-ocr page 1-
"?k. z.£ lazr, //.
-j®%&
\'\'O\'
•
ÜE KLOOSTEKS TBAMDROX
TE VEiSTLO
»»;«>
Geschiedkundige schets
0
Q)
1
UI <ï. I*. FHAIVQUIWEir.
MAASTRICHT,
LEITEH-NYPELS.
*
w^psk
-ocr page 2-
-ocr page 3-
De Kloosters Transcedron
TE V E N L O
Geschiedkundige schets
door
M\' G. O. FRAJVQUIIVET
-ocr page 4-
".
Maastricht. — Druk, Loiter-Nypcls.
-ocr page 5-
fn.i.i\'.UH.
DE KLOOSTERS TRANSCEDRON
TE VENLO
I.
Het mannenklooster ot de Cellenbroeders
De pest had meermalen in de stad Venlo hare vervvoes-
tingen aangericht. Ten einde hulp en vertroosting aan de
burgers, vooral de scha melen, te verzekeren, verzocht do
Magistraat in het jaar 1491, van het klooster der Alexia-
nen,
ook Cellenbroeders of Lollarden genoemd, te Maas-
tricht, eonige broeders die te Venlo hunne liefderijke toe-
wijding aan de pestzieken zouden offeren.
Men moet zich den toestand van die tijden voor oogen
stellen, wil men begrijpen welke onwaardeerbare dien-
sten de Cellenbroeders aan \'t lijdend menschdom bewe-
zen. Wanneer de pest uitbrak, was de schrik zoo groot en
algemeen dat bijna niemand aan eenig hulpbetoon dacht;
de angst voor besmetting joeg den kloekste den moed in
de schoenen; de zieken, geschuwd, verlaten, stierven
meestal zonder troost; de familiebanden waren verbro-
ken; een ieder zocht slechts zijn eigen behoud; wie het
konde, vlugtte uit de stad; zelfs de geneesheeren verliepen
het soms, en te nauwernood kon men nog menschen vin-
den die, tegen buitengewoon hooge belooning, de gevaar-
volle, ja soms doodelijke taak van\'tbegraven wildon op zich
nemen. Doch weldra daagde het christelijk liefdegevoel
ter hulpe op. Een orde van Cellenbroeders vormde zich,
gebonden door den 3den regel van St. Augustinus, en tot
patroon kiezende den H. Alexis (van waar hun naam
Aleocianen), die vrijwillig hun leven blootstelden om de
ongelukkige pestlijders, zoowel in de woningen der ingeze-
tenen als in de gasthuizen, te verzorgen en de gestorvenen
-ocr page 6-
_ 4 —
ter aarde te bestellen. Te Maastricht was zulke vereeni-
ging reeds in 1438 tot stand gekomen, en had zich de
dankbaarheid van Magistraat en bevolking, bij het woe-
den der haestige crancheit oflle peste in 1439, 1451 en
1473 weten te verwerven. Zij werd echter eerst in 1487
door Johan van Hom, bisschop van Luik, als geestelijk
instituut erkend.
Het verzoek van de Regeerders van Venlo aan \'t kloos-
ter van Maastricht werd ingewilligd. Vier broeders kwa-
men zich te Venlo vestigen en verkregen van den Magis-
traat eene geschikte woning, die, naast het klooster
Mariaweide gelegen, hun als eigendom werd verbriefd
en den naam van Cedron en Transcedron verkreeg.
De milddadigheid der inwoners jegens die christelijke
helpers bleef niet achter. De aalmoezen, van welke de
Gellenbroeders, van renten nog onbegiftigd, moesten
leven, stroomden toe, zoodat bij het kloostertje weldra
eene bekwame kapel met 3 altaren konde gebouwd wor-
den. Deze werd in 1497 ingewijd.
De eerste rente, of liever het eerste onroerend goed wat
de nieuwe inrichting verkreeg en volgens \'t toenmalig
gebruik in erfrente uitgaf, werd haar in 1499 geschonken.
Hendrik Bescheidts en zijne vrouw Idtge (Ida), burgers
van Venlo, gaven twee huizen om wekelyks eene mis te
laten doen, en na hun dood een jaargetijde voor \'t heil
hunner zielen te laten vieren.
De Gellenbroeders, gelijk wij reeds gezegd hobben,waren
leekenbroeders; de diensten in hunne kapel werden door
wcreldsche priesters verricht. Deze aangelegenheid nam
het klooster der Regulier-kanunnikken van \'t H. Graf te
Odiliënberg, orde van St. Jacob apostel, wiens overste, Jan
van Abrock, eene succursaal te Venlo wenschte op te
richten, te baat om hen over te halen zich onder de leiding
van dat klooster te plaatsen. De Magistraat der stad
stemde daarin toe, en ook de Bisschop Johan van Hom
schonk er zijne goedkeuring aan. Eene overeenkomst werd
tusschen den Magistraat, aan wien de Cellebroeders, vol-
gens do primitieve voorwaarden hunner instelling, onder-
worpen waren, en het klooster van Odiliënberg in 1500
getroffen. Daarbij werd bepaald dat hoogstens drie ka-
nunniken zouden opgenomen worden, en de stadsregeer-
ders steeds het oppertoezicht zouden hebben. Drie kanun-
-ocr page 7-
5
niken van \'t H. Graf kwamen dan ook in \'t zelfde jaar
naarVenlo; een hunner nam het beheer op zich onder
den naam van prior, en, hoewel het oorspronkelijk doel
der inrichting, namelijk het onderhoud van vier of meer
Cellenbroeders tot verzorging der aan pest of andere be-
smettelijko ziekten lijdenden, bleef bestaan, werd zij
sedert dien als een klooster van \'t H. Graf beschouwd en
aanerkend. Het zegel (dat nog in afdruk op \'t archief te
Venlo bewaard is gebleven) verbeeldt in een gothische nis
een pelgrim met den nimbus om \'t hoofd en met saam-
gevouwde handen, houdende den pelgrimstaf in zijnen
rechter arm, terwijl aan zijnen linker voet tegen den lin-
ker pijler van de nis ecne knods met ecne erom gedraaide
slang staat; het randschrift is: sigillv : convet: venl: de:
sepvlchro dni: ad cavsas.
(1)
De kanunnikken van \'t H. Graf brachten geene renten
noch andere geldelijke middelen in. De onderhoudslasten
verzwaarden natuurlijk; deze werden tot dus verre, bij
gebrek aan voldoende eigendommen of renten, meest uit
de aalmoezen en handgiften der stadsburgers voldaan, zoo
dat, tot verlichting der inwoners, de Magistraat en de
geestelijke overheid nog in \'t zelfde jaar 1500 aan het
klooster bedelbrieven of promotorias verleenden om in
de omstreken of naburige steden en dorpen onderstand
te gaan vragen.
In\'t jaar 1501 viel echter aan \'t klooster eene buiten-
gewone gift ten deel. Op St. Martcnsavond (10 noveni-
ber) van dat jaar, voor Richter en Schepenen van Well,
droegen en gaven Meth, weduwe van wijlen Wijn Koelen,
en hare dochter Henriche over aan Prior en broeders van
Transcedron, in aalmoes en zuiver om Gods liefde, haar
erf en goed gelegen in \'t Wellreloo, in de heerlijkheid
Well, onder voorwaarde haar beiden gedurende haar
leven te onderhouden. De overdracht geschiedde aan den
leekenbroeder Gerardt van Brakell. Dat erf bestond in
eene hoeve van 35 morgen akkerland en 7 morgen weide,
en was belast met eenige iiitgidden, namelijk aan de kerk
of altaren te Well 3 malder rogge, 4 malder gerst, 2 pond
(1) De eerw. heer Jos. Daris, in zijne monographie : L\'ordrc du Saint Scpulcre
dans Vanden diocese de LU\'ge,
maakt hoegenaamd geene molding van de instelling
der kanunniken van \'t H. Graf te Venlo. Men zie Publicalions de la Soc. hist. el
arch. du Limbourg,
VI, hlz. 291.
-ocr page 8-
— 6 —
was en 5 stuivers, aan den heer van Well 4 vlemsch, een
malder haver, 1 £ pond en 1 lood peper, een hoen en 4
stuivers.— Die goederen werden in 1519 nog vermeer-
derd met den grooten weerd, ook botterwegh genoemd,
beslaande 3 morgen, welken het klooster, om den omvang
van den hof te vergrooten, van den heer van Well, Otto
van Bijlant op St. Peters avond ad cathedram (17 Ja-
nuari) in vasten erfpacht tegen eene jaarlijksche onaf-
losbare rente van 9 hornsgulden overnam.
Sedert dat de ordensheeren van \'t H. Graf in \'t klooster
waren toegelaten, bemerkte men bij hen de lust om zich
geheel en al meester te maken van de inrichting, en de
goederen zich toe te eigenen. Hun getal, dat bij \'t akkoord
van 1500 slechts drie konden bedragen, vermeerderde
allengskens, terwijl dat der Cellen- of leekenbroeders ver-
minderde. In 1514 was er slechts één cellenbroeder meer
aanwezig. De Magistraat der stad werd beducht dat, zoo
het vermoed voornemen der kanunniken niet werd tegen
gegaan, het doel der slichting van \'t klooster geheel zou
worden vernield en de bevolking bij regecrende pesten
van hulp en verzorging verstoken zijn. Hij maakte dien ten
gevolge van zijn recht van oppertoezicht gebruik en sloot
in 1516 met den Prior en conventualen van Odiliënberg
eene nieuwe overeenkomst die de opneming van slechts B
priesters van dat orde, zooals bij \'t primitief akkoord,
toeliet en daarentegen het getal der Gellenbroeders op 4
bepaalde, welk getal bij noodtijden tot 5 of 6 konde opge-
voerd worden. Ook werd de bestaande prior van Transce-
dron
vervangen door een nieuwen, Thilman Hoecklaven.
Het schijnt echter dat de administratie der Ordenshee-
ren niet gelukkig was, en zij ook de verplichting om 4
Cellenbroeders te houden even als vroeger niet nakwamen.
In het jaar 1545 sloeg de heer van Well, Adriaen van
Bijlant,
den Boterweerd aan zich, wellicht wegens wan-
betaling der rente van 9 hornsgulden. Door tusschenkomst
nogthans van de koningin-gouvernante Maria, aan welke
de conventualen zich gewend hadden, kregen zij in 1547
den Weerd terug. — Deze spoliatie had tot les kunnen
strekken; doch het goederenbeheer ging er niet te
beter om, want de eigendommen namen af, de schulden
daarentegen toe; zoodat de stads magistraat zich genood-
zaakt zag in 1563 krachtig op te treden, te meer daar er
-ocr page 9-
- 7 —
in \'t geheel geene cellenbroeders meer in \'t klooster aan-
wezig waren.
De klachten, die door den Magistraat tegen het beheer
der kloostergoederen bij de oversten van het orde waren
ingebracht, hadden tot gevolg dat in genoemd jaar 1563
deprior van St. Odilienberg enProvinciale Vicaris, Richard
a Cruee, en de prior van Guilenburg, Gerard Tellicht,
die als Visitators naar Venlo gekomen waren, een nieu-
wen prior, Wilhelm van Ravensway, aanstelden en bij
verdrag den eisch van den Magistraat, om de goederen te
laten beheeren door Provisoren ter benoeming van den
stadsraad, inwilligden. Dat verdrag werd den 4 Juli geslo-
ten, en draagt de handteekeningen der drie genoemde priors
en de zegels van stad en klooster. De aanhef, die de rede-
nen der overeenkomst ontvouwt, is als volgt:
» Dwijl sich befunden dat dess convents Transcedronis
«guderen tot groten achterdeyl der ierster fundatien umb
«vier Cellebruderen tot walfart der gemeynte to under-
«halden gestifft etliche jar lanck her so mercklichen affge-
«namen dat sy niet alleyn oever die Dusent brab. gulden so
Hain verkoufften renthen ind anderen geborchden pennin-
«gen ind schuit then achteren gekomen, dan hebben ouch
«nu lange jaren her die vier Cellebruderen gliech sy sich
«verbonden nit underhalden, ouch des Closters gehuchter
wverdermichen underkomen laten, ind so derhalven dess
«Conventz guderen alhier mit pendung durch sommige
«schuldeneren upgewonnen, ind die ander creditoren umb
«betalung furderen, also dat to besorgen wanner van Bur-
«gemesteren Schepen ind Raidt niet versiehn en wurd, so
«sollen allen guder dergestalt veralieniert off also gesweckt
«werden dat noch die verordente goetzdiensten noch die
«ierste fundatie der vier Cellebruderen tot mercklichen
«nadeyl der gemeyner schemeler Burgeren solden konnen
«underhalden werden."
Daarbij werden de volgende bepalingen gemaakt. De
goederen en renten zullen door eerbare, vrome burgers ter
verordening en benoeming van den Raad geadministreerd
worden, en de inkomsten dienen tot vereffening der
schulden en achterstallen « ouch tot recuperatie der kir-
« chen ind woeningen (die waarschijnlijk door schuldeischers
«waren in beslag genomen) ind der affgewante renthen
«indguderen." De jaarlijksche rekening dier beheerders zal
-ocr page 10-
— 8 —
aan Burgemeesters, Schepenen en Raad, in tegenwoordig-
heid van den Prior, gedaan, en aan de Visitatores, bij
hunne komst te Venlo, ter inzage gegeven worden. De
prior zal, uit des convents renten «f uit andere door den
stadsraad aan te wijzen middelen, van een fatsoenlijk on-
derhoud voorzien worden, en geene macht hebben eenige
erfgoederen of renten te verkoopen ofte verzetten dan met
wil en toestemming van Burgemeesters, Schepenen en
Raad. Ook mogen, zoolang de eerste stichting van vier
Gellenbroeders niet zal zijn hersteld en getrouw onderhou-
den, geene ordenspriesters, buiten den prior, in het kloos-
ter worden gezonden of verblijven dan met voorweten
van Burgemeesters,Schepenen en Raad. Eindelijk zullen de
oorkonden en de brieven van onroerende goederen, het
zegel des kloosters, en de inventaris der kerksieraden en
van ander tilbare have in eene kist bewaard worden
met twee sloten, waarvan één sleutel bij de stad, en de
andere in handen des Priors zal zijn. (1)
Deze regeling zoude de zaken van het klooster metter tijd
weder geredderd hebben. Intusschen gaven de Magistraat
en de provinciale vicaris Richardus a omce hunne toe-
stemming tot den verkoop van twee huizen om eenige
ongeduldige schuldeischers te bevredigen, en de Provisoren
ijverden om\'t meest, ten einde door langzame delging
dor schulden de oorspronkelijke stichting, nl. het onder-
houd van vier cellenbroedcrs, weder te kunnen doen her-
leven. Doch de noodlottige tijdsomstandigheden, die wei-
dra zich voordeden, moesten die goede bedoelingen ver-
ijdelen en den geheelen ondergang van \'t klooster na zich
slepen.
De godsdienstoorlog ontbrandde in het Overkwartier.
Do legers van beide partijen of wel losse afdeelingen ervan
doorkruisten gedurig het land en maakten aJle verkeer
onveilig. Te Venlo was de toestand al even verward ; dan
eens spaanschgezind,dan weder door de Hervormden bezet,
bood die stad rust noch zekerheid. In 1578 had zij een
staatsch garnisoen dat zich in October van \'t klooster en
de kerk van Transcedron meester maakte, en alles ver-
woestte of er uit plunderde. Wat konden de Provisoren,
(1). Deze oorkonde berust in het Archief te Venlo, waar ook de andere door ons in
dit artikel aangehaalde stukken zich bevinden.
-ocr page 11-
— 9 —
die destijds waren Glaes van Holt en Michiel Spee, tegen
deze geweldenarij doen ? Daarbij kwam tevens dat de
weinige renten, die \'t klooster nog bezat, niet betaald
werden óf uit onwilligheid óf uit onmacht der schulde-
naren. — Doch een erger slag zou weldra het reeds zielto-
gend kloostertje treffen.
Den 10 Februari 1579 werd het huis Well door Maarten
Schenck, die toen aan de Spaansche zijde was, ingenomen,
en het volgend jaar 1580 de schans aldaar aan de Maas
gebouwd. De moedwil der soldaten maakte dat niet
alleen de heer, die toen wasBalthasar van Flodrop,levens
heer van Leuth, maar alle de landlieden het verliepen:
■ nadem a° 79 (zoo zegt eene nota van 1594, in \'t archief
«van Venlo voorhanden) dat huyss ingenamen ind volgens
«a° 80 die schans aldar upter Maese gelacht also dat die
«sementliche underdanen nootwendich hebben motten
«verloepen, ur huyseren ind lenderie verlaten ind lange
«jaren in uytlendischen oerderen erbarmlichen sich erne-
»ren." De halfwin of pachter van den kloosterhof in Well-
reloo,
genoemd Peter Beckskens, vlugtte insgelijks met
zijn gezin ; de hof lag verbrand, en de landerijen bleven
vogelweide. Die ellendige toestand duurde elf jaren lang.
Nadat Venlo in 158G door den Hertog van Parma was
bemachtigden in de volgende jaren de omstreken,zoo niet
eene geheele, dan toch een weinig rust konden genieten,
keerden eenige Wellenaars naar hunne haardsteden terug;
onder dezen was de oude pachter van den kloosterhof,
welke in 1591 wederom begon te bouwen. Doch de heer
van Well, Willem van Flodrop (zoon van Balthasar)
die inmiddels ook weer bezit van zijn landheerlijk goed had
genomen, vergde nu de betaling der jaarlijks hem ver-
schuldigde renten des hofs van af 1577, en daar zoowel
de pachter als de provisoren de rechtmatigheid van dien
eisch betwistten, sloeg hij in 1594 den geheelen hof met
landerijen tot zich. De stad Venlo zond nu den 24 Augus-
tus van dat jaar den raad Hans Franssen naar den heer
van Well om de zaak in der minne te beslechten. Zij be-
weerde, op getuigenis des pachters, dat de jaren 1577 en
78 betaald waren, dat voor de oorlogsjaren, gedurende
welke de hof verlaten was geweest, ook geene renten ver-
schuldigd waren, en dat voor de drie jaren 91, 92 en 93
de burggraaf des heeren den pachter gedwongen had de
-ocr page 12-
— 10 —
helft der in 92 en 93 gewonnen vruchten af te leveren (1),
belovende de stad dat indien, na afrekening dier aange-
slagene helft, nog iets aan den heer zou uitkomen, dit
bedrag door de Provisoren te doen betalen. Aan den Bis-
schop van Roermond, wiens bemiddeling ook werd inge-
roepen, schreef de stad dat, volgens haar oordeel, de slot-
rekening nog ten voordeele der Provisoren zou zijn:
« verner — zoo luidt een gedeelte van dien brief — moe-
„gen ouch uyt dieser navolgender oirsacke alle die thynsen
«niet gefurdert worden als na den jure belli der her to
„Well so wal syn huyss als die underdanen urer guderen
„beroefft verbrant ind verjaegt syn worden, so vern nu
„der herwegen onbetalungder dryen jaeren restanten der
„guder aen sfch solde moegen slaen, so solde der her durch
„alsolche verjagung grotelicken gerickt ind die underda-
„nen mit thynsbaren guderen belast synde darvan erffli-
„chen entroefft syn datwelche tegen der natur ind gantz
„onchristlich wesen solde. Wanner nu alleyn die thynsse
«die in tyden als die lenderie gebowt is gerekent werden
„vermog desPlacatz ind die onthavene fruchten restitueert
„solen werden, so sold den Provisoren noch eyn merck-
„liche som in die hant komen." — Het schijnt zelfs dat,
buiten de Provisoren om en tegen hunne vroegere voor-
waarden van toelating en de gemaakte overeenkomsten
in, de kanunniken van \'t H. Graf ook recht op de betwiste
goederen beweerden, en ze terugvorderden als belast met
het onderhoud van een hunner priesters. In een brief van
de stad, zonder datum of adres (Venlosch archief), waarin
zij voorstelt \'t geschil met den heer van Well door de
Kanselarij van \'t Geldersch Hof te Roermond te laten be-
slissen, zegt de Magistraat : „ aengaende den Provincial
wind Prior des oordens dominici Sepulchri verhaepen wy
„dat dieselve niet begeren sullen dieser geringer onfrucht-
„barer guederen mit ure daerop stainde ind gestiffden las-
„ten sich to underwenden so sy met eines priesters under-
(1) Uit de getuigenis des pachters zien wij hoeveel die helft hedroeg : »Ind bekent
uder halffmun anno 02 uyt syner halffte gedorst to hebben 5 mulder rogge, vierde-
„halft malder weitz, iij malder gewnndtz korns hall!\' haver ind gerst, ind i mulder
■erten".
«Noch bekent der halffman, dat hg anno 93 uyt syner hel ff ten des gewas»
«ontfangen ind bekommon einen haster rubsaet, eyn malder roggen, drie malder
■gersten, 4 someren erlen, j malder boeickweiten, allet onangesehen dat die
•Provisoren haben jeder tyt dat saetkoren gedaen, die pert geransonert ind
„andere aenlalg gedaen hebben."
-ocr page 13-
— 11 —
«haltdamit bekomen sollen, ind wanner sydie nootwendige
„underhaldung dergehuechter und dae beneven die gestiff-
«de diensten ind vort die restitutie von 4 cellebroederen
„doen sollen, die sy gehalden syn ten ewigen dage toete
„underhalden ind nu lange jaeren tot nadeyl dieser stat
„burgeren intermittert hebben,
so solde men dartoe wol
»eyn merckliche som van penningen van doen hebben."
Niets mocht echter baten. De heer van Well, voor wien
het woord recht slechts een ijdele klank schijnt geweest te
zijn, bleef zich in \'t onwettig bezit van den hof handhaven,
en \'t klooster Transcedron, waar sints 1563 geen cellen-
broeder, en sedert de verwoesting in 1578 geen kanunnik
van \'t H. Graf meer in woonde, was van zelve opgeheven.
De kloostergebouwen, die verlaten stonden, werden, met
toestemming van den Magistraat, door arme huisgezinnen
betrokken, alzoo, volgens eene limburgsche uitdrukking,
eene ware erk van Noei (ark van Noach), tot dat zij in
1599 aan een vrouwenklooster werden afgestaan.
-ocr page 14-
II.
Het VROUWENKLOOSTER of de ANNUNCIATEN.
In tegenstelling van andere steden van eenig gewicht,
bezat Venlo op het laatst der 14do eeuw nog geene kloos-
ters. Eerst in 1399 kwam eene geestelijke orde, namelijk
die der Kruisbioeders, zich aldaar vestigen (in de kapel
van St-Nikolaas, behoorende aan de schippersgilde). Een
tiental jaren later zou eene eerste vereeniging van vrou-
wen plaats vinden.
Het was toch in 1410 dat verschillende godvruchtige
dochters, die met werken hun kost verdienden, zich aan
de verplichtingen van den 3aen regel van St-Franciscus
onderwierpen, en besloten samen in een begijnhof te
gaan wonen. Zij brachten bijeen al hare geldelijke mid-
delen en kochten op St-Gertruidendag (17 Maart) van
Herman Dune en zijne vrouw Hille een huis en erf, ge-
heeten die Oede, met 3 stukken land, alles gelegen op
eene plaats, ook geheeten de Oede of de Ooi, doch nog
onder \'t gebied der stad. Op die goederen hadden ge-
noemde echtgenoten in 1390 aan Johan, zoon van Diede-
rich van Lomme, eene erfrente van 1 malder rogge ver-
kocht, die echter later, in 1418, aan \'t zustergenootschap
in almoes door Johan werd geschonken.
In datzelfde jaar 1418 kochten de begijnen nog ver-
scheidene perceelen in de nabijheid, onder anderen : van
Godert van Leeuwen en zijne vrouw Yda een bampt ach-
ter Heinen Mandenkamp, van Art van Lomme, sche-
pen van Venlo, 3 morgen land, en van Sibrecht van Krie-
kenbeek,
richter te Venlo, 2 morgen naast de vorige
-ocr page 15-
— 13 —
gelegen. Zij werden totdie aankoopen in staat gesteld door
de liefdegiften die zy ontvingen, en door het geld wat
eenige vrome dochters, die zich bij haar aansloten, mede-
brachten.
Van dit begijnhof zijn overigens weinige bijzonderheden
uit de nog overgebleven bescheiden (1) te putten. Het
schijnt dat, gelijk in andere dier instellingen,iedere begijn
eene afzonderlijke woning had, die zij op hare kosten
bouwde of van de gemeenschap tegen vergoeding voor
haar leven overnam.
Het afgezonderd leven, dat men in \'t begijnhof, verwij-
derd van de stadswoelingen en aardsche bekommernissen,
voerde, deed van lieverlede de lust geboren worden om
zich aan het eigenlijk kloosterleven te wijden. Zij verkre-
gen daartoe in 1423 de vergunning van den toenmaligen
pastoor van Venlo, Wilhelmus Egghartingen, en begon-
nen \'t volgend jaar, na machtiging en goedkeuring van
den Bisschop van Luik, Johannes van Heinsberg, boko-
men te hebben, een klooster te bouwen, dat zij Marien-
daal
noemden, met eene kapel die der H. Gatharina werd
vereerd. Omtrent die goedkeuring van den Bisschop zegt
een handschrift (2),dat de zusters werden gesteld onder de
gehoorzaamheid van eene materse, die het beheer der
kloostergoederen zoude hebben, dat die materse of moe-
der gekozen moest worden door de zusters, dat de Bis-
schop tevens aan \'t nieuwe klooster een visitator ver-
leende : »gevende hem de macht die susters te absolveren
» ende datse moeghen misse doen lezen op eenen gewij-
„ den altaar steen, end\'e dat den visiteerder mach aen en
» affsetten met raet der susters de moeder des convents
» ende allen ander susters die officien hebben: ouch mach
» die visiteerder met raet der susters insetten,reformeren,
» corrigeren, dispenseren al wat hem goet dunckt ter
» eeren Godts, voorts dat hij mach ontfangen haer belof-
» ten oft professien: noch verlende haar desen selven
» Eerw. heer Bischop dat de susteren mochten laten tim-
» meren een capel ter eeren onser liever Vrauwen ende
> sancta Gatharina die heetensal te Mariendael met eenen
(1) De bescheiden welke wij hier bedoelen, zoomedo die, waarop wij ons in \'t ver-
Tolg deter bijdrage beroepen, berusten in \'t Provinciaal archief te Maastricht.
)2). Dat handschrift bernst op de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.
-ocr page 16-
— 14 —
» kerckhof ghewijt om haer dooden daerop te begraven,
» ende datse sullen ghebruijcken allen vrijheit der H.
» Kercken ghelijck ander gheestelijcke lieden ende clos-
« ters doen, gevende 40 dagen aflaat alle den genen die
> den convent goet doet met almossen off die den perso-
» nen ende den saken des selven convent gunstich ende
» voorderlyck sijn. »
Om het begijnhof in klooster te doen veranderen, had-
den die zusters, welke hare huizen in eigendom bezaten,
deze aan \'t veranderd gesticht overgedragen. Dat echter
niet alle zulks gereedelijk deden en eenige aan de oude
vrijheid gedurende geruimen tijd gehecht bleven, kan uit
de omstandigheid afgeleid worden dat in 1433 op den
avond voor St- Petersbanden (1 Augustus) de begijn
Margriet Roffarts, dochter van wijlen Goedert Roffarts
Floerkenssoon, aan \'t klooster schonk een huis en getim-
mer, dat zij 12 jaren bevorens had doen bouwen bennen
den convent ende op des selven conventz gront en erve.
In de stukken van de 15de en lüde eeuw vinden wij \'t
klooster steeds vermeld onder beide namen van Marien-
dal
en van in de O ede, b. v. convent Mariendael orde
van den derden reegel St-Franciscus vander penitentien
gelegen in der Oydebij Venlo
(1432), of convent sinte
Katherynen in Mariendael geheiten in die Oedo
f1475,),
of cloister ing en Oei gênant Mariendael (1512,), enz.
De bisschop Johannes van Bourbon, die in 1456 op
Johannes van Heinsberg was gevolgd, verleende, veertig
jaren na de oprichting des kloosters, aan de zusters op
haar verlangen het slot bij oorkonde van St-Vincentius
dag (22 Januari) 14G3, en in \'t zelfde jaar bij bisschoppe-
lijke oorkonde van Hemel vaartdag (19 Mei) ontvingen zij
de zwarte wijl.
Het klooster nam in bevolking toe. Vele dochters uit
voorname en schepenfamilien der stad, van welke eenige
ruime medegaven of dolen inbrachten, wijdden er zich
aan \'t geestelijk leven, zoodat de kapel van 1424 te klein
werd en aan \'t bouwen eener nieuwe kerk gedacht moest
worden. Vele jaren nogthans bleef het bij \'t voornemen.
Eindelijk werd zij den 1 Maart 1531 begonnen, en \'t vol-
gend jaar reeds voleind, doch de inwijding (ter eere van
St. Gatharina) geschiedde eerst in 1537 des Zondags na
St. Jacobsdag (28 Juli). Vijf en veertig jaren later was zij
-ocr page 17-
- t5 —
de prooi dor vlammen, door onzalige handen aangestoken.
Doch eer wij van dat drama zelve gewagen, willen wij
eenige bijzonderheden mededeelen, voor zoo verre ons
bescheiden ten die.iste staan, over de goederen, die \'t
klooster in de 15de en 16de eeuw verwierf.
Zoo vinden wij dut bij koop nog verkregen werden in
1429 4 morgen in He Oede van Margareta, weduwe van
Reyner van Wachtendonck, en in 1431 2 morgen in de
Mewenvenne van Derick Hoppenbrouwer en zijne vrouw
Grete, die in 1426 dat land hadden geworven van Heyn-
rich Drab, richter te Venlo.— In 1427 op St. Urbanus
avond (24 Mei) schonken Meynert Mertenssoen en zijne
vrouw Gathryne, in aimoes, het stuk land, groot 4
morgen , geheeten dat cloetken en gelegen beneden
den Aest aen der Masen. — In 1428 op St.
Egidiusdag (1 September) gaf Grete, weduwe van Hein-
rich Ratinckx, schepen van Venlo, met toestemming
harer zonen Henrich en Dirich Ratinckx en van haar
schoonzoon Harman van Nere, man harer dochter Mette,
2 morgen land in Mewenvenne. Later waren de drie
kinderen van deze Mette in \'t kloosterleven getreden; de
zoon bij de Kruisbroeders te Venlo, eene dochter bij de
Regularissen te Weert en de andere in \'t klooster Marien-
dal.
Op St. Jorisdag (23 April) 1467 troffen de drie
kloosters eene overeenkomst dat indien een dier kinde-
ren stierf vöör zijne moeder, die toen weduwe was, het
betrokken klooster toch in de later openvallende nalaten-
schap van Mette gelijkelijk met de twee andere kloosters
zou deelen.— Op de kinderen van Lenaert Vosch wer-
den in 1438 uit verwonnen, voor Schepenen van Venlo,
8 morgen land gelegen in der Oede in Heynen Manden-
kamp,
wegens wanbetaling van 12 geldersche gulden erf-
rente, die aan \'t klooster in 1416 geschonken waren door
Johan Greveraide van Venlo. - Nog werd in 1479 op
St. Michielsdag (29 September), van Geradt van Ruwele
en zijne vrouw Lysbeth, in aalmoes ontvangen een mor-
gen land,op de Maas naast de eigendommen van \'t kloos-
ter gelegen; en in 1480 op H. Sacraments-avond (31 Mei)
van Jacop Metz en zijn schoonzoon Arnt Dalen 2 mor-
gen, genoemd den hoogen camp, naast land van het
klooster.
Van de landen, die \'t klooster voor en na in den om-
-ocr page 18-
— 16 —
trek verwierf, werd een hof aangelegd, welke tegen over
de kloostergebouwen lag en den naam droeg van Voirste
Oede,
ter onderscheiding van een ander hof, ook de Oede
genoemd, een weinig verder van Venlo in \'t gericht van
Velden gelegen. Deze behoorde in de 14ic eeuw aan
ridder Frederik van den Berg en zijne vrouw Elisabeth,
en werd door hen in 1361 op St. Gertruiden avond (16
Maart) aan Gerrit van Caule, burger van Venlo, en diens
vrouw Lute verkocht.
Een tweede hof, dien \'L klooster inde 15de eeuw ver-
kreeg, was de hof Gurtol Curten, gelegen onder \'t laat-
gericht van Geisseren in \'t land van Wachtendonck.
In \'t jaar 1449 op St. Jorisdag (23 April) kochten de zus-
ters, van Hendrik Buschman, zijne vrouw Nese en hun
schoonzoon Derich ten Hove, 7 malder rogge op dien
hof, welke hun toebehoorde. Deze erl\'rente werd nog
vermeerderd met 3 malder die \'t klooster in 1450, en met
5 malder die het in 1455 van dezelfde eigenaars verwierf,
\'t Schijnt dat de verkoopers al zeer ver op den weg des
achteruitgangs gevorderd waren, want in 1456 konden
zij de 15 malders rente niet betalen en \'t klooster sloeg
den hof aan zich bij uitwinning. Doch hun tweede schoon-
zoon, Frank Gruter of Gruyters, rentmeester te Bom,
beschudde \'t goed (d. i. eischte en verkreeg het als
naaste verwandte, volgens de rechtsregelen van dien tijd,
door schuld en onkosten te voldoen) op O. L. Vrouwen
Ontvangenis (8 December). Achttien jaren later echter
werd die hof andermaal door \'t klooster uitverwonnen,
wijl Frank Gruter in den laatsten tijd ook de rente niet
betaald had, en de schuld deswege opgeloopen was tot
eene waarde van 98 rijnsche gulden; nogthans wegens
de meerdere waarde van den hof kwamen Frank en zijne
zonen Hendrik, pastoor te Susteren, en Steven (de derde
zoon Jan was afwezig) bij \'t laatgericht in verzet, om
welke reden tusschen partijen op St. Urbanusdag (25 Mei)
1474 eene overeenkomst werd getroffen, waarbij de Gru-
ter\'s
nog 172 rijnsche gulden ontvingen tegen afstand
van den vollen eigendom.
Wij zeiden hierboven dat ook ruime medegaven van
de novicen aan \'t klooster ten deel vielen. Eenige daar-
vaa zijn ons uit bescheiden bekend.
Een der voornaamste goederen, die als zoodanig wer-
-ocr page 19-
— 17 —
den verkregen, was de hof Brandt of ingen brandt gele-
gen te Leuth (Pruissisch Gelder). Deze hof, groot 21 mor-
gen, werd te lijfgewin gehouden van \'t Pastoraat van dat
dorp. In 1430 gaf Reynier Beerken, met toestemming des
laatheeren Borghard van der Aer, pastoor te Leuth, den
halven hof\' als dote zijner dochter, die den 4 September
van gemeld jaer daarin, ten behoeve des kloosters, werd
geërfd. De andere helft van den hof, die aan de familie
van Beringen behoorde, kwam eerst aan \'t klooster in
1461. In dat jaar op Gecilieu avond (22 November) droe-
gen Marsilis van Beringen en zijne vrouw Galent, wier
dochter, ook Galentgenoemd, non in de Oede was ge-
worden, voor den toen nog levenden Borghard van der
Aer
en zijne laten, die tweede helft over in den persoon
van zuster Kathrijne van Langendonck.De hof bleef ech-
ter niet lang in \'t bezit des kloosters, want bij oorkonde
van St-Antonis avond (16 Januari) 1484 verkochten Peter
Tzarijn, pater of rector, Agnes van den Bereken, ook
genoemd Nese van der Horst, materse, en Hadewycli
procuratersse, met toestemming des laatheren Jan van
Zeiler,
pastoor te Leuth, den geheelen hof aan \'t Kruis-
heeren klooster te Venlo.
In 1468, 2 Juli, gaf Goessen van Lom aan zijne
dochter Geertruid, tot medegave, 15 malder rogge rente
op 5 morgen en op 43/4 morgen, gelegen in de heerlijk-
heit I van Arssenen gericht van Velden tegen over Grub-
benvorst.
Hij vernieuwde die gift in 1476, maandag na
cantate (12 Mei), toen hij in \'t klooster Mariensand
bij Straelen was getreden, mot toestemming van den
prior Peter von der Aldenkerken en van zijn zoon Pou-
wels van Lomm. In 1505 werden de twee stukken land,
wegens wanbetaling der rente, door \'t klooster op Goessen,
die inmiddels was priester geworden, en op zijn zoon
Pouwels, insgelijks priester, uitverwonnen. Beiden, die
tegen de uitwinning in rechten opkwamen, verstonden
zich op Kruisvinding avond (2 Mei) 1506 met \'t klooster,
dat inwilligde eerst na Goessen\'s dood in bezit van gemelde
stukken te geraken.
Als aanwinsten wegens doten vinden wij nog de vol-
gende. Peter Loup en zijne vrouw Alet, van Venlo,geven
in 1490 een stuk van 2 morgen aender Oeden in Heynen
Mandenkampe
als medegave hunner dochter Stijne,en in
-ocr page 20-
— 18 —
1525 voor hunne dochter Maria 1 morgen in \'t Bruyh-
huizerveld,
gericht van Stralen. — In 1491 op St. Lam-
brechtsdag (17 September) schenken Jan Hagen van der
Horst
en zijne vrouw Lisbet 5 morgen land, in twee
stukken, gelegen aenden heugen home tegen \'t klooster
aan, voor dotehunner dochter Gertrude. — Nese die Hoge
brengt in 2 morgen gelegen in der Oede, welke hare
ouders Pawels die Hoge en Alheid op St. Bartholomeus
dag (24 Augustus) 1497 aan den pater Peter Tzarijn
overdragen. — In 1513 geeft Aelheit ingen Oeye,
weduwe van Johan Rutten, voor Schepenen van Venlo,
2 hornsgulden rente op 2 morgen land, gelegen bij
de Maas aan kloosterland, voor hare dochter Peterken.
— Jan van Lomme, burgemeester van Roermond,
had aan zijne dochter medegegeven een bampt van 5
roeden, gelegen in \'t gericht van Velden, op de Maas te-
genover Grubbenvorst, naast land van jonker Derick van
Drift.
Doch later, dat goed weer beschud hebbende, ver-
kocht hij het in 1517 op St-Jorisdag (23 April) aan \'t
klooster, met toestemming van zijn zoon Johan van
Lomme
en van zijn schoonzoon Dirick, van Cruchten,
scholtis te Roermond.
"Wij komen thans tot het gruwelijk feit der verwoesting
van \'t klooster inde Oede.
De godsdienstoorlog had reeds sedert eenige jaren hare
walmende toorts over \'t Overkwartier gezwaaid, en
Venlo, dat toenmaals naar de zijde des opstands scheen
over te hellen en Staatsch garnizoen had ontvangen,menige
tooneelen van priester-en kloostervervolging in hare mu-
ren aanschouwd, toen in 1581 de afzwering des Konings
de maat vulde, en de Magistraat van Venlo, die nu geheel
uit Protestantsche leden werd samengesteld, tegen kerken
en kloosters te velde trok en zich in \'t bezit er van stelde.
Het klooster in de Oede, eensdeels uit haat, andersdeels
uit een militair oogpunt, werd der vernietiging gedoemd.
OpSt-Lambrechlsdag (17 September) 1582, trok een groot
deel van \'t garnizoen uit de stad, om \'t beraamde werk
der verwoesting te volvoeren.
Het klooster, dat in vroegeren tijd gewoonlijk 50 a 60
zusters telde, had er toen slechts 38, dewijl de gevaarvolle
toestand der laatste jaren en de daaruit voortvloeiende
vermindering der inkomsten een hinderpaal waren geweest
-ocr page 21-
— 19 —
tot het aannemen van novicen of nieuwe zusters. Doch
die 38 bevonden zich niet allen in \'t klooster. De oversten,
die onderricht waren van \'t lot dat haar dreigde, hadden
de meeste verwijderden slechts een vijftiental achtergela-
ten om \'t goed te bewaren, zich nog met de flauwe hoop
vleiende dat\'t luttel getal aanwezige zusters geen achter-
docht meer zou inboezemen en den Magistraat en mili-
taire gezagvoerders van hun snood voornemen doen af-
zien. Zij vonden zich in die hoop bedrogen.
De uitgezondene soldaten joegen de zusters weg, na
haar de doeken van \'t hoofd en de rokken van \'t lijf te
hebben ontrukt. Alles wat zich in \'t klooster bevond werd
buit van den roofgierigen troep. De gebouwen werden
der vlammen prijs gegeven, en weldra stonden er slechts
naakte, verkoolde muren meer. Doch de kerk...! Hier had
iets buitengewoons plaats, dat, waren niet alle berichten
eenstemmig, men nauwelijks zou kunnen gelooven. Alle
pogingen om den brand in de kerk te krijgen mislukten,
het hout en de gebindten wilden geen vuur vatten. Men
vulde de geheele kerk met stroo; ook dit wilde niet vlam-
men. Drie dagen lang duurden de vergeefsche pogingen.
Eindelijk gloeide het vuur en de kerk werd vernield.
De arme zusters, die \'t klooster waren uitgedreven,gin-
gen naar Venlo, alwaar zij van eenige beklaagd, van ande-
ren bespot en verguisd werden. De meeste vonden hulp
en intrek bij hare familie, terwijl de overigen zich om bij-
stand vervoegden aan \'t klooster Maria-weide,d3it echter
in den onzekeren toestand van zijn eigen bestaan en uit
angst voor de wraak der staatsgezinden, haar niet durfde
innemen, maar een huisje in de nabijheid ter woning ver-
gunde. Verstrooid en van geldelijke middelen beroofd,
leidden de zusters een armzalig leven, overal omziende
naar raad en vertroosting in den erbarmelijken staat
waarin zij zich bevonden, en naar middelen om zich weer
onder kloosterlijken band te vereenigen. Te vergeefs echter
wendde zich de moeder, Maria Beugels, aan den gene-
raal van haar orde; deze liet haar weten dat hij in dien
troebelen tijd onmachtig was hulp te verleenen. Bij den
stijgenden nood nam zij toen, met toestemming van
andere zusters, die zij konde raadplegen, haren toevlucht
tot den Bisschop van Roermond, Willem Lindanus^
beloovende voortaan onder zijne gehoorzaamheid te staan
-ocr page 22-
— 20 —
en van de opperleiding des generaals af te zien. De bis-
schop riep de zusters naar Roermond en verleende haar
de gebouwen van \'t klooster ten Beggarde, later genoemd
Mariawee. Dat klooster was in 15G1 door den Paus
gesupprimeerd; doch de Beggarden, die het bewoon-
den, konden er in uitsterven. Op \'t tijdstip dat die gobou-
wen,welke met de andere goedoren van die kloosterlingen
aan den Bisschop waren toebedeeld gewecst.aan de zusters
van de Oede kwamen, leefden er nog slechts 3 personen,
één priester en twee leeken, die op eene andere plaats
voorzien werden. Eer echter al die schikkingen tot een
goed einde waren gebracht, verliepen er twee jaren,
en had de dood reeds vele zusters weggerukt, zoodat er
nog slechts 17 overbleven, die in 1584 naar Roermond
trokken.
De toestand was wel iets beter, doch nog niet naar be-
hooren: «soo den schaede,— gelijk ons boven aangehaald
handschrift zegt, — tijdelijck groodt was, en was hij
» geestelijck niet cleijnder, wantter veel goede ordinan-
» tien verloren waeren diese oock niet van meijninghe en
» waeren wederom in te stellen, als naemelijck liet slot
» het welckse daer niet en vonden noch oock en maeck-
» ten." Daarbij werden de zusters uit armoede gedwon-
gen eenige renten (zij konden toch in de verwarde tijds-
omstandigheden geene betaling ervan bekomen) te
verkoopen en hare goederen met groote sommen gelds te
belasten. Hoewel zij nu te Roermond in rust en vrede
leefden,beschouwden zij zich aldaar als in ballingschap, en
verlangden steeds naar Venlo terug te keeren.
Dit gelukte haar in 1599. De Magistraat van Venlo
schonk haar, met toestemming van den Bisschop, de
gebouwen van \'t vroegere Gellenbroedersklooster, genoemd
Transcedron. Deze waren door 13 arme huisgezinnen be-
trokken, en zagen er erbarmelijk uit; ook verliepen er vele
dagen, eer alle onzindelijkheden weggeruimd, en kerk en
vertrekken weder in orde waren. Den 10 Juni waren de
overgeblevene zusters, nog slechts 11 in getal, aldaar
vereenigd. Nog in denzelfden maand, op St. Jansdag
(24 Juni) kwam de Bisschop tusschen 3 en 4 uren \'s mor-
gensdekerkinwijden tereerevanO.L. Vrouwe,St. Johannes,
St. Franeiscus en Ste Katharina, stellende \'t feest der
Kerkwijdinge op den eersten Zondag na St. Johannesdag.
-ocr page 23-
— 21 —
In \'t nieuwe klooster was slot, noch gemeen leven; de
oude zusters waren er ook tegen. Doch toen, na den dood
der moeder Alidge Veraast, diein 1605 op Maria Beugels
gevolgd en den 27 December IG10 van de wereld geschei-
den was, de bisschop Jacobus a Castro den 27 Juni 1G11
naar Venlo kwam om visitatie te houden en de nieuw
gekozene moeder Margrita Veraast,\'mster der voorgaande,
te confirmeeren, beval hij dat de zusters, «int ghemeyn
»sonder eyghendom mosten leven en in oprechte ghehoor-
»zaemheyt ende veel meerandere en diergelijcken punten.»
(Handschrift). Dit geschiedde echter niet dadelijk; want
de tegenstand der oude zusters was te groot en kon door
de aanmaningen van Willem Hesius (Van Hese, kanonik
van St. Servaas te Maastricht, dezelfde die pastoor te Venlo
geweest was, en nu sints 1605 pater van het klooster was)
niet overwonnen worden; hetgeen de Bisschop noodzaakte
andermaal in \'t klooster te komen, «bevelende wel scher-
»pelyck dat allet geit vande Susteren in een burse by een
»soude gedaen werden het welck men des anderen dachs
»oock doen most, ende oordonneerden hoe hij het cloester
sgesloten woude hebben ende beval dat ment soude laten
»maken.» Het slot werd dan ook ingevoerd op St.Martens
avond (10 November) 1611. Korten tijd daarna wierpen de
zusters haar lijnwaad samen en deden hare naamteekens
ervan, alsmede van hare kappen, rokken en ander kleedij
af; zoodat nu alles gemeen was, en zij van de ondermoeder
ontvingen wat zij noodig hadden.
Een der eerste zorgen van de zusters, nadat zij Roer-
mond verlaten hadden,en weer te Venlo,onder een Katho-
liek bestuur, waren gekomen, betrof de herkrijging en het
goed beheer harer goederen, van welke vele waren ver-
duisterdof onbebouwd lagen en andere, tijdens de jaren
van nood en ontberingen, die zij hadden moeten door-
worstelen, aan te lage prijzen waren verkocht. Zoo was de
hof, die tegen het oude klooster in de Oede gestaan had,
bijna verloren; de gebouwen waren met \'t klooster ver-
brand geworden, en van \'t meeste deel der landerijen had-
den de naburen zich meester gemaakt. Het recht des
kloosters werd echter gelukkig weder erkend, en in 1609
bouwde men voor een nieuwen pachter een huis en schuur,
die in 1617 met nog meerdere timmeringen werden ver-
groot. De koopers van gronden, die op den nood van \'t
-ocr page 24-
— 22 —
klooster hadden gespeculeerd, dwong men tot teruggave
of tot bijbetaling; zoo, onder anderen, Johan Swolgen,
kanonik en cantor van de kerk van St-Andreas te Keulen,
welke in 1595 10 1/3 morgen had aangekocht en in 1612
nog 300 gulden moest bijpassen. Ten gevolge dier terug-
vorderingen, zoomede der inbrengsten van verscheidene
novicen uit de gegoede burgerij van Venlo, was \'t klooster
aldra weder in een gunstigen finantieelen toestand.
In het jaar 1614 kwam er eene geheele verandering
van \'t klooster tot stand. Door invloed van de Minderbroe-
ders, die zich in 1612 te Venlo hadden gevestigd, open-
baarde zich bij vele zusters de begeerte om in een klooster
van eene andere orde over te gaan, ten einde een gestren-
ger slot en kloosterleven te smaken. Op aanraden der
moeder Margarita Verraast, besloot men echter te Venlo
te blijven doch een ander orde aan te nemen, en wel Jat
der H. Maria Annuntiata, waarvan \'t moederhuis te Leu-
ven
was. De bisschop, die den 28 April te Venlo gekomen
was, stemde daarin toe, en de Provinciaal der Minder-
broeders, Arnoldus db Ischa, welke den 31 April het
klooster bezocht, beloofde den wensch der zusters in \'t al-
geineei? Kapittel der Orde te ondersteunen. Doch die ver-
andering had niet den bijval van allon. Er waren toen nog
zes oude zusters, die de Oede hadden bewoond; deze wil-
den van de nieuwe wending van zaken niets hooren; vier
harer begaven zich naar het klooster te Wachtendonck.
Ook\'t algemeen Kapittel der Minderbroeders maakte in
den beginne zwarigheden, vooral omdat het VtNilosch
klooster op„depale der ongeloovigeketters" lag; doch door
bemiddeling van Mathyas Canisius, president der Min-
derbroeders van Venlo, en van pater Balthasar Baselier,
uit\'t zelfde klooster, gaf het eindelijk zijne toestemming,
waartoe insgelijks de Magistraat der stad in September
bijtrad, na de verzekering bekomen te hebben dat, „die
„ veranderinge niet sal syn tot laste der gemeynte ende
„ de borgers kinderen sullen voordeel hebben ende ont-
» fangen worden voor alle andere", en dat uit den Ma-
gistraat steeds een lid, als geestelijke vader, op hel orde-
lijk beheer der goederen zou toezicht houden. Intusschen
had de moeder van \'t Leuvensch klooster, Glara van Let/,
op 17 September met de diskreten vergaderd, tot de ver-
schillende officien van \'t nu dochterhuis te Venlo benoemd
-ocr page 25-
— 23 —
om aldaar de reformatie in te stellen, Sara Herlin, die
moeder vicaris te Antwerpen was,als mater Ancï7£a,Maria
Blaesberch als moi der vicaris, Gcertruyt van Bergen
als discrete meesterse en kosterse en Digna Cornelis
als discreet sclirijverse. Deze kwamen te Venlo den 20
September aan, en voerden reeds den volgenden dag het
slot in. Den 28 dier maand had de solemneele kleeding
der zusters in \'t grauw plaats (1).
Nauwe ijks echter had de mater Ancilla de reformatie
tot stand gebracht, of zij vormde het voornemen een
nieuw klooster en kerk te bouwen. De gebouwen toch
waren oud en versleten; het slot was zeer onvrij, want
aan ééne zijde lagen slechts hopen steenen om het af te
teekenen; en tevens stonden kerk en klooster „oock soe
« nae aende straet dat het gerucht soms onlijdelijck was,
« jae meer, hoorden somtijts eenighe nieumaren die opte
m straete vertrocken worden als de Susters in haer devo-
„ tie waere.i". Zij verkreeg echter eerst de toestemming
van\'t algemeen Kapittel tot bouwen in 1616. De eerste
steen der kerk werd gelegd, in tegenwoordigheid des Bis-
schops en des Magistraets, door den Gouverneur van \'t
O verkwartier, graaf\' Frederic van den Berg, namens den
Koning, die 250 gulden bb. voor den bouw had geschon-
ken. Het werk werd met veel ijver doorgezet,zoodat reeds
den 3 Juni 1617 het kruis op den toren kon geplaatst
wordenen in 1618 de kerk geheel voltooid was; zij werd
dan ook den 4 Februari 1619 door den Bisschop, bijge-
staan door den pastoor van Venlo, den pater guardiaan
der Minderbroeders, Lazarus Sanguessa, ingewijd ter
eere van de H. Annuntiatie; het hoog altaar ter eere van
de H. Maagd, den aartsengel Gabrie!, den H. Joseph en
den H. Johan den dooper; het 2de altaar, ter eere der HH.
Anna, Glara, Gatharina en Elisabeth weduwe; en het 3de
altaar ter eere der HH. Franciscus, Joachim, Laurentius,
Bernardus en de H. Bernardina. De Bisschop bepaalde
echter dat het feest der Kerkwijding zou gevierd worden
den 3den Zondag na Paaschen en verleende op dien dag 40
dagen aflaat. - Het klooster, wiens herbouw begonnen
was op 9 Juni 1618, op welken dag de eerste steen gelegd
(1) Kort daarna werd de zuster Margareta de Ametzaga, die lange jaren ziek en
lam was geweest, wonderlijk genezen. Men schreef die genezing toe aan hare devotie
tot de H. Maagd. Er bestaat daarover een gedrukt relaas dat zeer zeldzaam is.
-ocr page 26-
— 24 —
werd door den burgemeester Adam soan Lentholt in te
genwoordigheid van alle Magistraatsleden, vorderde meer
tijd en moeiten, want men werd in het werk der fonila-
menten zeer gehinderd door \'t welwater dat op verschei-
dene plaatsen opborrelde; eerst in 1625 konden al de ge-
bouwen voleind worden, en werden zij den 4 Augustus
door den Pater Provinciaal der Minderbroeders gewijd.
Het nieuwe klooster was grooter dan het vorige. Om \'t
noodige terrein te verkrijgen, had men in 1G19 en 1620
twee huisjes in de nabijheid gekocht; en in 1623, bij akte
van 14Februari,stonden,op bevel des bisschops,Margareta
Hoeven, mater, Metta Vossenbecker. suppriorin, Gatha-
rina de Wiy7er,procuratrix,van \'t convent Maria-Weyde,
namens hare medezusters af 5 roeden van hare bleek,
«welcke de religieusen der Annuntiaten van meyninghe
« syn in haere teghenwordelick aangevangen bouw ende
« timmeragie om dieselve in quadrangel te brenghen, te
» incorporeren en te betimmeren.»
De kosten van \'tbouwen werden deels in aalmoessen,deels
in de gelden van \'t verkoop der door de zusters als mede-
gaven ingebrachte renten gevonden. De aalmoessen (waar-
onder de Kor;].ig 250 gulden, de stad 936 gl., de hertog
van Neuburg 147 gl.,de heer van Schinuen 100 gl.,de heer
vanGeisteren 100 gl.,de heer van Muggenhuizen 100 daal-
ders, de heer van Mackum 163 gl., de ridderschap van \'t
Overkwartier 50 gl., de weduwe van den burgemeester
van Beringen 100 daalders en Elisabeth Herlin van Ant-
werpen, zuster van mater Ancüla, 529 gl.) beliepen te
zamen 12092,gl.; de verkochte renten daarentegen 46317 gl.
waarbij er ééne was van 6800 gl., van de zuster Agnes
van Amstenrade. Wat de liefdegiften betreft, getuigt het
meergemeld handschrift dat er buitenzusters (niet aan \'t
slot onderworpen) waren "die lieten haer gheenen arbeyt,
„ beschaempheyt oft swaericheyt verdrieten soo wel in
» almoessen te vercrijgen als in getrouwelijck te ar-
» beyden, reysende naer Hollant, naer Brabant, naer
» Welslant, al om assistentie tot den bouw der kercke
n envantheel convent".
Toen de Aartshertogin Isabella in de maand Juni 1627
naar het Overkwartier kwam om de werkzaamheden der
fossa Eugeniana (de vaart die den Rijn bij Rijnberg met
de Maas te Venlo zou in verbinding brengen) te bezichti-
-ocr page 27-
— 25 —
gen (l),legde zij op 19 Juni een bezoek bij de Annunciaten
af, alwaar zij op het choor geleid werd en de zusters ,,haer
«voeten en habijt kusten, wantse gecieet ginck int
..habijt van de derde oorden S. Francisci met een grove
«corde voort costelyck cieraet endc goude ketene... Zij gaf
aan \'t klooster 100 rijksdaalders tot een aalmoes.
In 1631 liet de moeder Sara Herlin eene kleine kapel
bouwen op de plaats waar \'t klooster in de Oede gestaan
had. Toen het volgend jaar Prins Frederik Hendrik Venlo
belegerde, hield diens broeder Willem van Nassau zijn
kwartier in die kapel, alwaar,behalve andere ornementen,
zich ook een beeld van O. L. Vrouw bevond. Omtrent dit
beeld vinden wij in het meergemeld handschrift het vol-
gende verhaal : Eenige buitenzusters waren uit Venlo
naar \'t kamp getogen om van Prins Willem te verzoeken
het beeld te mogen naar Venlo voeren, doch ..hij seyde,
» susterkens, dat beidt wil ick hier houden, tis een soet
« schoon beldeken, tis mij plesier dat aen te sien, ick heb
» vermaeck daerin en salt bewaren dat niemant dat sal
h schinden, darop syt gerust.,, Het handschrift voegt erbij
dat, hoewel de kapel in de richting van stads geschut lag,
niet een der kogels haar getroffen heeft, daer allen over \'t
dak heenvlogen (2).
Venlo, dat zich den 3 Juni 1632 overgaf, bleef niet lang
in het bezit der Staatschen, want reeds in 1637 werd het
weder bij verdrag ingenomen door den Kardinaal-Infant;
doch negen jaar later moest het nog een beleg onderstaan.
Prins Frederik Hendrik verscheen met een machtig leger,
den 10 October voor de stad, welke hij in de volgende
dagen met gloeiende kogels deed beschieten, waardoor op
verschillende plaatsen brand ontstond. In het klooster der
Annuntiaten vielen elf kogels, en wellicht ware het geheel
vernield geworden, want het lag onder het schot der
laatst opgerichte batterij, indien de Prins niet den 27 van
genoemden maand het beleg had gestaakt, en twee dagen
later zich met zijn leger verwijderde.—Een erger lot moest
echter het klooster treffen bij de belegering, die Venlo on-
derging in het jaar 1702 door de Geallieerden. Hevig werd
op de stad geschoten van 15 tot 33 September, op welken
(1) Zie Maaegoaw n" 8.
(-\') In die kapel werd een spaansche kolonel die, in een klein gevecht tegen de
belegeraars sneuvelde, begraven.
-ocr page 28-
— 26 —
laatsten dag het garnizoen een verdrag van overgave
sloot en de stad door de hollandsche troepen werd bezet.
Tijdens die belegering vielen de bommen en gloeiende
kogels onophoudelijk in \'t klooster; de nonnen vlugtten uit
het slot, eenige naar hare familienin de stad, de andere
naar het convent der Minderbroeders; de zieke zusters
werden ook nog bij tij ds gered, doch twee onnoozele zus-
ters kwamen om in den brand die klooster en kerk ver-
nielde. Van de gebouwen bleven alleen nog \'t kwartier der
buitenzusters en \'t brouw- en bakhuis staan.
Doch daarmede was de maat van \'t onheil nog niet vol.
Toun het gevaar voorbij was, werden 15 zusters, wegens
de ontoereikendheid der weinige nog bestaande lokalen,
naar kloosters in Brabant gezonden, terwijl de 20 overige
zich, zoo goed of slecht zij konden, in de overgebleven
aanhoorigheden van Transcedron weer gingen huisves-
ten. De kerk, wier welfsel aan \'t instorten van \'t dak
had weerstand geboden, werd \'t eerst in der haast geres-
taureerd om er mis te kunnen doen; doch ten gevolge
van den feilen regen, die in October en November was
gevallen, had de vochtigheid het welfsel zoodanig door-
trokken dat den 18 December de kruismergelribben be-
gonnen te wijken, en het welfsel ten 3 ure namiddag
instortte op \'t oogenblik dat 14 zusters in de kerk aan \'t
bidden waren, van welke er 3 verpletterd en 4 gekwetst
werden. De 3 slachtoffers waren: de moeder Ancilla, ba-
ronnesse Florence AgnesvanDoerne, Anna Maria Cox en
Helena Maria Keuth. —Na dit ongelukkig voorval spoedde
men zich de kerk en \'t klooster te herbouwen of hechter
te herstellen, waartoe men meer dan 2 jaren noodig had,
eer alle zusters weer in het slot konden vereenigd worden.
Wij hebben reeds gezegd dat in de eerste helft der 17de
eeuw \'t klooster weer in een bloeienden toestand gekomen
was. De middelen vermeerderden steeds door de rijke
doten die de zusters inbrachten en de vrijwillige giften van
renten en goederen die ontvangen werden.
Alle de aanwinsten der twee laatste eeuwen op te
sommen zoude te ver loopen; wij kunnen ons echter niet
onthouden de volgende te vermelden.
Van drie gezusters, dochters van den meier van Aken,
kreeg \'t klooster een hof van 20 morgen, geheeten aengen
Broeckhuysen, ie Stralen,
welke echter in 1648 verkocht
-ocr page 29-
— 27
werd.— Twee andere hoven werden in 1638 geschonken
door de nonnen Anna en Maria Vermaesen van Venlo,
namelijk: de halve hof kleinllambroek, gelegen te Grub-
benvorst
en leenroerig van den jonker van Keverberg,
groot 29 morgen, waarvan de andere helft behoorde aan
Jakob Arnold en Beelke Putten in 1650, en de hof Hees-
gen
of Hesken ook gelegen te Grubbenvorst. Deze laatste,
groot 44 morgen en leenroerig van het huis Gribben, was
eigendom in 1540 van Thijs van Schelbergen van Venlo.
Bij de verdeeling zijner goederen in 1560 tusschen zijne
zonenJohan en GerrilvanSchelbergen,b.)kw&m de eerste
die later in 1570 drost van \'t ambt Kriekenbeek en Erke-
lenz
was, den hof tgen holte te Swalmen, en de tweede,
Gerrit, den hof Heesgen. Deze Gerrit, met toestemming
zijner kinderen Thijs, Peter, en Merrie, gehuwd met Peter
in \'t Wolt, verkocht den hof in 1574 aan Diderik van
Haren
Wilhems zoon en Elisabeth van Grefraide, echte-
lieden, uit wier erfenis hij werd toebedeeld aan hunne
dochter Johanna van Haren, gehuwd met Elbert Spee,
welke dien hof in 1599 voor 2800 gulden brab. o ver-
droegen aan Jacobus Frenck of Frynck en zijne vrouw
Agnes van Beringen. Bij erfdeeling in 1618 werd hij toe-
gewezen aan ééne hunner vijf dochters, Catharina, echt-
genote van Jan Vermaesen en moeder der twee genoemde
nonnen. — VanGeertruid Honis of Homans, die in 1653
in \'t klooster trad, ontving dit 5 morgen in \'t Wiltvelt,
11/2 morgen op den Hamel, 2 morgen op \'t Groeneveld,
500 gulden op\'t land van Stralen, 800 gl. op dat van
Wachtendonck en 1175 gl. aan renten te Venlo gelegen;
zoomede van Joanna Catharina Stael in 1761 eene som
van 3000 holl. gl., en van Margareta van Kaldenkerken
in 1783 twee renten, te samen jaarlijks 400 gulden.
Vele kapitalen werden ook door \'t klooster uitgezet;
onder anderen, in 1700 een van 550 pattacons of 1655
gl. roermondsch op de gemeente Grubbenvorst; in 1704
een van 500 pattacons op de hondschap of heerlijkheid
Vernum in de voogdij Geldern; in 1740 een tweede van
300 pattacons op Vernum; in 1749, een van 3000patta-
cons op \'t marquisaat vanHoensbroeck; in 1759 een van
1800 gulden op \'t land van Wachtendonck en in 1764
een van 1200 rijksdaalders op de gemeente Schaphuyzen
in datzelfde land.
-ocr page 30-
— 28 —
Eene laatste gewichtige aanwinst voor \'t klooster was
het goed Lammershof of\' de hof in den Luttelvorst te
Velden. Hij was groot 12 morgen, leenroerigvan den heer
van Arcen, 4 morgen lijfgewin van den heer van Baers-
donck,
5 3/4 morgen allodiaal goed en de visscherij in
de Maas, geheeten \'t Cruytzwater en \'t Borstwater, en
werd aan \'t klooster verkocht den 10 december 1754 voor
2050 rijksdaalders door Wolfgang Christoffel, vrijheer van
Roe,
heer tot Drove, en zijne vrouw Maria Anna van
Blanckart
tot Arweiler.
De storm der Fransche Omwenteling brak in 1794 over
ons land uit. Den 26 October van dat jaar ging Venlo
in handen der Republikeinen over. De kloosters werden
opgeheven, en, op hare weigering om vrijwillig hare
gebouwen te verlaten, de zusters van Transcedron door
den Commissaris Pointe met behulp van Fransche sol-
daten eruit gejaagd. Die gebouwen werden later door \'t
Domein verkocht.