-ocr page 1-
fr\\m
Br. ^/u.rvïïl; 3
f*
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
-ocr page 2-
-ocr page 3-
GESCHIEDENIS
VAN DE RIDDERSCHAP VAN UTRECHT
door Prof. Mr. W. F. "rins
-ocr page 4-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000007385739B
0738 5739
2
-ocr page 5-
GESCHIEDENIS
VAN DE RIDDERSCHAP VAN UTRECHT
ERRATA
Blz. 13 2de regel van boven: „calvinisische" te lezen:
„calvinistische"
Blz. 14 4de regel van boven: „da" te lezen: „dat"
Blz. 14 9deregel vanboven: „Nasau-Zuylestein" te lezen:
„Nassau-Zuylestein"
Blz. 14 15de regel van boven te beginnen met het leesteken (
Blz. 14 15de regel van boven: „respubliek" te lezen: „republiek"
Blz. 15 10de regel van onderen: „teken" te lezen: „tekent"
Blz. 16 7de regel van boven na „ingezetenen," toe te voegen het
leesteken ".
Blz. 20 13de regel van onderen: „gdheid" te lezen:: „gendheid"
Blz. 20 12de regel van onderen: „vonis" te lezen: „vonnis"
Blz. 21 13de regel van boven: „comporaties" te lezen:
„corporaties"
Blz. 24 13de regel van boven: „net" te lezen: „niet"
In staat A
Blz. 32 In de 10de naam: „Amerongenv an" te lezen: „Amerongen
van"
Blz. 33 Inde 1stenaam: „Notewisch" te lezen: „Natewisch"
f ii staat C
Blz. 34 doorhalen onder „Jhr. W. N. (de) Pesters van
Cattenbroek" dezelfde naam, die herhaald is zonder het
predicaat Jhr.
In de verwijzingen
Blz. 36 3deregel vanboven: „bzegin" te lezen „begin"
-ocr page 6-
INHOUD
blz.
§ 1. Ontstaan en betekenis der ridderschappen......            5
§2. De ridderschap van Utrecht tijdens de Republiek ...           12
§3. De ridderschappen van 1814-1850.........       17
§ 4. De ridderschap van Utrecht als politiek lichaam ....           22
§5. De ridderschap van Utrecht van 1851-1880.....           29
3
-ocr page 7-
4
-ocr page 8-
§1. ONTSTAAN EN BETEKENIS
DER RIDDERSCHAPPEN
De op 17 juli 1880 opgerichte vereniging „De Ridderschap van
Utrecht" is, in volgorde van tijd, de vierde corporatie, welke deze naam
mag dragen. Zij is weliswaar, gelijk blijken zal, niet de rechtsopvolgster
van haar drie voorgangsters-naamgenoten, maar daarom is haar benaming
nog niet willekeurig gekozen. Het spreekt vanzelf, dat de ridderschappen
van thans naar aard en functie aanzienlijk verschillen van de ridderschap-
pen, die in de landsheerlijke tijd een „stem in staat" hadden en ver-
volgens, gedurende de Republiek der Verenigde Nederlanden zelfs mede-
dragers werden van de provinciale souvereiniteit, en ook is het duidelijk,
dat haar positie een andere is dan die van de in 1814 herstelde ridder-
schappen, die als kiescolleges voor de provinciale staten een publiek-
rechtelijke taak uitoefenden, maar nochtans zijn de ridderschappen van
heden met deze lichamen verbonden als organisaties van tot de adelstand
behorende personen, die er blijkens hun lidmaatschap prijs op stellen
een traditie van eeuwen in stand te houden voorzover zulks onder de
huidige omstandigheden mogelijk en gepast is.
Voor ons hedendaags taalgevoel wekken de woorden „ridderschap" en
„ridder" onmiddellijk associaties met begrippen als „edel" en „ruiter",
maar zo is het niet altijd geweest. Ridder is de Nederlandse vorm van het
middelhoogduitse woord „Riter" of „Ritter", dat voor de eerste maal
omstreeks 1060 verschijnt en dan gebruikt wordt als vertaling van het
latijnse „miles"\', dat niet meer betekent dan krijgsman, gewapende. Het
daarvan afgeleide woord „Riterschaft", dat ongeveer zestig jaar jonger
is, duidt op de hoedanigheid van ridder of op de gezamenlijke ridders en
volgt in betekenis natuurlijk de ontwikkeling van het stamwoord, welke
ca. 1225 zover is voortgeschreden, dat „ridder" dan niet meer de vertaling
is van „miles", maar de specifieke benaming vandegeen die bereden ten
strijde trekt. Dat is in deze tijd niet typerend voor de edelman, doch voor
de welgestelde dienstman, die zich de weelde van een paard en een daarbij
passende uitrusting kan veroorloven. Uit deze klasse van gegoede dienst-
lieden, die voor hun diensten veelal door de landsheer beloond worden
met goederen, die zij door anderen laten bewerken, groeit de ridderschap
in zijn klassieke vorm, wier maatschappelijk aanzien weldra zo groot
wordt, dat het ook voor mannen van vrije en zelfs van edele geboorte
aantrekkelijk wordt toe te treden. Het onderscheid tussen edelgeborenen,
vrijen en dienstlieden gaat als gevolg daarvan minder tellen dan het
onderscheid tussen degenen, die als ridder of cnape tot de ridderschap
behoren en degenen, die daarbuiten staan. Voor de leden van de ridder-
schap staan de hoogste functies, niet alleen op militair gebied, open en
5
-ocr page 9-
deze bevoorrechte positie wekt dan, zoals gewoonlijk, de neiging op om
de groep naar beneden af te sluiten: de hoedanigheid van cnape is dan
niet meer bereikbaar voor ieder die over voldoende middelen beschikt
om als een ridder te leven (dat wil vooral zeggen: niet met zijn handen te
werken), men moet ,,ridderboortig" zijn, d.w.z. geboren uit een familie,
die van oudsher het leven van een ridder heeft geleid.
Dit proces is natuurlijk niet overal in gelijk tempo en vermoedelijk
nergens zo rechtlijnig verlopen als hiervoor werd geschetst, maar het
resultaat is wel geweest, dat op de duur de termen „ridder" en „edele" als
synoniemen worden gebruikt, al blijft men zich binnen de ridderschap
het onderscheid tussen mannen van edele en niet-edele herkomst nog
lang bewust. De edelgeborene die zich maatschappelijk niet kan hand-
haven is dan in de meeste streken reeds uit het gezicht verdwenen: hij
is opgegaan in zijn boerse omgeving, maar het komt wel voor, dat zijn
nazaten, wanneer de fortuin hun gunstiger is, later weer opduiken met
pretenties, die — al naar \'t valt — wel of niet gehonoreerd worden. x)
Het optreden van de gezamenlijke edelen (of een aantal van hen) als
een corporatie, die een stem in de staat heeft, hangt samen met de vor-
ming der landsheerlijkheden, territoriale rechtskringen binnen het ver-
band van het Rijk, waarvan de (geestelijke of wereldlijke) heren hun
gezag zodanig weten te consolideren, dat zij zich vrijwel als onafhanke-
lijke vorsten kunnen gedragen. Als landsheer hebben zij zekere — veelal
van de Keizer afgeleide — rechten, maar hun gezag is niet onbeperkt:
voor ingrijpende maatregelen als de invoering van nieuwe belastingen en
nieuwe wetten zijn zij aangewezen op de medewerking van „het gemene
land", dat zich uit kan spreken bij monde van de vertegenwoordigers der
erkende „standen". Zo ontwikkelt zich uit of naast de raad van de lands-
heer een vergadering van vertegenwoordigers dier standen, die allengs,
onder de naam van „staten" of „landdag" een vaste samenstelling krijgt.
Heeft de ridderschap eenmaal een erkend recht op een stem in de staat
verworven, dan ontstaat ook allicht de behoefte om haar zodanig te om-
lijnen, dat zij niet langer alle in het gewest gevestigde of gegoede edelen
omvat, doch alleen dezulken, die van oudsher tot de adel des lands be-
horen of daannede — met name uit hoofde van verzwagering met in-
heemse geslachten — op één lijn gesteld kunnen worden.
Het exclusivisme der als leden van de staat erkende ridderschappen is
ongetwijfeld in belangrijke mate gestimuleerd door de omstandigheid,
dat aan het lidmaatschap naast politieke invloed en uitzicht op hoge
ambten ook veelal directe materiele voordelen verbonden zijn. Men
denke b.v. aan het bestaan van jofferenstiften, die aan de ongehuwd ge-
bleven dochters van edelen een passend bestaan waarborgen en waarvan
6
-ocr page 10-
het belang zo hoog wordt aangeslagen, dat het in de tijd der Hervorming
voor de adel een punt van overweging wordt, hoe het bij een eventuele
overgang naar het Protestantisme met de goederen van deze stichtingen
zal gaan. De voorstelling, dat zij haar ontstaan en vermogen danken aan
de vrijgevigheid van vorige generaties van edelen geeft voet aan de leer,
dat de oude bestemming gehandhaafd dient te worden. Waar het, zoals
in de Noord-Nederlandse provinciën, zover komt, dat men de landsheer
de gehoorzaamheid opzegt, dient zich nog een tweede argument aan: als
mededragers van de souvereiniteit hebben de ridderschappen in ieder
geval aanspraak op een aandeel in de voormalige geestelijke goederen,
zoals zij ook een aandeel hebben in de door de staten te vergeven ambten.
Het is hier niet de plaats om in den brede uiteen te zetten, hoe het
proces der vorming van ridderschappen zich, in ieder gewest waar het
plaatsvond op eigen wijze, heeft voltrokken: wij volstaan met een korte
beschrijving van de toestand, zoals deze zich in de provinciën, die tot de
Republiek der Verenigde Nederlanden behoord hebben, geconsolideerd
heeft. Daarbij zal blijken, dat de ridderschap als zodanig een stem heeft
gehad in de staten van Holland, Utrecht, Gelderland en Overijssel, en
dat die stem niet overal even zwaar gewogen heeft. 2)
In de staten van Holland en Westfriesland (zoals tijdens de opstand de
gangbare benaming wordt) worden negentien stemmen uitgebracht: één
door de ridderschap en een door elke van de achttien stemhebbende
steden. Het overwicht berust dus duidelijk bij de steden, maar de invloed
van de ridderschap, die hier als elders geacht wordt het platteland te
vertegenwoordigen, is in de regel wel groter dan men uit de cijfers zou
opmaken, omdat zij als eerste lid recht heeft op het voorzitterschap en
omdat haar woordvoerder, de pensionaris der edelen, tevens raadpensio-
naris van Holland is.
De hollandse ridderschap is een zeer besloten college. In de eerste
plaats gelden hier, gelijk ook in de andere gewesten, eisen op het gebied
van godsdienst (de „ware Gereformeerde religie" 2a)) en leeftijd en moet
men in het bezit zijn van een riddermatig goed of, op zijn minst, van een
ambachtsheerlijkheid, die rechtstreeks van de staten in leen gehouden
wordt, maar niet ieder die aan de eisen voldoet, wordt toegelaten. Reeds
in de landsheerlijke tijd was het gewoonte geworden, dat slechts een klein
aantal edelen (bij voorkeur uit oude hollandse geslachten) opgeroepen
werd en onder de Republiek heeft de ridderschap (die zelf over de toe-
lating beslist) deze gedragslijn voortgezet. Het aantal leden is zelden
groter dan twaalf en deze behoren tot een nog kleiner aantal families.
Namen die men geregeld tegenkomt zijn Brederode, Van Schagen, Van
Boetzelaer, Van Wassenaer en Van Wyngerden. De Van der Duyns, ze-
7
-ocr page 11-
ker een van Hollands oudste geslachten, verschijnen eerst weder nadat
zij in de tweede helft van de zestiende eeuw tot de Hervorming zijn
overgegaan.
Het laat zich wel verstaan, dat men er in de kringen der hollandse
ridderschap op uit is geweest, om te voorkomen, dat edelen van elders
zich door aankoop van een hollandse heerlijkheid een aandeel zouden
kunnen verzekeren in de voordelen, die aan het lidmaatschap van de
corporatie verbonden zijn. Die voordelen zijn niet te versmaden. Boven
het gebruikelijke aandeel in de door de staten te vergeven ambten (b.v.
in het bestuur van heemraadschappen) komen hier nog een collectief
presentiegeld van ƒ 45.000,—; inkomsten uit voormalige geestelijke goe-
deren en privileges op het gebied van de jacht. Als curiosum zij vermeld,
dat in dit typisch „burgerlijke" gewest met de representatieve verplich-
tingen van de ridderschap toch in zoverre rekening wordt gehouden, dat
haar leden bij het vervullen van commissies voor de staten een hoger
toelage genieten dan hun collegae uit de stedelijke deputaties.
Door haar zucht om het lidmaatschap te beperken tot een kleine kring
is de ridderschap nog al eens in botsing gekomen met de stadhouders, die
er begrijpelijkerwijs prijs op stelden hun partijgangers of gunstelingen
toegang te verschaffen. Na de val van Oldenbarnevelt heeft Maurits
dreigementen moeten uiten om te bereiken, dat in de plaats van diens
uitgestoten schoonzoons twee edelen van niet-hollandse geboorte be-
schreven werden, nl. Hartaing van Marquette en Aerssen van Sommels-
dijk en ook later ging de toelating van stadhoudersgezinden als de graven
van Hompesch (1728) en van Gronsveld-Diepenbrock (1748) met moei-
lijkheden gepaard. Wellicht was het ook als een zet tegen Maurits be-
doeld, dat de ridderschap in 1620 Johan Wolfert van Brederode, die
volgens het verhaal uit het hollandse gravenhuis stamde, als „eerste
edele" erkende, een onderscheiding, die op dat moment nog slechts be-
tekenis had op het gebied van de préséance, maar met het zeeuws voor-
beeld voor ogen wel eens verderstrekkende consequenties kon hebben.
Frederik Hendrik, die zijn doeleinden liefst met zachte middelen be-
reikte, deed in 1637 een tegenzet met de aankoop van het riddergoed
Naaldwijk. Op grond daarvan beschreven, kon men hem moeilijk de rang
van eerste edele onthouden en als zodanig had hij de ridderschap goed
in de hand. Na de dood van Willem II (1650) verschijnt Brederode ander-
maal als eerste edele, maar zijn zoons hebben het niet tot erkenning kun-
nen brengen. De oudste heeft om die reden geweigerd zitting te nemen,
de tweede werd eerst in 1674 beschreven, toen van een erkenning als
eerste edele geen sprake meer kon zijn, want in 1672 was Willem III weer
als zodanig erkend met de uitdrukkelijke bepaling, dat buiten hem en
zijn wettige mannelijke nakomelingen niemand aanspraak zou kunnen
8
-ocr page 12-
maken op enige voorrang op andere grond dan anciënniteit. Brederode
heeft toen nog een proces aangespannen om dan tenminste als tweede in
rang aangemerkt te worden, dat echter nog niet beslist was toen hij in
1679 als laatste mannelijke vertegenwoordiger van zijn geslacht overleed.
De stadhouder-koning heeft de ridderschap evenzeer overheerst als
zijn grootvader dat had gedaan, maar zijn gunstelingen Bentinck en
Keppel hebben, nadat zij in Engeland geadeld waren, moeilijkheden
ondervonden omdat betwijfeld werd, of zij wel in de staten mochten ver-
schijnen, zolang zij tevens lid van het House of Lords waren.
In Zeeland is het niet tot de vorming van een ridderschap in de hier
bedoelde betekenis gekomen. Hier werden in de staten aanvankelijk twee
stemmen uitgebracht: één door prelaat en edelen en één door de „goede
steden". Met de opstand verdwijnt echter niet alleen, zoals voor de hand
ligt, de prelaat (de abt van Middelburg, die sedert 1501 een lid op zich-
zelf vormde), maar ontstaat ook de gewoonte alleen de Eerste Eedele, d.i.
Oranje, op te roepen. Andere edelen hebben in rustiger tijden nog wel
eens geprobeerd toegang te verkrijgen, doch tevergeefs: de steden wilden
er niet aan uit vrees, dat zij dan ook aanspraak zouden maken op een
aandeel in de ambten. De Eerste Edele brengt in de staten, bij monde
van zijn gemachtigde, één stem uit en de zes goede steden elk één, maar
twee daarvan heeft de Eerste Edele als markies van de steden Veere en
Vlissingen meestal wel onder controle.
Het is te begrijpen, dat de Oranje\'s in stadhouderloze tijden aan deze
machtspositie in de zeeuwse staten vasthielden. Willem III wist zich op
zijn achttiende jaar (1668) onmiddellijk als Eerste Edele te doen erken-
nen; Willem IV had minder geluk, want de zeeuwse staten „mortificeer-
den" het markiezaat waaraan de positie van Eerste Edele verbonden
werd geacht, maar de bloedeloze revolutie van 1747 deed het herleven.
Met Gelderland ontmoeten wij de eerste der drie provinciën, waar de
stemmen van ridderschap en steden tegen elkaar opwegen. De beide
andere zijn Overijssel en het in de volgende paragraaf te behandelen
Utrecht. Het resultaat wordt overal op een andere wijze bereikt. De
gelderse landdag is niets anders dan een gecombineerde vergadering van
de staten der drie kwartieren van het hertogdom (het vierde kwartier rond
Roermond viel in de opstand uit), en op de kwartierdagen hebben ridder-
schap en steden elk één stem.
Als een bewijs van het feit, dat men zich in dit gewest de oude stands-
onderscheidingen langer bewust is gebleven dan elders in ons land, kan
gelden, dat de edelen van edel vrije herkomst die voor hun heerlijkheden
een zekere mate van rijksonmiddelbaarheid opeisten, de zg. bannerheren,
er in de zestiende eeuw in geslaagd zijn op de kwartierdagen van Nij-
9
-ocr page 13-
megen en Zutphen een bijzondere plaats vóór de ridderschap in te nemen,
maar dit is niet van lange duur geweest. Na 1583 zijn de bannerheren
(Dirk van Bronckhorst-Batenburg als heer van Baer; Willem van den
Bergh als graaf van den Bergh en Joost van Limburg Stirum als graaf van
Bonckhorst en heer van Wisch, die alle de spaanse zijde hielden) niet
meer opgeroepen en als de laatste in 1602, tegen belofte van trouw, weer
tot de kwartierdag van Zutphen wordt toegelaten, dan geldt hij daar wel
als voornaamse van de ridderschap, doch op de landdag wordt deze
positie niet erkend.
Ook in dit gewest wordt de ridderschap besloten gehouden en wel,
voor de drie kwartieren tezamen, op zestig personen, maar al te zeer knelt
dit maximum niet omdat Katholieken en militairen reeds van rechtswege
uitgesloten zijn. Daarentegen is hier, anders dan in Holland, het lid-
maatschap van een stadsbestuur geen reden van uitsluiting: met name in
de ridderschap van Zutphen treft men herhaaldelijk personen aan, die
tegelijkertijd burgemeester zijn.
De vereisten inzake geboorte en grondbezit zijn in ieder kwartier
anders. Voor toelating tot de ridderschap van Nijmegen moet men stam-
men uit voorouders, die van oudsher beschreven zijn geweest, waarbij
afstamming in de zijlinie meetelt mits men dezelfde naam draagt als de
vroeger beschrevene. Voorts dient men binnen het kwartier een vast goed
ter waarde van ƒ 10.000,— te bezitten. In het kwartier van Zutphen
worden acht adellijke kwartieren en het bezit van een havezate of ridder-
hofstad gevorderd, waarvan er ongeveer veertig zijn; op de Veluwe is ver-
eist, dat men stamt uit voorouders die reeds in 1500 in enig kwartier of
geweest in de ridderschap beschreven werden en grondbezit in één ambt
van tenminste ƒ 18.000,—.
In Overijssel is de ridderschap niet exclusief: alle edelen die aan de
algemene vereisten voldoen, worden beschreven. De voorwaarden zijn:
riddermatige afkomst, Gereformeerde religie, het bezit van een der on-
geveer zestig havezaten en, sedert 1637 daarnaast nog een grondbezit van
ƒ 25.000,—. Ter vergadering verschijnen door de bank ongeveer veertig
leden van de ridderschap, die individueel hun stem uitbrengen. Zijn zij
eenparig, dan wordt hun stem geacht op te wegen tegen die van de drie
grote steden, Zwolle, Deventer en Kampen, die in dit gewest een bijzon-
dere machtspositie innemen en het liefst ontkennen, dat de staten enig
gezag over haar hebben. De ridderschap heeft dat bemerkt doordat zij er
niet in geslaagd is medezeggenschap te verkrijgen over geestelijke goe-
deren, die volgens de stadsregeringen zonder meer aan de stad vervallen
waren. Uit de regel, dat ridderschap en steden een gelijk aandeel in de
souvereiniteit hebben, laat zich afleiden, dat er een meerderheid is wan-
10
-ocr page 14-
neer een stad zich bij de stemming aansluit bij de ridderschap of wanneer
een derde van de aanwezige ridders zich verenigt met de drie grote steden,
maar hoe als aan de ene kant meer dan 2/s van de ridderschap staat en
aan de andere drie steden met enkele ridders? De kwestie kwam eerst
tegen het einde van de Republiek tot een beslissing toen zij acuut was
geworden door het optreden van de patriot Joan Derk van de Capellen
tot de Pol die eigenlijk in Gelderland thuishoorde, maar daar uit de
ridderschap geweerd was omdat men hem te revolutionair vond. In Over-
ijssel zou het hem vermoedelijk niet anders zijn vergaan als hij niet zulke
goede relaties ten hove had gehad. De aankoop van de havezate Breeden-
horst in Salland, die hem tot introductie in de Overijsselse ridderschap
moest strekken, was een schijnhandeling, maar de ridderschap zwichtte
na drie jaar verzet voor de aandrang van de stadhouder en liet daarmede
tot de statenvergadering een man toe, die zich onmiddellijk zou op-
werpen tot kampioen voor de afschaffing van de drostendiensten. Als hij
in 1778 behalve de steden ook enkele leden van de ridderschap meekrijgt,
is het conflict over de bepaling van de uitslag der stemming daar. Het is
in 1785 bij scheidsrechterlijke uitspraak van afgevaardigden der andere
provinciën in de door Capellen bepleite zin beslist.
In Friesland en Groningen, waar het landsheerlijk gezag zich niet heeft
kunnen handhaven, hebben zich geen ridderschappen als leden van de
staat geconstitueerd en hetzelfde geldt voor Drenthe, waar de edelen
(d.z. de bezitters der 18 havezaten) wel als zodanig worden opgeroepen,
maar medestemmen met de afgevaardigden der eigenerfden. Eerst bij
de door de Staten-Generaal opgelegde bestuursinrichting van 1603 wordt
bepaald, dat de ridderschap in de staten één stem zal uitbrengen tegen
2 van de eigenerfden. In Friesland wordt kwartiersgewijs gestemd: één
door het kwartier der steden en één door elk van de drie goèn, Oostergo,
Westergo en Zevenwolden. De edelen hebben op de stem der drie platte-
landskwartieren aanmerkelijke invloed doordat de grietenijen, wier vol-
machten tezamen de stem der go bepalen, zo mogelijk een van haar twee
volmachten uit de edelen kiezen.
In de staten van Stad en Lande brengen de Stad en de Ommelanden
elk één stem uit. De vertegenwoordiging van de Ommelanden bestaat
uit een onbepaald aantal „jonkers, hovetlingen en eigenerfden", die in
één kerspel 30 grazen landen bezitten ter waarde van 1000 Embder
guldens en, voor de kerspelen waar zulke personen ontbreken, een of
twee volmachten. In deze omvangrijke deputatie hebben dus de edelen
een zekere voorrang, die zij echter moeten delen met leden van het stede-
lijk patriciaat, die zich, door aankoop van een goed in de Ommelanden
als eigenerfde kunnen kwalificeren.
11
-ocr page 15-
§2. DE RIDDERSCHAP VAN UTRECHT
TIJDENS DE REPUBLIEK
Het Sticht Utrecht verdient niet alleen een afzonderlijke behandeling
vanwege het onderwerp van dit opstel, maar ook omdat de toestand hier
een komplikatie vertoont, die ons dwingt naast de ridderschap nog een
ander lid van de gewestelijke staten in beschouwing te nemen, welks in-
vloed en aanzien voor de positie van de ridderschap mede-bepalend zijn.
De staten van Utrecht, die gegroeid zijn uit het generaal-kapittel, tellen
blijkens de oudstbekende oorkonde die van „standen" gewaagt (24 augus-
tus 1426) drie leden: de ecclesie, ridderen en knapen (de ridderschap
dus) en het stedelijk lid, dat in zijn benaming „Stad en steden" duidelijk
de overheersende positie van de hoofdstad onderstreept.
Het eerste lid, de ecclesie, bestaat uit de kanunniken der vijf kapittel-
kerken (Sint-Maarten, Sint-Salvator of Oude Munster, Sint-Pieter, Sint-
Jan en Sin-Marie), tezamen ruim 140 man, wier geestelijke functie reeds
lang voor de Hervorming tot een sinecure geworden was, aantrekkelijk
vanwege het daaraan verbonden aanzien, de zeggenschap in zaken van
staat en, uiteraard de prebenden. De samenstelling van deze kapittels,
d.w.z. de vergeving der prebenden was aldus geregeld, dat die welke open-
vielen in de oneven maanden van het jaar ter begeving stonden van de
Paus en de andere ter begeving van het betrokken kapittel. De opstand
heeft hierin niet aanstonds verandering gebracht: als Utrecht zich in
oktober 1578 onder het gezag van Oranje stelt, wordt nog uitdrukkelijk
bedongen, dat de geestelijke begiftigingen voorbehouden blijven aan
Katholieken en het eerste lid gaat dan ook slechts aarzelend met de op-
stand mede: het wijst de in 1578 ontworpen religions-vrede af en uit zijn
midden komt ook de tegenstand tegen het sluiten ener Unie. Als deze
eenmaal, in Utrecht zelf, tot stand gekomen is, wordt zij echter uit naam
van alle kapittelen ondertekend. Aldus zijn deze er in geslaagd hun po-
sitie ook onder de nieuwe orde van zaken veilig te stellen, al is dat niet
zonder moeite gegaan. De burgerij van Utrecht ziet met lede ogen aan,
hoe de kapittelen, voor een groot deel bestaande uit „Roomsgezinden"
in het genot blijven van voorrechten en financiële voordelen, die in een
Calvinistische samenleving geen reden van bestaan hebben; zij vindt
gehoor bij het stadsbestuur, dat na de afzwering van Philis II, de kapit-
telen verbood te vergaderen en het eerste lid van de staten „casseerde".
Nu trok echter de landraad der unie de zaak aan zich en nam een beslis-
sing, welke eensdeels inhield, dat de kapittels zich voortaan slechts bezig
mochten houden met geestelijke zaken en het beheer hunner goederen,
doch aan de andere kant de kanunniken (die na verloop van tijd alle
protestant zijn) een belangrijke stem in de politiek liet behouden door
12
-ocr page 16-
te bepalen, dat uit hun midden de stad 10-12 „goede patriotten van cal-
vinisische gezindheid zou kiezen, waaruit dan de ridderschap en kleine
steden er zes of acht zouden „eligeren" om het eerste lid der staten te
vormen. Na verschillende wederwaardigheden (onder Leicester, die op
de burgerhoplieden steunde werd het eerste lid weer voor enige tijd ge-
casseerd) bepaalde Maurits in 1618, dat er voortaan acht „geëligeerden"
zouden zijn, gekozen uit de kapittelen met approbatie van de stadhouder,
en wel vier edelen en vier burgers.
In de praktijk kwam dit hierop neer, dat de ridderschap de helft van
het aantal Geëligeerden aanwees en wel uit haar midden, want vele leden
van de ridderschap hadden als proost, deken of kanunnik zitting in een
kapittel. De begeving der prebenden, waardoor de begiftigde dus zitting
in een kapittel kreeg, bleef voorzover zij openvielen in een der even
maanden van het jaar, aan het betrokken kapittel (waarvan de leden
meestal bij toerbeurt iemand mochten aanwijzen); viel er een open in
een der oneven maanden, dan stond de begeving bij toerbeurt aan een
der drie leden van de staten (of sedert 1674 aan de stadhouder, zo er al-
thans een stadhouder was). Wanneer men in aanmerking neemt, dat de
kapittels de beschikking hadden over een aantal belangrijke functies
(twee leden in het college van heemraden van de Lekdijk-Bovendams en
dat van Heicop en, voor het kapittel van Sint-Marie, één lid in het college
van heemraden van de Lekdijk-Benedendams) en dat het lid der Ge-
ëligeerden aanspraak had op een evenredig aandeel (dus een derde) van
de door de Staten te vergeven ambten, dan moet het lidmaatschap alleen
al vanwege deze indirecte voordelen, wel aantrekkelijk geweest zijn; het
was zulks des te meer daar de ridderschap als tweede lid van de staten
andermaal over een derde van de ambten beschikte en voorts in het genot
was van de inkomsten van een aantal voormalige vrouwenkloosters (Sint-
Servaas, Witte Vrouwen, Oudwijk, Mariendaal en het Jofferklooster
buiten Utrecht). Als rechtsopvolgster van die kloosters had zij tevens de
benoeming van een lid in het college van heemraden vande Lekdijk-
Bovendams, terwijl zij, als vertegenwoordigster van „het gemene land"
nog twee leden daarvan aanwees.
Met deze feiten voor ogen wekt het geen verwondering, dat over de
toelating tot de ridderschap nogal eens meningsverschillen aan de dag
zijn getreden. Vaststond, dat men moest zijn „van de regte ridderschap"
en in het bezit van een „regte ridderwoning", waaronder werd verstaan
een zodanige woonstede, „dat een huisman zig op dezelve veilig bergen
mogt met lijf en goed, en er, in tijd van nood, veilig op slaapen". Over
de vraag, wie tot de „regte ridderschap" behoorden, is herhaaldelijk ge-
twist; van de ridderhofsteden is in de jaren 1536-1538 een lijst opge-
maakt, die 55 namen bevatte en in later jaren nog met enkele namen is
13
-ocr page 17-
aangevuld, zoals Broekhuizen (1649), Woudenberg (1674) en Vredeland
(1680). Natuurlijk is tijdens de Republiek voor het hebben van zitting in
de staten ook vereist, dat men behoort tot de Gereformeerde Kerk; aan
de bepaling, da men niet in dienst van een vreemde vorst mag staan en
geen krijgsambt mag bekleden, is — meestal op aandrang van de stad-
houder — niet steeds de hand gehouden. Gijsbert van den Boetzelaer werd
in 1623 op aandrang van Maurits toegelaten, hoewel hij landdrost van
Kleef was (welk ambt hij echter beloofde niet te zullen uitoefenen), Fre-
derik van Nasau-Zuylestein kreeg in 1640 dispensatie van het verbod van
krijgsmansdienst en in 1674 geschiedde hetzelfde ten behoeve van Van
Boetzelaer van Langerak, Nassau-Ouwerkerk, Nassau-Zuylestein en Van
Reede-Ginkel.
Vergelijkt men de toestand in het Sticht met die in Holland, waar de
ridderschap wel hoog in aanzien staat, doch slechts zeer weinig leden telt
op het einde van de respubliek: tien, waaronder vier Wassenaers en twee
Boetzelaers), terwijl daarnaast het stedelijk patriciaat een overwegende
invloed op de gang van zaken heeft, dan zal het duidelijk zijn, dat de
utrechtse samenleving een beeld vertoont, waarin de adel veel sterker
op de voorgrond treedt. Verzekerd van een belangijke invloed op de
zaken des lands, van talijke hoge posten en van aanzienlijke inkomsten,
vormt hij duidelijk de bovenlaag van de samenleving, waarmede op alle
gebied rekening moet worden gehouden. In dat aanzien deelt tot op
zekere hoogte ook de relatief sterke Katholiek gebleven adel, die welis-
waar verstoken is van een stem in staat, maar waarmede de gereformeerde
adel wel maatschappelijke betrekkingen onderhoudt, al gaat de ver-
bondenheid niet zover, dat Katholieke jonkvrouwen delen in de op-
brengst van de jufferstiften.
Aan de politieke invloed van de ridderschap komt met de Bataafse
revolutie natuurlijk een eind. Op 28 januari 1795 begeeft het nieuwe
stadsbestuur, het comité revolutionair, zich onder voorzitterschap van
de in deze dagen zeer radicale kanunnik ten Dom A. J. Strick van Lin-
schoten, naar de vergaderzaal der staten, de kapittelzaal van de Dom, en
laat daar de geëligeerden en de ridderschap ontbieden. Daar wordt aan
de opgekomenen voorlezing gedaan van het déclaratoir van afzetting,
hetwelk inhoudt dat het bestaan van het eerste en het tweede lid der
statenvergadering strijdig is met de rechten van de mens, zodat de be-
trokkenen vervallen zijn van hun posten en „wedergekeert tot de kring
van ampteloze burgers".3) Het ging dus iets plechtiger toe dan in Den
Haag, waar men twee dagen tevoren de president van de ridderschap,
Van Boetzelaer-Kijfhoek „als het dichtst in de buurt wonende" eenvou-
dig aanzegde, dat de heren niet meer in de statenvergadering van die
avond verwacht werden.4)
14
-ocr page 18-
Natuurlijk verdwijnt een klasse die gedurende eeuwen een zo bijzon-
dere en vooraanstaande plaats in de samenleving heeft ingenomen, met
het verlies van haar staatsrechtelijke privileges niet zonder meer in de
massa. Alleen al het bestaan van talrijke onderlinge familiebetrekkingen
houdt het bewustzijn van tot een bepaalde „stand" te behoren levend en
daarnaast is er het gevoel, dat men gezamenlijk — mede door de af schaf -
fing der „heerlijke rechten" — in zijn rechten gekrenkt is, de afkeer van
het nieuwe régime en de trouw aan de stadhouder. Maar als dat régime
steviger gevestigd blijkt dan men aanvankelijk dacht en zijnerzijds de
verzoenende hand uitsteekt, staat men, vooral nadat Willem V verklaard
heeft zulks te billijken (brief van Oranienstein, 26 december 1801), niet
meer zo afwijzend. Op de vergadering van oud-regenten, waar besloten
werd bestuursposten te aanvaarden indien men benoemd werd „in een
convenabel getal... en niet met lieden die aanstotelijk zijn" (de z.g.
staten van de kneuterdijk, feb. 1802) stemt alleen Boetzelaer-Kijfhoek te-
gen. Uit Utrecht zijn daar o.m. aanwezig geweest Van Tuyll van Seroos-
kerken van Zuylen (de broer van Belle van Zuylen) vroeger lid van de
ridderschap en de gewezen geëligeerde Van Lynden van Lunenburg, die
— evenals Taets van Amerongen van Woudenberg — weldra zitting
neemt in het provinciaal bestuur. Een mogelijkheid om de adel, althans
titulair, weer iets van zijn vroegere luister te hergeven schijnt op te
doemen als Holland, enkele maanden na het overlijden van Willem V,
een koninkrijk wordt. Op de eerste audiëntie van Lodewijk Napoleon
(23 juni 1806) presenteert, tot veler verbazing, de vroegere adel van de
republiek zich, vijftig man sterk, als een soort corporatie. Haar woord-
voerder, de oud-zeeofficier Van Bylandt-Halt uit Gelderland, verzekert
de nieuwe koning, dat de adel steeds heeft uitgezien naar een eminent
hoofd van de staat en nu, na het overlijden van de stadhouder, haar ge-
voelens van loyaliteit gaarne overbrengt op de nieuwe vorst. 5) De stap,
die van tevoren overlegd was met twee van \'s konings ministers, scheen
op dat moment meer indruk te maken op de koningin dan op Lodewijk
Napoleon, maar zij is niet zonder resultaat gebleven. Bylandt-Halt wordt
voorzitter van het wegevend lichaam en op 22 april 1809 teken de koning
de wet op de constitutionele adel, die ten doel heeft de oude gewestelijke
adel a.h.w. te converteren in een adel van het koninkrijk. Krachtens zijn
bij besluit van 1 oktober 1809 vastgestelde statuten komen voor inschrij-
ving in de eerste plaats in aanmerking alle geslachten waarvan een of
meer leden vóór 1795 beschreven zijn geweest in enige ridderschap of
lid der edelen van een provincie, voorts geslachten die, thuishorende in
een provincie waar geen ridderschap of lid van edelen bestond, steeds
voo inlandse adel zijn gehouden (dit moet slaan op de noordelijke provin-
ciën en Brabant en misschien ook Zeeland) en tenslotte geslachten die
15
-ocr page 19-
in een verder verleden tot de adel hadden behoord, maar allengs daar-
buiten waren komen te staan. In strijd met het in de Constitutie (art. 2)
neergelegde beginsel van gelijkheid van allen voor de wet worden aan
de tot de constitutionele adel behorenden ook enige voorrechten toe-
gekend, waaronder in dit verband in het bijzonder opvalt, dat zij in de
departementale raden, die volgens een wet van 20 april 1809 gevormd
moesten worden „uit de voornaamste en achtingswaardigste ingezetenen,
ten minste de helft der zetels toegewezen zouden krijgen en in collegieën,
bij gelijkheid van post of ambt voorrang zouden genieten boven burgers
(art. 28 en 29 Statuten). Deze laatste bepaling is onder de druk van de
publieke opinie echter reeds na één maand herroepen in dier voege, dat
zij geen inbreuk zou maken op de anciënniteit en dus alleen effect zou
hebben bij gelijkheid van rang en anciënniteit beide, en ook verder heeft
de zaak geen gevolg gehad. De departementale raden zijn er niet gekomen
en op 13 februari moest de hele wet op keizerlijk bevel ingetrokken
worden.5)
16
-ocr page 20-
§3. DE RIDDERSCHAPPEN VAN 1814-1850 6)
Met het herstel van de onafhankelijkheid herleefden ook de provin-
ciale ridderschappen. Hogendorp had het zich blijkens zijn „Schets" en
de daarop gegeven toelichting 7) aldus voorgesteld, dat de staten der pro-
vincien in beginsel hun oude samenstelling zouden herkrijgen en dus in
het algemeen zouden bestaan uit ridderschap en steden. Naar zijn over-
tuiging was het platteland in de tijd der Republiek achterop gekomen
omdat er geen middel was om nieuwe adel te creëren. Nu wij een mo-
narchie kregen, zou de Vorst een adel kunnen scheppen naar Brits model
(dus met overgang bij eerstgeboorte), waarvan de leden toegang zouden
krijgen tot de ridderschappen indien zij eigenaar waren van een heerlijk-
heid. „Zo doende zal het platte land allengskens van zelf wederom zijne
natuurlijke hoofden krijgen, die het voor zullen staan in de staatsvergade-
ringen". Maar in de grondwetscommissie vonden deze gedachten niet
veel waardering en werd aangedrongen op een afzonderlijke vertegen-
woordiging van de landelijke stand. Het einde was dat de Grondwet zich
over de samenstelling der staten niet uitsprak en de regeling daarvan
overliet aan de Souvereine Vorst, die zich door commissieën uit de ver-
schillende provincies en de landschap Drenthe zou laten adviseren (art.
74). Wel werd bepaald, dat er in de provinciën edelen of ridderschappen
zouden zijn, die hun eigen instellingen onder goedkeuring van de Vorst
zouden regelen zodra zij door de Vorst zouden zijn bijeengeroepen (art.
77). Daarnaast bleef aan de Vorst voorbehouden om een wetsvoorstel in
te dienen, hetwelk aan de edelen of ridderschappen een evenredig aan-
deel in de samenstelling der Staten-Generaal zou verzekeren, dat niet
kleiner zou mogen zijn dan een vierde (art. 58). Aan deze laatste bepaling
is nimmer uitvoering gegeven; zij verviel met de invoering der Grond-
wet van 1815, die ons het tweekamerstelsel bracht, waarbij het lidmaat-
schap der eerste kamer werd voorbehouden aan degenen, die door dien-
sten aan de staat bewezen, door geboorte of gegoedheid onder de aanzien-
lijksten van den lande behoorden.
De reglementen betreffende de samenstelling der provinciale staten
zijn centraal voorbereid door een commissie, die een model-reglement
ontwierp, naar luid waarvan de staten zouden bestaan uit de vertegen-
woordigers van adel, steden en grondbezitters, welke standen elk een
derde van het aantal statenleden zouden bezetten. Dit denkbeeld bleek
in de provinciën in goede aarde te vallen: de adel had veel meer bezwa-
ren tegen massale nobilitering van grote grondbezitters, zoals aan Hogen-
dorp voor ogen had gestaan dan tegen de invoering van een nieuwe derde
stand, indien zij maar even sterk vertegenwoordigd bleef als de steden.
Zo vinden wij het model-systeem dan ook omhelsd in de reglementen van
17
-ocr page 21-
de provinciën, waar vroeger ridderschap en steden elkaar in evenwicht
hadden gehouden (Gelderland, Utrecht, Overijssel), in Groningen, waar
de zaak opnieuw moest worden opgezet en, in 1815, in de nieuw-gevorm-
de provincie Limburg. De afwijkingen laten zich gemakkelijk historisch
verklaren: in Holland en Drenthe, waar de ridderschap vroeger minder
dan de helft der stemmen uitbracht, kreeg zij nu ook minder dan een
derde van de zetels: in Holland 14 op een totaal van 90; 8) in Drenthe 4
op 24. Voor Brabant, waar (althans volgens de raad van state) in het ge-
heel geen oude adel meer aanwezig was, zou de ridderschap aanvankelijk
9 van de 52 statenleden kiezen, maar deze aantallen werden in 1817 ge-
wijzigd in 7 en 42.
De reglementen voor Zeeland en Friesland vertonen een afwijkend
beeld. In deze provinciën werden geen ridderschappen gevormd, die een
zeker aantal statenleden zouden kiezen zonder daarbij gebonden te zijn
aan standgenoten, doch werd bepaald, dat de kiezers een zeker aantal
statenleden uit de stand der edelen moesten kiezen. Voor Zeeland was
dit aantal bepaald op zes (op een totaal van 44), maar dit systeem heeft
nooit gefunctioneerd, daar de edelen van deze provincie zich nog voor
de eerste verkiezingen (die pas in 1817 plaatsvonden) constitueerden tot
een ridderschap, die zes van de 44, later 46 statenleden zou kiezen. Fries-
land hield zich vooreerst (tot 1825) aan het oude stelsel, dat elke grietenij
één edele en één eigenerfde afgevaardigde, hetgeen hierop neerkwam,
dat de staten op 84 leden tenminste 30 edelen telden. In 1825 is echter
ook hier een ridderschap gevormd, die volgens het model zou beschikken
over een derde van het aantal zetels.
Twee dagen na de vaststelling van de reglementen op de samenstelling
der staten volgden, op 28 augustus 1814 de eerste benoemingen in de
ridderschappen en wel in deze vorm, dat de daarin genoemde personen
werden erkend en geadmitteerd als leden der ridderschap van (Brabant,
Gelderland enz.), terwijl bij art. 2 een aantal anderen erkend werd als
edelen in de povincies Zeeland en Friesland. Het woord „erkend" heeft
hier nog niet de specifieke betekenis, die het later zou krijgen omdat men
de vraag, in hoeverre sommigen krachtens geboorte een zekere aanspraak
konden doen gelden, heeft omzeild door aan te nemen, dat deze voor
zoveel nodig verheffing in de adelstand impliceerde. De aantallen lopen,
zoals begrijpelijk is, in de verschillende provinciën nogal uiteen. Ten-
einde een indruk te geven, doen wij hieronder volgen een overzicht van
het aantal benoemden tot in het jaar 1816 (toen tengevolge van de be-
krachtiging der reglementen de benoeming plaatsmaakte voor admissie
door de ridderschap), daarachter het aantal van hen, die reeds voor de
18
-ocr page 22-
Bataafse revolutie beschreven waren geweest, en tenslotte het aantal van
de door de ridderschap te verkiezen statenleden.
A
B
C
aantal
waarvan reeds in 1795
aantal te verkiezen
benoemden
beschreven
statenleden
22
_
9
102
32
30
38
5
14
16
—
waaruit te kiezen: 6
32
5 en 2 oud-geèligeerden
12
15
—
waaruit te kiezen 30 (1)
06
29
21
28
—
12
12
—
4
65
1 oud-lid van de
Etat Noble van Luik
20
1816
Noord-Brabant
Gelderland
Holland
Zeeland (edelen)
Utrecht
Friesland (edelen)
Overijssel
Groningen
Drenüie
Limburg 9)
De datum der eerste bijeenkomst, die volgens de Grondwet bepaald zou
worden door de Souvereine Vorst, werd bij besluit van 13 februari 1815
gesteld op 30 maart. Als plaats van samenkomst werd voor de utrechtse
ridderschap aangewezen de hoofdplaats der provincie en als tijdelijk
voorzitter onder wiens „beleid" de vergadering moest worden geconsti-
tueerd, het eerstbenoemde lid, de ons reeds bekende Willem René van
Tuyll van Serooskerken van Zuylen, die reeds in 1776 in de ridderschap
beschreven was geweest.
Of deze de hem opgedragen taak met grote opgewektheid heeft aan-
vaard, valt te betwijfelen. Uit datgene, wat bekend is van zijn rol in de
grondwetscommissie 1814, 10) leren wij hem kennen als een man, die
— hoewel geenszins een verstokt aanhanger van alles wat met de vroegere
orde van zaken samenhing — gehecht was aan de instellingen der repu-
bliek, met name aan de zelfstandigheid van provinciën en andere pu-
blieke corporaties. De ervaring had hem reeds geleerd, dat uit Den Haag
een andere wind woei: daarvan getuigde de wijze, waarop de provinciale
reglementen tot stand waren gekomen en getuigde ook het besluit, dat
hem tot het voorzitterschap riep, want daarbij werd de ridderschappen
al bij voorbaat voorgeschreven, dat zij bij de vaststelling hunner regle-
menten een aantal bepalingen in acht hadden te nemen betreffende de
naam van hun corporatie, de toelating, de uitoefening van het stemrecht
en de orde van vergaderen. Over zaken van algemeen bestuur of andere,
die buiten hun opdracht vielen, zouden zij nimmer mogen beraadslagen.
Het zal in dit licht geen verwondering wekken, dat de onderscheidene
reglementen (de edelen van Friesland ontwierpen er geen) slechts op
ondergeschikte punten verschillen. Toen zij bij besluit van 3 juli 1816
de vereiste goedkeuring verwierven, was ons land inmiddels met de bel-
19
-ocr page 23-
gische provinciën verenigd onder een Grondwet, die in enkele opzichten
ook ten aanzien van de ridderschappen wijzigingen had gebracht. Op het
vervallen van de bepaling, die hun een zeker aandeel in de staten-gene-
raal in uitzicht stelde, werd reeds gewezen; daarnaast kwam nu ten aan-
zien van de provinciale staten het voorschrift, dat de leden gekozen
zouden worden door de drie met name genoemde standen (art. 129, dat
overigens voor Friesland tot 1825 een dode letter zou blijven) en dat
niemand tegelijk zitting kon hebben in de staten van meer dan één pro-
vincie (art. 136), een bepaling die met name zin had voor hen, die lid
waren van de ridderschap in een andere provincie dan die hunner in-
woning. Merkwaardig is wel, dat in de grondwetscommissie een zekere
vrees aan de dag trad voor de mogelijkheid, dat de steden en de landelijke
stand hun keuze zouden bepalen op leden van de ridderschap, zodat deze
de staten zou gaan beheersen, maar een daartegen gericht voorstel van
het lid Queysen, dat maxima of minima wilde stellen, vond, hoewel door
enkele Belgen ondersteund, niet voldoende bijval.
Bepalen wij ons nu toe de ridderschap van Utrecht, zo leert haar regie-
ment, dat zij voortaan zou worden aangevuld door toelating, waarvoor in
aanmerking zouden komen tot de adelstand behorende, meerderjarige
geboren Nederlanders, die binnen de provincie in vollen en vrijen eigen-
dom vaste goederen, heerlijkheden of tienden bezaten ter waarde van
ƒ 20.000,—, dan wel op het grootboek ingeschreven waren voor een be-
drag van ƒ 2.000,— aan renten. Eventueel was ook een bezit aan vaste
goederen van ƒ 10.000,— voldoende, indien men daarnaast ƒ 1.000,—
aan renten bezat.
Uitgesloten waren (cfm. het besluit van 13 februari 1815) zij die reeds
zitting hadden in een andere ridderschap en voorts degenen die in
dienst of eed (de leeneed uitgezonderd) stonden van een vreemde mo-
gdheid of daarvan enige jaarwedde genoten, onder curatele gestelden en
zij die een onterend vonis te hunnen laste hadden. Bloedverwantschap
zou nimmer een reden van uitsluiting mogen zijn en zij die zitting had-
den in een stedelijk bestuur zouden niet als lid van de ridderschap deel
mogen nemen aan de statenverkiezing.
Het uitgangspunt van Van Hogendorp, dat de edelen als eigenaars van
heerlijkheden het platteland zouden vertegenwoordigen, is hier volledig
losgelaten. Daartoe dwong nu eenmaal het besluit van 13 februari 1815,
hetwelk voorschreef te letten op „gegoedheid" (d.w.z. bezit aan onroerend
goed, ongeacht het bestaan van heerlijke rechten) en met renten op het
grootboek. Ten aanzien van de onroerende goederen konden de regle-
menten tenminste nog de eis stellen, dat deze binnen de provincie ge-
legen moesten zijn (hetgeen zij ook deden), maar inschrijvingen op het
20
-ocr page 24-
grootboek geven geen enkele waarborg voor een bijzondere band met het
gewest. Eerst een koninklijk besluit van 1820 stelt voor toelating de eis,
dat men althans (behoudens dispensatie) twee volle jaren in de provincie
gevestigd is. Historisch begrijpelijk, maar in het licht van deze feiten wel
ietwat verwonderlijk, is, dat men in 1823 voor Utrecht het minimum-
bezit aan vaste goederen verlaagd tot ƒ 16.000,— indien de betrokkene
daarnaast in het bezit was van een ridderhofstad binnen de provincie
„van ouds daarvoor erkend".
Aldus samengesteld moesten de ridderschappen bij het ontwaken van
meer belangstelling voor de publieke zaak wel in toenemende mate de
vraag oproepen naar de rechtsgrond van hun stem in de staat. Thorbecke,
die in de eerste druk van zijn „Aantekening" (1839) nog suggereert om
deze comporaties „niet dan buiten haar midden te (laten) kiezen", velt
drie jaar later een onbarmhartig vonnis. Door ook de bezitters van renten
op het grootboek toe te laten, had men erkend, „dat de Grondwet zich
had misrekend. Men beleed, dat de oorzaak van het politische standsrecht
der edelen onherstelbaar was". En verder: „Niemand, hoe onjuist zijne
denkbeelden over onze maatschappij mochten zijn, kon ooit geloven, dat
het gewicht van 100 ridders in Gelderland, van 30 of 50 in Utrecht, van
70 in Vriesland of Overijssel, van 30 in Groningen of 12 in Limburg,
bijzondere personen die niets dan ƒ 1.000,— of ƒ 2.000,— op het groot-
boek behoeven te vertegenwoordigen, enigszins vergelijkbaar ware met
dat van alle steden of van de ganse landelijke stand in die provinciën".
De tweede druk van de „Aantekening" leert kort en goed: „Keuze door
standen is in onze hedendaagse maatschappij een vergissing". n)
Natuurlijk vindt deze gedachte niet aanstonds overal aanhang, maar
als in maart 1848 „de polsslag van de tijd" ploseling aanzienlijk versneld
wordt, blijkt de tijd voor afschaffing van het standenkiesrecht wel rijp.
De befaamde wensenlijst, op 16 maart, door de Tweede Kamer op ver-
zoek des Konings opgesteld, vangt aan met de woorden: „Nagenoegalge-
meen hebben in de afdelingen de leden der Kamer zich tegen het behoud
der standen verklaard, voor zoverre die volgens de bestaande grondwet,
als staatkundige lichamen, politieke rechten uitoefenen".
21
-ocr page 25-
§ 4. DE RIDDERSCHAP VAN UTRECHT
ALS POLITIEK LICHAAM
Als kiescollegieën behoefden de ridderschappen voorlopig niet op te
treden, daar de Souvereine Vorst (sedert 16 maart 1815 Koning) zich tot
1 juli 1817 de benoeming der leden van provinciale staten voorbehield.
Daarbij heeft hij, zoals ook voor de hand lag, als vertegenwoordigers der
ridderschap uitsluitend personen aangewezen, die hij reeds tevoren in de
ridderschap had benoemd. Zowel bij het een als bij het ander heeft de
vorst, voorzoveel Utrecht betreft, kunnen steunen op de adviezen van
iemand, die zelf tot de ridderschap behoorde en het gewest goed kende,
nl. de gewezen onder-prefect J. M. van Tuyl van Serooskerken van Vleu-
ten, die op 30 novmber 1813 was opgetreden als vice-president van het
provisioneel provinciaal bestuur en na de invoering der Grondwet (30
maart 1814) tot gouverneur was benoemd. Als de staten op 19 september
1814  voor de eerste maal vergaderen is men met de benoemingen
blijkbaar nog niet geheel gereed gekomen. Aanwezig zijn negen vertegen-
woordigers van elke der drie standen (dus 27 man in plaats van 36), ter-
wijl er voor de ridderschap twee en voor de beide andere standen elk één
lid als afwezig wordt gemeld. Voor de ridderschap zijn niet opgekomen
R. D. J. van Reede (zevende graaf van) Athlone en J. A. Taets van Ame-
rongen heer van Deijl. De afwezigheid van de eerste is gemakkelijk te
verklaren, zo hij al in de gelegenheid is geweest op te komen, was hij als
officier in britse dienst noch in de utrechtse ridderschap, noch in de staten
op zijn plaats: zijn benoeming in de ridderschap is dan ook op 26 juni
1815  ongedaan gemaakt. De heer van Deijl had destijds blijkbaar niet
veel ambitie voor het lidmaatschap der staten, want hij is vooreerst niet
verschenen en laat zich, als in 1817 de eerste verkiezingen plaatsvinden,
slechts de positie van plaatsvervangend lid welgevallen (hetgeen wil zeg-
gen, dat hij zich beschikbaar hield voor het geval er tussentijds een vaca-
ture zou ontstaan). Van 1822-1828 is hij echter statenlid geweest, tegelijk
met zijn jongere broer J. G. G. Taets van Amerongen van Renswoude,
die de ridderschap van 1817-1849 heeft vertegenwoordigd zonder ooit
zelf daartoe te zijn toegetreden. 12) Daarmede is deze in Utrecht het enige
voorbeeld van een door de ridderschap buiten haar eigen corporatie ge-
kozen statenlid: het omgekeerde, waarvoor Queysen in de grondwets-
commissie 1815 bleek te vrezen, nl. verkiezing van leden der ridderschap
door andere „standen", komt vaker voor. Tussen 1814 en 1849 hebben
twee leden van de ridderschap deel uitgemaakt van de staten als vertegen-
woordiger van de stad Utrecht en acht als lid voor de landelijke stand.
Het is wel merkwaardig, dat dit laatste geval zich het meest voordoet als
22
-ocr page 26-
het standenkiesrecht reeds zijn einde ziet naderen: in 1848-1849 zijn niet
minder dan 17 van de 36 statenleden lid van de ridderschap (zie Staat B).
Een blik op de staten A en B is voldoende om duidelijk te maken, wat
trouwens voor de ridderschap vanzelf spreekt: dat onderlinge familie-
betrekkingen tussen de leden een gewoon verschijnsel zijn: eerst in 1825
wordt bloedverwantschap in de eerste graad een reden van uitsluiting,
maar dan nog alleen als de betrokkenen door dezelfde stand benoemd zijn.
Ingezetenschap was voor het lidmaatschap der staten geen volstrekte
eis, daar men geacht werd zijn woonplaats te hebben behouden indien
men ter vervulling van een openbare bediening naar elders verhuisde.
Dit geval heeft zich naar alle waarschijnlijkheid voorgedaan bij het staten-
lid P. van Reede van Oudtshoorn, waarvan ik vermeld vindt, dat hij
achtereenvolgens directeur des belastingen in Noord-Holland en referen-
daris bij de raad van state geweest is.
Over de invloed der ridderschappen op de provinciale politiek en op
de samenstelling van de tweede kamer, valt weinig met zekerheid te zeg-
gen., Wij zagen reeds, dat het de ridderschappen verboden was in haar
vergaderingen te beraadslagen over zaken van algemeen bestuur en de
vergaderingen der staten waren tot 1850 niet openbaar. Een corporatie
die een derde deel van het aantal statenleden aanwees, moet natuurlijk
wel een zekere invloed gehad hebben, maar men mag wel aannemen, dat
deze veeleer gelegen heeft op het terrein der „patronage" (het vergeven
van allerlei posten en postjes) dan op dat van de politiek. De gouverneurs
houden in deze tijd de teugels in eigen hand en zien er niet tegen op zelfs
bij de verkiezing van kamerleden duidelijk te maken, welke keuze de
Koning aangenaam zal zijn. Het meest bekende voorbeeld van zulk een
geslaagde intimidatie leveren juist de staten van Utrecht als zij de be-
kwame volksvertegenwoordiger Mr. J. G. van Nes (vrederechter te
Maarssen), die het met zijn kritiek op het financiële beleid bij de rrgering
verkorven heeft, laten vallen onder de druk van „herhaalde onderhandse
bedreigingen tegen stad en provincie, ja tegen de bijzondere familien
gedaan". Het is een teken van het groeiende onbehagen over de ondoor-
zichtige financiële politiek van Willem I, dat Van Nes (sedert 1821 lid
van de staten voor de landelijke stand) er in 1830 in slaagt zijn zetel weer
op de sterrekundige Van Utenhove van Heemstede terug te winnen en
dat de regering er niet in slaagt in 1833 zijn herkiezing te verhinderen.
Maar drie jaar later is het weer zover, want nu heeft Van Nes niet alleen
het gouvernement, doch ook vele ingezetenen van Utrecht ontstemd
door zijn stem te onthouden aan het voorstel tot invoering van een
„schaalrecht" op de import van graan. Waarna de verslagene naar Hol-
23
-ocr page 27-
land verhuist „omdat (hij) niet verkoos opnieuw het voorwerp der raad-
plegingen van Utrechts toenmalige staten te worden". 13) De staten van
Zuid-Holland hebben hem in 1841 weer in de kamer gebracht.
Politieke belangstelling moet men trouwens in de staten ook niet te
veel verwachten. Nog in 1845, als er in den lande toch wel het een en
ander gaande is, gewaagt gouverneur Van de Poll van „de ongezindheid
der bewoners van dit gewest om zich in de staatkundige bespiegelingen
of theorieën te verdiepen, wanneer andere dan financiële vraagstukken
worden bewogen, of om enigen invloed op de beraadslagingen der ver-
tegenwoordiging uit te oefenen\'. 14) Daarom — zo vervolgt het rapport —
zal men uit Utrecht geen stemmen horen opgaan, die aandringen op
aanneming van het initiatief"voorstel der negen mannen tot herziening
der Grondwet, maar zulks mag net toegeschreven worden aan onverschil-
ligheid voor de openbare zaak, doch aan de overtuiging, „dat van Uwer
Majesteits wijze regering . . . welke het geluk van Hoogstderzelver onder-
danen boven alles bedoelt, het voorstel tot herziening gewis zal uitgaan,
zodra het geschikte ogenblik daartoe zal gekomen zijn".
Het beeld is ongetwijfeld te sterk aangezet: de provincie heeft sedert
1822 bij herhaling mannen naar de Kamer afgevaardigd, die hun onaf-
hankelijkheid weten te bewaren en toevallig zijn dat alle drie leden van
de ridderschap: Van Asch van Wijck, Van Tuyll van Serooskerken van
Coelhorst en Van Goltstein. De eerste (in 1834 in de ridderschap opge-
nomen) is al spoedig nadat hij als kamerlid het Binnenhof betreden heeft
(1822) een man van gezag, die gedurende de zittingl831-1832 het voor-
zitterschap bekleedt. De Bosch Kemper meent, dat men hem enigermate
kan beschouwen „als het type van de staatsman, die aan nauwgezetheid
ijver en belangstelling in alles wat de wetenschappelijke en materiele
welvaart kon bevorderen, zeer conservatieve beginselen in het staatkun-
dige paarde",15) maar dat heeft hem niet belet om kritisch te staan tegen-
over de vrijheid, welke aan het amortisatie-syndicaat gegund werd en
om enige malen zijn stem te onthouden aan begrotingsvoorstellen. De
zwijgzame Van Tuyll van Serooskerken, in 1824 in de Kamer gekomen,
behoort van de aanvang af tot de weinige leden uit de noordelijke pro-
vinciën, die door hun stem tegen begrotingsvoorstellen uiting geven aan
ongerustheid over het financiële beleid en, na 1831 over de politiek van
volharding. Bij de behandeling van de grondwetsherziening 1840 heeft
hij zijn stem gegeven aan alle voorstellen, zulks in tegenstelling tot Van
Asch van Wijck, die meent, dat men de provincie Holland niet tegen
haar wil in tweeën moet delen en bezwaar heeft tegen de periodieke
aftreding van de leden der stedelijke raden. Zijn initiatief-voorstel om
de samenstelling der provinciale staten tot onderwerp van wettelijke
regeling te maken, vindt instemming, maar in de dubbele kamer staat
24
-ocr page 28-
op dit punt zijn provinciegenoot Van Lijnden van Sandenburg Jr., die
afkerig is van centralisatie, tegenover hem.
Tot opvolger van Van Tuyll verkiezen de staten in juli 1840 de oud-
gouverneur-generaal van Nederlands-Indië Van der Capellen, sedert
1829 statenlid voor de ridderschap. Op dat moment een opvallende keuze
omdat een ieder weet, dat Capellen bij Willem I niet in de gratie is en
van zijn vooruitstrevende denkbeelden ook wel geen geheim zal hebben
gemaakt. Hij heeft de benoeming niet aangenomen, zomin als hij een
jaar later, onder Willem II een benoeming tot minister van buitenlandse
zaken wil aannemen zolang de Koning niet bereid is tot een ingrijpende
herziening der Grondwet. Nu kiezen de staten een ander lid van de rid-
derschap in de persoon van J. K. Baron van Goltstein, die in de kamer
steeds een zeer onafhankelijke en vooraanstaande plaats heeft ingenomen.
In 1845 behoort hij — als enige van de drie utrechtse kamerleden 16) —
tot de minderheid, die bereid is het initiatief-voorstel der negenmannen
in behandeling te nemen en in 1848 heeft hij zich tegen vijf van de twaalf
herzieningsontwerpen verklaard, o.m. omdat hij de raad van state niet
als onverantwoordelijke adviseur des Konings wilde handhaven, gekant
was tegen de opdracht van uitvoering van wetten aan provinciale staten,
welke de eenheid der uitvoerende macht in gevaar zou brengen en tegen
de vrijheid van onderwijs. Zijn politieke carrière ligt voor het grootste
deel buiten het hier behandelde tijdvak en moet dus te dezer plaatse
buiten bespreking blijven. Vermeld zij slechts, dat Thorbecke hem „een
door en door constitutioneel man" noemt, maar ook, als Van Goltstein
hem in 1862 polst voor een ministerszetel, het bescheid geeft „dat hij
niet kon medegaan met iemand die hij beschouwde als een versleten
man op politiek terrein".
Overigens behoeft men uit het feit, dat de staten Van Goltstein in 1843
en 1846 herkozen, niet de conclusie te trekken, dat er sedert 1840 in
Utrecht zo\'n frisse wind gewaaid zou hebben: bij de verkiezing van ka-
merleden speelt de politieke richting in die jaren nog slechts een be-
scheiden rol; het komt zelfs wel voor, dat men bewust kandidaten van
zeer uiteenlopende richting kiest teneinde deze beide vertegenwoordigd
te zien. De drie buitengewone leden, welke Utrecht in 1848 naar de
dubbele kamer afvaardigt, — waaronder twee leden van de ridderschap —
zijn alle drie uitgesproken conservatief en naast Van Goltstein, die zijn
hart vasthoudt voor de vrijheid van onderwijs, zit dan voor dezelfde
provincie, in de persoon van Van Reede van Oudtshoorn, een der wei-
nige anti-revolutionairen, die de kamer telt. Sensationele gebeurtenissen
zullen zich in deze jaren in de staten dan ook wel nauwelijks hebben
afgespeeld. Sensationeel was wel, in 1828, de benoeming van een Belg,
Florent ridder van Ertborn, tot opvolger van gouverneur Van Tuyll en
25
-ocr page 29-
nog sensationeler wellicht diens huwelijk in mei 1830 met een 28 jaar
jongere baronesse Van Heeckeren. Na het uitbreken van de belgische re-
volutie verliet het echtpaar ons land en trad de oudste gedeputeerde,
Van Lijnden van Sandenburg op als gouverneur ad interim (27 oktober
1831—29 september 1831). De volgende gouverneur Van Toulon, een
man van conservatieve opvattingen, overlijdt op 5 januari 1840, waarna
de gedeputeerde Van Heeckeren van Brandsenburg tot 30 september
1840 als wnd. gouverneur optreedt. Bij gouverneur Van de Poll (1 okto-
ber 1840—22 augustus 1850) is zowel het begin als het einde van zijn
gouvernement omwolkt van gerucht. Als burgemeester van Amsterdam
heeft hij in 1836 zijn ontslag genomen omdat de regering hem een onder-
zoek weigert naar zijn beleid als hoofd der politie bij het zg. belasting-
oproer, maar hij is sedertdien als gedeputeerde van Noord-Holland en
kamerlid in openbare functiën werkzaam gebleven. Als Koning Wil-
lem I hem, veertien dagen voordat hij afstand doet van de troon, tot
gouverneur van Utrecht benoemt ziet men daarin een erkenning van
het feit, dat destijds aan Van de Poll onrecht is aangedaan. In 1850 krijgt
hij evenwel onder verantwoordelijkheid van Thorbecke, ongevraagd
ontslag, maar Utrecht laat hem evenmin als indertijd Noord-Holland,
vallen: bij de eerste verkiezingen onder het nieuwe bestel wordt hij voor
het district Utrecht tot lid van de staten verkozen. Utrecht is, het zal in
april 1853 andermaal blijken, beslist niet thorbeckiaans.
Tenslote dient in dit verband nog melding te worden gemaakt van
een opvallend initiatief, in 1846 ondernomen door een lid van de ridder-
schap, dat in de staten zitting heeft gehad voor de landelijke stand. Voor
de vergadering van 1 juli 1846 zendt Jhr. Beeldsnijder van Voshol een
voorstel in om voortaan in het openbaar te vergaderen. Veel genoegen
heeft hij van zijn initiatief niet gehad. Uit de notulen der vergadering
van 7 juli 1846 blijkt, dat de gouverneur het voorstel strijdig achtte met
de Grondwet, die alleen aan de tweede kamer het recht toekende in het
openbaar te vergaderen en derhalve de voorsteller in overweging gaf het
in te trekken. „Waarin door dien heer gedifficulteerd zijnde, door den
President aan de Vergadering is voorgesteld, het gedane voorstel buiten
deliberatie te houden. Niemand der leden over (dit voorstel) het woord
gevraagd, of zich daartegen verzet hebbende, is dien conform geconclu-
deerd. De heer Beeldsnijder verklaart hiertoe niet te hebben medege-
werkt". De toestand in Utrecht verschilde dus blijkbaar niet veel van die,
welke het jonge statenlid Van Loghem in 1837 in Overijssel aantrof:
„den gouverneur tegen te spreken waagde bijna niemand". **)
Het verlies van hun staatsrechtelijke positie is in 1848 door de ridder-
schappen gelaten aanvaard. Dat is in het licht van de toen heersende
26
-ocr page 30-
stemming gemakkelijk te begrijpen. De voorzitter van de ridderschap
van Zuid-Holland, de oud-minister H. van Zuylen van Nyevelt, vond de
enkele verdachtmaking, dat hij het herstel der ridderschappen zou voor-
staan, zo ondragelijk, dat hij zich genoopt zag de kiezers reeds op 27 no-
vember 1848 per circulaire in te lichten over de onjuistheid van deze
„liefdeloze en onoverdachte beschouwingen" en Jhr. Louis van Sasse
van Ysselt mocht ondervinden, dat zijn medeleden in de brabantse rid-
derschap hem hun vertrouwen waardig bleven keuren nadat hij ver-
klaard had als kamerlid zijn stem aan de herzieningsvoorstellen te zullen
geven.18)
Over de consequenties der herziening ten aanzien van de positie der
ridderschappen werd niet eenstemmig gedacht. Zolang het kiesrecht voor
de provinciale staten niet op andere wijze geregeld was, bleven zij krach-
tens het eerste additionele artikel der Grondwet als „bestaande autori-
teiten" in stand en zij hebben dan ook op 1 juli 1849 hun kiesrecht nog
uitgeoefend. Toen zij op 1 juli 1850 wederom bijeenkwamen had zulks
nauwelijks zin meer, want het ontwerp-provinciale wet was toen de
tweede kamer reeds gepasseerd en zelfs was er inderhaast een speciaal
wetje tot stand gebracht, waarbij de opening van de najaarszitting der
staten werd verschoven tot 1 augustus, opdat de leden verkozen zouden
worden volgens het nieuwe stelsel. Niettemin heeft althans in Noord-
Brabant ook in 1850 nog een verkiezing door de ridderschap plaatsgevon-
den, hetgeen strict formeel in orde was, maar geen effect meer kon sor-
teren. Vijf dagen later, op 6 juli 1850, trad de provinciale wet in werking.
In verschillende provincies, met name in Zuid-Holland, heeft de
meerderheid der leden van de ridderschap zich op het standpunt gesteld,
dat met het vervallen van haar kiesrecht aan de ridderschap haar be-
staansrecht was ontnomen, zodat de corporatie van rechtswege had op-
gehouden te besaan. Elders, b.v. in Noord-Brabant, huldigde men de
opvatting, dat de rechtspersoonlijkheid der ridderschap niet door het ver-
lies harer publiekrechtelijke status werd aangetast, zodat de corporatie
op basis van het bestaande reglement is blijven doorvergaderen, uiteraard
zonder nog verkiezingen te houden. In Utrecht heeft men, zoals wij zul-
len zien de veiligste weg gekozen: men heeft de bestaande ridderschap
als ontbonden beschouwd en onder dezelfde naam een nieuw privaat-
rechtelijk zedelijk lichaam in het leven geroepen. 19)
Van praktisch belang was de kwestie met name in die provinciën, waar
de ridderschappen uit eigen middelen der leden, een fonds bijeen hadden
gebracht ter ondersteuning van behoeftige standgenoten. De vraag naar
de rechtstoestand van zulk een fonds is met name aan de orde geweest in
Zuid-Holland, waar, onder heftig protest van de minderheid, besloten
27
-ocr page 31-
werd tot verdeling onder de leden, die indertijd tot de vorming hadden
bijgedragen. 20)
In Utrecht was de vorming van een fonds reeds sedert 1839 aanhangig,
doch had zij ten dage van de grondwetsherziening nog steeds haar beslag
niet gekregen. Er was echter wel een zeker vermogen aanwezig in de
vorm van een boekerij, een, door legaat verkregen pand aan het Jans-
kerkhof, 21) en een door de leden bijeengebrachte som van ca. ƒ 20.000,—.
Daar de meeste leden het op prijs bleken te stellen, dat de ridderschap
onder de oude naam in stand zou blijven als een privaatrechtelijke organi-
satie, die de beschikbare gelden zou aanwenden tot ondersteuning van
onvermogende leden of weduwen en afstammelingen van leden, dan wel
tot enig ander nuttig of liefdadig doel, heeft men aan degenen, die daar-
toe niet wensten mede te werken hun evenredig aandeel in het vermogen
uitbetaald en besloten to de oprichting van een nieuw zedelijk lichaam,
waarin de overigen hun deel zouden inbrengen (1 september 1851). **)
28
-ocr page 32-
§5. DE RIDDERSCHAP VAN UTRECHT
VAN 1851-1880
Het zedelijk lichaam „De ridderschap van Utrecht", sedert het herstel
der onafhankelijkheid het tweede van die naam, kwam tot stand door het
verlijden van een authentieke, „constitutieve akte" op 1 september 1851.
Daarbij fungeerden als oprichters 36 leden der voormalige publiek-
rechtelijke ridderschap. Uit het in deze akte woordelijk overgenomen
reglement, dat in de vergadering van 17 mei door de meerderheid was
aangenomen, blijkt, dat men de band met het verleden niet alleen in de
naam wilde aanhouden. Zo vindt men daar onder de eisen van toelating
niet alleen, dat men moet zijn een tot de Nederlandse adel behorend
meerderjarig Nederlander, die tevens ingezetene der provincie is (aan
welke laatste eis afstammelingen van leden echter niet behoeven te vol-
doen), doch tevens, dat niet worden toegelaten degenen die lid zijn van
de ridderschap in een ander gewest, dan wel zich bevinden in dienst of
onder de eed van een vreemde staat, of daarvan enige jaarwedde genieten.
Ook de bepaling, dat de ridderschap zich van alle staatkundige raad-
pleging onthoudt, herinnert aan het vroegere verbod om te handelen
over zaken van algemeen bestuur, die niet aan de ridderschap zijn op-
gedragen. Een dergelijke bepaling heeft in het reglement van een parti-
culiere organisatie weinig zin tenzij zij moet dienen om opgewonden
politieke discussies te voorkomen.
Over het doel, dat bij de oprichting centraal stond, de vorming van
een fonds tot ondersteuning van onvermogende leden of weduwen en
wettige afstammelingen der leden, bepaalt het reglement, dat een deel
van de inkomsten bestemd kan worden tot ondersteuning van wettige
ongehuwde vrouwelijke en minderjarige mannelijke afstammelingen van
leden in de eerste graad, voorzover deze binnen een jaar na hun geboorte
ingeschreven zullen zijn in een register van gerechtigden. Voor deze in-
schrijving is een bedrag van ƒ 10,— aan de kas der ridderschap verschul-
digd, maar daar staat tegenover, dat een ingeschrevene bij toetreding tot
de ridderschap slechts de helft van het alsdan verschuldigde entreegeld
van ƒ 100,— behoeft te betalen.
Over de handelingen van de ridderschap is uit de aard der zaak weinig
te vermelden. Men krijgt de indruk, dat het lidmaatschap niet op hoge
prijs werd gesteld, want in de jaren 1853-1878 werden slechts zestien
nieuwe leden toegelaten, zodat zelfs werd gesproken over de mogelijk-
heid, dat het bezit van de corporatie allengs in één hand zou geraken. Het
kan zijn, dat dit vooruitzicht niet aan alle zittende leden onwelkom is ge-
weest: het is in ieder geval gebezigd als argument ten gunste van ophef-
fing, met als gevolg een verdeling van het vermogen onder de leden. In
29
-ocr page 33-
1878 kwam het inderdaad zover, dat de vergadering besloot geen nieuwe
leden meer aan te nemen en geen gerechtigden meer in het register in te
schrijven, een besluit, dat duidelijk wees op een voornemen tot liquidatie
en dat twee jaar later gevolgd werd door de verkoop van het pand aan het
Janskerkhof en door een voorstel tot ontbinding en verdeling. Een
dochter van een der oprichters, die in het register van gerechtigden inge-
schreven was, liet op de vergadering, welke over dit voorstel moest beslis-
sen (8 mei 1880) aan de toenmalige voorzitter Jhr. J. P. Strick van Lin-
schoten een akte van protest betekenen tegen wat zij als een verkorting
van haar rechten beschouwde, maar veel indruk heeft dit niet gemaakt:
drie weken later was de ridderschap weer bijeen om de verdeling en uit-
betaling der gelden te effectueren. Op die vergadering bleek echter, dat
in de kringen dergenen die, hoewel aan de eisen voldoende, tot dusver
niet waren toegetreden, een tegenactie op touw was gezet. Er kwam een
stuk binnen, getekend door de in stad en land zeer geziene hoogleraar
Mr. B. J. L. Baron de Geer van Jutphaas en 21 anderen, die te kennen
gaven, dat zij een poging wilden aanwenden om de vergadering op haar
besluit te doen terugkomen en mede wensten te werken tot instandhou-
ding van het ondersteuningsfonds. Daartoe verklaarden zij zich bereid
toe te treden, „waardoor de bedenking, dat door de niet toetreding van
nieuwe leden het fonds allengs in ene hand zou kunnen overgaan, weg-
geruimd wordt".
De zittende leden, vijftien in getal, hebben dit stuk echter niet eens
in behandeling genomen: de verdeling en uitkering vond plaats, zodat
ieder lid meer dan ƒ 3.000,— ontving en aan de ingeschreven gerechtig-
den werd terugbetaling aangeboden van de ƒ 10,—, die indertijd bij hun
inschrijving betaald waren.
Men kan hier de woorden herhalen, die in 1849 gebezigd werden door
F. A. A. C. Baron van Lynden van Sandenburg met betrekking tot een
destijds aanhangig verdelingsvoorstel: een weinig ridderlijk einde. **)
Maar lang zou het Sticht niet zonder georganiseerde ridderschap blij-
ven: op 17 juli 1880, dus nog geen twee maanden later verenigden zich
drie-en-twintig leden van de stichtse adel, waaronder dertien van de-
genen, die zich in 1880 hadden aangemeld, „tot wederoprichting van de
Vereniging DE RIDDERSCHAP VAN UTRECHT", wier statuten bij
Koninklijk Besluit van 24 november 1880 werden goedgekeurd. Zij stelt
zich een tweeledig doel:
(1°) het daarstellen van een band tussen personen, deel uitmakende van
den Nederlandsen Adel, gevestigd binnen, of afkomstig uit de Pro-
vincie Utrecht, en het houden van onderlinge samenkomsten door
hen, ter bespreking hunner gemeenschappelijke belangen;
30
-ocr page 34-
(2°) het verlenen van ondersteuning aan onvermogende leden of we-
duwen, en wettige afstammelingen van leden dezer ridderschap uit
een daartoe bestemd fonds, bijeengebracht uit giften, makingen,
intreegelden van Leden en Gerechtigden en de jaarlijkse inkomsten
der vereniging.
In de voorgeschiedenis ligt de verklaring van art. 5 der Statuten, het-
welk luidt: De Leden der bij constitutieve acte van 1 september 1851
opgerichte Ridderschap van Utrecht, die bij de ontbinding derzelve op
29 mei 1880, hare fondsen onderling hebben verdeeld, zomede hunne
afstammelingen in de mannelijke lijn, tot in de derde graad, kunnen geen
leden dezer Ridderschap worden, tenzij vooraf het door hen uit die
fondsen verkregen aandeel met 5% rente, sedert 29 mei 1880, in het
Fonds dezer Ridderschap stortende.
31
-ocr page 35-
STAAT A
Vertegenwoordigers van de ridderschap in de provinciale staten van
Utrecht
1814-1849
1814-1849 G. C. C. J. (1822 baron) van Lynden van Sandenburg
lid van Gedeputeerde Staten
1814-1828 J. A. (1822 baron) Taets van Amerongen van Woudenberg
lid van Gedeputeerde Staten
1814-1832 J. H. (1822 baron) van Lynden tot Lunenburg
1814-1849 G. C. D. (1822 baron) van Hardenbroek tot Hardenbroek
1814-1821 Jhr. F. O. J. Hacfort tot den Ham
1814-1840 W. R. (1819 baron) van Heeckeren van Brandsenburg
lid van Gedeputeerde Staten
1814-1824 W. R. (1822 baron) van Tuyll van Serooskerken tot Koel-
horst
lid van Gedeputeerde Staten
1814-1831 M. L. (1822 baron) van Utenhove van Bottenstein
1814-1819 Jhr. Mr. W. E. de Perponcher Sedlnittsky van Wolphaarts-
dijk
lid van Gedeputeerde Staten
1814-1817 J. A. (1822 baron) Taets van Amerongenv an Renswoude,
heer van Deijl
1814
             Jhr. R. D. J. vanReede, 7de graaf van Athlone
benoemd 1814, doch nimmer opgekomen
1815-1837 Jhr. N. H. Strickvan Linschoten, heer van Bunnik, Vechten
Vlooswijk
1816-1818 en
1831-1836 J. M. C. (1822 baron) van Utenhove van Heemstede
1817-1849 J. G. G (1822 baron) Taets van Amerongen van Renswoude
lid van Gedeputeerde Staten
1819-1824 P. (1822 baron) van Reede van Oudtshoorn
1819-1843 E. L. (1822 baron) van Hardenbroek van Lokhorst
1819-1843 E. L. (1822 baron) van Hardenbroek van Lokhorst
1823-1840 D. (1822 baron) van Tuyll van Serooskerken van Maarssen
1825-1844 H. Ph. baron Snouckaert van Schauburg
1829-1848 G. A. G. Ph. baron van der Capellen van Berkenwoude
1829-1847 G. F. baron van Derfelden van Hinderstein
1832-1836 G. H. A. baron van Heeckeren van Brandsenburg
32
-ocr page 36-
1837-1849 J. baron Taets van Amerongen van Notewisch
lid van Gedeputeerde Staten
1837-1849 J. baron Taets van Amerongen tot Woudenberg
1838-1849 Jhr. W. A. Beelaerts van Blokland
1841-1849 Jhr. J. E. de Pesters van Cattenbroek
1843-1849 A. C. G. ridder van Rappard
1845-1847 J. F. baron van Reede van Oudtshoorn
1847-1849 G. W. J. baron van Boetzelaer van Dubbeldam
1847-1849 Ph. J. baron van Zuylen van Nyevelt
1848-1849 W. R. baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen
lid van Gedeputeerde Staten
STAAT B
Leden van de ridderschap van Utrecht, die in de provinciale staten van
die provincie zitting hebben gehad voor een andere stand
1814-1849
Voor de stad Utrecht
1814-1827 W. A. H. (1819 baron) van Heeckeren van Brandsenburg
lid van Gedeputeerde Staten
toegelaten tot de ridderschap 1826
1830-1849 Jhr.W. E. Ram
toegelaten tot de ridderschap 1836
Voor de landelijke stand
1814-1834 P. W. Bosch van Drakestein
verheven 1829
toegelaten tot de ridderschap 1831
1816-1824 D. J. W. Strick van Linschoten van Rhijnauwen en Nieuw-
Helvoet
ingelijfd 1816
toegelaten tot de ridderschap 1821
1824-1833 Jhr. (1830) Mr. P. J. van der Does de Bye
1831-1835 Jhr. F. van Collen van Gunterstein
1833-1849 Jhr. G. J. Beeldsnijder van Voshol
1836-1849 J. P. C. baron van Reede van ter Aa
1845-1849 J. D. C. C. W. baron d\'Ablaingvan Giessenburg
was tot 1841 lid der ridderschap van Holland, daarna over-
gegaan naar die van Utrecht
1846-1849 Jhr. J. P. Strick van Linschoten van Vlooswijk
1848-1849 F. C. H. baron Taets van Amerongen
33
-ocr page 37-
STAAT C
Leden van de ridderschap van Utrecht, die benoemd zijn tot lid van de
Staten Generaal
1815-1848
Staten Generaal 1814-1815 (provincie Utrecht 3 leden)
W. R. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen
1815 benoemd in de Eerste Kamer
W. N. de Pesters van Cattenbroek
1815 benoemd in de Tweede Kamer
Buitengewone leden van de Kamer voor grondwesher-
ziening 1815 (3 leden)
J.M.C, van Utenhove van Heemstede
Eerste Kamer J 815-1848
1815-1839 W. R. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen
(bedankt 23 september 1816 als lid van de ridderschap)
1824-1831 Jhr. W. N. (de) Pesters van Cattenbroek
W. N. (de) Pesters van Cattenbroek
1831-1848 J. H. baron van Lynden tot Lunenburg
1840-1848 Jhr. H. M. A. J. van Aschvan Wijck
1842-1844 Jhr. o. van Weede van Dijkveld
Tweede Kamer 1815-1848 (provincie Utrecht 3 leden)
1815-1824 Jhr. W. N. (de) Pesters van Cattenbroek
1818-1830 J. M. C. (1822 baron) van Utenhove van Heemstede
1822-1840 Jhr. (1833) H. M. A. J. van Aschvan Wijck
toegelaten tot de ridderschap 1834
1824-1840 W. R. baron van Tuyll van Serooskerken van Coelhorst
1840-1848 J. K. baron van Goltstein
1840-1845 W. R. baron van Heeckeren van Brandsenburg
Buitengewone leden van de Kamer voor de grondwetsher-
ziening 1840 (3 leden)
F. A. A. C. baron van Lynden van Sandenburg
Buitengewone leden van de Kamer voor de grondwetsher-
ziening 1848 (3 leden)
D. C. C. W. baron d\'blaing van Giessenburg
J. F. baron van Reede van Oudtshoorn
34
-ocr page 38-
\') Over het ontstaan en de ontwikkeling der ridderschappen is in de laatste jaren veel
gepubliceerd. Voor een beknopt, doch helder overzicht raadplege men het boekje van
Jonkvr. Dr. J. M. van Winter, Ridderschap, ideaal en werkelijkheid, Bussum 1965.
Dezelfde auteur behandelde in haar proefschrift „Ministerialiteit en ridderschap in
Gelre en Zutphen" (Groningen 1962) de resultaten van een uitgebreid onderzoek be-
treffende het hertogdom Gelre.
2) Uitvoerig hierover C. W. van der Pot, Bestuurs- en rechtsinstellingen der Ned. pro-
vinciën, Zwolle 1949, § 21.
2a) D.w.z. de toenmalige hervormde staatskerk.
s) De Savornin Lohman, De bestuursinrichting van ... Utrecht gedurende de Bataafsche
Republiek, prft. Utrecht, 1910, bl. 4.
4)    Geyl, Geschiedenis van de Nederlandse stam III (1949), bl. 311.
5)    Zie Verzameling van wetten enz. dl. VII, bl. 104-131.
6)    Vgl. Van der Pot, Bestuurs- en rechtsinstellingen der Ned. provinciën, §§ 37-39.
?) Colenbrander, Ontstaan der Grondwet I, bl. 43 w.
8)    Na de splitsing van Holland in 1840 werd dit: Noord-Holland 6 op 72; Zuid-Holland
10 op 86.
9)    Het reglement op de samenstelling der staten van Limburg werd vastgesteld op
4 dec. 1815; de eerste benoemingen in de ridderschap dezer provincie vonden eerst
plaats op 16 febr. 1816. Na de afscheiding van België werd het aantal statenleden voor
de verkleinde provincie vastgesteld op 39, waarvan 13 te verkiezen door de ridderschap.
De eerste benoemingen in de nieuwe ridderschap vonden plaats in 1842.
w) Zie Colenbrander, Ontstaan der Grondwet I, bl. 190, 194, 203, 294, 299, 323. Raepsaet,
die Van Tuyll in de commissie 1815 leerde kennen, was kennelijk zeer met hem in-
genomen. Hij noemt hem „un respectable vieillard; ... pas fait pour briller ou dominer
dans uut\' assemblee, mais il a des connaissances en affaires; extrêmemement honnête
et juste et ferme quand ik Ie faut. Ses opinions sont independantes et a lui" (Colen-
brander, Ontstaan II, bl. XXXI).
u) Aantekening op de Grondwet, eerste druk, 1839, blz. 176; Over de hervorming van
ons kiesstelsel, 1842, bl. 7/8 en 65; Aantekening twee druk, deel II, bl. 19 (1843).
12)   Ziehier, althans ten dele de oplossing van het raadsel, dat d\'Ablaing van Giessenburg
opwerpt in de voetnoot op bl. 118 van zijn werk „De ridderschappen in het Koninkrijk
der Nederlanden" (1875).
13)    Zie Handelingen... herziening der Grondwet 1847-1848, deel II, bl. 655, De Bosch
Kemper, Geschiedenis van Nederland na 1830, II, bl. 422 en H. v. Loghem, „Eennige
bladzijden uit de geschiedenis der Staten van Overijssel van 1830 tot 1848", Bijdragen
tot de kennis van het Staats-, Provinciaal en Gemeentebestuur, deel 18 ((1872), bl. 1.
u) Rüter, Rapporten van de Gouverneurs III, bl. 226.
15)    De Bosch Kemper, als voren, III, bl. 146.
16)    Van de anderen is Menso tegen en Van Heeckeren van Brandsenburg wegens ongesteld-
heid afwezig.
1T) Het stuk is in 1846 te Utrecht uitgegeven onder de titel: Voorstel aan de staten der
provincie Utrecht. Zie ook De Bosch Kemper, als voren, V, Lett. Aantekeningen bl. 114.
18) Memorie betreffende de verdeeling van het fonds der ridderschap van Zuid-Holland,
door H. J. Caan en vijf anderen, Den Haag, 1851, bl. 7 en M. G. Wildeman, De Ridder-
schap van Noordbrabant met eene inleiding door Jhr. Mr. A. F. O. van Sasse van
Ysselt (1903), bl. 10 en 11.
*•) Zie hierover uitvoeriger, Mr. W. J. baron d\'Ablaing van Giessenburg, De ridder-
schappen in het Koninkrijk der Nederlanden, Den Haag, 1875, bl. 15-17. Diens op-
vatting, dat de ridderschappen als lichamen met een publiekrechtelijke taak zijn
blijven voortbestaan, dunkt mij, op dezelfde gronden als in het hiervoor genoemde
werk aangevoerd door Jhr. Van Sasse van Ysselt, niet houdbaar.
2°) Hierover handelt de in noot 18 genoemde memorie.
21) Dit is het pand Janskerkhof 2, dat dians één geheel uitmaakt met de zg. Statenkamer,
35
-ocr page 39-
Janskerkhof 3. Met het einde van de provinciale souvereiniteit verviel het pand aan
de staat, die het na de bevrijding in 1813 weer voor / 5.000,— afstond aan de ridder-
schap. Het werd in het bzegin van deze eeuw door het rijk teruggekocht ten behoeve
van de Universiteit en herbergt thans het Zoölogisch Laboratorium.
--) Zie B. de G. v. J. (Mr. B. J. L. baron de Geer van Jutphaas), De ridderschap van
Utrecht, haar begin en einde, Utrecht 1880.
^ lac^
36