-ocr page 1-
«M.ji;3j. *\\wm\\}?3
DE AANWENDING
VAN
KUNSTMESTSTOFFEN
in tuinen en boomgaarden
en op kas- en kamerplanten.
Vrij naar het Dtatsch
VAN
Prof. dr. PAUL WAGNER.
Woedt kosteloos toegezonden dook de
MAATSCHAPPIJ TOT VERKOOP VAN HULPMESTSTOFFEN
IN NEDERLAND EN KOLONIËN,
aevestiad ie <ïïsZotte
drecnj.
(Uitsluitend adres voor corre
RDRECHT.)
"I!
Deuk: De Boee & Co. — Dokdkecht.
-ocr page 2-
3
m
i é
f E??
Si
ril!
1    w
*    M
te          ^"^
\'S     ©
8     oo
g.    oo
! f
5   3
CD              O
*-!
-3   P
ST       ff*
3.    P
7^
CD
os
CO
as
co
o
t" -. C ft
* Bi {
■ M
i
CD
P
re
o O
5. *t
r I
§• 2
o- O
P*
CD
■£.? ff O-
H I » JL
CD
P
<1
CD
H
03
CD
P
1
fit
CD
P
75
as
a 2
w-
f!
O
CD
M.

o
p1
p
CD
9>
liitpt
pp-1
BS_
co
<
Sr;
P
ft
c
O
o
P
zon
3
5
5-
e
g
^
r
CD
f
00
B • *
8 * -3
» ia: cr
C «i . c
„■"<B
e g § g
E*"ï
**, f
ca
af *
§ 8- <*"
§" S
„ ^«"ö
2 c S p"
Bass
*—« ^ M
e s
II
CD
00
B ■
CD
o
CD
■Pb
CD
■B co
ï
93
D
o B
5- §
11 rl
fi*~L (S ft
« 73 ^ e
B Si -i ft
B ö -a
-s.? rg
fi
1
-ocr page 3-
DE AANWENDING
VAN
KUNSTMESTSTOFFEN
in tuinen en boomgaarden
en op kas- en kamerplanten.
—~^_
Vrij naar het Duttsch
VAN
Prof. dr. PAUL WAGNER.
Wordt kosteloos toegezonden doob de
MAATSCHAPPIJ TOT VERKOOP VAN HULPMESTSTOFFEN
. IN NEDERLAND EN KOLONIËN,
aevesüqcl te Q/Zoitezctanp en xlDorctrecnt.
(Uitsluitend adres voor correspondentie: DORDRECHT.)
-ocr page 4-
Van wege de „Maatschappij tot Verkoop van Hulp-
meststoffen" zijn mede uitgegeven, en worden op aanvrage
gratis toegezonden:
a.  Theorie en Praktijk der Bemesting, populaire handleiding
ten dienste van den Nederlandse!ten landbouw.
b.  De bemesting der Indische tabaksgronden, met een
voorwowd van Dr. A. M. PEINS, Rijkslandbouwleeraar
te Deventer.
c.    De bemesting der koffietuinen.
d.     Verschillende circulaires over:
1.   DE TOEPASSING VAN SUPERPHOSPHAATGIPS, (ter
verbetering en bewaring der stalmest).
2.   HET GEBRUIK VAN BASISCH PHOSPHORZURE KALK
(als voeder voor vee enz.)
3.   HET GEBRUIK VAN DE BLOEMENMEST voor pot-,
kas- en kamerplanten.
-ocr page 5-
INLEIDING.
In do behandeling van akkers en weiden is in den loop
der jongste twintig jaren eene aanmerkelijke verandering
ten goede gekomen. Dit geldt in het bijzonder van de
bemesting: terwijl men vroeger de cultimrgcwasscn in waar-
heid honger liet lijden, pleegt men ze thans in ruime mate
van voedsel te voorzien, waarvan het gevolg is, dat, waar
men zich vroeger met in den regel niet dan middelmatige
opbrengsten, d. w. z.\' met 2000 a 3000 K.Gr. graan per H. A.,
en met 5000 K.Gr. hooi, zelfs op zeer goede gronden moest
tevreden stellen, men thans bijna tweemaal zooveel kan
oogsten. En de rust, die men weleer den akker gunde, — de
braak in het derde of zesde jaar, — zij komt nog maar
zelden meer voor.
Een geheel veranderd aanzien vertoonen bouw- en wei-
landen: donker, sappig groen, — breed uitgestoelde halmen,—
dicht, weelderig loof, - bedekken veld en beemd, die vroeger
slechts een armelijk plantcndek droegen. Het mos verdween
uit de weiden; het hcidekruid, biezen en sekgras, duizend-
guldenkruid en wilde thym, zij werden vordrongen door een
dichtsluitend kleed van bloeiende klaver, van weelderig
gedijende wikken- en latyrussoorten, door overvloed van
voedzame grassen. Ook de groote verwoestingen, die door
tal van insecten, door zwammen en andere plantaardige para-
sietcn, door vorst, door droogte, door te groote vochtigheid,
door ongunstig weer in het algemeen, veroorzaakt werden, —
zij zijn, indien al niet geheel verdwenen, dan toch in ieder
geval aanzienlijk minder geworden. Want de gezonde, krach-
tig gevoede plant weerstaat de tallooze aanvallen, waaraan
-ocr page 6-
4
zij van alle kanten is blootgesteld. De schade, haar toegc-
bracht door vorst en door insecten, vermag zij weder te
herstellen; aan bacteriën on andere plantaardige parasieten
biedt zij door hare gezonde sappen, door hare grootere levens-
kracht, beter en langduriger weerstand; hare diepgaande wor-
tels behoeden haar voor de nadeden een er aanhoudende
droogte, en door hare rijkere bladvorming, en haar dienten-
gevolge sterker waterverbruik, berokkent te veel vocht in
den bodem haar ook niet zoo licht schade.
Een ommekeer heeft feitelijk plaatsgegrepen in de plan-
tenvoortbrenging en het akkerbouwbedrijf. De schitterende
resultaten, welke het wetenschappelijk onderzoek op het gebied
van de voedingslcer der planten, en welke de rusteloos voort-
schrijdende ontwikkeling der meststoffen-industrie gedurende
de laatste twintig jaren verkregen heeft: zij hebben den
landman tot op eenc zekere hoogte onafhankelijk gemaakt
van de locale toestanden van zijnen grond en zijn bedrijf,
onafhankelijk van de sinds eeuwen van vader op zoon over-
gegane wetten eener bepaalde vruchtwisseling. De landman
staat op een vrijer standpunt; hij heeft eene zekere mate van
heerschappij verkregen over de natuur. Ecnen armen bodem
weet hij vruchtbaar te maken; door roofbouw uitgeputte
gronden doet hij weder groote oogsten dragen; van voor-
deelcn, die hem door gunstige conditiën van bodem, klimaat,
prijsbeweging, enz. geboden worden, weet hij beter partij te
trekken, en de planten weet hij te dwingen eene zoo volkomen
mogelijke ontwikkeling te erlangen, de hoogst mogelijke
opbrengsten, de best mogelijke producten te geven. Een
groote vooruitgang heeft inderdaad in het landbouwbedrijf
plaatsgevonden!
Wenden wij nu den blik naar ooftbouw en groententeclt,
tuinbouw en bloemisterij: nemen wij dan ook hier vooruitgang
waar?
Het antwoord luidt onvoorwaardelijk: ja! Want wie zou
den grooten vooruitgang willen ontkennen, die men in de
veredeling der ooftsoorten, in de behandeling der ooftboomen,
-ocr page 7-
5
in de teelt van nieuwe, waardevolle groentensoorten, in de
cultuur van veelkleurige, en door groote volheid en edele
vormen uitmuntende bloemen gemaakt heeft? Elke tuinbouw-
tentoonstelling is een nieuw succes in deze richting?
Maar de richting is ecne eenzijdige.
Ook op landbouwgebied is men, wat betreft de cultuur
van nieuwe variëteiten, vooral van aardappelen, granen, suiker-
bieten, voederbieten, enz. sterk vooruitgegaan. Vragen wij
echter, waardoor deze vooruitgang" eerst van werkelijk voor-
deel geworden is, zoo luidt het antwoord: eerst daardoor, dat
men geleerd heeft, met de veranderde en gedeeltelijk zeer toe-
genomen behoefte der nieuwe variëteiten aan voedingsstoffen
behoorlijk rekening te houden.
Zoo heeft men b.v.b. tarwesoorten in cultuur gebracht,
die cene korrolopbrengst van 4000 K.G. en meer per H.A.
kunnen geven, terwijl andere soorten het niet verder dan op
zijn hoogst tot 3000 K.G. per H.A. kunnen brengen. In
welken zin is nu echter dit grootere productiovermogen op
te vatten? In dien zin, dat de nieuwe tarwesoorten overal,
waar oudere cene korrelopbrengst van 3000 K.G. gaven, nu
maar als vanzelf 4000 K.G. zullen opleveren? Neen! do
nieuwe variëteiten zijn slechts onder zekere voorwaarden meer
productief: zij zijn a. h. w. mot machines te vergelijken, die
eeno grootere hoeveelheid ruwe grondstof kunnen verwerken.
Terwijl oudere tarwesoorten slechts ongeveer 90 K.G. stikstof
en 35 K.G. phosphorzuur per H.A. in graan en stroo konden
omzetten, zijn de nieuwe variëteiten in staat, ongeveer 120 K.G.
stikstof en 50 K.G. phosphorzuur tot graan en stroo te ver-
werken. Eeno hoogere opbrengst van 1000 K.G. en meer per
H.A. verkrijgt men dus bij de nieuwe soorten slechts dan,
wanneer ook de daartoe benoodigdc meerdere voedingsstoffen
aan de planten worden verstrekt.
Juist hetzelfde echter geldt voor ooft- en groententeelt,
voor tuinbouw en bloemisterij: met de veranderde en deels
aanzienlijk toegenomen behoefte der veredelde en meer jwoduc-
tieve variëteiten aan voedingsstoffen heeft men rekening te houden!
-ocr page 8-
6
Vindt dit nu in den tuinbouw on bij do groententeelt
plaats? Gescbiedt bet op oordeelkundige en doeltreffende
wijze? Deze vragen moeten met een beslist neen beantwoord
worden !
Hoe worden zij dan bemest, onze groenten, onze ooft-
boomen, onze bloemen? Zóó ruw empirisch, zóó weinig oordeel-
kundig, en zóó weinig doelmatig als maar kan. Stalmest, blad-
aarde, secreetmest, compost, in het gunstigste geval ook nog
wat guano, wat hoorn- en beendermeel, wat superphosphaat
en kali, maar raak of mis toegepast: dat is de gansche weten-
schap ; en wanneer men in leer- en handboeken over ooft- en
tuinbouw het hoofdstuk „Bemesting" doorleest, dan moet men
inderdaad verbaasd staan, en zich afvragen, hoc hot toch
mogelijk is, dat op het gebied van den tuinbouw nog hoege-
naamd gecne sporen te bemerken zijn van den invloed cener
op wetenschappelijke grondslagen rustende bemestingsleer!
Terwijl de landbouwer het weet, hoeveel stikstof, hoeveel
phosphorzuur, hoeveel kali elk zijner cultuurgewassen noodig
heeft, en in welken vorm hij die voedingsstoffen aan te bren-
gen, op welke wijze hij de meststoffen toe te passen heeft,
om de hoogst mogelijke opbrengsten te verkrijgen, ontmoet
men in de leerboeken over tuinbouw een e in het oog vallende
onkunde omtrent al die kwostiën. En in de practijk is het
niet anders, Men brengt groote hoeveelheden stalmest op hot
grocntenland, en beseft niet, hoe groot de verkwisting is, die
men bij uitsluitende stalbomesting met sommige vocdingsstof-
fen begaat, en hoezeer men de uitwerking bevorderen, on van
den stalmest meer profijt trekken kan door de gelijktijdige
aanwending van hulpmeststoffen. Men voedt de planten met
gier, stalmest, compost, enz. on men weet niet, in welk eene
hooge mate men de kwantiteit en de kwaliteit der vruchten,
de grootte en de schoonheid der bloemen, enz. door toevoeging
van phosphaten zou kunnen doen toenemen. Men plant do
potgewassen in bladaardc, en men heeft er geen besef van,
hoe do planten honger lijden in eene zoo geringe hoeveelheid
gronds, welk een ziekelijk bestaan zij leiden, hoe zij door
-ocr page 9-
7
bacteriën en schimmels worden aangetast, en hoe hare wortels
gaan rotten, enkel uit gebrek aan voedingsstoffen. Het is niet
to zeggen, hoeveel gemakkelijker en eenvoudiger en met hoe-
veel meor succes en hoeveel voordeeliger groententeelt en
ooftbouw, tuinbouw en bloemisterij zouden kunnen gedreven
worden, wanneer men eindelijk maar eens wilde beginnen,
de planten rationeel te voeden.
Of zou men daarbij misschien minder kans hebben op
goede financiëelo resultaten dan door eene rationeele bemesting
der akkerbouwgewassen verkregen worden ?
Op deze vraag behoeft men zich wel niet te bedenken.
Wij hebben er alleen op te wijzen, dat met dezelfde hoeveel-
heid stikstof, phosphorzuur en kali, die men in den grond te
brengen heeft, om b. v. b. 100 K.G. suikerbuiten, mangelwor-
tels, gras, klaver, enz. te oogsten, men ook 100 K.G. bloem-
kool, doperwtcn, snijboonen, salade, e. d. g. voortbrengen kan,
en met het oog op dit feit behoeven wij slechts te vragen:
is dan de geldswaarde van 100 K.G-. der genoemde groenten
niet eene veel hoogere dan die eener zelfde hoeveelheid suiker-
bieten, ïnangelwortels, gras, enz.?
Het ligt dus voor de hand: is het mogelijk, door dezelfde
hoeveelheid plantenvoedingsstoffcn, d.i. door dezelfde hoeveel-
heid hulpmcststoffen, ongeveer evenveel tuinbouwproducten te
verkrijgen als men landbouwproducten daarmede verkrijgt,
zoo is de rentabiliteit van do aanwending van stikstof-, phos-
phorzuur- en kalihoudende meststoffen bij den tuinbouw nog
aanzienlijk hooger dan ze bij den landbouw blijkt to zijn!
Dit nu, mcenen wij, is reden te over, om het vraagstuk
eener rationeele bemesting der tuinbouwgewassen, en in het
bijzonder van allo fijnere, meer waardevolle cultures, wat meer
aandacht te schenken, en wat grondiger te behandelen dan
totnogtoe geschiedde. Het bedoelde vraagstuk zal het onder-
werp van behandeling zijn der volgende bladzijden. Nog is in
deze lang niet het laatste woord gesproken, maar dank zij de
talrijke proefnemingen en de grondige studiën van den met
-ocr page 10-
8
roem bekenden Duitschen landbouwseheikundige, prof. dr.
Paul Wagnee, te Darmstadt, en ook van anderen, waaronder
onze landgenoot, de lieer F. J. Van Pesch, assistent aan het
rijkslandbouwproefstation te Wageningen, kunnen toch reeds •
eene massa feiten geconstateerd, en tal van cijfers aangevoerd
worden, die het grootc voordeel van het gebruik van hulp-
meststoffen bij den tuinbouw in het helderste licht stellen.
De proefnemingen en studiën van prof. Wagnek tzijn het
vooral, die ons. de stof voor do samenstelling der volgende
bladzijden geleverd hebben.
-ocr page 11-
A. Algemeen Gedeelte.
I. Met welke stoffen voedt zich de plant?
Onderwerpt men de bladeren, het hout of de wortels van
eenige plant aan een scheikundig onderzoek, zoo vindt men
daarin steeds aanwezig: water, koolstof, stikstof, phosphor-
zuur, kali, kalk, magnesia, ijzeroxydo, zwavelzuur, chloor,
natron en kiezolzuur. Deze twaalf stoften komen nu eens
in grootere, dan weer in kleinere hoeveelheden in elke plant
voor; maar zijn ze alle noodzakelijk voor het plantenloven,
d. w. z. is elke dier stoffen onontbeerlijk voor den planten-
groei, of is eene volkomene normale en weelderige ontwik-
keling der plant ook mogelijk, wanneer de eene of andere
dezer stoffen niet in den bodem voorkomt? Dit is eene vraag
van groote practische beteekenis, en het is der wetenschap
gelukt, een ondubbelzinnig antwoord op die vraag te vinden.
Men heeft planten gekweekt in water, waarin nu eens alle
bovengenoemde stoffen opgelost waren, dan weer alle op ééne
na; men heeft nagegaan, welken invloed het ontbreken van
die ééne stof op de ontwikkeling der planten had, en men is
daarbij tot hoogst interessante resultaten gekomen, welke wij
hier in hoofdzaak laten volgen.
Brengt men alle stoften, welke het scheikundig onderzoek
als grondbestanddeelen der plantenmaterie heeft loeren kennen,
in behoorlijke hoeveelheid en behoorlijken vorm in de voedings-
vloeistof, dan ontwikkelt zich de plant even weelderig als
in den bouwgrond. Laat men echter b. v. b. het ijzeroxyde
ontbreken, zoo verliest de plant hare groene kleur: zij wordt
bleekzuchtig, en houdt op te groeien, (lelijk de roode kleurstof
van het bloed niet zonder ijzeroxyde kan ontstaan, evenzoo is
de vorming der groene kleurstof in het sap der planten van
de aanwezigheid van ijzeroxyde afhankelijk. Laat men verder
de stikstof ontbreken dan ontwikkelt de plant zich slechts
zoolang normaal, als de in de zaadkorrel aanwezige organische
-ocr page 12-
10
stof voor de vorming van bladeren en wortels toereikend is:
is deze opgeteerd, zoo begint de plant te hongeren, en zendt
zij alle?-wege wortels uit om stikstof te zoeken. Stoffen, welke
zich uit de zaadkorrel naar de bladeren verplaatst hebben,
trekken weer terug naar de wortels; de bladeren worden van
week tot week dunner en slapper, zij teren uit, worden in
waarheid uitgezogen, en drogen ten slotte geheel uit. De
wortels ontwikkolen zich ten koste der bladmassa, en bereiken
soms, zooals b.v.b bij maïs, eenc lengte van tot 2 M. toe,
terwijl het bovenaardsche deel der plant slechts weinige cM,
hoog wordt. Zulk eene plant kan 3 a 4 maanden in het leven
blijven, waarna zij aan „stikstofhonger" sterft. Soortgelijke
verschijnselen doen zich voor, wanneer men den planten eene
voedingsvloeistof zonder kali, kalk en phosphorzuur biedt.
De plant groeit niet, zij vormt ffQn\\ organische stof: zij zet
slechts de in de zaadkorrel aanwezige stoffen om in blad-
en wortelmassa, zendt hare wortels uit om do ontbrekende
voedingsstof te zoeken, en sterft af, wanneer zij deze niet
vindt. Maar niet elke dor bovengenoemde stoffen is als eene
voor de plant onontbeerlijke te beschouwen; wat tal van
proeven hebben doen blijken. In iederen grashalm b.v.b. bevindt
zich kiezelzuur; het gras echter groeit normaal, al geeft men
het ook een voedsel, dat volkomen kiezelzuurvrij is. Hetzelfde
is met het natron het geval. Ook liet natron is eene stof, die men
weliswaar in iedere plant aantreft, maar die de meeste cultuur-
plantcn niet absoluut noodig hebben om zicli normaal te
ontwikkelen, waarom men het natron dan ook niet tot de
eigenlijke voedingsstoffen der plant rekent. Alleen het water,
het koolzuur, de stikstof, het phosphorzuur, het kali. de kalk,
de magnesia, het ijzeroxyde en het zwavelzuur worden als
werkelijke plantenvocdingsstoffen beschouwd: zij zijn voor
het plantenleven ten eenenmale onontbeerlijk, want ontbreekt
er óénc van, zoo is do voeding der plant, do vorming van
organische stof, d. i. de eigenlijke groei, niet mogelijk.
-ocr page 13-
II. Welke stoffen zijn voor de bemesting der
planten het gewichtigst?
Stikstof, phosphorzuur, kali, kalk, magnesia, ijzeroxyde
en zwavelzuur moet de bodem bevatten, zal hij in staat zijn,
planten te voeden; dit volgt uit het in het vorig hoofdstuk
besprokene. Elk dier zeven stoffen mi heeft voor de voeding
der planten dezelfde waarde.
De plant kan het ijzer en de
magnesia zoomin ontberen als het phosphorzuur en de stikstof,
want zij leeft niet van afzonderlijke voedingsstoffen, maar van
uit voedingsstoffen samengestelde voedingsmiddelen, en voor de
samenstelling der laatste is elke der eerste noodzakelijk.
Maar zijn dan ook met het oog op de bemesting alle voedings-
stotfen oven gewichtig? Wanneer de plant het ijzeroxyde
evenmin kan ontberen als het kali, dan zal men toch wel
evenzeer te zorgen hebben voor eenen genoegzamen voorraad
ijzeroxyde als voor eene behoorlijke hoeveelheid kali? De
volgende cijfers geven hierop een afdoend antwoord.
De mangelwortel b.v.b. heeft, om eenen vollen oogst op
te brengen, per H.A. noodig:
250 K.G. kali, en
5 „ ijzeroxyde.
Daarentegen bevat de bouwkruin tot op eene diepte van
V» M. ongeveer per H.A.
5000 K.G. kali, en
150000 K.G. ijzeroxyde.
Dienovereenkomstig zou dus het gehalte van den bodem
aan kali voor 20 oogsten mangelvvortels, het ijzcrgehalto
echter voor niet minder dan 30000 oogsten voldoende zijn,
waaruit wel zonder meer duidelijk is, dat men met het oog
op den voorraad ijzer in den bodem volkomen gerust zijn kan,
en dat ten opzichte der behoefte van den bodem aan bemes-
ting het kali eene veel gewichtiger voedingsstof is dan het
-ocr page 14-
12
ijzeroxyde. Van de magnesia, het zwavelzuur en de kalk
geldt vrijwel hetzelfde als van het ijzeroxyde. Al zijn er
ook tal van gronden, die zóó weinig kalk bevatten, dat zij
in de behoefte der planten aan deze voedingsstof niet kunnen
voorzien, zoo is toch de noodzakelijkheid eener kalkbcmesting,
zoowel als van eene zwavelzuur- en magnesia-bemesting, op
verre na niet eene zoo algemeene, als gebleken is het geval
te zijn ten opzichte van die drie voedingsstoffen, welke men
met recht als voor do bemesting het gewichtigst pleegt aan
te duiden; het klaverblad stikstof, phosphorzuur on kali n.1.
Zelden zal men eenen bouwgrond aantreffen, die stik-
stof, phosphorzuur en kali genoeg bevat, om de planten zoo
volkomen als mogelijk is te kunnen voeden; betrekkelijk
zelden zal men eenen zelfs met stalmest geregeld bemesten
bodem vinden, waarvan door bemesting met phosphorzuur,
of kali, of stikstof, of een mengsel dezer drie, niet nog aan-
zienlijk rijker opbrengsten te verkrijgen zijn dan zonder de
aanwending van hulpmeststoffen. Mot het oog op de bemesting
zijn dus de genoemde drie verreweg de gewichtigste van
alle planten voedingsstoffen; zij zijn in betrekkelijk geringe
hoeveelheden in don bodem aanwezig en moeten in de eerste
plaats daaraan wordeu toegevoegd. De meststoffen-fabrikanten
en handelaren garandeeren dan ook in hunne artikelen slechts
een zeker gehalte aan stikstof, phosphorzuur on kali, en do
marktwaarde der handelsmeststoffen hangt uitsluitend af van
haren rijkdom aan de drie voornaamste plantenvoedingsstofi\'en.
-ocr page 15-
III. Welke meststoffen zijn voor ooft- en groententeelt,
voor tuinbouw en bloemisterij de gewichtigste?
Wij wenschen niet do lange reeks der verschillende, bij
den landbouw in gebruik zijnde meststoffen Lier uitvoerig te
bespreken; alleen do voor ons tegenwoordig dool meest ge-
bruikclijke en belangrijke daarvan dienen kortelijk behandeld
te worden, en slechts het allernoodzakelijkste over haren aard
en hare werking zij hier in boknopten vorm medegedeeld.
1. De Stalmest.
De hooge beteekenis, welke de stalmest voor alle in de
volgende bladzijden te besproken cultures hoeft, is iedoren
man der practijk welbekend. Niet alleen bevat de stalmest
alle planten voedingsstoffen, zoodat hij in den waren zin des
woords het voedingsmiddel der planton bij uitnemendheid ge-
noemd kan worden, maar bovendien bevat hij ook z. g.
organische stof, uit stroo en dierlijke excrementen bestaande
materie, wolko in den bodem in eono fijnverdeelde, turf-
achtige massa, don z. g. humus, overgaat, die den grond
losmaakt, hem vochtig houdt, hem verwarmt, en hem chemisch
werkzaam doet zijn. De humus is een factor van beteekenis
met het oog op do vruchtbaarheid van den bodem; zonder
humus is die physische gesteldheid van de bouwkruin, welke
voor de cultuurplanten een eerste vereischte is, niet te ver-
krijgen, en daar or geen geschikter materiaal voor de humus-
vorming bestaat dan juist de stalmest, laat zich hieruit de
hooge beteekenis verklaren, welke mon aan den stalmest als
een middel tot verhooging en behoud van de vruchtbaarheid
van den bodem pleegt toe te kennen.
-ocr page 16-
14
100 K.6. stalmest bevatten gemiddeld:
75 KG. water,
20 „ organische stof,
0.5 „ stikstof
0.5 „ kali,
0.25 „ phosphorzuur,
0.6 „ kalk.
De stalmest is, in vergelijking niet de handelsmeststoffen,
procentisch arm aan plantenvocdingsstoffen, en daar zijne
bestanddoelen slechts langzaam tot ontbinding overgaan, is
het begrijpelijk, dat de werking van den stalmest cenc be-
trekkelijk langzame is. Ja, zij is inderdaad cene zóó langzame,
dat zij onder gewone omstandigheden niet voldoende is, om
de tuinbouwgewassen tot de meest volkomen en meest rente-
gevende ontwikkeling te brengen.
Een eenvoudig voorbeeld moge dit duidelijk maken!
Om de hoogste opbrengst van witte kool te verkrijgen,
hebbon de koolplanten rond 600 K.G. kali per H.A. door
hare wortels op te nemen, d. w. z. zooveel kali, als in
120.000 K.GK stalmest aanwezig is. Zal dus de stalmest in
de behoefte der witte-koolplanten aan kali voorzien, zoo
moeten niet minder dan 120.000 K.Gr. stalmest per H.A-
dermate tot ontbinding overgaan, dat hun totaal gehalte aan
kali voor de plantenwortels gemakkelijk opneembaar, en door
de koolplanten inderdaad ook opgenomen wordt. Vergelijkt
men dit nu echter met de gebruikelijke sterkte ceuer stalbe-
mesting, die in den regel per jaar nog geen 40.000 K.Gr. per
H.A. bedraagt, en neemt men dan daarbij nog den uiterst
langzamen loop van het ontbindings-proces van den stalmest
in aanmerking, zoo is het licht te begrijpen, dat eene volkomen
ontwikkeling der tuinbomvgewassen en de rijkste opbrengsten
daarvan niet anders kunnen verkregen worden dan door naast
stalmest ook nog hulpmeststoffen aan te wenden.
-ocr page 17-
15
2. Thomasphosphaatmeel en superphosphaat.
Deze beide meststoffen dienen ter verrijking van den
grond met gemakkelijk opneembaar phosphorzuur; zij behooren
tot de gewichtigste handelsmeststoffen, en worden tegenwoordig
reeds in ons land gebruikt in hoeveelheden, die de 40.000
tons \'s jaars stellig overschrijden.
Het Thomasphosphaatmeel is eenc bij de staalberciding
gewonnen phosphorziuirhoudcnde kalksoort, welke gemiddeld
14 a 18 % phosphorzuur bevat, en in uiterst fijn gemalen
toestand in den handel wordt gebracht. Overgiet men het
Thomasphosphaatmeel met water, zoo lost zich in het laatst-
genoemde geen phosphorzuur op; strooit men het echter
uit op akker- of tuingrond, en vermengt men het door
omploegen, omspitten of inhakken met de bouwkruin, dan
gaat het tot ontbinding over, en stelt het zijn phosphorzuur
ter beschikking van de plantenwortels. Proefnemingen heb-
ben aangetoond, dat van 100 deelen phosphorzuur in Thomas-
phosbpaatmcel ongeveer 30 deelen reeds in den loop van den
zomer door de planten kunnen worden opgenomen, wanneer
het althans niet aan vochtigheid ontbreekt.
Aanzienlijk sneller dan het phosphorzuur in Thomas-
phosphaatmcel werkt dat in superphosphaat.
Natuurlijke phosphaton (apatieten, phoshorieten, phosphaat-
guano\'s, e. d. g.), wier ontbinding in don grond eene uiterst
langzame zou zijn, worden in fabrieken gemalen, met zwavel-
zuur vermengd, gedroogd, en dan in poedervorm als super-
phosphaat in den handel gebracht. Het toegevoegde zwavelzuur
verandert de phosphaton derwijze, dat hun phosphorzuur in
water oplosbaar wordt, zoodat het superphosphaat eene
meststof is, welke zich gemakkelijk in het in den bodem aan-
wezige water oplost, zich zoo gelijkmatig mogelijk in de
bovenste grondlagen verspreidt, door de plantenwortels snel
opgenomen wordt, en dus eene krachtige en snelwcrkende
voeding der planten met phosphorzuur mogelijk maakt.
-ocr page 18-
16
Wat aangaat de betrekkelijke werking van liet Thomas-
phosphaatmeel en bet superphosphaat, kan in bet algemeen
gezegd worden, dat do werking van eene zekere boeveelbeid
van het laatste ongeveer gelijk is aan die van tweemaal
dezelfde boeveelbeid van bet eerste.
De hoogc belangrijkheid van bot phospborzuur voor ons
tegenwoordig doel blijkt wel duidelijk genoeg hieruit, dat
de tuinbouwgewassen niet minder den 60, 100, ja zelfs tot
150 en 200 K.G. phospborzuur toe per H.A. moeten opnemen,
om de hoogste opbrengsten te geven!
Voor de doelmatigste aanwending van Thomasphosphaat-
meel en superphosphaat geven wij ton slotte nog de volgende
aanwijzingen.
a. Het Thoinasphosphaatmccl is oen bij uitnemendheid
geschikt middel, om den bodem, en in bet bijzonder de
diepere lagen daarvan, van eenen voorraad werkzaam, de
normale ontwikkeling der cultuurplanten verzekerend phos-
phorzuur te voorzien. De diepere grondlagen zijn in den
regel zeer arm aan werkzaam phospborzuur, en hierin ligt
eene der hoofdoorzaken van het verschijnsel, dat diopwortclonde
planten (ooftboomen, siorstruiken, enzJ er vaak ziekelijk gaan
uitzien en zich niet noemenswaard meer ontwikkelen, wanneer
zij eenen zekeren leeftijd bereikt hebben. Het verdient daarom
ten zeerste aanbeveling, in de diepere grondlagen eenen
bepaalden voorraad phosphorzuur in den vorm van Tbomas-
phosphaatmeel te brengen. Men verzuime dus niet, bij den
aanleg van boomgaarden, van plantsoenen, van groentenvelden,
e. d. g. eene rijkelijke hoeveelheid Thomaspbosphaatmeel aan
den bodem toe te voegen. Het zal ruimschoots do moeite en kosten
beloonen, wanneer men in alle zooeven genoemde gevallen eiken
M*. aarde met ongeveer 0,6 K.G. Thomasphosphaatmeol ver-
mengt. Per 100 M2. oppervlakte dient men dus te gebruiken:
bij eene bewerking van den grond tot op eene diepte
van 75 cM. 45 K.G. Thomasphosphaatmeel;
„ 50 s 30 u
                   u
„ 25 „ 15 „                   „
-ocr page 19-
17
Geeft men den bodem dezen voorraad van langzaam
werkend phosphorzuur (ook het kalkgehalte van het Thomas-
phosphaatmcel oefent op kalkarmc gronden eencn niet gering
te schatten invloed ten goede uit), zoo verkrijgen de diep-
gaande wortels daardoor eene ongemeen krachtige constitutie;
de overblijvende planten verkrijgen eencn langoren levensduur;
aanhoudende droogte zal weinig of geene schade kunnen
berokkenen, en ook van de vorst zullen de planten minder
te lijden hebben.
b.    Het verdient aanbeveling, boomgaarden, plantsoenen,
groentenvelden, bloembedden, en in het algemeen alle voor
soortgelijke intensieve cultures bestemde gronden, telken jaro
in den herfst met ongeveer 500 K.G. Thomasphosphaatmecl
per H.A. te bemesten. Het Tliomasphosphaatmcel worde daar-
toe met wat vochtige aarde vermengd, gelijkmatig uitgestrooid,
en door omploegen of omspitten met de bouwkruin in eene
zoo innig mogelijke aanraking gebracht.
c.    Het superphosphaat dient men te gebruiken, om eene
zoo snel mogelijke ontwikkeling der planten, met name godu-
rende hare eerste groeiperiode, te verzekeren. Den landbouwers
is het sinds lang bekend, dat met superphosphaat bemeste
bieten de niet met in water oplosbaar phosphorzuur bemeste
vaak reeds bij de eerste behakking 8 k 12 dagen inontwikkc-
ling vooruit zijn, en dat de met superphosphaat bemeste
halmgewasscn dikwijls 8 a 14 dagen vroeger gemaaid kunnen
worden dan de niet met phosphorzuur bemeste. Vooral de
ontwikkeling der planten in hare eerste groeiperiode kan
door eene bemesting met superphosphaat in hooge mate bevor-
derd worden: het zoo gemakkelijk oplosbare phosphorzuur
werkt reeds op do jonge plantjes, wanneer deze pas even uit
den grond komen kijken; het bevordert hare bladontwikkcling
krachtig, en doet ze breed en forsch uitstoclen. Zulk eene
geforceerde ontwikkeling der planten in hare vroegste jeugd,
eene versnelling van haren groei, eene verkorting van hare
vegetatie-periode, is echter voor den tuinbouw van niet minder
waarde dan voor den landbouw. Het is toch van veel belang,
-ocr page 20-
18
dat ooftboomen, besscnstruiken, enz. in het voorjaar zoo spoedig
en zoo weelderig mogelijk in het blad komen, op het juiste
tijdstip gaan bloeien, en de vrucht zich onder de gunstigste
omstandigheden kan zetten, Avant hoe beter dit alles geschiedt,
des te zekerder zijn ook de uitzichten op eenen zoowel in
kwantiteit als in kwaliteit bevredigenden oogst.
Van niet minder belang is het, dat groenten, en zaad-
planten in het algemeen, zich snel en weelderig ontwikkelen,
opdat zij de gevaren, waarmede tal van dierlijke en plant-
aardige parasieten, aanhoudende droogte, vorst, enz. haar
bedreigen, ten spoedigste ontgroeien, — zoo spoedig mogelijk
een uitgebreid, diepgaand, krachtig wortelnct vormen, en zóó-
veel levenskracht, zooveel weerstandsvermogen opdoen, dat
zij aan alle vijandige aanvallen met succes het hoofd kunnen bieden.
Ter bereiking van dat alles is het in de eerste plaats
noodzakelijk, dat de planten in hare eerste groeiperiode
zooveel gemakkelijk en snel opneembaar phosphorzuur tot
hare beschikking hebben, als zij met cenige mogelijkheid
kunnen verwerken. Ecnc bemesting met superphosphaat is
dus van het grootste gewicht; beneden zullen wij er dan ook
nog meer speciaal op terugkomen.
d. Het in den bodem gebrachte phosphorzuur is niet
alleen een voedingsstof bij uitnemendheid voor do planten,
en dus als zoodanig reeds van hooge waarde, maar door oenc
overvloedige bemesting met phosphorzuur stelt men de planten
ook in staat, ten volle te profiteren van de zoo dure stikstof
welke men in den vorm van Chili-salpoter, salpctcrzurc kali,
zwavelzuren ammoniak, of in den vorm van stalmest, beer,
e. d. g. in den grond brengt. Zoo hebben proeven b. v. b.
doen zien, dat haverplanten uit elk gram toegevoegde stikstof
produceeren:
27   gram   korrels,   wanneer   tegelijkertijd 0  gram  pliospUorznur  gegeven  werd;
8"        ii ii ii                     ii                ]/i » " ii »
51        w » »                     it                l/s ii i> ii »
      ii n n                n           "\'/i " ii u n
-ocr page 21-
19
e. Wij willen ten slotte nog opmerken, dat het super-
phosphaat met een zeer verschillende gehalte aan in water
oplosbaar phosphorzuur in den handel wordt gebracht. Het
meest gebruikt wordt echter superphosphaat met een gehalte van
14 % in water oplosbaar phosphorzuur. Bijzondere aandacht
verdient ook het z. g. duhbelstiperphosphaat, dat met een ge-
halte van 40 a 45 % in water oplosbaar phosphorzuur geleverd
wordt. Daar het dubbelsupcrphosphaat 2 a 3 maal zoo ge-
conccntrecrd is als het gewone superphosphaat, zijn ook de
transportkosten dienovereenkomstig veel minder, en bovendien
werkt het, mits met oordeel en beleid aangewend, ook krach-
tiger en met nog meer zekerheid dan het gewone super-
phosphaat.
3. Chili-salpeter en zwavelzure ammoniak.
Een flinke opbrengst koolrapen onttrekt aan den bodem
een totaal van niet minder dan 330 K.G. stikstof per H.A.
Bekent men hier nu nog bij, wat voor de vorming van loof
en wortels noodig is, zoo blijkt, dat ten minste 400 K.G.
gemakkelijk oplosbare stikstof per H.A. gedurende cenige
weinige zomermaanden ter beschikking van genoemde groente-
soort in den bodem aanwezig moeten zijn, zal men op eenc
zoo groot mogelijke opbrengst kunnen rekenen. 400 K.G.
stikstof echter beduiden eene hoeveelheid van niet minder
dan 80.000 K.G. stalmest, die per H.A. gegeven zouden moe-
ten worden en tot volledige ontbinding overgaan, om in de
begoeften der koolrapen geheel te voorzien.
Uit dit voorbeeld blijkt genoegzaam de onmogelijkheid,
de tuinbouwgewassen door uitsluitende bemesting met stal-
mest tot do hoogst mogelijke ontwikkeling te brengen, en
het is gemakkelijk te begrijpen, dat de Chili-salpeter en de
zwavelzure ammoniak, welke in 100 K.G. zooveel gemakkelijk
opneembare stikstof bevatten als eerst na de volledige ont-
binding van 3000 & 4000 KG. stalmest oplosbaar worden, van
het hoogste gewicht zijn voor den tuinbouw. Door de genoemde
-ocr page 22-
2(1
stikstofzouten zijn inderdaad resultaten te verkrijgen, welke tot
de meest verrassende en interessante op dit gebied behooren.
Het is niet moeielijk, de werking dor Chili-salpeter op
de planten duidelijk in het oog te doen springen. Men losse
hiertoe ongeveer 10 gram salpeter (ongeveer eenen eetlepel
vol) in eenen circa 10 L. inhoudenden, met water gcvulden
gieter op, en begictc met deze oplossing in het voorjaar of
in den zomer een bloembed, een groenten veldje of een pas
gemaaid gazon. Vaak reeds na enkele dagen zal men de
werking van de salpeter bespeuren; het groen der planten
wordt donkerder, de bloemen kleuren zich levendiger, bladeren
en stengels ontwikkelen zich welig en frisch. Wonderbaar
is het soms inderdaad, hoe snel do werking van de salpeter
intreedt, en hoe duidelijk die zich vertoont. Men komt door
dergelijke bemestingsproeven op bescheiden schaal al spoedig
tot de overtuiging, dat de behoefte aan stikstof en het succes
eener stikstofbemesting niet bij alle cultuurplanten gelijk ziju.
Eene bemesting met Chili-salpetcr werkt op halmgewassen,
kool- en bietensoorten, enz. veel krachtiger dan b.v.b. op
wikken, erwten en klaver. Boonen, erwten, klaver en derge-
lijke planten (leguminosen) gedijen op eenen in goeden toe-
stand zich bevindende bodem ook zonder stikstofbemesting
doorgaans zeer weelderig, terwijl bieten, kool, uien, komkom-
mers, asperges, aardbeziën, ooftboomen en -struiken, gras,
enz. enz. bepaald behoefte hebben aan toevoer van gemakkelijk
oplosbare stikstof, zullen zij zich snel en flink ontwikkelen,
en rijke opbrengsten opleveren.
Nog een paar opmerkingen tot slot.
a. Chili-salpcter bezit een gehalte aan stikstof van 15a
16 % in den vorm van salpcterzuur; in zwavelzuren ammo-
niak wordt een minimum-gehalte van 20 % stikstof gewaar-
borgd, welke daarin, gelijk de naam genoegzaam aanduidt,
in den vorm van ammoniak voorkomt. Beide zouten zijn in
water gemakkelijk oplosbaar, en doen snel hare werking zicht-
baar worden, de Chili-salpcter altijd nog aanmerkelijk sneller
dan de zwavelzure ammoniak.
-ocr page 23-
21
b.   Op lichten, zandigen tuingrond verdient het aanbe-
veling, de bij het bezaaien of beplanten der groenten en
bloembedden in den bodem te brengen stikstof in den vorm
van zwavelzuren ammoniak aan te wenden, en voor latere
stikstof bemesting de Ohili-salpeter te gebruiken. Beide zouten
vullen elkaar n.1. door hare bijzondere eigenschappen zeer
voordeelig aan: de zwavelzure ammoniak werkt meer geleide-
lijk, want eerst door de langzaam in den bodem plaatsvin-
dende omzetting van zijne stikstof in salpeterzuur vermag hij
den planten tot voedingsmiddel te dienen; de Chili-salpeter
daarentegen behoeft geene chemische omzetting meer te onder-
gaan, maar is direct voor de plantenwortels opneembaar, en
werkt dienoverkomstig sneller dan het ammoniakzout.
c.   Een verder onderscheid tusschen beide meststoffen
bestaat in hare verschillende eigenschappen ten opzichte van
de absorptie door den bouwgrond. De salpeter-stikstof blijft
vrij in den bodem circuleeren, en volgt daarbij de circulatie
van het in den grond aanwezige water, zoodat het onder
omstandigheden (bij aanhoudende sterke regens, en bij eenen
gemakkelijk waterdoorlateuden, nog niet mot voldoende gewor-
telde planten bezetten bodem) medegevoerd kan worden naar
den ondergrond, tot waar de plantenwortels niet meer reiken.
De ammoniak-stikstof daarentegen blijft niet vrij beweeglijk
in den ondergrond, maai- wordt, zoolang zij nog niet in salpe-
teizuur is omgezet, door den grond geabsorbeerd, en staat
dus veel minder dan de Chili-salpeter bloot aan het gevaar
van nitspoeling naar den ondergrond. Het zal nu wel zonder
meer duidelijk zijn, waarom het aan te bevelen is, zwavel-
zuroii ammoniak bij den zaai of bij het poten, en Cuili-salpeter
voor overbemesting te gebruiken.
4. Chloorkalium en zwavelzure Kali.
Er is reeds boven aan herinnerd en in een voorbeeld op
gewezen, hoe buitengewoon groot de behoefte aan kali van
vele tuinbouwgewassen is, en hoe men in die behoefte door
-ocr page 24-
22
uitsluitende aanweneing van stalmest in den regel niet vol-
ledig voorzien kan.
Bij ooftboomen en een groot aantal groentensoorten, met
name bij verschillende koolsoorten, beeft men dan ook reeds
de beste resultaten door bet gebruik van gemakkelijk oplos-
baro kalizaten verkregen, en het is gebleken, dat de behoefte
dor cultuurplanten aan kali eono vele grootere is dan men
vroeger placht aan te nemen.
Als voorbeeld biervan kunnen o.a. de halmgewassen
dienen. Men was tot vóór korten tijd de meening toegedaan,
dat de halmgewassen geeno bepaalde behoefte aan eone kali-
bemesting hebben, en dat dus do kalimeststoffen voor do prac-
tijk van don graanbouw nauwelijks van eenig belang zijn.
Tal van proeven op groote en kleine schaal hebben echter
zóó schitterend het tegendeel bewezen, dat thans ecno volkomen
omgekeerde mcening gehuldigd, en ecne kalibcmesting niet
alleen voor erwten, boonon, tabak, bieten, enz. maar wel
degelijk ook voor alle gramineeën van hoog belang geacht wordt.
Wat nu de behoefte der verschillende tuinbouwgewassen
aan kali betreft, kan gezegd worden, dat die behoefte in den
regel eeno zeer groote is. Vooral kool- en bietenvelden, \'ooft-
booinen en gazons dient men met betrekkelijk qroote hoereel-
heden
te bemesten, en daartoe verdient bet aanbeveling, de
in ons opschrift genoemde geconcentreerde kalizouten te gc-
bruiken, wijl deze vrij zijn van de in eenigszins grootere
hoeveelheid nadeclig werkende natronverbindingen.
Hot kaïniet b. v. b., dat men in den landbouw metuit-
stekond succes (vooral op zandgronden) aanwendt, is bij oenen
zeer intensief gedreven tuinbouw niet aanbevelenswaardig,
daar het bij een kaligchalto van ongeveer 12 % niet minder
dan circa 30% chloornatrium bevat, welke laatste, zoodra het
in te groote hoeveelheid in den bodem komt, hoogst schadelijk
werkt. Chloorkalium en zwavelzure kali bevatten daarentegen
circa 50 % kali, en zijn daarbij nagenoeg natronvrij.
-ocr page 25-
23
5. De chemisch zuivere mestzouten:
salpeterzure kali, phosphorzure ammoniak en
phosphorzure kali.
De salpeterzure kali met een gewaarborgd gehalte van
1372 % stikstof en 44 % kali, de phosphorzure ammoniak met
een gewaarborgd gehalte van 7 % stikstot en 45 % in water
oplosbaar phosphorzuur, en de phosphorzure kali met een ge-
waarborgd gehalte van 38 % in water oplosbaar phosphor-
zuur en 28 % kali, munten boven Chili-salpeter, zwavelzuren
ammoniak, superphosphaat, zwavelzure kali en chloorkalium
daardoor uit, dat zij gcene of nagenoeg geene nevenbestand-
deelen bevatten : zij zijn derhalve als chemisch zuivere gecon-
centreerde
meststoffen aan te duiden. Wij wensehen over de
bijzondere voordeden, welke in die chemische zuiverheid gelegen
zijn, en die vooral voor ons tegenwoordig doel eene eigen -
aardige beteokenis hebben, eenigszins uitvoerig uit te weiden.
Wanneer men de cultuurplanten met Chili-salpeter, zwavel-
zuren ammoniak, gewoon superphosphaat en Stassfurter kali-
zouten bemest, brengt men, behalve de in deze meststoffen aan-
wezige hoofdvoedingsstoffen, dus behalve stikstof, phosphorzuur
en kali,
ook nog zulke stoffen in den bodem, waarvan de
planten slechts zeer geringe hoeveelheden kunnen verwerken.
Onze cultuurplanten hebben gemiddeld noodig:
op 100 deelen salpeter-stikstof slechts 17 deelen natron;
op 100 doelen ammoniak-stikstof slechts 19 deelen zwavelzuur;
op 100 deelen phosphorzuur slechts 59 deelen zwavelzuur; •
op 100 deelen kali slechts 16 deelen chloor.
Daarentegen zijn aanwezig:
in Chili-salpeter: op 100 deelen salpeter-stikstof 221 deelen
natron ;
in zwavelz.-ammoniak: op 100 deelen ammoniak-stikstof 285
deelen zwavelzuur;
in superphosphaat: op 100 deelen phosphorzuur 124 deelen
zwavelzuur;
in chloorkalium: op 100 deelen kali 75 deelen chloor.
-ocr page 26-
W
BS
s
i
-ocr page 27-
25
Uit deze cijfers blijkt dus, dat men door bemesting met
Chili-salpoter, zwavelzuren ammoniak, superphospbaat en
cbloorkaliuni aanzienlijk meer natron, zwavelzuur en chloor
in den grond brengt dan de planten in verhouding tot de drie
voornaamste plantcnvoediugsstoti\'en: stikstof, phosphorzuur
en kali, kunnen verwerken.
De vraag rijst nu, of de zoodoende van lieverlede in den
grond gebrachte overmaat van natron, zwavelzuur, chloor,
enz. niet belemmerend op den groei, en nadeelig op de
kwaliteit van de producten der planten moet werken ?
Deze vraag is in dien zin te beantwoorden, dat bij de
in het landbouwbedrijf in aanwending komende hoeveelheden
der genoemde meststoffen bedoeld gevaar in den regel niet
te duchten is, en alleen bij wijze van uitzondering zich zal
voordoen. In dit opzicht kan de tabak tot voorbeeld dienen :
door eene bemesting toch van de tabak met chloorhoudende
kalizonten verkrijgt men steeds een product, dat tengevolge
van zijn te hoog chloorgehalte eenen leelijken en slechten
brand bezit. Do chemische industrie heeft er dan ook al
sinds jaren naar gestreefd, eene voor de bemesting van tabak
volkomen geschikte complete meststof te vinden, waarin men
pas in den allerjongsten tijd geslaagd is. l)
Van meer beteekenis dan voor den landbouw is boven-
staande vraag voor den tuinbouw, voor de bloementeelt, en
in het algemeen voor alle meer kostbare, fijnere cultures,
want hierbij moeten twee omstandigheden in aanmerking
genomen worden. De eerste daarvan is, dat men bij tnin-
bouwcultures, niet name bij de steeds zoo intensief gedreven
groententeelt, 3 sï 4 maal zooveel meststoffen per H.A. moet
gebruiken als in liet landbouwbedrijf. Terwijl toch de land-
bouwer zich in den regel met éénen oogst per jaar moet
tevreden stellen, tracht de groententeler door den verbouw
1) Men zie over ilit vooral voor Nederlandsen-Fndië zoo hoogst gewichtige
vraagstuk de vanwege de „Maatschappij tot verkoop van hulpiiieststoffen in Neder-
land en Koloniën" uitgegeven, en door haar i/ru/is verkrijgbaar gestelde brochure :
De bemestiny der Indische \'1\'abaksyrouden.
-ocr page 28-
2G
van geschikte tusschenvruchten twee, drie, en soms zelfs
wel vier oogsten in den loop des jaars van denzelfden grond
te verkrijgen. Door eene krachtige bemesting:, kunstmatige
besproeiing, cene rationeele vrucht wisseling en voel arbeid
brengt do groententeler het tot eene zóó intensieve productie,
dat op zijnen grond drie a viermaal zooveel stikstof, phos-
phorzuur en kali por HA. in plantaardige materie wordt
omgezet als in het gewone landbouwbedrijf mogelijk is.
Ten gevolge dier zoo krachtige bemesting nu — en dit is de
hiei\' in aanmerking komende omstandigheid f
— hoopen zich
de, nevcnbestanddeelen der bovengenoemde meststoffen (Chili-
salpeter, zwavelzure ammoniak, enz.) dermate in den grond op,
dat het niet anders kan, of die overmaat moet ten slotte eenen
belemmerenden invloed op den groei en de ontwikkeling der
planten gaan uitoefenen.
De tweede hiervóór bedoelde omstandigheid is deze.
In het landbouwbedrijf heeft men mot een betrekkelijk
klein aantal plantensoorten te doen. Men kan dit aantal
gemakkelijk overzien, on zonder al te veel moeite voor
elke soort beproeven, of grootere hoeveelheden der met
de hulpineststoffen in den bodem gebrachte nevenbesland-
deelen schadelijk werken of niet. Bij den tuinbouw echter
zijn daaraan tal van bezwaren verbonden. Men heeft daar
met een veel grooter aantal soorten en variëteiten te
doen, en kan onmogelijk mot elke daarvan min of meer
serieuse proeven nemen, waarbij komt, dat de fijne ooft-
en groentensoorten, bloemen, e. d. g. in don regel veel
teerdere, veel gevoeliger planten zijn dan do veldgewas-
sen. Met onmogelijk is het, dat sommige in den bodem
zich sterk ophoopende zouten van nadecligen invloed zijn
juist op die eigenschappen, welke het product zijn eigenlijke
waarde verleenen. Wij bedoelen daarmede, dat liet denkbaar,
en zelfs waarschijnlijk is, dat het fijne aroma der edelste
vruchten, de eigenaardige smaak der fijnere groentensoorten,
de kleurenpracht der bloemen, enz. in meerdere of mindere
mate verloren gaan, wanneer sommige zuren en zouten in zoo
-ocr page 29-
27
groote hoeveelheden zich in den hodem ophoopen, dat de plan-
ten genoodzaakt worden, eene overmaat daarvan op te nemen.
Het is, dunkt ons, onnoodig, nog nader hierop in te gaan.
Hoe gewonscht het zijn moet, voor zekere cultures zoo zuiver
mogelijke meststoffen te bezitten, d. w. z. meststoffen, welke
zooveel mogelijk in haar geheel, zonder restant over te laten,
door de plant opgenomen en verwerkt worden, meststofen dus,
die geene zich in den bodem overmatig ophoopendc neven-
bestanddeelen bevatten, volgt genoegzaam uit het vooraf-
gaande, en het mag als eene groote schrede voorwaarts in de
meststoffen-industrie beschouwd worden, dat het gelukt is,
de in ons opschrift genoemde zuivere geconcentreerde mest-
stoffen te fabriceeren tot prijzen, welke het gebruik daarvan
voor alle waardevolle, fijnere cultures mogelijk en rentabel
maken.
6. Meststoffen speciaal voor de bloementeelt.
Eene z. g. complete meststof, d. w. z. eene meststof, die
alle drie de voornaamste plantenvoedingsstoffen (stikstof,
phosphorzuur en kali) bevat, wordt door geono der in de
vorige paragraaf genoemde meststoffen geleverd. Toch is
zulk eene complete meststof in het algemeen voor potcultures
als een bepaald vereischte to beschouwen. Weliswaar zullen
sommige plantonsoorten voor eene der genoemde voedings-
stoffen eene zekere voorkeur vertoonen, en daarvan meer
opnemen en verwerken dan van de andere, maar door de
overgroote talrijkheid der bij de bloementeelt in aanmerking
komende plantonsoorten en variëteiten is zulks voor elk
bijzonder geval met geene mogelijkheid te controleeren. Wan-
neer dus eene meststof wordt aangeboden, welke de drie voor-
naamste planten voedende bestanddeolen bevat in eene verhouding,
die ongeveer aan de gemiddelde behoefte der cultuurplanten
beantwoordt, en wanneer dan de bedoelde voedingsstoffen in
gemakkelijk opneembaren vorm en nagenoeg vrij van schade-
lijke, of in ieder geval waardelooze nevenbestanddeelen in
die meststof voorkomen, zoo mag deze zeer zeker een bloemenmest
-ocr page 30-
28
hij uitnemendheid genoemd worden. Zulk een bloemenraest nu
is te verkrijgen door een doelmatige vermenging der in de
vorige paragraaf genoemde chemisch zuivere zouten, en wol
eene vermenging in deze verhouding, dat men een meststof
verkrijgt met een gehalte van 12% stikstof, 16% phosphorzuur
en 20% kali. Dit is, blijkens de reeds in tal van gevallen
door de practijk opgedane ervaring, eene meststof, welke in
het bijzonder voor alle potcultures, zoewel van bloem- als van
bladplanten, bij uitnemendheid dienstig is, en vaak in onge-
looflijk korten tijd inderdaad verrassende resultaten doet zien.
Toediening eener geringe hoeveelheid van dezen bloemenmost
bevordert den wasdom der planten in het algemeen krachtig,
doet de bladeren en stengels een frisch en glanzend uiterlijk,
en de bloemen levendiger, fijner genuanceerde kleuren verkrijgen,
in één woord verandert den habitus der meeste planten in
opvallende mate, en maakt het bekomen van specimen-planten
veel gemakkelijker en zekerder dan de kweekkunst op zich-
zelf tot nog toe vermocht.
Wij spraken daar van toediening eener geringe hoeveelheid.
Inderdaad kan tegen de aanwending van te rijkelijke hoe-
veelheden van dezen bloemenmest niet genoeg gewaarschuwd
worden : men bedenke toch, dat men hier te doen heeft met
zóó sterk geconcentreerde zouten, dat reeds een teveel van
betrekkelijk weinig beteekenis eenen uiterst nadeeligen invloed
oj) de planten kan uitoefenen. Het is dus zaak, in deze
steeds de uiterste voorzichtigheid in acht te nemen. Het
best wendt men den blooinenmest in opgesloten vorm aan,
waartoe men bij snelgroeiende en krachtig zich ontwikkelende
planten 1 gram, en bij langzamer zich ontwikkelende soorten
niet meer dan 1/2 gram in 1 L water opgelost. Eene gedurende
het groeitijdperk om de veertien dagen herhaalde begieting
zal in den regel als voldoende kunneu worden beschouwd.
Ter bemesting van gazons zal het beter zijn, eene mest-
stof aan te wenden, die iets minder stikstof, maar daarentegen
wat meer phosphorzuur en kali bevat dan de hiervóór be-
doelde bloemenmest. In het algemeen zal voor gazonbemesting
-ocr page 31-
29
een uit de in de vorige paragraaf besproken chemisch zuivere
meststoffen samengesteld mengsel met een gehalte van 7 %
stikstof, 19 % phosphorzuur en 35 % kali het best aan het
doel beantwoorden. Door het begieten met eenc oplossing van
dit mengsel, welke in 1 L. 2 gram bevat, en door zulk cene
begieting om de veertien dagen te herhalen, kan men er zeker
van zijn, een gazon te verkrijgen, uit een dicht, er malsch
en sappig uitziend grastapijt bestaande.
IV. Eenige opmerkingen over de beste en zekerste wijze
van aanwending der kunstmeststoffen.
Wij hebben er reeds opgewezen, dat de yievenheatanddeelen
der kunstmeststoffen (natron, chloor, zwavelzuur, enz.), wanneer
zij in grootere hoeveelheden in den bodem gebracht worden, of
door herhaalde zeer sterke bemesting zich jn den bodem ophoopen,
onder omstandigheden nadeelig kunden werken. Past men
b.v.b. eenc bemesting toe van ongeveer 120 K.G. stikstof per
H.A. (eenc bemesting, die voor tuinbouwculturcs nog geene
overmatig sterke is), en gebruikt men daartoe jaar in jaar
uit Ohili-salpotor — 120 KG. stikstof beduiden eenc hoevoel-
hcid Ohili-salpcter van ongeveer 800 K.G. —, zoo is het niet
onmogelijk, eer zelfs waarschijnlijk, dat het natron van de
(\'hili-sulpcter ten slotte conen nadeeligen invloed op de chemisch-
physische gesteldheid van den bodem gaan uitoefenen. Dit
gevaar moet vermeden worden, en het is ook gemakkelijk te
vermijden hierdoor, dat men slechts der helft der in den bodem
to brengen stikstof in den vorm van Chili-salpeter geeft, en
de andere helft in den vorm van zwavelzuren ammoniak b.v.b.
of van salpetcrzure kali. Door eene oordeelkundige keuze der
meststoffen, en vooral door gebruik te maken van de chemisch
zuivere mestzouten, is zonder veel moeite do schadelijke wer-
king te voorkomen, welke door het teveel aan nevenbestand-
deelen der kunstmeststoffen zou kunnen worden veroorzaakt.
Overigens echter zijn nadccligc invloeden der kunstmest-
-ocr page 32-
30
stoffen slechts dan mogelijk, wanneer deze laatste te eenzijdig,
of in te grooten overvloed, of op een ongeschikt tijdstip aan-
gcwend worden. Zoo kan b.v.b. eene eenzijdige sterke super-
phosphaatbemesting, zonder voldoende toevoeging van stikstof
en kali, daardoor schadelijk werken, dat zij de aanvankelijke
ontwikkeling der planten zeer bespoedigt, een te snel verbruik
van den beschikbaren stikstofvoorraad voroorzaakt, en aldus
eenen vroegtijdigen, op do normale vruchtvorming ongunstig
influencecrenden „stikstofhongcr" doet ontstaan. Zoo ook kan
eene eenzijdige sterke salpeterbcmcsting, wanneer zij zonder
eene gelijktijdige voldoende phosphorzuur- en kalibemesting
plaatsvindt, daardoor schadelijk werken, dat zij eene overver-
zadiging der planten met stikstof, eene vertraging van het
rijpingsproces, en eenen zekeren aanleg tot ziekelijkheid (door
plantaardige parasieten te voorschijn geroepen) veroorzaakt.
Ook een te overvloedig toedienen van gemakkelijk oplos-
bare meststoffen kan nadeelig werken. Om b. v. b. eene rijke
opbrengst aan bloemkool te verkrijgen, zijn in ronde cijfers
225 KG. stikstof en 300 K.G. kali per H.A. noodig. Brengt
men deze hoeveelheden in den vorm van gemakkelijk oplos-
bare zouten ineens in den bodem, zoo kan eene schadelijke,
werking intreden; dient men ze ech ter in gedeelten toe, b.v.b
een derde bij het uitplantcn, een derde vier weken later, en
de rest nog eens drie of vier weken daarna, zoo heeft men
voor eene schadelijke werking niet te vreezen.
Hoe voordeelig het is, de planten geleidelijk gemakkelijk
oplosbare meststoffen toe te dienen, komt het best uit bij de
cultuur van potplanten. Het herhaald begieten met eene op-
lossing, welke ongeveer Va gram bloemenmest op 1 L water
bevat, werkt bij de meeste planten, vooral bij de langzaam
groeiende en slechts zwak zich ontwikkelende, veel beter dan
wanneer men den mest ineens in eene voor twee of drie
maanden voldoenden hoeveelheid toedient.
Eindelijk kan eene bemesting nog daardoor schadelijk
werken, dat zij op een ongeschikt tijdstip wordt toegepast-
In den nazomer aangewende sterke salpoterbemestingen ver-
-ocr page 33-
31
traging het rijpen der vruchten, werken eene ontijdige ont-
wikkeling der vrucht knoppen in de hand, en verhinderen
eene normale rijping van het hout, waardoor het gevaar voor
bevriezen grootcr wordt. Zoodra het eigenlijke productie-
tijdperk der plant verstreken is, en eene voortbrenging van
plantonmaterie dus feitelijk niet meer plaats vindt, maar de
vegetatieve werkzaamheid er zich in hoofdzaak toe bepaalt,
de in de bladeren gevormde stoffen naar de vrucht te trans-
porteeren, of in de ondcraardscho organen op te hoopen,
mag men de plant niet meer bemesten mot aandrijvende,
d. w. z. den groei forcecrende, stoffen. De werking dezer
stoffen kan dan geene andere dan eene nadeelige zijn. Vooral
bij do cultuur van potplanten heeft men hierop te letten.
Alleen in vollen wasdom zich bevindende potplanten mag men
met bloemcnncst bemesten. De slapenden moet men laten
rusten: in oranjerie of koude kas overwinterende planten
bemeste men dan ook niet met gemakkelijk oplosbare stoffen: zij
hebben geenen honger, en eerst als de lente komt, zijn zij weer
in staat, anorganische zouten in bladeren en bloemen om to
zetten. Ook ziekelijke planten mag men niet met te groote
hoeveelheden bemesten; men moet ze met beleid en voorzich-
tigheid behandelen, en geleidelijk gewennen aan eene rijkelijke
opname van voedsel. Men zal vaak kunnen waarnemen, dat bij
een aantal potplanten dcrzelfde soort, waarvan sommige zie-
kelijk, en de overige gezond zijn, door sterke bemesting een in
het oog loopend onderscheid tusschen beide te voorschijn geroe-
pen wordt: de gezonde planten ontwikkelen zich welig en forsch,
de ziekelijke daarentegen worden door de bemesting gedood!
-ocr page 34-
B. By zonder Gedeelte.
Aet spreekt wel vanzelf, dat de cijfers, die wij in de
volgende bladzijden gaan geven, niet te beschouwen zijn als
de voorschriften van een doktersrecept, d. w. z. als voor gcenc
vermeerdering of vermindering vatbaar, en dus voor elk
speciaal geval onveranderlijk vaststaande. De receptuur in
dien zin behoort nu eenmaal niet meer op het gebied der
bcmestingsleer thuis! Onze cijfers hebben derhalve niet zoo-
zeer cene absolute, als wel eene relatieve betcokenis: zij
stellen slechts eene gemiddelde voor, cene norm, waaraan
men, al naar de bijzondere conditiën van bodem, cultuur, enz.
een meer of minder belangrijk deel zal hebben toe te voegen
of te ontnemen.
Wij moeten er verder uitdrukkelijk de aandacht op ves-
tigen, dat, voor zoover althans onze cijfers betrekking hebben
op ooftbouw en groententeelt, daarbij stilzwijgend wordt ver-
ondersteld, dat eene geregelde, om de twee of drie jaar terug-
kcerende flinke bemesting met stalmest plaats heeft. Geschiedt
dit niet, of slechts gedeeltelijk, zoo dienen onze cijfers met
de helft of een derde te worden verhoogd. Hiertegenover
staat, dat, waar overvloedig met beer bemest wordt, of de
grond zeer humusrijk is, het cijfer voor de stikstof bemesting
tot op twee derde of nog minder gereduceerd kan worden. In
ieder geval bedenke men, dat voor eene hoog intensieve cul-
tuur, gelijk met name de groententeelt is. eene intensieve
bemesting als eerste vereischte moet worden beschouwd, en
alleen daarvan, onder overigens normale omstandigheden, de
hoogste opbrengsten te verwachten zijn.
-ocr page 35-
33
1. De bemesting der oóftboomen.
Do oóftboomen bevinden zich in het algemeen in cenen
slecht gevocden toestand; zij geven dientengevolge niet alleen
slechts betrekkelijk schrale opbrengsten, maar hebben tevens
ook van te grootc droogte en te grootc vochtigheid, van insecten
en allerlei ziekten veel meer te lijden dan bij betere voeding liet
geval zou zijn. Hoe krachtiger een boom gevoed wordt, hoc
werkzamer zijne verschillende organen zijn, des te grooter weêr-
stand vermag hij alle storende invloeden te bieden, en dos te
beter zal hij in staat zijn, hem toegebrachte schade te herstellen.
Maar niet slechts de gezonde ontwikkeling en het weêr-
standsvermogen der oóftboomen worden door eone rijkelijke
voeding bevorderd, ook de opbrengst stijgt en do kwaliteit
der vruchten verbetert. Voor tal van gevallen heeft de
ervaring dit als een feit lecren kennen. Zoo was b. v. b.
het resultaat cener bemesting van leiboomon met salpeterzurc
en phosphorzure kali, dat slechts weinig afval van jonge
vruchten waargenomen werd, en dat, bij een gezond uiterlijk
en een weligen groei der boomen, de volwassen vruchten
door gaafheid, grootte, zwaarte, ecno dunne schil, en uitlok-
kende kleuren uitmuntten. De smaak der vruchten had in
geen enkel opzicht geleden ; integendeel hadden zij aan sap-
pigheid, zoetheid en fijn aroma gewonnen, en in vele gevallen
viel eene vermindering der melighoid te constatceren. Ook
was eene gunstige ontwikkeling der vruchtknoppen voor het
volgende jaar waar te nemen.
Deze resultaten bevestigen, wat wij hiervóór in onze in-
leiding gezegd hebben: eene uitsluitende bemesting met stal-
mest — hoe voordeelig en noodzakelijk deze voor de ver-
betering van den physischen toestand van den bodem ook zijn
moge, — is niet voldoende, om eene zoo hoog mogelijke
opbrengst aan ooft, en eene zoo goed mogelijke kwaliteit der
vruchten te verkrijgen.
-ocr page 36-
34.
Als het doelmatigst is de volgende wijze van bemesting
voor boomgaarden te beschouwen: J)
500 K.G. superphosphaat van 14 %,
(of 160 K.G. dubbelsuperphosphaat,)
160 „ chloorkalium of zwavelzure kali, en
200 „ zwavelzure ammoniak;
of:
70 „ salpeterzure kali, en
180 „ phosphorzurc kali,
150 „ zwavelzure ammoniak.
De meststoffen moeten in het voorjaar gelijkmatig uitgc-
strooid, en door omspitten met den grond vermengd worden.
Men geve vervolgens omstreeks half Mei nog cenc bemesting van
300 K.G. Chili-salpctcr per H.A. Tegen het einde van Juni
of het begin van Juli herhale men deze salpetcrbemesting,
of (en dit verdient nog meer aanbeveling) men brengo
ongeveer 300 K.G. „bloemenmest" per H.A. in den grond,
om de ontwikkeling der vruchten en van het vruchthout te
bevorderen. Men dient den mest gelijkmatig uit te strooien,
en met hak of hark even onder te brengen. Aanzienlijk werk-
zamer nog dan de uitstrooiing van het droge zout is ecne
begieting met ecne oplossing van 1 gram Chili-salpcter. of
„bloemenmest" op 1 L. water; op laatstbedoelde wijze ver-
krijgt men vaak inderdaad verrassende resultaten, vooral
dan, wanneer de boomen rijk dragen. Het afvallen der
vruchten, en de onvolkomen ontwikkeling van deze en van
het vruchthout bij zeer overvloedig dragen der boomen, is
door eene doelmatige bemesting, en met name door een
herhaald begieten met ecne oplossing van „bloemenmest",
grootendecls te voorkomen. Hoe overvloediger de boom
\') Hier. gelijk in het vervolg overal, geven, waar verder niets gezegd wordt,
de cijfers de per H.A. aan te wenden hoeveelheid aan. De voor eene kleinere
oppervlakte benoodigde hoeveelheid is daaruit door eene eenvoudige becijfering
gemakkelijk genoeg te berekenen.
-ocr page 37-
35
draagt, des te krachtiger moet men hem bemesten, want niet
alleen de vruchten, maar ook de voor het volgend jaar zich
zettende vruchtknoppen moeten voldoende gevoed worden,
opdat een rijke oogst niet altijd door eenen mislukten worde
gevolgd.
2. De bemesting der Conifeeren.
De conifeeren belmoren tot die planten, welke hare
voedingsstoffen bij voorkeur uit oplossingen van betrekkelijk
geringe concentratie opnemen. Het verdient aanbeveling, do
conifeeren, voor zoover doenlijk, gedurende de maanden Mei,
Juni en Juli zoowat om de veertien dagen met eene oplossing
van 1 gram „bloemenmcst" op 1 L. water sterk te begieten.
Is zulk eene begieting niet wel uitvoerbaar, zoo strooie men
in April, Mei en Juni telkens 20 gram „bloemenmcst" per M2.
uit, en brenge het zout met de hak onder.
Wij wenschen er hier nog eens de aandacht op te vestigen,
dat de conifeeren in den regel minder aan gebrek aan voedsel
dan aan watergebrek lijden. Waar coniferen slecht tieren of
geheel afsterven, daar ligt de oorzaak vaak hierin, dat men
niet genoeg rekening houdt met de behoefte dezer planten
aan water, welke behoefte gedurende de herfst-, winter- en
lentemaanden aanzienlijk grootcr is dan die der loofboomen.
Boomen en struiken, die in den herfst hun blad verliezen,
hebben gedurende hunne rustperiode bijna in het geheel
geen water noodig; bij de conifeeren echter, gelijk bij
de overige altijdgroenc gewassen, vindt niet alleen in den
zomer, maar — ofschoon weliswaar in veel mindere mate —
ook in den winter verdamping van water door de bladeren
plaats: zij doen den bodem sterk uitdrogen, en het verdient
daarom aanbeveling, wanneer winter en lente droog zijn, de
coniferen dan des daags bij eene milde temperatuur te begieten.
3. De bemesting van siorboomen en struikgewassen.
Sierboomen, sierstruiken, bloeiende en bessen dragende
struiken, rozen, enz. kan men op dezelfde wijze bemesten
-ocr page 38-
36
als bij do ooftboomen aangegeven is. Al naarmate de boomen
en struiken groot of klein zijn, en moer of minder sterk
groeien, bemeste men ze overvloediger of minder. Na cenige
oefening en ervaring is het niet mociclijk met do eigenaardige
behoeften dezer planten behoorlijk rekening to houden d.w.z.
ze zóó te bemesten, dat ze geen honger lijden, maar ook
niet al te zeer oververzadigd worden. Herhaald sterk begieten
met oplossingen van 1 gram „bloem enmest" op 1 L. water
gedurende de maanden Mei, Juni en Juli, kan niet dringend
genoeg aanbevolen worden. De resultaten dier bomestings-
wijze zijn doorgaans treffend! Alleen denkc men er aan, dat
voor vorst zeer gevoelige gewassen niet tot in den laten
herfst bemest mogen worden. De normale rijping van het
hout wordt anders gestoord.
4. De bemesting der koolsoorten.
(Roode en witte hooi, savoye-kool, bloemkool, koolrapen, enz)
Deze planten behoeven eenc betrekkelijk sterke bemos-
ting; vooral hebben zij veel stikstof en kali noodig. De
volgende wijze van bemesting moge als normaal gelden.
600 K.G. superphosphaat van 14 %,
(of 200 K.G. dubbelsupcrphosphaat,j
250 „ chloorkalium of zwavelzure kali, en
250 „ zwavelzure ammoniak;
of;
140 „ salpeterzurc kali,
250 „ phosphorzurc kali, en
150 „ zwavelzure ammoniak.
Het best doet men, wanneer men zoowat veertien dagen
vóór het uitzetten der jonge plantjes de meststoffen gclijk-
matig over het land uitstrooit, en door omspitten met den
bodem vermengt. Bij het eerste behakken der planton ver-
dient het aanbeveling, bovendien nog cene bemesting van
-ocr page 39-
37
ongeveer 300 KG. „bloeraenmest", 100 K.G. salpeterzure
kali, en 100 K.G. Chili-salpeter per H.A. te geven, welke
bemesting men ter verkrijging der hoogst mogelijke opbrengst
bij de tweede behakking dient te herhalen.
Daar de salpeter-bemesting tot de vorming van korsten
aanleiding geeft, moet de bodem zorgvuldig met de hak be-
arbeid worden.
Kan men de overbemesting in vloeibaren vorm geven
(1 a 2 gram in 1 L. water opgelost), zoo verdient dit in alle
gevallen de voorkeur.
5. De bemesting der bietensoorten.
(Roode bieten, peen, rapen, ramenas, radijs, enz.)
Op deze gewassen kan men dezelfde wijze van bemesting
toepassen als bij de koolsoorten is aangegeven. De hoofdbe-
mesting brengt men het best 8 a 14 dagen vóór den zaai in
den bodem, de overbemesting, al naar de ontwikkeling der
planten, na 3, 4 of P> weken.
Buitengewoon gunstige resultaten zijn te verkrijgen, wan-
neer men de jonge plantjes zorgvuldig en herhaaldelijk met
eene „bloemenmesf-oplossing (1 gram op 1 L. water) begiet.
Kadijs, ramenas, roode bieten, enz. groeien dan ongemeen snel,
en verkrijgen tevens een bijzonder fijn, sappig vruchtvleesch.
6. De bemesting der erwten en boonen.
Erwten, boonen en dergelijke planten (alle leguminosen)
hebben niet in dezelfde mate behoefte aan eene stikstofbe-
mesting als de overige gewassen. Zij zijn, voor zoover hare
behoefte aan stikstof betreft, niet uitsluitend van de stikstof-
verbindingen in don bodem afhankelijk, maar, onder mede-
werking van zekere microiirganisnien in staat, ook de vrije
stikstof der dampkringslucht op to nemen en in hare weefsels
te verwerken. Van dit eigenaardig vermogen der leguminosen
trekt men in het landbouwbedrijf partij: men geeft erwten,
wikken, klaver, enz. geene of eene slechts zeer zwakke stik-
-ocr page 40-
38
stofbemosting, en laat ze ter voorziening in hare verdere
behoefte uit de goedkoope stikstof bron der lucht putten. Het
hoofddoel hierbij is eene zoo goedkoop mogelijke productie,
ook al wordt daardoor niet altijd de hoogst mogelijke opbrengst
verkregen.
In het tuinbouwbedrijf is het echter met den toestand
anders gelegen: de tuinbouwproducten staan veel hooger in
prijs dan de producten van den akkerbouw, en de factor
bemesting maakt in het tuinbouwbedrijf een veel kleiner ge-
deelto der productiekosten uit dan bij hot landbouwbedrijf het
geval is. Moet het bij het laatste als weelde beschouwd wor-
den, erwten, boonen, cuz. met aanzienlijke hoeveelheden stikstof
te bemesten, zoo kan zulks in liet tuinbouwbedrijf wel zeer
zeker rationeel en rentabel zijn, wanneer men n.1. door eene
stikstofbemesting eene snellere en weligere ontwikkeling der
planten verkrijgt. De hoogere bemestingskosten drukken hier
veel minder zwaar. Het zal daarom het beste zijn, alleen bij
meer extensief gedreven boonen- en erwtencultures in zake
stikstof bemesting te bezuinigen, maar daarentegen bij de veel
intensievere en meer waardevolle tuinbouwcultures aan te
wenden:
400 KG. superphosphaat van 14 %,
(of 120 K.G. dubbelsuperphosphaat,)
200 „ chloorkalium ol zwavelzure kali, en
150 „ (ihili-salpeter;
of:
150 „ salpetemire kali,
130 „ phosphorzure kali, en
20 ,, (\'hili-salpeter.
Alen strooie de nioststoft\'en goed gemengd bij den aanleg
der bedden uit, en zorge door omspitten voor eene goede ver-
menging met den bouwgrond. Bij het behakken en aanaar-
den der planten kan men nog eene overbemesting van onge-
veer 200 K.G. „bloemenmest" per H.A. geven, en deze eenige
weken later herhalen.
-ocr page 41-
39
7. De bemesting van komkommers, augurken en uien.
In het voorjaar, bij het aanleggen der bedden, brenge
men in den grond;
400 K.G. superphosphaat van 14 %,
(of 120 K.G. dubbelsuperphosphaat,)
200 „ chloorkalium of zwavelzure kali, en
150 „ zwavelzure ammoniak;
of:
150 „ salpeterzure kali,
130 „ phosphorzure kali, en
50 „ zwavelzure ammoniak.
Bij het\'behakkcn geve men nog eene overbemesting van
ongeveer 200 K.G. „bloemenmest". Door verder eenige malen
herhaald begieten der komkommer- en augurkenplanten met
eene oplossing van 1 gram „bloemenmest" in 1 L. water zijn
bij uitnemendheid gunstige resultaten te bekomen.
8. De bemesting der salade.
Eene zeer sterke bemesting moet men salade niet geven;
zij is echter bijzonder dankbaar voor eene vaak herhaalde
begieting met eene niet te geconcenteerde „bloemenmest"-
oplossing. Vóór de beplanting der bedden brenge men in den
grond:
400 K.G. superphosphaat van 14 %,
(of 120 K.G. dubbelsuperphosphaat,)
40 „ chloorkalium of zwavelzure kali, en
100 „ zwavelzure ammoniak;
of:
130 K.G. phosphorzure kali, en
100 „ zwavelzure ammoniak.
Als overbemesting bepale men zich tot een vaker begieten
met eene oplossing van 1 gram bloemenmest in 1 L. water.
9. De bemesting der asperges.
Men bemeste de aspergebedden in Maart ongeveer aldus:
-ocr page 42-
40
300 K.G. superphosphaat van 14 %
(of 80 K.G. dubbelsuperphosphaat,)
200 „ chloorkalium of zwavelzure kali, en
200 „ zwavelzure ammoniak;
of:
100 „ phosphorzure kali,
150 „ chloorkalium of zwavelzure kali, en
200 „ zwavelzure ammoniak.
Zoodra men met liet steken der asperges heeft opge-
houden, strooio men ongeveer 200 K.G. „bloemenmest" per
II. A. uit, brenge de meststof met do hak onder, en geve ongeveer
4 weken later nog eens dezelfde bemesting.
10. De bemesting der selderij.
Sclderijknollen van flinke grootte en voortreffclijken smaak
zijn uitstekend te verkrijgen door herhaald zorgvuldig begieten
met cene „bloemenmesf-oplossing. Men bemeste de bedden
vóór het beplanten op dezelfde wijze als bij de asperges
werd aangegeven. Zijn do planten goed op streek gekomen
en begint zich cene flinke bladontwikkeling te vertoonen, zoo
begiete uien ze naar gelang van haren meer of minder
krachtigen wasdom alle acht of veertien dagen met eene
oplossing ter sterkte van 1 gram op 1 L. water.
II. De bemesting der aardbeziën.
Men geve deze, berekend voor cene oppervlakte van 1 Are:
l\'/z K.G. phosphorzure kali, en
IV2 n Ohili\'Salpetcr.
Deze meststoffen strooie men in Maart uit, en zij dienen
even ondergebracht te worden, wat men het best met de
hak kan doen.
Zeer dankbaar zijn de aardbeziën voor eene begieting
met eene „bloemenmesf-oplossing (1 gram op 1 L.) Men
kan met de begieting beginnen, zoodra de bloei voorbij is, en
het om de twee of drie weken herhalen. De vruchtzetting
-ocr page 43-
komt dan veel vollediger tot ontwikkeling, de vruchten worden
grooter en schooner, en do planten kraebtiger.
Uitstekende resultaten vooral kan men door het begieten
met eenc „blocmenmesf-oplossing bij geforceerde cultures
verkrijgen. De hiertoe bestemde planten moeten in den voor-
afgaanden zomer door zorgvuldig allo veertien dagen herhaald
begieten met do bekende oplossing gesterkt, en gedurende den
tijd van het foreceren, na den bloei, er alle acht dagen mede
begoten worden. Men verkrijgt zoodoende het resultaat, dat
-ocr page 44-
42
elke plant overvloedig draagt, hare vruchten grooter en gaver
worden, en veel vroeger rijp zijn dan die der niet bemeste planten.
12. De bemesting der kweekplanten.
Zal eenigc cultuurplant aan hooge eischen kunnen voldoen,
zal zij rijke opbrengsten geven, en tot eene zoo volkomen
mogelijke ontwikkeling geraken, zoo is het een eerste ver-
cischte, dat zij in hare vroegste jeugd krachtig gevoed wordt.
Zwakke salade-, kool-, selderij planten, enz. brengen het zelfs
bij eene zoo zorgvuldig mogelijke verpleging en eene over-
vloedigo bemesting nooit tot de hoogste ontwikkeling. Men
beginne er daarom zoo vroeg mogelijk mede, do planten eene
krachtige voeding te verstrekken.
De aanwending van oude, aan voedende bestanddeelen
rijke bladaarde voor den aanleg van het kweekbed, het ge-
bruik van voortreffelijke zaden, en eene zorgvuldige verpleging
der kweekplanten door te zorgen, dat steeds de beste conditiën
van temperatuur, vochtigheid, enz. aanwezig zijn: ziedaar de
noodzakelijke voorwaarden voor de teelt van krachtige, kern-
gezonde planten, die de voortbrenging van een aan de hoogste
eischen van kwantiteit en kwaliteit voldoend product waarborgen.
Zoodra de plantjes eenige cM. hoog opgegroeid zijn, be-
giete men ze met eene oplossing ter sterkte van 1 gram
„bloemenmest" op 1 L. water, wat men, al naar gelang
van de meer of minder snelle ontwikkeling der planten, om
de 4, 8 of 12 dagen herhale. Men zal daarvan steeds gun-
stige uitkomsten verkrijgen: de plantjes zullen zich welig
ontwikkelen, en een krachtig en dicht wortelnct vormen.
13. De bemesting van kleinere boomgaarden en moestuinen.
De hiervóór door ons aangegeven cijfers gelden voor cul-
Uvre<s, die uitr/estrekt genoeg zijn, om de aanwending eener aan
de bijzondere behoeften der verschillende plantensoorten beant-
tvoordende bemesting te rechtvaardigen.
Waar bedoelde cultures
op kleinere schaal, \'of zelfs maar voor eigen huiseluk gebruik,
gedreven worden, is het natuurlijk onmogelijk, op het stuk
-ocr page 45-
43
van bemesting met de eigenaardige behoefte van elke cul-
tuur rekening te houden. Men kan eenvoudig in kleinere
tuinen niet ieder afzonderlijk groentenbed ecne speciaal samen-
gestelde bemesting geven. Zij zou trouwens ook doelloos zijn,
want de verschillende gewassen met hun vaak zoo uitgebreid
wortelnet staan hier zóó dicht bij elkaar, en op hetzelfde
groentenveldje wisselen de verschillende cultures elkaar in
den loop van den zomer zoozeer af, dat het feitelijk dwaasheid
zijn zou, wanneer men telkens eene speciale bemesting wilde *
toepassen. Onder zulke omstandigheden kan sleehts van eene
bemesting van eene meer algemeene strekking sprake zijn,
d. w. z. men moet de tuinen eene bemesting geven, die ecnen
voor allo cultuurplanten toereikenden voorraad voedingsstoffen
bevat. Elk gewas \'voor zich neemt dan uit dien voorraad dat-
gene en zooveel op, als het bepaald noodig heeft, en daar de
cultures afwisselen, en bovendien de verschillende gewassen
dicht bij elkaar staan — onder den grond nog dichter dan
daarboven!— regelt het voedingsevenwicht, als wij hot zoo
mogen noemen, feitelijk zichzelf. Neemt de eene plant b.v.b.
veel kali en weinig stikstof op, zoo verbruikt eene andere,
die er naast staat of er op volgt, wellicht weinig kali en
veel stikstof. De verschillen neutraliseeren elkaar, vullen elkaar
aan, en er bestaat weinig kans, dat eene bepaalde voedings-
stof als onverbruikt restant zich te veel in den bodem ophoopt.
Een enkel voorbeeld moge dit duidelijk maken!
De stalmest bevat op 100 deelen stikstof 12G doelen kali.
Daarentegen verbruikt b. v. b. bloemkool op 100 deelen
stikstof 131 deelen kali, kropsalado op 100 deelen stikstof
170 deelen kali, en uien op 100 doelen stikstof ook 100 deelen
kali. Zeer verschillend is dus do verhouding, waarin deze
gewassen kali en stikstof opnemen, en in geen van de drie
gevallen komt bedoelde verhouding overeen met die, waarin
de stalmest de genoemde voedingstoffen aanbiedt. Voorziet
men nu echter den bodem van eenen behoorlijken voorraad
stalmest, en verbouwt men vervolgens daarin achter elkaar
de genoemde groentensoorten, zoo heffen de aangeduide
-ocr page 46-
44
verschillen elkaar op, en de in den grond gebrachte hoeveel-
heid stalmest biedt juist zooveel kali en stikstof aan als do
drie groenten gezamenlijk noodig hebben. Dit blijkt uit de
volgende berekening.
Eene bemesting met 80,000 K.G. stalmest\'bevat 400 KG.
stikstof en 504 K.G. kali. Nu onttrekken de hoogste opbreng-
sten aan bloemkool, kropsalade en uien per If.A. aan den bodem,
bloemkool.... 228 K.G. stikstof en 298 K.G. kali;
kropsalade.... 46 „
         „ » 81 „ „
uien......... 108 „         „ „ 108 „ „
tezamen 382 „         „ „ 487 „ „
Trekt men deze bedragen van de in 80,000 K.G. stalmest
bevatte hoeveelheden af, dan schieten er 18 K.G. stikstof en
17 . K G. kali over. De verschillen hebben elkaar zoo goed
als volkomen opgeheven: stikstof en kali zijn door de drie
cultures gezamenlijk juist in die verhouding verbruikt ge-
worden, waarin de stalmest ze bevat.
Men dient dus kleinere tuinen ceno bemesting te geven,
welke niet met do bijzondere behoefte cenor bepaalde planton-
soort, maar met de gemiddelde behoefte van alle verbouwde
soorten overeenkomt, dus een uit verschillende voedingsstoffen
samengesteld mengsel, dat voor meerdere op elkaar volgende
of naast elkaar groeiende plantensoorten past.
Overeenkomstig dit principe zij de volgende wijze van
bemesting aangeraden.
Vooreerst trachte men door eene krachtige bemesting met
stalmest een voldoend humusgehalte, en aldus eene gesteld-
heid van den grond te verkrijgen, welke het gedijen ook
van de meer gevoelige en veeleiscbcnde plantensoorten ver-
zekert, en het weerstandsvermogen tegen verschillende schade-
lijke invloeden zoo sterk mogelijk doet zijn. Is het noodige
humusgehalte aanwezig, zoo geve men per M-:
35 gram superphosphaat van 14 %,
(of 12 gram dubbelsuperphosphaat,)
15 „ chloorkalium of zwavelzure kali, en
-ocr page 47-
45
20 gram zwavelzure ammoniak;
of:
10 „ salpeterziire kali,
13 „ phosphorzuro kali, en
13 „ zwavelzure ammoniak;
Of:
30 „ „bloemenmest."
Men strooie deze meststoffen in den zomer uit, en drage
zorg, ze door omspitten goed met den bodem te vermengen.
Behalve de aangegeven boofdbemesting is bet aan te
raden, nog ceno overbemesting te geven overal daar, waar
men ecne boog intensieve productie beoogt, en waar de verder
in deze nog in aanmerking komende factoren: cene gunstige
physisebe gesteldheid van den bodem, een voldoend gebaltc
aan humus en koolzure kalk, genoeg licht en behoorlijke
vochtigheid,, aanwezig zijn. Voor overbemesting is steeds
de z.g. „bloemenmest" te gebruiken, en wel in hoeveelheden
van ongeveer 20 gram per Ma, welke men alle vier a
zes weken dient te geven. Men strooie den „bloemenmest"
gelijkmatig uit, vermijdc zooveel mogelijk, dat zoutdeeltjes
op de bladeren terecht komen, en brenge het zout met de
hak onder. Het best en het zekerst werkt de „bloemenmest",
wanneer men hem in water oplost (1 gram op 1 L.), en
de planten met die oplossing begiet. Ooft- en sierboomen, en
struiken, die slecht in het hout zitten en weinig nieuw maken,
kool- en bietensoorten, asperges en selderij, zoomede alle
snelgroeiende bloem- en bladplanton, zijn vooral dankbaar voor
eono allo veertien dagen of drie weken herhaalde begicting
met do bedoelde oplossing. Overblijvende planten mogen echter
van Augustus af niet meer bemest worden, daar anders het
hout\' niet zeker genoeg meer tot rijpheid komt.
Nog zij opgemerkt, dat het doelmatig is, niet alleen
do bedden, maar ook de tusseben de beddon in liggende paden
met „bloemenmest" te bemesten, want de onder die paden
liggende grond is grootcndecls dicht met de wortels der plan-
-ocr page 48-
46
ten, die op do aangrenzende bedden aan de oppervlakte komen,
doordrongen.
14. De bemesting der gazons.
Over ■ de kunst, om volkomen gesloten onkruidvrije, en
er steeds frisch en sappig uitziende gazons te verkrijgen, is
reeds veel geschreven.
Aan liet zaadmengscl, de bewatcring, het tijdig scheren,
heeft men grootc waarde toegekend, en terecht, maar — den
hoofdfactor heeft men vergeten: cene herhaalde en krachtige
bemesting.
In verreweg de meeste gevallen laat men de gazons bc-
paald honger lijden; zij worden dientengevolge geel en op ver-
schillende plaatsen kaal, trots alle goede verzorging overigens.
Men bedenke, dat het jonge gras ongemeen rijk is aan stik-
stof, phosphorzuur en kali, en dat men den bodem des te
sneller uitput, hoc vaker men de gazons scheert, en hoc korter
men zo houdt. Wil men derhalve een steeds krachtig gevoed,
weelderig, dicht gazon hebben, dan is het noodzakelijk, het
in den loop van den zomer herhaaldelijk met kleine hoeveel-
heden van een, de verschillende hoofdvocdingsstoffen bevattend,
mengsel te bemesten.
Begin Maart geve men dus het gazon per M2 de volgende
bemesting:
15 gram salpetcrzurc kali,
20 „ Chili-salpeter, en
60 „ Thomasphosphaatmccl;
of:
30 „ „gazonmest".
Men vermenge deze meststoffen met wat vochtige aarde,
en strooic ze gelijkmatig uit.
Vanaf April geve men alle 3, 4 of 6 weken (hoc sneller
het gazon zich ontwikkelt, des te vaker) een e overbemesting
van ongeveer 15 gram „gazonmest" per M3. Men strooie den
mest gelijkmatig uit, en begicte het gazon vervolgens over-
vloedig met water.
-ocr page 49-
47
Nog meer aanbeveling verdient het, den „gazonmest"
niet droog, maar opgelost aan te wenden, en met die oplos-
sing (2 gram op 1 L. water) de gazons krachtig te begieten.
De uitkomsten, welke men dusdoende verkrijgt, zijn in hooge
mate bevredigend: het gazon wordt buitengewoon dicht, zoodat
alle onkruid in de kiem verstikt wordt, en zijne kleur is steeds
cene prachtig donkergroene.
15. De bemesting der tuinbloemen.
Een humusrijko, losse, warme bodem is, zooals men
weet, eerste vereischte voor cenen gezonden groei, voor ecne
welige ontwikkeling en cenen rijken bloei van alle soorten
tuinbloemen. Maar de gunstige physische gesteldheid van den
bodem is slechts de ééne, hiertoe noodzakelijke factor; de andere
is eene krachtige, ten allen tijde voldoende, doelmatige voeding
der planten.
Het verdient aanbeveling, in het voorjaar bij het omspit-
ten der bloembedden de volgende bemesting per M3 te geven:
5 gram salpeterzurc kali,
25 „ zwavelzure ammoniak, en
15 „ phosphorzure kali;
of:
40 „ „bloemenmest".
Deze meststoffen moeten tot op eene diepte van 20 a 30 cM.
innig met den bodem vermengd worden.
In den loop van den zomer kan men door overbemesting
do ontwikkeling dor planten nog krachtig bevorderen, en wel
geve men die overbemesting bij voorkeur in den vorm eener
begieting met eene oplossing van 1 gram „bloemenmest" op
1 L. water. Twee-, drie-, viermaal en vaker in den loop van
den zomer kan men de planten met die oplossing begieten.
Forsch groeiende rozen, geraniums en fuchsia\'s, krachtig zich
ontwikkelende bladplanten, als maïs, hennep, rhabarber, tabak,
ricinus, canna\'s, enz. zijn bijzonder dankbaar voor eene dik-
wijls herhaalde begieting met eene „bloemcnmesf-oplossing,
-ocr page 50-
-ocr page 51-
49
terwijl minder sterk zich ontwikkelende zomerbloemen, weinig
hout makende struiken, laag blijvende bladplantcn, met cenc
veel zwakkere bemesting tevreden zijn. Bepaalde voorschrif-
ten in deze zijn niet te geven. Een juiste blik, aan oefening
en ervaring gepaard, moet hier de wegwijzer zijn, en door
vergelijkende proeven moet men die juistheid van blik aan de
verkregen uitkomsten toetsen.
16. De bemesting der potplanten.
Werd er bij de behandeling van de bemesting der gazons
opgewezen, dat men deze in den regel honger laat lijden, en
dit de voornaamste reden is, waarom de gazons er zoo licht
verlept, dor en kaal gaan uitzien, zoo geldt hetzelfde in nog
veel meerdere mate van do potplanten. Gevoelt, begrijpt dan
ieder niet, hoeeeer het vaneelf spreekt, en a. h. tv. een axioma
is, dat de potplanten honger lijden, wanneer eij niet bemest
worden?
De beschikbare hoeveelheid aarde, al is de pot ook
betrekkelijk groot, biedt den wortels eene veel te kleine ruimte
om zich behoorlijk uit te breiden, en het gehalte dier aarde
aan gemakkelijk opneembare voedingsstoffen is, ook al gebruikt
men de rijkste grondsoorten, veel te gering, om de planten
zich zoo krachtig en zoo voordcelig mogelijk te doen ontwik-
kelen. Verschillende middelen Avorden aangewend, om aan dit
euvel tegemoet te komen, maar die middelen zijn alle onvol-
doende. Men verpot de planten, en brengt ze dus inversche,
aan voedingsstoffen rijkere aarde, doch deze aarde, zelfs de
beste peat en ham, is spoedig uitgeput, en doet de planten
honger lijden. Men raadt ook wel aan, een stuk lijm in den
pot te stoken, met hoornmeel te bemesten, of met eeneguano-
oplossing te begieten, maar dat alles is niet voldoende: op
zulke eene wijze verschaft men de planten niet gelijkmatig en
niet volledig genoeg de voornaamste voedingsstoffen, en boven-
dien werkt eene dergelijke bemesting lang niet altijd gunstig.
Eene geregelde aanwending daarentegen van den in de
vorige bladzijden reeds zoo vaak genoemden „bloomenincst\'
-ocr page 52-
50
GltOEE BLAVIGE TBADES CA FTIA.
Met Bloeinenmest bemest.
Onbemest.
-ocr page 53-
5.1
-ocr page 54-
52
waarborgt ecnc in nagenoeg alle gevallen volkomen bevrodi-
gende uitkomst. Over aard en eigenschappen van den „bloe-
menmest" bobben wij reeds in ons algemeen gedeelte het noo-
dige gezegd: om niet in herhalingen te treden, moeten wij
dus daarnaar verwijzen.
Tal van proeven, in den allerjongsten tijd met de aan-
wending van ,.bloemenmest" genomen, hebben de grootc waarde
er van voor de practijk zóó overtuigend in het licht gesteld,
dat men er in waarheid niet gunstig genoeg over kan oor-
deelcn. Op fuchsia\'s, geraniums, pelargoniums, rozen, anjelieren,
inirthen, oranjeboompjes, palmen, oleanders, heliotropen, camel-
lia\'s, azalea\'s, rhododendrons, gomboompjos, verbena\'s, petunia\'s,
colcus, canna\'s clivia"s, ricinus, adiantums, hj\'drangca\'s, cal-
ccolaria\'s, anthemis, clematis, orythrina\'s, cyclamen, tropaeolums,
salvia\'s, centaurea\'s, lobelia\'s, helianthenmms, ncriums, bou-
vardia\'s en tradescantia\'s: op die alle zonder onderscheid, en
op nog vele soorten en variëteiten meer, heeft de aanwending
van „bloemenmest" resultaten opgeleverd, die in alle gevallen
verrassend en in hooge mate bevredigend waren, en in som-
mige gevallen aan het ongelooflijke zouden grenzen, ware het
niet, dat men ze met eigen oogen aanschouwd had. De sterkste
bemesting bleken de snel zich ontwikkelende en veel schot-
makende planten te kunnen verdragen; langzaam groeiende en
zwak zich ontwikkelende planten daarentegen moesten met zeer
geringe hoeveelheden „bloemenmest\'\' bemest worden, wilde
men van een gunstig resultaat zeker zijn. Het gevoeligst
toonden zich bouvardia\'s, calceolaria\'s, adiantums en cyclamen,
alsmede clematis in nog niet volgroeide exemplaren.
Zeer gevoelig zijn ook gestekte, pas verpotte en nog
weinig of slecht gewortelde, en ziekelijke planten: deze mag
men óf in het geheel niet, óf slechts met zeer zwakke
oplossingen (V* gram op 1 L. water) bemesten.
Het best wendt men overigens den „bloemenmest" aan in
ceue oplossing ter sterkte van Va gram op 1 L. water. Van deze
oplossing geve men aan de planten, al naar de grootte van
den pot, Vsj V*, Vs, RU of Vi L., respectief zooveel, dat de
-ocr page 55-
5:s
aarde goed van vocht doortrokken is. Gemiddeld kan deze
bemesting iedere week gedurende de maanden Maart tot Sep-
tembcr herhaald worden. Van October tot Maart moet men
echter de potgowasson niet bemesten. Bepaalde kasplanten
evenwel geve men gedurende deze maanden om de veertien
dagen cene geringe bemesting.
Zeer langzaam groeiende of weinig zich ontwikkelende
plantensoorten, als: palmen, dracaena\'s, gomboompjes, mirthen,
adiantums, cyclamen, enz. begiete men niet te vaak met de
mestoplossing: slechts om de veertien dagen, of om de drie
of vier wekeu; snel groeiende en sterk zich ontwikkelende
soorten daarentegen, als: geraniums, pelargoniums, fuchsia\'s,
rozen, oleanders, heliotropen, verbena\'s enz. kan men, voor
het geval dat deze cene vrije, warme en lichte standplaats, en
eene gezonde en overvloedige ontwikkeling hebben, geduren-
de de zomermaanden meer dan eens per week met de mest-
oplossing begieten.
Aanbeveling verdient het om, wanneer de potten op
schalen of bakken staan, het water, dat zich na het gieten
of na oenen aanhoudenden regen in die schalen of bakken
verzameld heeft, geregeld weg te worpen, waardoor dan tevens
het uit de mestoplossing niet opgenomen restant verwijderd
wordt.
Het is niet wel mogelijk, meer bepaalde voorschriften
te geven, hoe vaak de bemesting dient herhaald te worden.
Daartoe loopen do omstandigheden te veel uiteen. Ervaring
en nauwkeurige waarneming dienen den juisten maatstaf te
leeren kennen: langs dien weg moet men het zóóver brengen,
dat men het den planten aanziet, of zij de bemesting ver-
bruikt hebben, en al of niet naar eene nieuwe verlangen.
Zijn de bladeren donker gekleurd, de schoten krachtig en
talrijk, is do wasdom forscli, het waterverbruik groot, en het
uiterlijk der geheele plant gezond, zoo lijdt zij geen honger.
Vertoonen echter de bladeren geen sappig groen, en ontwik-
kelt de plant zich traag, zoo kan — ingeval deze verschijn-
selen niet bepaald aan andere oorzaken, als gebrek aan licht,
-ocr page 56-
54
OZEA\'NDJEIIS.
Oubeuiest.
Met Bloemeuuiebt bemest.
-ocr page 57-
55
JP SLO X (Drumondii.)
■ ■. -. i. ■. - ■
•*,*i
-ocr page 58-
56
koude, overgrooto vochtigheid, zuurheid van den grond, gebrek,
aan kalk, toe te schrijven zijn, — met zekerheid aangenomen
worden, dat de voorraad voedingsstoffen opgeteerd is, en de
hongerende plant aan eene nieuwe bemesting behoefte heeft.
Wie hart heeft voor do kinderen Flora\'s, en zich met
liefde en toewijding op hare cultuur toelegt die zal spoedig
genoeg leeren, de planten op de beste wijze van voedsel te
voorzien, en met de bijzondere behoefte van elke plantensoort
in dit opzicht rekening te houden. Gezonde, krachtige, rijk-
bloeiende planten te verkrijgen is volstrekt zoo moeielijk niet,
zoodra men maar eerst teruggekomen is van de zoo geheel
verkeerde meening, dat eene potplant alleen dorst heeft,
slechts water en maar altijd weer water drinken wil, en geen
honger kent. Juist de potplanten moeten overvloedig en zorg-
viddig gevoed worden, opdat zij aan de betrekkelijk ongunstige
omstandigheden, waarin zij verkeeren, des te beter het hoofd
kunnen bieden.
Kas- en kamerplanten immers, zij leven in
gevangenschap ! De vrije lucht, het directe zonnelicht, de dauw,
de regen, de frischheid der in beweging zijnde atmosfeer, het
ruime en diepe aardrijk, de goede ventilatie van den bodem,
de gelijkmatige verdeeling van de.vochtigheid in den grond:
dat alles moet de in gevangenschap levende plant ontberen,
en wanneer men haar nu daarenboven nog honger laat lijden,
dan kan er niet veel van terecht komen!
Wie door eene eenvoudige proef de snelle en in het
oog vallende werking van den „bloemcnmest" waarnemen wil,
neme b. v. b. zulk eene proef met de groenbladige tradescantia,
de zoozeer gezochte en door hare krachtige ontwikkeling uit-
muntende hangplant. Men vuile daartoe vijf bloempotten van
10 cM. middellijn met gewone tuinaarde, en zotte hierin stekjes
uit van de tradescantia. Nadat de stekjes wortel geschoten
hebben, en voorspoedig aan het groeien zijn, begiete men pot
no. 1, zoo dikwijls hij water noodig heeft, met de mestoplos-
sing; pot no. 2 begiete men om de vier dagen, pot no. 3 om
de acht dagen, pot no. 4 om de twaalf dagen met de mestoplos-
sing; pot no. 5 daarentegen begiete men alleen met water.
-ocr page 59-
57
De werking van de mest oplossing zal zich bij deze proef
duidelijk laten zien: do plant in pot no. 5 zal in verhouding
tot de overige spoedig in hare ontwikkeling achterblijven; de
bladeren worden niet talrijker en blijven klein, en nemen van
weck tot week cene lichtere kleur aan, tot zij ton slotte
geheel geel geworden zijn, en als het ware den hongerdood
sterven; do planten in de overige potten daarentegen zullen
eene, naar verhouding van den toegedienden mest, meer of
minder weelderige ontwikkeling, gepaard aan eene toenemend
sappige kleur vertoonen : zij zullen zich door breede en vleezigo
bladeren, dicht loof, en krachtige, snel groeiende ranken
onderscheiden!
-ocr page 60-
58
CAN NA.
-ocr page 61-
59
FUCHSIA.
-ocr page 62-
i
-ocr page 63-
INHOUD.
bladz.
Inleiding.......................        3
A.    Algemeen gedeelte.
I. Met welke stoffen voedt zich de plant ?........        9
II.     Welke stoffen zijn voor de bemesting der planten het ge-
wichtigst?...................      11
III.    Welke meststoffen zijn voor ooft- en groententcelt, voor
tuinbouw en bloemisterij de gewichtigste?......      13
1.     De stalmest.................      13
2.     Thomasphosphaatmeel en superphosphaat ....      15
3.     Chili-salpeter en zwavelzure ammoniak.....      19
4.     Chloorkalium en zwavelzure kali........      21
5.     De chemisch zuivere mestzouten: salpeterzure kali,
phosphorzure ammoniak en phosphorzure kali . .      23
6.     Meststoffen speciaal voor de bloementeelt ....      27
IV.    Eenige opmerkingen over de beste en zekerste wijze van
aanwending der kunstmeststoffen..........      29
B.     Bijzonder gedeelte.
1.    De bemesting der ooftboomen............      33
2.    De bemesting der coniferen.............      35
3.    De bemesting van sierboomen en struikgewassen ....      35
4.    De bemesting der koolsoorten (roodo en witte kool, savoyekool,
bloemkool, koolrapen, enz.)...........•     36
5.    De benlesting der bietensoorten (roodo bieten, poen, rapen,
rammenas, radijs, enz.)..............      37
6.    De bemesting der erwten en boonen.........      37
7.    De bemesting van ko.ukommers, augurken en uien ...      39
8.    Do bemesting der salade..............      39
9.    De bemesting der asperges.............      39
10.    De bemesting der selderij..............      40
11.    De bemesting der aardbezien............      40
12.    De bemesting dor kweekplantcn...........      42
13.    De bemesting van kleinere boomgaarden en moestuinen .      42
14.     De bomesliug dor gazons..............      46
15.    De bemesting der tuinbloemcn............      47
16.    De bemesting der potplanten............      49
-ocr page 64-
-ocr page 65-
DE BLOEMENMEST EN GAZONMEST
als voren omschreven leveren wij ook franco huis per post-
pakket, in netto kistjes met Gebruiksaanwijzing als volgt:
1    KILO.......... . . . a f
l\'/s do.............„ „ 1.25
2      d«.............„ „ 1.50
»Vi <"\'".............„ „ 1-75
3      d«................ 2-
4      d«.............„ „ 2.50
5      d«........... . . „ „ 3.
in elk kistje is een glaasje aanwezig, voldoende voor één
liter water.
Wederverkuopers genieten belangrijke korting.
-ocr page 66-
d
&
cc
>
m
o
<J
>
9
eha
rzu
>
OU
o
-=l
i
J
il.
s
rboi
pho
S
d
SS
S
00
CD
T
-*!
-«J
W
P-.
GO
O
w
(3U
OS
Prf
PU
E=>
GO
—
E»3
pa
p
5
g
c4
„
—
F—\'
©
CO
00
Erf
m
Ti
hn
SH
rbor
c=>
CS3
-aj
SS
cS
£
il
II
«,
Pd
o
3
o
^
S
m
s*
i-
Ou
eS
e
CO
6t
X
T5
O
o.
m
bc
o
D-
a
ca.
«i
O
■4*
s
eo
8
® Ci*
8 i
i ?
1
M 5
c3
T3
bc
S5 1
e
CD
■fl
"*
C3
8
s
43
o
1
t|S
d
CO
o
M
eg
3
Cd
o
W
Oh
co
O
W
P-.
-ocr page 67-
BEKROOND MET:
Eerediploma, 14 Eerste prijzen, 5 Bestuurs k -4 Tweede prijzen
Maatschappij totVerkoop vanHulpmeststoffen
IN NEDERLAND EN KOLONIËN,
Gevestigd te ROTTERDAM en DORDRECHT.
Correspondentie uitsluitend naar Dordrecht te richten.
VOLLEDIG ADRES
voor Stikstof, Phosphorzuur, Kali en Magnesia
houdende meststoffen ten dienste van den
INHEEMSCHEN en KOLONIALEN LANDBOUW.
Spccialikit ,fê)uitx>fi (ificmaspfiospfiaatmzd"
Echtheid, Phosphorzucjii en Fijnjieel gewaarborgd.
ALLÉÉÏÏYERKOOP
van scheikundig euivere^Jwog geconcentreerde Meststoffen voor
OOFT en GROENTENTEELT, TUINBOUW en BLOEMISTERIJ
IPi\'ool\'liistJes franco liuis door gjelioel IVetlerlantl,
„LANDBOUWKALK."
„Superphosphaatgips"
tot bewaring ën verbetering der STALMEST, steeds voldoende
voorhanden, evenals gewone GIPS.
„Phosphorzure Kalk" als Veevoeder.
SPROEIMACHINES VAN VERSCHILLENDE PRIJZEN.
Jjcmbfetömcjen evtj. iuor&en op acmurage gratis wetrafreöf.
KOSTELOOS ONDERZOEK
der meststoffen aan de Rijkslandbouwproefstations, mits strikt wordt
gehouden aan de voorgeschreven bepalingen.
Telegram-A dees: HTTLPMEST — Dordrecht.
Bell-Telephoon: 169 — 170 — 19J.