-ocr page 1-
WELKE ZIJN DE UITKOMSTEN
DER
proeven omtrent de behoefte der suikerbieten
aan stikstof, phosphorzuur en kali?
Voordracht van Prof. Dr. HELLRIEGEL-BERNBURG
UITGESPROKEN
in de Algemeene Vergadering der
„Vereeniging voor de Beelworlelsuiker-Industrie in het
Duitsche Rijk"
Gehouden te Frankfort a/M. op 18— 19 Mei 1893.
Vrij verUmld uit het Hoogduitse
Kosteloos uitgegeven door de
MAATSCHAPPIJ TOT VERKOOP VAN HULPMESTSTOFFEN
IN NEDERLAND EN KOLONIËN,
aevedttaci ie *sCoüetctam en ^SPoidtecni.
Deuk : De Boer & Co. — Dordrecht.
-ocr page 2-
ü
ff
I
ra
<
ra
z
o
ra
2
"8
il
I
CD
CD
P
c?3
o
I
go
P
CD
*T
CD
P~
GO
r
G
i—i
H
ra
D
O
z
o
ra
^2J
ra
ü
ra
\'t
>
2
ö
CO
n
m
g
w
hd
S
co
i-a
t5
co
H
O
ra
N
I-H
O
8
H
Cfc
-ocr page 3-
WELKE ZIJN DE UITKOMSTEN
DER
proeven omtrent de behoefte der suikerbieten
aan stikstof, phosphorzuur en kali?
Voordracht van Prof. Dr. HELLRIEGEL-BERNBURG
UITGESPROKEN
in de Algemeene Vergadering der
„Vcrccnigiiig voor de Beetwortelsuiker-Indtistrü in het
Duitsche Rijk"
Gehouden tb Fkankfout a/M. op 18—19 Mei 189:3.
Vrij vertaald uit het Hoogdiiitsch.
Kosteloos uitgeven door de
MAATSCHAPPIJ TOT VERKQOP VAN HULPMESTSTOFFEN
IN NEDERLAND EN KOLONIËN,
qeoesfiqd te <-/Zottcictam en xDotctiec/it.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Zal een plant groeien, dan moet zij een aantal voedende
bcstanddcclcn in opneembaren vorm ter barer beschikking
hebben. Zal zij welig groeien, dan moeten deze voedende
bestanddeelen in ruime boevcellieid en in ceno gewenschte
verhouding tot elkander in den bodem aanwezig zijn, terwijl
bovendien aan een aantal andere voorwaarden moet worden
voldaan.
Aan welke voorwaarden alzoo voldaan moet zijn, als
men van eene plant den meest snellen en volledigen groei zal
kunnen verwachten, is door uitstekende proeven van ouderen
datum reeds uitgemaakt; warmte, licht, water, zuurstof, kool-
zuur en eenige zouten zijn in deze onmisbare factoren. De
plant kan hiervan geen enkele ontberen. Voor zoover bet
weder, de dampkringslucht en de bodem niet aan de levens-
voorwaarden der plant voldoen, moeten de grondbewerking,
de bemesting en de behandeling tijdens den groei hierin
voorzien.
De groote beteekenis vooral van de voedende bcstand-
dcclen wordt het best aangeduid door Liebig, waar deze zegt:
„De grootte van den oogst hangt, voor zoover het de voedende
bestanddeelen betreft, geheel af van het voedende bestanddeel,
waarvan in verhouding tot de andere bestanddeelen, het
minst
aanwezig is." Dit gezegde moet gelden als de grond-
wct voor den landbouw.
Om hiervan in de landbouwpractijk nut te hebbon zijn
nog twee dingen noodig:
1°. Men moet weten hoeveel iedere plantensoort van
ieder der bestanddeelen voor zijn grootst mogelijke ontwik-
keling noodig heeft;
2°. men moet met zekerheid kunnen bepalen, hoeveel
van elk dier bestanddeelen een bepaalde akker leveren kan
en hoeveel men dus langs kunstmatigeu weg nog moot aan-
brengen.
Op deze vragen een duidelijk antwoord te geven, althans
-ocr page 6-
4
naar die antwoorden to zoeken, is de taak der landbouwschei-
kunde. Dat hierbij voortgebouwd moet worden op hetgeen
door Likbig reeds gevonden is, spreekt van zelf.
Ik heb mij niet het zoeken naar het antwoord op die vragen
beziggehouden ongeveer evenlang als ik mij op het gebied
der landbouwschcikundc beweeg. Sedert 1883 trachtte ik het
antwoord op die vragen te vinden meer bepaald niet het oog
op de suikerbiet en wel als gevolg van cene opdracht der
„Vereeniging voor Bcetwortclsuiker-industrie in het Duitsche
Eijk".
Wanneer ik hot heden voor do eerste maal waag u een
en ander niede te doelen omtrent de uitkomsten van mijne
onderzoekingen en proeven, dan doe ik dit op den volgenden
grond:
Wil men de uitwerking, die een onmisbaar voedend
bestanddeel op de ontwikkeling eener plant hoeft, nagaan
en wil men do kleinste hoeveelheid, welke die plant van dat
voedend bestanddeel noodig heeft, leoren kennen, dan kweekt
men die plant onder de moest gunstige levensvoorwaarden en
vermindert dan bij de verschillende proeven de hoeveelheid
van dat voedend bestanddeel, geleidelijk tot nul.
Zoolang do plant bij deze proeven nog zonder merkbare
storing groeit, toont zij, dat aan hare behoeften nog kan
worden voldaan. Groeit de plant maar iets minder goed, laat
hare productie maar iets to wenschen over, dan volgt hieruit,
dat zij te weinig van het voedsel, waaromtrent de proeven
genomen werden, ter harer beschikking had.
Dat dergelijke proeven niet op den akker genomen kun-
nen worden, maar toevallige en niet te controlccren storingen
nooit uitgesloten zijn, terwijl men er nimmer zeker van kan
wezen, dat aan allo andere levensvoorwaarden gedurende het
gohcele groeitijdperk in voldoende mate zal worden voldaan,
spreekt wel van zelf. Bovendien bevat de bouwgrond altijd
een zekere hoeveelheid \'van die voedingsstof, waaromtrent de
proef genomen wordt, terwijl die hoeveelheid noch met juist-
heid bekend is noch door de tegenwoordig gebruikelijke schei-
kundige analyse nauwkeurig kan worden bepaald. Gij allen,
-ocr page 7-
5
M. H. begrijpt, dat on waarom men znlko proeven uitsluitend
kan nemen in een kunstmatig- samcngestcldon bodem, die óf
van bet bedoelde voedsel niets bevat of kunstmatig zóó is
geprepareerd, dat hij van dat voedsel geheel of altbans ten
naastenbij ontdaan is. Gij begrijpt ook, M. H. dat de onder-
zoeker zijn proefnemingen zoo inricht, dat hij meester is over
alle factoren, die van invloed zijn op den groei. De zaak is
zeer eenvoudig, slechts een kleinigheid is daarbij noodig, neen,
niet noodig, maar onmisbaar. De onderzoeker moet zóó te
werk gaan, dat zijne procfplanten niet slechts gezond en nor-
maal groeien, maar ook de grootst mogelijke ontwikkeling
bereiken kunnen. Hieruit volgt echter, dat de proefnomcr
althans ten naastenbij de levensvoorwaarden zijner proefplan-
ten moet kennen vóór hij er aan denken mag daarmede speciale
voedingsproevcn te nemen. Daar dit ook met mij het geval
was kan ik u pas nu een en ander mededcclen over do door
mij verkregen vertrouwbare uitkomsten.
Wanneer gij het verlangt, ben ik bereid aan het slot
van mijn voordracht hierop terug te komen om nu over te
gaan tot de beantwoording der vragen, die ik mij ten taak
gesteld heb. Ik verzoek u daarom mij toe te staan over te
gaan tot de mededeeling der uitkomsten, die door mij in het
jaar 1892 verkregen zijn.
Wil hierbij voorloopig bereidwillig aannemen, dat het
mij bij mijn tienjarige arbeid gelukt is te voldoen aan de
onmisbare voorwaarden, waaronder de proeven zooals straks
gezegd is, genomen moeten worden. Het bewijs daarvoor en
den weg, dien ik daarvoor insloeg zal ik de eer hebben voor
hen, die daarin belang stellen in een ander geschrift uit een
te zetten. Het zal hier voldoende zijn mij tot de volgende
korte mededeelingen daaromtrent te bepalen.
Ik verbouwde mijne suikerbieten in groote blocmpotvor-
mige vaten van 80 c.M. hoogte, (die in den bodem van lucht-
gaten voorzien waren. Zij werden zoover met ecu kunstmatig
grondmcngsel van lijn kwartszand met G% fijngemalen turf-
molm gevuld, dat hierop nog een deklaag van zuiver kwarts-
zand van 10 c.M. kon worden aangebracht. Zij werden met
-ocr page 8-
6
gedistilleerd water zoo begoten, dat tijdens den geheelen groei
een normale bodemvochtighoid werd onderhouden. De gemid-
dclde dwarsdoorsnede mijner potten bedroeg nagenoeg l/ao ^2-
en in ieder vat werd één enkele bietenplant verbouwd. Op
een morgen land, die met 25000 bieten bezet is, beschikt
iedere plant over een oppervlakte van Vio M2. Gij ziet dus,
dat mijne procfbietcnplanten in vergelijking met die op het
vrije veld over een meer beperkte bodemoppervlakte beschikken.
Daar de potten op bepaalde afstanden van elkaar geplaatst
waren, werden de proefplanten door moer licht voor de gcrin-
gere bodemoppervlakte schadeloos gesteld.
Het grondmengsel in de proefpotten werd steeds, waar
zulks mij noodig voookwam, van de daarin voorhanden geringe
hoeveelheden opneembaar plantcnvocdsel ontdaan door uittrek-
ken met geconcentreerd zoutzuur. In den aldus behandelden
grond, zonder meer, groeide de bietenplant niet; hare pro-
ductie bleef steeds ongeveer gelijk nul, zonder dat zij noch-
tans ziekteverschijnselen vertoonde.
Daarentegen hebben mijne proeven gedurende een reeks
van jaren mij de overtuiging geschonken, dat het mogelijk
is in het genoemde grondmengsel de bietenplanten tot een
doorgaans gezonde en normale ontwikkeling te brengen als
ik in oplosbaren vorm, behalve voldoende hoeveelheden kalk,
magnesia, zwavelzuur enz. per pot en per plant toevoegde:
Stikstof           2.940 Gram (als salpcterzuur zout);
Phosphorzuur 2.840 „ (in water oplosbaar);
Kali                6.549 „ (gebonden aan phosphorzuur
en chloor).
Met behulp van dit mengsel van voedingsstoffen is het
mij reeds in vroegere jaren gelukt gezonde suikerbieten te
kweeken, waarvan de wortels iy4 a lVs pond zwaar werden.
Hiervan uitgaande bij mijne proeven in het jaar 1892
stelde ik drie groote reeksen van proeven samen, waarbij
in de eerste reeks de toegift van stikstof
in de tweede reeks de toegift van phosphorzuur en
in de derde reeks de toegift van kali
trapsgewijze tot nul word verminderd.
-ocr page 9-
I . •
7
Enkele nog ter mijner .beschikking staande cultnurpottcn
werden gebruikt om te onderzoeken wat er zou gebeuren,
als ik grootere hoeveelheden stikstof en phosphorzuur, dan
waarmede ik bij de andere proeven werkte, ter beschikking
van de bietenplant stelde.
De uitkomsten bepalen zich in \'t algemeen en in \'t kort
tot het volgende:
De proef bictonplanten, die beschikken over alle noodigo
voedingsstoffen in den vorm en tot een hoeveelheid, zooals
ik die bij ons grondmengsel gevoegd had, groeiden van Mei
tot Octobcr zeer welig, waren altijd gezond en leverden mooie,
uitstekend gevormde wortels.
Bij de laatste planten van iedere reeks proeven, waarbij
do ceno of andere voedingsstof geheel weggelaten was, hield
de groei reeds vroeg op, de planten bleven dwergachtig,
stierven echter niet, maar leefden zonder in \'t oog vallende
ziekteverschijnselen tot in October voort. Bij de middelste
planten van iedere reeks trad een dergelijke stilstand in den
groei vroeger of later in, maar steeds in overeenstemming
met de hoeveelheid ter beschikking zijnde voedingsstoffen,
zoodat men tegen het tijdstip van oogsten van verre met een
enkelen blik kon zien, welke planten over genoeg, welke
planten over minder en welke over volstrekt niets van een
bepaalde voedingsstof hadden kunnen beschikken.
Daarbij merkte men echter zonder meer tusschen do
uitkomsten der 3 reeksen van proeven ook bepaalde ver-
schillen op, die te opvallend waren dan dat men er niet bij
zou moeten stilstaan.
Allereerst viel op te merken, dat in de laatste potten
mijner proevenreeksen de bieten spoedig na het ontkiemen
verhongerden welke geen phosphorzuur bemesting hadden
gekregen, terwijl die, welke ik geen stikstof gaf, altijd nog
een gering productie vermogen hadden.
De bictenplanten, die geen opzettelijke toevoeging van
kali ontvingen, vormde een nog merkbaar grootere hoeveelheid
droge stof.
Deze verschijnselen waren moeielijk te verklaren. Het
-ocr page 10-
verschil kon niet een gevolg zijn van de omstandigheid, dat
de kali voor de voeding der bieten van minder bcteekenis is
dan de stikstof of het phosphorzuur, maar wel hiervan, dat
het practisch onuitvoerbaar is het gebruikte grondmengsol,
waar men met groote hoeveelheden hiervan te doen heeft
(iedere pot bevatte 29 kilo) tot op de laatste sporen van de
aanwezige oplosbare vocdingsstoifen te ontdoen, en nu geldt
deze moeielijkheid juist in hoogere mate voor de kali dan
voor de stikstof en het phosphorzuur.
Een tweede opvallend verschijnsel, dat reeds tijdens den
groei te voorschijn trad, was dat de bietenplanten in do stik-
stofproevenreeks zich veel gevoeliger toonden voor eene zelfs
geringe vermindering van dit plantenvoedscl dan de planten
in de phosphorzuur- en kaliproevenreeks. Bij de laatste was
het voedselgebrek met het blootc oog pas zichtbaar bij die
planten welke tamelijk veel minder ontvingen dan de andere.
Ook dit verschijnsel kan men zich gemakkelijk daardoor
verklaren, dat het mengsel van voedingsstoffen hetwelk ik als
grondslag voor de proeven had aangenomen, in verhouding
tot het stikstofgehalte onnoodig rijk aan phosphorzuur en nog
rijker aan kali was. Reeds vroegere proeven hebben mij
hieromtrent geen twijfel overgelaten, doch ik hield mij aan
het genoemde mengsel van voedingsstoffen, dewijl ik zeker
wist, dat zich hierin normaal bieten lieten kwecken, en omdat
ik door een op goed geluk gemaakte verandering in dezen
niet het gevolg van mijn geheelen arbeid weder twijfelachtig
wilde maken.
Wilde ik de uitkomsten der proeven nauwkeurig weder
geven, dan zou ik met buitengewoon veel cijfers moeten aan-
komen, wat mij hier tor plaatse niet wenschelijk voorkomt.
Het zal mij echter wellicht reeds gelukken u een goed denk-
beeld van de resultaten te geven als ik do volgende gemid-
delde
getallen geef:
Als ik van mijne proeven allereerst die beschouw welke
het volledige, onveranderde mengsel van stikstof phosphor-
zuur en kali ontvingen en die, waarbij een weinig phos-
phorzuur of kali geen merkbaren invloed op den groei der
-ocr page 11-
9
planton bad — bet zijn 20 stuks, — dan zie ik, dat bet
gemiddelde gewicht der daarvan geoogste wortels 813 Gram
bedroeg. Dit wil dan zeggen, dat ik in bet jaar 1892 onder
de door mij vermelde gunstige groei-voorwaarden bij 20
proeven gemiddeld een gezonde, normaal ontwikkelde biet
verkreeg, wegende direct na den oogst 813 G., met de daarbij
bcboorende bladeren en wortels.
Tracht ik mij nu de uitkomst te verklaren, welke de
trapsgewijze vermindering der verschillende vocdingsstolien
op den groei uitoefende, dan worden de uitkomsten aanschou-
welijk voorgesteld door de volgende gemiddelde getallen,
waarbij ik nog opmerk, dat de opbrengst van ieder stel
gelijkvormige proevcu, voor zoover doenlijk, viermaal gecon-
trolecrd is.
TABEL I.
Behalve 2,840 O. Phospliorzuur             Aantal proeven:             De versche Biet
en (5,549 O. Kali werd                                                    woog gemiddeld iu G.
gegeven:
I. Stikstofreeks.
2.940 G.
Stikstof
20
813
2.520
»
4
781
2.101)
n
1
527
1.680
n
4
479
1.260
ÏT
4
3üo
0.840
r
4
207
0.420
J!
1
103
0.000
"
■1
23
Behalve 2.940 G. Stikstof en
Ti..") Hl G. Kuli werd gegeven:
2. Phosphorzuurreeks.
2.840 G. Phospliorzuur             2                         802
2.130 „                         4                         897
1.420 „                         4                         825
1.065              „                         4                     .800
0.710 „                         4                         696
0.355 „                         4                         572
0.178 „                         4                         319
0.000 „                         2                            8
-ocr page 12-
10
Behalve 2.940 G
1. Stikstof en
2.840 G.
Pliosphorzuur
werd
gegeven :
3. Kalireeks.
6.594
ü.
Kali
17
• 2.820
n
2
1.884
H
2
1.130
ji
1
0.848
n
2
0.565
n
2
0.283
»
2
0.000
«
1
809
784
844
696
647
538
268
44
Dit zijn de gemiddelde "uitkomsten mijner oogsten en
waar ik zo u mededeel acht ik het ook mijn plicht te bekennen
dat de uitkomsten der proeven, waarvan zij gemiddelden zijn,
dikwijls groen, verschillen in de opbrengsten voorkwamen.
Maar dit baart geen verwondering, als men bedenkt, dat
iedere proef slechts met één enkele plant genomen werd en
dat juist de suikerbiet tot die onzer cultuurplanten behoort,
welker standvastigheid door oordeelkundige en onoordeelkun-
dige kruising sterk geleden heeft en waarbij dus de indivi-
dueelc aanleg een groote rol moet spelen.
Gelukkig echter kan men bewijzen, dat de door de
afwijkingen in de voeding bewerkte opbrengst verschillen bij
oordeelkundige proefneming zoozeer het overwicht hebben over
individueele afwijkingen, dat de bcteekenis der uitkomsten
hierdoor noch twijfelachtig noch zelfs eenigszins onzeker wordt.
Wanneer ik u straks alle specialiteiten opnoem zult gij in
de gelegenheid zijn daaromtrent zelf een oordeel te vellen.
Wat nu is het resultaat?
Allereerst dit, dat ons mengsel van voedende bestand-
deelen, rijk, ja bovenmatig rijk was aan kali en pliosphorzuur,
doch betrekkelijk arm aan stikstof. De hoeveelheid der beide
eerste voedingsstoffen konden, zooals uit de tweede en derde
procvenreeks blijkt, aanmerkelijk verminderd worden zonder
dat de opbrengst afnam; iedere vermindering van stikstof
-ocr page 13-
11
daarentegen had onmiddellijk ook daling in de opbrengst
tengevolge.
Do stippellijnen in de tabel wijzen het kritieke punt
aan waarbij het minimum, dat van iedere voedingsstof noodig
is, bereikt was. Zij toonen holder en duidelijk hot volgende:
Om een normale suikerbiet van 800 wortelgcwicht
met de daartoe bclioorcnde bladeren en wortelen. voort te
brengen, moesten de planten onder de overigens gunstigst
mogelijke omstandigheden in het jaar 1892 als voedsel in
gemakkelijk opneembaren vorm ontvangen in ronde cijfers:
2.9 G. Stikstof,
1.2 „ Phosphorzuur,
1.7 „ Kali.
Do bieten gebruikten alzoo voor haar volledige ontwik-
keling ongeveer evenveel stikstof als phosphorzuur en kali
te zamen en van kali weder nagenoeg iy3 maal zooveel als
van phosphorzuur.
Waar gij met deze opgaven onwillekeurig in uwe
gedachten de bemesting vergelijkt, die gij op uwe suikerbieten
mot voordeel toepast, verzoek ik u niet het hoofd\' te schudden,
als gij tusschen uw en mijn bemesting geen grootc ovcreen-
komst vindt.
Mot do bemesting hebt gij nog het doel noch de taak
do planten alles toe te voeren, wat zij noodig heeft; de grootste
hoeveelheid van hetgeen zij voor haar leven noodig heeft,
vindt zij altijd reeds in den bodem; do bemesting heeft altijd
slechts de beteekenis van een toegift en ten doel het eenzijdige
te kort aan een of meer voedingsstoffen in den bodem te
dekken. Daar nu verreweg het grootste deel onzer gronden
betrekkelijk armer aan phosphorzuur dan aan kali en stikstof
is, zal on kan het dikwijls genoog voorkomen, dat een bemes-
ting, welke veel rijker aan phosphorzuur is dan die welke
door mij bij mijne proeven gebruikt werd, uitmuntend werkt
en waar men daaromtrent zekerheid heeft, raad ik aan daar-
mede rekening te houden, hoewel ik mij voor het overige
moet aansluiten bij de in do laatste jaren meer en meer veld
winnende mecning, dat men bij de beetwortclcultuur een
-ocr page 14-
12
tijdlang de phosphorziuu-bcmosting overdreven, ja zelfs phos-
phomuir als weggeworpen heeft. Voor de minimum-bchoefte
dor bieten aan stikstof, phosphorzuur en kali zal mijn bomos-
ting, naar ik meen, wel nagenoeg als voldoende te beschouwen
zijn; een nadere bevestiging van mijn meening in een paar
volgende jaren blijft echter onvoorwaardelijk noodig, omdat
het weder in het vorige proefjaar in verschillende richtingen
geheel abnormaal was.
Natuurlijk bepaalden zich mijn onderzoekingen niet tot
de bepaling van het bietengewicht alleen. De planton zijn
ook nog met hot oog op andere zaken waargenomen en
onderzocht en hoewel ik genoodzaakt bon rekening met uwc
beschikbaren tijd te houden, hoop ik toch, dat gij mij zult
veroorloven nog over een paar andere ervaringen met een
enkel woord te spreken en een paar uittreksels van andere
becijferingen mede te doelen.
Ik verzoek u daarom allereerst een blik te slaan op de
volgende twee tabellen, welke, evenals de eerste en op dezelfde
gronden als deze, slechts gemiddelde getallen geven.
TABEL II.
In het mengsel yoedings-
stolfen werd, behalve
ile volledige hoeveelheid
der andere 2 liestaml-
deelen gegeven,
in grammen:
De geoogste bieten
bevatten
Droge stof iu Suiker in
"/ °/
Verhouding
)roge slof
tot suiker.
De bieten hebben opgeleverd.
Aantal Verhouding
bladeren •-----------------------------
Droge stof Droge stof
i/i i/d.
bieten, bladeren.
Ie Reeks Proeven.
Stikstof.
2.940
20.2
1:5.9
1 : 0.688
55
75
25
2.520
19.5
13.2
1 : 0.679
58
77
23
2.100
20.8
1.5.7
l : 0.659
58
72
28
J .680
20.0
13.6
1 : O.fifiO
47
72
28
1.2(50
22.fi
15.(5
1 : 0.(i90
41
72
28
0.840
2.\'$.5
1(5.2
L : 0.689
41
7(5
24
0.420
22.4
14.8
1 : 0.661
:!:{
72
28
0.000
24.1
?
?
21
73
27
-ocr page 15-
13
2e Reeks Proeven.
Phosphorzuur.
2.840
20.2
13.9
1
: 0.688
55
75
25
2.130
20.6
14.3
1
: 0.694
52
7(i
24
1.420
20.8
14.3
1
: 0.688
54
7(1
24
1.065
19.7
13.2
1
: 0.670
55
7 1
26
0.710
21.1
14.3
1
: 0.678
52
72.
58
0.355
22.4
15.4
1
: 0.688
55
73
27
0.178
21.3
13.2
1
: 0.620
5(1
73
27
0.000
2(1.4
y
?
27
39
(il
3e Reeks Proeven.
Kali.
6.594
20.2
13.9
1
: 0.688
55
75
25
2.826
19.3
12.8
1
: 0.663
63
72
28
1.884
19.7
13.6
1
: 0.690
55
75
25
1.13
19.7
13.6
1
: 0.690
41
78
22
0.848
17.6
10.9
1
: 0.620
48
66
34
0.565
18.2
11.2
1
: 0.615
57
67
33
0.283
14.9
8.2
1
: 0.550
7(1
40
60
0.000
9.4
?
?
58
10
90
TABEL III.
In kt mengsel voedingsstoffen
werd, belialve de volledige hoeveel-
neid der beide andere besta
gegevens in Grammen
Van ile gegeven voeilings-
stoffen werd in den oogst
teruggevonden in %
üe droge stol der geoogste
plant (wortel en bladeren
te zanten) bevatte in "/„
lo Reeks Proeven.
Stikstof.
Stiksto
2.940
1.17
2.520
1.04
2.100
1.12
1.680
0.92
1.260
0.84
0.840
0.78
0.420
0.66
0.000
0.79
Stikstof.
81
78
7S
70
69
68
36
-ocr page 16-
14
2e Reeks Proeven.
Phosphorzuur.
Phosphorzuur.
Phosphorzuur.
2.840
0.89
64
2.130
0.50
07
1.420
0.39
62
1.005
0.30
01
.0.710
0.21
07
0.355
0.12
61
0.178
0.13
03
0.000
(1.19
.
3e Reeks Proeven.
Kali.
Kali.
Kali.
0.594
2.78
80
2.820
1.24
80
1.884
0.72
77
1.130
0.05
91
0.848
0.41
84
0.505
0.34
66
0.283
0.22
37
0.000
0.29
—
Als gij deze beide tabellen beschouwt, zal zich uw aan-
dacbt hoogstwaarschijnlijk allereerst on den kolom richten,
die hot suikergehalte mijner bieten aangeeft en het is niet
onmogelijk, dat het u niet in overeenstemming zal schijnen
met de oischen, die men tegenwoordig aan goede suikerbieten
stelt. Dit verontrust mij echter niet, wijl een tweede blik
op die kolom, welke het gehalte aan droge stof van mijn
bieten aangeeft, u onmiddelijk zal doen zien, dat ook deze niet
hoog is en dat dus de bieten geensins betrekkelijk suikcrarm,
maar slechts tijdens den oogst nog naar verhouding zeer rijk
aan water waren. Hiervoor vindt gij echter weder een ongc-
dwongen verklaring in de methode, van mijn proefneming
waarbij de bodemvochtigheid gedurende het geheele groeitijd-
perk oi» de grootst mogelijke hoogte gehouden werd.
Ik twijfel er niet aan of het zou mij eenvoudig door in
den herfst geleidelijk minder water te geven, gelukt zijn de
-ocr page 17-
15
bieten waterarmcr en zooveel rijker aan droge stof als aan
suiker te maken.
Ik paste echter dit middel met opzet niet toe en ik zal
het ook nooit toepassen, zoolang Let hoofddoel tier bedoelde
proeven blijft de waarneming der uitwerking welke de ver-
schillende voedingsstoffen op den groei der bieten hebben.
Het is hierbij toch mijn taak storingen van welken aard ook
(waartoe ook een tijdperk van gedwongen droogte behoort)
te vermijden.
Nu dit punt vastgesteld is, verzoek ik n, de beide eerste
tabellen nog eens nader te beschouwen en mij toe te staan,
dat ik uw aandacht vcstigc op do even belangwekkende als
sterk op den voorgrond tredende verschillen, welke zij met
betrekking tot de werking der drie in de practijk belangrijkste
voedingsstoffen op hot plantenleven toonen. Vergelijken wij
met dit doel allereerst de getallen onzer stikstofreeks met die
der kaürecks, dan komen wij tot het volgende:
Als aan de bictcnplant de stikstof geleidelijk onthouden
wordt, of wat hetzelfde is, als een bietenplant niet beschik-
ken kan over de hoeveelheid stikstof, die voor haar normalen
ontwikkeling nóodig is, dan daalt haar geheelc opbrengst en
het getal van de door haar voortgebrachte bladeren; de vcr-
honding tusschen de blad- en worteloogst echter blijft daarbij
onveranderd en het gehalte der biet zoowel aan droge stof
als aan suiker ondergaat zelfs nog eene verhooging.
Onthoudt men daarentegen van een bietenplant geleidelijk
de kali vindt zij deze niet in opneembaren vorm in den bodem,
dan daalt haar opbrengst ook, maar minder sterk, terwijl deze
vermindering dan nog in de eerste plaats den wortel betreft.
Het getal bladeren door een plant ontwikkeld, welke te weinig
kali kan opnemen, is ongeveer gelijk aan dat van een, welke
over een voldoende hoeveelheid opneembare kali beschikt,
terwijl niet slechts het gewicht, maar ook het gehalte aan
droge stof en suiker van den Avortel tot een sterk sprekend
minimum dalen.
Het duidelijkst treden deze verschijnselen natuurlijk
op den voorgrond bij die planten, welke veel te weinig of in
-ocr page 18-
16
\'t geheel niets van de een of andere voedingsstof ontvingen.
Laat ons vergelijken:
Wanneer ik de stikstof geheel wegliet, oogste ik:
Een plant met 21 bladeren, 11,5 Gram zwaar (afgestor-
vcno en groene te zanien) en daarbij een wortel van 23 Gram;
daar waar geen kali gegeven werd, verkreeg ik een plant met
58 bladeren, 55 Gram zwaar en daarbij een biet van 44 Gram.
Beschouwt men allereerst slechts het laatstgenoemde
getal, dan oogstte ik van de plant, welke geen kali ontving,
ongeveer een drie maal zoo groot gewicht als van de plant,
waarbij de stikstof bemesting werd nagelaten. Hoc echter ver-
hielden de uitkomsten zich na het drogen van den oogst?
Waar geen stikstof gegeven werd, was het bedrag aan
droge stof:
In \'t geheel         In de bladeren         Tn den wortel
7.688 G.                2.070 G.                   5.618 G.
en daar waar geen kali gegeven werd:
In \'t geheel         In do bladeren         In den wortel
40-503 G.              36.344 G.                  4.159 G.
In woorden uitgedrukt, zou ik kunnen zeggen: in wcr-
kelijkhcid heeft mijn bietehplant, welke geen kali ontving
met slechts het drievoud maar zelfs het vijfvoud aan droge
stof geproduceerd van die, welke de plant voortbracht, welke
geen stikstof ontving, maar 9/io van die productie is in de
bladeren gebleven, terwijl de wortel niets anders was dan
een dun waterig ccllenwoefsel, dat den naam suikerbiet niet
verdient.
Tot mijn levendigen spijt liet do geringe massa van
dezen belangwekkende wortel, waarvan de bepaling van het
kali gehalte ons het meest noodig voorkwam, een bepaling
van het suikergehalte niet toe; zijn gering gehalte aan droge
stof (9,4%) is echter voldoende om daaruit te kunnen besluiten,
dat het suikergehalte zeker niet hooger is geweest dan 3 a 4%.
Beschouwt gij van hieruit de gegeven tabellen, dan zult
gij vinden, dat de productie der planten, die althans cenige
kali ontvingen met deze conclussie in strijd is.
-ocr page 19-
17
Een verklaring hiervoor geloof ik te mogen zoeken in
het volgende:
De eerste stof, welke in de plant ontstaat en ontstaan
moet is steeds het protoplasma; in en door dit volgt dan pas de
assimilatie en de vorming van andere verbindingen, zooals
zetmeel, suiker, ruwvezel enz. Het protoplasma echter is een
bepaalde scheikundige verbinding met hoog stikstofgehalte.
Kon eens een beroemd natuuronderzoekcr zeggen: „zonder phos-
phores geen geheugen"\', men kan met nog meer recht zoggen:
geen protoplasma".
Ontbreekt een plant de stikstof geheel, dan groeit zij in
\'t geheel niet, maar zij sterft, zoodra haar voedsel uit den
bodem en de lucht moet halen. (Dit gebeurde bij mijn proe-
ven niet, omdat het door mij samengestelde grondmengsel in
de groote boeveelheid, die ik er van noodig had niet van de
laatste sporen van voedsel kon worden ontdaan).
Wordt een plant slechts een geringe hoeveelheid stikstof
in opneembaren vorm ter beschikking gesteld, zoodat deze
niet voldoende is voor een volledigen groei, dan vormt zij
met behulp daarvan eerst zooveel protoplasma, cellen, bladeren
enz. als maar eenigzins mogelijk is, waarna haar verdere
groei gestaakt wordt. Zij sterft daarna echter niet onmiddelijk,
maar hot protoplasma blijft nog lang daarna leven in en ver-
vult zijn functeën op de gewone wijze; zijn levenskracht
wordt zelfs in dit geval tot het uiterste verbruikt en het
eindresultaat bijv. bij de suikerbiet is een kieino, maar in
alle opzichte normaal gevormden plant, die zoo stikstofarm
mogelijk en rijk aan droge stof en suiker is, m.a.w. een ideaal
voor den suikerfabriekant, maar niet voor den bietenbouwer.
Is daarentegen do voeding cener plant zeer of buiten-
gewoon stikstofrijk, worden haar nog in de latere groeitijd-
perken door den bodem of de bemesting grootere hoeveelheden
van opneembare stikstofbemestingen toegevoerd, dan zal zij
natuurlijk veel en onder bepaalde omstandigheden zooveel
protoplasma vormen, dat de geheelc hoeveelheid hiervan onder
overigens gunstige levensvoorwaarden niet meer tot zijn volle
werking kan komen en dat een doel er van nog in het late
-ocr page 20-
jaargetijde — laat ons zeggen in den oogsttijd — levendig
werkzaam is. Weder op de suikerbiet toegepast, zou liet resultaat
zijn een groote, bladerrijkc biet, die cene groot gewicht aan wor-
tcls per bunder levert, maar die wat men in den gewonen
zin des woords noemt niet rijp is als er geoogst moet worden,
die rijk is aan water en aan stikstof houdende bcstanddcelen,
doch arm aan suiker — een bron van vreugde voor den
bictenbouwcr, een schrik voor den suikerfabrikant.
Wordt de stikstofbemesting tot het uiterste gedreven,
dan kan de plant de stikstof op :t laatst in \'t geheel niet
meer in protoplasma omzetten, maar men vindt ze onvoran-
derd in het cel weefsel terug, m.a.w. Avij krijgen salpcterhou-
dende bieten.
Voor hetgeen omtrent suikerrijke en snikcrarme bieten
gezegd is bieden mijn proeven van 1892 voldoende gronden.
Maar ik ben met de stikstofbemesting niet zoover gegaan,
dat ik bieten kreeg, waarin ik met opneembaar salpcterzuur
heb kunnen aantoonen.
Wat anders krijgt men als men een plant niet genoeg
opneembare kali verschaft.
Ongetwijfeld zijn wij omtrent de rol, welke do kali in
het plantenleven speelt, nog geensins volledig op de hoogte,
maar een belangrijke vingerwijzing in deze richting geeft
ons een uitstekende proef, die Nobbe voor reeds 2\'.i jaren met
boekweit, gekweekt als watercultuur nam.
Het is hier tot .mijn levendige spijt niet de plaats meer
bepaald over do uitkomsten dezer proef uit te weiden, maar
het eerste besluit, dat er uit te trekken viel, wil ik althans
kort mcdedcelen; het luidde: In kaliviij maar overigens van
voldoend, plantcnvoedscl voorzien water groeit de plant evenals
in zuiver water. Zij kan in dit geval niet assimilecren en neemt
niet in gewicht toe, dewijl zonder kali geen zetmeel
gevormd kan worden.
Overweegt gij nu, dat het eerste product, hetwelk de
plant voortbrengt en voortbrengen moet om verder te kunnen
leven en groeien protoplasma is, het tweede zetmeel, hetwelk
door het plasma in bepaalde ophoopingen - de chlorophylkor-
-ocr page 21-
19
rcltjes — uit het uit den dampkring opgenomen koolzuur als
corste product voortgebracht wordt en waaruit de overige
stikstofvrije verbindingen, als druivensuiker, ruwvezcl, riet-
suiker moeten ontstaan, dan zult gij het met mij eens zijn,
als ik zeg:
Ontbreekt het een plant geheel en al aan kali, dan kan
zij evenmin groeien als wanneer haar de stiksrof geheel ont-
brcekt, maar zij sterft na de kiemperiode, omdat zij niet kan
assimilecrcn en geen zetmeel kan vormen. (Deze conclusie
wordt niet verklaart door de uitkomsten mijner proeven, doch
is gebasseerd op de proeven van Nobbe).
Kan een plant naast een overschot van stikstof, phos-
phorzuur, enz. ecu geringe, ontoereikende hoeveelheid kali
opnemen, dan vormt zij eerst rijkelijk plasma, met het ontstaan
waarvan de kali niet te maken heeft. Daarna vormt zij zoo-
veel zetmeel, respect, suiker, en ruwvezcl als in overeenstem-
ming is met de hoeveelheid opneembare kali. (Waarom deze
werking der kali in nauw verband staat met do hoeveelheid,
die er van beschikbaar is, hoewel zij niet zelf een bestanddeel
vormt van zetmeel, suiker ruwvezel enz. laat zich van het
tegenwoordige standpunt der wetenschap niet verklaren).
Meer bepaald in ons geval kan men dit in de volgende
woorden uitdrukken.
Als een bietenplant naast groote hoevoelhcdon stikstof,
phosphorzuur enz. over een onvoldoende hoeveelheid kali be-
schikt, dan kan zij genoeg protoplasma maar niet in verhou-
ding hiermede zetmeel vormen. De beperkte hoeveelheid hier-
van verbruikt zij voor don bouw van celwanden, waaruit zij
een zoo groot mogelijk blader- en wortolgebouw optrekt. Het
zetmeel is echter niet voldoende om daarna de cellen met
reservevoedscl (suiker) te vullen. Het laatste kan alleen ge-
schieden door een normaal gevormde biet, n.1. een, die over
voldoende kali beschikt.
Zooals van zelf spreekt, heeft deze behoefte aan kali
haar grenzen zoowel naar boven als naar boneden en over-
schrijdt men deze, dan wordt wel de in verhouding tot do
andere voedingsstoffen overvloedig gegeven kali niet direct
-ocr page 22-
20
schadelijk voor de ontwikkeling der bietcnplant, maar het te
veel der kali blijft werkeloos en wordt door den suikerfabri-
kant als een zeer ongewenschte verhooging van het zout- of
aschgehalte in het sap teruggevonden.
Ook voor deze stelling leverde de uitslag mijner proeven
overal de noodige bewijzen.
Niet even helder en duidelijk treden de uitkomsten bij
de reeks proeven, waarbij het phosphorzuur trapsgewijze vcr-
minderd werd, op den voorgrond. Dat deze voedingsstof even
noodig is voor den groei dor planten in bet algemeen en voor
de suikerbiet in het bijzonder, is nooit betwijfeld en komt bij
mijn proeven duidelijk genoeg aan den dag. Evenmin u het
aan twijfel onderhevig, dat de biet voor haar normale ont-
wikkeling een bepaalde hoeveelheid phosphorzuur noodig hoeft,
waarvan de vaststelling langs den vermolden weg gelukken
moet. Ik verzoek u mij van nadere mcdedeelingen hieromtrent
heden te verschoonon, dewijl ze mij als vanzelf zouden nood-
zaken den strijd aan te binden tegen nog hcerschendc land-
huishoudkundige theoretische en practische meeningen, waartoe
ik niet het recht meen te hebben, omdat ik in dien strijd
geen gebruik mag maken van de resultaten van proeven
gedurende slechts één jaar. Er zijn echter eenige besluiten,
die onmiddellijk uit de resultaten mijner proeven getrokken
kunnen worden.
Kan men nu uit dezelve ook practische wenken voor
den bietenbouw afleiden en welke? Dit zal, naar ik vermoed
de vraag zijn, die gij mij zonder meer zult stellen en die gij
— ik stem het gaarne toe — het recht heb te stellen. Om
misverstand en begripsverwarring in deze richting te voor-
komen ben ik gedwongen hierop nader in te gaan.
Zooals gezegd is moet men bij het verbouwen van sui-
kerbieten minstens de kleinste hoeveelheid voedingsstoiïen
aanbrengen, die voor de normale ontwikkeling der planten
noodig is. Geeft men minder dan benadeelt men den groei;
geeft men binnen bepaalde grenzen meer dan is dit niet
schadelijk, onder bepaalde omstandigheden zelfs voordeelig,
-ocr page 23-
21
maar ccn belangrijk grootere gift veroorzaakt onwelkome vcr-
scliijnselen bij den groei.
Onze proeven toonden aan, dat hot mogelijk is in een
bodem die zoo goed als geen plantenvocdsel bevat, een biet
te verbouwen, die gemiddeld 800 G. weegt en 14% suiker
bevat, wanneer men aan dien bodem per biet in opneembaren
vorm toevoegt 2,9 G. stikstof, 1,2 G. phosphorzunr en 1,7 G.
kali. Rekent men voor een H.A. op 70000 planten, dan wor-
den voor de normale ontwikkeling biervan vereiscbt 203 K.G.
stikstof, 84 K.G. pbosphorzuur en 119 K.G. kali, die aangc-
bracbt kunnen worden met ongeveer 14<)0 K.G. cbilisalpeter,
600 K.G. superphosphaat (14%) en 1000 K.G. kaïnict.
Het zal ecbter geen enkelen boer in het hoofd komen
deze getallen als grondslag voor een bemesting der bieten-
akkers te nomen en ik denk er ook niet aan ze daarvoor aan
te bevelen. Geheel afgezien van do vragen, die mijne proeven
in de pbospliorzuurreeks nog onbeantwoord lieten, bob ik de
voornaamste reden daarvoor straks al met een enkel woord
aangeroerd. Gij werkt niet als ik met een kunstmatig grond-
mengsel, dat nagenoeg geen plantenvoedsel bevat, maar met
grond, die altijd reeds ccn zekere boeveclUeid plantcnvoedendo
verbindingen rijk is. Het is uw taak niet, zooals de mijne,
de planten door bemesting alles toe te voeren, wat zij noodig
hebben om te leven, maar alleen om dat wat in den grond
ontbreekt aan te vullen.
Nu zijn ecbter de cultuurgronden zeer verschillend wat
hun gehalte aan plantcnvoedendo stoffen betreft. Zelfs de
gronden, die voor den verbouw van suikerbieten gebruikt
worden, zijn op dit punt sterk van elkaar onderscheiden.
Hieruit kunt gij allereerst besluiten, dat er geen normaalmest
bestaat, die voor suikerbieten noch voor eenig ander land-
bouwgewas juist passend is en dat het zoeken naar een der-
gelijk mengsel altijd vruchteloos blijven moet. Ten tweede
volgt uit een en ander, dat de boer twee dingen kennen moot
en wel de behoefte aan voedsel zijner planten en do hoevcel-
heid voedsel, welke de bodem uit zich zelf zonder bemesting
kan leveren.
-ocr page 24-
22
De gegevens hiervoor te verschaffen is ongetwijfeld de
mocielijkc taak der tegenwoordige landbouwscheikundo. Dat
mijn onderzoeken zich in de eerste richting bewogen zal n
wel duidelijk geworden zijn, maar dat zij ook ten doel hadden
in de tweede richting een schrede voorwaarts te komen zal
zeker een korte verklaring behoeven.
Ik veroorloof mij hieromtrent het volgende op te merken:
"Kr was een tijd, dat men meende het gehalte van den
bodem aan plantenvoodsel te kunnen bepalen door scheikun-
dige analyse, maar men kwam tot de overtuiging, dat men in
dit opzicht dwaalde, omdat de analytisch gevonden hoeveel-
heid der in zuiver of koolzuurhoudend water, in verdund of
geconcentreerd zoutzuur of in iets anders oplosbare bcstand-
deelen niet overeenkomt met die, welke werkelijk door de
plant wordt opgenomen.
Het scheikundig grondonderzoek is derhalve in gevallen,
waarin het niet te doen -is, om bodemgebroken op te sporen,
bijv. het constateeren van schadelijk ijzeroxydulc, betrekkelijk
groot te kort aan koolzure kalk. phosphorzuur en dergelijke,
in de landbouwwetenschap cenigennate in miscrediet geraakt
en zeer zeker met eenig recht, want het is de landbouw-
vvetenschap bij haar vooruitgang niet gevolgd.
Het blijft de vraag of men bij deze gebrekkige ontwik-
kcling der grondanalysc niet langs anderen weg sneller kan
vooruit streven en zulks is, naar ik meen niet onmogelijk of
geheel uitgesloten. Vestigt gij uw blik nog eens op de gegeven
tabellen en vooral op tabel UI, dan zal het u niet ontgaan,
dat niet alleen overal met do hoeveelheid voedsel de opbrengst,
het suikergehalte, de bladcrrijkheid der planten stijgt, maar
ook haar gehalte aan stikstof, phosphorzuur en kali, ja dat de
geheelc voedingsgeschiedenis van iedere plant zich getrouw
afspiegelt in den opbrengst.
]iij de procfplanton, waarbij een groot te kort aan cenige
voedingsstof den nadeeligen invloed van beteekenis op de
opbrengst had, daalde het gehalte der droge stof (steeds met
betrekking tot de gcheele plant: wortels en bladeren te zamen)
-ocr page 25-
23
wat de stikstof betreft tot beneden 0.90%
„ het phosphorzuur „ „ „ 0.30% en
„ de kali aangaat
               „ „ 0.40%
Zooals talrijke, hier niet vermelde proefnemingen mij
leerden, steeg1, wanneer een overschot van de verschillende
voedingsstoffen gegeven werd, het gehalte der droge stof
aan stikstof tot boven 2%
„ phosphorzuur „ 1%
_ „ kali
                 „ 3%,
Do bieten van een gewonen akker zullen en kunnen
zich in dit opzicht niet anders gedragen rlan mijn proef bieten;
ook die zullen en moeten door het gehalte hunner opbrengst
bij het einde van den groei als vanzelf mededcelen of zij goed
of slecht gevoed zijn. Tot de uitersten, waartoe ik bij mijn
proeven geraakte, zullen do bieten die op een gewonen akker
verbouwd worden, wel niet komen, maar niettemin zullen zij
toch naar do een of andere zijde overhellen en daardoor den
verbouwer genoeg te denken en te besluiten geven. Nemen
wij de volgende twee gevallen, die geen beelden cener
vruchtbare fantasie zijn:
In hei eerste geval werd geoogst In den oogst werd gevonden over de geheele
plant berekend ove\'r de droge stof
Kilo\'s Weten met een suiker-         "/., stikstof 0/u phosphorzuur % kali
per Morgen gehalte van
7500             17%                0.8                0.4               1
in het tweede geval
10500           14                    1.5                0.6             O.H
dan meen ik het recht te hebben op grond van vroegere
onderzoekingen te besluiten:
In het eerste geval overtreft slechts het kaligchalte van
den oogst min of meer de minimum-behoefte der planten aan
kali; het is te verwachten, dat door een sterkere bemesting
van stikstof, event. van stikstof en phosphorzuur de matige
opbrengst zonder schade aan de deugdzaamheid te doen,
verhoogd kan worden.
Iu het tweede geval was de hoeveelheid stikstof, welke
-ocr page 26-
24
de planten onder de gegeven onistandigliedcn verwerken konden, «
klaarblijkelijk reeds overschreden; het pkospliorzuurgehaltc wees
niet op gebrek aan deze voedingsstof en bleef dus do vraag
te beantwoorden of door een bemesting niet kali (zooal niet
door een directe voedende werking dan toch door een indirecten
invloed op de bodcm-gesteldheid) een verhoogde opbrengst
zonder benadeeling der kwaliteit zou te verkrijgen zijn.
Aan mijn oorspronkelijk voornemen die vraag aan de
hand van cenige u bekende bemestingsproevcn, bijv. die,
welke met zooveel omzichtigheid en zorgvuldigheid door de
H.H. Dr. Zsciiëye en Dit. Schauek genomen zijn, te beant-
woorden, kan ik tot mijn leedwezen niet het oog op uw
beperkten tijd geen uitvoering geven.
Ik houd vast aan de reeds vóór een kwarteeuw door
mij gedane uitspraak: Men kan eenigzins besluiten tot
de
hoeveelheid opneembaar plantenvoedsel in den
grond, uit
de analyse der laatstelijk van dien grond
geoogste gewassen. Wanneer ik nog niet geneigd ben
hieraan op voor de band liggende wijze practisch gevolg te
geven, ja, wanneer ik u uitdrukkelijk verzoek mij in deze
richting geen geweld aan te doen, dan is dit alleen, omdat >
dergelijke conclussiën slechts gemaakt kunnen worden als men
de uitkomsten der anatysen van veldgewassen op de grond-
stcllingen der langs kunstmatigen weg vorkregen planton-
analysen projecteerd,omdat deze grondstellingen onaangevochton
moeten blijven en omdat tot vaststelling daarvan een enkel
onderzoek niet voldoende is.
De proeven zullen derhalve in dit jaar met ecnige wen-
schelijke veranderingen en uitbreidingen\' nog eens herhaald
en gecontroleerd worden.
Is het mij gelukt, u door mijn mcdedcclingcn te over-
tuigen, dat ik met mijne potproevcn heb gehad een practisch
doel, ik wil zeggen: een even practisch doel als men steeds
heeft met iedere bemestingproef op het open veld, en heb ik
u do zekerheid gegeven, dat dit doel op den door mij inge-
slagen, cigeuaardigen weg nog met meer zekerheid te bereiken
is dan langs eenigon anderen, dan is ook liet doel mijner
voordracht bereikt.
-ocr page 27-
_           Van wege de „Maatschappij tot Verkoop van Hulpmest-
stoffen" zijn mede uitgegeven, en worden op franco aanvrage
gratis toegezonden:
-
a. Theorie en Practijk der bemesting, eene populaire
handleiding ten dienste van den Nederlandschen
Landbouw.
b.  De aanwending van Kunstmeststoffen in tuinen
en boomgaarden en op kas- en kamer-
planten,
Vrij naar het Duitsch van Pbof. De.
Paul Wagneb.
c.  De bemesting der Indische tabaksgronden, met
een voorwoord van De. A. M. PEINS, Rijkslandbouw-
leeraar te Deventer.
d.  De bemesting der Ko/fletuinen.
e.   Thomasslakkenmeel en het ooi\'deelkundig
gebruik daarvan.
..
f. Menige wetenswaardigheden voor Landgébruikers.
en verschillende vlugschriften over het gebruik van:
BLOEMEN- en GAZONMEST, SUPERPHOSPHAATGIPS,
BORDEAUSCHE PAP, BASISCH PHOSPHORZURE KALK.
.e__t
<3"*1- _ -e>t
-ocr page 28-
BEKROOND MET:
Herediplo\'ma, 22 Eerste prijzen, 16 Bestuurs & 5 Tweede prijzen.
*
Maatschappij totVerkoop vanHulpmeststoffen
IN NEDERLAND EN KOLONIËN,
Gevestigd te ROTTERDAM en DORDRECHT.
Correspondentie uitsluitend naar Dordrecht te richten.
Leveranciers voor Rijlesproefvelden en andere Rijksinrichtingen
VOLLEDIG ADRES voor:
Stikstof, Phosphorzuur, Kali, Magnesia en Kalk-
houdende Hulpmeststoffen ten dienste van den
INHEEMSCHEN en KOLONIALEN LANDBOUW.
Spccialihü „(LfwmartiaSScnmcci\'
Echtheid, Phosphobzuub en Fijnmeel gewaarborgd.
ALLÉÉÏYËBKOOP
van scheikundig zuivere, hoog geconcentreerde MttistoSbn voor
OOFT en GROENTENTEELT, TUINBOUW en BLOEMISTERIJ
„LANDBOUWKALK \\
Superphosphaatgips
tot bewaring en verbetering der STALMEST.
„BASISCH PHOSPHORZÜRE KALK" als Veevoeder.
Sproeimiddelen tegen Aardappelziekte
en daarvoor benoodigde SPROEIMACHINES.
Samengesteld NICOTINE ZWAVELPOEDER tot vernietiging v. insecten, enz.
INJECTEUR GOH IN-TOESTEL
tot het verdrijven der KOPBBWOEM, BITNAALD enz.
KOSTELOOS ONDERZOEK
der Hulpmeststoffen aan de liijkslandbouwproefstations, mits strikt
wordt gehouden aan de voorgeschreven bepalingen.
Telegbam-Adbes : „HULPMEST" — Dordrecht.
Bell-Telephoon : 169 — 170 — 194 — Dobdbeoht
in Inter-communaalverkeer.