-ocr page 1-
581
vvym ji
Bijbelsche God
nn
ï
DOOR
W. E. H. VAN LEEUWEN.
floOGLEERAAR VAN WBGE DE JNeD. flERV. J<ERK,
AAN DE (JnIVERSITEIT TE UTRECHT.
DE LEER AANGAANDE GOD.
*>m \'> | !»«<•-------
Utrecht,
C. H. E. BREIJER.
1892
I f FC
L
-ocr page 2-
V
-ocr page 3-
BIJBELSCIIE GODGELEERDHEID.
-ocr page 4-
Non gigno novas opinioncs, ncc aliud majus scelus esse in ecclesia Dei
sentio, quam ludere fingendis novis opinionibus et discedere a prophetica et
apostolica scriptura et consensu vero ecclesiae Dei.
Mei.anchthon : Loei. (Epistola ad lectorem.)
-ocr page 5-
\'•
,y
Bijbelsche Godgeleerdheid
DOOR
B*. E. H. VAN LEEUWEN,
fioOGLEERAAH VAN WEGE DE J^ED. ^ERV, jittRK ,
AAN DE yNIVERSITelT TE ^UTRECHT.
I.
DE LEER AANGAANDE GOD.
-5«—- M—s~
A
Utrecht ,
C. H. E. B RE IJ ER.
1892
-ocr page 6-
I
ZUIO-HOI.LANDSCUK 13ÜEK- KN IUNIIELSDRUKKKKIJ TE \'S-GHAVENHAGE.
-ocr page 7-
Niet veel ga hier vooraf. Want voor hetgeen ik te zeggen had
over de pr(valabele kwestie mag ik den belangstellenden lezer ver-
wijzen naar de Inleiding (§ 1) alsmede naar de 8de § mijner
Prolegomena, waar ik rekenschap gegeven heb van de Methode.
Hier dus nog alleen het volgende. Ik hecht er aan, dat men het
methodologisch vraagstuk, zoo principieel als het is, goed onder
de oogen zie. Want het is mij nog niet kunnen gelukken, de
waarheid in te zien van hetgeen tegenwoordig schier algemeen
als axioma schijnt te zijn aangenomen, dat de Bijbelsche God-
geleerdheid o ja wel „evenzeer tot het Oude als tot het Nieuwe
Testament zich moet uitstrekken", maar, zooals er dan maar
klakkeloos wordt bijgevoegd, dat het iets is wat „van zelf spreekt,
dat die twee niet anders dan afzonderlijk kunnen behandeld
toefden" (Zie
Weiss: Bibl. Theol. d. N. T. blz. 1). Waarom
spreekt dat dan toch van zélf? Ik meen juist het tegendeel.
Geenszins wil ik daarmee zeggen, dat ik eene afzonderlijke bc-
handeling in allen gevalle misplaatst acht, en dat de arbeid van
velen, die onze theologische litteratuur verrijkt hebben met eene
Theologie hetzij des Ouden hetzij des Nieuwen Testaments af-
zonderlijk, of ook met een grooter of kleiner onderdeel van het
-ocr page 8-
VI
een of van het ander, niet hoog te waardeeren is. Maar dit alleen
bedoel ik, dat de benaming
Bijbelsehe Godgeleerdheid, naar
mijn gevoelen, slechts een artikel van weelde is in ons theologisch
spraakgebruik, indien het van te voren vaststaat, dat de veel-
soortige en allerwege verstrooide bouwstoffen niet tot één gebouw
kunnen worden opgetrokken. Bovendien
, on dit zegt meer, blijf
ik het er voor houden, dat het nimmer gelukken sol, ook de
Nieuwtestamentische leertgpen recht te verstaan en in het rechte
licht te plaatsen, zoolang men se losmaakt van den Oudtestamen-
tischen bodem, waarin zij geworteld en waaruit zij opgegroeid
zijn. En omgekeerd ook weder: werpt het N. T. geen lichtstralen
terug op het Oude:\' De Erlangensche Prof.
Dr. Fr. H. R. v. Frank,
de ook ten onzent niet onbekende auteur van het „ System der
christlichen (xewissheit", bepleit in zijn kortelings verschenen
„Vademecum für angehende Theologen", waaruit ook andere
dan „aankomende" theologen nog wel iets goeds kunnen leeren,
„ der Gedanke, von welchem unsere reformatorischen Vater aus-
gingen und der mit der Existenz der Kirche eng, ja unlöslich
verknüpft ist, dass es unbeschadet aller Stufcnentwickelung ein
einheitlicher Offenbarungsprocess, darum aueh eine wesentlich
einheitliche Heilswahrheit sei, wclche in der Offenbarungsurkunde
uns entgegentrete". Bat is uit mijn hart geschreven. Enhoemter
die groote waarheid uit het oog verloren en bestreden wordt, met
des te meer nadruk moet daarop gewezen worden. Be continuïteit
der goddelijke heilsopenbaring in het Oude en in het Nieuwe
Testament
ziedaar waarom het ons te doen is, meer dan
ooit, in het aangezicht der theologische ontleedkunde van dezen tijd.
Iets daarvan zal men ontdekken in dit eerste gedeelte mijner
-ocr page 9-
VII
Bijbélsche Godgeleerdheid, dat toch ook kan worden aangemerkt
als een op zichzelf staand geheel. Dit en wat in de toekomst ligt,
stel ik met een dankend en aanbiddend hart in de handen van
den God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, Wien de
heerlijkheid zij en de kracht in alle eeuwigheid!
E. H. v. L.
Utrecht, Sept. 1892.
-ocr page 10-
INHOUD.
Bh.
§ 1.    Inleiding............... 1
§ 2.    Het bestaan van God..........8
§ 3.    De kenbaarheid Gods.......... 14
§ 4.    De naam Gods . . ..........20
§ 5.    De namen Gods............28
§ 6.    Elohim...............30
§ 7.    El (en zijne samenstellingen).......42
§ 8.    Jehovah (en Adonaj)..........50
§ 9.    De naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen
Geestes..............67
§ 10.    Gods persoonlijk wezen.........73
§11.    Gods geestelijk wezen..........79
§ 12.    Gods liefdewezen............86
§ 13.    Gods eenheid.............107
§ 14.    Gods heiligheid............128
§15.    Iets over Gods eigenschappen.......151
§ 16.    God als Schepper der wereld........\\62
§ 17.    God in zijne betrekking tot de geschapen wereld. 182
Register van aangehaalde bijbelplaatsen. . . . 205
-ocr page 11-
§ i.
Inleiding.
Alvorens over te gaan tot behandeling van hetgeen
in deze eerste Af deeling betiteld is als „de bijbelsche
leer aangaande God", hebben wij ons duidelijk voor
te stellen, wat daarmede mag bedoeld zijn. Met ver-
wijzing naar het gezegde in § 3 onzer Prolegomena,
waar meer in het breede gehandeld is over de Methode,
kunnen wij hier ons er toe bepalen, datgene wat wij
op het oog hebben kortelgk aldus aan te geven: de
Bijbelsche Godgeleerdheid behoort in dit deel van haren
arbeid zich ten taak te stellen, met inachtneming
zooveel mogelijk van den historisch-genetischen weg,
systematisch samen te vatten den ganschen inhoud
van hetgeen God, volgens de H. Schrift, aangaande
zichzelven geopenbaard heeft.
Het moge zijn als ten overvloede, toch acht ik het niet
volstrekt overbodig, voordat wij de eigenlijke materie, die
zich thans aan ons voordoet, gaan uiteenzetten en bewerken,
het een en ander op te merken tot toelichting en voorloopige
rechtvaardiging van de hiermede aanvangende toepassing der
vroeger aangegeven methode.
-ocr page 12-
2
Ik zeg: het moge zijn als ten overvloede. Want wij krijgen
nu, als het ware, de proef op de som, en daaruit eerst zal
het kunnen blijken of onze opvatting van Bijbelsche Godge-
leerdheid en dus ook van de wijze waarop zij de haar toe-
gewezen taak te volvoeren heeft, proef houdend is, al dan
niet. Daarom laat ik slechts enkele opmerkingen ter inleiding
hier voorafgaan — niet veel, maar toch iets. Immers de
bouwmeester, die aan den arbeid wil gaan om het aanzijn
te geven aan het gebouw, dat hij ontwierp, maar tot wien
men zegt: „uw bestek is niet goed", neen erger nog: „het
is eenvoudig onuitvoerbaar", ziet zich van meet-af geplaatst
voor eene kwestie zóó principieel, dat hij althans den schijn
van roekeloosheid niet zou vermijden, indien.hij de beden-
kingen, die werden ingebracht, enkel met stilzwijgen voorbij-
ging, en zich geen rekenschap scheen te geven van de taak
die hem wacht.
Welnu, het bestek, dat ik ontwierp, en dat mijne Prole-
gomena in groote trekken lieten zien, gaf aanleiding tot de
vraag: of het niet van te voren moet beschouwd worden als
een volstrekt onmogelijk, ja zelfs als een voor de rechte
bijbelwaardeering en voor het rechte bijbelgebruik uiterst
schadelijk werk, te geven, te willen geven den leerinhoud
des bijbels, en wel, om te beginnen! de bijbelsche leer aan-
gaande God?
Zóó immers — hoe gist het toch tegenwoordig in de
chemische laboratoria óók der theologie! — wordt gedacht
en is gezegd van meer dan één kant. Wel wil men nog
toegeven „dat uit de zee van historische verhalen, zede-
kundige opmerkingen, gedichten, gelijkenissen enz. de parelen
der leer moeten worden opgevischt. Maar.... de bijbelsche
-ocr page 13-
3
leer over God, wij vragen: waar deze ergens te vinden is?"
Wat toch ontdekken wij? Allerlei uitingen over God, die
lijnrecht met elkaar in strijd zijn. „Zoo worden wij ingewijd
in de denkbeelden der verschillende bijbelschrijvers over God|;
maar waar is hier ergens wat men noemen mag: de bijbelsche
leer over God?" (])
"Welaan, laat mij beproeven, haar u te toonen. Maar ik
voeg er aanstonds bij: stel u gerust! geen proeve hebt gij
te wachten van ijdele harmonistiek. Wij willen enkel en alleen
den bijbel getrouw en eerlijk laten spreken uit en voor zich-
zelf, en aandachtig en eerbiedig luisteren naar zijne spraak
over God. Ik ben der meening toegedaan, en word meer en
meer daarin bevestigd, dat er, om den bijbelinhoud rechtte
leeren kennen, verstaan, en waardeeren, nog een andere
arbeid te verrichten is dan die van analyseeren of (wat veelal
daarmede verward wordt, hoewel het geheel iets anders is)
van inventariseeren, hoe nuttig en goed ook deze dingen
kunnen zijn; en bepaaldelijk komt het mij voor, dat het der
christelijke theologie broodnoodig is, niet slechts te worden
„ingewijd in de denkbeelden der verschillende bijbelschrijvers
over God" en over meer andere van hunne „denkbeelden",
maar na te speuren en te leeren verstaan de groote heils-
gedachte Gods, naar luid van Schrift en ervaring gerealiseerd
in Jezus Christus, den Heer onzer belijdenis. En de allereerste
vraag, die zich daarbij voordoet, welke andere zou het kunnen
\') Aldus Dr. J. Herderschee in eene niet onwelwillende beoordeeling
van mijne Prolegomena in Theol. Tydschr. 1891, blz. 316 v.v. In den
zin: «Wat toch ontdekken wjj — in strijd zijn», geplaatst tusschen het
woordelijk gerefereerde, meen ik, getrouwelijk te hebben saflmgevat wat
uitvoeriger door mijn beoordeelaar gezegd is.
-ocr page 14-
4
zijn dan deze: wie is die God? wat leert en getuigt de H.
Schrift van Hem, die zich, naar hetgeen door haar bericht
wordt van het begin tot het eind, ons tot heil heeft ge-
openbaard ?
Dit is, men gevoelt het, geheel iets anders dan het zoeken
in den bijbel van „denkbeelden over God". Ik voor mij kan
dan ook instemmen met de bedenkingen, van andere zijde
hiertegen ingebracht, hoewel ik groote bezwaren heb tegen
de verkeerde gevolgtrekkingen er uit gemaakt. Ik heb be-
paaldelijk het oog op het „Referaat" van Dr. Is. van Dijk,
door hem in het licht gegeven onder een titel, die op zich-
zelf reeds een zware aanklacht bevat tegen een iegelijk, wien
het geldt J). Wat de modernen slechts „zijdelings" doen,
zóó wordt ons daar verzekerd, dat doet de orthodoxie nog
vrij wat erger, dat moet dus zijn: niet zijdelings, maar
direct. Nu, de modernen mogen spreken voor zichzelf, gelijk
zij dan ook wel reeds gedaan hebben. Maar „de orthodoxie",
hoewel ik mij niet wensch op te werpen als haar woord-
voerder en evenmin mij wensch aansprakelijk te stellen voor
alles wat door haar gezegd wordt 2), mag toch ook voor mijn
deel wel even medespreken, te meer daar het mij wil voor-
komen , dat Dr. v. D., al is het dat hij mij niet noemt, toch
ook op het door mij (in mijne Prolegomena) geschrevene het
oog gehad, ja zeer zeker \'t een en ander daaruit gerefereerd
heeft ter bestrijding 3).
Want de beschuldiging is nog al van belang; zwaar genoeg
*) Verkeerd Bijbelgebruik (te Groningen 1891).
*) Ook niet voor hetgeen door haar gezegd wordt door Dr. v. D. —
of is dat niet meer «de orthodoxie»?
*) Zie met name blz. 31 van Verkeerd Bi/belgebruik.
-ocr page 15-
5
om ons ongerust te maken — indien zij namelijk niet uit
de lucht gegrepen ware en tot iets anders kon dienen dan
tot voetstuk voor de illusie, waaraan Dr. v. D. zich blijkbaar
overgeeft.
Van welk misdrijf toch worden wij beticht? Het is niets
minder dan dit: „dat orthodoxen en modernen beiden in
weerwil van de allerbeste bedoelingen voortdurend bezig zijn
den Bijbel te... steriliseeren" (blz. 17). De orthodoxen doen .
dat door hun theorie van „een geïnspireerde leer in den
Bijbel" (blz. 10, 14, enz.) Zóó staat er inderdaad. Doch is
het ook onbescheiden te vragen: waar ergens heeft Dr. v. D.
de kennis opgedaan van deze theorie, en waar is onder de
orthodoxe wetenschappelijke theologen de man te vinden, die
zulke dingen zich zal laten opdringen? Wie hunner zal niet
veeleer zeggen: „neen, indien gij wilt dat mijn gevoelen
over theopneustie geformuleerd worde, dan zal ik het zelf
liever doen"?
Maar dan toch wel een „leer" en een „leer-inhoud\'\' ? Zonder
den minsten twijfel, en de ergernis des wegens is mij alleen
verklaarbaar door een bijbelgebruik, waarbij men rondzweeft
in de illusie dat het niet noodig is zich rekenschap te geven
van de beteekenis der woorden, die de bijbel gebruikt. Spreekt
b.v. Christus zelf niet van zijne „leer", en heeft „de gods-
dienst, hoofdzaak in de theologie", heeft „waarachtige vroom-
heid, hoofdzaak in den godsdienst" x) daarmede niets te
maken ? Of is dit het gevaar, dat men, verklaring willende
geven van de beteekenis en de bedoeling der woorden, altoos
weer moet gaan „philosopheeren", „een wijsgeerigen arbeid
*) Verkeerd Bijbelgebr. blz. 23.
-ocr page 16-
6
verrichten" *), altoos weer „vervallen" moet „in wijsgeerige
terminologie"? 3) Maar dan „de samenstellende bestanddeelen
van waarachtige vroomheid", naar Dr. v. Dijk\'s beweeren
door Eduard von Hartmann vrij volledig opgenoemd in niet
minder dan 14 regels druk s) zijn die nu „klaar en onder-
scheidenlijk vóór ons gesteld, zonder in wijsgeerige termino*
logie te vervallen"? Inderdaad „ik zal nu maar doen alsof
ik reeds weet wat ik onder al die woorden te verstaan heb" *),
zóó moeten ook wij daarbij zeggen, en vooral ook zullen wij
zoo maar doen, waar ons verzekerd wordt, dat de Bijbel
boven alles wil zijn: „Bijbel, Woord van God in de zedelijke
beteekenis van die uitdrukking"
5).
Doch genoeg. Ik schrijf geen kritiek, noch een antikritiek.
Slechts wilde ik, tegenover alle tegenspraak, het recht hand-
haven der Bijbelsche Godgeleerdheid om te onderzoeken, wat
het is dat God, volgens de H. Schrift, aangaande zichzelven
geopenbaard heeft, d. i. om de vraag te stellen: „wat leert
de bijbel aangaande God?" En niet alleen haar recht om die
vraag te stellen, maar ook haar plicht om die vraag te be-
antwoorden. En wat betreft de mogelijkheid om dat te doen,
zij het ook voorzeker altoos onvolkomen en onvolledig en
ook zóó dat er immer plaats openblijft voor discussie — ja,
die mogelijkheid zal feitelijk eerst kunnen blijken uit de hier
•) t. z. p. blz. 32.
*) t. z. p. blz. 23.
*) t. z. p. blz. 23, 24.
*) t. z. p. blz. 31.
*) t. z. p. blz. 17. De cursiveering is van mij, omdat daarbij vooral
behoort: «ik zal nu maar doen, alsof ik reeds weet wat ik onder al die
woorden te verstaan heb.»
-ocr page 17-
7
geleverde proeve. Of ook, indien men zeggen zou dat zij niet
gelukt is, zoo is de onmogelijkheid nog niet gebleken, want
een, ander zal het wellicht beter doen. En in ieder geval —
is het niet overbodig de titels te noemen van zoovele werken
over Bijbelsche Godgeleerdheid en hare onderdeelen, die door
hun bestaan reeds het bewijs leveren dat men ook op dit
gebied niet wanhoopt en niet behoeft te wanhopen aan de
mogelijkheid om (en ziehier het verschil, dat ik boven op
het oog had) niet slechts notarieelsgewijze een inventaris op
te maken van den bijbelinhoud, d. i. dan van den onbeheerden
en verwarden inboedel, waarvan de erflater dood is, zoodat
die inboedel nu voor liefhebbers van antiquaria stuksgewijze
onder den hamer komt, maar om door middel van de analyse
te komen tot de rechte kennis van het geheel ? Immers wie
zegt „analyse", die heeft reeds gezegd „synthese". Dedeelen
van wat dan ook zijn toch altoos deelen van een geheel, zoo
goed als ieder blad op zichzelf altoos is een blad van een
boom. En wat den bijbel betreft — o ja, dan is het maar
de vraag, of men dien beschouwt en waardeert enkel als
een samenvoegsel van allerlei heterogene stukken en brokken
zonder organisch verband, dan wel als één geheel met on-
derscheidene deelen, maar een geheel dat wil gewaardeerd
zijn naar den regel: „de letter doodt, maar de Geest is het,
die levend maakt", d. i. als theopneuste oorkonde der heils-
openbaring Gods. Dit vraagstuk evenwel, inderdaad hetaller-
principieelste, ligt op een ander terrein; hier scheiden zich
altoos weer de geesten, en daarover valt hier verder niet
te redeneeren.
-ocr page 18-
8
§2.
Het bestaan van God.
Dat God werkelijk bestaat, of beter nog: God de
hoogste en in den grond der zaak de eenige realiteit
— dit is, naar bijbelsche beschouwing, het primum
verum, d. w. z. het eerste wat zeker is en vóór alle
dingen vaststaat. Wel kent de H. Schrift, zoowel in
het Oude als in het Nieuwe Testament, dezulken die
God en zijn bestaan loochenen. Maar tegenover hen
argumenteert zjj, om goede redenen, niet anders dan
God zelf het doet, d. i. op de eenig logische wijze,
terwijl zij ook in dit opzicht haar karakter als oorkonde
der Godsopenbaring handhaaft. Met de zoogenaamde
bewijzen voor het bestaan van God laat de H. Schrift
zich diensvolgens niet in; en de Bijbelsche Godgeleerd-
heid heeft, wat dit aangelegen punt betreft, dus ook
niets anders te doen dan op het afwezig zijn van
elke opzettelijke bewijsvoering dienaangaande opmerk-
zaam te maken en daarvan verklaring te geven.
1. God de hoogste en in den grond der zaak de eenige
realiteit a). Is dit wat de bijbel van het begin tot het eind
\') «God is waarheid»; «de Heere God is de Waarheid» ; «de Waar-
achtigé»; «de eenig Waarachtige» (Deut. XXXII : 4; Jer. X : 10; 1
Joh. V : 20; Joh. XVII : 3) — ziedaar slechts enkele getuigenissen uit
vele. Wij hopen later in ander verband gelegenheid te hebben, aan te
toonen, wat wij hier voorloopig alleen constateeren, dat de bijbelsche uit-
-ocr page 19-
9
poneert, ook bewijsbaar? Het spreekt wel vanzelf, dat, waar
gehandeld zal worden over God, die vraag, d. i. de vraag
naar het bestaan van God, aan elke andere moet voorafgaan.
Ook de Bijbelsche Godgeleerdheid mag daar niet van zwijgen.
Doch zij blijve ook hierbij op haar eigen terrein, d. w. z.:
zij onderzoeke alleen, hoe de bijbel die vraag beschouwt en
behandelt, en welk antwoord hij geeft als daar gevraagd
wordt naar „bewijs".
Welnu, de bijbel laat zich om goede redenen — wij zullen
zoo meteen zien waarom — met de zoogenaamde bewijzen
voor het bestaan van God in het geheel niet in. Men vindt
ze niet in de gansche Schrift, en wij zouden dus deze gansche
vraag met stilzwijgen kunnen voorbijgaan indien het ontbreken
van zulke bewijsvoering niet te opmerkelijk ware om er niet
opzettelijk de aandacht op te vestigen en er verklaring van
te geven. Te meer, daar toch de bijbel wel degelijk rekent
met het atheisme onder allerlei vorm; hij kent zoowel dezulken,
die zeggen in hun hart: „er is geen God\'\' (Ps. XIV : 1;
LIII : 2), d. i. wat wij noemen het theoretisch atheisme,
de bepaalde en opzettelijke godloochening 1), alsook — en
drukking waarheid (HOK, nMOX, N. T. &*teti«) geenszins, zooals het
veelal verkeerdelijk wordt voorgesteld, als een louter formeel begrip moet
worden opgevat, maar dat zij in den grond der zaak hetzelfde bedoelt als
werkelijkheid, realiteit, wat ook in het klassieke spraakgebruik van
&\\fa$tot kan worden aangewezen.
\') Verschillend wordt daarover echter geoordeeld. B.v. Delitzsch
(Comm.) zegt: «Es ist nicht blos praktischer Atheismus, der mit dieser
Maxime des S21 gemeint ist», waarmede ik voor mjj instem.Daarentegen
beweert b.v. Schultz (Alttest. Theol.*, blz. 494): «Aber damit sind
nicht theoretische Gottesleugner gemeint, denen gegenüber Gottes Dasein
mit Beweisen gezeigt werden könntte und müsste... Also es sind prak-
-ocr page 20-
10
dit is minder zeldzaam — het praktisch atheisme, het ne-
geeren van God, het doen en leven alsof Hij niet bestond,
het zijn „zonder God (tötu) in de wereld" (Ef. II : 12). Dit
laatste ook is in den regel bedoeld zoo menigmaal daar sprake
is van den „goddelooze", tallooze malen in het Oude Testament
{vv-y, LXX bijna zonder uitzondering a«/3ifc) en somwijlen ook
in het Nieuwe.
Dit staat vast: de H. Schrift houdt wel degelijk rekening
met het atheisme onder allerlei vorm; maar aan de wijsbe-
geerte heeft zij de taak overgelaten, bewijzen te zoeken voor
het werkelijk bestaan van God. En als men zou willen weten,
hoe de Schrift over al die bewijzen denkt, dan zal niemand
dat kunnen zeggen, want zij laat zich noch er over uit, noch
er mede in.
2. Wat mag daarvan de reden zijn? Ziedaar een vraag,
die niet overbodig en waarop ook een antwoord is. Want
men zou zich er over kunnen verwonderen, ja het allicht
kunnen beschouwen als een der zwakke zijden van de Schrift,
dat zij den filosofen het werk niet uit de hand genomen,
en het voor dezen niet noodeloos gemaakt heeft, het atheisme
van ongelijk te overtuigen door bijna een half dozijn bewijzen
van het tegendeel.
Wij zeggen dit niet met minachting voor al die „bewijzen".
„ Integendeel, wij erkennen gaarne hunne betrekkelijke waarde,
al zouden wij er ook prijs op stellen, den voormaligen atheist
te ontmoeten, die door één van die of door die alle tesamen
genezen is van zijn ongeloof. Doch men moge daarover oor-
tische Gottesleugner, für welche es keinen Beweis geben kann, da sie
theoretisch das Dasein Gottes gar nicht bestreiten» etc.
-ocr page 21-
11
deelen zooals men wil; men moge het houden met Cartesius,
of met Kant, of met een ander — één ding is zeker: de
bijbel volgt een anderen weg, heeft een andere methode, hij
vat den strijd met het atheisme van de eenig rechte en doel-
treffende, d. i. van de ethische, of zoo men liever wil: van
•de psychologische zijde op. Welk een diepte van menschen-
kennis en welk een machtige logica schuilen er in dat klas-
sieke psalmwoord, dat wij reeds noemden: „de dwaas zegt
in zijn hart: er is geen God!" Is het niet te hard en onbillijk,
den godloochenaar een dwaas te noemen? Is toch zulk een
„vrijgeest" niet vaak een man van „groot verstand"? Het
mag zoo zijn; doch de Schrift beschouwt het zóó, dat zijne
dwaasheid niet wortelt in het intellect, maar in de gezind-
heid, in het gemoedsleven, in het „hart". Daarom noemt zij
hem *uj (nabal) LXX a$pw, dwaas, d. i. iemand die, in geeste-
lijken zin, verzwakt, verwelkt, vervallen is \'). En daarom
ook zegt zij, dat de dwaas alzoo spreekt in zijn hart, d.w.z.
niet slechts dat hij alzoo denkt, maar dat dit zijn denken
een dieperen grond heeft, namelijk in het gemoed, in den
wil, in het geestelijk en zedelijk bestaan, i. e. w. in al het
innerlijke, wat is saamgevat in de uitdrukking „het hart\'\'.
Want de godloochening, gelijk in het algemeen alle ongeloof,
is in den diepsten grond niet allereerst een logische, maar
een ethische fout; uit den overvloed des harten spreekt de
\') Dit toch is de eerste beteekenis van nabal. B.v. Jes. XL : 7: «de
bloem valt af» (Saj). Ook onze Statenvertaling heeft gewis daarop gedoeld
in de kantteekening bij Nabal (1 Sam. XXV r 25): «d. i. een die de
wijsheid en vromigheid ontvallen is». Volgens Delitzsch beteekent
nabal « den Schlaffen, Kraftlosen, neutest. ausgedrückt wvsfy* cl* \'ixsnrx".
En Schultz zegt: «n^aj, Thorheit, fast immer im sittlichen Sinne, z.
B. deut. XXXII : 6.21.Hiob II : 10. XXX : 8» e.a. (t. a. p. blz. 663).
-ocr page 22-
12
mond, ook wat door het hoofd is gedacht — dit geldt met
name op religieus gebied. Gewis: „Een grond aan te wijzen
voor den diepsten grond van alle dingen, dat is een onge-
rijmdheid" *). Maar het is eveneens een ongerijmdheid, een
hartkwaal te behandelen als ware het een hersenkwaal, al
kan ook deze een gevolg van de eerste zijn. Op de diagnose
komt het altoos aan 2); en de rechte diagnose, en ook de
rechte medicijn, op religieus en ethisch gebied — het is de
bijbel, die ons hier den weg wijst 8). Ware de godloochening
enkel of in de eerste plaats het gevolg van verkeerde of
\') Gunning: Blik/een in de Openbaring, II, blz. 16. Van «de zoo-
genaamde bewijzen voor bet bestaan van God» wordt (I, blz. 262)elders
terecht gezegd, dat ze hun «blijvende waarde hebben, indien men ze
beschouwt als pogingen om met het verstand te bemachtigen, wat toch
reeds in het hart leeft». Maar wat niet reeds in het hart leeft, geljjk
het immers is bij den atheist, hoe kan dan ook het verstand het bemach-
tigen? Alle zoogenaamde bewijzen blijven altoos een prêcher les convertis.
*) «Unser Denksystem ist immer nur die Geschichte unseres Herzens»
(ik meen dat het van richt e is). Daarmede komt, dunkt mij, ook het
volgende overeen: «Der Grundsatz, der Locke zugeschriebenwird,obgleich
er aus einer viel früheren Zeit stammt: nihil est in intellectu quodnon
ante fuerit in sensu,
den man übersetzen kö\'nnte: on ne pense que ce
qu\'on a senti,
ist die Wahrheit, wenngleich nicht die ganze Wahrheit.
Ich habe dagegen einzuwenden, dass der Satz etwas mythologisch klingt,
indem er die Vorstellung hervorruft, als gebe es zwei Kammern, die eine
Sinn, die andere Intellect genannt, als wanderten die Objecte aus der
einen in die andere. In Wirklichkeit soll es besagen, dass ohne Sinn der
Intellect nichts zu thun haben würde, oder wenn wir Kant\'s Ausdrucks-
weise vorziehen: der Intellect ohne Sinn würde leer sein, wie der Sinn
ohne Intellect blind». Max Muller: Das Denken im Lichte der
Spraclie,
blz. 19.
s) Gaarne betuig ik hier rapé instemming met Dr. van Dijk, als
hij zegt «dat de Bijbel ons normatief moet zijn» ook «op religieus en
ethisch terrein» (t. a. p. blz. 23, 26).
-ocr page 23-
13
gebrekkige redeneering, wij kunnen er staat op maken, dat
God, die ook zijn eigen Zoon niet gespaard heeft om dwalenden
terecht te brengen, het aan geen klemmende syllogismen
zou hebben laten ontbreken om den tegenspreker te over-
tuigen. Maar nu, omdat het kwaad dieper zit, nu moet Hij
het anders doen , en bezigt Hij louter argumenta ad hominem.
D. w. z. oud-testamentisch uitgedrukt: „ de vreeze des Heeren
is het beginsel der wijsheid", of ook: „de goddelooze heeft
vele smarten, maar die op den Heer vertrouwt, dien zal de
goedertierenheid omringen" (Ps. XXXH : 10), of nog anders
uitgedrukt: „wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap
lief, maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig" (Spr. XII: 1),
en dit alles omgezet in een vermaning: „mijnzoon! verwerp
de tucht des Heeren niet, en wees niet verdrietig over zijne
kastijding" (Spr. III : 11). Wie wijsheid zoekt, moet de tucht
aannemen, en wel bepaaldelijk de tucht (*ww, de irxièsix, naar
de LXX) Gods, d. i. niet slechts de doctrina of institutio,
onderwijzing, maar de goddelijke terechtwijzing door inner-
lijke en uiterlijke bestraffende ervaringen. I. e. w.: het is de
tucht des Heeren, die den dwalende moet terechtbrengen *).
J) Over het rechte begrip van iD-ia zie Oehler: Theol. d. A. T7.,*
blz. 849. Leerzaam is wat hij dan verder zegt en aanwijst, dat de hier
bedoelde tucht begint met de nn jïn, d. i. de t überführende und rügende
Zurechtweisung» (in onze Statenvert. «bestraffing» of «kastijding»), van
TTJïn = My%»i*. Dit komt in den regel dan ook in laatstgenoemden zin
voor in O. en N. T. (b.v. Spr. III : 11 en vele malen elders; Hebr.
XII : 5; Joh. III : 20 ; Ef. V : 11,13. e. a.) Evenzoo het subst. éto7Xt
(slechts tweemaal in het N. T.); 2 Tim. III : 16 is het «wederlegging»;
en Hebr. XI : 1 is het «bewijs», niet in den zin van bewijsvoering,
maar van bewezen zijn, weerlegd of overtuigd zijn (zooals de Syn. vert
dan ook terecht heeft), hoewel niet moet voorbijgezien worden, dat zelfs
-ocr page 24-
14
Dat is, nieuwtestamentisch uitgedrukt (om het vele dat hier
zou moeten genoemd worden, samen te vatten in één kern-
woord, waarin alles ligt opgesloten): „zalig zijn de reinen
van harte, want zij zullen God zien" (Matth. V : 8).
§3.
De kenbaarheid Gods.
Uit het feit der zelfopenbaring Gods volgt van zelf,
dat Hij kenbaar is, m. a. w. dat het mogelijk is voor
den mensch Hem te leeren kennen. Uitdrukkelijk ge-
tuigt de Schrift daarvan dan ook vele malen, en aan
het kennen van God hecht zij het uitnemendst gewicht.
Als de klassieke uitdrukking voor hetgeen hier bedoeld
is, mag worden aangemerkt: lietgeen van God kennelijk
is
(Hom. I : 19). Dit kenbare van God, eenerzij ds be-
paald door de mate zijner zelfopenbaring, is andrer-
zijds bepaald door de menschelijke beperktheid. Zoowel
het een als het ander brengt noodwendig altoos het
„kennen ten deele" met zich, maar zóó dat door de
beperktheid en onvolkomenheid onzer Godskennis, voor-
zoover deze gegrond is op de zelfopenbaring Gods
ook hier deze subjectieve zijde, het overtuigd zijn, alleen door de verbin-
ding met \'i*Ti Si iriurm zich er aan kan vasthechten. Het is dus ook hier
inderdaad allereerst iets objectiefs, nml. eene van het onzienlijke uitgaande
weerleggende of overtuigende werking, maar welke het geloof in zich op-
genomen heeft, en die alzoo tot overtuiging, subjectief overtuigd zijn,.
geworden is.
-ocr page 25-
15
naar het getuigenis der H. Schrift, toch niets wordt
te kort gedaan aan de objectieve werkelijkheid en
waarheid van haren inhoud.
1. Bij hetgeen met dit onderwerp ter sprake komt, laten
wij natuurlijk alle filosofische theoriën voor hetgeen zij zijn,
het agnosticisme incluis. Want op ons terrein is het alleen
de vraag: wat zegt dienaangaande de bijbel? Kan demensch
God leeren kennen, en zoo ja, in hoeverre?
Lang behoeven wij voorzeker niet stil te staan bij het
eerste gedeelte dezer vraag, want het is nauwlijks denkbaar,
dat iemand zou kunnen meenen, met den bijbel ter hand
niet in beslist bevestigenden zin daarop te moeten antwoorden.
Zoodra daar toch sprake is van Gods-openbaring, op welke
wijze en in welken zin dan ook, is daarmee zoowel gezegd
dat God van zijne zijde zich niet voor den mensch verborgen
heeft gehouden als ook aan \'s menschen zijde de mogelijkheid
gesteld om Hem te leeren kennen. God te kennen, Hem te
leeren kennen, ziedaar dan ook inderdaad de strekking van
alle Godsopenbaring onder het Oude en onder het Nieuwe
Verbond. Ik noem hierbij geen teksten; ze liggen maar voor
het grijpen. Genoeg is dit ééne: wat als het hoogste en beste
is voorgespiegeld onder het oude Verbond, nml. den Heer te
kennen (Jer. XXXI : 34), de vervulling daarvan maakt mede
den roem uit van het Nieuwe (Hebr. VIII : 11), en Hij, die
dat heeft mogelijk gemaakt, heeft de rechte kennis van God
op ééne lijn geplaatst met het eeuwige leven (Joh. XVII : 3).
Hieraan valt dus niet te twijfelen: volgens de Schrift is
het mogelijk God te kennen, en is dit kennen ook iets van
het uitnemendst belang.
-ocr page 26-
16
2. Maar in hoeverre is dat mogelijk? Natuurlijk alleen in
zooverre als God zich geopenbaard, d. i. zich kenbaar en be-
kend gemaakt heeft. De schriftuurlijke uitdrukking daarvoor
is gegeven in de formule ro yvuarov tóv 9-«ü (Rom. I : 19)
„hetgeen van God kennelijk" of „kenbaar is" J). Het spreekt
van zelf, dat dit kenbare van God ten allen tijde bepaalden
beperkt is allereerst door de mate zijner zelfopenbaring, m.
a. w. door hetgeen God in bepaalde tijden en in bepaalde
kringen der menschenwereld aangaande zichzelf geopenbaard
of kenbaar gemaakt heeft 2). Reeds daarom is en blijft alle
\') Zóó toch meenen wij ro yvua-rov te moeten blijven opvatten en ver-
talen en niet zooals anderen willen: «wat van God bekend is», zooals
ook de Vulgaat vertaalt «quod notum est Dei», en ook niet, metLuther:
«dass man weiss, dass Gott sei». Tholuck o. a. heeft het overtuigend
aangetoond (in zijn Comm.). en niet minder duidelijk van Hengel (In-
terpr. Ep. Pauli ad Rom.), die, wat de wezenlijke beteekenis betreft, ten
slotte tot dezelfde conclusie komt met deze woorden: «Ita hoc loco
yvoittov vertendo reddere oportet quod notum vel cognitum est, sed illud
explicari debet: quod ad communem hominum notitiam perlatum est,
seu aliis verbis: quod ab omnibus cognosci potest». Inderdaad, zooals
hij verder zegt, kan \'t niet anders, èn wegens vs. 21, 25, 28, èn vooral
ook wegens het naastvolgende Qmtfóv In» lv ahroit, «quod plane delirantis
est, si praecedit propositio cognitionis eunctis hominibus communis».
s) Zeer terecht is het opgemerkt door Weiss (Meyer\'s Comm.\' ad
Rom. I : 19), die zich ook verklaart voor de gewoone opvatting: kenbaar:
«Die beschrankende Bestimmung, dass es sich nur um das handelt, was
von den Menschen überhaupt (auf Grund der allgemeinen Naturoffenbarung)
erkannt wird, und nicht um das, was erst durch die Heilsoffenbarung im
Alten oder Neuen Bunde kundgethan wird, ist bei beiden Fassungen noth-
wendig und durch den Zusammenhang mit dem Folgenden von selbst
an die Hand gegeben.» Minder juist acht ik wat hij elders zegt: «Paulus
geht davon aus, dass die Heiden ursprünglich die Erkenntniss Gottes
gehabt haben»; maar wel is het goed gezegd, dat hij hier, wat hij van
de heidenen zegt, hun toekent «auf Grund einer Gottesoffenbarung, welche
ihnen das für sie Erkennbare, das was sie auf ihrem Standpunkte von
-ocr page 27-
17
kennis van God altoos betrekkelijk. Want zoomin als God
volstrekt onkenbaar is, of ook „een onbekende God" gebleven
(Hand. XVII : 23), is Hij in volstrekten zin kenbaar. Ook
van de Godskennis, welke de vrucht is van de hoogste en
meest onmiddellijke Godsopenbaring onder het O. V.J), wordt
het betrekkelijke getuigd (Ex. III : 13, 14; XXXIII: 20, 23),
en zoo in het algemeen ook van die uit later tijd (b.v. Job
XI : 7—9; XXXVI : 26; Ps. CXLV : 3; Jes. XL : 28).
Dit blijft ook waar onder het N. V. Wel is in Christus de
voltooide Godsopenbaring gegeven \'), en hebben wij in deze
aardsche bedeeling geen hoogere te wachten; maar daarmee
is niet gezegd, dat God in volstrekten zin nu reeds door ons
kan gekend worden. Het duidelijkst is dat uitgesproken door
Paulus; niet alleen 1 Cor. U : lli („Deus est unus, sibi uni
notus", zóó parafraseert Bengel op zijne kernachtige wijze in
zijn Gnomon), maar vooral ook 1 Cor. XIE : 9, 10, 12. Onze
kennis, ook onze Godskennis blijft hier stukwerk (èx pépovs),
wat eenmaal zal ophouden als het volmaakte zal gekomen
zijn. Wij kennen God alleen in zijne openbaring, m. a. w.
alleen in de openbaringszijde van zijn wezen, niet zooals Hij
is in en op zichzelf. Het laatste is uitgedrukt in het Johan-
neïsche „God is licht" (1 Joh. I : 5), het andere in „God is
liefde\'\' (1 Joh. IV : 8). Ik deel enkele zinsneden mede uit
een voortreffelijk stuk Bijbelsche Godgeleerdheid, dat hierop
betrekking heeft 3). Beter kan het niet gezegd en uit de
dem Wesen Gottes erkennen sollten, kundgethan nat.» Bibl. Theol. d.
N. T.\\
blz. 251.
\') Vrgl. mijne Prolegomena, § 21.
*) t. z. p. § 22.
3) E. H a u p t: Der erste Brief des Johannes. Mn Beitrag xur
biblischen Theologie
1869. Het boven gerefereerde is te vinden op blz.
2
-ocr page 28-
18
Schrift toegelicht worden dan het gedaan is in de volgende
conclusie en hetgeen daaraan voorafgaat. „Wenn also Gott
Licht genannt wird ... damit ist mehr ausgesagt als irgend
eine einzelne Eigenschaft Gottes. Alle Eigenschaften ergeben
addiert noch lange nicht das "Wesen Gottes selber; sie sind
nur einzelne Modalitaten, Ausstrahlungen oder Formen seines
Wesens: ihnen allen liegt das Wesen Gottes zu Grunde als
der Quell, aus dem sie fliessen, und dieses sein Wesen, die
Srelx (póa-ig, Urgrund seines Seins ist es, den Johannes mit
<püg bezeichnet.... Wenn wir durchweg uns vor Augen zu
halten haben, dass mit dem Worte <p«s... das Wesen
Gottes selbst angegeben werden soll, so versteht es sich,
dass wir mit menschlichen Begriffen dieses Wesen nicht
ausdenken und klar machen können ... Alle Aussagen über
göttliche Dinge gehn ja zwar über menschliches Verstand»
niss hinaus, sind aber desshalb nicht inhaltsleer, — nur
dass wir nicht ihren vollen Inhalt fassen können ... Das
Weitere, dass dieses metaphysische Wesen Gottes nicht
als Summe einzelner Eigenschaften sondern als Substanz
und zwar als Urbild des Lichts, wovon alles irdische Licht
das Nachbild ist, zu denken ist, das übersteigt menschliche
Fassungskraft. Aber auch das ist ein Gewinn, dass wir
wissen, dass solch Urgrund, solche Substanz in Gott ist,
aus der alle seine Eigenschaften fliessen, und zwar so,
dass sie am treffendsten mit dem Worte cpü? bezeichnet
wird, wenn wir auch nicht wissen, wie sie zu denken ist...
Es giebt eben zwei Arten des Nichtwissens, das von dem
26—29 van genoemd werk, in zijn geheel een schoone en uitnemende
«Bprage», de kennismaking waarmede, mij dunkt, niemand berouwen zal.
-ocr page 29-
19
Dasein eines Gegenstandes und das über die Beschaffenheit
desselben, und dies ist ein grosser Fortschritt jenem gegen-
über. Öo ist es auch ein Grossefs, dass wir wissen, in Gott
sei ein Wesensgrund, welcher Licht zu nennen ist, obwohl
wir nicht wissen, wie wir uns das zu denken haben."
Inderdaad, het metaphysisch wezen Gods gaat alle mensche-
lijke voorstelling, denkkracht, kennis te boven. Maar dat
moge zoo zijn, het doet toch niets te kort aan de objectieve
werkelijkheid en waarheid van den inhoud onzer Godskennis,
voorzoover deze gegrond is op de zelfopenbaring Gods naar
het getuigenis der H. Schrift. Het onvolkomene, het beperkte,
het kennen ten deele sluit geenszins het onware, het on-
wezenlijke, het bedrieglijke in. God is de God der waarheid,
de Waarachtige, en Hij is dus ook zooals Hij zich openbaart.
Al de levensuitingen Gods, waardoor Hij van een of andere
zijde zich heeft kenbaar gemaakt aan den mensch, en die
Hij zelf ons heeft verstaanbaar gemaakt door hen die als
levende organen der Godsopenbaring moeten worden aange-
merkt \')i zÜn het middel om ons op te leiden niet tot een
schijnbare of ingebeelde, maar tot wezenlijke kennis van God;
ze brengen niet wat men noemt een Godsbegrip, maarGods-
kennis *)\\ want ze zijn niet zoovele ledige omhulsels, in-
kleedingen of zinnebeelden, maar werkelijke openbaringen,
onthullingen van het wezen Gods. Om slechts dit ééne, maar
het allerhoogste te noemen: in Christus is de liefde Gods
jegens ons openbaar geworden (êQxvspuby, 1 Joh. IV : 9) —
l) Zie mijne Prolegomena.! 8 en 9.
*) Een treffelijk stuk over «Het kennen van God volgens de boeken
des 0. V." is dat van J. J. P. V a 1 e t o n jr. in Theol. Studiën 1889,
blz. 1—38.
-ocr page 30-
20
welnu, zoo weten wij dan ook, dat God liefde is (vs. 8,16),
en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren, en kent
God (vs. 7).
§ 4.
De naam Gods.
Van zeer uitnemend belang tot recht verstand van
de bijbelsche leer aangaande God is een juist inzicht
in de beteekenis van den naam, waarmede Hij genoemd
wordt. Naar het Oude zoowel als naar het Nieuwe
Testament is de naam Gods altoos de uitdrukking van
hetgeen, krachtens zijne zelfopenbaring, van Hem ken-
baar gebleken is, m. a. w. de uitdrukking van het
geopenbaarde wezen Gods, voorzoover dit bekend ge-
worden en erkend is. Kort gezegd: de naam Gods is
niet slechts een titel, die willekeurig Hem wordt toe-
gekend, maar de beschrijving van \'smenschen Gods-
kennis in een of ander opzicht, op grond Zijner open-
baring.
1. Wij spreken hier over „den naam" Gods, nog niet over
de namen Gods (waarover de volgende § handelt). Het is
noodig, dat te onderscheiden. Want voordat met vrucht over
deze laatsten kan gehandeld worden, d. i. over de onder-
scheidene benamingen die in den bijbel aan God gegeven
worden, moeten wij ons duidelijk maken de beteekenis van
den naam, d. i. van het feit dat God ook namen heeft. Wij
kunnen de namen Gods o ja wel etymologisch of taalkundig,
-ocr page 31-
21
maar niet in hun diepen, geestelijken grond, niet in hun
diepe beteekenis en waarheid verstaan, indien wij ons vooraf
geen rekeDschap gegeven hebben van \'t geen in het algemeen
een naam van God wil uitdrukken, d. i. van den naam in
zijn absolute beteekenis.
De naam in \'t algemeen, en inzonderheid de naam Gods,
is volgens de H. Schrift altoos van groote beteekenis. Hij is
niet iets conventioneels, toevalligs of willekeurigs, maar hij
houdt rechtstreeks verband met het voorwerp, dat er door
wordt aangegeven; dat voorwerp moet hij kenbaar maken,
of liever: hij moet de uitdrukking zijn van \'t geen men er
van heeft leeren kennen. Merkwaardig is dat ook reeds aan-
gegeven — men veroorlove mij deze kleine excursie — in de
beteekenis van het woord naam zelf. Het is Max Muller, die
het ons laat zien \'), dat namen oorspronkelijk niet, zooals
Locke wilde, willekeurig of toevallig gekozen klanken of
teekens zijn, maar de uitdrukking van de kennis, die men
van de dingen had opgedaan. Het Gr. Svoii», het Lat. nomen,
het Eng. name, het Fr. nomme, het Hoogd. Name, ons naam,
en ndman in \'t Sanskriet — \'t is alles één en \'t zelfde woord
voor \'t zelfde begrip. Daaruit blijkt, dat dit woord moet be-
staan hebben lang vóór den tijd dat de germaansche taaistam
zijn vertakkingen gevormd had als Sanskriet, Grieksch en
Latijn. Zoo ontstaat dus de vraag, of dit woord door de eerste
taalvormende Ariërs willekeurig, dan wel met overleg ge-
kozen werd. Welnu, onder het mikroskoop der vergelijkende
taaistudie blijkt, dat naam, Sanskr. ndman, is samengesteld
uit een wortel NA, oorspronkelijk GNA, weien, en een suffix,
(\') Das Denken im Dichte der Sprache, blz. 74, 75.
-ocr page 32-
22
dat oorspronkelijk een werktuig of eene werkzaamheid aan-
duidt, zoodat „naam" oorspronkelijk beteekent: dewerkzaam-
heid of het werktuig van het weten.
„Dies war der ursprüngliche,
in Name verkörperte Begriff: nicht womit wir ein Ding
nennen, sondern was wir von einem Dinge erkennen ... "Wer
immer zum ersten Male Worte Namen nannte, wusste, dass
ein Name das, was man von einem Dinge erkannte, ausdrückte.
Was für uns das Resultat sehr mühsamer Ueberlegung war,
dass wir namlich, wie Hegel sagt, durch Namen denken
oder wissen, scheint den früheren Sprachbildnern als eine
natürliche Einsicht gekommen zu sein, so dass die Sprache,
wenn nur richtig verstanden, uns die Lehre, dass wir in
Namen wissen oder in Worten denken, durch den fast tau-
tologischen Satz hatte geben können: (g)norninibus (g)noscimus,
im Sanskrit (g)ndmabhir ganimas\'" \').
En nu de bijbel? Inderdaad zegt hij op zijne wijze, d. i.
in schetsmatige plastiek, precies hetzelfde. Hij geeft bericht
van de eerste naamgeving. „Als de Heere God uit de aarde
al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels
gemaakt had, zoo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe
hij ze noemen zou" (Gen. II : 19). Om te zien, hoe hi/j ze
noemen zou —
wat is dat anders, dan dat de namen, waardoor
de verschillende dieren van elkander moesten onderscheiden
worden, de uitdrukking moesten zijn van den indruk, dien
de mensch van ieder afzonderlijk verkrijgen zou doorkennis-
name van hun kenmerkende eigenaardigheid, m. a. w. dat
hij ze eerst moest leeren kennen om ze daarna en daarnaar
\') Nomen (voor gnomen), van gnoscere (yvrf»), en noscere hangen dus
ook onmiddellijk samen.
-ocr page 33-
23
te noemen? >) En zoo is tevens daarin ook aangeduid de
macht, welke de mensch van God ontvangen had over de
aardsche schepping, zijne heerschappij over de dierenwereld
door de kennis, waarmede God hem had toegerust — want
in gezonden zin is het waar: „Kennis is macht". Wat men
noemen, door een naam beschrijven kan, dat kent men,
althans in eenig opzicht, van een of andere zijde. Daaren-
tegen het onbekende is ook naamloos, üvawfioi;, gelijk ook
voor de heidensche Atheners de onbekende God een God was
zonder naam, en gelijk alle afgoden der heidenwereld, al
worden ze ook genoemd met een of anderen naam, toch
eigenlijk naamloos zijn *), omdat hun naam niet de uitdruk-
king is van werkelijke kennis van God, maar het bewijs
van niet-kennen van God, zooals Paulus zegt: „dezen dan,
dien gij niet kennende dient" (Hand. XVII : 23).
2. Welnu, God is niet de onbekende gebleven, en dus ook
niet de voor den mensch onnoembare en naamlooze. Hij heeft
zich aan den mensch bekend gemaakt, en deze kan Hem
dus ook noemen; hij heeft een naam voor God, zóóals en
voorzoover hij Hem kent.
Wat nu is ten opzichte van den naam van God het eigen-
aardige in den openbaringsgodsdienst, waarvan wij de oorkonden
bezitten in het O. en N. Testament? Het is dit: dat hij hier
\') «Das Nennen oder Namengeben hat das Erkennen zur Voraussetzung».
Keil, Comm. Genesis ad 1.
*) In het Boek der Wijsheid wordt dan ook terecht gesproken van «de
dienst der naamlooze afgoden» $ rüv èmtipm M&totv dpiinuto (XIV: 27).
Immers «wjj weten dat een afgod niets is in de wereld» (1 Cor. VIII :
4) — ifimfm, een idool, een schijnbeeld, een beeld der fantasie, iets wat
niet bestaat.
-ocr page 34-
24
>
altoos de uitdrukking is van de eene of andere zijde van
Gods geopenbaard persoonlijk wezen, en niet, zooals in de
heidensche godsdiensten, de aanduiding van eene als godheid
verpersoonlijkte natuurkracht. Max Muller alweder *) heeft het
aangewezen, dat dit juist een oorzaak van polytheisme werd:
dat „das Nomen oder der Name zum Numen oder Daraon"
werd „ sobald man ihre ursprüngliche Bedeutung aus den
Augen liess", b.v. toen men, zeggende: „de storm (Marut)
waait, het vuur (Agni) brandt, het onderaardsche vuur(Vul-
canus) heft de aarde naar boven", datgene wat oorspronkelijk
nomen appellativum was, tot nomen proprium verhief, m. a. w.
toen men Marut, Agni, Vulcanus ging beschouwen als god-
heden, als numina, en niet meer als nomina van de godheid.
Wij mogen dit hier niet verder uitwerken. Dit alleen
wenschten wij te doen uitkomen, dat, in tegenstelling met
alle heidendom, in het Oude en in het Nieuwe Testament
de naam Gods wel altoos uitdrukking geeft aan hetgeen van
het geopenbaarde wezen Gods bekend geworden en erkend
is, maar nimmer aan eenige manifestatie Gods als ware zij
God zelf. Achter elke Gods-openbaring staat daar altoos God-
zelf; het nomen wordt nimmer numen, ook al wordt het
tot nomen proprium; het blijft altijd de uitdrukking niet voor
\'t geen God op zichzelf is, maar de „den menschen toegekeerde
zijde van het goddelijk Wezen" s).
\') In zijn prachtige Essay: der Semitische Monotheismus, waarin
hij tegenover den onzin eener theorie als van Eenan over «het Semiotisch
monotheïstisch instinct» de waarheid eener goddelijke openbaring «im
wirklichen Sinne jenes Wortes» met beslistheid handhaaft.
\') Dit laatste is eene omschrijving van O e h 1 e r: Theol. d. A. T.
blz. 189. Vrgl. ook diens Art. in Herzog\'s Keal.-Enc.1 X, blz. 197.
-ocr page 35-
25
3. Doch liever dan nog nader in abstracto hierover uit te
weiden, willen wij het toelichten met enkele voorbeelden.
Het kenmerkendst is wel Micha VI: 9, namelijk deze woorden:
„wijsheid is het, Uwen naam te zien", waarvoor onze Staten-
vert. den onverstaanbaren zin heeft: „want Uw naam ziet
het wezen", hoewel daar in de kantteekening gewezen wordt
op de betere vertaling, aldus: „de wijsheid zal Uwen Naam
zien, d. i. de wijze zal merken, dat Gij het zijt, dat het
Uwe woorden en werken zijn, en zich daarnaar reguleeren."
Dit is dan ook ontwijfelbaar het rechte \'). De zin is dus deze:
„wijsheid is het, te zien, te letten, op Uwen Naam", d. w. z.
wijs is hij, die acht geeft op de openbaringen en betooningen
van Uwen wil en van Uwe macht. De naam van God is
hier derhalve genomen voor \'t geen God van zich laat merken,
betoont, laat zien. •
Leerzaam is ook Ps. VIII : 2: „hoe heerlijk is Uw naam
op de gansche aaide", waarbij men lette op de tegenstelling
in het parallelisme: „Gij, die Uwe Majesteit gesteld hebt
boven de hemelen". Nml.: Gods majesteit, -rtn, de lichtglans
van Zijn wezen, is gesteld boven de hemelen; zij is hierbe-
neden niet onmiddellijk waarneembaar. Maar op de aarde is
zijn naam heerlijk, d. w. z. wat van Gods wezen hier openbaar
is, wat er van gezien en erkend wordt in de zichtbare schep-
ping, is heerlijk en prijzenswaardig.
\') Er staat: 1DB> ntfv rvtfini, waarvoor de LXX heeft **2 »•««/
Qopovfiévovi to \'ivo/tot ctbroO, alzoo het eerste woord aanziende als beteeke-
nende hulp, redding, terwijl onze St.-vert. het opvatten als wexen (»\',
xijn, van den ongebr. wortel n^). Beiden kan \'t beteekenen. Maar \'tbe-
teekent óók wijsheid. Het 2de woord is door de LXX verkeerdelijk afgeleid
van *o\\ vreexen, in plaats van, geljjk het wezen moet, van nxn, xien.
-ocr page 36-
26
Eveneens Ps. XX .* 2: „de naam van den God Jacobs zette
u in een hoog vertrek"; vrgl. Spr. XVIII : 10 : „de naam des
Heeren is een sterke toren". De naam Gods is daar blijkbaar
de zich openbarende God, Hij die voortdurend zich openbaart
en betoont in de werken Zijner almacht en getrouwheid als
„de God Jacobs", als „de Heer", Jehovah, de Onveranderlijke.
Genoeg, wat betreft het O. T. Men neme verder, zoomen
wil, de proef op de som, zoo menigvuldig als daar sprake is
van den Naam Gods. Nog slechts enkele aanduidingen. Lev.
XXIV : 11, 16: „Den Naam lasteren" = lastering van God
zelf, nml. zooals Hij zich aan Israël geopenbaard heeft als
Jehovah. Ex. XXIII : 21: „mijn Naam is in het binnenste
van hem" (nml. van den Maleach), d. i. in hem openbaart
God zich persoonlijk \'). Voorts: de openbaring van de heer-
lij kheid Gods in het heiligdom heet doorgaans een wonen van
zijnen naam aldaar (Deut. XII : 5, 11; XIV : 23; 1 Kon.
VIII : 29), en daarom heet de priesterlijke dienst aldaar een
„dienen in den naam des Heeren" (Deut. XVIII: 5, 7), d. i.
niet slechts, zooals het veelal oppervlakkig verklaard wordt,
„in göttlichem Auftrage" *), maar „als zijn vertegen wopr-
diger" *).
„Zoo is dus overal, waar God als persoonlijk tegenwoordig
erkend en zijne tegenwoordigheid ervaren wordt, Zijn Naam.
J) Zie mijne Prolegomena, § 12.
*) Aldus Knobel (Comm.).
\') «Der Name reprasentiert seinen Trager». «Wir werden nicht fehl
gehen, wenn wir in den meisten Fallen das 3 in Qbq als das 3 der
Begleitung nehmen... Die Vergegenwartigung Gottes etc, die der Name
ausdrückt, setzt die betr. Handlung oder Wirkung in Beziehung zuihm,
gründet sie auf ihn, daher haufig ««•\' hópan.» Cromer: Wörterb.
-ocr page 37-
27
Zijn Woord zendt Hij, maar waar Zijn Naam is, daar maakt
Hij zelf zich kenbaar. Daarom is ook Jer. XIV : 9 het „Uw
naam is over ons genoemd" slechts nadere verklaring van
het voorafgaande: „Gij zijt in ons midden". Welke realiteit
de naam Gods diensvolgens heeft, blijkt o. a. uit Jes. XXX:
27: „ziet, de naam des Heeren komt van verre", waar Jesaia
den Heer ten gerichte ziet naderen. De psalmist bidt (Ps.
LIV : 3): „verlos mij door Uwen Naam", het parallelisme
van het volgende „doe mij recht door Uwe macht" \').
Niet anders is het gelegen met het spraakgebruik van het
N. T. Wij hebben hier alleen te wijzen op het allerbelang-
rijkst getuigenis van Christus zelf, waarmede Hij aan het
einde zijner aardsche werkzaamheid, in het hoogepriesterlijk
gebed, de gansche taak van zijn leven en het groote doel
zijner komst in de wereld samenvat in dit ééne woord: „ik
heb Uwen naam geopenbaard aan de menschen, die Gij mij
uit de wereld gegeven hebt" (Joh. XVII : 6; vrgl. vs. 26)s).
Den Vadernaam openbaar en aanschouwelijk te maken in
en door zichzelf (itpavéparx), ziedaar inderdaad het ééne,
\') O e hl er: Th. d. A. T., blz. 190.
*) In eene verhandeling van Dr. Brandt, Theol. Tijdschrift (1891,
blz. 565—610) over «\'óvo/ux en de Doopsformule in het N. T.» wordt ook
gewezen op dezen tekst. «Het vierde Evangelie», zóó wordt er o. a. van
gezegd, «berust op de stelling, dat in Christus de heerlijkheid Gods is
verschenen rAtfrirc x*P\'r°s *a\' £*»*«/*«, dat is vol van die twee voornaamste
eigenschappen..., zoodat God door Jezus werd geopenbaard: wie hem
zag, zag den Vader.» Het komt mij voor, dat de geleerde schrijver, in-
dien hij wat daar gezegd is had vastgehouden, tot gansch andere resul-
taten zou gekomen zijn met betrekking tot de beteekenis van den «naam »
in den bjjbel en óók van de Doopsformule. Dat toch komt vrij wel overeen
met mijne beweering, dat de naam de uitdrukking is van het geopenbaarde
wezen.
-ocr page 38-
28
waarin alles ligt opgesloten wat gezegd kan worden van
\'sHeilands persoon en woord en werk hier op aarde, van
zijn komen in de wereld af tot het oogenblik zijner verheer-
lijking aan de rechterhand Gods, waarom Hij ook het recht
had te zeggen: „Wie mij gezien heeft, die heeft den Vader
gezien" (Joh. XIV : 9).
En ten slotte worde hier nog indachtig gemaakt aan de
Nieuw-testamentische formule, die getuigenis geeft van het
geopenbaarde wezen Gods: „de naam des Vaders en des
Zoons en des Heiligen Geestes" (Mt. XXVIII: 19). Dit echter
zij hier nog slechts voorloopig genoemd, met verwijzing naar
§ 9, waar afzonderlijk daarover zal gehandeld worden.
§ 5.
De namen Gods.
Met hetgeen ontwikkeld is in de twee voorafgaande
paragrafen is het ganschelijk in overeenstemming, dat
God in de H. Schrift met verschillende namen genoemd
wordt. Immers, is God niet dan in betrekkelijken zin
kenbaar, en alleen naar verschillende zijden van zijn
geopenbaarde wezen, dan is één naam niet toereikend
ter beschrijving van hetgeen van God kenbaar gebleken
is, terwijl ook die ééne naam, die de uitdrukking zou
moeten zijn van den vollen inhoud van het wezen
Gods, wederom de ontkenning zou in zich sluiten van
het betrekkelijke en onvolkomene onzer Godskennis.
Tot de rechte kennis van de bijbelsche leer aangaande
-ocr page 39-
29
God komen dus vóór alles in aanmerking de onder-
scheidene namen, waarmede Hij in de openbarings-
geschiedenis van Oud en Nieuw Testament genoemd
wordt.
Er behoeft nauwlijks aan herinnerd te worden, dat de
H. Schrift, sprekende over God, altoos den éénen God, den
God der openbaring, op het oog heeft. Over Gods eenheid
en eenigheid zal later door ons gesproken worden; maar nu
reeds moet daarop gewezen worden, om terstond te doen
uitkomen, dat de veelheid der namen Gods niets te kort doet
aan zijne eenheid. Zóó is het in \'t heidendom. Daar is het:
zooveel godsnamen zooveel goden, en zooveel goden zooveel
namen. Ziedaar het polytheisme. Daarentegen de openbarings-
godsdienst, naar bijbelsche oorkonde, is van het begin tot het
eind monotheïstisch. Ook hier ja verschillende namen, maar
altoos voor den eenen God.
Die verscheidenheid nu van namen voor den eenen God,
wel verre van verwondering te moeten wekken, ligtintegen-
deel geheel in den aard der zaak en is ook geheel in overeen-
stemming met de verhevenheid Gods. Ware er toch maar
één naam voor God gegeven, dan zou het er zulk een moeten
zijn, die volledig en volkomen uitdrukte wie Hij is, en dit
zou dan alleen mogelijk zijn wanneer God voor ons kenbaar
ware in volstrekten zin. Juist de verscheidenheid der bijbel-
sche Godsnamen geeft te kennen, dat daarbij slechts sprake
kan zijn van de openbaringszij den van het goddelijk wezen,
en wel met name in zijne betrekking tot de geschapen wereld,
inzonderheid tot den mensch.
Op tweeërlei wijze nu wordt God in de Schrift met name
-ocr page 40-
30
genoemd. Het geschiedt namelijk of door algemeene bena-
mingen (nomina appellativa) voor de godheid in het algemeen:
Steg (al wat als godheid aangezien en vereerd wordt, ook in
het heidendom; b.v. Hand. XII : 22; XVII : 23; XXVIII :
6. Voor het O. Tlsch spraakgebruik zie de volgende §, onder
Elohim), ro Srüov (Hand. XVII : 29), &«rfn« (Rom. I : 20);
öf door bijzondere, d. i. door zulke benamingen waardoor de
God der heilsopenbaring, de ware en eenige God, wordt
aangeduid, zoodat Ssó? wordt 5 §eó<;, en dit de gelding krijgt
van een nomen proprium.
In welke benamingen nu de kennis van den eenig-waar-
achtigen God (\') uitdrukking gevonden en zich vastgezet
heeft in O. en N. T., ziedaar wat thans nader moet worden
aangewezen.
§ 6.
Elohïm.
Elohim — afgeleid hetzij van een ongebruikelijken
stam dix, hetzij van een ongebruikelijken stam W —
moet, etymologisch beschouwd, óf het denkbeeld van
hetgeen te vreezen is, öf dat van sterkte of macht uit-
\') In Joh. XVII : 3 is to» jxtfvov i^iivov sti» niet te vertalen: «den
eenigen, waarachtigen (of: waren) God», maar: «den eenig-waarachtigen
God», zoodat pivov adverbialiter te nemen is. Lnther treft de bedoeling
goed: «dass du allein wahrer Gott bist», \'t Is niet de eenigheid en de
waarachtigheid Gods, die hier bedoeld zijn, al sluit het laatste ook het
eerste in, maar dit is de bedoeling: «U die alleen waarlijk God zrjt».
Vrgl. 1 Cor. VIII : 4, 5, en Gal. IV : 8.
-ocr page 41-
31
drukken. Het is oorspronkelijk een echt meervoud,
maar wordt gewoonlijk als enkelvoud gebezigd, in den
zin van de te vreezen macht, en het is steeds een nomen
appellativum,
en diensvolgens ook van andere goden
dan den eenig-waren God in gebruik gebleven, waarbij
echter moet in het oog gehouden worden, dat het
polytheïstisch begrip van Elohïm in het O. T. altoos
beslist wordt afgewezen. Zeer dikwerf evenwel wordt
in de boeken des O. Verbonds de naam Elohïm, met
of zonder het artikel, gegeven aan den eenig-waarach-
tigen God, en neemt hij in zoover het karakter aan
van een nomen proprium.
1. Laat mij beginnen met te zeggen, dat de tekst van
deze § met eenige wijziging door mij is overgenomen uit de
„tweede, geheel omgewerkte uitgave" van K u en e n\' s Histo-
risch-crilisch Onderzoek
\'). In hoeverre ik daarvan afweek,
kan men des verkiezende gemakkelijk nagaan.
\') Deel I, blz. 57. Het zij mij vergund, ook mijnerzijds denagedach-
tenis van dien geleerde, ondanks principieel verschil, mede hierdoor te
willen eeren, dat ik hier opmerkzaam maak op de niet onbelangrijke
wijziging, welke de 2ie uitgave ook op dit punt ondergaan heeft. In de
l8te toch (1861) staat het zóó: «Hoe de pluralis verklaard moet worden;
of daardoor het abstractum (eig. res tremendae, dan, geheel onbepaald,
numen tremendum, de godheid) wordt aangeduid, of het een pluralis
majestaticus
is, dan wel een werkelijk meervoud, een overblijfsel alzoo
van een vroeger polytheisme, laat ik in het midden.» In de 2de (1885)
is dat geworden: «oorspronkelijk een echt meervoud, dat de voorwerpen
van \'smenschen vrees, de hoogere wezens, aanduidde, doch gewoonlijk
als enkelvoud gebezigd, in den zin van de hoogere macht, is steeds een
nomen appellativum en diensvolgens ook van andere goden dan Jahwe
-ocr page 42-
32
Waar wij trachten duidelijk te maken de bijbelsche leer
aangaande God, en wel zooveel mogelijk met inachtneming
van den historisch-genetischen weg, daar meenen wij het
best te doen, ons uitgangspunt te nemen van de benaming
Elohim. Niet alleen omdat dit woord de meest gewone, maar
omdat het ook de meest algemeene benaming voor de godheid
is in het O. T. Geheel de grondbeschouwing van het O. T.
over God is om zoo te zeggen saamgetrokken in de beide
namen Elohim en Jehovah. In deze twee is het lsraëlietisch
Godsbewustzijn afgedrukt als een algemeen en een bijzonder.
Het algemeene is uitgedrukt in Elohim en in de verschillende
benamingen, die daarmede samenhangen en daaromheen zich
als \'t ware groepeeren. Want het is geen wezenlijke eigen-
naam voor God (zooals blijken kan èn uit de waarschijnlijke
etymologie èn uit het gebruik in het O. T.), maar het is
eigenlijk een appellativum, de algemeene benaming voor de
godheid, de uitdrukking van de gods-idee, en het krijgt eerst
de kracht en beteekenis van het nomen proprium, wanneer
het gebezigd wordt van den eenig waren God.
in gebruik gebleven.» Men ziet: hier is, wat de l8te in het midden liet,
niet meer in het midden gelaten, en met name is de, trouwens beslist
verkeerde, conclusie die daar getrokken werd uit de onderstelling van
«een werkelijk meervoud», te weten: «een overblijfsel alzoo van een
vroeger polytheisme», thans — met ingenomenheid mag het geconstateerd
worden — geheel uit het midden weggenomen. Hiermede wil ik echter
niet beweeren, dat Kuenen is teruggekomen van wat hij schreef in 1869
(De godsdienst van Israël, I, blz. 222) «de godsdienst van Israël was
aanvankelijk polytheisme», en dat hij derhalve in 1885 geen «vroeger
polytheisme» meer als Israëls godsdienst onderstelde, om het monotheisme
eerst met de profeten te laten opkomen. Ik weet het niet, al acht ik
het wel waarschijnlijk dat hij er niet van is teruggekomen. Zeker niet
in 1882; zie zijn Volksgodsdienst en Wereldgodsdienst, blz. 268, vv.
-ocr page 43-
»
33
2. Bij het etymologisch vraagstuk houden wij ons niet lang
op. Want bet is wel niet zonder Beteekenis, doch het is
noch beslissend noch beslist. Wel is het zonder tegenspraak,
dat Elohïm, wat den vorm betreft, een echt meervoud is;
maar of het enkelvoud El (en hiermede wéér het enkelvoud
Elóah) rechtstreeks er mede verwant is (zie § 7), daarover
zijn de geleerden het nog niet eens. Zoo ja, en komt het
dus, evenals waarschijnlijk El, van Vin, sterk zijn \') (zooals
Gesenius, Ewald, H. Schultz, e. a. volhouden), dan ligt er
de beteekenis in van sterkte, macht. Komt het daarentegen,
evenals zijn enkelvoud Elóah (waarvan het toch ook weerde
vraag is, of dit wederom verwantschap heeft met El), van
«ï»t, dan is het denkbeeld van vrees of schrik er in uitgedrukt.
Aldus wordt door velen beweerd (Kuenen, Delitzsch, Keil,
v. Hofmann, Oehler e. a.). Oehler\'s gevoelen komt hierop
neer: in El is de macht uitgedrukt, in Elóah (het enkelv.
van Elohïm) de indruk der macht, en dit laatste is dus „die
Grauen erweckende Macht"; hij voegt er de volgende treffende
opmerking bij: „Wenn der Epikuraismus den Satz: timor
facit Deos aufstellt, so kehrt durch diesen Gottesnamen sich
die Sache um: der Reflex, welchen die Gottesidee in das
menschliche Bewusstsein wirkt, ist eben der der Furcht,
des Grauens, und es ist dies für die primitive Gestalt der
Keligion bei dem sündigen Menschen charakteristisch"2). In-
derdaad, vrees alleen maakt nog geen godsdienst; de indruk
van een macht, waarvoor men vreest, moet er bijkomen.
Ook dit echter, of welke overweging dan ook op het gebied
") Vrgl. echter § 7.
J) Theol. d. A. T., blz. 133.
3
-ocr page 44-
«
34
der wijsbegeerte van den godsdienst, kan ons niet helpen
tot zekerheid in een \'etymologisch vraagstuk. Doch ik acht
dit ook niet van overwegend belang. Elohïm (en de daarmee
al dan niet verwante benamingen El en Elóah) moge dan
willen uitdrukken de macht, of de vrees, of misschien ook
de te vreezen macht — in den grond der zaak komt het op
hetzelfde neer, aangezien toch de indruk van vrees en de
daaruit voortvloeiende handeling der vereering weer het begrip
van macht veronderstellen, en omgekeerd een macht die men
vereert ook weer den indruk gemaakt heeft van een ontzag-
wekkende
macht.
3. Van meer belang is het gebruik, dat van de benaming
Elohïm gemaakt wordt in het O. T. Het enkelvoud is Eloah,
dat echter vergelijkenderwijze slechts zeldzaam, en dan alleen
maar in de poëtische litteratuur en enkele malen in de latere,
onder arameeschen invloed staande geschriften voorkomt x).
Uit het bestaan nu van dat enkelvoud heeft men willen be-
sluiten tot het oorspronkelijk polytheistisch begrip van Elohim
onder Israël. Immers, zoo wordt gevraagd, hoe kon men nog
behoefte hebben aan een singularis, terwijl de pluralis, Elohïm,
reeds gebruikt werd ter aanduiding van één God? Aldus
Baudissin 2). Hij zegt: „Wenn einmal qtiSn zur Bezeichnung
Eines Gottes gebraucht wurde, so war garnicht das Bedürf-
niss der Singularform vorhanden." Schijnbaar is dat juist.
\') Volgens Nestle komt de jongere singularis Eloah 57 maal voor,
daarentegen Elohïm 2570 maal: «Von diesen 57 Pallen kommen auf
Hiob 41; Psalmen 4; Daniel 4; Habakuk 2; DeuL (Lied Mosis) 2; Pro-
verbien, Chronik, Nehemja, Deuterojesaiasje 1». Zie Baethgen: Beitrage
zur semitischen Beligionsgeschichte,
blz. 297, en de verdere belangrijke
daar gemaakte opmerkingen.
\') Studiën zur Semit. Beligionsgesch. L blz. 55 w.
-ocr page 45-
35
Edoch — zóó wordt, mijns bedunkens zeer terecht, daarop
geantwoord — naar die opvatting van Baudissin moet er
dan ook een tijd zijn geweest dat Elohïm nog niet gebruikt
werd ter aanduiding van één God, zoodat daaruit dan de
behoefte aan een singularisvorm te verklaren ware. Maar dat
is niet het geval; want de pluralisvorm Elohïm is, zoover
wij in de geschiedenis van dit woord teruggaan en die kun-
nen naspeuren, van den beginne af óók ter aanduiding van
één enkelen god in gebruik geweest l). Inderdaad is dat zoo,
wat trouwens ook door Baudissin niet geloochend wordt, en
ook door niemand met eenigen grond geloochend worden
kan 2). Wel is het zeker, dat Elohïm óók gebezigd wordt ter
aanduiding van de heidensche godheden in het algemeen
{overbodig is het, hierbij tektsen te noemen; men kan ze,
van Ex. XVIII : 11 af, bij tientallen vinden door schier alle
boeken van het O. T. heen), maar even zeker is het, dat
hetzelfde meervoud de benaming is, behalve voor den éénen
waren God, voor den een of anderen heidenschen godafzon-
•derlijk. B.v. Kamos, de god der Moabieten (Richt. XI : 24);
Dagon, de god der mannen van Asdod (1 Sam. V : 7);
Astoreth, de god der Zidoniërs (1 Kon. XI : 5); Baal-Zebub,
de god van Ekron (2 Kon. I : 2, 3, 6, 16), om niet meer te
noemen — deze allen heeten Elohïm. Ja zelfs heet het gouden
kalf Elohïm (Ex. XXXXII : 4, "8), en - wat niet zonder be-
\') Aldus Baethgen, t. a. p. blz. 132 vv.
\') De redeneering loopt dus rond in dezen vicieusen cirkel: de vorming
van een enkelvoud, Elóah, onderstelt de behoefte om te ontkomen aan
de polytheistische beteekenis van het meervoud, Elohïm; en de polytheis-
tische beteekenis van het meervoud onderstelt de behoefte aan de vorming
van een enkelvoud.
-ocr page 46-
36
teekenis is — het werkwoord, dat daarmede verbonden is
(„die u opgevoerd hebben", •p\'wn), staat ook hier in het meer-
voud, waaruit ontegenzeglijk blijkt, dat de constructie met
het meervoud van het bijbehoorend werkwoord op zichzelf
volstrekt niet bewijst, dat met Elohïm meerdere goden be-
doeld zijn, daar hier toch sprake is van niet dan één enkelen
afgod, voorgesteld door het ééne gouden kalf \'). In den regel
staat het werkwoord bij Elohïm in het meervoud, wanneer
daar sprake is van heidensche goden, daarentegen met weinige
uitzonderingen in het enkelvoud, wanneer het de benaming
is voor den éénen waren God 2); doch ook die uitzonderingen
(evenals de weinige, waar het adjectief in het meervoud
staat bij Elohïm als den éénen waren God) zijn gemakkelijk
uit het verband tè verklaren als eene constructio ad sensum.
Dit staat, ondanks alle tegenspraak van zoovelen die ook
oud-Isiaëls godsdienst willen kneden en buigen naar hun
aprioristische evolutietheorie, boven allen twijfel vast: reeds
het ééne woord Elohïm weerspreekt hen in het aangezicht,
en het zal nimmer gelukken, het getuigenis van dat ééne
woord, ingeweven in het gansche Oude Testament van het
bsgin tot het eind, krachteloos te maken of te ontzenuwen:
Oud-Israëls polytheisme, anders dan als schuldige verbastering
en ontaarding van een volk, tot welks vaderen God als de
eenig waarachtige voortijds vele malen en op velerlei wijze
door de profeten gesproken had, is eenvoudig een fictie. 8).
\') Zeer terecht is daarop gewezen door Baethgen, t a. p. blz.l37>
en reeds vroeger door Steudel: Vorlesungen über die Theol. d.A. T.,
blz. 141.
*) Vrgl. b.v. 1 Kon. XIX : 2 met 1 Kon. II : 23.
3) De evolutietheorie is een filosofema, overgedragen op theologisch
gebied door de school van Wellhausen c. s. Maar «Wellhausen selbst hat.
-ocr page 47-
37
Voorloopig is er nog alle reden om ons te houden aan Gods
getuigenis tot Israël reeds in het lied van Mozes, waarvan
ons bericht gegeven wordt in een boek, dat in Josia\'s tijd
moge zijn teruggevonden, maar gewis niet toen eerst gefa-
briceerd is: „ Ziet nu, dat Ik, Ik Die ben, en geen Elohïm
met mij" (Deut. XXXII : 39).
4. Ten slotte hebben wij ons nog rekenschap te geven van
den pluralisvorm op zichzelf. Het is niet vreemd, dat hij op
zeer verschillende wijze verklaard wordt. Reeds maakten wij
kennis met de meening dat Israëls godsdienst aanvankelijk
polytheïstisch was. Welnu, tot staving van dat gevoelen
wordt veelal ook een beroep gedaan op het meervoudig Elohïm.
Zóó (behalve wat wij reeds hoorden van Baudissin) om geen
anderen te noemen, Kuenen, als hij zegt: „ nimmer zou
Jahveh als het ware Israëls bijzonder eigendom zijn geworden
en uitsluitend in Kanaan zijne woonplaats hebben gekregen,
indien hij van den aanvang af als de eenige waarachtige God
gegolden had.,. Ook de naam Elohïm komt hier in aanmer-
king. De profeten gebruikten dien, in spijt van den meer-
voudigen vorm, om den éénen Jahveh aan te duiden. Wij
mogen dus aannemen, dat die vorm eene verklaring toeliet,
met Jahveh\'s eenheid niet volstrekt in strijd ... Wanneer de
(Proleg. 8, I) den zur Evolutionstheorie herzlich schlecht stimmenden
Aussprueh gethan: ««Wie das Menschengeschlecht in der Cultur vor-
wiirts schreitet, schreitet es in der Gottesfurcht rückwiirts » » Das evolutio-
nistische Princip, wonach z. B. die Zustande der Kichterzeit keinen
Eückfall aus dem reinen Mosaismus in halbheidnisches Wesen, sondern
den embryo-artigen Anfang der theokratischen Ordnung darstellen, nennt
Delitzsch das wpSrov^eüioi; der modernenPentateuchkritik.» Schumann:
Die Wellhausen\'sche Pentateuchtheorie. Een uitnemend boekje (1892),
waarop ik gaarne de aandacht vestig.
t
-ocr page 48-
38
Israëlieten van den aanvang af zich de godheid als één hadden
voorgesteld, wat had hen dan kunnen bewegen om zich bij
voorkeur van een meervoud te bedienen?" \'). Welnu, op
deze vraag is een antwoord, en wij zullen zien, in welken
zin. Wellicht dan in den zin van wat men, in onderscheiding
van zulk een polytheistische veelheid (den plur. multitudinis)
noemt een pluralis numeri, d. w. z. zulk een meervoud,
waarin niet een veelheid van godheden, maar de veelvuldig-
heid van den éénen God, m. a. w. de triniteit, is uitgedrukt?
Inderdaad is het van ouds door velen gezegd. Luther — om niet
verder terug te gaan — spreekt zeer beslist. Zoo teekent hij
b.v. bij „God" (Deus) in Gen. I : 1 het volgende aan: „ Cur
igitur (Moses) utitur plurali nomine? Judaei varie cavillantur
Mosen; sed nobis clarum est, voluisse eum trinitatem seu
personarum pluralitatem in una divina natura tecte osten-
dere... Non quidem apertis verbis dicit, esse Patrem, esse
Filium, esse Spiritum Sanctum unum et verum Deum; id
enim Evangelii doctrinae reservandum fuit. Sed satis eifuit,
vocabulo plurali istam pluralitatem personarum ostendere."
En onze „gereformeerde vaderen" ? Op dit punt zijn zij zeker
niet in één adem te noemen — ten minste indien men b.v.
ook Calvijn tot hen wil rekenen. Deze toch doet bij Gen. 1:1
niet dubbelzinnig van een ander gevoelen blijken, dan wat
wij van Luther hoorden. Hij zegt: „Habetur apud Mosen
O\'nSx nomen pluralis numeri. Unde colligere solent, hïc in
Deo notari tres personas. Sed quia parum solida mihi videtur
tantae rei probatio, ego in voce non insistam. Quin potius
J) De godsdienst v. Isr., I. blz. 223. Ook Schultz is het eens met
de stelling van een oorspronkelijk Isr. polytheisme. (Alttest. Theol., blz. 516).
-ocr page 49-
39
monendi sunt lectores, ut sibi a violentis ejusmodi glossis
caveant". Daarentegen b.v. Polyander *): „Interim loca non-
nulla Veteris Testamenti producemus, ex quibus pluralitas
atque adeo Trinitas personarum numero plurium adumbrata
colligi potest Quae ad 6 potissimum classes revocari possunt.
„Prima classis est eorum locorum, in quibus Elohim cum
Jehova conjungitur. In illis enim, Jehova unam esse essen-
tiam, Elohim plures personas in ea distinctas indicat, maxime
quod voci plurali Elohim adjectiva et verba singularia saepius
adjungantur___
„Secunda classis est locorum, in quibus Deus in plurali
numero de semetipso proprie loquitur, ut Gen. 1: 26: Facia-
mus hominem ad imaginem nostram,
et Gen. 3, 22: Ecce
Adam quasi unus ex nobis,
et c. 2, 7: Dixit Deus, descen-
damus et confundamus linguam eorum."
etc.
En Fr. Junius (ad Gen. 1 : 1) bij Deus: „unus essentia,
personae tres, Pater, Filius, et Spiritus Sanctus,utHebraea
voce ostenditur." En, om hiermede te besluiten, "Wilh. a
Brakel *): „De naam, die opzichte heeft op de maniere van
bestaan ofte den Goddelijken Persoon, is Elohim;... bij dit
woord wordt doorgaans het verbum gevoegd in het eenvoud.
In den beginne schiep Elohim, omdat die drie Personen een
zijn" enz.
Uit deze voorbeelden blijkt, dat onze gereformeerde vaderen
op dit stuk althans niet calvinistisch waren. Het mag ons
behoedzaamheid leeren, en tevens iemand geruststellen, die,
hoewel „gereformeerd", het ten deze toch houdt met Calvijn,
\') Synopsis purwris theologiae. Disp. VII, Sect. XTVTX vv.
2) Bedel. Godsd., I. Cap. IH : IV.
-ocr page 50-
40
en die meent, met Oehler te moeten zeggen: „Gegenwartig
bedarf dieselbe" (nml. die trinitarische Deutung) „keiner
"Widerlegung mehr" *).
Is het dan, waarvoor vele anderen het hebben aangezien,
een pluralis majestatis of excellentiae, d. i. een meervouds-
vorm, waardoor de idee der waardigheid, verhevenheid,
majesteit, en alzoo het gevoel van eerbied moet wordenuit-
gedrukt? Meer waarschijnlijkheid zou die meening hebben,
indien Elohïm bij uitsluiting gebezigd werd, wanneer God
wordt aangesproken, wanneer iemand zich sprekende tot Hem
richt. Dit is echter niet het geval, maar altoos wanneer God
genoemd of over Hem gesproken wordt is het onveranderlijk
Elohïm. Neen, de eenig rechte verklaring, naar ik meen, is
deze: dat deze pluralis de concreete uitdrukking of voorstelling
is — want de O. TUche taal is niet die van het abstracte —
van de gedachte der volheid, der uitbreiding, der oneindig-
heid. Men versta dit niet verkeerd. Ik bedoel natuurlijk niet,
dat de Hebreër zich eerst die abstracties gedacht heeft, om
ze daarna om te zetten in het concreete. Maar alleen, dat
de taal van het O. T., ook waar gesproken wordt over God,
plastisch, voorstellend, concreet is. Een Paulus b.v. kan
spreken van „de volheid Gods", rh ir*.ypu(t» tóO S-esD (Ef. III:
19), doch niet alzoo het O. T. Voor hetgeen wi/j noemen de
oneindigheid, de alwetendheid, de alomtegenwoordigheid Gods
heeft de H. Schrift geen woord; maar wel de uitdrukking
voor die gedachte. Dan heet het: „zie, de hemelen, ja de
hemel der hemelen zouden U niet bevatten" (1 Kon, VIII :
27; 2 Chron. II : 6), of ook: „vervul ik niet den hemel en
\') Theol. d. A. T., blz. 133.
-ocr page 51-
I
41
de aarde, spreekt de Heer" (Jer. XXIII : 24), en zoo meer.
Welnu, dat is het wat ik bedoelde met „de concreete uit-
drukking of voorstelling van de gedachte der volheid, der
uitbreiding, der oneindigheid." Er valt toch niet aan te
twijfelen, dat de Hebr. taal een dergelijken meervoudsvorm
heeft — men heeft hem genoemd een pluralis magnitudinis,
of ook wel quantitativus, of intensivus. Slechts een paar
voorbeelden. Hemel, e>\'öw ; water, a;n —ziedaar twee woor-
den, die uitsluitend als pluralia gebruikt worden, terwijl het
gebruik van het enkelvoud, waarvan ze zijn afgeleid, in het
Hebr. volstrekt onbekend is. Op dezelfde wijze nu als op het
gebied van het zichtbare en zinnelijke door deze beide plu-
ralia de uitbreiding, het onmeetbare, in zekeren zin de
oneindigheid, van den hemel en van het water wordt aan-
schouwelijk gemaakt, moet door de analoge vorming van
Elohïm hetzelfde bedoeld zijn op geestelijk gebied. „God wordt
met den meervoudsvorm Elohïm genoemd, omdat zijne machts-
volheid zich naar alle zijden uitstrekt, omdat Hij, evenals
de hemel, alles omspant, en, gelijk het water de zee, alles
vervult" \'). In de verouderde beschouwing van een pluralis
majestatis of excellentiae is derhalve iets, waaraan deze zich
aansluit, maar alleen in den zin van (zooals Delitzsch hem
noemt) een pluralis intensivus. God, Elohïm, is, in numerieken
zin, noch een eenheid, noch een veelheid. Maar gaarne zeggen
wij met Oehler (die hier met Hengstenberg instemt), dat de
pluralisvorm van Elohïm, terwijl hij wijst op de onuitputte-
lijke volheid der Godheid, den ge vaarlijksten vijand van de
waarheid der triniteit, namelijk het abstract monotheisme,
*) Baethgen, t. a. p. blz. 137.
-ocr page 52-
42
met beslistheid terugwijst *) en ten slotte met Delitzsch s):
„Die Religion der Offenbarung ist die Wahrheit des Polytheis-
mus. Man darf nicht sagen, ohne den Unterschied beider
Testamente zu verwischen: avh* ist pluralis trinitatis, aber
man sagt volkommen richtig: \'die trinitas ist die im N. T.
offenbar gewordene pluralitas von otiSn".
§7.
El (en zijne samenstellingen).
De benaming El, in den semietischen taaistam hoogst-
waarschijnlijk de oudste benaming voor het goddelijk
Wezen, komt, uitgenomen in de taal der poësie, in
het Oude Testament in den regel alleen voor in samen-
stelling met een of ander praedicaat, zooals b.v. El-
schaddaj
, El-eljon, e. a. Doch ook in deze samenvoeging
blijft altoos het nomen appellativum zoozeer herkenbaar,
dat al deze benamingen niet eigenlijk en wezenlijk,
maar alleen in oneigenlijken zin en bij gevolgtrekking
de kracht en beteekenis van het nomen proprium, d. i.
van een werkelijken naam van God, krijgen.
1. Een Engelsch spreekwoord zegt: „if it rain, it pours",
d. w. z. min of meer vrij vertaald: „ het kan niet regenen,
of het giet." Dit nu is ook van toepassing, bij den huidigen
stand der theologische wetenschap, op de oogenschijnlijk
1)   Theol. d. A. T., blz. 133.
2)   Comm. üb. d. Oen., blz. 67.
-ocr page 53-
43
allereenvoudigste vraagstukken, waarvan men, oppervlakkig
beschouwd, geneigd is te meenen, dat het geen vraagstukken
kunnen zijn. En toch doen zich ook daarbij, voordat men
nog begonnen is één enkel woord te spreken, van alle kanten
zoovele struikelblokken voor, dat het moeilijk is, een ge-
baanden weg te vinden of dien aan anderen te wijzen.
Zóó is het ook gelegen met de benaming El. Reeds in de
vorige § kregen wij iets er van te merken, welke vragen daarbij
oprijzen. Is er directe verwantschap, en zoo ja welke, tusschen
El, Elóah, en Elohïm. Wat is zijn beteekenis? Is het een
appellativum, of nomen proprium? Welke van al die bena-
mingen voor God is de oudste ? Ziedaar enkele vragen, waarover
boekdeelen zijn vol geschreven, en de rechte beantwoording
waarvan ook groote beteekenis heeft voor de kennis van oud-
Israëls godsdienst — maar zie, hoe verder wij zoeken, hoe
meer het blijkt: de uitnemendste geleerden, specialiteiten
juist in die vakken van wetenschap, die ons licht zouden
moeten geven, ze kunnen het maar niet eens worden, zoodat
wij er haast toe zouden kunnen komen, op deze dingen de
weinig hoofdbrekende theorie van het agnosticisme over te
brengen, en met zekere voornaamheid te zeggen: ignoramus
et ignorabimus!
Toch is er, zelfs voor een leek-liefhebber van vergelijkende
taaistudie en van etymologische onderzoekingen, eenige zelf-
verloochening noodig om zich in deze dingen te beperken en
ze eenvoudig in het midden te laten. Het komt mij evenwel
voor, dat deze weg ons hier is voorgeschreven door wijze
bedachtzaamheid, te meer daar vele van de bedoelde vraag-
stukken toch ook slechts een betrekkelijk belang hebben voor
de Bijbelsche Godgeleerdheid, en het geduld van deze al te
-ocr page 54-
44
lang zou worden op de proef gesteld, indien zij wachten
moest met spreken totdat de geleerden daarbuiten allen hebben
uitgesproken.
Daarom zal ik slechts enkele aanduidingen geven, om te
doen zien, dat ik niet te sterk sprak, en natuurlijk alleen
met betrekking tot het onderwerp, boven deze § genoemd.
Ik zwijg geheel van de veelzijdige kwestie aangaande de al
dan niet directe verwantschap tusschen de benamingen El,
Elóah, Elohïm. Dit doet hier minder ter zake. Doch wat nu
El betreft — het vond vroeger zoo goed als geen tegenspraak,
dat het is afgeleid van1™, sterk zijn, en dat derhalve God
daardoor wordt aangeduid als de Sterke of de Machtige. Ook
dit echter schijnt nu niet meer vast te staan. Mannen als
de Lagarde en Nöldeke komen tot een ander, maar ieder
weer tot verschillend resultaat. De eerste leidt het af van
een wortel, die de beteekenis heeft van „ zich ergens naar
uitstrekken", zoodat El dan zou te kennen geven J(den, wel-
chem man zustrebt, das Ziel aller Menschensehnsucht und
alles Menschenstrebens" \'), terwijl de ander het wil laten
beteekenen: „den Aanvoerder" (die vooraan is of aan \'t hoofd
staat). En een derde weer, die al deze dingen met geleerden
ernst overwogen heeft, komt ten slotte tot het negatief
resultaat (is het niet om wanhopig te worden?): „Die ety-
mologische Bedeutung van "w bleibt vorlaufig dunkel und
unbekannt" 3).
Het mag zijn zoo het wil, ik stel voor, dat wij ons voor-
loopig maar houden aan de officieele etymologie der Synagoge
\') Voorzeker een schoone gedachte, maar om velerlei redenen, die hier
echter niet kunnen ontwikkeld worden, naar mijne meening onhoudbaar.
2) Baethgen, t. a. p. blz. 275.
-ocr page 55-
45
0<r%upó?), tevens die der oudste kerkvaders en van verreweg
de meeste theologen tot heden toe, en dat dus El,oorspron-
kelijk als appellativum God aanduidend als den Sterke of
Machtige, allengs, zóó op zichzelf staande zonder meer, uit
het Hebr. spraakgebruik verdwenen is, en heeft plaats ge-
maakt voor het gewone Elohïm, of ook voor het samengestelde
El-schaddaj, El-eljon, e. a., in welke samenstelling El van
zelf de kracht en beteekenis kreeg van den eigennaam God,
zoodat het werd: God de Almachtige, God de Allerhoogste, enz.
Hieruit volgt dus ook, dat, al is El zonder meer als nomen
proprium voor den waren God eerst in later tijd gebruikelijk
geworden (want alleen in de latere poëtische geschriften wordt
het enkele El aangetroffen voor „God"), dit woord, naar onze
meening, in zijn oorsprong toch verder terugreikt dan Elohïm,
en dat er geen voldoende reden is om een vraagteeken te
zetten *) achter de verzekering van Oehler en van de meesten,
\') Zooals b.v. Nest Ie doet in: Die Israelitischen Eigennamen noch
ihrer religionsgeschichüichen Bedeutung,
blz. 39. El immers moest be-
staan voordat zich El-schaddaj kon vormen; en toch brengt Nestle dit
laatste tot de eerste, El daarentegen eerst tot de derde periode. Belangrijk
echter acht ik wat hij later opmerkt (blz. 197): er moge overeenkomst
zijn aan te wijzen tusschen de heidensch-semitische godsnamen, waarin
el een rol speelt, er is ook een niet gering verschil; nml. de naam Im-
manu-el
(God met ons) is nergens buiten Israël gevonden; d. w. z.:
«nur Israël nat ein wahres Profetentum und die wahre Gottesoffenbarung
durch dasselbe: dem Profetentum verdankt es Israël, dass seine Keligion
nicht untergegangen ist in Sinnlichkeit und Naturdienst, wie die seiner
Stammverwandten. Und woher kommt dieses Profetentum und mit ihm
diese Entwicklung der israelitischen Eeligion? Dieser Grundunterschied
der religiösen Entwicklung zur geistigen Keligion gegenüber der Natur-
religion, sagen wir mit Schultz, ist nur aus der Weisheit und Offenbarung
des Gottes zu verstenen, welcher in diesem Volke sein Heil fiir die
Menschheit vorbereitete.»
-ocr page 56-
46
dat El moet gehouden worden voor den oudsten semitischen
Godsnaam.
Dit blijkt, dunkt mij, overtuigend, niet alleen uit de oudste,
met el samengestelde personennamen, waarvan bericht ge-
geven wordt (b.v. Mechujaël en Methusaël, Gen. IV : 18, en
vele anderen daarna), maar ook uit de gewone samenstellingen,
waarover wij thans nog te spreken hebben, en die het reeds
vroeger bestaan van el onderstellen.
2.   Allereerst komt hier in aanmerking de benaming EU
\'eljon,
die echter in deze samenstelling, behalve in Gen. XIV,
nog slechts eenmaal voorkomt, Ps. LXXVIII : 35, maar wel
verscheiden keeren \'Eljon jf1» alleen, hetwelk dan de kracht
en de beteekenis krijgt van een werkelijken eigennaam, evenals
dat het geval is met ons „de Allerhoogste". Maar men ge-
voelt: in de werkelijkheid is het geen eigennaam, en met
juisten takt hebben dan ook onze Statenvertalers hem nimmer
onvertaald gelaten, maar hem altoos weergegeven door „God,
de Allerhoogste" of „de allerhoogste God" of enkel „deAller-
hoogste", evenals ook de LXX: o Srebs o u4ii<rrog, of o tyivrot;,
en de Vuig. Deus altissimus, of alleen altissimus. Terecht is
het dan ook opgemerkt, dat \'eljon nergens in het O. T. tot
vorming van eigennamen voorkomt, waaruit tevens ook blijkt,
dat „für Israël diese Gottesbezeichnung nicht eigentlich cha-
rakteristisch ist, und dass der Erzahler (oder ein spaterer)
Gen. 14 von einem richtigen Gefühl geleitet war, wenn er
vor El-\'eljon im Munde Abrahams den Namen nuv einge-
schoben hat" \').
3.  Zoo is het niet gelegen met den naam EUschaddaj. Deze
\') Nestle: Die Israël. Eigennamen, blz. 44.
-ocr page 57-
47
is niet alleen bepaald israëlietisch, maar hii behoort bepaal-
delijk tot den patriarchalen tijd der goddelijke heilsopenbaring.
Het kan ons niet bevreemden, dat ook dit betwist wordt.
Kuenen o. a., die hier getuigen mag voor velen, zegt het
volgende l): „Met het polytheisme is de vereering van eene
hoofdgodheid, die als beschermer van den geheelen stam of
van den stammenbond erkend wordt, zeer wel vereenigbaar.
Alles pleit voor de onderstelling, dat althans „ „de zonen
Israels"" reeds in Gosen zulk een gemeenschappelijken god
hebben gediend-----Mag bepaaldelijk het bericht, dat Jahveh
door de aartsvaders als El-Schaddai werd aangeroepen, op
de stammen in Gosen worden toegepast? Schaddai is de
machtige
, of misschien nog juister: de getoeldige. Die benaming
komt dus wel overeen met het karakter, dat wij geneigd
zijn aan den beschermgod der stammen toe te schrijven."
Derhalve, als wij dit goed begrijpen, schuilt de benaming
Elschaddaj, wat het eerste gebruik daarvan betreft, bij „de
zonen Israels" in Gosen, en wel als de hoofdgodheid onder
de vele godheden dezer polytheisten, hoewel het onverklaard
blijft, hoe zij er aan kwamen. Dat deze voorstelling aan alle
kanten lijnrecht in strijd is met het bijbelsch bericht (Gen.
XVII : 1), naar hetwelk God als El-schaddaj \'t eerst aan
Abraham zich openbaarde, terwijl \'t eerst die naam voor-
komt bij het verbond dat Hij met hem oprichtte 2), zal door
niemand worden tegengesproken, evenmin als dat die naam,
naar bijbelsche voorstelling (Ex. VI : 2) bepaaldelijk eigen
\') De godsd. v. J«\\, I, blz. 266, 267.
\') Over de beteekenis van El-schaddaj in verband met die verbonds»
stichting zie J. J. P. Valeton jr.: Bedeutung und Stellung des Worles
r\\"\\2 im Priestercodex
(in: Zeitschr. f. d. alttest. Wiss. 1892).
-ocr page 58-
48
is aan den patriarchalen tijd, al is het ook dat hij alleen als
Schaddaj nog in later tijd nu en dan voorkomt. Het is der-
halve de vraag, of het- is aan te wijzen, dat deze vorm
Schaddaj tot zoo hoogen ouderdom opklimt. Want de groote
kwestie van „openbaring", die ook hier, gelijk overal, achter
en onder zit, ligt buiten het bereik van alle historische of
onhistorische kritiek, en wij kunnen die dus hierbij laten
rusten, evenals de met geen enkel afdoend bewijs waar ge-
maakte stelling van oud-Israels polytheisme. Welnu, de
Godsnaam \'w is alleen verklaarbaar als arameisme, zóó wordt,
na ernstig onderzoek, door Baethgen geconcludeerd, en het
is noodig, hierbij te refereeren wat hij daarop laat volgen:
„Ich sehe voraus, dass dies Resultat begierig aufgegriffen
werden wird, um als neues Argument für die nachexilische
Abfassungszeit der sogenannten Grundschrift und ihre völlige
Unzuverlassigkeit in Fr^gen der Religionsgeschichte verwen-
det zu werden, wie sich denn Wellhausen bereits dahin
ausgesprochen hat, dass der Name Schaddai bei Leibe nicht
alter sei als Jahve. Gegen eine so junge Datirung ist der
Name Schaddai nun aber gesichert durch den Segen Jakobs\').
Aramaismen sind einerseits in der jüngsten Zeit in das
Hebraische eingedrungen, anderseits finden sie sich in der
alleraltesten Periode. Mir scheint der Gebrauch des Gottes-
namens Schaddai nur so erklart werden zu können, dass die
Hebraer ihn aus ihren aramaischen Stammsitzen mitgebracht
haben. Wahrend wir also oben zugeben mussten, dass auf
dem Wege rein historischer Forschung der Gottesglaube der
Israeliten nicht weiter hinauf verfolgt werden kann als bis
\') Gen. XLIX : 25. Vrgl. ook Num. XXIV: 4,16 in de Bileamsprofetie.
-ocr page 59-
49
zu den Stammen in Gosen, führt die grammatische Unter-
suchung des alten Gottesnamens Schaddai in höhere Fernen,
und die Vermuthung, dass Abraham es war, der diesen
Namen aus der aramaischen Heimath mitbrachte, wird dem-
jenigen nicht zu gewagt erscheinen, der Abraham überhaupt
für eine historische Persönlichkeit halt" \').
Wij mogen dus op goeden grond blijven zeggen: de Gods-
naam El-Schaddaj behoort bepaaldelijk tot den vóórmosaischen,
patriarchalen tijd. En inderdaad is het ook een benaming,
waarin die openbaringszijde van het wezen Gods, welke in
de openbaringssfeer der aartsvaderlijke periode eigenaardig op
den voorgrond treedt, kenmerkend uitkomt. Immers God de
Almachtige —
is God daarmede niet kenbaar gemaakt als de
zoodanige, die de macht bezit zijne beloften te verwezenlijken,
ook dan wanneer de natuurorde daarop geen uitzicht geeft
en het schijnbaar onmogelijke door God alleen kan worden
mogelijk gemaakt? \'t Is dan ook niet verkeerd, als deLXX
het (in Job) in den regel weergeven door i irxvToxpxTup 3)
en de Vuig. door Deus omnipotens en Omnipotens. En wie
heeft het beter geparafraseerd dan Paulus, als hij (zeer zeker
met het oog op Gen. XVII, en, zou het te veel gezegd zijn?
wellicht ook met het oog op de beteekenis van El-Schaddaj)
zegt, dat Abraham „niet verzwakt zijnde in het geloof, aan
de beloftenis Gods niet getwijfeld heeft door ongeloof, maar
is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer, en
ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij
ook machtig was te doen"? (Rom. IV : 19—21).
») T. a. p. blz. 294, 295.
\') In het N. T. tienmaal; 2 Cor. VI : 18, en 9 maal in Apocal.
4
-ocr page 60-
50
§8.
Jehovah (en Adonaj).
Als eenigen, wezenlijken en eigenlijken naam van
God kent de H. Schrift — want ook het Nieuwe Testa-
ment heeft wel, door nieuwe benamingen, nieuwe
beschrijvingen van het geopenbaarde wezen Gods, maar
niet in den eigenlijken zin een nieuwen naam voor
God — alleen den naam Jehovah. Het nog niet geëin-
digd geschil over uitspraak, oorsprong, ouderdom en
beteekenis van dit tetragrammaton kan ons niet be-
letten vast te stellen, dat de Jehovah-naam ons be-
paaldelijk inleidt in de geschiedenis der heilsopenbaring
Gods aan het volk, hetwelk Abraham tot stamvader
had, en dat hij ons noopt tot de erkentenis van God
als den God des Verbonds, die als heilig Wetgever en
als getrouw Vervuiler zijner beloften uit vrije genade
Israël verkiest, om zich daaruit en daardoor een eigen
Rijk, „het Koninkrijk Gods", in de wereld toe te be-
reiden.
1. Indien immer, dan zullen wij vooral bij dit onderwerp
met welbedacht overleg zorgvuldig er op hebben toe te zien,
dat wij zooveel mogelijk ons beperken, om het bestek, dat
wij ons hebben voorgesteld, niet al te zeer te overschrijden.
Want de litteratuur over dit onderwerp is letterlijk niet te
overzien, en veilig mag ook gezegd worden, dat de tijd nog
ver af is wanneer het laatste woord er over zal gesproken
-ocr page 61-
51
zijn. Wie vrij volledig wil zijn ingelicht, heeft reeds genoeg
aan hetgeen er over gezegd is door een drietal geleerde land-
genooten; te vollediger, daar geen der drie het met den ander
eens is; ik bedoel: Kuenen 1), Land 2), en J. J. P. Valeton
jr. 3). Zonder verdere praeliminairen gaan wij dus terstond
over tot de toelichting der in de § genoemde bijzonderheden.
2. Allereerst iets over uitspraak (en schrijfwijze) van den
Naam x.
«., d. i. van den eigenlijken en wezenlijken Naam
Gods, als men wil: zijn eigennaam, rb xüpwv foopx, zooals
Philo hem noemt. Ik schreef boven de §: Jehovah; en ik
vermeet mij niet te beweeren, dat dit nu het ware en rechte
is. Doch men heeft en behoudt vooralsnog de keus tusschen
het thans meest gebruikelijke Jahveh of Jahweh, en Jao, Jeuo,
Jaoe
, Jabe, Jihveh, Jeheveh, Jahaveh, Jehovah. Elk van deze
vond haar pleitbezorgers, en, gelijk wij zeiden, de vraag
blijft onbeslist. Bij dezen stand van zaken nu acht ik het
niet ongeschikt, een weinig conservatief, desnoods ietwat
ouderwetsch, te zijn, en de oude spreek- en schrijfwijze niet
in den ban te doen. Mijne conscientie wordt ten overvloede
hierin gerust gesteld door het voorbeeld van iemand, die
gewis niet kan verdacht worden van overdreven conserva-
tisme, ook al schreef hij het volgende: „ De godsdienst van
Jehovah, — ik behoud den barbaarschen maar bekenden
vorm, zoolang ik den langdurigen strijd over oorsprong en
uitspraak van den Godsnaam voor geen beslissing vatbaar
kan achten" *). Bovendien gevoel ik iets voor de opmerking
\') De godsdienst van Israël, I, blz. 274 vv. en 397 vv.
») Theol. Tijdschrift, II, blz. 156—170, III, blz. 347—362.
3) Theol. Studiën, 1889, blz. 171—221.
\') A. Pierson: Geestelijke voorouders, I, blz. 76.
-ocr page 62-
52
van Oehler J): „ Wir bedienen uns von jetzt an des Wortes
Jehova, das nun einmal in unserem Sprachschatz eingebürgert
ist und aus demselben ebensowenig sich wird verdrangen
lassen, als z. B. statt des Jordans jemals Jardenherrschend
werden wird," en ook wel iets voor het volgende: „Ichbleibe
bei der altherkömmlichen Aussprache Jehovah, da die moderne
Jahveh ebensowenig authentisch ist als die erste, und es
unpassend, ja kleinlich ist, einen in der ganzen kirchlichen
und theologischen Entwicklung eingebürgerten Gottesnamen
einer linguistischen Pedanterie zum Opfer zu bringen" 2).
Doch genoeg hierover. Eigenlijk ware \'t maar het veiligst,
eenvoudig te spreken van het vierletterwoord, to TSTpxypxpi&xTov
(mrv), zooals Philo het reeds heeft aangeduid. Daarom noemde
hij het ook fyfarw, d. i. of wat niet kan uitgesproken of
wat niet mag uitgesproken worden. Het kan zoowel het een
als het ander beteekenen. Eens komt het voor in het N. T.,
2 Cor. XII : 4: xp\'pyjTX pyptxrx, Sc ovx è%ov xvSpuwy hxtöiaxu
Ook hierbij is het de vraag, of dit zijn „woorden die niet
mogen", dan wel „die niet kunnen uitgesproken worden",
gelijk Luther vertaalt: „unaussprechliche Worte, welenekein
Mensch sagen kann". Dit is zeker niet nauwkeurig vertaald \\
maar wel komt het mij voor, dat het een uiterst vreemd
») In Herxog\'s Beal-Enc.1 VI, blz. 457.
• *) J. T. Beek: Vorlesungen über Christliche Olaubenslehre, I, blz.
14. In de kwestie schuilt, meen ik, ook een stuksken Praktische Theologie
en Christelijke Ethiek. Nml. de vraag, of het goed is, op den kansel en
in populaire geschriften altoos Jehovah te blijven gebruiken, indien men
overigens altoos Jahveh bezigt. Ik zal niet zeggen, dat hier Jac. I : 8
geldt, maar veeleer Kom. XIV : 5b. Doch lettende op de omlijsting van
het spraakgebruik «Jahveh», is er iets te zeggen voor de spreuk: «timea
Danaos, et dona ferentes.»
-ocr page 63-
53
pleonasme is, te zeggen: „woorden die niet mogen uitgesproken
worden, die het een mensch niet geoorloofd is te spreken",
zoodat de bedoeling, dunkt mij, deze is: „woorden die niet
kunnen uitgesproken worden, die geen mensch wagen mag
uit te spreken"; het kan niet, en daarom mag het zelfs niet
beproefd worden; niet, gelijk het anders wezen zou: „het
mag niet, en daarom mag het niet". Hoe dat ook zij, dit
is zeker, dat de joodsche Synagoge het rwv van ouds (het
is niet met zekerheid te zeggen, sinds wanneer, maar waar-
schijnlijk niet lang na de babylonische ballingschap) beschouwd
en behandeld heeft als niet te mogen worden uitgesproken.
Gewoonlijk wordt gezegd, dat dit verbod steunde op eene
verkeerde, reeds in de vertaling der LXX zichtbare, exegese
van Lev. XXIV : 16: „wie den naam des Heeren zal ge-
lasterd hebben, zal zekerlijk gedood worden". Lasteren, 3j?a,
werd dan, naar die gewone opvatting, eenvoudig genomen
in de beteekenis van uitspreken, noemen, gelijk ook de LXX
vertaalt: ivofix^uv 5f rb Hvoftx xvplov SxvxTCfi Sxmtovit&u. Dit
nu is zonder twijfel verkeerd; want ay beteekent ja óók
wel: (onderscheidenlijk of uitdrukkelijk) noemen, maar meestal
malo sensu, d. i. lasteren, en blijkens het verband (vrgl. vs.
11 en 15) kan het hier ook alleen in dezen zin genomen
worden. Toch blijft het de vraag, of daarin metterdaad de
verklaring te zoeken zij van het joodsch verbod. Ik onthoud
mij hier van breeder onderzoek dienaangaande, en neem alleen
de vrijheid te verwijzen naar eene speciaalstudie over dat
onderwerp, waarin het betwijfeld wordt \'). Dalman zegt:
\') G. H. Dalman: Studiën xur Bïblischen Theologie. Der Oottes-
name Adonaj und seine Qeschichte.
1889.
-ocr page 64-
54
„Noch sindjaber die Ursachen der Einführung von unx statt
nwv zu untersuchen. Die übliche Motivierung derselben ist
jedenfalls nicht zutreffend" \'), en hij komt, na breedvoerige
toelichting, ten slotte uit op het volgende: „Als Resultat
der angestellten Unterauchung lasst sich bezeichnen, dass
dem alexandrinischen ebenso wie dem palastinensischen Ju-
dentum jener Zeit eine besondere Scheu vor dem mündlichen
Gebrauche der Gottesnamen überhaupt eigen war, welchesich
besonders an 2 Mose 20, 7 knüpfte. Eine ausdrückliche bi-
blische Motivierung des als Volkssitte langst feststehenden
Nichtgebrauches des Jahvenamens, abgesehen von jener spat-
rabbinischen, findet sich nirgends. Nach der wirklichen Ver-
anlassung desselben ist noch immer zu fragen" 2), en wat
betreft dat later rabbijnsch verbod: „Die Nichtaussprache von
mrv, welche die Entweihung dieses Eigennames Gottes un-
möglich zu machen schien, war ein Zaun rabbinischer Sorge
um die Erfüllung des Gebotes von 2 Mos. 20, 7" 3).
Wij mogen dat nu verder laten rusten. Want al is bedoeld
verbod in zijn eigenlijk ontstaan niet met zekerheid uitge-
maakt, het is toch boven allen twijfel, dat sinds overoude
tijden het verbod bestaat, en dat de onveranderlijke gewoonte
der Joden tot op den huidigen dag om Jhvh, zoo menigmaal
het voorkomt in het O. T., in de uitspraak te vervangen
hetzij door t=wn (den Naam) hetzij door Adonaj, hetzij (in
de verbinding Jhvh Adonaj) door Elohïm, daarop gegrond en
daaruit te verklaren is. Vandaar dan ook dat de punctatoren
het tetragrammaton altoos schrijven met de vocalen van
») Blz. 43.
*) t. a. p. blz. 62.
») t. a. p. blz. 72.
-ocr page 65-
55
Adonaj, m. a. w. dat in den masoretischen tekst van het
O. T. het woord uw, krachtens een k\'ri perpetuum, steeds
de vocalen heeft van \'ii«, of eigenlijk van \'iite (edonaj),
waarbij dus de sch\'wa onder de * in de plaats kwam van
de chateph-patach, misschien als afgekorte of vereenvou-
digde schrijfwijze l), Tengevolge dan ook van deze vocalisatie
heeft in de christelijke kerk de nog in de middeleeuwen ge-
heel onbekende uitspraak Jehovah burgerrecht gekregen. De
man, die haar heeft ingevoerd, is een Franciscaner-monnik
uit de 16de eeuw, de tot het Christendom bekeerde jood
Galatinus.
3. Wij komen nu tot den oorsprong en den ouderdom van
den Jehovah-naam. Er is een tijd geweest dat men ter ver-
klaring daarvan bij voorkeur naar Egypte wees. De verbreiding
dezer hypothese van een egyptischen oorsprong dateert van
den tijd van Schiller\'s verhandeling over „die Sendung Moses".
Schiller had haar, naar zijn eigen zeggen, weer ontleend aan
een geschrift: über die altesten hebraischen Mysteriën von
Bruder Decius
(v. Reinhold) (1788), een onrijp product van
een lievelings-idee van een vrijmetselaar. Deze had haar op
\') Misschien, meer ook niet. Althans Dalman acht het nog volstrekt
niet zeker. Hij zegt: «Dass das Schwa der ersten Silbe von nftv, welches
nach Teschubath ha-Geonim (Amsterdam 467—1707) Kabbinen des sieb-
zehnten Jahrhunderts verahlasste, das für nirv zu lesende \'J-ik (edonaj)
auszusprechen, der Vereinfachung wegen statt Chateph Pathach geschrieben
worden sei (so Böttcher, Oehler), ist bei der Art der jüdischen Vokali-
satoren bei einem Gottesnamen am wenigsten glaublich. Es dtirfte bei
diesem Wort eine altere Form der tiberiensischen Vokalisation vorliegen,
in welcher ebenso wie in der alteren babylonischen noch kein Chateph
vorhanden war... Die einmal stereotyp gewordene Vokalisation wagte man
spater nicht mehr zu andem" (t. a. p. blz. 77).
-ocr page 66-
56
zijn beurt weder van Voltaire, volgens wien niemand in den
tempel van Serapis komen mocht, die niet den naam I-ha-ho
op borst of voorhoofd droeg, volgens een beweerde uitspraak
van Clemens Al., welke echter nergens te vinden is \'). Die
hypothese vond bij velen ingang, omdat men gaarne aegyptische,
d. i. oorspronkelijk heidensche, bestanddeelen in het O. T.
wilde indragen. Tegenwoordig echter kan men haar enkel als
curiosum vermelden, want zij is, evenals zoovele andere
geniale invallen, voor goed van de baan, en met haar, wij
mogen zeggen, schier elke andere hypothese van eene in-
voering van den Jehovah-naam van buiten af. Ten minste
Kuenen verzekert zonder de minste aarzeling „dat de hypothese
eener invoering van het Jahwisme uit den vreemde op het
tegenwoordig standpunt der wetenschap niet meer in aan-
merking kan komen ... Onder de beoefenaars der geschiedenis
van den Israëlietischen godsdienst is er, zoover ik weet,
geen enkele, die het Jahwisme uit Egypte afleidt....
Enkele Egyptologen openbaren nog steeds eene licht verklaar-
bare geneigdheid om de bakermat van het Jahwisme aan
den Nijl te zoeken. Doch hunne pogingen om haar daar aan
te wijzen zijn, de ééne voor, de andere na, mislukt." En
niet alleen de invoering er van uit Egypte, maar in \'t alge-
meen „uit den vreemde\'\', noemt hij „eene thans verouderde
hypothese" 2). In dit opzicht is hij het dus volmaakt eens
met Oehler, die eveneens verzekert: „Alle Versuche, den
Namen aus dem Heidentum abzuleiten, beruhen auf willkür-
\') Tholuck heeft er uitvoerig over gehandeld in zjjn UU. Anxeiger
1832, n°. 27—30. Zie Steudel: Vorles. üb. die Theol.d. A. T„ blz. 150.
*) Volksgodsdienst en Wereldgodsdienst (1882) blz. 49—52.
-ocr page 67-
57
lichen Hypothesen, beziehungsweise seltsamen Missverstand-
nissen" \').
Inderdaad, indien iets echt en zuiver nationaal-Israëlietisch
is, dan is het de naam en de dienst van Jehovah. Vanwaar
is die naam? Het is zeer noodig, dat wij, bij de poging om
een antwoord te vinden op die vraag, wel onderscheiden,
en niet, gelijk veelal geschiedt, den oorsprong of de aller-
eerste invoering van den Jehovah-naam vereenzelvigen met
wat ik zou willen noemen de volle ontplooiing en de codifi-
catie er van in den Israëlietischen godsdienst. Het komt
hierbij vooral aan op de juiste beteekenis en den rechten zin
van de woorden van Ex. VI : 2: „En ik ben aan Abraham,
Izak en Jakob verschenen als God de Almachtige; doch met
mijnen naam Jehovah ben ik hun niet bekend geweest". Dit
wordt op tweeërlei wijze verklaard. Velen willen de woorden
hun niet bekend geweest zóó opvatten, dat daarmede zou ge-
zegd zijn dat de Jehovah-naam vóór Mozes den vaderen vol-
strekt onbekend is geweest, zoodat „in den tekst... eene
absolute tegenstelling van niet en wel staat" s), en dat dus
ook „in den Pentateuch twee verschillende voorstellingen zijn
omtrent den tijd, waarop dit [nml. het bekend worden van
dezen naam] heeft plaats gehad" 3), aangezien „wij eene andere
voorstelling vinden in den Pentateuch bij den Jahwistischen
schrijver. Deze bezigt den naam Jahweh ook reeds in de ver-
halen aangaande de aartsvaders — vooral Gen. IV: 26 komt
\') Theol. d. A. T., blz. 144.
») Aldus Vale ton: Theol. Stud., 1889, blz. 203.
s) t. z. p. blz. 202. Hierbij dient echter opgemerkt te worden, dat
volgens de «andere voorstelling » in H geheel niets bepaald wordt omtrent
den tijd waarop het bekend worden van den Jehovah-naam heeft plaats gehad.
-ocr page 68-
58
hierbij in aanmerking — maar zwijgt daarom ook van eene
bekendmaking van dien naam aan Mozes, hetzij in Egypte,
hetzij bij den Sinai" \'). Wel wordt dan erkend „de mogelij k-
heid, dat inderdaad aan den naam nw een oudere vorm ten
grondslag ligt, die door Mozes met de gedachte mw -\\vtt mw
in overeenstemming is gebracht" »), maar of die mogelijk*
heid ook werkelijkheid is, vernemen wij niet, en in ieder
geval blijft toch de tweeërlei voorstelling in den Pentateuch.
Daartegenover staat de andere opvatting van de bedoelde
woorden, volgens welke het ;,niet bekend geweest" niet in
absoluten, maar in relatieven zin moet verstaan worden, in
den zin namelijk van „nog niet erkend geweest", zoodat de
volle ervaring van hetgeen die naam uitdrukt en beteekent,
den vaderen nog ontbroken heeft. In dezen zin zeggen reeds
de kantteekenaren onzer Statenvertaling: „God de Heer wil
hier zeggen, dat deze zijn naam Jehovah en hetgeen die
naam beteekent tot nog toe hun zoo wel niet bekend was
als \'t hun voortaan zoude bekend gemaakt worden door de
dadelijke vervulling zijner beloften, bijzonderlijk van de mira-
kuleuze verlossing uit Egypte en invoering in \'t land van
beloften. Anderzins heeft God zichzelf al lang voor dezen
Jehovah genoemd en bij dezen naam zijne beloften verzekerd"
enz. Niet anders heeft ook Calvijn het opgevat, zooals blijkt
uit zijne aanteekening op deze plaats: „Quamvis autemprae-
dicet quae in illos contulit beneficia, negat tarnen se illis
fuisse cognitum in nomine suo Jehova: quo significatse nunc
posteris illustrius patefacere deitatis suae gloriam." En die-
*) t. z. p. 203—204.
J) t. z. p. 205. Zóó ook Schultz, Nestle e. a.
-ocr page 69-
59
zelfde opvatting wordt ook thans nog verdedigd door Oehler*)
e. a., waaraan ik voor mij dan ook met volle overtuiging
mij aansluit. Het werkwoord vr beteekent toch niet maar
een uiterlijk kennen of toeten, maar ook wel degelijk een
wezenlijke, diepere kennis, ja gelijk het zeer goed gezegd is,
men moet in het oog houden „dat kennen ook de beteekenis
heeft van ondervinden, ervaren" \'). Zóó is het gewis ook
bedoeld Ex. VII : 5, X : 2, en vele andere plaatsen; en
vooral ook is hier sterksprekend Ex. VI : 6: „En gijlieden
zult bekennen, dat Ik Jehovah, uw God, ben", waar den
Israëlieten juist dat rv in uitzicht gesteld is door de te ver-
wachten verlossing uit Egypte, zoodat zij juist door die er-
varing van Gods verlossende trouw en almacht zouden leeren
zien en verstaan, wie Jehovah is. Evenzoo, wanneer 1 Sam.
III : 7 gezegd is: „Samuel kende, vv, Jehovah nog niet",
dan is daarmede natuurlijk niet bedoeld, dat hij den \'naam
Jehovah nog niet kende, maar dat hij Hem nog niet kende
bij eigen ervaring. Maar ook dan alleen wanneer wij de
woorden van Ex. VI : 2, waarover wij spreken, verstaan in
den hier verdedigden zin, is niet onverstaanbaar meer wat
gezegd wordt Ex. III : 15, en dan is daarmede, naar de
«) Theol. d. A. T., blz. 145.
\') Aldus Val e ton in zijne reeds vroeger met instemming door mij
genoemde studie over «het kennen van God volgens de boeken des Ouden
Verbonds», in Theol. Stud. 1889, blz. 12. Maar daarom te minder begrijp
ik, hoe hij in een volgend stuk van denzelfden jaargang, getiteld «De
Israëlietische Godsnaam » zeggen kan, dat de boven gerefereerde verklaring
van de Kantteekenaren onzer Statenvertaling «met den duideUjken zin
der woorden in strijd is» (blz. 202) terwijl toch juist die verklaring,
dunkt mij, volkomen ligt op de lijn, die is aangewezen in het andere
artikel over het kennen van God.
-ocr page 70-
60
treffende opmerking van Oehler \'), ook analoog Ex. XXXIII: 19,
waar immers de verkondiging (St. Vert. uitroepen) van den
Naam van Jehovah eveneens de beteekenis heeft van de
onthulling voor de erkentenis van eene hoedanigheid van
het goddelijk wezen, zonder dat men zal kunnen zeggen,
dat die naam te voren niet reeds bestond. Bovendien komt
de Jehovah-naam gewisselijk reeds voor in den naam der
moeder van Mozes, Jo-chébed (Ex. VI: 19), een naam, waar-
van ook Nestle getuigt, dat het „immer noch das sicherste"
is „ihn als zusammengesetzt mit mrv zu betrachten" 8). En
ten slotte: is het onredelijk te vragen, of het niet zeer
onwaarschijnlijk is, dat Mozes voor het volk zou zijn opge-
treden in den naam van een God, dien zij nimmer gehoord,
waarvan zij nooit iets vernomen hadden, en indien hij het
gedaan had, dat hij er vooruit op had kunnen rekenen,
geen gehoor te zullen vinden?
Inderdaad, daar bestaat alle grond om te zeggen, dat de
Jehovah-naam zeer zeker vóór-Mozaisch is; en ik meen dan
ook, dat de vertaling der LXX den zin der bedoelde woorden
van Ex. VI : 2 bijzonder goed weergeeft: xx) rè Zvofici (mu
Kópio? oök êïfaavx xinoïi;.
Immers 5>}AaDi/, onderscheiden van
yvupi^eiv, Qxvepoüv, en xiroxxxvirrsn, beteekent: duidelijk maken,
verklaren, tot erkentenis brengen
— en dat juist is hier
bedoeld.
Wanneer dus gevraagd wordt naar oorsprong en ouderdom
\') Theol. d. A. T., blz. 145. Uitnemend is ook wat hij (in de 5de
noot, van de door mij steeds bedoelde 2de uitg.) aanvoert tegen de door
Schullz ingebrachte bezwaren en tegen diens «Missdeutung" van de door
Oehler verdedigde opvatting.
*J t. a. p. blz. 77.
-ocr page 71-
61
van den Jehovah-naam, dan moet, zoo volgt uit het gezegde,
geantwoord worden met een non liquet, „wij weten het niet."
Maar wanneer gevraagd wordt naar de onthulling, de volle
ontplooiing van zijn groote en diepe beteekenis, en daarmee
tevens, gelijk wij het noemden, de codificatie van dien naam
in den Israëlietischen godsdienst — dan ja worden wij ver-
wezen naar den „berg Gods", d. i. Horeb, waar Jehovah aan
Mozes openbaart wat ook deze grootste der profetengestalten
van het Oude Verbond nimmer zou hebben uitgevonden.
4. Hiermede zijn wij vanzelf reeds gekomen tot de vraag
naar de beteekenis van den Naam. Hoeveel is ook daarover
gezegd en geschreven, en hoe weinig is het te verwachten,
dat de discussie er over haar einde bereikt heeft. En toch
de eenige plaats, die hier werkelijk licht kan geven, is Ex.
III : 14. Het ware zeer zeker van belang, indien het mogelijk
ware onweersprekelijk vast te stellen of mv, wat den vorm
betreft, en dus louter etymologisch beschouwd, een kal- of
een hiphil-vorm is van het werkwoord rw = nin, en derhalve
beteekenen moet: degene die is, dan wel, zooals anderen
willen, degene die doet zijn, d. i. de levenwekker of iets
dergelijks. Doch ik meen, dat het uit de nog niet geëindigde
disputen der geleerde taaikenners tot heden toe genoegzaam
gebleken is, dat zoowel het een als het ander mogelijk en
te verdedigen is. Daarom komt het mij voor, dat wij ver-
standig doen, met déze zijde der kwestie ons hier niet in
te laten, en ons liever te laten voorlichten door het verband
zelf der woorden, waarop het toch ook eigenlijk aankomt.
Welnu, Mozes begeert te weten, welk antwoord hij geven
kan aan zijne stamgenooten in Egypte, wanneer zij hem,
gelijk hij voorziet en verwacht, om zoo te zeggen naar zijn
-ocr page 72-
62
geloofsbrieven vragen, en öp zijne verzekering: „de God uwer
vaderen heeft mij tot ulieden gezonden", hem de vraag voor-
leggen: „hoe is zijn naam?" Mij dunkt, daarin ligt opgesloten:
Mozes verwacht, dat God zich nu noemen zal met een naam,
die anders klonk dan het, zooals wij zagen, hun niet onbe-
kende nm\', waarin zij dus blijkbaar gezien hadden niet een
eigenlijken en wezenlijken naam voor God en in ieder geval
geen voldoenden naam, waarin wordt uitgedrukt wie en wat
die God eigenlijk is. Aan die verwachting van Mozes wordt
evenwel niet voldaan. Want hij verneemt niet een anderen,
niet een nieuwen naam; maar zóó luidt het antwoord:
n™? ""j* n.\'.™5> i& Z(d zv)n die Ik zijn zal (of Ik ben die Ik
ben) en „alzoo zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Ik
zal zijn
(Ik ben) rvrw, heeft mij tot ulieden gezonden." En
in vs. 15 wordt dit Ik zal zijn geheel gelijk gesteld met en
vervangen* door Jehovah, in de woorden: „mrv... heeft mij
tot ulieden gezonden", waarbij het dan verder heet: „dat is
mijn naam eeuwiglijk, en dat is mijne gedachtenis van geslacht
tot geslacht."
Wat nu ligt daarin, ik bedoel: in dat verband ? Mij dunkt
dit: Mozes vraagt en verwacht dat God hem een naam zal
openbaren, die anders en beter en vollediger dan Jhvh uit-
drukt wie en wat die God is. Maar zie, dat is onmogelijk.
Er is geen woord in de taal der menschen, en dus verstaan-
baar voor menschen, wie en wat God eigenlijk is. Het
eigenlijk Wezen Gods is boven alle men schelijk verstand en
alle menschelijk begrip, en er is dus ook geen naam voor
God adaequaat aan zijn Wezen, geen naam die volkomen
en volledig uitdrukt of zou verstaanbaar maken, wie en wat
Hij is, die de grond en bron is van al wat is, de Eenige,
-ocr page 73-
63
van Wien eigenlijk gezegd kan worden: Hy is degene die
bestaat,
zonder begin en zonder eind, 1\'Eternel, onafhankelijk
van al wat is.
Ik meen derhalve, dat dit het allereerste is wat de Jehovah»
naam direct wil uitdrukken: God is de ondoorgrondelijke,
de altoos slechts in betrekkelijken zin en nimmer absoluut
voor den mensch kenbare, maar alleen in zooverre als Hij
zich openbaart, in hetgeen Hij is en wezen wil voor den
mensch. En zoo daar een naam is voor God, gelijk die er
werkelijk is, dan is het toch nooit een naam adaequaat aan
Zijn Wezen, en daarom is zijn Naam, zijn eigenlijke en
wezenlijke Naam: Jehovah, Hij die bestaat.
Men zegge niet: „maar dat is te abstract filosofisch." Is
dan de opperste waarheid, die nimmer mag uit het oogver-
loren worden bij alles wat over God gedacht of gesproken
wordt, ik bedoel de waarheid van de ondoorgrondelijkheid,
van de boven alle menschelijke voorstelling, gedachte, kennis
en taal verhevene heerlijkheid en majesteit van het goddelijk
Wezen, abstract filosofisch? Ik verdedig geenszins de ver-
taling der LXX: \'Eyw s\'tftt i Ssv, en \'O 3>v airèvrxï.xè\' fit wpb$
u(axs, in zooverre namelijk daarin gezocht en gevonden wordt
het begrip van rb Zvrus fo, het abstracte zijn, het zijn op
zichzelf, de aseïtas (quod est a se). Doch dat is geheel iets
anders dan hetgeen door mij bedoeld en gezegd is. En wil
men nu die gedachte van de ondoorgrondelijke heerlijkheid
en verhevenheid van het Wezen Gods filosofisch noemen,
het zij zoo, maar het is een waarheid, die door de gansche
Schrift heenloopt, en waarmede wij altoos beginnen en altoos
eindigen moeten bij al ons denken en spreken over God. Dit
ook alleen, dunkt mij, is in overeenstemming met de parallel,
-ocr page 74-
64
waarop terecht gewezen is, hoewel ten onrechte aangevoerd
tot staving van eene verklaring, volgens welke het onbepaald
object, ons „het" is weggelaten, en derhalve de bedoeling
van nirv deze is: „Ik zal", of „Hij zal (het) zijn" \'). Ik bedoel
de parallel, die wij vinden in Richt. XIII : 17, 18. Deengel,
die aan Manoach verschenen is, wordt door dezen naar zijn
naam gevraagd. En de engel antwoordt: „waarom vraagt gij
naar mijnen naam? deze is toch «)&\' = wonder. „Aan de
eene zijde dus: wat vraagt gij naar mijn naam? deze is van
dien aard dat gij hem toch niet begrijpt, immers hij is won-
derlij k; maar aan den anderen kant, wilt gij nu toch een
naam om mij mede aan te duiden, welnu, neem dan een
zoodanigen, die beantwoordt aan den wonderen indruk, dien
ik op ulieden te weeg breng en laat mijn naam voor u zijn:
Wonderlijk" 2). Het wil mij voorkomen, dat dit inderdaad
strekken kan tot toelichting van mijne bedoeling, veel beter
dan ter adstructie van de tegenwoordig door meerderen 8)
gevolgde, en in ieder geval niet minder dan de mijne filosofisch
klinkende verklaring: „Ik zal het zijn".
Ik meen dus, dat elke verklaring van den Jehovah-naam,
welke daarin een of andere operibaringszvjde of eigenschap
van God wil vinden uitgedrukt, daardoor reeds van tevoren
mislukt is, en dat hij eigenlijk en in den grond der zaak,
volgens de bedoeling van Ex. III : 13 en 14, oorspronkelijk
is een niet-naam, d. w. z. zulk een die te kennen geeft dat
het wezen Gods in geen enkelen naam, welken dan ook, is
») Valeton: Theol. Stud. 1889, blz. 191.
l) t. z. p. blz. 193.
3) Behalve door Valeton, o. a. ook door Ewald, Bob. Smith,
Nestle.
-ocr page 75-
65
uit te drukken *). Maar juist daardoor is die naam de etgen-
lyke
en wezenlijke naam van God, de Naam bij uitnemendheid,
geworden, waaruit ja bij gevolgtrekking kan worden afgeleid
al wat er ligt opgesloten in het noemen en kennen van God
als den Eeuwige, den Onveranderlijke, den Almachtige, den
Getrouwe, den Verbondsgod van Israël, van Egypteland af
(Hos. XIII : 4).
Maar daarom ook is die Naam niet alleen de hoogheerlijke
en heiligste, maar ook de meest beteekenisvolle geworden
zoowel voor de christenheid als voor Israël. Want evenmin
als Mozes den God der vaderen heeft willen afschaffen, of
aan Israël een nieuwen of een anderen God heeft willen
brengen, heeft Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond,
een anderen God dan den God van Mozes en van Israël verkon-
digd. Integendeel. Voor Israël is, zooals wij zagen, de Jehovah-
naam in zijn verkondiging Adonaj geworden. Welnu, dit
Adonaj is in de taal, waarin God door Israël tot de volken
sprak, in de taal van het Hellenisme der LXX, tot Kvpioe,
Heer, geworden. Zoolang de goddelijke openbaring zich nog
bewoog binnen de enge grenzen eener volksgemeente, was
een eigennaam op zijn plaats, waardoor Hij die de Verbonds-
God van Israël was zich onderscheidde van de goden van
alle andere volken. Maar zoodra het Godsrijk uit den kring
van „het volk" overging in den breeden kring der „volkeren",
!) Nestle (t. a. p. blz. 101) werpt de vraag op, of het woord Jahve
wellicht alleen als «bedeutungsloser Eigenname" gebruikt is. In den boven
ontwikkelden zin zou ik die vraag toestemmend willen beantwoorden, en
dan met hem zeggen: «Wenn aber dem so ist,... dann fallt damit auch
ein grosser teil der bedeutung weg, die man der etyrnologischen ableitung
und deutung des namens zuzuschreiben gewohnt ist.»
5
-ocr page 76-
66
moest de eigennaam vallen. Als xópio\'g is Jehovah, de God
van Israël, aan de volkerenwereld verkondigd. Met dien naam,
dien de christelijke kerk ten onrechte weder door Jahveh of
Jehovah vervangen zou, roepen de volkeren Hem nog heden
aan. \'O xópw is nu, onder het licht en in de bedeeling van
het Nieuwe Verbond, Hij, in en door Wien Jehovah zich
geopenbaard heeft als de getrouwe vervuiler van al zijne
heilbeloften, Hij wiens naam is Jezus, "fya-oD?, vi^irv, Jehovah
redt, en van wien de apostel der heidenwereld verkondigt
„dat God hem een naam heeft gegeven, welke boven allen
naam is; opdat in den naam van Jezus zich zou buigen alle
knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde,
en die onder de aarde zijn, en_alle tong zou belijden, dat
Jezus Christus de Heer zij (on Kvpiot \'bja-oüs Xpio-rós) ter heer-
lijkheid Gods, des Vaders" (Philipp. Il : 9—11). „Herrenname
und Herrenstellung Christi sind undenkbar ohne die Bewegung
von mrv zu \'jik, in welche die Geschichte der wichtigsten
der alttestamentlichen Gottesnamen auslauft. Die Würdedes
xvpio?, in welcher Gott am Ende des Alten Bundes menschlich
fassbar vor die Völker trat, ging über an den, in welchem
die Fülle der Gottheit leibhafte Gestalt gewann. Der Gottes-
name Adonaj enthalt somit keimhaft das letzte Ziel aller
Geschichte, die Vereinigung der gesammten Menschheit unter
Ein Haupt, Christus" »)•
\') Dalman, t. a. p. blz. 84.
-ocr page 77-
67
§ 9.
De naam des Vaders en des Zoons en des
Heiligen Geestes.
Al heeft het Nieuwe Testament, gelijk reeds werd
te kennen gegeven in de vorige §, niet in den eigen-
lijken zin een nieuwen naam voor God, maar alleen,
door nieuwe benamingen, nieuwe beschrijvingen van
zijn geopenbaarde wezen, wij mogen daarom toch den
in den aangegeven zin bedoelden, karakteristiek-Nieuw-
testamentischen naam Gods niet met stilzwijgen voor-
bijgaan. De persoonlijke zelfopenbaring Gods, gelijk die
in Christus tot voltooiing gekomen is, moet van zelf
ook haar uitdrukking vinden in een naam, die niet
blijft beneden het èxeTvos èt-wfaxro van Joh. I: 18. Wer-
kelijk is die dan ook gegeven in „den naam des Vaders
en des Zoons en des Heiligen Geestes" (Matth. XXVIII:
19), in welken éénen naam geteekend is de voltooide
heilsopenbaring van den éénen God als Vader, Zoon,
en H. Geest, in overeenstemming met geheel het histo-
risch beloop der Godsopenbaring, waarvan de H. Schrift
ons bericht geeft.
1. Indien ik een dogmatiek schreef of ook maar een stuk
dogmatiek, dan zou ik bij het in deze § te behandelen on-
derwerp moeten beginnen met de aanwijzing van het ver-
warrende dat er is in de tegenstelling, „unitarisme" en „trini-
tarisme", eene tegenstelling, die in het beloop der dogmen-
-ocr page 78-
68
historie zich ja heeft vastgezet in het dogmatisch spraakge-
bruik, maar die toch inderdaad onzuiver geformuleerd is in
die tweeërlei ismen. Ik zou dan willen in het licht stellen,
dat ook in het samengestelde woord „trinitas", (immers tria-
unitas), hetwelk in het dogmatisch spraakgebruik nu eenmaal
burgerrecht gekregen heeft, de unitas Dei wel degelijk uit-
gedrukt en gehandhaafd is, evengoed als in ons „Drie-eenheid",
en dat het mitsdien juister ware, ter uitdrukking van bedoelde
tegenstelling niet te spreken van Trinitarisme en Unitarisme,
maar van Trinitarisme en Antitrinitarisme (of Monarchianisme,
of in welken anderen vorm dit verschijnsel zich hebbe voor-
gedaan).
Evenwel, wij handelen nu niet over Dogmatiek, maar over
Bijbelserie Godgeleerdheid, welke (zie Prolegomena § 2) slechts
de grondstof toebereidt voor eerstgenoemde, die dan op haar
eigen verantwoording zien moet, hoe zij er mede klaar komt.
Wij laten derhalve de Dogmatiek aan haar plaats, en eigenen
ons van het onderwerp alleenlijk toe wat ons eerlijk toekomt
2. Welnu, als wij ons herinneren hetgeen vroeger gezegd
is (Prolegomena § 22) over „ de voltooide Godsopenbaring in
Christus", en (hiervoren § 4) over de beteekenis van „den
naam Gods", dan volgt daaruit vanzelf, dat ook in het Nieuwe
Testament een naam voor God moet gegeven zijn, waarin
de persoonlijke zelfopenbaring Gods, gelijk die in Christus
tot voltooiing gekomen is, hare kenmerkende uitdrukking
vindt. Een naam moet het zijn, die, zooals het gezegd is
in den tekst dezer §, „niet blijft beneden het èneïvoe I^wwxto
van Joh. I : 18." Niet zonder opzet heb ik het op deze wijze
met eenige behoedzaamheid uitgedrukt. Want er staat niet:
„die heeft Rem verklaard" (Syn. Vert.) nog veel minder:
-ocr page 79-
69
„die heeft Hem ons verklaard" (Stat. Vert), maar enkel en
alleen: „Hij [en geen ander; op Hy valt groote nadruk] heeft
verklaard", en dit als de tegenstelling van hetgeen voorafgaat:
„Niemand heeft ooit God gezien". Twee belangrijke vragen
doen zich daarbij voor; nml. waarvan is „Hij" (êxeTvog) appo-
sitie? en wat is het object van „verklaard" (J&yjfawrs)?
Wat de eerste vraag betreft, deze ware niet moeilijk te
beantwoorden, ja het ware nauwlijks een vraag, indien het
voorafgaande, waarvan êxeTvot; appositie is, niet verschillend
gelezen werd. De text. ree. heeft 6 fiovoyeviis vüs „de eenig-
geboren Zoon". Maar de belangrijkste en meest gezaghebbende
codices \') lezen lAovoysvfo §tis, en deze lezing is als de rechte
aangenomen o. a. door Westcott & Hort 2) en door laatstge-
noemden uitdrukkelijk verdedigd in eene monografie: „On
(/.ovoymt; Seé? in scripture and tradition" (1876). Het komt
ook mij voor, dat, alles wel overwogen, deze lezing inder-
daad de rechte is. Onder meer anderen is zij ook aangenomen
door Weiss, die zeer juist er bij opmerkt s): „Die Lesart
verliert jede Schwierigkeit, wenn man nur nicht übersetzt:
») Sinait. (K), Vatic. (B), Ephr. (C), Paris. (L), e. a.
*) Zij noteeren o. a. het volgende: «In Cent. IV and even later the
phrase novoyevfa 5*6t detached from the biblical context was widely used
by theologians of opposite schools, as Ath. Bas. Greg-naz. Greg-nys. Cyr.
al. on the one side, Arius and Eunomius on the other; and also by Hil.
Fulg. on the one side, and various obscure Latin Arian writers on the
other, though all the Latin biblical text have filius.
Both readings intrinsically are free from objection. Text, though start-
ling at flrst, simply combines in a single phrase the two attributes of
the Logos marked before (aeo? v. 1, novoyirft v. 14): its sense is: One
who was both itóc and /iovoytvfc." The New Testament in the original
Greek,
1882, II. Appendix, blz. 74.
\') Meyer\'s Comm*                                            \'
-ocr page 80-
70
„einen Gott hat Niemand je gesehen; ein eingeborener Gott
u. s. w.", was freilich sehr missverstandlich bleibt, sondern
im strikten Anschluss an vs. 1 und 14: „Göttliches Wesen
hat Niemand je gesehen *), ein Eingeborener göttlichen
Wesens ... hat davon Kunde gebracht." Werkelijk is de zin
aldus (derhalve met een komma tusschen [Mvoyswlis en Seé?)
niet alleen zeer duidelijk, maar ook taalkundig juist en zuiver
johanneïsch 2) naar den ganschen Proloog. Mitsdien is Umo?
appositie van (Aovoyevvit;, Ssd?.
Maar nu het object van i&jytjo-aero ? Het is niet vreemd,
dat het op zeer verschillende wijze wordt aangegeven en in-
gevuld, hetzij, zooate meestal geschiedt, door „Hem" of door
„het", hetzij door de „genade en de waarheid" (vs. 17), hetzij
door het naast voorafgaande „den Vader". Dat er in onze
vertaling een of ander object moet ingevuld worden, zal dan
ook door niemand ontkend worden; en dat dit niets anders
wezen kan dan Seèv, volgt, dunkt mij , onmisbaar niet alleen
uit de lezing povoyevto, Ssóg, maar ook nog uit iets anders,
waarop de aandacht moet gevestigd worden. Indien wij name-
lijk mogen aannemen, dat Johannes schreef te Efeze, dan
mag ook als zeker gesteld worden, dat hij, zoo goed als zijne
in ieder geval hellenistisch gevormde lezers, wist wie en wat
de Grieksche exegeten waren. Zóó toch, èZwirxi, heetten de
van regeeringswege in elke voorname stad aangestelde per-
sonen, wier taak het was, den vreemdelingen demerkwaar»
\') Of misschien nog beter, zooals Cremer wil (Wörterb. ad s«d«):
«den der Gott ist, hat Niemand je gesehen».
*) Want Lücke (Comm.) heeft, meen ik, duidelijk aangetoond «das
Gesprach breche mit vs. 15 ab, und vs. 16—21 sei ein erl&uternder nnd
erweiternder Zusafz des Evangelisten».
-ocr page 81-
71
digheden der stad en in \'t bijzonder de tempels en wat
daartoe behoorde te toonen en te verklaren, waarom Cicero
hen eenvoudig noemt interpretes religionum; en wie kan er
aan twijfelen, of ook te Efeze met zijn prachtigen Diana-
tempel zijn zulke exegeten geweest? Zoodra er dus sprake
was van i^sT^xi, was er vanzelf bedoeld het verklaren
van de res divinae, van de „religiones", van r» Seïx of rx
roü Stoü;
en in het Grieksche spraakgebruik was derhalve het
object Srsév bij êZwfaxro tamelijk wel gelijk aan een pleonasme,
want het is er van zelf in opgesloten. Zoo is het dus geheel
naar het Grieksche taaieigen, dat in dit verband het object
bij i&yfaxro ontbreekt. En de bedoeling *kan in dit verband
geen andere zijn dan deze: „God, dien nooit iemand gezien
heeft, heeft Christus uitgelegd of verklaard"; m. a. w. Hij
heeft gedaan, wat. niemand anders kon doen, omdat Hij alleen
is tiovoyevfc, $tó?: Hij heeft, door woord en daad en door
zijne eenige persoonlijkheid (zooals Bengel op zijne korte en
kernachtige wijze het uitdrukt: et verbis suis et conspectu
sui), geleerd en getoond, wie God is voor den mensch \'),
want Hij en Hij alleen is de vleeschgeworden, persoonlijke
heilsopenbaring Gods.
3. Deze kennis nu van den God des heils door Christus
gebracht, of, zooals Paulus het uitdrukt, „de kennis der heer-
lijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus" (2 Cor.
J) «Wie God is voor den mensch», niet het metaphysisch wezen Gods.
Ook hier wordt die restrictie geëischt door het geheele verband, en zij
volgt uit al het vroeger gezegde. Zoodat de kantteekening onzer Staten-
vertaling inderdaad met juistheid zegt: «d. i. klaarljjk en volkomelijk
geopenbaard de zaligmakende kennisse Gods en z\\jns raads, zooveel als
ons van God te weten ter zaligheid noodig is.»
-ocr page 82-
72
IV : 6), heeft hare korte, maar allesomvattende uitdrukking
gevonden in „ den naam des Vaders en des Zoons en des
Heiligen Geestes\'\' (Matth. XXVIII: 19). Het is hier de plaats
niet om te spreken over de beteekenis der Doopformule, het
(2xTT%eiv sU rè Óvopx, en wij merken hier alleen op, dat de al-
leroppervlakkigste verklaring van „in den naam" als „namens"
of „op gezag van" vooraan staat onder alle andere, die
moeten afgewezen worden. Neen, ook hier is „de naam",
gelijk overal in de H. Schrift, de uitdrukking van het geopen-
baarde wezen Gods; en daarom is ook hier geen sprake van
onderscheidene namen van den éénen God, maar van den
naam
van dien God, gelijk Hij zich thans, onder het Nieuwe
Verbond, geopenbaard, kenbaar gemaakt en bereikbaar ge-
steld heeft voor den mensen. Dit moet vooral niet worden
voorbijgezien : daar is hier sprake van ro ovopx, niet roe, ovó^xtx;
ook niet to ovopx telkens herhaald vóór roü vwv en vóór roü
xyiov irvevfAXToi;,
noch ook zelfs met herhaling van het artikel
(xxi rè tov vkü etc). Neen, het is één Naam, want God is
één, ook bij alle verscheidenheid en veelvuldigheid zijner open-
baringen; en daarom is de naam des Vaders en des Zoons
en des Heiligen Geestes nu onder het N. V. de naam Gods
bij uitnemendheid geworden, omdat geen andere of hoogere
openbaring van God te wachten noch te verlangen is dan
die ons geworden is in en door Hem, die gezegd en bevolen
heeft: maakt al de volken tot mijne leerlingen, ze doopende
in dien eenen Naam.
Dit nu, zoo is gezegd aan het slot onzer §, is „in overeen-
stemming met geheel het historisch beloop der Godsopenbaring,
waarvan de H. Schrift ons bericht geeft." Wat in Matth.
XXVIII : 19 geformuleerd is, het is slechts de duidelijke
-ocr page 83-
73
eindformule voor hetgeen in de Oud-testamentische Godsnamen
als uit de verte was aangeduid. Ik herinner slechts aan het-
geen in de voorafgaande §§ dienaangaande gezegd is, alsmede,
voorzoover het hierop betrekking heeft, aan hetgeen ik schreef
(in mijne Prolegomena) over de theophanie. Gaarne en van
ganscher harte betuig ik mijne instemming met het volgende:
„Wenn nun in der alten Theologie unsrer Kirche ohne Weiteres
die Trinitat im Alten Bunde gefunden wurde, so reichen
freilich die exegetischen Beweise, die man hierfür gab, nicht
aus.... Aber dass gewisse Spuren da sind von einer Tendenz
zu der Ausbildung, welche wir wirklich in der neutestament-
lichen Lehre, namentlich so kraftig in der Lehre des Herrn
selbst finden, ist allerdings nicht zu übersehen" l). En, zooals
Oehler het uitdrukt *): „Auf der Stufe des JV. Bundes, nach-
dem der eingeborene Sohn den Namen Gottes den Menschen
geoffeDbart hat (Joh. 17, 6), will Gött als Vater unseres Herrn
Jesu Christi
oder, um das nun vollendete Heilsverhaltniss
allseitig auszudrücken, mit dem Namen des Vaters, Sohnes
und heiligen Geistes
benannt sein."
§ 10.
Gods persoonlijk wezen.
De uitdrukking „persoonlijkheid" of „persoon", op
God toegepast, moge in den bijbel niet voorkomen,
\') C. F. Schmid: Biblische Theologie des N. T. Re uitg., bh. 174.
*) Theol. d. A. T. blz. 191.
-ocr page 84-
74
en het moge ook niet op onzen weg liggen, die uit-
drukking naar haren wijsgeerigen en leerstelligen inhoud
ten onderwerp van onze beschouwing te maken, het
neemt niet weg dat toch ook de Bijbelsche Godgeleerd-
heid er rechtens mede te doen heeft. Niet alleen toch
dat de waarheid van Gods persoonlijkheid van zóó
uitnemend belang is, dat met de erkenning daarvan
eigenlijk alle godsdienst staat of valt, maar het is,
afgezien van de formule, ook zulk een grondwaarheid
in de bijbelsche leer aangaande God, dat zij, zoowel
in het Oude als in het Nieuwe Testament, van het
begin tot het einde slechts voor het grijpen ligt overal
waar God genoemd of over Hem gesproken wordt.
1. Bene docet qui bene distinguit. Dat wil m. a. w. zeggen:
vóór alle dingen hebben wij ons wederom te herinneren: de
Bijbelsche Godgeleerdheid is noch filosofie noch Dogmatiek.
Anders toch stonden wij hier voor de vraag: „waardoor on-
derscheidt zich de goddelijke persoonlijkheid van de mensche-
liike? met andere woorden: waardoor is de goddelijke persoon-
lijkheid eene absolute? Uit de beantwoording van die vraag
zou dan tevens moeten blijken, of de christelijke theologie
reden heeft om de mogelijkheid eener absolute persoonlijkheid,
gelijk \' die in den nieuweren tijd in \'t bijzonder door J. G.
Fichte en voorts door vele leerlingen van Hegel, met name
ook door Strauss, uithoofde van den beweerden onverzoen»
lijken strijd tusschen de begrippen absoluut en persoonlijk,
geloochend is, haren tegenstanders prijs te geven."
Met de aangehaalde woorden ongeveer is door Julius
-ocr page 85-
75
Muller J) de zonder twijfel uiterst belangrijke kwestie gesteld,
die wij van ganscher harte en zonder het minste gevoel van
afgunst ter beantwoording mogen overlaten aan de dogmatici
en filosofen. Want de Bijbelsche Godgeleerdheid heeft hier
een andere taak. Zij heeft enkel en alleen aan te wijzen en
uit te leggen, wat de bijbel van deze dingen zegt, of liever:
op welke wijze en hoe onderscheidenlijk zij spreekt over het-
geen wij nu eenmaal niet beter kunnen samenvatten dan in
de korte formule: Gods persoonlijk wezen.
2. Want strikt bijbelsch is die formule zeer zeker niet.
Zij komt daar evenmin voor als de uitdrukking „persoonlijk-
heid" of „persoon", op God toegepast. Wel treffen wij het
woord persoon meermalen aan in het Oude en in het Nieuwe
Testament, maar alleen van den mensch, als individu, doch
ook van den mensch alleen onder alle geschapen wezens —
en ook hierin komt het uit (het worde hier slechts\' even
gememoreerd): de mensch beelddrager Gods. Zoo b.v. 2 Sam.
XVII : 11, Job. XXII : 8 (er», LXX jrpénmw), Mare. XII:
14, Mt. XXII : 16, 2 Cor. I : 11 (hvcWov), Hand. I : 15
(Zvo/ax, naam = persoon). Dit woord tcï&wkov nu beteekent,
evenals persona en persoon, allereerst aangezicht, gelijk het
ook menigmaal daardoor vertaald is, of eigenlijk hetgeen op
of vóór het aangezicht is *), en vandaar, in de tweede plaats,
den bepaalden, afzonderlijken mensch (niet het genus, maar
\') Die christl. Lehre von der Sünde, II, blz. 154. Voortreffelijk is
ook wat hjj( in hetzelfde verband, zegt van den onverbreekbaren samen-
hang tusschen de erkenning van Gods persoonlijkheid en godsdienst.
\') »rpe«-<&4/. Het is dus, evenals persona, eigenlijk een masker. Ex.
XXXIV : 33, 34 is sprake van het deksel op Mozes\' aangezicht (vrgl.
2 Cor. III : 13), moo, LXX *m.vwm. Volgens Ewald (Gesch. des Volkes
-ocr page 86-
76
den individueelen mensch), naardien toch ieder mensen be-
paaldelijk door zijn aangezicht te onderscheiden is van anderen.
Het drukt derhalve uit: het menschelijk-persoonlijke, datgene
waardoor ieder mensch een eigen ik, eene eigen persoonlijk-
heid is. Dit nu zegt de Schrift op hare wijze ook van God,
maar van God in absoluten zin.
Op welke wijze dan wordt het daar gezegd? Op zeer on-
derscheiden wijze, maar zóó dat het blijkt, dat de bijbel-
schrijvers ook met bewustheid en zeer opzettelijk die grond-
waarheid van Gods persoonlijkheid in concreto hebben willen
uitdrukken.
Allereerst mag hier verwezen worden naar hetgeen wij
reeds hebben opgemerkt (blz. 62) aangaande de omschrijving
van den Jehovah-naam, Ex. III : 14: „Ik ben, nvw, heeft
mij tot ulieden gezonden." Wij weiden daarover nu niet verder
uit. Maar in verband met die omschrijving moet ook gelet
worden op eene daaraan verwante uitdrukking, die vooral in
de profetische geschriften vele malen voorkomt. Ik bedoel de
uitdrukking *w\\ik, LXX èya> el/tt. Men moge dat (met onze
Stat. Vert.) willen vertalen „Ik ben dezelfde" (Jes. XLI : 4;
XLVIII\': 12) of „Ik Dezelve" (Jes. XLIII : 10) of „ben Ik"
(vs. 13), of „Ik ben het" (vs. 25), dan wel, indien dit een
zin gave, letterlijk: „Ik (ben) Hij" — Ego(sum) Ipsissimus —
onmiskenbaar is in die concreete spreekwijze uitgedrukt wat
wij in onze meer abstract wijsgeerige taal Gods absolute
persoonlijkheid noemen. Dit uw»*, wat is het anders dan
Isr., II, blz. 315) is dit xaKvuna niet de juiste vertaling van mas\'wèh,
maar moet het ook hier zijn: een masker.
Merkwaardig is het ook, dat sommige patres (2 Cor. IV : 6) i*irpo<ré>*t?
\'i»)«e Xp/9-roC vertalen: in persona Jesu Christi.
-ocr page 87-
77
de korte, schilderachtige formule voor hetgeen b. v. in Jes.
XLV : 5—7 breeder omschreven is?
Voorts: wij wezen reeds op de uitdrukking, die, van den
mensch gebezigd, soms terecht door „persoon" vertaald is,
maar die vele malen ook van God gebezigd is als daar sprake
is van Gods aangezicht. Ik noem van de vele teksten, waarin
die uitdrukking voorkomt, alleen de klassieke plaats Ex.
XXXIII : 14 vv. Reeds in vs. 11 is gezegd: „de Heer sprak
tot Mozes aangezicht tot aangezicht, gelijk een man met
zijnen vriend spreekt" 1). Dan volgt (vs. 12 en 13) de daarop
gegronde, vrijmoedige bede van Mozes, waarvan de zin in
het kort deze is: „Indien ik, gelijk Gij gezegd hebt, genade
gevonden heb in Uwe oogen, zoo laat mij niet in het onzekere
aangaande Uwe toezegging (vs. 2): ik zal eenen engel voor
uw aangezicht zenden, en aangaande uwe bedoelingen met
dit volk.\'\' Hierop antwoordt de Heer (vs. 14), niet met een
vraag (Stat. Vert.): „zou mijn aangezicht moeten medegaan,
om u gerust te stellen", maar met de belofte 2): „mijn aan-
gezicht zal medegaan, en ik zal u rust geven", d. i. ik zal
u brengen in het land, waar gijlieden tot rust zult komen,
een vaste woonplaats vinden zult (Deut. III : 20). De LXX
vertalen de woorden (vs. 14): „mijn aangezicht zal medegaan",
dv \'ja, eenvoudig door: Auto? 7rpo7ropsv<Toi&xi — Ik zelf zal
medegaan — en wederom (vs. 15) „uw aangezicht" door
xvrè? <rv — gij zelf. En evenzoo Gesenius (Lex.): „persona
mea ibit, i. e. ego ipse, ego praesens (ich in Person) ibo."
Dit nu moge taalkundig niet geheel juist zijn, maar zeer
\') Zie daarover mijne Prolegomena, blz. 139.
*) Zóó ook de LXX, de Vuig., Luther, en tegenwoordig de meeste
exegeten.
-ocr page 88-
78
zeker is bedoeld Gods persoonlijke tegenwoordigheid, gelijk
dan ook terstond daarop, vs. 16, „Uw aangezicht zal mede-
gaan" is afgewisseld met het enkele: „dat Qy met ons gaat."
Zoo heet het ook Deut. IV : 37, dat God hen „door zijn
aangezicht" (niet: voor zijn aangezicht, Stat. Vert.) LXX :
avTlq, „uit Egypte heeft uitgevoerd." In dit verband moeten
wij nog wijzen op eene schijnbare tegenspraak tusschen Ex.
XXXIII : 14 en 20. Reeds Calvijn heeft daarop gewezen
(Comm.) met deze woorden: „Si quis objiciat, pugnare cum
hac sententia (vs. 14) quod mox videbimus: Non poter is faciem
meam videre, facilis est solutio: quamvis peculiari modo Deus
se patefecerit Mosi, nunquam tarnen apparuisse in solida sua
gloria, sed quatenus ferre poterat hominis infirmitas." Gods
aangezicht, dit moet wel worden opgemerkt, is niet identisch
met Gods wezen, maar het is alleen de uitdrukking voor zijne
persoonlijke tegenwoordigheid, zooals Oehler het uitdrukt l):
„sein sich versenken in die kreatürliche Sphare, wodurch er
dem Menschen unmittelbar erfahrbar sich gegenüberstellt."
Het is zoo: ook die uitdrukking „Gods aangezicht", welke
door het N. T. ook door Christus zelf (Mt. XVIII : 10), vele
malen wordt overgenomen, is anthropomorphisch. Maar juist dat
veelvuldig en sterk anthropomorphisme en anthropopathisme,
waaraan vooral het O. T. zoo overvloedig is, bewijzen niet
minder dan al het genoemde, dat de groote waarheid van de
persoonlijkheid Gods door de gansche Schrift als is heenge-
weven, zóó sterk zelfs dat het mogelijk is, daarbij de vraag
te stellen, eene vraag trouwens die, naar ik meen, geenszins
bevestigend zou mogen beantwoord worden: „ob nicht dieser
*) Theol. d. A. T. blz. 193.
-ocr page 89-
79
Begriff der Persönlichkeit Gottes so stark betont wird, dass
darüber der Gedanke des Geistigen Lebens, der Gottheit,
verloren geht, ob also nicht die Vorstellung von Gott, welche
das Christenthum auszeichnet, wenigstens im Mosaismus noch
völlig verdunkelt ist" *).
En wat nu ten slotte het N. T. betreft, het is eigenlijk
overbodig, daaruit nog opzettelijk aan te wijzen de groote
waarheid, waarover wij spreken: de persoonlijkheid Gods.
Reeds dit ééne: „onze Vader, die in de hemelen zijf\'ishier
het einde van alle tegenspraak, en niet minder dit andere,
de samenvatting van het gansche Evangelie: „God is Liefde".
§ 11.
Gods geestelijk wezen.
Het woord van Christus msïi^a. & Sei$ (Joh. IV : 24)
is ontegenzeglijk het hoogste en laatste woord van alles
wat ons geopenbaard is omtrent de natuur van Gods
wezen. Immers de groote waarheid van het volstrekt
geestelijk wezen van den eenig waarachtigen God heett
daarin hare eenvoudigste en onovertrefbare formulee-
ring gevonden. Toch mag niet uit het oog verloren
worden, dat die groote waarheid, onmisbaar als zjj is
l) Aldus Schuitz in de 2de uitg. van zijn Alttest. Tkeol., blz.458.
In de 4de uitg. is het laatste gedeelte vande vraag weggelaten, en terecht;
daar staat alleen dit: «ob nicht dieser Begriff der Persönlichkeit Gottes
so stark betont werde, dass darüber das geistige Leben, die Gottheit,
verloren gehe.» Toch zou ik ook op deze vraag antwoorden: gewis niet.
-ocr page 90-
80
voor alle ware Godskennis en Godsvereering, ook reeds
in het O. T. op velerlei wijze verscholen ligt, en, zij
het ook meer omhuld en bedekt, ook daar reeds on-
miskenbaar te voorschijn komt.
1. De bijbel heeft zijn doel niet in eenige theorie, maar
in de praktijk. Het is, dunkt mij, volkomen juist en naar
waarheid gezegd, allereerst van de geschriften van het O.
T.: „tout cela a été écrit, non dans un but historique, ou
philosophique, ou dogmatique, mais dans un but religieux.\'\'
Dit geldt ook van het N. T.: „11 en est de même du Nouveau
Testament, et cela de tous les écrits dont il se compose,
sans exception" *). Eene eigenaardige toelichting en bevesti-
ging van die waarheid wordt gegeven door het woord van
den Heer, hetwelk Johannes ons mededeelt: Tveüpx i 3-w\'s,
een woord, dat ontegenzeglijk mag genoemd worden het
hoogste en laatste woord van alles wat ons geopenbaard is
omtrent de natuur van Gods wezen, maar dat toch even
ontegenzeglijk gesproken en ons gegeven is niet met een
theoretisch, maar met een bij uitnemendheid praktisch doel.
Immers de Heer spreekt hier tot de Samaritaansche, niet
om eene definitie te geven van het wezen Gods, maar om
in het licht te stellen de ware aanbidding van God. En toch
zien wij aan de andere zijde daardoor ook weer bevestigd
wat even waar en goed gezegd is 2): „Il ne peut pas y
avoir de religion sans théologie", al is wel het omgekeerde
mogelijk: „mais il peut parfaitement y avoir théologie sans
religion."
\') Chavannes: La religion dans la Bible, I. Introd. XI, XII.
*) t. z. p. VIII.
-ocr page 91-
81
Zoo is er dus in den bijbel óók, het kan niet anderszijn,
wat wij noemen „theologie" ook in den engeren zin, Gods-
leer; en een van hare centraal-waarheden is geformuleerd in
het woord van den Heer, het hoogste en verhevenste dat
immer gesproken is: irvevpx \'o Seóg. .
Wat beteekent het? Allereerst: hoe moeten wij vertalen?
„God is een Geest"? Of, zooals men tegenwoordig veelal
doet: „God is Geest"? Het behoeft geen betoog, dat taai-
kundig het een even goed is als het ander, aangezien in het
Grieksch het onbepaald lidwoord „een" niet bestaat, evenmin
als in het Hebr. en Latijn, en derhalve het verband moet
uitmaken, of het er bij moet of niet. Niemand zal dwaas
genoeg zijn, om b.v. Joh. I : 6 de woorden: êyévsro xv$pa>7ro<;
te vertalen door „er was mensen", of Luc. XXIV : 37, de
woorden èlóxovv n-veüftx SeupeTv, en vs. 39 öt; ttvA^x o-xpxx
xxl hatkx ovx s%si
door: „zij meenden geest te zien" en „geest
heeft geen vleesch en been."
De gewone bedenking tegen de vertaling „God is een Geest",
alsof hierdoor gezegd ware, dat God een geest is onder vele
andere geesten, heeft eenigen grond; maar het is de vraag,
of zij kan opwegen tegen de bedenking, die ontstaat aan de
andere zijde, dat namelijk bij de vertaling „God is Geest"
de persoonlijkheid Gods niet tot haar recht komt, en zeer
zeker ook het pantheisme daarmee vrede zou kunnen hebben.
In ieder geval, zoo men vertalen wil „geest" en niet „een
geest", dan moet het niet om het irvevpx, maar alleen om
h Steg. Nitzsch zegt *): „Gott ist nicht ein Geist, sondern
Gott ist Geist, d. i. das vollkommene Leben, er hat die
\') System der christl. Lehre, § 62.
6
-ocr page 92-
82
Vollkommenheit des Seins." Terecht, meen ik, merkt v.
Hofmann l) daartegen op: „Dass aber Nitzsch abwehrt, es
heisse nicht, Gott ist ein Geist, sondern er ist Geist, damit
hat er zwar ganz Recht, aber nicht vermöge des Pradikats
TTvsüftx, sondern vermöge des Subjects i 9*0?." Want als men
van God zegt: „Hij is geest", dan is daarmede nog niet uit-
gesloten, dat Hij slechts een der geesten is, evenmin als
wanneer b.v. van den mensch gezegd wordt „stof zijt gij"
(Gen. III : 19) daarmede uitgesloten is, dat er nog andere
stoffelijke wezens zijn. Neen, maar, gelijk Hofmann dan verder
zegt: „Diese von Nitzsch gemeinte Enthebung Gottes aus
aller Vergleichung mit gleichartigen Wesen geschieht lediglich
dadurch, dass das Subject als b Seis benannt wird, namlich
als der, welcher Gott, nicht als einer, welcher Gott ist."
Dit nu is zeer juist gezien. Geest is God, niet als een der
godheden, (S-fcV) maar als de eenige die God is (5 Sefa). Der-
halve: Geest is Hij die God is, Hij alleen. Hoe het zij, en
hoe men dan ook vertalen wil, de.bedoeling is onmisken-
baar geen andere dan deze: „geest is de natuur van Gods
wezen"; m. a. w. God is niet maar „geestelijk", ttvsu^xtikó? 2),
wat ook van den mensch kan gezegd worden (1 Cor. Il: 15),
en ook van het lichaam der opstanding (1 Cor. XV : 44).
Neen, maar geest is zijn Wezen; al wat stoffelijk, lichaamlijk,
en dus beperkt is, moet van God worden weggedacht, want
Hij is geest. Dit nu geldt van God alleen; ja als daar een-
\') Schriftbeweis, I, blz. 67.
2) Indien dus ook maar niet gezegd wordt: «geest, d. i. geestelijk"
(Syn. Vert.) Neen, irvti^» is niet = *vtvnaTix6(. Maar: « wij gelooven...
dat er is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, \'t welk wij God
noemen» (Ned. Geloofsbel. Art. 1).
-ocr page 93-
83
maal sprake is van eene goddelijke natuur, üelx <pó<ri$, en van
het deelachtig worden daarvan als het hoogst bereikbare en
het hoogste doel voor den mensch (2 Petr. 1:4), wat kan
het anders zijn dan juist het wezen Gods als irvevpx, daar
immers de mensch, naarmate Christus door het geloof in zijn
hart woont, „vervuld wordt tot al de volheid Gods" (Ef. III:
17-19; vrgl. 2 Cor. III : 17, 18) \').
2. Eene andere vraag, van niet minder belang dan die naar
de rechte beteekenis van dat vveüftx i Sióc, is deze: of daar-
mede iets volstrekt nieuws aangaande God geleerd is? Het
wordt veelal beweerd. Zelfs Steudel *) verklaart: „dass im
A. T. Gott nicht als Geist, sondern vielmehr der rn-\\aisetwas
Gott zukommendes dargestellt wird." Hetzelfde wordt m. a. w.
gezegd door F. C. Baur 8): „Hat man bisher den Geist nur
als eines der vielen Pradicate des Absoluten angesehen und
>) Bij Ef. III : 19 zegt J. T. Beek {Erkliirung d. Br. Pauliandie
Epheser,
herausgegeben von Lindenmeyer, 1891) op zijne voortreffelijke
wijze: Das T^poS<rixi sk bezeichnét den Zielpunkt; dass ihr es bis zur
göttlichen Vollkommenheit bringet, analog Matth. 5, 48. In dem réuu»
\'i«t<r$t
der letzteren Stelle liegt die Vollkommenheit als Angekommensein
am Ziel, dass alles geschieht und geschehen ist, was geschehen soll; in
xAijfoCs-Ja» erscheint die Vollkommenheit als volle Durchdrirfgung, als
Durchbildung, dass was in Subject vorhanden sein soll, vollstandigdarin
ist: es ist die Vollkommenheit der Substanz nach. Vrgl. I, 23. Es ist
aber die Gottesfülle gemeint, wie si e eben in Christo, von dessen Ein-
wohnung v. 17 ja Alles ausgeht, sich herausgegeben hat und giebt als
Gnadenfülle, als Gottmenschheit (vgl. Kol. 2, 9 f.), nicht wie sie, un-
mittheilbar an die Geschopte, Gott als dem Einzigen immanent ist und
bleibt; es ist die 3<f|«, wie sie in Christo als göttliches Lichtleben und
Liebasleben zur menschlichen Erscheinung kam und so auch die unsrige
werden soll in ihrer ganzen Fülle.
J) t. a. p. blz. 236.
3) Vorles. üb. Neutest. Theol, blz. 354.
-ocr page 94-
84
von einem Geiste Gottes gesprochen, urn Gott das Höchste
zuzuschreiben, was er nach aussen mittheilen kann, so ist
es nun zum bestimmten Bewustsein gekommen, dass man
sich vora Wesen Gottes überhaupt keine Vorstellung machen
kann, wenn man nicht schlechthin von ihm sagt, das er
Geist sei." En niet anders, om het hierbij te laten, beweert
Scholten in eene algeraeene stelling over het vierde Evan-
gelie \')•
Dit moet echter zeer beslist ontkend worden. Volkomen
naar waarheid zegt van Oosterzee 2): „Zelfs het woord: God
is geest, hoe verheven ook, is slechts de klare, kernachtige
uitdrukking eener waarheid, die onder het O. T. althans reeds
voorgevoeld en aangeduid was"; en wanneer hij zich daarbij
dan enkel en alleen beroept op Ex. XXXIII : 18 — 23, dan
had hij zich daartoe niet behoeven te bepalen, maar, zooals
wij zien zullen, nog wel wat anders en beters kunnen noemen.
Zonder twijfel is het waar, dat nergens in deganscheSchrift
zóó kort en duidelijk en met klare bewustheid die waarheid
is uitgesproken als in dat woord van den Heer. Maar reeds
de wijze waarop hij daarover spreekt tot de Samaritaansche
geeft den indruk, dat Hij slechts klaarlijk en beslist uitspreekt
wat haar niet volstrekt vreemd in de ooren klonk. Zelfs Reuss
stemt dat toe als hij zegt s): „Cette these (que Dieu est
esprit), bien qu\'elle ne se rencontre pas ailleurs dans cette
forme breve et absolue, n\'est pas propre au christianisme;
la théologie juive 1\'adoptait explicitemen t, et 1\'on ne peut pas
1\'appeler une formule johannique. Elle se présente d\'ailleurs
\') Het Ev. naar Joh., blz. 150.
») De Ineol. des N. V., blz. 109.
\') Hist. de la théol. chr. au siècle apost., II, blz. 433.
-ocr page 95-
85
:
ici simplement comme une protestation contre materialisme
dans la religion et dans Ie culte, et n\'appartient comme telle
a aucun système particulier de théologie spiritualiste." En
niet minder kras zegt ook Biedermann \'): „Das mevpx 5 $«\'?,
Joh. 4, 24, ist allerdings nichts Neues im NeuenTestament,
sondern allgemein biblische Voraussetzung... Hier ist das
biblische Bewustsein einfach wieder zu geben, wie es selbst
sich giebt. Diejenigen, welche der biblischen Gottesvorstellung
ihre sinnlichen Momente fixiren und diess als das Wesent-
liche geitend machen, um sich mit ihrer eigenen „reinern"
Gottesvorstellung darüber zu erheben, die verrathen in der
Regel, dass in erster Linie sie selbst mit der religiösen Vor-
stellung nur hölzern und ungeistig umzugehen wissen."
Genoeg om te doen zien, dat theologen van verschillende
richting het hierin eens zijn met "Weiss, als hij (Meyer\'s
Comm.6) opmerkt: „Zu verstehen aber, dass Gott Geist sei,
konnte Jesus schon nach Ex. 20, 4, Jes. 31, 3 Jedem zu-
muthen, welcher dem alttestamentlichen Monotheismus an-
gehörte\'\'. Ziedaar inderdaad reeds twee plaatsen, waarin het
zeer zeker reeds ligt opgesloten. Of welke beteekenis houdt
nog het 2de gebod, indien deze waarheid daaraan niet ten
grondslag ligt, dat God, als zijnde boven al het stoffelijke,
zinnelijke, zichtbare en lichaamlijke verheven, onder geen
enkelen vorm kan noch mag afgebeeld worden? En Jes.
XXXI : 3 — zoo wij letten op de dubbele tegenstelling:
»=™ (menschen) en "w (God), en "*a (vleesch) en nn (geest),
en op het daarin uitkomend parallelisme: God en geest — is
daarin niet opgesloten, dat in de taal der profetie althans
\') Christl. Dogmatik. blz. 172.
-ocr page 96-
86
de schaduw gegeven is van het volkomen woord van den
Heer? En tot welke andere slotsom moet men komen, wan-
neer men let op het verband, waarin God genoemd wordt
en aangebeden als „de God der geesten van alle vleesch"?
(Num. XVI : 22, XXVII : 16). En, om niet meer te noemen,
1 Kon. VIII : 27, Jes. XL : 18 vv. — hoe is het mogelijk,
dit alles te verstaan en te waardeeren, tenzij erkend worde,
dat in de Godsopenbaring van het O. T. reeds het praeludium
wordt vernomen van die groote en heerlijke waarheid, waaraan
de Vervuiler van wet en profetie voor alle eeuwen en voor
de gansche menschheid een vasten vorm heeft gegeven: „God
is Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in
geest en waarheid"?
§ 12.
Gods liefdewezen.
De God der openbaring, de natuur van wiens Wezen
beschreven werd in het woord irveü^x i $eé«, is niet de
verborgene of onbereikbare, noch ook het onbepaalde
en onpersoonlijke Seïov, maar Hij is de Levende, die
zijn leven niet slechts openbaart, maar ook mededeelt.
Deze waarheid vindt hare schriftuurlijke uitdrukking
in het ééne kernwoord: God is liefde (1 Joh. IV : 8,
16). God is liefde. Daarin ligt opgesloten, dat hier
geen sprake is van eenige eigenschap, maar van de
openbaring van het wezen Gods. Dit wezen Gods nu
als liefde, wel verre van eene tegenstelling te vormen
-ocr page 97-
87
met hetgeen het Oude Testament van God leert, is
integendeel de verklarende grond van alle heils-open-
baring Gods van het begin tot het eind. Doch al is dat
niet anders, en al wordt van de liefde Gods ook onder
het Oude Verbond op velerlei wijze getuigenis gegeven,
het neemt niet weg, dat Gods wezen als Liefde eerst
onder het Nieuwe Verbond, immers in den persoon en
het werk des Verlossers, openbaar en \'t heerlijkst ken-
baar geworden is.
1. God is liefde. Ziedaar een breed veld en een vruchtbaar
onderwerp voor de speculatieve dogmatiek. Want, zooals men
weet, is van dat bijbelwoord, als ware daarmede eene be-
paling gegeven van het metaphysisch wezen Gods, sinds vele
eeuwen gebruik gemaakt om niets minder dan het leerstuk
der triniteit, of liever het trinitarisch Godsbegrip, er uit af
te leiden, en dit tevens er door te verklaren.
Ik beoordeel dat niet, en laat alle dogmatische beschouwingen
en gevolgtrekkingen aan hare plaats en in haar waarde. Doch
mij dunkt, niemand zal ontkennen, dat de Bijbelsche God-
geleerdheid niet anders kan noch mag doen dan zich ook hier
* te houden binnen haar natuurlijke grenzen, en dat Johannes,
blijkens het duidelijk verband waarin dit „God is liefde"
tweemaal voorkomt in hetzelfde hoofdstuk, daardoor geens-
zins een metaphysisch, maar een ethisch begrip van het
wezen Gods heeft willen geven, m. a. w. dat hij er meê
heeft willen uitdrukken niet het wezen Gods op zichzelf,
maar met betrekking tot den mensch, zooals het gebleken
is en openbaar geworden in de zending van zijn eeniggeboren
Zoon in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem (vs. 9).
-ocr page 98-
88
Die waarheid nu „God is liefde" is van de hoogste betee-
kenis, want in haar licht verdwijnt al het nevelachtige en
onbepaalde van „het goddelijke" als God gedacht, en komt
God als de persoonlijke en levende ons, om zoo te zeggen,
nabij en in ons bereik. Het is dan ook wel op te merken,
dat slechts een enkele keer in de Schrift van God gesproken
wordt als rb Sslov, het onpersoonlijk en abstract „goddelijke",
en wel juist daar waar door Paulus de heidensche voorstelling
bestreden en verbeterd wordt, als hij den Atheners verkon-
digt den levenden God, den Schepper aller dingen, die ook
niet verre is van een iegelijk onzer, in Wien wij leven, ons
bewegen en zijn, en er dan bijvoegt: „wij dan, zijnde Gods
geslacht, moeten niet meenen, dat de godheid (rb SreTov) goud
of zilver of steen gelijk zij" (Hand. XVII : 29). En inderdaad,
dit dat God liefde is, het is het hoogste begrip niet slechts der
persoonlijkheid Gods, maar van dien God als den Levende,
die zijn leven ook openbaart en mededeelt. "Want het is ook
meer dan wat men noemt eene eigenschap Gods, zooals het
veelal verkeerdelijk wordt voorgesteld \'). Neen, God is niet
slechts liefderijk en liefdevol, maar Hij is liefde; dat is zijn
wezen, gelijk dit eerst volkomen is openbaar geworden onder
het N. V. in en door Jezus Christus.
2. Want ook wel reeds onder het O. V. wordt op velerlei
wijze getuigenis gegeven van de liefde en van het liefhebben
Gods; maar dat het wezen Gods liefde is, déze waarheid is
uitsluitend Nieuwtestamentisch. Toch moet er wel zeer na-
\') Zoo o. a. Schleiermacher: der christl. Glaube*, II, § 166:
«Die göttliche Liebe als die Eigenschaft, vermöge deren dass göttliche
Wesen sich mittheill, wird in dem Werk der Erlösung erkannt».
-ocr page 99-
89
drukkelijk de aandacht op gevestigd worden, dat zelfs het
denkbeeld, de gedachte, de voorstelling van een God die lief-
heeft (in den zin van xyxirxv) of die liefde («y«Ti?) heeft en
betoont, nimmer in eenig menschenhart is opgeklommen dan
alleen in de harten der mannen van den openbaringsgodsdienst
bij uitnemendheid, waarvan wij de oorkonden bezitten in de
Schriften des Ouden en des Nieuwen Verbonds. Ja, het is
niet te veel gezegd wanneer beweerd wordt: reeds het enkele
feit dat daar sprake is van een liefhebbend God, en dat het
gansche heidendom daar niets van weet, ja reeds het enkele
woord liefde, met het oog op God gezegd in het O. en in het
N, T., is het onomstootelijk bewijs voor het niet slechts
gradueel, maar specifiek verschil tusschen den openbarings-
godsdienst van Israël en van de christenheid, en eiken anderen
godsdienst. Het woord xyxnvt is uitsluitend bijbelsch; het zoo-
genaamd klassieke Grieksch, d. i. dat van de heiden wereld,
heeft en kent het niet. Wel heeft dit meer dan één woord
voor lief ds; maar de bijbelschrijvers, die gebruik maakten
van de Grieksche taal, toen, naar den raad en de bedoeling
Gods, al de volken moesten bereikt worden met het door Hem
bereide heil, en toen diensvolgens ook zijne heilsopenbaring
aan Israël buiten Israël moest gebracht en verkondigd worden
in eene taal die verder reikte dan de enge grenzen van Israëls
volkstaal — die bijbelschrijvers, te beginnen met de Grieksche
vertalers van het O. T., en in aansluiting daaraan de schrijvers
van het N. T., zij hebben een nieuw woord moeten uitvinden
om uit te drukken de liefde Gods en alles wat daaruit voort-
vloeit onder de menschen, d. i. in het algemeen: de liefde
in de hooge en eenig-ware beteekenis en in den goddelijken
zin des woords De Grieksche taal had voor „liefhebben" en
-ocr page 100-
90
voor „liefde" o ja woorden genoeg. Daar was èpxv en 2/>»f,
avnare en qmor, d. i. de liefde van den hartstocht, van het
zinnelijk begeeren — is het wonder, dat de bijbeltaal die
woorden niet gebruiken kon om iets te zeggen van de liefde
Gods? J). Daar was ook cpitelv en cpitix. Dit kwam er gewis
nader bij, en de bijbeltaal heeft die woorden dan ook wel
overgenomen, maar kon toch ook die niet gebruiken voorde
liefde in den hoogsten zin, gelijk ze dan ook meer de gedachte
van toegenegen-zijn en van vriendschap 3) dan van liefde uit-
drukken, en gelijk niemand het woord (plkos dan ook anders
vertalen zal dan door vriend. Daar waren ook nog andere
woorden. Doch geen van die was voldoende. Het werkwoord
xyxirxv was voorzeker in het klassieke Grieksch alles behalve
onbekend, en het staat ook hooger dan cpiXsh, daar het dient
ter aanduiding van de liefde als richting van den wil, het
vrijwillig liefhebben, diligere, en alzoo eene hoogere, ethische
beteekenis heeft. Maar juist dit <&yx7rxv wordt van geen god-
heid ooit gezegd. Een god Eros (Amor), de zinnelijke liefde
\') Zie hierbij de schoone artikelen over «y«T«« en «.yan* in Cremer\'s
Wórterb. d. neutest. Grac., die uitvoeriger dan ik hier doen kon op-
merkzaam maakt op menige belangrijke bijzonderheid, en uit wien ik hier
ook het volgende refereer van Trench (Synonyms of the New Test.)
betreffende het ontbreken in het N. T. van ïp««, ép«v, hpao-Ttt: «Their
absence is significant; in part no doubt to be explained from the fact that
by the corrupt use of the word they had become so steeped in earthly
sensual passion, carried such an atmosphere of unholiness about them,
that the truth of God abstained from the defiling contact with them."
*) In het N. T. komt $«*/* slechts eenmaal voor, Jac. IV : 4: «de
vriendsctiap der wereld»; <}><At7v meermalen, maar altoos meer in den zin
van vriendschappelijke verhouding of betrekking; het drukt iets meer ge-
meenzaams uit, en het wordt dan ook nooit gebruikt van de liefde der
menschen jegens God; dit is steeds &yuir&*.
-ocr page 101-
91
vergoddelijkt, is in de Grieksche godenleer wel bekend, en dat
derhalve de heidensche godenwereld ook haar godinnen heeft,
is alles behalve vreemd \'); maar een god x-yxnvi kent de
Olympus niet, ja zelfs het woord heeft in de Grieksche taal
eerst zijn intrede gedaan door de taal van den bijbel. \'Ayabnj
beteekent eene liefde „welche nicht ein Charakterzug der
Humanitat, sondern der Divinitat ist, welche an Art, Mass
und Kraft ihres Gleichen nicht hat auf aussertestamentlichen
Gebiet und schlechterdings nicht voller gedacht werden kann,
als sie von Gott uns erwiesen, in Christo erschienen ist und
von den Christen erfordert wird" (Cremer). Het is de liefde
in religieusen en religieus-ethischen zin, de liefde uit, door
en tot God — en in dezen zin der godheid liefde toe te kennen,
was den Griek en in het algemeen den heiden volstrekt on-
mogelijk. Daarom hadden de bijbelschrijvers een nieuw woord
noodig om dat uit te drukken — en welk een groote en voor-
name plaats dit iyixj? bekleedt in het N. T., behoeft niet
te worden aangewezen. De weg nu tot invoering van dat
woord in het Nieuwtestamentisch spraakgebruik was reeds
gebaand door de LXX. Want al heeft xyxirvi bij hen nog niet
eene bijzondere, met die van het N. T. overeenkomende be-
teekenis, zij zijn het toch die het woord hebben ingevoerd,
\') Zeer terecht is gewezen op de tegenstelling ook in dit opzicht tus-
schen Israël en de heidenwereld. Het Hebreeuwsch heeft zelfs geen woord
voor godin. « Dieser Mangel der Sprache ist der grösste Vorzug von Israel\'s
Grlauben; denn er beweist, dass die rait dem Worte Göttin verbundene
Vorstellung dem Hebriier sozusagen unfassbar war. Damit aber war der
semitischen Naturreligion, welche auf dem physischen Gegensatz von
mannlich und weiblich basirt ist, in Israël von vornherein der Nerv
durchschnitten». Baethgen, t. a. p. blz. 289. Ook Dalman wijst
daarop, t. a. p. blz. 9.
-ocr page 102-
92
en uit het meermalen bij hen voorkomend gebruik er van •)
blijkt overtuigend, dat het hun te doen is geweest om een
woord waardoor sterker en bepaalder dan door eenig ander
der hun ten dienste staande en reeds gebruikelijke woorden
het intensieve, het diep en innerlijkst wezen der liefde werd
uitgedrukt. Niettemin bepaaldelijk van de liefde Gods wordt
het door hen nog niet gebruikt, wel reeds een enkele maal
van de liefde jegens God, Jer. II : 2: „der liefde — rorw —
uwer ondertrouw", xyxirw reteiütrtus <rov-, en de enkele keeren
wanneer daar van Gods liefde — ranx — sprake is, geven
zij dat wéér of door het, in het klass. Grieksch uiterst zeld-
zame, &y&mim (Jer. XXXÏ : 3. Hos. XI : 4. Zef. III : 17)
of door omschrijving met het werkwoord xyxirxv, b.v. Jes.
LXIII : 9: „door zijne liefde", irianxa, §<« rb xyxnxv xürovg,
1 Kon. X : 9: „omdat de Heer Israël bemint", SntrTW nftv ranta
$ix tc tt.ya.irxv xvptov rèv \'IvpxijK Dit xyxirxv wordt door de
LXX dan ook regelmatig daar gebruikt (en in dit opzicht is
daar geen verschil met het vaste spraakgebruik van het N.
T.) waar sprake is van de liefde welke behoort tot het gebied
der goddelijke heilsopenbaring, d. i. van de liefde met betrek-
king tot God, en uit dit eigenaardig gebruik van het werk-
woord volgde als van zelf de vorming en het gebruik van
het substantief xyxirvi, waar de schrijvers van het N. T. be-
l) Behalve de 17 door Cremer opgegeven plaatsen waar uyi** voor-
komt bij de LXX, worden in de kostelijke Concordance to the Septuagint
van Hatch en Redpath, waarvan nog maar de lste Afl. niet langgeleden
verscheen, nog een 3tal andere genoemd, en bovendien eenige plaatsen
uit andere oude Grieksche vertalingen van het O. T., o. a. uit die van
Symmachus ( 200 n. Chr.): Ps XXXIII : 5 («de goedertierenheid des
Heeren», LXX ïa«o«), Ez. XVI : 8 («de tijd der minnen», LXX Kuifit
KttTxkvóvruv),
e. a.
-ocr page 103-
93
hoefte hadden aan een woord hetwelk dienen kon ter aan-
duiding van die liefde, die eerst in den persoon en het werk
des Verlossers hare hoogste uitdrukking gevonden heeft en
tot levende werkelijkheid geworden is, zoodat het hier dan
ook eerst heeten kan: „wie niet liefheeft, die kent God niet,
want God is liefde\'\', want: „hieraan kennen wij de liefde"
— hieraan leeren wij kennen de natuur en het wezen der
liefde — „dat Hij" — èxeTvo?, d. i. Christus — „zijn leven
voor ons gesteld heeft" (1 Joh. IV : 8, III: 16); i. e. w. eerst
onder het N. V. is de beteekenis van >j xyxxvi ten volle en
in de werkelijkheid aan het licht getreden (1 Joh. IV : 9).
3. Uit de ontwikkeling nu van dat spraakgebruik blijkt
wederom op eigenaardige wijze de waarheid der oude spreuk:
Novum Testamentum in Vetere latet, Vetus in Novo patet.
Daarop dient gelet te worden. Want groot en gevaarlijk en
nog niet weggestorven is het misverstand, hetwelk het Oude
en het Nieuwe Testament gaarne tegenover elkander plaatst,
en wel met name en bij voorkeur hier, waar Jezus en de
apostelen ons God leeren kennen als die de Liefde zelve is.
Ziedaar inderdaad een geliefd [thema van het modernisme:
de God des O. T. de naijverige, de toornige, de partijdige,
de wraakzuchtige, de God des N. T. de God der liefde! Deze
beweringen zijn niet nieuw. In dit opzicht althans vertoonen
ze, mutatis mutandis, een sprekenden familietrek met zeker
oud gnosticisme, b.v. van een Marcion. „Die sittlichen Ge-
schichtspunkte 1), von welchen Marcion bestimmt wird, erwei-
sen sich darin, dass er den höchsten Gott vornehmlich von
seiten der Güte, den Demiurg von seiten der Gerechtigkeit zu
*) Sic. Moet wel zijn: Gesichtspunkte.
-ocr page 104-
94
charakterisiren pflegt. Bei keinem Gnostiker sind beide Eigen-
schaften in gleicher Unversönlichkeit gegenübergestellt. Jener
ist der Gute, der nur woltun und vergeben kann. Mardon
glaubt die Tiefe seiner Liebe nur dadurch würdigen zu können,
dass er die Strafgerechtigkeit vollkommen fern von ihm halt
und sie dem Demiurg beilegt, dem Judengott, welcher hart
wie das Gesetz, ein erbarmlungsloser Racher der Uebertre-
tungen, nach Blut und Krieg begierig ist" \').
Neem den demiurg-titel weg, en wat houdt gij over dan
den Jodengod, van wien beweerd wordt dat hij door het O.
T. wordt voorgesteld als „bloeddorstig", en van wien „men
in den alleroudsten tijd geloofde, dat Hij het kwaad, hetwelk
de vaderen misdreven, bezocht aan henzelven en aan hunne
kinderen en nazaten", een geloof waarvan men later echter
is teruggekomen, omdat men „ deze leer onbillijk en hard
vond" *)? Niet anders ook is het bedoeld, wanneer gezegd
wordt: „Wrj leeren wel de meening des wetgevers kennen,
dat God een naijverig wezen is, bezoekende de zonden der
vaderen aan de kinderen in het derde en vierde geslacht,
en de opvatting des evangelies, dat God liefde is, onpartijdig
en onbeperkt" s). En ook, al wordt van het O. T. met zekere
waardeering gesproken, en vooraf toegestemd dat „sa valeur
historique est tres grande", van die historische waarde gaat
nog al iets af, wanneer daar van datzelfde O. T. in één adem
wordt bijgevoegd: „que tout spécialement 1\'amourde Dieun\'y
\') Jacobi. in Herzog\'s Keal-Enc2 V, blz. 233. Vrgl. Baur: Das
Christenthum und die christl. Kirche der drei ersten Jahrh.3,
blz.
187, 225.
s) J. C. Matthes: de nieuwe richting*, blz. 57.
\') J. Herderschee: t. a. p. blz. 320.
-ocr page 105-
95
soit encore que de la partialité et de 1\'indulgence, sa justice
essentiellement de la vengeance" 1).
Ik moet bekennen, dat ik altoos met eenige verbazing
keunis neem van dergelijke verzekeringen, waarin ik niets
anders zien kan dan eene eenzijdige beschouwing van enkele
teksten en een volstrekte miskenning van den geest en de
strekking (wat de Franschen noemen „Ie teneur") van het
gansche Oude Testament. Eerder zou ik dan ook kunnen in-
stemmen met de tegenovergestelde verzekering 2): dat God
liefde is „diess lehrt die Schrift allerdings, aber nicht bloss
durch solche Sprüche, wie 1 Joh. 4, 8. 16, so dass man
etwa von dem Alten Testamente, weil sich in ihm solche
Sprüche nicht finden, sagen müsste, jene Wahrheit sei ihm
fremd. Wie der Spruch, dass Gott Geist ist, nur gelegentlich
et was aussagt, das die Schrift überall voraussetzt, so finden
wir in jenem johanneischen Worte, Gott ist Liebe, nur ge-
legentlich kurz zusammengefasst, auf seinen einfachsten
Ausdruck gebracht, was die Schrift durchweg, die ganze Schrift
lehrt." Dit nu is misschien een weinig te sterk uitgedrukt,
omdat het den indruk zou kunnen maken alsof het liefde-
wezen Gods niet eerst op de hoogte van het N. T. volkomen
ware aan het licht getreden, en als ware dus ook in dat
opzicht niet eerst in Christus de vervulling gegeven van wet
en profetie — het neemt niet weg, dat, waar sprake is van
de liefde Gods, het O. T. nog veel minder tegenover het Nieuwe
dan daarmede gelijk te stellen is. Of heeft Christus een on-
bekenden en nieuwen God aan Israël gebracht en aan de
\') Chavannes: la religion (lans la bible. I, blz. 422, 423.
\') Hofmann: der Schriftbeweis. I, blz. 68, 69.
-ocr page 106-
96
wereld verkondigd, en heeft Hij den Sadduceën niet den mond
gestopt, als Hij tot hen zeide: „gij dwaalt, niet wetende de
Schriften noch de kracht Gods", van dien God, die daar zegt:
„Ik ben de God Abrahams en de God Isaaks en de God
Jakobs"? (Matth. XXH : 29, 32). En deze groote kern van het
Evangelie: „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij
zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die
in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe"
(Joh. III : 16), en de weerklank daarvan: „Hierin is de liefde
Gods jegens ons openbaar geworden, dat God zijn eenigge-
boren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden
leven door Hem" (1 Joh. IV : 9) — is juist dat niet het
einde van alle tegenspraak, wanneer gezegd wordt, dat die
God, die dit liefdewonder toch niet gewrocht heeft door de
zending van zijnen Zoon als een Deus ex machina, maar
door zijne eeuwenlange voorbereidingen en toebereidingen in
zijne wegen met Israël en de volken, voorwaar niet eerst
met het optreden van Christus in de wereld de God der
liefde geworden is of als zoodanig zich geopenbaard heeft?
Doch wij behoeven ons niet te bepalen bij gevolgtrekkingen,
want daar is niet weinig in het O. T. wat meer onmiddellijk
en uitdrukkelijk getuigenis geeft aan de liefde Gods. Ik her-
inner allereerst juist aan dat zoo veelzins miskende woord
uit den dekaloog: Ex. XX : 5, 6, waarbij het is alsof zij,
die den God der liefde niet ontdekken kunnen in het O. T.,
alleen een oog hebben voor den „ijvergod" x) van vs. 5, en
in \'t geheel geen oog voor wat toch in één adem daarop
volgt in vs. 6: „en doe barmhartigheid aan duizenden der-
\') Wij komen daarop welhaast terug.
-ocr page 107-
97
genen, die mij liefhebben, en mijne geboden onderhouden \').
Welke groote beteekenis dit heeft in de gansche Oudtesta-
mentische oeconomie, kan ons nader blijken wanneer wij
eenige aandacht schenken aan een ander getuigenis, waarin
alle woorden zijn samengevat, welke de Oudtestamentische
taal bevat om uit te drukken de veelvuldigheid der betoo-
ningen zijner liefde jegens zondige menschen. Ik bedoel Ex.
XXXIV : 6 2). „Barmhartig, genadig, lankmoedig en groot
van weldadigheid" (of „goedertierenheid", zooals dit laatste
woord veelal elders vertaald is). Ziedaar eene belijdenis, die
onder het O. V. zoozeer tot eene vaste formule, om zoo te
\') Zeer goed zegt Ritschl, die christl. Lehrevonder Iieehtferligung
und Versöhnung,
II, blz. 9.ó, dat het «Charakter der Güte und Hülfe
fiir die Menschen, welcher in dem Verh&ltniss Gottes zudemBundesvolke
bestimmt hervorgekehrt ist», te beschouwen is «nicht als Folge dioses
particularen Verhaltnisses. sondern offenbar als ursprüngliches Attribut
des Schöpfers und Lebenspenders. Denn diese Annahme ist unumganglich,
auch wenn es nicht gelegentlich ausgesprochen ware, dass Gott gütig
gegen Alle sei, voll Erbarmen über alle seine Werke (Ps. 145, 8. 9;
Jona 4, 10. 11). Wenn nilmlich im Dekalog das Verbot des Dienstes
anderer Götter und der Gottesbilder dadurch begründet wird, dass Gott
die Uebertretung bis in das vierte Geschlecht bestrafen, die treue Gesetz-
erfüllung aber mit Barmherzigkeit bis in das tausendste Geschlecht be-
lohnen werde, so ist dies Uebergewicht der Güte über die Strenge eben
als Charakterzug der wahren Gottheit bezeichnet, und nicht aus seinem
besondern Verhaltniss zum erwiihlten Volke abgeleitet.»
*) Van de beide verzen, 6 en 7 te samen, zegt Dillmann (Comm.)
zeer schoon: «Damit ist dem Mose das innerste Wesen Jahve\'s, seine
volle ethische Herrlichkeit zwar nicht in sinnfalliger Erscheinung gezeigt,
aber in Worten und für die geistige Erkenntniss erkliirt, wesentlich
übereinstimmend mit 20, 5 f., aber dem gegebenen Anlass und dem Wesen
Gottes selbst gemiiss dahin fortentwickelt, dass dié Gnade und Liebe als
die über den Zorn und die Strafgerechtigkeit immer wieder übergreifende.
den innersten Grund in dem heiligen Wesen Gottes bildende aufgezeigt
•wird (Num. 14, 18)».
7
-ocr page 108-
98
zeggen tot eene geloofsformule geworden is, dat wij haar
aantreffen en gedurig herhaald vinden in verschillende ge-
schriften uit de verschillende tijden van Israëls bestaan. Slechts
enkele voorbeelden. Neh. IX : 17; Ps. LXXXVI : 15; CIU:
8; CXLV : 8; Joel II : 13; Jona IV : 2.. Het is niet gemak-
kelijk, deze vier zoo na verwante begrippen recht te onder-
scheiden en ieder afzonderlijk in hun beteekenis te bepalen.
Wij houden ons niet lang er bij op. 1° oirn,LXX: ohrlpftm,
Vuig. misericors, barmhartig — daarin is uitgedrukt de be-
wogenheid der liefde Gods wegens de ellende der menschen,
en de grond is er in aangegeven van al die daden en hande-
lingen Gods, waarin die bewogenheid zich uit en betoont.
„In dieser Gesinnung, welche auch in dem Worte o\'nrn aus-
gedrückt ist, ist die freieste Bewegung des Erbarmens mit
der innern Nothwendigkeit eins" 2). 2° ^in, LXX : s^svuauv,
Vuig. clemens, genadig; van "un, run, zich nederbuigen, en
vandaar: gunstig zijn, nml. door zich tot iemand neder te buigen,
door nederbuigende goedheid. Dit is voorzeker nog wel niet
het Nieuwtestamentische %xpi$, waardoor het subst. in door
de LXX somtijds (Gen. XIX: 19; Num. XI: 15), maar meestal
door \'éXêog is weergegeven; maar het is die zijde der liefde Gods,
krachtens welke Hij zich tot de menschen nederbuigt, en hun, al
zijn ze zondaren, nog gunsten bewijst en goedgunstig gezind
is. 3° a;s« yy*, LXX: pxxpóSupos, Vuig. patiens, lankmoedig,
eigenlijk: ,,lang"(wachtend) of „traag tot toorn" ((3px$b<; sh
Ipyw,
Jac. I : 19). Wat anders is daardoor uitgedrukt, dan
het geduld der liefde Gods, waardoor Hij tijd geeft tot be-
keering, het oordeel niet haastig voltrekt, en zoowel het
goede als het kwade tijd laat om tot rijpheid te komen? wat
~ ») Ritschl, t. a. p. blz. 96.
-ocr page 109-
99
anders dus, dan de ftzxpsSu/t/x Gods, waarvan ook het N.T.
zoo veelvuldig getuigenis geeft, of ook zijne „verdraagzaam-
heid", de étnxn &««? (Mt. XIII : 24-30; XVII : 17; Luc.
XIII : 6-9; Rom. III : 25; IX : 22; 1 Tim. 1: 16; 1 Petr.
III : 20; e. a.)- 4« "^rpni, LXX : xxi irotoèteos, Vuig. multae
miserationis, groot (of eigenlijk: veel of vol; ?1, evenals het
Gr. iroXvq, heeft ook deze intensieve beteekenis) van goedertieren-
heid.
Ook dit "wn, bij de LXX in den regel = ÏXsoq, komt
het Nieuwtest. %«pn het meest nabij, maar het is niet het-
zelfde, want het is niet, zooals dit, een bepaald soteriologisch
begrip. Want „de wet is door Mozes gegeven, de genade en
de waarheid is door Jezus Christus geworden" (Joh. I : 17),
en eerst in Christus is „de zaligmakende genade Gods ver-
schenen aan alle menschen" (Tit. II : 11).
Niettemin bij al deze getuigenissen, is er geen reden om
te vragen: hoe is het mogelijk, den God, die door het O. T.
verkondigd wordt, te plaatsen tegenover Dien, van Wiende
apostel getuigt: „God is liefde"?
Maar, zóó wordt gezegd, maar dan de gerechtigheid Gods,
en de ijver Gods, en de toorn Gods, zooals daarvan gesproken
wordt menigvuldig in het O. T., waar bergt gij daartegenover
zijne liefde, en hoe bedekt gij den onverzoenlijken tweespalt
tusschen het een en het ander?
Welnu, ik beweer: hier is niets te bedekken, noch iets
te verbergen of te bergen. Daar heerscht in de theologische
wereld tot den huidigen dag nog een verbazende spraakver-
warring , die vooral zich ook kenbaar maakt bij het onderwerp
waarover wij nu handelen.
In het algemeen zouden wij kunnen vragen: hebt gij alleen
in het Oude en nimmer in het Nieuwe Testament iets gelezen
-ocr page 110-
100
van de gerechtigheid, van den ijver, van den toorn Gods,en
zoo ja, waarom struikelt gij met uw begrip van de liefde
Gods over deze dingen alleen in het eerste en niet eveneens
in het andere ? Doch ook, om niet bij dat algemeene te blijven,
zoo wij komen tot de bijzonderheden, dan mag gevraagd
worden, of men zich billijkerwijze ergert.
Allereerst dan: Gods gerechtigheid. Gewis, het O. T. is er
vol van — evenzeer als het Nieuwe; en hier zoowel als daar
is het een der belangrijkste grondwaarheden van ver reikende
strekking. Het is hier evenwel de plaats niet om dit punt
naar den eisch te behandelen; de ontwikkeling er van behoort
elders, en wij behouden ons voor, daaraan plaats te geven
bepaaldelijk in de paulinische beschouwing van de verzoening,
waar juist, die groote waarheid van de "Smxwitüwi $tóv van zoo
diep-ingrijpend belang is. Daarom moet ik mij hier beperken,
en bij dit aangelegen punt mij bepalen tot hetgeen in direct
verband staat met het onderwerp dat hier aan de orde is.
Nu dus alleen het volgende. Ik ga hier niet meê met Ritschl,
wiens verkeerde ontleding en voorstelling van de idee der
gerechtigheid Gods in het Oude en de daarop gebaseerde in
het Nieuwe Testament in maar al te breede kringen ingang
gevonden heeft. Het is niet waar, wat hij meent betoogd te
hebben, dat de hjt^; Gods in het Oude, en diensvolgens ook
de ^kouogüvy) 3-faü in het Nieuwe enkel en alleen de beteekenis
heeft van „heilschaffende Gerechtigkeit", en mitsdien inder-
daad hetzelfde, is als "wn, %xpi<;, genade. Wat hij in zyn
hoofdwerk dienaangaande breed ontwikkeld heeft \')» dat is
in zijn Compendium 2) aldus samengetrokken: „Damit [nml.
») t. a. p. blz. 101—118.
a) Unterrieht in der christl. Iieligion*. § 16.
-ocr page 111-
101
met de Gerechtigkeit Gottes] ist im A. T. die Folgerichtig-
keit der göttlichen Leitung zum Heil bezeichnet, welche theils
an den frommen und aufrichtigen Anhangern des alten Bundes
sich bewahrt, theils in Aussicht genommen wird für die
Gemeinde, an der sich die Herrschaft Gottes zu ihremHeile
vollenden soll... Desshalb ist auch im N. T. die Gerechtig-
keit Gottes als der Maszstab der eigenthümlichen Wirkungen
anerkannt, durch welche die Gemeinde Christi zu Stande
gebracht und ihrer Vollendung entgegengeführt wird, kann
also von der Gnade Gottes nicht unterschieden loerden"
\').
Dit nu is gansch averechtsch verkeerd, een mystificatie èn
van het Oude èn van het Nieuwe Testament. Doch had Ritschl
gelijk, dan, het is duidelijk, ware meteen ook de ergernis
weggenomen voor allen die om den wille der liefde en genade
Gods zich stooten aan zijne gerechtigheid. Ik moet echter
eerlijk bekennen, dat ik geen vrede kan hebben met dezen
„Ausgleich", om de eenvoudige reden dat het een kunststuk
is, hetwelk de bijbel zich niet kan laten welgevallen.
Neen, de n^ zoowel als de ümxiovvvv Gods, d. i. zijne
\') De cursiveering is van mij. Ik voeg hier nog bij een woord van
Biedermann (t. a. p. blz. 180), die daarmee\'blijk geeft van eenigszins
objectiever beschouwing. «Dass das Alte Testament einen gerechten, das
Neue Testament dagegen einen gnadigen Gott lehre, diese Gegenüber-
stellung ist eine oberfliichliche Verkennung des biblischen Gottesbewusstseins,
die ein wahres Moment verzerrt. Im A. T. ist die Gnade Gottes... eine
Cardinalidee des ganzen religiösen Pragmatismus; ebenso gut wie im N.
T. die Gerechtigkeit Gottes die durchaus nothwendige Voraussetzung der
Gnade, welche letztere ja von Paulus die in Christo geoffenbarte Gerech-
tigkeit Gottes genannt wird [?]. Die Gerechtigkeit Gottes duldet nichts
seiner Heiligkeit Widerstrebendes und hebt es auf; die Gnade istnurdie
Kehrseite» etc.
-ocr page 112-
102
gerechtigheid zoowel naar het Oude als naar het Nieuwe
Testament, is een louter-formeel of relatief begrip, m. a. w.
zulk een waarvan de inhoud door de uitdrukking op zichzelf
nog geenszins bepaald is, maar welks inhoud wordt aange-
geven door het verband waarin het voorkomt. Ontegenzeglijk
ja staat het vast, dat de gerechtigheid Gods veelmaal niets
anders is dan zijne helpende, reddende, heilbrengende ge-
rechtigheid. Maar dit is slechts de ééne zijde der waarheid,
en ik acht het volstrekt onmogelijk, aan de andere zijde het
element der straffende en richtende gerechtigheid er uit weg
te doen. Zooals wij zeiden, is het hier niet de plaats om dit
naar eisch in het licht te stellen. Daarom noem ik slechts,
zonder nadere toelichting, enkele plaatsen, die toch ook dui-
delijk genoeg spreken voor zichzelf: Ps. VII : 12 (vrgl. 13,
14); Ps. IX : 5, 6; Ps. XI : 7 (vrgl. vs. 6); Ps. LI : 6;
Ezra IX : 15; Jes. X : 22; Klaagl. I : 17, 18; Dan. IX: 14;
en voor het N. T. o. a. Rom. III : 25, 26 \')•
Welnu, dit is het wat ik beweer: de gerechtigheid Gods,
wel verre van eene tegenstelling te vormen met zijne liefde
en genade, is èn als heilbrengende èn als straffende gerech-
tigheid juist de onmisbare veronderstelling daarvan. Ook de
\') Het is misschien min of meer merkwaardig, dat de nieuwe Syn.
Vert. hier conservatiever en beslister spreekt dan de oude Stat. Vert. De
eerste toch teekent bij vs. 25 aan: «Dit woord, elders gerechtigheidver-
taald, duidt hier die rechtvaardigheid Gods aan, die, niet onderscheiden
van zijne heiligheid, zich openbaart in het straffen der zonde, en ook in
de hier beschreven wijze, waarop hij den zondaar rechtvaardigt. Zoo ook
vs. 26», terwijl de andere twijfelend aanteekent: «d. i. om te betoonen
zijne trouw en waarheid in het houden van zijne beloften, ofte ook om
te bewijzen dat Hij rechtvaardig is, dewijl Hij zelfs in Christo de zonden
straft.»
-ocr page 113-
103
liefde Gods ware niet volmaakt zonder de gerechtigheid, en
ook deze is een straal van het licht zijner liefde. Dit is vol-
komen aan het licht getreden in het N. V., en het wordt
door Paulus gezegd op meer dan ééne wijze (Rom. I : 17;
III : 21), het duidelijkst Rom. III : 25, 26, de bedoeling
waarvan wij aldus kunnen samenvatten: De rechtvaardigheid
Gods heeft zich in den dood van Christus bewezen èn als
zulk eene die de zonde straft, èn als zulk eene die tegelijk den
geloovige rechtvaardigt; want Hij beoordeelt en behandelt den
zondaar nu niet meer naar den maatstaf van een wet der
werken, maar naar dien van de wet des geloofs.
Maar nu dan de ijver Gods? In het N. T. wordt slechts
tweemaal gesproken van den £>?ac? Seoü: Rom. X : 2, waar
S-foD echter als genit. obj. moet genomen worden (ijver tot of
voor
God), en, wat dan alléén overblijft, 2 Cor. XI : 2. Dit
laatste nu verklaart reeds veel, ook ten opzichte van de be-
doeling en beteekenis van het Oudtest. spraakgebruik. Het is
toch volkomen duidelijk uit het verband, dat Paulus hier
spreekt van den „ijver Gods", waarmede hij zijn eigen ijver-
zucht vergelijkt, omdat .hij de Corinthische gemeente zich
voorstelt als aan Christus verloofd (ypfiovxwv yxp upa? hvi
duif),
„want ik heb u aan éénen man verloofd"), d. i. als
zijne bruid, en nu< in gevaar of op het punt van Hem ontrouw
te worden. Deze beeldspraak nu is geheel ontleend aan de
zeer gewone Oudtest. voorstelling van eene huwelijks ver binte-
nis, welke God met Israël gesloten heeft (Jes. LIV : 5, 6;
Hos. II : 18, 19; Jer. III : 1; Ez. XVI : 8 vv. en vele malen
elders). Daarop is ook gegrond de zoo menigvuldig in het O.
T. voorkomende voorstelling van Israëls afgoderij als „hoererij"
en „afhoereeren" (Num. XIV : 33; 2 Kon. IX : 22; Ps.
-ocr page 114-
104
LXXIII : 27; Jes. LVII : 8; e. a.), en daarom wordt die-
zelfde beeldspraak ook in het N. T. bij herhaling overgebracht
en toegepast op de verbintenis van Christus en zijne gemeente
(Mt. IX : 15; XXII : 2 vv.; XXV : 1-10; Joh. III : 29;
Openb. XXI : 2, 9; XXII : 17; e. a.).
Hieruit nu is het reeds volkomen duidelijk, dat, zoo menig-
maal daar sprake is van den „ijver" of de „ijverzucht" Gods,
dit niet anders kan bedoeld zijn dan als een ijver der liefde,
gelijk dan ook in de fr. vertaling altoos sprake is van „un
Dieu jaloux". Daarom nu en in dien zin heet God „een ijverig
God", Kap Sk (Ex. XX : 5), en „ijveraar" (Ex. XXXIV : 14,
vrgl. vs. 15). Dit is ja een sterk anthropopathisme; maar niet
sterker dan zoovele andere; en juist die kras menschvormige
voorstelling is het sprekendst bewijs, dat de liefde niet zoek
is in de ijverzucht Gods.
Dit geldt, ten slotte, niet minder van den toorn Gods, waar-
over zoo menigeen zich vertoornt. Ook déze uitdrukking is
zonder twijfel anthropopathisch. Doch men bedenke vooreerst
dit: tegenover liefde staat, niet toorn, maar haat, terwijl de
tegenstelling van toorn wederom niet liefde is, maar onaan-
doenlijkheid, onverschilligheid jegens anderen. Wij toornen
niet togen iemand, wiens lot en doen en laten ons niet ter
harte gaat, en die ons koud en onverschillig laat. Dat is de
onaandoenlijkheid der liefdeloosheid, de onverschilligheid der
zelfzucht, die denkt en zegt en vraagt: „ben ik mijns broeders
hoeder?" Maar de liefde juist kan toornen \'); en\'is het niet
\') «Der Zorn ist das Correlatum der Liebe in ihrem Gegensatz gegen
die Selbstsucht, und eben sie selbst ist der Selbstsucht gegenüber der
Zorn. Er ist diejenige Affektion der Persönlichkeit, welche dadurch her-
vorgerufen wird, dass sie ein anderes Individuum, dessen Gemeinschaft
-ocr page 115-
105
algemeen toegestemd en eene algemeene ervaring, dat wij
juist van hen, die wij het meest liefhebben, vaak het minste,
zoo het ons verkeerd dunkt, verdragen kunnen? Zóó is het
met ons, menschen, wier toorn, omdat wij zondaren zijn
maar al te vaak verkeerd en onbillijk, onheilig en zelfzuchtig
is, toomelooze drift en heftige hartstocht, en maar al te licht
overgaande in een gevoel van bitterheid, wanneer wij het
toelaten dat de zon onder ga over onze toornigheid. Doch
daar is ook een heilig toornen, dat der waarachtige liefde.
Of heeft Jezus misschien gezondigd, toen Hij den tempel
reinigend met een geesel van touwkens, de discipelen deed
indachtig worden dat er geschreven is: „de ijver uws huizes
heeft mij verslonden" (Joh. II : 17), of is Hij een zondaar
geworden toen Hij bij eene andere gelegenheid de farizeën
rondom met toornigheid aanzag, meteen bedroefd zijnde over
de verharding huns harten ? (Mc. III : 5). En is het ongerijmd,
wanneer Paulus de onderstelling uitspreekt, dat het mogelijk
is, toornig te worden en daarin niet te zondigen? (Ef. IV :
26; Ps. IV : 5, naar de LXX).
En nu dan de toorn Gods? Het is wel op te merken, dat
de LXX voor de verschillende Hebr. synoniemen, waardoor
die gedachte wordt uitgedrukt, slechts twee woorden, èvpót;
en &pyv>, en deze twee meestal verbonden (opyvi Svpóü xvplov,
sie in Liebe sucht, fiir sich verschlossen und undurchdringlich findet —
die Reaktion der Liebe gegen die Selbstsucht des Nachsten, auf welene
sie trifft. Darum kann recht, d. h. in moralisch normaler Weise nur der
zürnen, der lieben, und zwar recht lieben kann.... Liebe und Zorn sind
wesentlich Correlata; wer nicht zürnen kann, kann auch nicht lieben.
Der Lieblose kann nur (kalt) hassen. Der Zorn ist nur eine eigenthüm-
liche Art der Liebe, sich zu aussern.» E o the: Theol. Ethik1. I, blz.
527, 528.
-ocr page 116-
106
Num. XII : 9, en meermalen), maar nimmer/zïjviggebruiken,
wat, naar het G-r. spraakgebruik, toch meer voor de hand lag,
gelijk het van den menschelijken toorn dan ook enkele malen
bij hen voorkomt. Dit nu heeft een goeden grond, „und zwar
nicht darin", zegt Cremer (Wörterb.) „dass (üipiu; etwa zu
mythologisch gefarbt ware, sondern darin, dass der Zorn
Gottes, Jhvs, thatsachlich etwas durchaus anderes ist als
die (t/fris der griech. Götter. Die füjvit der Götter ist unerbitt-
lich und unversöhnlich..., sie schliest ein satanisches Moment
in sich... Anders aber der Zorn Gottes. Derselbe ist nicht
schlechthin unabwendbar, geht auch nicht aus einer von
Natur den Menschen abgewendeten Gesinnung hervor, sondern
wird hervorgerufen durch der Menschen Sünden ... Es war
für die LXX unmöglich, fiijvi? vom Zorne Gottes zu gebrauchen,
wahrend auf der anderen Seite die Griechen ipyj höchst selten
von den Göttern aussagten und dann nur von einzelnen
Zornesausserungen, S-y^a\'? so viel ich sehe nie." Dit nu staat
in onmiddellijk verband met de Oud- en ook Nieuwtestamen-
tische verzoeningsleer, waarover wij hier natuurlijk nog niet
kunnen uitweiden. Het was ons hier alleen er om te doen,
in het licht te stellen, dat de menigvuldige vermelding van
den toorn Gods in het O. T. in de verste verte geen recht
geeft, den God des O. V. te plaatsen tegenover den God der
liefde van het N. V., en dat de apostel der liefde, nadat hij
eerst geschreven heeft: „die in den Zoon gelooft, die heeft
het eeuwige leven", en daarmede getuigenis geeft aan de
liefde Gods, zichzelf niet weerspreekt als hij in één adem
er bijvoegt: „maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal
het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem" (Joh.
IH : 36).
-ocr page 117-
107
§ 13.
Gods eenheid.
God is één. Ziedaar eene van die grondwaarheden,
welke de H. Schrift, zonder dat zij haar ergens op-
zettelijk tracht te bewijzen, van het begin tot het eind
nadrukkelijk stelt en doorloopend handhaaft, en wel
in tweeërlei zin, te weten zóó dat Gods eenheid tevens
ook zijne eenigheid, en omgekeerd zijne eenigheid ook
vanzelf zijne eenheid is.
Voor het Nieuwe Testament is die waarheid onbe-
twistbaar en onbetwist. En wat het Oude Testament
betreft — zal de waarheid der eenheid Gods, of beter
gezegd: de erkenning en belijdenis daarvan in het
israelietische volksleven, juist beoordeeld en tot haar
recht gebracht worden, dan mag nimmer worden voor-
bijgezien, dat zij, uit den aard der zaak, niet dan
onder veel afval en bestrijding onder Israël zich heeft
kunnen handhaven en tot algemeene gelding komen.
Maar de voorstelling alsof Jehovah enkel en alleen
ware aan te merken als een volksgod of als de nationaal-
god van Israël nevens of boven andere volksgoden, doet
te kort aan het principieel verschil tusschen het israelie-
tisch monotheisme en alle polytheisme, en miskent het
wezenlijk en eenig karakter van Gods eenheid en eenig-
heid, gelijk het gansche O. T. daarvan getuigenis
geeft.
-ocr page 118-
108
1. Ik herhaal niet wat onder § 9 allereerst is opgemerkt
aangaande de dogmatische beschouwingen en gevolgtrekkingen,
gelijk die zich hebben vastgezet in de min-juist geformuleerde
tegenstelling van unitarisme en trinitarisme. Slechts herinner
ik daaraan, en doe ten overvloede hier alleen nog opmerken,
dat de dogmatiek zich ten onrechte heeft meester gemaakt
van die groote waarheid „God is één", om te pleiten voor
eene dogmatische formuleering van het Godsbegrip in anti-
trinitarischen zin. Wij laten dat nu verder rusten, terwijl
het ook genoegzaam bekend en desnoods met de stukken te
bewijzen is, dat ook de strengste trinitariërs de unitas Dei
nimmer verloochend hebben, al kan het ook niet ontkend
worden, dat sommige dogmatici wel eens aanleiding gegeven
hebben tot de ernstige beschuldiging van tritheisme, het
anti-schriftuurlijkste dat er is.
Want indien er, nevens die van het bestaan van God, ééne
waarheid is, welke, naar bijbelsche beschouwing, boven alle
dingen vaststaat, dan is het die van Gods eenheid en dus
ook tevens van zijne eenigheid. Ook daarvoor tracht de H.
Schrift nergens wat men noemt een bewijs te leveren.
Natuurlijk niet; want eenmaal vastgesteld, dat God be-
staat, is tegelijk ook vastgesteld dat Hij één is, omdat God
niet meer God zou zijn indien er een tweede ware nevens
Hem.
Voor het N. T. staat dit boven alle tegenspraak vast. Mij
althans is het niet bekend, dat iemand het zuiver monotheis-
tisch karakter van het Christendom van zijn\' aanvang en
oorsprong af immer geloochend heeft of in twijfel getrokken.
Monotheïstisch, d. i. de belijdenis van Gods eenigheid, wat
nog iets anders is dan zijne eenheid; maar het een sluit het
-ocr page 119-
109
ander in 1). Terecht is het dan ook gezegd: „Bepaaldelijk
mogen wij ons de eenheid van God niet denken als stoffelijke
eenheid, gelijk de eerste term van onze getallenreeks is; wij
hebben nevens God geen tweede. Zijne eenheid is zijne eenig-
heid" 8). Zoowel het een als het ander wordt in de Schrift,
en bepaaldelijk in het N. T., op verschillende wijze en bij
verschillende gelegenheden uitgesproken en vastgesteld; na-
tuurlijk niet zóó dat ergens eene beschouwing geleverd wordt
hetzij over de onderscheidenheid, hetzij over het onderling
verband der begrippen „eenheid" en „eenigheid" — want de
Schrift heeft nimmer een speculatief, maar altoos een praktisch
doel — maar zóó dat nu eens meer het ééne, en dan meer
het andere op den voorgrond treedt, al naar het verband
waarin en de aanleiding waarnaar daarover gehandeld wordt.
Het is voldoende, eenige der voornaamste plaatsen uit het
N. T., die hierop betrekking hebben, aan te geven zonder
nadere toelichting, want zij spreken voor zichzelf. Joh. V :
44 (nxpx rov (ióvou Ssoü is niet: „van God alleen", Stat. Vert,
\') Alhoewel wij ons hier niet verder mogen inlaten met dogmatische
onderscheidingen en bepalingen, acht ik het toch niet ondienstig en ook
niet te veel, te doen opmerken, hoe onze oude dogmatici het begrip der
eenigheid en dat der eenheid onderscheidden als «unitas numeri» en «uni-
tas speciei», of ook «quantitativa» en «qualitativa». Aldus b.v. Gerhard
{loei I, § 95): «Deus est essentia et numero unus»; en Thysius (in
Synops. pur. theol. Disp. VI, 25): «TJt porro essentia nullam composi-
tionem admittit, ita neque divisionem in partes, species "et numerum;
adeoque unus est Deus, Deut. 6, 4. Mare. 12, 29, 32. unitatis voce non
accepta, qua principium numeri est, sed numero opposita, ita ut non sint
neque esse possint plures, non sit alius, nullus praeterea, et ultra, et
praeter ipsum, neque ullus secum, seu coram ipso, aut uspiam in coelo
•et ten-a sit Deus, sed ipse tantum, solns, et solum sit Deus.»
*) Van Toorenenbergen: Christel. Geloofsleer, bh. 59.
-ocr page 120-
110
maar: „van den eenigen God"); Joh. XVII: 3 (zieblz. 30, noot
1); 1 Cor. VIII: 4-6; 1 Thess. I : 9. Daar komt overal meer
Gods eenigheid op den voorgrond; daarentegen zijne eenheid
bepaaldelijk in Rom. III : 30; Gal. III : 20; 1 Tim. 11:5 *);
en vooral ook Mare. XII : 29, eene aanhaling uit het O. T.
van zeer groote beteekenis, waarop wij nader de aandacht
gaan vestigen.
2. Want meer bezwaren levert ten deze het O. T. op; in
meer dan één opzicht. Niet dat het kan betwijfeld worden,
dat het monotheisme ook daar beleden en gehuldigd wordt;
maar in hoeverre en in welken zin dat het geval is, en of
die belijdenis ook moet erkend worden als het characteristicum
van Israëls godsdienst ten allen tijde — ziedaar de belang-
rijke vragen, waaraan allerlei andere splinterige vraagstukken
vastzitten, en die dan ook tot heden toe op zeer uiteenloo-
pende wijze beantwoord worden.
Allereerst komt hier in aanmerking Deut. VI : 4. Dit toch
is en blijft — door niemand wordt het ontkend — de locus
classicus bij uitnemendheid, wanneer gevraagd wordt naar
het getuigenis des O. T. aangaande de eenheid Gods. Daar
toch heeft die waarheid haar bepaalde en opzettelijke formu-
leering gevonden, ja zij is daar als in een vaste, om zoo te
zeggen officieele formule als het ware gecodificeerd, zooals ook
blijkt uit de aanhaling daarvan door Jezus (waarover zoo met-
een nader). Dit immers is duidelijk, dat daar over de eenheid
Gods gesproken wordt niet ter loops of als iets bijkomstigs,
\') De drie laatstgenoemde plaatsen, voor een deel ware «cruces inter-
pretum», geven op eigenaardige en uiterst merkwaardige wijze getuigenis
van de eenheid Gods. Zij vereischen zeer zeker eene opzettelijke toelichting,
wat mij toch niet zoo bijzonder moeilijk toeschijnt. Doch ik moet datbe-
waren voor een stuk paulinische theologie.
-ocr page 121-
111
maar wel zeer opzettelijk en nadrukkelijk als de kern en
hoofdzaak der gansene rede. Men zie slechts het verband in,
en iedereen zal het moeten toestemmen, dat de volle nadruk
valt juist op die groote waarheid der eenheid Gods, gelijk
die is uitgedrukt in de woorden (Deut. VI : 4): \'wnfr; vm{
•irw n«v u\'riSK rröv. Deze woorden bevatten dan ook de groote
belijdenis van het jodendom, gelijk zij zich, na het optreden
van het Christendom en in zekeren zin in tegenstelling daar-
mede, in die formule, waarmede elke orthodoxe jood eiken
morgen en eiken avond zijn gebed begint, heeft vastgezet,
en die zóó als \'t ware de brug is geworden tot het abstracte
monotheisme van den Islam. Ook de masoretische tekst duidt
de bijzondere beteekenis van die belijdenis aan door de groote
letters aan het eind van het eerste en van het laatste woord
(de v en de -i).
Wat nu moet gehouden worden voor de eigenlijke betee-
kenis van die woorden? Letterlijk vertaald staat er: „Hoor,
Israël! Jehovah onze God Jehovah één", waarvoor de LXX
heeft: "Axoue \'LrpasjjA, xupio? o Ssos $ftav xvpios eïg êrri, en de
Vuig. „Audi Israël, Dominus Deus noster Dominus unus est."
Dit nu kan velerlei beteekenen, al naardat men meent, dat
de interpunctie wezen moet. Te bevreemden is het dan ook
niet, dat het zeer verschillend opgevat en verklaard wordt,
hetzij dan, met allerlei geringe wijziging, als de uitdrukking
voor Gods eenigheid, d. w. z. dat Jehovah-alleen God is
(zóó de meesten), hetzij als te kennen gevende, dat Jehovah
een God is eenig in zijn soort \'), hetzij in dezen zin: „Jehovah
onze God is Jehovah alleen", d. w. z. Israël heeft geen anderen
\') Lutz: Bibl. Dogm. blz. 36: «Jehovah unser Gott ist ein in seiner
Art ganz einziger Jehovah».
-ocr page 122-
112
God dan alleen Jehovah, hetzij nog weer anders. Het verschil
komt, om het kort uit te drukken, neder op de vraag: is ttwi
op te vatten of als solus, of als unicus, of als units? En
dat het alleen het laatste beteekent, mij dunkt, daaraan valt
niet te twijfelen, gelijk dan ook de LXX zeer terecht ver-
talen sU, en de Vuig. „unus". Doch in welken zin is dat nu
bedoeld? Het komt mij voor, dat het antwoord op deze vraag
vrij duidelijk gegeven is door hetgeen er oogenblikkelijk volgt
in het 5de vers, en niet minder door het gebruik hetwelk de
beste exegeet, dien wij verlangen kunnen, de Heer Jezus
Christus zelf, er van maakt, terwijl Hij de beide verzen let-
terlijk overneemt (Mc. XII : 29, 30). Welnu, wat is het dat
de Heer daar zegt en dien Schriftgeleerde wil doen gevoelen
met deze aanhaling uit Deuteronomium? Toch wel niet, dat
er geen andere God is dan Jehovah alleen, of dat Hij alleen
als God mag gediend en geëerd worden — dit toch was ook
voor dien Schriftgeleerde geen vraag meer, en niet dienaan-
gaande zocht hij licht. Neen, maar dit was bij hem de vraag:
welk gebod is het voornaamste van al de geboden, waarvan
immers een zoo groote veelheid is? En wat nu antwoordt
de Heer? Met andere woorden dit: Gods wet is één, bij al
de veelheid van haar geboden, want God is één, Hij die de
wet gaf. Evenals, en omdat, God één is, moet ook zijne wet,
in velerlei geboden vervat, eene uit zijn Wezen en wil voort-
vloeiende eenheid hebben. De ééne God verlangt den ganschen
mensen, geheel en onverdeeld, in ééne liefde.
Niet anders is ook het verband tusschen vs. 4 en 5 in
Deuteronomium VI \') en ook daar kan derhalve de beteekenis
\') Het komt mij voor, dat onder de velen alleen Ewald hier het
rechte getroffen heeft: «Dieser Gott ist kein in sich getheilter, gespalte-
-ocr page 123-
113
geen andere zijn. Eene andere vraag is het echter, of niet
van zelf ook het andere daaruit volgt, nml. dat God is de
eenige, m. a. w. of niet in deze qualitatieve eenheid Gods
noodwendig ook de quantitatieve of numerieke tevens ligt
opgesloten. Dit nu kan niet anders zijn, ja het één grenst
zóó na aan het andere, dat het juist daaruit, dunkt mij, te
verklaren is dat dit in» of tU door zoovelen genomen is naar
die afgeleide beteekenis als ware het = de eenige. Immers,
is God niet gedeeld, niet een veelheid, niet samengesteld
(de dogmatici noemen het de simplicitas Dei, zijne „eenvou-
digheid" of „enkelheid"), dan volgt daaruit ook onmiddellijk
dat er geen tweede is nevens Hem. Zóó ook, het is wel op
te merken, heeft die Schriftgeleerde het antwoord van Jezus
verstaan. Want hij zegt (Mc. XII : 32): „Meester! gij hebt
wel naar waarheid gezegd, dat God één is (Sn ek è<m Seès)
en er is geen ander dan Hij" (xx) ovx Utiv «aa,a$ x^ijv xvtoü).
Dit nu is toch wel niet tweemaal hetzelfde, maar het laatste
is de onmiddellijke gevolgtrekking uit het eerste. Eveneens
is het ook in het O. T., ja zoozeer is in den strijd en inde
tegenstelling met het polytheisme de gedachte van Gods eenig-
heid op den voorgrond getreden, dat dit vm van Deut. VI :
4 in deze afgeleide beteekenis voor het jodendom de heilige
formule van zijn monotheisme geworden is ♦), en dat die
ner, oder (was auf dasselbe hinauslaufen würde) eine mehrheit von Göttern:
er ist éiner, hat in sich die strenge einheit und selbigkeit, keine doppel-
heit, zweideutigkeit und verschiedenheit». Die Lehre der Bibelvon Goit,
II, blz. 243.
*) «Das Judentum ist gewiss im Recht, wenn es die Stelle Deut. 6,
4 (nach dem Anfang das VD» genannt) fortwahrend als das sakrosankte
Wort, das die Grundlehre des Monotheismus in sich schliesst, verkündigt».
Oehler: Theol. d. A. T. blz. 158.
8
-ocr page 124-
114
belijdenis „Jehovah alleen is God" in honderdvoudige klanken
door het gansche O. T. herhaald wordt.
3. Hiermede hebben wij reeds de allermoeilijkste vraag
aangeraakt, die onafscheidelijk is van dit onderwerp, en die
wij niet mogen uit den weg gaan. Het is de vraag, niet of
ook de godsdienst van Israël eene geschiedenis heeft, maar
of die geschiedenis uit haar documenten zóó te construeeren
is, dat de monotheistische grondgedachte met recht uit haar
aanvangen kan worden weggedaan, of dus m. a. w. de gods-
dienst van Israël al dan niet eerst langzamerhand zich tot
de hoogte van het monotheisme ontwikkeld heeft.
Want wel wordt algemeen toegestemd, wat dan ook dwaas-
heid wezen zou te ontkennen, dat de godsdienst van Israël
werkelijk monotheïstisch is. Maar als men nu verder vraagt,
sinds wanneer dat het geval, hoe hij dat geworden, en of
dat mede als zijn characteristicum te beschouwen is, dan
valt het antwoord op al die vragen zeer verschillend uit.
Tegenwoordig is het bijna gewoonte geworden, ook den gods-
dienst van Israël te laten beginnen, zooal niet met fetichisme,
dan toch met natuurdienst in uiterst primitieven vorm, en
zoo dan langzamerhand het te laten komen tot een relatief,
tot een ethisch, en eindelijk tot het absoluut monotheisme
der heroën van Israëls godsdienst, te beginnen ongeveer met
de profeten der 8ste eeuw vóór Chr. J). De tegenovergestelde
\') Overbodig zou het zijn, hierbij te refereeren. Men kan deze zooge-
naamde evolutietheorie vinden bij eiken schrijver, die principieel het moderne
naturalisme huldigt. Om der kortheid wil spreke hier slechts één voor
velen: Kayser: Die Theol. d. A. T. (blz. 32): «Wir haben schon ge-
sehen, dass vor Mose die Israeliten dem semitischen Polytheismus zugethan
waren», (blz. 28): «An die Stelle des Naturdienstes ist ein ethischer
-ocr page 125-
115
beschouwing,, die dan gewoonlijk als de „populaire" of ook
wel als de „traditioneele" betiteld wordt, en die maar geen
kans ziet om te ontkomen aan het dilemma, dat gesteld is
in de vraag: „is de ééne God een product van Israël, of is
Israël een product van den éénen God ?" wordt dan eenvoudig
als „onwetenschappelijk" in een hoek gezet, en ... ieder weet
genoegzaam, welke overredingskracht daar zit in hetdreige-
ment van die zweep.
Nu, het komt mij voor, dat het pleit niet zóó gemakkelijk
te winnen is, en — dit staat bovenaan — dat in ieder geval
het philosophema van de zoogenaamde evolutie-theorie, gesteld
dat het onbepaald recht heeft op stoffelijk gebied, daarom
nog niet geldt op het gebied van den geest. Want, naarden
vasten en streng wetenschappelijken regel van Paulus\' voor-
treffelijk en diepzinnig woord, moeten geestelijke dingen naar
hun eigen maatstaf gemeten en beoordeeld worden (7rveu(iXTixo7?
Trvsv/AXTiicx trvyxpivovrtg.
1 Cor. II: 13). Inderdaad heeft Delitzsch
gelijk, wanneer hij het evolutionistisch beginsel „wonach z.
B. die Zustande der Richterzeit keinen Rückfall aus dem
reinen Mosaismus in halbheidnisches Wesen, sondern den
embryo-artigen Anfang der theokratischen Ordnung darstellen",
het Tpürov ipsföo? der moderne Pentateuch-kritiek noemt \')•
Doch ook afgezien daarvan, ook in ander opzicht is de
begripsverwarring, en dus ook de spraakverwarring, op dit
Monotheismus getreten.» (blz. 82 — en dit behoort onder «die Keligions-
ideen der Propheten»): «Der relative Monotheismus ist zum absoluten,
der praktische zum theoretischen geworden, und das "inx " (Deut. 6, 4)
ist die Losung des Judentums geblieben.» Natuurlijk zijn hierin wijzigingen,
maar daarop komt het toch altoos neer.
\') Zie hierover nader het reeds vroeger genoemde en aangeprezen ge-
schrift van Sc li uinan n, blz. 51, 52.
-ocr page 126-
116
veld van discussie schier eindeloos groot, en het is vooralle
dingen noodig, de eigenlijke en wezenlijke kwestie zich dui-
delijk voor oogen te stellen, opdat men elkander goed versta,
en de een den ander geen ongerijmdheden late zeggen.
Men zegt: maar de godsdienst van Israël is toch niet op
eenmaal „klar und fertig" als uit den hemel gevallen; ook
die godsdienst heeft toch een geschiedenis, ook daarin is toch
een ontwikkeling aan te wijzen?
Ik zou willen vragen: wie is er die het ontkent? Wie is
er die zou willen uitwisschen — alsof het mogelijk ware! —
het werk Gods ook in de geschiedenis, de geschiedenis der
openbaring van den levenden God, de veertig eeuwen die
Hij heeft noodig geacht en gebruikt om te laten rijp worden
de eerste belofte des heils (Gen. III : 15) tot haar voldragen
vrucht in de volheid des tij ds? In één woord, en kort gezegd:
wie is er die Hebr. I : 1 wil wegschrappen uit zijn bijbel?
O neen, daar is ontwikkeling. Doch indien men meent, dat
met dat ééne woord de kwestie uit is, dan is dat de grootste
oppervlakkigheid, want het blijft de vraag wat men bedoelt.
Wil men zeggen, dat er ook in den godsdienst van het
israelietische volk in het algemeen, dat er ook in het gods-
bewustzijn van dat volk een voortgang is van licht tot licht,
eene toenemende bepaaldheid en helderheid in de kennis van
God en in de verwachting des heils — ik geloof niet, dat er
iemand is die het zal tegenspreken. Heeds Ex. VI: 2 spreekt
duidelijk genoeg, en wij hebben het in het algemeen ook
doen uitkomen bij de ontwikkeling der groote beteekenis van
de namen Gods, dat ook het O. T. zelf bet getuigt op velerlei
wijze. Daarover loopt dus de kwestie niet. Maar dit is de
groote vraag: waar en hoe is het begin, en vanwaar is de
-ocr page 127-
117
levende kiem, die er immers wezen moet zoodra daar sprake
is van ontwikkeling? Het is tot heden toe door de ervaring
van alle eeuwen weerlegd, dat uit polytheisme zich het
monotheisme ontwikkelt; want geen enkel heiden volk uit den
ouden of uit den nieuwen tijd is er aan te wijzen, waar dat
immer is voorgekomen. Het ware ook tegennatuurlijk. Want
indien men zegt: „maar ook het polytheisme is toch immers,
„godsdienst", en ziedaar de kiem van het monotheisme, dat
slechts een andere vorm van godsdienst is" — wat is dat
anders dan te zeggen: ook een doorn is een boom, en ook
een distel is een plant, derhalve moeten wij ja zeggen op
de vraag: „leest men ook een druif van doornen, of vijgen
van distelen?" (Mt. VII : 16). Inderdaad, dit wonder is on-
mogelijk, want het is tegennatuurlijk, en daaraan gelooven
wij niet.
En dan verder (wij spreken nog over de begripsverwarring) :
wat bedoelt gij, wanneer gij zegt: „de godsdienst van Israël"
of „van het israelietische volk"? Bedoelt gij dan den gods-
dienst van dat volk als één ondeelbaar geheel en in al de
perioden zijner geschiedenis, of bedoelt gij de meerderheid, öf
de minderheid, en indien iets van het laatste, hoe groote
meerderheid dan, of hoe kleine minderheid ? Inderdaad, het
gaat niet aan, zóó maar, zonder nadere verklaring te spreken
van den godsdienst van Israël. Want zoo gij nu het O. T.
zelf in het veld brengt om te bewijzen dat Israël in al de
perioden zijner geschiedenis allerlei afgoden gediend heeft
nevens en boven en in de plaats van Jehovah, den eenig
waarachtigen God, o ja, dan zeggen wij: „spaar de moeite!
ieder kind van de zondagschool weet het even goed als gij."
Maar is dat dan de godsdienst van Israël? Indien het over
-ocr page 128-
118
een paar eeuwen zal te bewijzen zijn, dat de godsdienst van
een goed deel van het Nederlandsche volk thans feitelijk natuur-
dienst is, of een dansen om het gouden kalf, of ook fetichisme
onder allerlei vorm; i. e. w. als het uit de stukken blijkt,
dat een goed deel ook heden nog op allerlei wijze God en
Christus verwerpt, is daarmee dan bewezen, dat niet het
•Christendom, maar wel het veelvormig heidendom de gods-
dienst geweest is van het Nederlandsche volk der 19deeeuw?
En wat nu Israël betreft, o neen, niet dit is de vraag, of
dat volk in zijn meerderheid of in zijn minderheid de eeuwen
door de afgoden gediend en vele godheden vereerd heeft;
maar dit: of „de godsdienst van Israël" als echt en zuiver
monotheisme zijn vertegenwoordiger gehad heeft b.v. in een
Elia, ook al ware het zoo geweest, gelijk hij ten onrechte
meende, dat hij alleen was overgebleven die de knie voor
Baal niet gebogen had. M. a. w. dit: is dat monotheisme,
zooals beweerd wordt, hetzij dan als wordend of relatief,
hetzij als eigenlijk of absoluut monotheisme, eerst opgekomen
met en in Israël begonnen verkondigd te worden door de
profeten der 8ste eeuw, dan wel heeft het in Israël zijn ver-
tegenwoordigers en belijders gehad van Mozes, neen van den
eersten, die „een profeet" genaamd wordt (Gen. XX : 7),
d. i. van Abraham, den vader van Israël (Jes. LI : 2) af,
derhalve zijn vertegenwoordigers en belijders in dezen, en
in de velen of weinigen die in al de eeuwen van Israëls
geschiedenis getrouw waren aan de verkondiging van die
mannen, die als levende organen der Godsopenbaring vóór
ons treden?
4. Hier nu — wie ziet het niet? — komt de kritiek aan
het woord. Hoe glibberig dit terrein is, niet enkel voor de-
-ocr page 129-
119
genen die al hun best doen om zich daarop te orienteeren,
voornamelijk met het doel om de mannen van het vak een
weinig te kunnen narekenen (en ik wil eerlijk bekennen, dat
dit met mij het geval is), maar ook voor dezulken die zeggen
dat zij er alles van weten, is duidelijk genoeg uit de onderlinge
tegenspraak van die vakgeleerden zelf voorzoover zij als geest-
verwanten kunnen worden aangemerkt, en niet minder uit
de steeds beslister en krachtiger wordende tegenspraak hunner
principieele bestrijders. Ook is het nog al merkwaardig, op
te merken, hoezeer de zoogenaamde resultaten van één en
denzelfden criticus op belangrijke punten menigmaal afwijken
van die welke hij niet lang geleden verdedigde. O zeker,
een mensch kan veranderen. Maar de vraag is toch niet
onbillijk, of het wel veel vertrouwen wekt op de vastheid
en zekerheid der modern-critische resultaten \').
Wij willen dat nu echter daarlaten, en slechts het een
en ander in het midden brengen om te motiveeren waarom
ik meen dat de gevolgtrekkingen der moderne critici op dit
stuk althans — over al het andere spreken wij nu niet, want
wij hebben het nu alleen over Israëls monotheisme — met
beslistheid moeten worden afgewezen.
\') Men vergelijke op dit stuk b.v. de 2de uitgaaf van H. Schultz\'s
Altt. Theol. (1878) met do 4d« van 1888 (de 3** kon ik niet vergelpen).
Het teekent reeds, dat het gansche hoofdstuk over Gods eenheid, hetwelk
in de 2de uitgaaf voorkomt als Cap. XXX (blz. 440—457), en waarin
het monotheisme althans van den mosaïschen tijd nog als «völlig zweifel-
los» verdedigd wordt, in de 4de eenvoudig verdwenen en door niets ver-
vangen is. Toch is het maar een verschil van 10 jaren, waarin, zoover
ik weet, geen nieuwe ontdekkingen gedaan zijn, die aan de moderne
critici meer licht hebben kunnen geven over eene zaak, waaromtrent,
volgens hen, alle documenten vervalscht zjjn.
-ocr page 130-
120
Welnu, men zal u willen voorrekenen dat alles wat het
O. T. verhaalt van de tijden vóór Mozes, met name ook van
de vaderen Israëls, te beginnen met Abraham; alles dus ook
wat daar verhaald wordt van de Gods-openbaringen aan die
oud-profetische mannen en van hunne daarop gegronde kennis
en vereering van den eenig-waarachtigen God, geen historische
waarde heeft, maar als latere inkleeding te beschouwen en
in de werkelijkheid te verwijzen is naar het gebied der sagen
en mythen. Wij vragen: hoe weet gij dat? En men antwoordt:
„maar is het u dan niet bekend, dat wij door onze tegen-
woordige bronnensplitsing met juistheid weten wanneer al
die verhalen zijn te boek gesteld, en waarom de latere ver-
zamelaar of redactor zijn monotheïstisch gekleurde voorstelling
heeft gegeven van het geloof en de geschiedenis dier oud-
vaderen, zoodat aan een vasten historischen grond van die
sagen zelfs niet kan gedacht worden?" *) Hier nu maakt de
zoogenaamde historische kritiek, ziende dat er geen brug is,
eenvoudig een sprong zóó geweldig groot, dat zij onverhoeds
zich bevindt op een terrein waar zij rechtens niets te zeggen
heeft. Wil zij ons inlichten omtrent den ouderdom, de be-
standdeelen en de samenstelling der boeken, die wij hebben
te raadplegen, welnu, wij zullen trachten, haar betoog met
ernst en aandacht te volgen en te wegen. Maarofeenbijbelsch
verhaal, in welken tijd of door wien dan ook het mag zijn
te boek gesteld, waarheid bevat of verdichting, historie of
legende — dat te beslissen behoort niet tot de competentie
*) Men zie slechts, om één uit velen te nemen, b.v. Eeuss: Oesch.
d. A. T.
§ 132, waar met zooveel woorden gezegd wordt: «dass aneine
feste geschichtliche Grundlage bei diesen Sagen [nml. van de Patriarchen]
überhaupt nicht zu denken sei».
-ocr page 131-
121
van de historische kritiek, en zoo zij daarover uitspraak doet,
dan kan zij dat alleen doen met behulp van onderstellingen,
die zij van elders heeft weggehaald. Niet dit is de groote
vraag, wanneer de verhalen zijn te boek gesteld, maar wan-
neer en hoe zij ontstaan zijn. Indien men deze twee vraag-
stukken uit elkander hield, ik meen, dat reeds daardoor veel
gewonnen ware om aan veel en groot misverstand een einde
te maken. Wij mogen hier niet verder over deze dingen uit-
weiden, en veroorloven ons alleenlijk nog met hartelijke
instemming enkele zinsneden aan te halen uit een zeer recent
werk, waarin op uitnemende wijze de wapens gewet zijn
tegen de buitensporigheden van het modern criticisme. Het
heeft direct betrekking op het zoo even behandelde, de dus-
genaamd patriarchale sagen. „Let us consider what is implied
in the assertion that these stories of the patriarchal times give
us knowledge only „ „of the time when the stories arose"".
The whole question is: when did the stories arise? Suppose
we grant for a moment that as written productions they
first meet us in the ninth century, that does not imply
necessarily that the happy thought occurred at that time to
the unknown J. or E. to set down in this romantic dress the
history of his time, and of events that were fresh in memory
or occurring before the eyes of the readers. If we are to get
the time when the stories arose, then we must be told when
they were first mooted, in what narrow circle they started, how
long they were transmitted orally, and how they spread till
they became household words in the eighth century, when
Amos and Hosea refer to them as undoubted facts" etc. l).
\') J. Robertson (Professor of oriental languages in the university
of Glasgow): The early religion of Israël (1892) blz. 125, 126.
-ocr page 132-
122
Niet anders is het ook met de mosaische periode, waar-
mede wij trouwens, naar vrij algemeen erkend wordt, vaster
historischen bodem onder de voeten krijgen. Toch worden
ook hierbij door de evolutionistisch gezinde critici de profeten
gaarne uitgespeeld tegen Mozes, en wordt inzonderheid aan
de getuigenissen van den volgens hen zooveel eeuwen lateren
Deuteronomist alle bewijskracht ontzegd, bepaaldelijk ook
wat betreft het streng monotheïstisch karakter van het
eigenlijk Mosaisme. Want dit wezenlijk en niet slechts be-
trekkelijk, maar volstrekt monotheisme, zooals het inDeute-
ronomium en de profetische geschriften verkondigd wordt, is
dan, zoo wordt beweerd, geenszins mosaisch, al wordt het
ook aan Mozes toegekend, maar het is door de latere en
hooger staande profetische ontwikkeling met het gezag van
Mozes gewapend tot des te doeltreffender bestrijding en te
gereeder overwinning van de altoos weer oplevende en schier
onuitroeibare afgoderij.
Het spreekt wel vanzelf, dat wij er niet aan denken,
de groote kritische vraagstukken, die op ons onderwerp
betrekking hebben, en die, ook zóó beperkt, met al hare
onderdeelen toch bijna eindeloos en onafzienbaar zijn, hier
te gaan behandelen. Doch het is ook niet noodzakelijk.
Want ik herhaal het nadrukkelijk: de vraag naar den
ouderdom van een geschrift kan nimmer beslissend zijn
voor die naar de waarheid of onwaarheid van het daarin
verhaalde. Al moest men b.v. aannemen, dat Deute-
rononium eerst in de 7de of 8ste eeuw ware te boek
gesteld — wat ik voor mij betwist — en derhalve ook
het groote vdb* van Deut. VI : 4, waarover wij spraken, en
dat voor het streng en zuiver monotheisme van het mo-
-ocr page 133-
123
saisch Israël van alles beslissenden invloed is, daarmede is
immers nog niet bewezen, dat het niet door Mozes gesproken,
en dat het eene aan Mozes toegekende uitvinding van den
falsaris is? l). Inderdaad, indien alle documenten vervalscht
zijn, dan is het maar \'t verstandigst te zeggen: het is niet
mogelijk meer, het rechte te weten te komen 2). Doch ook
zelfs, indien men Deuteronomium wil ter zijde laten, spreekt
niet reeds de Decaloog duidelijk genoeg, ik bedoel nu met
name Ex. XX : 3? Ik weet wel, dat velen daarin nog niet
de verkondiging van het eigenlijk monotheisme vinden, maar
alleen het verbod van het dienen en vereeren van een andere
godheid, d. i. het gebod om uitsluitend Jehovah te vereeren
(Monolatrie), zoodat het werkelijk bestaan van andere goden
daarmede nog niet ontkend zou zijn. Maar wanneer ik b.v.
zeg: „gij zult niet mede doen aan het spiritisme", ligt daarin
dan ook opgesloten, dat ik geloof aan de realiteit van klop-
geesten en zoo meer? Immers neen, maar dit alleen ligt er
\') Volkomen juist is déze thesis van prof. Driver (Introduction to
the Literature of the Old Testament,
blz. 118): «The date at which
an event, or institution, is flrst mentioned in writing must not be con-
fuscd with that at which it occurred, or originated.» Ik ken Driver\'s boek,
eerst kortelings verschenen, nog niet, en refereerde uit Robertson\'s
vroeger genoemd werk (Preface. blz. IX).
*) Doch wij zeggen met Bredenkamp (Gesetx und Propheten, blz.
203): «Die Wahrhaftigkeit der alttestamentlichen Schriftsteller steht mir
zu hoch, als dass ich in den griissten Parthien des Gesetzes ein gran-
dioses, auf einer Linie mit den pseudoisidorischen Dekretalien stehendes
Falsifikat sehen könnte. Um zur Ueberzeugung zu gelangen, dass ein
solcher weltgeschichtlicher Humbug in unserm Jahrhundert, Dank dem
Scharfsinn der neuesten Kritik aufgedeckt sei, bedarf es in der Thattrif-
tigerer Grimde, als der vorgebrachten. Nach wie vor wird es wissenschaft-
lich berechtigt sein, den summarischen Inhalt des A. T. mit dem Ausdruck:
Gesetz und Propheten zu bezeichnen.»
-ocr page 134-
124
in opgesloten» dat er inderdaad nog menschen zijn die daaraan
gelooven. Welnu, dat er in Israël ten allen tijde velen waren,
die geloofden aan de realiteit van andere godheden nevens
den eenig-waarachtigen Jehovah, wie weet het niet en wie
zal dat ontkennen ? Maar daarom heeft toch Israëls Wetgever
er nog niet aan geloofd, dat zou dan zijn: niet alleen Mozes,
maar (daar wij gelooven, dat hij de wet niet zelf bedacht,
maar als profetisch middelaar van het O. V. haar van God
ontvangen heeft) bij slot van rekening: Jehovah zelfl Ik
begrijp niet, hoe het mogelijk is, dat iemand in dit opzicht
voor het tweede gebod (Ex. XX : 4) eene andere conclusie
maakt dan voor het eerste. Zooals o. a. ook Dillmann nog
doet (comm. op Exodus, 1880, blz. 209), terwijl hij in het
eerste nog niet het eigenlijk monotheisme verkondigd en
alleen de monolatrie geboden vindt, maar van het andere,
met vergelijking nog wel van Deut. IV: 15 vv., nadrukkelijk
het volgende zegt en wil betoogen: „Dass aber ein solches
Verbot, welchem die Unabbildlichkeit, somit Unsichtbarkeit und
Geistigkeit Gottes als Gedanke zu Grund liegt, für die Zeit und
Erkenntnisstufe Mose\'s zu hoch, also auch von ihm nicht
gegeben, sondern in das Zehnwort erst viel spater eingefügt
sei, kann nicht mit gutem Grund behauptet werden." Waarom
staat het ééne wel, en het andere niet te hoog voor de
„Erkenntnisstufe" van Mozes, terwijl toch ook de ééne dezer
beide waarheden onafscheidelijk is van de andere? Voorwaar,
ook Ex. XX : 3 moet men wegschrappen, of ten minste
verleggen naar een eeuw of wat later, indien men meent,
de waarachtig monotheistische gedachte niet voor Mozes\'tijd
en Godskennis te kunnen handhaven. Neen, daar is geen
enkel geschrift in het O. T., dat geschreven is van het
-ocr page 135-
125
standpunt van een relatief monotheisme, laat staan van dat
der natuurgodsdiensten. Nog eens: is hier vervalsching in \'t
spel, dan zijn zonder uitzondering alle documenten vervalscht,
die op één of andere wijze bericht geven van het Mosaisme,
en dan zeggen wij nog eens: ignoramus et ignorabimus!
Maar juist de gedurig herhaalde vermelding en bestraffing
van den dienst der heidensche goden door het nakroost van
Abraham, van den uittocht uit Egypte af tot aan den on-
dergang van Israëls volksbestaan toe, zijn reeds het onmis-
kenbaar bewijs voor de betrouwbaarheid der berichten. De
eeuwen-door zien wij, om zoo te zeggen, de worsteling van
een zinnelijk en licht verleid volk tegen het getuigenis Gods
op allerlei wijze herhaald „dat Jehovah is de Elohïm (n\'-iWi),
daar is er geen dan Hij alleen" (Deut IV : 35). De heiden-
sche godheden hebben, ik zeg niet in het bewustzijn van het
afgodische volk, maar in het bewustzijn van de herauten der
Godsopenbaring, geen realiteit; voor dezen is Jehovah de
eenige die werkelijk bestaat, en Hij kan voor hen dus ook
niet maar zijn een volksgod of nationaalgod in dezen zin dat Hij
bestaat nevens of boven andere werkelijk bestaande godheden,
maar alleen in dezen zin dat Hij Israël verkiest, om door zijne
wonderbare wegen en leidingen met dat volk ten laatste alle
volken te bereiken met de zegeningen van zijn kennis en dienst.
Het is waar, dat het niet ontbreekt aan velerlei getuige-
nissen, die aan Mozes zelf worden toegekend, waarin over
de goden schijnt gesproken te worden alsof zij werkelijk be-
staande machten waren nevens of onder God. Ik noem slechts
Ex. XV : 11: „Jehovah! wie is als Gij onder de goden?"
en — nog sterker, omdat Jehovah zelf daar sprekende wordt
ingevoerd — Ex. XII : 126: „Ik zal gerichten oefenen aan
-ocr page 136-
126
al de goden der Egyptenaren, Ik, Jehovah". Maar wie zal
nu dwaas genoeg zijn te beweeren, dat, volgens laatstge-
noemde plaats, naar de voorstelling van den schrijver Jehovah-
zelf realiteit heeft toegekend aan de goden der Egyptenaren ?
Doch ook, dergelijke voorstelling is niet uitsluitend eigen aan
den mosaischen tijd; men vindt haar evengoed in de latere
geschriften, opgesteld in een tijd en geschreven in een geest
waarin, naar algemeen wordt toegestemd, het zoogenaamd
relatief monotheisme reeds ter zijde gesteld en overwonnen
was. Zoo b.v. Deut. IV : 7; XXXII : 12 \'): „zoo leidde hem
Jehovah alleen, en er was geen vreemd God met hem".
Wel zegt Knobel (Comm.) hierbij: „Anders Aaron und Jero-
beam, Ex. 32, 4. 1 Reg. 12, 28". Maar dat is niet waar.
Want met den kalverendienst bedoelden zij niet de invoering
van eene vreemde godheid, maar de vereering van Jehovah
onder dat beeld, zooals (in overeenstemming met Vatke,
Ewald, Kuenen, en Baudissin) door Dillmann 3) met degelijke
\') Deze plaatsen haal ik hierbij aan, mij voor een oogenblik plaatsende
op het standpunt der moderne critici, zoodat dan ook Deuteronomium zou
geschreven zijn in den geest van het absoluut monotheisme.
*) Hij bestrijdt het meest verbreide gevoelen dat het beeld de egyptische
godheid Apis of Mnevis moest voorstellen. Maar «Stierbilder wurden von
den Aegyptern nicht verehrt, und das einem i\'tgypt. Gott von den Israe-
liten ihre Ausführung aus Aegypten soll zugeschrieben worden sein, ist
widersinnig... Vielmehr ist hier an einen alt-hebraischen Dienst zu
denken, der in den Kreisen der semitisch-kanaaimischen Völker weit ver-
breitet war und auch bei den Israeliten der nördlichen Stiimme (im Zu-
sammenhang mit der kanaan. Baalsreligion) sich ziihe forterhielt. Dieses
Bild soll nun aber hier nicht Bild eines fremden Gottes, sondern Jahve\'s,
der das Volk aus Aegypten geführt hat, sein; es warsomit Versündigung
nicht gegen 20, 3, sondern 20, 4». (Comm. ad Ex. XXXII : 4). Knobel
weerspreekt ook zichzelf, en was, toen hij bij Deut. XXXII : 12 schreef:
« Anders Aaron und Jerobeam »,\' blijkbaar vergeten, dat hij bij Ex. XXXII:
-ocr page 137-
127
argumenten bewezen wordt. Evenzoo Ps. LXXXI : 10;
LXXXVI : 8; XCVII : 7; Jes. XIX : 1; Dan. XI: 36; e. a.
Op al deze plaatsen wordt van de goden gesproken alsof zij
werkelijk bestonden. Maar wie zal daarom beweeren, dat dit
ook in de voorstelling dezer schrijvers het geval was? Mij
dunkt, evenmin als de koeien van Farao\'s droomgezicht reali-
teit hadden voor Jozef, al is het ook dat deze er letterlijk zóó
over spreekt (Gen. XLI : 26, 27).
Neen, het O. T. erkent nimmer het werkelijk bestaan van
andere godheden als zoodanig, hoewel het altoos de vraag
kan zijn, in hoeverre eene betrekkelijke realiteit er aan wordt
toegekend en er aan kan toegekend worden, namelijk als
zekere duistere, geheimzinnige, verdervende machten in de
wereld der geesten, als "SxiyL&vix, waarvan ook de apostel
Paulus spreekt (1 Cor. X : 20, 21; vrgl. Ef. VI : 12, en
tevens 1 Cor. VIII : 4), maar dan toch altoos als machten
onder God, nimmer als godheden nevens Hem \'). Dit is zeker:
het O. T. kent ïxipóvix (LXX) als er# (Deut. XXXII : 17)
— van -n», verderven — en als n\'-yvto (Lev. XVII : 7,
fixrxtx, LXX, hetzelfde woord vertalen ze echter Jes. XIII:
21, XXXIV : 14 door tixifióvix, waar zij dus waarschijnlijk
4 geschreven had: «Wie dieser [Jerobeam] erkliiren sie das Bild für den
Gott, der sie aus Aegypten geftthrt hat, behalten also den Jehovadienst
den Namen nach bei, sündigen aber damit, dass sie ein Bild des unab-
bildbaren Gottes angefertigt haben».
\') «Es wirken geistliche Gewalten, O\'1?*?, W^i O\'?\'1"? \'J3 in der
körperlichen Welt, aber in der Welt, welche Gott der Vater Jesu Christi
geschaffen hat, erhalt und regiert. Sie sind also Geister, aber nicht ur-
sprünglich, und gewaltig, aber nur wo der Schöpfer sie walten lasst.
Wollen sie wider Gott den Schöpfer seyn, oder will man sie neben ihm
haben, so sind sie O\'V?*, Sk nV\'. Hofmann: Weissagung und
Erfüllung,
I, blz. 120.
-ocr page 138-
128
an» gelezen hebben). Maar dit alles doet niets af van het
feit, dat de heidensche godheden als zoodanig steeds worden
voorgesteld als ca\'1?\'1?» (van het ongebr. V»t, niets-zijri), LXX:
s1$u>.x, idolen, schijn wezens (Lev. XIX : 4; XXVI : 1; Ps.
XCVI : 5, Jes. II : 8, e. a.), als ahx\\ „ijdelheden" (Deut.
XXXÉ : 21; 1 Kon. XVI : 13, 26), en als niet-goden
(pt?k vh, \'w s6. Deut. XXXII : 17, 21), eene gedachte, die
door de profeten op velerlei wijze is uitgewerkt (1 Kon. XVIII:
27; Jes. XLI : 29; XLII : 17; XLVI : 1; Jer. II:28,e.a.).
Welnu, wat is dit alles in den grond der zaak anders, dan
wat ook door het N. T. verkondigd wordt (Hand. XIV : 15;
XIX : 26; 1 Cor. VIII : 4, 5; Gal. IV : 8)? En al is er dus
zeer zeker, zooals wij vroeger zeiden, eene voortgaande hel-
derheid, een gedurig excelsior ook in de G-odskennis, gelijken
tred houdende met de openbaringsgeschiedenis van O. en N.
T. — het neemt niet weg, dat ten allen dage voor allen,
aan wie de eenig-waarachtige God zich geopenbaard heeft,
boven alles moet hebben vastgestaan deze ééne grootewaar-
heid, welke hare uitdrukking gevonden heeft in het woord:
„Ziet nu, dat Ik, Ik Die ben, en geen God met mij."
§ 14.
Gods heiligheid.
De juiste bepaling van het begrip der heiligheid
Gods is een der gewichtigste maar ook een der moei-
lijkste problemen, waarmede de Bijbelsche Godgeleerd-
heid te doen heeft. Het sprekendst bewijs daarvan is
reeds de rijke literatuur over dat onderwerp en niet
-ocr page 139-
129
minder het feit, dat in weerwil daarvan eenstemmig-
heid dienaangaande nog alles behalve verkregen is.
Wij meenen echter het volgende te mogen vaststellen.
1°. De etymologie, hoewel zij, als niet geheel zonder
belang, ook hierbij mag medespreken, geeft geen zeker-
heid en kan in geen geval beslissend zijn, daar toch
een brjbelsch begrip uit den aard der zaak alleen naar
de analogie van het bij belsch spraakgebruik kan worden
vastgesteld.
2°. Het begrip „heiligheid", in den zin waarin deze
in den bijbel aan de Godheid wordt toegekend, is uit-
sluitend eigen aan den openbaringsgodsdienst van het
Onde en Nieuwe Testament.
3°. Volgens de H. Schrift komt het praedicaat heilig
in volstrekten zin werkelijk aan God alleen toe, en aan
al het andere, wie of wat dan ook, alleen omdat en
in zooverre Hij het krachtens de openbaring van zijnen
heilswil met zichzelf in betrekking stelt. Mitsdien is
„heiligheid" in den algemeensten zin van het woord
altoos een zuiver godsdienstig begrip, m. a. w. zulk
een dat middellijk of onmiddellijk altoos betrekking
heeft op God.
4°. De heiligheid Gods is niet maar eene eigenschap
die Hem wordt toegekend, noch ook slechts de uit-
drukking van zijne verhouding ten opzichte van de
wereld, maar het is de uitdrukking voor het wezen
Gods in zijne volstrekte tegenstelling met al wat zondig,
onrein, onyolkomen is, d. i., positief uitgedrukt: het
9
-ocr page 140-
130
volstrekt goed-zijn van God, zijne onveranderlijke, on-
aantastbare, onbevlekkelijke volmaaktheid in den
ethischen zin van dit woord.
5°. De openbaring van de heiligheid Gods, hoewel
zij verbaliter vooral in het O. T. op den voorgrond
treedt en, hoewel niet uitsluitend, toch met name in
alles wat betrekking heeft op het Godsbewustzijn der
theokratische gemeente, komt in het Nieuwe Testament,
wel verre van daar geheel te verdwijnen, realiter eerst
volkomen aan het licht, zoodat de gansche heilsge*
schiedenis inderdaad niet anders dan uit het oogpunt
der goddelijke heiligheid te verklaren en te begrijpen is.
In den nog al langen tekst dezer paragraaf zijn, naar ik
meen, vrij volledig samengevat al de bijzonderheden, die bij
dit hoogstbelangrijk onderwerp dienen ter sprake te komen.
Ik hoop het daardoor mogelijk gemaakt te hebben, dat men
de rijke en breede stof, die zich hierbij aanbiedt, in eens
kan overzien, en tevens daardoor terstond bewezen te hebben
dat ik mij bewust was van het gevaar, dat men hierbij
loopt, een onderwerp gelijk dit zich te laten uitbreiden tot
de lengte eener tamelijke verhandeling. Daarom ook begin ik
terstond met de toelichting van elk der vijf in de § genoemde
bijzonderheden \').
1. De etymologie van het Hebreeuwsche heilig, vifT en
\') Voor de litteratuur over het onderwerp verwijs ik naar Baudissin:
Stud. zur Sem.Relig. Oesch. (1878) Heft II. O e hier: Theol. d. A. T.*
blz. 162 (nootl), waarbij ik alleen nog voeg: Robertson Smith: the
prophets of Israël,
blz. 224 vv. Dillmann: Comm. Jesaia* (1890)
blz. 57 vv., en Robertson: t. a. p. blz. 309 vv.
-ocr page 141-
131
w"!j3, staat nog niet boven alle tegenspraak vast, evenmin
als die van het Nieuwtestamentisch Siyioq. Maar al ware dat
ook het geval, zij kon uit den aard der zaak toch niet be-
slissend zijn ter bepaling van het bijbelsch begrip. Want,
al is het waar, zooals verzekerd wordt, dat hetzelfde woord
in alle semietische talen is gebruikelijk geweest om het heilige
uit te drukken, het blijft toch altoos nog de vraag, of ook
de heidensch-semietische volken het bedoeld hebben in den-
zelfden zin als de hun stamverwante Hebreërs, en of derhalve
dat woord in den openbaringsgodsdienst van dit volk niet
een anderen en rijker inhoud gekregen heeft dan in het
spraakgebruik der hei den volken.
De verschillende afleidingen van vhyr kan men tot een drietal
terugbrengen. 1°. van een sanskrietwortel dhüsch = splendi-
dum, pulchrum esse
J); 2°. (nauw daaraan verwant) van een
stam, die verwant is met «Nj, enituit, lichtend te voorschijn
komen
, op nieuw licht geven (van het licht der nieuwe maan)2);
3°. van een wortel y_ met de grondbeteekenis snijden, scheiden,
afzonderen
s). Wie zal eene beslissende uitspraak wagen,
*) Dit was de vroegere beschouwing van Delitzsch (zie Keil:
Comm. ad Ex. XIX : 6), maar later door hem teruggenomen (zie zijn
Art. «Heiligkeit Gottes» in Herzog\'s R. Ene.\' V, blz. 714).
\') Dit is vooral door Diestel verdedigd in Jahrbücher ffir deutsche
Theol. IV, blz. 4: «Dafür spricht auch die einfache Nominalbildung tsrn
novilunmm, das neue Ergliinzen der Mondsichel bezeichnend.»
\') Dit is het latere gevoelen van Delitzsch (zie zijn genoemd Art.
in Herzog, en zijn Comm. op Ps. XXII : 4, en op Jes. I : 4), van
Oehler (in zijn Theol. d. A. T.2 blz. 158, met terugneming van zijn
vroegere afleiding van B^n, door hem verdedigd in de l8te uitg. van
zijne Theol. d. A. T. en in zijn Art. «Heiligkeit Gottes» in Herzog\'s
R. Ene.1, XIX, blz. 618), van Baudissin: t. a. p.; e. a. Ook Calvijn
had blpbaar reeds die opvatting. Althans in zijn Comm. op Ex. XIX: G
-ocr page 142-
132
ook al is het dat men de voorkeur geeft aan het een of het
ander? Ik voor mij hecht de meeste waarde aan de laatst-
genoemde afleiding; en dat deze in ieder geval het meest
overeenkomt met het grondbegrip van het werkwoord »"]£,
zooals wij dit reeds de eerste maal in het O. T. ontmoeten,
is onmiskenbaar duidelijk. Het is in de zoogenaamde Elohim-
oorkonde van het scheppingsverhaal, Gen. II : 3: „Godheeft
den zevenden dag gezegend, en dien geheiligd", «np;. Ontegen-
zeglijk is hier het grondbegrip dat van afzonderen \'), het
afzonderlijk stellen van den zevenden dag in onderscheiding
van de anderen, en wel bepaaldelijk door en voor God, zooals
Dillmann 2) het goed zegt: „Gott machte ihn zu einem hei-
ligen, den gemeinen Tagen entnommenen und Gott geweihten
Tag, der eine besondere Beziehung auf den hl. Gott hat".
2. Hiermede krijgt het bijbelsch begrip van heiligheid reeds
terstond iets kenmerkend eigenaardigs, waardoor het in-
derdaad onderscheiden is van alles wat buiten den openbarings-
godsdienst kan worden aangewezen. Het is van belang, dit
op te merken en duidelijk in te zien. Want uit de gelijkheid
van woorden te besluiten tot gelijkheid van begrippen, is
zeer zeker voorbarig. Gewoonlijk wordt gezegd: ook de hei-
den sche Semieten hebben aan hun godheden het praedicaat
heilig toegekend, en het is dus niets bijzonders dat ook de
oude Hebreen het aan hun Godheid gegeven hebben. Zoo zegt
zegt hij: Gens sancta hic dicitur, non respectu pietatis velsanctimoniae,
sed quam Deus singulari privilegio ab aliis separavit.
\') Maar niet in den zin waarin Baudissin (t. a. p. blz. 21) het
construeert als het nieuwe, zoodat « das Neue als rein, mit Anderem noch
nicht in Bertihrung gekoramen, als intact, abgesondert bezeichnet wird».
2) Comm. op Genesis (5de uitg.).
-ocr page 143-
133
b.v. Kobertson Smith 2): „Holmess, in fact, is the most
comprehensive predicate of the Godhead, equally familiar
to the Hebrews and their heathen neighbours. The „holy
gods" is a standing designation of the Phoenician deities,
as we learn from the monument of Eshmunazar; and so the
word in its original use cannot have conveyed any idea
peculiar to the religion of Jehovah. lts force lay in its very
vagueness, for it included every distinctive character of God-
head, and every advance in the true knowledge of God made
its significance more profound; thus the doctrine of Jehovah\'s
holiness is simply the doctrine of His true Godhead." Hierin
nu schuilt, naar ik meen, eene zonderling verwarde rede-
neering. Smith zegt m. a. w. dit: de profeten 2) vonden het
woord en het begrip „heiligheid" van de godheid gezegd, en
zij hebben ja een dieper zin er in gelegd dan het had in het
heidensch gebruik, maar zij konden dat gemakkelijk doen
omdat het woord oorspronkelijk zoo vaag, zoo onbepaald was,
en eigenlijk slechts in \'t algemeen „de godheid" aanduidde
zonder eenig bepaald attribuut, zoodat zij, sprekende van
Jehovah\'\'s heiligheid, daarmede eenvoudig zijne ware godheid
bedoelden. „Thus", zóó concludeert hij, „the Godhead of
Jehovah as- taught by the prophets meant something quite
different from the godhead or holiness attributed to idols or
to heathen deities". Goed; maar wij begeeren te weten, wat
dit „something" nu eigenlijk was. Dit nu vernemen wij niet,
tenzij dan dat de profeten, sprekende van den Heilige, een-
voudig wilden zeggen: „den waren God". Ziedaar de fout.
\') t. a. p. blz. 224, 225.
\') Niet eerst de profeten. Onder n°. 5 komen wij daarop terug.
-ocr page 144-
134
Want het is niet waar, dat de profeten (en in \'t algemeen
het O. Tisch spraakgebruik) niet eene bepaalde karakteristiek
van Jehovah hebben willen geven als zij van zijne heiligheid
spraken of Hem den Heilige noemden, evengoed als de
heidenen dat hebben willen doen op hunne wijze wanneer zij
van hün goden als van „heilige goden" spraken. Zoowel de
heidenen als de Israëlieten wilden wel iets zeer bepaaldsvan
de godheid uitdrukken met het woord dat bij hen „heilig"
beteekende, en niet maar eenvoudig hetzelfde als „de godheid".
In de woorden: „lts force lay in its very vagueness", en
dientengevolge in de vereenzelviging van „godheador holiness"
schuilt de ver reikende fout van Smith. „Heiligheid" was een
attribuut van de godheid, iets waardoor deze, ook in de
heidensche voorstelling, onderscheiden was van het andere —
anders toch, hoe hadden zij kunnen spreken van heilige goden ?
Wat nu was dat voor de heidensche Semieten, wat voorden
Israëliet? — ziedaar de groote vraag. Om te weten, wat het
voor de eersten was, zouden wij zekerheid moeten hebben
aangaande de etymologie van «snhjï, en die hebben wij niet.
Doch welke afleiding men ook verkieze, men komt er nimmer
meê tot het eenig, bijbelsch begrip van Gods heiligheid, maar
hoogstens — indien men de grondbeteekenis .zoekt in y_,
scheiden, afzonderen — tot de gedachte van de godheid als
boven het aardsche, dat is nog niet: boven het onreine of
zondige, verhevene. Wat Delitzsch aanvoert tegen Baudissin,
geldt eveneens tegen Smith, al spreekt deze zich over de
afleiding ook niet zoo bepaald uit. „Hier ist es", zegt Delitzsch
terecht *), „wo Baudissin in eine falsche Ban einlenkt, indem
\') In Herzog\'s E. Enc.! V, blz. 715.
-ocr page 145-
135
er annimmt, dass »npr, von Gott gesagt, zunachst den über
das Irdische Erhabenen und erst von da aus den über Un-
reinheit (Sünde) Erhabenen bezeichnet, obwol er vorsichtig
hinzugefügt, dass jene „ „scheinbar primare"" Bedeutung
vielleicht nie für sich allein existiert habe. In Wirklichkeit
gehort sie gar nicht zum eigentlichen Begriffsinhalt. Wenn
in der phönizischen Inschrift des Sarkophags des Königs
Eschmunazar die Götter oarp arha (heilige Götter) heissen,
so bedeutet das weder die überweltlichen noch die reinen,
sondern die fehl- oder mangellosen, freilich nicht in dera
geistigen Sinne, welchen »rp oder D\'tsnip (Jos. 24, 19; Hos.
12, 1; Spr. 9, 10; 30, 3) als Benennung des einen innerhalb
der Offenbarungsreligion gewinnt, welche wir nach dieser
Seite hin mit Kuenen als die Religion des ethischen Mono-
theisraus von den Heidentümern unterscheiden können. Uberall
aber, wo das Wort mehr als blosser Verhaltnissbegriff ist,
verbindet sich im Sprachbewusstsein mit der Wurzelbedeutung
sejunctus die Vorstellung sejunctus ab omni vitio, also labis
expers".
3. Deze laatste opmerking nu raakt het hart der kwestie.
Want de vraag kan niet uitblijven, wat het toch eigenlijk
is waardoor het begrip heiligheid in het O. T. bepaald wordt,
m. a. w. in welken zin en waarom God en sommige per-
sonen en zaken als heilig gekenmerkt worden. De verschillende
beschouwingen zijn aangegeven in de volgende vragen: is
God heilig of wordt Hij zoo genoemd omdat Hij de Eenige
is, de ware God? öf is het omdat en in zooverre iets voor
Hem wordt afgezonderd en in zijn dienst gesteld, zoodat het
begrip heilig, van God gezegd, op Hem overgedragen en
alzoo een afgeleid begrip is? öf is het een attribuut, dat
-ocr page 146-
136
werkelijk God alleen toekomt, zoodat al het andere dat heilig
genoemd wordt daarom alleen zoo heet omdat God het met
zich in betrekking stelt?
Wat geformuleerd is sub 3° in den tekst dezer § heeft
reeds duidelijk genoeg gezegd, in welken zin, naar ik meen,
elke der drie gestelde vragen behoort beantwoord te worden.
Om welke reden de eerste, die, zooals wij reeds zagen, het
gevoelen van Rob. Smith weergeeft J), moet worden afge-
wezen, hebben wij reeds gemotiveerd. Doch dit is evenzeer
het geval met het in de tweede vraag uitgedrukt gevoelen,
hetwelk in geleerden als Diestel en Baudissin, hoezeer zij
overigens in bijzonderheden van elkander afwijken, zijn be-
kwame woordvoerders en verdedigers gevonden heeft. Diestel
spreekt duidelijk genoeg in deze woorden: „Jehovah ist heilig,
sofern er dem Volke Israël angehört, Eigenthum Israels ist" 2),
en, ik zou haast zeggen on begrijpelijkerwijze, laat hij ten
bewijze daarop aanstonds volgen: „Diese Erklarung wird
wesentlich unterstützt und begründet durch die nahere Ver-
bindung, in welcher sich jene bekannte Formel findet. An
der Spitze einer sehr eigenthümlichen Zusammenstellung von
Geboten Lev. 19 lesen wir: heilig sollt ihr sein, denn heilig
bin ich, Jehovah, euer Gott". Indien er stond: „Ik Jehovah,
uw God, ben heilig, want gij zult heilig zijn", dan had Diestel
volkomen gelijk. Maar nu is juist het omgekeerde het geval —
öf ik kan niet meer denken!
\') Ook van Kitschl, die zegt: «dem Hebraer ist sein Gott deshalb
heilig oder der Heilige, weil er der Einzige ist, weil der Gedanke des
Gottes, der Himmel und Erde gemacht hat, streng genommen es ver-
bietet, Götter zu denken, geschweige denn die Existenz von solchen
anzuerkennen".
*) t. a. p. blz. 11.
-ocr page 147-
137
Bij Baudissin zoekt men te vergeefs naar eene zoo korte
formule waarin zijn gevoelen ten dezen opzichte even duidelijk
is samengetrokken. Maar toch behoeft men er niet naar te
raden in den ganschen samenhang van zijn met groote hel-
derheid geschreven boek, en bijzonder duidelijk ook stelt hij
de kwestie. Hij zegt \'): „In allen Religionen wird sich irgend
ein Wort nachweisen lassen, womit die der Gottheit zuge-
eigneten, geweihten Dingen benannt werden und welches
von da aus zum Theil auf die Gottheit selbst übertragen
wird, um sie damit zu bezeichnen in ihrer Unterschiedenheit
von dem Nichtgöttlichen, so wie das betreffende Wort ur-
sprünglich zur Auszeichnung des Geweihten von dem Nicht-
geweihten angewandt ward; oder esmagauchdieumgekehrte
Richtung eingeschlagen worden sein, dass ein ursprüngliches
Gottheitsepitheton, welches in irgendwelcher Form das Gottsein
ausdrückte, übertragen würde auf die der Gottheit geweihten
Dinge. Dass auf dem einen oder dem andern Wege die ver-
schiedenen Bedeutungen von &*$ und tfiijJ entstanden sind,
darf von vornherein vorausgesetzt werden, da die Anwendung
jenes Nomens und Adjectivums sowohl auf die Gottheit als
auf das Gottgeweihte unbestritten und allbekannt ist". Dit
alles nu is zeer juist en waar gezegd. Maar welke van de
twee genoemde wegen is nu,\'volgens Baudissin, ingeslagen
en dus ook thans nog te volgen om te komen tot de juiste
bepaling van het heiligheidsbegrip, waar dit op God wordt
toegepast? Ik heb bij hem vergeefs gezocht naar eene zoo
beslist duidelijke formule als die van Diestel. Maar (om niet
onbillijk te zijn door het aanhalen van enkele uitdrukkingen
») t. a. p. blz. 33.
-ocr page 148-
138
die men zou kunnen misverstaan als zij worden losgemaakt
uit het verband) de weg zelf dien hij feitelijk volgt bij zijn
onderzoek, neemt allen twijfel aangaande zijne meening weg.
Immers het gaat bij hem van onderen naar boven, d. w. z.
hij begint met ahp „in der Anwendung auf Sachen" (blz. 40 —
60), dan volgt dit „in der Anwendung auf Menschen" (blz. 61 —
78), en ten slotte „in der Anwendung auf Gott und auf die
Engel" (blz. 78 — 126). Hieruit blijkt overtuigend dat het begrip
„heilig" en „heiligheid", op God toegepast, inderdaad ook bij
Baudissin een op Hem overgedragen, een voor Hem afgeleid
begrip is, en niet omgekeerd, niet, zooals hij het goed heeft
uitgedrukt, „ein ursprüngliches Gottheitsepitheton, welches...
übertragen wiirde auf die der Gottheit geweihten Dinge".
Welnu, ik meen, dat juist het tegendeel de waarheid is,
en dat de heiligheid Gods altoos en overal het primaire, en
daarentegen die van menschen en zaken het daarvan afgeleide
is. Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, met het reeds ge-
noemde Lev. XIX : 2 (vrgl. XX : 26) voor oogen, dat te
ontkennen, en welk bewijs er zou zijn aan te voeren voor
het tegendeel. Ook mag gewezen worden op de tegenstelling
van „heilig" en „onheilig" of „gemeen" (Lev. X : 10; 1
Sam. XXI : 4, 5; Ez. XXII : 26, e. a.), waarbij Breden-
kamp *) terecht tot deze conclusie komt: „Heilig ist, was
Gott von der Welt in seinen Bereichzieht, was eben damit,
dass es fiir Gott bestimmt ist, von der profanen Welt ab-
gesondert ist. Denn der Gegensatz von tfnp ist Vn, das
Geloste, jedem Zugangliche. So ist heilig, was Gotte gehort,
aber keinesfalls umgekehrt ist Gott heilig, weiier der Kreatur
gehort oder sich zu eigen gibt". Inderdaad, God alleen is
\'.) t. a. p. blz. 45.
-ocr page 149-
139
heilig, en alle heiligheid buiten Hem, gaat van Hem alleen
uit. „Er is niemand heilig, gelijk Jehovah, want er is niemand
dan Gij" (1 Sam. II : 2). „Wie is als Gij verheerlijkt in heilig-
heid?" (Ex. XV : 11). En op het trisagion van Jes. VI : 3,
herhaald door Openb. IV: 8, wordt ten slotte het zegel gedrukt
door het „Gij alleen zijt heilig" van Openb. XV : 4, om ge-
tuigenis te geven aan de waarheid, dat de heiligheid niet
opklimt van het schepsel tot God, maar dat het ook hiervan
geldt: „uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen"
(Rom. XI : 36).
4. Wanneer dan nu eindelijk gevraagd wordt naar de
eigenlijke en wezenlijke beteekenis van de heiligheid Gods,
dan is uit al het voorgaande reeds overvloedig gebleken, hoe
moeilijk het is, eene omschrijving of bepaling van dat bijbelsch
grondbegrip te geven, die de verschillende zijden daarvan
geheel tot haar recht doet komen, en waarop door niemand
iets zou kunnen worden afgedongen. Want dit is, meen ik,
nu wel algemeen erkend, dat de uitdrukking „heilig" in hare
algemeene beteekenis in het Oude en ook in het Nieuwe
Testament meer omvat dan in ons spraakgebruik met dat
ééne woord is aangegeven. Doch ook hierover is men het nu
wel eens geworden, dat dit praedicaat, van God gezegd,
meer dan eene of andere eigenschap van het goddelijk Wezen,
hetzij dan zijne verhevenheid of majesteit, hetzij zijne onge-
naakbaarheid, hetzij zijne onveranderlijkheid, of ook wel zijne
genade en verlossende liefde, moet uitdrukken. Is het dan
de uitdrukking voor de verhouding of betrekking Gods ten
opzichte van de wereld, zooals Diestel\') het heeft uitgedrukt:
\') t. a. p. blz. 6.
-ocr page 150-
140
„heilig... primitiv durchaus ein VerhcilltnissbegrifT\', en zooals
veelal ook gezegd wordt door velen die het overigens met
de beschouwingen van Diestel alles behalve eens zijn? i).
Ik geloof het niet, en het komt mij voor, dat men met dat
te zeggen den effectus pro causa neemt, of misschien beter
gezegd: het afgeleide in de plaats van het oorspronkelijke
stelt, de gevolgtrekking in de plaats van den eigenlijken
inhoud van het begrip, evengoed als dat het geval is wanneer
men de heiligheid vereenzelvigt met de verhevenheid of eenige
andere eigenschap Gods. Het spreekt wel van zelf, dat zoodra
over Gods heiligheid op een of andere wijze gesproken wordt
met betrekking tot personen of zaken — en het ligt in den
aard der zaak, dat dit menigvuldig het geval is — zij dan
óók als een „Verhaltnissbegriff\' moet beschouwd worden ;
maar wat het dan wordt, dat ia \'t nog niet op zichzelf.
Neen, er is mede uitgedrukt hetgeen het Wezen Gods reëel
en immanent eigen is; het is, zooals Dillmann 2) het goed
heeft uitgedrukt: „centrale Wesensbezeichnung" Gods, of
(waarmede, dunkt mij, hetzelfde is aangeduid) de uitdrukking
van hetgeen door Kuenen genoemd wordt: „het eigen zedelijk
karakter van Jahwe" 8). Dit staat inderdaad bij de heiligheid
a) O. a. door Cremer (Wörterb.) in zijn veelzins voortreffelijk Art.
Hyiot, waar het bij herhaling gezegd wordt. «Heiligkeit ist ein Verhiilt-
nissbegriff» (blz. 41. Ik citeer uit de 5de uitg.) «Es ist neml. allerdings
tf-p in erster Linie ein Verhiiltnissbegriff (blz. 42); «Erstlich, dassHeilig-
keit ein Verhiiltnissbegriff ist u. zwar das Verhültniss Gottes u. dessen,
was sein ist, zur Welt bezeichnend» (blz. 45).
2)  Comm. ad Jes. VI : 3.
3)   Volksrjodsdienst en Wereldgodsdienst, blz. 97. En toch wordt later
weer gezegd: «Heilig is de aanduiding van eene betrekking» (blz. 135).
Zoo lezen wij ook in zijn De Godsdienst mn Israël (I, blz. 47) eerst:
-ocr page 151-
UI
Gods altoos onveranderlijk op den voorgrond, en al het andere
is daaruit afgeleid en volgt daaruit. Men denke slechts aan
dit eene, dat God zweert bij zijne heiligheid (Amos IV : 2).
Dit spreekt, dunkt mij, zóó sterk en duidelijk, dat het een
einde moet maken aan alle tegenspraak, wanneer beweerd
wordt, dat men te weinig zegt als men de heiligheid Gods
vereenzelvigt met een zijner eigenschappen, of haar enkel en
alleen bepaalt als de aanduiding eener betrekking, maar dat
zij niet minder is dan „de samenvatting zoowel van de
(metaphysische) attributen zijner verhevenheid als van zijn
ethisch wezen" 1). Immers de eedzwering Gods is altoos een
zweren bij zichzelven, bij zijn eigen Wezen en bestaan als
laatsten en hoogsten grond en eenigen waarborg van alle
waarheid en trouw (Gen. XXII : 16; Ex. XXXII : 13; Jes.
XLV : 23; Jer. XXII : 5; XLIV : 26; Ez. XXXIII : 11,
e. a.), dewijl Hij bij geenen meerdere kon zweren (Hebr. VI:
13); en als Hij dus zweert bij zijne heiligheid, dan kan dat
niet anders en niet minder zijn, d. i., zooals het is uitgedrukt
in den tekst der §, niet minder dan „het volstrekt goed-zijn
van God, zijne onveranderlijke, onaantastbare, onbevlekke-
lijke volmaaktheid in den ethischen zin van dit woord" *).
5. Met deze omschrijving, het volstrekt „goed-zijn" en de
«Behalve op de namen, die Jahveh draagt, hebben wij te letten op de
eigenschappen, die hem worden toegeschreven. Onder deze staat bovenaan
de heiligheid», en 7 regels verder: «voor de bewustheid van den proleet
wordt Jahveh\'s wezen door dezen naam zoo bepaald en volledig uitgedrukt,
dat hij zich gaarne van de samenstelling ««de Heilige van Israël»» be-
dient». Ook hier is weer uit het oog verloren, dat eene eigenschap niet
hetzelfde is als het wezen.
*) Dillmann, t. a. p.
*) Meer hierover op blz. 148 en 149.
-ocr page 152-
142
„volmaaktheid" van God, hebben wij, ik zie het niet voorbij,
reeds Nieuw-testamentische formules te baat genomen om uit-
drukking te geven aan ons bedoelen. Zoo wordt het dus de vraag,
of dat geoorloofd is, en of daarmede niet zonder recht een
sprong gemaakt wordt van het Oude in het Nieuwe Testament,
waarbij de afstand, die daar is tusschen deze beiden, de ont-
wikkeling van eeuwen, ganschelijk wordt uit het oog verloren.
"Wat zullen wij tot deze dingen zeggen? In het algemeen
gesproken: gewis, daar is ontwikkeling — te weten, indien
eenmaal gegeven is de levende kiem, waarbij de groote be-
ginselvraag onveranderlijk altoos wederkeert: maar vanwaar
die kiem ? Het is zonder twijfel verkeerd, het Oude Testament
te laten spreken als ware het reeds het Nieuwe, en het
Nieuwe als ware het nog het Oude. Doch, ik herhaal het
met nadruk, iets volstrekt nieuws heeft Christus niet ge-
bracht, maar wel, in zijn persoon en woord en werk, de
voldragen vrucht van alle heilsopenbaring Gods van den aan-
vang af (Mt. V : 17; Rom. X : 4). Wij moeten otiderscheiden,
maar niet scheiden tusschen Oud en Nieuw Testament. Dit
laatste nu geschiedt maar al te veel. Men plaatst het .één
tegenover het ander, en meet de onderscheidenheid uit tot
principieel verschil. Men zegt: „in het O. T. is God de Heilige,,
in het Nieuwe is Hij onze Vader — ziedaar het verschil".
En ook, zoo wordt gezegd, ook in het O. T. zelf is Hij dat
niet altoos geweest, maar dit streng zedelijk karakter, dat
zijn uitdrukking vond in Jahweh\'s heiligheid, is eerst door
de latere profeten Hem toegekend, en uit deze ethische op-
vatting van Jahwe\'s wezen is allengs het eigenlijk en wezenlijk,,
d. i. het ethisch monotheisme opgegroeid \').
*) Kuenen: Volksgodsd. en Wereldgodsd., blz. 97—101.
-ocr page 153-
143
Welnu, wij begeven ons. hier niet weder tot de vraag
over Israëls monotheisme. Wij hebben het over Gods heilig-
heid, en onderzoeken derhalve alleen, of het waar, of het
bewijsbaar is, dat het „karakter" van heiligheid eerst door
de latere profeten aan Jehovah is „toegekend". Dit nu, wat
ja gezegd maar niet bewezen wordt, moet zeer beslist ont-
kend worden. Wel is het ontegenzeglijk, dat het subst »~p,
van God gezegd, \'teerst voorkomt in verband met de ver-
bonds-stichting (Ex. XV : 11), en dat in \'t algemeen de
openbaring van Gods heiligheid in alles wat «Np, heilig, heet
met name op den voorgrond treedt in hetgeen betrekking
heeft op het Godsbewustzijn der theokratische gemeente;
maar daaruit volgt nog niet, dat diezelfde groote waarheid
niet ten grondslag ligt aan alle Godsopenbaring van den aan-
vang af. Wij wezen boven reeds op het „heiligen" van den
zevenden dag, d. w. z. op het derivatum vhj^ in het elohis-
tische scheppingsbericht, Gen. II : 3. Dit is van gewicht,
want het is niet de zoogen. Jehovist, maar de Elohist, die
daar aan het woord is. Als hij zegt, dat Elohim den zevenden
dag zegende en heiligde, dan is dat geenszins wat men noemt
eene prolepsis historica J). Ook Baudissin hecht er aan, dat
het begrip »-ip reeds hier in Genesis bij den Elohist wordt
aangetroffen, en na gezegd te hebben, dat er in den patriar-
chalen tijd natuurlijk geen eigenlijke cultus was zooals eerst
is ingevoerd met de wetgeving, voegt hij de volgende zeer
juiste opmerking er aan toe: „Wenn dagegen eben jene Schrift
\') Ook Delitzsch (Comm.) ontkent dat. «Das Segnen und Heiligen
ist keineswegs vom Standpunkte der mosaischen Gesetzgebung aus gemeint,
als ob es hiesse: deshalb segnete Gott in der Folgezeit u. s. w.»
-ocr page 154-
144
den Sabbath bei der Weltschöpfung geheiligt werden Iasst,
so ist daraus doch wohl deutlich, dass die Heiligkeit dieses
Tages schon für die Erzvater Bedeutung haben soll, nicht
nur für den sinaitischen Bunde vorbehalten ist" \'). Maar heeft
het anp dan niet eene geschiedenis van eeuwen doorloopen,
opklimmende van trap tot trap, van lager begrip tot hooger,
van het uiterlijke „rein" tot het ethische „heilig" van het
latere profetisme? Velen zeggen het, maar velen ook blijven
het na ernstig en gestreng onderzoek met beslistheid ont-
kennen. Gaarne laat ik hier nog eens Baudissin aan het
woord. Zijne conclusie op dit punt luidt aldus 2): „Wenn
nach dem Versuch, die verschiedenen für wy vorliegenden
Bedeutungen festzustellen und ihre Entwickelung aus einer
einheitlichen Grundbedeutung nachzuweisen, noch ein ge-
schichtlicher Ueberblick über die Verwendung jener Bedeu-
tungen entworfen werden soll, so muss von vornherein
zugestanden werden, dass, wie mir scheint, von einer eigent-
lichen Weiterbildung des Begriffes in der alttestamentlichen
Literaturperiode kaum die Rede sein kann, dass esvielmehr
bereits in den altesten Schriften so ziemlich fertig vorliegt
und es sich wohl nur darum handeln kann, zu zeigen, in
\') t. a. p. blz. 123. Uitnemend zegt ook Keil (comm. ad 1.): «Das
Segnen und Heiligen des siebenten Tages hat zwar sein Absehen auf
den Sabbat, welchen Israël als Volk Gottes künftig feiern soll; jedoch
nicht in der Weise, als ob hier schon der theokratische Sabbat eingesetzt
würde oder gar nur die Einrichtung dieses Sabbats in die Geschichte der
Schöpfung zurückgetragen ware. lm Gegenteil: der Sabbath der Israe-
lieten hat selbst eine tiefere, in der Natur und Entwicklung der geschaffenen
Welt begründete Bedeutung, nicht bloss für Israël, sondern für die ganze
Menschheit, ja für die gesamte Schöpfung».
*) t. a. p. blz. 126.
-ocr page 155-
145
welcher "Weise die verschiedenen Seiten und Modificationen
dieses Begriffes in verschiedenen Perioden oder bei verschie-
denen Schriftstellern zu Geltung kommen". Zóó is het; en
dat het tsnp met de Godsopenbaring aan Mozes, te beginnen
met Ex. III : 5, bepaaldelijk de aanduiding wordt van de bij
den Sinai tot stand gekomen verbondsbetrekking tusschen
Jehovah en het Oudtestamentische bondsvolk, wordt dan ook
door niemand ontkend, evenmin als dat alle profeten na
Mozes op veelvuldige wijze dat begrip hebben toegepast in
hunne troost- en boetredenen, in de vermaningen en beloften,
waarmede zij zich richtten tot het volk, in één woord bij
alles wat God hun te zeggen gaf. Maar men moest toch ein-
delijk eens erkennen, „dass der Natur der Sache nach derartige
Grundbegriffe innerhalb des A. T. keine historische Entwick-
lung durchmachen können, weil eben sowohl Gottes unver-
gleichliche Erhabenheit als auch des Menschen Sündhaftigkeit
völlig stabile Grundvoraussetzungen der alttest. ïteligion
sind" \').
Maar dan het Nieuwe Testament? Predikt dit nietgansch
wat anders, en is het niet zóó er meê gelegen, dat, zooals
bepaaldelijk door Diestel gezegd is, de heiligheid Gods daar
geheel verdwijnt? 2). Ook Ritschl klopt op hetzelfde aanbeeld3),
en het behoeft geen nadere aanwijzing, in welke mate die
\') Bredenkamp, t. a. p. blz. 45.
\') t. a. p. blz. 44: «Die Heiligkeit Gottes verschwindetauf dem Gebiete
des Neuen Testaments»; blz. 53: «Die Heiligkeit Gottes als göttliche
Eigenschaft hat auf dem specifischen Boden der neutestamentlichen Heils-
Skonomie keine integrirende, schlechthin nothwendige Stelle.»
\'j «Da nun aber die in der Heiligkeit Gottes urspriinglich eingeschlos-
senen Functionen der Güte, Barmherzigkeit, Heilshülfe ihre neue Einheit
in der Liebe Gottes durch Jesus Christus finden, so erkliirt es sich, dass
10
-ocr page 156-
146
voorstelling zich heeft uitgezet tot eene tegenstelling tusschen
de Oudtestamentische heiligheid Gods" en de Nieuwtesta»
mentische liefde van den hemelschen Vader.
Wat dit laatste betreft, ik bedoel datgene wat zijn hoogste
en heerlijkste uitdrukking gevonden heeft in het woord van
Jezus: „opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, die in
de hemelen is" (Mt. V : 45), wij mogen niet vooruitloopen
op hetgeen dienaangaande in een ander onderdeel onzer Bij-
belsche Godgeleerdheid zal moeten ter sprake komen. Hier
moet ik mij er toe bepalen, alleenlijk te zeggen, dat, zoo
goed als wanneer in het O. T. God de Vader van Israël heet
(Deut. XXXII : 6; Jes. LXIII : 16; e. a.) en Israël zijn
zoon (Ex. IV : 22; e. a.) hiermede altoos eene verbondsbe-
trekking bedoeld is, evenzoo in het N. T., wanneer daar van
God als Vader en van het kindschap der geloovigen gesproken
wordt, altoos de Nieuwtestamentische verbonds- of genade-
betrekking, en nimmer die van ieder mensch tot God als
zijn Schepper, is aangegeven. Doch wij mogen dit hier niet
verder uitwerken. Genoeg, te hebben aangeduid, dat ook de
Vadernaam Gods in het N. T. met betrekking tot de menschen
eene verbondsbetrekking uitdrukt, zoo goed als in het O. T.
de heiligheid Gods met betrekking tot Israël, d. i. zijn titel
als „de Heilige" of „de Heilige Israëls".
Maar dat daargelaten. Geenszins kan het ontkend worden,
dat de uitdrukking, het woord „heiligheid", van God gezegd,
der Titel der Heiligkeit Gottes im Neuen Testament so gut wie gar nicht
mehr im Gebrauche ist... Sofern die Heiligkeit Gottes als das Motiv des
bundesgemiissen Lebens den Inhalt des mosaischen Gesetzes bestimmte,
ist sie im N. T. dnrch die Liebe Gottes ersetzt». Bechtfert. u. Versöh-
nung
II. blz. 100.
-ocr page 157-
147
in het N. T. zeer spaarzamelijk voorkomt; maar dat het er
geheel verdwijnt, kan onmogelijk worden volgehouden. Ook
Diestel zelf erkent: „Die einzige scheinbare Ausnahme bildet
Joh. 17, 11, wo Jesus Gott mit nxTyp \'dyts anredet". Maar
vooreerst is het niet de eenige uitzondering, en evenmin is
het eene schijnbare. Want al is het waar, dat het de Zoon
is, die in het hoogepriesterlijk gebed God aanspreekt als
„Heilige Vader", het is toch óók waar, dat juist de inhoud
der bede, gelijk die oogenblikkelijk daarop volgt met de
woorden: „ bewaar ze in Uwen naam, die Gij mij gegeven
hebt", het attribuut van den Vader als den Heilige onmid-
dellijk in verband brengt met de geloovigen des N. Verbonds.
Juist daarom en juist op grond daarvan dat God is de Heilige
Vader, bidt de Zoon, dat Hij de zijnen beware „in zijnen
naam", d. i. in de gemeenschap met zichzelf als den Vader,
Wiens heiligheid immers van zelf al wat zondig is buiten-
sluit. I. é. w.: Hij die „de Heilige Israëls" heet onder het
O. V., is onder het Nieuwe de „Heilige Vader" — de con-
tinuiteit van Oud en Nieuw Testament verloochent zich ook
in dit opzicht niet, maar, het spreekt van zelf, ook hierin
als zulk eene waarbij Christus is en blijft rèxoq vópou l) tot
rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft (Rom. X : 4).
Doch ook, gelijk wij zeiden, dit is niet de eenige uitzon-
dering. Daar is ook nog 1 Joh; II : 20: „gij hebt de zalving
van den Heilige", xno toD iylou. Of men hier onder „ den
Heilige" Christus, (vrgl. Hand. III : 14; IV : 27) dan wel,
zooals anderen willen, God den Vader te verstaan heeft, doet
\') Met opzet laat ik dat onvertaald, omdat ik geen kans zie, met één
enkel woord, zonder breedere toelichting, dat «ao« naar behooren weer
te geven. Doch daarover later, ter plaatse waar het voegt.
-ocr page 158-
148
nu voor ons hier niet ter zake. Bovendien (om nu te zwijgen
van Openb. IV : 8, van 1 Petr. I : 16, en van andere plaat-
sen, waar met aanhaling van het O. T. over Gods heiligheid
gesproken wordt) Hebr. XII : 10, en waarschijnlijk ook 2
Cor. I : 12, waar, in plaats van «xAsVjjt/, door velen dyiórtiTi
gelezen en op goede gronden verdedigd wordt. En eindelijk
is het ook van belang, hierbij op te merken, dat niet alleen
de van God uitgaande heiliging of „heiligmaking" (Stat. Vert.)
eene zoo belangrijke plaats inneemt in het N. T., maar dat
het ook volkomen in overeenstemming is met de verhouding
der Nieuwtestamentische tot de Oudtestamentische openbaring,
dat in het N. T. de heiligheid bij uitnemendheid praedicaat
van den Geest Gods is, en wel bepaaldelijk zooals die Geest
als nieuwe goddelijke heilstegenwoordigheid en goddelijke
levenskracht in de menschheid neergedaald en werkzaam ge-
worden is. „Terwijl in het O. T. de Geest Gods alleen Ps.
LI : 13 en Jes. LXIII : 10, 11 Heilige Geest genaamd wordt,
is rb 7rvsv/4x »yiov doorgaans van den Geest gezegd in het
N. T., en dit is volkomen in overeenstemming met de thans
in den H. Geest verwezenlijkte tegenwoordigheid van dien
God, wiens heiligheid de heiliging van zijn volk is. Want
Gods Wezen concentreert zich in Zijnen Geest (1 Cor. II: 11),
weshalve door Hem ook alle openbaring geschiedt. In zooverre
nu de heiligheid het kenmerkende van Gods wezen in zijne
openbaring is, wordt zij in het N. T. bepaaldelijk attribuut
van Gods Geest (Mt. I : 18, 20; Hl : 11; Mc. XHI : 11,
e. a.), en dit zou ook kunnen dienen tot recht verstandvan
hetgeen Christus zegt van de zonde tegen den H. Geest.
(Mt. XII : 32)" \').
l) De laatst gerefereerde woorden nam ik over van Cremer (Wörterb.
-ocr page 159-
149
Ten slotte wijs ik nog op een tweetal uitdrukkingen,
waarop reeds gedoeld werd aan het einde van 4, maar de
nadere toelichting waarvan beter hier hare plaats vindt. Ik
bedoel vooreerst Mc. X : 18, en wel bepaaldelijk de woorden:
„niemand is goed, dan één, namelijk God", en dan Mt. V :
48, waar Christus spreekt van de volmaaktheid Gods.
Vooreerst dan Mc. X : 18: oüS*/? xyxSos, el pij eli, i §eó$.
Wij laten nu de vraag hierbij rusten, of, zooals somtijds
gezegd wordt, Christus het praedicaat goed voor zichzelven
terugwijst (wat volstrekt niet het geval is). Want wij hebben
nu enkel en alleen te doen met de beteekenis van dat „goed",
van God gezegd. Welnu, ik zou niet willen beweren, dat
het slechts een ander woord is voor het Oudtestamentisch
„heilig", en dat het geheel en al hetzelfde uitdrukt als dit.
Dit laatste toch omvat meer, nml. óók, zooals wij zagen,
de verhouding of betrekking Gods tot de theocratische ge-
meen te, terwijl het goed-zijn van God (zóó toch is het hier
te verstaan, in ethischen zin, niet in den zin van „goedheid"
of „goedertierenheid") enkel en alleen ziet op het wezen
Gods op zichzelf, afgezien van elke betrekking tot de menschen
of het geschapene. Maar wanneer van God wordt gezegd, dat
Hij-alleen goed is in volstrekten zin, dan komt dat in zóó-
verre overeen met zijne heiligheid als ook dit laatste de
uitdrukking is voor het wezen Gods in zijne volstrekte tegen-
stelling met al wat zondig, onrein, onvolkomen is. En evenals
voor de Oudtestamentische gemeente God en de Heilige
synoniemen waren, zoo is het voor de gemeente des Nieuwen
ad £y/c«). Het kwam mij voor, dat ze uiterst belangrijke wenken bevatten,
die licht kunnen verspreiden over «Gods heiligheid» naar het Oude en
naar het N. T.
-ocr page 160-
150
Verbonds met xyotióq, goed, en God; want God beteekent
goed \') in den eenigen, waren en volstrekten zin des woords.
Terecht heeft dan ook onze taal geweigerd, een vergrootenden
en overtreffenden trap van goed te vormen; immers wij
zeggen niet „goeder" en „goedst", maar „beter" en „best";
want al wat „goed" heet, maar waarvan nog een „beter"
is of kan gedacht worden, dat is eigenlijk niet goed, tenzij
dan alleen vergelijkenderwijze en in betrekkelijken zin.
Zoo is dus „goed" in volstrekten zin inderdaad reeds vol-
maakt; en wat wij zeiden van de onderscheidenheid en de
overeenkomst van het goed-zijn van God en zijne heiligheid,
dat geldt eveneens van zijne volmaaktheid. Het is zeer juist
wat Weiss hierbij opmerkt 2), dat Christus, die gewis niet
zonder bedoeling zijne wetsverklaring (Mt. V) laat uitloopen
op dezen hoogsten en alles samenvattenden eisch: „weest
dan gij lieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen
is, volmaakt is", zich ook hier zonder twijfel er van bewust
was, dat hij daarmede van het standpunt der in hem ver-
schenen volle Godsopenbaring slechts de verklaring gaf van
de bedoeling des wetgevers, die immers den eisch „weest
\') «Eür den Namen Gottes, s-s<S?, setzt Ulfila durchgangig gudh, subst.
masc, ein auch dem Heidenthum eigener Name, der in den andern
Sprachstümmen wiederkehrt... Die Wurzelbedeutung ist gut, demnach
wird Oott als das Oute schlechthin, als die Quelle und der Inbegriff
alles Guten in der Welt gedacht. Trotz der Verschiedenheit des Vokals
hiingt gudh mit gods adj. gut zusammen. Sowohl das adj. gods, das für
fyxSis, xuMs und xpyrrtfc steht, wird neutr. godh geschrieben, als auch
das dh in gudh von Ulfila in der Ableitung mit d vertauscht: gud-hus,
das Gotteshaus, der Tempel (Joh. 18,20)», etc. W. Kr a f f t: Die Kirchen-
gesch. der germ. Völker,
blz. 267.
») Bïbl. Theol. d. N. T.\\ blz. 81.
-ocr page 161-
151
heilig, want Ik, de Heer, ben heilig"-als beginsel gesteld
had van de gansche wet. Inderdaad krijgt dan ook de Oud-
testamentische openbaring der heiligheid Gods eerst zijn
vollen inhoud door de Christusopenbaring van den heraelschen
Vader, de Eenige die volmaakt is; want wat voor zijne
kinderen een eisch is, de eisch om het te worden (\'éo-srSe,
i\'ut.), natuurlijk om het te worden als kinderen (suogenere;
cóirirtp, gélvjkeriovjs, quemadmodum, niet «V. evenals, pariter;
want de kinderen Gods zullen, ook dan zelfs wanneer het
volmaakte voor hen zal gekomen zijn, wel zijn hxyysui,
Luc. XX : 36, en ook wel o,uowi xvrcp, maar niet hot xurip,
1 Joh. III : 2; dit foo$ geldt alleen voor Christus, Joh. "V :
18, Philipp. II : 6), dat is voor God werkelijkheid" — gelijk
Hij alleen is de Heilige, zoo is ook Hij alleen volmaakt,
Licht, zonder eenige duisternis (1 Joh. I : 5).
§ 15.
Iets over Gods eigenschappen.
Wat men noemt „de leer van Gods eigenschappen"
moge op hare plaats zijn in de Dogmatiek, zij is het
niet in de Bijbelsche Godgeleerdheid. Niet zoozeer om-
dat de uitdrukking „eigenschappen" noch in het Oude
noch in het Nieuwe Testament wordt aangetroffen;
want het ontbreekt daar toch niet geheel aan wat
daarmede overeenkomt. Maar het is om andere reden.
Het is vooreerst omdat de uiteenzetting van eene leer
van Gods eigenschappen niet anders kan dan gepaard
-ocr page 162-
152
gaan met zoo velerlei wijsgeerige beschouwingen dat
de Bijbelsche Godgeleerdheid daardoor geheel van haren
weg zou afwijken; en vervolgens — wat daarmede
samenhangt — omdat eene bloote opsomming of samen-
lezing van allerlei door de H. Schrift bij gelegenheid
vermelde attributen Gods niet alleen weinig doeltreffend
wezen zou, maar ook weinig zou strooken met den
geest en het karakter der Schrift als oorkonde der
historische heilsopenbaring Gods.
Om al deze redenen meenen wij dit onderwerp wel
niet geheel met stilzwijgen te mogen voorbijgaan, maar
alleen in. zooverre daarover te moeten handelen als
noodig is om in het licht te stellen, wat het schriftuur-
lijk element is in hetgeen wij gewoon zijn, Gods eigen-
schappen te noemen, en voorts om ons van de velerlei
menschvormige voorstellingen van het goddelijk Wezen,
die wij onophoudelijk in den bijbel ontmoeten, duidelijk
rekenschap te geven, opdat wij van de hemelsche
majesteit Gods niet aardsch gedenken.
1. Indien men het opschrift, dat ik stelde boven deze §,
om den wille van dat „iets" wellicht wat onbepaald noemt,
dan zal ik dat niet betwisten. Doch men gelieve in aanmer-
king te nemen, dat het, naar mijne bedoeling, eene meer
negatieve dan positieve strekking heeft, namelijk meer om
uit te drukken, waarover ik, sprekende van Gods eigen-
schappen, niet, dan waarover ik wel dacht te handelen. Zóó
wordt, naar ik meende, terstond alle misverstand wegge-
nomen, en wordt de gedachte geweerd alsof het mijn plan
-ocr page 163-
153
ware, eene „leer van Gods eigenschappen" te geven, en daar-
mede de grens uit te wisschen tusschen Bijbelsche Godge-
leerdheid en Dogmatiek.
Want, het moet erkend worden: indien ergens, dan is in
deze alleen die leer op hare plaats. Of en in hoeverre zij het
ook daar is, behoef ik niet te beslissen, hoewel ik meen,
dat zij er moeilijk kan gemist worden *). Maar in geen geval
is zij op hare plaats in de Bijbelsche Godgeleerdheid. Niet
omdat de uitdrukking of het woord „eigenschap" in den
bijbel niet wordt aangetroffen. Want er zijn wel meer kunst-
termen (ik herinner slechts aan: Gods „persoonlijkheid", zie
§ 10), die niet stricto sensu bijbelsch zijn, en die wij toch
niet kunnen missen om kort en verstaanbaar uit te drukken
wat de bijbel bedoelt, terwijl het daar bovendien, zooalswij
zien zullen, ook geenszins ontbreekt aan zulke uitdrukkingen,
die met „eigenschap" vrij wel overeenkomen. Ook zou het
niet moeilijk zijn, een zeker aantal attributen of eigenschappen
Gods uit den bijbel samen te lezen, die wel zeer bepaaldelijk
daar vermeld worden. Maar ten eerste zie ik niet in waartoe
dat noodig of nuttig is, daar toch iedereen wel weet, dat
God, volgens de H. Schrift, eeuwig, onveranderlijk,alwetend
en zoo meer is, en wat dit alles beteekent; en ten andere
acht ik dat ook niet in overeenstemming met de eigenaardige
taak der Bijbelsche Godgeleerdheid, die nimmer mag uit het
\') Ik geloof, dat Biedermann gelijk heeft, als hij zegt: «Es wird
eigentlich doch viel damit gespielt, dass es nicht scuriftgemiiss, überhaupt
nicht dogmatisch angemessen sei, die einzelnen Momente des sich offen-
barenden göttlichen Wesens als Eigenschaften Gottes, die dadurch kund
werden, zu expliciren... Die formalen Bedenken gegen die Eigenschafts-
lehre mussen oft sachlichen Verlegenlieiten zurDeckungdienen». Christl.
Dogm.
blz. 175.
-ocr page 164-
. 154
oog verliezen, dat de bijbel niet geeft eene theorie over God,
niet een Godsbegrip construeert, maar dat hij bevat openba-
ringsgeschiedenis, de persoonlijke levens-openbaring van den
God des heils. En eindelijk: dat eene leer van Gods eigen-
schappen ook daarom niet op onzen weg ligt, omdat allerlei
abstract-wijsgeerige vraagstukken daarvan nu eenmaal niet
zijn los te maken, dit weet iedereen, die wel eens gehoord
heeft van nominalisme en realisme, om niet eens te spreken
van een via causalitatis, een via eminentiae, een via nega-
tionis, enz. enz.
2. Genoeg, dunkt mij, om te verklaren, waarom ik schreef
boven de §: „iets over Gods eigenschappen". Ook is meer
dan eene van die zoogenaamde eigenschappen, men zal het
wel hebben opgemerkt, reeds tot haar recht gekomen in de
voorafgaande paragrafen, waar gehandeld werd over het wezen
Gods, en met andere zal dat ook nog wel het geval zijn in
hetgeen nog volgt.
Wij bepalen ons hier derhalve tot de overweging van
tweeërlei bijzonderheden. In de eerste plaats hebben wij in
het licht te stellen, wat het schriftuurlijk element is inhet-
geen wij gewoon zijn, met een dogmatischen kunstterm
„Gods eigenschappen" te noemen. Want een schriftuurlijk
element is er zonder twijfel in — hoe kwam ook anders de
christelijke Dogmatiek er aan? Wat dan is het? Wij zwijgen
nu van de apokriefe litteratuur van het O. T. Daar toch
komt het woord ïïióryi?, dat werkelijk „eigenschap" beteekent,
wel enkele malen voor; b.v. 3 Macc. VII : 17 (waar het
echter staat van eene stad): „Toen zij nu gekomen waren
tot de stad Ptolemaïs, om de eigenschap der plaats (Six ritv
roü róircj ÏStértrrtt)
genaamd Rhodophoros", en Boek der Wijs-
-ocr page 165-
155
heid II : 23 (waar het, van God gezegd, door onze Stat.
Vert. wijselijk, en toch niet geheel juist, is weergegeven
door „natuur"): „God heeft den mensch geschapen tot on-
verderfelijkheid, en heeft hem gemaakt een beeld van zijne
eigene natuur" (rij? ï&ltt$ föidnrrof). Maar het meest komt, in
de kanonieke litteratuur, met „eigenschappen" Gods overeen,
hoewel het nog niet geheel hetzelfde is, de uitdrukking «l
dpsrxl.
Van God gezegd, komt dit eenmaal voor in het N. T.
(want 2 Petr. I : 3 blijft hier buiten aanmerking, omdat
daar, hoe men ook leze en vertale, in allen gevalle sprake
is van de xpsTy of van Christus öf van den christen), nml.
1 Petr. II : 9: „opdat gij zoudt verkondigen de deugden
(tx$ xpsTx?) desgenen" etc. Deze woorden, met de naast
voorafgaande (hxoi; sU tt* p/s-a/V/v), zijn eene min of meer vrije
aanhaling van Jes. XLIII : 21, naar de vertaling der LXX:
>.xèv fiov cv 7r£pi7roiy<rxf/,viv, rx<; xpsrig yt.o\\) \'èuyysï&xi. Bij de
LXX komt xper/i, van God gezegd, tweemaal voor als vertaling
van Tin (Hab. III : 3, St. V. „heerlijkheid", en Zach. VI: 13,
St. V. „sieraad"), en viermaal (in \'t meervoud) als vertaling
van nVnn (St. V. „lof"; Jes. XLÏÏ : 8, 12; XLHI : 21;
LXIII : 7). Daaruit blijkt, zooals terecht door Huther x) is
opgemerkt, dat de alexandrijnsche vertalers onder Tfti en
n^nn niet den „roem of lof\' Gods, maar het voorwerp van
dien lof, derhalve de voortreffelijkheid of de heerlijke eigen-
schappen Gods verstaan hebben. Evenwel zijn de LXX,
evenmin als onze St. Vertalers, zich daarin niet gelijk gebleven.
Zoo b.v. Ex. XV : 11, waar iVota is weergegeven door li%xt
„lofzangen" en Ps. XCVI : 6, CIV : 1, CXI : 3, waarvoor
\') Meijer\'\'s Comm.* ad 1 Petr. II : 9.
-ocr page 166-
156
-na telkens staat è^oiAoy.óyyj7ig, „majesteit". Hoe dat zij, dit
is duidelijk, dat de twee genoemde Hebr. woorden willen
uitdrukken de openbaring en de verkondiging van de heerlijke
eigenschappen, als ik mij zoo mag uitdrukken, die alleen
het goddelijk Wezen eigen zijn; en in zooverre hebben èn
de LXX èn onze Statenvertalers recht met hunne afwisse*
lende vertaling van dezelfde woorden, omdat elke openbaring
van het Wezen Gods altoos is de openbaring van zijne eenige
heerlijkheid en majesteit, en elke vermelding, opmerking, ver-
kondiging daarvan door den mensch altoos de vermelding,
opmerking, verkondiging van \'t geen waarom Hij te prijzen is.
Maar het neemt niet weg, dat er eigenlijk geen woord is
in de menschelijke taal, om uit te drukken hetgeen behoort
bedoeld te zijn, wanneer daar sprake is van eenige „eigen-
schap" Gods, omdat elke van deze Hem alleen toekomt, en
wanneer zij somwijlen ook met hetzelfde woord aan eenig
mensch wordt toegekend, dit toch altoos slechts vergelijkender-
wijze en in betrekkelijken zin kan geschieden. Noem datgene
wat God eigen is met welk woord gij verkiest; noem het „eigen-
schappen", „volmaaktheden" of „voortreffelijkheden", of„deug-
den\'\', (attributa, proprietates, virtutes of perfectiones, met
de oude dogmatici) — ieder woord blijft altoos beneden de
uitdrukking van het eenige en onvergelijkbare van elke open-
baring der heerlijkheid van het wezen Gods. En de Schrift
weet het ook zeer goed, en zegt het gedurig uitdrukkelijk,
dat dat dit niet is samen te vatten noch uit te drukken
door eenige optelling van Gods eigenschappen. „Zult gij de
onderzoeking Gods vinden? zult gij tot de volmaaktheid toe
den Almachtige vinden?" (Job. XI : 7). „Ziet, dit zijn maar
uiterste einden zijner wegen; en wat een klein stuksken der
-ocr page 167-
157
zaak hebben wij van Hem gehoord! Wie zou den donder
zijner mogendheden verstaan?" (Job XXVI : 14). In één
woord: „God is groot, en wij begrijpen het niet" (Job XXXVI:
26) — de echo van die waarheid ruischt door de gansche
Schrift heen.
Het is dan ook wel opmerkelijk, hoe karig het N. T., in
vergelijking met het O. T., is met eene opsomming van de
eigenschappen van het goddelijk Wezen. Niet zeldzaam is in
de dichterlijke en profetische taal van het O. T. de samen-
voeging van een vier- of vijftal (b.v. Ex. XXXIV : 6; Ps.
CIII : 8; Nah. 1:2, 3), ja eenmaal zelfs tot een tiental
toe (1 Chron. XXIX : 11, 12), terwijl het N. T. slechts een
enkele maal, en dan nog in eene doxologie, zich eenige
breedte hierin veroorlooft (1 Tim. I : 17; VI : 16) — is het
wonder, daar dit immers het hoogste van God gezegd en
alle stralen van zijne geopenbaarde heerlijkheid samengevat
heeft in dit ééne: „den God en Vader van onzen Heer Jezus
Christus"? Daarentegen brengt de apokriefe litteratuur het
tot eene kunstige samenvoeging van zelfs een en twintig
eigenschappen der als Godheid verpersoonlijkte Wijsheid (Boek
d. Wijsh. VH : 22, 23). Is ook daarin niet iets te merken
van den afstand, die daar is tusschen de eeuwen van het
levend openbaringswoord en de tijden der weggestorven profetie?
En het geestelijk verval, dat daarin merkbaar is, hoe duidelijk
heeft het zich vastgezet in „de koude dwaasheid en dehoog-
moedige bedorvenheid" (Faulheit) van den Islam, die door
zijne belijders ook daarom als de beste godsdienst geroemd
wordt omdat men uit den Koran honderd schoone namen tot
een gebedskrans kan samenvlechten! \').
\') Ewald, Die Lehre der Bibel von GoU, II. blz. 119.
-ocr page 168-
158
3. Deze inbeelding van den Islam, tegelijk met het geeste-
lijk verval waarvan wij spraken, komt ook nog in iets anders
uit. Of zou men willen zeggen, dat het verbod van alle
menschvormige voorstellingen van de Godheid het Islamisme
verheft tot een hoogeren, meer geestelijken godsdienst dan
die van Israël en van de Christenheid? Immers in de Is-
lamietische Godsleer werd het anthropomorphisme steeds
beschouwd als een ketterij; in de theorie wordt het er ge-
weerd, al kon het niet altoos geweerd worden in de praktijkJ).
Welnu, staat het Islamisme daarom hooger? Wie zal het
beweren? Integendeel. De Godheid wijkt verre van het\'men-
schelijk bewustzijn, en vervliegt, om zoo te zeggen, in een
wijsgeerig begrip, in een abstractie, wanneer men alle anthro-
pomorphismen en anthropopathismen wil weren. In die mensch-
vormige voorstellingen „openbaart zich de behoefte om zich
het goddelijke concreet, als in tastbare vormen voor te stellen,
de behoefte m. a. w. om de werking er van in de dingen
van het menschelijk leven niet op te lossen in algemeen-
heden, maar die voor zich te zien in plastische vormen en
die te brengen onder het werkelijk bereik van den mensch.
In deze voorstellingen wordt de Godheid zoo heel nabij ge-
bracht" 2). Het is de onaantastbare waarheid van depersoon-
lijkheid Gods (zie § 10) en tevens die van zijne nabijheid,
die daarin als het ware belichaamd wordt. En al is het waar,
dat het O. T. in dit opzicht sterker uitdrukkingen bezigt dan
het Nieuwe, het is toch óók waar, dat ze ook hier niet
ontbreken. Ook Christus immers spreekt van Gods handen
\') Zie 6. H. Lamers: Geschiedenis der godsdiensten, blz. 451,456.
(In: Nieuwe Bijdragen enz., 8e deel, 3e stuk. 1892).
*) Valeton: TJieol. Stud. 1889, blz. 27.
-ocr page 169-
159
(Luc. XXIII : 46; Joh. X : 29), voeten (Mt. V : 35) enz.,
om te zwijgen van zoovele gelijkenissen en apostolische spreek-
wijzen.
Neen, de God der openbaringsgeschiedenis is noch die van
het deisme, noch die van het pantheisme, noch die der ge-
dachte van eenig wijsgeerig Godsbegrip, maar Hij is de per-
soonlijke, levende, willende, werkende en zich ontfermende
God, de God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, die
ook zelf dezulken zoekt, die Hem in geest en waarheid
aanbidden (Joh. IV : 23).
Doch, terwijl de Schrift op deze wijze zoo onbeschroomd
spreekt over God, en%het abstracte „eigenschap" niet kent,
maar, in plaats daarvan, alles wat wij eigenschap noemen
op concrete wijze voorstelt; terwijl zij b.v., waar wij spreken
van Gods alwetendheid, zegt: „zijne oogen aanschouwen,
zijne oogleden proeven de menschenkinderen" (Ps. XI : 4),
daar hebben wij er wel op te letten, dat inzonderheid juist
het O. T., hetwelk menigmaal de meest krasse en stoute
spreekwijzen bezigt (men denke slechts aan Jes. XVI : 11,
Jer. XXXI : 20), gedurig nadrukkelijk waarschuwt tegen
elke verwarring of vereenzelviging van het menschelijke en
het goddelijke (1 Sam. XV : 29; Ps. L : 21; CXXI: 4; Jes.
XL : 18, 25; Jer. X : 6; Hos. XI : 9). In deze en zoovele
andere uitspraken wordt het beslist en duidelijk genoeg ge-
zegd, dat God de volstrekt onvergelijkbare is, en daarin,
en werkelijk ook reeds in het verbod van Ex. XX : 4, was
van zelf reeds het correctief gegeven tegen elke misvatting
van zulke spreekwijzen. Veelal is dat voorbij gezien, en
daardoor is men er toe gekomen, aan de eene zijde aan God
zelfs lichaamlijkheid toe te kennen (Audianisme), en aan de
-ocr page 170-
160
andere zijde het anthropomorphisme en -pathisrae te beschouwen
als een onzuiver, zinnelijk, heidensch element in de Oud-
testamentische Godsvoorstelling. Dit nu is dan alleen mogelijk,
wanneer men die ideale, spiritueele zijde eenvoudig uit het
O. T. wegdenkt, en het aldus voorstelt alsof daar geen enkele
draad ware, die het verbindt met het hoogste en laatste
woord aangaande God door Christus gesproken: Joh. IV: 24.
Maar hoe dan ? Zijn dan ai die menschvormige voorstellingen
enkel en alleen op te vatten in figuurlijken zin? Het is er
naar, hoe men dat bedoelt en verstaat. Wie zal willen vol-
houden, dat, als daar gesproken wordt van Gods oogen en
ooren, van zijne handen en voeten, van zijn verdriet en
berouw, en wat daar meer te noemen ïs, dit zou kunnen
bedoeld zijn in eigenlijken en letterlijken zin ? Maar de vraag
blijft toch over, waarom juist en alleenlijk zulke mensch-
vormige voorstellingen van God gegeven worden ? Dit is niet
anders te verklaren, dan uit de waarheid, die reeds op de
eerste bladzijde der Schrift wordt uitgesproken, dat God den
mensch schiep „naar zijn beeld" (Gen. I : 27). Als dit nu
maar niet wordt omgebogen tot het tegenovergestelde, alsof
de mensch zich een God schiep naar zijn eigen beeld. Ziedaar
het heidendom, afgoderij en beeldendienst. Neen, volgens de
H. Schrift is het juist andersom: de mensch geschapen naar
het beeld Gods; en daarom kan ook zelfs aan \'smenschen
lichaamlijk wezen, waarop „het beeld Gods" zeer zeker óók
betrekking heeft — wat wij hier niet verder kunnen uit-
werken — de gelijkenis ontleend worden, die de verduide-
hjking wezen moet van de betrekkingen waarin God zich
aan ons kenbaar maakt. Dit nu geldt nog des te meer, wan-
neer daar sprake is van \'s menschen geestelijke of zedelijke
-ocr page 171-
161
hoedanigheden, en deze op God worden toegepast. B.v. wan-
neer aan God wordt toegeschreven vreugde of smart, lachen
over het ijdel bedenken van zijne vijanden, en berouw heb-
bende over zijne bedreigingen, dan kan men o ja met alle
reden zeggen, dat dit alles niet mag verstaan worden in
menschelijken zin, maar toch ook niet dat het enkel figuur-
lijke spreekwijzen zijn, althans niet op deze wijze dat ze niet
de uitdrukking zouden zijn van eene in God bestaande wer-
kelijkheid.- In één woord: de Schrift is ook in dit opzicht
realistisch; d. w. z.: volgens hare beschouwing en bedoeling
zijn alle begripsbepalingen waarmede het goddelijk wezen van
een of andere zijde in zijne openbaring beschreven wordt,
d. i. alles wat wij goddelijke eigenschap noemen, geenszins
slechts gedachten of voorstellingen of begrippen, die ioyj ons
vormen van God, maar aanwijzingen van hetgeen werkelijk
in God aanwezig is. Zeer zeker moeten wij voortdurend er
aan herinnerd worden dat wij van de hemelsche majesteit
Gods niet aardsch gedenken mogen, en dat dus ook ons
geloof in God zich rein bewaren moet van alles waardoor
Hem iets ongerijmds, d. i. ook iets eindig- en onzuiver-men-
schelijksch, zou worden toegeschreven. Maar ook achter de
stoutste menschvormige voorstellingen, die de Schrift van
God geeft, schuilt een goddelijke realiteit; en, naar waarheid
is het gezegd,\'„juist de onvolkomenheid der Oudtestamentische
Gods-idee is, van christelijk standpunt beschouwd, niet dit
dat zij te veel anthropomorphismen heeft, maar dat zij nog
niet de menschwording, de voltooide Anthropomorphie, heeft
noch hebben kan" 1). Dit is het, wat op andere wijze,maar
\') Havernick, Vorlesungen üb. d. Theol. d. A. T., blz. 53.
11
-ocr page 172-
162
goed en schoon, ook aldus is gezegd: „ook het anthropopa-
thisch Schriftwoord is een hulpmiddel tot beter kennis van
God, eene verhevene accommodatie naar menschelijke be-
hoeften en zwakheden, voor het geloof geheiligd, sinds Gods
eigen Zoon als mensch is verschenen op aarde. Het Anthro-
pomorphisme behoort alzoo mede tot den noodzakelij ken vorm
der openbaringen Gods, en wie zich ergert aan de schaal
mag toezien, dat hij de kern niet verliest, om een bloot
apathischen God te behouden" l).
§ 16.
God als Schepper der wereld.
Vóór alle dingen hebben wij met name ook bij dit
onderwerp ons duidelijk rekenschap te geven van den
omvang onzer taak. Wij zullen namelijk wel hebben
toe te zien, dat wij, met buitensluiting van alle hetzij
abstract wijsgeerige hetzij kosmologische en natuur-
wetenschappelijke vraagstukken, ons onderzoek beper-
ken binnen de grenzen, die door de H. Schrift zelve
hierbij zijn aangewezen. Dit in het oog houdende, hebben
wij allereerst de vraag te beantwoorden: wat bedoelt
de Schrift, wanneer zij spreekt van de scliepping, en
wat dus ook wanneer zij spreekt van de geschapen
wereld. En dan voorts hebben wij ons duidelijk te maken,
welk licht de H. Schrift laat vallen op de scheppings-
daad zelve,
alsmede op het wanneer, het waardoor en
het waartoe der schepping.
\') Van Oosterzee: Christel. Dogmatiek. II, blz. 42.
-ocr page 173-
163
1. Het is zeer zeker niet gemakkelijk, een onderwerp als
dit, hetwelk langs zoo velerlei wegen onmiddellijk toegang
geeft tot allerlei niet direct bijbelsche vraagstukken en be-
schou wingen, binnen de juiste grenzen en deze altoos in
\'t oog te houden. Toch is het niet onmogelijk, als wij maar
van den aanvang af ons weten te plaatsen op het bijbelsch
standpunt, en niet werken buiten den bijbel om. En dan is
dit allereerst duidelijk, en ik meen ook wel boven en buiten
alle tegenspraak, dat daar over de schepping en het schep-
pingswerk Gods nooit en nergens gehandeld wordt om een of
ander wijsgeerig of louter wetenschappelijk belang, maar enkel
en alleen om het religieus of godsdienstig belang, namelijk als
mede uitmakende een integreerend deel van den inhoud des
geloofs in den levenden God, en als zoodanig dan ook van de
grootste beteekenis voor \'smenschen godsdienstig bewustzijn.
Dit is zóó waar, dat zelfs het scheppingsbericht, (of, zoomen
wil, de scheppingsberichten, Gen. I en II), waarheen wij
hier natuurlijk allereerst verwezen worden, zich niet voordoet
als enkel en alleen verklaring willende geven van het ontstaan
en bestaan der wereld, maar als aanvang der geschiedenis
van de heilsopenbaring Gods, welke de H. Schrift van hare
eerste tot hare laatste bladzijde toe ons bedoelt voor oogen
te stellen. Daarom ook geeft Gen. I (van vs. 2 af), en evenzoo
Gen, II, alleen bericht van de geschiedenis der aarclsche
schepping, waarbij aan het eind de mensch verschijnt, wiens
geschiedenis dan verder gegeven wordt als geschiedenis der
heilsopenbaringen Gods, gelijk deze onder het Oude Verbond
voorbereiden het onder het Nieuwe gerealiseerde heil, naar
het getuigenis van Christus zelf: „want de zaligheid (de
<rwT>ip!x, het heil) is uit de Joden" (Joh. IV : 22). Dit is het
-ocr page 174-
164
pragmatisme der Schrift; en wiens oog en hart daarvoor
gesloten zijn, die zal den bijbel nimmer verstaan.
Zoo liggen dus van zelf vele dingen, die van elders zich
bij dit onderwerp komen aanmelden, buiten ons bestek. Vragen
als b.v. deze: of en in hoeverre een aanvang der dingen in
\'t algemeen denkbaar is ? of en in hoeverre mogelijk is wat
men noemt een „schepping uit niets"? of het ontstaan der
wereld niet eene verandering in God in zich sluit? of de
natuurwetenschap het bijbelsch scheppingsverhaal niet weer-
spreekt en omver werpt? — al deze en dergelijke vragen
zijn zonder twijfel van belang, maar wij hebben er hier,
zoomin als de bijbel zelf, niet direct mede te doen, en wij
zullen er dus, en dit geldt inzonderheid van de laatstgenoemde
vraag, alleen in zooverre kennis van moeten nemen als on-
yermijdelijk is tot de rechte beschouwing van het bijbelsch
bericht zelf.
Het is ruim 60 jaren geleden, dat Schleiermacher (in de
Stud. und Krit. van 1829) aan den jongeren Lücke het vol-
gende schreef: „Wanneer gij den tegenwoordigen stand der
natuurwetenschap beschouwt, zooals zij zich steeds meer
ontwikkelt tot eene veelomvattende wereldkunde (Weltkunde),
wat wacht gij dan van de toekomst, ik wil niet eens zeggen
voor onze theologie, maar voor ons evangelisch Christendom?
Ik vermoed, dat wij zullen moeten leeren, ons te behelpen
zonder vele dingen, die velen nog meenen dat onafscheidelijk
één zijn met het wezen des Christendoms. Ik wil niet eens
van het werk van zes dagen spreken; maar het scbeppings-
begrip, zooals het gewoonlijk geconstrueerd wordt, hoe lang
zal het zich nog kunnen handhaven tegen de macht eener uit
wetenschappelijke combinaties gevormde wereldbeschouwing,
-ocr page 175-
165
waaraan niemand zich onttrekken kan? Wat zal er dan ge-
beuren, mijn waarde vriend? Ik zal dien tijd niet meer be-
leven, maar kan mij rustig te slapen leggen. Maar gij,mijn
vriend! en die van uwen leeftijd zijn, wat denkt gij te doen?"
Tegenover deze moedelooze rede stelde Hengstenberg (in
de E vang. Kirchenzeitung van 1830) als parallel de woorden,
waarmede de verspieders uit het beloofde land terug kwamen
(Num. XIII : 28—33): „het is een sterk volk, dat daarin
woont" enz. Nochthans, zoo voegde hij er bij, heeft Israël
het beloofde land ingenomen, en wij behoeven niet te vreezen,
dat de Schrift het niet zal kunnen uithouden tegen de reuzen
der natuurwetenschap.
Nu, dit staat vast: er is geen natuurwetenschap, welke
het scheppingsbegrip, indien men het zoo noemen wil, der
Schrift immer kan afhandig maken. Want het is en blijft een
geloofsartikel, en het ligt buiten alle waarneming en ervaring
(Hebr. XI : 3).
De natuurwetenschap heeft het met de zichtbare dingen
te doen, de schepping, ik bedoel de scheppingsdaad Gods,
met het onzichtbare.
2. Want van de schepping wordt in den bijbel gesproken
in tweeërlei zin, namelijk als daad Gods, en als product van
Gods werkzaamheid. In eerstgenoemden zin staat xt/<t/$ blijk-
baar Rom. I : 20, in de andere beteekenis vs. 25. De be-
staande wereld wordt zóó wezenlijk gedacht als product van
Gods werkzaamheid, dat zij met de goddelijke daad, waar-
door zij ontstaan is, wordt samengevat in een en hetzelfde
woord. Alles wat buiten God bestaat, is zijne xt/<t/$, zoowel
de geheelheid als ieder deel afzonderlijk; niets is daarvan
uitgezonderd in den hemel noch op aarde, in de onzichtbare
-ocr page 176-
166
noch in de zichtbare wereld (Gen. 1:1; Hand. XIV : 15;
Rom. VIII : 38, 39; Col. I : 16), en bepaaldelijk ook de
menschheid (Mc. XVI : 15; Col. I : 23). Dit alles is duidelijk,
en het behoeft geen nadere toelichting.
3. Doch het is niet zoo duidelijk, in welken zin in den
bijbel gesproken wordt van de geschapen wereld. Het is alles-
zins noodig, hierbij wel te onderscheiden tusschen het Oud-
en het Nieuwtestamentisch spraakgebruik. Het O. T. namelijk
heeft geen woord voor „wereld", in den zin van het Nieuw-
testamehtische KÓs-po?, d. L, zooals wij verder zien zullen,
al het geschapene als één geheel gedacht. Want men zou
zich zeer vergissen, indien men meende, dat die beteekenis
moet worden toegekend aan de uitdrukking „wereld", die
vele malen voorkomt in het O. T. Bijna zonder uitzondering
is dat het Hebr. San, waarvoor de LXX dan ook nimmer
xótrfio?, maar altoos j? ohovfiêvy hebben (Ps. XVIII: 16; XIX:
5, vrgl. Rom. X : 18; Ps. XCIII : 1; XCVIII : 9; Jes.
XIV : 17; e. a.); en terecht. Want "nn, van den hiphilvorm
van br (voortbrengen), beteekent werkelijk: de voortbrengende
of vruchtbare, en alzoo de bewoonbare of bewoonde aarde.
Zoo komt i\\ olxovfAèvy ook voor in het N. T, (Mt. XXIV: 14;
Luc. II : 1; e. a.). Maar den schrijvers van het O. T. was
het er niet om te doen, de eenheid der geschapen wereld
kenbaar te maken, of te doen uitkomen dat al het bestaande
één geheel, één nóa-fio? is. O neen, de Israelietische wijsheid
is geen natuurfilosofie, niet eene wijsgeerige beschouwing
over het verband en den onderlingen samenhang van al het
bestaande, maar het is eene religieuse beschouwing, en hierom
dus ook was het den Hebreër te doen, zijn geloof in den
eenig waren God als den Schepper aller dingen te belijden
-ocr page 177-
167
en te handhaven tegenover alles wat het geschapene öf ver-
goddelijkt öf ontgoddelijkt, d. i. tegenover eiken vorm van
heidendom. Daarom had hij van zelf ook geen behoefte aan
een woord, waardoor die eenheid van al \'t bestaande, d. i.
het begrip van een universum, van heelal, wordt uitgedrukt.
Het naast daarbij komt dan nog de uitdrukking Van (Jer. X:
16: „want Hij is de Formeerder van alles"; LXX: cti i irhxcxt;
tx vxvrx xiiTo?)-
doch ook daar is het blijkbaar er niet om
te doen om de eenheid van alles, het %v xx) nxv, uit te
drukken, maar om te doen uitkomen, dat het God en geen
ander is (sin) die zonder uitzondering alle dingen geschapen heeft.
Door den Hebreër wordt diensvolgens het universum, het
heelal, eenvoudig omschreven door de samenvoeging der twee
groote deelen, die hij onderscheidt: „hemel en aarde" (Gen.
1:1; XIV : 19, 22; en vele malen elders), welke uitdruk-
king somwijlen ook door het N. T. wordt overgenomen. Wel
komt op enkele plaatsen ook nog de voorstelling van een
Sflwf, een #5«« of onderwereld, er bij; maar dit kunnen en
moeten wij nu hier laten rusten, omdat het elders behoort
behandeld te worden, in het anthropologisch gedeelte, bij de
zoogenaamde onsterfelijkheids-leer.
Wij bepalen ons dus hier tot de zeer gewone Oudtesta-
mentische voorstelling van „hemel en aarde" = heelal. Merk-
waardig is, in verband met die voorstelling, het gebruik van
het woord xóanot; door de LXX. Reeds Gen. II : 1: „Alzoo
zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir". Hier
vertalen zij de laatste woorden, axax-\'^i (en al hun heir) door
xx) nxt; o xótTfioi; xutüv, en evenzoo elders ook „het heir des
hemels", cawn «os, door rbv xóirpov toü ovpxvoü (Deut. IV: 19;
XVII : 3; e. a.). Bij hen is derhalve xojpot; = *ax, wat
-ocr page 178-
168
eigenlijk beteekent „leger" of „legerschare" (vandaar: „de
Heer der heirscharen", Jehovah Zebaoth), en zij bedoelen dus
dit Kor/tos niet in den zin van „wereld" of „heelal", in welke
beteekenis ook de LXX het nog niet kennen, maar in den
zin van „geordende legerschare," „welgeordend heir", waarbij
het nu niets ter zake doet, of met dat heir de gesternten
dan wel de engelen, of misschien beiden bedoeld zijn. Dat
echter de uitdrukking „hemel en aarde" veelal, ook zooals
zij reeds voorkomt Gen. I : 1, in het O. T. de omschrijving
is van al het geschapene, waarvoor wij zeggen het heelal,
daaraan valt niet te twijfelen. In vs. 1 is „hemel" blijkbaar
niet hetzelfde als in vs. 8. Het intensieve meervoud a;?^
(zie blz. 41), waarvan iri \'t Hebr. geen enkelvoud is, komt
van een ongebruikten wortel nnt?, hoog-zijn, en beteekent
alles wat boven de aarde is, nml. zoowel den zichtbaren, of
zoo men wil den aardschen, als den onzichtbaren hemel. Dat
de eerste bedoeld is in vs. 8, blijkt uit het daar bijgevoegde:
„En God noemde het uitspansel (v\'p?, het firmament) hemel".
Maar de Schrift kent ook een hemel in anderen zin, een
bovenaardsch gebied der schepping, een hemel der hemelen
(Deut. X : 14, en vele malen), de hoogste hemelen, waar
God woont en troont in het ontoegankelijk licht (Luc. II: 14;
1 Tim. VI : 16; Hebr. XII : 22), alzoo hemelsferen boven
die welke tot de aarde of de aardsche schepping behooren —
en die zijn bedoeld met „den hemel" in Gen. 1:1.
Het O. T. kent dus nog niet het samenvattend begrip
„wereld", d. i. het Nieuwtestamentische xótrptx;. Voordat wij
dit laatste even toelichten, worde echter nog op iets anders
gewezen. Daar is namelijk in het N. T. nog een ander woord
voor „wereld", te weten et\'iüv en het meerv. xiüve$. Dit komt
-ocr page 179-
169
overeen met het Hebr. a^\'v en O\'?^, wat in onze Stat. Vert.
altoos is weergegeven door „eeuw" of „eeuwen" of ,,eeuwig-
heid", met uitzondering alleen (doch ten onrechte) van Psalm
LXXIII : 12: „nochthans hebben zij rust in de wereld".
Bepaaldelijk in den Hebreërbrief (1:2; XI : 3) komt dat
xiwei; voor in den zin van de geschapen wereld (ook elders,
b.v. Luc. I : 70; 1 Cor. II : 7; e. a.). Hoe nu komt het aan
die beteekenis? Er is bij gedacht aan de wereld zooals zij in
den loop der tijden zich voordoet en ontwikkelt. Want cc\'iüv
beteekent, evenals c^riv (van a1?^, verbergen, of bedekken)
eeuxo, of eigenlijk duur, nml. tijd-duur, d. i. datgene wat
niet-waarneembaar, bedekt of verborgen is, wat zich uitstrekt
in de toekomst; en vandaar 2° wereldtijd of wereldloop, welke
voorstelling onwillekeurig overgaat in die der wereld zelve
in den tijd van haar bestaan. Al is \'t niet zeker, dat de
afleiding van xièv van iel simt juist is, het hangt toch zonder
twijfel samen met xtl; d. w. z. daar zijn tijdsferen, waarin
de wereld leeft, zich beweegt, voortduurt, zich ontwikkelt;
i. e. w. het is „de wereld in de verscheidenheid van hare
bestaansvormen en perioden van ontwikkeling" \').
Maar, zooals wij zeiden, de gedachte van de wereld in
hare eenheid, als universum, is eerst in het N. T. uitgedrukt
in xó<r[4o<;. Dit is van xopéu, versieren, en het beteekent dus,
evenals het lat mundus, eigenlijk en allereerst: wat versierd,
sierlijk, schoon is. In dezen zin komt xóo-po? ook meermalen
voor bij de LXX, zooals b.v. Ex. XXXIII : 5, 6 (sieraad,
versiersel, hp). En zoo verkrijgt het, met geleidelijken over-
gang, allicht de beteekenis van: de wereld-orde, het welgeordend
\') Chantepie de la Saussaye (ad Hebr. I : 2).
-ocr page 180-
170
en schoon geheel der wereld. In dezen zin komt het vele
malen voor in het N. T. (Joh. XVII : 5; Hand. XVII : 24;
Rom.I : 20; e. a.), hoewel niet moet vergeten worden, dat
het daar ook niet zelden eene ongunstige beteekenis heeft,
om uit te drukken het ongoddelijke, d. i. de zondige wereld,
terwijl het nu en dan ook nog weer gebruikt wordt in den
meer beperkten zin van „de menschenwereld". Dit alles kun-
nen wij hier evenwel slechts aanstippen, niet nader aan-
wijzen. Genoeg, ons te hebben duidelijk gemaakt, dat de
gansche wereld, al het bestaande, volgens de H. Schrift
moet worden aangemerkt als product van Gods werkzaam-
heid, als schepping Gods.
4. Maar, zooals wij zagen, ook nog in anderen zin wordt
van de schepping gesproken, namelijk als daad Gods, en zoo
wordt het dus nu de vraag, welk licht de H. Schrift laat
vallen op die scheppingsdaad zelve.
Wij worden hier van zelf allereerst teruggeleid tot het
*na van Gen. 1:1, wat de LXX vertalen door èvoiwsv, ter-
wijl de Vulgaat heeft: creavit, ons: schiep. Etymologisch
ligt in het Hebr. woord nog niet de beteekenis van scheppen,
in den populairen zin van „voortbrengen uit niets". Want
de grondbeteekenis van x^a is waarschijnlijk enkel die van
houwen, snijden, vormen \'), zoodat het op zichzelf nog niet
absoluut de gedachte buitensluit van eene medewerking der
natuur of eene ontwikkeling in het scheppingswerk. Hetzelfde
woord is dan ook gebruikt, niet alleen vs. 21, waar gezegd
wordt, dat God deze dieren, welke de wateren overvloedig
\') Volgens anderen echter: vrijmaken, vrijlaten, doen te voorschijn
komen
(Dillmann).
-ocr page 181-
171
voortbrachten, schiep (*n?;), maar ook vs. 27, van den mensch,
van wien toch vooraf door God gezegd wordt: „laat ons men-
schen maken" (nwi), terwijl het ook later heet, dat God
hem formeerde ("nr) uit het stof der aarde (II: 7). Niettemin
is het een feit, dat ni3 in Kal. nooit gebruikt wordt ter aan-
duiding van het menschelijk doen of voortbrengen, waarvoor
altoos de synonyma (zoowel van het menschelijk als van het
goddelijk voortbrengen) nj»v, "OJ, of "^ gebezigd worden, en
ontegenzeglijk is n?3 in het Hebr. spraakgebruik dan ook de
uitdrukking geworden voor de voortbrengende daad Gods,
waardoor Hij in \'t aanzijn roept wat er vroeger niet was.
En indien ergens, dan heeft het in Gen. I : 1 de beteekenis
van het absoluut nieuw voortbrengen, ontwijfelbaar krachtens
het verband met het „in den beginne" (waarover nader sub 5),
d. i. met den aanvang aller dingen als onmisbare voorwaarde
van al het latere voortbrengen. Toch zou men dwalen, zoo
men meende, dat het enkel en alleen ziet op het eerste
voortbrengen van de stof of wereldmaterie zonder meer.
Neen, het sluit ook de ontwikkeling en den verderen voort-
gang van het scheppingswerk in zich, zooals ook blijkt uit
de reeds genoemde vv. 21 en 27, en Psalm CIV : 30.
"Wij kunnen dus zeggen: de eigenlijke en wezenlijke be-
teekenis van x?3 is deze: het omvat de gansche scheppings-
daad Gods in de gansche opeenvolging van zijne tcerkzaamheid,
van het eerste voortbrengen af tot zijne voltooiing toe, Gen.
II : 3, waar het staat van het gansche scheppingswerk
(„hetwelk God geschapen had, om te volmaken"). Het ziet
derhalve op het gansche scheppingswerk Gods, en niet enkel
en alleen op het in het aanzijn roepen van de materie.
Maar dit staat in allen gevalle vast, dat de Schrift be-
-ocr page 182-
172
paaldelijk buitensluit het te voren aanwezig zijn van iets
buiten God. Dat God schiep, wil altoos zeggen, of liever:
daarin is altoos opgesloten (want niet dat alléén is er mede
bedoeld), dat ook de materie door God in het aanzijn geroepen
is, zooals het ook met zoovele woorden is uitgedrukt Rom.
IV : 17b en Hebr. XI : Sb. Dit is dan ook de beteekenis der
bekende formule van eene „schepping uit niets", al is deze
niet strikt bijbelsch. Want zij is ontleend aan de vertaling
van 2 Macc. VII : 28. Het is de moeder der zeven zonen,
die haren jongsten, terwijl ook hij als martelaar gaat sterven
voor zijn geloof, aldus toespreekt: „Ik bid u, mijn kind!
dat gij, ziende naar den hemel en naar de aarde, en aan-
ziende al wat daarin is, wilt erkennen, dat God deze dingen
uit niet geschapen heeft", Sri ï§ oix Hvrav i7roiy;<r£v xurx 5
5eó<;,
Vuig. „ex nihilo Deum illa creavisse". Tegen die uit-
drukking, ieder weet het, wordt gewoonlijk ingebracht: „ex
nihilo nihil fit". Wij zullen daarover niet twisten; indien
maar in aanmerking genomen wordt, dat met die uitdrukking
niet bedoeld is een fieri ex nihilo, d. i. niet: een worden
van het zijn uit niets, maar een scheppen, een te voorschijn
brengen zonder dat er te voren iets was; m. a. w. niet het
niets wordt gedacht als oorzaak van het zijn der wereld,
maar God in zijne almachtige kracht, met buitensluiting van
elke andere oorzaak nevens God en van elke nevens of zonder
Hem reeds aanwezige materie.
Dat is de groote waarheid, die door Paulus kort en zakelijk
geformuleerd is, als hij zegt: „uit Hem zijn alle dingen"
(Rom. XI : 36) en als hij spreekt van „één God, den Vader,
uit welken alle dingen zijn" (1 Cor. VIII : 6). Uit God zijn
alle dingen — dit is natuurlijk niet bedoeld, in den zin der
-ocr page 183-
173
gnostieken, als emanatie, alsof alles uit God ware voortge-
vloeid of voortgekomen bij wijze van een natuurproces. Want
ook dit soort van pantheisme wordt door de Schrift zeer
bepaald afgewezen. Neen, het ix heeft op de genoemde plaatsen
een geheel anderen zin. Men vergelijke b.v. slechts Joh. I :
13, ix 3-mü èyswtöwxv, waar van de wedergeboorte of de
wedergeborenen toch niet als van eene emanatie kan gesproken
zijn. Maar de uitdrukking: „uit God zijn alle dingen" wil
eenvoudig zeggen, dat al het bestaande, t» txvtx, zijn oor-
sprong heeft niet in eene bloot-uiterlijke daad Gods of in
iets buiten God, maar in Hem zelf, in eene in zijn eigen
en persoonlijk Wezen gegronde daad Gods, gelijk dat nog
nader zal blijken onder 6.
Met de eigenlijke en oorspronkelijke goddelijke scheppings-
daad is derhalve bedoeld: God de eerste en hoogste oorzaak,
en dus wezenlijk de eenige en laatste grond, van al het
bestaande. Elke verdere en latere openbaring van Gods al-
machtigen Scheppers-wil moge ja óók genoemd worden met
het woord scheppen, »na, doch het is dan niet meer een
scheppen zooals in den aanvang bij het eerste scheppen, maar
het is dan het in \'t aanzijn roepen van iets wat in het een-
maal aanwezige reeds principieel aanwezig was. M. a. w.: al
het goddelijk werken in de wereld sedert de eerste en oor-
spronkelijke schepping is niet het doen ontstaan van iets
volstrekt nieuws, maar het behoort metterdaad tot hetgeen
bedoeld is met „de onderhouding" der wereld (waarover nader
in de volgende §).
5. Wat nu die eerste en oorspronkelijke goddelijke schep-
pingsdaad betreft, welk licht laat de Schrift vallen op het
wanneer daarvan? Zoo wij de Schrift zelve laten spreken,
-ocr page 184-
174
dan is het eenige antwoord, dat op die vraag te geven is:
God schiep in den beginne (Gen. I : 1). Wie zal zeggen, dat
dit eene chronologie is? En wie de Bijbelsche Geschiedenis
moet behandelen, zal dat „in den beginne" verklaren als =
„vóór 6000 jaren", en niet veeleer deze zijne tijdrekening
laten aanvangen met Gen. 1:8, d. w. z. met het „zes-
daagsche scheppingswerk", dat alleen op „de aarde" (vs. 2)
betrekking heeft, waarbij ten slotte de mensch optreedt,
en met hem God in de geschiedenis der menschheid als de-
gene, die niet laat varen de werken zijner handen?
Wij mogen dit hier niet verder uitwerken, en terwijl wij
dus ook afzien van de groote en belangrijke vraagstukken,
die door de geologen hierbij worden opgeworpen, moeten wij
het aan de Bijbelsche Geschiedenis overlaten, alles wat daarop
betrekking heeft, en met name het juiste verband tusschen
vs. 1 en 2, in het rechte licht te plaatsen. Genoeg. Dit is
zeker: het eerste woord van den bijbel, het Jvtwna, staat
buiten en boven alle chronologie. Wanneer gezegd wordt, dat
God „in den beginne" den hemel en de aarde schiep, dan
is daarmede volstrekt niet bedoeld, antwoord te geven op de
vraag, hoelang dat geleden is, maar enkel en alleen, boven
allen twijfel vast te stellen, dat al wat bestaat, zoowel de
onzienlijke (de hemel) als de zienlijke dingen (al wat tot „de
aarde" behoort), eenmaal door God een aanvang gehad heeft,
en dat het vóór dat „in den beginne" niet bestond. De eenige
vraag, waarmede wij hierbij te doen hebben, is deze: of vs.
1, volgens de gewone vertaling, zoo geheel op zichzelf staat,
dan wel of er zóó moet gelezen worden: „In den beginne,
toen God den hemel en de aarde schiep, en de aarde woest
en ledig was enz., zeide God", of ook: „In den beginne,
-ocr page 185-
175
toen God den hemel en de aarde schiep, was de aarde woest
en ledig" enz. Onze Statenvertaling heeft gewis het rechte;
anders toch moest het 2de vers aldus volgen en zich aansluiten
aan het vorige: fjyn wn, en niet, zooals er nu staat, nn;nyn»<ni.
Bovendien is de andere constructie veel te gecompliceerd,
en geheel en al in strijd met den korten zinnebouw van het
gansche bericht.
Ieder begrijpt gemakkelijk, welk een groot\' verschil het
maakt, of men zóó of anders leze, en waarom die gecom-
pliceerde lezing wordt voorgestaan door hen, die steun zoeken
in den bijbel voor een stelsel waarin plaats is hetzij voor
eene „eeuwige materie", hetzij voor eene „eeuwige schepping",
of voor wat dan ook, waarbij God niet in volstrekten zin
als Schepper erkend wordt. Doch er is geen twijfel aan, dat
de bedoeling bepaaldelijk van Gen. I : 1 geen andere dan
deze is: al wat is heeft eens een aanvang genomen, en die
aanvang is gegeven met een scheppingsdaad Gods, terwijl
er vóór dien aanvang niets bestond buiten God.
Wel moet erkend worden (met Delitzsch, e. a.), dat nwi
op zichzelf een relatief begrip van begin toelaat; immers is
het afgeleid van vhn = tsfon, d. i. het hoofd, zoodat hetHebr.
woord voor „begin" aanduidt het begin van een reeks, van
eene volgorde, evenals het hoofd als opperste lichaamsdeel,
om zoo te zeggen, het begin of de aanvang is van het
gansche lichaam. Maar de vraag blijft altoos over: welk begin,
het begin waarvan is door den schrijver bedoeld? Ook hierbij
hebben wij in \'toog te houden, waaraan niet genoeg kan
herinnerd worden, dat de H. Schrift in haar geheel niet
anders wil gewaardeerd zijn dan als oorkonde der goddelijke
heilsopenbaring; en dan kan het niet anders of zij wil ook niet
-ocr page 186-
176
aanvangen met wat men noemt eene eigenlijke kosmogonie,
maar met de geschiedenis der heilsopenbaring Gods, eene
geschiedenis, waarvan dit het begin is, dat door eeneschep-
pende daad Gods de hemel en de aarde het aanzijn krijgen.
Er is alzoo bedoeld „de aanvang der vervolgens verhaalde
geschiedenis, welke hemel en aarde ten voorwerp, tot hare
schouwplaats, tot hare op elkander inwerkende factoren
heeft" (Delitzsch). Het is er den schrijver derhalve wel niet
in de eerste plaats om te doen, de stelling te verkondigen,
dat de wereld, wel verre van eeuwig te zijn, eens begonnen
is te bestaan; maar, al is het, dat hij rechtstreeks alleen
bedoelt te zeggen, door welke goddelijke daad de grond tot
de volgende geschiedenis gelegd is, het neemt niet weg, dat
er toch ook zeer bepaald en zeer duidelijk in ligt opgesloten de
negatie van de eeuwigheid der wereld, en positief de stelling:
de wereld was er eens niet, zij is eens aangevangen te bestaan.
Ook in het N. T. wordt datzelfde gedurig verkondigd, zoo-
wel door Christus (Mc. X : 6; XIII : 19 — iv" apxfc «"/««f.
Joh. XVII : 24, x«t#/3c;.>j xóo-pov) als door de apostelen (Hand.
XVII : 24-26; Rom. I : 20; Eph. 1:4; Hebr. IV : 36;
1 Petr. I : 20). Dit begin nu is tevens ook, volgens de Schrift,
eene eenmaal voleindigde daad of handeling Gods, en niet
iets wat altoos voortduurt; en dat is ook de beteekenis van
het rusten van God als het slot van zijne scheppende werk-
zaamheid (Gen. II : 3; Hebr. IV : 3b, 4).
6. Doch dit ontstaan of deze wording der wereld is wederom
gegrond op een goddelijk wordings-woord of wordings-bevel,
waardoor Hij wat niet is in \'t aamijn roept. Hiermede komen
wij tot beantwoording der vraag, welk licht de Schrift laat
vallen op het waardoor der schepping.
-ocr page 187-
177
Het is aangeduid in de woorden: „En God zeide", die tien-
maal voorkomen in het elohistisch scheppingsbericht. Doch
wij moeten hier wel onderscheiden, en niet voorbijzien, dat
het de eerste keer voorkomt Gen. I : 3. Daaruit blijkt ter-
stond, dat dit en al het volgende „God zeide" niet ziet op
dat eerste scheppen Gods (vs. 1), waardoor Hij hemel en
aarde, het universum, in het aanzijn riep, maar op de verdere
toebereiding van deze aardsche schepping, nadat zij eenmaal
(maar nog thohoe-wabohoe „woest en ledig", waarover wij
hier niet nader kunnen handelen) in \'t aanzijn getreden was.
Hoe of waardoor God de eerste materie schiep (vs. 1), waaruit
verder ook de aarde werd toebereid, wordt niet gezegd,
evenmin als dat er iets naders van „den hemel" (de boven-
aardsche, onzichtbare wereld) gezegd is, dan enkel en alleen
dit, dat God ook dien in den beginne schiep. Het is te doen
om eene geschiedenis, die hier op aarde wordt afgespeeld,
al staat zij ook in verband met „den hemel".
Welnu, al wat dan verder met en aan en op de aarde
geschied is, het is niet alzoo geschied zonder of buiten God,
niet als een bloot natuurproces in zijn werk gegaan, maar
het is de bepaalde levensmededeeling en wilsuiting van den
scheppenden God. Dit is uitgedrukt door tweeërlei, nml. hier-
door dat „de Geest Gods zweefde op de wateren" (vs. 2), en
door ieder daarop volgend, met vs. 3 aanvangend „God zeide".
Vooreerst dan: de Geest Gods, als mede bemiddelend den
zesdaagschen scheppingsarbeid. De Geest Gods komt hier
voor in zijne oorspronkelijke, algemeene, kosmische beteeke-
nis, en als zoodanig ook alleen hebben wij er hier een enkel
woord van te zeggen. De aarde namelijk, nadat zij was in
\'t aanzijn geroepen, wordt uit den chaotischen toestand (thohoe-
12
-ocr page 188-
178
wabohoe) niet wat zij geworden is, leven-voortbrengend en
geordend, zonder den Geest Gods.
Dat deze nn van Elohïm hier niet in natuurlijken zin, als
wind of adem, maar als de algemeene, zelfstandige, ook in
de geschapen wereld werkzame goddelijke levenskracht moet
worden opgevat, blijkt uit het bijgevoegde n-jrra (zweefde),
d. i. was levenwekkend werkzaam. Want *ffn beteekent,
evenals in Deut. XXXII : 11, broeden, broedend en bescher-
mend als met vleugelen dekken \'). Eveneens kan het blijken
uit de vergelijking met Ps. XXXIII : 6 („door den Geest
zijns monds"). Maar evenals in dit Psalmwoord, zoo komen
ook in ons scheppingsbericht de Geest en het woord Gods
vereenigd voor als bemiddelend het scheppingswerk Gods.
Want er volgt onmiddellijk: „En God zeide". D. w. z.: niet
in het goddelijk denken alleen, maar in het goddelijk spreken
is alle worden gegrond. Het denken is eene handeling, die
nog niet naar buiten gewerkt heeft, nog niet openbaar
geworden, maar nog verborgen, immanent is; het spreken
is de objectiveering van de gedachte. De wereld is niet de
uit God voortgevloeide gedachte Gods (dat is het pantheisme),
maar zij is het product van zijn eeuwig voornemen, van
zijnen wil, en dit is uitgedrukt door „God zeide". Hij spreekt,
en het is er, Hij gebiedt, en het staat er (Ps. XXXIII : 9).
*) «Die Vergleichung des Geistes mit einem Vogel (Matth. 3, 16)
liegt zu Grund, und selbst eino entfernte Beziehung auf das Weltei dürfte
darin noch durchschimmern, nur dass hier die sinnlich grobe Vorstellung
zu einem zarten sinnigen Bilde verkliirt ist: wie der Vogel über seineni
Neste, so webt der alles durchdringende Gottesgeist über den Urgewassern,
Lebenskriifte darin wirkend oder an sie mittheilend, und so die Schöpfung
ermöglichend" (Dillmann).
-ocr page 189-
179
Het spreken is eenerzijds onderscheiden van het denken,
doordat het de openbaring is van de gedachte, en anderzijds
onderscheiden van de daad; doordat het daartoe als het ware
den overgang vormt. Het spreken Gods, als behoorende tot
zijne scheppende werkzaamheid, negeert dus het scheppen èn
als louter eene denkhandeling, èn als een uiterlijk maken,en
het stelt de schepping als vrije wilsdaad Gods, gegrond in zijn
welbehagen. Ook van God als Schepper geldt derhalve, dat
Hij „alle dingen werkt naar den raad van zijnen wil" (Ef.
I : 11), en „door uwen wil zijn zij, en zijn zij geschapen"
(Openb. IV : 11).
Wij mogen derhalve zeggen: het spreken (,""?«) Gods is de
onmiddellijke, eigen wils-uiting Gods, waardoor Hij het nog
niet bestaande in \'t aanzijn roept; het gesproken woord
("w. /5>?/t*«, hbyoj) is het middel waardoor de schepping tot
stand komt krachtens den goddelijken wil. Daarom kan ook
in Hebr. XI : 3, in de woorden: „door geloof verstaan wij,
dat de wereld door het woord Gods is toebereid", de dativus
pfoxTi niet anders worden opgevat dan als instrumentalis.
Het spreken nu, het woord, is eene geestes-uiting; in het
spreken openbaart zich de geest, en vandaar het parallelisme
van Ps. XXXIII : 6: „Door het woord des Heeren zijn de
hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir".
Die wil nu van God, d. i. zijn eeuwige liefdewil, die bij
en in het scheppen Gods zich uit door zijn woord, wordtin
het O. T., en bepaaldelijk indechokma-litteratuur, geteekend
als de eeuwige Wijsheid Gods, welke vóór de schepping aan-
wezig was (Spr. VIII : 22 — 30; e. a.), en daarin is de over-
gang gegeven tot de Nieuwtestamentische Logos-leer (Joh.
I : 1,3). Het Woord, dat bij God was, is niet eene onper-
-ocr page 190-
180
soonlijke gedachte, niet een abstract gedachtenbeeld, maar
het is persoonlijk, één met God, en dat en geen ander Woord
is het dat „vleesch geworden" is in de menschelijke persoon-
lij kheid van Jezus Christus. Met andere woorden, om het
kort te zeggen (want wij kunnen dit stuk uit de Johanneïsche
theologie hier niet verder uitwerken): Hij, die als het vleesch-
geworden "Woord Middelaar is bij het werk der verlossing,
is ook de Middelaar bij het werk der schepping (Joh. I :
3; vrgl. Col. I : 16, 17). En waar nu tevens ook, zooals
wij zagen, bij dat scheppingswerk sprake is van den Geest
Gods als levenwekkend, daar mag zeer zeker wel niet gezegd
worden, dat in die gegevens reeds voor ons ligt wat Nieuw»
testamentisch geformuleerd is in „den naam des Vaders en
des Zoons en des H. Geestes", maar wel mag veilig beweerd
worden, dat deze belijdenis slechts de historische verwezen-
lijking en de volledige ontvouwing is van hetgeen in het
O. T. reeds in beginsel gegeven is.
7. De laatste vraag, die wij te overwegen hebben, is deze:
welk licht de Schrift laat vallen op het waartoe der schepping.
Het antwoord op deze vraag is inderdaad reeds gegeven in
het scheppingsbericht zelf, wanneer daar zevenmaal gezegd
wordt: „En God zag, dat het goed was", en dit de zevende
maal, het gansche Scheppingswerk samenvattend, versterkt
tot „zeer goed" (vs. 31). Werkelijk is daarmede het doel der
schepping reeds aangeduid, al is het er met zooveel woorden
nog niet in uitgesproken. Reeds etymologisch beschouwd, is
dat zoo. Want het grondbegrip van het Hebr. afo, evenals
van het Gr. ayo&i:, is dat des welgevallens of ïoelbehagens.
De lste beteekenis toch van het werkwoord aio en aa; is:
aangenaam zijn, icelgevallig sijn, en evenzoo is het met otyxbit;,
-ocr page 191-
181
hetzij men dit afleide van \'xym, xyxys.xi, bewonderen, lust hebben,
hetzij van ytöêu (gaudere) zich verblijden. Vandaar dan ook
bij de Grieken het nauw verband tusschen het schoone en
goede, zóó
zelfs, dat zij die twee verbonden tot één: ri
xxhozxyxSóv.
Datzelfde ligt ook in het Hebr. 310, wat ook
hierin merkbaar is, dat de LXX dat woord in Genesis altoos
door xu\'m? vertalen, en elders, bij afwisseling, door x«Aa? of
door xyxSós. Ook in onze Statenvertaling wisselt het af; b.v.
Gen. VI : 2 (rob <3) „dat zij schoon waren", en 1 Tim. IV:
4: oti irccv ktIit^x Sscü xxxiv, „want alle schepsel Gods is
goed". In 310 en in xyxèó: wordt derhalve allereerst de wel-
dadige indruk, dien iets maakt, tot uitdrukking gebracht,
d. i. het gevoel van aangenaam aangedaan worden, met iets
bevredigd zijn, zich ergens in verlustigen. Vandaar dan ook
in dien heerlijken scheppings-psalm, de „hymne op den God
der zeven dagen" (Delitzsch), een woord als dit: „de Heer
verblijde zich in zijne werken!" (Ps. CIV : 31). De uitdruk-
king: „God zag, dat het goed was" wil dus m. a. w. zeggen:
God was bevredigd met zijn werk, ieder deel, zoowel als
het geheel, was zóó, dat het kon beantwoorden aan zijn
bestemming en aan de bedoeling Gods. Die uitdrukking is
dus werkelijk teleologisch, wijzende op het doel, op het
waartoe der schepping. Wat dan is het? Wat in het „zeer
goed" nog maar is aangeduid, dat is door Paulus alweer ge-
formuleerd in die heerlijke doxologie: „uit Hem, en door
Hem, en tot Hem (sk xvrbv) zijn alle dingen. Hem zij de
heerlijkheid in der eeuwigheid". God en zijne verheerlijking —
ziedaar het einddoel van alle dingen, zoowel van het werk
der schepping, waarbij het alles is aangelegd op den mensch,
met wien het scheppingswerk voleindigd wordt, envanwien
-ocr page 192-
182
het dan ook heet, dat hij „het beeld en de heerlijkheid Gods
is" (1 Cor. XI : 7), als van het werk der verlossing (Ef. I:
12, 14). Daarom zijn ook alle natuurpsalmen ter verheerlijking
Gods (Ps. VIII : 10; XIX : 1, 2; CIV : 31, 35ö), en is dit
juist de zonde en de verdonkering van alle heidendom, dat
zij „het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper,
die te prijzen is in der eeuwigheid" (Rom. I : 25).
§ 17.
God in zijne betrekking tot de geschapen wereld.
In de H. Schrift worden de voortdurende werkingen
Gods in de wereld wel niet streng gescheiden noch
scherp onderscheiden van zijne scheppende werkzaam-
heid, maar zij worden er toch doorloopend zóó duidelijk
geleerd, en zóó groote beteekenis wordt er ook aan
toegekend, dat dit onderwerp afzonderlijk dient ter
sprake te komen en eene meer gezette overweging
overwaardig is. De gewone onderscheiding tusschen de
onderhouding en de regeering der wereld mag, als wor-
telend in de Schrift, ook ons hierbij ten leiddraad
strekken, terwijl ook de samenvatting van die twee
in de ééne benaming der Voorzienigheid Gods zoowel
haar grond als haar toelichting vindt in de H. Schrift.
Wij meenen, dat de Bijbelsche Godgeleerdheid bij dit
onderwerp hare taak vervult, indien zij zich er toe
bepaalt, de betrekking Gods tot de bestaande wereld
-ocr page 193-
183
toe te lichten en voor te stellen uit drieërlei oogpunt;
indien zij namelijk tracht duidelijk te maken, in welken
zin de bijbel spreekt over het zijn van God in de wereld,
over zijne werkzaamheid in de wereld, en over zijne
bedoeling met de wereld.
1. Bij de toelichting van de vorige § hadden wij reeds
gelegenheid op te merken, dat de bijbel, waar hij spreekt
van de scheppende werkzaamheid Gods, daarmede niet enkel
en alleen bedoelt het eerste voortbrengen van de stof of wereld-
materie , maar de gansene scheppingsdaad Gods in de gansche
opeenvolging van zijne werkzaamheid. Dit gold bepaaldelijk
met het oog op het scheppingsbericht in Gen. I; maar het
geldt ook in nog wijder en breeder zin. Want al is het zoo,
dat in den bijbel tusschen de schepping en de onderhouding
der wereld wel in zooverre onderscheiden wordt als daar
na de eerste schepping op velerlei wijze sprake is van de
door God gestelde „ordeningen des hemels en der aarde"
(Jer. XXXIII : 25; XXXI : 35, 36; Gen. VIII : 22; Job
XXVIII : 26; Ps. XCIII : 1; CXLVIII : 6; e. a.), en dat
derhalve, wanneer de voortdurende werkingen Gods in de
wereld somwijlen óók een scheppen genoemd worden, dit
niet kan bedoeld zijn in den eigenlijken en oorspronkelijken
zin, het neemt niet weg, dat het bijbelsch spraakgebruik
zelf die onderscheiding niet maakt.\'Want, gelijk wij zeiden,
ook de voortdurende werkingen Gods in de wereld worden
soms een scheppen genoemd (zooals b.v. Ps. CIV : 30, Jes.
XLVIII : 7; Am. IV : 13), en het is dus niet zonder reden,
dat hetgeen in het bijbelsch spraakgebruik wel bedoeld maar
niet uitgedrukt is, door de latere dogmatici onderscheiden
-ocr page 194-
184
geworden is als creatio primitiva en continua of continuata,
of ook wel als creatio prima en secunda, of ook immediata en
mediata. Evenzoo is het ook met de onderscheiding tusschen
schepping en onderhouding, creatio en conservatio. Ook deze
is gewis gegrond in de Schrift, maar de woorden „onder-
houden" en „onderhouding", in den hier bedoelden zin, zijn
van elders, ja het zou onmogelijk zijn, een woord te noemen,
hetzij uit het Oude hetzij uit het Nieuwe Testament, dat
daarmede geheel en al in beteekenis overeenkomt. Want
uitdrukkingen als b.v. deze: „Gij onderhoudt mijn lot" (Ps.
XVI : 5), „Gij onderhoudt mij in mijne oprechtigheid" (Ps.
XLI : 13), „Hij zal u onderhouden" (Ps. LV : 23), ze be-
doelen geheel wat anders; de daar gebruikte verba T?f) en
S-Ï3 hebben daar de beteekenis van „onderhouden" in den zin
van „ondersteunen". Alleen 1 Kon. XVII : 4, 9 en XVIII :
4. 13 is Via gebezigd in een zin, die aan het „onderhouden"
zeer nabij komt, doch het is ook daar nog niet geheel het-
zelfde, en komt meer overeen met „in het leven houden"
(door het versehaffen van voedsel). Bovendien is daar ook
niet rechtstreeks sprake van de onderhouding door God.
Ook in het N. T. is er evenmin een woord voor te vinden,
want ook wtpsïv en r>j/»j8v$ hebben nimmer die beteekenis en
ze worden ook nimmer van God gezegd.
Toch, zooals wij zeiden, is de onderscheiding gegrond in
de Schrift. Maar deze zegt het op andere wijze, zij is, naar
haren aard, ook hierin plastisch, concreet. Zij zegt, dat het
God is, die er voor zorgt, dat de geschapen wereld in haar
geheel en in haar deelen de door Hem zelf gestelde orde
niet overtrede (Ps. CXLVII1 : 6, en de andere op de vorige
bladzijde daarbij genoemde plaatsen); dat Hij het is, die „de
-ocr page 195-
185
pilaren der aarde heeft vastgemaakt" (Ps. LXXV : 4), en
zij verkondigt: „Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft
staan. Naar Uwe verordeningen blijven zij nog heden staan,
want zij allen zijn Uwe knechten" (Ps. CXIX : 90, 91). En
wanneer Christus spreekt van de vogelen des hemels, die
gevoed worden door den hemelschen Vader; en van de leliën
des velds, die door God bekleed worden met heerlijkheid
méér dan die van Salomo (Mt. VI : 26—29; vrgl. Job
XXXIX : 3; Ps. CXLVII : 8, 9) — is het niet reeds meer
dan genoeg om het ons te doen inzien, dat en hoe de Schrift
getuigt van hetgeen tvy uitdrukken door te zeggen dat God
„hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, als met zijne
hand nog onderhoudt, èn regeert", en door dit alles samen
te vatten in dit ééne: „de Voorzienigheid Gods"?
2. Inderdaad, deze waarheid is zóó bijbelsch, dat men
zonder aarzelen zeggen kan: wie Gods Voorzienigheid loochent,
die moet God zelf loochenen.
Eerst een woord over die uitdrukking zelve. In de canonieke
bijbelboeken komt zij niet voor, maar zij is ontleend aan
enkele plaatsen uit de Oudtestamentische Apokryfen. Het is
daar de rrpóvoix Gods. In het Boek der Wijsheid XIV : 3
staat: $ 5s sr>j, irxTep, Sixxupepvp vpóvotx, St. Vert.: „Maar
Uwe Voorzichtigheid, o Vader, bestiert het", en XVII : 2
spreekt van de ongerechtigen als „vluchtig voor de eeuwige
Voorzienigheid", Qvyxïes Tifc xfaviov vpovolxq. Niet anders is
het ook bedoeld, wanneer 2 Macc. XV : 2 van God gesproken
wordt als van „dengene, die alle dingen aanziet", róïi itxvrx
i$opS>vTc$,
en 3 Macc. II : 21 (St. Vert. vs, 16): „God, die
alles inziet", \'o txvtcov liróvrys §sb$. In het N. T. komt irpivoix
tweemaal voor, Hand, XXIV : 3 („voorzichtigheid" of „beleid")
-ocr page 196-
186
en Rom. XIII : 14 („verzorgt het vleesch niet tot begeerlijk-
heden"), rijs <7xpxd$ irpóvoucv ytM ttoisT^s eU iir&uftlxt. Maar
beide keeren is daar sprake van de Tpóvoix van menschen,
niet van God.
De fundamenteele, klassieke plaats is echter niet een der
genoemde teksten, maar Gen. XXII : 14: „de Heer zal het
voorzien". Dit is wel niet letterlijk vertaald, maar het geeft
de bedoeling toch vrij juist weer. Er staat nso; nfrr, LXX :
y.vpwt; sJSsv, Vuig.: „Dominus videt", Luther: „der Herr siehet".
De rechte zin is wel, naar onze St. Vert., „Deus pro videbit".
Want r»n beteekent ja zien, maar het heeft ook de beteekenis
van iets aanzien, er naar zien om te helpen. Beslissend voor
deze beteekenis is o. a. Ex. IV : 31: „dat Hij hunne ver-
drukking zag" (n*n), Ps. IX : 14: „zie mijne ellende aan"
(nso), Ps. XXV : 18, XXXI : 8, en vele andere plaatsen.
Eveneens vindt men hetzelfde werkwoord in de beteekenis
van: op of naar iets zien = zich daarom bekommeren, er
voor zorgen. B.v. Gen. XXXIX : 23: De overste van het
gevangenhuis „zag gansch op geen ding, dat in zijne hand
was", en 1 Kon. XII : 16: „voorzie nu uw huis", lira «int,
d. i. eigenlijk en letterlijk: zie (naar) uw huis = zorg voor
uw huis.
Het is duidelijk, dat in al de genoemde plaatsen geen
sprake is van een „vooruitzien". De Voorzienigheid is dan
ook geenszins hetzelfde als een vooruitzien of van te voren
zien. Neen, niets meer of minder is er mede bedoeld, dan
de zorg Gods voor de gansche wereld, zijne voorzorg voor
al het bestaande, waarom ook sommige Duitsche theologen
(Ebrard, Rothe, e. a.) voorgesteld hebben, liever te spreken
van „Fürsehung", dan van „Vorsehung", eene onderscheiding,
-ocr page 197-
187
die wij in onze taal moeilijk kunnen uitdrukken. Hoe het
zij, Gods onderhoudende en regeerende zorg voor de wereld
in haar geheel en in al hare deelen, dat is zijne Voorzienig-
heid. De Schepper aller dingen trekt zich niet van zijn werk
terug, nadat Hij het geschapen heeft, maar Hij onderhoudt
en regeert het alles zonder ophouden en ten allen tijde op
zijne eigene, goddelijke wijze (waarover nader onder 8—5).
Overbodig is het, en het ware een onbegonnen werk, hierbij
teksten te noemen. De gansche bijbel is het boek der Voor-
zienigheid Gods; en waar wij gewoon zijn, te onderscheiden
tusschen de onderhouding en de regeering, daar hebben wij
wel in het oog te houden, dat die twee ja wel kunnen on-
derscheiden, maar niet van elkander gescheiden worden. Het
is een begrips-onderscheiding, meer ook niet. De H. Schrift
maakt of geeft haar niet, al spreekt het wel van zelf, dat
daar nu eens meer de onderhoudende en dan meer de regee-
rende zijde van Gods Voorzienigheid op den voorgrond komt.
Maar werkelijk is de onderhouding der wereld altoos tevens
ook de regeering Gods; feitelijk valt het een altoos met het
andere samen, gelijk ook het een niet denkbaar is zonder het
andere; en misschien de sprekendste en treffendste illustratie
van die waarheid is gegeven in het woord van Jozef tot
zijne broederen, als hij, na tot hen gezegd te hebben: „gij-
lieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht, doch God
heeft dat ten goede gedacht", daarop laat volgen: „opdat Hij
deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het
leven te behouden" (Gen. L : 20).
3. Hoe nu spreekt de Schrift over de geschapen wereld
in haar bestaan of in hare voortduring; d. i., gelijk het met
andere woorden is uitgedrnkt in den tekst der §, in welken
-ocr page 198-
188
zin spreekt de bijbel over het zijn van God in de wereld?
Dat de geschapen wereld geen van God onafhankelijk bestaan
heeft, ligt reeds hierin opgesloten, dat zij is xrific, en wel
xrhis Bsoii, en dat alle dingen niet alleen uit Hem en tot
Hem, maar ook ï/\' xutoü zijn (Rom. XI : 36), door Hem
namelijk, die de eenige is van wien gezegd kan worden,
dat Hij het leven heeft in zichzelven (Joh. V : 26). Daaruit
volgt dan ook van zelf, dat alles wat buiten God bestaat,
d. i. al het geschapene, hetzij als geheel hetzij in zijn deelen,
het leven niet in zichzelven, dat m. a. w. het gansche wereld-
organisme géén onmiddellijk, zelfstandig, van niets afhanke-
lijk leven heeft. Overbodig is het, dit in bijzonderheden aan
te toonen; wij behoeven slechts indachtig te maken aan
hetgeen gezegd wordt van den mensch, onder alle schepselen
het meest onafhankelijk en zelfstandig wezen, immers ge-
schapen „naar het beeld" Gods. Derhalve is hetgeen van den
mensch geldt nog des te meer van toepassing op al het andere.
Welnu, van den mensch heet het: „in Hem leven wij,
en bewegen ons, en zijn wij" (Hand. XVII : 28). In God
hebben wij een als leven zich uitend bestaan (güpn); in Hem
ook is gegrond al onze levensbeweging of elke levens-werk-
zaamheid (KtvoópeSx), en dus ook ons gansche bestaan (w^èv),
gelijk Bengel het zoo goed en kernachtig uitdrukt: „vitam
motus, motum esse sequitur".
Wat nu volgt daaruit? Het is dit: dat geen deel der
wereld, zoomin als de mensch, noch de wereld in haar geheel,
een eigen, van God gescheiden leven of bestaan heeft, hetzij
dan als mechanisme hetzij als organisme, en dat niets ook
leeft of bestaat door slechts een van buiten-af of uitwendig
daarop werkenden invloed van God; maar dat integendeel
-ocr page 199-
189
alles zóó alleen bestaat, dat het in God gegrond is als in
zijn duurzamen levensgrond (h «órj»), en dat dus al het be-
staande, met al zijn krachten, bewegingen en werkingen,
voortdurend en wezenlijk afhankelijk is van het alleen en
uitsluitend in en door zichzelf bestaande leven en zijn van God.
Dit bestaan en voortbestaan nu der wereld in God onder-
stelt dus reeds een innerlijk aanwezig zijn van God in het
wezen der wereld, wat geheel iets anders is dan eene pan-
theistische vereenzelviging van God en de wereld, geheel
iets anders dus ook dan eene wezens-eenheid, die alleen aan
den Logos wordt toegekend (Joh. 1:1); waarover wij hier
natuurlijk niet nader handelen. Terwijl daar sprake is (Ef.
IV : 6) van „één God en Vader van allen", heet het allereerst:
„die daar is boven allen" (<5 hri xxvrccv) — d. i. dogmatisch uit-
gedrukt: transcendent — en dan, niet alleen S/<£ ttkvtuv, door
allen \'), maar ook in allen, èv ttxtiv (niet: in u allen; v(t7v is on-
echt), d. i.: „Deus Spiritu sanctificationis diffusus est per omnia
ecclesiae membra" (Calvijn). Evenzoo heet het ook, dat „de
God, die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is,___
niet verre is van een iegelijk van ons" (Hand. XVII : 24,
27; vrgl. Jer. XXIII : 23, 24). Derhalve God is reëel in alles
tegenwoordig (immanent), maar zóó dat niet alles God, noch
ook God alles is. Hij is van niets gescheiden, maar van alles
\') Dit is moeilijk, maar voor ons nu hierbij van ondergeschikt belang.
Sommige exegeten nemen vavrm hier als neutrum, en laten het slaan of
op de schepping, zoodat er bij te denken ware aan de alles doordringende
goddelijke Schepperskracht, of op zijne Voorzienigheid (Beza, Grot, e.a.):
«per omnes diffundit providam suam gubernationem». Anderen nemen het
als masc., zoodat bedoeld is de alle christenen door den H. Geest door-
dringende charismatische tegenwoordigheid Gods.
-ocr page 200-
190
onderscheiden; en het is dus ook niet vreemd, als door de
H. Schrift ook alle natuurverschijnselen, niet alleen de buiten-
gewone (de wonderen), maar ook de meest gewone en alle-
daagsche, rechtstreeks tot God worden teruggebracht (b.v.
Ps. XXIX : 3, vv. CIV : 13 vv. Mt. V : 45, VI : 26, 30).
Doch, om niet bij deze algemeenheden te blijven staan,
hoe wordt het aanwezig zijn van God in de wereld nader
door de Schrift bepaald, m. a. w. wat zegt zij van den aard
van het zijn van God in de wereld? Hierbij hebben wij in
de eerste plaats te letten op hetgeen Paulus dienaangaande
zegt, als hij spreekt van Gods „eeuwige kracht en goddelijk-
heid" (Rom. I : 20). Uit de nauwe verbinding (door rs-xx),
„zoowel-als") \') van die twee, nml. van de xïiiog ^ivx^m en
de bsicr/ic, blijkt reeds, dat die beide begrippen wel niet één
en hetzelfde, maar als onafscheidelijk met elkander verbonden
gedacht zijn, dat m. a. w. de „eeuwige kracht" Gods van
zelf ook medebrengt of in zich sluit de bsiorvi?, d. i. hetgeen
eigen is aan het Godsbestaan. De kracht Gods is niet slechts
gedacht als eene van God uitgaande werking in of invloed
op de wereld; maar waar zijne Svvx.uig is en werkt, daar is
ook zijne $eloni<; (niet de &fJr>j?, d. i. de godheid, het God-
zijn; Col. II : 9), d. w. z.: niet God als eenwordend met de
xtïgii;, maar de werkelijkheid van zijn alles doordringend
Godsbestaan is in al het geschapene merkbaar. Dit juist is
het eigenaardige en kenmerkende van de bijbelsche beschouwing
en voorstelling, dat daar niet van Gods zijn in de wereld
gesproken wordt in het afgetrokkene, maar altoos concreet.
De Schrift weet en erkent o ja, dat er zijn „ordeningendes
\') Zie daarover Winer\'s Oramm.6 blz. 517.
-ocr page 201-
191
hemels en der aarde" (zie blz. 183, en de daar genoemde
teksten), en zij loochent dus ook geenszins, dat er zijn, wat
wij noemen natuur-wetten en -krachten, maar wel dat die er
zijn losgemaakt of losgedacht van God zelf. Neen, alle wer-
kingen en bewegingen en krachten in de gansche wereld zijn
haar nimmer iets buiten of zonder God, ja zelfs „kracht" en
„God" vallen voor haar vrijwel te samen. God is „de alleen
machtige", l pévo: ^dvxtt^ (1 Tim. VI : 15), en zijner alleen
is v) Iwxpis (Mt. VI : 13), ja het goddelijk zijn in de wereld
is volgens de Schrift te denken als de Süj/^j? bij uitnemend-
heid, als de kracht naar haar ongedeeld en volkomen begrip,
en zoo dan ook als de bron en het levend beginsel van alle
krachten die daar zijn en werken in de wereld. Wat wij
noemen „natuurkrachten", zijn, naar de Schrift, niet anders
dan krachten Gods. De genezingen, door Jezus verricht, worden
hierdoor verklaard, dat „de kracht des Heeren er was om
te genezen" (Luc. V : 17). En wat vooral is op te merken:
terwijl Luc. XXII : 69 gesproken wordt van den Zoon des
ménschen zittende aan de rechterhand „der kracht Gods",
heet het in de parallele plaatsen (Mt. XXVI : 64 ,• Mc. XIV:
62) enkel: zittende aan de rechterhand „der kracht", èx^iüv-
rvis dvvxfteui;.
Ook is hetgeen Christus zegt tot de Sadduceën,
dat ze niet weten de Schriften noch rw Svvxpiv tóü §edü (Mt.
XXII : 29),. niet te verstaan tenzij "Swx^i^ daar genomen
worde in den zin van oixrix of essentia, gelijk dan ook het
Hebr. rrvai „refertur inter Epitheta Dei, ad signiflcandum
ipsum Deum praepotentem, cum praeflxo art n, ut Graeci
dicunt vi $uv*£n?" \'). In één woord: het is schriftuurlijk te
\') Buxtorf: Lexicon talmudicum. Over de exegese van de genoemde
-ocr page 202-
192
zeggen: de kracht Gods is de alles inwonende en onderhou-
dende tegenwoordigheid Gods. Zóó hebben ook de gerefd
meerde theologen het altoos opgevat. „De goddelijke kracht,
die in alle dingen werkt en alles beweegt, wat anders is zij,
vraagt Zwingli, dan God zelf\'? Wat de wetenschap natuur-
kracht
noemt, en dikwerf ten koste van God verheft, noemt
niet alleen hij, maar ook Kalvijn *), ook Danaeus 8), de
alomtegenwoordige werkzame kracht Gods; en maakten de
Socinianen onderscheid tusschen Gods wezenheid {essentia) en
zijne kracht (virtus) als werking uit de verte (actio in distans),
de Gereformeerden merkten daartegen op, dat juist de kracht
van God het wezen der Godheid uitmaakt. God oefent niet
slechts kracht uit, maar is kracht. Volgens de Schrift zijn
dus ook de H. Geest of de innerlijk werkzame Godheid en de
kracht des Allerhoogsten
identische begrippen. Diensvolgens
beschrijft de heidelbergsche catechismus (vr. en antw. 27) de
Voorzienigheid als de almachtige en alomtegeniooordige kracht
Gods" 3). Zoo is het. Alleen moet toch wel worden opgemerkt,
dat het niet zou aangaan, in het antwoord van den Heidel-
berger de "uitdrukking „de alomtegenwoordige kracht Gods"
te vervangen door „de H. Geest"; en wat dan ook met name
den voorlaatsten zin betreft, waarin, zonder twijfel met het
oog op Luc. I : 35, gezegd is dat „volgens de Schrift de H.
plaats, Mt. XXII : 29, heb ik uitvoeriger gehandeld en de boven aan-
gegeven opvatting verdedigd in mijne Dissertatie «exhibens Jesu doctrinam
de resurrectione niortuorum», blz. 47, 48.
\') Inslit. 1, V, 5: «Naturae elogiis Deum supprimunt. Fateor (tarnen),
pie hoc posse dici, modo a pio animo proficiscatur, naturam esse Deum».
*) Deze gebruikt in zijne Ethica Chr. ed. 3, p. 40, de uitdrukking
«naturam esse Deum».
\') Sc hol ten: De leer der H. A\'.\\. blz. 187, 188.
-ocr page 203-
193
Geest of de innerlijk werkzame Godheid en de kracht des
Allerhoogsten identische begrippen" zijn, daarbij moet niet
uit het oog verloren worden, dat althans het O. T. zeer
merkbaar onderscheidt tusschen de algemeene of kosmische
en de bijzondere of heils-oeconomische beteekenis van den
Geest Gods, en dat de zeer enkele malen wanneer daar ge-
sproken wordt van den Heiligen Geest (Ps. LI : 13; Jes.
LXIII : 10, 11; eenmaal Gods „goede" Geest, Ps. CXLIII :
10), het altoos bedoeld is in dezen bijzonderen zin. In het
N. T. is die onderscheiding niet zoo merkbaar, terwijl daar
promiscue gesproken wordt van to msv/i» xym en rb irvsüftx
róv Ssoïi,
en dit laatste in den regel hetzelfde uitdrukt als
het eerste. Maar daarom kan nog niet gezegd worden, dat
de H. Geest en de kracht Gods identische begrippen zijn.
Ook niet in het parallelisme van Luc. I : 35. „De H. Geest
zal over u komen", dit is en bedoelt iets anders nog, dan
„de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen". In het
eerste is de verklaring aangegeven van het volgende rb
ysw&iAtvw arytov,
in het andere van het daarop volgende
xXviSyvirxi vlos 9*w. M. a. w.: krachtens de ontvangenis van
den H. Geest kan gesproken worden van „het Heilige" dat
geboren zal worden, terwijl „Zoon Gods" zal heeten de Zoon
van Maria omdat de kracht des Allerhoogsten dat wonder
in haar bewerkte. Genoeg. De H. Geest, de Geest Gods, of
ook alleen de Geest, is in het N. T. altoos de Geest van
den God der heilsopenbaring, waarmede in het O. T. overeen-
komt het veelvuldig daar voorkomende nfir nn, de Geest des
Heeren; terwijl van de ióvx/ns $eov, van de kracht Gods,
gesproken wordt dan wanneer op een of andere wijze gedoeld
wordt op het zijn of het werken Gods met betrekking tot
13
-ocr page 204-
194
alles wat xrlaig is, dat is dus óók met betrekking tot den
mensch in zijn physisch bestaan.
4. Doch met het zijn van God in de wereld vloeit zijne
werkzaamheid in de wereld als het ware onmiddellijk samen,
en ook daarvan geldt hetzelfde wat wij zeiden van de on-
derhouding en de regeering, dat het eigenlijk niet meer is
dan eene begripsonderscheiding. Ook hier moet derhalve ja
wel onderscheiden, maar Gods zijn en werkzaamheid in de
wereld kunnen niet van elkaar gescheiden worden, evenmin
als de goddelijke werkzaamheid in het onderhouden en in het
regeeren der wereld, al is het ook, dat wij eerst over het
een en dan over het ander gaan spreken.
Wat dan vooreerst de goddelijke werkzaamheid in de
onderhouding betreft. Uit de breede lijst van teksten, die
uitdrukking geven aan de waarheid, dat dezelfde God, wiens
machtwil alles in \'t aanzijn riep, werkzaam blijft om het te
onderhouden, noem ik er slechts een tweetal, die boven alle
andere duidelijk spreken. Jes. XL : 28: „Weet gij het niet,
hebt gij niet gehoord dat de eeuwige God, de Heer, de
Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat
wordt?" — ziedaar in den grond der zaak geheel hetzelfde
als wat door Christus, zonder beeldspraak, op deze wijze
gezegd is: „mijn Vader werkt tot nu toe" (Joh. V : 17).
God heeft zich niet aan het bestaande onttrokken, maar Hij,
aan wien al wat is zijn ontstaan te danken heeft, is ook
degene door wien het tot heden toe blijft bestaan.
Deze dingen vereischen geen nadere toelichting. Maar tot
deze algemeenheden behoeven wij ons niet te bepalen. Want
de Schrift, en bepaaldelijk het N. T. verklaart zich nader,
wanneer wij vragen (ik zeg niet, naar het hoe, maar) naar
-ocr page 205-
195
den aard der goddelijke werkzaamheid in de onderhouding
van het bestaande. Uit hetgeen wij gezegd hebben van het
zijn van God in de wereld, de "Suvxfn? Gods, volgt reeds,
dat ook de goddelijke werkzaamheid door de Schrift ge-
dacht wordt als eene innerlijke, niet als eene uiterlijke,
d. i. dynamisch, niet mechanisch. Men zal zeggen: dat zijn
kunsttermen, die de Schrift niet kent; en van de uitdruk-
king „mechanisch" of „werktuigelijk" is dat zeer zeker waar.
Maar even zeker is het waar, dat de Schrift wel degelijk
met andere woorden hetzelfde zegt als wat wij bedoelen
wanneer wij zeggen: „God werkt niet mechanisch, maar dyna-
misch". Hoe toch wordt dat „werken tot nu toe", ik bedoel
dat woord van den Heer: mijn Vader ?«« iprt èpyx^srxi,
elders nader verklaard ? Men zal dat terstond begrijpen, als
men bedenkt, dat het „werken" van God, waarvan Christus
spreekt in het algemeen als een èpyxXurSxt, in den regel,
zoo menigmaal daarvan in concreto gesproken wordt, een
goddelijk tvepyeïv, de hkpynx Gods, genaamd wordt, d. i.dus:
eene werking Gods in, en niet maar op het bestaande. De
werking Gods is niet eene werking van buiten-af op de dingen,
niet een invloed die daarop wordt uitgeoefend, niet een werk-
tuigelijk in beweging brengen, maar het is een er-in werken,
eene innerlijke werking van de Svvxftig Gods. Dit nu is wel
op te merken. Want waar in onze Statenvertaling gesproken
wordt van het „werken" Gods, van zijne „werkingen" enz.,
daar is dat veelal de vertaling van êvspysh, svépystx, êvépy>^/Ax,
enz. Ik noem slechts enkele markante plaatsen: 1 Cor. XII:
6, 11; Gal. II : 8, III : 5; Ef. I : 11, 20, III : 7, 20;
Philipp. II : 13; Col. I : 29, II : 12. Deze goddelijkeIvipysix,
d. i. de Mvxpa; Gods zooals deze in het bestaande werkt,
-ocr page 206-
196
heet, wanneer die Mvxpi; bedoeld is naar hetgeen zij vermag,
de foxtt* de wacht Gods, terwijl zij sterkte, xpxrog, heet, wanneer
zij moet beschreven worden naar hetgeen zij bewerkt of uit-
werkt. Uitnemend schoon en zinrijk zijn al die verwante
begrippen onderscheiden en saamgevat in Ef. I : 19: „welke
de uitnemende grootheid zijner kracht (Swxftsx;) zij aan ons,
die gelooven, naar de werking (xxrx tMv Mpysixv) der sterkte
(toïi xpxrcvs)
zijner macht (rij? W%jos xvroü)". Derhalve: het
complex van alles is de 16vx;ai: , deze vat al het andere samen;
maar zij wordt gekend aan het innerlijk werken (aan de
ivipyeix) van de sterkte-betooning (van de xpxros) van \'t geen
Hij vermag (ltr%fie).
Op al de genoemde plaatsen, wij zien het niet voorbij, is
ja sprake van de genadewerking Gods in de geloovigen, der-
halve van het hepysïv Gods in bijzonderen zin. Maar deze
innerlijke werking Gods in de geloovigen, wat is zij anders
dan een bepaalde en wel de hoogste vorm van het goddelijk
werken in al het bestaande, natuurlijk in ieder schepsel naar
zijn eigen aard en leven en zijn, d. i., gelijk wederom Paulus
het zoo goed heeft uitgedrukt: dat God „alle dingen werkt
(tx ttxvtx èvspyoüvTo;) naar den raad van zijnen toil" ?
(Ef. 1:11).
Doch wanneer nu verder gevraagd wordt, hoe wij deze
innerlijke krachtwerking of werkingskracht van God ons
moeten denken of voorstellen, namelijk volgens hetgeen de
Schrift daarvan zegt, dan moeten wij antwoorden: de Schrift
zegt daarvan niets, zij tracht het vraagstuk niet op te lossen,
want zij weet het maar al te goed, dat het een ijdel werk
is voor den mensch, te willen doordringen tot het hoe der
innerlijke werkingen Gods, d. i. tot het eigenlijk wezen der
goddelijke immanentie. Alleen zou men kunnen vragen of,
-ocr page 207-
197
naar de voorstelling der H. Schrift, Gods onderhoudende
werkzaamheid als eene onmiddellijke dan wel als eene mid-
dellijke te denken zij. Doch het is ook dan wederom de vraag,
hoe men dat bedoelt. Indien namelijk dat middellijke bedoeld
is in den zin van een verre zijn, alsof God zich had terug-
getrokken en zich gescheiden had van het geschapene, nadat
Hij dit eenmaal had toegerust met zekere vermogens en
krachten van beweging en leven, van voortduring en voort-
planting, i. é. w. alsof Hij, om zoo te zeggen, de machine,
na haar eerst het aanzijn gegeven te hebben, daarna had
aan den gang gemaakt als een soort perpetuum mobile —
ja, dan is die onderscheiding tusschen middellijk en onmiddellijk
zeer zeker onjuist. Want geen middel noch eenige middel-
oorzaak bestaat of werkt onafhankelijk van de èvépysix Gods.
Maar als men er mede bedoelt, dat God óók in de onder-
houding der wereld ja middelen bezigt „naar den raad van
zijnen wil", voorzeker, dan is het niet de bijbel, die dat
weerspreekt, indien tevens maar niet wordt voorbijgezien,
dat God aan geen enkel middel gebonden is. Bij herhaling
hebben wij er reeds op gewezen: daar is eene natuur-orde,
die door de Schrift zeer nadrukkelijk wordt erkend. Dat het
voortbestaan der wereld wordt voorgesteld niet als hare, maar
als Gods werking (Ps. CIV : 9, 10, 27; Hand. XVII : 25;
e. a.), het heft de werkzaamheid der natuurlijke krachten
niet op, maar wel sluit het eene werkzaamheid van deze
volgens een blind mechanisme buiten. En ook deze geloofs-
regel houdt bij alles en ten allen tijde het laatste woord:
„alle dingen zijn mogelijk bij God" en „geen ding zal bij God
onmogelijk zijn (Mt. XIX : 26; Luc. I : 37. Gen. XVIII: 14;
Job XLII : 2; Ps. CXXXV: 6; Jes. XLIII: 13&; Jer. XXXII:
-ocr page 208-
198
17b; Zach. VIII : 6; en vele andere uitspraken). M. a. w.:
alleen de wil of het willen van God is de maat van zijn
kunnen, gelijk het is uitgedrukt in het Boek der Wijsheid,
XII : 18: „want bij U is het vermogen wanneer Gij wilt",
7rxpe<TTi yxp eroi crxv JriAsf? to SóvxrSxi. Daarom is Christus\'OOk
in dit opzicht het evenbeeld van den Vader, dat Hij kan
wat Hij wil, en dat zijn willen tegelijk een kunnen is (Mc.
I : 40è, 41; Joh. V : 19). Derhalve: de stelling, dat alles
„natuurlijk" in zijn werk gaat, wordt als regel door de Schrift
beaamd; maar de gevolgtrekking van het naturalisme, hetwelk
de natuur stelt in de plaats van of gelijk aan God, wordt
tegelijk met de daaraan verwante stelling „wonderen zijn
onmogelijk" beslist door haar afgewezen.
Datzelfde geldt natuurlijk ook met betrekking tot de Gods-
regeering, waarover wij thans nog gaan handelen. De problemen,
die op ander terrein dan het onze zich daarbij voordoen, en
die voorzeker moeilijk en ingewikkeld genoeg zijn omdat ze
het Godsbestuur te beschouwen hebben bepaaldelijk ook in
verband met hetgeen daar ligt op het gebied der vrije per-
soonlijkheid, d. i. der menschheid en dus ook der menschelijke
verantwoordelijkheid — deze problemen laten wij, evenals
de Schrift dat doet, zoo mogelijk ter oplossing over aan allen,
die daar lust en kracht en recht toe hebben. Want de bijbel
filosofeert niet over de vraagstukken van determinisme, vrijen
wil, concursus, en zoo meer, en wij hebben dus enkel in
\'t licht te stellen wat daar gezegd en geleerd wordt van het
albestuur Gods.
Ik zeg het albestuur Gods. Want dit staat op den voor-
grond: de Godsregeering is absoluut, zij omvat alles zonder
eenige uitzondering. Buitengesloten is derhalve alles wat valt
-ocr page 209-
199
t
onder het begrip van het blinde noodlot of toeval. Een polpx,
slfixpiAsvit, rü%vi,
fatum, of welke benamingen daarvoor in het
heidensch spraakgebruik mogen voorkomen, de Schrift kent
of noemt ze niet, ja er is noch in het Oude noch in het
Nieuwe Testament een woord te vinden, dat daarmede overeen-
komt of eenigszins hetzelfde uitdrukt. Wel komt het woord
toeval in den bijbel tweemaal voor (want Deut. XXIII : 10
komt hier niet in aanmerking, omdat het daar gansch wat
anders beteekent); maar bij nadere beschouwing is het duidelijk,
dat ook op die beide plaatsen geenszins een toeval in den
eigenlijken zin, d. i. iets wat ligt buiten het Godsbestuur,
verkondigd of gehuldigd wordt. De eerste der bedoelde plaatsen
is 1 Sam. VI : 9. Het zijn daar de priesters en waarzeggers
der Filistijnen, die zeggen: „het is ons een toeval geweest".
Nu is het zeker alleszins mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk,
dat de heidensche Filistijnen met die uitdrukking bedoeld
hebben, de godheid, dat is dan natuurlijk hun eigen Dagon,
en diens bemoeienis buiten te sluiten van deze gansche ge-
schiedenis. Maar zeker is het, dat het Hebr. woord, hier
voor „toeval" gebezigd, die gedachte niet eenmaal uitdrukt.
Er staat: v). rvr\\ mn rnpn. Nu beteekent r\\yr> (van rng, ont-
moeten, aantreffen, samentreffen, xupéu, occurrere) eenvoudig:
\'t geen iemand wedervaart, ontmoet of bejegent (vrgl. 1 Sam.
XX : 26, Pred. II : 14, e. a.), afgezien van de vraag, of
het onder of zonder het Godsbestuur geschiedt; en wat onze
Statenvertalers daarbij aanteekenen: „d. i. iets waarvan men
de natuurlijke of regeerende oorzaak niet weten kan," dit
ware juister aldus: „d. i. iets waarvan men de natuurlijke
of regeerende oorzaak in het midden laat." Met opmerkelijke
vermijding van het woord tvxv, dat toch voor „toeval" voor
-ocr page 210-
200
de hand lag, hebben dan ook de LXX zeer juist vertaald
<s\\Ht.7:juyt.x toüto yèyovev viyiïv.
De andere plaats is Pred. IX : 11: „dat toeval aan alle
dezen wedervaart". Hier staat voor „toeval" ^Js (LXX :
ivxvnjftx), van wa, d. i. ontmoeten of ergens op stooten
(„es geschehe aus Absicht oder Zufall", Ges. Lex.), zoodat
ook het daarvan afgeleide substantief niets beslissen wil aan-
gaande de vraag of zulke „ontmoeting" al dan niet geschiedt
onder het Godsbestuur. Volkomen naar waarheid is het dan
ook gezegd: „Ein Gebiet des Zufalls existiert für das Alte
Testament nicht" \'), en zeer terecht wordt daarbij gewezen
op Ex. XXI : 18, waar, nadat in vs. 12 van den opzette-
lijken doodslag sprake was, ook. de zoogenaamd toevallige
doodslag („doch die hem niet nagesteld heeft", d. w. z.: wie
het niet met opzet gedaan heeft) geplaatst wordt in het licht
van het albestuur Gods met deze woorden: „maar God heeft
hem zijne hand doen ontmoeten". Niet minder sterk spreekt
ook de nu en dan voorkomende vermelding van beslissingen
door het lot. Immers de uitkomst daarvan wordt bepaaldelijk
voorgesteld en beschouwd als door God bestierd, gelijk dat
middel dan ook in sommige gevallen opzettelijk werd te baat
genomen om zich te kunnen richten naar den wil en de be-
doeling Gods (Spr. XVI : 33; Num. XXVI : 55 vv.; 1 Sam.
XIV : 41 vv.; Hand. I : 24—26).
Nog zijn er enkele andere spreekwijzen,die oogenschijnlijk eene
plaats openlaten voor het eigenlijke „toeval". Aldus Ruthll:
3, 2 Sam. 1:6, XX : 1, waar telkens sprake is van: „bij
geval". Maar ook op al deze plaatsen, waar altoos weer een
\') Oehler: Iheol. d. A. T. blz. 184.
-ocr page 211-
201
vorm gebezigd is van het boven reeds verklaarde •*"£, wordt
ten opzichte van het Godsbestuur niets beslist, en is met
de uitdrukking „bij geval" blijkbaar niets anders bedoeld dan
„buiten alle menschelijke berekening\'\' of „onopzettelijk". En
wie ook weet het niet, hoe met name in Ruth\'s geschiedenis
de goddelijke leidingen en bestieringen als met den vinger
worden aangewezen? En eindelijk nog de eenige plaats uit
het N. T., waar dergelijke uitdrukking voorkomt: Luc. X :
31: „bij geval (xxtx o-vyxvptxv) kwam een zeker priester" enz.
Ook daar, het behoeft geen nadere toelichting, is het enkel
en alleen bedoeld in den zin van „onvoorziens" of „onvoor-
bedacht", d. i., zooals de oude dogmatici het plegen uit te
drukken: toevallig, niet met betrekking tot God, maar met
betrekking tot den mensch „eventus per accidens non ratione
Dei omniscii, sed respectu hominis ignorantis".
Alzoo, negatief uitgedrukt, niets, ook niet wat „toeval"
of „toevallig" heet, valt buiten het Godsbestuur. Dat is,
thetisch gezegd: alles, ook het allergeringste, valt daaronder.
Ik behoef hier niets anders te noemen dan Mt. X : 29—31.
Want er is in de gansche Schrift geen woord te vinden, dat
zóó duidelijk en zóó sterk spreekt als dit woord van Christus
zelf. Welk een klimax, die alles beslist! „De geringste schep-
selen hebben hun waarde voor God en worden door Hem
verzorgd, hoeveel te meer gij dan, mijne jongeren! Geen
haar zal u gekrenkt worden zonder of tegen Gods wil". Eene
wereldregeerende Voorzienigheid is ook niet denkbaar, wan-
neer iets , ook wat wij het geringe en kleine noemen, daarvan
buitengesloten ware. Slechts moeten wij niet wijzer willen
zijn dan de Schrift, en hebben wij ons te wachten voor ge-
volgtrekkingen, die niet in overeenstemming zouden zijn
-ocr page 212-
202
met de „gezeglijke wijsheid", waarvan Jacobus spreekt.
Ik bedoel dit: diezelfde Godsregeering, de volstrektheid van
welke onvoorwaardelijk moet erkend worden, wil en gebiedt
ook tevens, dat de mensen zich voege naar de orde en wijze
van die regeering, gelijk die ook door de Schrift zelve worden
aangewezen. Het is zeer opmerkelijk en van groote beteekenis,
dat zelfs het O. T., zoo menigmaal het zich op déze wijze
en in dézen zin uitdrukt dat God alleen de eenige bewerker
der gebeurtenissen is ook op natuurlijk gebied, toch nim-
mer nalaat te doen uitkomen, dat God, ook daar waar Hij
werkt op buitengewone en wonderbare wijze, den mensen
beveelt gebruik te maken van de door Hem gewrochte natuur-
lijke middelen. B.v. de Israëlieten in de woestijn worden ja"
door God gespijzigd, maar het manna, al is het ook dat Gods
wondermacht het hun beschikt, is dan toch het middel in
zijne hand waardoor God hen onderhoudt, en zonder spijs
doet Hij het niet. Evenzoo in de geschiedenis van Elia; nu
eens zijn het de raven, en dan is het de Sareptische, aan
wie God heeft geboden, dat zij den profeet onderhouden
zullen <1 Kon. XVII : 4, 9), maar toch altoos wéér door
spijs en drank, en zonder of buiten deze middelen niet. Genoeg;
dit blijkt altoos weder; God heeft, ook dan en daar zelfs waar
Hij door wonderen werkt, toch den mensen altoos gebonden
aan den door Hem verordenden weg der middelen; en ook
in dat opzicht is door Christus zelf het hoogste en laatste
woord gesproken: „gij zult den Heer, uwen God, niet ver-
zoeken" (Mt. IV : 7), maar ook dit wederom niet anders dan
als de vervulling van het woord der wet (Deut. VI : 16).
Eveneens is het ook voor den mensch op geestelijk gebied.
Daar heet het: „want wij zijn Gods mede-arbeiders" (1 Cor.
-ocr page 213-
203
III : 9; 2 Cor. VI : 1), SsoZ yxp i<r[tsv ewepyoi; dat is een
synergisme in bijbelschen, niet het synergisme in pelagiaan-
schen zin (waarover wij hier natuurlijk niet verder uitweiden).
Paulus heeft het volledig en onverbeterlijk uitgedrukt in dit
klassieke woord: „werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en
beven; want het is God, die in u werkt beide het willen en
het werken, naar zijn welbehagen" (Philipp. II : 12ö, 13).
5. Ten slotte nog iets over hetgeen ik met een enkel woord
niet beter wist uit te drukken dan door te spreken van
Gods bedoeling met de wereld. Want gaarne wil ik erkennen,
dat die uitdrukking eenige verklaring behoeft, omdat zij niet
volkomen weergeeft wat ik daarmede op het oog heb.
Dit wilde ik er mede te kennen geven, dat Gods wereld-
bestuur niet doelloos noch planloos is, maar dat daar is wat
de Schrift noemt eene goddelijke rrpóSeo-i;, een goddelijk „voor-
nemen", plan of doel, bij al wat Hij wrocht (Rom. VIII: 28;
IX : 11; Ef. I : 11; III : 11).
Wat wil dat zeggen ? In het algemeen is het dit: God heeft
de wereld geschapen, Hij onderhoudt en regeert alle dingen
met en tot een bepaald doel. Daar is geen willekeur in het
werk Gods, noch iets toevalligs voor Hem. Neen, maar daar
is een eeuwig wereldplan Gods, d. i. met andere woorden:
„Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend" (Hand.
XV : 18), al is het ook, dat de mensch gedurig zeggen moet:
„O, diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse
Gods! hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeur-
lijk zijne wegen!\'\' (Rom. XI : 33).
Welnu, dit wereldplan Gods komt overeen met zijne eeuwige
irpóSiirtt;, of ook met „het welbehagen van zijnen wil" (Ef. I:
5, 9). In dat goddelijk wereldplan is zonder uitzondering alles
-ocr page 214-
204
opgenomen en bepaald, zoowel het bijzondere als het algemeene.
Het heeft betrekking niet alleen op de ontwikkeling en de
geschiedenis der wereld in het algemeen, en ook niet alleen
op het leven der volkeren in hun geheel (Hand. XVH : 26),
maar ook op de lotgevallen en de bestemming van ieder
raensch in bet bijzonder (Kom. VIII : 28, 30; Gal. I : 15;
Ef. I : 11; Openb. XIII : 8; XVII : 8). Hier nu, wie ziet
het niet? liggen vraagstukken, die zich invoegen deels in
hetgeen behoort tot de bijbelsche leer der verlossing, deels
in die van de orde des heils. Genoeg is het, hier als uit de
verte er op gewezen te hebben, en daarbij ten slotte dit
ééne te staven, dat het ook van de Voorzienigheid Gods
gelden moet: „tot Hem zijn alle dingen" (Rom. XI : 36),
zoodat met het einddoel van deze ook wederom samenvalt
het doel der verlossing door Christus, als zijnde (Ef. I: 14):
tot prijs van Gods heerlijkheid.
-ocr page 215-
Register van aangehaalde bijbelplaatsen.
(Niet alle, maar alleen die teksten zijn hier aangegeven, die
meer of minder zijn toegelicht.)
Genesis.                             Blz.
I: 1 . . 38, 39,168,171,174
.: 2.......177
„: 3 . . . 174, 178—180
„: 26.......39
„: 27 .,......160
,: 31.......181
II: 1.......167
„: 3 . . 132,143,171,176
„: 19.......22
III: 22 ..... . 39
IV: 26......57
XIV: 19, 20 ... . 46
XVII: 1......47
XXII: 14.....186
XXXIX: 23.....186
XLI: 26, 27 .... 127
Exodus
III: 13, 14 . 17,61, 64, 76
„: 15 . . . .59,62—64
„: 19......64
IV: 22......146
„ : 31......186
VI: 2 . . . . 47,57,59,116
„ : 6.......59
„: 19......60
XII: 12......125
Exodus.
XV: 11 .
XVIII: 11
XIX: 6 .
XX: 3 .
„ : 4 .
: 5, 6
, :7 .
XXI: 12, 13
XXIII: 21
XXXII: 4
. :8
„ : 12
XXXIII: 5, 6
„ : 11-15
• : 16
: 18—23
: 19
XXXIV: 6, 7
. : 14, 15
: 33, 34
Leviticus.
XVII: 7 . . .
XIX: 2 . . .
XXIV: 11, 16.
Numeri.
XI: 15 . . .
Blz.
125, 143
. 35
131, 132
123,124
85,124
96,104
54
200
26
85,126
35
126
169
77
78
84
60
97
104
75
. 127
136,138
26, 53
98
-ocr page 216-
206
1 Koningen.
Blz.
XVIII: 4, 13 . .
. . 184
2 Koningen.
I: 2, 3, 6, 16 . .
. . 35
. . 103
Job.
. . 11
XXII: 8 . . . .
. . 75
XXX:8. . . .
. . 11
Psalm.
VIII: 2 . . . .
. . 25
XIV: 1 . . . .
. . 9, 11
Numeri. \'                  Blz.
XIV : 33......    103
XVI: 22......      86
XXVII: 16.....      86
Deuteronomium.
IE: 20......      77
IV: 7.......    126
„ : 35......    125
. : 37......      78
VI: 4. . . .110—113,122
XII: 5, 11.....      26
XVIII: 5, 7.....      26
XXXII: 4.....       8
. •• 6.....    146
. = 17.....    127
, : 21.....    128
„ : 39.....      37
Jozua.
XXIV: 19.....    135
Richt eren.
XI: 24......      35
XIII: 17, 18 ....      64
Ruth.
II: 3.......    200
1  Samuel
III: 7.......      59
V: 7.......      35
VI: 9.......    199
XXV: 25.....      11
2  Samuel.
1:6.......    200
XVII: 11......      75
XX: 1......    200
1 Koningen.
XI: 5.......      35
XII: 16......    186
XVI: 13, 26 ... .    128
XVII: 4, 9 . . . . 184, 202
XVI: 5......    184
XX: 2......      26
XLI: 13......    184
LUI: 2......9, 11
LIV: 3......      27
LV: 23......    184
LXXVI1I: 35 ... .      46
Spreuken.
III: 11.....
XII: 1 .....
XVIII: 10 ... .
Prediker.
IX: 11.....199,200
Jesaia.
VI: 3.......    139
XIII: 21......    127
XXX: 27.....      27
XXXI: 3.....      85
XXXIV: 14.....    127
XL: 7......      11
„ : 28......    194
XLIII: 21.....    155
LXIII: 16.....    146
Jeremia.
II: 2.......      92
X: 10.......       8
-ocr page 217-
207
Jeremia                              Blz.
X: 16.......    167
XIV: 9......      27
XXXI: 34.....      15
Ezechiël.
XVI: 8......    103
Hosea.
II: 18, 19.....    103
XI: 4.......      92
XIII: 4......      65
Amos.
IV: 2.......    141
Micha.
VI: 9.......      25
Zefanja.
III: 17......      92
Boek der Wijsheid.
II: 23.......    155
VII: 22, 23.....    157
XII: 18......    198
XIV: 3......    185
„ : 27......      23
XVII: 2......    185
2  Maccabeën.
VII: 28......    172
XV: 2......    185
3  Maccabeën.
II: 21.......    185
VII: 17......    154
Mattheus.
V: 45.......    146
„ : 48......83,151
VII: 16......    117
X: 29—31.....    201
XVIII: 10.....      78
XXII: 29.....    191
XXVI: 64.....    191
XXVIII: 19 . . . 67, 72
Marcus.                              Blz.
X: 18.......149
XII: 29.....110,112
„ : 32......113
XIV: 62......191
Lucas.
I: 35.......    193
X: 31.......    201
XXII: 69.....    191
XXIV: 37, 39. . . .      81
Johannes.
1:1.......189
„: 3.......180
„: 13.......173
„: 18......67—71
IV: 24.....79, 84
V: 17.......194
„: 44.......109
XIV: 9......28
XVII: 3 . . . 8,15,30,110
„ : 6.....27, 73
» : 11......1*7
Handelingen.
I: 15.......75
XII: 22......30
XVII: 23 . . . 17,23,30
„ : 28.....188
„ : 29.....88
XXIV: 3......186
XXVIII: 6.....30
Romeinen.
I: 17.......103
„: 19......14, 16
„: 20.......190
III: 25, 26.....102
IV : 19—21.....49
X: 2.......103
XI: 36.....172,188
XIII: 14......186
-ocr page 218-
208
2 Timotheus.
III: 16 . .
1  Corinthe.                         Blz.
II: 11......17,  148
„: 13.......    115
III: 9.......    202
VIII: 4.....23,  127
X: 20, 21.....    127
XIII: 9, 10, 12 . . .      17
2  Corinthe.
I: 12.......    148
III: 13......      75
IV: 6.......      76
VI: 1.......    202
, : 18......      49
XI: 2.......    103
XII: 4.......      52
Efeze.
I: 11, 19......    196
II: 12.......      10
III: 19.....40, 83
IV : 6.......    189
V: 11, 13.....      13
VI: 12......    127
Blz.
13
Hebreen.
VI: 13......    141
VIII: 11......      15
XI: 1.......      13
» : 3.......    179
XII: 5......      13
Jacobus.
I: 19 .
IV: 4.
98
90
1   Petrus.
I: 2, 9
2  Petrus.
1:4..
155
83
1 Johannes.
1:5.
II: 20.
IV: 9 .
, : 8, 16,
V: 20.
17, 18
. 147
. 19
3,89—93
8
Philippensen.
II: 9—11. .
„ : 12, 13 .
Colossensen.
II: 9 . . .
66
203
Openb. v. Joh.
IV: 8 . . .
XV: 4. . .
139
139
190
-ocr page 219-
Bij den Uitgever dezes is mede verschenen :
PROLEGOMENA
VAX
BIJBELSCHE GODGELEERDHEID
DOOK
Dr. E. H. VAN LEEUWEN,
Hoogleeraar van ivege de Ned. Herv. Krik, aan de Universiteit te Utrecht.
Prijs f 1.5 O.