-ocr page 1-
^^ Ü iog
BR.qu JX1.37
-ocr page 2-
-ocr page 3-
— 150 —
NEDERLANDSCH
LANDBOUW-COMITÉ.
?4?\'4*^- -é*K~~?£ 7^£c^.
c*
Maatregelen tot het verkrijgen van beter
afgeronde eigendommen
..
MET DI-VZEOiRSE B IJ I, .A. C3- E 3ST.
•
, __
.
•
*. :
-
**r*—*^
"
\\
\'
N^*T»^
.
\'
1
".
1
•
. . .
,
.
\'.
•
•
•
-ocr page 4-
1
-ocr page 5-
- *«» -                                     /t,y
NEDERLANDSCH                                        Q(f$L
LANDBOUW-COMITÉ.                                    f" i\'•:
MAATREGELEN TOT HET VERKRIJGEN VAN BETER
AFGERONDE EIGENDOMMEN.
Eeno ernstige belemmering voor de rationeels ontwikkeling van menig landbouw-
bedrijf en eene aanleiding tot belangrijke winstderving voor den landbouwer is de
zeer verspreide ligging van zijn eigendom. Bovendien zijn de perceelen dikwijls van zoo-
danigen vorm of van zoo geringe afmeting dat een voordeelig bedrijf daarop niet
mogelijk is.
Door de verspreide ligging der perceelen wordt veel tijd verloren zoo dikwijls
een of ander op den akker moet geschieden; de uitvoering van verbeteringswerken,
bevloeiïng, drainage wordt er door bemoeilijkt, hetzij doordat de terreinen te gering van
afmeting zijn, hetzij doordat aan- of afvoerkanalen door gronden van derden moeten
worden geleid; de vorm der perceelen is dikwijls zeer ongunstig voor het gebruik
van landbotiw-werktuigen, zoodat de eigenaar niet als bjj aaneengesloten terreinen,
vorm en afmeting der perceelen zoodanig kan vaststellen als hem het voordeoligst
voorkomt; het toezicht op de werkzaamheden wordt bemoeilijkt; door toegangs-
en uitwegen wordt veel terrein verloren en de beschikbare uitweg is dikwijls on-
gunstig gelegen; er zijn voel afscheidingen noodig, die kosten veroorzaken in aanleg
en onderhoud en die een deel van het terrein onbruikbaar maken: bij kleine perceelen
is dit deel naar evenredigheid veel aanzienlijker dan bij groote; een groot aantal
perceelen heeft een groot aantal belendende eigenaren en geeft daardoor toenemende
aanleiding tot geschillen, maatregelen tot het verdelgen van ongedierte of het uitroeien
van onkruid en plantenziekten kunnen er zeer door bemoeilijkt worden, daar slechts
een enkele eigenaar het nemen van dergelijke maatregelen behoeft na te laten om do
pogingen van velen onvruchtbaar te maken.
Do zeer verspreide ligging der aan een zelfden eigenaar behoorende perceelen die
in vele landen tot klachten aanleiding geeft, bereikte ook in Nederland eene groote hoogte.
Omtrent de ongunstige ligging, vorm en afmeting van vele perceelen geven een aantal
bladen der kadastrale plans een duidelijk beeld. Ten einde te doen zien hoezeer in ver-
schillende gemeenten de onderdeden van een zelfde landbouwbedrijf verspreid liggen,
worden, als voorbeelden uit velen, een deel van den plattegrond eener Nbord-Brabantsche
gemeente (Berghem) en die eener Drentsche (Vledder) bij deze nota gevoegd. (Bijlagen A
en A1). Op deze plattegronden zijn van enkele landbouwbedrijven de bij elkander be-
hoorende perceelen met verschillende kleuren aangegeven.*)
*) Omtrent Berghem wordt ons nog in het bizonder medegedeeld, dat aldaar de verspreide
ligging der perceelen zeer nadeolig gewerkt heeft. Velschillende eigenaren hebben het voordeelig geacht
om bij de daling der prijzen van de prodnkten eenerzjjds en do stijging der workloonen anderzijds hun
bedrijf in to krimpen en hebben de verst afgelegen perceelen verhuurd. Hierop heeft zich
een categorie van keuterboertjes ontwikkeld, wonende in loemcu of strooien hutten, mot geheel onvol-
doend bedrijfskapitaal en bjj den minsten tegenspoed armlastig wordende. De kosten dezer armverzorging
z(jn voor de vroeger zeer welvarende gemeente, naar men ons bericht, bijna onhoudbaar geworden.
Ton overvloede v.\\\\ hier nog herinnerd, dat ook do Nederlandsche landbouw-enquête-commissio
(Kon. Bosl. 18 Sept. 1880, No. 28) in hare Uitkomsten (Dl. IV, blz 4) er op wijst dat in een aantal daar
met name genoemdo typo-gemeenten de groote vorsnipporing en de daaruit voortvloeiende verspreide
ligging dei\' perceelen een ernstig bezwaar voor don landbouw geacht wordt.
-ocr page 6-
2
[n ilo verschillende landen waar liet euvel bestaat, heeft het zich langzaam en
geMdeujk ontwikkeld; het zoude ons te ver voeren daaromtrent in bizonderheden te
i reden. Voor Nederland is liet hoofdzakelijk te wijten aan de onoordeelkundige verdeeling
van hoeven bij erfenis en boedelrerdeeling en aan de splitsing van verkochte hofsteden
in verschillende perceelen niet het doel om hooger koopprijzen en pachten te maken.
In sommige deelen des lands ook aan de verdeeling der Marken. De gelegenheid die hier
bestond om een voor landbouw en ontginning gunstige verdeeling der perceelen te ver-
krijgen, en een behoorlijk net van wegen en waterleidingen te bekomen, heeft men op
vele plaatsen schromelijk verzuimd, zoowel bij verdeelingen die vóór de wet van 188(5
als bij die welke onder de werking dezer wet tot stand kwamen. Een en ander gelijk
betoogd wordt in de als bijlage B toegevoegde nota omtrent de Markenwet.
In eenigo landen heeft men door wettelijke maatregelen een nieuwe verdeeling van
den grondeigendom mogelijk gemaakt of ook getracht de aan het bestaande stelsel ver-
bonden bezwaren voor een deel onschadelijk te maken.
Jn Engeland heeft, men sedert eeuwen gestreden tegen het stelsel van verspreide
ligging der akkers, van strooken en reepen en weideservituten zooals het uit de middel-
eeuwen was overgenomen en aldaar het open field systeem genoemd werd. Het eerste
streven in die richting ontstond in het einde der 15do eeuw, toen de hooge wolprijzen
eene uitgebreide schapenteelt voordeelig maakten en deze slechts mogelijk bleek wanneer
landerijen samengevoegd en gemeenschappelijk omheind werden. Het duurde echter
geruimen tijd, voordat do daarvoor noodigc rechtsregelen ontstonden en in werking
traden. Deze bestaan hierin, dat indien voor de tot standkoming geen overeenkomst bij
minnelijke schikking konde worden verkregen, de meerderheid de minderheid kan dwingen
door fen bizondere wet (Enclosure net). Dij deze wet worden commissarissen benoemd
onder wier leiding de reepen tusschen de akkers, op welke veelvuldige weiderechten
bestaan, worden omgeploegd, de velden opnieuw verkaveld, aan de rechthebbenden tocge-
wezen en de noodige omheiningen gemaakt. Werd daarbij aanvankelijk alleen rekening
gehouden met de belangen der rechthebbenden op den grond, sedert 187G wordt geen
enclosure meer toegestaan, tenzij duidelijk blijkt, dat de belangen der gezamenlijke
inwoners er door gebaat worden. Tusschen de jaren 1710 en 1853 kwamen 4000 zulke
wetten tot stand, die een zeer gunstigen invloed op den landbouw hebben gehad. (vgl.
Pieeson, Leerb. der Staathuishoudkunde 2e dl., 2e druk p. 263-266.)
In Duitschland bestaan onder verschillende benamingen in ongeveer alle staten
wettelijke regelingen, waardoor bfj sterk verdeeld grondeigendom in eenig complex de
meerderheid (veelal de numerieke meerderheid, tevens de grootste helft van het grond-
bezit vertegenwoordigende) de minderheid kan dwingen tot een nieuwe verdeeling
over te gaan, waar naar het oordeel der Regeering, van zoodanigen maatregel een
overwegend nut voor den landbouw is te verwachten. Tot de nieuwe verdeeling
behoeven niet toe te treden bebouwde terreinen, daaraan behoorende erven, boom-
gaarden en tuinen, wijnbergen, bosschen, in exploitatie zijnde mijnen, groeven, veenlagen,
minerale bronnen.
Geeft na ingekomen aanvrage een voorloopig ingesteld onderzoek daartoe aanleiding,
dan wordt door het provinciaal bestuur eene vergadering van belanghebbenden belegd;
besluit deze vergadering om tot nieuwe verdeeling over te gaan, dan benoemt zij tevens
eene commissie van uitvoering van drie personen en een landmeter. Wordt dit besluit
door de liegeering goedgekeurd dan benoemt deze een voorzitter.
De eerste zorg dezer commissie is de vaststelling van een legger, waarop alle in
de voorgenomen verdeeling begrepen perceelen voorkomen, hun grootte, de daarop rustende
rechten en verplichtingen, zoomede hunne getaxeerde waarde. Nadat de belanghebbenden
in de gelegenheid zijn gesteld hunne bezwaren tegen dezen legger te laten gelden, wordt
hij definitief vastgesteld.
Vervolgens wordt het plan der nieuwe wegen en waterleidingen opgemaakt en
-ocr page 7-
3
vastgesteld, waarna tot de verdeeling van het overblijvend»; wordt overgegaan. Bij het
opmaken van het verdeelingsplan moet de commissie trachten eiken eigenaar zooveel
mogelijk grond van dezelfde soort on dezelfde kwaliteit terug te geven als die welke
hij heeft moeten afstaan. Verrekening in geld mag slechts voorkomen wegens kleine
niet te vermijden waardeverschillen van den geruilden grond, wanneer van een perceel
om bizondere redenen een belangrijk hoogere of lagere opbrengst dan de gemiddelde is
te verwachten en wanneer slechts een klein stuk grond is afgestaan en geen geschikte
grond ter vervanging is aan te wijzen. Het nieuwe verdeelingsplan wordt op het terrein
uitgezet en de belanghebbenden worden opnieuw opgeroepen ; deze kunnen hunne bo-
zwaren bij liet voor het toezicht aangewezen regeeringsorgaan laten gelden, dat daarna
definitief beslist.
De commissie zorgt nu voor de uitvoering dor werken, die door do onderneming
worden noodzakelijk gemaakt en voor een behoorlijke vaststelling der hoekpunten dor
nieuwe perceelen. Zij draagt zorg, dat de overgang van het nieuwe eigendom overal op
ordelijke wijze geschiedt en ruimt de moeilijkheden, die daarbij ontstaan, uit den weg.
Zij zorgt dat pachters van nieuw verdeelde perceelen geen schade lijden, dat zooveel
mogelijk geen pacht tegen den wensch van den eigenaar ontijdig eindigt. Rechthebbenden
op aandeelen in gemeene goederen worden behoorlijk schadeloos gesteld. Stukken die
onverdeeld zijn gebleven en boomen die ten behoeve van den nieuwen aanleg moeten
worden opgeruimd, worden door haar publiek verkocht.
De wet waarborgt behoorlijk de rechten van derden bij de nieuwe verdeeling.
Hypotheek" en andore rechten gaan in dezelfde volgorde over op de bezitting die in hare
plaats komt. Erfdienstbaarheden die op de geheele massa rusten, blijven bestaan. Be-
zwaren zij slechts enkele perceelen, dan blijven zij op deze slechts rusten, wanneer zij
niet over te brengen zijn op de nieuwe perceelen van den bezwaarden eigenaar. Erfpacht,
vruchtgebruik en pacht gaan op het nieuwe eigendom over.
Tot waarborging hunner rechten hebben derden inzage van alle stukken die de
commissie ter inzage van belanghebbenden legt. Zij kunnen niet opkomen tegen het
tot stand brengen der onderneming, wel echter tegen de uitvoeringswerken, voor zoover
hunne belangen daardoor worden geraakt. Eigenaren van in erfpacht gegeven grond,
pachters en vruchtgebruikers kunnen opkomen tegen de wijze van uitvoering der
onderneming, dezelfden benevens de hypotheekhouders tegen de schatting der perceelen;
al deze personen benevens de houders van erfdienstbaarheden tegen de vaststelling der
eigendomsrechten; de pachters en vruchtgebruikers kunnen zich verzetten tegen het in
ruil aangeboden nieuwe eigendom en tegen de daarmede in verbandstaande geldverrekening.
Wanneer derden rechten willen doen gelden, die door den eigenaar niet erkend worden,
beslist de rechterlijke macht.
Het gemeentebestuur heeft te zorgen, dat de verdeoling der velden zooveel mogelijk
in zoodanigon toestand blijve, als zij het meest ten nutte komt van de voordeeligste
landexploitatie. Perceelen, die van zulke ondernemingen hebben deel uitgemaakt, mogen
nooit meer zoodanig worden verdeeld, dat zij hunne toegangen verliezen, op straffe van
nietigheid der betrekkelijke overeenkomst.
De kosten der onderneming worden deels door den Staat, deels door de belang-
hebbenden gedragen. Deze kosten zijn overigens niet hoog en kunnen gemakkelijk
worden opgebracht, daar de geheele toestand er door verbetert. Alle bescheiden zijn vrij
van rechten.
De bovengeschetste gang van zaken is geldig voor het Groothertogdom Baden
De toestanden in andere Duitsche staten vertoonen eenige, zij het ook weinig principi-
eele afwn\'kingen. Overal wordt op groote schaal van de bevoegdheid tot nieuwe ver-
deeling der gronden gebruik gemaakt.1)
Niet alle vereenigingen van eigenaars tot verbetering hunner gronden hebben zoo
i) Voor meer uitvoerige behandeling vgl. een opstel in het Rechtsgeleerd magazijn 1892, blz. 213 e.v
-ocr page 8-
4
verre strekking. Soms beoogen zij alleen du gevolgen der al te groote verdeeling van
eigendom te verzachten door de vorming van grondsyndikaten waarvan ook in Frankrijk
de werking bij de wet geregeld is (wet van 21 Juni 1865) (Bijlage C). Uit zijn ver-
eenigingon van grondeigenaars in den geest van onze waterschappen, maar niet geheel
daarmede overeenkomende. Zij hebben een ruimer arbeidsveld dan deze. Zij kunnen
worden opgericht tot het aanleggen en onderhouden van werken tot waterkeering, water-
afvoer, drooglegging, zoutwinning, land verbetering, bevloei\'ing, colmatage,l) en drainage,
zoomede voor veldwegen en alle andere verbeteringen van landbouwverhoudingen, die
liet karakter dragen van een gemeenschappelijk belang. De wet geeft uitvoerige voor-
schriften omtrent de wijze van oprichting dezer syndicaten, van optreden als rechtspersoon,
van de regelen volgens welke zij omslagen kunnen heften enz.
Deze wetgeving is ook van kracht in het llijksland Elzas-f.otharingm doch
is daar sedert (bij de wet van 11 Mei 1877) aangevuld door bepalingen, waardoor
de ruiling van perceclen tusschen verschillende eigenaren wordt gemakkelijk gemaakt
en geregeld.
In Nederland waar het euvel der verspreide ligging van de tot eenzelfde bedrijf
beh.tuiende peiveelen op vele plaatsen evenzeer gevoeld wordt als elders, bestaan in de
wetgeving slechts sporadische bepalingen om hieraan tegemoet te komen. Onze voor-
imilfrx daarentegen namen in deze richting krachtiger maatregelen. In sommige doelen
des lainls vond men nog in do 17l1, eeuw een voorkooprecht en recht van naasting. Wie
zijn eigendom wilde verkoopen moest eerst drie zondagen achtereen in het openbaar van
zijn voornemen daartoe kennis geven. Zijne naaste verwanten hadden dan hunne
„naerhede en aanboort", hetgeen wil zeggen, dat zij in de eerste plaats het goedkoopen
mochten (Piekson t. a. p. blz. 271). Met name in het Drentsche Landrecbt, waarin ook
een soort Anerbeiireclit geregeld was, komen uitvoerige bepalingen hieromtrent voor.
Wanneer iemand binnen de palen van het Landschap binnen 13 weken na sluiting van
den koop, of buiten het landschap binnen een jaar en zes weken kon bewijzen dat hij
meer recht van koop kon pretendeeren, dan kon hij tegen dezelfde som het goed over-
nemen, mits den eersten kooper volledig schadeloosstellonde. Familieleden gingen voor
naar den graad van verwantschap, dan volgden de aanliggende eigenaars en wel de oos-
telijke het eerst, dan de zuidelijke en zoo met do zon om; daarna de buren in de marken
gelegen \'•\')• Dergelijke bepalingen waren ongetwijfeld in hooge mate bevorderlijk aan het
tegengaan van de verspreide ligging van het eigendom.
De vraag rijst thans in hoever men in Nederland de nadeelige gevolgen der vor-
spivide ligging van de aan een zelfden eigenaar behoorende perceelen zal kunnen voor-
komen, verzachten of te niet doen. Het komt ons voor dat zulks mogelijk is zonder
nieuwe rechtsbeginselen in te voeren en zonder noodelooze inbrcukmaking op liet
eigendomsrecht. Indien toch als vaststaande kan worden aangenomen, dat door
samenvoeging en afronding van versnipperde en verspreid liggende grondstukken deze
ii\' zameti en in \'t bijzonder als productiemiddelen aanmerkelijk worden verbeterd,
omdat ze met minder productie-kosten gelegenheid bieden tot grootere voortbrenging,
dan moet erkend worden, dat het algemeen belang er door wordt gebaat, niet alleen,
maar ook, dat door de samenvoeging de gebruikswaarde van ieder grondstuk voor
den individueelen eigenaar vermeerdering zal ondergaan. Hier is dus het beginsel
aanwezig, dat neergelegd is in de wet van den 28on Augustus 1851 (Stbl. No. 125)
regelende de onteigening ten algemeene nutte, welke wet toch als eisch vooropstelt:
liet publiek belang.
In deze wet is onteigening niet alleen ten behoeve van den Staat, van eene of
meer Provinciën, gemeenten of waterschappen gegeven, maar ook kan ten name van
\') Colmatage is niveauvcruoogiiig door opslibbing.
-) Vfc\'1. Ben opstol in do 1\'rov. Drentsche en Asser Cuurant üü Nov. on !) Dee. 1S!)5. Ook in hel
landreelit voor de Veluwu en in Friesland kwamen dergelijke bepalingen voor, vgl. o.a. Bijdrage tot do
geschiedenis van hot grondbezit op do Vel uwe door Mr. A. Robloffs, blz. (51 e\', v.
-ocr page 9-
5
bijzondere personen of vereenigingen, aan wie dn uitvoering van het werk dat onteigening
vordert, in liet publiek belang is opgedragen (concessie), worden onteigend, terwijl
art. G19 Buigclijk Wetboek doet uitkomen op welke wijze men den eigendom in het
daar omschreven geval weder kan verkrijgen, waarbij do wetgever klaarblijkelijk meer
uit beking, dat de maatschappij heeft bij de ontginning van woeste gronden, dan de
belangen van den publieken dienst, tracht te bevorderen. Ook verdient het opmerking,
dat onze wetgeving niet geheel vreemd is gebleven aan het keeren van nadeelcn, die uit
versnippering van grondeigendommen en do daaruit van lieverlede ontstaande verspreide
ligging voortspruiten. Onze reeds kort na de invoering van het Burgerlijk Wetboek
gewijzigde wetgeving op boedelscheiding (wet van 81 Mei 1843, Stbl. No. 22) immers
heeft gebroken met het stelsel van den Code Napoléon, aan het Frankische recht ont-
leend, om iederen deelgenoot een deel te doen toescheiden in de onderscheidene te ver-
doelen goederen en tevens een middel aan de hand gegeven, om o. a. ook ter voorkoming
van versnippering van gronden, tot openbaren verkoop van het geheid te dwingen
(art. 1122 B. W.). Samenvoeging van verspreid liggende grondstukken was ook het doel
waarmede reeds in 1S82 de registratie-wet werd gewijzigd en het mutatie-recht op ruiling
van landerijen tot Vi °/<> verlaagd.
De reden waarom van deze faciliteit zoo weinig gebruik is gemaakt, mag worden
geweten aan verschillende oorzaken; voor een deel zeker hieraan dat de vermindering
van het recht niet geldt voor de overwaarde van hot eene lot boven het andere, en ook
niet wanneer gebouwde eigendommen in de ruiling zijn begrepen.
Trouwens langs den weg van individueela ruilingen, die ook vaak afstuiten op de
gehechtheid des landbouwers aan \'t eens bezetene en op bekrompen inzichten, is eene
rationeele samenvoeging en afronding van cenigo beteekonis niet te verkrijgen. Ook is
de partieele ruiling maar zelden in beider belang. Ken gezucht voordeel voor den oenen
bij minder voordeel voor den anderen, wekt veelal bij den laatste afgunst op en eene
zucht om eene onredelijke toegift te oischen.
Bekrompene en zelfzuchtige inzichten zijn niet gemakkelijk te overwinnen. Daartoe
is een drang noodig, ontspruitende uit voorlichting van intelligente en invloedrijke
belanghebbenden, die hunne modeingezetenen weten te overtuigen welke groote econo-
inisehe en technische voordeelen zijn te behalen, een drang nog versterkt door de
zekerheid, dat do wet het middel aan de hand geeft om het lijdelijk verzet eener
bekrompene, zelfzuchtige minderheid te doen wijken voor het beter agronomisch inzicht
eener meerderheid. Gaat men na hoeveel verbeteringen in waterloozingen reeds zijn tot
stand gebracht door hot oprichten van waterschappen, waarbij ook vaak het onredelijk
verzet van oenen kant alleen uit inertie geboren, moest wijken voor beter inzicht van de
andere zijde, dan vindt men voor ons land den weg aangewezen, die dient te worden ingeslagen.
Wij zeggen roor ons land, omdat het volgen der Duitsche wetgeving hier te
lande op bezwaren zou kunnen afstuiten, die eigenaardig verbonden zijn aan het invoeren
van geheel nieuwe rechtsinstituten. Een hoofdbezwaar van dien aard ligt in het grond-
wettig verbod om geschillen over eigendom aan do administratieve macht ter beslissing
op te dragen, terwijl onze burgerrechtelijk bepaalde wijzen van eigendomsverkryging
zich moeilijk zouden verdragen met gedwongen levering buiten onteigening.
Er schijnt inderdaad om het laatste bezwaar te ondervangen geen ander middel te
bestaan dan de onteigening ten algemeenen nutte toe te passen. Daarvoor laat de grondwet
voldoende ruimte aan den gewonen wetgever, zij het langs een anderen weg, dan in Duitsch-
land is ingeslagen om de eisenen van het algemeen sociaal belang te bevredigen. Indien
toch het denkbeeld van onteigening per zone onder de werking onzer grondwet door
uitnemende juristen uitvoerbaar wordt geacht en aangeprezen, vooral in het maatschappelijk
belang, dan staat eene onteigening om tot samenvoeging van verspreide grondstukken
en afronding der landbouwbedrijven te komen daar zoo dicht bij, dat het ongerijmd
zou zijn te beweren, dat deze onteigening wèl zoude mogen toegepast worden ter
bevordering van het eene algemeene belang en niet ter bevordering van het andere.
De Grondwet, die het recht van vereeniging in het algemeen erkent, schijnt ook
ruimte te laten aan het vormen van andere vereenigingen clan van personen en evenmin
-ocr page 10-
(i
verzet zich daartegen ons Burgerlek recht, dat immers ook rechtspersoonlijkheid toekent
aan vereenigingen van zaken, zooals stichtingen on naamlooze vennootschappen, wier
kapitaal zelfs in grondbezit kan worden omgezet. En wat zijn de markgenootschappen
anders dan grondvereenigingen? Dat onze codificatie in vele opzichten te kort schiet in
de beschrijving van de zich steeds ontwikkelde rechtsbegrippen der maatschappij wordt
algemeen toegegeven en eveneens dat Frankrijk, het land waaraan onze codificatie is
ontleend, ons in menig opzicht op dat gebied is voorbijgestreefd. Zoo vindt men o. a.
in Frankrijk naast do in het algemeen belang publiekrechtelijk ingestelde waterschappen,
de hier boven reeds genoemde grondvereenigingen of syndicaten, die als zedelijke lichamen
worden erkend doch van zuiver privaat rechterlijken aard zijn, hoezeer gemeenschappelijk
nut beoogende.
Het zij ons vergund omtrent deze grond-syndicaten te verwijzen naar ons rapport
over banken voor grondverbetering (bladz. 6 en 7) alwaar do doelmatigheid van dergelijke
vereenigingen tot verkrijging van andere verbeteringen der agrarische toestanden is
uiteengezet.
Wij denken aan soortgelijke vereeniging, die gevormd zou kunnen worden door
eono meerderheid van grondeigenaren in eone of in meerdere naburige gemeenten met
het doel om de samenvoeging en afronding der gronden van landbouw-bedrijven te be-
werken. De onteigeningsprocedure tegen onwilligon zou op naam dezer vereeniging
moeten worden gevoerd. Het vormen der vereeniging zelve diende op eenvoudige wijze
to kunnen geschieden. Een schriftelijk verzoek uitgaande van eenige belanghebbenden
\'aan den burgemeester, onder wiens gemeente de gronden of het meerendeel daarvan
gelegen zijn, behoorde voldoende te zijn om dien ambtenaar te verplichten eene ver-
gadering van grondeigenaren bijeen te roepen en daarin de vraag bij meerderheid van
stemmen te doen beslissen of de grondvereeniging al of niet zal gevormd worden, waarna
onmiddellijk tot de keuze van een bestuur konde worden overgegaan. Het stemrecht is
te regelen op de wijze als zulks in de reglementen der waterschappen is geschied. Met
het opmaken van een proces-verbaal der gehouden stemmingen is de taak des burgemeesters
volbracht.
Het gekozen bestuur stelt zich nu in betrekking met een deskundige (landbouw-
ingenieur) die een plan van samenvoeging en afronding met de vereischte wegen en
waterleidingen ontwerpt, welk plan, voorzien van eene waardeering der gronden door
deskundigen, natuurlijk moet worden publiek gemaakt, om gelegenheid te geven *ot het
indienen van bezwaren alvorens het definitief bij meerderheid van stemmen wordt
vastgesteld.
Nemen allen genoegen met de door deskundigen gedane waardeering der gronden in
den bestaanden toestand, dan bekomt ieder eigenaar een extract uit den waardoeringstaat,
dat het karakter heeft van speciaal betaalmiddel, waarmede men de opnieuw te verkrijgen
gronden kan betalen. Evenals bij gewone onteigening worden de hypotheken en andere
zakelijke lasten afgelost en opgeheven, zoodat de nieuwe eigendom volkomen vrij wordt
met dien verstande, dat de gedane aflossingen in rekening worden gebracht aan hem
die er door werd ontlast.
Aan hen die gerechtelijk moeten worden onteigend, zal natuurlijk geld moeten
worden aangeboden. Het ware dus hoogst wenschelijk indien dat geld, alsmede wat
noodig is voor de bestrijding van kosten en de uitvoering van werken, gelijk voor do
aflossing van hypotheken enz. konde verkregen worden door middel eoner land-renten-
bank tegen vestiging eener collectieve grondrente in annuïteiten aflosbaar, op de wijze
als zulks in ons daarbij betrekkelijk rapport (blz 5 — 7) is omschreven.
Zonder dat een behoorlijk en op weinig kostbare wijze to verkrijgen ontwerp daar-
voor beschikbaar is, zal de verbetering bezwaarlijk tot stand kunnen komen. Voor het
opmaken van dergelijke ontwerpen schijnt ons de aanstelling van Rijkslandbouwingenieurs,
waarop in eene vroegere nota werd aangedrongen, allerwenschelijkst \').
J) Een tweetal leden der commissie kunnen zich met deze zinsnede niet vereenigen, daar het
hier moer geldt arbeid, waartoe de ambtenaren van het kadaster zjjn aangewezen.
-ocr page 11-
_________________          Bijleg e A
&eMve&i*)fo ifëeciftfrWï „
/^^4/H^€€4^^
Se/ia.a7xrecnJ.-fooo0
\'      *
9==M==JSs
^^"K*"" jL iil L.
JtMw
PHOTO LIT» J.H-Oi BUSSV AMST
-ocr page 12-
?
Als slotsom onzer beschouwingen hebben wij de eer do volgende conclusies
voor te stellen:
1». de voortdurende verdeeling van grondeigendom heeft ook in verschillende
streken van Nederland eene zoo verspreide ligging der perceelen ten gevolge
gehad, dat deze ligging in vele deelen des Iands eene rationeels ontwikkeling
van het landbouw-bedrh\'f ernstig in den weg staat;
2". het is mogelijk tot een betere verdeeling te geraken zonder ingrijpende wets-
wijzigingen en zonder de invoering van nieuwe rechtsbeginselen, indien slechts
bij de aanstaande herziening der onteigeningswet daarmede rekening worde
gehouden en de vorming van grond-vereenigingen (syndicaten) civiel-rechterlijk
mogelijk gemaakt worde;
.\'5« de overweging van deze aangelegenheid wordt der Regeering ernstig aanbevolen.
De Commissie „Ontginning",
F. B. LÖITNIS, Voorzitter.
J. DE KONING,
J. Bs. WESTERDIJK,
P. HEIDEMA Sb.,
H. J. LOVINK,
W. A. COÜLEN,
R. DINGER,
Mr. A. FERF, Secretaris.
-ocr page 13-
Bijlage A1
\'evneeA*)Ce> <v£eó<i><&v
PHOTO UT» J.H. 01 BUSsr AUST.
-ocr page 14-
Bijlage B.
NOTA OVER DE MARKENWET.
„Onder markgronden", zoo luidt art. 1 dor wet van 10 Mei 1886, waarvan de
tekst hierachter volgt, ..verstaat deze wet gronden die van oudsher in onverdeelden
eigendom bezeten worden onder de namen van marken, maatschappen, holtingen, meen-
soharen, meenten, buurten, buurtschappen of andere soortgelijke namen".
Het zon doelloos zijn hier uit een te zetten hoe die gemeenschappen zijn ontstaan,
het is voldoende er op te wijzen dat de vormen van gemeenschappelijken grondeigendom,
die onder bovenstaande benamingen voorkomen, overblijfselen zijn van vroegere rechts-
toestanden, die in hoofdzaak hun oorsprong ontleenen aan het gemeenschappelijk Ger-
maansch grondbezit.
Het valt niet te ontkennen, dat in vroegere tijden toen de bevolking minder
dicht was en de landbouw meer extensief werd uitgeoefend, deze rechtsverhoudingen
een gunstigen invloed uitoefenden op de algemeene welvaart. De uitgestrekte hooge
heiden waren dienstig aan de schapenteelt, de lagere gronden werden gebezigd voor
gemeenschappelijke weide, de gemeenschapsbosschen leverden brandstof, heining en
bouwmateriaal zoowel voor den rijke als voor den arme; de bewoners der kringen
waartoe die bezittingen behoorden hadden allen hun profijt van de opbrengsten; instel\'
lingen van openbaar nut werden vaak uit de revenuen bekostigd, in één woord de
ingezetene die deel had aan do gemeenschappelijke goederen (en in de meeste gevallen
waren dit alk ingezetenen, zonder onderscheid) had iets wat hij voor een deel het zijne
kon noemen en als onvervreemdbaar goed aan zijne kinderen kon nalaten.
En daar de marken tevens publiekrechtelijke lichamen waren, waarvan de
bestuurders functiën van autoritairen aard uitoefenden, was er voor de bevolking een
tweeledig motief om er voor te waken dat het bestuur aan bekwame markgenooten
werd toevertrouwd. Ongetwijfeld zullen ook destijds zelfzucht en despotisme bij de be-
stuurders niet ontbroken hebben, doch over het algemeen werden deze gemeenschappen
met zorg en in overeenstemming met de belangen der ingezetenen beheerd.
Langzamerhand echter wijzigde zich de toestand; het publiekrechtelijk karakter
der marken ging verloren: bij de Grondwet van 1798 werd de daaraan verbonden macht
op de departementale besturen overgebracht; het oude rechtsbesef, dat aan alle opwo-
nenden gelijke stem in het kapittel gaf, ging, hier door overmacht, daar door zorgeloosheid
te loor; in het beheer werd met de veranderde tijdsomstandigheden geen rekening
gehouden; bevoegdheden om vrij plaggen te slaan of hout te hakken voor eigen gebruik,
welke bij een weinig dichte bevolking geringe schade berokkenden, werkten door de
toeneming der populatie als roofbepalingen; van de meenten werden te groote provenuen
zonder aanwending van mest en onderhoud gevorderd; het bestuur raakte veelal in
handen van onbekwamen, die geen ander beleid kenden dan het vasthouden aan de
oude sleur; de eertijds zoo gunstig werkende rechtsinstituten werden op de meeste
plaatsen nagenoeg doellooze en nuttelooze gemeenschappelijke bezittingen, waarvan de
gesteldheid jaar aan jaar achteruitging.
De heidegronden, als plaggevelden gebruikt, dreigden op vele plaatsen in zand-
-ocr page 15-
9
verstuivingen te ontaarden, de gemeenschappelijke bosschen werden vernield of uitgeroeid,
terwijl daar, waar verbeteringen van den waterafvoer voor particuliere gronden tot stand
kwamen, daaraan geen deel genomen werd door de meenten, wier gronden verdronken
of verzuurden. Aan verbetering van den bodem werd niets gedaan; ontginning zoowel
van hoogc als lage heidegronden bleef achterwege; en als hier en daar eenig werk
tot stand kwam, geschiedde dat op bescheiden schaal enonoordeelkundige wijze. Niet
te verwonderen is het dat van Regeeringswege aan het blijven voortbestaan van
deze instellingen geen waarde werd gehecht, en dat men er naar streefde die op te
heffen. Reeds den 10\'" van (irasmaand 1809 werd, door Lodewijk Napoleon een
wet uitgevaardigd, later aangevuld met een Kon. Besluit van den 10"n Bloeimaand van
het jaar 1810, waardoor de deeling der marken mogelijk werd gemaakt. De hoofdbc-
palingen daarvan zijn, dat de meerderheid der markgenooten over de al of niet verdeeling
zullen beslissen en dat in geval van verdeeling het ontwerp aan den Koning ter goed-
keuring moet worden toegezonden, terwijl bij ontginning vrijdom werd verleend van
grond- en personeele belasting.
Hoewel krachtens deze wet verscheiden verdeelingen zijn tot stand gekomen, bleef
het grootste deel der markgrondel] onverdeeld. De meerderheid der markgenooten, meestal
landbouwers die in ontginning geen heil zagen, wilden den ouden toestand liever bestendigen
en tegen hen kon de minderheid niets inbrengen. De aandrang tot ontginning van woeste
gronden die zicli in ons vaderland al sterker openbaarde, werd een krachtig motief om
daarin verandering te brengen. Men verlangde een wet die de verdeeling vergemakkelijkte,
die ten minste ieder markgenoot de bevoegdheid gaf zijn aandeel op te vorderen. Want
bij den bestaanden toestand werd die bevoegdheid door vele rechtsgeleerden bestreden,
uitgaande van de overweging dat de marken zedelijke lichamen waren en geen condominla
pro indiviso,
waarop de art. C28 en 1112 B. W. toepasselijk zouden zijn. Doch afge-
scheiden van deze rechtskwestie, ook al zou men moeten aannemen dat dit artikel ook
voor de marken van kracht was, in de praktijk ware de toepassing onmogelijk, omdat
de markgenoot die zijn aandeel wilde vorderen, een sommatie zou moeten doen toe-
komen aan al zijne deelgenooten, die vaak niet waren aan te wijzen.
De marken wet van 1S86 gaf in zekeren zin nog meer dan men verlangde. Niet
alleen dat ieder markgenoot zijn aandeel kan eischen: op zijne vordering alléén moet
het geheele instituut, al heeft hij daarin ook een gering aandeel, geheel uit elkander vallen.
Een ingrijpen dus in een bestaanden rechtstoestand als in onze geschiedenis weinig is
aan te wijzen.
Hoe men over dit laatste moge oordeelen, er bestaat tegen de wetten van 1809
en 1880 een groote grief, namelijk dat men bij geen dezer gelegenheden getracht heeft
het beheer der marken en andere gemeenschappon te regelen.
Het valt niet te ontkennen dat vele marken ook in onverdeelden toestand een
zegen voor de bevolking konden zijn, ja, dat het behoud dier onverdeeldheid te verkiezen
ware boven een parcelleering, mits het beheer werd toevertrouwd aan bevoegde handen
en onderworpen aan het hooger gezag.
Men denke aan hooge heidegronden waar op den onverdeelden bodem aaneenge-
sloten bosschen konden verrijzen; aan meenten en dergelijken die een weldaad, vooral
voor de armen konden zijn, indien bevloeiing, afwatering, bemesting enz. op oordeelkundige
wijze werd toegepast en een behoorlijk toezicht ter voorkoming van roofbouw werd
uitgeoefend. Doch men was op beide tijdstippen, eerst onder den invloed der Napoleon-
tische ideën, later van de leer van den invidueelen eigendom zoo vast overtuigd van
het heil van particulier grondbezit, dat verdeeling het eenige redmiddel werd geacht om
verbetering in den toestand te brengen. In deze dagen, nu do Staat zelf groote bosschen
zal aanloggen en exploiteeren, en nu de zorgen voor bevloeiing en afwatering dagelijks
de belemmering van den versnipperden eigendom doen gevoelen, zou men wellicht niet zoo
spoedig er toe zijn overgegaan op zulk een wijze in te grijpen in bestaande rechtsver-
houdingen, afgaande op verschijnselen die niet het gevolg waren van gemeenschappelijk
grondbezit maar van gemeenschappelijk grondgebruik.
-ocr page 16-
10
Doch niet over deze aangelegenheid is het dat hier gehandeld dient te worden,
er is een andere grief van minder principieelen aard, maar voor de landbouw belangen
van klemmende beteekenis, tegen den inhoud der markenwet zelf.
En deze is, dat de wet, die tot stand is gekomen om de ontginning te bevorderen,
geen enkele bepaling inhoudt die de beantwoording aan haar doel waarborgt. De juridische
bezwaren zijn uit den weg geruimd, de techniek van de vordeeling zelf is in den breede
ontvouwd, maar aan de agrarische belangen die de wet heet te behartigen, is nagenoeg
geen aandacht gewijd. Alleen de bepaling in art. 19 omtrent de wegen en waterleidingen
geeft een schijn van zorg voor dit belang. In zekeren zin staat dan ook de wet van
1S86 achter bij die van 1809. Bij de laatste moest ten minste het ontwerp door den
Koning worden goedgekeurd; de nakoming van dit administratieve voorschrift zou met
de huidige inzichten
nog kans op de behartiging der ontginningsbelangen geven, doch in
de wet van 1886 wordt zelfs deze herinnering aan een hooger gezag gemist.
Ten einde de werking der verdeeling onder deze wetten toe t3 lichten, hebben wij
eenige voorbeelden verzameld van verdeelde markgronden, zoowel vóór als na de wet van
1886. Van verschillende zijden werden ons bereidwillig kaarten afgestaan, welke niet allen
kunnen worden opgenomen, doch waarvan een tweetal copiën hierbij zijn gevoegd. (B1 en B-).
Indien men de kaarten beschouwt, bemerkt men reeds dadelijk dat een splitsing
tot een zeer groot aantal perceelen heeft plaats gevonden. Dit is bij markverdeelingen
niet wel te vermijden, en wordt voor oen goed deel veroorzaakt door de omstandigheid
dat tot de mark meestal vele gerechtigden behooren.
Zal men aan ieder zijn deel toekennen, zoo kan het niet uitblijven dat de mark
in kleinere stukken wordt gesplitst dan met het oog op het later gebruik der gronden
wcnschelyk is; doch hoe de plaatselijke toestanden ook zijn mogen, ze behoeven toch
nimmer zoo sterk te gelden, dat zij er toe zouden noodzaken om een verdeeling tot stand
to brengen, die bekt dat de grond overeenkomstig zijn aard en gesteldheid in cultuur
wordt gebracht.
En dat desniettemin de verdeeling tot zulk een resultaat leidt, bewijst het hier»
achter volgende B1, dat gelden kan als type van de wijze, waarop men in Overijsel
markgronden heeft verdeeld, vóór en na de wet van 1886. Men behoeft slechts een blik
op de kaart te slaan, om te zien hoe onregelmatig alles is bewerkt, en op hoe ondoor-
dachte wijze alle perceelen zijn ingericht. Slechts hier en daar zijn enkele stukken zóó
gevormd dat zij voor afzonderlijke cultuur geschikt zijn. Toch behooren deze terreinen
tot de boste heidegronden van ons land.
Vele van die perceelen zijn successievelijk aangekocht en enkelen ontgonnen, maar
verreweg het grootste deel moet wachten, totdat meerdere eigenaren in de nabijheid van
het aangekochte hun grond willen verkoopen, om daardoor een aaneengesloten terrein te
kunnen vormen, waarop met succes kan gewerkt worden. En dit in een streek waar
men voor heidegrond ter ontginning gaarne ƒ 70.— a ƒ 100.— per H.A. zoude willen
betalen. Hoe zal in die omgeving waar de lust tot ontginning reeds gering is, deze
laatste door de verdeeling bevorderd worden?
Deze verdeeling, vóór 1886 tot stand gekomen, is gevolgd door andere, ook na
bedoeld jaar, maar de wet heeft geen verbetering aangebracht. Overal zijn de belangen
van waterafvoer verwaarloosd, de perceelen op onoordeelkundige wijze ingericht, lange
smalle strooken aangelegd, die door hun vorm en waterstand den grond ongeschikt
maken voor bouw- en weiland of voor boschaanleg. Ja, waar bosschen aanwezig waren,
zijn die tengevolge van de verdeeling verloren gegaan.
Een sterk voorbeeld levert daarvan de verrteeling der Beek- en Stockumsche mark
in 1890. Daar verdeelde men een goed groeiend dennenbosch van ± 20 H.A. in blokken
van ± 0.50 H.A. en nog kleiner, mot verhouding van lengte tot breedte als 1: 20 ongeveer.
De gevolgen bleven niet uit; de eigenaren, die van plan waren den opstand niet
te verkoopen, werden daartoe genoodzaakt, daar een buurman zijn gedeelte wegkappend,
het bestaan van een ander bosch onmogelijk maakt.
Niemand zal er aan denken op zulke gevaarlijke plekken zijn grond weder te be-
planten; waar eertijds goed bosch was, komt nu plaggengrond en schapenweide gedoemd
-ocr page 17-
11
tot den vroegeren onvruchtbaren toestand. Ware het hier niet beter geweest het bosch
in gemeenschap te houden, of zoo hiertegen bezwaren bestonden het onverdeeld te verknopen?
Het zou tot te groote uitvoerigheid leiden de geschiedenis van verdeelde mark-
gronden nader te ontvouwen en verder aan te toonen, hoe het met do ontginning van
hier en daar verspreide stukken is gegaan.
Gerust mag men evenwel verklaren dat veelal de respectieve eigenaars, al waren
zij ook met de beste bedoeling bezield, spoedig inzagen dat van eene ontginning hunner
perceelen weinig goeds kon komen. Want ook de pogingen, om door samenwerking de
ongunstige verhoudingen te verbeteren, lijden vaak schipbreuk. Du toeleg bij de meeste
dezer verdeelingen is geweest om den grond ook na de verdeeling te laten dienen tot
schapenweide, plaggen- en brandzodenveld; dientengevolge vertoonen de verdeelde terreinen —
van het standpunt der ontginning beschouwd - de grootste misstanden. En een enkele
eigenaar heeft soms de macht om die misstanden te handhaven. Uitloven van hooge
prijzen, verzoeken, adresbeweging, niets is dikwijls in staat om den onwil te overwinnen
b v. van èèn eigenaar eoner lange smalle grondstrook, die halstarrig weigort om mede
te werken tot de ontwatering van een terrein. Bijna overal lijden de uitkomsten der ver-
deeling onder het beginsel waarvan de markenwet is uitgegaan dat de verandering in
de bezitsverhoudingen voldoende zou zijn om het doel der ontginning te bereiken, zonder
dat de ov Theid zich behoefde te bekreunen over de vraag of de verdeeling wel rationeel
geschiedt.
Bij eene vrijwillige verdeeling moeten de markgenooten met het Bestuur maar
uitmaken, hoe zij de zaak willen regelen; bij eene gerechtelijke verdeeling waakt de
Staat er voor dat ieders rechten geëerbiedigd worden (de Rechter-Commissaris) dat
alles goed verdeeld wordt (de Landmeter) volgens het plan der deskundigen (Marken-
Commissie), maar dat hiermede de weg opengesteld werd om zelfs met verdeeld bezit
tot toestanden te geraken, die vrijwel met den verwaarloosden toestand der marken
zelf overeenkomen, werd schromelijk voorbijgezien.
Bij vrijwillige verdeeling — die dikwijls slechts eene vrijwillige is om de gerechtelijke
verdeeling met hare meerdere kosten te ontgaan — treden Markbestuurders als likwi-
dateuren op. Hunne bevoegdheid om plannen enz. voor te stellen geeft hun een groote
macht, vooral indien zij door een tegen de verdeeling gekante meerderheid gesteund
worden. Gewoonlijk bestaat het markbestuur uit landbouwers, die ineenen bij den on-
verdeelden toestand belang te hebben; de ontginningsbelangen zullen dus niet op voldoende
wijze behartigd worden, en zeer zeker tegengewerkt worden, waar men in de waan
verkeert, dat zij met die van den landbouw in strijd zijn.
Met de gerechtelijke verdeeling wordt de ontginning weinig méér gebaat. De
Rechter-Commissaris zal zich in de meeste gevallen houden aan de letter der wet en
dus zijn invloed niet verder doen reiken dan noodig is voor eene eerlijke verdeeling.
De door hem benoemde Commissie zal meestal uit mannen bestaan, die hem in dit
zijn streven zullen helpen en zoo zal het dikwijls gebeuren, dat voor commissieleden
landbouwers worden gekozen, die tegen eene verdeeling zijn. Kan men van zulk eene
commissie verwachten dat zij zal werken met het oog op ontginning ? De uitkomst leert
dat juist het tegenovergestelde geschiedt en dat de werkkring der commissie zich hoofd-
zakelijk bepaalt tot een zoodanige verdeeling der heidegronden dat alles kan blijven wat
het is: heideveld.
Ook zelfs de bepalingen van art. 20 en 21 leiden tot misstanden.
De wegen worden door de Mark overgedragen aan de Gemeente tegen behoorlijke
vergoeding aan het Gemeentebestuur. Hoe meer wegen, des te meer vergoeding te betalen
aan de Gemeente, hoe meer waterleidingen des te meer onderhoud voor deze. En waar
nu in een plattelands-gemeente gewoonlijk de Marken-Commissie gekozen wordt uit de
meest notabele ingezetenen, die meestal ook raadslid, wethouder en groot landbouwer
zijn, is het te verwachten dat zulke commissieleden zorgen, dat alles zóó geregeld wordt,
dat de Gemeente zoo weinig mogelijk voor onderhoud behoeft te betalen, de mark zoo
min mogelyk vergoeding heeft uit te keeren, in \'t kort dat zooveel mogelijk de bestaande
toestand behouden blijft.
-ocr page 18-
12
Tot welke eigenaardige verhoudingen dit aanleiding heeft gegeven is hierboven
voldoende aangetoond. De groote fout in de markenwet is dus dat aan hen die geroepen
zijn de wet toe te passen, geene verplichting is opgelegd rekening te houden met de
toekomstige bestemming der gronden; dat er geen controle bestaat van overheidswege
of het doel der wet wordt nagekomen; dat er geen voorschriften zijn gegeven, die er
voor waken dat deskundigen op landbouwgebied invloed uitoefenen op den gang der zaken.
"Want evenzeer als de uitkomsten hebben bewezen dat de toepassing der markenwet,
waar onwil en onkunde de boventoon voeren, onhoudbare toestanden in het leven roept,
zoo zn\'n er voorbeelden aan te wijzon die toonen dat de uitvoering der wet de gunstigste
gevolgen kan hebben waar zij met een ruimeren blik en ter goeder trouw wordt too-
gepast. W\\j voegen daartoe hierbij een copie van do kaart, (B2), van de vrijwillig
verdeelde markgronden van Lunteren.
Men behoeft slechts een blik te slaan op deze kaart om daarvan een gunstiger
indruk te krijgen. De breedte der blokken staat in verhouding der lengte hoogst zelden
als 1 : 5, meestal 1 : 2 a 3. De grootte der perceelen wisselt natuurlijk zooals overal,
zeer af, doch zelfs bij de kleinste perceelen, die van 1.5 H.A. grootte, is de verhouding
van breedte tot lengte dezelfde gebleven. In elk opzicht is het gevolgde systeem beter
dan bij vele andere verdeelingen. Men heeft zich hier op het standpunt geplaatst: verdeeling
moet ontginning ten gevolge hebben. Do ïesultaton hebben dezen toeleg dan ook niet
beschaamd. Er zn\'n weinig verdeelde marken aan te wijzen, waar zoo spoedig en afdoende
de ontginning de verdeeling hoeft gevolgd. Van de 800 hectaren is reeds nu ongeveer
Va in cultuur gebracht en met boscli bezet.
Uit liet vorenstaande kan men gevoegelijk tot het volgende besluiten:
ten eerste: dat de markenwet ontginning van gronden heeft ten gevolge gehad,
doch niet in die mate als wel had mogen verwacht worden en niet altijd met goede
uitkomsten;
ten tweede: dat deze minder goode uitkomsten hoofdzakelijk moeten worden too-
geschreven aan de wh\'ze van verdeeling der gronden, die meer op liet behouden van
plaggeveld en schapen weide dan op ontginning was gericht;
ten derde: dat in don regel do wegen niet zijn aangelegd overeenkomstig do
eischen van het algemeen belang;
ten vierde: dat dikwijls bij liet ontwerpen van het verdeelingsplan, elke leidende
gedachte, vooral met het oog op waterleidingen ontbrak.
In aansluiting met deze conclusies rijst de vraag : in hoeverre is hierin verbetering
te brengen, eenerzijds door het kwaad te voorkomen, anderzijds duur de. tot stand
gekomen ongunstige verhoudingen te veranderen.
Voor het laatste kunnen wij volstaan niet te verwijzen naar liet hier voren-
staand rapport over samenvoeging en verdeeling van gronden; nog meer dan elders,
zouden de daarin aanbevolen maatregelen nuttig kunnen werken op gronden die nog
niet in cultuur gebracht zijn en waarop nagenoeg geene zetels van landbouwbedrijf
gevestigd zijn.
Voor het eerste is het dringend noodig dat de markenwet worde aangevuld met
eene bepaling die eene richtige nakoming van het doel der wet waarborgt. En het is
wenschelijk dat dit spoedig geschiede, omdat telken jare nieuwe verdeelingon tot stand
komen of\' worden voorbereid. Hoe groot de uitgestrektheid der gronden is, welke door
die voorzorgen gebaat zouden kunnen worden, valt moeielyk te constateeren. De statis-
tiek der marken is niet of zeer onnauwkeurig vast te stellen, omdat, overal verspreid,
corporatiën voorkomen die binnen de termen van art. 1 zouden vallen, waarvan het
openbaar gezag onkundig is. Zooveel is echter zeker dat nog een groot aantal H.A.
markengrond onverdeeld is en dat een verbetering der markenwet nog eene wijde strekking
kan hebben.
Moest de regeling der verdeeling van markegronden nog geheel nieuw worden
opgezet, dan zou ons geen maatregel geschikter voorkomen dan dat zoowel bij vrijwillige
als gerechtelijke verdeeling één of meer deskundigen werden aangesteld, die het Bestuur
of den Kechter-Commissaris met advies tor zijde zouden staan. Doch nu de markenwet
-ocr page 19-
13
eenmaal tot stand is gekomen, zou oene nieuwe regeling voor don dionst dier deskundigon
allicht op vele moeiolükheden stuiten. Het komt ons derhalve raadzaam voor een maat-
regel aan te bevelen dio zonder ingrijpende wetswijziging een grooto verbetering zou
kunnen aanbrengen.
Zooals hierboven blijkt, mist de werking van do markenwefc vooral haar doel,
omdat de plannen tot verdeeling niet worden onderworpen aan het oordeel van oen gezag,
dat met het algemeen belang en do toekomstige bestemming der gronden rekening houdt.
Welnu, in de markenwet worde een voorschrift opgenomen, dat de plannen tot verdeeling
en verkoop van markengronden worden goedgekeurd na verhoor van deskundigon, door
Gedeputeerde Staten der Provincie waarin de mark gelegon is, welke dio plannen met
het oog op de algemeene belangen van grondverbetering booorcleelen, desgewenscht met
beroep op de Koningin, indien belanghebbenden van oordeel zijn dat Gedeputeerdon ten
onrechte hunne goedkeuring weigeren.
Dit voorschrift zou liggen geheel in den lijn van de beginselen der wet, en zich
nauw aansluiten bij de artikelen 19, 20 en 21. In deze wordt het gemeente-bestuur
aangewezen om het meer plaatselijk belang der ten openbaren dienste bestemde wegen
on waterleidingen te behartigen, met beroep op Gedeputeerde Staten indien daartoe
aanleiding bestaat.
Het belang der ontginning is er een van grooter beteekenis en valt dikwijls meer
buiten den gezichtskring van het plaatselijk bestuur. Van het Bestuur van het Gewest
mag men een beter inzicht verwachten, vooral indien do zorg voor de agrarische belangen
nadrukkelijk aan zijno beoordeeling wordt opgedragen. In de Memorie van Toelichting
werd naar aanleiding van art. 20 gezegd: „Er moet voorzien wolden in liet geval dat
„een gemeente-bestuur zijne goedkeuring weigert en de commissie bezwaar maakt aan
„de eischen van hot gemeente-bestuur gevolg te gevon. Het komt ons voor het meest
„in overeenstemming te zijn met de ooconomio onzer wetgeving, dat in die gevallen,
„alsmede indien er, gelijk het volgend artikel voorziet, geschil ontstaat over de aanvaarding
..en net onderhoud dezer wogen en waterleidingen, hot college van Gedeputeerde Staten
„wordt aangewezen om uitspraak te doen. Bat college moet geacht worden met cle bedoelde
„onderwerpen en met de plaatselijke toestanden beter bekend te zijn dan eenig ander."
Gedeputeerde Staten kan men tot do eerstgeroepenen rekenen om de gewestelijke
belangen van algemeene strekking ter harte to nomen. Hunne konnis van feiten en
locale omstandigheden wijzen hen daartoe als vanzelf aan. Zij mogen al niet persoonlijk
de aangewezen autoriteiten zijn om de speciale cultuurbelangen te beoordeelen, zij kunnen
zich door bevoegde deskundigen doen voorlichten en, met dat advies rekeninghoudende,
hunne beslissing nomen.
Een noodzakelyk gevolg van deze wijziging in de wet zou zijn, dat meerdere op
gerechtelijke verdeeling betrekking hebbende artikelen ook toepasselijk zoudon moeten
verklaard worden bij vrijwillige verdeeling, tengovolge waarvan ook bij vrijwillige verdeeling
de loop der zaken in grove trekken zou zijn voorgeschrevon. Op zich zelf ware dit reeds
eene verbetering, omdat volgons de bestaande wetgeving machtsmisbruik en onregolmatig-
heden van het Bestuur bij vrijwillige verdeeling niet zijn buitengesloten.
Komt deze wetswijziging tot stand, dan zal er voorzeker voor gewaakt worden,
dat bij verdeeling van gronden het maken van waterleidingen, het ontwerpen van wegen
enz. meer gelet wordt op do belangen van \'later te volgen ontginningen, en dat oen
leidende gedachte by het opmaken van het plan op den voorgrond gesteld wordt.
-ocr page 20-
14
Wet van 10 Mei 1886 (Stbl. No 104) houdende bepalingen ter
bevordering van de verdeeling van markgronden.
Wij WILLEM III enz.
S 1. Inleidende bepalingen.
Artikel 1.
Ouder markgronden verstaat deze wet gronden, die van oudsher in onverdeelden
eigendom bezeten worden onder de namen van marken, maatschappen, holtingen, rneen-
scharon, meenten, buurten, buurtschappen of andere soortgelijke namen.
Art. 2.
Onder markgenooten verstaat deze wet de medegerechtigden in markgronden, en
onder marken de vereenigingen, bekend onder de in art. 1 genoemde namen.
§ 2. Van de vordering tot verdeeling.
Art. 3.
Ieder markgenoot is gerechtigd de verdeeling van de markgronden te vorderen.
Art. 4.
Niemand is in eene vordering tot verdeeling van markgronden ontvankelijk, tenzy
hn\' vooraf\' het bestuur der mark vruchteloos tot vrijwillige verdeeling gerechtelijk heeft
aangemaand.
De aanmaning wordt geacht vruchteloos te zijn gedaan:
1°. Wanneer niet binnen veertien weken daarna aan hem, van wien zij uitging,
een besluit der markgenooten tot vrijwillige verdeeling is beteekend;
2°. Wanneer het besluit tot vrijwillige verdeeling niet binnen twee jaren, nadat
het genomen werd, is ten uitvoer gelegd door overschrijving der akte van
scheiding en deeling in de openbare registers.
Art. 5.
De gerechtelijke aanmaning geschiedt aan den persoon of tor weuiiplaats van ieder
der bestuurders van du mark.
Zij wordt bovendien aangeplakt ter plaatse van de gewone afkondigingen in de
gemeente of gemeenten, waar de markgronden gelegen zijn.
Art. 6.
Binnen ééne maand na die aanmaning roept het bestuur de markgenooten op ter
bijwoning van eene binnen twee maanden te houden vergadering, om over het verdeelen
der markgronden te beslissen, alles op de bij de mark gebruikelijke wijze.
Waar die wijze niet bij reglement is voorgeschreven of door gewoonte bepaald,
beslist de meerderheid der ter vergadering tegenwoordige markgenooten over de vordering
tot verdeeling.
De leden van het bestuur der mark zijn aansprakelijk voor de gevolgen, door het
verzuim dezer oproeping veroorzaakt.
In geval van zoodanig verzuim is hij, die het bestuur der mark tot vrijwillige
verdeeling gerechtelijk heeft aangemaand, bevoegd de markgenooten op een termijn van
eene maand op te roepen tor bijwoning van eene vergadering, als in het eerste lid bedoeld.
De bepalingen van de artikelen 19, 20, 21, 22, 24 en 30 zijn ook bij vrijwillige
verdeeling van toepassing, met dien verstande echter dat het bestuur der mark in de
plaats treedt van de in die artikelen genoemde rechter-commissaris en commissie en de
landmeter door het bestuur wordt benoemd.
-ocr page 21-
15
% 3. Van het geding tot verdeeling.
Aet. 7.
Van de vordering tot verdeeling wordt in eerste aanleg kennis genomen van de
Arrondissementsrechtbank:, onder wier gebied de markgronden of het voornaamste deel
daarvan, naar de belastbare opbrengst berekend, zijn gelegen.
De vordering wordt als summiere zaak behandeld.
Indien de ontvankelijkheid der vordering wordt betwist met de bewering, dat de
gronden, waarvan de verdeeling wordt gevorderd, geen markgronden zouden zijn, wordt
over dit geschilpunt het Openbaar Ministerie gehoord.
Aet. 8.
De vordering wordt aanhangig gemaakt door dagvaarding van het bestuur.
Deze dagvaarding geschiedt en wordt aangeplakt overeenkomstig hetgeen in artikel
5 ten opzichte van de aanmaning is bepaald.
Alle andere gerechtelijke exploten voor de mark bestemd, geschieden op gelijke
wijze, ook daarvan wordt geene aanplakking vereischt.
Art. 9.
Bij het vonnis, waarbij de verdeeling der markgronden wordt gelast, benoemt de
Rechtbank een Rechter-Commissaris, door wien, na verhoor of behoorlijke oproeping van
het markbestuur, eene commissie van drie of\' vijf personen, bij voorkeur uit de markge-
nooten, en een landmeter worden benoemd.
Abt. 10.
De termijn van hooger beroep van elk vonnis in de procedure tot verdeeling van
markgronden is van ééne maand, te rekenen van den dag der uitspraak.
Zoodra het vonnis of arrest, waarbij de verdeeling van markgronden is gelast, in
kracht van gewijsde is gegaan, wordt door den Rechter-Commissaris een uittreksel daarvan
openbaar gemaakt door aanplakking ter plaatse in artikel 5 omschreven en door aankon-
diging in een of\' meer door hem aan te wijzen nieuwsbladen.
§ 4. Van de gerechtelijke verdeeling.
Abt. 11.
De Rechter-Commissaris bepaalt tijd en plaats der bijeenkomst, waarop allen die,
hetzij als markgsnooten, hetzij wegens de uitoefening van eenig zakelijk recht, hetzij
wegens eene huurovereenkomst, bij de verdoeling belang hebben, voor hom kunnen ver-
schijnen, persoonlijk of\' bij schriftelijk daartoe gemachtigden.
Hij doet zijne beschikking aanplakken op de wijze in art. 5 omschreven.
Abt. 12
Op den bepaalden tijd wordt de bijeenkomst gehouden onder voorzitterschap van
den Rechter-Commissaris, bijgestaan door den Griffier der rechtbank en in het bijzin der
in artikel 9 vermelde commissie of\' deze daartoe opgeroepen zijnde, die zoo noodig inlich-
tingen geeft.
Indien er geschil blijkt te bestaan over iemands aandeel in, of recht op de mark-
gronden of over iemands recht als huurder van die gronden, en de Rechter-Commissaris
partijen niet kan vereenigen, verwijst hij haar, voor zoover het geschil niet reeds aan-
hangig is, naar eene door hem te bepalen zitting van de rechtbank.
Deze verwijzing vervangt de dagvaarding.
De zaak wordt als summiere zaak behandeld.
-ocr page 22-
16
Art. 13.
Van de verschijning en de opgaven der belanghebbenden en van hunne verwijzing
naar de rechtbank wordt door den Rechter-Commissaris proces-verbaal opgemaakt.
Tevens wordt door hem eene voorloopige lijst samengesteld van hen wier rechten
niet zijn betwist, met vermelding van den aard en den omvang van ieders recht.
Indien de werkzaamheden niet op één dag kunnen afloopen, verdaagt de Rechter-
Commissaris de zitting tot een anderen dag zonder nadere oproeping en maakt daarvan
melding in het proces-verbaal.
Art. 14.
De lijst van rechthebbenden ligt met het proces-verbaal gedurende vier weken op
de griffie der rechtbank, en een door den Rechtei-Commissaris geteekend afschrift daarvan
op de secretarie der gemeente of gemeenten, waarin de markgronden gelegen zijn, kosteloos
ter inzage, terwijl ieder daarvan voor zijne rekening afschrift of uittreksel kan bekomen
Van deze ncderlegging wordt door den Rechter-Commissaris kennis gegeven door
aanplakking op do wijze in artikel 5 omschreven, met bepaling van tijd en plaats waarop
eene nadere bijeenkomst zal gehouden worden
Art. 15.
Jn de nadere bijeenkomst is ieder belanghebbende, ook de tot dusver niet verschenen,
bevoegd, zijne rechten te doen kennen on het recht van anderen te betwisten, onver-
scliillig of deze al dan niet reeds op de lijst van rechthebbenden zijn geplaatst.
Do bepalingen van de artikelen 12 en 13 zijn op de nadere bijeenkomst van
toepassing.
Art. 16.
De lijst van rechthebbenden, volgens de nadere opgaven gewijzigd en aangevuld,
wordt met liet proces-verbaal door den Rechter-Commissaris ter griffie der rechtbank, on
een door den Rechter-Commissaris geteekend afschrift daarvan op de secretarie der ge-
meente of gemeenten, waarin do markgronden gelegen zijn, nedergelegd, op den voet
van art. 14.
Van die nederlegging wordt door hem kennis gegeven door aanplakking op de
wijze in art. 5 omschreven.
Binnen vier weken na die aanplakking kunnen belanghebbenden tegen den inhoud
dezer lijst bij do rechtbank in verzot komen.
Die bevoegdheid wordt in de bij het tweede lid voorgeschreven kennisgeving
vermeld.
Het verzet wordt als summiere zaak behandeld.
Art. 17.
Indien bij het einde van dat tijdsverloop geen verzet is gedaan, en geen verschil
als bedoeld bij art. 12 aanhangig is, wordt de lijst door den Rechter-Commissaris gesloten
en onderteekend.
Is op dat tijdstip verzet gedaan of eenig geschil aanhangig, zoo geschiedt de
sluiting en onderteekening van de lijst, zoodra de uitspraak des rechters in kracht van
gewijsde is gegaan.
Na de sluiting en onderteekening van de lijst wordt niemand dan die daarin als
zoodanig vermeld wordt, als rechthebbende erkend.
Art. 18.
Zoodra de lijst van rechthebbenden is gesloten, wordt overgegaan tot het opmaken
van een plan van verdeeling der markgronden door den Rechter-Commissaris onder voor-
lichting van de in artikel 9 vermelde commissie of deze althans daartoe opgeroepen
zynde, bijgestaan door den landmeter.
-ocr page 23-
17
Abt. 19.
De Rechter-Commissaris doet door den landmeter eene kaart der markgronden ver-
vaardigen, waarop worden aangewezen, zoowel de bestaande wegen en waterleidingen
die onveranderd behouden worden, als die welke ten openbaren dienst, door de zorg der
commissie, voor rekening der mark worden aangelegd of verbeterd.
De in art. 9 bedoelde commissie geeft zoowel den Rechter-Commissaris als den
landmeter de inlichtingen, die zij wenschelijk acht te verstrekken of die vanhaar worden
verlangd.
Een afschrift der kaart met eene beschrijving, behelzende de breedte der wegen
en de breedte en diepte der waterleidingen, wordt door den Rechter-Commissaris ter
goedkeuring toegezonden aan het bestuur der gemeente of gemeenten, waarin de mark-
gronden gelegen zijn.
Art. 20.
Indien door het bestuur eener gemeente binnen drie weken geen beschikking aan
den Kechter-Commissaris door een daartoe bevoegden ambtenaar is beteekend, wordt,
voor zooveel die gemeente betreft, de goedkeuring geacht te zijn verleend. Van die al
of niet beteekening geeft de Rechter-Commissaris kennis, aan ieder der leden van de in art.
9 bedoelde commissie.
Indien een gemeentebestuur zijne goedkeuring weigert, is de Rechter-Commissaris
zoowel als de commissie bevoegd, binnen drie weken na de beteekening daarvan, in hooger
beroep te komen bij Gedeputeerde Staten.
Wordt het besluit van Gedeputeerde Staten door Üns op grond van strijd met de
wet of het algemeen belang vernietigd, dan hebben deze opnieuw over de zaak uitspraak
te doen met inachtneming van Onze beslissing.
Art. 21.
Het onderhoud van de ten openbaren dienst bestaande of door de zorg der commissie
aan te leggen of te verbeteren wegen en waterleidingen met de daartoe behoorendo
kunstwerken komt, tegen eene billijke vergoeding, ten laste van de gemeenten waarin de
markgronden gelegen zijn.
Bij verschil tusschen de commissie en een gemeentebestuur over do aanvaarding
in onderhoud dezer wegen en waterleidingen, kan do beslissing van Gedeputeerde Staten
worden ingeroepen en is het laatste lid van art. 20 van toepassing.
Geschillen over de billijke vergoeding voor dit ondorhoud te ontvangen, beslist
de rechter.
Abt. 22.
Door de gerechtelijke verdeeling worden de bestaande overeenkomsten van huur
en verhuur van markgronden verbroken, behoudens schadeloosstelling van de huurders
overeenkomstig art. 23.
Art. 23.
De commissie waardeert de verschillende gronden met het oog op hun aard en ligging.
Zij bepaalt den aard en de hoegrootheid der schadeloosstelling te ontvangen voor
het gemis van zakelijke rechten en voor het verbreken van verhuringen.
Zn\' maakt de kavelingen waarbij aan ieder rechthebbende zyn aandeel wordt
toegedeeld, met inachtneming van het bij art. 24 bepaalde.
Zij doet op de kaart brengen de uit- en overwegen naar en van den openbaren
weg en de waterloozingen naar de openbare waterleiding.
Zij onderwerpt een en ander aan de goedkeuring van den Rechter-Commissaris.
-ocr page 24-
JS
Art. 24.
Aan hen, die alleen krachtens ingezetenschap tot het genot van markgronden
gerechtigd zijn, zonder zelf een eigendomsrecht te hebben, wordt geen aandeel toebedeeld,
doel) aan de gemeente of afdeeling eener gemeente, aan welker ingezetenschap zij dat
genot ontleenen, wordt een derde gedeelte toebedeeld van het aandeel, dat zij verkrijgen
zouden indien hun recht dat van eigendom ware, welk gedeelte wordt gekort op het
aandeel van ieder der overige markgenooten naar evenredigheid.
Die toebedeeling aan de gemeente of afdeeling heeft niet plaats indien deze zelve
een recht van eigendom heeft op het gedeelte, tot welks genot hare ingezetenen gerechtigd
zijn, en haar op dien grond een aandeel wordt toebedeeld.
Zij, die krachtens ingezetenschap tot hot genot gerechtigd waren, blijven zulks
voorvvat betreft het aan de gemeente of afdeeling toebedeelde aandeel, tenzij hun recht
wordt afgekocht tegen schadeloosstelling, door scheidsmannen in oneffen getal te bepalen,
op wier benoeming, werkzaamheden en beslissing de artikelen 624 en volgende van den
eersten titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
toepasselijk zijn.
Art. 25.
De door den Rechter-Commissaris goedgekeurde verkaveling, met vermelding van
het bedrag der toegekende schadeloosstellingen, ligt met toelichting gedurende vier weken
voor belanghebbenden ter inzage op het huis der gemeente of gemeenten, waar de mark-
gronden gelegen zijn.
De Rechter-Commissaris geeft van deze nederlegging kennis door aanplakking op
de wijze in art. 5 omschreven, met bepaling van tijd en plaats waarop belanghebbenden
voor hem kunnen verschijnen, persoonlijk of\' bij schriftelijk daartoe gemachtigden, ten
einde hunne bezwaren te doen kennen.
Abt. 20.
Op de bijeenkomst met belanghebbenden is de commissie tegenwoordig tot het
geven van inlichting.
Indien belanghebbenden bezwaren hebben of onderling van stukken grond weiischeii
te ruilen, geven zij dat op die bijeenkomst Ie kennen.
Van het aldaar verhandelde wordt door den Rechter-Commissaris proces-verbaal
opgemaakt
Bij gebreke van overeenstemming, verwijst do Rechter-Commissaris partijen naar
eene door hem te bepalen zitting der rechtbank.
Deze verwijzing vervangt de dagvaarding.
De zaak wordt als summiere zaak behandeld.
Art. 27.
Indien naar aanleiding der bijeenkomst wijziging wordt gebracht in de verkaveling
of schadeloosstelling, liggen deze wijzigingen, met het proces-verbaal, gedurende veertien
dagen andermaal voor belanghebbenden ter inzage.
Voor deze nederlegging en de daarop volgende bijeenkomst, zijn de bepalingen
van de artt. 25 on 20 van toepassing.
Art. 28.
Na afloop der laatste bijeenkomst of, indien er clan nog eenig geschil aanhangig
is, zoodra de uitspraak des rechters in kracht van gewijsde is gegaan, maakt een door
den Rechter-Commissaris aangewezen notaris eene akte van scheiding op.
Zij wordt onderteekend door de commissie en den Rechter-Commissaris, en over-
geschreven in de openbare registers, ten bewijze van overdracht der toegedeelde en
geruilde gronden.
Zoolang de akte van scheiding niet in haar geheel in de openbare registers is
-ocr page 25-
19
overgeschreven, kan ieder, aan wien daarbij gronden worden toegedeeld, een uittreksel
der akte voor wat betreft de hem toegedeelde en door hem in ruil genomen gronden in
de openbare registers doen overschrijven ten bewijze van overdracht.
Abt. 20.
Gedurende de werkzaamheden tot de gerechtelijke verdeeling kunnen, nadat vooraf\'
de markgenooten door het bestuur zijn opgeroepen, de markgronden verkocht worden,
wanneer een verkoop van het geheel bij meerderheid van stemmen der aanwezige
markgenooten, of aan een deel door den Rechter-Commissaris, op voordracht der commissie,
noodzakelijk wordt geacht.
In beide gevallen geschiedt die verkoop in het openbaar door het inarkbestuur,
ten overstaan van den door den Rechter-Commissaris aangewezen notaris.
Indien binnen zes maanden na de dagteekening van liet besluit der markgenooten
tot verkoop of na de mededeeling van het markbestuur door den Rechter-Commissaris
van zijno zienswijze omtrent gedeeltelijken verkoop, het markbestuur dien verkoop niet
heeft doen plaats hebben, geschiedt deze door de zorg der in art. \'J vermelde commissie.
Art. 30.
De verdeeling, alsmede do daartoe noodige verkoop van markgronden, hebben plaats
ook indien daarin het Kroondomein, de Staat, provinciën, gemeenten of waterschappen mede-
gerechtigd zijn, en indien er onder de belanghebbenden mochten zijn afwezigen, minder-
jarigen of andere personen, die de vrije beschikking over hunne goederen missen, zonder
dat voor hen eene bijzondere machtiging vereisclit wordt.
Bewindvoerders, voogden en curators zijn verplicht de afwezigen, de minderjarigen
en de onder curateele gestelden bij deze verdeeling of verkoop te vertegenwoordigen en
hunne belangen waar te nemen.
De vermoedelijke erfgenamen en legatarissen, die in het bezit van de goederen van
een afwezige zijn getreden, overeenkomstig de artikelen 528 en 531 van het Burgerlijk
Wetboek, oefenen bij deze verdeeling of verkoop dezelfde rechten uit als aan den
afwezige zelf zouden toekomen.
Art. 31.
Aan de commissie wordt op hare aanvraag door de bewaarders kosteloos inzage
gegeven van de betrekkelijke kadastrale stukken, plans en registers.
Abt. 32.
Alle kosten uit de verdeeling voortvloeiende benevens die van de verdeeling zelve der
markgronden komen ten laste van de medegerechtigden in evenredigheid van ieders
aandeel; die van de geschillen ten laste van de verliezende partij, behoudens de toepas-
selijk van art. 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Art. 33.
Indien de kas der mark niet toereikend is om de kosten uit de verdeeling voort-
vloeiende en die van de verdeeling zelve te bestrijden, kan zoowel de Rechter-Commissaris
als de in art. 9 bedoelde commissie een voorschot vorderen van dengene, die eene vor-
dering tot verdeeling heeft ingesteld.
Art. 34.
De commissie doet rekening van hare werkzaamheden aan den Rechter-Commissaris
en draagt het saldo met het afschrift der goedgekeurde rekening aan het bestuur dei-
mark over.
-ocr page 26-
20
Art. 35.
De laatste bestuurders zijn met de overneming der zaken en het opmaken der
slotrekening belast.
Deze rekening wordt gedaan aan de gewezen markgenooten op dezelfde wijze als
gedurende het bestaan der mark plaats vond.
Door de gewezen \'markgenooten wordt naar evenredigheid van ieders aandeel het
voordeelig slot genoten of het nadeelig slot gedragen.
Allo boeken, kaarten en papieren, die tot het markbeheer behoord hebben, worden
overgebracht naar de verzameling van \'s Rijks oude archieven in de provincie, waar de
markgronden of het grootste deel daarvan, gelegen waren.
Belanghebbenden hebben recht tot kostelooze inzage en tot het verkrijgen van
afschriften of uittreksel voor hunne rekening.
§ 5. Slot- en overgangsbepalingen.
Art. 36.
Zij, die op den lHtcn Januari 1886 als markgenooten in de boeken of schrifturen
der mark bekend staan, worden als zoodanig aangemerkt, behoudens tegenbewijs.
Zij, die op hetzelfde tijdstip als bestuurders der mark in de boeken of schrifturen
der mark bekend staan, of op andere wijze als zoodanig zijn erkend, blijven als zoodanig
aangemerkt, totdat zij door anderen op de by de mark gebruikelijke wijze zijn vervangen,
of een bestuur overeenkomstig het eerste lid van art. 37 is benoemd.
Art. 37.
Binnen drie maanden na het in werking treden dezer wet doen de bestuurders
opgaaf van hunne namen en woonplaatsen, alsmede van de plaats voor de zittingen
bestemd, aan het bestuur der gemeente of aan de besturen dei- gemeenten waarin de mark-
gronden gelegen zijn.
Zoodra in (leze namen of plaatsen eenige verandering voorvalt, geschiedt daarvan
gelijke opgaaf.
Deze opgaven worden niet beschouwd als eene erkenning, dat de betrokken
gronden markgronden in den zin dezer wet zijn.
Van de ingekomen opgaven wordt door het gemeentebestuur openbare bekend-
making gedaan en aanteekening gehouden in een openbaar register.
Alle gerechtelijke exploiten worden gedaan aan de besturen, voor zoover zij in de
daarvoor gehouden registers bekend staan, en anders aan het hoofd van het gemeente-
bestuur of aan de hoofden der gemeentebesturen, die het oorspronkelijke voor gezien
zullen teekenen.
Art. 38.
Indien eene mark op den lston Januari 1886 geen bestuur heeft of geen bestuurders
volgens het eerste lid van art. 36 zijn opgegeven of de bestuurders aftreden zonder door
andere te worden vervangen op de bij de mark gebruikelijke wijze, wordt door den
Commissaris des Konings in de provincie waarin de markgronden of het grootste deel
daarvan gelegen zijn, een bestuur van drie leden, bij voorkeur uit de markgenooten,
benoemd.
Bij de benoeming wordt tevens voorgeschreven, op welke wijze de in art. 6
vermelde oproeping en stemming zullen plaats hebben wanneer geene reglementen van
de mark daaromtrent bestaan.
De benoemden geven binnen drie maanden na hunne benoeming aan het gemeente-
bestuur de plaats op, waar zij zitting zullen houden.
De bepalingen van het tweede, vierde en vijfde lid van het voorgaand artikel
zijn in dit geval toepasselijk.
-ocr page 27-
Bijlage B1
J)1&aAJu>e*Aeef!ingcvL i*v <&4>4Atyt£e&
rScfycuxJ/ 1 o. 5 000.
-ocr page 28-
21
Art. 39.
Bij verhindering, afwezigheid nf ontstentenis van een lid der commissie wordt
door den Rechter-Commissaris een ander benoemd om dat lid voor zookmg noodig te
vervangen.
De leden der commissie die buiten de markgonooten zijn benoemd, ontvangen
een door den Rechter-Commissaris te bepalen salaris.
Deze regelt insgelijks het salaris van den landmeter, in overleg met de commissie.
Art. 40.
Van het recht van registratie zijn vrijgesteld:
a.   de gerechtelyke stukken en uitspraken in rechtsgedingen op grond van deze
wet ingesteld;
b.   de akten en processen-verbaal door den Rechter-Commissaris of door dein art. 9
vermelde commissie krachtens deze wet opgemaakt.
In geval van verkoop van markgronden aan een markgenoot worden de rechten
van registratie en overschrijving slechts geheven na aftrek van des koopers aandeel in
ai de verkochte markgronden.
Het laatste lid van art. 7 en art. 9 der wet van 11 Juli 1882 (Staatsblad No. 92)
tot wijziging der bepalingen betreffende de heffing der rechten van registratie, zijn niet
van toepassing op de akten van verdeeling van markgronden.
Art. 41.
De wetten van 10 Grasmaand 1809 ter bevordering van het ontginnen van woeste
gronden, en van 10 Bloeimaand 1810 over de wijze van stemmen bij marken enz. worden
ingetrokken.
•
-ocr page 29-
Bijlage B2
V/e^öee&fi^p Gimmüvoui Zwifa***; ctvJ>\\t9^u£ivixJt^vc4
7»°_______^J*________^oo
Scfycuxiï 1 U> 5QQQ%
-ocr page 30-
Bijlage C.
DE FRANSCHE WETGEVING OP DE ASSOCIATIONS
SYNDICALES.
Deze „Associations" wonion beheerscht door de wot van 21 Juni 1865, gewijzigd
en uitgebreid door de wet van 22 December 1888. In haar thans van kracht zijnden
vorm wordt zij hieronder medegedeeld. Bovendien geeft een wet van 10 December 1888
eenige andere voorschriften omtrent de vereenigingen, \' opgericht uitsluitend tot
bestrijding der phylloxera. Eindelijk is nog van kracht een decreet van 9 Maart 1894
„portant reglement d\'administration publique sur les associations syndicales". De
lioofdinhoud van dit decreet wordt in het onderstaande samengevat.
1.    Algemeene bepalingen. Onder de „association syndicale" wordt verstaan
de vereenigde eigenaren, onder „syndicat" het bestuur der vereeniging. De ver-
plichtingen der vereenigingen bezwaren alle goederen binnen de grenzen der vereeniging
liggende.
2.     Vrije vereenigingen. Bij de akte wordt eene nauwkeurige omschrijving der
vereenigde goederen gevoegd, en alle stukken binnen een maand na de oprichting aan
den prefect gezonden. Voorts bevat dit hoofdstuk de omschrijving van hetgeen volgens
Art. 6 der wet moet worden gepubliceerd on de daaraan verbonden formaliteiten.
3.    Geautoriseerde vereenigingen. Als de prefect oordeelt dat een ontwerp-vereeni-
ging voor oen nader onderzoek in de termen valt, besluit hij tot de enquête volgens
Alt. 10 der wet. Het project der akte, aan de enquête onderworpen, bevat: de zetel
der vereeniging, haar doel en de middelen waarop zij dit doel zal bereiken, de voorziening
in de kosten, het minimum belang dat een eigenaar recht geeft deel te nemen aan de
algemeene vergadering van belanghebbenden, maximum door een persoon uit te brengen
stemmen, maximum aantal volmachten aan één persoon af te geven, het aantal te
benoemen bestuursleden (syndics), de duur hunner functies, de voorwaarden der verkies*
baarheid en het tijdstip van de jaarlijkscho algemeene vergadering van belanghebbenden.
Het dossier wordt op het gemeentehuis tor inzage gelegd met een register waarin
belanghebbenden hunne opmerkingen kunnen maken, alle betrokken eigenaars worden
aangeschreven, door den prefect wordt een buiten deze belangen staande commissaris
benoemd, die zitting houdt tot het aanhooren van bezwaren en ten slotte een en ander
met zijne opmerkingen aan den prefect terugzendt.
Na de enquête schrijft de prefect een algemeene vergadering uit van de betrokken
eigenaars en benoemt daarvan den voorzitter. Het proces-verbaal dezer vergadering
(het decreet schrijft voor wat dit bevatten moet) wordt aan den prefect gezonden, die
verder do noodige maatregelen neemt voor de oprichting der vereeniging.
De vereeniging heeft als admistratieve organen de algemeene vergadering, de
syndics en den directeur. Het decreet geeft uitvoerige bepalingen omtrent de vergade-
ring, hare leiding, convocatie, stemrecht, volmachten enz. De vergadering besluit omtrent
leeningen tot een grootor bedrag dan dat waartoe do syndics eventueel gemachtigd zijn,
omtrent wijzigingen of ontbinding der vereeniging en alle andere quaesties die haar bjj
de statuten gereserveerd zijn. De syndics zijn aan haar verantwoording schuldig omtrent
hun beheer.
-ocr page 31-
28
Het syndicaat bestaat uit leden gekozen:
a.  door de algemeene vergadering of in het geval van art. 22 der wet door den prefect;
b.   door den prefect, de departementale commissie, de gemeenteraad of de kamer
van koophandel, in het geval van art. 23 der wet.
Het syndicaat heeft niet alleen do uitvoerende macht, maar stelt ook het budget
en de kohieren der belastingschuldigen vast; het behoeft de machtiging der algemeene vei-
gaderlng niet om in rechten te kunnen optreden, het sluit zelf leeningen, voor zoover deze
bevoegdheid niet bij de vergadering berust. De leeningen behoeven echter de goedkeuring
van den minister of den prefect.
Het syndicaat benoemt een directeur; deze voert de besluiten van het syndicaat
uit, vertegenwoordigt do vereeniging in rechten en tegenover derden, presideert de
vergaderingen, is verantwoordelijk voor het archief en legt rekening en verantwoording
af aan het syndicaat.
Het syndicaat maakt de kohieren van den aanslag op, waartegen hooger beroep
bestaat bij den „conseil de préfecture". Grondslag van den aanslag moet zijn het
belang dat het belaste perceel heeft bij de uitvoering der werken.
De ontwerpen der nieuw uit te voeren werken moeten aan de goedkeuring
worden onderworpen van den prefect, die toezicht kan laten houden op de goede uit-
voering en ze desnoods bij gebrekkige uitvoering of bij afwijking van het goedgekeurde
ontwerp geheel of gedeeltelijk kan laten afbreken en vernieuwen. Blijft het syndicaat
in gebreke bij het behoorlijk onderhoud der uitgevoerde werken, dan kan de prefect op
kosten der vereeniging daarin voorzien.
De jaarlijksche begrooting, opgemaakt door den directeur en vastgesteld door het
syndicaat, wordt opgezonden aan den prefect. Bemerkt deze dat men verzuimd heeft
daarin optenemen de noodige bedragen van aflossing op rente van schuld, of van het
noodzakelijk onderhoud van werken dan kan hij de daarvoor noodige bedragen alsnog
laten opnemen.
Voor het innen van belastingen, het doen van betalingen, enz.wordt oen ontvanger
benoemd.
Verder bevat het zeer uitvoerige decreet (75 artikelen) bepalingen omtrent do
wijziging der statuten, ontbinding der vereeniging, benevens een aantal administratieve
voorschriften waarop, als minder noodig voor een behoorlyk begrip der organisatie niet
nader wordt ingegaan.
De text van de wet van 22 December 1888 is de volgende:
Loi du 22 déeembre 1888 ayant pour objet
de modifler la loi du 21 juin 1865 sur les associations syndieales.
TITRE I.
Des associations syndieales.
Article 1.
Peuvent ètre 1\'objet d\'une association syndicale, entre propriétaires interesses,
1\'exécution et 1\'entretien de travaux:
1°. De défense contre la mer, les fleuves, les torronts et rivières navigables
ou non navigables;
2°. De curage, approfondissement, redressemont et régularisation des canaux et
cours d\'eau non navigables ni nottables et des canaux de desséchement et
d\'irrigation;
3°. De desséchement des marais;
*
-ocr page 32-
24
4n. Des étiers et ouvrages nécessaires ii 1\'exploitation des marais salants;
óo. D\'assainissement der terres humidos et insalubres;
(i°. „D\'assainissement dans les villes et faubourgs, bourgs, villages et hameaux ;
7". „D\'ouverture, d\'élargissements, dt prolongement, de parage des voiea publiques
„et de toute autre amélioration ayant un caractère d\'utilité publique dans
„les villes et iaubourgs, bourgs, viilages ou hameaux ;
8". D\'irrigation et de colmatage;
9°. De drainage;
10°. De chemins d\'exploitaüon et do toute autre ainéliorisatioii agrieole d\'intérèt
colleetif.
Art. ±
Les assuciations .syndicalos simt libros ou autoriseer.
Akt. 3.
Kilos peuvent ester en juslice pardours syndics, aequérir, veiidro, óchangor, transiger,
ompruuter, et hypothéquor.
Akt. 4.
L\'adhésion a uno association syndicale est valablemont donnéo par les fcutours,
par les unvoyés en possession provisoiro et par tuut représentant légal pour lus biens
des mineurs, des intordits, des absents et autres incapables, après autorisation du tribuual de
la situatien des biens donnéo sur simple requèto en la chambre du conseil, lo ministère
public entondu. Cotto dispositon est applieable aux immeublos dotaux et aux majorats.
„Pourront adhérer a une association syndicale, los préfots pour les biens des
„départernents, s\'ils y sont autorisés par délibération du conseil général; les mairos ou
„administrateurs pour les biens des communes ou des établissemonts publiés, s\'ils y sont
„autorisés par délibération du conseil municipal ou du conseil d\'administratiun; pour les
„biens c.e 1\'Etat, Ie ministro des finances."
TITRE II.
Des associations syndicales libres.
Auï. 5.
Les associations syndicales libres se torment saus l\'intcirvoution ut d\'adininistratioii.
Le consentement unanimo des associés doit êtro eonstaté par éerit.
L\'acte d\'association speeifle le but de 1\'ontrepriso; il règlo le mode d\'adiniiiistra-
bion de la sociétó et Jixe les limites du inandal conflé aux administrateurs ou syndics;
il détennine les voios et inoyens nécessaires pour subveiiir a la dépense, ainsi que Ie
mode do rocouvrement des cotisations.
Akt. 0.
Un extrait du 1\'acle d\'association devra, dans le délai d\'un mois a partir de sa,
dato, être publié dans un Journal d\'annonces légales de 1\'arrondissoment ou, s\'il n\'eii
existe aucun, dans 1\'un des journaux du département. Il sera, on outre, transmis au
préfet et inséré dans le rocueul des aetes de la préfecture.
Abt. 7.
A défaut de publication dans un journal d\'annonces légales, 1\'association nejouira
pas du bénófices de Partiele 3. L\'omission de cette formalité ne peut être opposée aux
tiers par les associés.
-ocr page 33-
25
Abt. 8.
Les associations syndicales libres peuvent être converties en associations autorisées
par arrèté préfectoral, en vertu d\'une délibération prise par 1\'assemblée générale, confor-
mément a Partiele 12 ci-après, sauf les dispositions contraires qui pourraient résulter de
1\'aete d\'association.
Elles jouissent, dès lors, des aventages accordés ii ces associations par les artieles
15, 16, 17, 18 et 19.
TITRE III.
Des associations syndicales autorisées.
Art. 9.
„Les propriétaires intéresses aux travaux spéciflés dans les six premiers numéros de
„Partiele ln pourront être réunis par un arrèté préfectoral en associations syndicales
„autorisées soit sur lo demande d\'un ou do plusiours d\'entre eux, soit sur 1\'initiative du
„maire ou du préfet. Les propriétaires intéresses aux travaux compris dans les Nus 7,
„8, 9 et 10 du memo article pourront être réunis dans les mèmes conditions en asso-
„riations syndicales autorisées, lorsque ces travaux auront été reconnus d\'utilité publique
„par un décret rendu on conseil d\'Etat.
„Dans los cas prévus par les numéros ft, 7, 8, 9 et 10 aucun travail ne pourra
„être entrepris que sur 1\'autorisation du préfet. Cette autorisation ne pourra être donnéo
„qu\'après payement préalable des indemnités de délaissoment et d\'expropriation ut quo
„si les membres de 1\'association syndicale autoriséü ont garanti Ie payement des travaux,
„des fournitures et des indemnités pour dommage, au moyon de süretés accepteis par
„los parties intéressées ou détorminées, en cas de désaccord, par Ie tribunal civil.
„En cas d\'insolvabilité de 1\'association syndicale, les tiers qui ont éprouvé un
„dommage par suite de 1\'exécufcion des travaux ont un roeours contro la communo, contro
„Ie département ou contro 1\'Etat, si la commune, Ie département ou 1\'Etat est intéresse
..aux travaux et en a proflté".
Art. 10.
Lo préfet soumet a une enquête administrative, dont les fornies soront détormiuétw
par un reglement d\'administration publique, les plans, avant-projets et devis des travaux,
aiusi que Ie projet d\'association.
Le plan indique Ie périmétro des terrains intéresses et est accompagué do 1\'état
des propriétaires de chaque parcelle.
Le projet d\'association spécifie le but de 1\'entreprise et détormine les vuies et
moyens nécessaires pour subvenir ii la dépense.
Art. 11.
Après l\'onquêto les propriétaires qui sont présumés devoir profltor des travaux
simt convoqués en assemblee générale par le préfet, qui en nommo le président, sans
être tenu de le choisir parmi les membres de 1\'assemblée.
„Dans le cas oii la commune ne flgure pas parmi les propriétaires présumés
„intéresses, le maire, sur 1\'initiative de qui 1\'assoeiatiou syndicale a été constituée, a
„néanmoins entree a 1\'assemblée générale, mais avec voix consultative seulomont. Le
„même droit appartient au préfet qui a pris 1\'initiative, si 1\'Etat ou le département ne
„flgure pas parmi les propriétaires présumés intéresses. Le préfet et lo maire peuvent
„se faire représentor ii 1\'assemblée générale".
Un proces-verbal constate la présenco des intéresses et le résultat de la délibé-
ration. Il est signé par les membres presents et mentionno 1\'adhésion de ceux qui no
savent pas signer.
L\'acte contenant le consentoment par écrit de ceux qui 1\'ont onvoyé on cette
formo ost montionné dans ce proces-verbal et y resto annexé.
Le proces-verbal est transmis au préfet.
-ocr page 34-
26
Abt. 12.
„Pour les travaux spécifiéa aux N\'*. 1, 2, 3, 4, et 5 de 1\'article Pr, si la majoritó
„des interesses, représentant au inoins les deux tiera de la superflee, ont donné leur
„adhésion, Ie préfet autorise, s\'il y a lieu, 1\'association.
„Pour les travaux speciflés aux N"s. 6, 7, 8, 9 et 10 du mème artiele, Ie préfet
Bno pourra autoriser 1\'assoeiation qu\'au cas d\'adhésiou des trois quarts des intéresses
„représentant plus des deux tiera de la superfleie et payant plus de deux tiers de 1\'impót
„foncier afféreut aux imineubles, ou des deux tiers des intéresses représentant ]ilus des
..trois quarts de la superfleie et payant plus des trois quarts de 1\'impót foncier afférent
..aux inimeubles.
„Un oxtrait de 1\'aeto des associations et 1\'arrètc du préfet en cas d\'autorisation,
„et, en cas de refus, les arrêtés du préfet sont affiches dans les communes de la situation
„des lieux et insérés dans ie reuueil des actes de la préfecture.
„Pour les travaux speciflés dans les paragraphes (5 et 7 de 1\'article Iir, l\'autori-
„sation du préfet devra être précédée d\'un avis conforme du conseil municipal, si les
„travaux intéressent la commune; die conseil général, si les travaux intéressent Ie
„département; et de cos deux assemblees, si les travaux intéressent a la fois la commune
„et Ie département."
Akt. 13.
Les propriétaires intéresses et les tiers peuvent déférer eet arrêté au ministre
des travaux publics dans Ie délai d\'un mois ii partir de 1\'atfiche.
Le recours est déposé a la préfecture et transmis, avec ie dossier au ministre
dans le délai de quinzo jours.
Il est statué par un décret rendu en conseil d\'Etat.
Art. 14.
„S\'il s\'agit des travaux speciflés aux N°". 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 et 10 de 1\'article
,.I"\', les propriétaires qui n\'auront pas adhéré au projet d\'association pourront, dans le
„délai d\'un mois ci-dessus déterminé, déclarer a la préfecture qu\'ils entendent délaisser,
„ïnoyennant indemnité, les terrains leur appartenant et compris dans le périmètre. Il
„leur sera donné réeépissé de la déclaration. L\'indemnité a la cbarge de 1\'association
„sera fixée conformément ii la loi du 3 mai 1841 pour les travaux speciflés aux Nos. 6,
„et 7 de 1\'article Iur, et conformément a 1\'article 10 de la loi du 21 mai 1830 pour les
„travaux énumérés aux N°\\ 4, 5, 8, 9, et 10.
„.Si des biens de mineurs, d\'mterdits, d\'absents ou autres incapables sont compris
„dans le périmètre, les tuteurs, ceux qui ont été onvoyés en possession et tous repré-
„sentants des incapables peuvent, après autorisation du tribunal donnée sur requête en
„chambre du conseil, le ministère public entendu, déclarer qu\'ils entendent délaisser
„lesdits biens.
„Le tribunal ordonne les mesures de conservation. Ces dispositions sont applicables
„aux immeubles dotaux. Les préfets pourront, dans le mème cas, délaisser les biens
„dos départements, s\'ils y sont autorisés par délibération du conseil général; les maires
„ou administrateurs pourront délaisser les biens des communes et des ótablissements
„publiés, s\'ils y sont autorisés par délibération du conseil municipal ou du conseil
„d\'administration; le ministre des flnances peut délaisser les biens de 1\'Etat."
Art. 15.
Les taxes ou cotisations sont recouvrées sur des röles dressós par le syndicat
chargé de 1\'administration de 1\'association approuvés, s\'il y a lieu, et rendusexécutoires
par le préfet.
Le recouvrement est faite comme en matière de contributions directes.
-ocr page 35-
27
Abt. -10.
Les contestations rolatives 11 In flxation du périmètro des terrains compris dans
1 association, ;\'i la division des torraina en différente» clasiws, au classemont des propriétés
on raison do leur intérêt aux travaux, a la répartition dos taxes, a 1\'oxécution dc-s
travaux, aont jugées par Ie conseil do préfecture, sauf recours au eonseil d\'Etat.
Il est procédé a 1\'apurement de.s comptes do 1\'association aelon lea régies établies
pour los comptes des receveurs municipaux.
Art. 17.
Nul propriétaire compris dans 1\'association ne pouira, après Ie délai de quatre
inois, a partir de la notification du r<">le dos taxes, contester sa qualité d\'associé ou la
validité de 1\'association.
Art. 18.
„Dans Ie cas ou 1\'exécution des travaux entrepris par une association syndicale
„autorisée exige 1\'expropriation ilo terrains, il y est procédé conformément aux disposi-
„tions do la loi du 3 mai 1841, s\'il s\'agit do travaux spécifiés dans los numéros G et 7
„do Partiele Ier de la loi du 21 juin 1865, ot conformóment aux dispositions do la loi
„du 21 mai 1830, après declaration d\'utilitó publique, par décret rendu on oonseil d\'Etat,
„s\'il s\'agit d\'autres travaux"
Art. 19.
Lors qu\'il y a lieu h 1\'établissement de servitudes, conformément aux lois, au
profit d\'associations syudicales, los conteatations sont jugées suivant les dispositions de
Partiele "» do la loi du 10 juin 1854. \')
TITRE IV.
De la représentation de la propriété dans les assemblees générales.
Des syndics.
Art. 20.
L\'acte constitutif do chaquo association fixe Ie minimum d\'intérêt qui donne droit
a chaque propriétaire de ftüre partie de 1\'assemblée générale. Les propriétaires de parcelles
inférieures au minimum flxé peuvent se réunir pour se fairo représenter a 1\'assemblée
générale par un ou plusieurs d\'entro eux en nombre égal au nombre de fois (iue Ie mi-
nimum d\'intérêt se trouve compris dans leurs parcelles réunies.
L\'acte d\'association détermino Ie maximum de voix attribué a un mème proprié-
taire, ainsi que Ie nombre de voix attaché a, chaque usine d\'aprèa son importance, et ie
maximum de voix attribué aux usiniers réunis.
Art. 21.
Le nombre des syndics, leur répartition, s\'il y a lieu, entre diverses catégories
d\'intéressés et la durée de leurs fonctions seront déterminés par l\'acte constitutif de
1\'association.
Art. 22.
Les syndics sont élus par 1\'assemblée générale parmi les intéresses.
Lorsque les syndics doivent être pris dans diverses catégories, la liste d\'éligibilité
est divisée en sections correspondant a ces diverses catégories.
i). D\'apvès la loi du 10-15 juin 1854 sur lo libre óooulement des eaux provonant du drainage
toutes contostations sont portees en premier ressort dovant le jugo de paix du canton.
•
-ocr page 36-
28
Los syndics seront nommés par Ie préfet dans Ie cas ou 1\'assemblée générale, après
deux convocations, ne .se serait pas réunie ou n\'aurait pas procédé è, 1\'élection des syndics.
Abt. 23.
„Lorsque, sur la demande du syndicat, il lui est accordé une subvention par 1\'Etat,
„par Ie département, par une commune ou par une chambre de commerce, cette subven-
„tion donne droit, a la nomination, suivant les cas, par Ie préfefc, par la commission
„départementale, par Ie conseil municipal ou par la chambre de commerce, d\'un nombre
„de syndics proportion né a la part que la subvention représente dans 1\'ensemble de
„1\'entreprise".\').
Art. 24.
Les syndics élisent 1\'uti d\'eux pour remplir les fonctions de directeur, et, s\'il y
a lieu, un adjoint qui remplace Ie directeur en cas d\'absenco on d\'empèchement.
Le directeur et l\'adjoint sont toujours rééligiblos.
TITRE V.
Dispositions générales.
Art. 25.
A défaut, par une associatlon, d\'entreprendre les travaux en vue des quels
elle aura été autorisée, le préfet rapportera, s il y a lieu et après mise en demeure, 1\'arreté
d\'autorisation.
Il sera statué par un décret rendu en conseil d\'Etat, si 1\'autorisation a été accordée
en cette forme.
Dans le cas oü 1\'interreption ou le défaut d\'entretien dus travaux entrepris par
une association pourrait avoir des conséquences nuisibles a 1\'intérêt public, le préfet, après
mise en demeure, pourra faire procéder d\'ofrice ;i 1\'exécution dos travaux nécessaires
pour obvier a ces conséquences.
Art. 26.
La loi du l(i septembre 1807 et celle du 14 floréal an XI continueront arecevoir
leur exécution, ;ï défaut de formation d\'associations libres ou autorisées, lorsqu\'il s\'agira
de travaux spécifiés aux numeros 1, 2 et -5 de 1\'article Ior do la présente loi.
Toutefois il sera statué, a 1\'avenir, par le conseil de préfecture, sur les contestations
qui, d\'après la loi du 16 septembre 1807, devaient être jugées par uno commission spéciale.
En ce qui conoerne la perception des taxes, 1\'expropiiation et 1\'établissement do
servitudes, il sera procédé conformément aux articles 15, 16, 18 et 19 de la présente loi.
Abt. 27.
„Un reglement d\'administrations publique déterminera los dispositions nécessaires
pour 1\'exécution de la loi."
\') Il a ótó bien marquó devant lo sónat que los départements et communes pouvaient, au Hou
d\'uno subvention en argent, accorder une gaiantie d\'lntóröts aux emprunts émis par In syndicat. II osl-
liors «Ie doute que 1\'article 23 recevra alors sou application.
NB. De met „ aangehaalde gedeelten zijn die welke in de wet van
20 Juni 1865 niet voorkwamen.