-ocr page 1-
en moet een Christen zich verzekeren?
Genesis XLI : 34.
Ds. TALMAGE\'S PREEKEN
VOOR ONZEN TIJD
-ocr page 2-
\'
\'
-ocr page 3-
Mag en moet een Christen zich verzeiceren?
Genesis XLI : 34.
Ds. TALMAGE\'S PREEKEN
VOOR ONZEN TIJD
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Farao doe zoo, en bestelle opzieners
over het land; en neme het vijfde deel
des lands van Egypte in de zeven
jaren des overvloeds.
Genesis XLI: 3V.
Dit waren de woorden van Jozef, van den pre-
sident der eerste levensverzekering-maatschappij,
die de wereld ooit aanschouwde. Farao had een
droom gehad, die hem hevig verontrustte. Hij
verbeelde zich, dat hij aan de oevers van de rivier
de Nijl stond, en daar zeven vette, gladde, glim-
mende koeien uit de rivier zag opkomen, en dat
zij in het dikke gras begonnen te weiden. Daar
was niets schrikwekkends in. Maar na hen, uit
dezelfde rivier opkomend, zag hij zeven koeien,
die mager en uitgehongerd waren: de slechtste en
leelijkste koeien, die men daar te lande ooit gezien
had, — en in de vraatzucht van hunnen honger
verslonden zij hunne zeven vette voorgangers.
Koning Farao liet Jozef ontbieden, om deze mid-
dernachtelijke hiüroglyphen te ontcijferen. Jozef
maakte er korte metten mede, en gaf te kennen
dat de zeven vette koeien, die uit de rivier op-
kwamen , zeven jaren met overvloed van levens-
middelen waren, en de zeven uitgemergelde koeien,
-ocr page 6-
4
die hen volgden, zeven jaren met volslagen gebrek
aan levensmiddelen. „Welnu", zeide Jozef, „laat
ons één vijfde van den korenoogst der zeven voor-
spoedige jaren nemen, en dat bewaren als een
voorraad voor de zeven jaren, waarin er geen
korenoogst zal zijn!" De koning keurde dien raad
goed, en stelde Jozef — wegens zijne onkreukbare
eerlijkheid en zijne algeheele toewijding aan de
openbare belangen — tot president der onderneming
aan. De landbouwers betaalden één vijfde van
hun inkomen als premie. In alle groote en kleine
steden des lands waren er afdeelingen gevestigd.
Deze groote Egyptische levensverzekering-maat-
schappij had een bedrijfskapitaal van millioenen
guldens. Eenigen tijd later begonnen de donkere
dagen aan te breken, en zou het geheele volk van
honger en gebrek zijn omgekomen, als er geen
voorraad ware opgelegd geweest voor de toekomst.
Doch nu hadden deze lijdende huisgezinnen niets
anders te doen, dan het bedrag hunner levens-
polissen in ontvangst te gaan nemen. De Bijbel
drukt het in één korten volzin uit: „Maar in ganseh
Egypteland was brood."
Ik zeg, dat dit de eerste
levensverzekering-maatschappij was. Zij had eene
goddelijke organisatie. Zij bezat al de voordeden
van de levensverzekering, van de brandverzeke-
ring, van de kapitaalverzekering, en van alle
andere goede verzekeringen. Men verhaalt ons,
dat de eerste verzekering-maatschappij gesticht
werd in Engeland in het jaar 1696, terwijl het
denkbeeld zelf toch feitelijk even oud is als de
-ocr page 7-
5
korenschuren van Egypte, — en de Heer onze
God zelf er de grondlegger en stichter van was.
Als dit niet zoo was, zou ik geen oogenblik van
uwen tijd en den mijne beschikbaar stellen voor
de behandeling van dit onderwerp. Ik gevoel, dat
het een levensquaestie is ook uit godsdienstig oog-
punt, en van oneindig groot gewicht: de zedelijke
grondslagen der levens- en brandverzekering. Naar
het mij voorkomt, is het tijd, dat ook de kansel
zich daarover uitspreke. Welk een schat van
troost, van opvoeding, van zedelijke en geestelijke
voordeden is er vertegenwoordigd in de eenvoudige
statistiek, dat hier te lande de levens-verzekering-
maatschappijen in één jaar tijds millioenen guldens
aan de nagelaten betrekkingen van overledenen
uitkeerden en dat zij beloven te betalen — en zich
ook gereed houden om te betalen — honderden
millioenen guldens aan de nagelaten betrekkingen
van overledenen.
Zij hebben feitelijk meer uitbetaald aan dividen-
den en aan uitkeeringen bij overlijden, dan zij ooit
aan premiën ontvangen hebben. Ik weet wat ik
zeg. De levensverzekering-maatschappijen hebben
hier aanzienlijke sommen gelds aan belastingen
aan het Gouvernement betaald en gaan voort met
steeds grootere sommen te betalen. En dus: in-
plaats dat deze maatschappijen iets aan het land
te danken zouden hebben, heeft het land veel aan
hén te danken. En nu zeg ik, dat de man, die
een paniek in het leven roept tegen deze maat-
schappijen , om reden dat drie of vier hunner zich
-ocr page 8-
6
niet goed gedragen hebben, even onzinnig handelt
als de man, die een duizendtal bunders koren-
velden gaat afbranden, ten einde de daarin aan-
wezige mollen en aardmuizen te dooden, — even
onzinnig als de man, die een stoomschip vol passa-
giers midden op den Atlantischen Oceaan in de
lucht zou laten vliegen, — met oogmerk om de
eendenmossels te vernietigen, die zich aan de kiel
van het schip hebben vastgezet.
Maar wat zegt de Bijbel ten opzichte van dit
onderwerp, ten opzichte van verzekering en assu-
rantie ? Indien de Bijbel zich gunstig over deze
instelling uitlaat, zal ik er mij óók gunstig over
uitlaten; indien de Bijbel haar afkeurt, zal ik haar
óók afkeuren. Behalve op het voorzienig beeld
van Jozef na de uitlegging van Farao\'s droom,
vestig ik óók uwe aandacht op eene door Paulus
gemaakte vergelijking. Hier is een man, die ten-
gevolge van onverschilligheid en verwaarloozing,
te kort schiet in het onderhoud van zijn huisgezin
terwijl hij leeft, en geen voorzorgsmaatregelen voor
zijne vrouw en kinderen neemt met het oog op
zijn dood. En hier is eene andere man, die niet
in de Heilige Schrift gelooft en God verwerpt.
Wie van deze beide mannen is de ergste ? Wel,
zegt gij , de laatstgenoemde. Neen , zegt Paulus,
de eerstgenoemde. Paulus zegt, dat een man, die
de verzorging van zijn huisgezin verwaarloost,
strafwaardiger is dan een man, die de Heilige
Schrift verwerpt: „Zoo iemand de zijnen, en voor-
namelijk zijne huisgenooten
, niet verzorgt^ die
-ocr page 9-
7
heeft het geloof verloochend, en is erger dan een
ongeloovige."
(i Timoth. V : 8.) De levensverzeke-
ring-maatschappijen zijn de meesten onzer behulp-
zaam om in de behoeften onzer gezinnen te voorzien
nadat wij zijn heengegaan; maar als wij de middelen
bezitten om de voorzorgsmaatregelen te nemen, en
wij nemen ze niet, dan hebben wij ook geen recht
om genade te verwachten uit de hand van God
in den dag des oordeels. Dan zijn wij erger dan
Nietsche, en erger dan Voltaire. De Bijbel verklaart
het: wij zijn „erger dan een ongeloovige." Nadat
de acte van overlijden is opgemaakt, en de dertig
of de zestig dagen verstreken zijn, en de vertegen-
woordiger eener levensverzekering-maatschappij in
het achtergebleven huisgezin van den overledene
komt, en daar dan in contant geld het bedrag
eener verzekeringspolis uitbetaalt, dan volbrengt
die vertegenwoordiger der maatschappij een beslist
godsdienstig werk, overeenkomstig de verklaring
van den Apostel Jakobus : „De zuivere en onbevlekte
godsdienst voor God en den Vader is deze: zueezen
en weduwen bezoeken in hunne verdrukking
," en
zoo voort. De godsdienst van Christus bedoelt
evenzeer zorg te dragen voor de tijdelijke behoeften
der menschen als voor hunne geestelijke behoeften.
Dadelijk na den slag bij Antietam zag men een
man bezig met het ronddeelen van godsdienstige
traktaatjes, waarop er een Christelijk koopman
naar hem toe kwam met de vraag: „Waarom loopt
gij hier traktaatjes uit te deelen? Er liggen daar-
ginds drieduizend menschen, wier wonden nog niet
-ocr page 10-
8
verbonden zijn, zoodat zij in groot gevaar verkeeren
van dood te bloeden; ga heen en verbind hunne
wonden, en deel dan uwe traktaatjes rond!" Mij
dunkt, dat was het goede, gezonde Evangelie.
Toen koning Hizkia op sterven lag, kwam er eene
roepstem tot Hem: „Geef bevel aan uw huis, want
gij zult sterven en niet leven F\'
Die roepstem zou
in onze dagen beteekenen: ,,Maak uw testament;
maak alle dingen in orde!" „Geef bevel aan uw
huis!"
Dat wil zeggen: breng al uwe zaken op
een vasten voet, zoodat uw heengaan op deze
wereld zoo weinig mogelijk verwarring zal veroor-
zaken. Zie hoe het magere vee het vette vee
verslindt, en maak in den tijd van overvloed
toebereidselen voor den tijd van gebrek. De moei-
lijkheid is hierin gelegen, dat, wanneer de menschen
aan hunnen dooden denken, zij bang zijn om te
denken aan de verwoesting in hun huisgezin, die
komen zal nadat zij er uit zijn weggenomen, — en
daarom denken zij liefst enkel en alleen over hun
geestelijk welzijn. Nu is het grootendeels zelfzucht
van u, zóó verdiept te zijn in den hemel, waar gij
heen gaat, dat gij vergeet wat er worden moet
van uwe vrouw en kinderen na uwen dood! Gij
kunt uit deze wereld heengaan, zonder een cent
na te laten, en tóch gelukkig sterven, als het u
onmogelijk was om voorzorgsmaatregelen voor hen
te nemen; in dit geval kunt gij hen veilig toever-
trouwen aan de handen van dien God, wiens al
de oogsten te velde, en alle kudden slachtvee en
alle zwermen gevogelte zijn; doch als gij wél in
-ocr page 11-
9
staat waart om de premién eener polis te betalen,
maar uwe vrouw en kinderen tóch verwaarloost,
dan is het iets laaghartigs van u, naar den hemel
te gaan, terwijl zij naar het armenhuis gaan! Gij
verhuist bij uwen dood naar een prachtig kasteel,
aan den oever eener rivier, — maar £2/verhuizen
naar een paar kamertjes op de vierde verdieping
eener huurkazerne in een achterbuurt. Wanneer
bij hen de ellebogen en de knieën door de kleederen
heen steken, dan zal de gedachte aan uw prachtig
gewaad in den hemel hen niet warm houden!
De predikant moge een wegslepend schoone en
aangrijpende toespraak houden bij uw stoffelijk
overschot, en het koor moge zingen als met stern-
men van engelen en cherubijnen, — maar uw dood
zal een oplichterij zijn! Want gij bezat de noodige
middelen om uw huisgezin troost en steun te ver-
strekken na uw overlijden, en gij zijt goddeloos
genoeg geweest om die gelegenheid ongebruikt
voorbij te laten gaan !
„O," roept deze of gene mij toe, „ik bezit méér
geloof dan gij: ik geloof, dat — wanneer ik uit
deze wereld heenga — de Heer wel voor mijne
vrouw en kindertjes zal zorgen!" Ga door al de
wees- en armenhuizen dezes lands; en ik zal u
doen zien, hoe dikwijls de Heer onze God zorgt
voor de onverzorgde kinderen en zorgelooze ouders.
Dat wil zeggen: f lij zorgt voor hen door middel
van de openbare liefdadigheid. Wat mijzelven be-
treft: ik zou veel liever willen, dat de Heer voor
mijn huisgezin zorgde in eene particuliere woning,
-ocr page 12-
IO
door middel van mijn eigen vlijt en van mijne
vaderlijke en echtelijke zorgvuldigheid. „Maar,"
zegt iemand tot mij, ,,ik denk in de eerst volgende
tien of twintig jaren een groot vermogen bijeen te
brengen, en dientengevolge zal ik mijn huisgezin,
wanneer ik van deze wereld heenga, in zeer goede
finantiéele omstandigheden achterlaten." Hoe weet
gij dat gij nog tien of twintig jaren te leven hebt?
Als wij de wegen en paden der toekomst konden
overzien, dan zouden wij bemerken, dat het er
wemelt van longziekten, en pleurissen, en teringen
en botsende spoorwegtreinen, en op hol geslagen
paarden en instortende bruggen, en lijkstaatsies.
Zijt gij er zóó zeker van, nog tien of twintig jaren
te zullen leven, dat gij onbekrompen omstandig-
heden aan de leden van uw huisgezin kunt waar-
borgen nadat gij van hen zult zijn weggenomen?
Bovendien: de groote meerderheid der menschen
sterven arm! Slechts twee op de honderd zijn
voorspoediger in hunne zaken. Weet gij het zóó
volkomen vast en zeker, dat gij een van die twee
zult zijn? Den eenen dag rijk, den anderen dag
arm! Een man in New-York erfde twee millioen
dollars, en de blijdschap over het bezit van dat
vele geld krenkte zijne geestvermogens, en hij stierf
in een krankzinnigengesticht. Al zijne bezittingen
bleven in handen van de overiere firmanten der
zaak, en die brachten er alles door; en ten slotte
bleef het huisgezin zonder één dollar achter. Binnen
den tijd van achttien maanden de voorspoed, de
krankzinnigheid, het faillissement, en de totale
-ocr page 13-
I I
ondergang van het huisgezin ! Bovendien: er zijn
menschen, die in goeden doen sterven, maar wier
inboedel insolvent verklaard wordt vóór en aleer
zij begraven zijn, of althans voordat hunne nalaten-
schap vereffend is. Hoe spoedig kan de hamer
van den deurwaarder het leven uit een nalatenschap
slaan! Iemand denkt, dat zijne bezittingen eene
waarde van vijftienduizend gulden hebben, — maar
bij den gedwongen verkoop brengen zij slechts
zevenduizend gulden op. De man van zaken weet
zijn voordeel te doen met de crisis, want hij dwingt
de weduwe van wijlen zijn compagnon om óf alles
tegen een bespottelijk lagen prijs aan hem te ver-
koopen, óf alles te verliezen. Van de in voorraad
zijnde goederen veronderstelde men, dat zij eene
zeer hooge waarde vertegenwoordigden; maar alles
was zóó „belegen", dat de afslager werd uitge-
lachen, toen hij trachtte te verkoopen; of de
administrateur krijgt van den procuratiehouder
bevel om de geheele zaak aan kant te doen. De
bezittingen werden bij \'s mans dood verondersteld,
eene waarde van zestigduizend gulden te hebben;
maar nadat de schulden vereffend zijn, en de reke-
ningen van den dokter, en den chirurgijn, enden
apotheker, en den begrafenis-directeur, en den
leverancier der grafzerk met het weidsche opschrift
betaald zijn, blijft er niets over. Dat wil zeggen:
dat de kinderen hunne studiën moeten staken en aan
\'t werk gaan. Dat wil zeggen: de grootst mogelijke
bezwaren en moeilijkheden voor de vrouw, die nu
niet anders meer over heeft dan een naald, om er
-ocr page 14-
I 2
den feilen strijd des levens mede te strijden. Ruk
de mooie overgordijnen af, doe de piano op slot,
rol het Smyrnasche tapijt op, zend den inhoud der
kleederkasten naar de publieke verkooping, en laat
de moeder aan elke hand een kind nemen en er
mede henentrekken in de woestijn der wereld! . . .
Maar eene levensverzekering zou dit alles voor-
komen hebben!
,,Maar," hoor ik hier iemand zeggen, ,,ik ben
een man met beperkte middelen, en het is mij
onmogelijk, de premie te betalen!" Dat is somtijds
eene echte en gewettigde verontschuldiging, en
dan is er ook niets tegen in te brengen; maar in
negen van de tien gevallen, wanneer een man dat
zegt, blaast hij méér weg aan sigarenrook, en
verdrinkt hij méér aan wijn, en besteedt hij méér
geld aan weelde-artikelen, dan hij noodig heeft om
de premie van de polis eener levensverzekering te
betalen, die zijn gezin na zijn overlijden tegen den
bedelstaf zou behoed hebben. Een man behoort
zich op de strengste zuinigheid toe te leggen,
totdat hij aan dezen zijn plicht als Christen kan
voldoen. Gij hebt geen recht op de weelde dezes
levens voordat gij dergelijke voorzorgsmaatregelen
genomen heb. Ik bewonder hetgeen er eens gezegd
werd door den Eerw. Dr. Guthrie, den grooten
Schotschen prediker. Weinige jaren vóór zijnen
dood stond hij in eene openbare samenkomst op,
en verklaarde hij: „Toen ik in Edinburgh kwam,
lachten de menschen mij somtijds uit om mijne
gestopte kousen, en om mijne katoenen parapluie,
-ocr page 15-
M
en zeiden zij, dat ik er uitzag als een boer, die
zoo kersversch achter den ploeg vandaan kwam;
en zij bespotten mij omdat ik in een huis woonde,
waarvoor ik vijf en dertig pond sterling huur per
jaar betaalde, en dikwijls ging ik te voet, wanneer
ik zeer blijde zou zijn geweest als ik in een rijtuig
had gezeten. Maar, mijne heeren! ik deed dit
alles omdat ik de premie eener levensverzekering
wenschte te betalen, die mijn huisgezin van brood-
zorgen zou bevrijden, indien ik mocht komen te
sterven. — Ddt beschouw ik als het rechte gevoelen
van een eerlijk, verstandig en geloovig Christen!
De volslagen onverschilligheid van vele menschen
ten opzichte van dit gewichtige onderwerp verklaart
veel omtrent de misdaden en de armoede onzes
tijds. Wie zijn die kinderen, die de straat vegen
met een gebroken bezem, en u in \'t voorbijgaan
om een aalmoes vragen? Wie zijn die rampzalige
wezens, die in een dunnen omslagdoek onder het
licht der gaslantaarns doorsluipen ? O, zij zijn de
slachtoffers van het gebrek: in vele gevallen van
dezen aard hadden de wijze en tijdige voorzorgs-
maatregelen van ouders en grootouders het kwaad
kunnen voorkomen. De Heer onze God alleen
weet, hoe zij geworsteld hebben om op den rechten
weg te blijven! Zij baden totdat de tranen op
hunne wangen bevroren; zij naaiden aan het cos-
tuum tot het aanbreken van den dag; maar zij
konden niet genoeg geld verdienen om de huur te
betalen; zij konden niet genoeg geld verdienen om
zich fatsoenlijk te kleeden; en op zekeren dag
-ocr page 16-
\'4
streden in dat ellendig verblijf de Engel der rein^
heid en de engel der misdaad een zwaren strijd
midden, tusschen den ledigen broodtrommel en
den kouden haard, totdat de engel met de zwarte
vleugelen gilde en brulde: Aha! ik heb den strijd
gewonnen!" Hier hoor ik iemand zeggen: „Ik ge-
loof wat gij zegt; het is goed en Christelijk; en
ik zal binnenkort toch eens goed over deze zaak
gaan nadenken ! Ach , mijn vriend ! gij loopt groot
gevaar om den steun uws huisgezins op dezelfde
wijze verloren te laten gaan, waarop de zondaar
den hemel verliest: door tntstel. Ik zie aan alle
kanten om mij heen de verarmde en noodlijdende
gezinnen van ouders, die toch werkelijk van plan
waren om den een of anderen dag dien Christen-
plicht eens te volbrengen. Maar het wordt al uit-
gesteld, en nóg eens uitgesteld, — en op zekeren
winterdag met storm en sneeuwjacht komt de man
thuis met natte voeten, en daarop volgen zware
verkoudheid, en een ziekbed, en ijlende koortsen,
en een onheilspellend hoofdschudden van den ge-
neesheer , en een plechtige begrafenis. Als er iets
hartbrekenders is dan eene vrouw, zorgvuldig en
in onbekrompen omstandigheden opgevoed, en op
haren trouwdag door een goedhartigen vader ten
huwelijk gegeven aan een man, voor wien zij de
grootste vreugde en de trots des levens is tot op
het oogenblik van zijn dood; en daarna dezelfde
vrouw heengaande met hulpelooze kinderen, om te
worstelen voor haar brood in een wereld, waar
gestaalde spieren en geharde zielen onmisbaar
-ocr page 17-
\'5
noodzakelijk zijn, — ik zeg: als er iets hartbre-
kenders is dan dit, dan weet ik niet wat het is!
En tóch zijn er goede vrouwen, die nog altijd
onverschillig zijn en blijven met betrekking tot
den plicht van haren echtgenoot in dit opzicht;
en men vindt ook zelfs vrouwen, die er beslist
vijandig tegen zijn, — alsof iemand doorliet sluiten
eener levensverzekering aan de een of andere ont-
zettende ramp werd blootgesteld. Er woont in deze
stad op den huidigen dag eene doodarme vrouw,
die nu een klein winkeltje doet, en die zich vroeger
altijd met hand en tand placht te verzetten tegen
het sluiten eener levensverzekering van haren man;
en toen er eens gesproken werd over een polis van
tienduizend gulden, wilde zij er niet eens naar
luisteren. Zij wilde nooit of nimmer een stuk papier
in huis hebben, waarin ook maar in de verste
verte gezinspeeld werd op de mogelijkheid, dat
haar man zou kunnen sterven! Maar op zekeren
dag werd, door een verkeerde beweging eener
machine, zijne levenslamp plotseling en onherstel-
baar uitgebluscht. En wat zijn nu de gevolgen
van dit alles? Zij verdient, met hard en moeilijk
werken, de helft van een ellendig levensonderhoud.
Van hare beide kinderen heeft men haar ontlast,
opdat zij gekleed en onderwezen zouden worden,
en haar leven is één lange en afmattende aaneen-
schakeling van ellende en ontbering. O man en
vader! ga, alvorens er tweemaal vier en twintig
uren verloopen zijn, naar het kantoor van een
onzer groote levensverzekering-maatschappijen, laat
-ocr page 18-
den stethoscoop van den dokter op uw hart eri
uwe longen zetten, en bepaal onder het zegel van
de een of andere solide maatschappij, dat uwe
kinderen niet blootgesteld zullen worden aan de
vernedering van geldnood en geldgebrek na uw
heengaan uit deze wereld!