-ocr page 1-
*r»\\m ^ f^
ÖR.jm Fol.1,47
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
3145 553 2
-ocr page 2-
-ocr page 3-
«*V
?
v*
/
-ocr page 4-
&£uft
-ocr page 5-
Tegenzegel van den elect
De elect Jan van Nassau
e Nederlandsche historiographie is voor den eersten telg van het door-
luchtige huis van Nassau, die zich op onzen vaderlandschen bodem gevestigd
heeft, bijzonder onvriendelijk geweest.
Beka, de oudste geschiedschrijver die zijne daden beschrijft, noemt
hem „virum quasi secularem et simpliecm", - eene qualificatie, door Heda
met andere woorden herhaald: „vir in ecclesiastica disciplina minus versatus,
simplex nee industrius". Sedert hebben onze geschiedschrijvers den vorst vrij wel met rust
gelaten. Maar in 1854 achtte niemand minder dan I. A. Nijhoff zich geroepen, hem meer naar
den voorgrond te brengen. De toon is vrij hard. „Alle schrijvers", dus laat hij zich uit,
„stemmen er in overeen, dat Jan van Nassau een man was van bedorven zeden, volslagen
onkundig, ongeschikt voor de behandeling van zaken, vadsig en traag". Even verder spreekt
hij van „den verdwaasden, in zingenot weggezonken bisschop". Als de vorst krachtig optreedt,
heet het, dat hij, „hoe traag anders", toch niet alles verdragen kon; spreekt hij den ban uit
om zijn gezag te handhaven, dan merkt de schrijver op, dat de banvloek, „schoon geslingerd
door eene onwaardige hand", toch indruk maakte. Ik weet niet, wie de schrijvers zijn, op
wie Nijhoff het oog heeft; maar het gezag der heeren, geen tijdgenooten van den kerkvorst,
kan bezwaarlijk groot genoeg zijn, om zooveel smaad te rechtvaardigen. Delprat, die het
bestuur van Jan van Nassau eenigc jaren later besprak, is zachter in zijn oordeel; van hem
krijgt onze kerkvorst echter weder een geheel ander verwijt te hooren: hij heet, op gezag
van den abt Trithemius, „vir bellicosus nimium". En zelfs onze Moll, wien ik niet dan ongaarne
iets ten laste zou leggen, oordeelt wel billijker, maar verklaart toch, dat „onder alle bisschoppen
van Utrecht er naauwelijks één geweest is, die meer dan Jan van Nassau in onze kerk-
geschiedenis eene droevige figuur maakt". Hij was volgens Moll „de erbarmelijkste financier,
dien men zich voorstellen kan"; er is sprake van ,,\'sbisschops schromelijke verwaarloozing
-
-ocr page 6-
32                                               DE ELECT JAN VAN NASSAU
der algemeene belangen van het Sticht", van „zijn wanbestuur en verregaande onachtzaam-
heid bij de behandeling van gewigtige zaken". „In al zijne bedrijven," dus luidt de conclusie,
„scheen hij slechts tot verachtering van den uitwendigen welstand, zoowel van zijne kerk als
van zijn wereldlijk gebied, te kunnen bijdragen".
Is er voor dit strenge oordeel goede grond? Ik waag het, dit te betwijfelen. Beka\'s
meening over den prelaat was althans vrij wat gunstiger dan die der lateren. Immers wanneer
hij iemand aanduidt als een „vir simplex," dan wil hij daarmede te kennen geven, dat de
ongelukkige het slachtoffer werd van slechte raadgevers. En de betiteling van een prelaat als
„quasi secularis" beteekent in den mond der schoolschc klerken, die in de middeleeuwen als
geschiedschrijvers optraden, niet veel anders dan de verzuchting: als de arme man maar beter
gestudeerd had, dan zou het zoo slecht niet met hem zijn afgeloopen!
Het verhaal der lotgevallen van Jan van Nassau geeft dan ook geene aanleiding tot
eene meer besliste vcroordeeling. Wij kennen hem niet. De kroniek van Beka, de eerste die
ex professo over het bestuur van den kerkvoogd handelt, wijdt inderdaad aan hem drie folio-
bladzijden: niet weinig voor een 13de eeuwschen regent! Maar als wij die drie bladzijden
lezen, dan vinden wij: het verhaal van een oproer, waarin de bisschop geene rol speelt,
berichten over de veldtochten van Kloris Y tegen de Westfriezen, — een en ander over
Floris\' strijd met Vlaanderen, - eene correspondentie tusschen graaf Floris en den pseudo-
Frederik II, - notities over een watervloed en over een brand te Utrecht, -- en eindelijk......
het verhaal van \'s bisschops afzetting! Al deze berichten worden door de latere chronisten
getrouw nageschreven. Summa summarum weten wij dus van het bestuur van bisschop Jan
van Nassau nog volstrekt niets.
Gelukkig zijn er echter in den loop der eeuwen ook andere bronnen ontsloten. De
oorkonden uit Jan van Nassau\'s tijd zijn in grooten getale bijeengebracht. En behoorlijk gerang-
schikt en met elkander in verband gebracht, stellen zij ons, geleid door de spaarzame berichten
der chronisten, in staat, om van de regeering van bisschop Jan een duidelijk overzicht te
geven. De persoon van den vorst blijft, zooals nagenoeg alle vorsten der 13dc eeuw, eene
schim; zijne tragische lotgevallen echter kunnen wij met belangstellende deelneming volgen.
Op den lf>den Mei 1267 lag bisschop Hendrik van Manden op zijn sterfbed. Met vol-
doening kon hij terugzien op zijn 17-jarig bestuur van het bisdom. Hij had de hecren van
Amstel en Woerden, lastige onderdanen, verslagen en gevangen naar Utrecht gebracht; den
graaf van Gelre, hun bondgenoot, had hij getuchtigd door een wclgelukten strooptocht op de
Veluwe; uit den toen verkregen buit had hij het sterke slot Vredelant gesticht, dat de
Amstels in bedwang moest houden. En ook buiten zijn gebied was hij met succes opgetreden:
zijn metropolitaan, den aartsbisschop van Keulen, had hij aan zich verplicht door een
gelukkigen slag tegen zijn vijand, den graaf van Gulik \'). Zoo kon hij met tevreden gerustheid
het hoofd nederleggen. Bij zijn testament vermaakte hij zijne stichting, het sterke Vredelant,
aan de Utrechtsche kerk 2); de kroniekschrijver verzekert ons uitdrukkelijk, dat ook de andere
1 Bok;i, Chronica. p. 84- KS.
%) Charter van 15 Mei 12<i7 :arch. Dom).
-ocr page 7-
DE ELECTJAN VAN NASSAU
33
sloten van het bisdom in goeden staat verkeerden, wel voorzien van het noodige *). Den 4den
Juni is de bissehop overleden.
Maar de laatste dagen van den kerkvorst\') zullen stellig verontrust zijn door onheil-
spellende geruchten. Men verhaalde elkander schrikkelijke zaken: in de lucht waren reusachtige
gedaanten gezien, die elkaar bestreden; het volk was vervuld van ontzetting over het booze
voorteeken. En inderdaad, in het noordwesten was een storm opgestoken: daar, in het verre
Kennemerland, moet het reeds vóór \'s bisschops dood tot eene uitbarsting gekomen zijn \'). De
Kennemer boeren, berucht als cenc „indomita gcns", waren (het was niet voor de eerste
maal!) ontevreden over de lasten, die de adellijke bewoners der kasteelen aan het landvolk
oplegden; die ontevredenheid groeide aan en strekte zich uit over de gansche streek. De
ongetemde Westfriezen sloten zich bij hunne naburen aan, de Waterlanders bleven niet achter:
weldra was geheel Noord-Holland in opstand.
Wel gaarne zouden wij iets naders willen vernemen over de motieven, die aldus de
lagere klasse op het platteland in verzet brachten tegen hare meerderen; want betrekkelijk
zelden spreken de annalen der middeleeuwen van dergelijke agrarische woelingen. Maar
helaas! het gelukt ons niet verder te komen dan tot algemeenheden. Wij vernemen, dat de
boeren gebeten waren op de „nobiles communitatem aggravantes"; dat zij de kasteelen hoopten
\') Beka. p. «»\'2.
\') Bij do tijdsbepalingen der volgende gebeurtenissen heb ik de dagteokeningen der oorkonden gere-
duceerd volgens een vast systeem, gewoonlijk naar den Nieuwjaarsstijl, enkele malen naar den I\'aaschstijl.
Ik kan dit systeem hier niet uiteenzetten, maar alleen verklaren, dat het (zooals, naar ik hoop, uit het
vervolg blijken zal overal, zoover ik zien kan, tot bevredigende uitkomsten heelt geleid. Van den Bergh
geeft herhaaldelijk andere dagteekeningen; ik kan dit niet telkens vermelden en verbeteren.
Jï De tijdsbepaling van het Kennemer oproer is niet geheel zeker. Beka (Chronica. p. (>2 spreekt alleen
van „circa haec tempora" nam. bij de keus van Jan van Nassau ; Joh. a Leydis en de Divisie-kroniek
noemen bepaald het jaar 1268. Ik meen, dat de tijd bepaald wordt door een charter van 1267, waarin de
oudermannen der gilden als leden van het stadsbestuur voorkomen, terwijl dit in een geheel dergelijk stuk
van l\'2oh niet het geval is ^zie: Rechtsbr. v. Utrecht. Inl. p. 1\'» X. 5). De Hollandsche Heka noemt daaren-
tegen (p. 174, 17<>> zeer beslist de jaren 1274 — 1276. Er zijn wel aanwijzingen, die voor deze tijdsbepaling
pleiten: den 26 Juli 1274 treden de conjurati van Mijdrecht en omstreken op \'Van den Bergh. II N*. 274 en
1<> Augustus sluit Gijsbrecht van Amstel e. s. een verbond met de stad Utrecht V. d. Bergh. II X*. 276);
den 234lon September 1276 belooft de elect Jan, na een strijd met de stad Utrecht, haar in alles bij te staan
(Bijdr. en mcded. Hist. Gen. IX p. 32). Dit alles sluit zeer goed met het verhaal van het Kennemer oproer,
en het zou wel piquant zijn, indien het bleek, dat Kloris V, „der keerlen God", als twintigjarig jongeling
zijne carrière begonnen was door het ondershands begunstigen van een boerenopstand. Maar het is onaan-
nemelijk. Afgezien van het feit, dat het wel al te stout zou zijn geweest, zoo graat Kloris de boeren, die
eerlang Haarlem belegeren zouden, had voortgeholpen in het Sticht, zijn er afdoende bezwaren. Reeds voordat
Gijsbrecht van Amstel een verbond sluit met de stad Utrecht (1(> Augustus;, blijken de raad van Utrecht
en de gemeenten van Muiden, Amstel c. a. het eens 02r> Juli); bij het Kennemer oproer was eerst het
verbond met Amstel het sein tot het aftreden van den aristocratischen raad. Als bondgenoot van Amstel
treedt op de heer van Abcoude, terwijl in het Kennemer oproer de heer van Amstel integendeel het slot
Abcoude verwoest. Xog meer: de heer van Abcoude heet in 1274 Zweder (vermeld 1268—1287), terwijl
de eigenaar van het verwoeste slot Gijsbrecht heet, zooals heer Zweders opvolger ^vermeld 1292 -1299)
heette en zooals dus denkelijk ook zijn voorganger geheeten heeft. Dit alles wijst dus op den tijd vóór 1268
als datum van het Kennemer oproer. En dit doet ook de vermelding van het definitieve dempen van het
oproer door Nicolaas van Cats, „Florentii juvenis Hollandie domicelli tutelam adhuc habens," terwijl Kloris V,
geboren in 1254, tot 1264 onder voogdij van den Gelderschen graaf, reeds in 12o6 zelf oorkonden uitvaardigt,
en dus in 1276 bezwaarlijk geacht kan worden nog onder voogdij te staan.
.->
-ocr page 8-
34                                                DE ELECTJAN VAX NASSAU
te vernielen en alle edelen te verdrijven. Er is verder sprake van een weidsch plan, om het
geheele Utrechtsche bisdom te vervormen tot eenc „vulgaris eommunitas", eene sociale
republiek, waarin de goederen der edelen onder de armen verdeeld zouden worden. Blijkbaar
was het de oude geschiedenis: de edelen zijn begonnen de boeren „petitionibus aggredi",
zooals het elders heet: zij hebben hun allerlei onver-
plichte lasten opgelegd. Xu komt er reactie: het getergde
volk gaat over tot uitersten. Zooveel is duidelijk ; maar
de bijzonderheden ontgaan ons. Ken latere kroniek-
schrijver doet ons in heftige bewoordingen een verhaal
van de misdrijven der onderdrukkers; hij weet te ver-
tellen van een plan. om niet alleen de edelen, maar
ook de prelaten en alle klerken en monniken te ver-
moorden; alleen de bedelmonniken, die geene schatting
van de armen heffen, en enkele parochie-priesters,
die de sacramenten moeten bedienen, zouden bij dien
algemeenen moord gespaard worden l). Deze bijzon-
derheden zijn echter weinig geloofwaardig: de bedel-
orden althans waren in 1267 in Nederland nog wel
niet talrijk genoeg, om plaats te nemen in een pro-
zegei van Gijsbrecht van Amstei
                   gramma van sociale hervormingen.
Maar al ontgaat ons de bedoeling der op touw
gezette sociale revolutie, duidelijk is het althans, dat zij het gemunt had op den plattelandsadel2).
Het oproerige landvolk belegerde de sloten der Kennemer edelen, nam er verscheidene in en
sloopte ze zonder mededoogen ; de bewoners vluchtten en zochten eene toevlucht achter de sterke
wallen van Haarlem, de Kennemer hoofdstad. Toen barstte de opstand uit naar buiten, allereerst
naar het aangrenzende Amstelland. De heer van Amstel, de bekende Gijsbrecht. wordt ons door de
kroniekschrijvers afgeschilderd als een eenvoudig man („vir simplex"); maar zijn gedrag tegen,
over de revolutionnairen. die zijn slot belaagden, getuigt anders en spreekt van welberaden
overleg. Xaar het schijnt, was heer Gijsbrecht trouwens van ouds met het landvolk op beteren voet
dan zijne standgenooten: de kroniekschrijver, die verhaalt van de stichting van Vredelant door
bisschop Hendrik, verzekert althans, dat het slot evenzeer bestemd was, om de boeren in
bedwang te houden als om de Amstels te keeren 3). Dat kwam heer Gijsbrecht nu te stade:
toen hij het oproerige landvolk zag naderen, begreep hij onmiddellijk, dat hij van het geval
kon partij trekken om zijne eigene partij te spelen. Hij wist den leiders te beduiden, dat het
geraden was met hem samen te spannen: de woeste bende, verheugd dat zij een ervaren
hoofd had, stelde zich onder zijne leiding.
Onmiddellijk wierp heer Gijsbrecht zich toen op het sticht Utrecht. Allereerst gold het
Vredelant, de sterkte die Amstel bedwingen moest. Maar het fort, nog nieuw en sterk bezet,
bood weerstand aan den aanval. Toen werd eene andere onderneming gewaagd : de bende
\') Trithemius, Chronicon Hirsaugiense. II p. 13, 14 (op het jaar llfrK).
2) Zie het verhaal van het oproer bij: Beka, Chronica. p. 92, 93.
\') Beka, Chronica. p. 85.
-ocr page 9-
DE ELECT JAN VAN NASSAU
35
wendde zich naar Utrecht. Onvoorziens werd de stad ingesloten, en de verbaasde wachters
op de wallen zagen met ontsteltenis de tallooze benden van ruwe, vreemde mannen; het
gerucht liep, dat de Tartaren waren gekomen om Utrecht in te nemen. Maar het beleg had
een onverwacht verloop. Ook binnen de muren der stad was het niet rustig: ook daar vond
men „nobiles communitatcm aggravantes", en de hoorige handwerkers waren weinig minder
ontevreden dan de Kenncmer boeren. Spoedig werd men het dus eens: in de stad barstte een
oproer uit, de leden der stedelijke aristocratie werden overmand en uit de stad verdreven.
Het was eene formeele revolutie. De inrichting van het stedelijk bestuur werd geheel
veranderd: terwijl eene stadskeur van 21 Augustus 1266, naast den schout, de schepenen en
de raden, ook de gemeente („univcrsitas civitatis") noemt, die zeker wel (hier, evenals overal
elders) zal bestaan hebben uit een engen gesloten kring van aristocratische familiên, vinden
wij in eene nieuwe redactie derzelfde keur van 23 Juni 12(>7 op de plaats dier gemeente de
oudcrmanncn der gilden vermeld \'). Reeds drie weken na bisschop Hendriks dood was dus
de opstand meester in de hoofdstad en hadden de handwerkslieden (ongehoord feit in zoo
vroegen tijd!) zich een aandeel veroverd aan het bestuur der stad; de kroniekschrijver
verzekert, dat ook het personeel van de schepenbank en van den raad uit de handwerks-
lieden verkozen werd. Zoo schitterend succes deed de beweging natuurlijk in kracht winnen:
ook het naburige Amersfoort, dat pas van bisschop Hendrik stadrechten verkregen had, trad
toe tot den opstand. Geheel Ecmland volgde het voorbeeld; de sloten der heeren van Abcoude,
Rysenburg en Vianen, vijanden der Amstels, werden genomen en gesloopt. Blijkbaar was
het geheele Nedersticht in de handen der opstandelingen.
De schrik voor de veldwinnende revolutie schijnt aanvankelijk de bedreigde hoogere
klassen weerloos te hebben gemaakt. Maar eindelijk kwam er toch verzet; graaf Otto van
Gelre, nog onlangs de bondgenoot van den heer van Amstel, kwam, nu zijn vriend partij
koos voor de democratie, te velde om de omwenteling op zijne grenzen te keeren. Hij trok
het bisdom binnen en bracht het tot Zeist; maar daar, in het gezicht van den zooveel
talrijker vijand, achtte hij het raadzaam geen slag te wagen en naar de Veluwe terug te
gaan. Zoo bleef de revolutie meester in het land. Maar, zooals het gaat met volksoploopen,
plotseling kwam er eene kentering, en de beweging verloor aan kracht. Het was oogsttijd;
de boeren begrepen dat zij thuis noodig waren, en het Sticht werd weder vrij. Eerst werd
Haarlem, de sterkte der gevluchte edelen, nog omsingeld; maar toen Jan Persijn in den rug
der boeren een paar Kennemer dorpen in brand stak, snelden zij in troepen weg; de Haar-
lemmers deden een uitval en richtten eene geduchte slachting aan in het leger hunner
belagers. De beweging verliep. Maar nog in 1274 trad naast de stad Utrecht ook het landvolk
van Muiden, Amstel, Mijdrecht en Loenen zelfstandig op*). Ook in 1277 had heer Jan Persijn
weder veel te stellen met de Waterlandsche boeren, die zich met geweld tegen hem hadden
verzets). En zelfs in 1324 schilderde Wilhelmus Procurator de Ken nemers nog af als eene
„gens nobilibus infestissima" *).
\') Rechtsbronnen v. Utrecht. Inl. p. lu n°. 5.
») Van den Bergh. II N°. 274.
») Van den Bergh. II N°. 339.
•) Wilh. Procurator, p. 154.
-ocr page 10-
36                                        DE ELECT JAN VAN NASSAU
Met het vertrek der oproerige Noordhollandsehe boeren waren de veranderingen, door
hun optreden in het Sticht te weeggebracht, echter nog niet opgeheven: bepaaldelijk te Utrecht
handhaafden de gilden zich in het bewind. De graaf van Gelre, die spoedig terugkeerde en
(29 Augustus) het beleg voor de stad sloeg, gaf dit reeds na vier dagen weder op en verge-
noegde zich met de verwoesting van Amersfoort; toen verliet hij het Sticht weder. Aldus
zeker voor een overval van buiten, bleef de hoofdstad in de macht der democratie, en wij
bekomen den indruk, dat de revolutie ook de overhand behield in het geheele Nedersticht \').
Twee geheele jaren duurde deze toestand: eerst in den vroegen morgen vanden l<)den September
1269 gelukte het heer Zweder van Bosinchem de stad Utrecht, die het centrum van het
verzet schijnt geweest te zijn, te verrassen; de hoofden der handwerkslieden werden verbannen
en de oude burgemeesters en schepenen teruggeroepen. Maar nog was de kracht der revolutie
niet gebroken voor goed; in het geheim keerden de bannelingen terug, en woelingen en
oproeren verscheurden opnieuw de stad. Eindelijk nam de andere nabuur van het Sticht, het
machtiger Holland, de taak op zich, om de sociale woelingen, die een gevaar bleken voor de
geheele omgeving, voor goed te bedwingen. Heer Nicolaas van Cats, voogd van den jongen
graaf, wist zich met T>(K) gewapenden den toegang binnen Utrecht te verschaffen en hield,
midden in de stad op den rechterstoel gezeten, een strafgericht, waarvan nog eene halve
eeuw later de indruk niet vergeten was. De democratische inrichting van het stadsbestuur
werd afgeschaft; men verhaalt, dat niet minder dan 1-MH) personen als ballingen de stad verlieten.
Midden in den Kenncmer opstand was het nieuwe hoofd van het Sticht, de elect Jan
van Nassau, in zijn bisdom aangekomen. Hvenmin als aan de democraten kan zijne benoeming
aangenaam geweest zijn aan hunne tegenstanders, de vroeger heerschende partij in het Sticht.
Want uit alles blijkt, dat zijne keuze was uitgegaan van de oppositie tegen het beheer van
den vorigen kerkvorst, die zoo hoog gewaardeerd was.
Toen bisschop Otto van Holland in 1249 overleden was. had de paus zich gehaast,
om aan de Utrechtsche kapittelen, die van ouds als kiescollege fungeerden, eene waar-
schuwing te doen toekomen, dat zij het niet wagen zouden zonder zijn goedvinden een
nieuwen bisschop te kiezen; hij had zelfs gedreigd, dat hij eene anders gedane keuze niet
zou erkennen. En toen de kapittelen, zich niet storende aan het pauselijk bevel, Gosewin van
kanderode hadden benoemd, had de paus zijne bedreiging vervuld en Hendrik van Manden
als tegenbisschop aangewezen. Na korten strijd had de pauselijke kandidaat gezegevierd en
de elect Gosewin zich moeten terrugtrekken *). Het geringe succes van hun optreden was
zeker niet geschikt, om de vijf kapittelen te prikkelen tot eene herhaling. Maar toch gaven
zij het niet op: na den dood van bisschop Hendrik beproefden zij op nieuw hun geluk,
lilijkbaar hebben zij den paus de gelegenheid niet gelaten, om hen ook thans weder te waar-
schuwen : onmiddellijk na bisschop Hendriks dood kwamen zij samen en met buitengewonen
spoed verkozen zij een nieuw hoofd van het Sticht.
\') Bek;i, Chronica. p. (>:i. (De elect vlucht naar Deventer).
\') Zie over dit geval: Pijnacker Hordijk, De elect Gozewijn van Utrecht, in: Mijdr. v. vader!, geschie-
denis. :5lc K. X p. IK") vlg. Vgl. Aldinjrer, Die Neuhcsetzunfr der deutschen Bistumer unter Papst
Innocenz IV. p. 118, 139.
-ocr page 11-
1>l«: ELECTJAN VAN NASSAU                                                37
Dat was de eerste tegenstelling met bisschop Hendrik, die \'s pausen kandidaat voor
het bisdom was geweest. Maar er was meer. Van ouds was er tussehen de beide machtige
naburen van het sticht, de graven van Holland en Gelre, zekere rivaliteit geweest, wiens
invloed den doorslag zou geven bij het bezetten van den bisschopszetel. Gewoonlijk slaagde
Holland, en ook bisschop Hendrik was gekozen met instemming van koning Willem van
Holland, met wien hij in de beste verstandhouding had geleefd. Maar ditmaal, terwijl de
jeugdige Floris V nog onder voogdij stond van den Gelderschen graat zelf, wist deze den
prijs voor zich te winnen: blijkbaar was de gekozene, bloedverwant van graaf Otto, diens
kandidaat. Ook andere invloeden waren ten dezen in het spel. Wij weten, dat bisschop
Hendrik op het laatst van zijn leven ten gunste van den aartsbisschop van Keulen had inge-
grepen in een hooggaanden twist tusschen dezen en den graaf van Gulik met den graaf van
Gelre en andere vorstjes uit de buurt, over eenige door den aartsbisschop ingevoerde onrecht-
matige tollen \'). Deze veete, waarin bisschop Hendrik voor zijn metropolitaan een succes had
behaald, was nog altijd onbeslist, en den verbondenen scheen het nu een goede zet. indien
het hun gelukte den openstaanden Utrechtschen zetel te winnen voor een der hunnen. De
keus viel op Jan van Nassau, telg van een geslacht, dat nu en dan actief deelnam aan de
veeten in die streek, en broeder van dien Otto en dien Walram, naar wie de beide linién
van het Xassausche gravengeslacht genoemd zijn. 1 )e jeugdige *) vorst bevond zich in het
leger1), waarschijnlijk wel met de andere Xassausche graven. Hij was geen priester\'),
denkelijk zelfs niet opgeleid voor den geestelijken stand\'). Maar dat scheen geen bezwaar:
hij was een volle neef van den graaf van Gelre"), en zijne zuster Jutte was gehuwd met den
heer van Cuyk 7), die eene groote rol speelde in de zaken van het bisdom.
Het gelukte den bondgenooten, om de Utrechtsche kapittelen te winnen voor hunnen
kandidaat, die zonder bezwaar gekozen werd. Aanstonds maakte hij zich op naar zijn nieuw
bisdom: reeds hij den mislukten tocht van den graaf van Gelre naar Zeist was hij tegen-
woordig; later bevond hij zich ook in het Geldersche leger, dat Amersfoort innam*). Toen,
na den terugtocht der Gelderschen, achtte hij zich in het oproerige land niet meer veilig en
week naar het Oversticht, waar hij zich vestigde te Deventer.
Den bondgenooten in het Guliksche ging het onderwijl zeer voor den wind. Nog voor
het vertrek van den jongen elect (wellicht zelfs reeds vóór zijne keuze) was het den verbondenen
gelukt in een gevecht, waarbij Jan van Nassau zelf tegenwoordig was, den aartsbisschop
\') Bcka, Chronica. p. SS. Vgl. Ennen, Gesch. d. Stadt Coln. II p. 1S7.
*) Zoo verzekert de paus 25 Januari l\'2lK> (Brom, Bullarium. I n". 37<>).
*) Zie de pauselijke bul van 1290 Brom, Bullarium. I n". .\'57<> : „quem comes in Johannis
presentia ceperat".
*) Zie de boven aangehaalde bul van 12\' 1».
3) „Cum nee donum sciencie competentis tune illi suppeteret", zegt de paus (Brom, Bullarium. I n*. 376).
•) Hij was een der tien kinderen van Hendrik van Nassau en Mechtelt van Gelre (Sloet, Oorkb. II
p. &*>. Vgl. Holman in: Jaarb. v. Alb. Thym. 18\'tt> p. <»7 noot 2).
7) De elect noemt heer Jan van Cuyk: „sororius noster" (ch. v. 14 Juli 1285, bij V. d. Bergh. II
n°. 555); heer Jan en zijn zoon noemen den elect „onsen zwagher ende onsen oem" (ch. v. 31 Maart 1290,
bij V. d. Bergh. II n°. 769).
") Beka, Chronica. p. 93. In de oorkonden wordt hij het eerst vermeld op 13 .Mei 1268.
-ocr page 12-
38
l>K liLECT |.\\X VAN NASSAU
van Keulen krijgsgevangen te maken \'). Dat was een buitengewoon sueees, van belang ook
voor den nieuwen Utrechtschen eleet. Want langdurige gevangenschap maakte den Keulschen
kerkvorst toegevend: in den /oen, die ten slotte bij zijne vrijlating, in 1271, getroffen werd5),
kon als eene der bepalingen, die men den gevangene opgelegd had, ook het beding opgenomen
worden, dat de aartsbisschop de keus van den jongen Xassauer zou eontirmeeren s).
Zoo werd de positie van het nieuwe hoofd van het Sticht althans geregulariseerd, al
onthield de paus daaraan nog zijne bekrachtiging. Maar de jonge vorst heeft dit denkelijk
niet afgewacht: reeds twee jaren vroeger (1269), na de verrassing van Utrecht door Zweder
van Bosinchem, die steeds onder de volgelingen van den elect genoemd wordt en die later
als zijn maarschalk optrad, zal Jan van Nassau stellig naar de hoofdstad van zijn sticht
gekomen zijn en het bestuur aanvaard hebben.
I )e eerste tijd van dat bestuur verliep rustig: in de vijf jaren na het bedwingen van
den opstand vernemen wij niet van moeielijkheden en kon de jonge elect zich wijden aan de
bevordering der belangen van zijn nieuw vaderland. Wat hij in dien tijd verricht heeft? Wij
kunnen het niet goed beoordeelen; want niet vele berichten zijn ons overgeleverd. Met de
geestelijke zaken kan de vorst zich niet veel ingelaten hebben. Wel deed hij zich spoedig na
zijne aankomst tot priester wijden4); maar aan zijne wijding tot bisschop viel niet te denken,
zoolang de paus niet had toegegeven. 1\'aus Clemens IV overleed in 12()8, en de nieuwe
pausen hebben zich, zoover wij weten, bepaald tot een passief verzet. Maar toch kon Jan van
Nassau niet optreden als geestelijk hoofd van het sticht5): naast hem zien wij achtereenvolgens
twee wijbisschoppen fungeeren, die de kerkwijdingen verrichtten 6). Veel beteekende dit trouwens
niet: ook gewijde prelaten lieten de zorg voor dergelijke kleinigheden niet ongaarne over aan
titulair-bisschoppen. Maar ernstiger is het, dat wij naast den elect ook een provisor in spiritua-
libus ontmoeten7), zooals op pauselijk gezag ook naast Gosewin van Randenrode had
gefungeerd8): denkelijk dus een persoon, wiens werkkring het geestelijk gezag van den
kerkvorst beperkte.
Iets meer weten wij van het wereldlijke beheer van onzen elect. Hij verleende stadrecht
aan (ienemuiden ") en marktrecht aan Goor ,0). Aan Zwolle en Utrecht maakte hij het mogelijk
1 Zie het verhaal in de pauselijke bul van 25 Januari 12*>0. Brom, Bullarium. I n". \'A~h<. Vgl. Emo en
Menko\'s Kronvken. p. 223.
5 Ennen, Gesch. d. Stadt C\'öln. II p. 205. — Lacomblet, I\'rkundenb. f. Gesch. des Niederrheins.
II n». (.18, 624, 630.
\' Zie de boven aangehaalde bul van 12\'HJ.
•l Zie de boven aangehaalde bul van 12\'K).
\'•) De paus verzekert trouwens, dat de elect de mis bediend en zich als geestelijk hoofd van het Sticht
gedragen heelt (zie de aangehaalde bul van 1\'2(>0).
•) Ch. v. \'M) Dec. 1276: wijbisschop Petrus (Arch. D. Orde. II n». 600\\ -- Ch. v. 24 Sept. 1284, 25 Maart
1286: wijbisschop Hendrik van Pommeren (Keg. v. h. S\'. Odulfskl. R. arch. Friesland. — HS. Booth, B 62.
R. arch. Utrecht).
7 Ch. v. 17 Juni 1271 (V. d. Bergh. II n*. 214): Emondus, bisschop van Curium (niet dezelfde dus, als
de onder den elect Gosewin lungeerende provisor Theodericus, bisschop van Wirland).
») Pijnacker Hordijk. 1. c. p. 200.
•) Ch. v. 14 Jan. 1275 (Racer. VI p. 54).
,0) Ch. v. 2:5 Juli 1283 (Racer. V 288,.
-ocr page 13-
DK IÏLECT JAN VAX XASSAU                                                39
wegen aan te leggen, door eene vergunning tot tolheffing1) en door het verleenen van
tolvrijdom ■). Aan Zwolle en Kampen schonk hij privilegiën s).
Ook de opkomst van steden in het gebied van bevriende edelen bevorderde hij krachtig:
aan Vianen, dat onder zijn bestuur stadrecht verkreeg van Hubert van Bosinchem, schonk
hij het recht om twee jaarmarkten te houden *). Kn herhaaldelijk gaf hij duidelijke bewijzen
van zijne neiging, om de opkomst van Schoonhoven te bevorderen, dat in 1281 door
Nicolaas van Cats werd gesticht \\
Zullen wij om al deze sprekende feiten Jan van Nassau verheerlijken als een bevorderaar
van de opkomst der steden in het Sticht? Zullen wij verklaren, dat hij met wijzen politieken
blik er naar trachtte, zich in zijne moeielijkheden steun te verwerven bij den opkomenden
burgerstand? Ik durf het niet te wagen. Het was de tijd van de opkomst der steden, en de
opgesomde bewijzen van \'selects begunstiging van deze beweging zijn voor een tijdperk van
23 jaren niet talrijk genoeg, om ons oordeel te vestigen over de richting zijner politiek. Het
marktprivilegie van Vianen kan te danken geweest zijn aan den invloed van zijnen heer,
\'sbisschops maarschalk Zweder van Bosinchem. En wie zal zeggen, of ook niet de begeerte
om den machtigen Nicolaas van Cats te gerieven, meer aandeel heeft gehad aan de begun-
stiging van Schoonhoven dan voorliefde voor de burgerij der jonge stad?
Driemaal zien wij den elect bozig, om te bemiddelen in een strijd van het landvolk
met zijne heeren. Het gelukte hem. een eind te maken aan het verzet der Waterlanders tegen
hunnen heer Jan Persijn ">; later was hij het, die den vrede tusschen graaf Kloris en de
Westfriezen tot stand bracht "). Kn als arbiter deed hij uitspraak over de rechten van de
hoorigen der abdis van Essen in het Oversticht!1). (\'.even ons deze bemoeiingen van Jan van
Nassau dan recht, hem te verheerlijken als den paladijn der verdrukte boeren? Alweder, ik
durf het niet te beweren. Want het moet erkend worden, dat de positie dezer boeren na de bemid-
deling van den elect niet zeer gunstig was, — al blijft het natuurlijk mogelijk, dat de tusschen-
komst van hun geestelijk opperhoofd het ongelukkige landvolk bewaard heeft voor nog erger.
Maar ééne bemoeiing van Jan van Nassau kan niet anders dan gunstig getuigen voor
zijn verlichten zin: de afschaffing van het droit d\'aubaine. Den lóden Juni V27A verklaarde de
elect, dat alle personen, die, uit het buitenland komende, zich in het Sticht vestigden, vrij
zouden zijn van den op hen rustenden last, dat hunne gehecle nalatenschap, met uitsluiting
van hunne kinderen of ouders, aan de bisschoppen als landsheeren zou vervallen: voortaan
zouden ook buitenlandsche erfgenamen die nalatenschappen in vrijheid mogen opeischen *).
■) Ch. v. 8 Juli 1276 (Bijdr. v. Ov. VI p. lid).
2) Ch. v. 20 Juni 1200 ^Stadsarch. v. Utrecht).
a) Ch. v. 10 Aug. 1283 (Van Hattum\', Zwolle. II p. 150) en 7 Juni 1284 Rep:. Kampen, n". 2*).
») Ch. v. 2 Dec. 1271 (HS. coll. Booth, B. 15. R. arch. Utrecht).
s) Ch. v. 25 Jan., 22 Aug., 29 Oct. 1281 (V. d. Borgh. II n». 415, 430, 436).
«) Ch. v. 3 Juli 1277 (V. d. Bergh. II n". 330).
\') Ch. v. 6 Maart, 7 April, 1 Mei 1280 (V. d. Bergh. II n°. 655, 656, 671). Op deze zaak heeft ook
betrekking de door Beka (Chronica. p. 94) medegedeelde brief van den pseudo-Frederik II aan den elect,
waarop met het bekende rijmpje zou geantwoord zijn.
8) Ch. v. 1 Juni 1288 (Liber catenatus v. Essen. Arch. Milnsterkirche te Essen).
s) Ch. v. 15 Juli 1273 (Stadsarch. Utrecht).
-ocr page 14-
DK ELECT |AX VAN NASSAU
40
Ken maatregel van het hoogste belang, getuigende van de verstandige en liberale politiek
van den vorst, die den bloei van zijn land, met name van de opkomende stad Utrecht (die
de oorkonde mede bezegelde en in haar archief bewaarde) wensehte te bevorderen door een
maatregel, die andere vorsten eerst eeuwen later aandurfden. En het is alsof wij den nagalm
van de klachten der Kennemer boeren, die zóó nadrukkelijk voor hunne rechten waren
opgekomen, nog hooren in den schoonen aanhef van het stuk, vreemd klinkend in eene akte
uit de l.\'ide eeuw. „Aangezien onze Verlosser, de redder van alle schepselen, genadig het
vleesch van het mensehelijk geslacht heeft willen aannemen, om aan het menschdom, na het
slaken van de banden zijner slavernij, zijne oorspronkelijke vrijheid weer te geven, daarom is
het een heilzame maatregel, aan de menschen, die de natuur in den beginne vrij geschapen
heeft en die het volkenrecht aan het juk der dienstbaarheid heeft onderworpen, als eene
weldaad van hunne heeren en vrijlaters de vrijheid terug te geven, waarin zij geboren waren.
Zoo verklaren wij dan na rijp beraad, om eene pieuse daad te verrichten en bewogen over
het misbruik, dat met verkrachting van het natuurrecht door eene slechte gewoonte is inge-
voerd, op advies van onze kapittelen en dienstlieden alle menschen en hunne nakomelingschap,
die uit verschillende oorden der wereld zich in het sticht Utrecht vestigen, van nu voortaan
vrij en ontslagen van het juk der dienstbaarheid, waaronder zij gebukt gingen" \').
Ziedaar alles, wat ik kan mededeelen over het beheer van onzen elect. Niet veel is
het, niet genoeg misschien om een gunstig oordeel over hem te wettigen. Maar stellig <x>k
niet voldoende, om aanleiding te geven tot het afkeurende vonnis, dat de kroniekschrijvers
over hem vellen. Over het algemeen weten wij niet veel van de administratieve maatregelen
van de landvorsten der Kide eeuw, veel minder nog van de motieven, waardoor zij zich
bij hunne regeeringsdaden lieten leiden: de annalisten hadden weinig oog voor het te boek
stellen van dergelijke zaken. Zoo ons dus niet veel is overgeleverd over het bestuur van
onzen elect, het is niet minder dan wij vernemen van zijne
voorgangers en zijne tijdgenooten. Moeielijk is dus het
oordeel. Hn als wij oordeelen over het beleid van heer Jan,
dan past het rekening te houden met de exceptioneele
omstandigheden, waarin hij zich bevond. Want inderdaad
heeft hij te kampen gehad met meer moeielijkheden en met
grooter bezwaren dan éem andere Utrechtsche bisschop.
Wij zagen reeds, dat Jan van Nassau\'s niet geheel
regelmatige verkiezing en de houding der pausen tegenover
hem een eerste bezwaar leverden, dat zijne positie ver-
zwakken moest. Kene tweede, grootere moeielijkheid was
zegei v«n Herman van Woerden
          gelegen in zijne verhouding tot zijne onderdanen. Het gevaar-
lijkst waren de heeren van Amstel en Woerden. Beiden waren
gevestigd op sterke kasteelen aan de westelijke grenzen van het Sticht, de middelpunten van
uitgestrekte territoiren. Het slot te Woerden was door bisschop Godfried van Renen (1156—1178)
1 Vgl. daarmede het veel beperkter privilege voor de stad Oldenzaal, door bisschop Otto verleend en
door bisschop Jan van Sierck in 12% (Maart 21. Bened. abh.i bevestigd, bij: Racer, Overijss. gedenkst. V \'21b.
-ocr page 15-
DE ELECTJAN VAN NASSAU
41
gesticht\') als grensvesting tegen Holland; de bisschoppen hadden het aan een hunner dienstmannen
als kastelein in bewaring gegeven. Maar, zooals het dikwijls ging in die tijden, de bediening was
erfelijk geworden; de familie had zich vastgezet op het sterke slot, had grondbezit verworven
in de buurt. Langzamerhand was een geheel domein ontstaan, waarvan het slot te Woerden
de kern en de bisschoppelijke dienstman de heer was geworden. Kcnigszins anders, maar toch
analoog, was de positie der heeren van Amstcl, bisschoppelijke dienstmannen, die als „villiei"
der bisschoppen het opzicht hadden over de goederen en hoorigen van het Sticht aan den
Amstcl2) en die daar in den loop der tijden, op de plaats waar nu Amsterdam ligt, een
eigen slot hadden gesticht.
Meer en meer waren de beide heeren, Stichtsche edelen en veel te Utrecht verkeerende,
invloedrijk geworden in de zaken van het bisdom, moeielijke onderdanen voor de bisschoppen.
Maar bepaald gevaarlijk werden zij door hun bondgenootschap met de buren van het Sticht,
met Gelder, met Holland vooral. Met genoegen zagen de Hollandsche graven de toenadering
der invloedrijke edelen. Gaarne ontvingen zij hen aan hun hof; wij vernemen, dat de beide
heeren steeds het voorrecht hadden aan \'s graven eigen tafel aan te zitten, wanneer zij zich
vertoonden in de nieuwe zaal van het paleis te \'s-Gravenhage, waar het overige hofgezin
zich met lagere plaatsen moest vergenoegen. Men gevoelt, hoezeer zulk een machtige steun de
positie der Stichtsche onderdanen moest versterken, moest gevaarlijk maken voor hunnen heer \').
En naast deze twee feodale machten rees juist in de dagen van den elcct Jan een
derde, die in vervolg van tijd niet minder gevaarlijk zou blijken. De stad Utrecht, in den
loop der eeuwen langzamerhand ontstaan buiten de muren van den bisschoppelijken burg
Trecht, had reeds in 1122, toen zij door den Rijnhandcl scheen te zullen opbloeien, twee
keizerlijke privilegiën ontvangen. Wel was de bloei van den handel gestuit door het verlanden
van den Rijnarm; maar de bisschoppelijke ministerialen, die een groot deel der hoogere
standen in de stad vormden, waren toch reeds sedert de I2de eeuw*) lastige onderdanen voor
de bisschoppen geweest. En tegenover bisschop Hendrik van Yianden had de stad zich reeds
zóó onafhankelijk gevoeld, dat zij hem (in 1250) de erkenning had kunnen afdwingen, dat
zij haren heer geen krijgsdienst verschuldigd was buiten hare eigene muren s). Veel hulp kon
dus de kerkvorst zich van deze onderdanen niet meer beloven! Nog stouter trad de stad op
tegenover bisschop Hendriks opvolger: toen begon de worsteling met haren heer, die twee
en eene halve eeuw duren zou en die de verhouding tusschen beiden al dien tijd verbitterd
heeft, — de strijd over de bisschoppelijke rechten in de stad, die de burgerij, op het voor-
beeld der andere Duitsche bisschopssteden, voor zich trachtte te veroveren.
\') Bijdr. on medcd. Hist. Gen. XI p. 493.
*) Van Spaen, Hist. d. hoeren v. Amstel. p. 7.
:) Deze feiten waren de sterkst sprekende, niet de eenige, die zich gedurende het bestuur van Jan
van Nassau voordeden. Hubert van Bosinchem, de zoon van den maarschalk en de vertrouwde van den
elect, stichtte het slot Culenborch, en droeg het daarna in leen op aan den Geldcrschen graaf (ch. v. 4 Juli,
21 Nov. 1281. Rijksarch. Gelderland en Alg. rijksarchief;. Evenzoo werd het nieuwe slot te Amcrongen
door Hendrik en Diederik Horre in leen opgedragen aan den graat" van Holland (ch. v. 13 Juli 1286. Keg. IV\'
Aelbr. fol. 179 va. Alg. rijksarchief).
*i Beka, Chronica. p. 52.
J) Bijdr. en meded. Hist. Gen. IX p. 32.
(>
-ocr page 16-
42                                               DE ELECT JAN VAN NASSAU
Ook de geestelijkheid ^cr vjjf kapittelen, oorspronkelijk de steun en de raadgevers der
bisschoppen, bewandelde den/elfden weg. Tuist in dezen tijd vernemen wij voor het eerst van
de provisoren der vijf kapittelen, — ecne instelling, die niet lang bestaan heeft, doch die
bestemd was om door eigene krachtsinspanning de rechten der kapittelen te handhaven,
denkelijk ook om eenc vaste organisatie te stichten, een band te knoopen tusschen de verschil-
lende corporaties. En het hoofd dier corporaties, de Domdekcn, was als raad in dienst van
den Hollandschen graaf \')!
In den zomer van 1274 is het verzet der machtige onderdanen tegen den elect uitgebroken
tot openbaren strijd. Het begon (den 26en Juli, len Augustus) met twee verdragen, waarbij de
Hollandsehe graaf beloofde zich neutraal te zullen houden: de graaf en de stad Utrecht zouden
elkander geene schade toebrengen en zich ook met niemand verbinden, die zulks wenschte
te doen1). En denzelfden dag beloofden geheel hetzelfde „concilium et universitasconjuratorum"
van Muiden, Amstel, Mijdrecht en Loenen\'), — de „rustici", wier oproerigheid bisschop
Hendrik van uit Yredelant had hopen te bedwingen \'). Dus in den rug gedekt, ging men toen
den landsheer te lijf: den 16" Augustus verbonden zich de gebroeders van Amstel, Herman
van Woerden en ook Zvveder van Abcoude, om de stad Utrecht op eigene kosten te helpen
„tot wegneming van verschillende grieven, die zwaar drukten op de stad en op het
geheele sticht"."
Wat er toen eigenlijk geschied is, blijkt niet: men klaagde later over en weer over
„excessus, dampna et injuriac". Maar zeker is het, dat de veete een kort verloop had: reeds
na eene maand (1° September) droeg de elect de beslissing in zijne geschillen met zijne
verbonden tegenstanders op aan den Hollandschen graaf"). Ook diens uitspraak is ons niet
bewaard; maar wij, die weten dat de arbiter twee maanden te voren in het geheim een
verbond had gesloten met de tegenstanders van den elect, houden het er voor, dat de kerk-
vorst niet veel genoegen zal hebben beleefd aan de tusschenkomst van zijn buurman.
De verhouding van den elect tot Amstel en Woerden was na dezen korten twist
merkbaar beter; maar de stad bleef ook op den duur op slechten voet met haren heer. In
1270 vernemen wij, dat de staat van stad en land in het Sticht weder „plus nimis jamdudum
turbatus" was; opnieuw sloten elect en stad toen vrede7). En in 1278 was ook die vrede
reeds lang weder verbroken; de stad had „guerre et excessus" gepleegd tegen haren heer;
\') Ch. v. 10 April 1285 (Sloot. II n" 1088). — Meer dan eens kwam het dan ook tot een conflict. Reeds
de uitvoering van het testament van bisschop Hendrik, die aan de kapittelen eenige landgoederen vermaakt
had, gat jarenlang aanleiding tot moeielijkheden. Toen de elect, zonder twijfel gedwongen door Herman van
Woerden, dezen machtigen heer de bedoelde landgoederen in erfpacht had gegeven, niettegenstaande de
Keulsche aartsbisschop zijne toestemming geweigerd had, besloten de kapittelen zelfs tot den uitersten maat-
regel: het staken van den kerkdienst (ch. v. 14 Aug. 1278. Arch. Oudmunster). En eerst jaren later, na den
val van den heer van Woerden, gelukte het, de zaak op bevredigende wijze te regelen (ch. v. 11 Dec.
1288. V. d. Bergh. II n°. 645).
2) Ch. v. 26 Juli, 1 Aug. 1274 (V. d. Bergh. II n». 273, 275).
]) Ch. 26 Juli 1274 (V. d. Bergh. II n". 274).
\') Beka, Chronica. p. 85.
*) Ch. v. 1<> Aug. 1274 (V. d. Bergh. II n°. 276).
•) Ch. v. 19 Sept. 1274 (V. d. Bergh. II n°. 278).
\') Ch. v. 23 Sept. 1276 (Bijdr. en meded. Hist. Gen. IX p. 32>.
-ocr page 17-
-------
---------_.
-
I
J
rlwU? *">* - r~
.tTS
i*L*<«*
.«•eïtJv "e-
I
,—VlO-fc.
\' .- ••! ».\'■•
#;.
^^fe*
, .-,w^V..
* ft
■ I
«
r^j»e7
I
s»-
M*—-»iw»
>r r»- *
■u;.Uva . »^i-
gy*
»*
.. — £■• -u 51
..« .-3*?.- —
« - C?w\\»=>-" >.1C            V-C* »
-/•
Verbond van den elect Jan van Nassau met de stad Utrecht (23 September 1276)
(Met de zegels van den elect, van zijn broeder Gerhard proost van Oldenzaal en van zijn zwager Jan heer van Cuyk)
-ocr page 18-
DE ELECT JAN VAN NASSAU                                               43
de clect klaagde over doodslag, roof, strooptochten, brand en verbanning van zijne vrienden \').
Niet onwaarschijnlijk was het de graaf van Holland, die dezen nieuwen vijand, zijnen bondgenoot
reeds in 1274, voortdurend opstookte tegen den elect.
Wij naderen thans tot de belangrijkste episode uit het leven van Jan van Nassau,
welks tragisch verloop aan zijne regeering eene bijzondere beteekenis geeft. Terwijl de clect
kibbelde en vocht met zijne weerspannige onderdanen, trad een nieuwe mededinger ten
tooneele, die ook een aandeel verlangde van den buit: Floris V graaf van Holland. Reeds
sedert twee en eene halve eeuw hadden de Hollandsche graven het Sticht belaagd. Ingeleid
was de strijd door de verovering van Bodegraven onder graaf Dirk III; sedert die dagen was
de omschrijving van het Nedersticht als gelegen „tusschen de Node en Bodegraven" slechts
eene plechtige formule geweest, die nog gebruikt werd uit oude gewoonte: het graafschap
zelf was voor het Sticht verloren gegaan. Dikwijls was in de volgende tijden de verhouding
tusschen de buren gespannen geweest; de Utrechtschc kroniekschrijvers telden niet minder
dan zeven oorlogen met Holland. Het voordeel was in die veeten zelden aan den kant
der bisschoppen geweest; maar eene zóó groote prooi als bij den eersten aanval hadden de
Hollandsche graven toch geene enkele maal aan het sticht kunnen ontwringen. Thans zou
dit anders worden. Met Floris V was een tegenstander op den Hollandschen gravenstoel
geplaatst, die zijne voorgangers verre overtrof in kracht en beleid. Ook eerzuchtig was hij:
het was alsof zijne afstamming van een Roomsen-koning hem prikkelde tot veel grootscher
ontwerpen dan de Hollandsche graven ooit hadden bestaan, tot ingrijpen in de Europeesehe
politiek. Ook de strijd met het Sticht kreeg van toen af een geheel ander karakter.
Zeker, nog gingen de zaken hun ouden gang. De heeren van Amstcl en Woerden
zochten zich machtig te maken ten koste van hun Stichtschen heer; de stad Utrecht volgde
op denzelfden weg; en onze elect, de arme, moest zich handhaven tusschen de beiden. Ieder
van de partijen had zijne eigene kleine plannetjes, die hij zocht te bereiken door wisselende
combinaties, door intriges en door telkens veranderende bondgenootschappen en verdragen.
Maar naast deze drie, — arme machtelooze schepsels! — had zich nu, stil en onopgemerkt,
de machtige Hollandsche graaf opgesteld, als een groote en sterke kruisspin, die in haar web
op de loer zat, gereed om de onschadelijke éendag-vliegjes allen te grijpen en uit te zuigen,
zoodra zich daartoe de gelegenheid zou opdoen.
Van den beginne af was eene botsing tusschen Floris V en Jan van Nassau te voor-
zien geweest. Wij weten, dat de elect als beschermeling van den graaf van C.elre te Utrecht
was aangekomen; in den aanvang zijner regeering vinden wij hem dan ook in de omgeving
van dezen bloedverwant, die hem reeds had bijgestaan tegen de oproerige Kcnnemers. In
1269 is hij met de graven van Gelre en Gulik en den bisschop van Munster betrokken in
een strijd met den bisschop van Paderborn \'); in 1271 treedt hij op als getuige bij het ver-
leenen van privilegiën aan Zutfen en Arnhem door den Gelderschen graaf 5); en in het
\') Ch. v. o April 127K (Bijdr. en meded. Hist. Gen. IX p. 33).
«) Ch. v. 29 Jan. 1269 (Sloet, Oorkb. II n°. l»13).
») Ch. v. 4 Maart, 2\') April 1271 (Sloet. II n". <»27, 931).
-ocr page 19-
44                                                DE ELECT JAN VAN NASSAU
volgende jaar vinden wij hem als invloedrijk vriend van den graaf vermeld \'). Toch blijkt
aanvankelijk niet van moeielijkhcden met Holland: graaf Floris, minderjarig en onder voogdij,
kon zich nog niet roeren. Maar onderwijl bereidde zich, lang-
zaam en in stilte, het ongeluk van den elect toch reeds voor.
Want de oorzaak van zijnen val is ten slotte geldgebrek
geweest *).
In die tijden, niet minder dan tegenwoordig, berustte
de veiligheid van een land op zijne vestingen. De grafschriften
Munt van den elect jan van Nassau         ook der Utrechtsche bisschoppen meten hunne verdiensten
grootendeels af naar hetgeen zij gedaan hebben voorde vermeer-
dering van het aantal der Stichtsche kasteelen en voor hun doelmatig onderhoud; steeds was het
de politiek der kerkvorsten, om, door overeenkomsten met adellijke eigenaars van burgen, het
getal te vermeerderen van de zoogenaamde „opene huizen" van het Sticht, waarin de bisschoppen
in geval van nood bezetting mochten leggen. Bisschop Hendrik had roem geoogst, omdat hij de
kasteelen van het Sticht in \\ oortreffelijken toestand had achtergelaten. Maar de voortdurende
oproeren der Stichtsche onderdanen tegen den elect Jan hadden de financiën van het kleine gewest
spoedig uitgeput. Kn zoo vinden wij in 1276 Vredelant verpand aan den heer van Amstels): stellig
had deze reeds lang geloerd op de prooi, want hij wist wel dat het kasteel was gebouwd
om hem in bedwang te houden! Zooals Vredelant grensvesting was tegen Amstel, kon Mont-
foort, de stichting van bisschop Godfried, dienen om Woerden te keeren; maar het was daar
niet gunstiger gesteld: ook Herman van Woerden had zich weten te nestelen op het slot,
dat hem bedwingen kon *). Kn in 1277 werd Horst, de grensvesting tegen Gelderland, even-
eens verpand aan \'s bisschops zwager Jan van Cuyk5), die veelal met Amstel en Woerden
ééne lijn trok. De elect was in de macht zijner onderdanen: ridders, steden, kapittelen, die
allen op hunne beurt zich tegen hem verzetten. Kn door de verpanding gingen de Stichtsche
domeinen steeds achteruit: nog in het diepst zijner ellende zullen wij den vorst, „erbarmelijk
financier" als hij was, zich hooren verzetten tegen het wanbeheer der pandhouders.
Zoo was dus de behcerschcr van het sticht reeds min of meer weerloos geworden,
toen het jaar 127K aanbrak, het jaar, waarin, zooals de heer van Amstel later zeide, „die
grave van Hollant erst ant stifte van Utrecht quam ende dat orloghe erst begonde" •). Zc^ér
vreedzaam ving het spel aan: den 23en Maart 1278 sloten de elect en de graaf een verbond.
De hooge contractanten legden plechtigen nadruk op de bloedverwantschap en het leenverband,
\') Ch. v. 5 Febr., 1 April 1272 (Sloct. II n*. 926, M39).
•) Van dat geldgebrek getuigt ook het feit, dat van den elect, die toch langer dan zijne meeste voor-
gangers heeft geregeerd, slechts éen enkele munt bekend is. (Van der Chijs, Munten der bisschoppen van
Utrecht, pi. IX.)
a) Voor eene schuld van 1824 k 15 sch. 3 d. (Aant. v. M. van der Houvc uit een verloren charter van
1276, z. dA
\') Stoke, Rijmkronijk. IV vs. 316. — Beka (p. l)."j) verzekert, dat het slot verpand was. En inderdaad
werd het in 1287 na den val van den heer van Woerden door den hurggraaf Henric de Rover (namens
Floris Vi gelost van Zweder van Abcoude, die denkelijk ook toen met Amstel en Woerden gemeene zaak
had gemaakt izie de oorkonde: V. d. Bergh. II n\'. 605).
«) Ch. v. 23 Juni 1277 (Van Mieris. I 3<>2).
«) V. d. Bergh. II n". .">71.
-ocr page 20-
DE ELECTJAN VAN NASSAU                                               45
die hen verbonden; op dien grond beloofde de elect den graaf in alles bij te staan. Zijn zwager
Jan van Cuyk en Gijsbrecht van Amstel, die de bisschoppelijke sloten in handen hadden, namen
dezelfde verplichting op zich. Maar de kern van het verdrag lag niet daar: de elect verbond zich
tevens, niets te doen zonder overleg met \'s graven helpers, de heeren van Cuyk en van Amstel;
bepaaldelijk zou hij zonder hunne toestemming geen afstand doen, terwijl de heeren bovendien
beloofden, zich, bij overlijden of afstand van den elect, bij de keus van zijnen opvolger te
gedragen naar \'s graven wil. Isn wel was men zich bewust, dat deze beloften aanleiding zouden
geven tot misnoegen in het Sticht; want de Hollandsche graaf verbond zich uitdrukkelijk, om de
beide edelen te beschermen, wanneer de elect overlijden of andere raadslieden kiezen zou \').
Reeds dit eerste verdrag bezegelde de machteloosheid van den elect. In alles was hij
voortaan gebonden aan het goedvinden der heeren van Cuyk en van Amstel, de vertrouwden
van den Hollandschen graaf, wiens belangen zij in alles behartigen zouden en die hen daarentegen
zou steunen met zijn gezag. Tijdelijk schenen dus de drie wedijverende partijen het eens
geworden te zijn; alleen de stad Utrecht ontbrak als de vierde in het verbond bij deze
idyllische eendracht. Maar ook dit zou niet lang duren: enkele dagen later (6 April 1278)
verzoende zich de elect met dezen wederspannigen onderdaan; de heeren van Cuyk en van
Amstel stonden als peters over het verdrag *).
De houding van den heer van Amstel was geheel in de lijn zijner oude politiek:
gerugsteund door zijn beschermer, den Hollandschen graaf, trad hij op tegen zijnen heer, den
elect: eindelijk was het hem gelukt, dezen aan zich te onderwerpen. Maar hoe consequent
ook, het verdrag was voor den heer van Amstel eene politieke fout. Want de toestanden
waren geheel veranderd: Kloris Y, nu 24 jaar oud, was voor het eerst zelf handelend opgetreden.
Niet lang heeft het dan ook geduurd, voordat de heer van Amstel, bekomen van den roes
\') Ik breng het wederzijdsche verbond V. d. Bergh. II n". 326, 3."x>\' op 23 Maart 127N met gebruik van
den Paaschstijl, niet op 3 Maart 1277, waarover Van den Bergh aarzelt. Wel schijnt de oorkonde beter te passen
in Maart 1277 dan in Maart 1278. Immers het verdrag van den elect met de stad Utrecht op *> April 1278
(waarbij stellig de Paaschstijl niet gebruikt is, daar deze datum in het Paaschjaar 1278 niet voorkomt) maakt
den indruk van eene frontverandering, waartegen de graaf (zooals aanstonds blijken zal) in Augustus 127K
reageert; en zulk eene frontvcrandering van teide verbondenen van graat Kloris reeds na veertien
dagen is weinig waarschijnlijk. Bovendien worden in het verdrag vermeld: 1°. onderhandelingen van Kloris
van Henegouwen met eigenaars van burgen, waarvan wij een voorbeeld ontmoeten in November 127<>
(V. d. Bergh. II n". 322/3), 2". eene veete van den graat met Floris van Henegouwen, die ook vermeld wordt
in Juni 1277 (V. d. Bergh. II n°. 334), zoodat het verdrag, gedateerd op 3 Maart 1277, zéér goed daartusschen
zou vallen. — Maar, hoe onwaarschijnlijk ook, het gebruik van den Paaschstijl in het verdrag is toch een
feit, blijkens de volgende argumenten, mij welwillend medegedeeld door Jhr. Mr. Th. van Riemsdijk. De
beide oorkonden van het verdrag berusten in originali in het Algemeene Rijks-archicf; zij zijn met dezelfde
hand geschreven, en daar een van beiden gedateerd is „apud Hagam", ligt het voor de hand aan te nemen,
dat een klerk van graaf Floris de schrijver van beiden was. Nu bestaat er een charter van den graat
(Fremery, Suppl. n°. 199), gedateerd van den volgenden dag na onze beide oorkonden en welks
datum geheel op dezelfde wijze is geredigeerd als de oorkonde van het verdrag (V. d. Bergh. II n°. 356). In
deze laatste oorkonde nu, die derhalve door denzelfden klerk geredigeerd schijnt te zijn, is stellig de
Paaschstijl gebruikt (zie Fremery. 1. c); daaruit is dus af te leiden, dat dit ook in ons verdrag het geval
zal zijn. Met stelligheid wordt de zaak echter uitgemaakt door de omstandigheid, dat Willem van Egmond,
die in het verdrag als getuige voorkomt, daar ridder heet (zie Van Mieris. I p. 388), terwijl hij blijkens een
ander charter (V. d. Bergh. II n°. 344) op 21 September 1277 nog geen ridder was, zoodat het verdrag
noodzakelijk jonger moet zijn dan dezen datum.
\') Bijdr. en meded. Hist. Gen. IX p. 33.
-ocr page 21-
I )E ELECT JAN VAN NASSAU
A<<
zijner zegepraal over zijnen heer, inzag, dat hij een verkeerden zet had gedaan. Hij was op
weg om van meester te verwisselen, en de ruil was geen goede: voor een onrustig edelman,
tuk op vermeerdering van aanzien en gebied, kon de keus tussehen Jan van Nassau en
Floris van Holland geen oogenblik twijfelachtig zijn.
Hoe het geschied is, weten wij niet; maar reeds in den zomer van 127S, na
slechts enkele maanden, was de harmonie verstoord en waren de onderlinge betrek-
kingen der contracteerende partijen geheel verschoven. Floris V wantrouwde blijkbaar
de buiten hem om verkregen eendracht van den elect en zijne hoofdstad; gesteund door
de tegenpartij der Amstels, de heeren van Zulen en Bosinchem, en door de Utrechtsche
uitgewekenen van de partij der Fresen, tracht hij er (28 Augustus 127N) in het geheim
naar, om de stad te maken tot
eene zoogenaamde „open stad" van
den graaf van Holland, „also lange
alse hi levet in te ridene ende ut te
ridene vrilike, he ende de sine" l).
En waarlijk het gelukt hem: de tegen-
partij wordt (5 September) uit Utrecht
verjaagd, en de nieuwe magistraat
verbindt zich, om de stad voor den
graaf open te houden en om bij eene
vacature van het bisdom \'s graven
kandidaat te steunen *), — hetzelfde
wat een paar maanden vroeger de
Amstels hadden beloofd. De graaf van
zijne zijde neemt de stad in bescher-
Het slot Vredelant
Teekening van I.. P. Serrurier naar een verloren origineel
(Rijksarchief in Utrecht)
ming als eene zijner eigene steden,
belooft haar in alles bij te staan en
waarborgt den magistraat tegen de
gevolgen van zijne dienstvaardigheid, evenals hij vroeger de Amstels gewaarborgd had.
De vijanden der Amstels zijn nu meester te Utrecht, en in verbond met den Holland-
schen graaf. Spoedig merken wij den terugslag: heer Gijsbrecht van Amstel, meester van
Vredelant, begint de Utrechtsche kooplieden te kwellen door eigenmachtig tol te heffen op
de Vechts). Het groote verbond is geheel uiteengespat; aan de eene zijde staan nu de
Hollandsche graaf en de stad Utrecht, aan de andere de Amstels, wier invloed te Utrecht
gebroken is. Aan welke zijde zal zich de elect plaatsen? Hij ziet in, dat hij de verstoorde
orde moet handhaven in zijn gebied: hij tracht Vredelant te lossen van zijn bandeloozen
vasal4). Maar daartoe behoeft hij geld en hij heeft het niet. In zijne verlegenheid gaat hij
over tot eene daad, onverantwoordelijk, al was zij in die tijden niet ongehoord. De kerkver-
\') Ch. v. 28 Aug. 1278 (V. d. Bergh. II n°. 36\'»).
») Ch. v. 5 Sept. 1278 (V. d. Bergh. II n\'. 370).
;1) Beka, Chronica. p. *>7 (verkeerdelijk geplaatst onder Jan van Sierck
\') Beka, Chronica. p. \'»7.
-ocr page 22-
DE ELECÏ JAN VAN NASSAU                                               47
nadering te Lyon had (13 April 1273) tot een nieuwen kruistocht naar het Heilige Land
besloten; pauselijke collectoren waren door geheel Europa gezonden, om overal de door de
kerkvergadering gevoteerde tienden van de geestelijke goederen in te zamelen. In het
Utrechtschc Predikhecrenklooster was het depot gevestigd van het in deze streken gecollecteerde
geld; de elect geeft last er in te breken en den bewaarden schat te rooven \'). Zoodra het bericht van
de schandelijke daad te Rome is aangekomen, treft den schuldigen kerkvorst de banvloek. Maar hij
stoort er zich niet aan; hij heeft het geld, dat hij behoeft, en hij wil thans zijn slot Vredelant
lossen. Doch heer (iijsbrecht weigert, en de uitspraak van eenige Hollandschc edelen, als
arbiters in het geschil ingeroepen, beslist, dat hij in zijn recht is (21 Januari 1279)*). Nu
blijft den elect niets over dan geweld te gebruiken ; hij trekt te velde tegen zijn oproerigen
leenman. Het gelukt hem Amstel tot wijken te brengen; maar als diens bondgenoot, de heer
van Woerden, te hulp schiet, moet hij het opgeven : in den Soestereng wordt hij geheel verslagen \').
Natuurlijk was het ongeval koren op den molen van den Hollandschen graaf: het
gelukte den machtige nu, om den 26,,en Juli 127° een nieuw, veel inniger verbond te sluiten
met den radeloozen elect1). De ongelukkige Jan van Nassau erkent, dat hij tegen zijne weer-
spannige onderdanen niet langer op kan, en werpt zich na raadpleging zijner prelaten geheel
in de armen van den Hollandschen graaf. Het was wel inderdaad, zooals Melis Stoke verhaalt:
„bisscop Jan en conde niet sijn lant bedwinghen, hine hebbe grave Kloris tenen ghcselle" ■\'•).
De ongelukkige belooft den graaf, zoolang hij het bestuur van het sticht voeren zal, zich te
gedragen naar zijn wil en naar het advies van de raadslieden, die hij hem toevoegen zal. En
in zijn g.-ldnood verpandt hij aan zijn gevaarlijken buurman voor 15(X) Hollandschc ponden
al zijne nog niet verbonden eigendommen in het Nedersticht; ook de overige verbindt hij,
zoodra ze gelost zullen zijn. De graaf zal de verpande domeinen beheeren en daarover
rekening doen; mocht de elect ze inlossen, dan zal toch zijne verplichting, om \'s graven
advies te volgen, van kracht blijven. De stad Utrecht en de daar thans bovendrijvende partij
(de Zulens en de Bosinchems, de tegenstanders der Amstels) bezegelen de oorkonde mede •).
Een paar maanden later (17 October) lost nu de Hollandschc graaf het slot Horst van den
heer van Cuyk en neemt het volgens het contract mede in pand 7).
Thans was de elect, aan handen en voeten gebonden, overgeleverd aan zijn machtigen
buurman. Evenals de vorige maal, had hij zich verbonden om dezen levenslang in alles ter
wille te zijn; maar thans had zijn meester ook duchtige waarborgen verkregen voor zijne
trouw aan zijne belofte; want het geheele Nedersticht was in handen van den graaf, de elect
was machteloos. Toen zonk de rampzalige steeds dieper: reeds in Mei 1280 zien wij hem
eene nieuwe schuldbekentenis aan graaf Floris teekenen van 3151 Hollandsche ponden, die
hij behoeft, om van den collecteur der pauselijke tienden ontheffing te verkrijgen van den
\') Vgl. ch. v. 26 Juli 1279 (V. d. Bergh. II n». 380). Brom, Buil. Traj. I n\'. 376.
*) V. d. Bergh. II n°. 386.
3) Beka, Chronica. p. l>7 (verkeerdelijk gebracht tot het bestuur van Jan van Sierck).
♦) V. d. Bergh. II n°. 380.
5) Stoke, Rijmkronijk. V vs. 310-313.
•) Ook de boeten der terugkeerende Utrechtsche ballingen zou graaf Floris ontvangen en de helft aan
den elect uitkeeren (ch. v. 28 Juli 1270: V. d. Bergh. II n*. 381).
7) Ch. v. 17 Oct. 1279 (V. d. Bergh. II n°. 384).
-ocr page 23-
4H                                               | )E ELECT JAN VAN NASSAU
ban wegens den roof in het Predikheerenklooster \'). Eene verlichting, die zijne positie zuiverder
maakte tegenover zijne onderdanen, maar die hem nog zooveel te vaster bond aan den wil
van zijn sterken bondgenoot! Toen, zeker van den elect, wendde graaf Kloris zich om en
ging de heeren van Amstel en Woerden te lijf (Mei 12N0).
Reeds «5én dag na het contract met den elect, waarbij deze, om zich uit den ban los
te koopen, zijne schuld aan den Hollandschen graaf verzwaarde, wordt diens breuk met de
Amstels en hunne partij aangekondigd. Toen de graaf dien dag, onder goedkeuring van den
elect, geheel Naardingerland van de abdis van Elten in erfpacht nam 2), werden de aldaar
gelegen goederen, die Gijsbrecht van Amstel vroeger van eenige Eltensche vasallen had
gekocht, uitdrukkelijk mede in de overdracht begrepen *). Dat was de oorlogsverklaring:
Het slot Montfoort in het midden der zeventiende eeuw
Teekening van Koeland Koghman in het Britsch Museum te Londen
onmiddellijk trok de graaf, versterkt door Zeeuwsche hulptroepen onder Costijn van Renesse,
naar Yredelant, dat door Gijsbrechts broeder Aernt van Amstel verdedigd werd. Gijsbrecht
zelf snelde aan tot ontzet, maar leed in een verwoed gevecht bij Loenen de nederlaag en
raakte zelf gevangen. Toen viel ook Yredelant: Aernt van Amstel deelde het lot van zijnen
broeder*). Naar het zuiden trok het overwinnende leger, viel in het land van Woerden en
verwoestte het, maar stootte het hoofd voor Montfoort. Maanden lang duurde het beleg van
het slot; graaf Floris was zóó ontstemd over den onverwachten tegenstand, dat hij, toen de
\') Ch. v. ") Mei 1280 (V. tl. Bergh. II n°. 546).
■>) Ch. v. (> Mei 1280 (V. d. Bergh. II n". .VU).
■■■) Ch. v. 13 Mei 1280 (V. d. Bergh. II n°. 397). Vgl. echter V. d. Bergh. II n°. 399.
\') Stoke, Kijmkronijk. IV vs. :«><» \'M7. — Beka, Chronica. p. \'»K. (Weder onder Jan van Sierck, ten
wiens tijde Amstel echter reeds lang gevallen was.) — Zie over de dateering van dezen krijgstocht: Van Spaen,
Hist. v. Amstel. p. 47.
-ocr page 24-
DE ELECTJAN VAX NASSAU                                                4<)
vesting eindelijk viel, de geheele bezetting op twee mannen na deed onthoofden \'). Gelukkiger
dan zijn bondgenoot, was Herman van Woerden niet bij Montfoort gevangen genomen; maar
uit zijne heerlijkheid verdreven, zwierf hij jaren lang als balling in het buitenland rond, terwijl
de gebroeders van Amstel al dien tijd zuehtten in een kerker in Zeeland *).
In Januari 12X1, toen alles afgeloopen was, maakte graaf Floris met zijn beschermeling,
den Utrechtschen elect, de rekening op: het bleek, dat Jan van Nassau den graaf voor zijne
hulp tegen de Amstels en voor zijne oorlogskosten schuldig was de destijds enorme som van
6000 ponden, behalve de aanzienlijke kosten van het innemen van Yredelant en Montfoort.
Ook deze sloten gingen thans in pandbezit aan den overwinnaar over1); overigens kwam
de elect er goedkoop af. Want als zekerheid voor zijne schuld verpandde hij aan den graal
„onser viende goed, die ons endc onser ccclesien desen cost ende deseseade beraden hebben":
de Amstelsche goederen (Muiden, Weesp, IHemen en Bijlmerbroek) voor -MMH) pond, voor de
overige 2<XX) pond de Woerdensche (Oudewater, Woerden en Bodegraven, die de elect zich
vooraf bij vonnis der Stichtsche leenmannen weder had laten toewijzen). Oppervlakkig
beschouwd had dus ook de elect, al was zijne schuld aan den Hollandschen graaf vergroot, een
belangrijk voordeel behaald: zijn Sticht was weder vrij, Amstel en Woerden hadden het gelag
betaald. Zoo scheen het; maar die zoo oordeelden, rekenden buiten de bepaling van het
verdrag van 127°, dat de elect, ook al mocht hij ongedacht in de gelegenheid komen om zijne
domeinen te lossen, toch verplicht zou zijn het advies van den Hollandschen graaf te volgen.
Eene monsterachtige verplichting, die het Sticht voor goed van Holland afhankelijk maakte!
Toch, de graaf was niet gezind zijne rechten op te geven. Dat bleek eerlang: in Augustus
12Ht werd de overwinnaar door den kerkvorst beleend met alle novale tienden in zijn gebied:
in zijne machtsvolkomenheid kon hij met éc;n slag een eind maken aan eene netelige rechts-
quaestie\').
Maar ondertusschen dreef van geheel anderen kant een onweer aan, dat alle berekeningen
van den voorspoedigen graaf dreigde te verijdelen. Het verbond van Juni 127c), waarbij het
geheele Nedersticht aan graaf Floris verpand werd, was niet onbekend gebleven, en de
Keulsche aartsbisschop Sicgfried van Westerburg, de metropolitaan van Jan van Nassau,
begon zich thans op het onverwachtst met deze ernstige zaak te bemoeien. Wij weten, dat
de aartsbisschoppen van Keulen geene reden hadden, om Jan van Nassau vriendelijk gezind
te zijn; al was de prelaat, die indertijd met zijne medewerking gevangen genomen was,
overleden, zijn opvolger kon niet begeerig zijn, om den ouden bondgenoot van den (iulikschen
graaf de hand boven het hoofd te houden, te minder daar deze reeds eenmaal bij eene
vervreemding van kerkegoed het gezag van zijn metropolitaan had miskend \'). Toen dus reeds
spoedig nadat de val der Amstels en Woerdens beslist was, eenige Stichtsche prelaten en
edelen (wij weten, dat een broeder van Amstel in de zaak gemoeid was; wij herinneren ons,
dat Herman van Woerden als balling in het buitenland rondzwierf) zich klagend tot den
\') Beka, Chronica. p. «J8.
•) Stoke, Rijmkronijk. IV vs. 375. — Van Spaen, Hist. v. Amstel. p. 47.
») Ch. v. 24 Januari 1281 (V. d. Bergh. Il n°. 414).
♦) Ch. v. 22 Aug. 1281 (V. d. Bergh. II n°. 431).
s) Ch. v. 14 Aug. 1278. (Zie hiervoor p. 42 noot 1.)
7
-ocr page 25-
f><>                                                    DE ELECTJAN VAN NASSAU
aartsbisschop wendden, bleek deze gaarne bereid om in te grijpen en tegen het, naar hij
meende, ongehoorde gedrag van Jan van Nassau, als tegen eene onvergefelijke misdaad, op
te treden. Natuurlijk werd de roof van het gecollecteerde geld uit het Predikheerenklooster
thans weder opgehaald: kon men van een kcrkoverste, zooals de clect Jan zich getoond had,
iets anders verwachten dan de zwartste misdaden? En inderdaad, het was den aartsbisschop,
zoo verklaarde deze, gebleken, dat de elect de stad en alle kasteelen van het sticht (kerkegoed
dus!) aan den graaf van Holland had verkocht. Het protest tegen dit contract, door Willem
van Amstel, proost van St. Jan, namens den aartsbisschop overgebracht, had niets gebaat; ook
het verzet van de Stichtsche vasallen was vruchteloos geweest: na een bloedigen strijd waren
zij gevangen genomen ; niemand, geen prelaat en geen edelman, durfde zich meer te roeren
Zoo was dus thans het geheele gebied (behalve Montfoort, dat destijds nog standhield) dooi-
den elect aan den Hollandschen graaf overgeleverd, hetgeen hij in geen geval had mogen
doen zonder vergunning van zijnen metropolitaan. Derhalve had deze, naar hij verklaarde,
eerst den elect gesuspendeerd, daarna zoowel hem als den graaf geëxcommuniceerd, en
eindelijk het interdict over de landen van beide vorsten uitgesproken. Zoo berichtte aarts-
bisschop Siegfried in het begin van 12K1 aan den paus, met verzoek om zijn vonnis te
bekrachtigen \').
In die dagen waren excommunicatie en interdict zaken, die dikwijls voorkwamen en
waardoor de meeste leeken, ook al waren zij geloovige zonen der kerk, zich niet lieten
storen in hunne nachtrust, allerminst als deze leeken behoorden tot de grooten der aarde.
Maar toch was de zaak ernstig genoeg en kon zij kwade gevolgen hebben, als men langs
anderen weg in moeielijkheden was of kwam. Kloris V achtte het dan ook geraden, om zich
aanstonds te weer te stellen; want verslagen achtte hij zich geenszins. Wel benoemde de
paus 22 April 12N1 den bisschop van Térouanne en twee andere geestelijken als rechters om
de zaak te onderzoeken; maar graaf Kloris appelleerde (4 September) van de excommunicatie
van den aartsbisschop op den paus, bewerende dat den metropolitanen geene jurisdictie
toekwam over de onderdanen hunner suffragaan-bisschoppen. En hij won zijn pleit met glans:
den 3den Kebruari 1283 werd hij van de excommunicatie ontheven, — erkenning van het feit,
dat de aartsbisschop geene rechtsmacht over hem bezat *).
Yam kon de graaf van Holland optreden, die vrij wat had in te brengen in de wereld
en die bovendien als wereldlijk vorst veel vrijer stond tegenover den aartsbisschop van Keulen
dan diens ondergeschikte, de elect van Utrecht. Voor dezen lieten zich de zaken ongetwijfeld
ernstiger aanzien. Wij vernemen niet, hoe hij zich verweerd heeft tegen den onverhoedschen
aanval (in de stukken van het door graaf Kloris gevoerde proces, die ons toevallig in extenso
bewaard zijn, wordt natuurlijk niet gesproken van het verzet van Jan van Nassau zelven);
maar wij kunnen het toch wel gissen. Allicht was niet zonder bedoeling juist in dezen tijd de
overeenkomst tusschen graaf Kloris en den elect getroffen, waarbij de graaf de verpande
Stichtsche domeinen teruggaf en daarentegen de goederen van Amstel en Woerden in pand
nam. Zoo kon de elect thans in gemoede verklaren, dat de tegen zijn beheer ingebrachte
\') Ch. v. 22 April 1281, 6 Juni 1282 (V. d. Bergh. II n°. 420 A, G). Zie over deze geheele quaestie
uitvoerig: Delprat, Het bisdom Utrecht onder kerkelijken ban, in: Kerkhist. archief. III p. 321 vlg.
») Delprat 1. c. (V. d. Bergh. Il n°. 420 K).
-ocr page 26-
DE ELECT JAN VAN NASSAU                                               f>l
grieven ongegrond waren, en zich bevrijden van het uitgesproken banvonnis. Stellig heeft hij
dit betoog geleverd en is daarop de vrijspraak gevolgd. Want als de paus acht jaren later,
naar wij zien zullen, zijne grieven tegen den elect resumeert, noemt hij daaronder noch den
verkoop zijner landen aan den Hollandschen graaf noch de excommunicatie, die vroeger te
dezer zake over hem was uitgesproken.
Trouwens, de beschuldiging van den Keulschen aartsbisschop, die den elect van Utrecht
voorstelde als een handlanger van graaf Floris, als een misdadige, die met dezen samenspande
om de goederen der kerk in wereldlijke hand te brengen, was stellig ongegrond. Xeen, onze
elect was geen handlanger van graaf Floris! Niet dan onwillig droeg hij het hem door dezen
opgelegde juk! Dat bleek eerlang: enkele maanden reeds nadat de graaf zijn proces had
gewonnen, vinden wij den elect tegen hem in openlijk verzet. In verbond met zijn ouden
vriend, den Gelderschen graaf, is hij in oorlog met zijnen kweller l); ook andere vorsten zijn
in den strijd betrokken1); het is duidelijk, dat de partij van Amstcl en Woerden zich weder
roert. De bijzonderheden van den strijd blijven ons onbekend; alleen blijkt het, dat de elect
de stad Amersfoort in zijn bezit heeft weten te krijgen. Meer dan een jaar schijnt de worsteling
geduurd te hebben; toen was de kracht van Hollands tegenpartij gebroken voor goed. Den
qden Augustus 1284 dragen (ielder en Holland door tusschenspreken van den koning van
Engeland de beslissing in de tusschen hen bestaande geschillen op aan de uitspraak van vijf
arbiters 3). Denzelfden dag sluit de elect met graaf Floris een dergelijk verdrag, waarbij hij
hem Amersfoort teruggeeft; de oude overeenkomst van Juli 1279, die zeker de aanleiding tot
Jan van Nassau\'s verzet was geweest, wordt uitdrukkelijk bekrachtigd *).
Ook nu weder maakten de elect en de graaf na afloop van den strijd hunne rekening
op5). Het blijkt, dat heer Jan aan graaf Floris wegens de oorlogskosten schuldig is 7294
Hollandsche ponden. Als zekerheid voor de betaling dezer enorme som, grooter nog dan de
vroegere schuld, die door de verpanding der goederen van Amstcl en Woerden gedelgd was,
worden den graaf thans de onlangs vrijgemaakte Stichtsche domeinen op nieuw verpand \').
Bovendien is er nog de pandsom van het slot Horst, dat de graaf voor 1350 ponden van
heer Jan van Cuyk heeft gelost7). De elect moet afzien van de bevoegdheid, om dit slot, het
gewone verblijf der Utrechtsche bisschoppen, afzonderlijk in te lossen: alleen door betaling
der geheele pandsom in eens (onbereikbaar ideaal!) zal het contract nietig worden. Graaf
\') Bij een charter van 10 Augustus 1283 (Van Hattum, Bcschr. v. Zwolle. I p. 150) geeft de elect aan
Zwolle een privilegie, „in recompensam expensarum, quas tecerunt in servitio nostro apud Harderwijck, dum
contra comitem Hollandie guerram haberemus".
\') Dit blijkt uit den zoen met Amstel van 1285 (V. d. Bergh. Il n°. 571), waarin bedongen wordt, dat
de heeren van Amstel de graven van delre en Cleve, den hertog van Brabant en den bisschop (elect) van
Utrecht zullen doen beloven, hen nimmermeer te zullen helpen tegen den graat van Holland.
*) Ch. v. 9 Aug. 1284 (V. d. Bergh. II n°. 510). Den 7 Augustus 12S4 hadden de abt van St.-Paulus en
de deken van St.-Marie beloofd, de belangen van den Hollandschen graal te bevorderen.
\') Ch. v. 9 Aug., (> Sept. 1284 (V. d. Bergh. II n°. 511, 514): „salvis in omnibus partibus predictis
conventionibus quibuscumque, que in litteris conventionalibus, inter eos confectis, continentur".
>) Ch. v. 19 Mei 1285 (V. d. Bergh. n°. 54\')).
•) Het pandcontract is niet bewaard; zie echter het charter v. 14 Juli 1285 (V. d. Bergh. II n°. 556):
„quod officium cum al ia terra Trajecten si obligatum tenemus".
r) Ch. v. 14, 18 Juli 1285 (V. d. Bergh. II n°. 555, 558).
-ocr page 27-
52                                               im KLKCT JAN VAN NASSAU
Floris is 200 goed te verklaren, dat hij een onderzoek zal instellen naar het gedrag der
ambtlieden, die voor hem de Stichtsche kasteelen beheerd hebben en over wier eerlijkheid de
elect had geklaagd. Kn ten slotte geeft hij, zécr uit de hoogte, „als bijzondere gunst" aan
den vorst het verpande schoutambt van Amersfoort terug, om zijne noodzakelijke uitgaven te
bestrijden. De elect zal daar zelf een ambtman mogen aanstellen; maar hij zal dit doen op
naam van den graaf\')! En met koele minachting wordt ten slotte den rampzaligen elect
nogmaals voorgehouden, dat dit alles, na zijn afval, niets is dan een gunst: „wij zullen," dus
verklaart de graaf, „deze regeling in stand houden, zoolang de elect zich gedraagt
naar onzen raad en ons te wille is"2).
Wel droevig was de poging om het Hollandsche juk af te werpen gefaald: vaster dan
vroeger gekneveld, lag het Nedersticht aan de voeten van den jongen graaf. Dat begrepen
ook de drie gebroeders van Amstel,
die nu reeds vijf jaren in den Zeeuw-
sehen kerker zuchtten; zij gaven zich
gewonnen. De heer van Amstel stond
(27 October 1285) Naardingerland,
Muiden en Bijlmerbroek definitief aan
den graaf af (Amstel had hij reeds
vroeger verloren); al zijn eigen goed
droeg hij hem in leen op. Hij beloofde
zonder goedkeuring van den graaf
geene sterkten tusschcn Holland en
het Sticht te zullen bouwen, en zich
nooit meer tegen hem te zullen „ver-
heften". De vorsten van Gelre, Cleve,
Het slot Horst
Teekening van L. P. Serrurier, naar een verloren origineel
(Rijksarchief in Utrecht)
Brabant en het Sticht zouden op zijn
verzoek beloven, hem nooit meer tegen
Holland te helpen. Handelde hij tegen
den zoen, dan verbeurde hij aan den graaf al zijne Stichtsche leenen. De elect moest de
oorkonde mede bezegelen \'). Anderhalf jaar later (30 Maart 1287) boog ook Herman van Woerden
het hoofd, en kreeg verlof in het sticht terug te keeren op geheel dezelfde voorwaarden als
die, waaraan zich zijn bondgenoot had moeten onderwerpen 4). De heerlijkheden van Amstel
en Woerden waren een deel van Holland geworden.
Zoo was de afloop der worsteling tusschen den elect en graaf Floris, die thans beslist
scheen voor goed. Is er reden, het Jan van Nassau euvel te duiden, dat hij bezweken is?
Ik meen van niet. Wel krijgen wij den indruk, dat hij niet was opgewassen tegen de buiten-
gewone mocielijkheden zijner zware taak. Wellicht was hij niet zeer krachtig, niet zeer beleidvol;
zeker was er geen consequentie in zijne politiek. Maar voor ons, die de ontwikkeling der
•) Ch. v. 14 Juli 1285 (V. d. Bergh. Il n°. 557).
») Ch. v. 14 Juli 1285 (V. d. Bergh. II n°. 556).
") Ch. v. 27 Oct. 1285 (V. d. Bergh. II n°. 571, 572). Vgl. ch. v. 11 November 1285:1. c. II n*. 576,577,578, 579.
\') Ch. v :i0 Maart 1287 (V. d. Bergh. II nu. 632).
-ocr page 28-
DK ELECTJAN VAN NASSAU                                                53
geschiedenis kennen, is het gemakkelijk te oordeelen dat hij, geplaatst tegenover een krachtigen
vorst, die bezield was met de denkbeelden van den nieuweren tijd en die streefde naar uitzetting
van de grenzen der vorstelijke macht, dadelijk beslist partij had behooren te kiezen voorde voor-
standers van het oude regime. De monarch, die de feodale heeren belaagde, zocht van zelf
zijn steun bij de opkomende steden; zijne tegenpartij had dus, om zich te handhaven, de
heeren vast aan zich moeten verbinden. Zoo zouden de gedurige weifelingen vermeden zijn;
de strijd zou principieel zijn geweest. En zoo heeft het verloop der gebeurtenissen de partijen
ten slotte ook gegroepeerd. Een genie zou dit alles hebben vooruitgezien. Maar genieën zijn
zeldzaam, en het gaat niet aan om een vorst te verwijten, dat hij geen genie is geweest.
Maar al ware fan van Nassau een grooter man geweest, de zaken zouden ten slotte
denkelijk wel geloopen zijn, zooals zij ook thans geloopen zijn en zooals zij loopen moesten.
Oppermachtig heerschtc graaf Kloris in het Nedersticht. Van zijn beheer is ons slechts
één feit bekend, maar een feit van belang: de beveiliging van Holland en van het westelijke
deel van het Sticht tegen watervloeden. De grootvader van den Hollandsehen graaf, Floris IV,
had. in overleg met zijn broeder, den Utrechtschen elect Otto van Holland, den beslissenden
maatregel weten door te zetten: de Lekdijk was aangelegd l). Maar toch was de regeling nog
niet afdoende. Het handelsverkeer van de stad Utrecht met den Rijn had destijds plaats door
den Ouden Rijn naar Jutphaas, en verder door de IJsel naarde Lek. De Lek was nu onschadelijk
gemaakt; maar Rijn en IJsel bleven gevaar leveren. Tusschen de jaren 12K~) en 12H*) nu
treffen wij eene reeks van maatregelen aan, allen doelende op het streven, om het geheele
zuidwestelijke gedeelte van het sticht, waardoor de IJsel stroomde, door een dijk te omgeven
en zoo tegen overstrooming te beveiligen. Niet karig was de Hollandsche graaf, om dit groote
doel te bereiken. In Juli 1285 stelt hij den elect 4500 ponden ter h;ind. om een dijk te leggen
bij het Gein 2); blijkbaar wordt de IJsel afgedamd en de Nieuwe Rijndijk gelegd. In verband
daarmede wordt, nu de toegang door de IJsel gesloten is, den Utrechtenaars een kortere en
rechtere weg naar de Lek geopend door het graven van de vaart van Jutphaas naar Vreeswijk.
Ook daarvoor zien wij den graaf werkzaam: hij staat aan de stad Utrecht land af te Vreeswijk
en hij vermaant haar, het graven dier vaart, die buiten zijn dijk ligt, te bespoedigen 3). Ook
het beheer van het dus door een dijk beveiligde gebied ten noorden van de Lek, de zooge-
naamde Lopikcrwaard, wordt door den graaf geregeld. Hendrik de Rover (de stamvader der
heeren van Montfoort) wordt door hem met den schouw van de Lopikerwaard belast\'): de
oorsprong van het erfdijkgraafsehap van den Lekdijk Benedendams, dat sedert steeds bij de
heeren van Montfoort heeft berust.
Deze hoogst belangrijke regeling, waarvan de kronieken zwijgen, dankt het sticht aan de
veelgesmaadde regeering van den elect Jan van Nassau. Toch, het belangrijke feit geeft geen
reden om iets af te dingen op het verwijt, dat zijne rcgeering eene zwakke is geweest. Want
niet hij, maar zijn meester, de Hollandsche graaf, heeft zonder twijfel den belangrijken maat-
\'I Beka, Chronica. p. 75.
>) Ch. v. 14 Juli 1285 (V. d. Bergh. II n°. 554).
3) Ch. v. 27 Juli 1288 (V. d. Bergh. II n\\ 640); ch. v. 12 Dec. 128*> (1. c. II n°.b82). - Zieover deze zaak:
De Geer, Handelsverkeer door het Gein, in: Tijdschr. v. gcsch. v. Utrecht. IX p. 361, 3**7.
\') Ch. v. 12 Dec. 1287 (V. d. Bergh. n°. 628) en M Jan. 128H (Kijksarch. Utrecht).
-ocr page 29-
54                                                DE ELECT JAN VAN NASSAU
regel doorgezet; zonder dezen machtigen steun zou de maehtelooze vorst niet licht zulk eene
groote zaak hebben kunnen tot stand brengen. Want zelfs nu nog raakte hij daardoor in
ernstigen tweespalt met zijne vijf kapittelen, die, niet ingenomen met de bedijking en verstoord
over het heffen van bijdragen daarvoor van hunne onder den dijk gelegen landerijen, den
kerkdienst staakten en eerst door den opvolger van den elect (in 1292) konden bewogen worden,
hun verzet op te geven tegen teruggave van het betaalde geld l).
Zoo leverde ook deze nuttige en belangrijke maatregel Jan van Nassau slechts verdriet
en zorg. Kan het verwonderen, dat hij zich ten slotte terugtrok van de bemoeiing met het
wereldsche gezag, en zich wijdde aan de bevor
dering der geestelijke belangen, die hem ook
toevertrouwd waren? Ook op dit gebied heeft
hij nog eene daad verricht, die, vergeten even-
zeer als de bcdijking van de Lopikerwaard,
niet minder dan deze verdient in de heugenis
der nakomelingschap te blijven leven, - eene
daad, die onzen elect (en hem alleen!) aanspraak
geeft op de dankbaarheid van het thans levende
geslacht: Jan van Nassau is de stichter van den
Utrechtschen Dom. In 1254, niet lan^ na den
brand die bisschop Adelbold\'s I >om zwaar
beschadigd had, was door Hendrik van Yianden
de eerste steen gelegd van het nieuwe koor.
Grooter en prachtiger dan het oude, zou het
Utrechts hoofdkerk versieren; het zou het begin
zijn van eene nieuwe kathedraal in den Fran-
schen gothischcn stijl, die in 124<s reeds was
doorgedrongen tot Keulen, waar koning Willem
van Holland had medegewerkt tot de stichting
van den nieuwen Dom. De steenlegging had
inderdaad te Utrecht plaats gehad: met grooten
Het koor van den Dom te utrecht
                     ophef wordt het feit vermeld *). Maar naar
het schijnt, was het daarbij gebleven: de
onrustige tijden, die gevolgd waren, hadden zeker niet toegelaten, het werk, dat een werk
des vredes moest zijn, te vervolgen. Eerst toen orde en rust onder de ijzeren vuist van
Floris Y in het sticht waren teruggekeerd, kon men weder denken aan zóó groote en zóó
kostbare ondernemingen. En onze elect, vvien de politiek zoo weinig voldoening had gebracht,
heeft in de bevordering van dit groote werk allicht eene vergoeding gezocht en gevonden voor
de teleurstellingen zijner carrière. Want in den grooten privilegiebrief, dien hij 8 September
V2HH aan de Domfabriek schonk, draagt hij er met nadruk roem op, dat hij, Jan van Nassau,
\') Ch. v. 2 April 1292 (Do (kor v. Oudegoin, Bijdr. v. d. gesch. v. Utrecht, p. 363).
*) Beka, Chronica. p. 88.
-ocr page 30-
DE ELECTJAN VAN NASSAU
:,:»
de stichter moet heeten van de nieuwe kathedraal \'). Terecht, want ditmaal werd het werk
doorgezet: in 1303 kon de kanunnik Jan van Westende de twaalf vicarieën stichten, die gevestigd
werden op de zes altaren in het voltooide „nieuwe werk," de heerlijke koorsluiting, die nog
heden den Utrechtschen Dom versiert2).
Het was het laatste werk, dat de elect Jan van Nassau heeft kunnen verrichten voor
zijn sticht. De storm, die hem verzwelgen zou, brak zeer onverwachts los, verre van het
vaderland, te Rome. Op den 26,ten Januari 12tX) bezegelde paus Nicolaas IV eene bul, die
eene lange memorie van grieven tegen den elect bevatte1!. /.II. herinnerde, hoe de jonge
vorst zich, niettegenstaande zijne jeugd en zijne ongeleerdheid, tot elect had opgeworpen en
reeds dadelijk in verbond met den Gulikschen graaf zijn metropolitaan had gevangen genomen
en gedwongen zijne electie te bevestigen. Wegens dit misdrijf geëxcommuniceerd, had hij zich
toch niet ontzien de priesterwijding te begeeren en zich zoo meer dan twintig jaren aan het
hoofd van het bisdom gehandhaafd, welks goederen hij verspild en welks sloten hij aan adel
lijke heeren verpand had. De roof der gecollecteerde tienden had hem op nieuw in den kcrkban
gebracht; doch met versmading daarvan was hij blijven fungeeren bij den kerkdienst. Thans
was de maat zijner euveldaden vol, en de paus dagvaardde hem, om binnen vier maanden te
Rome te verschijnen, om zich te rechtvaardigen.
Wat kan paus Nicolaas bewogen hebben, om plotseling zóó kras op te treden tegen
den ongelukkigen elect? Wij herinneren ons, dat Jan van Nassau gekozen was tegen den
wil van den paus, en zoo hij zoovele jaren aan het hoofd van het sticht had gestaan, zonder
door de bisschopswijding daartoe volledig gerechtigd te zijn, dan mogen wij ons overtuigd
houden, dat de paus in zijn afkeer van den L\'trechtschen elect was blijven volharden. Wij
herinneren ons ook, hoe nog in 127S, in het verbond van graaf Floris met den elect, het
geval van diens afstand werd voorzien, — een bewijs, dat hij zich nog na een bestuur van
tien jaren geenszins veilig en zeker gevoelde. Dat hij van zijne zijde de bisschopswijding niet
begeerd zou hebben, is geheel onaannemelijk: immers door zijne priesterwijding zelve had de
jonge vorst reeds getoond, dat hij (anders dan sommigen zijner voorgangers en navolgers!)
zich voor goed aan de kerk wenschte te verbinden; stellig zal hij dus ook de bisschopswijding
begeerd hebben, die zijne positie versterken moest. Toch is het kwalijk te denken, dat alleen de
toorn over de bij de keus van den elect, volgens de pauselijke zienswijze, gepleegde informaliteit
thans, na meer dan twintig jaren, den paus zal bewogen hebben, om tegen den kerkvorst, tegen
wien eigenlijk niets anders in te brengen viel dan zijn inbraak in het Predikheerenklooster, plotseling
zóó forsch op te treden als hij deed. Kan aartsbisschop Siegfried van Keulen hem dan opgezet
hebben? Het is kwalijk te gelooven, nu er bijna acht jaren vcrloopen waren sedert het mislukken
van diens aanval op zijnen suffragaan. Rn andere invloedrijke belagers had Jan van Nassau niet
\') Afgedrukt bij: Moll, Kerkgeschiedenis. II 1 p. 412. Vgl. hierover: G. Brom, Üe stichter van den
Dom, in: Jaarversl. v.h. St.-Bcrnulphus-gilde. 188<).
\') Zie over de moeielijkheden van den elect met de Duitsche Orde over het klooster Bethlehem te
Doetinchem: Bijdr. v. vaderl. gesch. IX p. 14 vig. (Ik kan in zijn optreden in deze zaak geene aanleiding
vinden tot Nijhoff\'s zoo krasse veroordeeling; voor de geschiedenis van het bestuur van den elect schijnt
zij mij in ieder geval van weinig belang.)
:i) Brom, Bullarium Trajectense. I n". \'Mh.
-ocr page 31-
56                                                DE ELECT JAN VAN NASSAU
meer. Vergis ik mij niet, dan zal de slag ook niet gemunt geweest zijn op den elect zelven, maar
op graaf Floris van Holland, die zich door zijne wisselende politiek, als trouweloos bond-
genoot, vijanden te over had gemaakt, wier stem gehoord kan zijn aan het hof van Rome.
Graaf Floris begreep althans onmiddellijk, dat hem eene ernstige nederlaag bedreigde;
hij zag in, dat zijne prooi hem ging ontglippen \'). Nauwelijks was de pauselijke bul in
Nederland bekend geworden, of hij nam zijne maatregelen om den slag af te weren.
Den lsten April verklaarde hij plotseling bij bezegelden brief, in weinige woorden maar
zeer duidelijk, dat de elect Jan hem al zijne schulden had betaald en dat hij hem dus
bij dezen brief alle verpande sloten en het geheele Nedersticht teruggaf). Zoo was althans
het bezwaar, dat acht jaren vroeger den Keulschen aartsbisschop had geleid tot excommunicatie
van den elect, weder weggenomen. Was deze er dan in geslaagd, om zóó plotseling zijn
machtigen schuldeischer te voldoen? Het valt moeielijk te gelooven; meer nog, wij kunnen
bewijzen, dat het niet zoo was. Want één dag voordat graaf Floris het kostbare stuk, dat
zijn pandcontract vernietigde, uit handen gaf, hadden heer Jan van Cuyk en zijn zoon, de
zwager en de neef van den elect, hem op buitengewoon bindende wijze, bij twee bezegelde
brieven en onder waarborg van den hertog van Brabant, beloofd, dat zij aan hem en aan
niemand anders de verpande sloten Horst en Vredelant zouden overdragen. Zoo knoeiden de
heeren van Cuyk met graaf Floris, die een paar jaren vroeger verklaard had, dat hij Horst
gelost had en de rekening van den elect met de lossingsgelden had belast! Thans kwam het voor-
deeliger uit, het slot op nieuw den heeren van Cuyk in bewaring te geven. Gewillig genoeg waren zij
om mede te werken, want zij verplichtten zich tegelijk om te bewerken, dat de elect den graaf
zou bijstaan tegen iedereen; niettegenstaande den dreigenden banvloek van het hof van Rome \')!
Zonder twijfel heeft Jan van Nassau het gewichtige stuk, dat in schijn zijne vrijheid
van den Hollandschen graaf waarborgde, naar Rome gezonden en overgelegd in het tegen
hem geopende proces *). Doch het baatte hem niet. Over den loop van het geding vernemen
wij niets; maar den 16den December 12lX) verklaarde de paus bij eene nieuwe bul, dat Jan
van Nassau hem alle rechten, die hij krachtens zijne electie en confirmatie op de Utrechtsehe
kerk bezat, vrijwillig had opgedragen\'\'). Op voorwaarde dat hij alle steden, sterkten en
rechten van het bisdom binnen twee maanden zonder bezwaar zou overdragen aan zijn door
den paus te benoemen opvolger, legde Z. H. hem dus nu een inkomen toe van 1000 Utrecht-
sehe ponden uit de domeinen van het sticht. Den 10"1"1 Januari 1291 benoemde de paus daarop
zijnen kapellaan Jan van Sierck tot bisschop van Utrecht *\'), en der. 13den Maart daaraan-
volgende werd de gewezen elect ontslagen van den nog op hem rustenden ban en tevens van
de verplichting tot teruggaaf van de ten onrechte genoten inkomsten van het bisdom7).
\') Beka (Chronica. p. \'>">) is wel bijzonder in de war, als hij schrijft, dat de elect op aandringen van
graal Kloris door den paus is afgezet!
\') Ch. v. 1 April 12<*) (V. d. Bergh. II n°. 6<»4).
>) Ch. v. 31 Maart 1290 (V. d. Bergh. II n». 76", 770).
\') Hij haastte zich althans het (11 en 1«» Juni 1290) te doen vidimeeren door den prior der Predik-
heeren en den gardiaan der Minderbroeders te Utrecht en door de stad Utrecht.
*) Brom, Bullarium Traj- I n". 381.
«) Brom, Bullarium Traj. I n°. :w:>.
7) Brom. Bullarium Traj. I n°. 388, 389.
-ocr page 32-
57
DE ELECT JAN VAN NASSAU
Daarmede verdwijnt de ongelukkige man uit de geschiedenis. Nog meer dan achttien jaren
heeft hij geleefd; naar het schijnt heeft hij zich te Deventer gevestigd, waar wij hem reeds
eenmaal vonden en waar hij, niet ver van zijn broeder Gcrhard die proost van Oldcnzaal
was, zich zeker beter zal hebben thuis gevoeld dan in het Nedersticht, dat altijd bijna geheel
in handen zijner belagers was geweest. Den 13den Juli 1309 is hij overleden \'); in het koor der
Deventersche St. Lebuinus-kerk ligt hij begraven1).
Zijn opvolger, door den paus overladen
met voorrechten, die het herstel der toestanden
in het bisdom mogelijk moesten maken *), werd
dadelijk te Rome tot bisschop gewijd en deed
in het begin van 1292 zijne intrede in het sticht4).
Wij bekomen van hem een gunstigen indruk:
hij aanvaardde zijne regeering met de uitvaar-
diging van eene reeks van disciplinaire voor-
schriften aan zijne geestelijkheid5), en reeds
anderhalf jaar later moest graaf Floris van
Holland verklaren, dat de nieuwe bisschop al
zijne schulden, op 1700 ponden na, had gedelgd6).
Toch, met dat al, ook Jan van Sierck gevoelde
zich niet gelukkig in zijne hooge positie te Utrecht:
reeds in 1296 legde hij het bewind van het
bisdom neder, dat hij geruild had voor het veel
minder aanzienlijke bisdom van Toul in zijn
Lotharingsch vaderland7).
En Floris V? Wij weten, hoe vreeselijk
de heeren van Amstel en Woerden zich op
hem gewroken hebben over den gedwongen
afstand hunner heerlijkheden. Het heeft hun geen
De krypt van de St. Lebuinus-kerk te Deventer
geluk gebracht en hunne namen voor altijd met
•£ene zwarte kool geteekend in de herinnering der nakomelingschap. Is die afkeer gerecht-
vaardigd? Zeker, Amstel en Woerden waren verdedigers eener zaak, die niemand meer
\') Het necrologium der St. Lebuinuskerk te Deventer (Dumbar, Kerkel. en wereldl. Deventer. I p. 399)
vermeldt: „III Idus Julii anno Domini 1309 obiit dominus Johannes de Nassouwc, in episcopum Trajectensem
electus, qui rexit ecclesiam Trajectensem 24 annos, in cujus anniversario dantur de bonis in Appen canonicis
cum vicariis per capitulum 20 sol." Onmiddellijk daaronder lezen wij: „Anno Domini 1350 obiit Mechtildis
de Nassouwe, relicta J. Yryhcrte, que dedit canonicis cum vicariis 5 1., et dantur 5 sol." Wanneer wij over-
wegen, dat de moeder van den elect Mechtelt van Gelre heette, zullen wij wel niet twijfelen, dat de weduwe
Vryherte eene dochter was van onzen elect.
\') Bijdr. en meded. Hist. Gen. XI p. 495.
*) Brom, Bullarium Traj. I nu. 391, 393—402.
») Zijne eerste oorkonde dagteekent van 25 Januari 1292.
s) Gedrukt: Batavia Sacra. I p. 166.
«) V. d. Bergh. II n°. 850.
7) Beka, Chronica. p. 101.
8
-ocr page 33-
DE ELECT JAN VAN NASSAU
58
verdedigen wil, — de zaak der feodale heeren, der Kleinstaaterei en der uitbuiting van het
volk. Maar dat zij hun nieuwen meester, den Hollandschen graaf, innig en hartelijk haatten
en volle recht hadden tot dien haat, dat kan geen oogenblik betwijfeld worden. Floris V
was een echte monarch, de eerste van het ras, dien wij kennen op Nederlandschen grond, —
de eerste ten onzent, die met kloek beleid de hand sloeg aan de vervorming der vergroeide
middeleeuwsche staatsinrichting.
De betrekking van vorst tot onderdaan was den middeleeuwen weder vreemd geworden.
Breed was de rij der in het oneindige gediflerentieerde standen, — van de landsheeren en de
bezitters van hooge en lage heerlijkheden af tot op den burger en boer, — die zelfs tegen-
over hunnen heer, den keizer, meestal verplicht waren tot zeer verschillende speciale praesta-
ties. De opkomende monarchie zou dit alles veranderen. Nog altijd scheen haar het oude
voorschrift van Tarquinius Superbus de hoogste wijs-
heid ; zij sloeg de koppen der hoogstgeplaatsten af:
zoo kwam er ruimte om den vorst. Van uit de hoogte,
waar zijn zetel stond, beschouwde deze de lagere
standen aan zijnen voet nog wel niet als gelijk
berechtigden, maar toch als gelijk verplichten. En
dezen, zoover gescheiden van hunnen vorst, gewenden
er zich allengs reeds aan, hem te beschouwen als een
wezen van ander, van hooger maaksel dan zij zelve.
Floris V pastte, wij zagen het, zonder schroom
de middelen toe, die leiden moesten tot dit begeerde
resultaat. En reeds dadelijk is hij verre gevorderd
op den weg naar zijn doel. Het bekende verhaal
van de verkrachting van Machteld van Velsen moge
eene legende zijn, men kan zich bezwaarlijk ver-
gissen in den aard van graaf Floris\' betrekkingen
tot de schoone Catharina van Durbuy, zijne bloed-
zegei van Kra»f Floris v
                    verwante en weduwe van den heer van Voorne,
aan wie hij het slot Teylingen schonk in de nabij,
heid van zijn paleis te Vogelensang. Het verbaast ons, dat de voorname jonge weduwe zich
gevoegd heeft in eene dergelijke positie; wij zijn geneigd te overwegen, dat te allen tijde
vrouwen zich hebben laten bekoren door de heldere en stoutmoedige oogen van jonge mannen,
vooral als die oogen ze aanzagen onder een kroon of een gravenhoed; en wij wenschen te
concludeeren, dat de lichtzinnigheid der jonge edelvrouw meer schuld zal hebben gehad aan haar
ongeval, dan het beleid en het aanzien van den Hollandschen graaf. Maar de verontschuldiging
ontvalt ons: de vrouw van Voorne wist blijkbaar wat zij deed. Want toen haar vorstelijke minnaar
onverwachts was vermoord, achtte de schoone weduwe hare carrière niet gesloten. Nog was zij
jong, en zij bekoorde niemand minder dan Wolfert van Borselen, die, hooggeplaatst en invloed-
rijk, de eerste was onder de regeering van Floris\' jeugdigen zoon. Werd zij dan, steeds lager
zinkende, ook zijne geliefde? Integendeel, de alvermogende edelman achtte het niet beneden
zich, om de gecompromitteerde edelvrouw te rehabiliteeren door zijn luisterrijken naam, en
om de openlijke bijzit van zijnen vorst naar het altaar te geleiden. Merkwaardig feit! De
-ocr page 34-
DE ELECT JAX VAN NASSAU                                            59
Zonnekoning wist voor zijne bastaarden de hand te verkrijgen van leden der eerste Fransche
geslachten; maar zijne bijzitten te rehabiliteeren door voorname huwelijken, dat waagde zelfs
de 17de eeuwsche despoot niet op het toppunt zijner glorie. En toch, zoover bracht het reeds
de beheerscher van een klein hoekje land in de 13de eeuw!
En het volk, dat wij bij het begin van Jan van Nassau\'s regeering zoo kloek hebben
zien optreden voor zijne rechten? Voer het wel bij de verheffing van zijn vorst? Ik geloof
het wel. Gewelddadige volksbewegingen bereiken zelden blijvend de resultaten, die zij beoogen;
in de middeleeuwen, toen alle verschijnselen doorgaans een locaal karakter droegen, was dit
minder waarschijnlijk dan ooit; dat de Kcnnemer boeren gefaald hebben bij hun heftig
optreden, kan ons dus niet verwonderen. Maar er was destijds een andere weg, die zekerder
dan de gewelddadige leidde tot het beoogde doel: een vast bondgenootschap met een onder-
nemenden, eerzuchtigen landsheer. Die weg is ook ten onzent door de lagere klassen bewandeld,
en met succes: zij slaagden niet met Gijsbrecht van Amstel, maar Floris V zou hen wreken.
Listig was hij en trouweloos, geen sympathiek man, zoo min als de meeste beleidvolle
stichters der middeleeuwsche monarchieën. Maar zoo goed als de meestcn hunner, schijnt ook
hij het gevoel gehad te hebben van de verplichtingen, die zijne standsverheffing hem oplegde.
Het verhaal van graaf Floris\' zorgen voor het dijkwezen geeft een zéér gunstigen indruk van
zijn beleid en van het gebruik, dat hij dadelijk wist te maken van zijne pas verkregen macht
in het sticht, dat al den tijd van het bisschoppelijk bewind is gebukt gegaan onder de tuchte-
loosheid, die het gevolg was van de machteloosheid dezer kerkvorsten. Van Floris V van
Holland voert eene rechte lijn over Willem III van Henegouwen naar Philips van Bourgondië,
die allen zich sterk hebben gevoeld, allereerst door den steun van de aristocratische regenten
der opkomende steden, van de Kabeljauwsche partij. Geene helden waren zij,slechts handige,
geslepen staatslieden; toch heeft het dankbare volk de beide laatsten vereerd met den
bijnaam van den Goede, en het roemde Floris V in vervoering als Der keerlen God.
S. MULLER Fz.