op hen vermag? Maar ze zijn niet eenmaal economisch deugdzaam, de
meesten onzer luidjes. Ze staan zeer laag. Ze hebben hoegenaamd geen begrip van
eigendom, ze hebben het amper van bezit. Ze hebben nooit gestreefd naar de heerlijkheid
van een eigen haard en nu ze dien hebben, weten ze hem niet te waardeeren. Naar goede
bewoners is gezocht. Natuurlijk. Doch op de getuigenissen is afgegaan en wie, die niet
weet, wat testimonia waard zijn. Op de meesten dor bewoners heeft men zich verkeken.
Ze passen ons niet. Ze hebben geen energi»:, geen plichtbesef, geen doorzicht geen
verantwoordelijkheidsgevoel, \'t Is een mirakel gelijk, dat het nog gaat, zooals het gaat.
Het bewijst, dat er toch ook in dat Bescheiden Heidegeluk zoo ontzettend veel goeds zit,
-ocr page 26-
22                                                           DE STICHTINGEN VAN BESCHEIDEN HKIDEGELUK.
dat het dood-jammer zoude wezen. indien de stichter alleen baas geweest ware. Want
geeft men hem zijn zin, dan loopt de boel spaak. Dit is daarvan het gevolg. dat ideëele
dingen alleen bruikbaar zijn voor ideale menschen en niet voor menschen , die met één
been, zoo niet met beide beenen. in het proletariaat staan en die — we behoeven ons
niets wijs te maken - - meerendecls alleen zijn afgekomen op de goedkoope en mooie
woning, vooral op dat lachende installatiegeld, maar niet op ... . eigendom.
Wat zou er tegen wezen, dien lieden niet alles op eens te geven, niet het matericele
en het ideëele tegelijk ? Wat er tegen om de huizen eerst eens te verhuren, opdat de
Beheerder een paar jaar lang het kalm kon aanzien of de bewoners hun huis en erf lief-
hebben . waard zijn voortgeholpen te worden en den eigendom begeeren. den eigendom,
die dan, in het algemeen belang goed verzekerd, door de noodige servituten gedekt moest
worden en wellicht beter door erfpacht te; vervangen ware? Indien men den bewoners
al de vruchten van hun zorg en hun vlijt ten goede wil laten komen — en dit wil men —
zijn ze dan slechter af met erfpacht ddiu met eigendom? Nog eens, wat zou er tegen
zijn ? Wel, er is alleen dit tegen, dat het nu eenmaal het systeem niet is.
Toen het Hofveld werd ingewijd, was de geld-stroom nog zóó werkzaam, dat aan
een tweede stichting moest worden gedacht. Nergens, buiten Apeldoorn, bleek een plaatsje
te vinden, daarvoor geschikt, met een candidaat-Beheerder, daarvoor geschikt. Maar
tegenover het Hofveld lag het Hattemsche veld en de heer B. v. R. kende den heer
Majoor J. A. A. In \'t Velt, dien hij het Permanent Comité als Beheerder voor de aldaar
te vestigen nieuwe stichting aanbeval. Dat ging aan en een jaar na dato had het Hofveld
een overbuur, die 14 woningen telde en er nu 15 heeft. En nog een jaar later werd ten
dienste van beide stichtingen het gezellige middelpunt van onderling verkeer en sociaal
nut gesticht, dat, als Ons Huis bekend, in breeden zin een zegen voor de bewoners
der velden is.
Thans staan de drie stichtingen onder het beheer van den heer L. W. Th. Schmidt.
lien vader kan zijn kinderen niet meer liefhebben , dan hij de aan zijn zorg toevertrouwde
velden en hun bewoners. En hij doet, wat Schiller van de liefelijke huisvrouw zegt:
Hij „waltet wcise". Maar hij is tegen het eigendoms-systeem van den heer B. v. R., die
om redenen van gezondheid het beheer zijner creatie moest laten varen en nu niet kwalijk
moet nemen, dat ziju opvolger door de fouten van het stelsel sterker getroffen wordt,
dan David door die van Absalon, zijn zoon. En ook de heer In \'t Velt is er tegen. Hij
had gelegenheid genoeg de fouten te ontdekken, maar hij voelde ze zelfs reeds bij intuïtie.
De heer B. v. R. stelt hunne meeningen niet hoog, althans ver beneden de zijne . „omdat
ze zich vormden door veel te kortstondige waarneming en te weinig ervaring en praktijk.
Bij de scherpzinnigste opmerkingsgave toch, bij de geniaalste vaardigheid in \'t beoordeelen
van menschen, zaken en toestanden, kan men in zoo\'n korten tijd niet objectief genoeg
worden, om aan mistasting te ontkomen. Vooral wanneer die kortstondige waarneming
en ervaring niet zijn voorafgegaan door een gezette studie van \'t onderwerp, die de oogen
opent voor veel wat anders de aandacht ontsnapt." Gaan de ervaring en de praktijk, door
een stichting van 18 woningen en wat daarbij behoort, die, verkregen door een stichting
van 14 woningen, zooverre te boven ? En kan het niet wezen, dat de scherpzinnigste
opmerkingsgave niet beletten zal, dat men zich op één punt blind staart? En waar gezette
studie zich slechts op theoretisch gebied vermeien kon, is het daar onmogelijk, dat zij te
subjectief van aard werd om later objectief te kunnen staan tegenover de ervaring en
de praktijk ?
Doch wij treden hier op het gebied der Memorie en willen hieraan liever een afzon-
derlijk hoofdstuk wijden.
-ocr page 27-
23
HOOFDSTUK II.
Du ONTLEDING DER MEMORIE-B. V. R.
Het is voor hem, die den aanhangigen strijd met aandacht volgt, en vooral voor hen,
die hem mede doorleefden, zeer belangwekkend om op te merken , dat de heer B. v. R.
altijd gezag toekent aan hen, die zijn pièce de resistancc voorstaan, en gewicht aan hun
beschouwingen, ook al is het hem volkomen onbekend of hunne uitspraken wel getoetst
zijn aan practischo ervaringen en dus iets meer zijn dan catheder-waarheden; en dat,
daarentegen , de tegenovergestelde meeningen, die \'t zij al, \'t zij niet op wezenlijke onder-
vindingen uit het volle leven berusten, voor hem niet de minste waarde vertegenwoordigen.
1 lij beschikt over een ongemeen krachtig compilecrend vermogen en even talloos zijn
de bronnen, waaruit hij put, als ter zake dienend de excerpten, die hij bijbrengt. Pleit
dit voor zijn veelomvattende kennis, de wijze waarop hij zich van deze bedient om het
goed recht zijner stellingen te bewijzen, pleit niet voor zijn objectieviteit. Men mag
vragen: Waarom is (niet waarom schijnt hem, maar waarom is) het in de inleiding aange-
haalde hoofdartikel van het Utrechtsch Dagblad van 30 Aug. j. 1. „met zooveel zaakkennis
geschreven en getuigt het van goed oordeel"? Waarom was het „goed gedacht" wat
Mr. J. A. Levv op 26 April j. 1. in het Alg. Ifandclsbl. tegen het jongst gepubliceerde
Xutsrapport omtrent Volkshuisvesting aanvoerde, en was dus het pleidooi tegen indivi-
dueelen eigendom van de niet minder geleerde hoeren, Mrs. Drucker, Greevk en Kruseman,
niet goed gedacht? Waarom anders, dan omdat van de wederzijdsche theoretische
beschouwingen de eene zich wel, de andere zich niet met des hoeren B. v. R\'s opinie
verdragen ? Waarom wordt de uitspraak van den Chinees Meng-Tseu, die drie en een
halve eeuw vóór Chr. leefde, als valabel bewijs-materiaal aangevoerd, waar het oen vraagstuk
niet van Oud-China maar van het Nederland van 1896 geldt en waarbij goen sprake mag
zijn van de oratorische handigheden eener debating-chib, maar alleen sprake mag wezen
van zuivere argumentatie? Een vergelijking tusschen Chineesche toestanden van vóór 22
eeuwen en van Ncderlandsche toestanden van heden, schijnt ons in het ernstig conflict
van inzichten, dat ons thans bezighoudt, om 1001 redenen volstrekt misplaatst, al ware
het ook, dat ten slotte de philosofio van dien Chinees de \'t best bevonden systemen van
hedendaagsche economie mocht kunnen dekken. En dit geldt niet minder van de studiën
van een Maurice Paléologue over het Peking van nu. Allerminst weersproken wordt
dezerzijds, dat het klein grondbezit in Frankrijk terecht mag worden geacht aldaar te zijn
het palladium van staat en maatschappij. Maar geen ernstig Eransch econoom zal het in
het hoofd krijgen — omdat op dit punt China en Frankrijk toevallig misschien cenige
staathuishoudkundige overeenkomst aanbieden — op die toevalligheid do fundamenten van
een economisch stelsel te bouwen. Trouwens, de heer B. v. R. kan weten, dat ons
Dag. Best. niet het klein grondbezit, als groote paedagogisch-economische kracht, verwerpt.
Het is er ver van daan. Zoo dikwijls dergelijk klein grondbezit zich harmonisch uit de
gewoonten en begeerten der bevolking ontwikkelt, langs den regelmatigen, autopathischen
weg, wordt zijn waarde wel degelijk erkend. Geheel iets anders is het om langs sugge-
stieven weg aan zeer weinig ontwikkelde en van eigendom nooit gedroomd hebbende
menschen, die waarde op te dringen. Het is er mode als met het speelgoed van het kind.
Het kostbaarste geschenk heeft voor het kind op geen voeten of vademen na de waarde
van het zelf-verzonnen speelgoed, dat hot zich samenstelde uit een houtje, een touwtje en
een knoop. Doch afgescheiden hiervan, is het zeer opvallend, dat do heer B. v. R. nog
nimmer toegankelijk gebleken is voor de overweging, dat het bezit van iets een goeden
invloed op don bezitter en de cigendo?» van hetzelfde iets een schadelijken invloed op den
-ocr page 28-
DE ONTLEDING DHR MEMORIE-B V. R.
24
eigenaar kan uitoefenen. Steeds is hij in gebreke gebleven te bewijzen, dat de hoeren
Leveii.i.é, Hui\'.iiard en Lemire, waar zij het klein grondbezit propageeren, hetzelfde
voorstaan als hij met den persoonlijken eigendom van huis en hof. liet kan zeer wel
wezen (en de jongste redevoering\' van den Belgischen colleetivist, Dr. Emile Vandevelde,
heeft ons in de/.e meening versterkt) dat de Eransche taal, minder rijk dan de onze, de
beide. waarlijk niet synonieme (ook volgens het Nederlandsche burgeerlijk recht geheel van
elkander onderscheiden) begrippen: Eigendom en Bezit, door één en hetzelfde woord
Propric\'tc\' moet aanduiden, namelijk de begrippen. Het woord jossession heeft op zich-zelf
niet de betcekenis van een begrijp in den hier bedoelden zin. Maar ook al ware dit anders,
wat constitueert eigenlijk de feitelijke1 (niet de denkbeeldige) waarde van een eigendom,
dat op het moment zijner verkrijging wordt gcëquivalcerd door een aangegane schuld, een
schuld, die uit zich-zelvc niet vermindert, tegenover een eigendom, dat in waarde vermeer-
deren kan , maar ook in waarde kan afnemen en al dadelijk gesplitst wordt in een blijvend
onroerend gedeelte ad rond / 900.— en een vlottend roerend gedeelte (installatie-geld)
ad / 100.— ? Is het wonder, dat de eigenaar z\'n gedachten maar moeilijk verheffen kan
tot de hoogte van het begrip, dat hij naar het gewone spraakgebruik iets bezit, dat hij
van iets eigenaar is, terwijl hij weet, dat hij in de te gelde making van dat eigendom
wordt belemmerd door de schuldbekentenis van / 100.—, welke schuld zonder vorm van
proces op hem kan worden verhaald. reden waarom hem slechts overschiet om met de
Noorderzon te vertrekken ?
En nu kan men wel willen beredeneeren, dat ook langs autopathischen weg verworven
eigendom menigmaal tot ver boven de waarde is bezwaard. Dit is helaas het geval.
Maar juist de in dit pijnlijk geval verkecrende eigenaren, hechten zich dientengevolge te
sterker aan hun eenmaal óf niet öf niet overmatig bezwaard eigendom, krijgen het des
te meer lief. Doch van meet af aan slecht gebalanceerd, dus slechts schuld opleggend
eigendom, kan slechts waarde hebben voor rneer ontwikkelde en energieke menschen,
die zich ernstig voornemen allengs den evenaar in het huisje, straks aan gene zijde buiten
het huisje te brengen. Van deze laatste categorie menschen wonen er op de Apeldoornsche
velden van Bescheiden. Heidegeluk gelukkig enkelen. De meeste bewoners zijn zoo niet.
En die enkelen zouden niet minder gebaat zijn bij een ingevoerd stelsel van geen-cigen-
dom-constitueerend-bczit. Maar die meesten verwaarloozen het bezit juist ten gevolge van
dien fictieven eigendom, die alleen hoog geschat kan worden door een idealisme, dat
helderziendheid buitensluit.
De heer B. v. R. haalt in zijne Memorie het voorbeeld aan, dat de Noorweegsche
Storthing een millioen kronen beschikbaar stelde om onbemiddeldcn, door voorschotten,
in staat te stellen grond en eigen woningen aan te koopen. Hoe is het mogelijk, dat hij
het verschil in casus niet opmerkt. Wat een Staat kan doen met het oog op groote
indirecte voordeden, gelooft hij wezenlijk, dat op eenigszins groote schaal particulieren
dit zullen doen, en dat de Oranjebond van Orde, die er in goed vertrouwen de hypothecaire
geldschieters toe bracht, en moreel verantwoordelijk is voor de uitkomsten, dit mag doen ?
En gelooft hij, dat die Noorweegsche onbemiddeldcn, ƒ 1000.— voorschot verkrijgend,
daarvoor iets koopen zullen ver boven de stabiele waarde en dat — als ze dit al wilden —
het Noorweegsche gouvernement daarop „Amen" zoude zeggen? Indien bij het doorhem
gerelateerde feit „elke redenecring overbodig is", toont hij klaarder aan, dan waartoe ons
Dag. Bestuur zich in staat acht, dat de basis van zijn stelsel iets anders dan hardsteen
is, namelijk molm.
Zeer zeker, het is de taak van den Oranjebond van Orde, om — cenerzijds tot hot
breken, althans breidelen van den invloed der sociaal-democratie, anderzijds tot het vcr-
hoogen van den standaard des volksgeluks — te streven naar een verbetering der maat-
schappelijke toestanden ook in dezen zin, dat de arbeider gehecht worde aan zijne woning
en den grond, waarop deze staat; dat hem gewaarborgd worde het genot der vruchten,
-ocr page 29-
DE ONTLEDING DER .MEMORIE-B. V. R.
25
die hij teelde, dank zij geestkracht en vlijt; dat hij dus leere zich te vereenzelvigen met
de gedachte, dat zijn inspanning, dat elke druppel van zijn zweet , komen zullen ten zijnen
bate en eens tot voordeel van zijn kinderen. Aan die taak is ons Dag. Bestuur noch
door zijn daden, noch door zijn bedoelingen ook slechts één oogenblik ontrouw geworden.
En daarom verdient het ook niet het verwijt, dat het nu bestrijdt, wat het vroeger (als
Permanent Comité) met zooveel instemming begroette. Hoogstens zou hem verweten
kunnen worden, dat het vroeger niet wist, wat het toejuichte; maar van welke zijde deze
steen dan ook geworpen moge worden, zeker niet van de zijde van den heer B. v. R.,
die het Bondsbestuur toenmaals gebracht heeft onder de bekoring van zijn stelsel. Het
is eigen aan idealen, dat zij bij sommige naturen evenveel bekoring, als bij anderen
ongeloof wekken. Daar zijn ze niet minder om. Maar la déesse enchanteresse mag" in
haar eischen niet te ver gaan. De impulsie mag zij wekken, slaafschc aanbidding niet.
En zij moet in \'t algemeen voorzichtig\' wezen — mits zij het goede wil — dat haar be-
koorlijkheid niet oversla tot coquettcrie, zullen haar aanbidders even koel van hoofd
blijven, als zij warm van hart zijn. En als Mr. Lkvv het der Xuts-Commissie verwijt, dat
„zij onderschat de psychologische bekoring, zoowel als het economisch weerstandsvermogen,
gewekt en gevestigd door individueel bezit van onroerend goed", dan geeft hij ons het
recht te vragen, of hij psychologische bekoring wel een ijzersterke en duurzame hervor-
mings-hefboom vindt en of hij van dat economisch weerstandsvermogen inderdaad wel
genoeg levende ervaring heeft opgedaan.
Het zijn ook weder de Belgische hoogleeraar Colin en de Fransche staathuishoud-
kunnige Georoes Picots, wier adviezen men goed zal doen onder benefice van inventaris
te aanvaarden. Bij geen van beiden blijkt, dat zij practisch hebben waar gemaakt, wat
zij theoretisch verkondigen. Ook Belgisch en Fransch papier is zeer geduldig. Maar wat
zij zeggen (wij refereeren ons aan de g-edane aanhalingen) is niet hetzelfde als wat de heer
B. v. R. voorstaat. Colin beweert, dat „het bebouwen van den grond door den eigenaar
zelf verkiesbaar is boven alle verpachtingsvormen." Dit geven wij tot zekere hoogte toe.
I Iet komt er maar op aan of de eigenaar hetzelfde stimulans heeft om zich in te spannen,
als de pachter, die tot inspanning gedwongen wordt. Wij stellen voor de gemeenschap
een groep werkzame pachters boven een groep indolente eigenaren. Maar wij stellen ook
een groep werkzame en verstandige eigenaren, uit een sociaal en economisch opzicht, ver
boven dito pachters, \'t Is maar de vraag of die eigenaren hun plicht doen. En nu zal
het toch bezwaarlijk betwist worden, dat zij om hun plicht te doen, eerst moeten beginnen
dien plicht te begrijpen. Het ware luk-raak, dat zij dien plicht begrepen, uit de openbaring
alleen, dat stelseliruinnen op een goeden dag met huis en erf tot hen kwamen onder het
uitspreken der toovenvoorden: „Aanziet uw eigendom! Het is alles het uwe. Ge moet
weten, wij zijn aan \'t hervormen Van daar, gelooft uw oogen, brengen wij U dit geschenk.
Maar, a propos, \'t is ver boven pari bezwaard. Als ge dit maar begrijpt, zijt ge de beste
en is de hervorming kant en klaar. Opvoeden voor, inleiden in die nieuwe levenstaak,
het zou niet mogen, want het ware niet doctrinair. Men moet een stelsel willen of het
niet willen. Een tusschending is er niet. Een getrapt stelsel wordt wel aanbevolen, maar
dat keuren wij af. Niet omdat het niet goed zon wezen, maar omdat het niet goed mag
wezen. Nu, gegroet, weest of wordt zelfstandig. Vaartwei!" En Picots, die eigendom
voor boer en arbeider de grootste prikkel tot werkzaamheid noemt en beweert: La proprictc\'
est leur passion,
heeft groot gelijk met op dien grond aan te dringen op bevordering en
bescherming van het persoonlijk bezit Maar als hij over den persoonlijken eig\'cndom de
loftrompet steekt, en dan bedoelen mocht dien fictieven eigendom, fictiefin geldclijken,
fictief in psychologischen zin, die door den stichter van Bescheiden Heidegeluk wordt hoog
g"ehouden, maar naar beleid en voorzichtigheid en menschenkennis niet vraagt, niet naar
gebleken geschiktheid, niet naar waarborgen, niet naar eventualiteiten, niet naar andere
maatschappelijke belangen, die met dien toover-eigendom in botsing kunnen komen, dan
4
-ocr page 30-
DE ONTLEDING DER MEMORIE-B. V. R.
26
is hij ook voor ons een geleerde, onder wiens leiding wij ons zouden gevoelen, als zonk
alle grond ons onder de voeten weg.
Wij laten Indië hier rusten, niet omdat wij niet genoeg voor Indië gevoelen, maar
omdat de „gordel van smaragd" in de buurt van China ligt in dezen zin, dat de daar
hèerschendc toestanden niet in aanmerking komen voor een vergelijking met de Nederland-
sche, die hier in debat zijn. Maar ingaande op de aanhaling uit Mr. S. Van Houten\'s
artikelen. doen wij opmerken, dat zij zeer sterk bewijzen, dat deze geleerde staatsman
een open oog heeft voor de wezenlijke behoeften der nederige plattelandsbevolking en
volkomen juist inziet, dat tal van kleine lieden zich geen grooter geluk kunnen denken,
dan gelegen is in het verkrijgen van een, zij het slechts zeer klein eigendom; doch dat
zijn perspicatitcit zeker grootelijks zou worden onderschat. indien wij uit zijne adviezen
wilden opmaken , dat hij het goed en nuttig vindt aan lieden van zeer lage orde, de but
e 11 blauc
, Af/r Nichis, Dir N/\'ch/s, een overbezwaard eigendom zonder eenige reserve in
handen te spelen. Indien iemand, dan is hij de man met het koele hoofd, die tegen elke
gewaagde proefneming protest zou aanteekenen. Het is geheel iets anders een gegeven
toestand te loven, dan het forceeren van een overeenkomstigen toestand (en ware het
slechts in allen deele een overeenkomstige!) te prijzen.
Het is van den heer Edo Bergsma zeker zeer oordeelkundig geredeneerd, dat hij bij
zijne vergelijking tusschen de toestanden in Friesland en die in Overijsel, aan de laatste
den hoogsten lof toe/.waait. Mocht Friesland langs ongedwongen wegen een tweede
Overijsel kunnen worden, "door vermeerdering van het aantal kleine bezitters onder den
arbeidenden stand. wij zouden het een waar geluk achten. En dan zouden wij vergeten,
diit de heer Edo Bergsma de man is, die de landnationalisatie van de gronden in de
gemeente Het Bildt, waarover hij Burgemeester was, zóó krachtig heeft voorbereid, dat
de Vereeniging, die zich aldaar gevestigd heeft met het doel, om alle Bildtsche gronden
langzamerhand aan die g\'emcento in eigendom te brengen, hoofdzakelijk aan zijn werk-
zaamheid is te danken on. ware hij niet naar Enschedé verplaatst, voor de eerste maal
onder zijn presidium zou hebben g-estaan. Wij keuren deze poging niet af. Wij gevoelen
veel voor het praktisch onderzoek ook van dat stelsel. Maar wij constateeren, dat er
breede wegen liggen tusschen de propaganda voor den individueelen en die voor den
collectivistischen eigendom en dat de aanhaling-Br.RGSMA voor het geding, dat ons bezig-
houdt, hoegenaamd geen bouwstoffen ter beslechting bijbrengt.
Aldus de Memorie op den voet volgend, staan wij weer voor de vraag waarom de
mannen, die de heer B. v. R. aan zijne zijde meent te zien, vooral in Frankrijk, door hem
worden ingedeeld bij de kloekste en bezadigste. Is het inderdaad zóó kloek geleerde
betoogen te voeren en blijkt uit de gegeven aanhalingen iets van bezadigdheid? \'t Mag
met die bezadigheid zoo wezen, maar argumenteeren die qualificatiën? Argumenteert het,
dat, wat verteld wordt als in Engeland voor te vallen, te merkwaardiger is omdat het
geschiedt onder een conservatief ministerie? Indien het iets bewees, zou het niet het
merkwaardige maar het natuurlijke bewijzen. De staatkunde onzer dagen avanceert meer
en meer in de richting, die den Staat tot universeelen eigenaar van alle monopolies, allo
grond, alle industrie wil maken, die naast den fttaat-Gendarme den 9A.zaX.-G e rant wil plaatsen.
Daar kan het niet opvallend genoemd worden, dat een conservatief ministerie zijn steun
geeft aan een voorstel, „om de gemeentebesturen wettelijk te machtigen, onder zekere
voorwaarden, geld te verstrekken aan werklieden, die zich een eigen woning willen
bouwen of koopen." De heer B. v. R. kent niet de considerans van dit voorstel. Kent
hij er dan wel de subtiele détails van ? Weet hij zóó zeker, dat de Engelsche wetgever
doen wil, wat ons Dag. Bestuur door de ervaring geleerd heeft te wraken, namelijk het
ploegen van zeezand, het zaaien op rotsen? Niet tegen het bevorderen van eigendom
hebben wij bezwaar, al dringt zich, hoe meer wij er over nadenken, de overtuiging bij
ons op, dat daarbij niet genoeg- gelet kan worden op de veel gevaar aanwijzende keerzijde
-ocr page 31-
DE ONTLEDING DER MEMORIE-B. V. R.
27
der médaille; maar tegen het Generaal Boem-systeem van het plotseling\' tot eigenaar
gradueeren van den man, die het vorig oogenblik nog niet het geringste het zijne kon
noemen en nu op eens rentmeester wordt gemaakt over / 1000.—, secuur geteld, daar
tegen is het, dat wij ons kanten.
En nu de heer B. v. R. eenmaal aan het ontmoeten van medestanders is, worden ze
ontelbaar. Daar zijn de mannen van lioaz met hun proces-verbaal der 2e jaarvergadering.
Ook met practische ervaring? Daar is Dr. Schaepman, die, in zijn eloquentie groot, vandaag
de Zuiderzee drooglegt en morgen de heide bevolkt, alles met geestdrift, maar wien de
handen wel scheef zouden staan bij de allerminste toepassing van wat zijn theorie betoogt.
Daar heet ook te zijn de heer Dr. A. M. Prins, wiens aangehaald artikel wij niet kennen,
doch die bij het doorlezen van deze memorie en onze beschouwingen en tegenwerpingen
zelf het best zal kunnen weten, of hij ten deze a charge of a decharge opgeroepen is.
Daar zijn Prof. Fabius, van wien we niets weten, zeker geen practijk; Mr. A. Kerdijk,
die ons een weinig betrouwbaar geleide toeschijnt op denzelfden weg, dien een conservatief
Kngelsch minister tot den zijne kiest; notaris Huendkr te Steenwijk, die omdat hij terecht
veel heeft aan te merken op het beleid, dat bij de Maatschappij van Weldadigheidvoorzit,
nog niet gezegd kan worden op het systeem B. v. R. te reageeren. Daar is „het bij
uitnemendheid practische Enschedé, waar de R. K. arbeiders-vereeniging zéér onlangs
besloot huizen met grond, direct in eigendom, aan hare leden te geven .... „merkwaardige
overeenkomst alweer met \'t oorspronkelijk ontwerp-Hofveld !" .... welke vereeniging, op
het voor onze polemiek meest essentiëele punt, juist het omgekeerde wil van hetgeen de
heer B. v. R. wil, want zij laat niemand als eigenaar toe, die niet/100.— vooruitbetaald,
dat is dus iets anders dan /ioo.— installatiegeld vooruit gekreg\'en heeft;/ 100.—- vooruit-
betaald, omdat men zeker wil wezen, dat de bewoners hun groot belang bij hun eigendom
gevoelen; en voert den interest zoo hoog op, dat de perceelen binnen 10 jaar het onbezwaard
eigendom der bewoners zullen wezen. Heel groot is de merkwaardige overeenkomst hier
niet. Evenmin als zij groot is bij de plannen van het Nuts-departement Oude Pekela,
welks huizen „binnen een niet al te lang tijdsverloop het eigendom der bewoners zullen
zijn," of bij die van den heer Hubscher te Groningen, welks projecten „den huurder na
20 jaar eigenaar maken," of bij de New-Yorksche Buy yotir tnou //w«r-Maatschappij, die
voor haar leden huizen bouwt, welke na het elfde jaar schuldvrij eigendom worden."
Inderdaad, ons Dag. Bestuur is in hooge mate verrast, nu het ontwaart, dat de heer
B. v. R., trots alle over het geschil gevoerde correspondentie en de meer dan ampele
besprekingen, nog zóó weinig gevoelt waar de schoen wringt, dat hij zich ook verweert
met voorbeelden, die het inzicht van ons Dag. Bestuur waarlijk zeer in \'t gevlei komen!
„Verrast in anderen zin zijn wij bij het lezen, dat de heer B. v. R. de circulaire (zie
Bijlage C) van het Permanent Comité d.d. October 1893 tegen ons uitspeelt. Hoe nu? Was
het P. C. toemaals niet het ervaringlooze, onder de bekoring geraakte? Hebben dan
wellicht de bewoners van Bescheiden Hcidegchtk iets gevoeld (enkele uitzonderingen
daargelaten) voor dat „geruststellend, verheffend bezit"? Hebben zij getoond, dat zij aan
hun „verplichtingen" wilden voldoen? Bleek hun ,,dc behartiging hunner zaak", als eige-
naren, „het best toevertrouwd"?
Het is mogelijk, dat „voor den Bond uit deze circulaire niet slechts voortvloeit de
plicht om het geld, dat naar aanleiding er van inkwam, te besteden zooals vrager en
gever bedoelden; maar ook de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van het
beginsel, dat er in was neergelegd." Het is mogelijk, dat „men niet ver mistast door te
meenen, dat juist \'t beginsel eigendom \'t aantrekkelijk was." Als dit een en ander juist
is ingezien, dan heeft het Bondsbestuur zijn plicht verzaakt .... met lijdelijke mcde\\ver-
king van den Heer B. v. R., die, toen hij op 26 Februari 1895 verklaarde niets tegen
de wijzigingen in te brengen te hebben, als zich daartegen geen (lang vóór het publi-
ceeren van zijn plan) wei-overwogen bezwaren hadden opgedrongen", de plichtverzakings-
-ocr page 32-
DE ONTLEDING DER MEMORIE-B. V. R.
28
pijl had behooren af te schieten, die hij nu voor het eerst uit den koker haalt. Ja, dan
heeft het Bondsbestuur zijn plicht verzaakt. Vragc intusschen of het Bondsbestuur het
zóó mis heeft gehad, dat de hypothecaire crediteuren, hun steun schenkend, inderdaad
veel meer bedoelden, dat het Bestuur — gelijk het een goed huisvader betaamt te doen
— zooveel in zijn vermogen zoude zijn. voor de instandblijving van het geleende kapitaal
zoude zorgen. Is deze laatste opvatting juist, dan aanvaardt ons Dag. Bestuur met gerust-
heid de gevolgen van zijn opvatting der op hem rustende verplichtingen, overtuigd, dat
de hypotheekhouders slechts bedoelden hun geld op te dragen aan die prudentie van het
vragende Bondsbestuur. die aan vriendelijk geboden hulp een waarborg voor duurzaam
nut zou weten te verbinden.
Zooals de heer B. v. R. terecht opmerkt, „vindt men bij het doorbladeren der eerste
jaargangen van ..S/a Pair niets, waaruit kan blijken, dat het 11. B. de in zijne circulaire
uitgesproken overtuiging heeft losgelaten." Ook in de latere jaargangen niet. Eensdeels
werd hierover gezwegen uit deferentie voor den heer B v. R , anderdeels uit overweging,
dat de zeer subtiele strijdvraag niet behoorde g-ebracht te worden voor de tot oordcelen
incompetente buitenwacht Het is bekend, dat de heer B. v. R. er zelf anders over
dacht. Hij heeft bijv. den heer Baron (Ericus) den twistappel ter bezichtiging gegeven
en deze heeft zich openlijk aan zijne zijde geplaatst. Toch hebben èn het Dag. Bestuur
èn de Redactie van „Sta Pal!" bij hunne zwijg-diplomatie volhard. Alleen is Ericus
mondeling anders door ons ingelicht, met verzoek de zaak nu verder niet in het publiek
te bespreken.
Of er voor ons Dag. Bestuur geene aanleiding toe was, om de in de genoemde circulaire
uitgesproken overtuiging los te laten? Of die aanleiding alleen ontstond uit de afwijkende
mceningen der latere Beheerders?
T.aat het hier met alle bescheidenheid gezegd mogen zijn, dat èn het Permanent
Comité èn bij opvolging het Dag. Bestuur, gaarne voor zich wenschen te vindiceeren
de eer, dat zij uit eigen oogen zagen en een zelfstandig oordeel stelden tegenover
de rapporten der Beheerders. Maar laat het ook ruiterlijk erkend worden, dat zij, bij
het vormen hunner gewijzigde overtuiging, een dankbaar gebruik gemaakt hebben van de
wenken en raadgevingen en waarschuwingen der heeren J. A. A. In \'t Velt en L. W.
Th. Schmidt. Hunne meening moge „zich gevormd hebben na veel te kortstondige waar-
neming en op te weinig ervaring en practijk" — ons Dag. Bestuur mag het niet laten
zeggen, dat zij in zoo\'n korten tijd niet objectief genoeg konden worden.....om aan
mistasting te ontkomen." Toch, dit allerlaatste moge vrij gezegd. Do heeren zullen zich
niet onfeilbaar achten. Maar objectief waren ze wel. En het lijdt geen twijfel of zij hebben ,
meer dan de heer B. v. R., zich in al hun doen en laten doordrongen gevoeld van
Camille Mki.inand\'s menschkundig advies: „Onze meeningen, onze theoriën zijn alleen iets
waard door de ervaring op welke zij berusten."
Kon de heer B. v. R. maar zoover komen, om dit op eigen inzicht toe te passen !
Hij deed zoor rijke ervaring op het veld van zijn stichting op. Doch te zeer geketend
aan de kluisters van zijn idealisme, heeft hij die ervaring niet op zich laten inwerken.
Ten einde deze bewering te staven, geven wij hieronder eerst een soort van dagboek ,
zijnde een hier en daar met beschouwingen aangevuld overzicht (fragments- en excerpts-
gewijze) van de briefwisseling, die het Bondsbestuur (hierbij als regel vertegenwoordigd
door Jiir. Hora Siccama, die gemakshalve in den eersten persoon, enkelvoud, correspon-
deerde) de eer had met de diverse heeren Beheerders te voeren en daarna een afschrift
van het rapport van den heer L. W. Th. Schmidt, den tegenwoordigen Beheerder van
het Hofveld, het Hattemsche veld en Ons Huis.
Hierbij zij opgemerkt, dat als regel niet gerept zal worden van de teleurstellingen,
die werden opgedaan met betrekking tot personen , die eerst solliciteerden voor een huis
en erf, daarna begiftigd werden, maar om allerlei redenen en onder allerlei invloeden
-ocr page 33-
IJE ONTLEDING DER MEMORIE-B. V. R.
20
weder bedankten; dat niet alleen do eigendoms-quaestie tot verschil van inzicht aanleiding
gaf, maar dat vooral ook het installatiegeld dit deed en de werking van het Fonds van
Beheer
en het Onderhoudsfonds (zie Bijlage D).
Het Fonds van Beheer, gevormd uit enkele giften, grootendcels uit het verschil
tusschen de van de eigenaren ontvangen en aan de hypotheekhouders verschuldigde rente-
bedragen, — welk fonds nimmer speciaal gereglementeerd is — behoort te dienen tot
bestrijding der kosten van administratie en tot bekostiging van al datgene, wat bijv. in
zake aanleg van wegen, beplanting, afwatering, enz. ten algemeenen nutte der stichtingen
wordt uitgegeven; alsmede werd het bestemd, om casu quo een enkele maal, een tot
rentebetaling door ziekte of onspocd onmachtige bewoner, een weinig voort te helpen.
De heer B. v. R. heeft er intusschen zekere voorliefde voor gehad het ook te doen dienen
als voorschotkas. Het Bondsbestuur heeft hem op dit stuk niet altijd willen contrarieeren,
het geven van voorschotten overlatend aan zijne prudentie, doch steeds op den voorgrond
gesteld, dat de restitutiën (en inmiddels de rente) stipt moesten worden betaald. Princi-
piecl werd het gaandeweg tegen deze hulpverlcening gekant, omdat de geholpenen ergerlijk
in gebreke bleven, het gelijke monniken, gelijke kappen, niet in het oog gehouden kon
worden en daardoor jaloezie moest ontstaan; maar vooral omdat een van des heeren
B. v. R.\'s voornaamste stellingen deze was, dat de lieden alleen aan huis en hof geholpen
en — waar gewenscht — met voorlichting gesteund moesten worden, maar dan voor het
overige ook leeren moesten zelfstandig te worden en dus verdere hulp te ontberen. Dan.
zooals gezegd, de heer B. v. R. week van deze stelling herhaaldelijk af en het Bestuur
gaf meestal toe.
Wat het Onderhoudsfonds betreft, bij het in werking treden der stichting het Hofvcld,
bestond het niet. Er was niet aan gedacht. Spoedig bleek, dat het in \'t belang van het
hypothecaire onderpand noodig was deze materie te regelen. De heer B. v. R. concipieerde
het Reglement en riep de bewoners in verg-adering bijeen. Men zou minstens één cent
daags storten en dan naar omstandigheden / 10.— of ƒ5.— als eerste inleg uit het Fonds
van Beheer ontvangen. Op ieder hoofd zou een rekening geopend worden. In geval van
noodzakelijk onderhoud, zou dit uit ieders respectief tegoed bekostigd worden , doch slechts
voor 2/.v Dit om den lieden te weerhouden van roekeloosheid en slordige bewoning.
Goed bedoeld, als het was, werkte deze bepaling tot dusver zeer verkeerd. Want óf
zag men tegen betaling van het \'/s °P en onderhield dus niet; óf, gelijk voorgekomen
is, liet men den timmerman zijne nota zé>ó flatteeren. dat 2/-. er van gelijkstond met wat
hem feitelijk toekwam; óf, gelijk ook voorgekomen is, werd het \'/3 urt nct Fonds van
Beheer voorgeschoten en . . . niet terugbetaald. Onlangs zijn de mannen weder bijeen-
geroepen om deze bepaling van het Reglement door eene andere te vervangen. Men
heeft dit afgestemd. Tot dit Onderhoudsfonds traden dadelijk of reeds spoedig 10 bewoners
toe. Later voegde een enkele zich er bij. Anderen traden weder uit. liet was voortdurend
een gebrekkige toestand. De deelnemers zouden onderling een Bestuur benoemen, wat
nimmer geschied is. Met de tot standkoming der stichting op het Hattemsche veld werd
de verplichting tot deelneming voor de bewoners dezer stichting ingesteld. Maar ook dit
heeft practisch weinig gebaat. Men onderhoudt niet, wel wetend, dat als de woning te
zeer in verval geraakt of de ruiten breken, de Bond wel voor de reparatie zal zorgen
„voor z\'n fatsoen." Hoogst noodzakelijk moesten alle huizen geverfd worden. Als dit per
woning ƒ 15.— kost, moet ieders Onderhoudsfonds f 10.— fourneeren en ieder vrijwillig of
gedwongen deelnemer /$.— uit eigen zak. Is het niet goed te begrijpen, dat de bewoners
hierin geen lust hebben? De eigenlijke reden zit hierin, dat dergelijke détail-regelingen
goed zijn voor hoogstaande menschen, vervuld van eergevoel en plichtsbesef, maar veel
te subtiel voor zulke lieden als (in doorslag) de stichtingen bewonen. De grondoorzaak is
dezelfde, als die pleit tegen de eigendomstheorie en tegen het installaticgeld: De
onontwikkelde, hun belang niet begrijpende menschen, zijn niet rijp voor de toepassing
-ocr page 34-
DE ONTLEDING DER ME.MORIE-B V. R.
.<<>
van het theoretisch voortreffelijke. Ze moeten er voor opgevoed worden. Volkomen juist.
Maar in den loop van dat paedagogisch proces vermolmt het huis en slinkt het kapitaal
weg. Alle hoop blijft dan gebouwd op de waardetoeneming, de latente en de patente,
van den grond. Maar .... de energie van de meeste bewoners is zóó treffend klein, dat
het met die patente geen vaart loopt. Dus moet de latente het hem doen. Welnu, dat
is dan de tuitelige schraag voor het hypothecaire onderpand.
En nu overgaande tot de rangschikking der gegevens, noodigen wij de heeren uit om
de opinie, die zij zich vormen zullen, te toetsen aan de optimistische percentsgewijze
succes-becijfering van den heer B. v. R.
HOOFDSTUK III.
Uit het daghoek.
Xiet zoodra was tot de stichting op het Hofveld besloten, of het Permanent Comité
gevoelde toch wel eenige aarzeling om op het hoofddenkbeeld: Dadelijke in cigendoms-
geving in te gaan. Het was zóó geheel nieuw, zóó ingrijpend tegelijk en vooral voor het
vervolg zóó beslissend. Het werd niet overbodig geacht nog eenige juridische voorlichting
in te winnen. Hiertoe overgegaan zijnde, schreef het Bonds-Bestuur aan den heer B. v. R.
den 3 September 1893: „Voorts zij U medegedeeld, dat wij gister juridische voorlichting
ingewonnen hebben nopens de verdere uitvoering der plannen met betrekking tot de in
gebruik-geving en voorgestelde ontginning, waarbij ons beslist is afgeraden het stelsel
van in eigendom-geving te volgen, op grond van de tallooze juridische, economische en
practische moeilijkheden, die zich bij de toepassing van dit stelsel zullen voordoen. Ten
sterkste aanbevolen werd het systeem van in gebruik-geving (wil men verhuring) op korten
termijn. Dit denkbeeld ligt trouwens geheel in de lijn van het hoofddoel, aangezien toch
eigenlijk beoogd wordt, eensdeels de heidegronden ontginnen, anderdeels hen, die hunne
krachten hiertoe leenen, tot zekeren welstand te brengen. Eigcndomsverkrijging moet
einddoel wezen en kan ook slechts als einddoel gunstig werken."
Daarop antwoordde de heer B. v. R. bij brief van 14 Sept. 1893: „Wat het derde
punt betreft, nl. het niet in eigendom maar in luiur geven, daartegen heb ik principieele
bedenkingen en werd daarin gesterkt door een betoog van Ds. Heldring uit Hoenderloo,
op de jongste Landbouw-vergadering.
„Ik blijf bij mijne meening — wat ook de gevolgen daarvan bij enkelen mogen zijn —
dat bezit, d. i. onmiddellijke aanvaarding in eigendom, een hoofdfactor is, niet slechts van
de zedelijke maar ook van de stoffelijke resultaten, die beoogd en verwacht kunnen worden.
„Ik consulteerde daarover een man van ervaring en deze adviseerde onvoorwaardelijk
voor eigendom, met ie hypotheek voor \'t geheele bedrag.
„Het zou van geen hoogen dunk van uw nadenken getuigen, als ik ging trachtende
overwegingen te ontvouwen, die mij, na hinken en schommelen en verandering van
meening, sedert eenigen tijd de overtuiging schonken, dat elke andere vorm van eigendom
(of altijddurende erfpacht) minder goed is."
Na ontvangst van dit schrijven trad de bekoring in, de gekoesterde vrees op den
achtergrond en schreef het Bestuur op den 26 September 1893 aan den heer B. v. R.:
„Sedert wij het genoegen hadden mondeling met U van gedachten te wisselen, rezen
nog enkele vragen bij ons op.
„Gesteld, dat de eigenaar van het pand er voordeel in mocht zien het aan derden in
huur of in gebruik te geven, wat zeer goed denkbaar ware, hoe zullen wij hem dit dan
beletten? UHEdGe. zal misschien van oordeel wezen, dat wij hem dit niet moeten
-ocr page 35-
31
UIT HET DAGBOEK.
beletten , dat hij vrij moet blijven, dat de hypotheekhouder dadelijk opzegging kan doen, enz.
Toch komt het ons voor, dat de belangen van laatstgenoemde dan toch wel op wat losse
schroeven komen te staan. Is eenige beperkende bepaling wenschelijk en mogelijk?"
Waarop de heer B v. R. in dato 27 Sept. 1893 antwoordde: „Daarin moet hij vrij
blijven evenals elk ander eigenaar.
„In verband nu echter met andere reeds geopperde bezwaren ware het doenlijk
(althans ik geloof niet, dat de wet er zich tegen verzet) in de hypotheek-acte te stipu-
leeren, dat de hypotheek zal worden opgezegd zoodra de eigenaar het pand verhuurt of
in bruikleen geeft; m. a. w. het niet zelf bewoont, onderhoudt en bewerkt Ik geloof
echter niet, dat dit behoeft, want de geldschieter kan ten allen tijde, zonder daarvan
rekenschap te geven, opzeggen."
In de week van 11 Februari 1894 werden de woningen 1. 2. 3. 5. 8 en 10 op het
Hofveld betrokken. De bewoners van deze en der andere huizen kregen ze toegewezen,
nadat ten aanzien van ieder hunner door den Beheerder aan het Bestuur een voordracht
gedaan en deze gcapprobeerd geworden was. Van die voordrachten blijkt in het volgende
hoofdstuk, alleen hier van die voor n°. 17.
Brief B. v. R. van 16 Febr 1894. „Ik stel U voor om voor n\'s 17 en 18 aan te
wijzen resp. Marinus Sangers, opperman en veldarbeider. 27 jaar, vrouw en 1 kind en
Nardus Dekker, tuinman en groentenhandelaar, 31 jaar, vrouw en 2 kinderen. Er waren
nog meer sollicitanten, doch uit verschillende informatiën willen mij deze beide als de
beste voorkomen."
Aan dezen Marinus Sangers is geluk gegeven. Maar ofschoon hij f 65.— genoten
heeft voor mest, een geit, enz., heeft hij het huis niet betrokken. Hij is trots alle gedane
moeite niet komen opdagen om de koopacte te onderteekenen. Daarop is den 29 Maart
1894 voorgedragen zekere Hendrik Rctgers, jong gehuwd, nog geen kinderen, veld-
arbeider (die waarschijnlijk spoedig vaste arbeider bij den Waterstaat zoude worden). Op
4 April meldde de heer B. v. R., dat deze man ook al niet bij den notaris compareerde
voor het onderteekenen der hypothecaire acte en weten liet, dat hij er van afzag, Dit liep
zonder groote schade af. (De koop moest vernietigd worden en de man de kosten dragen
der reeds geregistreerde koopacte en de kosten, die onnoodig voor de hypotheek werden
gemaakt.) Met Sangers niet. De heer B. v. R. heeft hem doen aanzeggen, dat hij het
genotene moest terugbetalen en inmiddels beslag gelegd op een hem toebehoorende
mestpluis ter waarde van f 20.—.
Op 12 April 1894 is besloten langs minnelijken weg tegen M. Sangers te ageeren.
Op 6 Juni 1894 schreef de heer B. v. R.: „De Burgemeester deelde (als hulp-Officier
van Justitie) mij mede, dat van mijn aanklacht-SANGtKs niets kon komen, als zijnde een
geheel civiele zaak. Op mijn betoog, dat ik had aangeklaagd wegens oplichting, zeide
hij, dat de mededeeling van de Rechtbank te Zutfen kwam. Zoodra ik officieel dat
bericht heb, stel ik voor civiel te vervolgen."
Bondsbestuur (Penningm.) antwoordde 9 Juni 1894: „Ik vereenig mij met uw voorstel
om M. Sangers civiel te vervolgen, indien de Officier van Justitie dit niet kan doen wegens
oplichting. Mij dunkt, als U niets naders dienaangaande van mij verneemt, moeten wij
\'t maar voor afgesproken houden, dat wij U daartoe machtigen."
Nog schreef de heer B. v. R. over deze zaak op 13 Juni 1894: „Ten slotte de mede-
deeling, dat Sangers (dien ik persoonlijk gesproken en ontboden heb en die gister avond
bij mij zou komen) niet is verschenen en dus geen gehoor gaf aan mijn ernstig betoog."
Reeds de tweede van Majoor In \'t Velt ontvangen brief, van 24 Mei 1894, houdt
in een opmerking over de installaticgelden, waarvan o.a. gezegd wordt: „Als zeker kan
worden aangenomen, dat die voor installatie verstrekte gelden niet door alle bewoners
van het Hofveld geheel en al zijn aangewend voor het doel, waarvoor zij bestemd waren.
Hierover sprak ik nog onlangs met den heer B. v. R., die dit met mij eens was, doch
-ocr page 36-
ii
UIT HET DAGBOEK.
die wars is van alle voogdijschap en van oordeel is, dat bij de menschen in kwestie zelf-
standigheid moet aangekweekt worden. Een strenge en nauwkeurige controle op die
installatiegelden acht de heer B. v. R. daarom niet goed."
Majoor In \'t Velt schrijft dan dit inzicht te eerbiedigen maar toch te moeten waar-
schuwen voor voorzichtigheid, opdat teleurstelling niet volge. Hij verzoekt niet te ver-
geten, dat wij de menschen niet kennen en hen daarom niet te vlug ons vertrouwen moeten
schenken. Het komt hem voor, dat het hoofdzakelijk de installatiegelden zijn, die de
menschen naar bewoning van \'s Bonds huizen doen inclineeren, maar bepaalde bewijzen
voor deze meening heeft hij nog niet. Hij stelt voor den sollicitanten voor het Hattemschc
veld geen geld in handen te geven, doch voor ieder perceel f 50.— beschikbaar te stellen
voor natuurlijke mest, door den Beheerder te koopen, te betalen en ter plaatse te doen
verwerken. Hij is van oordeel, dat de sollicitanten dan zullen afnemen in aantal, maar
toenemen in geschiktheid. want zij, die zich dan aanmelden, zullen dit doen voor woning
en grond zonder bijbedoelingen en daardoor beter de verwachting waarborgen, dat zij voor-
uit willen. terwijl zij zich dan wel zullen weten aan te schaffen wat hun nog ontbreekt. Ten
slotte schrijft hij: „Ook op die wijze wordt zelfstandigheid aangekweekt zonder voogdijschap."
In dato 28 Mei 1894 antwoordde het Bondsbestuur (Penningm.j: dat het installatiegeld
geheel moet worden besteed ten nutte van de zaak zelve; dat den candidaten moet worden
afgevraagd wat zij meenen voor installatie noodig te hebben; dat zij dit moeten specificeeren
en het dan ook moeten aankoopen; dat het eventueel saldo besteed moet worden voor
mestspeciën en dat een en ander speciaal moet worden gesteld als voorwaarde voor de
verkrijging van huis en grond. Tenzij de heer B. v. R. absoluut bezwaar mocht maken
tegen deze wijziging, moet zij als vastgesteld worden aangemerkt.
Brief B. v. R. van 29 Mei 1894 aan Bondsbestuur: „En nu nog een kleine mede-
deeling, waarvan ik geen voorstel durf maken, pecunia causa. IIondeveld (n". 9) weet
geen raad zonder schaap of geit en ziet geen kans er een te krijgen. Hij zou gaarne
f 15.— leenen en vroeg mij om hulp. Ik bepaalde mij er toe hem te beloven zijn verzoek
bij u over te brengen.
„Dekker (n". 18) vent zijn groenten met een gehuurd karretje, dat hem ƒ—.60 per
week kost. Ik deed hem opmerken, dat hij voor ƒ25.— a f 30. — een goede groenten-
kar kon laten maken en dan, met f—.50 per week afbetalende, binnen 1 l/a jaar eigenaar
was. terwijl hij dan voor die overige 10 cent per week lid van het onderhoudsfonds kon
worden. Dit vond hij zóó voortreffelijk, dat hij mij verzocht hem aan/25.— a f30.—
(naarmate noodig zou blijken) te helpen...... Ook dit verdient uwe overweging. Ik
teeken er bij aan. dat elke hulp met de door ons aangenomen rentestandaard van 4"/,, zou
moeten worden betaald, welke rente natuurlijk aan het fonds van beheer, waaruit de hulp
verstrekt wordt, ten goede zou moeten komen."
Antwoord van Bondsbestuur (Penningm.) van 31 Mei 1894: „Wil zoo goed wezen,
naar aanleiding van uw voorstel en op aangegeven voorwaarden / 15.— te leenen aan
Hondeveld en / 25.— a /\'30.— aan Dekker uit het fonds van beheer en zulks tegen 40/lr
Die hulp ligt in de lijn van ons bedoelen."
Brief B. v. R. van 6 Juni 1894: „Aan uw opdracht betrekkelijk Hondeveld en Dekker
is voldaan. De eerste heeft nu een melkgeit en een jong schaap. Voor den tweede ben
ik in onderhandeling over een wagentje. Beiden toonden zich verrast en dankbaar."
Brief B. v. R. van 13 Juni 1894: „Ten slotte de Jobstijding, dat ik verplicht
geweest ben Van den Brom (n". 3) wegens 6 weken achterstand een dringende waar-
schuwing te zenden en met opzegging der hypotheek heb gedreigd."
Brief B. v. R. van 24 Juni 1894: „Onder uwe nadere goedkeuring gaf ik deze week aan
Hurenkamp ƒ3.—, die hem nog ontbraken om een biggetje te kunnen koopen. Hij betaalt
om de 14 dagen / 1.— af. als hij kan, en daarom heb ik maar niet van rente gesproken.
Brief B. v. R. van 26 Juni 1894: „Wat Van den Brom\'s achterstand betreft, de man
-ocr page 37-
UIT HET DAGBOEK.
33
betaalt wol, maar van den beginne af aan heeft hij per kwartaal willen betalen (als hij
pensioen ontvangt). Tk heb dit geweigerd. omdat de al gemeen c regel ook voor hem
moet gelden. Maar opdat hij zich in deze zou kunnen schikken. gaf ik hem (uit zijn
f ioo.— voor installatie) één kwartaal huishuur voor de woning, die hij verliet (en dat
was meer dan van dit huis) en zeide ik hem, om bij de ontvangst van zijn pensioen nu
3 maanden vooruit te betalen öf althans 3 maanden huur op zij te leggen en daaruit
wekelijks zijn renten te voldoen. Dit heeft hij niet gedaan, \'t Is dus zijn schuld. Jammer,
dat zijn huis van H(are) M(ajcsteit) is. Die zal niet te bewegen zijn."
Brief in \'t Velt van 26 Juni 1894. In dit schrijven wordt gemeld, dat zekere op 22
Mei 1894, als staande op de lijst-B. v. R., voorgedragen Hein van Loenen, die vroeger
wel eens misbruik van sterken drank maakte, doch den laatsten tijd (gedurende ongeveer
een jaar) voorbeeldig goed had opgepast, volgens informatiën, ingewonnen bij zijn \\verk-
baas en bij den Chef-Veldwachter, die hem kende, ook als lid van een geheel-onthouders-
vereeniging — dat deze Van Loenen sedert eenige dagen van het werk absent gebleven
en aan den zwier was geweest; en voorgesteld de hem reeds gedane toezegging weder
in te trekken. Do man had inmiddels ƒ5.— genoten voor aankoop van zaad. Gelukkig
was dit geld niet weg, want hij had al wat mest op zijn grond gebracht en boekweit
gezaaid. De nieuwe bewoner nam dit voor de / 5-— over.
Antwoord Bondsbestuur (Penningm.) van 27 Juni 1894: „Die Hein van Loenen moest
zich effen schamen. Toch heeft hij ons aan hem verplicht, door ons nog op een gelukkig
moment te doen zien, welk vleesch wij in de kuip hadden."
Brief B. v. R. van 2 September 1894: „Recht hartelijk dank ik Uw Bestuur voor het
telegram op 31 Aug\'. Ik stel het zeer op prijs. dat U mijn aandeel in de stichting van
den Bond hier waardeert, maar gevoel mij aan U in hoogere mate verplicht, omdat U
mij de gelegenheid geschonken hebt te belichamen, wat mij reeds zóó lang voor den geest
stond. Laten wij blijven samenwerken om er van te maken, dat waartoe het in de practijk
verder zal blijken vatbaar te zijn."
Brief In \'t Velt van 18 September 1894: „Bewoner van n". 4 teekent Donderdagavond
een gezegelde verklaring- voor de ontvangst van / 100.— installatiegeld en houdt nog
± ƒ60.— te goed."
Bij brief van 26 Octobor 1894 draagt Majoor In \'t Velt als bewoner van n". 6 een
zekere Teünis van Kampen voor. Van dezen man hebben wij niets dan verdriet gehad.
Daarom wordt hier de geheele voordracht medegedeeld. „Teunis van Kampen is een jonge
man, nog geen 24 jaar oud, die binnenkort gaat trouwen met een dochter van Fennekes.
Toen ik dezer dagen laatstgenoemde, die voorkomt op den staat van sollicitanten, bezocht,
deed hij het verzoek zijne aanspraken te mogen overdoen aan zijne dochter, die binncn-
kort met van Kampen in het huwelijk zou treden. Zulke jonge menschen als bewoners
van een der huizen op het Hattcmschc veld, lachte mij toe en daarom ben ik informatiën
omtrent hem gaan inwinnen, nadat ik hem eerst bij mij aan huis had laten komen. Het
bleek mij, dat hij arbeider is bij den bleeker R. van Zeist, die zeer tevreden over hem is
De policie weet niets mede te deelen wat in zijn nadeel is en daar ik een goeden indruk
van hem heb gekregen, heb ik in een en ander aanleiding gevonden om hem voor te dragen."
Brief In\'t Velt van 12 November 1894: „Ik moet tot mijn spijt mededeelen, dat het
gehalte voor hen, die zich komen aanmelden, over het algemeen zeer slecht is. Dit
maakt eene keuze en dus het doen eener voordracht zéér moeilijk."
Bij brief van 13 November 1894 wijst Majoor In \'t Velt er op, dat, waar de gc-
ruchten over de qualiteit van den grond der velden zoo slecht zijn, het vertrouwen der
goode arbeiders geheel ontbreekt. „ Dit is zoo ongeveer, bij gebrek aan energie, aan
ondernemingsgeest, aan doorzicht, de gcdachtengang van dat soort menschen, die wij op
Hof- en Hattcmschc veld weinig of niet aantreffen. Een andere categorie, menschen, die
ellende ondervinden, die arm zijn, wat zij meestal aan zich-zelven te wijten hebben, denkt
ü
-ocr page 38-
DIT HET DAGBOEK.
34
er anders over. Zij hebben niets te verliezen en — ze weten, dat de Bond aan iederen
bewoner I; _/" 75.— uitbetaalt. Wel is dat geld bestemd voor den aankoop van mest, klein
vee, enz., maar — daar schiet toch altijd nog wel wat van over. Dat is nu de categorie
van menschen, die zich komen aanmelden voor een woning op het Hattemsche veld, ge-
tuige de vele doorhalingen en vraagtcekens op de candidatenlijst, na ingewonnen informatiën.
Wil men nog een ander bewijs. hoe slecht hun gehalte is, dan wijs ik op hetgeen dezer
dagen op het Hofveld plaats greep, waar dankbaarheid, erkenning, plaats maakte voor
ontevredenheid, gemor en miskenning. En dat tegenover iemand als den heer B v. R.,
aan wien die menschen zooveel te danken hebben!"
Op 16 November 1894 meldde de heer B. v. R. dat van den Brom (ri°. 3) ernstig ziek
was en dat hij daarom overwoog wat er gedaan kon worden om moeilijkheden te voorkomen
bij invallend overlijden en openvallende erfenis (er waren nl. een vrouw en een oude moeder).
De hypotheek was eigen aan H. M. de Regentes De heer B. v. R. ontwierp het denk-
beeld het huis nog bij leven door den Bond te doen koopen, natuurlijk met gesloten beurs,
dan konden èn de hypotheek èn de oude moeder blijven. Aan Hare Majesteit werd voor
de overschrijving toestemming gevraagd; deze werd verkregen.
Op 22 November meldde de heer B. v. R., dat zich feiten hadden voorgedaan, die
deden verwachten dat er hypotheken zouden moeten worden opgezegd.
Van Deleswijk (n°. 2), ontevreden over een weigering van geld, doorhem gevraagd,
om een verbouwing van zijn huis te kunnen tot stand brengen, betoonde zich onwillig de
rente zijner hypotheek aan den Bond te betalen. De Bond kon hierin niet lijdelijk berusten;
maar Hare Majesteit de Regentes was eigenaresse der hypotheek. Dit schiep een eigen-
aardige moeilijkheid. Niet te verwachten was hypotheek-opzegging van die zijde. Ze kon
dezerzijds niet eens worden gevraagd Wel kon worden voorgesteld, dat H.M. hare
hypothecaire rechten tegen gewone schuldbekentenis aan den Bond mocht willen overdragen.
Het was hard noodig. Er waren op het veld veel recalcitranten. In de N. Apcld. Courant
was een formeele klacht tegen den Beheerder B. v. R. ingezonden. Daarbij was van den
Brom (n°. 3) komen te overlijden. Hare Majesteit stemde toe. Aldus werd de Bond
eigenaar der hypotheken 1 , 2 en 3. Nog hing intusschen de vraag of de Bond den
eigendom van n°. 3 zou koopen.
Op 26 November telegrafisch bericht: „Moeder en weduwe blijven niet." Gevolgelijk
zocht de heer B. v. R. blijkens brief van dien dag een nieuwen eigenaar op en vond dien in een
zekeren Zevenhuizen, die echter meende niet zonder eenig installatiegeld de taak te kunnen
aanvaarden. Dit laatste was er natuurlijk niet. Van de door van den Brom genoten / 100.—
was niets over. Ergo. de opvolgende eigenaar zou in waarde slechts / 900.— ontvangen
en toch met/1000.— hypothecaire schuld belast worden. In dicnzelfden brief werd bericht
dat Nardus Dekker (de man, die nota b(ne ten laste van het Fonds van Beheer aan een
kar van / 30.— geholpen, tegelijk in het Onderhoudsfonds gegaan, maar er ras weer
uitgeloopen en thans zeer oproerig was) volgens diens vrouw „een voetval voor meneer
wou doen en in het onderhoudsfonds terugkeeren" en door vrouw van Dei. es wijk belet
gevraagd voor haar man, die ook weer wou bijdraaien en dus wou opeten zijn woorden:
„Als Bruiin z\'n duiten wil hebben, moet hij ze maar zelf komen halen" Dus dreef de
bui voorloopig weer over. Aan het slot van dien brief schreef de heer B. v. R.: „Ik heb
in wat voorviel op het Hofveld een nieuw bewijs gezien voor de noodzakelijkheid van
dergelijke, het volk opvoedende stichtingen. Zoolang school, kerk, gezin en maat-
schappij niet, ieder op eigen gebied, medewerken om \'t verstand der menschen te
ontwikkelen, d. i. hen te leeren denken, begrijpen en opmerken, zoolang er niet gewerkt
wordt op \'t eergevoel, het zedelijk bewustzijn on op \'t besef van plicht, zoolang er niets of
te weinig gedaan wordt om de menschen zelfstandig te maken, in \'t kort, zoolang de
volksopvoeding zooveel te wenschen laat, zoolang zal het wel overal en bij alles gaan .
zooals bij ons nu; wat een zeer gewoon verschijnsel is."
-ocr page 39-
35
UIT HET DAGISOEK.
Hoc juist was de opmerking; maar ook hoe vreemd, dat zij niet leidde tot de toch
voor de hand liggende conclusie: Laat ons voor die onrijpe menschen een anderen vorm
van helpend weldoen zoeken!
Brief In \'t Velt van 29 November 1894: „Als een nieuwe stichting, waar ook, tot
stand komt, laat men dan het installatiegeld doen vervallen en daarvoor in de plaats
stellen het verstrekken van natuurmest, gedurende 2 achtereenvolgende jaren, telkens
voor f 40.—. Aan mest bestaat op de heide het meest behoefte."
Brief In \'t Velt van 15 Januari 1895: Wat is het op het oog, dus in theorie, niet
een goede gedachte om aan de bewoners onzer stichtingen voor installatie f 100.— uit
te betalen! En wat leert nu de practijk ? Dat juist door die som gelds menschen naar
deze velden gelokt worden , die er niet bchooren, menschen, die, als het geld verdwenen
is, spijt gevoelen, dat zij op de heide wonen en waarvan in de toekomst, omdat zij tot
de ontevredenen behooren, niet veel goeds is te verwachten. Ik kom telkens op dat
installatiegeld terug omdat ik bijna dagelijks ondervind, hoe slecht die maatregel werkt.
Een opsomming van alle staaltjes, die ik daarvan zou kunnen aanhalen, wil ik U besparen,
alleen wil ik dit nog zeggen, dat het onlangs op het Ifofveld voorgevallene, waaruit
ontevredenheid, ondankbaarheid en miskenning zoo duidelijk te voorschijn traden, niet
zou gebeurd zijn, als er geen geld verstrekt werd. Want dan zou het gehalte der bewoners
oneindig veel beter zijn. Moge de toekomst loeren, dat ik ten deze te pessimistisch heb
geoordeeld."
Brief Bondsbcstuur (Penningm.) van 18 Januari 1895: „Uwe welmeenende en wol-
overwogen adviezen in zake de stichtingen van Bescheiden Heidegeluk, worden steeds met
groote waardeering ontvangen. Zoo ook uwe opinie, dat de installatiegeklen verkeerd
werken, een opvatting, die ook voor mij nog al klemt. Maar wij weten vooralsnog voor
dit bezwaar geen goede oplossing. Het hypothecair geschoten bedrag moet toch een
ronde som zijn. U zou voor het restant liever mest gekocht zien. Ik ook, maar de heer
B. v. R. acht dit denkbeeld onbestaanbaar met der menschen (bewoners) vrijheid. Bit
geeft voor ons Hoofdbestuur een groote moeilijkheid. Wij zouden zoo gaarne de créatie-
B. v. R. intact laten, tenzij Z.H.E.G. zelf van mecning veranderde.....Voorloopig
echter schijnt het mij van groot belang- één stijl, één opvatting te handhaven. En daarbij
zou ik dan \'t liefst den grondslag-B. v. R. aannemen. Maar hieruit volgt zeker niet, dat
ik uw goed oordeel niet apprécieeren zoude. Kan uit mijn vorig schrijven iets hiermede
strijdigs gelezen worden, wil \'t mij dan vergeven ?\'
Brief In \'t Velt van 21 Januari 1895: ,.Uit uwe geëerde letteren van 18 dezer is mij
duidelijk geworden, wat de roden is, dat aan mijne ongevraagde adviezen en aan mijne
opmerkingen in zake de tweede stichting van den Oranjebond van Orde niet meer aandacht
kon geschonken worden. Mijnerzijds is over de kwestie: Installatiegeld en inleggeld-
Fonds van Beheer, nu natuurlijk het laatste woord gezegd. Het vasthouden aan een be-
ginsel is altijd goed, ook „het handhaven van één stijl, één opvatting," zoolang de praktijk
geen aanleiding geeft tot wijzigingen.
Als het getij verloopt, verzet men de bakens."
Brief In \'t Velt van 25 Januari 1895: „De eerste en tot nu toe ook de eenige be-
woner van het Hattemsche veld, die achterstallig is in het betalen der rente, is Teunis
van Kampen. Sedert deze man daar woont en voor installatie ± ƒ60.— heeft genoten,
waarvoor hij niet veel meer gekocht heeft dan een nijdige geit, die telkens den stalmuur
vernielt, hoor ik slechte noten over hem kraken. Werken doet hij de laatste dagen niet.
Een week geleden heeft hij de koopactc onderteekend en vermoedelijk is thans de notaris
bezig met de hypotheekacte. Ware dit niet het geval, clan deed ik het voorstel hem te
laten glippen Veel goeds is er toch niet van hem te verwachten. Hij was het, die,
toen de topgevel van zijn huis was ingestort, tot mij kwam om vergoeding voor een bij
die gelegenheid gebroken lamp en toen ik hem zulks weigerde, tevens tot hem de vraag
richtende of er niets meer was overgebleven van die ƒ 40.—, die hij een week te voren had
-ocr page 40-
J6
UIT UUT DAUÜOHK.
ontvangen en hem er tevens op wijzende, dat hij bij gunst zijne nog niet opgeleverde woning
had mogen betrekken, mij vergunning vroeg om zich dan tot den burgemeester te mogen
wenden. Hij wilde mij dus gaan verklagen. Een paar maanden te voren liep deze man
den drempel van mijn huis plat, altijd even beleefd, met de pet in de hand; maar nauwelijks
is het geld ontvangen en verteerd, of men ziet dat men met een geheel ander persoon
te doen heeft dan men aanvankelijk meende."
Brief Bondsbestuur (Penningm.) van 28 Januari 1895. „T. van Kampen valt mij ge-
weklig tegen. Ware het nog mogelijk korte metten met hem te maken, dan zou ik dit
zeer gaarne zien gebeuren. Het ergst is de dan nutteloos opgemaakte hypotheekacte.
Laat ons in vredesnaam die kosten voor lief nemen en hein verwijderen. Hij ga dan met
zijn nijdige geit en met ons heilige kruis!"
O]) 27 Januari 1895 begint, blijkens brief van Jhr. Van I.oon , de moeilijkheid met
Hondevelu (Hofvcld n". 9), die gedurig in gebreke is. De moeilijkheid eindigde met
de cessie der twee hypotheken door dezen heer aan den Bond.
Brief In \'t Velt van 1 Februari 1895: „T. van Kampen is aangezegd zoo spoedig
mogelijk, uiterlijk 11 dezer, het veld te verlaten. Hem is ook aangezegd om de mest
(zoowel kunst- als natuurmest) achter te laten. Ik heb met dezen man nog heel wat last
gehad. Hij was blijkbaar onwillig; om ten mijnent te verschijnen, terwijl ik absoluut zijne
handteekening noodig had onder cene intusschen opgemaakte acte, waarbij hij afstand doet
van den door hem gekochten grond ten behoeve van E. Bomhof. Zooals u bekend is, was
de koopacte reeds door hem geteekend. Door een tussch en persoon is het mij eindelijk
gelukt bedoelde acte geteekend te krijgen. Als hij onwillig\' was gebleven , hadden wij in
moeilijkheden kunnen komen Immers het was nu zijn g-rond waarop wij een huis hadden
laten bouwen; het had ons althans heel wat moeite en mogelijk ook geld kunnen kosten
om hem uit de woning te krijgen."
Brief B, v. R. van 4 Februari 189,5: ,,Zooals ik reeds meermalen liet blijken, do
menschen beseffen nog niet, dat zij in eigen huis wonen; ze begrijpen nog niet wat die
eigendom beteekent voor mi en voor de toekomst, evenmin als ze inzien welke taak en
verantwoordelijkheid zij hebben aanvaard bij \'t aangaan der verbintenis..... Een flinke,
klemmende waarschuwing\' en daarna handelen naar recht en billijkheid, dat is het wat
ik hier aangewezen acht Eén voorbeeld gesteld, doet goed voor alle anderen."
Hoe is het mogelijk, dat de heer B. v. R., die zóó klaar inzag hoe de vork in den
steel zat, niet reeds hier tot de conclusie kwam, dat zijn stelsel niet paste op zulke menschen!
Brief B. v. R. van 8 Februari 1895: Ook Van Delfswijk , Hofvcld n". 2) moet aan-
geschreven worden, Bij dezen is opzet in het spel. Hem dient kort en goed te worden
aangezegd, dat het II. B. van den Bond als hypotheekhouder van hem cischt, dat hij
ten spoedigste zijn achterstallige rente bij den beheerder van het Hofveld betaalt, als
hij wil voorkomen, dat hem tegen 1 April a. s. de hypotheek wordt opgezegd. Mevrouw
Verster heb ik ook reeds geschreven over Bate (Hofveld n". 17). Zij laat het aan mij
over. Ik heb I Iondeveld en Van Delfswijk reeds nadrukkelijk aan hun verplichtingen
herinnerd en ook Bate gewaarschuwd en hoop, dat uw Bestuur mij in deze zal willen
steunen, waarbij het nuttig kan zijn de heeren er eens op te wijzen, dat zij zich tot
wekelijksche betaling notarieel verbonden en de hypotheek bij achterstand direct
opvorderbaar is."
Op 11 Februari 1895 schreef Bondsbestuur Van Delfswijk. krachtig aan.
Brief B. v. R. van 11 Februari 1895: „Hondevei.d kwam mij heden ochtend vragen
nog wat geduld te hebben; hij betaalde 1 week en bleef dus 6 weken achterstallig. Als
er werk komt, zal hij alles betalen. Hij zou o zoo graag op zijn veld blijven, enz. We
zullen zien!"
Brief B. v. R. van 17 Februari 1895: \'t Is mij aangenaam U te kunnen berichten,
dat na een ernstig onderhoud met Van Delfswijk (N°. 2) ten mijnen huize, zijn achter-
-ocr page 41-
37
UIT HET IJAUIIOEK.
stellige rente door hem werd voldaan. Dit lesje zal, hoop ik, niet zonder eenig nut voor
hem en zijn toekomst zijn geweest."
In brief Bondsbestuur (Penningm.) van 25 Februari 1895, is voor de eerste maal aan
den heer B. v. R. gevraagd of de geschiedenis van Hofveld en Hattemsche veld niet leert,
dat eventueel bij nieuwe stichtingen een gewijzigd systeem moet worden gevolgd. Ge-
wczen werd i° op het installaticgcld, de speculatie er op en de gevolgen hiervan en
voorgesteld om wat er eventueel van elke ƒ 1000.— overblijven mocht, te bestemmen voor
mest, te leveren door (tusschenkomst van) den Beheerder Gewezen werd op het na-
deel van den dadelijk ingaanden eigendom en voorgesteld eerst een paar proefjaren bij
wijze van huur (met eigendom in het verschiet, als bewoner het er naar maken zou) aan
te nemen. Dan hadden zij een prikkel en wij hun in handen.
Daarop antwoordde de heer B. v. R.. den 26 Februari 1895, over dit onderwerp reeds
herhaaldelijk met den heer In \'t Velt gesproken te hebben. Hij zou niets tegen de \\vijzi-
gingen hebben in te brengen, als zich daartegen geen (lang vóór het publiceeren van zijn
plan) weloverwogen bezwaren hadden opgedrongen. Hij betoogt dan, dat de lui niet
zooveel geld in handen krijgen want dat ze allerlei nuttigs koopen en zegt: „Och neen,
geloof me, daarin zit het niet Maar, zooals gezegd, — ik zal er niet tegen zijn, dat men
mijn regeling bij de volgende stichtingen wijzigt." Daarna behandelt hij de vraag of het
zoo\'n wonder is. als de menschen tijdelijk of duurzaam tegenvallen. Dezerzijds werd erkend,
dat dit geen wonder, dat het zeer natuurlijk was, vooral gegeven de methode. Maar dit
is niet de voornaamste vraag. Wij moeten in de eerste plaats vragen of de methode zóó
is, dat wij, met aannemelijke zekerheid van welslagen, in handen houden de mogelijkheid,
om èn onderpand voor èn de geregelde rentebetaling aan de hypotheekhouders ten minste
intact te houden.
De heer B. v. R. vervolgt dan: „Maar nu \'t verhuren in de eerste 2 jaren. De Bond
moet dan het geld nemen als hypotheek op zijn grond en huizen, dus koop- èn hypotheek-
acten op zijn naam. Later moet dan overschrijving\' plaats hebben. Stel deze kosten maar
op f 25.— en dus te overkomen; maar als de man nu eens tegenvalt, dan moet er ook
slechts overschrijving betaald worden, die dan nog - zij \'t ook gedeeltelijk, op den nieuwen
eigenaar kan verhaald worden. Neen, veel geeft die proef niet; dat verwacht ik stellig.
Maar ik heb er niets tegen, \'t Zal me genoegen doen als de maatregel een correctief
blijkt — al verwacht ik van mijn regeling zooveel tegenspoed niet."
Hieromtrent doet ons Dag. Bestuur opmerken, dat elke overschrijving bij Notaris
Wai.tkr f 20.— kost als het pand aan den Bond en / 40.— als het aan den nieuwen eigenaar
overgaat. Maar die nieuwe eigenaar heeft geen centen en krijgt geen installatiegeld. Het
gevolg is, dat hij die /40.— niet betaalt en dat de notaris zijn kosten en salaris dan van
den Bond ontvangt, wat de Bond wel allerminst kan weigeren. En moet de Bond dus
toch betalen, is het dan niet veel beter, dat hij betaalt met goede kansen, dus voor een
eigenaar-ex-huurder (of erfpachter) dien hij kent en waardeert, dan met slechte\' kansen,
dus voor een eigenaar, van wien hij alles te hopen, maar ook (zonder pessimisme, adres
aan de feiten!) alles te vreezen heeft?
Intusschen wordt er wel de aandacht op gevestigd, dat de heer B. v. R. in dezen brief
het Bondsbestuur volkomen vrijheid heeft gegeven om èn regeling installatiegeld bij vol-
gende stichtingen te wijzigen èn proefneming met proefjaren op de bestaande stichtingen
toe te passen.
In denzelfden brief schreef de heer B. v. R. verder: „Voorts bezocht ik Mevrouw Verster
om haar Nardus Dekker aan te bevelen; die man moet onder handen genomen worden."
(N. B. Dit is de man, die einde Mei 1894 zoo vriendelijk uit het Fonds van Beheer was
geholpen aan een kar.)
In dato 28 Februari 1895 antwoordde Bondsbestuur (Penningm.): „Mijn oordcel over
het tegenvallen van sommige eigenaren is — parole d\'/totiiicitr! — zeer weinig hard. Ik
-ocr page 42-
UIT HET DAGBOEK.
vergeet niet, dat wij te doen hebben met zeer onvolmaakte menschen en hoe minder volmaakt
zij zijn, des te meer eer kunnen wij aan hen behalen. Intusschen weegt bij mij zeer zwaar
de vraag of de geldschieters veel of minder vertrouwen in de zaak zullen hebben. En
waar ik nu geloof, dat op den duur dit vertrouwen groot zal moeten zijn, voorzie ik de
mogelijkheid , dat wij aan den anderen kant iets zullen moeten laten vallen of wijzigen —
opdat wij zoo goed mogelijk waarborgen kunnen geven." Verder werd er op gewezen,
dat, volgens het oorspronkelijk plan. de Bond-zelf alleen tusschenpersoon, nooit belang-
hebbende zou zijn geweest. De omstandigheden hadden (echter) op dit denkbeeld haar
invloed reeds doen gelden. De Bond was nu reeds eigenaar van de 3 hypotheken der
Regentes (waartegenover schuldbekentenis) en van de 2 hypotheken van Jhr. van Loow
Kreeg (waarvan toen sprake was als wellicht mogelijk) de Bond een vennootschappelijk
karakter, dan zou daaruit een groote wijziging der verhoudingen voortvloeien. Die ven-
nootschap zou dan belanghebbende zijn in hooge mate. Dan kon zij ook wel tijdelijk
eigenares zijn. liet Bestuur zocht het bezwaar niet in de kosten van overschrijving. Maar
een huurder is gemakkelijker uit — dan een eigenaar af te zetten en de/1000.— bleven
dan meer intact. Eindelijk werd een conferentie voorgesteld van eenige heeren, waaronder
de heer R. Dinger, Notaris te Lunteren. lid van het Ned. Landbomv-Comitc.
Deze conferentie had plaats op 30 Maart 1895 en daarbij bleek de heer Dinger sterk
tegen eigendom en sterk vóór erfpacht te zijn. Hij ontwierp een voortreffelijk (nieuw-eco-
nomisch erfpachts-contract, dat, meer bepaald voor de Ericastichtiiig bedoeld, ook voor
Bescheiden Hcidcgcluk zou kunnen dienen. (Zie bijlage E.)
Brief Bondsbestuur (Penningm.) van 14 Maart 1895 aan den heer In \'t Velt: . . . „Hoe
dit alles zij, de heer B. v. R. weet nu, dat de mérites van zijn systeem tot ernstige vragen
aanleiding hebben gegeven. En hij is, als \'t wezen moet, bereid het systeem te wijzigen.
Voor mij geldt hier nadrukkelijk een: Piano aan!"
Brief In \'t Velt van 16 Maart 1895: „Wij genieten reeds van velen het vertrouwen,
maar moeten dit van zeer velen nog winnen. Niet in alle opzichten zijn wij, om dat doel
te bereiken. op den goeden weg. Als we ons een strafregister laten voorleggen van
mannen als van Delfswijk, Hondeveld, de Ruiter en meer anderen, dan geloof ik toch,
dat wij zonder gemoedsbezwaren kunnen verklaren, dat het schorriemorrie is, dat zij niet
deugen voor onze zaak, dat wij véél beter af waren, als wij ze nooit gekend hadden. Als
men telkens de hypotheekhouders moet lastig vallen met het verzoek om bestraffende
brieven en dreigbrieven aan de bewoners te schrijven , is dat toch geen bewijs, dat wij met
geschikte menschen te doen hebben, zonder nog te spreken van hunne booze plannen omtrent
smadelijke couranten-artikelen, lasterlijke praatjes ten opzichte hunner weldoeners. enz. enz."
Op 4 April 1895 is het G. de Ruiter (Hofveld n°. 16) over wien de heer B. v. R.
mededeelt, dat hij hem in een met potlood geschreven briefje bericht: „dat hij mijn huis
ging verlaten en ik het dus aan een ander verhuren kon." De heer B. v. R. ging tot
hem, maar hem noch de vrouw thuis vindend, liet hij bij de dochter de boodschap achter,
dat hij er geweest was en dat zij nu maar bij hem moesten komen. Dit niet geschiedende,
deed de heer B. v. R. hem een briefje bezorgen, waarin hij hem op zijn verplichtingen,
de kosten en de verdere gevolgen wees en hem ontried zijn huis te verlaten. Daags
daarna kwam vrouw de Ruiter met het eigendomsbewijs en den huissleutel. Toen de
heer B. v. R. haar nogmaals alles ernstig voorhield, wierp zij beide voorwerpen in den
gang, waarop haar kalm de deur gewezen werd. Derhalve was weer hypotheek-opzegging
op den kortst mogelijken termijn aan de orde. Den hypothecairen crediteur werd bericht
gezonden met verzoek om te doen wat noodig was en uitgifte in erfpacht goed te keuren.
Bleef verder de vraag of de Ruiter\'s kwade bui zooveel zou over trekken, dat hij bij den
notaris zou willen komen voor de overschrijving; zoo niet, dan schoot slechts executie
over. De hypotheekhouder had tegen opzegging geen bezwaar, doch ried voorloopig het
in erfpacht geven der woning aan den nieuwen bewoner af, om het eenmaal aangenomen
-ocr page 43-
39
UIT HET DAGISOEK.
systeem niet door één perceel te verbreken. Aan den heer B. v. R. werd daarop de
beslissing gelaten. Bondsbestuur (Penning-m.) scheef nog in dato 29 Mei 1895: „U kent
mijn standpunt, maar ik wil het nog even herhalen. Ik geef toe dat eigendom uit een
zedelijk en paedagogisch oogpunt het hoogst staat Maar bezit door erfpacht staat weinig
minder hoog. Nu is de vraag deze: Zou het niet meest verkieslijk zijn ons bij dat minder
hooge te bepalen ? Die onopgevoede bewoners moeten opgevoed worden, doch deze
cultuur is vooralsnog een dubbeltje op zijn kant. Het kan goed gaan. Het kan ook
wezen dat de menschen, door te groote vrijheid op eenmaal — tegelijk onze zaak en
hun eigen zaak bederven, onze bedoelingen frustreeren en onze nog zóó weinig burgerrecht
verkregen hebbende zaak in bedenkelijke mate in discrediet brengen. Laat ons daarom
de goede gelegenheid aangrijpen om qui perd, gag\'ic te spelen. Practisch zullen wij
winnen. En in de paedagogischc lijn blijven wij tóch, al doen wij niet dadelijk de verste
stap, die — plastisch uitgedrukt — een breuk kan veroorzaken. In uw „Inleiding voor
\'t (Dordtsche) Congres" wijst U op het verlangen van Twenthe\'s bewoners naar eigendom.
Maar dat verlangen wordt gevoed door wat zij van anderen zien en deze anderen hebben
er zich voor ingespannen om dat verlangde te bereiken. Daar is dus een paedagogisch
tusschcn-element, dat bij ons ontbreekt en het is juist dat, wat het dubbeltje op z\'n kant
zet. Ware erfpacht ten deze ook in Twenthe bekend, wie weet of de lui daar er niet
dubbel en dwars meê tevreden zouden zijn. Aan U nu de beslissing." Bondsbestuur
(Penningm.) schreef ook nog op 5 Juni 1895: „Ik waardeer uwe bereidwilligheid om den
erfpachtsvorm te kiezen, maar nu de hypotheekhouder de uitzondering niet zoude toejuichen
en Veenhuizen zelf op eigendom aandrong, heb ik volkomen vrede met de oplossing."
Brief Bondsbestuur (Penningm.) van 8 April 1895 aan den heer B. v. R.: „De hypo-
theekhouder van de Ruiter zal door zijn notaris een procuratie laten opmaken. waarbij
hij U machtigt om tegenover onzen onwilligen vriend alles te doen wat noodig zal blijken.
Intusschen zou hij het zeer betreuren indien tot publieken verkoop moest worden ovcr-
gegaan. Hij hoopt dus nog, dat de Ruiter bereid zal wezen zijn eigendom aan een ander
over te dragen. Ik zou dit ook het allerliefst zien en desnoods voor een kleine opoffering\'
onzerzijds niet terugdeinzen."
Bij brief van 2 Mei 1895 werd door den heer B. v. R. voorgesteld, dat aan Chr.
Heezeman (n°. 3) toegestaan mocht worden (wegens voorgenomen afwezigheid van enkele
jaren) zijn woning aan iemand anders te verhuren. Later is dit denkbeeld teruggenomen,
omdat de man toen weder bleef.
Brief B. v. R. van 9 Mei 1895: „Ik benut deze gelegenheid om U mode te doelen,
dat ik aan Hondevixo en van Delfswijk. de hypotheek tegen 1 Juni a s. heb opgezegd
wegens voortdurende onregelmatigheid in betaling en achterstand van resp. 8 en 5 weken,
\'t Is niet met het doel om er onverbiddelijk gevolg aan te geven , maar om wat pressie
te oefenen."
Brief B. v. R. van 21 Mei 1895: „In verband met den hier mede bijgevoegden brief
van den heer B. Stoffels te Deventer en met de beslissing, die viel omtrent de boerde-
rijen, onderwerp ik aan uw oordeel de vraag, of het geen aanbeveling zou verdienen,
bij voorkomende gelegenheden, de perceelen op den Bond te doen overschrijven en in
erfpacht uit te geven. Het ware wellicht reeds niet dit (van de Ruiter) te doen; maar
dan zou ik Westenisroek (den sollicitant) nog eerst daarover dienen te spreken en U den
hypotheekhouder dienen te raadplegen."
Brief Bondsbestuur (Penningm.) van 23 Mei 1895 aan den heer In \'t Velt: „De heer
B. v. R. heeft mij tot mijn groot genoegen in overweging gegeven het perceel-nic Ruiter
aan den nieuwen bewoner niet weder in eigendom te geven maar in erfpacht. Ik grijp
dit voorstel met beide handen aan (natuurlijk moet de geldschieter er genoegen mede
nemen). En nu zou ik U willen vragen wat er U van dunken zoude gelijkerwijs te han-
delen met de perceelen 12, 13 en 14 van het Hattemsche veld. U wil dit zeker wel even
-ocr page 44-
UIT HET DAGBOEK.
met den Overste gaan overleggen." De heer In \'t Velt bleek hier (blijkens zijn brief van
25 Mei 1895) niet voor. „Gold het een nieuwe stichting, dan ging ik in deze geheel met
U mede. Maar laat intusschen deze zienswijze geen reden zijn om aan Uw voorstel geen
gevolg te geven."
Al is het er niet toe gekomen. toch wordt deze overlegging hier in het licht gesteld,
om duidelijk te doen uitkomen, dat er ook wel oogenblikken geweest zijn. waarop de
heer B. v. R. minder ongeneigd was in wijzigingen te treden en dat het Dag. Bestuur
dus niet zoo erg arbitrair handelde, toen het bij voorkomende gelegenheden van het oor-
spronkelijke stelsel afweek.
Brief B. v. R. van 1 Juni 1895: „Grootheddë (n". 4) heb ik heden de hypotheek
opgezegd tegen 1 Juli (hij is 5 weken achter) en Holtman (n°. 7), die 4 weken achter
is, kreeg een schriftelijke waarschuwing,"
Brief B. v. R. van 21 Juni 1895: „Aan Dr. Rovers verzocht ik om Holtman en Oonk
aan te schrijven. Ik had die heeren reeds klemmend aangemaand hun achterstand van 5
weken te voldoen. Den heer Vox Stockhausf.n verzocht ik Grootheddë (n". 4) de hypo-
thcek op te zeggen, wat ZEd. deed. Ik heb mijn volkje bekend gemaakt, dat na het
eerste jaar geduld en consideratie, nu eindelijk de tijd is gekomen tot stipte handhaving
van weder/.ijdsche plichten en rechten. Ze moeten nu gaan begrijpen èn ondervinden,
dat ze economisch op eigen beenen staan tegenover hun geldschieter en dat ik in dien zin
slechts tusschenpersoon ben voor \'t belang- van deze laatsten, al blijf ik in anderen zin
gaarne tot gewenschtc leiding en hulp bereid."
Bij brief van 1 Juli 1805 wordt door den heer B. v. R. medegedeeld, dat Grootheddë
eieren voor zijn geld koos, maar dat hij (B. v. R.) nu weer zit voor n". 7, 8 en 9, wier
hypotheek tegen 15 Juli is opgezegd.
Bij brief van 3 Juli 1895 schreef Bondsbestuur (Penningm ), dat het dezerzijds onafwijs-
baar noodzakelijk voorkwam rigoureus tegen de onwilligen op te treden en het Hofveld
zoo veel mogelijk van verkeerde elementen te zuiveren. Een goede schoonmaak werd
aanbevolen in het belang van het crediet der stichting.
Bij brief van 1 Juli 1895 kondigt de heer B. v. R. aan, dat hij om gezondheidsredenen
moet aftreden als Beheerder; dat hij te vergeefs reeds enkele bekenden polste; dat hij aan-
raadt om in de plaatselijke bladen een beroep te doen op de vele leegloopers in Apeldoorn.
Hij eindigt aldus: „De zaak zij \'t Hoofdbestuur en U in \'t bijzonder aanbevolen. Hoe
eerder ik het beheer kan overdragen, te liever is mij dit."
Het beroep in de plaatselijke bladen werd klemmend gedaan. Geen Apeldoorner
sloeg er regard op, behalve een oud "hoofdofficier O. I. Leger, die niet geschikt geacht
kon worden. Lang en breed werd later overlegd met zekeren heer Pleyte, die bijna
bewogen geworden was, maar wien ten slotte de moed in de schoenen zakte. Het Dag.
Bestuur was ten einde raad. Eindelijk kwam. ter nauwernood zich in Apeldoorn (het Loo")
gevestigd hebbend, de heer L. W. Th. Schmidt zich aanmelden, Wij wisten toen nog
niet hoe gelukkig de keuze was, die wij in hem deden, maar een deus ex machina was
hij ons. Spoedig dreigde nieuwe zorg, daar de heer In \'t Velt er over dacht Apeldoorn
te verlaten. Doch deze wolk dreef over.
Later, bij het vertrek van den heer In \'t Velt naar Utrecht, werd andermaal bij
oproeping in de plaatselijke bladen getracht een beheerder voor het llattemsche veld te
vinden. Ook dit bleek weder onmogelijk, waarop de heer Schmidt zich bereid verklaarde,
gedurende 3 maanden, bij wijze van proef, het gecombineerd beheer van Hofveld , Hat-
temschc veld en Ons Huis te voeren.
Dit wordt hier gememoreerd, omdat de Heer B. v. R. o. a. zeer ontstemd is over
het feit, dat de beide velden onder één beheer vereenigd zijn. Volgens hem komen ze
daardoor geen van beide tot hun recht. Wat nu onder dit recht moet worden verstaan.
blijve in het midden. Zeker zou het aanbevelenswaardig wezen slechts kleine stichtingen
-ocr page 45-
UIT HET DAGBOEK.
4\'
te planten, opdat de Beheerder zich te sterker op de paedagosche vorming der bewoners
kunne toeleggen. Maar ook ten deze, gelijk in de gehecle opvatting-B. v. R., treedt
de waarheid aan den dag: Het betere is de vijand van het goede Niet aan hetgeen in
het afgetrokkene het beste is, worde het oor geleend, maar aan hetgeen bereikbaar is.
En nu mag hierbij wel gezegd worden, dat de lieer B. v. R. — eenmaal besloten
hebbend zich van zijn beheer los te maken, om redenen, die slechts gerespecteerd. niet
beoordeeld worden — niet vergeten moet, dat er niemand gaat boven den man-zelf. Ware
hij gebleven, hij zou verder een groot deel der verantwoordelijkheid gedragen hebben.
Heengaande, mag het hem niet verdrieten, dat anderen hun eigen verantwoordelijkheid
gevoelen en zich daarnaar richten. Is van zijne vervanging het gevolg geweest, dat er
„een andere koers gestuurd is," wat eigenlijk genoemd moet worden: dat het sturen van
de andere koers eenigszins vlotter is gegaan, dan tijdens het beheer-B. v. R. mogelijk
was, gegeven het respect, dat hem werd toegedragen en de zucht om hem zooveel
doenlijk te bevredigen, daar worde niet door hem voorbijgezien, dat dit zoo \'s werelds
beloop is en ook wel bezwaarlijk anders door hem verwacht kon worden. Ja, indien wij
afbraken, wat hij opbouwde, dat zou voor hem hard te verduwen zijn. Maar wij breken
niet af. Wij stutten wat wrak staat, omdat ook wij zijn schepping liefhebben met het
vuur eener eerste liefde.
Brief In \'t Velt van 18 September 1895: „De houtdieven in kwestie (die Mr. Ooster
zoo op zijn paardje gebracht hebben), zijn de kinderen van Wouw Veldhuis en één van
Mulder. Laatstbedoelde maakt er geen gewoonte van; uit dat gezin zal niemand meer
zich daaraan schuldig maken. Van de kinderen Veldhuis kan dit niet gezegd worden.
Die gaan er dagelijks op uit, om hier en daar wat weg te kapen. Ze waren dat zoo
gewoon, waar zij vroeger woonden, in het afgelegen Wiesel. Ik zal Vrouw Veldhuis
dreigen haar het huis uit te zetten, indien zij geen maatregelen neemt, dat er een einde
komt aan het houtstelen."
Op 10 November 1895 kan Majoor In \'t Velt het niet langer harden. Hij dient een
formeel plan tot wijziging van het systeem der stichtingen van Besclieidcn Hcidcgcluk in,
om naar die wijziging een volgende stichting in te richten. Hij stelt: 1 ° Afstand doen
van het beginsel van eigendom en daarvoor in de plaats stellen huur (wckelijksche). c. q.
gevolgd door erfpacht; 2° Afschaffing van het installatiegeld en hiervoor in de plaats
stellen het verstrekken van mest, bijv. gedurende 2 achtereenvolgende jaren, telkens
2 maal per jaar; 30 De uitgestrektheid van ieder perceel niet grooter maken dan
\'/j Hectare; 4" Den vloer in de deel vervangen door een van leem, zooals in de boerde-
rijen, geschikt om er op te kunnen dorsenen; 50 Den bouw der huizen niet te gunnen
beneden de som van/ 750.—; 6° Beter technisch toezicht dan tot nu toe plaats had en
niet bouwen tusschen 15 November en 15 Maart. Een gewijzigde begrooting ter verdee-
ling van de f 1000.— wordt tegelijk overgelegd.
Bij brief van 15 November 1895 deelt de heer L. W. Th. Schsiiet zijne inzichten
mede. Hij doet dit naar aanleiding van de volgende feiten: 1" A. H, Hurenkamp
(Hofveld n°. 15) heeft begin October, laat in den avond, zijn huis leeggehaald en is met
onbetaald lating van 5 weken renteschuld zeer geheimzinnig verdwenen. Drie weken later
is op een Zondag ochtend de huissleutel met een brietje bij den Beheerder bezorgd. De
woning was vrij goed onderhouden maar aan den grond was hoegenaamd niets gedaan.
20 A. Veenhuizen (Hofveld 11". 16), die de te betalen rente steeds huur noemde,
geheel deed alsof het huis gehuurd was en zelfs tegenover iedereen den eigendom
er van ontkende, had met 3 weken rentschuld op zekeren dag zijn woning verlaten.
Het huis bleek van binnen schandelijk verwaarloosd en was allersmerigst bewoond.
Man en vrouw waren nooit thuis. Aan den grond was niets gedaan. Wat die menschen
bewogen kon hebben een huis te koopen, moest een onoplosbaar raadsel genoemd
Worden. Hun vertrek moest onbetwistbaar een groot voordeel genoemd worden, maar
G
-ocr page 46-
42
UIT HET DAGBOEK.
groot nadeel berokkende de herstelling der woning. Zij werd schoongemaakt en de
verbrandde en gestolen balken en planken werden op \'s Bonds kosten door nieuwe ver-
vangen. De heer Schmidt schrijft dan: „De hoofdvraag is: Zijn wij op den goeden weg? Om
daarop antwoord te geven, stel ik een paar andere vragen: Zouden die eigenaren" zoo
hun huis en erf hebben verlaten, als ze nog maar een tientje, dat ze zelf er in hadden
gestoken, de vruchten van hun arbeid dus, er bij zouden moeten laten zitten? Neen.
Omdat zij geen bezit, wel schuld hadden, viel hun dat wegloopen niet hard, vonden zij
het zeer gewenscht. \'t Bewijs is op \'t Hofveld al geleverd door Kelder. Die had wat in
zijn huis, in zijn grond; maar die zocht ook wel een ander, die zijn behang en zijn
overige verfraaiing overnam.
„Tweede vraag: Drukt bij al de schuld, die de eigenaren op zich nemen, een heel
jaar rente extra, namelijk voor de koopacte. niet al te zwaar? Geen wonder, dat ze zich
van dat papier niets aantrekken, niet begrijpen waarin de waarde van dat papier toch zit,
niet van plan zijn \'t ooit te betalen. En als nu de eigenaars, zooals Veenhuyzen, goed
vinden alle 3 maanden \'t huis te verlaten dan zullen op dat ééne huis 4 koopacten per
jaar komen. Alen krijgt dan: ingaan, koopacte, uitgaan, weer ingaan, koopacte, uitgaan,
enz. Koopacten dus, zonder eenig verband, maar talrijk en duur, vooral voor den Bond,
die ze den Notaris toch betaalt. Maar ik neem altijd nog een gunstig geval, namelijk,
dat de eigenaar zoo vriendelijk is te willen compareeren voor den Notaris, als ik, zijn
onderdanige dienaar, het hem niet te lastig heb gemaakt. Pak ik in het onderhavige
geval Hurenkamp of Veenhuijzen aan, dan loop ik alle kans, dat zij die vriendelijkheid
niet zullen hebben en wie kan hen dwingen bij den Notaris een handteckening te stellen ?
Ik geloof niemand. De hypotheekhouder kan het huis verkoopen, dat is alles. Maar is
dat nu de bedoeling ? Bescheiden Heidegrluk is anders , naar het mij voorkomt en heeft
dit doel niet.
„Wat mij doeltreffend voorkomt, is dit: De nieuwe bewoners mogen huis en grond
beproeven, ik mag de nieuwe bewoners beproeven. Zij kennen huis, erf noch heide. Ik
ken hen niet. Waarborgen geven zij in geen enkel opzicht en zij zijn evenmin gewaar-
borgd. Welnu, dan zou ik zóó redeneeren: „Betrekt het huis en bewerkt den grond.
Ziet gij een tijd lang of \'t u bevalt, ik zal een tijd lang zien of gij mij bevalt. Ge betaalt
iets meer dan die heeren eigenaren. Dat meerdere blijft uw bezitting, uw eigendom,
zoodra we \'t eens zijn en gij kooper wordt, dan hebt ge er belang bij. Want dat meerder
betaalde reken ik als huur, dit is al het betaalde, als ge binnen kort het huis weer
verlaat. Zoodra ge de kosten der koopacte hebt en wij voldoen elkaar, kunt ge koopen;
en als ge dan dat papier ziet, zult ge wel denken aan uw / 1 o.— die ge zelf verdiend hebt
en daarom zoo maar niet wegwerpt. Staat gij mij niet aan , doet ge niets aan uw grond,
is uw huis smerig, welnu, dan zeg ik u aan over een week te verhuizen; dan is alles
tusschen ons uit, de huur hebt ge wekelijks betaald en daarmede is alles afgeloopen."
„Die op deze voorwaarden eigenaar wordt, na eerst zijn grond goed bewerkt te
hebben, na vooraf in mijn handen wat van zijn loon te hebben bespaard, om de koopacte
te betalen, vee aan te koopen, die eigenaar loopt er niet uit, maar zoekt, desgevorderd,
een kooper voor zijn huis en zijn met zorg bewerkten grond, want zijn kapitaal zit erin,
hij is bezitter en die bezit, is eigenaar van eigendom.
„En nu de praktijk. Toevallig op denzelfden morgen, dat ik den sleutel van Huren-
kamp ontving, meldde zich aan een hoogst zwangere vrouw, die graag een huisje dade-
lijk wilde hebben, omdat zij vóór haar bevalling nog haar mest in \'t land wou brengen
en rogge zaaien, waarvoor \'t anders te laat werd. Bezwaar: ik kende haar niet; ze had
geen f 40.—. Gaarne wilde ik die vrouw ter wille zijn. 25 kruiwagens mest zelf nog
willen kruien, nog rogge zaaien en dan hoogst zwanger, ja, dat gaf mij waarborgen!
Ik ging Zondagmiddag met haar en haar man, Cornelis Schaufeli, naar \'t Hofveld en
sprak met Cornelis af, dat ik in deze omstandigheden niet lang bedenken wou. Ze konden
-ocr page 47-
43
UIT HET DAGBOEK.
dadelijk in \'t huisje trekken. 861/., cent betaalden de anderen. Ik g-af hun den raad wat
meer te betalen om wat vooruit te maken; het meerdere bleef hun eigendom, als ze \'t
huisje wilden koopen. De man zei me, dat hij best een gulden kon betalen en hij dat
graag betalen wou, als ik dat meerdere dan maar voor hem bewaren wilde, want dan
dacht hij met groot loon in \'t voorjaar wel gauw die/" 40.— voor den koop te hebben.
Beviel hem daarentegen het huis niet. kreeg hij werk ineen andere plaats, zoodat hij niet
kon blijven wonen, welnu, dan zou er eenvoudig gerekend worden, dat hij het huis
zoolang had gehuurd en dan was alles afgeloopen.
„De mest zit nu in den grond, de rogge staat op \'t land en de vrouw is van nacht
bevallen. Als u mij vraagt, geloof ik niet, dat zij nu weg zullen loopen, want ik bewaar
al een gulden van hen."
Het was in deze dagen, dat de heer B. v. R. te Utrecht, in een vergadering van
NijverJteid, een voordracht hield over de stichtingen van den Bond. Een ernstig gesprek
ging daaraan vooraf tusschen hem en den Penningmeester, die er vooral op wees, dat
alle abstracte voordeelen van nul en geener waarde zouden zijn, indien \'s Bonds crediet
mocht te loor gaan. Ook hier gold: Un Hens vaut mieux qtie deux fu 1\'anras. Waartoe
toch op eenmaal te veel gewild?
Bij brief van 24 November 1895 schreef de heer In \'t Velt: „In een uwer laatste
brieven schreef U: „Wat bezorgen die Hofvelders ons een last! Practisch toonen de
menschen aan, dat het systeem Eigendom het crocde niet is. De Overste zal zich met een
ander svsteem moeten verzoenen." Tn alle opzichten ben ik dit met U eens. Daarin is
ook niets onaangenaams voor den Overste gelogen. Bijna altijd wijzigt de ervaring nieuwe
denkbeelden. De grondgedachte blijft immers dezelfde.
Ik kom op deze aangelegenheid weder terug, omdat vrouw Veldhuis van het
Hattemsche veld hare woning in Februari a.s. zal verlaten." (X.B. Het heeft nog meer
dan een half jaar langer geduurd, alvorens zij er uit was.) „Ik liet haar met goedvinden
der hypotheekhoudster de hypotheek opzeggen. Zij bewoont haar huis allcrschandelijkst,
doet bijna niets aan den grond, bezit van al haar installatiegeld niets meer dan een
miniatuurgeit, terwijl hare kinderen niet alleen telkens met de policie in aanraking komen,
maar eenigen tijd geleden, op een Zondagmiddag, op zulk een schandelijke wijze met
elkander aan het vechten zijn geweest, dat de tusschenkomst van de Marechaussee\'s noodig
was en door dezen proces-verbaal moest worden opgemaakt. De buren zien dit gezin
liever van daag dan morgen vertrekken en daar sluit ik mij geheel bij aan. In deze
vrouw heb ik mij deerlijk vergist. Overal waar ik omtrent haar informatiën inwon, zoowel
bij de buren als bij de policie, verzweeg men wat men mij had moeten vertellen. Zij is
natuurlijk op het installatiegeld afgekomen. Het verstrekken van dat geld veroordeel ik
nog meer dan het systeem Eigendom, omdat, als er geen geld werd gegeven , het gehalte
der candidaat-huurders veel beter zoude zijn. Nu wilde ik voorstellen om het perceel-
Veldhuis te doen inschrijven op naam van den Bond, natuurlijk met goedvinden van de
hypotheekhoudster en het dan te verhuren bij de week, gedurende 2 jaren, a 86 cents
per week, om het daarna, met onderling goedvinden van huurder en verhuurder, in erf-
pacht af te staan voor den tijd van 10 jaren."
Brief Bondsbestuur (Penningm.) van 26 November 1895 aan den heer In \'t Velt:
„Een zeer gewichtig punt van uw briefis dat, waarin door U, naar aanleiding van het
tegenvallen van vrouw Veldhuis en de onhebbelijkheden van haar kinderen, op de schaduw»
zijden van ons systeem eigendom gewezen wordt. Op dit punt. alsook in zake installatiegeld,
gaan onze meeningen geheel accoord en ook de heer Schmidt heeft zich door reeds opgedane
ervaringen ten deze een meening g-evormd die zich aan de onze aansluit. Ik sprak met
den Overste over deze zeer belangrijke quaestic. Hij ziet natuurlijk Ie revers de la médaille
ook wel, maar is meer van oordeel, dat men die niet de zegeningen op den koop toe
moet nemen, dat het kwade in dit opzicht nog niet in staat is het goede van het beginsel:
-ocr page 48-
44
UIT HET DAGHOF.K.
Eigendom is hot beste, staat paedagogisch het hoogst, te niet te doen. Ik beredeneerde,
dat de Overste één schakel uit zijn schoone koten heeft laten vallen; dat aan zijn paedagogisch
stelsel dit elementair-paedagogisch onderdeel ontbreekt, dat er naar bezit gestreefd moet
zijn, zal het bezit waarde hebben in het oog van den bezitter; en ik wees er op, dat wij
later met nameloos berouw vervuld zouden zijn. indien wij — door te veel op eens te
willen en voor de practijk en de gevaren het oog te sluiten — de schoone schepping, die
met erfpacht - na - proeftijd niet minder schoon, alleen wat minder verheven zoude
zijn
         reddeloos in discrediet gebracht hadden. Ik geloof wel, dat de Overste op den
tweesprong staat, maar dat hem tijd gelaten moet worden er zich mede te verzoenen, dat,
wat voor hem het aureool der stichtingen is, van deze wordt weggerukt. Zou \'t ons ook
niet zoo gaan . als wij onze idealen zagen verdwijnen ? Eén ding staat vast: De Overste
heeft mij stellig verzekerd (volmaakt overbodige verzekering!) dat hij ons niet zal tegen-
werken, waar wij meencn den anderen weg te moeten inslaan. Ik vertelde hem, dat
hiertoe reeds a propos van de perceelen 15 en 16 op het Hofveld besloten was. De Bond
moet daarvan eigenaar worden . . .Ik sprak er niet lang over met den Overste. Hij
weet, dat er gehandeld wordt zooals wij meenen goed te zijn en hij respecteert dit. Het
schijnt mij 1" volmaakt onnoodig, 20 niet tactvol, te beproeven hem door veelheid van
betoog-en te dwingen tot een gewijzigd inzicht, tot een verzoening met een stelsel, dat
het\' zijne niet is. Maar hij berust in de zaak en wij blijven er even goede vrienden om.
U zal dus wel willen handelen overeenkomstig Uw voorstel en dit mijn antwoord en met
mij van oordeel wezen, dat het goed is dit nu maar verder te doen buiten den Overste om."
Op 28 Januari 1896 kwam de zaak weder aan de orde. Toen schreef het Bonds-
bestuur (Penningm.) o. a.: „Vrijheid komt in \'t algemeen belang slechts toe aan hem, die
getoond heeft de vrijheid waard te zijn, gelijk eigendom slechts toekomt aan hem, die
het genot van eigendom op zijn rechte waarde weet te schatten .... Ik weet, dat in
Twenthe naar eigendom wordt gestreefd. Daar beseft de arbeider de zegeningen van
volstrekt eigendom ... In Apeldoorn wordt slechts door enkelen onzer menschen iets
gevoeld voor de verheffing, die wij op het oog gehad hebben. Waar het mogelijk is,
dat men zijn akker zoo goed als geheel braak laat liggen, uit gebrek aan energie; kapotte
ruiten niet laat vervangen door heele; de bedstêeplanken ten vure doemt; met de Noorder-
zon vertrekt om de schuld van het installatiegeld; de pompen laat bevriezen en de wegen
onbegaanbaar laat uit absolute afwezigheid van gemeenschapsgevoel en uit schandelijk
egoïsme, daar >nag ik geen vrijheid brengen als principieclc, als primaire gave. Ik doe
dan al heel veel, als ik secundair, bijv.: met de bewerking van den akker, de lieden
vrij laat. Het is best mogelijk en \'t is te hopen ook. dat de lui langzamerhand beter
zullen gaan beseffen welk een schat, welk een voorrecht hun in den schoot geworpen is.
Maar inmiddels kunnen zij voor een schotel linzen hun eerstgeboorterecht verkocht, de
aan hun zorg toevertrouwde belangen reddeloos verknold hebben. Wie betaalt de
herstellingskosten van perceel Hofveld n°. 16? Wie de notariëele overgangskosten? De
Bond Wij mogen de groote belangen niet aan zijden draden ophangen. En als wij dit
toch doen, handelen wij dan ten minste nog in dier menschen belang? Ik meen van neen.
Wij willen ze opvoeden. Zeker. Maar wat is opvoeden ? Opvoeden is geleidelijk ontwikkelen.
Ik maiik een touwslagersjongen niet tot zeeman door hem op eigen wieken met een boot
het ruime sop in te sturen. Een boer niet tot een landsverdediger door hem een zijd-geweer
te geven, zonder meer. Een kind niet tot degelijk mensch, door het met een beurs vol
goud de wereld in te zenden -f- een bezem om het zijn pad te laten schoonvegen. Ik weet
het heel goed, ook niet door touwslagersjongen en boer en kind heel vast en heel dichtbij
aan een touwtje vast te houden Paedagogie eischt, dat ik wete het op zijn tijd te vieren.
Op zijn tijd. Doch die tijd breekt eerst aan als ik weet welk vleesch ik in de kuip heb.
En dus moet ik opportunist zijn. Maar volstrekt geen filosoof. En dit vooral niet, als
ik zorgen moet voor het bewaren van het evenwicht tusschen de belangen, die om vele
-ocr page 49-
15
ÜIT HET DAGBOEK.
redenen, maatschappelijke zoo goed als financiëele , van mij eischen, dat ik den evenaar
in het huisje zal laten staan.
„Ik kan hier g-een vaste regels stellen. Ik moet met omstandigheden te rade gaan.
Ik zal den een moeten toelaten, wat ik den ander belet Daarom moet ik ook hier breed
gaan staan. Zoo wil ik ook niet directe eigendomsverkrijging bepaald uitsluiten." (Thans
wel. H.S.) Maar ik wil door en door voorzichtig zijn. En daarom het heft in handen
houden en zoolang voogd blijven, totdat ik weet, dat mijn pupillen er aanspraak op
hebben, dat de curateele opgeheven wordt. Dus houd ik het einddoel: moreele verhef-
fing, vorming tot zelfstandigheid, in het oog. Maar ik wacht mij voor de fictie, die ik
in het belang der lieden en in het belang der samenleving, die verhoopte verheffing reeds
van meet af aan op een piëdestal mag zetten en de ze\\fsta.ndigheids-èedoeting op den voor-
grond stellen mag.
„En bovenal, ik mag er den Bond niet aan wagen. Gaat zijn crediet te loor, dan
hangt hij. En dan is alles uit. Dan kan ik de lui, die ik zoo graag voorthelpen wil,
niet alleen het meerdere niet meer geven, maar ook zelfs liet mindere niet. Dan sta
ik met leege handen. En om dit gevaar af te wenden, is het beter niet dadelijk
de handen te vol te nemen. Laat ons ook niet vergeten, dat de vijand nooit slaapt."
Bij brief van 6 Februari 1896 schrijft de heer In \'t Velt al weder over Vrouw Veld-
huis en de noodzakelijkheid, dat zij illico haar huis verlate. Haar zondenregister is nu
weder bezwaard met haar intiemen omgang met haar buurman, wiens vrouw in een lang
en aandoenlijk verhaal haar nood aan den Beheerder is komen vertellen, ook over de
huiselijke twisten, die van bedoelde verstandhouding het gevolg waren geweest. De heer
In \'t Velt schetst echter al de moeilijkheden, die het in zal hebben de vrouw te verwij-
deren. Hierover nader in het volgende hoofdstuk
Op 25 Februari i8g6 schreef Bondsbestuur (Voorz.) aan den heer B. v. R.: „Met
mijn verantwoordelijkheidsbesef kan ik tot mijn zeer groot leedwezen de eigendoms-idoe
niet in overeenstemming brengen. Wal zon. mij liever wezen, dan het wel te kunnen
doen ?
Ik zou den dag willen beleven, waarop zonder gevaar uw ideaal tot werkelijkheid
kan worden. Het bekoort mij nog evenzeer als op den eersten dag. Maar ik ben vast
overtuigd, dat tijd en menschen er nog niet rijp voor zijn; dat de grond nog niet wit
genoeg is, om op een goeden oogst van zulke mooie vruchten te mogen hopen. In het
belang van onzen Bond en evenzeer in het belang van uw merkwaardige creatie, moet
vastheid, aan voorzichtigheid en eerlijk streven gepaard, het wachtwoord van onzen Bond
wezen. Dan zal het Luctor et Emergo zijn en niet Liicfor et Ementor worden."
Bij brief van 11 Maart bericht de heer B. v. R. dat hij niet ter aanstaande vergade-
ring van het Algemeen Bestuur zal verschijnen en zegt: ..Daar zijnde toch, zou ik moeten
waarschuwen tegen twee gevaren, n.1.: eerstens, om nu reeds eenige gevolgtrekking te
willen maken uit de ervaring van eerst goed 2 jaren. Als het eerste decennium doorleefd
is en doorleefd onder goede leiding, dan zou er iets zijn te zeggen omtrent het oorspron-
kelijke; en ten tweede, om niet te gaan hinken op twee gedachten, door eigendom én
huur toe te passen.
„Dat ik dit gevaren noem, ziet niet alleen op de zaak-zelve, maar ook op den Bond
en zijn prestige.
„Wij moeten blijk geven van verzonnen te hebben vóór wij begonnen; van niet te
spoedig
aan het twijfelen te geraken; van een vasten wil tot voortzetting — ook al is er
teleurstelling of tegenspoed aanvankelijk, die, er gelukkig nu nog- niet zijn.
„En voor beide geldt hier vooral, dat nu juist de beste denkers en voorlichters eigen-
dom aanwijzen niet alleen, maar dien eigendom beschermd en verzekerd willen zien.
„Terecht zou gevraagd worden: Hoe nu ? Een Bond, die verbetering van maat-
schappelijke toestanden en individueele levensverhoudingen wil bevorderen, ziet van een
der krachtigste middelen daartoe af?
-ocr page 50-
46
UIT HET DAGBOEK.
„Jammer acht ik het daarom, dat reeds nü — en nog wel willekeurig — werd afge-
weken van het pas werkende stelsel. (N.B. Zie brief B. v. R. van 21 Mei 1895!!)
..De indruk van die handeling kan niet gunstig zijn; pleit althans niet vóór beginsel-
vastheid.
„Ik schrijf U dit maar met korte woorden, om U te doen zien, dat van mij niet kan
worden verwacht, nu reeds in andere richting mêe te werken.
„Maar ik zou ook niet, door op mijn „stukken" te blijven staan, aanleiding willen
geven tot belemmering in wat de meerderheid van \'t Bestuur zou willen.
„En daarom acht ik het beter mij buiten den strijd te houden.
„Ik weet wel dat de heeren In \'t Velt en Schmidt aan uwe zijde staan; maar, zonder
iets op hun kennis en goede bedoelingen te willen afdingen, kan ik aan hun stem geen
hooge waarde toekennen.
„\'t Geldt hier toch een beginsel, ja, het beginsel; en we staan daarbij voor een diep-
gaand vraagstuk, dat omvangrijke en veelzijdige studie en juiste waarneming voor zijn
oplossing vordert. En daarom luister ik liever nog altijd oplettend naar wat mannen van
erkend gezag in deze materie verkondigen, dan af te gaan op een of meer gevallen, die
zich voordoen binnen den engen kring van ons proefterreintje.
„Want, ook al acht ik die gevallen niet zonder beteekenis, ze zijn tè weinig talrijk
en nog te veel aan onze schuld te wijten, dan dat ze tot maatstaf zouden mogen dienen bij
een oordeel over het stelsel."
Bij brief van 13 Maart 1895 antwoordde het Bondsbestuur (Voorzitter): „Uw uitvoerig
schrijven van 11 Maart, heden door mij in groote erkentelijkheid ontvangen, maakt op
mij veel indruk. Ik zal niet breedvoerig in de verschilpunten terug treden; wil er mij toe
bepalen te zeggen, dat ik uw opofferend besluit om niet ter Algemeene Bestuursvergadering
te komen, hoezeer Uwe afwezigheid door mij betreurd zal worden, op waarlijk hoogen
prijs stel. Intusschen, een paar woorden moet ik nog aan de quaestio wijden. En dan deze:
Ik weet, dat vele geleerden op uwe hand zijn, maar ook dat die geleerden nooit de proef
op hunne theoriën genomen hebben. Zou het in onze zaak anders wezen dan bij al het
bestaande, dat de theorie eerst waarde krijgt, als de praktijk haar rechtvaardigt? Het is
zoo, de heeren In \'t Velt en Schmidt wraken den direct ingaanden, door de lieden niet
begrepen en daarom voor dezen ideëelen eigendom. Zij, die den Bond ook van ganscher
harte liefhebben, vreezen, dat, door te veel op eens te willen bereiken, ten slotte niets
en niets dan teleurstelling bereikt zal worden. Mag het crediet van onzen Bond, dat door
de nuchtere wereld gewogen wordt en geenszins door de heeren Leveillé , Colijn , e. t. q.,
aan zulk een subtiele theorie gewaagd worden? Mij dunkt van niet. \'s Bon ds politiek
moet er eene wezen van geven en nemen. En dit, afgescheiden van al het andere,
omdat uw stelsel staat en valt met de al-of-niet-aanwezigheid van beheerders, zooals U
zich die geïdealiseerd heeft. Het feit alleen, dat zulke beheerders niet te vinden zijn, —
zelfs de heeren In \'t Velt en Schmidt beantwoorden daaraan niet (nam. volgens den heer
B. v. R) — terwijl de Bond in U den ontegenzeggelijk besten beheerder heeft moeten
derven — wijst er op, dat de bakens verzet moeten worden. Het onafwijsbaar noodzake-
lijke moet in het leven aanvaard worden, ook door den Bond.
„U schijnt dit toe een inbreuk maken op Uwe schepping te zijn. Mij niet. Uwe
stichting behoudt nochtans zooveel voortreffelijks, is, afgescheiden van die uitvoerings-ver-
schillen, zulk een schitterend economisch voorbeeld, dat het mij grenzenloos veel leed doet,
dat U aan de practische ervaring, tot heden opgedaan, waar die ervaring op zwakke
onderdeelen wees, niet eenige meerdere waarde toekent. Wij moeten niet vergeten, komt
mij voor, het is onlangs nog in „Gemeentebelang" door U gezegd, dat het Hofveld door
U niet alleen gesticht is als voorbeeld, maar ook als proef. Een proef, die beoordeeld
zal worden, maar ook mag worden, naar haar mérites. En laat nu die beoordeeling tot
een partieele wtroordeeling leiden — mag daar van den stichter niet verwacht worden,
-ocr page 51-
47
UIT HET DAGHOEK.
dat ook hij bereid zij te reader pour mieux sauter? In dit verband doet uwe afwezigheid
ter vergadering — hoezeer wenschelijk misschien — mij pijn. Voor mij is het duidelijk:
Bescheiden Heidegcluk zal te grooter en grootscher en indrukwekkender toekomst hebben.
indien haar stichter zich niet om ideëele verschillen aan haar onttrekt. Alles wat bestaat, leeft
en zich ontwikkelt, is de vracht van transactie, van kruising. Waarom mag dit dan niet aldus
met Uwe schepping zijn? Om \'sBonds prestige? \'sBonds prestige kan er slechts bij winnen."
Brief B. v. R. van 15 Maart 1896: „Ik dank U voor de uitvoerigheid, waarmee U
den mijne beantwoordt, doch acht het beter de aangelegenheid nu maar verder onbesproken
te laten. De tijd moet uitmaken wie de zaken goed heeft ingezien."
Thans zou nog kunnen worden aangehaald, wat de heer In \'t Velt den 2$ Maart
1896 in een zeer belangrijk schrijven aan ons Dag. Bestuur in zake de quaestic als zijne
meening voor nu en voor het vervolg heeft doen kennen, doch, uit den aard der zaak,
min of meer een herhaling van vroegere mededeelingen is. Ook zou nog kunnen worden
weergegeven wat de heer B. v. R. in eenige latere brieven aan ons Dag. Bestuur heeft
verklaard als te wezen zijn ongeschokte mcening. Doch deze latere brieven dragen deels
een zeker intiem karakter (het intiem karakter van vele, ook met de hecren In \'t Velt en
Schjiidt gewisselde brieven werd in dit „dagboek" steeds geëerbiedigd) en werpen anders-
deels ook geen nieuw licht op de quaestie-zelve. 1)
Daarom wordt dit „dagboek" thans afgesloten. Dat het slechts het (tot deze zaken
betrekkelijke) voornaamste was, wat uit den voorraad van ver over de duizend brieven
werd geput, laat zich begrijpen. Ons Dag. Bestuur vreest reeds een zeer onbescheiden
gebruik te hebben gemaakt van de geduldige aiindacht van zijn mede-Bestuurders. Maar
het wilde niet vergeten, dat het hier vooral te doen was om licht te geven, een licht
dat èn kleuren èn nuances tot haar recht moest doen komen. Daarom kon niet met minder
worden volstaan. En ons Dag. Bestuur vleit zich door het extraheeren van die veelom-
vattende briefwisseling het onomstootelijk bewijs geleverd te hebben, dat objectieviteit bij
zijn arbeid voorzat en niet zucht om te verdeelcn, maar zucht om te verzoenen hem dreef.
HOOFDSTUK IV.
Voordrachten en levende figuren.
Toen ons Dag. Bestuur de Memorie-B. v. R. ontvangen had en het besluit had opgevat
haar zoo goed mogelijk te refuteeren, kwam het op het denkbeeld om aan den tegen-
woordigen Beheerder van Hofveld, Hattemsche veld en Ons Huis, den heer L. W. Th.
Schmidt, te verzoeken om — ten einde men zich van het kaliber der stichting-bewoners
en van de werking der stichtingen een goed begrip zoude kunnen vormen — de indrukken
te willen schetsen, die hij van het stelsel en de gevolgen van het stelsel verkregen had.
Wij danken aan zijn groote bereidwilligheid het hiernavolgend rapport, hetwelk natuur-
lijk zijn subjectieven indruk weergeeft en als zoodanig ook wel weer voor refutatie vatbaar
zal zijn, doch dat in elk geval zóó klaar en frisch geschreven is, zoo geheel bedoelt op
te bouwen, zóó warm is van strekking bij nuchterheid van inzicht, dat ons Dag. Bestuur
niet geaarzeld heeft het in dit hoofdstuk af te drukken.
Wij hebben daarbij gemeend boven de „geschiedenis" van eiken besproken persoon
te moeten insereeren de voordracht, die door de respectieve Beheerders is gedaan alvorens
aan de candidaat-bewoners een huis en grond in eigendom werd toegewezen. Dit scheen
1} Voor de curiositeit wordt nog medegedeeld, dit, blijkens brief-Scn.MlDT van 19 Dec. 1896, Ciik. He/.f.man (Hofveld
nü. 3) zijn mestplaats half heeft afgebroken en ook zijn privaat en al zijn mest brengt op een stuk land, dat hij gehuurd heeft
(reeds vóór hij bij ons „eigenaar" werd) gelegen naast ons Hofveld; en dat Van Delfswijk (Hofveld n". 2) eveneens zijn pri-
vaat heeft weggebroken.
-ocr page 52-
VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN.
ons noodig toe, om te doen uitkomen, hoc geheel anders de menschen, die men wil
voorthelpen, menigmaal zijn, dan zij zich voordoen, en hoe noodzakelijk het ook op dien
grond is zich van idealisme los te maken, zoodra het hoogste woord aan de practijk ge-
geven worden moet.
Rapport-Schmidt.
INLEIDING.
Nog nooit is het mij voorgekomen, dat ik een of andere theorie omtrent eigendom
van grond of huis niet dadelijk onderschrijven kon; geen lezing en geen betoog hadden
op mij een anderen indruk achtergelaten, dan deze, dat het gelezene en betoogde vol-
komen juist was. En toch, toen ik met eigendom en eigenaars in nadere aanraking kwam.
stuitte ik telkens op bezwaren en moeilijkheden en verkreeg ik den indruk dat directe in
cigendom-geving als stelsel onbestaanbaar is. Een mensch is zoo niet, of hij wil zulke
tastbare tegenstrijdigheden verklaren. Ook ik zocht een verklaring; vond die in de gerust-
heid, dat, al is die verklaring faliekant mis, ik er toch geenc verantwoordelijkheid voor
heb. Dit geeft mij den moed die verklaring, zooals zij door mij is gevonden, hier neer
te stellen. Waarbij ik dan trachten wil aan de hand der geschiedenissen van de verschil-
lende bewoners die verklaring (altijd naar mijne meening) waar te maken en haar verder
door cijfers te staven; om dan in een naschrift, na door feiten en cijfers aangetoond te
hebben hoe het was en hoe het is, te concludeeren hoe het zijn kon. terwijl het Bestuur
zich dan kan uitspreken over de vraag, hoe het zijn moet.
Bij elke theorie, bij elk wijs betoog, nam ik het woord eigendom op als een begrip,
onafscheidelijk verbonden aan het begrip: bezit. In de praktijk leerde ik eigendom kennen
zonder bezit, eig\'cnaars zonder eenige bezitting. En wanneer nu in de praktijk doorge-
drongen wordt, dan ontdek ik eigenaars, die door hun eigendom in een schuldenlast zijn
gekomen en merk dan tevens op, dat die schuldenlast hen onzedelijk heeft gemaakt;
want door de eigenaars worden nu onzedelijke middelen aangewend om zich van dien last
te bevrijden, óf de eigenaars zijn door de goedgevigheid zóó verwend, dat zij onzedelijke
middelen aanwenden. om die goedgevigheid te laten voortduren. Anderen hebben in het
systeem gezien, wat het was: een buitengewone liefdadigheid en gronden — uit kracht
der gewoonte — daarop het recht bij voortduring het voorwerp der liefdadigheid onder
wettelijken dekmantel te blijven.
Eerst een stukje geschiedenis: Een nieuw, lief huis, met een bunder heidegrond,
gedeeltelijk omgelegd, wordt aangeboden tegen /\' 40.— \'sjaars en bij het betrekken f 100.—
cadeau. Daarbij is niets te verliezen, maar altijd te winnen. De/ 100.— is dadelijk ver-
diend, ten minste in de wacht gesleept. Voorwaarden kunnen wel gesteld, doch behoeven
niet nagekomen te worden. Wat wonder, dat zich de minsten der bevolking, de ruimsten
van geweten, het eerst aanmelden en alle voorwaarden aanvaarden met de overtuiging:
als \'t me niet bevalt, ga ik er weer van door.
In het genot van het bovenstaande zijn gesteld:
a. Eigenaars zonder bezit, zonder werkkracht, zonder energie. Zij hebben nu de
volle waarde van den wissel genoten. Er valt nu niet veel meer voor hen te halen?
Wat zullen zij nu langer op de heide doen? Misschien kunnen ze het boeltje nog met
een toegift aan den Bond overdoen, onder dankzegging voor de bewezen diensten; mis-
schien. denken ze allicht, als wij blijven valt er nog wat af, want de Bond geeft nogal.
Zoo is de redeneering.
Ik stel mij voor dit bovenstaande waar te maken in de geschiedenissen van: Lambers ,
-ocr page 53-
VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMIDT.) INLEIDING.                        49
Van Delfswijk, Groothedde, Hezeman, Hondevelo, Hurenkamp, Veenhuizen, de Ruiter,
Leemkuil en vrouw Veldhuis en aan te toonen, dat die menschen echte proletariürs zijn
en, voor de verleiding bezweken, er nog onzedelijk in hun middelen bij zijn geworden, en
dat alle theorieën van eigendom, waaronder begrepen bezit, niet op hen van toepassing
zijn noch kunnen worden.
b.     Eigenaars zonder bezit, met werkkracht, met energie, die den vasten wil hebben
om zich vooruit te werken. Zulken zijn er gelukkig, maar daarmede is de theorie volstrekt
niet gered. Want met die menschen is het een groote waag geweest. Waarom ? Wel,
omdat zij den vasten wil hadden, ging het goed; maar \'t was een waag, omdat zij dien
vasten wil nog niet hadden kunnen toonen. Dat kan eerst na een jaar of twee, drie,
minstens, blijken. En aan zoo\'n waag mag men toch geen kapitalen blootstellen! Onder
zulke eigenaars behooren de Bar, Zoerink, Vooriiorst, van Tongeren, ten Teije, Rouwenhorst
en Nieuwburg in de eerste plaats. Ik herhaal, ze komen er, ze strekken den Bond tot
eer. Toch was \'t een waag, want waarborg gaven zij in geenen dcele. Want ook zij
kwamen arm en ontdaan aan, maar de energie, die zij meebrachten, loonde hun werk.
Doch de energie van de Bar stond evenmin op zijn voorhoofd geschreven, als de
lamlendigheid van Lamhers of het oneerlijke hart van Teunis van Kampen en consorten
op het hunne.
c.    Eigenaars met bezit. Dit bezit brengt van zelf wel werkkracht en energie mede,
anders gaat hun bezit verloren en daar zullen ze wel oppassen. Ik loop nu kans glad
verkeerd begrepen te worden. Ik noemde hierboven van Tongeren, eigenaar van een
compleete inrichting voor pui-bewassching en Rouwenhorst, met kippen en installatie voor
hoenderpark ad f joo.— — „eigenaars zonder bezit." Volkomen juist. Als van Tongeren
reden heeft om te vertrekken, of Rouwenhorst , dan haalt de een den boelen waschboêl,
de ander den kippenboêl vooruit het huis uit. Dat bezit is voor mij van even weinig
waarde als een ton in contanten. Ik bedoel een geheel ander bezit. Door dit bezit moet
de man geïnteresseerd zijn bij zijn huis of zijn grond. Een eigen steenen kippengebouwtje
op het erf. zooals Wissink, een gedeelte hypotheek, zooals Ewai.u, ja, een betaalde koopacte
van f 40.—, dat noem ik bezit. Heeft de man dat papier met .ƒ40.— betaald, hoe
waardeloos dat geschrift hem ook moge voorkomen, als hij een aanvechting krijgt om
zijn boeltje a F abandon te laten, dan komt de goede genius aan zijn oor fluisteren: „Hoe
krijg je je ƒ40.— terug, kerel?" Zie, dat is \'t bezit, dat de Bond hebben moet. Ik herhaal:
Bij wat de Bond hem geeft, moet hij geïnteresseerd zijn. Dat alleen is waarborg en niet
zijn het de schatten in zijn kast. Zulke eigenaars telt de Bond nog weinig. De geschiedenis
van Tamboer, van Ewald , van Schouten (misschien) kan leeren, dat er zulken zijn en zulken
zitten er en blijven er zitten. De geschiedenis van Kelder zal verder doen zien, hoe weinig
er noodig is om in dat bezit te zijn, wat den Bond voldoende waarborgen aanbiedt. Met
een mooi behangselpapiertje op den muur, is het halve bezit al verkregen. Ik hoor zoo
dikwijls zeggen: „Nu ik dat mooie behang heb, zou ik er niet graag uitgaan, al kon ik
een huisje aan den weg krijgen."
Het staat dus vast, dat als eerste regel moet dienen, dat de menschen zei ven iets
hebben, vast en vastgemaakt aan huis en grond en dat de koopacte, mits betaald. ook
al zoo\'n bezit is te noemen.
Nu zijn met deze stelling onherroepelijk veroordeeld, zonder dat hooger beroep is
toegelaten, alle eigenaars sub a. En de eigenaars sub b. moeten gebracht worden in de
categorie c. Dat is vrij wel gemakkelijk. Het hapert niet aan de menschen sub b,
maar \'t hapert daaraan, dat de Bond hot moet wagen en niet aan hun neus kan zien, dat
zij aan de verwachting beantwoorden zullen. Is daarop iets te vinden? Wel zeker, geef
hun den tijd om to toonen, wat zij in hun mars voeren. Geef hun dat bezit, \'t welk ik
bedoel, door hun voor te stellen, dat zij gedurende hun 2 of 3 jaren huurtijd, tevens voor
hen een proeftijd, hun energie toonen en laat hen, als zij prijs stellen op eigendom, dat
-ocr page 54-
50                               VOORDRACHTEN KN LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMIDT.) INLEIDING.
gevorderde bezit in die 2 of 3 jaar door middel van de spaarkas of hoe dan ook vergaren.
Hebben zij na dien tijd de ƒ40.— alleen voor de koopacte bij elkander, \'t bewijs is geleverd,
dat zij willen. Door hun f 40.— op te offeren zijn zij in de klasse van eigenaren sub c
gekomen. Kunnen zij nog iets meer voor vastigheid aanbieden, tant mieux, maar geen
pinken, zelfs geen paarden . want die gaan meê.
Ik zal nu waar maken wat ik schreef. In de volgende geschiedenissen zal ik mijn
eigenaars a, b en c duidelijk laten optreden en dan hoop ik volledigheidshalve in een
naschrift aan te geven, zoo practisch mogelijk, hoe de loop van zaken zou zijn, als het
bovenstaande eens in practijk kwam.
Voordrachten en Geschiedenissen,
De geschiedenis van MARINUS LAMBERS (Hofveld n°. i).
Voordracht-B. v. R. 6 October 1893.
Onder de sollicitanten is er een, die mij voorkomt bij uitnemendheid geschikt te zijn. Het is M. Lambers .
grondwerker: gehuwd en 6 kinderen; middelbare leeftijd; thans wonende in dezelfde wijk (Wormen).
Een grondwerker, die niets anders kent en weet dan een schop hantecren. Met een
vrouw en 7 kinderen. Als hij \'t geluk heeft de geheele week te werken, dan is zijn
hoogste loon f 6.—; maar meer dagen in het jaar is hij zonder dan met werk. Al twee
malen moest hij een aanschrijving hebben om zijn huis te verlaten, daar hij meer dan zes
weken achterstallig was. Zulk een achterstand is voor dien man niet te boven te komen.
Hoe de eerste maal de achterstand is betaald, weet ik niet; de tweede maal hebben de
dames-Patronessen zich over hem ontfermd. En die ontferming zal hij wel levenslang
blijven inroepen en zonder haar kan hij er niet komen. Toon hij een reparatie noodig
had voor zijn huis, naar berekening f 6.06, kreeg hij uit het Onderhoudsfonds f 4.04 en
het \'/a dat hij moest betalen, kwam uit het Fonds van Beheer (zie Rekening 13 Jan. 1895
f 2.02). Dit moet hij nu nog betalen, maar kan \'t niet. Zijne vrouw heeft particulier
geleend voor een kaas-zaakje. \'t Zaakje is te niet. De schuld van de kaas en de gewichten
zal wel gebleven zijn.
Als men het oog heeft gehad op menschen , die door hun eigen inspanning hun eigen
grond in waarde moeten doen toenemen, die men in staat wil stellen geheel op eigen
beenen te staan, moest dan het oog vallen op .... Laiiders? ?
De geschiedenis van HENDRIKUS VAN DELFSWIJK (Hofveld n°. 2).
Voordracht-B. v. R. 15 October 1893.
Onder de sollicitanten heeft zich een persoon opgedaan, die in alle opzichten aan de eischen voldoet, niet alleen,
maar een aanwinst voor de kolonie kan worden geacht. Het is H. VAN DELFSWIJK, oud 31 jaar; gehuwd en 2
kinderen; bezembinder van beroep, doch ook als veldarbeider voor loon werkzaam. Sedert 3 jaar bewoont bij een
z. g. kamer met een klein stukje grond voor f 36.— en moet nu die kamer ontruimen, omdat er door den eigenaar
anders over beschikt moet worden, \'t Is een gezonde, krachtige werkman van onberispelijk gedrag en goeden wil
Reeds lang had hij naar wat meer grond uitgezien en zijn vaste verdienste laat hem toe wat meer op te brengen.
Een bezembinder, fabrieksarbeider met vrouw en kinderen. Hoe hij prijs stelt op zijn
eigendom, leert hot volgende: Hij wendde zich tot den Beheerder met verzoek om ƒ25.—
voor verbetering van zijn deel. De Bond, met het oog op zijn financiën, de slechte be-
taling door van Deleswijk, de vrees, dat allen met een dergelijk praatje \'t zelfde verzoek
zouden doen, willigde het niet in. Hij maakte toen den Beheerder bekend met zijn voor-
nemen om te vertrekken en voorloopig al vast uit het Onderhoudsfonds, de assurantie,
etc. te gaan. Een week daarna kwam hij met de tijding aan, dat hij zijn huis zou ver-
koopen met f 70.— winst. Toen de Beheerder den kooper Wmïgano er opmerkzaam op
-ocr page 55-
VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (RAPPORT SCHIIIDT.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN. 5 I
maakte, dat de kosten der verkoopacte, ad f 40.—, aanwezig moesten zijn, kwam er
bericht, dat de kooper die som niet had, doch het huis wilde huren voor f 1.— \'s weeks.
Van Delfswijk zou die huur ontvangen en stelde zich gaarne aansprakelijk voor de betaling
der hypothecaire rente. Daar de hypotheekhouder die garantie terecht op nul stelde,
kon ook dat niet doorgaan. Dit alles was voorbereiding en de stille hoop bleef bij van
Delfswijk, dat de Bond het huis van hem zou overnemen en hem natuurlijk een winst
geven hooger dan / 70.—, hem quasi reeds geboden. Door iemand, die veel aan eigen-
dom hecht, ondervraagd waarom hij heenging, wist hij dezen naar den mond te praten,
door te vertellen, dat hij een betrekking had gekregen bij een dokter, aan welke betrek-
king vrije woning was verbonden en hij dus tot zijn spijt het huis verlaten moest. Deze
reden werd zeer billijk gevonden. Jammer maar, dat er niets van aan was. Doch om
den schijn te redden, ging van Delfswijk; nog verder en vroeg een certificaat, dat hij
steeds al zijn verplichtingen was nagekomen, hetgeen hem welwillend door dien heer,
ofschoon daarmede onbekend — en nog onbevoegd er bij — word verleend. Nu de vlieger
niet is opgegaan, blijft van Delfswijk weer kalm in zijn huis en heeft hij zijn werk aan
de fabriek weer hervat; maar hij zal van den winter honger lijden, daar hij zijn aard-
appelen , rogge en vee heeft verkocht.
De man is eigenaar, geen bezitter. Hij stelt dus geen prijs op zijn eigendom, maar
wil nog wel trachten er voor \'t laatst een slaatje uit te slaan. (Zie noot op blz. 47.)
De geschiedenis van CHRISTIAAN HEZEMAN (Hofveld n°. 3).
Voordracht-B. v. R. 30 November 1894.
Ik heb een geschikt sollicitant voor n*. 3. Die sollicitant is C. Hezeman , oud 32 jaar, vrouw en 1 kind, sedert
jaren werkzaam als voerman bij den houtaankap van den heer V. D. I.inden hier. \'t Is de man, die achter het Isr.
kerkhof dat stukje heide van de Mark pachtte en daar, met eigen middelen, ook dit jaar een goede oogst verkreeg.
Ik zal nog naar hem informeeren , maar ken hem reeds als een werkzaam man. die niet drinkt en een flinke, werk-
zame vrouw heeft.
Deze vriend had een verzoek als van Delfswijk om f 25.— , maar deze zette aan zijn
betoog kracht bij. Hij kan zich vooreerst niet begrijpen, dat aan den een, met name
aan de Bar, door den hypotheekhouder een schuur kon gegeven worden en dat hem een
behoorlijken deel kon worden geweigerd. Als de Bond het hem weigerde, dan zou hij den
Bond eens vragen waar het geld bleef, dat hij meer betaalde clan de Bond aan hypothecaire
rente uitgaf. Dat het aan hem stond om geen cent rente meer te betalen, sprak van zelf;
en als de Bond hem / 40. — voor de verkoopacte wou laten betalen, dan brak hij liever
het halve huisje af en ging er dan van door. Het verzoek is geweigerd. Zijn weigering
om de rente te betalen, heeft maar twee weken geduurd. Omtrent de uitvoering, die hij
aan zijn revolutionnaire plannen wil geven , ben ik nog in afwachting. (Zie noot op blz. 47.)
De geschiedenis van HENDRIKUS WILHELMUS VAN DEN BROM (Hofveld n°. 3.)
Voordracht-B. v. R. 30 October 1893.
H. W. van den Brom, oud-kavallerist en artillerist, in Indië en hier; 52 jaar, hoogst oppassend en zeer
werkzaam; gezond en krachtig, zou ik gaarne in onze kolonie opnemen. Hij heeft ƒ 230.— pensioen, maar verpleegt
zijn oude moeder, een nette, krasse vrouw. De inan is overwaard geholpen te worden en met hem is het leger dan
waardig vertegenwoordigd.
De morluis nil nisi bene. Als deze man hier nog eens uit zijn graf wordt opgehaald,
is het alleen om te betoogen, hoe weggeworpen installatiegeld wezen kan buiten iemands
schuld. De man overleed 15 November 1894. Hoe kort heeft hij van het installatiegeld
genoten en wat schoot er over bij zijn dood? Natuurlijk nihil. Ware die som niet bij
aankomst maar later bij gedeelten uitbetaald geworden, dan had de tegenwoordige
eigenaar Hezfman er ook nog van kunnen profiteeren. Deze kreeg nu geen installatiegeld
maar begon met / 40.— schuld voor de koopacte. Inderdaad door de inpikkerij een
groote onbillijkheid.
-ocr page 56-
52 VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (RAPPORT-SCHMIDT.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN.
De geschiedenis van WILLEM GROOTHEDDE (Hofveld n°. 4).
Voordracht-B v. R. 11 December 1893.
Ik stel b\' nu voor n". 4 te geven aan W. Gkootmedde, 34 jaar, 1 kind, geschikt man, die nu op \'t Hofveld
reeds een stukje gepacht heeft.
Een man, die altijd achterstallig is en altijd moet gedreigd worden met uitzetting
en dergelijke. Hijzelf is alweer een man van de onderste sport der samenleving.
Zijn vrouw houdt er door haar werk in een waschinrichting nog wat leven in en
wat centen. Begrip van eigendom, bezit van iets, niet met al. Installatiegeld en goed
verdwenen. "Wachtende op de liefdadigheid en de lieve dames om alles te brengen,
wat haar goeddunkt en zal aanvaard worden .... dankbaar mag ik er niet bijzetten.
Doet Lambers voor het \'/» wat hij voor herstellingen betalen moet, een beroep op het
Fonds van beheer, deze vriend kan dat veel eenvoudiger af. Hij wilde laatst een
verandering in zijn varkenshok en vroeg daarvoor het geld. Volgens het reglement
van het Onderhoudsfonds kan dat niet. Geen nood. De verandering heeft f 6.64
gekost. De werkman dient een rekening in van f g.96. De Beheerder betaalt 2/s
of f 6.64. „Al klaar", zegt de werkman. Daarmede bedoelt hij: dat Va van
Groothedde is daarmee ook al klaar. Deze informatiën werden natuurlijk achter \'s mans
rug om ingewonnen; maar zij zijn daarom niet minder waar. Dit is dus de tweede lezing
op de werking van het Onderhoudsfonds.
De geschiedenis van JACOB DE BAR (Hofveld n°. 5).
Voordracht-B. v. R. 4 November 1893.
Ik geloof voor n". 5 wel te kunnen aanbevelen J. DE Bar, houtwerker; 39 jaar, vrouw en 5 kinderen. Ik kreeg
reeds goede informatiën van dit gezin , doch moet Zondag den patroon van DE Bak nog spreken. Valt dat mee (hij
werkt daar jaren) dan is dit gezin zeer goed.
Een man, wiens vrouw onlangs van haar i4e kind is bevallen, bekend als flink grond-
werker, die nog nooit achterstallig is geweest in de betaling der rente, zijn geleende
schuld prompt wekelijks afbetaalt, zijn huis keurig onderhoudt, zijn grond vooruit brengt
en in het dorp aan Ekhart, den vischhandolaar, bij wien hij vroeger werkzaam was,
verklaarde. dat hij het nog nooit zoover heeft gebracht als nu en nooit heeft durven
droomen, bij alles wat hij nu heeft, ook nog een flinke pink op stal te kunnen hebben.
De Beheerder heeft niet geaarzeld op \'s mans eerste verzoek in te gaan en ƒ50.— verhooging
van hypotheek, tot bijbouwing van een schuur, voor hem aan te vragen. Mijn warm
betoog viel bij den heer Vox Stockhausen in goede aarde en deze verklaarde onlangs, bij
zijn bezoek, dat de Bar meer van ƒ50.— kon bouwen dan ZEd. zelf en dat het hem erg
veel genoegen deed den man in zoo\'n goeden doen geholpen en hem laatst ondersteund
te hebben.
Behoort voor het doel, waarvoor dit geschrift moet dienen, zulk een sieraad van \'s Bonds
stichtingen geciteerd te worden? Ja, toch. Er is één maar bij. De Bar is barsch, haast
onmogelijk voor zijn mede-bewoners. En als dat nu eens te erg liep? Laat loopen maar,
want de Bond is gebonden. Verveelt het de Bar, dan gaat hij er uit, morgen aan den
dag. Verveelt het den Bond, dan gaat hij er niet uit. Daarin zit nu hier de schaduwzijde.
Genoeg hierover, \'t zal begrepen worden.
De geschiedenis van HENDRIKUS ZOERINK (Hofveld n". 6).
Voordracht-B. v. R. 28 September 1894.
Ik heb de eer U te berichten dat perceel 6 (Hofveld) van GBKRITJK Wilbrink gister werd overgeschreven op
H. ZOERINK, oud 40 jaar, kleermaker, vrouw en 5 kinderen.
Een man, die klinkt als een klok. Prompt betaler van rente. Schuld geheel afgedaan
met 25 cents per week. Hapert alleen in de betaling van de koopacte. Dat vindt hij
-ocr page 57-
VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMIDT.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN. 53
toch zóó onbillijk, vooral omdat de oersten niets betaald hebben. De man vergist zich.
Ze hebben wel geen / 40.— maar f 17.— (voor den grond) betaald en dat is hun afge-
houden van het installatiegeld. „Dat is een makkelijke manier", — zegt Zoerink en hij
heeft gelijk — „schuld afbetalen, als je nog geld toe krijgt, wat graag!" Zonde en
jammer, dat aan een man als Zoerink nü het installatiegeld niet kan worden uitbetaald.
Nu heeft hij getoond het waard te zijn en hij zou er nü juist erg meê vooruitkomen.
Maar dat kan nu niet om
De geschiedenis van GERRITJE WILBRINK (Hofveld n". 6).
Voordracht-B. v. R. 21 November iSg3.
Ik geef V in overweging voor n°. 6 aan te wijzen (i. Wilbrink, oud 29 jaar, dochter van weduwe KoLDBNHOF
geb. Ai.bekdïna van Daalen , oud 53 jaar. Ik zou die weduwe ook wel kunnen voordragen. maar feitelijk wordt
zij door haar dochters onderhouden , al werkt zij zelf nog flink op het veld meé. Zij heeft ook nog een jongeren zoon
in huis, die echter wat te zwak is om veel te arbeiden. Dit gezin verdient hulp en kan evengoed vertrouwd worden,
alsof er een mannelijk hoofd was; en door den eigendom op de oudste dochter (uit het eerste huwelijk) te schrijven,
worden latere kosten en moeilijkheden bij overlijden der weduwe voorkomen. Ik vind het ook eigenaardig passend in
het kader onzer grondstellingen bij deze stichting, dat vrouwen niet worden uitgesloten, wanneer zij waarborg genoeg
geven ook voor de bewerking van den grond; en dit is hier het geval.
Hoe lang zij als eigenares in haar huis heeft gewoond, kan ik niet nagaan, maar als
het tien maanden geweest is, is het lang geweest, want zij vertrok 13 October 1894
wegens huwelijk. En haar installatiegeld ? Ik vermoed, dat ze. in plaats van vee een
man voor dat geld gekocht heeft. En dat is niets te verwonderen. Een gewezen dienst-
bode in een splinternieuw huisje, met een halven bunder grond, omgelegd en wel, een
lief hegje aan den straatkant en honderd gulden in handen bij haar eigen spaarpotje. Wie
zou daarop niet verliefd worden ? Maar voor den Bond bewijst het geval, dat de eigen-
dom , de installatiegelden, de voordeelen praematuur waren en niet toen aan Gerritje maar
nu aan Zoerink ten bate hadden moeten komen.
Vele vragen blijven, bij dit geval, door gebrek aan gegevens, onbeantwoord, zooals:
Is het zaak zulk een huis aan een ongetrouwde vrouw te geven? Moet een vrouw, die
trouwen gaat, uit haar eigendom ontzet worden? Is dat dan vereenigbaar met het begrip
van eigendom, dat men er niet om trouwen mag? Is dat huwelijk zoo spoedig opgeko-
men, dat \'t bij de installatie niet te voorzien was ? Was \'t soms doorgestoken werk van
die meid met dien jongen? Die \'t weet, mag \'t zeggen. De Beheerder van thans weet
het niet.
De geschiedenis van ALBERT HOLÏMAN (Hofveld n°. 7).
Voordracht-B. v. R. 17 November 1893.
ALBERT Holtman , fabrieksarbeider, 29 jaar, 3 kinderen.
„Waarom," zoo vraagt deze, „ben ik in een fonds en kan geen reparatie krijgen,
want ik moet 1/3 betalen en dat heb ik in den regel niet, en dus, als ik Mijnheer eerlijk
behandelen wil, kan ik nooit reparatie krijgen. Ik weet wat do anderen er op verzinnen,
maar daar kom ik niet in." Wat moet de Beheerder hierop zeggen ? De man achtte het
wijzer uit het Fonds te gaan en niets aan zijn huis te doen, want voor groote reparatiën,
verwen of behangen, was dat weinigje geld van hem toch onvoldoende. Geheel ongelijk
had hij niet. Afdoend is het Ondcrhoudsfonds niet.
De geschiedenis van MARTINUS OONK (Hoevki.d n". 8).
Voordracht-B. v. R. i November 1893.
Ik benut deze gelegenheid U als bewoner van n°. 8 voor te dragen MARTINUS Oonk, opperman op \'t Loo; ik
meen 30 jaar, gehuwd en 2 kinderen. Van dezen persoon kreeg ik gister de beste getuigenissen en de betrouw-
baarste aanbeveling.
Zoolang de tegenwoordige Beheerder in functie is, heeft de man nog geen stuk vee
-ocr page 58-
5-| VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMIDT.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN.
gehad. Was hij geen eigenaar, hij zou het nooit worden. Zijne vrouw heeft geen zinnig-
hcid in den grond Zij heeft \'t toen wel aangenomen. Nu ja, \'t werd haar gemakkelijk
gemaakt; zij kon er in ieder geval niets bij verliezen. Wat de grond wil met „huisjesmest"
haalt zij er uit en voor de rest leeft zij van het loon van haar man, die opperman is,
kleine karreweitjes doet en een tamelijk goed inkomen heeft voor zijn doen. Die man
deed wijzer een enkel frisch kamertje in het dorp te nemen en als hij huurder was, gaf
ik hem dien raad. Nu hij eigenaar is, mag ik afwachten wat hem believen zal te doen.
De geschiedenis van HENDRIKUS GERARDUS HONDEVELD (Hofveld n°. o).
Voordracht-B. v. R. 17 December 1893.
In aanmerking komt H. G. HONDEVELD, die zeer goed slaat aangeteekend.
Wil de Beheerder van dezen man de rente beuren, dan hebbe de Beheerder hem
maar wat werk te geven, wat grint van hem te koopen en hem, zonder onderzoek of en
hoe het werk gedaan is, des Zaterdags eenige guldens in de hand te stoppen. Dit heeft
de man al herhaaldelijk verklaard en bij \'t geven van werk, nog onlangs bij het omleg-
gen van den grond om het huis n°. 15 (Hatt. veld) klaar bewezen. „Nu ja," zegt de heer
B. v. R.. „die man is op; 40 jaar op een diligence gereden; nu in de 70, etc. etc."
Moet hij dan in een oudemannenhuis of eigenaar van een bunder grond en een huis
worden? Tot het laatste is besloten. Hondeveld zit er in en „een knap man", zegt hij,
„die mij er weer uit krijgt." En de renten? „Och kom, de Bond heeft geld genoeg.
Om mijn centen zijn ze niet verlegen."
Di: geschiedenis van GERRIT JACOB VOORHORST (Hofveld n°. 10).
Voordracht-B. v. R. 8 November 1893.
Ik geef U in overweging voor deze woning te bestemmen G. J. Vookhokst , 31 jaar, 3 kinderen, tuinman en
veldarbeider.
Waardig drietal: de Bar, Zoerink, Voorhorst en van dezen wordt de laatste de eerste.
Een halven bunder grond reeds omgelegd, bewerkt, in cultuur. Dat heet werken! Dat
is, wat de Bond bedoelt! Die man bezit reeds. Maar die man gaat er voor / 200.—
winst niet uit. Hij is zoo gek niet. Als gemeentewerker heeft hij het voorrecht daags
een paar goed gevulde kruiwagens mêe naar huis te brengen. Dat komt zijn land ten
goede. En als hij nog wat kunstmest behoeft, dan brengt hij mij de centen en vraagt
mij hulp, want „in de schrieverië het ie nou zoo\'n schik niet." Juist, zoo hoort het en
zoo kan ik ook nog eens iets nuttigs voor hem doen. Die man was er met een weinig (of
zonder) installatiegeld ook gekomen en kon hem nu eens de rest, een flinke rest, een
60 of 75 gulden gegeven worden, wat zou hij dan nu vooruitkomen, wat kon hij dan het
vee koopen, benoodigd voor een halven bunder grond! Want toen hij die/100.— kreeg,
was zijn land nog zoover niet; toen kon hij \'t vee nog niet gebruiken. „En U weet wel,
hoe \'t dan gaat; wat over is, gaat dan aan andere dingen," zegt hij. \'t Is waar, maar
toch blijft het jammer.
De geschiedenis van JOHANNES THEODORUS KELDER (Hofveld n". 14).
Voordracht-B. v. R. 29 December 1893.
Ik breng U in aanmerking voor n°. 14 J. Th. Keldek, oud-O. I, militair, f 245.— pensioen, vrouw, 3 kinde-
ren, sedert 3 jaar oppasser in het instituut van den heer Waal.
Deze vriend leert ons hoe de eigenaar handelt, die op bezit kan bogen. Hij was
eigenaar geworden op den gewonen voet. met installatiegeld. Hij had een pensioen als
gegageerd Indisch militair. Zeker zeer goed aangeschreven staande, kreeg hij de betrek-
king van Rijksbrugwachter aan het Apeldoornsche Kanaal, waaraan vrije woning is ver-
bonden. Hij moest dus zijn huis, zijn eigendom verlaten. Hij had aan het huis eenige
-ocr page 59-
VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMIDT.) VOORDRACHTEN\' EN GESCHIEDENISSEN. 55
verbeteringen laten aanbrengen, hij had zijn vertrekken behangen, een grooten kuil mest
bij e en gegaard en vele veldvruchten nog onrijp in den grond. Maar Kelder, de bezitter-
tevens-eigenaar, loopt zijn huis niet uit met eenige weken rente-schuld en laat fiolen
zorgen. Neen, hij komt zijn geluk boodschappen, zegt alles netjes te willen afdoen en
wil zelf een eigenaar zoeken omdat hij dat weinige, wat hij bezit, maar niet a l\'abandon
wil laten. Hij vindt een geschikten man, die hem eerlijk afbetalen zal. Maar die man
is daarom meteen voor den Bond the right man on the r\'iglit place. Het belang, dat
Kelder er bij heeft, is een waarborg voor den Bond, Jammer maar, dat Kelder alleen
aan zich-zelven dacht, want wel gaf hij aan Tamboer, den vervanger, op wat hij (Kelder)
van hem hebben moest, maar dat ï. f 40.— voor zijn koopacte moest betalen, vergat hij
hij op te geven. En als hij er om gedacht heeft, heeft hij nog gelijk gehad er hem niet
over te spreken, want dat had alweer voor T. een beletsel kunnen zijn om het eigendom
te aanvaarden of een reden om hem later af te betalen de som, waarvoor hij het eigen-
dom had overgenomen. En dat Kelder een goede keuze heeft gedaan, dat leert alweer
De geschiedenis van ALBERT TAMBOER. (Hoevei.d N°. 14).
Geen voordracht.
Of Tamboer prijs stelt op zijn eigendom? Wel natuurlijk. Ook hij heeft bezit, buiten
het huis en den grond. Dat bezit heeft hij betaald aan Kelder en daarom gaat hij voort,
op den voet van zijn voorganger, te werken en te verbeteren. Hij komt er. Hij is reeds
een heel eind op weg. Waarlijk knappe menschen, die allen steun verdienen. Jammer,
dat vrouwlief wel eens in \'t geniep haar buurman \'t land opjaagt en buurman, zich-zelf niet
meester — en altijd recht door zee — haar dan niet malsch bejegent. Zij klaagde daarover
haar nood aan den heer B. v. R., die mij verzocht dien buurman, als onhebbelijk, door
middel van hypotheek-opzegging te verwijderen. De hypotheekhoudster, Mej. A. van
Harpen Kuijper, had van mij nooit iets gehoord van
De geschiedenis van ANTONIE WISSINK. (Hofvkld N°. 13).
Voordracht-B. v. R. 20 Januari 1894.
Ik benut deze gelegenheid om U voor een mogelijk volgend (of openvallend) perceel voor te dragen den timmerman
A. WISSINK, 52 jaar, vrouw en 6 kinderen (waarvan 2 buitenshuis in verdienste). Een flinke man van goed gedrag.
Hij zou eventueel wenschen, dat in zijn huis de scheidingsmuur tusschen zolder en deel wegviel, om beter hout te
kunnen bergen. Nu, dit zou voorwaardelijk kunnen worden toegestaan; nl., dat ze voor zijne rekening werd aangebracht
indien hij onverhoopt het huis moest verlaten.
Zij vond den maatregel hard en overlegde met Mej. J. Caspers , de hypotheekhoudster
van Tamboer, dat geen van beiden of allebei er uit moesten en door deze wijze slotsom
harer overleggingen, begreep vrouw Tamhoer zelve ook de kous op den kop te krijgen
en sedert is het vrede.
Wissink is ruw maar niet kwaad. Men moet hem niets in den weg leggen en, zooals
hij zelf zegt: „Onderdoen" (als hij in zijn recht is) „dat nooit!" Het zou jammer zijn
Wissink , die flink en ordelijk is, van het veld te verwijderen. Het is hier nu alweer goed
afgeloopcn. Maar gesteld, dat Wissink ten onrechte onhebbelijk was en bleef, dan was
dat eigendomsbewijs alweer een bron van moeilijkheden. Is zoo iemand eenigen tijd bc-
proefd, alvorens eigenaar te worden, dan heeft men het in de hand onhebbclijken bijtijds
te verwijderen. Onbekende onhebbelijkheden, met eigendomsbewijs in handen, die heeft
men en die houdt men voor goed.
De geschiedenis van ALBERTUS HENDRIKUS HURENKAMP (Hofveld n". 15).
Voordracht-B. v. R. 29 December 1893.
Ik breng U in aanmerking voor n°. 15 A. H. Hurenkamp, oud 31 jaar; vrouw en 2 kinderen; veld- en tuin-
arbeider; reeds 14 jaar bij eenzelfde familie werkzaam.
De oude geschiedenis leert ons, dat hij lid was van het Onderhoudsfonds van 3 Juni
-ocr page 60-
56 VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMIDT.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN.
tot 3 November 1894 en dat op dezen datum het gestorte bedrag van / 1.54 aan hem is
uitbetaald, terwijl hij geboekt staat als geroyeerd wegens wanbetaling.
De middelgeschiedenis is, dat hij noch zijne vrouw iets aan den grond deden, dat zij
er geen vee op nahielden, erg ontevreden waren en dat het een onopgelost raadsel blijft
waar het installatiegeld gebleven is.
De nieuwe geschiedenis is, dat hij, in 1895 van tijd tot tijd achterstallig, in de 38*
week voor goed zijne betalingen staakte en op den Zaterdag van de 42e week, des avonds
laat. met gezin en meubelen verdween. Veertien dagen later werd de sleutel van het
huis door een kleinen jongen bezorgd aan het huis van den Beheerder, die volstrekt niet
wist te zeggen waar Hurenkamp was. Hij volgde een struisvogelpolitiek. Door den heer
Bou.meesïer naar den Beheerder gedirigeerd, verklaarde hij beter in een kamer in het
dorp dan in een huis op de heide te zitten, wat ook veel te ver van zijn werk was. De
heer B. v. R. deelde later mede, dat die vriend al vroeger door Mevrouw Roelofs aan
f 50.— voor een pink geholpen was en dat hij cito, cito die pink verkocht en Mevr. R.
nog te betalen had. Was dat soms een passend antecedent om hem eigenaar te maken?
Zonderlinge opvatting!
Met bijzonder veel omzichtigheid en met belofte hem zijn tijd te vergoeden en ge-
holpen door zijn chef, die hem gelastte op een bepaald uur naar den notaris te gaan,
kwam het er op den 6<Icn Februari 1896 eindelijk toe, om het huis aan den Bond te doen
overgaan. Tot voorwaarde (om het contract te teekenen) werd door Hurenkamp nog uit-
drukkelijk gesteld, dat de Bond geen enkel middel tegen hem zou aanwenden om hem
zijne achterstallige schulden ad f 111.76 te laten betalen. Brutaliteit in de nrte macht!
Met een halven gulden vacatieloon, aan hem uitbetaald, eindigde deze treurige geschiedenis.
Er kwam een geluk bij een ongeluk. Het huis was zoo door hem bewoond en zoo weinig
vernield, dat het onmiddellijk in huur kon worden afgestaan aan Schaufeli.
De geschiedenis van ALBERT VEENHUIZEN. (Hofveld n°. 16).
Voordracht-B. v. R. 1 Juni 1895.
Ik heb de eer U Ie berichten, dat ik, doordien Westenukoek zich niet aan de afspaaak hield, het pand heb
toegewezen aan A. Veenhuizen, die de huurder was van het huis van Hezeman. Veenhuizen komt mij voor
verreweg de voorkeur te verdienen boven alle andere sollicitanten. Hij is papiermaker en zijn vrouw werkt halve
dagen in de fabriek; hij is 42 jaar en heeft 2 kinderen, waarvan het oudste ruim 12 jaar. Hij werd mij geschetst als
een werkzaam, stil en degelijk man, die altijd stipt zijn huur betaalt en hij verdient tevens eenigebulp, nu HBZEMAN
hem zoo teleurstelde. (Hij had op diens er! zijn mest reeds in den grond). Veenhuizen vroeg geen voorschot en
begreep geen installatiegeld te kunnen vragen; hij erkende ongevraagd „dat \'t huis alleen \'t geld weerd was" en was
niet weinig in zijn schik met de lupinen, die reeds aardig boven den grond komen. Daar hij verzocht te mogen
toetreden tot het Qnderhoudsfonds, heb ik hem het boekje van Hurenkamp (n°. 15) toegezegd, die uitgetreden is;
dan snapt hij de / 5.— gratificatie. Dit zult U wel kunnen goedkeuren.
Van den hypotheekhouder heb ik volmacht tot overschrijven zonder «aam , en kan dus Notaris WALTEK de op-
dracht doen, wanneer er Uwerzijds geen bedenkingen bestaan, waarop ik maar rekenen zal.
\'t Spijt mij intusschen, dat ik er niet in slaagde Uw wensch te bevredigen betreffende erfpacht. Ik heb met
onpartijdigheid de beide vormen blootgelegd, in tegenwoordigheid van zekeren Aakt van Zeijst, een oud man en
kennelijk adviseur van Veenhuizen. Hun besluit was koopen „dan weet je waar je aan toe bent" — „pacht of
kuur, da\'s net geliek"! zoo redeneerden zij.
In de eerste dagen van Augustus 1895 betrokken Veenhuizen, zijne vrouw, hun
dochtertje van 8 en hun zuigeling van 1 jaar de woning n°. 16 op het Hofveld. Het
eigendom van de Ruiter werd door Veenhuizen overgenomen. Wat deden die menschen
op het veld ? Man en vrouw begaven zich \'s ochtends om 6 uur naar de papierfabriek te
Beekbergen, ruim een half uur van hunne woning en kwamen er \'s avonds laat weder in.
Het meisje van 8 jaar paste den heelen dag op de zuigeling. Hoc moest dat in \'s Hemels
naam \'s winters gaan? Daar moest brand van komen en de kinderen er bij verbranden.
Prettig vooruitzicht! Veenhuizen loste het raadsel op. Na de 4ie week van 1895 betaalde
hij niet meer en toen de zes weken vol waren, gingen hij en zijn gezin er met de Noorderzon
van door. De Beheerder ontving een briefje, meldende, dat wat hij voor de deur vond
liggen, hij niet langer ver wilde gaan halen (met deze beeldspraak bedoelde hij zijn
-ocr page 61-
VOORDRACHTEN F.N LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMIDT.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN. 57
werk); hij bleef te Beekbergen. De sleutel vergezelde het briefje. Geen enkele plank van
de bedsteden, van de deel. van den kelder, werd meer in het huis gevonden. Al wat
los was, was verbrand. Zelfs een deur van de deel, sluitende het varkenshok, was verbrand.
Een onverschillig gezicht zetten tegenover den vernieler, is het wachtwoord, want één
woord, dat den eigenaar niet bevalt, is voldoende om hem er toe te brengen om alles te
weigeren wat hem gevraagd wordt. En weigert hij te tcekenen, hoe moet dan de over-
dracht van het huis geschieden? Langs den langen, kostbaren en geruchtmakenden weg
van rechten. Veenhuizen is dus niet verder bemoeilijkt. Daaraan is het te danken, dat
Veenhuizen zich vinden liet om op den 6en Februari 1896 zijn eigendom aan den Bond
over te dragen. Het is voor Veenhuizen een pret of een verdriet van 3 maanden geweest
en kost den Bond f 60.— aan overdracht, f 10.— aan vernieling, f 4.68 aan rente
en f 0.50 aan tijdvergoeding. Gelukkig is de Bond vrijgeloopen van installatie. van
voorschotten en wat dies meer zij. Het huis is sedert verhuurd, nadat al het gestolene
en verwaarloosde weder in behoorlijken staat was gebracht.
De geschiedenis van GERRIT DE RUITER (Hofveld n°. 16).
Voordracht-B. v. R. 10 November 1893.
Ik stel U voor G. de Ruiter, een kn.ip daglo mer maar ook vast tuinman bij bekenden, van middelbaren
leeftijd, n\'\\ 16 toe te zeggen.....15 Nov. 1893. De Ruiter had eenige pretenties en stelde als voorwaarde, voor
zijn gemak , een huis aan den „harden weg." Ik vertelde hem , dat ik anderen niet voor hem kon achterstellen , en
hij , die \'t laatst gekomen was, moest accepteeren wat beschikbaar was. Hij meende dan maar te moeten wachten tot
er weer eens aan den grooten weg gebouwd werd. En hoewel zijn vrouw erg teleurgesteld was, meende ik hem het
lesje te moeten geven. Of hij zal terugkomen, ik weet het niet.......n Januari 1894. Ik teckende voor n\\ 16
aan GERRIT de RUITER, berouwhebbend sollicitant van vroeger. Hij was een paar maal op \'t veld, vond den grond
„veel beter dan i dacht" en zou nu as je blieft wéér op de lijst komen." Hij wist er nu alles van. Daar hij een flink
tuinman is en een knappe vrouw heeft, stel ik voor hier het è tout pêche misiricorde toe te passen.
De gegevens omtrent dezen vriend ontbreken alle in het archief. De heer B. v. R.
beweert, dat de man er uit gezet is. De bewoners, hier, beweren, dat de Ruiter zijn
woning is uitgeloopen. Wat wel met zekerheid is te bepalen, is, dat hij zijn installatie-
geld heeft genoten, het niet lang gemaakt heeft, immers niet langer dan Juni 1895 en
dat hij niet was de rechte man; anders zat hij er nog.
De geschiedenis van JACOB BATE (Hofveld n°. 17).
Voordracht-B. v. R. 8 April 1894.
Ik ben zoo vrij U voor n°. 17 voor te dragen J. Bate, grondwerker, vrouw en 5 kinderen (waarvan 2 buitenshuis
als dienstboden), 44 jaar oud. \'t Is een vlijtig, flink en oppassend werkman, die verdient geholpen te worden. De
man is arm, buiten eigen schuld; hij wil en hij kan.
Deze vriend werd in het laatst van 1894 en in het begin van 1895 tien briefjes van
rente achterstallig. De hypotheekhoudster, die er bij te pas kwam, gaf uitstel en sedert
is de man voortgesukkeld tot 30 Mei 1896, toen hij door den Beheerder werd aangeschreven
zijn huis te verlaten. Met mooie beloften aan de dames, wien hij zijn nood klaagde en
na belofte van wekelijksche extra-afdoening, kreeg hij weer eenig uitstel en als alles
gunstig blijft, zal hij dien achterstand in dit jaar nog hebben afgedaan. De man en het
gezin zijn echter zóó arm, dat liefdadigheid hem meer te pas komt en voor hem passender
is dan eigendom.
De geschiedenis van NARDUS DEKKER (Hofveld n°. 18).
Voordracht-B. v. R. 16 Februari 1894.
Ik stel U voor om voor n°. 18 aantewijzen N. Dekker, tuinman en groentenhandelaar, 31 jaar, vrouw en 2
kinderen. Er waren nog meer sollicitanten maar uit verschillende informatief wil mij deze als de beste voorkomen.
Een man, wel ijverig op zijn land, die er geen ander bedrijf op nahoudt. Eigenlijk
verdient de vrouw den kost met mutsenwasschen. Vee houdt hij er niet op na. Een man
zonder werk en zonder vee is al erg vreemd, waar de voorwaarde is, dat ieder arbeider
8
-ocr page 62-
58 VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMIDT.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN.
moet zijn en een loon verdienen. Uit het Fonds van beheer, vertelt hij, kreeg hij een
voorschot om een wagen te laten reparceren en toen de wagen klaar was, werd er beslag
op gelegd en werd dit meubel verkocht Vreemd, erg vreemd! Als het waar is, kan
ik den man het praedicaat van onnoozol niet onthouden. Kort en goed, de schuld van
/ 18.16 moet nog betaald worden. En op zijn herhaalde aanvragen om nog meer geld,
dan voor dit en dan voor dat. kan de Beheerder niets antwoorden dan hem verwijzen
naar de schuld van de kar.
Ontbreken in dit rapport:
De geschiedenis van JAAP DE BAR Jr. (Hofveld n". 16).
Geen voordracht.
Niet steeds is de liefde bestendig van duur. Jaap en Jans zouden een paar worden.
Zoo maar. \'t Was niet noodzakelijk, maar \'t verveelde Jans in haar besten dienst bij
Overeijnder en \'t verveelde moeder de Bar om Jaai> voor een prikje te eten te geven.
Het huisje van Veenhuizen was leeg; daar zouden de jonggeliefden hun nestje bouwen.
Jaap verdiende ƒ 6.— in de week; moeder stond voor de huur in en Jans was o, zoo zuinig!
Jaap had graag het huis in eigendom gehad. Waarom? Omdat hij liever ƒ0.86 betaalde
dan/i.—. De Beheerder beloofde hem \'thuis, als hij maakte f 40,— bij elkaar te krijgen
voor de koopacte en zoo was in de 43° week van 1895 \'tjonge paar geïnstalleerd. De
huur werd prompt betaalt; als zij er een week niet was, de volgende week dubbel. Alles
ging goed tot 3 1 Augustus 11. Toen werd er feest gemaakt en feest gevierd ter eere van de
Koningin. Het feest bij Jaap en Jans liep spaak. Jaap droeg den volgenden dag het huis leeg
en Jans zat bij de buurvrouw te schelden De Beheerder zei Jaap de huur op; na 8 dagen
vertrekken, omdat de meubels dienen tot onderpand voor de huur. Jaap was het eens
met den Beheerder. Jaap en Jans gingen ieder huns weegs. En na 8 dagen werd de
laatste week huur betaald en den volgenden dag zat een ander echtpaar in de woning.
Deze geschiedenis wordt opzettelijk hier geciteerd, om eens duidelijk te doen uitkomen,
wat huur voor heeft boven eigendom, bij bewoners, van wie men niet geheel zeker is.
Hoe eenvoudig liep dit gevalletje af! Jaap was vrij en de Bond was vrij in 8 dagen.
Ware dit huis nu eigendom geweest, dan was flink optreden eenvoudig onmogelijk ge-
weest. Dan had Jaap zoo goed moeten zijn om zijn huis te verlaten en over te geven
tegen item zooveel: zoo met, dan waren er weer kunst- en vliegmiddelen noodig geweest
om dit resultaat te verkrijgen.
De geschiedenis van GERARDUS LUBERTUS HILBERINK. (Hofveld n". ii).
Voordracht-B. v. R. 29 December 1893.
Ik breng U in aanmerking voor n". n G. L. HlLBEKlNK, 27 jaar, vrouw, 1 kind èn moeder; timmerman met
vast werk.
De betalingstaat is goed. Hij is niet achter,
en:
De geschiedenis van HENDRIK VAN DEN BOSCH. (Hofveld nu. 12).
Voordracht-B. v. R. 17 November 1893.
H. VAN DEN lioscil, veldarbeidcr, werkzaam in de kweekerij van den lieer Ovekeijnder; 48 jaar.
De betalingstaat is goed. Hij is slechts i week achter.
De geschiedenis van HEIN VAN LOENEN (Hatt. veld n°. 4).
Voordracht-B. v. R. Overgenomen door den heer In \'t Velt 22 Mei 1894.
Is 35 jaar oud. Metselaar en stucadoor van beroep, gehuwd, 5 kinderen. Hij maakte vroeger wel eens misbruik
-ocr page 63-
VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMIDt). VOORDRACHTEN\' EN GESCHIEDENISSEN, jg
van sterken drank. doch past den laatsten tijd (ongeveer een jaar) voorbeeldig goed op volgens door mij ingewonnen
informaticn bij zijn werkbaas en bij den Chef-Veldwachter alhier, die hem kent , ook als lid van een bestaande Ver-
eeniging tot geheel-onthouding van sterken drank.
Deze man staat te boek als te hebben ontvangen / 5.— voor aankoop van boekweit-
zaad. Hem was een huis toegezegd. Die toezegging is ingetrokken. Rest dus een
schadepostje voor den Bond.
De geschiedenis van TEUNIS VAN KAMPEN (Hatt. veld n". 6).
Voordracht-lN \'t Velt 26 October 1894
T. van Kampen is een jonge man, nog geen 24 jaar oud. die binnenkort gaat trouwen met een dochter van
Fennekes. Toen ik dezer dagen laatstgenoemde, die voorkomt op den staat van sollicitanten, bezocht, deed hij het
verzoek zijne aanspraken te mogen overdoen aan zijne dochter, die binnenkort met Van Kami\'EN in het huwelijk zal
treden. Zulke jonge menschen als bewoners van een der huizen op het 1 Iattemsche veld, lachte mij toe en daarom
ben ik informaticn omtrent hem gaan inwinnen, nadat ik hem eerst bij mij nan huis had laten komen. Het bleek mij,
dat hij arbeider is bij den bleeker R. van Zeist, die zeer tevreden over hem is. De politie weet niets mede te deelen
wat in zijn nadeel is en daar ik een goeden indruk van hem heb gekregen , heb ik in een en ander aanleiding gevonden
om hem voor te dragen.
Dezen man is het huis n". 6 op het Hattemsche veld toegezegd en volgens den staat
der betalingen, heeft hij het huis betrokken in de soe week van 1894 en heeft hij 5 weken
wel en 5 weken niet betaald. Op 1 December 1894, dus vóór het aanvaarden der woning,
ontving hij/" 10.— voor den aankoop van gereedschappen en ig December d. a. v/40.—
voor aankoop van een schaap, strooisel, hooi en vaten. Uit de gegevens moet worden
opgemaakt, dat hij de acte niet heeft willen teekenen, daar er nog bijzondere onkosten
voor annulatie der acte van Van Kampen en voor overschrijving op naam van Bomiiof
voorkomen, ten bedrage van f 4.25. Het geheel beloopt dus de som van ± f 70.—,
welk bedrag dus in eenige dagen door den Bond aan dien vriend verloren is.
De geschiedenis van J. H. LEEMKUIL (Hatt. veld n". 14).
Voordracht-lN \'t Velt 3 Mei 1895.
Voor n°. 14 vond ik J. H. Leemkuil, daglooner , een man met vrouw en 4 kinderen, die het te benauwd krijgt
in een kamer, die hij nu bewoont van / 0.75 per week. Wat ik van hem hoorde, was goed. Hij heeft het bepaald
op n°. 14 begrepen, anders zou het rationeel geweest zijn hem voor n°. 12 in aanmerking te brengen. Als L\' er niet
tegen hebt , geeft ik in overweging hem op dit punt zijn zin te geven.
Van alle bewoners van het Hattemsche veld stelt deze vriend zijn eigendom het minst
op prijs. Hij is de eenige slechte betaler en om aan geld te komen, schijnen alle middelen
hem geoorloofd. Hij heeft zich niet ontzien om in het najaar van 1895 zijn vee te ver-
koopen, het veevoeder onbetaald te laten en, door voorgeven van sterfte onder zijn vee.
den hypotheekhouder te bewegen hem opnieuw vee te verstrekken. Die vlieger is echter
niet opgegaan, daar een onderzoek zijn bedrog nog bij tijds aan het licht bracht. Hij is
een van die bewoners, die terecht altijd worden verdacht ook nog eens met de Noorderzon
te zullen vertrekken en dan buitensporige eischen te zullen stellen om den Bond in het
wettig bezit van zijn zoogenaamd eigendom te bevestigen. Die man levert geen den
minstens waarborg voor datgene, wat de Bond beoogt.
De geschiedenis van de Wed. W. VELDHUIS, geb. A. KIESBRINK (Hatt. veld n". i i).
Voordracht-lN \'t Velt 26 October 1894.
Met de Wed. W. Veldhuis , geb. A. Kiesbkink, oud ongeveer 50 jaar, had ik gister een onderhoud ten mijnent.
Zij had op mijn verzoek haar zoon medegebracht, een jongen van 17 jaar, die, als er werk te krijgen is , flink aanpakt.
Haar gezin bestaat, behalve uit dien zoon, uit een volwassen dochter, die dagelijks den kost verdient met naai- en
ander werk en nog 2 jongere kinderen. Als zij zoo gelukkig was, zeide zij, een woning op het Hatt. Veld te krijgen,
zou zij trachten met wasschen , \'t zij op een der in de nabijheid gelegen bleekerijen, \'t zij aan huis, den kost te ver-
dienen. Het werken op het land is haar niet vreemd. De indruk, dien ik van hnar kreeg, was, dat zij een flinke,
werkzame vrouw is, en in die opinie werd ik heden versterkt, toen ik een langdurig onderhoud had gehad (op het
gemeentehuis) met twee veldwachters, die haar goed kenden. Bij die gelegenheid hoorde ik, dat zij allerellendigst
gehuisvest is, in een hut, onder Wiesel, een uur gaans van hier. Aanvankelijk huiverde ik deze vrouw voor een
-ocr page 64-
ÓO VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMIDT.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN.
woning In aanmerking te brengen, doch toen ik heden ochtend over deze aangelegenheid met den heer B. v. R. sprak
en deze mij o. m. vertelde, d;it GBRRITJB WILBRINK, die onlangs om bijzondere omstandigheden het Hofveld heeft
verinten, in hare verplichtingen (wat de geregelde rentebetaling betreft) nimmer is te kort geschoten, niettegenstaande
zij toch ook cene vrouw was zonder vast inkomen, heb ik mijne bezwaren op zij gezet en geef ik U nu in overweging
perceel n". 6 aan genoemde weduwe toe te wijzen.....12 November 1894. Mij is gebleken, nu ik mij naar Wiesel
heb begeven , dat de Wed. VELDHUIS niet 4 maar 7 kinderen heeft. Mij komt het voor dat zij in haar groot aantal
kinderen een bezwaar zag om in aanmerking te komen voor een woning. Ik heb haar nogmaals aangezegd, dat zij
moet trachten voor zich-zelve en hare dochter vast werk te vinden , zal haar een woning kunnen worden toegewezen.
Ik stelde deze voorwaarde èn in het belang van den geldschieter èn in dat van de vrouw zelve.....(Later deelt
de heer In \'T Velt mede, dat de diaconie (die haar nu ook helpt) de huur (rente) ad / 0.86 \'s weeks voor deze vrouw
zal l>etalen , zoolang zij zich die gunst waardig maakt.) En zoo kan ik er toe adviseeren het met haar te wagen.
Marcheert de zaak goed, dan is stellig een groote weldaad aan haar, aan hare kinderen en aan de maatschappij be-
wezen. De menschen zijn allerellendigst gehuisvest.
Dc geschiedenis van vrouw Veldhuis , met tal van levende illustratiën in haar eigen-
dom. Een weduwe met 4 dochters, van wie drie plastisch toonen huwbaar te zijn, en
drie nietsdoende zoons. Als zij iets doen, doen zij kwaad. Reeds in November 1895
bleek het afdoende, dat die vrouw in hr*t belang der openbare orde en der zedelijkheid
uit haar eigendom moest worden ontzet. De diaconie betaalt voor haar, die geheel on-
vermogend is, de hypothecaire rente. Ergerlijke tooneelen hebben vóór en na in haar
huis plaats gehad. Haar wijze van het huis te bewonen, was beneden alle critiek. De
toeziende voogd der kinderen, een zeer onbeschaafd arbeider. was van meening, dat het
best zoo kon en vond het aanbod om vrouw Veldhuis met/ 10.— te gemoet te komen
voor de kosten van verhuizing, nog veel te laag. Dat aanbod werd later zelfs verhoogd
tot ƒ 25.—, maar vrouw Veldhuis bleef passief en de goede gemeente daar fluisterde haar
maar steeds in het oor: „Blijf maar zitten, ze doenen je niks". Toen vrouw Veldhuis
meende, dat het ernst werd. dacht zij er over het aanbod te aanvaarden. Het was in-
tusschen Februari 1896 geworden. Bij onderzoek bleek het den Bond, dat het ontzetten
uit haar huis gepaard zou gaan met de volgende formaliteiten, omdat zij weduwe is en
minderjarige kinderen heeft: Een rekest aan den kantonrechter, waarin het verzoek om
haar eigendom te mogen verkoopen; opkomen van een familieraad, welk verlies van tijd
aan alle personen door den Bond vergoed moet worden, anders komen zij eenvoudig niet;
gunstige beschikking van den kantonrechter en daarna het opmaken van de koopacte,
komende alle kosten weer voor den Bond. De passieve houding van vrouw Veldhuis
duurde voort tot Mei 1896, toen haar bij deurwaarders-exploit ad ƒ5.55 werd aangezegd,
dat zij op den 30en Augustus aan de hypotheekhoudster zou hebben te betalen dc som van
ƒ 1000.—. Dat document werd ter zijde gelegd en vrouw Veldhuis bleef zitten. Na
30 Augustus kon nu de hypotheekhoudster het huis laten verkoopen en de kooper kon
vrouw Veldhuis er gerechtelijk uit laten zetten. Natuurlijk zouden de schaden, de kosten
en ook de schandalen voor rekening van den Bond zijn gekomen. Om dit te voorkomt n,
overlegde de Beheerder met de dames-Patronessen van Ons Huis en — onder belofte van
vergoeding voor verhuizen en de te veld staande gewassen, van verdere zorg voor hare
kinderen, van ondersteuning door de diaconie, enz. enz., en na aanwijzing van een huis
te Wiesel, dat voor haar gehuurd was, — mochten die vereende krachten er in slagen
vrouw Veldhuis op 12 September 1896 van het veld te doen vertrekken met voorloopig
ƒ 10.— voor verhuis- en vergoedingskosten. Het rekest aan den kantonrechter was eerst
vooraf geteekend en nu zal de Bond nog, voor elke opkomst, per uur den tijd moeten
vergoeden, zoolang tot dat vrouw Veldhuis de koopacte zal hebben geteekend. En nu
vrouw Veldhuis vertrokken is, is er blijven staan een huis, dat van onder tot boven
wemelt van wandluizen; een huis waarop de kleur van de oorspronkelijke verf niet meer
te herkennen is, waarvan de muren zwart en de vloer met een laag menschendrek over-
dekt zijn. Den 24cn September zijn Gebr. Frankfort uit Deventer begonnen het huis te
zuiveren u raison van /\' 40.—. Dezelfde som, zoo niet meer, zal noodig zijn voor verwen,
witten en schoonmaken en op het erf buiten is van aanplant niets te zien dan eenige zonne-
bloemen. Met die eigenares gaan voor den Bond een goede / 150.— en — wat nog
-ocr page 65-
VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN (rAPPORT-SCHMIDT.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN. 6l
erger kan zijn — een deel zijner goede reputatie verloren. Maar de heele rekening is
nog anders: Weggeworpen installatiegeld f ioo.—. Koopacte (half, omdat het nu voor
den Bond is) f 20.—. Vergoeding f 10.—. Exploit f 5.50. Vergoeding tijd ± f 5.—.
Bewoonbaarmaking van het huis minstens f 80.—. Derving van huishuur, 5 weken, ƒ5.—
Dat is te zamen rond ƒ225.—. En daarvoor heeft de eigenares anderhalfjaar een huis
bevuild, een bunder grond braak laten liggen en het veld in opspraak gebracht. Commen-
taar overbodig. En nog is de Bond van die vrouw niet af, want als haar \'t geloop naar
gerecht en notaris begint te vervelen en de vergoeding aan de familieleden, die mede
opkomen moeten, dezen te gering voorkomt, dan staken zij weer of komen weer met
nieuwe eischen voor den dag, want zij hebben den Bond in hun macht. Zoo is het.
De geschiedenis van F. W. EWALD (Hatt. veld n". 8).
Voordracht-iN \'t Velt, i September 1894.
Na mij eerst schriftelijk zijn wensch te hebben medegedeeld, stond F. W. ËWALD, korporaal van het Indische
leger (Reconvalescenten-compagnie te Zutphen) heden onverwachts voor mij. Hij is gedurende zijn diensttijd zuinig
geweest en heeft een spaarduitje, ongeveer f 800.— , waarover hij tegen November , of mogelijk eerder kan beschikken.
Kwald, Duitscher van geboorte, mankte op mij een bijzonder gunstigen indruk. Hij heeft een flink, goed uiterlijk
en sprak kalm, bedaard en zeer beschaafd. Zijn ouderdom is ongeveer 48 jaar. Hij is gehuwd, heeft één kind en
geniet weldra een jaarlijksch pensioen van f 200.—. Hoewel ik van meening ben, dat het getal gepensionneerde
militairen op Hof- en Hattcmsche veld voorloopig niet moet toenemen, trekt deze man mij toch bijzonder aan. Ik
schreef over hem aan zijn Compagnic\'s-Commandant, die mij antwoordde, dat Kwald zich zeer goed gedraagt, stil
en bedaard zijn weg gaat, ook reeds vóór zijn huwelijk (hij is nog niet lang getrouwd) en alle aanbeveling verdient.
Deze man wil zelf/500.— inbrengen, de overige/ 500.— op hypotheek leenen en houdt dus nog van zijn geld
een duitje over voor de kwade dagen , die komen kunnen.
Het schaduwbeeld van Vrouw Veldhuis heeft dringend een lichtbeeld noodig. En
dat geeft ons Ewald. Wat zou die man verbleeken, als hem eens werd aangezegd over
drie maanden zijn hypotheek van f 500.— te hebben te betalen of anders \'t huis te zien
verkoopen! Immers hij is bezitter van een groot deel van dat huis en heeft er een paar
weken geleden, geheel uit eigen fondsen, een schuur van / 200.— bij laten bouwen om
zijn huis geheel vrij en netjes te kunnen houden. Zeker, Ewald is onder de bewoners
der velden een rijk man te noemen, maar ook alleen omdat hij zijne spaarpenningen heeft
vereenigd met hetgeen de Bond hem heeft aangeboden. Was hij op een kamer of in een
huurhuisje in stad of dorp gaan zitten, dan zouden hem zijn ƒ 500.— geen tiende deel
hebben opgeleverd van wat hij nu geniet, dan was zijn toekomst nog even duister, terwijl
die nu zeker en verzekerd is.
Om waar te maken, wat in de inleiding gezegd wordt, was ook het beeld van Ewald
noodig; reden, dat het hier geschetst wordt.
Op Ewald zullen volgen:
J. H. SCHOUTEN (Hatt. veld n". i).
Voordracht-B. v. R. 30 April 1894.
Ik ben op het denkbeeld gekomen het geld van den heer MAKCUS, onder mijn beheer, toe te wijzen aan J. II.
Schouten uit Amsterdam, nu hier woonachtig, die uit eigen spaarpot, door mijn bemiddeling, 6 schepel heidegrond
kreeg voor f 100.—, juist over n°. 6 van onze stichting (Hofveld). Aan dat gezin is hulp best besteed, maar tle Hond
kan die niet verlcenen zonder ontrouw aan de voorwaarden. Schouten heeft, als afgekeurd Indisch militair, een
klein pensioentje, maar de flinke, nog jonge man, zou met zijn net gezin (vrouw en 5 kinderen) in Amsterdam zijn
ondergegaan in den strijd om het bestaan, daar zijn oogen hem niet meer toelaten zijn ambactit (zadelmaker) uit te
oefenen en veldwerk door hem kan worden verricht, terwijl de vrouw een winkeltje gaat doen.
HENDRIK VAN TONGEREN (Hatt. veld n°. 2).
Voordracht-B. v. R. Overgenomen door den heer lx \'t Velt, 22 Mei 1894.
Gehuwd, 27 jaar oud en vader van 2 kinderen. Is een jaar in dienst bijden heer OzBNGA, handelaar in
steenkolen, die hem in alle opzichten zeer prijst, evenals zijn vorige meester, de lieer V,\\n DKLDEN , een winkelier
bij wien Van Tonuekun zes ja.tr in dienst is geweest en die met den mcesten lof over hem spreekt.
-ocr page 66-
02 VOORDRACHTEN EN LEVENDE FIGUREN. (RAPPORT-SCHMIDT.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN.
HENDRIKUS TEN TEIJE (Hatt. veld n°. 4).
Voordracht-Ix \'t Velt i Juli 1894.
Voor bewoner van het 4e huis draag ik bij dezen aan U voor: H. ten Teije, 32 jaar oud, gehuwd en vader
van 4 kinderen, een zéér oppassend man, die sedert 9 achtereenvolgende jaren in dienst is bij den heer Tideman,
alhier, makelaar in huizen, eigenaar eener zaak in ijzerwaren, enz.
ANDREAS SOPHEUS JOHANNES NIEUWBURG (Hatt. veld n°. io).
Voordracht-Ix \'t Velt, 23 November 1894.
Als bewoner van n°. 10 breng ik in aanmerking A. S, J. NlEUWBURG, gegageerd O.-I. militair, genietende een
jaarlijksch pensioen van ƒ320.—. Deze man, gehuwd, woont in de gemeente Oldebroek. Zijn zoon, die hier woont,
was mij reeds een paar maanden geleden komen vragen om een woning voor zijn stiefvader, of, indien dit niet kon,
omdat zijn vader hier niet woonde , dan voor hemzelf, niet om het zelf te betrekken maar om het zijn vader te laten
bewonen. Ook op dezen NlEUWBURG zou. bij een lijst van candidaten van beter gehalte, thans mijne aandacht niet
gevallen zijn, voornamelijk omdat hij hier niet woont. Nu evenwel besloot ik om met dien man eens te praten, waartoe
ik hem onlangs uit Oldebroek tot mij liet komen. Hij is 54 jaar oud en heeft 3 kinderen te huis. De burgemeester
van laatstgenoemde plaats, wien ik over hem schreef, berichtte mij, dat er op het gedrag van Nieuwburg niets te
zeggen valt. Hem nemend, zullen wij dan op het Hatt. veld weór een oud-militair meer hebben, doch dit acht ik
volstrekt niet in het nadeel van de goede zaak. Die menschen hebben alvast eenig begrip van „orde" en verkeeren
ook niet in zulk een schitterende positie , dat zij niet naar verbetering behoeven uit te zien.
en misschien
GERRIT ROUWENHORST (Hatt. veld n°. 9).
Geen voordracht.
Voor deze menschen niets dan een woord van lof. Alle hoop bestaat er dat het
goede voorbeeld aanstekelijk werken zal. Uit deze geschiedenissen blijkt dit althans
zonneklaar, dat het Hattemsche veld met zijne bewoners gelukkiger is geweest dan het
Hofvcld, dat stoffelijk en zedelijk de Hattemers het winnen van de Hoffers.
Ontbreken in dit rapport verder:
De geschiedenis van RUDOLPH BINGGELI (Hatt. veld n°. 3).
Voordracht-iN \'t Velt, 26 Juni 1894.
Ik stel U voor om in plaats van H. Van Loenen aantewijzen : R. Binggeli (aanbevolen door den heer B. v. R.),
gep, militair, genietende een pensioen van f 290.— \'s jaars, 57 jaar oud, gehuwd, doch zonder kinderen.
De betalingstaat is goed.
De geschiedenis van GERRIT VAN DER WAL. (Hatt. Veld n°. 5).
Voordracht-ÏN \'t Velt 26 October 1894.
Als bewoner van n°. 5 heb ik de eer voor te dragen: G. van der Wal, oud 38 jaar, gehuwd, 3 kinderen. Is
grondwerker van beroep. Sedert 9 maanden is hij in dienst van den aannemer Tiethof, alhier, die zeer gunstige
rapporten over hem uitbracht. Vóór dien tijd hield hij zich in Duitschland op, waar hij als ploegbaas fungeerde.
Volgens een vroegeren patroon, den aannemer Th. Verhoeven te Utrecht, is hij vrij van sterken drank en in het
algemeen van een onberispelijk gedrag. Ik heb hem onderscheidene malen ontmoet. Ook op mij heeft hij een goeden
indruk gemaakt. Een en ander deed mij besluiten hem voor een woning in aanmerking te brengen en daarbij dus
over het hoofd te zien, dat hij nog geen 2 jaar inwoner van Apeldoorn is. Hij diende jaren geleden in Indie en
geniet tengevolge daarvan een jaarlijksch pensioen van f 100.—.
De betalingstaat is goed.
De geschiedenis van EGBERTUS BOMHOF. (Hatt. Veld n°. 6).
Voordracht-lN \'t Velt i Februari 1895.
Als nieuwe bewoner van perceel n°. 6 draag ik aan U voor E. BoMHOF , arbeider en nu en dan in dienst van den
stalhouder OvEBBOSCH, die zich gunstig over hem uitliet. Hij is gehuwd, heeft 4 kinderen en woont te Zevenhuizen,
gemeente Apeldoorn. Hem is toezegging gedaan voor het volle installatiegeld. De schade die T. van Kampen ons
berokkend heeft, kan stellig wel op de eene of andere wijze gevonden worden, Gelukkig dat zijn huis zooveel minder
gekost heeft.
De betalingstaat is goed.
-ocr page 67-
VOORDRACHTEN\' EN LEVENDE FIGUREN. (rAPPORT-SCHMII)T.) VOORDRACHTEN EN GESCHIEDENISSEN. 63
De geschiedenis van FREDERIK JAN KLOOSTERBOER. (Hatt. Veld n". 7).
Voordracht-lN \'t Velt 23 November 1894.
[n den persoon van F. J. KLOOSTERBOER, alhier woonachtig, heb ik een bewoner (eigenaar) gevonden voor
perceel n°. 7. Zijn leeftijd — 58 jaar — heeft mij enkele malen weerhouden hem voor een woning in aanmerking te
brengen, doch nu de keuze van geschikte personen niet zoo groot is en ik met den man en diens vrouw, die veel
jonger is en een goeden indruk maakt, een paar malen gesproken heb, draag ik hem met zeker vertrouwen als be-
woner van genoemd perceel aan U voor. Hij heeft 5 kindetcn, waarvan nog maar 2 te huis en is als arbeider steeds
werkzaam d;i;ir waar slechts werk te krijgen is, terwijl zijne vrouw hier en daar als „werkvrouw" fungeert, /ij waren
\\ juist in besprek over een huisje waarvan de huur / 80.— \'sjaars bedraagt.
De betalingstaat is bevredigend.
De geschiedenis van BEREND MULDER (Hatt. Veld n". i 2).
Voordracht-lN \'t Velt, 8 Juni 1895.
Ik ben in besprek met Bekend Mulder uit Elspeet, dien ik morgen hier verwacht. Deze voor n". 12.....
14 Juni. B. MuLDEK verwacht ik voor de twt-edc maal a. s. Zondag hier. De ingekomen berichten omtrent hem
van den burgemeester te Nunspeet waren niet slecht.....18 Juni. Met uw goedvinden betrekt ii. Mulder a. s.
Dinsdag 25 dezer de woning.....10 Juli. Den beiden zoons van Mulder bezorgde ik een plaatsing op de
nettenfabriek alhier.
De betalingstaat is goed.
en
De geschiedenis van WILLEM RUÏGERS (Hatt. Veld n°. 13).
Voordracht-lN \'t Velt. ii April 1895.
Vindt U het goed, dat, in plaats van H. Mulder, een zekere W. Rutgers voor nu. 13 aangewezen wordt.\' Hij
is grondwerker van beroep, 28 jaar oud, gehuwd en vader van 2 kinderen. Hij staat hier bekend als een Hink
werkman en woont ter plaatse.
De betalingstaat is goed.
De geschiedenissen nog te vermeerderen zal voor het doel van het betoog niet noodig
zijn. Voor het Hattemsche veld zal nog veel door den afgetreden Beheerder kunnen
worden aangevuld. Voor het Hofveld ontbreken de gegevens aan cijfers en data vóór het
jaar 1895, omdat die gegevens niet in het archief aanwezig zijn.
Zooals ik in de Inleiding schreef, rest mij nu nog een naschrift te geven voor de
practijk der ideën.
NASCHRIFT.
Het is uit al het vorenstaande duidelijk en overtuigend te lezen, dat ik volstrekt niet
kan bedoelen, tot slot mijner overwegingen, iets nieuws te geven. Dat er verandering
noodig is, blijkt voldoende; maar \'t zal een verandering, beter gezegd, een verbetering,
van het bestaande moeten zijn.
Alle eer aan den ontwerper van geheel nieuwe denkbeelden. Maar dien ontwerper
moet het een streelende satisfactie zijn, als door wijziging der denkbeelden het hoofd-
denkbeeld beter tot uitvoering komt.
Van het bestaande uitgaand, is de overgang, in verloop van tijden, dan ook geleide-
lijker en verre te prefereeren boven geheele vernieuwing.
Aan sommen van uitgaaf voor huis en grond is men natuurlijk nooit gebonden; stijgt
het een, dan stijgt naar evenredigheid ook al het andere. Voor het gemak houden we
ons aan het nominaal-cijfer/ 1000.—.
1. Men koopt een stuk heidegrond voor een huis.........f 100.—
De practijk leert, dat een halve bunder al wel is en dat slechts bij
uitzondering een geheele bunder bewerkt kan worden; en dan moet de
deel van het huis zoo groot zijn, dat er plaats is voor dieren, die een
geheelen bunder van mest kunnen voorzien. Er moet verhouding zijn.
-ocr page 68-
\'M
RAPOPRT-SCHMIDT. NASCHRIFT.
2.    Men laat het bouwen van een huis aannemen voor de som van . . . /
Te betalen 3 maanden na aflevering van \'t gebouw, omdat het geld
er nog niet is.
3.    Als het huis is afgeleverd, dient er een hypotheekhouder van / 1000.—
gezocht te worden, die al dadelijk vastigheid heeft, daar de hypotheek
dan rust op huis en grond en niet op personen.
4.    Inmiddels kan naar een huurder worden omgezien, die het voorrecht
zal genieten zelf zijn grond te mogen omleggen en bemesten, waarvoor
hem na verrichten arbeid en bemesting wordt uitgekeerd.....„
5.    Van de hypotheek ad ƒ 1000.— worden de uitgaven ad ƒ 900.— be-
taald en de resteerende f 100.— wordt op rente gezet ten name van
het nieuw gebouwde huis.
6.    Den huurder wordt gezegd:
dat het van hem zal afhangen of hij na 3 jaar zekerheid kan krijgen
om altijd in het huis te blijven; dat het hem ook vrij staat te ver-
trekken ; dat de voorwaarden zijn:
3 jaar lang/ 1.— per week huur, vrij van alles;
in den tijd van 3 jaar minstens ƒ 40.— verzamelen, om de koopacte
te kunnen betalen (resp. de erfpachtsacte);
dat de Bond zich voorbehoudt om, als hij blijken geeft niet de ge-
schikte persoon te zijn, hem in die 3 jaren de huur op te zeggen;
7.    Gelukt de proef, dan ontvangt de huurder na 3 jaar voor zijne f 40.—
de koopacte of de erfpachts-acte voor 20 jaar.
8.    Hij neemt bij koop de hypotheek van / 1000.— over tegen een rente
van 4 procent.
9.    Van de op rente staande gelden , ad/100.—, ontvangt hij, naar gelang
der behoefte, welke in de 3 jaar mocht ontstaan, telkens zekere som-
men, totdat de....................„
geheel door hem verbruikt zullen zijn, ten nutte van het huis en den grond.
f 1000.—
10. De gemaakte rente in 3 jaar, ad 3 procent der f 100.—, kan voor de
administratie dienen, evenals hetgeen de huur meer bedraagt dan de
hypothecaire rente.
Dat alles zou nu heel mooi zijn, als \'t nieuwe stichtingen gold. Bij de bestaande
stichtingen moeten wij uitzien naar geleidelijken overgang, aldus geregeld:
1.    Bij vacature, het huis op den Bond laten overschrijven, waarop/- 20.— kosten vallen.
(De notaris wil dan aan den Bond alleen de gemaakte onkosten in rekening brengen).
2.    Het huis verhuren ad / 1.— \'s weeks, ook voor den tijd van 3 jaren; de hypotheek
laten bestaan en voor de betaling der rente de huur gedeeltelijk aanwenden.
3.    Na 3 jaar den huurder, die goed voldoet, die dat wenscht en ƒ40.— heeft voor
de acte, het huis in koop of erfpacht geven.
4.    Hem na verloop der 3 jaren uitkeeren het verschil tusschen de opgebrachte huur
en de door den Bond betaalde hypothecaire rente, om hem daarmede in staat te
stellen zijn huis en grond, naar gebleken behoefte, nog wat te verbeteren.
Ik eindig. Moge mij het verwijt niet treffen, dat ik veel schreef, wat mij niet gevraagd
is en onthield wat meer mocht zijn gewenscht. Ik zou niet weten wat hieraan nog toe
te voegen ware, maar voor aanvullingen en het herstellen van omissiën, weten de heeren
mij steeds bereid. Inmiddels vraag ik hun verschooning voor mijn — ik moet het be-
kennen — wel wat gerekt advies.
Ik heb gezegd.
Ut desint vires, tarnen est laudanda voluntas.
-ocr page 69-
65
STAAT
DER
BETALINGEN VAN DE BEWONERS VAN HET HOFVELD TE APELDOORN
van 33 .Juni 1895 tot Ultimo Angnstus 1896.
= niet bewoond.         Zi — vervangen door een anderen bewoner.
Cijfer = betaling.
niet betaling.
W EEK VAN 1895 N°
WEEK VAN 1896 N°.
3
BEWONERS.
12 3 4 5 67 8 9 10 11 Ixa 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35
27128 29
35 36,37
46
48
33
31
5\' 5»
3
0
0
6
0
2
5
5
7
0
2
0
3
4
2
2
11
4
M. Lambcr5.          Eigennar.
H. van Delfswijk.          „
Chr. Ilezeman.              „
W. Groothedde.            „
J. de Bar Sr.                 „
II. Zoerink.                     „
A. Holtman.                  „
M. Oonk.                        „
H. G. Hondeveld.
G. J. Voorhorst.
G. L. Hilberink.
            „
H. van den Kosch. „
A. Wissink.
                    „
A. Tamboer.                  „
C. Schaufel\'            Huurder.
J. de Bar Jr.                  B
J. Bate.                   Eigenaar.
N. Dekker.                      -
• 1
• :
1 •
Vroeger H. W. van den Brom, overleden.
G. Wilbrink , uitgezet.
(Deze schijnbaar ongeregelde betaling, houdt verband
met het feit, dat Gt J. Voorhorst als gemeente-
werker vermoedelijk maandelijks zijn loon ontvangt.;
• •
Vroeger J. Tb. Kelder, vertrokken.
„ A. H. Hurenkamp, vertrokken.
_ G. de Ruiter, vertr. en A. Veenhuizen, vertr.
• fl
15
17
-ocr page 70-
66 g-N r
BETALINGEN VAN DE BEWONERS VA
van 1 Augustus IS
Cijfer = betaling. • = niet-betaling. -
1
r -A. .a. t
DER
N HET HATTEMSCHE VELD TE APELDC
94 tot Ultimo Augustus 1896.
- = niet bewoond. 31 —
: vervangen door een anderen bewoner.
:eel. I
WEEK VAN 1894 N°.
WEEK VAN 1895 N°.
WEEK VAN 1896 N"
PER
3-i
33
34 , 35 36
37 38 39
40
41
42 43
44
45J46
47
48
49
50
Si
1 2
3
4
5
6
7
8
9
10 11
12
13 i4 15
1
16 17 1
i 19 20 21122 23
II
24 2.
i 26
27
28
29
30
31
32 33 34 35 3« 37 38 39 40
41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
i
5\' 52 • 2 3 4
s
6
7
*J9 ,
O II 12
•3 14
iS 16
"
10
19 20
21 22 2
3 -4 25
!6 27 28 29 30
3*
4
l
2
3
4
6
7
8
9
10
ii
12
»3
«4
1
I
1
I
I
I
I
I
1
1
1
3
1
1
z
•
X
I
I
2
X
I
I
I
I
I
1
1
1
z
1
1
z
X
X
I
I
1
1
z
1
1
1
1
1
X
z
z
z
I
I
1
z
z
z
I
I
I
I
I
I
I
X
z
X
l
I
I
1
z
I
I
I
•
I
X
1
z
z
I
X
•
I
I
z
z
I
z
•
I
I
1
X
I
z
•
I
I
z
z
X
X
3
1
1
X
X
z
1
X
I
I
1
1 1
---------
1
1
1
1
•
1
X
1
T
X
I I
Z X
z z
I Z
• «
z z
1 z
I I
Z X
z z
1
I
- I
•
•
•
1 ]
I
1
1
2
1
X < •
1 I » •
/
1 1 1 1 1 1 1 •
X I I I I •
2 I I I I «
•
•
1
1
2
2
•
•
z
z
2
•
•
t • 1
2 X
•
•
•
•
2
X •
x •\' 1
1 • \'
• x 1
x •
1 1
XXX
x x •
< x •
\' « •
I I I
X
2
•
z
z
z
z
I
X
•
X
I
•
I
•
•
z
1
3 i
I ,
1
-ocr page 71-
"7
RAPPORT-SCHMIDT.
Cijfers.
Wat de Bond zoo al, buiten noodzaak, voor de eigenaars betaalde.
Te kort op de huren van weggeloopen eigenaars:
Van Kampen......5 weken f 3.90
hurenkamp.......6 „          - 4.68
Veenhuizen.......6 „          - 4.68
Installatiegeld, weggeworpen aan eigenaars:
De Ruiter.........\'. .   f  100.—
Hurenkamp...........    -   100.—
Van Kampen..........    -     60.—
G. Wilurink..........    -   100.—
Van den Brom..........    •   100.—
Van Loenen...........    -       5.—
Vrouw Veldhuis . ,.......    -   100.—
/\' 13-26
f 5Ó5--
Notaris-rekeningen, onbetaald gelaten door de eigenaars:
Veenhuizen...........ƒ    40.—
Hezeman............-     40.—
Zoerink............-    40.—
Tamboer......... . -     40.—
acte Bom hof.
i Notaris-rekening voor
den Bond, halve prijs.
Van Kampen, voor wijziging.....-       4.25
Veenhuizen, overdracht aan den Bond -     20.—
Hurenkamp , „ „ „ „ -     20.—
Vrouw Veldhuis, „ „ „ „ -     20.—
/\' 224.25
Extraatjes:
Bewoonbaarmaking huis Vrouw Veldhuis.........    /\' 80.—
„ „ Veenhuizen...........     - 10.48
Vergoeding voor verhuizing aan Vrouw Veldhuis......     - 10.—
Deurwaarders-exploit „ „ ......     "5-55
Vergoeding tijd voor het passeeren der acte-Veenhuizen . . . .     - 0.50
„ „ „ „ „ „ „ "Hurenkamp . . . .     - 0.50
„ „ „ „ „ „ „ -Vrouw Veldhuis . . Memorie
/\' 107.03
Voorschotten uit het Fonds van Beheer (zonder rente-berekening)
geen terugbetaling verwacht kan worden :
Datum. 1 Januari 1895. Lamhers
               (Hofveld). Schuld mest
3.98
2.02
4.01
5.38
7-97
2.41
10.—
11.—
10.—
7-75
7.08
4-23
18.16
Herstelling huis
Schuld mest .
\'3
I
„
»»
Van Dei.kswijk
I
"
»
Grootheüde
I
ii
Hezeman
I
11
Holtman
2 5
Maart
»
Oonk
,
Januari
Hondeveld
-\'4
Juli
n
HiLllERINK
12
April
„
Van den Bosch
1
Januari
,\'
Hurenkamp
Bate
1
„
Dekker
4 mud pootaardap
pelen....
Schuld mest .
Veevoeder .
Schaap .
Schuld mest\' .
Kar en schuld mest
f 93-99
f ioo3-53
Te zamen
\'J
-ocr page 72-
68
HOOFDSTUK V.
Slot-Besciiouwixgen en Conclusie.
De taak van ons Dag. Bestuur loopt ten einde. Wij hebben gedaan, wat de heer
B. v. R. wenschte, waarin hij ons voorging: Nagegaan, wat de stichting op het Hofveld
(en haar zuster) in haar tweejarig bestaan ons leerden.
Is het wel voltehouden, dat ze alleen lijden aan de kwalen der jeugd? Niet deze zijn
hot, die den onbevooroordeelde!! opmerker tot een ongunstige appreciatie zullen brengen.
Integendeel, wat humane, kundige dokters op deze velden hebben verricht, wat zij onder
zeer ongunstige auspicieën hebben weten te bereiken, weegt tegen die kwalen meer dan
op. Ook voor ons Dag. Bestuur staan die stichtingen daar nog als monumenten, die tot
dankbare waardeering en diepen eerbied stemmen. Maar dat het met die troetelkinderen
van (ieder in zijn soort) hoogstaande, bezielde, van sociaal gevoel tintelende mannen,
de heeren Bruijn van Rozenburg, lx \'t Velt en Schmidt, nog betrekkelijk zoo goed is
afgeloopen — meer geluk dan wijsheid schijnt het ons.
Wij zoudon een zeer verkeerden maatstaf aan de uitkomst der tweejarige proefneming
aanleggen, indien wij percentsgewijze wildon uitrekenen of zij geslaagd dan wel mislukt te
achten is. De heer B. v. R. zelf toont ons aan, hoe weinig zoodanige methode hier dienen
kan. Hij zegt o. a.: „(Ik breng hier drie andere mutatiën niet in rekening, omdat deze
plaats hadden resp. door overlijden, huwelijk en benoeming tot een rijksambt)". Dit is
ons waarlijk de ernstige zaak wel wat al te zeer a la h\'gcre bekeken. Juist deze drie
mutatiën geven overrijke stof tot oordeelvorming. Dat overlijden heeft tot kunstmatige
ontkoming aan gevaren, tot — vis a vis het stelsel — het bezigen van een paardenmiddel
geleid. De hypotheek van van den Brom\'s woning is door den Bond overgenomen. De man
van het stelsel heeft het zelf aan de hand gedaan. Dat huwelijk heeft klaar en duidelijk
doen blijken, dat de man van het stelsel de bezwaren er tegen veel helderder inziet, dan
hij zich bekennen wil. Omdat de jonge echtgenoot een „vent van niks" was, mocht de
jonge vrouw haar eigendom niet behouden. De heer B. v. R. heeft zelf de uitredding
bedacht. Die benoeming tot een rijksambt heeft per geluk — alleen omdat de vrouw van
\'t bovenste plankje was (Kelder zelf dankt het aan haar zorgende en verstandige liefde,
dat de drankduivel hem niet in z\'n klauwen gesmoord heeft) tot een uitkomst geleid,
waarop de heer B. v. R. zich terecht trotsch verheft. Tegen f 50.— schoon geld (de man
heeft er meer voor willen hebben, maar de heer B. v. R. heeft er een stokje voor gestoken)
is het perceel, dat een goeden tuin had en een behangseltje in de groote kamer, aan een
ander overgegaan. Maar wat bewijst dit \\ oor de intrensieke waarde van het stelsel? Als
de kooper er zich goed had ingedacht, dat op den aankoop een „plicht" van / 1000.—
rustte. waarvoor hij hoogstens slechts f goo.— waarde verkreeg — tenzij hij misschien van
oordeel was zich om dien „plicht" niet te behoeven „druk" te maken — zou hij wellicht niet
op len koop zijn ingegaan. Economisch is het anders zeker raadselachtig, dat een arbeider
een huis en erf ver boven <1< waarde koopt. Hoe \'t zij, één zwaluw maakt geen zomer.
Men moet de proefneming op Hof- en ilattemsche veld uit twee oogpunten beschouwen.
Juist is het, dat een tijdperk van 10 jaar niet te lang genomen is, als men wil vragen
naar de materieele resultaten. Maar dat de verloopen 2 jaren al meer dan lang genoeg
geweest zijn, om aan te toonen, dat het stelsel van direct ingaanden persoonlijken eigendom
niet deugt. do vorige hoofdstukken bewijzen het. Kn door dit bewijs mag de stichter zich
niet laten ontmoedigen. • Hij moet er in juichen. Want hij heeft door de toepassing van
zijn stelsel aan de maatschappij dezen reusachtigen dienst bewezen, dat zij nu uit de erva-
ringen der practijk kan loeren, dat de theoretici, die alleen boekenwijsheid luchten, volstrekt
te verwerpen gidsen zijn op oen gebied, waarin evenveel kronkelpaden en doolhoven liggen,
als voetangels en klemmen in de tuinen der vorige eeuw. Bewezen door middel van een
-ocr page 73-
SLOT-BESCHOUWINGEN EN CONCLUSIE.                                                                       69
bewijs , zooals slechts hoogst zelden bijgebracht wordt. Want waarlijk . als het hiervoren
gegeven dagboek, tliat spcaks volumes van liefde en zorgen, van strijd en verlangen , van
vrees en betrouwen, van den hartslag der toewijding en van een geestdrift. die bergen te
verzetten wist, geen bewijs te achten ware, men vond er nimmer een.
Dat de bevolking der velden niet hooger staat, dan zij staat, hierin ligt de teleurstelling
niet. Men zou \'t anders willen, men zou \'t, had alles meegewerkt, beter hebben kunnen
krijgen, doch niet dit sluit de deur. Maar wel dit, dat men een boerenjongen geen ridder-
costuum te dragen geeft, een zuigeling geen mathesis voorzet en evenmin menschen, die
het abc van plichtsbesef, doorzicht, geestkracht en verantwoordelijkheidsgevoel nog
leeren moeten, rijp mag achten voor de bewaking van — in materieelen zin — het
summum donut». Met waakt niet trouw over een schat, welks waarde men niet beseft,
of men dient dan althans te staan onder den ijzeren arm der tucht. Doch de heer
B. v. R. verwerpt bij zijn stelsel alle voogdij. En dit niet alleen, hij maakt het subtiele
nog fragiler. Hij pakt het bij installatiegeld in . en lokt daardoor de ruimen van geweten.
Hij bindt het vast met een Onderhoudsfonds, dat zoo zwak is als spinrag. En hij adres-
seert het aan het Fonds van Beheer, dat hem aan een voorschotkas doet denken, doch
dit niet is en niet wezen mag. En al bestonden al deze bezwaren niet. dan nóg zou het
stelsel niet deugen, omdat de eenvoudige eigenaren, geklonken aan een denkbeeldig bezit,
dat belast is met een vrijwel ondelgbare schuld, èn door dat bezit èn door die schuld in
hooge mate in hun vrije beweging belemmerd worden en — vanaf het oogonblik, dat ze dit
niet meer zouden zijn — hun vrij laat om uit eigenbelang maatschappelijk kwaad te bedrijven.
Bcscliciden Hcidegclttk moet een baken worden in de zee der vaderlandsche ellende.
Het kan dit worden, als de stichter niet langer naar het onbereikbare haakt. Hij waar-
schuwt tegen ongeduldig zijn in den arbeid der hervorming. Hij die naar boven klimmen
wil met overijlden spoed en trede voor trede van den ladder overslaat, ongeduldig is hij.
Hij eischt objectieviteit, maar ontegenzeggelijk subjectief is hij, want hij ziet geen gebreken
aan het kind van zijn overpeinzingen, en hen, die ze wèl zien, wantrouwt hij.
Hij zegt. „dat er meer is; dat \'s Bonds prestige vordert, dat men voortga op den eens
gekozen weg; dat men de oppervlakkige massa niet het schouwspel moet geven van een
zedelijk lichaam, als de Oranjcbond van Orde, dat niet weet wat het wil, dat z\'n begin-
selen loslaat bij het eerste windje en huivert voor doortastende kordaatheid." Dan zou de
Bond een vreemd soort van prestige najagen , als het ter wille daarvan zou doorgaan op
een verkeerdelijk gekozen weg. \'t Is maar, wat men onder beginselen, in het algemeen,
onder \'s Bonds beginselen, in het bijzonder, gelieft te verstaan. De Bond heeft slechts
één beginsel: Bestrijding der sociaal-democratie door daden van hervorming, dc»>r ver-
betering der maatschappelijke toestanden. Aan dit beginsel heeft hij zijn daden te laten
aanpassen. Voor het overige behoude hij zich zijne vrijheid voor om te zoeken naar de
deugdelijkste middelen, om te verwerpen die middelen, die niet proefhoudend zijn, niet
leiden naar het doel. Maar als hij aan elk van zijn pogingen een etiket hangt met het
opschrift: „Dit is mijn beginsel!" en dan dat etiket maakt tot het dundoek van zijn streven,
dan zal hij geen sikkepit hooger staan dan de beginselrijdende massa, die hij hervormen
wil en wordt hij van een zonlicht, dat hij wezen wil, een ster, ,qui file. file, file et d/sftirait."
Nog een pijl heeft de heer B. v. R. op zijn boog: De sociaal-democratie keert zich
tegen het privaat bezit. Welnu, wat zou dat ? Moet de Bond op dien grond een reeks
van eigenaren scheppen, die, om met den heer Schmidt te spreken . „bezitters zijn zonder
bezit?" Dat zou zijn de maatschappij genezen willen langs den homoeopatischen weg.
We weten wel beter, dunkt ons. De allopatische is ons aangewezen en wij kunnen dien
volgen, zonder dat onze arbeid voor het oog ook slechts iets verschilt met dien van het
hier aangevochten systeem. Dan volgen wij slechts de methode : Eerst huur, dan erfpacht,
zooals die is nedergelegd in het aan de strengste eischen van billijkheid beantwoordende
concept van den heer Dinger. Dit gevolgd voor die huizen, die niet slechts een tuin
-ocr page 74-
\'O                                                                      SLOT-HESCHOUWINGEN EN CONCLUSIE.
maar een stuk land tot erf hebben , en we zullen zeker veel beter den bewoners waar-
borgen . dat zij, zij en hun kinderen, de vruchten zullen plukken van hun zweet. Want
dan zullen zij nooit voor de ijzeren noodzakelijkheid van een verplichten verkoop komen
te staan, nooit de opbrengst van hun overbezwaard pand zien opslokken door den eigenaar
der hypotheek, nooit op stel en sprong komen te staan, maar, wat dag het ook zij. de
waarde toucheeren van hetgeen hun inspanning en hun vlijt en hun zorg wisten te bewerken.
Dan zal dus hun belang veel beter dan nu behartigd zijn. Dan zal het crediet van
den Bond niet, zooals nu, een niet te omvademen gevaar loopen. Dan wordt evengoed,
nog veel beter, der sociaal-democratie den voet dwars gezet. Dan zal de Bond aan de
samenleving een dienst bewijzen en betere toestanden enten op den stam van wijsheid en
voorzichtigheid.
„Het gemeenschappelijk bezit is uit den tijd," zegt de heer B. v. R. Al ware het
zoo, maar juist het tegenovergestelde is waar, de tijd stuurt heen naar het collectivisme,
naar landnationalisatie, naar coöperatie in olken vorm, dus naar gemeenschappelijk bezit —
maar al ware het zoo — moet do Bond zich daardoor laten leiden? De Bond ga boven
den tijdgeest staan. Daarin zal hij zijn kracht vinden. En niet omdat Don Quichotterie
zoo mooi is. Maar omdat de geest van den tijd de geest van de dwaze maagden is, de
geest van die wufte menigte, die geen betere leuze heeft dan deze: Zooals de wind waait,
zoo waait mijn rokje.
Dan, wij pleiten ook niet voor gemeenschappelijk, wij pleiten tegen denkbeeldig bezit.
Een erfpachter is individueel bezitter. En een huurder, die kans heeft erfpachter te worden,
zal rustiger geest ademen, dan de man, die pardoes een eigendom kreeg en het te Keulen
hoorde .... donderen.
Of Meng-Tseu het wist in zijn tijd, laten wij onbeoordeeld. Doch dit weten wij wel,
dat onze eigenaars op Hof- en Hattemsche veld, de enkele goeden niet te na gekomen,
een onrustigen geest hebben en een puntje mogen zuigen aan den rustigen geest dier
enkele huurders, die voor den heer B. v. R. het mooie aan zijne creatie ontnomen hebben.
Concludeerende. hebben wij de eer voor te stellen, dat het Algemeen Bestuur van
den Oranjebond van Orde, gelezen hebbende de Memorie van den heer B. v. R. en gelezen
hebbende onze Beschouwingen en Tegenwerpingen, zich moge verklaren tegen het stelsel
van den persoonlijken eigendom , zooals dit op de stichtingen van Bescheiden Heidcgeluk
ingevoerd geworden is en voor het nemen van zoodanige maatregelen, tijd en omstandig-
heden dienende, als de stichtingen van het euvel nog zullen kunnen doen genezen, eer
zij reddeloos verloren zijn.
Utrecht, Januari 1897.
Het Dagelvjksch Bestuur voornoemd\',
HORA SICCAMA, Voorzitter.
HOOFT GRAAFLAND, Secretaris.
-ocr page 75-
j3lJL
AGEN.
-ocr page 76-
-ocr page 77-
Bijlage A.
Extract-Acte van Eerste Hypotheek.
De Comparant ter andere zijde verklaart wegens aan hem ter leen gegeven penningen
wel en deugdelijk schuldig te zijn aan........eene som van duizend gulden, met
belofte en acceptatie, van de door hem schuldig beleden hoofdsom, gerekend van heden
af, in gelijk wekelijksche termijnen, te zullen betalen een interest berekend tegen vier ten
honderd
in het jaar en daarmede wekelijks te zullen voortgaan tot den dag van de algeheele
voldoening der voormelde hoofdsom toe, welke ten allen tijde aflosbaar en opeischbaar
zal zijn wanneer van de eene of andere zijde, ten minste drie maanden te voren, tegenzijds
opzage zal zijn gedaan, en op welke hoofdsom door hem, naar zijne keuze, zal kunnen
worden afgelost, mits deze aflossing geschiede in ronde sommen van niet minder dan
honderd gulden.
Tot zekerheid en waarborg voor alle betalingen, altijd franco aan handen en ten
woonhuize van den gemachtigde van den schuldeischer in goed hard Nederlandsch geld,
zonder korting van belastingen, die bij eenigc wet mochten worden ingevoerd, zoo van
hoofdsom als van interessen en eventueel aan te wenden kosten, mitsgaders van de prompte
en volledige nakoming dezer acte, verklarende de debiteur ten behoeve van den schuld-
eischer het recht van eerste hypotheek te verleenen op het hem toebehoorend goed,
boven omschreven.
Voorts is door den schuldeischer speciaal bedongen en door den debiteur uitdrukkelijk
toegestemd:
Dat deze laatste de gebouwen en den verderen opstand, tot de herbouw-waarde, in
eene solide maatschappij, zoolang het tegenwoordig verband zal bestaan, onafgebroken
voor brandschade zal moeten verzekerd houden en daarvan jaarlijks, bij de betaling der
interessen, door vertooning van de kwitantie der betaalde premie zal moeten doen blijken;
dat ingeval den verbonden goederen brandschade mocht overkomen, de assurantie-
penningen tot het beloop der hoofdsom en der verschuldigde interessen, daarenboven, in
de plaats dezer onderzetting zullen treden;
dat in dat geval, alsmede ingeval van beslag door derden op de verbonden goederen
of bij gebreke van den debiteur in de stipte betaling der interessen of in de volledige
nakoming dezer acte, benevens wanneer de verbonden goederen door toedoen van den
debiteur in waarde mochten verminderen, de hoofdsom dadelijk invorderbaar zal zijn;
dat ingeval van willigen verkoop er ten aanzien van den crediteur geene zuivering
zal plaats hebben wegens de verbonden goederen, welke niet verhuurd of in gebruik aan
derden zullen mogen gegeven worden, terwijl ingeval de debiteur in strijd met dit beding
mocht handelen, alle deswege door hem aangegane overeenkomsten nietig en van onwaarde
zullen zijn, dat er in geen geval vooruitbetaling van huurpenningen zal mogen plaats hebben;
dat bij gebreke van behoorlijke voldoening der hoofdsom of van de betaling der
verschuldigde interessen, de verbonden goederen, overeenkomstig de bepalingen en het
beding vervat in Artikel 1223 B. W. zullen worden verkocht, ten einde uit de opbrengst
worde vethaald, zoowel de hoofdsom als de verschuldigde interessen en de kosten, terwijl
op de Grosse der acte van veiling de ontruiming der verbonden goederen zal kunnen worden
bewerkstelligd, evenals of zulks bij vonnis ware bevolen;
-ocr page 78-
74                                                        EXTRACT-ACTE VAN EERSTE HYPOTHEEK.
en dat de debiteur altijd in gebreke zal zijn door het enkel verloop van den
bepaalden termijn.
De kosten welke door deze acte reeds veroorzaakt zijn en nog zullen worden, zijn en
blijven geheel voor rekening van den debiteur, die zijne toestemming geeft tot al zoodanige
Inschrijvingen, als noodig zijn te nemen tot behoud van het door hem verleende recht van
onderzetting en die voor de ten uitvoerlegging dezer acte, zoo voor zich zelf als voor
zijne erfgenamen of rechtverkrijgenden, onherroepelijk woonplaats kiest ten kantore alwaar
deze minute blijft berusten.
De, enz.
Bijlage B.
Schuldbekentenis-Installatiegeld.
Ik ondergeteekende, N. N., krachtens onderhandsche acte d.d. heden eigenaar (en
bewoner) van het kadastrale perceel sectie
             , N°.              , bestaande in huis en erf
N°.            , der stichting van den Oranjebond van Orde op het Hofveld (Hattemsche veld)
alhier, verklaar ontvangen te hebben eene som van Een honderd gulden voor mijne in-
stallatie; met name voor den aankoop van klein vee, mest, plantsoen en wat verder voor
ontginning en bebouwing van den grond noodig is.
Ik erken te weten, dat die honderd gulden begrepen zijn in de duizend gulden
hypothecaire schuld, waarmede mijn huis en grond zijn bezwaard, blijkens de desbe-
treffende acte; en neem aan en beloof bij deze, wanneer ik, om welke redenen dan ook,
willig of onwillig gezegd perceel verlaat of moet verlaten, alvorens de geheele hypotheek
zal zijn afgelost, deze mij voor roerend goed verstrekte honderd gulden zal terugbetalen
aan den Oranjebond van Orde of zijne rechthebbenden. Onder dien verstande, nochtans,
dat voor elk jaar, gedurende hetwelk ik de rente der geheele hypothecaire schuld zal
hebben voldaan, onderwerpelijke schuld van honderd gulden zal gerekend worden te zijn
verminderd met tien gulden.
Voor de richtige nakoming hiervan verbind ik mijn persoon en mijne goederen inge-
volge de Wet.
Gedaan te Apeldoorn den
-ocr page 79-
Bijlage C.
Uittreksel uit de circulaire van October 1893 van het
Permanent Comité.
„Geeft den werkman een aangename woning, eenvoudig, maar geriefelijk en ge-
zond , — ja, zoekt een middel om hem die in eigendom te geven!" Zoo roept en raadt
men thans van alle zijden. Nu dan de Oranjebond van Orde beaamt zulks ten volle.
Voorts hebben wij ons, bij de overdenking en bespreking dezer, in ons oog althans
zeer gewichtige zaak, laten leiden door deze twee gedachten:
11. enz.
b. de aangewezen bewoner betrekke de woning als eigenaar, omdat hem dan de
behartiging der zaak het best is toevertrouwd en het geruststellend en verheffend
besef van te zitten op een eigen stukje grond, van waar — zoolang hij aan zijne
verplichtingen blijfl voldoen
(en welk eigenaar heeft die niet?) — niemand hem
verjagen kan en waarvan do bearbeiding hem alleen ten goede komt, zeer zeker
een zedelijk-gunstigen invloed op hem uitoefenen moet.
*     *
*
En nu ons plan van uitvoering. Wij zullen trachten, zonder de duidelijkheid te
schaden, het U zoo kort mogelijk bloot te leggen in de volgende punten:
1—3. enz.
4. De dan nog resteerende / ioo.— wordt door den Beheerder (den Bond) voor den
eigenaar (bewoner) beschikbaar gehouden tot aankoop van allerlei benoodigdheden.
naar zijne keuze, als bijv. een geit, tuingereedschap. mestspeciën, kippen. vrucht-
boomen, zaaikoorn, enz enz., na aftrek der uitgave tot dekking der kosten van
verkrijging in hun vollen omvang.
5—7. enz.
8.    De bewoner wordt dus dadelijk eigenaar. Hij betaalt zooveel mogelijk de rente
der hypothecaire schuld in wekelijksche termijnen aan den Bond. enz.
9.   Den eigenaar wordt de voorwaarde opgelegd. dat hij, uiterlijk na verloop van
twee jaar, zal beginnen met het aanleggen van een Rijkspostspaarbankboekje, om
aldus gaandeweg te geraken tot de mogelijkheid van afbetaling der hypothecaire
schuld.
10.    De hypotheek zal, behoudens de algemeene bepalingen der Wet, slechts zes
maanden te voren kunnen worden opgezegd. Dadelijke opzegging kan geschieden
ingeval de eigenaar, zonder toestemming van den hypotheekhouder, het pand
verhuurt of in bruikleen geeft, m. a. w. het niet zelf bewoont, onderhoudt en bewerkt.
11.    Overigens geniet de eigenaar volstrekte vrijheid van handelen. De Bond oefent
geenerlei voogdij over hem uit. Zoo zal zijn eigendom ook niet uitwendig het
karakter eener stichting dragen en daarom zal zooveel mogelijk worden gewaakt
tegen uniformiteit in den bouw.
12.    enz.
*      «•
*
-ocr page 80-
7 6                                                               UITTREKSEL-CIRCULAIRE PERMANENT COMITÉ.
Bovenomschreven twaalftal punten geeft in hoofdzaak en, naar wij meenen, niet
onduidelijk aan, hoe wij de uitvoering van deze wijze van heide-ontginning opvatten. Men
zal opmerken, dat niet in die ontginning het zwaartepunt ligt, al is zij een zeer belang-
rijke factor in het plan. Hoofdzaak is, ordelijke, oppassende menschen aan een goede
woning te helpen en hen op practische wijze in de gelegenheid te stellen tot bescheiden
welvaart te geraken. Ieder aldus begunstigd gezin is langs dezen weg duurzaam voor de
maatschappelijke orde behouden en omgekeerd zal de ordelijke maatschappij ook in zulk
een gezin een nieuw steunpunt vinden. Hoe zou men duizend gulden beter en nuttiger
kunnen besteden dan op de hier aangegeven wijze?
Uw kapitaal is niet weg. Het blijft in waarde aanwezig, niet alleen, maar neemt,
dank zij de voortgezette ontginning van den grond, gestadig in waarde toe.
Bijlage D.
Reglement voor het Onderhoudsfonds der huizen op het Hofveld.
Art. i. Bij de stichting van dit Fonds op 14 Mei 1894 is voor ieder deelhebber tien
gulden als inleg gestort door het Hoofdbestuur van den Oranjebond van Orde, onder toezeg-
ging eener kleine jaarlijksche vaste bijdrage uit het Fonds van Beheer, wanneer en zoolang
de middelen van dat Fonds dit zullen toelaten, ter beoordeeling van gezegd Hoofdbestuur.
Art. 2. Ieder deelhebber is gehouden tot een vaste bijdrage van ten minste 1 cent
per dag, te voldoen per 7 centen op den laatsten dag van iedere week.
Art. 3. Het Fonds wordt beheerd door den Beheerder van het Hofveld, bijgestaan
door twee Commissarissen, jaarlijks te kiezen uit en door de deelhebbers.
Art. 4. Het kasgeld zal zooveel mogelijk op solide wijze rentegevend worden gemaakt,
welke rente c. q. echter slechts wordt te goed geschreven over het batig saldo op den
laatsten dag van elk burgerlijk jaar (31 December).
Art. 5. Uit het Fonds worden uitsluitend de door ieder deelhebber noodig geachte
herstellingen aan zijn huis uw pomp betaald, en wel slechts voor twee derde van het kostende,
terwijl het overige derde deel door den betrokken deelhebber wordt voldaan.
Art. 6. Voor hen, die binnen een jaar na den stichtingsdag als deelhebber willen
toetreden, wordt slechts vijf gulden als inleg door het Hoofdbestuur van den Oranjebond
van Orde
gestort. Na 14 Mei 1895 wordt geen inleg meer geschonken.
Art. 7. Ieder deelhebber heeft een boekje waarin, gelijkluidend aan het register van
den Beheerder, door dezen worden ingeschreven alle herstellingen, zoodra die zijn geschied.
Art. 8. Dat boekje wordt, evenals de rekening van den deelhebber in het register
van den Beheerder, élk jaar op den stichtingsdag afgesloten.
Art. 9. Jaarlijks wordt op dienzelfden dag eene vergadering van deelhebbers gehouden,
waarin door de dan aftredende Commissarissen verslag wordt gedaan over het verschenen
boekjaar en waarin voor het volgende Commissarissen worden gekozen.
Art. 10. De deelhebbers kunnen ten allen tijde hunne bijdrage verhoogen of stor-
tingen doen ; doch uitkeeringen uit het Fonds, van welken aard ook, worden niet gedaan.
Art. 11. Zij, die als deelhebber wenschen uit te treden, ontvangen bij het einde van
-ocr page 81-
REGLEMENT VOOR HET OXDERHOI\'DSEONnS DER HUIZEN\' Ol\' HET HOFVELD.                             77
het loopende boekjaar hunne afrekening, waarin nochtans niet is begrepen de door het
Hoofdbestuur ten hunnen behoeve gedane inleg, wanneer dit uittreden binnen vijf jaar na
den stichtingsdag plaats vindt.
Art. 12. Ieder deelhebber kan de herstellingen aan zijn huis en pomp laten ver-
richten door een werkman naar keuze. In het algemeen belang der geheele stichting
echter, worden daarbij de handwerkslieden, op het Mofveld wonende, bijzonder aanbevolen.
Art. 13. Het deelhebbcrschap gaat verloren, wanneer gedurende tien weken de ver-
schuldigde bijdrage niet is voldaan. De afrekening geschiedt dan als bij Art. 11. Na
storting van allen achterstand, die inmiddels is ontstaan, kan ieder gewezen deelhebber
echter weder in zijne vroegere rechten treden.
Arl. 14. Wanneer aan een deelhebber de op zijn huis drukkende hypotheek wordt
opgezegd, of hij op andere wijze zijn huis verlaat. wordt met hem afgerekend bij hot
verlaten van het huis. Bij deze afrekening geldt ook het bepaalde bij Art. i i.
Art. 15. Schenkingen aan dit Fonds gedaan, komen gelijkelijk ten voordeele der
deelhebbers op den dag der schenking.
Art. 10. Als deelhebbers bij de stichting zijn toegetreden: enz. enz., terwijl als
Commissarissen over het eerste boekjaar zijn gekozen :
N.B.! Er zijn nimmer Commissarissen gekozen
Bijlage E.
Uittreksel uit het Ontworpen Erfpachts-Contract.
Art. 1. Het recht van erfpacht wordt gevestigd voor een tijdvak van dertig jaren.
Art. 2. De erfpachter zal als vergoeding voor het hem verleende recht jaarlijks eene
som betalen van......, enz.
Art. 3. De gebouwen zullen niet van bestemming veranderd mogen worden. Zij
zullen worden onderhouden door den erfpachter. Ter tegemoetkoming aan dit onderhoud
zal hij jaarlijks op den istcn November, tegelijk met den erfpachtstermijn aan den grond-
eigenaar moeten betalen eene som van ..... welke gestort zal worden in het Onderhouds-
fonds, voor welke stortingen de bepalingen zullen gelden, die daaromtrent door den
Oranjebond van Orde worden vastgesteld.
Het in erfpacht uitgegevene zal slechts worden bewoond door één gezin.
Op den grond mogen geene andere gebouwen, getimmerten, hutten, tenten of woon-
wagens worden geplaatst of toegelaten.
Het tappen, slijten of verkoopen van wijn of sterken drank, het houden van publieke
vermakelijkheden, zullen noch in de gebouwen, noch op den grond mogen geschieden.
De grond zal door den erfpachter in cultuur gebracht worden binnen den tijd van ....
jaar en daarna als zoodanig worden onderhouden. Bij niet-nakoming of overtreding van
één of meer der bepalingen van dit artikel, zoomede bijaldien een crfpachts-of onderhouds-
fonds-termijn niet binnen drie maanden na den verschijndag is voldaan, zal de grond-
eigenaar het recht hebben het erfpachtsrecht te doen eindigen. In dit geval zal de erf-
pachter bovendien aan den grondeigenaar moeten betalen eene boete van een bedrag,
gelijkstaande met een jaar erfpachts-canon.
-ocr page 82-
78                                                UITTREKSEL UIT HET ONTWORPEN ERFPACHTS-CONTRACT.
Art. 4. Alle zakelijke lasten zijn voor rekening\' van den erfpachter van af... .
Art. 5. Indien, om welke redenen ook, het erfpachtsrecht eindigt, zal de grond-
eigenaar van al wat op den grond aard- of nagelvast is, eigenaar worden en verplicht
zijn aan den erfpachter te vergoeden de waarde van de aangebrachte verbeteringen,
welke met onderling overleg van partijen zal worden vastgesteld.
De grondeigenaar zal het betalen van deze vergoeding kunnen voorkomen door van
zijn eigendom afstand te doen ten bate van den erfpachter, die alsdan het 30-voud van
de jaarlijkscho erfpachts-canon aan den grondeigenaar moet betalen en dan volle eigenaar
van het goed wordt.
Art. 6. Indien de Oranjebond van Orde wordt opgeheven, zal de erfpachter hot recht
hebben het in erfpacht genomene aan te koopen tegen betaling van het 30-voud der
jaarlijksche erfpachtsvergoeding.
Deze bepaling zal niet toepasselijk zijn, indien de Oranjebond van Orde overgaat of
opgelost wordt in een zedelijk lichaam van overeenkomstige strekking-.
Art. 7. De grondeigenaar zal ten allen tijde het recht hebben om in de plaats te
treden van schuldeischers, die recht van hypotheek of executie op het goed hebben, door
aan die schuldeischers het hun toekomende te betalen.
Art. 8. Indien de Oranjebond van Orde, of het lichaam waarin hij is overgegaan of
opgelost, een gedeelte van den in erfpacht uitgegeven grond noodig heeft voor de vol-
voering of voltooiing van plannen, die in overeenstemming zijn met het in de statuten
uitgedrukt doel, zal de erfpachter dien grond moeten afstaan tegen een vergoeding,
waarvan het bedrag zal worden vastgesteld zooals in Artikel 5, alinea 1 , is bepaald.
Art. 9. Bij expiratie van dezen erfpachtstermijn zal de erfpachter den grond en de
gebouwen weder op dezelfde voorwaarden en voor een gelijken termijn in erfpacht mogen
nemen tegen een jaarlijksche vergoeding, met onderling overleg van partijen te bepalen.
Art. 10. Alle geschillen, ontstaan over dit contract en de gevolgen daarvan zullen
worden onderworpen aan de beslissing van drie scheidsmannen, welke als goede mannen
naar billijkheid zullen oordeelen.