-ocr page 1-
Omkrzoik&ngin en Verslagen
VAN
j DE GEZONDHEIDSCOMMISSIE
DER
|            GEMEENTE UTRECHT
BETREFFENDE
i
de Grachtwateren en den Invloed der Grachten
den Gezondheidstoestand.
MEI 1997
-ocr page 2-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
3144 001 3
-ocr page 3-
I. \'ï
^.
^S.SEC,S
Onderzoekingen en Verslagen
VAN
DE GEZONDHEIDSCOMMISSIE
DER
Gemeente Utrecht,
BETREFFENDE
de Grachtwateren en den Invloed der Grachten op
den Gezondheidstoestand.
HEI 1897.
--------------
_:: .1.
RL
**«*.
i tl TfÜ^^lT.
-4J
-ocr page 4-
erslag van de Subcommissie (P. W. ONNEN, C. H. H.
SPRONCK, J. DE HAAN en J. D. VAN DER PLAATS, Rap-
porteur) aan de Gezondheidscommissie...........  blz. 1—17.
§ 1. Vóórgeschiedenis...............   blz. 1.
§ 2. Benoeming eener Subcommissie. Overzicht harer werkzaam-
heden...................    „ 2.
§ 3. De gezondheidstoestand langs de grachten......     „ 3.
§ 4. Het onderzoek der watermonsters.........     „ 3.
§5 He vp-zameling der watermonsters.........    „ 4.
\'*>.. bacteriologisch onderzoek. Gevolgtrekkingen ...     „ 5.
emisch onderzo» V (Wn1n>\' \' Mngen.....    , 8.
\'       VV           \'
.... V . V • •*•••••       n léSm
JLauei. 1. fiaattten en Tijde 59 is. .... .     „ 14.
„ II. Aantal bacteriën in Q ^s ,t.......     «15.
„ III. Scheikundig onderzoek van tiet water uit de Oude Gracht
en de Nieuwe Gracht .............     „ 16.
„ IV. Scheikundig onderzoek der wateren, die \'s middags tusschen
12 en 5 uur geput zijn.............    v 17.
\'\' f
Statistisch onderzoek omtrent den invloed der Stadsgrachten op
den gezondheidstoestand der Binnenstad, door P. W. ONNEN. . .  blz. 18—30.
Toelichting omtrent de toepassing der waarschijnlijkheidsrekening
op deze statistische cijfers, met tabel..............     „ 28—30.
Eindverslag van de Gezondheidscommissie, in antwoord op de
missive van Burgemeester en "Wethouders, dd. 31 Juli 1895,
n°. 123 F.................... . blz. 31.
-ocr page 5-
BIBLIOTHEEK
RIJKSUNIVERSITEIT
UtRËCHT
«ij lage X.
Met vier tabellen en ééne
teekcniug.
VERSLAG
van de Subcommissie
- x
\' l\'i DE©!
P» !|ffi/-.oi l <^
\'fel U*2>
Ü
I)Klt
Gezondheidscommissie,
omtrent hare Onderzoekingen betreffende de Gracht water en
en den Invloed der Grachten op den
Gezondheidstoestand.
§ 1. VOORGESCHIEDENIS.
Aan het einde der vergadering van de Gezondheidscommissie op 17 Juli 1882 kwam
ter tafel eene schriftelijke mededeeling van den heer Mr. "W. J. M. Bosch van Oud-
Ameliaweerd, betreffende de geringe waterverversching in de Nieuwe Gracht en den
Maliesingel. In de vergadering van 25 September 1882 werd deze zaak nader besproken.
Bij ontstentenis van een waterbouwkundig lid der commissie — de heer H. Linse vertrok
naar \'s Hage en de heeren I. M. K. Wellan en N. H Nierstrasz konden hunne benoeming
niet aanvaarden — bleef deze zaak echter rusten tot 17 September 1883. Het voorstel
van den heer Bosch werd toen gesteld in handen van den heer R. J. Castendijk (sedert
31 Juli 1883 lid der Commissie). Deze diende op 17 December 1883 zijn Rapport in.
Na herhaalde bespreking en rondzending bij de leden werd besloten dit Rapport in zijn
geheel aan Burgemeester en Wethouders mede te deelen. Dit is geschied bij missive van
18 Juni 1884, n°. 5. Hierbij werden overgelegd :
1°. De vraag en het voorstel van den heer Bosch, d.d. Juni 1882;
2°. Het Rapport van den heer Castendijk, d.d. 17 December 1883, met 10 bijlagen ,
zijnde tabellen van waterhoogten ;
3°. Eene nota van den heer Castendijk over het denkbeeld van den heer Van der
Meulen, om de Tolsteegbrug enkel gedurende den nacht af te sluiten.
In het jaarverslag der Commissie over 1884, blz. 4—6, is dit Rapport geresumeerd.
De Commissie meende zich van het aangeven van bepaalde plannen te moeten onthouden,
vooral omdat de noodige gegevens haar daartoe ten eenenmale ontbraken. Sedert dien
tijd heeft de Commissie dit belangrijke maar ingewikkelde vraagstuk niet uit het oog
verloren. In hare jaarverslagen over 1887 blz. 4, 1890 blz. 3, 1891 blz. 5, 1892 blz.
7 en 9, 1893 blz. 5, 1894 blz. 9—13, 1895 blz. 7 en 1896 blz. 7, wordt er over gehandeld.
In het begin van 1893 verschonen de brochures der heeren H. J. E. Wenckebach en
J. Swets Az. In Juni van hetzelfde jaar richtte één der hoogleeraren in de Geneeskunde
alhier zich twee malen tot onzen Voorzitter om aan te dringen op maatregelen tot
verbetering der waterverversching. Als kenmerkend voor de opvatting , die toen bij velen
bestond, vermelden wij één der wenschen uit zijn tweeden brief, d.d. 21 Juni 1893 :
Aan
Ie Gezondheidscommissie der Gemeente Utrecht.
-ocr page 6-
*y^ccK*.
&cgti4-u,x- 2*.
i.;*
<2.Ótf t"
1
\\
/
1
1
\\
\\
\\
/ 1
/ ,
/ \'
$
/ 1
\\
i
\'\' \'
\'^
^"s
,
L
i /
\\
\\
>
MiJJJJjLLfi
Clitj t^ isUst fa-ij V«*t(«-H-Hltl«l QfC^
S- Cu. x^i-t«
IÜO
wvwuniio
•Stk&U\'U\'t\' 3 .
f
"1
ft
ti
11 r ix i
/..tC
1
i
1 1 1
! i
i
i
i
1 !
j
;
;
! !
i i
i ;
i
i
i
i
i
i
i
i
i j
| i
i
11
i
i
i
i
/«fc -
1
i
1—\'—!—
|
i
4-M---\\—
1 i
/f» -
i I k
i \'i
i
t
1
•
j !
! I
i;
i
i
! i
i
il
1 :
1 i
i \'
ij ]
1 :
1 \'
1
,1
,: 1
i
, .
i\' \'
1
I !
1
A?<? -
—f
1
1 <
>
I
l
-H—
1
—
;|
1—H------
l|
1
4-
i
//«/ -
w
\\
1
i
i
—i
\\f
\\
\\
\\ 1
1 1
1 (
1
v
\'1
\\
1
>
<7c
—
\\
\\
/"
—
\\
\\
—«-
\\
rfV
UOA\\ inut\'iim vuirt 1-5 i«av.
-ocr page 7-
2
„Tevens is ccne verordening dringend noodig: het is verboden grachtwater over de straat
„uit te storten , hetgeen geljjk staat met gieren."
Op 5 September 1893 ontving de Commissie van Burgemeester en Wethouders het
boekwerk van den heer F. J. Nieuwenhuis : „Beschouwingen over de toestanden en den loop
van het water om en door Utrecht. Meer bepaaldeljjk voor het jaar 1892.\'\'
De heer ingenieur Wenckebach richtte hierover eene Nota tot den Gemeenteraad en
de Commissie ontving op haar verzoek inzage van dit uitvoerige stuk. Op 26 September 1894
richtte de Commissie aan Burgemeester en Wethouders eene missive over de waterver-
versching der grachten, welke in haar geheel is afgedrukt in liet jaarverslag over 1894.
Ondertusschen had ons medelid, de heer Templeman van der Hoeven, in de
Raadsvergadering van 1G Maart 1893 over dit onderwerp eene interpellatie tot Burgemeester
en Wethouders gericht, welke eenige belangrijke mededeelingen van den Wethouder van
Openbare Werken ten gevolge had, o. a. dat sedert Juni 1890 dit vraagstuk door den
Directeur der Gemeentewerken in studie was genomen.
Thans kwam er voortgang in de zaak. Op 25 Juli 1895 stelde de Raad, op voorstel
van Burgemeester en Wethouders, f 3,500.— beschikbaar voor een onderzoek naar de al
of niet noodzakelijkheid eener verbetering der waterverversching in deze Gemeente, aangezien
voldoende gegevens ontbraken om de vraag te beantwoorden of verbetering noodzakelijk is.
Onze Voorzitter, tevens lid der Commissie van Fabricage, had reeds bij de voor-
bereiding van dit voorstel medegedeeld, dat de Gezondheidscommissie bereid zou worden
gevonden om aan dat onderzoek deel te nemen.
Met ingang van 1 Januari 1896 werd door Burgemeester en Wethouders ( ter
assistentie van den Directeur der Gemeentewerken, voor dat onderzoek benoemd de heer
Civiel-Ingenieur J. W. Th. van Oyen, oud-assistent bij de waterbouwkunde aan de
Polytechnische School te Delft.
§ 2. BENOEMING EENER SUBCOMMISSIE. OVERZICHT HARER
WERKZAAMHEDEN.
Burgemeester en Wethouders hadden bij missive d.d. 31 Juli 1895, n". 123 F., aan
de Gezondheidscommissie kennis gegeven van het voornoemde crediet van f 3,500.— en
tevens uiteengezet op welke wijze zij veronderstelden, dat het onderzoek zou worden
verdeeld tusschen de Commissie en den Directeur der Gemeentewerken (zie § 8).
Bij missive van 24 September 1895, n°. 235, antwoordde de Commissie: „dat zij
„bereid is om naar haar vermogen mede te werken bij het onderzoek naar den toestand van
„de waterverversching in deze Gemeente. De Commissie zal zich in het bijzonder bezig
„houden met het onderzoek naar den gezondheidstoestand langs de grachten, niet een
„scheikundig en bacteriologisch onderzoek van het water en zij zal trachten nader den
„oorsprong en den voortgang der verontreiniging vast te stellen. De Commissie zal, vóór
„zij hare onderzoekingen begint, in overleg treden met den Directeur der Gemeentewerken,
„en stelt zich voor in samenwerking met dezen het plan voor haar onderzoek op te maken."
In de vergadering der Commissie van 12 September 1895 werden als leden der
Subcommissie voor dat onderzoek benoemd:
als geneeskundig lid : Dr. P. W. Onncn ;
als scheikundig lid : Dr. J. D. van der Plaats;
als bacteriologische leden: Prof. C. H. H. Spronck en J. de Haan.
-ocr page 8-
:t
De eerstgenoemde werd later tot Voorzitter, de tweede tot Rapporteur gekozen.
Behalve talrijke persoonlijke besprekingen hield deze Subcommissie vier vergaderingen :
op 20 Februari, op 27 Februari (met de heeren Nieuwenhuis en Van Oyen), op
•15 October 1896 en op 6 Februari 1897. Ook werd de vergadering der geheele Gezond-
heidscommissie op 13 Februari 1896 bijgewoond door de heeren Nieuwenhuis en Van Oyen.
Op 20 Februari 1896 werd nagegaan welke onderzoekingen verricht zouden worden;
op 27 Februari zijn de details der uitvoering nader geregeld, op 15 October is gehandeld
over de voortzetting van het onderzoek en op 6 Februari 1897 werd overwogen tot welke
gevolgtrekkingen men thans gerechtigd was.
§ 3. DE GEZONDHEIDSTOESTAND LANGS DE GRACHTEN.
Het geneeskundig lid der Subcommissie heeft een uitvoerig statistisch onderzoek
ingesteld omtrent den invloed der stadsgrachten op den gezondheidstoestand der binnenstad.
Deze memorie volgt als Bijlage Y achter dit verslag. Hare slotsom luidt:
„dat het wonen aan de grachten een ongunstige factor is voor de sterfte van
„kinderen van 1—5 jaar, voor zoo verre deze wordt geïnfluenceerd door epidemieën van
„diphtherie en croup, en tevens ongunstig werkt op het voorkomen van febris typkoïdea
„bij alle leeftijden.
„Een andere ongunstige invloed der grachten op den gezondheidstoestand van
„Utrecht blijkt echter uit de cijfers niet."
§ 4. HET ONDERZOEK DER WATERMONSTERS.
De Secretaris der Gezondheidscommissie had reeds in Maart 1894 een plan voor
het scheikundig onderzoek der grachtwateren opgemaakt.
In de vergadering van 20 Februari 1896 werd besloten om nauwkeurig te bepalen
het gehalte der wateren aan keukenzout en aan organische stof, voor zoo ver dit laatste
blijkt uit de reductie van chamaeleon (kaliumpermangannat-oplossing). Een uitvoerig
onderzoek naar het slibgehalte of naar de hoeveelheid opgeloste zuurstof kwam ons niet
van genoegzaam nut voor om de groote moeite daaraan verbonden te beloonen. liet was
ons bekend, dat de grachtwatcren slechts in geringe mate troebel zijn (zie § 7), en dat
ook in de slechtste gedeelten, b.v. Plompetorengracht, nog visschen leven.
Het gehalte aan ammoniak en salpeteiïgzuur is gering en do verschillen tusschon
het water aan het boven- en benedeneinde eener gracht zijn voor deze bestanddeelen te
klein om met eenigc nauwkeurigheid bepaald te worden.
Een onderzoek naar de gassen en de bacteriën in de lucht boven of bij de grachten
kwam ons niet voor tot bruikbare uitkomsten te zullen leiden; evenmin het onderzoek
naar het vuil gelegen op den bodem der grachten of drijvende aan de oppervlakte van
het water.
Het bacteriologisch onderzoek bepaalde zich tot het aantal bacteriën per c.M3.
Daar van geschiktheid der grachtwateren tot drinkwater geen sprake kan zijn, ia op de
soorten van bacteriën niet gelet, dus ook niet op de pathogene bacteriën , welke zonder
twijfel in de grachtwateren voorkomen (Zie omtrent den Westersingel de Jaarverslagen
over 1895, blz. 7-8 en 1896 blz. 7-8). Voor het nagaan van de vervuiling der grachten
was het onderzoek naar die soorten niet noodig.
-ocr page 9-
i
§ 5. DE VERZAMELING DER WATERMONSTERS.
In de gecombineerde vergadering van 27 Februari 1896 werd besloten om wateren
te putten uit de Oude Gracht, bij de Tolsteegbrug (20), Bezembrug (23) en Zandbrug (20);
Nieuwe Gracht, bij de Servaasbrug (20), Paushuizen (23) en Plompetorenbrug(20); Ooster-
singel,
bij de Wittevrouwenbrug (7) en den Oosterstroom (7); Westersingel, bij de Wil-
lemsbrug (4) en den Westerstroom (7); en verder uit Krommen Rijn (4), Vaartschen
Rijn
(4), Leidschen Rijn (7) en Vleutensche Wetering (4).
Het cijfer tusschen haakjes geeft aan hoeveel malen op ieder dier plaatsen water
geput is. Totaal 170 malen.
De wateren zouden geput worden in het midden van den stroom, op\'/2 meter diepte
onder den waterspiegel
De putinrichting, zie Plaat I fig 1, door het scheikundig lid der Subcommissie ver-
vaardigd, bestond uit een vierkanten houten bak A, waarin de flesch1) F paste, beneden
bezwaard door een ijzeren plaat ij ij, boven voorzien met een draaibaar deksel D door
welks opening de hals der flesch uitstak. De bak hing aan een houten beugel, B B ,
van \'/ï nieter hoogte. De stop s der flesch was geklemd in een houten vatting v, die
voorzien was met een horizontale koperen staaf, K , welke met twee oogen op en neer
kon glijden tusschen twee stalen geleidingsdraden g g binnen aan den beugel bevestigd.
Een verticale stalen staaf C, eveneens aan de houten vatting bevestigd, gleed door een
oog o ter halver hoogte van den beugel aangebracht.
De geheele inrichting werd aan een touw, T, en een haak, II, neergelaten , tot
dat de beugel juist onder water kwam. Door een koord a a verbonden aan de verticale
staaf, werd dan de stop van de flesch getrokken. Het water klokt naar binnen; na 20
a 30 seconden stijgen er geen luchtbellen 2) meer op; het koord wordt gevierd en de stop
valt neder in den hals der flesch. Het toestel wordt nu opgehaald, daarna de stop omhoog
geschoven , het deksel geopend , de flesch uit den bak genomen en door een ledige vervangen.
Uit de volle flesch giet men eenige cM3. water weg om den rand schoon te spoelen
en vult er vervolgens een gesteriliseerd fleschje van \'/i liter inhoud mede, dat onmiddellijk
daarna weder met een prop watten gesloten en in zijn ijskast terug gebracht wordt.
Twee ijskasten, van binnen met vilt en blik bekleed , ieder met blikken bussen
voor 6 gesteriliseerde fleschjes en verder inhoudende 5 K.G. ijs ; twee houten bakken, ieder
met 9 groote flesschen van 2,1 liters inhoud en de putinrichting waren op een kar geplaatst.
De ingenieur Van Oyen en het scheikundig lid der Subcommissie , geholpen door twee
werklieden , gingen met die kar de grachten langs. Elke putting vereischte niet meer dan
2 a 3 minuten oponthoud en slechts éénmaal (10 Augustus 1896, Oosterstroom) ondervond
mcD stoornis, namelijk doordat de stop te sterk in den hals der flesch klemde.
De ijskasten met de bacteriologische monsters werden zoo spoedig mogelijk bezorgd
aan het Akademisch Ziekenhuis en aan het Militair Hospitaal; de groote flesschen met
de rest (l\'/j liter) van het water aan \'s Rijks Veeartsenijschool.
Acht malen zijn op deze wijze\'s middags van 12\'/.^—4\'/a ure watermonsters verzameld.
\') Gebruikt zijn Je 50 flesschen, die in October 1893 door de Gezondheidscommissie waren aangeschaft voor
het verzamelen van drinkwateren. Elke flesch heeft een inhoud van ruim 2 laters en draagt gegraveerd de letters
G. C. met een nummer vau 1 tot 50. De stop draagt hetzelfde nummer als de flesch, waarop zy past. (Zie Jaar-
verslag 1893 blz. 2).
l) De plaats, waar deze luchtbellen aan de oppervlakte komen, geeft een vrij nauwkeurig denkbeeld van de
suelheid en richting des strooms.
-ocr page 10-
5
Zes malen is na deze lAiddagputting des Avonds tusschen 8\'/.2 en 97a ure en den volgenden
Ochtend tusschen 6\'/.2 en 71/, ure, dus kort vóór en kort na de nachtelijke spuiing, nog
op telkens 6 plaatsen uit de Oude Gracht en de Nieuwe Gracht water verzameld. Deze
avond- en ochtondputtingen geschiedden onder leiding van den ingenieur Van Oyen alleen.
Bacteriologische monsters werden hiervan niet genomen, omdat het niet mogelijk geweest
zou zijn deze naar eisch te onderzoeken. Op 5 Mei 1896 is alleen \'s middags geput. Op
21 April 1897 \'s middags is nog op 7 plaatsen water verzameld, ten einde na te gaan, welken
invloed het afdammen \') van de Nieuwe Gracht op de hoedanigheid van het water aldaar had.
Ten einde na te gaan of wateren op korten afstand van elkander geput, gelijk van
samenstelling waren, zijn op 27 October vier en op 17 November één extra putting gedaan.
De putinrichting werd meestal van af een brug in de gracht neergelaten. Aan den
Wittevrouwensingel, de Rijnkade en de Liesbosch geschiedde dit langs eene groote schuit,
die daar aan den wal lag.
Overzicht der Waterputtingen.
G
El\'UT
SCHEIKUNDIG
BACTERIOLOGISCH
op
ONDERZOCHT.
ONDERZOCHT.
17/18 Maart 1896
I, A, •.....
24
wateren.
mislukt.
5 Mei
//
M.......
12
//
12 wateren.
20/21 Juli
//
M , A , •. . . .
24
t/
12 //
10/11 Aug.
//
I, A . 0.....
26
ii
14 ii
27/28 Oct.
//
1, A , 0. ,
28
ii
12 ii
17/18 Nov.
n
1, A , •.....
25
ii
12 //
15/16 Dec.
n
M , A , 0.....
24
ii
12 //
21 April 189\'
I
......\' •
7
ii
6 //
Te /..uilen .
170
wateren.
80 wateren.
Uitvoerige opgaven van de plaatsen en tijden der puttingen geeft Tabel I.
§ 6. HET BACTERIOLOGISCH ONDERZOEK. GEVOLGTREKKINGEN.
De voedings-gelatine voor het kweeken der bacteriën wordt als volgt bereid: \'/, kilo-
gram vetvrij gehakt kalfsvleesch laat men 12 uren lang met één liter koud water trekken.
De bouillon wordt gecoleerd, dan met 10 gram Witte\'s pepton en 5 gram keukenzout
vermengd, 10 minuten gekookt, gefiltreerd, met koolzure soda zwak alkalisch gemaakt,
weder 10 minuten gekookt en nog eens gefilteerd. Na afkoeling tot 50° wordt er 100
gram gelatine bijgevoegd, op nieuw met koolzure soda zwak alkalisch gemaakt, geklaard
met eiwit, 20 minuten lang tot 100\' verwarmd en ten slotte gefiltreerd in gesteriliseerde
kolfjes De bacteriën zijn thans gedood, maar hunne sporen nog niet. Na 24 uren hebben
1) In den nacht van 18/19 Maart 1897 stortte de kaaimnur tegenover het gebouw Kromme Nieuwe Gracht
n°. 19 in de gracht. Deze werd op 8 April vóór n03. 19 en 21 afgedamd. Het water is das geput na een stilstand
van 13 etmalen. Op 26 April 1897 zijn de dammen weggenomen en hernam het water uit de Nieuwe Gracht zijn
gewonen loop Den volgenden dag bezat het water weder zijn gewone voorkomen.
-ocr page 11-
6
die sporen zich tot bacteriën ontwikkeld; men verhit nu weder 5 minuten lang tot 1003 en
herhaalt dit laatste den tweeden en derden dag. De voedings-gelatine is nu geheel steriel.
De fleschjes voor de bacteriologische watermonsters en de glazen platen met op-
staanden rand, waarin de cultures aangelegd zullen worden, zijn gesteriliseerd door ver-
hitten tot 180\'.
Men neemt nu 1 cM3 van het water, vermengt het met de warme voedings-gelatine
en giet deze in drie der glazen platen (ieder van 17\'/2 cM. middellijn), welke vervolgens
met een glazen deksel worden gesloten.
De gelatine stolt; men laat de platen bjj omstreeks 25° eenigc dagen staan. De
bacteriën uit de ééne cM3 water hebben zich in de gelatine verdeeld en vermenigvuldigen
zich snel. Ieder van hen groeit uit tot eene kolonie, welke voor het bloote oog als een
vlekje op de gelatine zichtbaar wordt.
Men telt die kolonies en teekent ze aan met een inktpuntje op de buitenvlaktc
van het glas. Na een paar dagen onderzoekt men of er nog nieuwe kolonies bijgekomen
zijn, en verricht eindelijk de definitieve telling.
Daar de grachtwateren doorgaans eenige honderd duizend bacteriën per cM5. bevat-
ten, verdunt men het oorspronkelijke monster eerst met 1000 of 10000 malen zijn volumen
gesteriliseerd water, en brengt van deze verdunning 1 cM3 in de voedings-gelatine.
Meestal werden in ieder laboratorium 6 watermonsters te gelijk onderzocht, welke
alzoo 18 plaatcultures vereischten.
De cultures moeten zoo spoedig mogelijk na het putten aangelegd worden, opdat
de bacteriën zich ondcrtusschen niet vermenigvuldigd hebben.
Om dezelfde reden werden de bacteriologische monsters direct in een ijskast gebracht.
De aard der voedings-gelatine en eenige andere omstandigheden zijn van invloed op
de uitkomst; daarom hebben de bacteriologische leden beide telkens voedings-gelatine van
eenzelfde bereiding gebruikt en ook overigens op dezelfde wijze gewerkt. Daardoor zijn
hunne uitkomsten onderling vergelijkbaar \'). Als proef hierop is op 5 Mei te lu 25™ uit
dezelfde groote flesch, met water van onder de Tolsteegbrug, eerst een kleiner fleschje
half gevuld, daarop een tweede fleschje geheel gevuld, en eindelijk het eerste fleschje verder
aangevuld. De uitkomsten waren: eerste fleschje onderzocht door Spronck 45500; tweede
fleschje
onderzocht door De Haan 45600 bacteriën per cM3.
Tabel II bevat de uitkomsten van al de bepalingen. Voor 10 plaatsen is de serie
volledig (C bepalingen); voor Krommen Rijn en Vaartschen Rijn zijn ieder 4, voor
Willemsbrug 3, voor Vleutensche Wetering slechts 2 bepalingen verricht.
Wij wenschen deze cijfers te gebruiken als maat voor de betrekkelijke vuilheid der
grachtwateren. Daartoe is voor elke plaats het algemeen gemiddelde genomen van al de
bepalingen in Mei—December 1896 verricht.
Door Gemeentewerken is eene andere methode van berekening gebruikt. Sommige
cijfers, bv. die op 15 December voor Krommen Rijn en Vaartschen Rijn, zijn (om bekende
reden) abnormaal hoog, en overstemmen al de andere voor dezelfde plaats. Daar tegenover
staan de cijfers van 20 Juli, die over het algemeen zeer laag zijn.
Men heeft voor elke plaats het hoogste en het laagste cijfer weggelaten, en
1) De bepalingen van 17 Maart 1.S97 waren onderling niet vergelijkbaar (missehicn om de genoemde reden)
en zijn in dit verslag alzoo niet opgenomen.
-ocr page 12-
7
van de overblijvenden het gemiddelde genomen. Deze wijze van middeling wordt o. a.
ook bij afkoop van tienden toegepast. Voor Willemsbrug heeft men alleen het kleinste
cijfer weggelaten. Voor Oosterstroom zijn alleen die cijfers genomen, welke hooger
waren, dan de correspondeerende cijfers van Wittevrouwensingel. Blijkt toch Ooster-
stroom zuiverder dan Wittevrouwensingel zoo moet gedacht worden aan vermenging óf
met Griftwater óf met water afkomstig uit den Westersingel.
Men kan nu vijf stroomloopen onderscheiden :
STBOOMLOOPEN
Gemiddelde
van
iedere plaats.
Gemiddelde van den stroomloop.
Verhoudingscijfers.
PLAATSE N.
Algemeen.
Gemeente-
werken.
v. d. Plaats.
Gemeente-
werken.
v. d. Plaats.
Gemeente-
werken.
Duizendtallen Baeteriën per cM3.
1
Westersingel.
Willemsbrug.....
95
67
245
74
86
232
136
181
1
tostersingel.
Servaasbrug.....
Wittevrouwensingel . .
95
244
280
254
74
236
287
334
218
233
1,6
1,8
Oude Gracht.
Tolstecgbrug.....
Bezembrug......
Zandbrug ......
95
239
263
74
238
229
199
180
1,5
1,4
Nieuwe dracht.
Servaasbrug.....
Plompetorenbrug ....
244
444
1147
236
405
967
611
536
4,5
4,1
Leidsche Rijn.
Vaartsche Eijn ....
82
198
245
31
189
232
175
151
1,3
1,2
De cijfers der laatste twee kolommen zijn de verhoudingen der andere stroomloopen
tot den Westersingel.
De vernuftige rckenwijze van Gemeentewerken en de ruwe gemiddelden (v. d. Plaats)
leiden alzoo tot vrijwel dezelfde uitkomsten.
-ocr page 13-
8
Bij de cijfers van Gemeentewerken vertoont de Oude Gracht, bij die van Van der
Plaats vertoonen de Westersingel en de Oostersingel cene anomalie ; in zoo verre als de
vervuiling niet regelmatig toeneemt van het boveneinde naar het bcnedeueinde. Alle drie
laten zich uit bijzondere omstandigheden verklaren.
Over het algemeen is de voortgang der vervuiling in iedoren stroomloop en de be-
trekkelijke vervuiling der vijf stroomloopen zóó als men , na zorgvuldige overweging der
lokale toestanden , zou verwacht hebben.
De Commissie komt dan ook tot het besluit: De gemiddelden der bacteriologische
cijfers mogen als maat voor de betrekkelijke vuilheid en vervuiling der vijf stroomloopen
genomen worden.
§ 7. HET CHEMISCH ONDERZOEK. GEVOLGTREKKINGEN.
Al de 170 geputte wateren zijn chemisch onderzocht op hun gehalte aan keukenzout
en organische stoffen. Onder § 4 is reeds medegedeeld , waarom de bepaling van andere
bestanddeelen achterwege is gebleven.
Van ammoniak was doorgaans minder dan 1 milligram per liter aanwezig; op salpetcrig-
zuur verkreeg men met joodkalium-zwavelzuur-stijfsel dikwijls in het geheel geen positieve
reactie. De hardheid bedroeg 8 a 10 Duitsche Graden (= 80 a 100 milligram Ca O per liter)
Het gehalte aan keukenzout J) werd bepaald volgens de methode van Mohr. 100
cM3. van het water werden afgemeten met een maatkolfje, en daarop in een nauw
bekerglas bedeeld met 2 droppels eener oplossing van geel kaliumchromaat (K, Cr OJ.
Deze vloeistof werd vervolgens getitreerd met eene oplossing van zilvernitraat (Ag N 03)
2,905 gram per liter, dus 1 cM3. dezer oplossing = 1 milligram keukenzout. Het zilver
verbindt zich met het chloor (tot Ag Cl, een wit neerslag), en eerst nadat dit verbruikt
is met het chroomzuur (tot Ag, Cr O, een roode verbinding). Door zorgvuldig de kleur-
tinten te vergelijken was de bepaling nauwkeurig op 1 a 2 droppels der titreervloeistof,
dus op 0,1 milligram keukenzout per 100 cM3 water, of op 1 milligram keukenzout per liter.
Voor de bepaling der organische stoffen in drinkwater bestaan een groot aantal
methoden, die geen van allen onberispelijk zijn. Gelijk de meeste onderzoekers kozen
wij de chamacleonmethode. 100 cM3 grachtwater, afgemeten in hetzelfde maatkolfje als
boven, werden bedeeld met 5 cM3 zwavelzuur (1 volumen II, S04 op 2 volumen H, O)
en met 10 cM3 eener oplossing van Vmo normaal chamaeleon (0,316 gram K Mn 04 per
liter), de laatste afgemeten met eene pipet. liet mengsel werd in een Erlenmeijer\'s
kolfje verhit; na 81" begon het te koken, en na 10m koken werd het bedeeld met
10 cM3 eener oplossing van \'/mo normaal oxaalzuur (0,45 gram C, II, 04 per liter)
weder afgemeten met eene pipet. Vervolgeus werd \'/tou normaal chamaeleon uit eene
buret toegevoegd totdat de vloeistof eene licht roode tint aannam. Een blanco-proef
met geheel zuiver water gaf aan met hoeveel de aflezing der buret verminderd moest
worden (0,00 tot 0,15 cM3).
Chamaeleon in zure oplossing oxydeert de organische stoffen minder volkomen, dan
chamaeleon in sterk alkalische oplossing: de laatste methode is echter belangrijk] omslach-
\') Strikt geuomen bepaalt men allee» het gehalte aan eA/oo/--verbindingen. Overeenkomstig de gewoonte , die
reeds 40 jaren in de Gezondheidscommissie heerscht, hebben wij aangenomen, dat al het chloor aan natrium gebonden i«.
1 milligram keukenzout = 0,007 milligram chloor.
-ocr page 14-
.9
tiger. Voor vergelijkende bepalingen is de door ons gevolgde methode zeker de eenvoudigste
en wel vertrouwbaar. De nauwkeurigheid bedroeg 0,1 cM3. per 100 cM3., of 1 cM3.
chamaeleon per liter grachtwater.
In onze tabellen is daarom het chamaeleon-cijfer in cM3 van Vioo normaal oplossing
per liter gracht water gegeven; 1 cM> = 0,316 milligram K Ma O, = 0,08 milligram
verbruikte zuurstof.
De wateren werden steeds onderzocht in de volgorde van de nummers die op de
flesschen gegraveerd zijn, alzoo zonder voorkennis van de plaats waar zij geput waren.
Het gehalte aan keukenzout is laag. Alle gewone welwateren en zelfs eenige diepe
welwateren in deze Gemeente overtreffen hierin het grachtwater belangrijk. Verder is het
verschil tusschen het water dat de stad binnenstroomt en het water aan de benedeneinden
der grachten gering, veel geringer dan verwacht was met het oog op de talrijke riolen,
welke in de grachten uitmonden. Dit laatste geldt ook voor het chamaeleon-cijfer.
Voor de wateren op zeven middagen in 1896 geput, zijn de uitkomsten:
KEUKENZOUT
milligram p. Liter.
CHAMAELEON
cM3 \'/ïno norm- per Liter.
PLAATSEN.
Max.
Gcmidd.
Max.
Min.
Min.
Gemidd.
Westersingel.
Tolsteegbrug......
Willemsbrug......
Westerstroom......
Oostersingel.
Tolsteegbrug.......
Servaasbrug .......
Wittevrouwcnsingel ....
Oostcrstroom......
Oude Gracht.
Tolsteegbrug.......
Bezcmbrug.......
Zandbrug........
Men we Gracht.
Servaasbrug.......
Paushuizen.......
Plompetorenbrug.....
Leidsche Rijn.
Vaartsche Rijn......
Leidsche Rijn......
Westerstroom......
Kromme Rijn.......
Vleutensche Wetering. . . .
Utrechtsch Leidingswater . . .
Amsterdam, Vechtleidingswater. 1895
Rotterdam, Maasleidingswater. 1895,
33
34
31
40.3
43.7
45.4
18
16
53
69
67
1-i
54.4
52.0
58.1
12
13
16
40.3
41.1
41.4
43.6
48
45
•te.
16
69
n
75
79
L2
38
43
11
33
33
34
35
54.4
54.6
56.3
57.9
18
18
50
33
36
37
40 3
43.4
44.1
69
75
77
12
18
17
54.4
58.6
63.3
41.1
43.0
46.7
15
47
58
33
37
41
74
77
91
38
11
43
54.6
59.3
630
45.5
44.6
45.4
38
34
49
54
53
58
7 5
7-2
51.3
51.7
58.1
40
42
46
43
45
38.3
43.3
70
G3
52.3
51.5
34
3G
36
43
18
54
26
23
4U0
93
30
6
66
44
5
32
12
:>,r.
47.
»3.
Tabel III geeft de uitkomsten voor de Middag», Avond- en Ochtend puttingen uit
de Oude Gracht en de Nieuwe Gracht. De ochtendputtingen vonden plaats kort na de
-ocr page 15-
10
nachtelijke spuiing. Vindt men nu voor deze puttingen uitkomsten , die gelijk of hooger
zijn dan voor de wateren van den vorigen middag, zoo mag de verversching onvoldoende
geheeten worden. Dit was het geval op 21 Juli en 11 Augustus 1896.
Daarentegen is \'s ochtends van 18 Maart, 28 October en 18 November het water
over \'t algemeen merkbaar beter, dan den vorigen middag.
Dit feit 1) kan verklaard worden uit het ongelijke bedrag der waterverversching gedu-
rende die nachten. Deze was de volgende :
Totale
Waterafvoer in M3 van de
Invloed der
verversching.
DATU M.
afvoer.
Oude Gracht
Nieuwe Gracht
Oude
Gracht
Nieuwe
Gracht
Inhoud 40000
Inhoud 14000
Keuken-
zout.
Chaniae-
leon.
Keuken-
zout.
Chamae-
leon.
17/18 Maart 1896. .
303051
45ir>5
13Ü40
12
11
»
13
20/21 Juli......
200376
30750
9217
— 11
— 11
— 4
— 20
10/11 Augustus . . .
206«>2
30827
9515
— 1
25
— 3
— 12
27/28 October ....
36 5052
54172
16820
2
5
8
io
17 18 November. . .
4S475C
7222!!
2221W
1
io
(3)
13
15/16 December. . .
7 02102
104621
32208
o
— 34
»
— 6
Het teeken -\\- onder keukenzout of chamaeleon wil zeggen, dat het water ten
opzichte van dit bestanddeel verbeterd is, — dat het slechter is geworden. De uitdruk-
kingen -\\- 12, — 11 enz zijn de verschillen M—O van de cursieve getallen uit Tabel III,
die den toestand eener geheele gracht aangeven.
De inhoud van den Westersingel is 102000 M3, die van den Oostersingel 110000
M3, beide gerekend van de Tolsteegbrug tot de Weerd.
De verversching was dus onvoldoende in die nachten, gedurende welke de beide
grachten niet geheel van nieuw water voorzien werden. Zoo dikwijls dit laatste wel het
geval was, had het spuien op de chemische samenstelling van het water een gunstigen
invloed 2). Maar deze verbetering wordt niet grooter als de doorspoeling grooter wordt.
Zij was op 18 November en 16 December niet duidelijker merkbaar dan op 18 Maart en
28 October.
De weinig sprekende verschillen tusschen de uitkomsten M(iddag) en O(chtend) en
de vele bijzondere omstandigheden , welke van invloed kunnen zijn , manen ons tot om-
zichtigheid bij het maken van gevolgtrekkingen.
Het komt ons voor, dat bij eene doorstrooming van 350000 M3 water per nacht de
waterversching zoo voldoende wordt als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is.
\') Voor het chemisch lid der subcommissie was het verschil der uitkomsten iu Maart, Juli en Augustus
verkregen een onoplosbaar raadsel, totdat de ingenieur Van Oyen hem de cijfers van den waterafvoer voorlegde.
Kr werd daarop besloten om bij de volgende drie serieün ééns een zeer groote, ééns een gemiddelde en ééns een geringe
spuiing te gebruiken. l)e laatste dezer drie kwam echter op de aangenomen datum» niet voor.
i) De — teekens voor chamaeleon op 10 December z\\jn toe te schrijven aan de groote hoeveelheid planten-
resten, welke de Kromme Rijn toen aanvoerde.
-ocr page 16-
11
Door elke gracht, met uitzondering van den Oostersingel, stroomt dan eene hoeveelheid
water minstens gelijk aan haren inhoud.
Eene doorstrooming van 500000 tot 700°°o M3 per nacht schijnt geene merkbaar
betere reiniging van het grachtwater op te leveren dan eene doorstrooming van 300°oo a
350000 M3.
De waterhoeveelheid, die per etmaal opzettelijk door Weerdsluis en Oosterstroom
afgevoerd werd, bedroog in 1895 gemiddeld 3175°o M3 maar varieerde tusschen 8G00O en
1400000 M3. In 1896 was het gemiddelde 302500 M3 en waren de uitersten 81000 en
1624000 (beide in de maand September).
Het aantal dagen , dat minder dan 350ooo Ms werd afgevoerd, bedroeg in 1895 244
en in 1896 260. Op verscheidene dagen kon opzettelijk niets uitgelaten worden.
De tegenwoordige bestaande procentische water verdeeling en inhoud der vijf stroom-
loopen is :
Inhoud van den Stroomloop.
IS.
86000 M3 of 27,4 "/„
Verversohings-
quoticnt. ----
1,1
0,56
1,2
1,0
1,5
Waterverdeeling.
V.
29,9 % ;
19,5 %;
"W estersingOostersinge
35,0
12,7
4,5
20,4
IIO000  f
40000  %
14000  w
64000  „
Oude Gracht. .
Nieuwe Gracht .
Leidsche Rijn .
Te samen
14,9 »/„;
4,6 % ;
31,1 •/.;
100,0 °/0.
314000 M3 of 100,0 n/0
Ofschoon het quotiënt voor den Oostersingel het kleinst is, verkeert de Nieuwe
Gracht wegens haren kleinen inhoud en talrijke bronnen van vervuiling , in de slechtste
conditie. Maar van hoeveel nut toch de tegenwoordige doorstrooming is , bleek op
21 April 1897. De wateren in 1896 geput waren allen zwak troebel, maar zonder
merkbaren reuk ; het grachtwater was tegenover Paushuizen zoo helder, dat men bij het
putten van af de brug meermalen duidelijk op V2 M. onder water de beweging van de
stop der flesch kon volgen. Op 21 April 1897 was de Kromme Nieuwe Gracht sedert 13
dagen vóór n°. 19 afgedamd. Van af de Magdalenabrug tot aan de afdamming was het
water zwart, sterk troebel en stinkend. Beneden de afdamming was het water wit, troebel
en sterk riekend. De chemische uitkomsten met dat stilstaande water verkregen (zie
Tabel III) zijn met dat uitwendig voorkomen in overeenstemming. Een etmaal, nadat de
dammen verwijderd waren , had het water zijn gewone voorkomen hernomen.
Tabel IV geeft een overzicht van al de middagputtingen; een deel van Tabel III
is dus hier herhaald. In de aanmerkingen van Tabel II vindt men eenige bijzonderheden
over den toestand van het water en den stroom.
Van ieder der 7 puttingen Maart—December 1896, zijn 4 flesschen uit de 12 a 28,
welke onderzocht werden, bewaard. Ofschoon deze wateren dus vele maanden in een half
gevulde flesch gestaan hebben, bij eene temperatuur tusschen 10° en 25°, verkeert geen
van hen in rottenden of stinkenden toestand. Een weinig slib en ijzer-oxyde heeft zich
\') De inbond Tan de singelgracht: Tolsteegbrug tot Catharijuebrug is 70000 MJ 28,3 %, de inhond van
den Rijn: Merwedckanaal tot Catharijnebrng is 4S000 Jf3 — ig(3 o/0 en van het Singeldeel: Ca tharij nebrug tot de
Weerd 32<""> M» = 10,2 °/0. Hierboven is aangenomen, dat dit Singeldeel half tot den Westersingel en half tot den
Lcidschen Rijn behoort. Voor genoemd Singeldeel alleen bedraagt het verversebingsquotient alzoo (29,9 -|- 31,1): 10,2 = 0,0;
maar het instroomcnde water is lang niet verseh , zoodat dit cijfer niet met de andere quotiënten mag vergeleken
worden. Voor Westersingel en I,eidschen Rijn samen is het quotiënt (29,9 -\\- 31,1) : (22,3 -f- 15,3 -\\- 10,2) = 1,3.
-ocr page 17-
12
afgezet, maar het water is helder gebleven , vrij van wieren of makroskopische schimmels,
en bezit geen merkbaren reuk.
De grachtwateren zijn dus onder gewone omstandigheden in minder sterke mate
verontreinigd dan het publiek gewoonlijk meent. Bjj eene oppervlakkige beschouwing
toch valt voornamelijk in het oog het drijvende vuil: hout, stroo , papier, bladen, vettige
stoffen en ander afval. En men riekt dikwijls de gassen , die opstijgen uit riolen welker
monden boven den waterspiegel liggen.
Het grachtwater wordt vervuild door de talrijke privaten en huisriolen, welke op
de grachten loozen , verder door de straatriolen, door ingeworpen vuil en stof, door fabrieken
en schepen. Het lichtere vuil drijft boven en wordt, voor zoover de Gemeentereiniging
het niet opvischt, \'s nachts vrij voldoende afgevoerd. Ook de weinige zwevende bestand-
deelen worden door het spuien verwijderd. Het zware vuil bezinkt; de hoeveelheid hiervan
is zeer belangrijk, zooals blijkt uit hetgeen jaarlijks door baggeren verwijderd wordt. De
verontreiniging van den bodem der grachten is dus zeer aanzienlijk. Zoolang het vuil op
den bodem ligt geeft het onreinheden en bacteriën aan het water af.
§ 8. SLOTSOM.
In hunne missive d.d. 31 Juli 1895, n°. 123 F., aan de Gezondheidscommissie,
schreven Burgemeester en Wethouders:
„Terwijl wij veronderstellen , dat Uwe Commissie zich meer bepaaldelijk zal bezig-
houden met de beantwoording der vragen : \')
a.     Of de gezondheidstoestand minder gunstig is langs
de grachten, dan elders in de binnen- of buitenstad,
b.     Of het water en de bodem der grachten in sterke
mate verontreinigd zijn ,
c.      Waar en wanneer die verontreiniging plaats heeft,
Antwoord: Zie % 3 en Bij-
lage Y, blz. 27.
Antwoord: Zie de laatste drie
alinea\'s van
§ 7.
Antwoord: Over de geheele
lengte der grachten, ook reeds
in belangrijke mate in de bui-
tenstad (Leidsche Straatweg
,
Jutphaasche weg, enz.)
d. En waardoor zij wordt teweeg gebracht, enz.
Antwoord: Zie het slot van
§ 7.
wenschen wij door den Directeur der Gemeentewerken technische gegevens te doen verza-
melen, welke voor hem , voor het maken van gevolgtrekkingen noodig zullen zijn.
Deze waarnemingen zullen , naar onze meening , minstens gedurende een jaar moeten
worden voortgezet, opdat het onderzoek zoo uitgebreid en volledig mogelijk zij."
De Gezondheidscommissie heeft naar haar vermogen aan het verzoek van Burge*
meester en Wethouders voldaan. Zij ontving daarbij van den heer Ingenieur Van Oyen
steeds alle hulp en inlichtingen, waaraan zij behoefte mocht hebben.
\') De nummering der vragen en de splitsing in alinea*s zjjn van ons. (v. d. P.)
-ocr page 18-
13
De Subcommissie rat de resultaten van hare studie in de volgende eindconclusies
samen:
1.     Het wonen aan de grachten is een ongunstige factor voor de sterfte van kinderen
van 1—5 jaar, voor zooverre deze wordt geïnfluenceerd door epidemieën van diphtherie
en croup en werkt tevens ongunstig op het voorkomen van febris typhoïdea bij alle
leeftijden. Een andere ongunstige invloed der grachten op den gezondheidstoestand
van Utrecht, blijkt echter uit de cijfers niet. (Zie § 3 en Bijlage Y).
2.      De gemiddelde bacteriologische cijfers mogen als maat voor de betrekkelijke vervuiling
der vijf stroomloopen genomen worden. (Zie § 6).
3.     Het scheikundig onderzoek bewees, dat het water bij zijn loop door de stad slechts
weinig rijker wordt aan keukenzout en organische stof. Ook zijn de wateren vrij
helder en niet riekend, zelfs niet na maanden lang bewaren in een half gevulde flesch.
De grachtwateren zijn wel verontreinigd, maar niet in sterke mate. Dit is te danken
aan de niet onbelangrjjke ververscliing des nachts.
4.     Het vuil op den bodem der grachten moet door baggeren verwijderd worden.
5.     Het komt ons voor, dat bij eene doorstrooming van 350000 M1 water per nacht de
waterverversching zoo voldoende wordt als onder de gegeven omstandigheden mogelijk
is. Door elke gracht, met uitzondering van den Oostersingel, stroomt dan eene
hoeveelheid water minstens geljjk aan haren inhoud.
6.     Eene doorstrooming van 500°"0 tot 70000° M3 per nacht schijnt geone merkbaar betere
reiniging van het gr&chtwater op te leveren, dan eene doorstrooming van 300080 a
35OO0O M>.
Aldus samengesteld door de Subcommissie ,
P. W. ONNEN.
C. H. H. SPRONCK.
J. DE HAAN.
J. D. VAN DER PLAATS,
Rapporteur.
Utrecht, 22 April 1897.
-ocr page 19-
u
3
CC
GO O O
CO -fl CO
t^- M W M
r i
I I
SC
Ü
il
IC Ift
in O
•* KI
bc
a      = °
C wiffi co
•* CO
-
•.O
5
O 1(5
»—I F—I CO
o
CJ
cc
IQ
il
cc
tl.
ja
S
O
PP
ITi
o o
•* CO
aS
il.
3
O
u
03
j
c
O
H
o
—
o
co
Ci
O
o
rH             i— fM
co § e
£ .K
co a
E « ^ a
•-1 «\' C3
3 m S
SS»"
o c r c
co <r*
10 IO r—<
t— r— t~
\'S
I m o
OS CO C5
o o o
I-H             !M CO
ai as cri
c
o
y.
cc
ei
H JÓ In
-f o
IM             i—i
^             O O O
e co -e m
i §-S-
«
*
Ci
ti.
M
m w o
co -t >o
O)
^5 ? 00
.80
sl
O GO
-i> m i—i
Cl 03 »-H
cc
05
KB
to|
(M             H
•XJ ^L*J
^ in o o
C          i—\' <N CO
m o
1/3 -#
fl
fl
u
cd
cd
"-1 *TS I*   CO    ~    B **
3 2       »-   ö-B
CO     re   _Cv           ^.
cc B        ti  *^  -
o o  CD   *-   «" --
m in
-f eo
I—1 ^H <N
O 00
•* e*
cv O                 .     S
ic
cc
Tl
t/J .^
cc
Ö
ka
CC
IO IO IO
IS «CS
EU
—
ia
c<
m 3 a w
1 ~ I 1 §> - B°
- g w cV:" § 1
" -§ ,ï - cc ^ -§
ï fi B c cc
^: T2 ^ 0 aj I—I ^
«      "^ •" -
CJ - *^ CS t"
. £ S         r= ^O C
a £ o £ ?• v= o
b "" r-t in .2 i* -a
2 I
o o o
co •*?* in
Ti
a
" I.
ai er.
o o o
co ^ »o
CO
Cl
m m
in i—i
o
cc
IO             O
I-H             •*
^             O IO W
= co co e*
\' o _ -
Cj - B
iflCOH
ü O fi
ai
-
I cv
--a
eg
- —       ^
8?
§ § <y • S 2
"S^B.jJO
-S S fi — o
i
» ••=
fi
— S
^ CC
s %  s
Ü     -~
   «\'S
MD cS    u Sf
JB.S. cc
S« c
B                  Q
SS ^5   e ö
► ►   2 |
f:i
c2
ir
.^5
1J|5
MI\'S
O „
C3 ^
o
intfl "
• QO i-Ö
II ëslal
— — "o PC
O o S te Pl. v
"5 o _= <5 T3
B                               .__, —
S i- ij- o 7 B
B <N (M rt ** **
B                       
tco o o o £
n
H
eg
il.
bc •
z
0
3 te
c
•- =
-b
-= t-
tl
Sf
IIJ
-
—
5. «
«
_j;
SS S.
£
|
7
d
? i
—
—
t» >
£
,8.8
^*
e
il.
ai
ipj
SS s:
— i
h-M
iiji
co
SS
•
X.
f3
llfll
7! «J —
O CS
in
9. JT
|.i5ill^J.>|S,i _\\\\
|.>^iijsj.i|sii|i
»»B[n|
ji|.ii:.ii),iuii,m^
|1|.IIM:| .l|lll(|
-ocr page 20-
15
|1
III
j|:r
rif
• *
* » * *
11
O c- 1
00 CO 1
I-J 50
3ê||
o - o 3
,-H 5* *f* tP
K) O "* OO
H ^ CD 55
•
jO
B
:i
5 S
B
u
cl.
II
I III
! I
Th          » O
sa
oo
CO i—I
51
11
ïl
=1
1-
1!
•M
5
;^ sp
II
^ 5
—
u
5
o
E
O
>
m
CJ
3 "3 > 5
-J O O
94
c
M
o *.r
5 2
1 S 3
SC CO 3»
•o
ir:
i —
r— CO
\'O m
I i-i Os
C- CO <*J
oo
O
tC
oo co
CO CO
CO CO
e* na
93j
-f
9)
CN CO
CN
r—1
CU
p=l
B
CB
bc

03
3 *
g 3
•9^
B
cT
lizc
o
§
-=
SJ
—
—
B
T-;
r.
&
—
B
C
. —.
^
o
ffi
f-i    r*    o
a    ce   o
o    eo    r-
»rt   CO   ©»
O   M   ïO
:-
:-
--
-
.-
--
fi
-f
cc
3
•*
i~
IO
"*
C<
10
80
-"
30
ia
co
-r-
IO
30
—.
i —
"*
fH
?!
c.
\'M
—i
—
—-
oo
ai:
2
c
9 e
3
<v
-->
ca
*
O
O
u
V
o
J
j-i
a
u
o
fl
-*
O .-I (N
o
s
o
O <N
CO CO GSt
•o
o
w
CO (M
e* o*
tj
(•>
er.
CO i-J
«O o .
O lO
-f O
in r-t
t*-           r—t
ce.*«;
1^
NI?
* * *
>
c
E
-
-
-
§
r
--
-
.
-
*
eo
o
©*
C^
->
O
O
.o
C
«O
t—1
-*
O!
O
=
co
H
fH
Tt
^t
CO
-M
oo
co
I
•
-
8 * S^
HU
u K4 C
- "\'S
co
CM O IO
—
IC* CO CO
co
co
,C?|J
2"-5:- S.^-.S.\'B.
*
» »
s
o o
s
1(
SO
«o nj
95
o
30
co co
CO
>o
_ —
co
er.
&*
P- p jj-~; -—_
^t»,5 g
g S 8
Cl t* H
co »< co
O
O (N
CM CM
<M r-t
"«       -- i \'S
15
^«^ a-s
_ si ~-^
?
s
1
ï
£
j
o
2
o
_\'
=>
95
D
_
—
o
•-J:
—
.o
O
co
93
er;
r>
tt
co
MS
Ol
90
r.
—
ot
o.» £ g
I g
0  O
01   OS
i—I CM
Hu
-F CO
-
.9
stroc
•moe
^
—
C
"7.
i
=
c
g
—
—
—
—
-.
ö
1
:ccï
.5
-03
E
n
2
i
^
1
|
z
* .SF
\'S \'S SP»
UI*
a
J-J
u
cc
SPJ
S              S
t— O     o
us -*     ,_i
<N      (N
cc B "" :b» S —
« . c2 : r-
OOO
i—I CO r—i
O O
CO IO
IN O
.Sfw
O CD B
rMst
•
#
r
-
ï
s
--
-
o
o
1—(
O!
O
!S
ic
i —
CO
•*
"f
=\' sr.
800
I
oro
ü
1)00
ooo
>o
.o
r
o
• o
-f
-*
er.
co
IO
co
•-c
ri
ea
J-I
M
et
•> --« i-H zz
J-all-8
>o
e» -S <b
B -i O
^i C/J O
£n-
=-s:cr-
s
4> Ö
J3- s
S 1
sis
—
00
5 1 i= ps S £
11- 1
fe - S •• S 2
y
ISI
WO
02
cd
-*j.2
p» «^ in
cl
a
te
:=»= =
br. B
:S»S:S.
C p
«"«J
— ±;
1/1 en
O ,j3 tD t/j
S 1-
S vj \'S §
3 -*^
r^H v
II\'II
is is
g s
B O
o K
B
3
ft
—
il
III IJ
a
O
H
fl(3.
-ocr page 21-
te
~
u,
5
IC
o
CO
1
<N
*
o
o
co —< oo
>B \'* IC
i—1 <N I—
eo \'"o
eo -t> eo
-* •* -*
t~ e «o
o>Ho
1—1
e- fh
Cl
1—1
CM
co
-o
-c
i—l
•
CO >C CO ^
o»t-0
co co co Os
-f co co Ci
8
-f -C -# \'O
•* •* •* ïl?
oo «o t— cv
t* CO t^ CV
a
*1
*i
cv
co
i—>
•«
H OCOOl
co o o os
i— o «c o
e* o o cv
-f »c ^ co
ie ie -* "*Ji
C— C~ t— **(
g
~*
»-(
cv
cv
10
«\'
ïlOl-ï
»C c- t— OS
CS O -F Co
•* o o ^
-* -p TH eo
-* "* •* <*ï
to «o o os
t* t- l— *"H
1-<
i-H
>N
CV
e>
-« « 5! OO
OS CO |
co co cs >o
ooco o*
c
eo -* •* i-^
co eo 1
IC IC IC Jn»
ie ie co i^*
*-1
*-H
»•<
2
^
oi»ei3)
CO ie O CO
«OMii
CS O O OS
-* •* -* CV
-*< -f. -* CV
eo in o Co
CO t- CO C;
*»<
~H
*>H
\'"i
g
O HNft
OO-fK
CS i— IC ifS
CS -* CO Os
ai
CO -* -* ~H
•*•*>* 01}
io cp fflCrj
ie co co OO
<-l
*«l
»i
>-t
^W vM
e
CO C". i—\' *
IOO QvC
-f -* -* CV
t~ IC Cïï "TH
«
eo eo -* •«s
CO "# CO "1
ie io co K
IC ÏO CO l>»
o
co
*s
»H
»»i
>H
rN
co eo c- co
CO ie i—1 OS
* W IO 11
OJ CO -f >*
eo -$< ie co
-J< •* -* CV
io o io K
CO co CO Os
c
»"H
"1
~H
•I-I
V
ai
co O O 00
i-I Ol i—1 >W
1CS i—i i—1 N.
o o •* >«
CO -f -fi i-«1
-fl -* -f CV
IC O O <\\.
O co O 00
—H
*«<
»1
»i
«5S)Ol\\
O GO CS 00
eo co o Cv
-fi ie co K
bO
•
•* lts «5 >*
"f Tf -* -«
-t -^i -^ Co
-fi -^ -cfi co
S
•~1
**H
>-H
>-l
«:
1— O O *>»
co co i—i CV
c^ t~ o •«K
00 i—1 CO »0
-f* ie ie *«H
-f -f" ie "«H
-# -* IC ^
CO CO -f" ^
g
-----
*-H
*"H
\'-1
~H
i-H
K
OOtCO<C
ie CO Cs C>
co ra RN
OO -*l CO >f>
•*" •* IC ^
-f -f -* >K
ie ie -* in
CO -* -*i CV
~1
»<
\'"l
1-H
9
l~ l~ i-I >0
•* co co g
ie t^ CO Co
-f -f IC "*
CO CO rH CV
ii-f ic-K
~t* —fl —fl **%
-* I» CO *
3
.—1
>-H
•~i
»«i
*i
C*
is e» io 5!
eo»1
-)1 50t-^
o» cs ira iS.
-f< m -ji •**
^}< IC ~# "«Jt
Tf< IC -fl >)l
IC t- ^J< ÏO
»-H
*H
IN
•""I
01
H
(H l- lO \'H
• C (D sO
CÏÜDt^N
ie os co CV
-* -* -cf« co
-f - -f co
•*•*•* «0
•^ -cH ~$i **ïl
•~s
^
\'"H
*H
\' |
n
NfflCD
O co co
O iC i^-
r-l C~ i—1
ES
IC
-* -* -*l
•* -* m
O E- C-
CO L— CS
•
OHM1(
d -f eo CV
as n Mo
M«OIO
2
CO CO CO OS
co co eo O
co -f •* co
-# •* W Crj
»H
»«(
"1
S
co
CO CO <N CO
IC O CS ^
•—1 c- (N ö
« l- CB (\\
CO CO •* N
CO -t> CO *~l
•* •* «Il
m o ta «5
S
»1
»-H
»«i
*H
S
ie
W «O lr»*>0
MfHN
« o sote
♦ IC IC -TH
io h es Op
^1 Kï lfl>J
co co co O
CO CO -f »H
*«l
^
"H
*"•<
^H
u
bL ^j
Jj
bc v
—
1
bc .
ï. fep
4
6
• -J-5
. . .1
bc • .
E 6D . 5
c li
bc • g v.
3 S S s
<
<
I
Tr "- =I -S?
° s — ~>
3 e\'s |
5 3 w X
-CT1 C 5ï- ïi
1111
Jo.9 5^
en S o «
F s si
H =2 s:
«3 Sh P-I
H K S!
CB P-I P-I
i
1
•j.H][ jnd
uouiuimSi[iiui
•J0}1[ J3d \'(BDUUOU OOI/, J-J7J3
1 "s
\' 1 (1 • 1II
Ul.4\'m\\ M II 1
|! w
-ocr page 22-
17
.£, l~ «O O
^ c* i-h ^h
—< O» C-
c— o «o
- ° •
S 2 «°
•< S ft
P
:=r»
4-9
3
Qu
u
0
C
-1« 9»
«ft «ft
is «ft «3
«O
«ft «ft
ift. «ft «A «ft
OIO*
CC CC CC
•* o o
t* c» »>•
O t>- CO
C— in »<S
>
o
a 4> e
in co co
3» i—I «ft
oo os
ia «o
OS 00 "5
m Ift C—
-c<
S
K
H
O
tc-
o es I
>n >o I
in i—i i—i
O «(O
O O -f
CO CO «O
I S
CO i—I
in co
P
<
oo •* co
co -# ^
w n 5>
m m -*
CO © !M r*
CO "f "f \'O
CO i-"
bc
q
o oot-
•* -t- -f
in as oo
-f >* •*
CO CO
—.
2
P.
o
c-------f
CO CO
co co
m co
O IO C-
s
10 C* 91
s
CO O CO
•^f» tn in
m ^h n»
-* in in
SS O
•** in
oo co
•* in
co as
»n i—i io
CO i—\' OO
co -* co
es
«4
M
i
»»
o =s •*
-f -f «O
in co
I -
I \'O
CO CO c-
-f -f> •#
3
s
>
o
-(< X «f"
CO CO -c*
OS CO
CO •*"
a h et
co •# -#
—
CS -f
co -J>
I ?
—< e» i—i
"*> -* •*
oo o o
CO -f" Tt<
9
si
N
•<
SE
o
as
1—1
ac
• -"
co co
IO OO
co t-— in m
in co es
-* -* •*
oo oo o
•** •*& in
"* «O CO
co oo
in iO
in m
e» c~ m
w
cm m
co in
-f co
O co oo
t*i -f. m
CM CO OO
-*i -f -f"
rt in
co co
(TJ CO
co co
CO L~ i—\'
co co -t>
CO CO c—
co co co
co co
*
bc
s
te
"5
« a
0
^-
ï o
aasbri
huize
|
evrou
trstro
>
/.
-*-* ^-
i-
s
o
•« S
CJ
d
—
L_ °
•/.
—
Ph
^O
Sr
«4
En
i\'
—
E
bl
bc
|
C
c
-
-=
•-
—
N
-
o
-
H aq
^
^1
-ocr page 23-
Bijlage ¥.
STATISTISCH ONDERZOEK
OMTKENT DEN
invloed der stadsgrachten op den gezondheidstoestand der binnenstad.
Ten einde de aan de Gezondheidscommissie voorgelegde vraag : nof de toestand der
stadsgrachten een nadeeligen invloed uitoefent op den gezondheidstoestand der bewoners"
te
kunnen beantwoorden , is het in de eerste plaats noodig na te gaan, hoedanig die toestand
is in de verschillende deelen der binnenstad.
Daarna moet worden onderzocht of eventueele verschillen kunnen worden verklaard
door het bestaan van factoren, die, blijkens de ervaring, op den sanitairen toestand
influenceeren , dan wel, of men recht heeft daarnevens ook andere factoren voor die verschillen
aansprakelijk te stellen.
Ten slotte moet men trachten, door eliminatie van den invloed van andere factoren,
den invloed van de stadsgrachten vast te stellen.
De gezondheidstoestand eener gemeente of van een deel van deze kan worden
beoordeeld naar de mortaliteit en naar de morbiditeit harer bewoners. Uit den aard der
zaak zal men zich bijna uitsluitend moeten bepalen tot de eerste. Vertrouwbare gegevens
toch omtrent de morbiditeit zijn bezwaarlijk te verkrijgen.
De mortaliteit der binnenstad moet dus in de eerste plaats worden onderzocht
Ten einde over een groot aantal waarnemingen te kunnen beschikken — groot genoeg
althans om er, volgens de regelen der waarschijnlijkheidsrekening , betrouwbare conclusies
uit te kunnen afleiden — is het gewenscht een tijdperk van meerdere jaren te onder-
zoeken. Het 11-jarig tijdperk van 1880 tot 1891 is daarvoor gekozen en wel om de drie
volgende redenen :
1°. Omdat in dit tijdperk — het jaar 1883 — de aanleg valt der waterleiding;
een factor , waarmede wellicht rekening gehouden moet worden.
2°. Omdat — zooals blijkt uit de sterftecijfers — dit tijdperk te verdeelen is in
twee deelen, waarvan het tweede — de jaren na 1886 — in het aantal sterfgevallen aan-
merkelijk verschilt van het eerste.
3°. Omdat in het jaar 1891 de verdeeling der stad in wijken plaats maakt voor
die in afdeelingen; een omstandigheid, die vergelijking der wijken onderling van dat
jaar af onmogelijk maakt.
De gemiddelde jaarlijksche bevolking der binnenstad bedroeg in dit tijdvak 35827 ,
het gemiddelde aantal sterfgevallen per jaar 832 = 2.32 %.
Voor de buitenstad — de wijken I, E, L, M — bedragen die cijfers respectievelijk
39013 en 926 of 2.37 %. De levenloos aangegevenen zijn hieronder niet begrepen.
-ocr page 24-
19
De binnenstad kan men verdeden in twee groote deelen: de wijken A, F , G , H,
thans Afdeeling I, en de wijken B, C , D, E, thans Afdeeling II.
Deze verdeeling heeft de volgende voordeeion:
1°. Sluit zij zich aan aan de tegenwoordige verdeeling in afdeelingen ;
2o. Maakt zij een vrij nauwkeurige scheiding tusschen het meer- en het minder
welgestelde gedeelte der bevolking. Een maatstaf hiervoor levert het aantal perceelen ,
gelegen in stegen , bewoond door het proletariaat, waarvan men een opgaaf kan samen-
stellen uit de alphabetische naamlijst der straten , grachten, kaden, stegen en pleinen
in de Gemeente Utrecht, uitgegeven bij J. van Druten (1891.)
Hieruit blijkt het volgende :
In de wijken A, P, G, II (Afdeeling I) zijn 3239 woningen, waarvan in stegen
1048 = 32,35 <>/„.
In de wijken B, C, D, E (Afdeeling II) zijn 3061 woningen, waarvan in stegen
1769 = 57.79 •/„.
Voorts blijkt bij berekening dat gemiddeld iedere woning in Afdeeling I bewoond
wordt door 4,8; in Afdeeling II door 6,5 personen.
En eindelijk leert een meting (door den heer Van Oyen welwillend verricht op den
plattegrond van Utrecht, op de schaal 1 op 5000) dat:
in Afdeeling I per hectare zijn ±186 inwoners
, II „ ,
        „ ± 401
„          ,, I ieder bewoner gemiddeld beschikt over ± 54 M>.
»          »II»           »             »             n           » ± 25 ,
3°. Vormt de Oude Gracht de grenslijn tusschen beide deelen : Afdeeling I ligt
ten oosten, Afdeeling II ten westen van deze.
De wijken A, F , G en II zijn gelegen èn aan de Nieuwe Gracht, met hare ver-
lengsels (Kromme Nieuwe Gracht, Drift en Plompetorengracht) èn aan de Oude Gracht;
de wijken B, C, 1) en E alleen aan deze laatste.
Hieruit volgt:
dat men a priori verwachten mag een gunstiger gezondheidstoestand in Afdeeling I
dan in Afdeeling II, daar do ervaring leert, dat welstand van bevolking en ruimere
bewoning de krachtigste factoren van dezen zijn ;
dat eventueele verschillen in het sterftecijfer ten nadeele van Afdeeling I wijzen op
een schadelijken invloed der grachten.
Verdeelt men het sterftecijfer der geheele binnenstad over deze beide Afdeelingen ,
dan vindt men de volgende cijfers : \')
Wijken                  Gem. Jaarl. bev. j üem. Jaarl. sterfte, j Gein. op 100 iuw.
A , F , G , II,
(Afdeeling li
15688
340
2.17
B, C, D, E,
(Afdeeling II)
20139
492
2.44
Binnenstad.
35827
832
2.32
\') De sterfte- en geboortecijfers voor de verschillende wyken en leeftijden zgn ontleend aan de lijsten , die
daarvan op het Stadhuis (Bureau Hinderlijke Stand) aanwezig zijn en die mij met de grootste welwillendheid ten
gebruike werden afgestaan.
-ocr page 25-
20
Het verschil in sterfte tusschen Afdeeling I en Afdeeling II, 0,27 pet. is groot genoeg
om toeval buiten te sluiten (a). 1)
De genoemde gunstige factoren in Afd. I doen dus hier hun invloed duidelijk gelden.
Over de verschillende jaren van het 11-jarig tijdperk, is de sterfte over de geheele
binnenstad als volgt verdeeld :
Jaren.
Bevolking.
Sterfte.
Gem. op 100 inw.
1880
36493
965
2.64
1881
36783
853
2.32
1882
36671
862
2.35
1883
35699
828
2.32
1884
36121
916
253
18«5
36087
860
2.38
1886
36392
916
2.52
1887
35982
725
2.01
1888
36045
795
220
1889
35889
732
2.04
1890
35164
697
1.98
Uit deze tabel — en nog duidelijker uit hare graphische voorstelling (Plaat I,
fig. 2) — blijkt, dat men het geheele 11-jarige tijdperk kan verdeelen in 3 deelen:
a.    de jaren 1880, 1884 en 1886 met een gemiddelde jaarhjksche sterfte van 2.56 °/0.
b.    de jaren 1881, 1882, 1883 en 1885 met een gemiddelde jaarhjksche sterfte
van 2.34 "/„.
c.    de jaren 1887, 1888, 1889 en 1890 met een gemiddelde jaarlijksche sterfte
van 2.16 °/0.
Deze verschillen zijn al weer te groot om aan toeval te denken (b, c).
Past men deze verdeeling toe op de beide Afdeelingen I en II, dan verkrijgt men
het volgende overzicht:
Sterfte. . .
1880-91
a
1880-84-86
b
1881-82-83-85
c
1887-91
Binnenstad .
2.32 °/0
2.56 %
2.34 %
2.16 %
Afdeeling I .
2.17 „
2.41 „
3 13 ,
1.96 „
Afdeeling II.
2.44 „
2.69 „
2.51 „
2.14 „
Hier ontmoet men dadelijk een verschil tusschen dn beide Afdeelingen. Immers\'
1) Zie hieromtrent de «Toelichting" aan het einde Vim Bijlade ï. Deze en de overige tusschen den tekst
gevoeg.le letters (a, b, o, enz.) verwijzen naar de letters op de tabel aan het einde der .Toelichting», blz. 28 en 29.
-ocr page 26-
21
Het verschil tusachen tijdperk a en b bedraagt in Afdeêling I: 2.41—2.13 = 0.28 00.
„ , ,                             . II: 2.69-2.51 = 0.18 „
b , c                  „          ,          I: 2.13-1.96 = 0.17 ,
» , .                             .II: 2.51-2.14 = 0.87 ,
,             „ Afdeêling II en I „ , tijdperk a: 2.69—141 = 0.28 „
, , . , »           . 6: 2.51-2.13 = 0.38 ,
, , . , .           . c: 2.14-1.96 = 0.18 ,
Al deze verschillen zijn groot genoeg om toeval uit te sluiten (d, e, f, g, li, i, k).
Er blijkt uit :
dat Afdeehng I in de jaren van groote sterfte (tijdperk a) in verhouding tot de
andere tijdperken ongunstiger is geweest dan Afdeêling II j
dat Afdeêling II na 1886 meer is vooruitgegaan dan Afdeêling I.
Een nadere analyse van het sterftecijfer verkrijgt men door de overledenen te ver-
deelen in leeftijdgroepen, en wel, in overeenstemming mot het geneeskundig Staatsbestuur, in:
1*. kinderen van 0— 1 jaar,
2».
                    . 1- 5 .
5—20
20—50
3°. personen
4".
5».
boven 50            „
De sterftecijfers van het geheele 11-jarig tijdperk worden daardoor gesplitst als volgt:
Sterfte.....
0-1 jaar.
1-5 jaar.
5-20 jaar.
20-50 jaar.
boven 50 jaar.
Totaal.
Binnenstad . . .
0.67
0.34
0 12
0.34
0.83
2.30
Afdeêling I . . .
058
0.30
0.11
0 33
0.84
2.16
Afdeêling II . . .
0.78
0.37
0.12
0.34
0.81
2.42
Afdeêling II meer
dan Afdeêling I.
0.20
0.07
0.01
0.01
— 0.03
0.26
Op alle leeftijden, behalve op dien boven 50 jaar, is dus de sterfte in Afdeêling I
kleiner dan in Afdeêling II.
Verreweg het grootst is het verschil op den kinderlijken leeftijd; 0.20 % °l> den
leeftijd beneden het jaar, slechts 0 06 % voor de overige groepen samen.
Intusschen is het duidelijk dat men eerst dan over de sterfte-intensiteit van een zekere
leeftijdsgroep kan oordeelen op grond van de gevondene cijfers, indien men de verhouding
kent tu8schen de gestorvenen en de bevolking van dien leeftijd] en deze laatste is wel
bekend voor de geheele Gemeente — door de 10 jaarlij ksche volkstelling — niet echter voor
de verschillende deelen der stad.
Men maakt echter geen groote fout, wanneer men de geborenen in zeker tijdperk
beschouwt als de bevolking van dit tijdperk op den leeftijd beneden het jaar. Evenmin,
wanneer men van de geborenen aftrekt het aantal overledenen beneden het jaar, het
overblijvende getal vermenigvuldigt met 4 en dit getal beschouwt als de levenden van
1—5 jaar. Immers, de kinderen, die niet binnen het jaar stierven, behooren gedurende
4 jaar tot de rubriek 1 —5-jarigen. Men moet derhalve hun aantal met 4 vermenigvuldigen
om het vergelijkbaar te maken met de 0— 1-jarigen.
-ocr page 27-
22
De van het geheele aantal inwoners ovcrblijvenden vormen dan de 3e groep; de
levenden boven 5 jaar.
Dit doende verkrijgt men de volgende cijfers:
In Afd. I werden 1880 -1891 geboren             4743 of gem. 431 per jaar.
» » » stierven „          , beneden het jaar 998\', n 91 „ „
„ ,, „ waren dus gem. per jaar ongev. (431— 91) 4 = 1360 pers. van 1—5 jaar.
« , ,                               , , , 15688—(431 1360)= 13897 boven 5 jaar.
, „ II werden 1880—91 geboren                7666 of gem. 697 per jaar.
„ , „ stierven „ „ beneden het jaar 1739 , „ 158 „ ,
„ „ „ waren dus gem. per jaar ongev. (697—158) 4 = 2156 pers.v. 1—5jaar.
„ , » , , , , , . 20139-(697 2156)= 17286 pers. boven
5 jaar.
Het lijstje der sterfte naar de leeftijdsgroepen wordt dus dit :
ü—1 jaar
1—5 jaar
Boven 5 jaar.
Inw.
Gest.
%
Inw.
Gest.
/o
Inw.
Gest.
/o
Afd. I.
431
91
21.11
1360
48
3.53
13897
194
1.40
Afd. II.
697 158
22.67
2156
74
3.43
17286
259
1.50
Afd. Il meer dan I.
1.56
Afd. I meer dan II.
0.10
Afd. II meer dan I
0.10
Hieromtrent leert de waarschijnlijkheidsrekening, dat men mag aannemen:
dat de sterfte van kinderen beneden het jaar en de sterfte boven 5 jaar in Afdee-
ling I kleiner is dan in Afdeeling II;
dat de sterfte van kinderen van 1—5 jaar in beide Afdeelingen gelijk genomen
moet worden (I, m , n).
Tot een nader inzicht omtrent de sterfte op verschillende leeftijden in de tijdperken
a, 6, en c diene het volgende:
In de binnenstad werden geboren of wel bedroeg het aantal kinderen van O—1 jaar:
van 1880—1887: 8200 kinderen of gem. per jaar 1171.
„ 1887—1891 : 4209 „
         , , . „ 1052.
In de binnenstad bedroeg het aantal kinderen van 1-5 jaar ongeveer:
van 1880—1887: (8200—18S2) X 4 = 25272 of gemiddeld per jaar 3610.
„ 1887—1891 : (4209-855) X 4 = 13416 „
         „         , , 3354.
In de binnenstad bedroeg de gemiddelde jaarlijksche bevolking van personen boven
5 jaar:
van 1880—1887: 36321—(1171 3610) = 31540 personen.
„ 1887—1891: 35770 — (1052 3354) = 31364
De bevolking van personen van 0— 1 jaar bedroeg derhalve:
indejaren 1880, 84,86 (Tijdperk «) 3 XH71 = 3513, hiervan stierven 832 = 23.68S
, „ , 1881,82,83,85( , 6)4 X H71 = 4684, , ,
        1050 = 22.42%
. , „ 1887-1891 ( „ c)                    4209, „ ,          855 = 20.31%
-ocr page 28-
23
De bevolking van personen van 1—5 jaar bedroeg ongeveer :
in tijdperk a: 3 X 3610 = 10830, hiervan stierven 520 = 4.80%
, ,
         4: 4 X 3610 = 14440, „           „        472 — 3.27%
, ,         c:                         13416, ,           „        350 = 2.37%
De bevolking van personen boven 5 jaar bedroeg ongeveer :
in tijdperk a: 3 X 31540 = 94620; hiervan stierven 1445 = 1.53 °/0
b: 4 X 31540 = 126160; „
           B 1881 = 1.49 %
n         „ c: 4 X 31364 = 125456; „ _         n 1744 = 1.39 %
Men verkrijgt derhalve het volgende staatje :
LEEFTIJDEN.
Tijdperk
a
Tijdperk
b.
Tijdperk
c.
Verschil
ii en li.
Verschil
b en c.
Verschil
a en e.
0—1 jaar
23.68
22.42
20.31
1.26
2.11
3.37
1—5 jaar
4.80
3.27
2.37
1.53
0.90
2.43
boven 5 jaar
1.53
1.49
1.39
0.04
0.10
0.14
Nemen wij eene waarde van d = 3 \') aan als die, waarop het geoorloofd is con-
clusies te trekken, dan mag men hieruit concludeeren (o, p, q, P, 8, t):
1°. dat de jaren 1880, 1884 en 1886 alléén door de groote sterfte van kinderen van 1—5
jaar zoo hoogst ongunstig zijn ;
2°. dat het tijdperk c (1887—1891) zich kenmerkt door een geringere sterfte op alle
leeftijden.
Uit een en ander volgen deze drie feiten :
1.    Op alle leeftijden, behalve op dien van 1—5 jaar, is do sterfte in Afdeeling I
geringer dan in Afdeeling II.
2.    Het verschil in sterfte tusschen de jaren van hooge sterfte, \'80, \'84 en \'86 on
de overige jaren zoowel vóór — (tijdperk b) — als na 1886 (tijdperk c) is in Afdeeling I
grooter dan in Afdeeling II.
3.    Het hooge sterftecijfer van de jaren \'80 , \'84 en \'86 (tijdperk «) wordt veroor-
zaakt door het hooge sterftecijfer der kinderen van 1—5 jaar.
Hieruit kan men deze conclusie trekken :
Er zijn factoren die de sterfte van kinderen van 1—5 jaar in Afdeeling 1 meer
begunstigen dan in Afdeeling II.
De geringere sterfte in Afdeeling I dan in Afdeeling II voor de overige leeftjjds-
groepen vindt hare verklaring in de grootere welgesteldheid der bewoners en de geringere
dichtheid van bevolking.
Met het oog op de ongelijke verdeeling der grachten in de beide Afdeelingen, is
een nadere beschouwing van de sterfte van kinderen van 1—5 jaar gewenscht.
Sen blik op de curve, die de sterfte van l—5-jarigen in de verschillende jaren aan-
schouwelijk voorstelt (Plaat I fig. 3) toont aan, dat de jaren 1884, 1885 en 1886 zich
\') Zie Toelichting.
-ocr page 29-
24
kenmerken door een buitengewoon hoog sterftecijfer; dat vóór 18S4 die sterfte aan vrij
sterke wisseling onderhevig is — twee ongunstige en twee gunstige jaren — dat zij na
1886 gestadig daalt. Een verdeeling van het gehecle 11-jarig tijdperk in 3 deelen :
1880-1884, 1884—1887 en 1887—91, is daarom gewenscht.
Men maakt zeker slechts een geringe fout en wijzigt daardoor in geen geval, althans
niet noemenswaard, de verhoudingen in de beide Afdeclingen , indien men het aantal
levende personen van 1—5 jaar voor de drie genoemde tijdperken gelijk rekent te zijn en
derhalve het gemiddeld jaarlijksch. aantal voor iedere Afdeeling stelt op 4 maal het ver-
schil tusschen de geboreneu en de gestorvenen beneden het jaar, gedeeld door 11.
In Afdeeling I werden geboren 1880—1891 ......
         4743 kinderen
«
„         stierven                  „          „......           998 B 0 — 1 jaar.
4 V 3745
B
           B         bedroeg het gemiddeld jaarlijksch aantal 1—5 j. ,—- = 1361.8.
In Afdeeling II werden geboren 1880—1891......         7666 kinderen
„           „         stierven                   „         „ . . . m . . .         1739 „ 0—1 jaar.
4 X 5927
„
           „         bedroeg het gemiddeld jaarlij ksch aantal 1—5 j. —^—----- = 2155.3.
In Afdeeling I stierven van deze 1—5-jarigen:
in 1880-1884: 178 of 3.27 °/0 jaarlijks
, 1884-1887: 215 , 5.26 „
„ 1887—1891 : 132 „ 2.42 „
In Afdeeling II stierven „ 1880 -1884 : 258 „ 2.99 „
„ 1884—1887: 341 „ 5.27 „ „
, 1887—1891 : 218 „ 2.53 „ „
Deze cijfers voeren ons weer tot het reeds vroeger verkregen resultaat, dat de
sterfte van kinderen van 1—5 jaar in de Afdeelingen I en II volkomen gelijk gesteld
kan worden in de drie onderscheiden tijdperken; want de verschillen 0.28 % en 0.11 °/0
zijn te klein om toeval te kunnen uitsluiten (u).
Tegenover de gunstige factoren , die in Afdeeling I de sterfte op iederen anderen
leeftijd lager doen zijn, staan dus andere factoren, die op dezen leeftijd dit gunstige
resultaat te niet doen.
Het kan niet twijfelachtig zijn , door welke ziekten het sterftecijfer der 1—5-jarige
kinderen in de jaren 1884, 1885 en 1886 zulk een buitengewone hoogte heeft bereikt.
Volgens het 5-jarig overzicht van de sterlte naar den leeftijd en naar de oorzaken
van den dood gedurende 1880—1885, stierven er in dit tijdperk te Utrecht 1278 kinderen
van 1—5 jaar, waarvan 245 of ruim 19 °/o a&n acute inlectieziekten ; gedurende 1885 tot
1890 stierven er 1513 van dien leeftijd, waarvan 481 of bijna 32 % aan deze groep van
ziekten; terwijl van 1875 tot 1880 deze verhouding was 1186 en 209 of bijna 18 "/«•
Van de acute infectieziekten zijn het voornamelijk mazelen, kinkhoest, croup,
diphtherie eu roodvonk, die op dezen leeftijd slachtoffers eischen. Aan deze 5 ziekten
nu stierven te Utrecht — volgens de opgaven in het Nederlandsch Tijdschift voor Ge-
neeskunde —
van 1880—1884: 244 personen of 61 gemiddeld per jaar
„ 1884-1887: 557 „
         ,186         ,         „ „
„ 1887-1891 : 329 „         „82         „          . ,
Het is hieruit duidelijk , dat de groote kindersterfte op 1—5-jarigen leeftijd gedu-
-ocr page 30-
•>r>
rendo de jaren 1884—1887 moet worden toegeschreven aan de vijf genoemde acute infectie-
ziekten. Van de 557 slachtoffers dier ziekten komen er 170 voor rekening van mazelen
en kinkhoest, daarentegen 387 voor rekening van croup, diphtherie en roodvonk. Van
deze Iaatsten zijn weer 154 overleden aan roodvonk en 233 aan croup en diphtherie, de
ziekten , die, zooals bekend is, op dezen leeftijd het gevaarlijkst zijn.
Tegenover deze 233 gevallen in de 3 jaren 1884, \'85 en \'86 staan slechts 19 voor
de daaraan voorafgaande en 84 voor de daarop volgende 4 jaren, te samen 103 gevallen
voor 8 jaren.
Met het oog op den mogeljjken invloed der grachten op de sterfte der 1—5 jarige
kinderen, of — m. a. w. — op de sterfte aan acute infectieziekten, met name croup, diph-
theritis en roodvonk , is het niet onbelangrijk ook ecnige andere wijken met elkander te
vergelijken. De wijken A en F staan zeer gunstig aangeschreven , wat betreft den wei-
stand der bevolking en de woningdichtheid ; de wijken C en E daarentegen zijn in dit
opzicht het ongunstigst. Daartegenover staat dat A en F doorstroomd worden door Oude
en Nieuwe Gracht; daarenboven, dat A en F te samen bijna 24 °/o woningen tellen aan
de gracht gelegen, C en E daarentegen slechts 10 •/#•
Het gemiddeld jaarlijksch aantal 1—5-jarigen in de wijken A en F bedraagt 685.1.
. 0 en E „         1197.4.
De sterfte van 1884—87 der          „         „ „ „ „ A en F bedraagt 129 = 6.28 •/,.
. CenE „ 169 = 4.70 •/,.
Verschil.....1.58 •/,.
Het verschil blijkt bij berekening groot genoeg te zijn om toeval buiten te sluiten (v).
In de gunstige wijken A en F blijken derhalve factoren in het spel te zijn, die de
sterfte van kinderen van 1 tot 5 jaar, in de jaren waarin de genoemde infectieziekten
heerschten , grooter deden zijn dan in de ongunstige wijken C en E.
Berekent men de verhouding der kindersterfte op 1—5-jarigen leeftijd , in dezelfde
wijken, voor de andere jaren van het 11-jarig tijdvak, dan blijkt er voor die jaren geen
verschil te bestaan. Immers :
Er stierven in die jaren in de wijken A en F 156 = 2.85 % jaarlijks.
• . . , . . C en E 280 = 2.92 •/.
Het nadeel is thans eer aan den kant der ongunstige wijken; maar het verschil,
0.07 °/0, is te klein om toeval buiten te sluiten (w).
Om nader te onderzoeken of werkelijk de grachten de schadelijke factoren hebben
geleverd, zou het van belang zijn na te gaan, of de genoemde infectie-ziekten werkelijk
meer zijn voorgekomen in woningen die wèl, dan in woningen, die niet aan de gracht
zijn gelegen.
Dit is mogelijk voor roodvonk en diphtherie, althans voor die gevallen, welke ten
Stadhuize zijn aangegeven; jammer genoeg niet voor croup, welke ziekte althans in de
jaren 1884—87 stellig ook diphtherie is geweest.
De mededeelingen over de besmettelijke ziekten in de Gemeente Utrecht van af 1
April 1871 tot 1 Januari 1888 door Dr. van der Plaats en Dr. Hoorweg aan de Gezond-
heidscommissie verstrekt, leveren de gegevens die daarvoor noodig zijn, wat betreft
diphtherie en roodvonk.
Omtrent de diphtherie leeren zij voor de binnenstad het volgende:
-ocr page 31-
26
In de jaren 1884, 1885 en 1886 zijn ten stadhuize aangegeven 63 gevallen van
diphtherie.
Van deze kwamen voor:
24 gevallen in woningen , die wèl; en
39 n        „           „             „ niet aan de gracht zijn gelegen.
Uit de alphabotische lijst der straten, grachten, enz. blijkt, dat van de binnenstap
947 woningen wèl, en
5352
          B niet aan grachten zijn gelegen
Derhalve:
Inde 947 woningen wèl aan gracht kwamen voor 24 = 2.5 • 0 diphtherie gevallen.
„ „ 5352 ,
          niet „ „          „         „ 39 = 0.7\'/,
Verschil 1.8 %
De waarschijnlijkheid, dat dit verschil aan toeval moet worden toegeschreven is
zeer klein (x).
Dat de reden hiervan zou gelegen kunnen zijn in het nauwgezetter aangeven van
grachtbewoners dan van de andere inwoners, wordt zeer onwaarschijnlijk gemaakt door het
feit, dat men bij roodvonk dezelfde verhouding niet vindt. Immers:
Van 1 Januari 1885 tot 1 April 1887 werden aangegeven 228 gevallen van
roodvonk, voorkomende in de binnenstad en wel:
Van de 947 woningen, wèl aan grachten gelegen 36 gevallen = 3.8 \'/„.
. « 5352
          . niet „          .                      182 . — 3.6 •/..
Verschil 0.2 »,,.
Dit verschil is veel te klein om toeval uit te sluiten (ij).
Voorts zou het denkbaar zijn, dat juist de epidemie van 1884—1887 dit verschijnsel
vertoonde, wellicht als gevolg van het geïnfecteerd zijn van bepaalde scholen, hoofdzakelijk
bezocht door aan de gracht wonende kinderen.
Maar ook dit blijkt niet het geval. Immers behalve de in de jaren 1884—87
voorgekomen gevallen zijn er in de binnenstad van 1871 tot 1888 nog 66 aangegeven en wel:
Van de 947 woningen, wèl aan de gracht gelegen 24 = 2.5 %•
„ „ 5352
          ,         niet , , „            „ 42 = 0.8 %.
Verschil 1.7 »/,.
Ook dit verschil is weer te groot om aan toeval te denken. A plus forte raison
geldt dit van het verschil voor al de gevallen van diphtherie, aangegeven van 1871 tot
1888 ; een verschil dat 3.6 % bedraagt.
Ten slotte /.ij nog vermeld , dat ook febris typhoidea meer , dan aan toeval mag
worden toegeschreven, is voorgekomen in huizen aan de gracht gelegen , dan in andere
woningen.
Van 1871 tot 1888 zijn in de binnenstad aangegeven 219 gevallen van febris
typhoidea, verdeeld als volgt:
Van de 947 woningen, teel aan de gracht gelegen 51 = 5.4 %
, „ 5352
          „ niet „ „                               168 — 3.1 •/,
Verschil . . 2.3 »/0
Bij berekening blijkt de waarschijnlijkheid dat hier aan toeval moet worden gedacht
zeer gering te zijn (.i)
-ocr page 32-
27
Als het resultaat van het statistisch onderzoek naar de sterfte in verschillende dee-
len der binnenstad kan men derhalve het volgende constateeren.
In het gedeelte, dat bewoond wordt door het meest welvarende deel der bevolking
en waarin de woningtoestand \'t gunstigste is — Afdeeling I, de wijken A, F, G en II —
is de algemeene sterfte, de kindersterfte beneden het jaar en de sterfte van personen boven
5 jaar kleiner
dan in het gedeelte, waar meer de proletariërs zijn gehuisvest en de dicht-
heid van bevolking grooter is, Afdeeling II, wijk B, C, D en E.
Op den leeftijd van 1—5 jaar bestaat er echter geen verschil in het sterftecijfer tua-
schen de beide AfdeeliDgen.
De sterfte op dien leeftijd is verreweg het grootst in de jaren 1884, 1885, 1886,
tengevolge van hevige epidemiën van roodvonk, croup en diphtherie. Deze ziekten
eischten in beide Afdelingen een gelijk aantal slachtoffers.
In twee wijken, die, wat sociale omstandigheden betreft, tot de zeer gunstige
moeten worden gerekend, maar van welke een groot aantal woningen gelegen zijn aan de
grachten, de wijken A en F, was in die jaren de sterfte van kinderen van 1—5 jaar
grooter dan in twee andere wijken, die in sociale verhoudingen het ongunstigst staan
aangeschreven, maar die relatief weinig woningen tellen, aan de gracht gelegen, de
wijken C en E.
Gedurende de jaren 1871—1888 zijn meer gevallen van diphtherie en van febris
typhoidea aangegeven in woningen die vel, dan in die, welke niet aan grachten zijn
gelegen.
Uit de statistiek blijkt derhalve, dat het wonen aan de grachten een ongunstige
factor is voor de sterfte van kinderen van 1—5 jaar, voor zooverre deze wordt geinlluen-
ceerd door epidemiën van diphtherie en croup, en tevens ongunstig werkt op het voor-
komen van febris typhoidea bij alle leeftijden.
Een andere ongunstige invloed der grachten op den gezondheidstoestand van
Utrecht blijkt echter uit de cijfers niet.
Dr. P. W. ÜNNEN.
TOELICHTING.
De waarschjjnlijkheids-berekeningen, in deze Bijlage Y voorkomende, zijn verricht
volgens de formules en tafels van Dr. J. D. van der Plaats, vervat in diens verhandeling
„Over de toepassing der Waarschijnlijkheids-rekening op medische statistiek" \'), waaraan
deze toelichting tevens grootendeels is ontleend.
Bij twee seriën van analoge waarnemingen zal zich onder een zeker aantal — n —
gevallen, een zeker verschijnsel nooit een even groot aantal malen voordoen. Stel\', dat bij
de eene serie dit verschijnsel p °/0 malen wèl en (100 — p) °t malen niet voorkomt; bij
de tweede serie q °\'0 malen wèl en (100 — q) °/0 malen niet; dan is de vraag: is het
verschil p—q aan toeval toe te schrijven, of wèl, moet er een bepaalde oorzaak voor
bestaan.
1) Aantcckeningen van het verhandelde in de Sectie-vergaderingen van het Provinciaal Utrechtsch Genoot-
schap, 25 Juni 1895, blz. 22—5:5 en Tafels on blz. 54—55.
Referaat in het Nederlaudsch Tijdschrift voor Geneeskunde, 1895, Deel II, blz. 71—73.
-ocr page 33-
38
29
WAARNEMINGEN.
a.
blz. 20.
b.
blz. 20.
e
blz. 20.
d.
blz. 21.
e.
blz. 21.
f.
blz. 21.
blz. 21.
h.
blz. 21.
»
i.
blz. 21.
k.
blz. 21.
1.
blz, 22.
ra.
blz. 22.
n.
blz. 22.
n
f
dus x
20139
2.44
0.073
36336
2.56
0.057
36560
2.34
0.053
47811
2.41
0.048
63870
2.13
0.038
61197
2.69
0.043
81261
2.51
0.037
61197
2.69
0.043
81261
2.51
0.037
80420
2.14
0.034
7666
22.67
0.325
14960
3.53
0.106
190146
1.50
0.019
dus j
156SS
2.17
0.081
30560
2.34
0.053
35756
2.16
0.052
63870
2.31
0.038
62660
1.96
0.036
81261
2.51
0.037
80420
2.14
0.034
46811
2.41
0.048
63870
2.13
0.038
62660
1.96
0.036
4743
21.11
0.395
23716
3.43
0.080
152867
1.40
0.021
Alzoo :
p — q
0.27
0.111
2.4
0.1055
0.22
0.078
2.8
0.0590
0.18
0.074
2.4
0.1055
0.28
0.061
4.6
0.0019
0.17
0.052
3.3
0.0260
0.18
0.057
3.1
0.0365
0.37
0.050
7.4
0.000002
0.28
0.064
4.4
0.0030
0.38
0.053
7.2
0.000002
0.1S
0.049
3.7
0.0120
1.56
0.510
3.0
0.0430
0.10
0.133
0.75
0.6130
0.10
0.028
\'^ \\> i y»
d p ~" *•
U — ---------
•^ x* y*
W
3.6
0.0152
V, W
of* wel: de kans van
louter toeval :
1 tegen :
0.0527
18
0.0295
33
0.0527
18
0.0009
1110
0.0130
76
0.0182
54
0.000001
999999
0.0015
66G
0.000001
999999
0.0063
158
0.0215
45
0.3065
9
0.0076
131
0.
P
q
r.
8.
t.
u.
T.
w.
X.
Q.
I.
blz. 23.
blz. 23.
blz. 23.
blz. 23.
blz. 23.
blz. 24.
blz. 25.
blz. 25.
blz. 25.
blz. 26.
blz. 26.
blz. 26.
3513
4684
10830
14440
94620
126160
5447
2055
3591
947
947
947
23.68
22.42
4.80
3.27
1.53
1.49
3.27
6.28
2.92
2.5
3.8
5.4
0.48
0.41
0.144
0.103
0.026
0.023
0.16
0.35
0.19
0.34
0.42
0.48
4684
4209
14440
13416
26160
125456
8621
3591
2055
5352
5352
5352
22.42
20.31
3.27
2.37
1.49
1.39
2.99
4.70
2.85
0.7
3.6
3.1
0.41
0.42
0.103
0.092
0.023
0.022
0.12
0.24
0.25
0.076
0.17
0.16
1.26
2.11
1.53
0.90
0.04
0.10
0.28
1.58
0.07
1.80
0.20
2.30
0.63
0.59
0.177
0.138
0.035
0.032
0.20
0.42
0.31
0.11
0.45
1.51
2.0
3.5
8.6
6.5
1.1
3.1
1.4
3.8
0.2
16
0.44
4.5
0.1773
0.0182
0.000002
0.000012
0.4581
0.0365
0.3450
0.0104
0.8927
0.000002
0.7666
0.0024
0.0886
0.0091
0.000001
0.000006
0.2290
0.0182
0.1725
0.0052
0.4463
0.000001
0.3833
0.0012
10
109
999999
166666
3
54
5
191
1.24
999999
1.7
832
-ocr page 34-
38
29
WAARNEMINGEN.
a.
blz. 20.
b.
blz. 20.
e
blz. 20.
d.
blz. 21.
e.
blz. 21.
f.
blz. 21.
blz. 21.
h.
blz. 21.
»
i.
blz. 21.
k.
blz. 21.
1.
blz, 22.
ra.
blz. 22.
n.
blz. 22.
n
f
dus x
20139
2.44
0.073
36336
2.56
0.057
36560
2.34
0.053
47811
2.41
0.048
63870
2.13
0.038
61197
2.69
0.043
81261
2.51
0.037
61197
2.69
0.043
81261
2.51
0.037
80420
2.14
0.034
7666
22.67
0.325
14960
3.53
0.106
190146
1.50
0.019
dus j
156SS
2.17
0.081
30560
2.34
0.053
35756
2.16
0.052
63870
2.31
0.038
62660
1.96
0.036
81261
2.51
0.037
80420
2.14
0.034
46811
2.41
0.048
63870
2.13
0.038
62660
1.96
0.036
4743
21.11
0.395
23716
3.43
0.080
152867
1.40
0.021
Alzoo :
p — q
0.27
0.111
2.4
0.1055
0.22
0.078
2.8
0.0590
0.18
0.074
2.4
0.1055
0.28
0.061
4.6
0.0019
0.17
0.052
3.3
0.0260
0.18
0.057
3.1
0.0365
0.37
0.050
7.4
0.000002
0.28
0.064
4.4
0.0030
0.38
0.053
7.2
0.000002
0.1S
0.049
3.7
0.0120
1.56
0.510
3.0
0.0430
0.10
0.133
0.75
0.6130
0.10
0.028
\'^ \\> i y»
d p ~" *•
U — ---------
•^ x* y*
W
3.6
0.0152
V, W
of* wel: de kans van
louter toeval :
1 tegen :
0.0527
18
0.0295
33
0.0527
18
0.0009
1110
0.0130
76
0.0182
54
0.000001
999999
0.0015
66G
0.000001
999999
0.0063
158
0.0215
45
0.3065
9
0.0076
131
0.
P
q
r.
8.
t.
u.
T.
w.
X.
Q.
I.
blz. 23.
blz. 23.
blz. 23.
blz. 23.
blz. 23.
blz. 24.
blz. 25.
blz. 25.
blz. 25.
blz. 26.
blz. 26.
blz. 26.
3513
4684
10830
14440
94620
126160
5447
2055
3591
947
947
947
23.68
22.42
4.80
3.27
1.53
1.49
3.27
6.28
2.92
2.5
3.8
5.4
0.48
0.41
0.144
0.103
0.026
0.023
0.16
0.35
0.19
0.34
0.42
0.48
4684
4209
14440
13416
26160
125456
8621
3591
2055
5352
5352
5352
22.42
20.31
3.27
2.37
1.49
1.39
2.99
4.70
2.85
0.7
3.6
3.1
0.41
0.42
0.103
0.092
0.023
0.022
0.12
0.24
0.25
0.076
0.17
0.16
1.26
2.11
1.53
0.90
0.04
0.10
0.28
1.58
0.07
1.80
0.20
2.30
0.63
0.59
0.177
0.138
0.035
0.032
0.20
0.42
0.31
0.11
0.45
1.51
2.0
3.5
8.6
6.5
1.1
3.1
1.4
3.8
0.2
16
0.44
4.5
0.1773
0.0182
0.000002
0.000012
0.4581
0.0365
0.3450
0.0104
0.8927
0.000002
0.7666
0.0024
0.0886
0.0091
0.000001
0.000006
0.2290
0.0182
0.1725
0.0052
0.4463
0.000001
0.3833
0.0012
10
109
999999
166666
3
54
5
191
1.24
999999
1.7
832
-ocr page 35-
30
De hoegrootheid van de kans, dat dit laatste werkelijk het geral is, wordt ons
door den mathematicus gegeven.
Dr. van der Plaats noemt x de waarschijnlijke, van toeval afhankelijke afwijking
van p: de kans, dat de procentische uitkomst zal liggen tusschen (p -\\- x) en {p—x) % is
even groot als de kans, dat deze er buiten valt. Hij noemt daarom p -f- x en p—x de
waarschijnlijke grenzen. Hoogere wiskunde leert, dat x = 0.6745 y P l          £2\'
n
Evenzoo is het verschil p—q, verkregen uit twee seriën van waarnemingen, binnen
zekere grenzen aan het toeval onderworpen: ook hier kan men 1 tegen 1 wedden, dat het al
of niet daartusschen ligt. Deze grenzen zijn p—q -j- Vx> ~\\ y* en p—q — Vx1 -j- yl.
De waarde der waarschijnlijke afwijking x is afhankelijk van het aantal gevallen,
n, en van het gevonden aantal treffers p °/». Die waarde wordt door Dr. van der Plaats
aangegeven in een tafel met n en p als gegevens.
De waarschijnlijkheid W, dat de afwijking meer dan ± d x bedraagt of wel,
dat — bij twee seriën van waarnemingen — het ware verschil een grootere afwijking van
p—q vertoont dan ± d |/x2 -|- y1 blijkt uit het onderstaand tafeltje, waarin d =
p—q
V x1 -f- y1
d.
W.
d.
w.
0.0
1.0000
2.5
0.0918
0.5
0.7359
3.0
0.0430
1.0
0.5000
3.5
0.0182
1.5
0.3117
4.0
0.0070
2.0
0.1773
5.0
0.0007
6.0
0.00005
Is d = 1 , dan is W = 0.5; er bestaat dan evenveel kans, dat er wèl — dan
dat er geen toeval in het spel is. Is d = 6, dan is W = 0.00005 ; de kans is dan
1 tegen 19999.
Nemen wij d =               è=, dan is de waarschijnlijkheid, dat het verschil klein er
V x2 -j- y2
is dan p—q—d Va? y2 (d. w. z. kleiner dan nul); dus, dat enkel het toeval p grooter
maakte dan q , gelijk | W.
In deze Bijlage komen de op bladzijden 28 en 29 verzamelde toepassingen der
bovenstaande formules voor.
-ocr page 36-
Bijlage Z.
EINDVERSLAG
VAN DE
GEZONDHEIDSCOMMISSIE,
in aYitwooid op de m.i»»vo« van. c&wïaemecstet tn ^lC?et nou3ez.a
33. 31 &u.li 1895, m°, 123 9.
De Gezondheidscommissie heeft in hare vergaderingen van 13 en 29 Mei 1897 het
bovenstaande Verslag harer Subcommissie (Bijlagen X en Y) behandeld en vastgesteld.
Op grond van exacte wetenschappelijke bepalingen zijn daarin de toestand en de
vervuiling der grachtwateren beschreven en is de invloed der grachten op den gezondheids-
toestand nagegaan.
Uit het statistisch onderzoek blijkt, dat de grachten wel een ongunstigen invloed
uitoefenen op de sterfte van kinderen tusschen 1 en 5 jaar, en het komt der Gezondheids^
commissie daarom niet onwaarschijnlijk voor, dat die ongunstige invloed ook geldt voor
personen van hoogeren leeftijd , doch niet uit de cijfers te voorschijn komt, omdat hier
een meer dan compenseerende invloed, met name meerdere sociale welstand , zjjn werking
uitoefent.
De Gezondheidscommissie acht het zeer gewenscht, dat maatregelen worden ge-
troffen om de waterverversching zoo mogelijk in ieder etmaal op 350000 M\' te brengen.
De Gezondheidscommissie heeft reeds in hare missive van 26 September 1894
(Jaarverslag, bladzijde 11) nadrukkelijk het voorkómen der vervuiling als de eerste en
dringende eisch der hygiëne genoemd. Daartoe is in de voornaamste plaats noodig, dat
men naar middelen blijft zoeken om het uitloozen van de privaten en de openbare urinoirs
in de grachten en riolen te doen ophouden.
Eindelijk acht de Gezondheidscommissie het niet overbodig er aan te herinneren ,
dat grachtwateren ten eenenmale ongeschikt zijn voor drinkwater, en ook niet mogen
gebruikt worden voor wasschen, reinigen van eetwaren , koukengereedschap, broodwagens,
enz., zelfs niet voor het schrobben van straten of erven.
De Gezondheidscommissie,
P. TEMPLEMAN VAN DER HOEVEN,
Voorzitter.
J. D. VAN DER PLAATS,
Secretaris.
Utrecht, 29 Mei 1897.
Aan
Heeren Burgemeester en Wethouders der Gemeente Utrecht.