-ocr page 1-
•f
NEDERLANDSCH RECHT.
Nog twee adviezen door Mr. L. P. van de Spjjjoex als
adjunct-reviseur, in
1779 en 1783 uitgebracht,
MEDEGEDEELD DOOR
Mr. G. W. Vreede.
De belangstelling waarmede een vroeger advies van den
uitstekenden Staatsman en Rechtsgeleerde in deze Bijdra-
gen opgenomen, werd ontvangen, moedigt mij aan, ook
de volgende stukken uit zijne nagelaten papieren wereld-
kundig te maken. Of zij uit een streng juridisch oogpunt
met denzelt\'den lof zullen worden begroet als dat over
het geschilpunt van het Zeeuwsen versterfregt, het regt der
vier vierendeelen en dat der GrafclijleJieid, welk laatste
bij placaat van 1 December 178G — nog vóór de omwen-
teling werd afgeschaft (\'), zou ik niet durven verzekeren.
Maar geschriften van een zoo scherpzinnig, degelijk en
grondig — wetenschappelijk jurist als van de Spiegel, reeds
destijds vermaard en die eerlang het toppunt van gezag
niet enkel in Zeeland, maar in gansch Nederland bereikte,
zijn op zich zelf niet van belang ontbloot. En deze advie-
zen betreffen eene veeljarige cause cclèlre, gedeeltelijk
van dien tijd af in druk bekend, en die tot de gedingen
van gemengden aard, privaatrechtelijke — administratief —
staatsrechtelijke behoorende als uit een spiegel het verle-
(\') Placaat tot afschaffing van het regt van successie der Grafelyk-
heid in de nalatenschappen van personen die niet ten eenemaal on-
bemaagd overleden zyn.
Zoeuwsclio Staten-Notulcn fol 732 volg.
1
-ocr page 2-
2
NUCmV K BIJDRAGEN
den terugkaatst. In het onlangs door de zorg van het
Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in het licht ver-
schenen werk: Mr. Laurens Pieter van de Spiegel en zijn
tijdgenootcn
(1737—1800), Eerste Deel, hl. 400, 415, 428,
bleken daarvan in liet voorbijgaan, uit de grieven der in-
gelanden van Walcheren in 1775 tegen het Dijkbestuur
geuit, bereids eenige bizonderheden; van het faillissement
van den kassier J. W. Maartens, ten bedrage van omtrent
f 80,000, en hoe de ingelanden eischten. dat dit »wegge-
raakte geld" zonder verder uitstel weder in de kas wierd
gestort, zonder de minste schade van »intressen of andere
ongelden hoegenaamd." — Het faillissement was in 1767
openbaar geworden, en aan den daaruit gerezen strijd
knoopte zich het geschil over een borgtocht, die twee leden
der Regering van Middelburg ten behoeve van den kassier
in 1762 zouden aangegaan hebben, maar die nooit formeel
noch notarieel noch scabinaal was gesteld; terwijl al verder
een dier Regenten, Mr. J. W. Parker in 1768 niet als lid
der Regering herkozen, krachtens een besluit van Weth
en Baad
dier stad, zijne betrekking als commissaris van
de Wisselbank had verloren, (\') endie plaats door een ander
had zien vervullen. Zoowel bij resolutie der Staten van
Zeeland van 16 September 1771, als daarna bij zekere acte
van compromis van 25 Februari 1774 waren de verschil-
lende rechtsvorderingen bij lagere collegié\'n aangevangen,
gestaakt, en de zaken eensdeels het commissariaat der Wis-
selbank, anderdeels de aansprakelijkheid voor het te kort
der /\' 80,000 en de borgtocht betreffende, in eersten aanleg
voor den Hoogen Raad van Holland, Zeeland en West-
friesland gebracht. Van daar de op onderscheiden tijdstip-
pen uitgesproken gewijsden van dat collegie, in 1779 en
1783 in revisie bestreden.
De excerpten van den beroemden adjunct-reviseur uit de
(\') Verg. over do Middelburgschc Wisselbank, Mr. W. C. Mees,
Proeve eener Geschiedenis van het Bankwezen in Nederland, gedn-
rende den tyd der Republiek,
Rotterdam 1838, 1)1. 223—243 (zevende
Hoofdstuk).
-ocr page 3-
VOOR RECHTSGELEERDHEID EN WETGEVING.                     3
geheime handelingen der Raad-Kamer, behelzen al weder loffe-
lijke bewijzen van angstvallige nauwgezetheid tegenover zijne
medeleden, maar vooral stralen in de langwijlige processale
stukken, die reeds van ééne zijde plus minns 3000 artike-
len bevatten, de misbruiken van den toenmaligen maatschap-
pelijken toestand door, met andere teekenen des tijds, voor-
boden der naderende staatsschokken. Immers de gisting,
onder de bewoners van het platteland van Walcheren door
de ruchtbaarheid van het financieel wanbeheer van het
groot Waterschap gewekt, hield de gemoederen vele jaf en
in spanning, en gaf blijkens de Walchersche boeren-politie (\')
van 1778, het aanzijn aan bedenkelijke »systemata, over het
stuk der vrijheid en souverainiteit, in het volk residee-
rende (2)."
Afgescheiden van deze verkeerdheden, bij gemis aan ge-
noegzame waarborgen van stipte verantwoordelijkheid, in het
voormalig staatsbestuur geslopen, schijnt de terugblik op die
antecedenten van de rechtspraak van het hoogste Gerechts-
hof niet overbodig, waar men steeds te vergeefs naar de
bij art. 150 der Grondwet aangekondigde organieke wet-
telijke regeling der geschillen tusschen de administrative
en rechterlijke macht uitziet; en waar trots het bestaan van
eene Algemeene Rekenkamer en de voorschriften der Pro-
vinciale en der Gemeentewet, of van bepalingen in \'t alge-
meen over borgtochten van rekenplichtige Ambtenaren, zoo-
wel de verhandeling van Mr. A. de Pinto, over de middelen
om
\'s Bijks rekenplichtige ambtenaren tot het doen hunner
reJccning te noodzaken,
als de geschriften van den voorzitter en
van het lid der Algemeene Rekenkamer, de H.H.O. W. Hora
Siccama en Fievez, die van Mr. Is. Capadose en anderen
om niet van den mangel aan allen waarborg tegen de ver-
spilling van millioenen door eigendunkelijke handelingen
(\') Van de Spieoel en zijne tijdgenoten I. 422—432.
(5) Zeeuwsche Staton-Notulon 7 December 1778 (Propositie van
Vlissingen 5 December) fol. 549 volgrg.
-ocr page 4-
4                                        NIEUWE BIJDRAGEN
van Ministers te gewagen (\'), overtuigend hebben geleerd
dat al hoort men in onze dagen minder van befaamde
rechtsgedingen, burgerlijke of strafzaken (\'-), de comptabiliteit
ook onder de constitutionele Monarchie, nog vrij wat te
wenschen laat. — Wat Nederlandsck-Indië betreft, zie men
de versche voorbeelden, in de wetten van 4 December 1874
{Staatsblad n°. 198—20(5.).
Wij deelen vooraf den gang der Procedure mede, zooals
van de Spiegel die uit de stukken opmaakte:
Geding in Bevisie in causa: Burgemeesters, Schepenen en
Baden der stad Middelburg impetranten van Mand. van Be-
visie, contra
Mr. Johan Willem Parker, ged. in voorz. cas.
(30 October 1779).
De gedaagde in de Regeering der stad Middelburg heb-
bende moeten afgaan als Wethouder, en by de verandering
van dezelve regeering op 10 Augustus 17G8 niet zynde
gereassumeerd tot Raad van gemelde stad, voorts by Kesolu-
tie van Weth en Raad van 27 Augustus 17G8 verstaan
zynde, »dat de Commissarisplaats van de Wisselbank bediend
door den gedaagden, vermits desselfs non reassuintie tot Raad
was geworden vacant, en dat dien volgende dezelve, naar
de orde der Regeering, zoude worden gesuppleerd," en ver-
volgens Mr. P. Buteux in des gedaagdes plaats tot com-
missaris van de Wisselbank zynde aangesteld, heeft de ge-
daagde van den Rade provinciaal successivelijk verzocht en
geobtineerd verscheide provisiën van justitie, disponeerende
zoo tegen BB. en SS., als tegen BB. SS. en RR. van ge-
melde stad, mitsgaders tegen gemelde P. Buteux; doch
(\') Zie Mr. C. A. Godin dk Beaufcbt Proeve over de strafrechte-
lijlce verantwoordelijkheid der Ministers in de constitutionele monarchie,
Utrecht 1873, bl. 57, 133.
C2) Zie evenwel het Weekblad van het Regt n° 2317 (Arrest van
het Hof van Noord-Brahant27 Jumj 18C1, te kort van ƒ39,891,67;
borgtocht ƒ4500).
-ocr page 5-
VOOR RECHTSGELEERDHEID EN WETGEVING.                   5
zijn de procedures daar uit voor den raade provinciaal ge-
resalteerd gestaakt geworden, en hebben voorts de heeren
Staten van Zeeland bij resolutie van 16 September 1771 goed-
gevonden, den Hoogen Raad, zonder eenige consequentie
voor soortgelijke gevallen in \'t vervolg, te qualificeeren, om
over die zaaken rauwlijks en ter eerster instantie kennis te
nemen, en daar over te decideeren zoo als bevonden zal
worden te behooren, gereserveerd nochtans, zoo aan de
eene als andere partij, de vrijheid van revisie.
De gedaagde verzocht en obtineerde daar op, 30 Juli 1772,
van den Hoogen Raad besloten missive tegen BB. en SS.
van Middelburg, en eischte in substantie:
»Dat verklaard zoude worden, het vacant houden of ver-
»klaren van één der zes raadsplaatsen, bij de verandering
»van de Magistraat in 1768, en de aanstelling van een
»ander tot Raad, in prejuditie van den gedaagde gedaan,
»door hen kwaalijk en ten onrechte te zijn geschiedt, en
nlat integendeel, de gedaagde ter dier tijd als Raad had
»moeten worden gereassumeerd," enz.
Bij sententie van den Hoogen Raad, 6 Juni 1778, is
aan den gedaagde die eisch ontzegd.
Op denzelven -30 Juli 1772 bovengemeld obtineerde de
gedaagde van den Hoogen Raad besloten missive tegen
BB. SS. en RR. van Middelburg en zeide bij dezelve:
»Dat hij in 1763 tot de bediening van commissaris van
»de Wisselbank eenvoudig en absolute is aangesteld," en con-
cludeerde dienvolgende, »dat zal worden verklaard, het va-
scant houden of verklaaren van het ampt van commissaris
»van de Wisselbank der stad Middelburg, als mede de aan-
»stelling van P. Büteux tot commissaris in des gedaagdes
» plaats, op 3 September 1768 gedaan, mitsgaders de in
»\'t vervolg gedaane destitutie van den gedaagden van ver-
sscheide mindere ampten en bedieningen, door de impe-
»tranten kwalijk en ten onrechte te zijn geschied, en dat
»mitsdien de impetranten zullen worden gecondemneerd de
«voorzegde vacantverklaaring en aanstelling, met degevol-
»gen van dien, te vernietigen en te laaten varen, en ver-
-ocr page 6-
6                                         NIEUWE BIJDRAGEN
«volgens gemelde Mr. P. Büteux niet verder te admitteeren
»als in des gedaagdens plaats aangestelden commissaris, noch
»hem in die qualiteit verder te doen of laaten fungeer en,
«direct of indirect; maar integendeel, den gedaagde het
«voorzegde ampt bij contimatie te laaten waarnemen en
«bedienen, mitsgaders hem te laaten genieten de rechten
«etc. daartoe behoorende, zonder eenige oppositie, als mede
«aan hem te vergoeden alle kosten, schaden en interessen,
«door gemelde vacantverklaring en aanstelling mitsgaders
»door de bij hen in \'t vervolg gedaane destitutie van ver-
«scheide andere mindere bedieningen, met alle de gevolgen
«van dien, bij hem reeds gehad en geleeden, en nog te
«hebben en te lijden cum exps.
De impetranten zeiden bij antwoord: «dat de bediening
«van commissaris der Wisselbank, en zoodanige andere be-
»dieningen als de gedaagde, als Regent, heeft bekleedt, alle
«vacant zijn geworden, zoodra de gedaagde heeft opgehou-
«den regent te zijn: dat in het bijzonder de Wisselbank is
«een Stadsbank, waar over de directie aan de gansche Re-
«geering der Stad competeert, welke die directie toebe-
«trouwt aan eenige leden van de Stads Regeering, doch
«echter in cas van schade, ten minsten in subsidium, aan-
«spraakelijk zouden zijn. Dat gelijk geen andere persoonen
«dan Regenten, sedert 1682 de voorzegde plaats hebben
«bediend, de gedaagde, zoo ook niet als burger maar als
«Regent, ingevolge de resolutiën die zulks expliceeren, die
«plaats heeft verkreegen, en dat de gedaagde sedert de
«voorzegde Magistraats-verandering geen liegent meer zijnde,
«en dus deszelfs radicaal deficieerende, in dat departement
«niet heeft kunnen blijven, veel min jure suo, en dat niits-
>dien Mr. P. Buteux, mede Regent der Stad Middelburg,
«wettig is aangesteld tot commissaris en wel in de plaats
«van den gedaagde. Als doende niets ter zaake, dat de
«gedaagde tot commissaris, van voorzegde Bank eenvoudig
«en absolute is aangesteld, wijl blijken zal, dat alle com-
«missiën bediend wordende door Regenten van gemelde
«Stad, qua tales, zelfs zulke commissiën, die telken jare
-ocr page 7-
VOOR RECHTSGELEERDHEID EN WETGEVING.                  7
«expireereu, eenvoudig en absolute worden geconfereerd,
«gelijk ook zelfs omtrent deeze post van commissaris der
»Wisselbank gedaan wierdt, toen die nog jaarlijks plag ver-
»geeven te worden; want dat de vernieuwing van dezelve
»post ook t\'elken jare plag te geschieden; dat dus ook deeze
«commissie uit haar natuur niet permanent is, en dat, of-
»schoon het gebruik dien aangaande wel is veranderd, als
«wordende de Regenten, Commissarissen van de Wisselbank
«zijnde, tacitè in die functie gecontinueerd gehouden, egter
«nimmer eenige resolutie genomen is, waar bij die continua-
»tie ten faveur van afgaande of uitgevallen liegenten zoude
«zijn geëxtendeerd: mits welke etc. contrarie conclusie.
De gedaagde zeide bij replyk, »dat de irnpetranten zig
«abuseeren, wanneer zij gemelde commissarisplaats en andere
«bedieningen, waar van zij den gedaagde ontzet hebben,
«willen hebben aangemerkt als bedieningen, die hij als
«Regent der gemelde stad zou hebben bekleedt, en die
«vacant zouden zijn geworden, zoo ras hij had opgehouden
«Regent te zijn. Dat schoon al waar mogt zijn, dat ge-
«melde commissarisplaats sedert 1682 door geen andere
«persoonen dan Regenten was bediend, de irnpetranten echter
«niet zullen toonen, dat ooit bij eenige resolutie van
«Weth en Raad expresselijk zou zijn bepaald, dat het
«gemelde commissariaat door niemand anders dan door
«een Regent van gemelde stad zou mogen worden bekleedt.
«Dat zoodanige resolutie nooit geëxsteerd hebbende, mitsdien
«niet noodig was, te resolveeren, dat uitgevallen Regenten
«in die post zouden blijven gecontinueerd.
»Dat hoezeer al waar mogte zijn, dat voorzegde post
«jaarlijks pleeg vergeeven te worden, daar uit echter niet
«blijkt, dat die commissie uit haar natuur niet permanent
«zoude zijn, te minder, daar, volgens \'t adveu der impe-
«tranten, het gebruik dien aangaande is veranderd, niet
«ten dien effecte, gelijk de irnpetranten zeggen, dat de
«Regenten commissarissen van de Wisselbank zijnde, tegen-
«woordig t.icitè in die commissie zouden worden gehouden
«voor gecontinueerd; maar zoo, dat iemand tot die post,
-ocr page 8-
8                                              N1EUWJÜ BIJDRAGEN
»niet alleen absolute wordt gecommitteerd ; maar daarboven
»ook daar in, even gelijk in alle andere bedieningen, im-
»mers in zulke die ter absolute dispositie van de Itegeering
»staan, moet worden gemaintineerd, volgens de uitdrukke-
»lijke en ongelimiteerde bepaaling bij art. 1 van \'t zooge-
»naamd Contract van Harmonie van 1715 gestatueerd in
»deze woorden:
»Elk en een ijgelijk zal worden gemaintineerd in de pos-
cessie van zijn ampten en bedieningen." welke bepaaling op
»absolute stedelijke ampten en die alleen staan ter dispositie
»van de stads Regeering geappliceerd wordende, de gedaagde
»vertrouwt, als nog te weezen in volle kragt, en dus door
»bem, als \'t voorzegde contract mede geteekend hebbende,
»te mogen worden gereclameerd, persisteert voor replyk."
Hierop volgde, na pleidooi, de
Sententie, 6 Juni 1778: De Hooge Raad verklaart het
vacant houden of verklaaren van het ampt van commissaris
van de Wisselbank der stad Middelburg, als mede de daar
opgevolgde aanstelling van Mr. P. Buteüx tot Commissaris
van gemelde Wisselbank, in plaats van den gedaagde gedaan
op 3 September 1768, door de impetranten kwalijk enten
onregte te zijn geschiedt: \'Condemneert mitsdien de impe-
tranten, de voorzegde vacant verklaar ing en opgevolgde
aanstelling te vernietigen en te laaten vaaren, en den ge-
daagde het voorzegde ampt bij continuatie te laten waar-
nemen en bedienen; mitsgaders hem te laten genieten de
regten, voordeden en emolumenten daartoe behoorende,
zonder eenige oppositie of empechement, als mede aan den
gedaagde te vergoeden de schaden en interessen door de
voorzegde vacant verklaring en aanstelling reeds gehad en
geleeden, en nog te hebben en te lijden; en nopens de
destitutie van den gedaagde van verscheide mindere be-
dieningen, ontzegt aan den gedaagde den eisch en con-
clusie bij hem ten dien opzigte gedaan en genomen, met
compensatie van kosten.
De impetranten obtineerden 9 September 1778, Manda-
ment van Revisie:
-ocr page 9-
VOOR RECHTSGELEERDHEID EN WETGEVING.                    9
Zij eischten:
»Dat verklaard zal worden in de voorzegde sententie
»erreur te zijn gecommitteerd, en dat overzulks dezelve
♦sententie zal worden te niet gedaan, en corrigeerende
»het erreur daar in bevonden, dat aan den gedaagde des-
»selfs eisch en conclusie voor den Hoogen Raad op en jegens
»de impetranten met opzicht tot het commissariaat der
«Wisselbank der stad Middelburg gedaan\'en genomen, als
»nog zal worden ontzegd c. exp.
Advies van L. P. v. d. S in revisorio judicio in causa BB.
SS. en BB. van Middelburg, impetranten contra
J. W.
Parker, gedaagde (1).
Edele Mogende Heeren!
Het komt mij voor, dat, wanneer men in het onderzoek
van de quaestie, welke tans het object onzer deliberatiën
uitmaakt, zig eenvoudig wil bepaalen tot de gronden,
waarop partijen, hinc inde, in het geding, hunne sustenuen
hebben gebouwd, en alleen examineeren, wat daar van,
den rechten genoeg, beweezen is, dat wij dan veilig kun-
nen voorbijgaan een menigte van argumentatiën door de
Practisijns, bij hunne respective pleidooien en schrifturen ge-
maakt, die weinig ter zaake doen, en ons oordeel meer
verwarren dan verlichten.
Ik zal, E.M.H., mij niet begeeven in die doolhoven, ik
zal alleen volgen \'t geen het regt en een gezonde rede aan
de hand geeft, en te gelijk in \'t oog houden den regel van
de Impp. in leg. un. Cod. ut quoi desunt advoc. partium
judcx supplcat,
aan Uw Edm. overbekend:
non dubitandum est judicem, si quid a litigatoribus, vel
ab his qui negotiis adsistunt, iniuus fuerit dictum, id sup-
plere et proferre, quod sciat legibus et juri Pub. convenire.
(\') Eigenhandig.
-ocr page 10-
10                                      NIEUWE BIJDRAGEN
Het zal dan voor al noodig zijn fce onderzoeken, wie vaii
beide partijen bewijzen moet, en wat zij behooren te bewijzen.
Den generalen regel actori incumbit próbatio liooren wij
bij ieder proces allegeeren, en die allegatie veroorzaakt ge-
meenlijk liet zelve dispuut, \'t geen zij hier vevoorzaakt heeft,
wie de partes actoris moet vervullen, terwijl de eene partij
de applicatie daar van, altoos, op zijn wederpartij tracht
te verschuiven.
Laat er ons niet lang over disputeeren, \'t is vrij klaar,
dat beide partijen in affirmafcivis verseeren, en dat ze beide
tot bewijs van hunne affirmatie gehouden zijn.
De impetranten moeten bewijzen, dat de gedaagde het
ampt van Commissaris der Wisselbank heeft verkregen als
Regent,
zoodanig dat het ampt niet is permanent, ten dien
cffecte, dat iemand jure suo (geen Regent zijnde) in die
post kan blijven.
De gedaagde moet bewijzen, niet slechts, dat hij pure
en absolute is aangesteld, of dat hij aangesteld is, zonder
reserve van ivederzeqgcn,
maar hij moet vooral bewijzen,
dat de form van aanstelling waaruit hij ageert, te Middel-
burg en in cas van het ampt in quaestie, van dat gevolg is,
dat hij uit dien hoofde niet kan gedepossideerd worden.
Wie nu van beide de partijen heeft het best aan deze taak
voldaan ?
Naar mijn oordeel, E.M.H., met betamelijke reverentie
voor het gewijsde van den Hoogen Raad, en het sentiment
van die heeren, welke pro sententia reeds geadviseerd heb-
ben, aan welke ik anders gaarn bekennen wil, verre in-
ferieur te zijn in rechtskunde,
naar mijn gering oordeel, zeg ik, E.M.H., zijn het de
impetranten wier bewijs alleen steek houdt.
Ik zal met alle mogelijke kort- en klaarheid mijn sen-
timent aan UvvEdM. trachten voor te dragen.
De impetranten, zeide ik, moeten bewijzen, dat de ge-
daagde het ampt heeft verkregen als Regent, zoodat hij
geen Regent meer zijnde de faculteit niet heeft, om jure
suo in zijn post te continueeren;
-ocr page 11-
VOOR RECHTSGELEERDHEID EN WETGEVING.                11
maar hoe moeten zij dit bewijzen? hebben zij daar toe
noodig een wet, een resolutie, een costume, of iets anders,
\'t geen ex bene placito tertii is afgevloeid?
Ik denk neen, E.M.H., ik denk, dat ze maar alleen noo-
dig hebben te bewijzen, welke de intentie van de Regcering
van Middelburg,
als collateurs van het commissariaat, ge-
weest zij in het confereeren van dat ampt, of zij gewoon
zijn dat te doen aan Regenten qua tales, of als private
persoonen,
want men kan met geen schijn van regt aan de lïegee-
ring van Middelburg de bevoegdheid betwisten, om dat
ampt in de lïegeering te houden, en alleen aan Regenten
qua tales te begeeven.
Immers is de Eegeering van Middelburg aan te merken
als depositarii van de gelden in de Wisselbank gebracht, en
zij zijn in subsidium voor die gelden aansprakelijk,
en derhalven kunnen zij die functie van depositarii in
de Wisselbank in persoon exerceeren, de geheele Regeering
en corps kan daar in zitten, om te praevenieeren, dat zij door
de schuld of het verzuim van een ander geen schade lijdt;
maar indien de geheele Regeering en corps daar zitten
kan, volgt het ontegenzeggelijk dat zij het ook kan laaten
doen door eenigen uit haar midden als commissarissen, en
dat zij niet geobligeerd kan worden, wanneer zij het niet
goed vindt, een particulier persoon daar toe te employeeren,
want, daar niemand gedwongen wordt zijn geld in de
bank te vertrouwen, heeft ook niemand met de directie
zich te meieeren, als de Regeering; daar is geen meerder
rede om bij voorbeeld burgers in de directie te brengen,
als vreemdelingen, misschien ligt er meer geld van vreem-
delingen als van burgers.
Indien nu de ltegeering het recht heeft van haar geheele
corps te laaten reprsesenteeren door commissarissen uit haar
midden, zoo volgt, dat het aan haar, en aan haar alleen,
staat die repraesentatie te clausuleeren, zoo als zij goedvindt,
en dat het niets wederrechtelijks involveert, wanneer de
Regeering verklaart, door geen andere personen, dan door
-ocr page 12-
12                                      NIEUWE BIJDRAGEN
Regenten uit haar midden, directie in de Wisselbank te
willen houden,
derhalven moeten de inipetranten, die de eenige collateurs
zijn van het ampt in quaestie, de eenige die regt hebben
om de commissie daartoe te clausuleeren, alleenlijk be-
wijzeu, haar eigen intentie in het confereeren van dat ampt.
Zij, of hunne voorzaaten moeten, op den eenen of anderen
tijd, daarvan declaratoir gedaan hebben, onverschillig wan-
neer dit geschied zij, mits dat het maar vóór de aanstelling
van den gedaagde gebeurd zij.
En om aan dit bewijs te voldoen wordt door de iinpe-
tranten geproduceerd de resolutie van 20 December 1702 (\').
Deze resolutie, E.M.H, (ik verzoek hier op UwEdM. at-
tentie) moet niet dienen om te bewijzen, dat de gedaagde
van zijn ampt te recht verlaaten is, uit kracht van reso-
lutiën anterieur aan die van 1702,
of, men moet de resolutie van 1702 niet laten dienen
tot bewijs van de existentie van die anterieure resolutiën.
dan, en dan eerst zoude men in discussie moeten treeden
over de kracht van een instrumentum referens sine relato.
Maar, zoo ik wel zie, moet de resolutie van 1702 alleen
dienen, om te constateeren het denkbeeld, \'t geen de Re-
genten van Middelburg, als collateurs van het ampt in
qnaestie, gehad hebben omtrent de begeeving van dat ampt,
terwijl het niets ter zaake doet, of zij dat denkbeeld ge-
haald hebben uit vorige resolutiën, en of er in \'t geheel
wel vorige resolutiën geëxsteerd hebben.
Hun denkbeeld over de begeeving van dat ampt krijgt
(\') Deze resolutie luidde- Mich. Vertoorte, hebbende door den
heer van Cattendijke, volgens do conditién bij de Notulen van
9 dezrir breedor vermeld, verklaard aan to nemen do directie van
do Wisselbank, is (onverminderd de voorige resolutiën, die requireren
dat alle subalterne bedieningen bij leden van doese vergadering
moeten worden bediend) in hot ambt van commissaris van de Wis-
selbank op het reglement en conditiën bij do voorsz. Notulen breeder
vermeld, gecontinueerd, zonder vordere consequentie voor andere,
geen Regenten zijnde.
-ocr page 13-
VOOR RECHTSGELEERDHEID EN WETGEVING.                13
doch geen minder kracht, of het in \'t jaar 1702 eerst ge-
manifesteerd is, op grond van resolutiën die men supponeerde
te exsteeren, dan of die resolutiën waarlijk jaren te vooren
geëxsteerd hadden,
want de Regenten in 1702 waren zoo wel collateurs van
dat ampt, als de vorige Regenten geweest waren.
Nu consteert het ten klaarsten, dat de Regenten van
Middelburg in het jaar 1702 verklaard hebben,
dat een geweezen Regent, als commissaris van de Wis-
selbank gecontinueerd wordende, die continuatie is zonder
consequentie voor anderen, geen Regenten zijnde,
of met andere woorden, dat zij begreepen, dat regulariter,
iemand die geen Regent is ook geen commissaris kan zijn,
tenzij speciaal met de wil van de Regenten daartoe ge-
committeerd zij,
en het blijkt niet, dat de Regenten in vervolg van tijd
van begrip veranderd zijn.
Dewijl nu dit begrip van de Regeering van Middelburg
gemanifesteerd is voor de aanstelling van den gedaagde, is
het, ten zijnen opzichte, van dezelve uitwerking, of het
één jaar voor zijn aanstelling, of honderd jaar te vooren,
is gemanifesteerd,
van dezelve kragt of het op één of op 20 plaatsen is
gedeclareerd, mits dat het maar door geen contrarie decla-
ratoir of handelwijze veranderd is.
Dit raisonnement komt over één met dat van de Lex
2. §. 8. D de aqua et aquas pluv. arcendaa (39.3) en Lex
28. D de prob. Daar zegt de Jctus:
cum quseritur, an meinoria exstet facto opere, non diem
et Consulem ad liquidum exquirendum, sed sufficere, si
quis sciat factum, hoc est si factum esse non ambigatur.
Zoo is \'t hier, E.M.H., ik behoeve niet te onderzoeken,
quo die et Consule die voorgaande resolutiën genomen zijn,
en of ze wel in \'t geheel genomen zijn;
maar \'t is genoeg, dat het blijkt, dat die zaak welke in
de vorige resolutiën zoude moeten gecontineerd zijn, waar-
lijk in \'t werk gesteld zij,
-ocr page 14-
II
NIEUWE BIJDRAGEN
en dit is gedaan in het jaar 1702, en vervolgens altoos,
itaque factum esse non ambigitur.
Maar tegen deze resolutie van 1702 produceert de ge-
daagde onder H. I. een ouder resolutie, namelijk van 1672 (\'),
waaruit consteert, dat in dat jaar, ten verzoeke van de
Burgerij, twee commissarissen uit de Gemeente zijn aan-
gesteld.
Maar dit prouveert, dat er vóór het jaar 1672 geen
andere commissarissen dan Hegenten geweest zijn,
maar het consteert ook aliunde, dat niet tegenstaande
de inspectie van den commissaris uit de Burgerij, de Wissel-
bank, in ongeleegenheid zijnde geraakt en tot niet geloopen,
in het jaar 1681 op nieuw is geërigeerd:
en dat dezelve sedert dien tijd wederom geheel onder de
directie van de Regeering is gekomen, zoodat men niet
vindt, dat sedert die instauratie van de Wisselbank ooit
iemand uit de Burgerij, qua talis, als commissaris heeft
gefungeerd,
zoo weinig als in de Thesaurie en Leenbank.
(\') Deze resolutie luidde: In deliberatie gelegd zijnde, dewijl bij
voorige resolutie om redenen nu mede op de stads Thesaurie als
ook in yder der respectieve Banken, zoo van wissel als leening,
twee perzoonen uit de burgerij tot commissarissen, benevens die uit
de magistratuur zijn goassumeerd, of \'t niet dienstig ware en voor
de Stadts-finantiën vorderlijk, dat nu in plaats van vier heeren, tot
commissarissen in de respectieve banken uit het collegie maar twee,
benevens die uit de Gemeente, zoo op de Stads Thesaurie als in
yder der gemelde banken, behoorden aaugesteld te worden, — is
goed gevonden en verstaan, dat voor het toekomende in plaats van
vier heeren Thesauriers en drie commissarissen uit het collegie, nu
maar twee, benevens twee uit de Gemeente in de Thesaurie, mits-
gaders in de voorsegde banken van wissel en leening zouden worden
aangesteld; met dien verstande, dat Thesauriers en commissarissen
uit het collegie zullen profiteren yder het jaarlijks tractoment daar-
toe van ouds staande, en dat de twee Thesauriers en commissarissen
uit de Gemeente voor tractoment zullen genieten, yder de helft van
dien en zulks met haar beiden even zooveel als één van gemelde
Thesauriers of commissarissen, uit het collegie zijnde, voor jaarlijks
tractement is toegevoegd.
-ocr page 15-
VOOIl RECHTSGELEERDHEID EX WETGEVING.                15
Maar laat ons al eens onderstellen, E. M. H., dat de
resolutie van 1702 niet klaar genoeg uitdrukt de intentie
van de collateurs vau dit ampt, nopens den voet, waarop
zij verstaan hetzelve te begeeven,
wat moet men dan doen? Hoe komt men tot meerder
klaarheid ?
Het regt geeft ons den regel aan de hand in lege 114
de R. I.: In obscuris inspici solet quod verosimilius est, aut
quod plerumque fieri solet.
Derhalve moeten wij zien of de
impetranten altoos conform die gemanifesteerde intentie
gehandeld hebben, dan of zij er van afgegaan zijn.
De impetranten nu produceeren een lijst van commis-
sarissen van de Wisselbank sedert hel jaar 1682, en deeze
lijst geconfronteerd zijnde met de lijst der Regeering, schijnt
het genoegzaam in confesso te zijn,
dat er van dien tijd af geen andere commissarissen ge-
weest zijn dan Regenten.
De gedaagde maakt hier tegen twee exceptiën;
de eerste is het geval van M. Verpoorte, die in 1702
door een burgerlijk oproer uit de Regeering geremoveerd
zijnde, egter gebleeven is commissaris van de Wisselbank;
een argument, dat niets bewijst, dewijl Verpoorte is
aangesteld of gecontinueerd zonder consequentie voor ande-
ren geen Regenten zijnde;
\'t is derhalven een exceptio, quev firmat regidam in casibus
non exceptis,
een exceptie die gemaakt is met de wil van
diegenen die het regt hadden om aan den generaalen
regel te derogeeren;
en \'t bewijst des te minder, omdat uit de producten der
impetr. blijkt, dat de Regeering van Middelburg in \'t jaar
1704 wederom ingetrokken heeft, niet alleen de commissie
van Verpoorte, die buiten de Regeering was, maar ook
van den heer van Cattendijke, actueel Regent zijnde;
en dat Verpoorte zijne commissie niet wedergekregen
heeft voor het jaar 1717 toen hij weder lid van de Regeering
geworden was.
Ik kan volkomen toestemmen de historische elucidatiën
-ocr page 16-
10
NIEUWE BIJDRAGEN
omtrent het geval van Verpoorte, en ook kan ik toestem-
men, dat de resolutie van 1702, en voorige resolutiën pri-
mario zien op aanstellingen, en direct ingerigt is tegen de
resolutie van 1672, maar dezelve rede waarom men geen
persoonen buiten de Regeering tot commissarissen wilde
aanstellen, dezelve rede is ook, waarom men geen persoonen
buiten de Regeering als commissarissen wil laaten dienen.
Dit hangt af van de beweegende oorzaak, waarom de
Regeering besloten heeft die post alleen aan Regenten
te begeeven. Ik beken, dat die redenen geen redenen vau
convenientie moeteu zijn, maar \'t behoeven ook geen rede-
nen te zijn, wier contrarie een contradictie zoude mede-
brengen; \'t is genoeg indien de Regeering van Middelburg
voor dat besluit of die cynosure zulke redenen heeft gehadt,
wier contrarie een absurditeit zou medebrengen, en die
rede zal ik straks allegeeren, als ik zal toonen, dat de
prajsuintio juris voor de impetranten militeert.
Het tweede geval door den gedaagde bijgebracht is dat
van den pensionaris van Citt?.rs;
deze, zegt men, was geen Regent, en egter is hij com-
missaris van de Wisselbank geweest.
\'T is waar, E. M. H., in een strikten zin kan men de
Ministers geen Regenten noemen; maar men kan niet ont-
kennen, dat zij persoonen zijn, die tot het collegie van Regee-
ring belmoren, ten minsten is het zeker, dat zij niet gelijk
staan met burgers, geheel privati zijnde, in dien zin als de
gedaagde wil, dat een burger commissaris kan zijn;
de rede doch waarom de impetranten beweeren, dat het
commissariaat door een Regent moet waargenomen worden, is
niet, dat een commissaris, juist een concludeerende stem moet
hebben in de Regeering; maar omdat de Wisselbauk is
een stadsbank ter verantwoording van de Regeering;
waar uit zij infereeren, dat de directie moet waargenomen
worden door leden van haar collegie, die deelgenooten zijn
van hunne deliberatiën, en aan welke het interest van de
stad, \'t welk dikwijls met dat van de bank gepaard gaat,
op een legitime wijze bekend is,
-ocr page 17-
VOOR RECHTSGELEERDHEID EN WETGEVING.                  17
dat nu is een Minister; maar een uitgevallen Regent of
burger is het niet.
Behalven, dat in alle zaaken waartoe het radicaal van
Regent vereischt wordt, een Minister voor Regent gehouden
wordt ;
bij voorbeeld, niemand kan tot de Vergadering van H.H.M.,
gecommitteerd worden, of hij moet een radicaal in de Re-
geering hebben;
ondertusschen zijn de exempels, zoowel oude als nog
subsisteerende, dat Ministers, en zelfs honoraire Ministers,
daartoe gecommitteerd worden;
jaa, laat men al, E. M. H., eens toegeeven, de pensionaris
van Citters was geen regent, het argument doet egter niets
uit voor den gedaagden;
want de quaestie is niet (dit dient men vooral te re-
marqueeren) de quaestie is niet, of de Regeering van Mid-
delburg iemand die geen regent is, kan stellen, of kan
continueeren in \'t commissariaat;
maar of zij dat tegen haar wil moet doen:
en dit was \'t geval niet van den heer van Citters.
Zal dan dit exempel den gedaagde te hulp komen, dan
moest hij in \'t zelve geval zijn, hij moest deel hebben in de
deliberatiën van de Regeering, en ten minsten als Minister
in dezelve praeadviseeren, hij moest niet in weerwil van de
Regeering gecontinueerd willen zijn, maar hij moest met
de stemmen van het corpus \'t welk hij moet repraesentee-
ren, gecontinueerd worden.
Ik kome nu, E. M. H, tot den principaalen grond van
den gedaagde, dat zijne aanstelling van dien aard is
dat hij niet mag gedestitueerd worden; en zeker, zoo dat
beweezen wordt, dan vervalt al het vorig beredeneerde;
dan moet men zeggen: al hebben de impetranten regt
gehadt, om zig door geen andere als door Regenten te laa-
ten reprsesenteeren,
zij zijn van dat regt ten faveure van den gedaagden
afgegaan.
Deeze voorname grond ten processe aangevoerd, is, dat
N. Btfdi-. voor BeeutsgoloerdUeid on Wetgeving, Dl. III. 1875.                    2
-ocr page 18-
18                                  NIEUWE BIJDRAGEN
de gedaagde pure en absolute is aangesteld, en hierbij wordt
ondergeschikt nog gevoegd, dat nooit betveezen kan tvorden,
dat die commissie uit haar aart niet permanent zoude zijn;
dit te saamen getrokken leevert deezen eenen affirmativen
grond uit: de commissie in de Wisselbanlc is permanent
uit hoofde van haare pure en absolute collatie, en
7 contrarie
Jcan niet beweezen worden.
Ik weet niet, E. M. H., of men deeze collatie pure en
absolute mag noemen: ik mag het lijden, indien maar deeze
benaaming niet imposeert;
pure kan zij zijn, dat is, zonder conditie, maar absolute
zegt iets meer: dit geeft te kennen een onivederroepclijh
regt,
en dit is juist het poinct in quasstie, \'t welk hadt
moeten beweezen worden.
De gedaagde kan hier niet volstaan met het produceeren
van een eenvoudige commissie zonder reserve (\') aan de
zijde der collateurs;
maar hij moet bewijzen, dat die forni van commissie,
waar op hij aangesteld is, te Middelburg en in cas subject,
van die efficace is, dat iemand, zoodanige commissie ont-
vangen hebbende, van zijne bediening niet kan noch mag
verlaaten worden;
en dit bewijs heb ik te vergeefs gezogt; integendeel
heeft de gedaagde het zoeken te ontwijken met de probatio
contraria op den hals van de impetranten te schuiven.
De geheele argumentatie van den gedaagde komt hier
op neer:
dat deeze form van aanstelling, zonder reserve van het
regt van afstelling een praesumtio juris ten zijnen voor-
deele geeft, welke hem van den verderen last van bewijs
(\') Do commissie was van dezen inhoud- 12 Maart 1763. Burge-
meesters, Schepenen en Raaden der stad Middelburg, hebben ver-
koren en aangesteld, gelijk HEAgtb. verkiezen en aanstellen bij
deesen den heer Mr. J. W. Pakker, schepen en raad deezer stad,
tot commissaris van de Wisselbank deeser stad, in plaats van Mr. K.
van der Helm Boddaert, raad deeser stad, die daar van heeft ge-
desisteerd.
-ocr page 19-
VOOR RECHTSGELEERDHEID KN WETGEVING.                 19
libereert, omdat die pnesumtie voor regt moet gehouden
worden, tot dat liet contrarie beweezen wordt;
maar deze prasumtio juris vervalt, vervalt ten eenenmale,
wanneer van de andere zijde wordt aangetoond, dat zulk
een form van commissie of\' aanstelling is een enkele slenter;
die men ook gebruikt in zulke ampten, welke indispntabel
tot wederzeggens, of tot een onbepaalden tijd, zoo lang er
termini habiles zijn, begeeven worden;
dit nu is aangetoond met gelijkluidende aanstellingen
van commissarissen van de Wisselbank, ten tijde toen ze
van tijd tot tijd expresse gecontinueerd werden, en met
diergelijke conimissiën van Thesaurieren, derhalve is er voor
den gedaagde geen meerder regt uit deeze form van aan-
stelling te haaien, dan er te haaien was voor die heeren
die op de zelve wijze aangesteld zijnde, egter van tijd tot
tijd moesten gecontinueerd worden;
en dit is zoo algemeen, niet alleen te Middelburg maar
door geheel Zeeland, dat er weinig llegenten zijn, die geen
ampten op soortgelijke onbepaalde conimissiën bekleeden,
welke nogthans notoir temporair zijn, terwijl zij zig be-
spottelijk zouden maaken met op dien grond de permanentie
van hunne bedieningen te sustineeren.
En zoo men een precsumtio juris wil etablisseeren, ten
dien effecre, dat een probatio contraria a parte ad versa
noodig zou zijn om dezelve te enerveeren,
dan dunkt mij, onder reverentie, dat de praasumtie veel
sterker pleit voor de impetranten dan voor den gedaagden.
Want indien het ampt van commissaris uit kragt van
een pure en absolute aanstelling permanent was, zou daar
uit volgen:
dat de successive Regenten aanspraakelijk zouden kunnen
worden door een daad van hunne prajdecesseurs, welke buiten
hun vermogen is geweest te redresseeren.
Stellen wij, dat alle de vier commissarissen voor ettelijke
jaaren aangesteld, na verloop van tijd onder verdenking
vallen van minus idonei te zijn, zouden dan de successeuren
van de collateurs dier bediening zig tranquil moeten exponee-
-ocr page 20-
20                                       NIEUWE BIJDRAGEN
ren aan de schaade, door die commissarissen te veroorzaaken,
welke zij voor hunne mandatarii of repraesentanten niet
verkoren hebben, en misschien nooit zouden verkoren hebben ?
dit zal men immers niet willen, en derhalve is er een
prresumtio juris voor de impetranten, dat zij nooit zulk
een irrevocable commissie hebben weggegeeven;
dat zij zig nooit hebben ontdaan van het regt van af-
stelling;
en derhalven zoude het de taak van den gedaagde zijn,
het contrarie te bewijzen.
Laat het mij gepermitteert zijn met discretie te zeggen:
ik vatte niet, hoe men kan toestaan, dat het ampt te
vooren en tot 1709 temporair geweest is, maar na 1709
door een omissie van de daad van continuatie, consuetu-
dine zoude zijn permanent geworden;
hoe kragtig ook een consuetudo werkt, zoo kan dezelve
hier geen kragt hebben, want hier wordt geen qusestie
gemoveerd de jure condendo of noviter introducendo, maar
de interpretatione;
hier is in confesso een jus, een jus facultatis, quod
non utendo niet ligt verlooren wordt, dus zoude deeze
nieuwe costume eigentlijk eene praescriptie moeten zijn van
die faculteit;
\'t welk ik zou denken, dat ïn geen 50 of GO jaaren gebeurt;
te meer omdat de continuatiën niet regulier waren, maar
nu en dan geëxerceerd;
in plaats van nieuwe costume zoude ik dan oordeelen
conform de 1. 37 D. d. Legib.
Al het geen men gepleit heeft van de kragt deezer pure
en absolute aanstelling, bewijst, naar mijn gedagten, te veel;
want, zoo uit kragt van deeze aanstelling de aangestelde
persoon niet mag gerevoceerd worden, omdat er geen expresse
reserve is van \'t regt van afstelling,
dan kan hij ook even eens staande houden, dat de
Regeering van Middelburg, hem in zijne bediening geen
instructie, last, of bepaling kan geven, om dat se dit even
tveinig gereserveerd heeft;
-ocr page 21-
VOOR RECHTSGELEERDHEID EN WETGEVING.                21
en zoo doende, geeft die aanstelling niet alleen een
pernianentie, maar ook een onbepaalde magt.
Het komt mg zeer eenvoudig voor, E.M.H., dat men
de onbepaalde uitdrukking van de aanstelling moet ver-
staan secundum subjectam materiam;
iemand een commissie verkrijgende, die jaarlijks of om
de 2 of meer jaaren expireert, of die gebonden is aan ze-
kere radicaale qualiteit, of conditie sine qua non, kan even
zoo onbepaald worden aangesteld, als iemand die, om geene
redenen altoos, kan afgezet worden;
omdat de aanstelling altijd relatyf is tot de natuur van
het ampt, tot de te vooren gemanifesteerde intentie van
de collateurs van het ampt, en altijd termini habiles on-
derstelt.
Het grootste voordeel, \'t geen ik, in gemoede, voor den
gedaagden uit deeze aanstelling, en uit alle zijne argumen-
tatiën daarop gegrondt, kan vinden, is,
dat het ten hoogsten genomen uit de woorden der aan-
stelling op zig zelven, niet klaar zoude blijken, hoedanig
de intentie van de impetranten bij het confereeren van liet
ampt in qusestie geweest is,
indien men geen andere indiciën hadt, waar uit dit kan
opgemaakt worden; maar, deeze indiciën exsteerende, en
geprouveerd zijnde door de impetrauten, dat dit ampt nooit
anders begeeven is, dan onder stilzwijgende conditie, dat
de bezitter Regent moet zijn, en blijven;
dan vervalt alle twijfel, en ik moet besluiten met de lex
219 de V. S.: in conventionibus contrahentium voluntatem
potius quam verba spectare placuit.
Ik zoude mij breed kunnen uitlaaten over het argument
van den gedaagde, genomen uit het Contract van Harmonie
tusschen de Regenten van Middelburg aangegaan in \'t jaar
1715 (\');
maar ik zal er liever kort op remarqueeren, dat dit
(\') Bij de Witte van Cittebs, Contracten van correspondentie,
Blz. 29-38.
-ocr page 22-
22
NIEUWE BIJDRAGEN
argument steunt op een petitio priucipii, dat het niet noo-
dig zoude wezen Regent te zijn, om, in weerwil van de Regee-
ring, als commissaris van de Wisselbank te continueeren;
De Regenten van Middelburg, sive bene sive male, ver-
bonden zig malkander te maintineeren bij lmnue respective
ampten;
dat is te zeggen, naar mijn inzien, zoo lang er termini
habiles waren voor die maintenuë;
nu is in qufestie, of er hier termini habiles zijn, of niet,
derhalve kan de gedaagde zig met het contract niet behelpen.
Ik zal, E.M.H., dit advys besluiten, met, om de geavan-
ceerde redenen, en nogmaals onder betuiging van alle
reverentie voor \'t gewijsde van den H.R. te verklaren, dat
naar mijn oordeel, in dat gewijsde erreur is, en dat
UwEd.Mog. het zelve erreur corrigeerende, den impetrant
in de eerste instantie en gedaagde in revisie behooren te
ontzeggen zijnen eisch en conclusie ten opzigte van het
commissariaat van de Wisselbank gedaan en genomen,
met compensatie van kosten.
De uitslag was echter niet overeenkomstig dit advies,
want slechts drie raden adviseurs waren van zijne meening,
namelijk de heeren Nolst, van Visvliet, en Mollerus. De
overige, de heeren Boreel de Mauregnault, Pauw, dis
Beveren, Hoeufft, Bichon, de Crane, van Spaan, Scholten,
Beutling, Graafland, D. P. de Mauregnault stemden voor
bevestiging van de uitspraak van den Hoogen Raad.
Hoe groot de kosten van zulk een revisie-proces waren,
kan men daaruit opmaken, dat voor van de Spiegel alleen
f 565 (in 1783) in rekening werd gebracht.
31 ^JT"