-ocr page 1-
-ocr page 2-
/Y)Y)T) H855
E. oct.
2704
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
*                 *v .*
; §*
• *
DE CHRISTUS DER EVANGELIËN.
•
*
* .
i
*
-ocr page 6-
*
i
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
A06000017863055B
1786 3055
-ocr page 7-
De Christus der Evangeliën.
Waarheid of verdichting?
VRIJ BEWERKT NAAR HET ENGELSCH
VAN
HORACE BUSHNELL
DOOR
Dr. H. M. VAN NES.
ROTTERDAM
J. M. BREDÉE.
1896.
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
-ocr page 8-
•
-ocr page 9-
«
EEN WOORD VOORAF.
Gij vraagt, mijn Lezer, wat dit boekje eigenlijk tvil?
Vergun mij het u te zeggen, langs een omweg.
Onderstel, dat iemand u vroeg om hem te bewijzen,
op deugdelijke gronden te beivijzen, dat de zon schijnt,
wat zoudt gij doen? Gij zoudt geen kaars aansteken
om bij haar licht hem het licht der zon te toonen,
maar gij zoudt hem eenvoudig in dat licht plaatsen.
Daar is maar één bewijs voor de zon, maar dat ééne
is afdoend; zij bezvijst zichzelf aan ieder, die haar
licht aanschouwt; alleen den blinde vermag zij niet
te overtuigen.
Niet anders is het met Hem, die de Zonne der ge-
rechtigheid genoemd wordt. „Ik ben het licht der
wereld," sprak Hij. Zoekt gij naar een bewijs? Hoor
dan Zijn woord: „Die Mij volgt, zal in de duisternis
niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben."
Ga in het licht staan van deze Zon, en gij zult niet
langer twijfelen, of zij scliijnt.
Tenzij gij blind zijt. Welnu, neem er de proef van.
En herinner u twee woorden, die Hij sprak. „Een
-ocr page 10-
VI
iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijne stem."
En „Zoo iemand wil deszelfs wil doen, nl. den wil
Desgenen, die Jezus gezonden heeft, die zal van deze
leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mij-
zelven spreek."
Daar is geen grootere macht, dan de macht der
evidentie, der klaarblijkelijkheid. Daarvoor zwichten
wij allen, zoowel op verstandelijk, als op zedelijk
gebied. Die evidentie te laten zien in het beeld van
den Christus, zooals ons dat in de vier Evangeliën
geteekend is, is het doel der volgende bladzijden. Er
staat niets nieuws in, maar het oude wordt er mede-
gedeeld in een misschien nieuwen vorm. Oorspronkelijk
slechts een enkel hoofdstuk vormend in een uitvoerig
werk van den onder ons te weinig bekenden Ameri-
kaanschen hoogleeraar Horace Bushnell, is liet later
afzonderlijk uitgegeven onder den titel „ The character
of Jesus," Het kwam mij voor, dat ik geen nutte-
loozen arbeid zou verrichten door dit boekje te be-
werken
— zvant met bloote vertaling kon ik niet
volstaan
— voor Hollandsche lezers, waarbij ik vooral
het oog had op het jonger geslacht. Wellicht vinden
zij hier een elders te vergeefs gezocht antwoord op
vragen, die leven in hun hart; in ieder geval wordt
hier een ernstig nadenken opgewekt over een onderwerp,
dat naar aller toestemming van het hoogste belang
moet worden geacht.
-ocr page 11-
VII
In een tijd, waarin zoo weinig wordt geloofd, zoo
veel wordt ontkend en betwijfeld, acht ik de in dit
boekje gevolgde methode in menig opzicht aanbevelcns-
waardig. Immers de Schrijver begint niet met de
vooropgezette stelling, dat het verhaal der Evangeliën
waar is, maar hij leidt die waarheid uit het verhaal
zelf af. Een waarheid, die met de kracht der evidentie
in het oog springt, die zich met noodzakelijkheid als
opdringt aan een iegelijk, die dit verhaal leest, die
de oogen opent om den in dit verhaal geteekenden
Christus te aanschouwen. Gij neemt het Nieuzue Tes-
tament op, zoo zegt hij, juist zooals gij een ander boek
der oudheid zoudt opnemen, of een Jiandschrift, dat
na eeuwen in een oude boekerij verscholen te zijn ge-
weest, zoo juist aan het daglicht is gebracht. Gij opent
het boek, en vindt er vier levensbeschrijvingen in, alle
handelend over een merkwaardige persoonlijkheid, die
Jezus Christus heet. Gij leest, dat hij ivonderbaar is
geboren uit Maria, een Galileesche maagd, en dat hij
zelf verklaart van God te zijn gekomen. Zijn geschie-
denis is vol van machtige daden, maar, daar gij niet
aan wonderen gelooft, zijt gij geneigd om het boek
weg te leggen als een samenraapsel van ongerijmd-
heden; toch doet gij het niet, want gij zijt getroffen
door iets gansch bijzonders, iets gansch buitengewoons
in deze persoonlijkheid. Gij blijft lezen, en kunt u
niet losmaken van dien eersten indruk; hoe meer gij
leest, hoe sterker die indruk wordt. Inderdaad, die
persoonlijkheid zelf wordt u het grootste wonder van
-ocr page 12-
VITI
het geheele verhaal; zij staat in het middelpunt en
verklaart alle wonderen, die vermeld zijn; gij voelt,
dat het cene bij het andere behoort, dat gij hier een
wonderschoone groepeering voor u hebt, waarvan alle
dcclen ten nauwste met elkander samenhangen. En ten
slotte
— gij valt neer en aanbidt.
Oj het bij ieder zoo gaan zalf
Het beeld, in de Evangelieverhalen geteckcnd, zal
niet doen, wat de levende Christus niet gedaan heeft.
De mensehen hebben Zijn licht gezien en zij hebben
het duisternis genoemd; zij hebben Hein aan het kruis
geslagen.
Daar is blindheid in ieder van ons. Maar de levende
Christus is er nog, en wij gelooven in den Heiligen
Geest, die de oogen der blinden opent.
H. M. VAN Nes.
-ocr page 13-
I.
Een volmaakte jeugd.
Het leven van den Christus, gelijk ons dit in de
Evangeliën geteekend is, vangt aan met een volmaakte
jeugd. Het zijn kinderjaren zonder vlek of rimpel; het
is als een bloem uit de hemelsche gaarde, in deze
wereld overgeplant. Deze meer dan menschelijke, deze
hemelsche jeugd, wordt ons bovendien duidelijk voor
oogen geschilderd met slechts een paar eenvoudige
trekken.
De boodschap des engels aan Maria omtrent „dat
Heilige, dat uit haar geboren zal worden" bereidt ons
voor op hetgeen geschieden zal en spant onze ver-
wachting hoog van een wezen, zoo vol geheimenis.
Als het kind is geboren en opgroeit, heeft ieder het
lief. Jezus neemt toe in wijsheid, en in grootte, en in
genade bij God en de menschen. Hemel en aarde zijn
vroolijk over zoo schoone bloem, met zoo liefelijken
glans. Ja, als wij lezen, dat het kindeken opwies en
gesterkt werd in den geest, en vervuld met wijsheid,
z
-ocr page 14-
2
en dat de genade Gods over hem was — die genade,
welke de waarachtige schoonheid geeft —, dan is het
ons, of wij een heilige bloem zich zien ontplooien, of
wij een heerlijken geur inademen, afkomstig uit een
hoogere wereld.
Op twaalfjarigen leeftijd wordt hij gevonden, in den
tempel, zittende in het midden der leeraren, hen hoorende
en hen ondervragende. Het wordt medegedeeld op de
eenvoudigste wijze; onze bewondering wordt niet in-
geroepen voor een kind, dat zoo vroeg reeds zoo wijs
is; het behoort bij dit kind. Daar is niets vrijpostigs,
niets verwaands in zijn manier van hooren en vragen,
zoodat de rabbijnen er aanstoot aan zouden hebben
genomen; zij ontzetten zich alleen over zijn verstand
en antwoorden, en staan verwonderd, dat een geest,
die zooveel kan bevatten, kan wonen in een knaap, zoo
jong en zoo eenvoudig. Zijn moeder vindt hem onder
de leeraren en begint hem daarover te onderhouden,
niet zonder verwijtend beklag. Zijn antwoord is zeer
vreemd en zij verstaat het niet, maar zij is er zeker
van, dat het een diepen zin heeft, in verband met
zijn wonderbare geboorte, en met dat vreemde, dat
bijzondere, dat altijd over hem geweest is. Te vergeefs
dan gissend naar de beteekenis van dit woord, gaat
zij huiswaarts, ook dit voorval met al het andere in
haar hart bewarend. Wonderbaar, heilig geheim! dat
deze moeder verbergt in haar hart; het geheim van
haar kind, van dat Heilige, hetwelk uit haar geboren
is en dat zij nu twaalf jaren lang heeft gadegeslagen;
-ocr page 15-
3
van den knaap, die thans begint te spreken over een
„moeten zijn in de dingen zijns Vaders," in duistere,
raadselachtige woorden, wier diepte zij niet vermag
te peilen.
En nu behoeft gij nog geen enkel woord uit heel
dit verhaal der jeugd voor waarheid aan te nemen.
Zeg, dat het geen feiten zijn, maar enkel verdichting,
doch zeg er bij, dat hier een teekening wordt gegeven
van een heilige, van een volmaakte kindsheid; niet van
een jeugd, eenvoudig, beminnelijk, oprecht, zuiver
menschelijk, gelijk de dichters gaarne schetsen, maar
van een heilige en hemelsche jeugd. En als zoodanig staat
deze teekening van Jezus\' kinderjaren geheel alleen.
Nooit heeft iemand een levensbeschrijving begonnen
door aan zijn held een in alle opzichten vlekkelooze,
heilige, jeugd te geven. Integendeel, overeenkomstig
. de ervaring, welke doorgaans gemaakt wordt, wordt
de jeugd van de groote karakters onder de menschen,
zoo zij ten minste beschreven wordt, gewoonlijk voor-
gesteld als meer of minder in strijd met hun rijperen
leeftijd, nooit als daarmede een weigesloten eenheid
vormend. Tenzij dan in gevallen eener voortreffelijkheid
van lageren rang, gelijk die bij zoogenaamde wonder-
kinderen wordt aanschouwd, die de eene of andere
vaardigheid reeds vroeg ontwikkelen, maar dit is heel
iets anders dan een groot karakter, dat zich toont in
een leven van edele daden of zedelijke uitnemendheid.
Bij deze laatsten wordt de betrekkelijke volmaaktheid,
welke bereikt is geworden, nimmer afgebeeld als de
-ocr page 16-
4
eenvoudige ontplooiing zonder meer van een heerlijken
bloemknop, reeds uitgebot in de jeugd, maar veeleer
wordt getoond, hoe het karakter is gevormd door een
langdurig proces van loutering, waarin menige dwaas-
heid moest worden geboet en velerlei stoornis uit den
weg moest worden geruimd, waarin het zelfvertrouwen
vaak werd beteugeld, de hartstocht gematigd, de
onstuimigheid bedwongen. Ja, in den regel schept men
er een zeker behagen in om het aan te toonen, hoe de
velerlei nukken en eigenzinnigheden van het kind door
de tucht van het leven langzamerhand zijn veranderd
in de wijsheid en rechtvaardigheid, de kracht en de
heldhaftigheid, die in den man zoozeer worden be-
wonderd.
Bovendien, indien eenig auteur het zou willen onder-
nemen om een jeugd te beschrijven, niet alleen vlek-
keloos, maar ook bovenmenschelijk of hemelsch, zonder
haar in werkelijkheid voor zich te hebben, hij zou
zelf meer dan een mensch moeten zijn om niet te
vervallen tot een opeenstapeling van allerlei onhandige
overdrijvingen, waarin hemel noch aarde eenige waar-
schijnlijkheid kunnen ontdekken.
Een zeer bruikbaren maatstaf geeft ons trouwens
de tijd der Evangelieverhalen zelf in de hand, want
wij kunnen nagaan, hoever de rabbijnen en geleerden
dezer eeuw het konden brengen in de beschrijving van
een merkwaardige jeugd. Zoo vertelt ons Josephus,
hoe het kind Mozes, toen Egypte\'s koning hem uit
de armen zijner dochter nam en schertsend hem den
-ocr page 17-
5
diadeem op het hoofd zette, dit koninklijk sieraad
gemelijk op den grond wierp en het daarna vertrapte.
Dezelfde schrijver verhaalt, dat Mozes, drie jaar oud
geworden zijnde, zoo groot was en zulk een wonder-
baar schoon gelaat had, dat de menschen gedwongen
werden op den weg stil te staan, als hij werd voorbij-
gedragen, en het niet laten konden hem na te staren,
tot hij uit hun gezicht was. Ja, wij kunnen blijven bij
de jeugd van Jezus zelf, zooals deze wordt beschreven
in de apocriefe evangelieën. Immers deze zijn opgesteld
in ongeveer denzelfden tijd als de kanonieke, zoodat wij
daaruit kunnen leeren, welke soort van jeugd deze
eeuw bij machte was te verdichten, welke trekken de
menschen toen zelf uitvonden ter verfraaiing en op-
smukking van het beeld, dat zij wenschten voor te
stellen. Terwijl onze Evangeliën het duidelijk doen uit-
komen, dat Jezus geen wonderen deed, vóór hij in het
openbaar optrad, en het beginsel der teekenen, waarin
hij zijne heerlijkheid openbaarde, aanschouwd werd op
de bruiloft te Kana, spannen zich deze apocriefe schrijvers
in om hem een waar wonderkind te maken. Onder
die wonderen zijn er met dichterlijke waarde, zooals
wordt verhaald, hoe op de vlucht naar Egypte alle
afgodsbeelden nederstorten, waar het kind voorbijkomt,
en leeuwen en luipaarden rondom hem zich scharen
zonder eenig kwaad te doen, maar de meeste zijn
eenvoudig tooverstukjes, lang niet altijd van onschul-
digen of verheffenden aard, en die slechts daarin be-
teekenis hebben, dat zij ons duidelijk laten zien, hoe
-ocr page 18-
6
groote afstand is tusschen onze en deze Evangeliën.
In deze wondervolle jeugd zijn heiligheid en onschuld
volkomen teloor gegaan; in die andere, die wij allen
kennen, is geen enkel wonder, maar zij is er zelf een,
een heilige bloem, geplukt in de hemelsche lustwarande!
*
-ocr page 19-
II.
Blijvende onschuld.
Overgaande van het kind tot den volwassen man,
treft het ons, dat de onschuld van het kind bij den
man gebleven is. Dit onderscheidt dit karakter van
alle andere, die wij kennen; wij vinden niemand,
dien wij in dit opzicht naast hem kunnen stellen.
Daarmede bedoelen wij nog volstrekt niet, dat hij
zonder zonde is; gij hebt alleen nog maar toe te
stemmen, dat hij, voorzoover menschenoog hem zien
kan, een volmaakt onschuldig wezen is, door geen
enkelen verwoestenden hartstocht gedreven, minzaam
voor wie onder hem staan, niemand nadeel toebrengend,
niemand kwaad doend. Het beeld van een Lam zou
nimmer gebruikt kunnen worden voor eenig menschelijk
karakter zonder dat er onmiddellijk bij werd gedacht
aan een zwakheid, een onnoozelheid, die allen eerbied
onmogelijk maakt; op hem kan het worden toegepast
zonder deze gedachte op te wekken. Ja, deze verbin-
ding van onschuld en zwakheid heeft zoo groote
-ocr page 20-
8
macht over ons, dat het in geen schrijver ooit zou
opkomen om een groot karakter te schetsen op den
grondslag der onschuld, daar hij dit als een onmoge-
lijkheid zou beschouwen. Een kind willen wij gaarne
onschuldig noemen, maar een man, die volmaakt
onschuldig zou zijn en de argeloosheid van het kind
zou hebben behouden, een man, die zelfs niet één
oogenblik kwaad doet, dien rekenen wij verstoken van
geest en van mannelijke kracht, dien noemen wij
onnoozel. Welnu, het in ons oog onmogelijke, is door
Christus volbracht. Ofschoon verschenen in al de
grootheid en majesteit van een bovenmenschelijke
mannelijkheid, is het hem toch mogelijk den indruk
der onschuld met dien der verhevenheid te vereenigen,
zonder dat deze laatste er eenige schade door lijdt.
Inderdaad is dit juist het onderscheidend kenmerk
zijner persoonlijkheid, dat zij de natuurlijke ontplooiing
schijnt te zijn van een goddelijke onschuld; een reine
hemelsche kindsheid, in het opwassen rein en hemelsch
gebleven.
Wij gevoelen de macht, welke uitgaat van deze
buitengewone verbinding, maar het kost ons vaak groote
moeite om er aan vast te houden, zoodat wij soms
bezwijken voor de verzoeking om af te dalen tot het
gewone menschelijk peil en het karakter des Heeren
tot onze eigen laagte neder te trekken. Zoo lezen wij
bijv. zijne schrikkelijke aanklachten tegen de Farizeeën,
en wij ontroeren van den klank, dien zij hebben op
onze sterfelijke lippen; wij ergeren ons misschien aan
-ocr page 21-
9
hare heftigheid, en bemerken het onderwijl niet, dat
de ergernis is in ons en niet in hem. Wij zouden ons
niet stooten, zoo wij begrepen, dat deze woorden van
smartelijke verontwaardiging als afgeperst worden aan
den geprangden boezem der onschuld, want niets is
zoo bitter als de ergernis door de onschuld gevoeld,
waar zij beleedigd wordt door huichelarij en wreede
onbarmhartigheid. Evenzoo loopen wij gevaar bij de
uitdrijving der geldwisselaren uit den tempel juist
datgene te vergeten, wat den Heiland de beschuldiging
van heftigheid en hartstocht doet ontkomen. En toch,
dit is juist de beteekenis van dit verhaal, niet, dat hij
zooveel menschen als door geweld kan uitdrijven, maar
dat zoovelen vlieden voor de zedelijke kracht van
Eenen, een geheimzinnige persoonlijkheid, in wier gelaat
de blos van verontwaardigde onschuld teeken is van
een gevoel, dat zij niet kunnen begrijpen, maar nog
minder kunnen weerstaan.
Wij, die niet gewoon zijn aan dergelijke kracht en
beslistheid in zachtzinnige menschen, die wij veeleer
eenigszins verachtelijk aanzien als domme onnoozelen
zonder kracht, zien licht in die verontwaardiging van
Jezus een zekere kwaadaardigheid, terwijl wij moesten
begrijpen, dat de Heer hier juist zijn goddelijkheid
openbaart, gelijk God zelf Zijne goedertierenheid soms
kleedt in het gewaad van den storm en het onweder.
Christus is beslist, groot en sterk in zijn optreden, en
zijn verhevenheid komt des te meer hierdoor uit, dat
hij bekleed is met het liefelijk, maar menschelijk zwak
-ocr page 22-
IO
gewaad der onschuld. Dat dit de ware opvatting is,
blijkt ook uit het feit, dat niemand aan hem denkt
als zwak, en dat toch ook niemand zijn leven kan leeren
kennen zonder dien indruk van onschuld te ontvangen.
Als zijne vijanden worden opgeroepen om te zeggen,
wat kwaads hij heeft gedaan, kunnen zij niets opnoemen,
niets anders, dan dat hij hunne huichelachtige vroom-
heid geërgerd heeft. Zelfs Pilatus op het oogenblik,
dat hij hem in hunne handen overgeeft, moet be-
kennen, dat hij geen schuld in dezen mensch vindt,
en wascht zijne handen om rein te zijn van het on-
schuldig bloed. Zoo sterft hij, „heilig, onnoozel, onbe-
smet," gelijk de schrijver van den brief aan de Hebreen
het uitdrukt. En als hij hangt aan het kruis, een bloem,
van haar stengel gerukt, als hij het hoofd nederbuigt
in den dood, en de zon wordt verduisterd, en de aarde
beeft van pijn, wat is deze rouw van het heelal anders
dan een eere, bewezen aan de droevige majesteit van
zijn goddelijke onschuld?
-ocr page 23-
III.
Vroomheid zonder berouw.
Wij kunnen thans overgaan tot het godsdienstig
leven des Heeren, hetwelk zich daardoor, naar wij
zullen zien, onderscheidt, dat het juist van het tegen-
overgestelde punt uitgaat als het godsdienstig leven
der menschen. Immers menschelijke vroomheid begint
met berouw; schuldgevoel bekleedt er altijd een aan-
zienlijke plaats in. Het is de poging van een wezen,
verstrikt in het kwade en ineenkrimpend onder de
knagende pijn der schuld, om tot God te komen.
Kortom, onze godsdienst is de godsdienst van zondaren.
Zelfs de meest rechtvaardige, ja ook de eigengerechtige,
gebruikt telkens uitdrukkingen vol leedgevoel en be-
looft telkens nieuwe gehoorzaamheid in plaats van de
ongehoorzaamheid, waaraan hij zich schuldig maakte.
Maar Christus belijdt nimmer zonde. Hij heeft nooit
berouw over iets, wat hij gedaan heeft of geweest is;
daar is bij hem geen wroeging, geen gevoel van
onwaardigheid. Integendeel, hij daagt stoutmoedig zijne
-ocr page 24-
12
aanklagers uit om hem te overtuigen van zonde, en
tegen het eind zijns levens spreekt hij het plechtiglijk
uit tegenover God, dat hij den menschen de heerlijk-
heid gegeven had, die God hem had gegeven.
Het is nu de vraag nog niet, of Christus inderdaad
dat zondelooze wezen was, gelijk het wordt ondersteld
in deze eigenaardige vroomheid, waarmede hij in de
Evangeliën wordt geteekend. Wij hebben nu nog
maar alleen op dezen eigenaardigen trek te letten, en
het op te merken, dat daardoor zijne vroomheid zich
werkelijk onderscheidt van alle andere vroomheid.
Voorzeker, geen enkel bloot menschelijk schepsel zou
zich aldus kunnen voordoen, zonder in korten tijd ge-
breken te laten zien, die hem aan bespotting zouden
blootstellen, of zich schuldig te maken aan buitensporig-
heden en vergrijpen, die zelfs zijne vrienden zouden
doen walgen. Vroomheid zonder éen zweem van berouw,
zonder éen oprechte bekentenis van schuld, éen enkelen
traan, éen blik der droefheid, éen bede tot den Hemel
om vergiffenis — laat eenig mensch, wie dan ook,
het beproeven om deze vroomheid te hebben, laat hij
zien, hoe lang het duurt, vóór zijn rechtvaardigheid
zal blijken de meest onbeschaamde inbeelding te zijn
geweest! hoe lang het duurt, vóór zijne hartstochten,
door geen droefheid gebreideld, zijn trots, door geen
berouw ten onder gehouden, hem brengen tot d\\vaas-
heden, die zijne houding belachelijk maken! Zoodra
iemand begint met in eigen oog zonder zonde te zijn,
valt hij in zonden, die hem zijn waan ontnemen.
-ocr page 25-
13
Alleen Jezus maakt een uitzondering; deze begint zonder
boete en zonder berouw, en zoo blijft het ten einde
toe, zonder dat een enkele vlek op zijn leven kleeft.
Een van twee moet thans door ons gekozen worden.
Hij was zonder zonde, of hij was het niet. Zoo hij
zonder zonde was, dan is er geen grooter, geen tast-
baarder uitzondering op de wet der menschelijke ont-
wikkeling, dan dat een volmaakt en vlekkeloos wezen
eens in het vleesch geleefd heeft. En zoo niet, gelijk
het moet aangenomen worden door degenen, die alles
loochenen wat de menschelijke ontwikkeling te boven
gaat, welnu, dan hebben wij een mensch voor ons,
die een vroomheid toont zonder berouw, een vroomheid,
niet van de aarde, maar van den hemel, een vroom-
heid, hem nimmer geleerd in zijn kindsheid en onder
menschen nooit aanschouwd. Een vroomheid bovendien,
die volstrekt niet past bij zijn werkelijk karakter van
zondaar, en die hij vasthoudt, ofschoon het een ver-
zinsel is van onuitstaanbare aanmatiging, tot aan het
eind zijns levens, en dat op zulk een wijze, met zulk
een onwankelbare gratie en schoonheid, dat het geheele
menschelijk geslacht hem hulde brengt. Zou deze
afwijking van de gewone menschelijke ontwikkeling
nog haast niet grooter zijn dan de vorige?
-ocr page 26-
IV.
Een merkwaardig evenwicht.
Een van de eigenaardigheden, welke wij in het
beeld van Jezus, zooals het ons door de Evangelisten
geteekend is, opmerken, is deze, dat hij in staat was
om verschillende karaktertrekken in zich volkomen te
vereenigen, die anderen onvereenigbaar toeschijnen.
Daar wordt nooit van hem gezegd, dat hij heeft
gelachen, en toch maakt hij nimmer den indruk van
gemelijke strengheid of droevige somberheid; hij schijnt
nooit ongelukkig te zijn. Integendeel, hij wordt voor-
gesteld als een, die altijd vervuld is met een heilige
vreugde, die zich verheugt in den geest, en die aan
zijne discipelen in de ure des afscheids die vreugde
vermaakt als een kostelijk erfdeel: „opdat zij mijne
blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven." Wij
zouden niet lang een menschelijk wezen kunnen ver-
dragen, wiens gelaat zich nimmer plooide tot een lach,
of wiens ernst nimmer werd ontspannen door geestige
scherts. Wij zouden geen sympathie kunnen hebben
-ocr page 27-
15
voor iemand, die blijkbaar geen menschelijk hart in
zich omdroeg; ja, wij zouden zulk een niet eens kunnen
vertrouwen. En toch leven en gevoelen wij mede met
Christus, want ergens in hem is een oceaan van diepe
vreugde, en wij gevoelen hier, dat het juist zijne groote
liefde voor ons is, die maakt, dat zijn leven voor niets
plaats heeft dan voor die liefde. Zijn leven is een
leven van gemis en ontbering; niet alleen, dat hij geen
machtige vrienden heeft, maar hij heeft zelfs geen
plaats om het hoofd ter neer te leggen. Geen mensche-
lijk wezen zou zich aan ons in zulke omstandigheden
kunnen vertoonen, of wij zouden geheel vervuld zijn
met het gevoel van zijn treurigen toestand, en wij
zouden tot hem nederdalen in de diepte zijner treurig-
heid, met hartelijk medelijden. Maar wij hebben nooit
medelijden met Christus, wij denken nooit aan hem
als aan een, die vruchteloos worstelt om allerlei hinder-
nissen te boven te komen. Inderdaad veroorlooft hij het
ons niet om veel aan zijn gemis te denken. Veeleer
stellen wij ons hem voor als een wezen, dat over
machtige hulpmiddelen heeft te beschikken, en juist
door het gewaad zijner ontbering des te duidelijker
zijn verhevenheid toont. De wereld heeft in het geheel
geen vat op hem; hij verlangt hoegenaamd niet naar
iets, hetgeen de aarde geven kan; hij is te groot, hij
staat te hoog om te worden gevangen in de strikken
der begeerte, en hij is ongevoelig voor hare bekoring.
Toch is er in hem geen spoor van tegenzin of afkeer
of walging; daar is niets van den kluizenaar of van
-ocr page 28-
ï6
den menschenhater in hem; hij omringt zich niet met
een ondoordringbaar harnas om de wereld van zich af
te houden. Neen, hoe nauwer hij zich verbonden voelt
met een andere wereld, des te wijder is zijn hart ge-
opend voor al wat menschelijk is op deze aarde. Het
kleine kind is hem een beeld van blijdschap, en zijn
hart gaat er naar uit om het te omhelzen. De bruiloft
en het feestmaal en de begrafenis doen alle een snaar
van sympathie trillen in zijn binnenste. Op de bruiloft
brengt hij vreugde, op het feest onderwijzing, op de
begrafenis tranen; maar geen gierigaard werd ooit sterker
aangetrokken tot zijne schatten, dan de Heiland tot
werelden boven deze wereld.
De menschen beproeven geestelijk te zijn en zij
worden asceten. Zij trachten niet te streng te denken
over de genoegens en geriefelijkheden der samenleving,
en weldra zijn zij in de wereld begraven en worden
slaven van hare gewoonten. Zij zien nauwlettend toe
om elke bijzondere zonde verre te houden, en hun
leven wordt wettisch, zonder vrijheid. Zij worden be-
koord door de edele, hemelsche vrijheid en zij ver-
waarloozen zich zelf en vergeten alle verantwoordelijk-
heid. De ernstige wordt somber en heftig; de vurige
van geest een dweepzieke drijver; de zachte natuur gaat
weifelen, de harde drijft door. De arme menschelijke
zwakheid heeft geen vastheid, geen gestadigheid in
zich zelf, maar slaat dadelijk tot uitersten door, zoo-
dat het evenwicht onmiddellijk verbroken wordt.
Zelfs in theorie is het een zeer moeielijke taak
-ocr page 29-
17
om een karakter te teekenen, waarin alles in even-
wicht verkeert, en elke uiting tot de rechte evenredig-
heid is teruggeleid ; voortgezette studie en voortgezette
ervaring dwingt telkens tot wijziging. Vergelijk daar-
mede nu het karakter van Christus in de practijk;
nimmer wordt er gewijzigd; geen enkele lijn behoeft
er overgetrokken te worden. Van den beginne tot het
einde vormt het een welgesloten geheel. Geen ver-
betering wordt aangebracht; geen overdrijving wordt
besnoeid; van geen buitensporigheid behoeft terugge-
keerd te worden. Het evenwicht van zijn karakter
wordt nimmer verstoord en de deugdelijkheid van den
grondslag wordt geen oogenblik betwijfeld.
-ocr page 30-
V.
Hoogmoed of recht?
In nog een ander opzicht is Jezus geheel anders dan
de menschen; namelijk in de buitengewone aanspraken,
die hij laat gelden ten opzichte van zijn persoon, welke
inderdaad ongehoord mogen heeten en hem nochtans
bijblijven tot op het laatste oogenblik toe. Misschien
zijn dergelijke aanspraken wel eens gemaakt door
waanzinnigen, maar nimmer door een mensch, die wel
bij zijn verstand was. In ieder geval is het zeker, dat
geen sterveling zich aldus boven het geheele menschelijk
geslacht zou kunnen stellen, en zooveel nadruk zou
kunnen leggen op zijn verwantschap en eenheid met
God, zonder op de noodlottigste wijze het vertrouwen
der gansche wereld te schokken door zijn onbeschaamde
verwatenheid. Stel u voor, dat een mensch tot de
wereld zegt woorden, gelijk deze:
Ik ben van God uitgegaan, en kom van Hem.
Gijlieden zijt van beneden, ik ben van boven.
Ziet, meer dan Salomo is hier!
-ocr page 31-
19
Ik ben het licht der wereld.
Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Niemand
komt tot den Vader dan door mij.
Ik, zoo wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn,
zal hen allen tot mij trekken.
Wie durft er te betuigen tegenover de oneindige Majesteit:
Ik heb U verheerlijkt op de aarde.
Wie durft te spreken tot het gansche menschelijk
geslacht:
Komt herwaarts tot mij. Volgt mij.
Wie durft de hand te leggen op de innigste en
dierbaarste banden des levens en voor zich zelf de
voorkeur te eischen:
Die vader of moeder liefheeft boven mij, is mijns
niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven
mij, is mijns niet waardig.
Is er ooit een voorbeeld geweest van zoo ongerijmde
vermetelheid, van zoo onbeschaamden hoogheidswaan ?
Welk mensch durfde ooit zulke aanspraken op de
wereld laten gelden? Alsof er geen licht was dan in
hem; alsof hem te volgen en zijner waardig te zijn het
hoogste doel moest zijn van het menschelijk geslacht!
Zulk een vermetelheid heeft niets anders te wachten
dan spot en walging, die zij schijnt uit te dagen.
Maar — en dit is het merkwaardige — niemand neemt
in dit opzicht aanstoot aan Jezus, en onder alle lezers
der Evangeliën is het misschien nog niet één op de
honderdduizend, die zijn hoogmoed berispt of zich ergert
aan de buitengewone ijdelheid zijner aanspraken.
-ocr page 32-
20
Daar is niet de minste reden om de overlevering op
dit punt onbetrouwbaar te achten. Deze woorden zijn
niet verdwaald in het weefsel van zijn leven, zoodat
gij ze zoudt kunnen uitlaten; integendeel zij vormen
er den eigenlijken inhoud aan, en gij houdt niets over,
zoo gij dit verwerpt. Ja, het geheele leven van den
Christus wordt gedragen door een stilzwijgende onder-
stelling, die nog veel hooger reikt dan al deze aan-
spraken. Hij zegt: Ik en de Vader, die mij gezonden
heeft. Wat indruk zou het maken, indien een mensch
sprak: Ik en de Vader? Hij gaat nog verder, en zonder
eenige gedachte van overdrijving of waan, veeleer
gansch natuurlijk maakt hij een meervoud van zichzelf
en de oneindige Majesteit, door te spreken: Zoo
iemand mij liefheeft, die zal mijn woord bewaren;
en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot
hem komen, en zullen woning bij hem maken. Stel u
voor, dat eenig menschenkind, hoe groot en heilig ook,
een profeet, een apostel, zulk een „wij" gebruikte van
zichzelf en den Almachtigen God! Hoe wil hij, dat
wij over hem zullen denken, als hij het noodig oordeelt
om ons aldus in te lichten: Mijn Vader is meer dan
ik ? Aanschouw hem, neerziend op de schuldige stad en
in weenend klagen met de smart der liefde het uit-
roepende: Jeruzalem, Jeruzalem! hoe menigmaal heb
ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs
een hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen;
en gijlieden hebt niet gewild. Wie zal zoo weenen
over onze groote steden? Of ten laatste, hoort hem
-ocr page 33-
21
aan het avondmaal een herinnering aan zichzelf instellen,
een herinnering voor den verachte, den verworpene:
Dit is mijn lichaam; doet dat tot mijne gedachtenis.
Welnu, achttien eeuwen lang zijn deze buitengewone
aanspraken en eischen gepredikt aan een wereld, die
altijd bereid is om de hand te leggen op de inbeelding
en de aangematigde hoogheid te vernederen, en al
dien tijd hebben groote scharen, van geleerden en
aanzienlijken zoowel als van onwetenden en geringen,
hulde gebracht aan dezen Jezus, nooit overeenstemming
missend tusschen zijne aanspraken en zijne verdiensten,
nooit aanstoot nemend aan zijne woorden, hem nimmer
beschuldigend van buitensporigheid.
Is er nog ander bewijs noodig, dat hij recht heeft
op zulke aanspraken; dat zij schitterend door hem
gehandhaafd worden?
Wel verre, dat men hem onbescheidenheid zou ten
laste leggen, is met hem de indruk verbonden van een
buitengewone nederigheid, van een, die zachtmoedig
is en nederig van hart. En niettegenstaande dezen
indruk is zijn beteekenis zoo groot, zijn gezag zoo
hoog, zijn geest zoo hemelsch, dat wij er niet aan
denken om ons te ergeren aan zijne uitspraken, maar
veeleer hem beschouwen als een, in wien het een
nederbuigende goedheid is om met ons te ademen in
denzelfden dampkring. En dit geldt niet alleen van zijne
vrienden, zijne volgelingen; het geldt evenzeer van de
ongeloovigen. Wie dacht er aan hem te beschuldigen
van hoogheidswaan en ijdele inbeelding; hem aan te
-ocr page 34-
22
vallen op dit punt van zijn karakter, dat öf het zwakste
en ongerijmdste, of wel het sterkste en heiligste is?
Dat zij dan komen, al degenen, die in hunne wijs-
heid niets willen hooren van een Jezus, die meer is
dan mensch ; dat zij het ons verklaren, hoe het mogelijk
is, dat hij met zulke aanspraken optreedt, waar niets
anders in hem gevonden wordt dan de natuurlijke
ontwikkeling der menschheid! Laat de beste en wijste
onder de menschcnkinderen, de diepzinnigste wijsgeer,
de volmaakste heilige, laat hij optreden onder de
menschen en het uitspreken: Volgt mij, Weest mijns
waardig, Ik ben het licht der wereld, Gijlieden zijt
van beneden, ik ben van boven, Ziet, meer dan Salomo
is hier: ach, hoe spoedig zal zijn glans tanen voor
den onderzoekenden blik der wereld, hoc spoedig zal
hij verachting inoogsten insteê van lof!
Is er iemand, die de proef aandurft? \'t Is immers
mensch tegen mensch!
Neen, de proef zal u leeren, dat het anders is; lecrcn,
dat gij een mensch zijt, en dat Jezus Christus.....
meer is.
-ocr page 35-
VI.
In het lijden.
Wij hebben gesproken over het optreden des Heeren
tegenover de wereld, over de eischen, die hij stelt en
de aanspraken, die hij laat gelden, en wij zagen, dat
hij in dit opzicht geheel alleen staat en het zelfs in
niemand op zal komen om zich naast hem te stellen.
Maar niet minder zoekt gij te vergeefs zijn wedergade,
als gij hem aanschouwt in zijn lijdzaamheid, zijn onder-
worpenheid, zijn ondergaan van het geweld, waarmede
de wereld tegen hem optreedt. Alleen zij, die door het
Christendom zelf gevormd zijn, toonen iets van die
lijdzaamheid ook in hun eigen leven; maar buiten het
Christendom om is niemand op de gedachte gekomen
haar te beschouwen als een deugd. Voorzeker, de
dood van Socrates wordt dikwijls gesteld naast het
sterven van Christus, en men wijst ons op de onder-
worpenheid, die in den grooten wijsgeer zoozeer be-
wonderd wordt. Maar bij alle waardeering mogen wij
toch het onderscheid niet uit het oog verliezen; wie
-ocr page 36-
24
zegt ons, dat hij tot deze lijdzaamheid gekomen was,
vóór dat zijn rechtsgeding werd gevoerd? En boven-
dien, zijn onderwerping aan het oordeel des volks is
toch eigenlijk slechts een weigering om heimelijk uit
de gevangenis te ontsnappen; hij wil niet, omdat
hij het den plicht acht van ieder goed burger om
gehoorzaam te zijn aan de wetten, maar ook, omdat
zijn trots het hem verbiedt, dat een ernstig wijsgeer
steelsgewijze zich zou onttrekken aan de wet en de
rechtbank van zijn land. Evenmin vinden wij de lijd-
zaamheid van Christus bij de Stoïcijnen, al namen zij
het op onder hunne groote levensbeginselen, dat de ware
levenswijsheid bestaat in een passieve kracht, de kracht
om op de rechte wijze het lijden te dragen. Immers
hun lijdzaamheid is niets anders dan onaandoenlijkheid;
het is een verharden van den geest tegen alle indruk-
ken van buiten, een afstooten van alle verdrietelijk-
heden des levens, zoodat zij geenerlei invloed op den
zielstoestand uitoefenen. Dit is echter juist het om-
gekeerde van wat in Christus gezien wordt; wel verre
immers dat het lijden als een deugd wordt beschouwd,
doet men een poging om alle lijden zoo ver mogelijk van
zich af te houden. Hetzelfde beginsel wordt in den
regel aangetroffen bij hen, die groot worden genoemd
onder de menschen. Zoo zijn de heroïsche karakters,
die moedig het hoofd bieden aan het kwaad en het
onrecht trotseeren; waar hun tegenstand vruchteloos
blijkt, ondergaan zij hun lot zonder te buigen, in een
uitdagende houding. Het is dan ook inderdaad een
-ocr page 37-
algemeen verbreide meening, dat geduld en lijdzaam-
heid en bereidheid om zonder tegenstand te bieden
het onrecht te ondergaan eigenlijk niets anders is dan
een soort van zwakheid.
En toch heeft Christus deze geduldige lijdzaamheid
weten te verbinden met waarachtige grootheid en
majesteit; ja, wat meer is, hij heeft er ons van over-
tuigd, dat er zonder die lijdzaamheid geen waarachtig
groot karakter kan bestaan.
Laten wij hem dan eerst beschouwen in de gewone,
alledaagsche, beproevingen van het bestaan. Want dit
is toch de zwaarste proef, waarop gij iemand kunt
stellen, dat gij nagaat, of hij zonder te wankelen de
kleine verdrietelijkheden, de alledaagsche belemmeringen
van het leven kan verdragen. Menigeen ging met op-
gerichten hoofde en kalmen geest den marteldood te
gemoet, terwijl een kleinigheid, lichamelijke vermoeid-
heid of zenuwachtige uitputting, een dom vooroordeel
of een beginsellooze tegenstand, bij machte was geweest
om hem zijn bedaardheid te ontrooven, en in hevige
drift te doen ontsteken. Een groot beginsel wordt
geholpen door een grootc gelegenheid; een verheven
oogenblik ondersteunt den geest om zich te ver-
heffen, zelfs boven zich zelf. Maar die kleine be-
proevingen, die eiken dag voorkomen, en die in het
geheel geen gelegenheid geven om zijn kracht te laten
zien, deze zijn het, die den geest in staat stellen om
zich te vertoonen zoo goed en zoo schoon, als hij is
in zichzelf. En dit is nu juist de meer dan mensche-
-ocr page 38-
26
lijke heerlijkheid van Christus, dat hij even volmaakt,
even groot is in de lichte als in de zware beproevingen.
Zoek vrij zijn gansche leven door, en nergens vindt
gij een enkel oogenblik, waarin hij aarzelt en weifelt
of uitglijdt op zijn pad. En dit verdient te meer onze
opmerkzaamheid, omdat hij zulk een groot werk voor
oogen heeft en met zoo groote geestdrift daaraan
arbeidt, het zijn spijze en zijn drank noemend, en alle
kracht zijns levens er voor inspannend. Een mensch,
die een groot plan heeft, wordt door zijn geestdrift
licht ongeduldig. Zonder behoorlijke reden gehinderd,
gedwarsboomd, wordt hij toornig tegen de hinderpalen,
die hij ontmoet; verdrietig bij elke teleurstelling, breekt
hij uit in onstuimige drift tegen alles, wat hem in den
weg treedt. Maar Christus is altijd dezelfde, altijd even
kalm en geduldig, bij alle kleine beproevingen en
kwellingen, juist alsof hij niets anders te doen had dan
deze af te wachten. Het gewaad van het heilig ge-
duld bekleedt hem steeds. Gelijk de hemel helder blijft
boven de wolken, zoo blijft het helder in des Heeren
ziel, en laat hij de wolken onder zich wegdrijven,
zonder dat zij ooit de zon in zijn hart verduisteren.
Hij moge arm zijn en honger lijden, vermoeid zijnen
weg voortzetten, terwijl zijne vijanden hem verachten
en beleedigen, terwijl zijne vrienden hem verlaten, hij
laat er zich nimmer door ontmoedigen, hij wordt er
niet boos om, en Iaat er zich het pad niet door bijster
maken.
En toch is hij zeer zeker geen Stoïcijn; zijne ge-
-ocr page 39-
27
voelige en teedere natuur is ontvankelijk voor elke
smart, maar daar is iets anders in hem, een licht, dat
schijnt op elke schaduw en haar verjaagt, zonder
dat hij daartoe eenige moeite behoeft te doen. Hij
draagt het lijden, zonder zich geweld aan te doen; gij
kunt niet zeggen, dat hij zijn drift bedwingt, maar
gij moet zeggen dat hij geen drift heeft. Drift toch,
in den zin van hartstochtelijkheid, is een furie, die
volgt op den wil, gelijk de bliksemschichten volgen
op de krachtige windstooten in de wolken; waar de
wil niet bestaat om die wolken door het luchtruim te
drijven, bewaren ook die bliksemschichten hun even-
wicht en zijn ze, als niet zijnde.
Zoo staat ook de in engeren zin aldus genoemde
lijdensgeschiedenis des Heeren geheel op zichzelf, en
kan geen martelaarschap naast het zijne worden ge-
steld. Zijn eigenlijke doodsstrijd, als zijn lijden het
bitterst en\' zwaarst is, staat dan ook, uit enkel men-
schelijk oogpunt bezien, volstrekt niet op zijn plaats.
Deze komt immers vóór den tijd, wanneer de gevangen-
neming nog niet heeft plaats gehad en niemand kan ver-
moeden, dat zij plaats zal hebben. Jezus kan nog gaan,
waarheen hij wil; is volkomen veilig. Juist te voren heeft
hij zijne discipelen rondom zich vercenigd in huise-
lijke teederheid en liefde. Kort geleden kwam hij in
de stad aan het hoofd eener groote schare, die hem
luide toejuichte, en hem huldigde met koninklijk eer-
bewijs. En toch zien wij hem thans, zonder eenig kwaad
voorteeken, in de allerdiepste droefheid, worstelend in
-ocr page 40-
28
een strijd des doods. Uit dien kamp te voorschijn
tredend als een overwinnaar, wordt hij gevangen gc-
nomen, veroordeeld en gekruisigd; dit alles draagt hij
in kalmte zonder zich te verdedigen of zijn onschuld
te betuigen. Als hij sterft, dan is het geen gewone
martelaarsdood. De martelaars sterven om wat zij
hebben gezegd; zij zwijgen, omdat zij niet willen her-
roepen. Jezus sterft om wat hij niet heeft gezegd, en
zwijgt toch.
Indien wij alles natuurlijk willen verklaren, weten
wij geen weg met dien te vroeg gekomen doodsstrijd
en met dat vreemde zwijgen, als de ure des doods
inderdaad is gekomen. Maar hij behoefde niet te wach-
ten, zooals een gewoon menschenkind, tot hij was
gevangen genomen en de dood zijn hand op hem
legde, om zich te toonen als Overwinnaar; van te voren
kon hij alles doorleven. Terwijl alles nog veilig is en
geen vijand zich vertoont, valt een hevige benauwdheid
over hem en wordt zijne ziel geschud in schrikkelijke
worsteling, zonder dat zijne vrienden zich er reken-
schap van kunnen geven; nadat deze kamp gestreden
is, treedt hij zegevierend te voorschijn en ondergaat
zijn vreeselijk gruwzaam lot met de kalmte van een
toeschouwer.
Waarom was dan dit lijden zoo groot en deze strijd
zoo heftig? Was er niet iets onmannclijks in, iets, wat
een waarlijk groote ziel onwaardig is ? Inderdaad, indien
hij een gewoon mensch geweest was. Maar dit is zeker,
dat nooit eenig menschenkind, man noch vrouw, ooit
-ocr page 41-
29
zoo zwaar kon lijden ; werd niet zijn zweet als druppelen
bloeds? Hier is iets geheimzinnigs, iets goddelijks. Het
is een bovenmenschelijke gevoeligheid, die door haar
kracht het mcnschelijk lichaam doet schudden en trillen ;
het is een reine, heilige, geest, die op het punt staat
in het eigen lichaam te lijden het grootste kwaad, dat
ooit werd bedreven.
Maar bovendien is daar in iedere liefde iets van
plaatsvervanging; iets wat ingaat in leed en smart, in
zekeren zin ook in de zonden van anderen, die zelf
als eigen last opnemend. Welnu, vraag dan u zelf af,
voor het geval, dat Jezus werkelijk een goddelijk wezen
is, de liefde Gods in de wereld, hoedanig zijn gevoel
moet zijn, als een gevallen geslacht bezig is om de
kroon der grootste zonde te zetten op zijn geschiedenis
van enkel schuld, als zij bezig zijn om aan het kruis
te slaan het eenige volmaakte Wezen, dat ooit in de
wereld gekomen is, ja om te kruisigen Hem, die de
boodschapper en de vertegenwoordiger is der godde-
lijke liefde, de Bevrijder, die hunne zaak op zich heeft
genomen en tot de zijne heeft gemaakt! Wie deze
vragen "overdenkt, geraakt meer en meer verlegen met
zijn onderstelling om in Jezus niets meer dan een
mensch te zien. Hij kan deze dingen niet verklaren,
zonder er een goddelijk karakter aan toe te kennen
Maar waarom verdedigde hij zich niet, waarom be-
wees hij zijn onschuld niet voor den rechter? Ten
deele, omdat hij inzag, dat er toch eigenlijk van geen
rechterlijk verhoor sprake kon zijn, en dat het bepleiten
-ocr page 42-
30
van eigen zaak voor een opgewonden volksmenigte tot
niets leidt, daar alle woord ongehoord blijft in een
omgeving, die vol is van vooroordeel. In zulke om-
standigheden zich te verdedigen, is niets anders dan
vrees te toonen, een vrees, die den waarlijk grooten
geest onwaardig is. Een mensch zou het gedaan hebben,
maar Jezus niet. Bovendien, welk krachtiger pleidooi
voor zijn onschuld kon hij houden dan door zijn ge-
drag, en in die enkele beteekenisvolle woorden, welke
zoo diepen indruk maakten op Pilatus? Inderdaad, hij
heeft genoeg gezegd ; en hoe langer wij er over nadenken,
des te meer bewonderen wij de wijsheid en het boven-
menschelijk geduld van den Lijder. Wij aanschouwen
een meer dan gewone Liefde in hare stervensure; dit
is geen sterven eens menschen. Zoo dacht ook de
Romeinsche krijgsman er over, als hij uitriep: Waarlijk
deze was Gods Zoon! Het is alsof hij zeggen wilde:
Vele menschen zag ik sterven, maar dit is geen mensch.
Zij noemen hem den Zoon van God; minder kan hij
niet zijn. Kan hij minder wezen voor ons?
\'.
-ocr page 43-
VII.
De stichting van het Koninkrijk Gods.
Dit bovenmenschelijk karakter des Heeren komt
nog duidelijker en nog verhevener uit in het doel, dat
hij zich voorstelt, in zijne werken en woorden, die met
dit doel in het nauwste verband staan.
Was hij enkel een mensch geweest, dan zoudt gij
hem den buitensporigste van alle dwepers moeten
noemen. Immers hij onderneemt niets minder dan de
stichting van het Koninkrijk der hemelen op aarde,
en plaatst zich daardoor lijnrecht tegenover alle gods-
dienstige vooroordeelen van zijn volk en van zijn tijd.
Hij wil een zedelijke herschepping van het gansche
menschelijke geslacht; niet alleen van Joden of Joden-
genooten, maar van allen.
Reeds in het begin van zijn optreden verklaart hij,
dat velen zullen komen van Oosten en Westen, en
zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in
het Koninkrijk der hemelen; dat de akker de wereld
is; dat God alzoo lief de wereld heeft gehad, dat Hij
-ocr page 44-
32
Zijnen eeniggeboren Zoon voor haar heeft gegeven.
Hij verklaarde ook, dat het Evangelie gepredikt moet
worden onder al de volken, en gebood aan zijne
discipelen, dat zij heen moesten gaan in de geheele
wereld om het Evangelie te prediken aan alle creaturen.
Dit is dus het groote doel zijns levens; hij komt
om het menschelijk geslacht als nieuw te maken, het
tot God terug te brengen, in de eenheid van een
geestelijk Koninkrijk. Reeds daaruit alleen laat zich
afleiden, dat Christus ver staat boven alle menschen.
Vergelijk slechts met hem de stichters van staten, de
beroemdste wetgevers, de groote helden, de wijze
koningen en staatslieden, de wijsgeeren, profeten en
godsdienststichters, en gij zult het bemerken, dat nie-
mand van hen ooit een gedachte heeft gehad gelijk
de zijne; dat zij allen, hoe ook boven hun tijd ver-
heven, op de een of andere wijze zich toch bepaalden
tot hun eigen volk of rijk, en zich min of meer vijandig
of afwijzend stelden tegenover de andere volken of
deelen der wereld. Jezus alleen, de eenvoudige leeraar
van Galilea, heeft zulk een grootsche gedachte, zulk
een verheven plan ; een plan veel uitgebreider dan dat
van een Alexander, veel moeilijker om te volvoeren,
en bovendien, een plan, waarbij hij enkel het heil der
wereld voor oogen heeft.
Welk een gedachte, dat Koninkrijk der hemelen uit-
gebreid over de gansche wereld! Het Romeinsche
keizerrijk, vrucht van eenen bloedigen strijd, zinkt er
bij weg in het niet. En toch kondigt de Galileesche
-ocr page 45-
33
leeraar zijn plan aan, zoo eenvoudig, zoo kalm en
rustig, alsof van de moeilijkheid der volvoering voor
hem in het geheel geen sprake behoefde te zijn.
Daar is nog meer in dit plan, wat ons voert buiten
het bereik der menschelijke kracht; immers welk broos
menschenkind zal een plan bedenken, welks uitvoering
eeuwen en eeuwen in beslag zal nemen? De Heiland
verwacht niet, dat dit koninkrijk gereed zal zijn in
het eerste of het tweede geslacht of in vele eeuwen;
hij spreekt er over als over een mostaardzaad, dat
echter zal opwassen en een boom zal worden, alzoo
dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijne
takken. En niettegenstaande hij weet, dat die wasdom
langzaam zal plaats hebben, spreekt hij met een zeker-
heid, een vertrouwen, alsof duizend jaren voor hem
gelijk zijn aan éen enkelen dag. Zoo ziet hij een rots
van vastheid, waar de menschen slechts brooze zwak-
heid aanschouwen. Simon zelf, de man van het oogenblik,
wordt Petrus, als de Meester hem aanziet. Op deze
petra, zoo heet het, zal ik mijne gemeente bouwen,
en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.
Zijne verwachting ziet over zijn sterven heen; ja, dat
sterven zelf zal het zaad zijn: indien het tarwegraan,
zoo spreekt hij, in de aarde niet valt, en sterft, zoo
blijft hetzelve alleen. Bij het naderen der stervensure
vermindert deze verzekerdheid niet in het minst; denkt
hij er niet aan om zijn plan op te geven als mislukt,
als een door de werkelijkheid gelogenstraften droom
zijner jeugdige geestdrift; integendeel, grijpt hij het
3
-ocr page 46-
34
te vaster, zooals ook blijkt uit zijn onderhoud met het
zusterpaar van Bethanie, in wier woning hij zoo vaak
gastvrijheid genoten had. Als de albasten flesch met
kostelijke zalve over zijn hoofd gebroken is en Judas
hier zondige verkwisting ziet, aanschouwt zijn oog een
droevig verband tusschen de daad der vrouw en den
dag zijner begrafenis. Maar dat vermindert zijn moed
niet, dat doet hem het vertrouwen in zijn plan niet
verliezen, dat werpt zelfs geen schaduw over de toe-
komst, welke hij voorziet. Immers er volgt onmiddellijk
op, met de grootste zekerheid: Voorwaar zeg ik u:
alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de ge-
heele wereld, daar zal ook tot de gedachtenis dezer
vrouw gesproken worden, van hetgeen zij gedaan heeft.
Zoo zeker was hij van zijn zaak; een zaak, die eerst
in een loop van vele eeuwen volbracht zou worden,
terwijl hij gedurende zijn eigen leven ter nauwernood
er iets van zou zien tot stand komen.
Ziedaar dan een gedachte, in geens menschen hart
te voren opgeklommen; een gedachte, die alle volken
en alle tijden omvat; vastgehouden met onvergelijke-
lijk vertrouwen en weergalooze zekerheid: is zij de
gedachte eens menschen? is de gewone menschelijke
ontwikkeling voldoende om haar te verklaren? Neen,
het is niet eens menschen, om een plan te vormen,
dat elk menschelijk vermogen verre overtreft en vele
eeuwen zal noodig hebben om te worden volvoerd;
en dit te vormen en bekend te maken zonder de op-
gewondenheid van den dweper, maar met den kalmsten
-ocr page 47-
35
ernst, zonder eenige vertooning, en daarvoor zijn leven
over te geven in de zekerheid, dat die dood den
hoeksteen zal vormen van het op te richten gebouw.
Welk mensch zit rustig neder bij een plan, dat eerst
volvoerd kan zijn aan het einde der wereld; welk
mensch zaait om eerst dan te oogsten? Nog eens, dat
is niet eens menschen, dat is van een God.
•
-ocr page 48-
VIII.
De Vriend der armen.
Tot datgene, wat ons ten zeerste treft in het optreden
des Heeren, behoort het feit, dat hij het meest om-
gaat met de armen, en het onmetelijk gebouw zijner
verwachtingen optrekt op het fundament der lagere
standen en der verachte klassen des volks. Zelf was
hij in armoede geboren en onder armen opgevoed.
Was hij een gewoon mensch geweest, dan zou hij,
door zijn hooge ontwikkeling en zijne groote gaven verre
boven zijn stand verheven, zich daarvan meer en meer
hebben afgekeerd. Immers de grooten des volks stroom-
den toe om hem te hooren; bij wijlen bezocht men
hem des nachts om onderricht te ontvangen. De hoogste
kringen der samenleving stonden voor hem open, en
boden hem als het ware aan om invloed op hen uit
te oefenen. Nog eens, was hij een gewoon mensch
geweest, welke deugdzame jonge man met zulke gaven,
met zulk een toekomst, zou er iets verkeerds in ge-
vonden hebben om van dit aanbod gebruik te maken
-ocr page 49-
37
en het te beschouwen als de welverdiende belooning
van zijn vlijt en zijn braafheid? Terwijl wij dan nog
zwijgen van de minachting zijner lage afkomst en zijner
geringe vrienden, die wij zoo menigmaal aanschouwen
bij hen, die vooruitkomen in de wereld. Toch houdt
Jezus aan de armen vast en wijdt hij hun voornamelijk
zijn dienst. Ja, in sommige opzichten schijnt hij de
voorkeur te geven aan hun gezelschap, boven dat der
hoogere standen, blijkbaar, omdat zij meer vatbaarheid
toonen dan de anderen, om de rechte indrukken te
ontvangen. Zij zijn niet zoo wijs en zoo verstandig, zij
verheffen zich niet op hun geleerdheid en hun inzicht,
zij zijn niet trotsch op hun positie; zij zijn de een-
voudige kinderen der armoede, die nog kunnen over-
tuigd worden, en door hun nederig lot er op voorbereid
zijn om hoogere gedachten in zich te kunnen opnemen.
Daarom heeft hij de armen lief, en zonder zich door
hen te laten neertrekken, heeft hij er een zeker wei-
behagen in om met hen te worden gelijkgesteld. Hij
dient hen ijveriger, dan anderen de grooten der aarde
hebben gediend. Hij wandelt door het land, onderwijst
hen en geneest hunne kranken; heeft altijd tijd voor
al hun ellende. Allen, die hij dient, staan verre beneden
hem; zij kunnen hem niets teruggeven, en toch laat
hij niet van hen af, gedragen door het bewustzijn, dat
hij het land doorgaat, goed doende.
Dit is te meer opmerkenswaardig, omdat tot nog
toe de armen steeds veracht waren door alle groote
staatslieden en alle wijsgeeren. Zij werden niet bij de
-ocr page 50-
38
maatschappij gerekend. Men kon ze wel gebruiken, o
ja, om eigen gemak te verhoogen, om zijn eerzucht te
bevredigen, of als een soort van oorlogswerktuigen.
Maar niemand, die ooit gedacht had aan een groote
verandering, een hervorming in de maatschappij, geen
wijsgeer, die ooit gedroomd had van een ideaalstaat
of een modelrepubliek, had het mogelijk geacht om
met de armen te beginnen. Invloed was alleen bij de
hoogere klassen, en zoo men dus op de wereld wilde
werken, en nieuwe verhoudingen in het leven wilde
roepen, dan moest men met hen beginnen, om een
grondslag voor zijn arbeid te verkrijgen. Maar Christus,
zoo gij hem een wijsgeer wilt noemen, en een hoogeren
naam hebben wij niet voor hem, als hij niet meer was
dan een mensch, was de wijsgeer der armen; de eerste,
de eenige, die er ooit was geweest. Terwijl hij zag,
dat de hoogere kringen voor hem open stonden, dat
hij daar misschien voet kon krijgen voor zijn leer,
dacht hij er toch niet aan om op die wijze zich den
weg ter overwinning te banen. Hij legde den grond-
slag als het ware beneden allen invloed, en wierp zich
zelf weg, gelijk de menschen oordeelden, aan de schare,
die de wet niet wist, en van de hooge geleerdheid
der schriftgeleerden in het geheel geen verstand had.
En toch spreidde hij juist hierin een wijsheid ten
toon, die zijn tijd ver vooruit was. Nu achttien eeuwen
zijn voorbijgegaan, beginnen wij eerst te leeren, hoe
diep zijn inzicht was; beginnen wij zijn gedragslijn in
dezen te vatten en te waardeeren. Het klinkt nu als
-ocr page 51-
39
een ontdekking, dat het opheffen van de massa van
het hoogste belang is voor de maatschappij, maar dat
deze ontdekking in de negentiende eeuw gemaakt wordt
is slechts een bewijs, dat dan toch eindelijk het leven
des Heeren de samenleving begint te doordringen. Al
wat waarlijk een zegen is, zoowel voor de rijken als
voor de armen, een zegen voor alle rangen en klassen
der maatschappij, is in het leven des Heeren te vinden.
Alle scholen der wijsgeeren zijn verdwenen, en hunne
droomen zijn vervlogen; maar zijn woord leeft nog
altijd, vrijheid brengende aan de gebondenen, licht aan
wie in duisternis verkeeren, de volkeren in hun geheel
voerend naar den dag eener betere, minder duistere
toekomst.
-ocr page 52-
IX.
Geen partij gevormd.
Ofschoon de Heiland zich aldus tot de armen neder-
boog en hen tot zich ophief, vormde hij geenszins een
partij. Een ieder, die nadenkt, zal het moeten toestem-
men, hoe moeilijk het is de patroon van een klasse te
worden, van een verachte en vertreden klasse, zonder
in hen wakker te maken een gevoel van vijandschap
tegenover de anderen. Moeilijk reeds, omdat geen
enkele beschermer, hoe rechtvaardig en grootmoedig
hij ook moge zijn, altijd in staat zal worden gevonden
om dit gevoel verre van zichzelf te houden. Een
weinig eerzucht, gebrek aan waardeering bij anderen,
een weinig verlangen naar populariteit, hem leidend
om de hartstochten een weinig op te wekken — het
is genoeg om de vlam te ontsteken, die weldra in
lichter laaie uitslaat.
Bovendien, de menschen willen gaarne een partij
vormen. In Corinthe waren er, die zeiden: Ik ben van
Paulus; en anderen: Ik van Apollos; en nog anderen:
-ocr page 53-
41
Ik van Céfas, en zij roemden tegen elkander. Paulus
had den Meester wel begrepen, toen hij dit ten strengste
veroordeelde. Christus liet geen partijschap toe. Als
Johannes hem verhaalt van een, die de duivelen uit-
wierp in Jezus\' naam, en dien zij het verboden hadden,
omdat hij den Heer niet met de discipelen volgde,
keurt Jezus dit geenszins goed, en laat hij zien, dat
hij een dergelijke partijdigheid niet duldt. Als de
Vriend der armen en verdrukten, stelde hij zich open-
lijk tegenover hunne vijanden, en deed den onder-
drukkers de strengste verwijten hooren. De ongerijmd-
heid hunner leer stelde hij ten toon, en bracht hen
tot zwijgen in hunne redetwisten; hij riep zijn wee
uit over hunne lage huichelarij en spaarde hen in geen
enkel opzicht; toch staat nergens, dat het volk zijn
ingenomenheid daarmede betoonde, zelfs niet door toe-
juichingen, noch dat zij lucht gaven aan hunnen toorn,
het voorbeeld van den Leider volgend. Want daar was
iets in dezen Jezus, in de wijze van zijn spreken en
doen, dat hen deed inzien, dat dit niet behoorlijk was,
ja, dat het hun onmogelijk maakte. Zij gevoelden, dat
hier een hooger Wezen hun partij gekozen had, tegen-
over hetwelk toejuiching gebrek aan eerbied zou ver-
raden, en partijgeschreeuw in het geheel niet te pas
kwam. Zij hadden evengoed de zon kunnen toejuichen,
of zich onder hare vanen kunnen vereenigen.
Wel gebeurde het eens, dat hij door een wonder,
de spijziging der vijfduizend, de nationale herinneringen
des volks had wakker gemaakt, en zij wilden komen
-ocr page 54-
42
om hem met geweld tot koning te maken, maar dit
was een daad der natie, en niet van een klasse. Mis-
verstand op godsdienstig gebied en niet haat dreef er
toe aan. Ook de koninklijke intocht in Jeruzalem met
de toejuiching der schare is geen partij betooging.
Het kan alleen worden opgevat als de intocht van den
Messias, en anders heeft het in het geheel geen be-
teekenis. Het duurt slechts kort; dan wordt geen
Hosanna meer vernomen, en Jezus is alleen en verlaten;
ja, die schare zelf, waarvan het schijnen kon, dat hij
haar had gewonnen tot zijn dienst, gilt nu het „kruisigt
hem" tegen hem uit. Neen, Jezus was nooit, wat wij
populair noemen. Wel werd hij soms door groote
scharen gevolgd, die gaarne teekenen zagen, of kwamen
om van hunne krankheden genezen te worden. Zij
kenden hem als hun vriend. Maar daar was iets in
hem, dat hen deed gevoelen, dat zij onmogelijk rondom
hem zich zouden kunnen scharen als om een leider,
een partijhoofd; hij zou nimmer hen helpen in hunne
lage doeleinden en hun onedele vijandschap. En zoo
staat Jezus alleen in de geschiedenis; de eenige, die
zoo hoog stond boven degenen, met wie hij zich één
maakte, dat hij geen partij vormde en niet populair
werd.
-ocr page 55-
X.
De Leeraar.
Wij bedoelen niet hier te spreken over den inhoud
zijner prediking; maar over de wijze, over de methode
daarvan. En ook in dit opzicht zullen wij zien, dat
hij geheel alleen staat, en niemand naast hem kan
gesteld worden.
Het eerst worden wij getroffen door zijn volkomen
onafhankelijkheid en oorspronkelijkheid. Ongetwijfeld
zijn er velen op te noemen, die het eerst de eene of
andere gedachte hebben uitgesproken binnen den be-
paalden kring eener wetenschap. Maar de oorspronke-
lijkheid van Christus is een gansch andere; zij heeft
niets met wetenschap of met studie te maken. Wie
hem hoorden, riepen verwonderd uit: Van waar komt
dezen die wijsheid ? Hij had immers nimmer gestudeerd
op de wijze der Schriftgeleerden, zoodat in zijn onder-
wijs dan ook niets daaraan herinnert. Trouwens, daar
is niets in hem, wat niet hem zelf zou toebehooren,
maar aan zijn tijd of zijn volk zou moeten worden
-ocr page 56-
44
toegeschreven. Alle pogingen dan ook, die zijn aan-
gewend om het te bewijzen, dat hij zijn leer aan het
Oosten of aan de Esseensche wijsheid of aan de gods-
dienstvormen van Egypte had ontleend, moeten als
deerlijk mislukt worden beschouwd.
Indien hij niet meer dan een mensch is, dan is hij
zeker zulk een buitengewoon mensch, dat zijn bestaan
stellig een even groot wonder moet heeten, als wanneer
hij geen mensch was. Ieder toch kan zien, dat al wat
hij zegt en leert onmiddellijk uit hem zelven voortkomt.
Zet naast hem een Shakspeare, ongetwijfeld een van
de grootste geesten, die er ooit geweest zijn, misschien
de oorspronkelijkste met de meeste scheppingskracht,
bovendien een mensch, die zich zelf zijn weg gebaand
heeft, en toch zijn al zijne werken doortrokken met
menschelijke geleerdheid. Het is, en terecht, de roem
van dezen dichter, dat wat groot is geweest in de
geschiedenis, leeft en groot is in zijne drama\'s; daarom
wordt hij de hoogepriester van het menschelijk hart
genoemd. Maar Christus verstaat dat menschelijk hart
beter dan hij, zonder de voorbeelden der geschiedenis
noodig te hebben. Hij is de Hoogepriester van het
goddelijk hart, sprekend als een, die van God kwam,
en niets aan de wereld behoeft te ontleenen, en niets
behoeft te leeren van de menschelijke sfeer, waarin
hij zich beweegt.
Ook gebruikt hij de methoden der menschen niet
om te onderwijzen. Hij houdt geene bespiegelingen
over het wezen Gods, en hecht geene schakels van
-ocr page 57-
45
redeneering aaneen, om verstandelijke bewijzen te geven.
Hij bouwt geen stelsel op ter verklaring des heelals,
gelijk de wijsgeeren dit doen. Neen, veeleer spreekt
hij zoo eenvoudig mogelijk over God en geestelijke
dingen, als iemand, die in dit alles tehuis is, en nu
uit den hemel is gekomen om ons te vertellen, hoe
het daar is. En dit eenvoudig vertellen maakt den
indruk op ons, dat ons de werkelijkheid wordt gebracht;
het staat voor ons als waarheid, die wij niet kunnen
betwijfelen, waaraan ons geweten medegetuigenis ver-
leent. Aan argumenten en bewijsvoeringen en gevolg-
trekkingen ergeren wij ons, omdat zij zoo koud zijn;
zij laten ons het licht niet zien, maar beletten ons dit
veeleer door tusschen ons en het licht te gaan staan.
Christus integendeel maakt alles licht door zijne woor-
den; hij heeft de wereld vervuld met een nieuw en
onmiddellijk gevoel van God, een Godsbewustzijn, dat
niemand of niets nog bij machte geweest is uit te
drijven. De genezende balsemgeur der hoogere wereld
stroomt als uit van zijne kleederen, en doordringt den
verpesten dampkring onzer aarde.
Bovendien ontmoeten wij bij hem nimmer de zwak-
heid, die zoo veelvuldig bij menschelijke leeraars wordt
aangetroffen, om een weinig van den weg af te wijken
en den teugel te vieren teneinde de toestemming der
schare te winnen. Hij schikt zich nooit naar hetgeen
men van hem verwacht, zelfs niet naar hetgeen zijne
vrienden van hem wenschen. Wanneer men uitgaat
om een groot profeet in hem te zien, doet hij niets
-ocr page 58-
46
naar de wijze der profeten om zich als zoodanig te
toonen. Wanneer zijne discipelen vragen om plaatsen
van eer en onderscheiding in zijn koninkrijk, dan gaat
hij op dien wensch niet in, maar deelt hun eenvoudig
mede, dat bij hem niets anders staat te geven dan
een deel in zijn smaad en zijn armoede. Wanneer zij
hopen, dat hij het zwaard zal aangorden om als Messias
het volk tot zich te vergaderen, en het aan te voeren
ten strijde, laat hij hen voelen, dat hij geen krijgsman
en geen koning is, maar een boodschapper van liefde
voor wie verloren zijn, een, die gekomen is om te
dienen en zijn leven te geven, maar niet om een
koninkrijk op te richten of te herstellen. Zoo slaat hij
elke verwachting terneer, en toch is zijn macht zoo
groot, dat talrijke scharen aan hem vasthouden en
hun vertrouwen in hem niet laten varen. Schoon hij
omringd is door geheimzinnigheid, vertrouwen zij hem
toch; volgen hem na, hangen aan zijne lippen, als
betooverd door zijn invloed, dien zij niet af kunnen
schudden en waaraan zij geen weerstand kunnen bieden.
Geen leeraar kunt gij aanwijzen, die zoo geregeld elke
verwachting zijner hoorders teleurstelde, en desniet-
tegenstaande zoo trouw gevolgd werd.
Daar is nog iets in het onderwijs des Heeren, dat
het onderscheidt van alle ander onderwijs. Het merk-
waardig evenwicht, waarover wij vroeger spraken, ver-
toont zich ook hier; een evenwicht, dat bij geen enkelen
menschelijken leeraar gevonden wordt. Gewoonlijk toch
worden de meeningen der menschen geboren als tus-
-ocr page 59-
47
schen twee uitersten in. Twee partijen werpen elk een
uiterste op; dan komt een derde, welke de waarheid
tracht te ontdekken, die beide willen verdedigen,
en de eenzijdigheid, aan welke beide zich schuldig
maken, poogt te vermijden. Vandaar dat geen enkel
mensen, van hoe wijden blik ook, in ieder opzicht
gereed is met zijne opvattingen. Ook de rijpste denkers
vervallen telkens in het een of ander uiterste, en ver-
liezen aldus hun evenwicht, zoodat er later een ander
moet komen, die de dwaling ontdekt en de fout her-
stelt. Christus evenwel verviel nimmer in een uiterste;
hij liet zich nooit door de kracht der woorden mede-
sleepen tot een eenzijdigheid, en staat dus ook in dit
opzicht geheel alleen. Hij was dan ook niet afhankelijk
van woorden, die hem in zijne redeneering zouden
beheerschen, maar beschreef slechts wat zijn klare blik
aanschouwde. Hij doet geen moeite om het midden
tusschen twee uitersten te vinden, maar dat midden
ligt voor hem, zonder dat hij aan de uitersten denkt.
Hij kan noch een radicaal, noch een conservatief ge- /
noemd worden. Hij zal zijn discipelen niet toestaan
hem te verloochenen voor overheden en koningen, maar
veroorlooft hun evenmin de gehoorzaamheid op te zeggen
aan den keizer. Hij aarzelt niet om de ongerechtigheden
en de huichelarij der Farizeën, die op den stoel van
Mozes zijn gezeten, aan de kaak te stellen, maar wel
verre van een oproerige beweging tegen hen te verwekken,
gebiedt hij om te doen naar hunne woorden. Het is een
algemeene hervorming, waarop hij het oog heeft, daar
-ocr page 60-
48
er volgens zijne beginselen bijna niets goed mag
worden geacht noch in de kerk, noch in den staat,
noch in het maatschappelijk leven, en toch staat hij
niet tegen de wereld op. Vergelijk daarmede, hoe een
mensch doet, wanneer hij in zijn eigen menschelijke
kracht op het een of andere gebied iets hervormen
wil! Gewoonlijk zult gij hem hartstochtelijk zien op-
treden, bij den minsten tegenstand in heftigen toorn
zien ontbranden, alle middelen, tot het geweld toe,
zien te baat nemen om zijn plan te volvoeren, terwijl
bij mislukking zijn woede geen grenzen kent en zijn
eigen karakter al slechter en slechter wordt. Christus
komt om de geheele wereld te hervormen, en blijft
kalm en vriendelijk; daar is geen spoor van bitterheid
of ongeduld in zijn houding; hij spreekt en handelt,
alsof allen op zijne zijde stonden en het groote werk
reeds was gedaan. Zoo verliest hij ook in dezen nimmer
het evenwicht, de gelijkmatigheid van zijn gemoed,
steeds bestuurd door een meer dan menschelijke wijs-
heid.
Het is ons niet mogelijk deze verheven trekken van
zijn optreden in alle bijzonderheden te schetsen;
trouwens uit een enkel voorbeeld zijn zij genoegzaam
te kennen. Laat ons dan op hem letten, zooals hij
staat tusschen de twee uitersten van een angstvallig
bijgeloof aan de ééne zijde en een zoogenaamd vrij-
zinnig ongeloof aan den anderen kant. De menschen,
die aan de eene klip ontkomen, stranden zoo licht op
de andere; Christus wijst den rechten weg om op
-ocr page 61-
49
geen van beide te vervallen, en naar geen enkele zijde
te overdrijven.
De eeuw, waarin, en het volk, waaronder hij leefde,
waren vol van bijgeloof en bekrompenheid. En dat
bijgeloof is een van de machten, waarvan zich de
mensch het allerminst weet los te maken, niet alleen
de onwetende, doch zelfs ook de man van groote
wetenschap. Maar Christus, die leeft in de eerste eeuw,
is er even vrij van, alsof hij in de negentiende ge-
boren ware. Zoo komt het dan meermalen uit, hoe hij
volstrekt niet medegaat met opvattingen, onder zijne
tijdgenooten algemeen verbreid. Gij meent, zoo zegt hij,
dat de Galileërs wier bloed Pilatus met hunne offeranden
gemengd heeft, en de achttien, op wie de toren in
Siloam viel en doodde ze, zondaars geweest zijn boven
de anderen ? Ik zeg u: neen zij, maar indien gij u niet
bekeert, zoo zult gij allen insgelijks vergaan. Tot
anderen spreekt hij: Gij verbeeldt u in uw fari-
zeeuwsche vroomheid, dat de letter van het Sabbats-
gebod het hoogste is, maar ik zeg u, dat de Sabbat
is gemaakt om den mensch, en niet de mensch om
den Sabbat. Daarom bewijst gij ook weinig eer aan
God, wanneer gij zegt, dat het door de wet verboden
is om op dien dag goed te doen en een mensch te be-
houden. Gij hecht groote waarde aan uwe wasschingen
en reinigingen, en angstvallig getrouw zijt gij in het
vertienen van munt en dille en komijn ; zou het niet
beter voor u zijn, gij leeraars der wet, om het zwaarste
der wet niet na te laten, het oordeel en de barm-
• 4
-ocr page 62-
50
hartigheid en het geloof? Zoo leeft en sterft de Heer,
hoog verheven boven elke bekrompenheid van zijn
tijd, niets geloovend, alleen omdat het geloofd wordt,
geen enkele gewoonte eerbiedigend, alleen omdat het
een gewoonte is, die trouw door de menschen wordt
in acht genomen. Als het einde is gekomen, dan
durven de geleerde priesters niet in het rechthuis te
gaan, opdat zij niet verontreinigd zouden worden voor
het feest, schoon geen enkel gewetensbezwaar hen
weerhoudt om zich te bevlekken met een moord.
Maar de Heiland bidt voor hen aan het kruis, de bede
des medelijdens voor zijne moordenaren: Vader, ver-
geef het hun; want zij weten niet, wat zij doen!
En toch heeft Christus niets over zich van wat thans
vaak vrijzinnigheid genoemd wordt; hij vervalt geens-
zins van het eene tot het andere uiterste. Zijn wezen is
liefde, die aan alle waarheid vasthoudt, en geen ver-
draagzaamheid, die alle waarheid loslaat. De eene
grijpt ook het kleinste greintje van waarheid aan als
iets kostbaars en goddelijks en laat geen zweem van
verslapping toe. De andere laat de grenzen der waar-
heid verflauwen, veroorlooft met gemakkelijke en zorge-
looze grootmoedigheid allerlei afwijking van de rechte
lijn; en terwijl zij van hare souvereine hoogte op dit
alles als een spel nederziet, verliest zij eerlang allen
ernst, alle gevoel van verantwoordelijkheid, en wordt
tot onverschilligheid omtrent de waarheid.
De liefde vergeeft aan wie dwaalde; de valsche ver-
draagzaamheid ziet de dwaling zelve door de vingers.
-ocr page 63-
5t
De eerste houdt de waarheid voor heilig en onveran-
derlijk ; de tweede laat haar verminken en naar wei-
gevallen met haar omspringen. Niets is zoo ver van
Jezus verwijderd als die oneerbiedige, zwakke losheid,
die de dwaling even goed keurt als de waarheid, en
het soms aanziet als een bewijs van groote verstan-
delijke ontwikkeling, als iemand zich behagelijk gevoelt
te midden dezer zwevende voorstellingen. Oordeelt niet,
zoo spreekt hij in heilige liefde, opdat gij niet geoor-
deeld wordt. Maar daarnaast, in heilige nauwgezetheid:
Zoo wie dan een van deze minste geboden zal ontbon-
den, en de menschen alzoo zal geleerd hebben, die zal
de minste genaamd worden in het Koninkrijk der
hemelen. Op dezelfde wijze heet het nu eens uit zijn
mond: Wie niet met mij is, die is tegen mij; maar
dan weder: Wie niet tegen ons is, die is vóór ons. Zoo
zegt hij: Gij vertient de munt, en de dille, en den
komijn, en laat er op volgen: Deze dingen moest men
doen, en de andere niet nalaten. Zoo staan naast
elkander: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst
den steen op haar, en: Ga heen, en zondig niet meer.
Hoe goddelijk verheven is deze gedragslijn des Heeren!
Niets is bij machte om hem zijn kalmte te doen ver-
liezen ; de liefde doet hem nimmer de waarheid, en de
waarheid doet hem nimmer de liefde vergeten; aan
beide geeft hij steeds haar vollen eisch. Welk mensch
is er toe in staat?
Laat ons bovendien letten op de eenvoudigheid van
\'s Heeren onderwijs. Hij spreekt over dingen, hooger
-ocr page 64-
52
dan de diepzinnigste wetenschap; hij openbaart ver-
borgenheden, die menschelijk vermogen nimmer kan
verklaren; en toch is hij in staat om zoo te leeren,
dat ook de eenvoudigste hem volgen kan. Het komt
hieruit voort, dat hij zich rechtstreeks richt tot des
menschen overtuiging, tot zijn geweten; daarom heeft
hij geen geleerdheid noodig, en kan de ongeleerde
hem verstaan. Geen enkele van de groote schrijvers der
oudheid had zoo over de deugd geschreven, dat de
groote massa het begrijpen kon. Men leeraarde, dat
de deugd het schoone was, of het gepaste, of iets
dergelijks; d. w. z. de een of andere afgetrokkenheid,
een begrip, dat den mensch koud liet en zijn hart niet
j aan het kloppen bracht. Voor de wereld in het groot
was zulke leer geen brood, maar een steen. Doch de
Heiland zegt aan de schare op de eenvoudigste wijze,
zoo dat zij het wel moeten verstaan, wat zij noodig
hebben, wat zij moeten doen en zijn om het eeuwige
leven te beërven, en als hij spreekt, antwoordt daar
een stem in het binnenste van hun hart. Eigenlijk is
zijn leer geen leer, het is zijn leven zelf; een persoon-
lijke kracht, een rondgaande waarheid, een liefde, die
onder hen rondwandelt als hunner een. Zijne woorden
komen uit zijn leven voort; dat gansche leven spreekt
hun toe. De eenige voorwaarde om zijn leer te be-
grijpen, zijn onderwijs in zich op te nemen, bestaat
daarin, dat de hoorder een menschelijk wezen zij, dat
inderdaad de waarheid wil kennen.
Welk menschelijk leeraar was als hij? Een licht-
-ocr page 65-
53
straal uit den hemel, een helder licht, schijnend in de
ziel, ja een volle dag, alles badend in zijne stralen!
Anderen kunnen over de waarheid spreken; Jezus is
de waarheid zelf en zijn leven is de waarheid. Was
hij slechts een menschelijk leeraar, welnu, dan is hij
de eerste, die in staat is gebleken om de waarheid in
zulk een vorm te kleeden, dat de wereld haar gebruiken
kon. En toch, wat hij leert, staat verre boven hetgeen
alle anderen geleerd hebben. In het doel en de grootsch-
heid van zijn onderricht komt het onderscheid nog
veel duidelijker uit dan in de eenvoudige wijze, waarop
hij het verstrekt.
Is dit menschelijk of goddelijk? Zoo gij wilt weten,
wat menschelijk is, luister dan naar Celsus, den scherp-
zinnigen tegenstander van het toen nog jeugdige
Christendom. Het is een van de voornaamste argu-
menten, welk hij er tegen aanvoert: Wolkammers,
schoenlappers en looiers, lompe en onwetende menschen,
zijn de ijverigste verbreiders van dezen godsdienst;
voor een geleerde staan zij met hun mond vol tanden,
maar vrouwen en kinderen halen zij over. Het is, zoo
gaat hij verder, toch te dwaas om te gelooven, dat
Grieken en Barbaren, in Azië en Europa en Lybic, ja
alle volkeren tot aan de einden der aarde, één en den-
zelfden godsdienst kunnen hebben. Of wilt gij liever
naar Plato luisteren ? Deze groote wijsgeer heeft gezegd:
Het is niet gemakkelijk om den Vader en Maker van
alle dingen te vinden, maar is Hij eenmaal gevonden,
dan is het een onmogelijke zaak om Hem aan allen
-ocr page 66-
54
bekend te maken. En dit is het nu juist, roemt Justinus
Martyr, wat onze Christus door zijne macht wel dege-
lijk heeft volbracht. En de kerkvader Tertullianus haalt
de uitspraak van Plato aan, om triomfantelijk daar-
tegenover te stellen, dat elk Christelijk ambachtsman
God heeft gevonden en Hem kan aanwijzen. De wijs-
geeren verkondigen, dat de Godheid alleen kan ge-
vonden worden door de groote geesten, de diepe
denkers. Christus openbaart een God, omtrent wien
de geringste ambachtsman ons kan onderrichten; een
God, dien het geheele menschelijk geslacht kan dienen,
zoo dat zij allen met elkander in één geloof ver-
bonden zijn.
Iets dergelijks kan opgemerkt worden met betrekking
tot de zedelijke voorschriften des Heeren. Ook hier
geen uitgewerkte stellingen der redeneerkunde, maar
geboden, die hun eigen recht met zich medebrengen,
geestelijke wetten Gods. De Heer houdt er zich niet
mede op om na langdurig en veelzijdig onderzoek te
beslissen, wat als het hoogste goed moet beschouwd
worden, om dan een daarmede overeenkomend stelsel
van zedeleer op te bouwen. Hij bemoeit zich niet met
de vraag,\' welke de grondslag der deugd is, om van
het antwoord zijn zedekunde te laten afhangen. Nog
minder behandelt hij dit onderwerp uit een oogpunt
van kunst, zooals een Socrates en Plato vroegen, wat
een daad maken kan tot een schoone daad. En toch
zijn de voorschriften van Christus veel schooner dan
de hunne, al komt die schoonheid voor hem in het
-ocr page 67-
55
geheel niet in aanmerking. Hij vertelt ons eenvoudig van
Gods wege, wat wij moeten doen. En terwijl de wijs-
geeren en de denkers er nimmer in geslaagd zijn om
algemeen geldige voorschriften uit te denken, die door
de geheele menschheid zijn aanvaard en niet zijn gewij-
zigd in den loop der tijden, is de zedeleer van Christus
even vast geworteld in de gewetens der menschen,
als de wet der zwaartekracht in hunne lichamen.
Alle zedelijke schoonheid is in hem, als hij in de
wereld komt; hij behoeft niet eerst te studeeren om
het ware en schoone en goede te leeren kennen; hij
heeft het in zich zelf. Hij behoeft slechts zijne lippen
te openen, en hij geeft zich zelf in zijne goddelijke
voorschriften. Wilt gij er enkele hooren?
Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de menschen
zouden doen, doet gij hun ook alzoo.
Zalig zijn de vreedzamen.
Ik zeg u, dat gij den booze niet wederstaat; maar,
zoo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de
andere toe.
Hebt uwe vijanden lief; zegent ze, die u ver-
vloeken ; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor
degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen.
Leent, zonder iets weder te hopen.
Zoo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als
een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen.
Zelfs als wij alle geestelijke waarheden, door Christus
onderwezen, buiten rekening laten, en alleen letten op
deze zedelijke voorschriften, is er geen vergelijking
-ocr page 68-
56
mogelijk tusschen hem en de leeraren der menschheid.
Hoe dor en weinig beteekenend zijn hunne lessen! Hoe
kunstig zij ook zijn gevonden, welke hooge opvatting
er ook in moge flikkeren, zij staan tegenover het
woord van Christus, zooals een standbeeld, koud en
roerloos, staat tegenover den levenden mensch, blozend
van levenswarmte, het beeld van zijn Schepper, de
weerkaatsing Zijner heerlijkheid en het levend werk-
tuig van Zijnen wil. De zedelijkheid, die de Heiland
onderwijst, bestaat niet in woorden, maar in kracht,
oorspronkelijke, goddelijke levenskracht. Hij stelt geen
zedelijk model op, welks schoonheid hij u vraagt te
bewonderen, maar hij vertelt u alleen, hoe gij moet
leven; en de heerlijkste karakters, die de wereld ooit
heeft gezien, waren juist diegenen, die naar zijne voor-
schriften leefden, zonder ook maar een oogenblik te be-
merken, dat deze regelen zoo schoon en zoo heerlijk zijn.
Nog op een anderen trek in het onderwijs des Heeren
vestigen wij de aandacht. Hij verkeert nooit in onrust
omtrent het welslagen zijner leer. Schoon hij zich ten
volle bewust is van het feit, dat de wereld tegen hem
is, schoon hij \'wordt veracht en gehaat en alleen ge-
laten, schoon hij geen invloedrijke vrienden bezit, zult
gij hem toch nimmer ook maar in de geringste spanning
zien verkceren omtrent zijn eindelijk welslagen. Hij kan
altijd tegenspraak verdragen. Wanneer zijne vrienden
hunne onbevattelijkheid, hun onverstand toonen, zelfs,
wanneer zij hem verlaten, ontstelt hij niet en geraakt hij
niet in verwarring. Hij steunt op zijne eigene woorden
-ocr page 69-
57
met een majestueuse kalmte, alsof hij ware gezeten op den
troon des heelals. Voorzeker, het bewustzijn van recht
en waarheid heeft een dergelijke uitwerking op iederen
waarachtig grooten geest. Maar wanneer was die uit-
werking zoo volkomen? Welke leeraar der menschheid,
welke groote wijsgeer, heeft niet nu en dan sporen van
ongerustheid getoond, die zijn zwakheid verrieden;
wie sprak niet met eenigen trots van zijne aanhangers,
wie voelde geen tegenzin voor zijne tegenstanders, wiens
eerzucht werd niet geprikkeld bij tegenspraak of twijfel?
Maar deze eenzame, eenvoudige leeraar, die de gansche
wereld tegenover zich vindt, rust even onwankelbaar
op zijne leer als de aarde op hare as. Als Pilatus hem
vraagt, wat waarheid is, keurt hij het reeds gegeven
antwoord voldoende: Een iegelijk, die uit de waarheid
is, hoort mijne stem. Noem dit menschelijk, maar geen
mensch heeft ooit zoo gesproken. Zoo gaven de dienaars
der overpriesters en Farizeén den indruk weder, dien
zij van hem ontvangen hadden, toen zij, uitgezonden
om hem te grijpen, de handen niet aan hem hadden
durven slaan: Nooit heeft een mensch alzoo gesproken,
gelijk deze mensch. En toen hij de woorden der Berg-
rede geëindigd had, ontzetten zich de scharen over
zijne leer, want hij leerde hen niet als de Schriftge-
leerden, maar als macht hebbende.
Wanneer heeft de wereld zulk een leeraar gezien?
Van bloot menschelijke zijde beschouwd, is hij een
jonge man uit de duistere streken van Galilea, die
niet onderricht is geworden in de scholen der ge-
-ocr page 70-
53
leerden, en toch hooger boven zijne tijdgenooten uit-
steekt, dan een Plato het zou doen, plotseling ver-
schijnende onder de wilden van America; een man,
die aan het hoofd der wereld gaat staan, en deze
plaats handhaaft meer dan achttien eeuwen lang zonder
eenig ander middel dan zijn leven en zijn leer! Is dit
alleen de kracht van talent en genie? Dan wordt het
tijd, dat wij aan het genie om wonderen gaan vragen,
want er is inderdaad geen grooter wonder.
-ocr page 71-
XI.
Hoogheid en heiligheid.
Een merkwaardig onderscheid tusschen Jezus en de
menschen valt op te merken hierin, dat de menschen,
die een indruk van hoogheid hebben gegeven, en op
een afstand ontzag hebben afgedwongen, bij nader •
kennismaking en nauwer omgang altijd in onze schat- /
ting verliezen. Dan worden allerlei zwakheden en ver-
keerdheden ontdekt; het witte kleed blijft niet langer
smetteloos; de bewondering is niet meer onvoorwaar-
delijk; de stralenkrans van den heilige wordt een
weinig dof. Bij Christus echter niets van dit alles, en
dat in lijnrechte tegenspraak met de algemeene er-
varing. De discipelen hebben gelegenheid te over om
hem te leeren kennen in een nauwen omgang van
drie jaren ; hij is hun broeder, vriend, leeraar, vermaner,
gast, medereiziger; in alle verhoudingen leeren zij hem
kennen, zoowel waar hij in het openbaar optreedt of
zich bevindt in den engen huiselijken kring. In zulk
een omgang toonen zich de gebreken des menschen;
t
-ocr page 72-
6o
eerzucht en trots, drift en ijdelheid worden zichtbaar
en geven er aanleiding toe, dat zijn glans altijd een
weinig verbleekt. Bij Christus geschiedt veeleer het tegen-
overgestelde; hij daalt niet, maar rijst voortdurend in
de achting zijner discipelen; hij wordt steeds grooter
wonder en heiliger mysterie in hunne oogen; de
achting wordt eerbied en ontzag, erlangt een gewijd
karakter. Die nauwe omgang maakt van den mensch
een God.
In het begin is hij slechts de zoon van Maria en,
naar geloofd wordt, van Jozef, den timmerman van
Nazareth. Dan hooren wij, dat hij spreekt met n^acht,
en niet als de Schriftgeleerden. Daarop houdt men
hem voor Johannes den Dooper, of voor Elias, of
voor Jeremia of een anderen van de profeten, van die
machtige gestalten uit het verleden, thans op aarde
teruggekeerd. Simon Petrus evenwel gaat verder, en
zegt, dat hij de Christus is, de Zoon des levenden
Gods; toch verheft hij hem nog niet zoo hoog, of hij
durft hem nog wel bestraffen, waar de Heer spreekt
over lijden en gedood worden, met dat afmanende
woord: Heer, wees u genadig! dit zal u geenszins ge-
schieden. Later daarentegen, als de ontrouwe discipel
zijn ziel heeft bevlekt met de lage huichelarij eener
drievoudige leugen, is één blik uit het oog des Meesters,
die thans den doodsweg betreedt, genoegzaam om zijn
hart te breken en hem te doen uitbarsten in bittere
tranen. En zoo is het bij al de discipelen, dat hoe
dichter Jezus tot hen nadert en hoe meer zij hem
-ocr page 73-
6i .
leeren kennen, hij zelf des te hooger stijgt in hunne
oogen en des te meer eerbied hun afdwingt.
Ja, hetzelfde geldt ook van zijne vijanden. In het
begin is hij voor hen slechts een nieuwe dweper, die
der schare het hoofd op hol brengt. Maar dan willen
zij weten, hoe hij aan zijn wijsheid gekomen is en
waar hij geleerd heeft om te spreken, gelijk hij
doet, daar hij toch nimmer een geleerde opvoeding
heeft genoten. Daarop zenden zij hunne dienaren om
hem te grijpen, en dezen durven den hun opgedragen
last niet volvoeren, omdat de indruk van zijn woord
hun te machtig is. Later beproeft men het op een
andere wijze, door een zijner vrienden om te koopen;
en zelfs dan nog, geleid door den verrader, onmiddellijk
zich vóór hem bevindend, sidderen zij zoodanig op
den klank van zijn woord en onder de macht zijner
tegenwoordigheid, dat zij, misschien vreezend voor
een plotselinge vernietiging, achterwaarts waggelen
en ter aarde storten. Pilatus is zichtbaar voor hem
bevreesd, vooral omdat hij zwijgt en gewillig zich
onderwerpt. Als eindelijk de vreeselijke daad is vol-
bracht, keeren de scharen wederom, slaande op hunne
borsten, in angstige vreeze voor het mysterie van den
gekruisigde, en gevoelend, wat hun dolle en misdadige
razernij heeft bedreven.
Daarom zeggen wij, dat bij dezen Jezus juist het
omgekeerde plaats heeft van wat de ervaring ons steeds
doet aanschouwen. Nauwer omgang maakt hem niet
kleiner, maar grooter, van mensch tot Godmensch. Hij
•
-ocr page 74-
62
blijft rein en volmaakt, overtreft alle stervelingen in
wijsheid, wordt, omringd door het licht der heiligheid,
door zijne vrienden met eerbied aangestaard, en als
hij sterft, wordt een smart gevoeld, die reeds aan-
bidding is in beginsel. Dit alles blijkt uit zijn ge-
schiedenis, uit de beschrijving van zijn leven; het is
er niet kunstig ingevlochten, het wordt niet eens op-
gemerkt, dat het er uit blijkt.....want het is de
werkelijkheid. Vermoedelijk heeft dan ook geen enkele
der evangelisten zijn aandacht geschonken aan deze
omkeering van alle ervaring, op welke wij wezen; nog
minder, haar opzettelijk in het beeld van Jezus aan-
gebracht. Nog eens, is dit het beeld van een mensch,
of van een God?
-ocr page 75-
XII.
De Zoon des levenden Gods.
Laten wij thans een terugblik werpen op het achterecn-
volgens door ons behandelde!
Wij zagen Jezus opgroeien, als een heerlijke bloem
zich ontplooiend uit den knop eener volmaakte jeugd.
Een groot werk wacht hem en groote beproevingen
zullen zijn deel zijn, maar de harmonie van zijn be-
staan zal nimmer worden verstoord en het evenwicht
zijner ziel steeds blijven gehandhaafd. Een lam in on-
schuld is hij tevens een God in waardigheid. Zijn
vroomheid heeft geen plaats voor berouw, maar wat
door geen sterveling ooit is beproefd, wat ieder
menschenkind ten eenenmale onmogelijk zou zijn, dat
behoort bij hem en niemand kan het veroordeelen. Hij
treedt op met de meest buitensporige aanspraken, en
toch kan niemand daar hoogmoed of eigenwaan in
vinden, of zelfs gebrek aan bescheidenheid hem ten
laste leggen. Hij lijdt zonder gemaakte kalmte of hoog-
moedigen trots; lijdt meer dan sterfelijke gevoeligheid
-ocr page 76-
64
lijden kan en op een oogenblik, waarin er in het ge-
heel geen pijn is, uit een menschelijk oogpunt bezien.
Hij geeft ons niet alleen een voorbeeld van zachte
lijdzaamheid en geduld in al de kleine beproevingen
des levens, maar tevens openbaart hij ons de diepten
van een goddelijk lijden, in zijn doodsstrijd en het ge-
duld zijner lijdende liefde. Zijn levensplan is zoo uit-
gebreid mogelijk, zoowel in uitgestrektheid als in tijd,
want hij wil alle volkeren vereenigen in een Koninkrijk
der gerechtigheid onder God. Het fundament legt hij
in de harten der armen, wat geen enkele leeraar vóór
hem had gedaan, en toch sticht hij geen partij, en
maakt van zijne volgelingen geenszins aanhangers. In
zijn onderwijs is hij geheel oorspronkelijk, anders dan
zijn tijd en anders dan alle tijden; hij schikt zich niet
naar wat zijne vrienden van hem verwachten, laat het
evenwicht der waarheid nimmer verstoren door te ver-
vallen in een uiterste naar deze of naar gene zijde; hij
houdt zich zelf vrij van alle bekrompenheid, maar ook
van alle onverschilligheid. Het diepstzinnigst onderwijs
brengt hij in den eenvoudigsten vorm; zijne zedeleer
is hoog en van algemeene geldigheid, zooals het te
voren nimmer gehoord was; in kalme zekerheid om-
trent het goed recht der waarheid vertoont hij geen
spoor van ongerustheid ten opzichte van het welslagen
van zijn ondernemen. Bovendien, in lijnrechte tegen-
stelling met hetgeen steeds onder de menschen wordt
aanschouwd, wordt hij grooter en wijzer en heiliger,
hoe meer hij gekend wordt; ja zelfs is nauwer omgang
-ocr page 77-
65
noodig om al zijn volmaaktheid te toonen. Deze
persoonlijkheid nu is Jezus, de Christus; geen aardsch
wezen, maar bovenaardsch, maar hemelsch. Een wezen
uit een hoogere wereld, dat zijn eigen omgeving heeft
verlaten om in de onze te komen wonen. Noem hem
voor het oogenblik nog niets anders dan „dat heilige",
dat uit Maria geboren is; maar geloof dan ook, dat
hij van God gekomen is.
Het zou van weinig eerbied voor den Heer getuigen,
zoo wij tevreden waren met het beeld, dat wij van
hem teekenden. Wie kan tevreden zijn met iets, wat
hij zegt van Jezus Christus? Het gaat er mede als
met de vele beeltenissen, welke door de eerste meesters
gepenseeld zijn om het gelaat des Heeren ons voor
oogen te stellen; daar is er geen een, die niet de
zwakheid der menschenhand aantoont, waar zij haar
kracht beproeft op een stof, ver boven haar bereik.
Toch dienen wij, om de heilige zaak der waarheid,
zulk een onderwerp te behandelen; maar menschelijke
gedachten en menschelijke opvattingen moeten altijd
verre blijven beneden dat onderwerp, hetwelk hoog zweeft
boven alle gedachten en onze opvatting alleen in haar
dwergachtige kleinheid doet uitkomen. Maar juist, om-
dat onze arbeid mislukt is, is hij gelukt. Want hoe
duidelijker het blijkt, dat alle poging om dit beeld te
schetsen vruchteloos is, des te duidelijker blijkt het
tevens, dat Jezus verre boven ons staat en niet tot
ons kan gerekend worden; dat wij in hem te doen
hebben met — een wonder en een mysterie.
5
-ocr page 78-
66
Geen wonder, waar van hem gezegd wordt, dat hij
is het vleeschgeworden Woord, en dat in hem al de
volheid der Godheid lichamelijk woont.
-ocr page 79-
XIII.
Waarheid of verdichting?
Zoo zijn wij dan thans genaderd tot de vraag, of
het beeld, dat wij schetsten, beantwoordt aan een
werkelijkheid, of er inderdaad zulk een wezen op aarde
geleefd heeft, als Jezus Christus gezegd wordt te zijn.
Zoo wij mogen uitgaan van de stelling, dat het beeld,
hetzij dan waarheid of verdichting, inderdaad zoo was,
als wij het hebben gezien, blijven ons twee wegen
open. Of deze Jezus heeft werkelijk geleefd en kon
aldus beschreven worden, omdat hij zichzelven aldus
toonde aan wie hem zag; óf de werkelijke, historische
Jezus was een gewoon mensch, onderworpen aan de
gewone wetten der menschelijke ontwikkeling, terwijl
zijn beeld is vervormd en verheerlijkt met al deze
wonderbare trekken door de overdrijvingen der ver-
beelding en der fabelrijke overlevering van latere
geslachten. In het eerste geval staan wij voor de on-
overkomelijke moeilijkheid om te gelooven, dat ooit
een sterveling het kon brengen tot zulk een hoogte,
-ocr page 80-
68
tot zulk een heerlijke volmaaktheid. Want als Christus
slechts een gewoon mensch was, dan was hij in ieder
opzicht een buitengewoon mensch, en kan er niemand
naast hem worden geplaatst. Hij is en blijft heilig,
van het begin tot het einde, en alle kwaad en alle
verzoeking stuiten op hem af, en doen slechts zijn
onwankelbare heiligheid des te schitterender uitkomen.
Elk wonder kunnen wij gemakkelijker gelooven, dan
dat Christus een gewoon mensch was, en toch een
heilig, een volmaakt wezen.
En, in het tweede geval, staan wij voor het hoogst
zonderlinge feit, dat wij dit beeld geteekend vinden
door vier verschillende schrijvers, die in zichzelven
geen van allen als schrijvers uitmunten, en er toch in
geslaagd zijn om een persoonlijkheid te schilderen, die
in zichzelf een weigesloten geheel vormt, waarvan alle
deelen met elkander overeenstemmen; een schildering
te geven, zooals geen dichter had vermocht te scheppen,
en geen wijsgeer had kunnen bedenken met de grootste
inspanning van zijn denkvermogen. Bovendien zullen
wij dan moeten aannemen, dat deze vier schrijvers
kinderen zijn van een bijgeloovige eeuw, die in alle
kleuren en geuren ons het ongerijmde gebeuzel en de
fabelen van hun wonderzuchtigen tijd mededeelen, en,
bloot toevallig, toch ten slotte er toe gekomen zijn,
om ons de eenige volmaakte persoonlijkheid te schetsen,
waarvan het menschelijk geslacht ooit gehoord heeft.
Maar dit te gelooven onderstelt een nog lichtgelooviger
eeuw dan die dezer schrijvers.
-ocr page 81-
69
Daarom keeren wij weder terug tot ons eerste besluit.
Zoo was de waarachtige, de historische Jezus. Zoo heeft
hij geleefd; hij kon zoo beschreven worden, omdat
hij inderdaad zoo was. De eenige mogelijke verklaring
is die, welke door den Heiland zelf ons wordt aan de
hand gedaan: ik ben van God uitgegaan, en kom
van Hem.
-ocr page 82-
XIV.
Zondeloosheid.
Moet dan inderdaad worden geloofd, dat in Jezus
Christus een werkelijk zondeloos wezen op deze aarde
heeft geleefd? Moet het worden aangenomen, dat hij
ons in alles is gelijk geworden, uitgenomen de zonde?
Wij gelooven van ja; wij gelooven, dat op geen andere
wijze de verschillende trekken van het door ons ge-
teekende beeld kunnen worden verklaard. Hoe toch
was het mogelijk, dat deze eenvoudige bewoner van
Galilea alle menschelijke voortreffelijkheid verre over-
trof en zoo hoog uitstak boven ieder lid van het
menschelijk geslacht? Enkel en alleen, omdat zijn ziel
vol was van innerlijke schoonheid en reinheid, door
smet noch vlek bezoedeld; omdat zijn leven nimmer
werd verwrongen, nimmer werd afgeleid in een ver-
keerde richting, omdat elke zijner schreden op den
rechten weg werd gezet. Op geen andere wijze kunnen
wij van zijn optreden rekenschap geven, kunnen wij
zijne persoonlijkheid verklaren, dan door te gelooven
-ocr page 83-
7i
aan zijne zondeloosheid. Voor hem was mogelijk, wat
wij, menschelijker wijze gesproken, rekenen tot de on-
mogelij kheden ; hij werd niet krachteloos gemaakt door
menschelijke zwakheden; alles gaat bij hem natuurlijk,
even natuurlijk als het heldere water opborrelt uit een
zuivere bron. En wie zou durven beweren, dat al deze
dingen in het leven des Heeren gemaakt zijn, dat hij
een rol speelde, ondanks de zelfbewuste verstoring der
harmonie van zijn eigen innerlijk bestaan, ondanks de
verduistering zijner reinheid door de donkere wolken der
zonde, die zou door die bewering onmiddellijk verraden,
dat hij volslagen onbekend is met de wetten van het
zieleleven, en eene vreemdeling in het menschelijk hart.
Neen, dan gelooven wij nog liever al de fabelen van
het Heidendom.
Dat men toch begrijpe, wat men zegt! Want als
Jezus niet zondeloos, maar een zondaar was, dan was
hij zich ook bewust van die zonde, gelijk alle zondaren
zijn, en zijn geheele optreden zou dus huichelarij
moeten heeten. Welke ongerijmde onderstelling dan, dat
zulk een mensch, zulk een karakter, zijn gansche leven
door zulk een glans van goddelijke schoonheid van
zich kon doen afstralen, zulk een harmonie vol
hemelsche gratie kon ten toon spreiden, terwijl hij
voortdurend zijn geest bezoedelde en bevlekte door
zijn huichelarij! Een dergelijk succes zou wel het
grootste wonder zijn, waarvan de wereld immer hoorde.
Indien Jezus niet zondeloos, maar een zondaar was,
dan was hij natuurlijk een gevallen wezen; dan was
-ocr page 84-
72
ook hij onderworpen aan de dienstbaarheid der onge-
rechtigheid en kon ook hij niet ontkomen aan de ge-
volgen dezer verderfelijke slavernij. Dan vormt de
schuld den wortel van al zijn heerlijke schoonheid.
Dan is ook hij gebonden met de banden des kwaads.
Dan komen er ook in zijn hart booze gedachten op,
dan is het snarentuig ook zijner ziel verbroken, dan is
ook in zijn binnenste geen vrede. Hoe wilt gij zulk
een zondig wezen zoo doen optreden, en uit deze
bittere fontein der ongerechtigheid het water der heilig-
heid doen opspringen?
Maar — het wordt tijd om dit te vragen — welke
fouten zijn het dan, die men in het leven des Heeren
aanwijst? Het is de vervloeking van den vijgeboom, die
men een onredelijke en onbillijke daad noemt. Het is
het strenge optreden tegen de Farizeërs in woorden vol
bitterheid. Het is het uitdrijven der geldwisselaars uit
den tempel, waarbij de geesel in zijn hand het verraadt,
dat hij zich zelf zoo ver vergeet om de toevlucht te
nemen tot lichamelijk geweld. Voor een oogenblik
toegegeven, dat deze en dergelijke zaken vlekken zijn,
hoe getuigt het niet voor de reinheid van het kleed,
dat zulke dingen als vlekken kunnen gerekend worden!
Waarlijk, men heeft in den regel te wijzen op andere
zaken, als men iemands zonde moet aantoonen; dan
kan men den microscoop gerust ter zijde laten.
Ongetwijfeld, men wijst ook op andere fouten. Men
rekent het den Heer als een verwijt aan, dat hij zich
niet boven zijn tijd verhief op het punt van de
-ocr page 85-
73
bezetenheid door demonische machten, en dat hij
sommige uitspraken van het Oude Testament verkeerd
uitlegde. Niet, dat men dit als zonde wil beschouwd
zien, maar men wijst er slechts op om te bewijzen,
dat hij toch niet geheel is vrij te pleiten van be-
krompenheid, en dus ook zijne volmaaktheid nog wel
iets te wenschen overlaat.
Daar is echter ook een andere redeneering mogelijk.
Niet slechts die der accommodatie-theorie, volgens welke
Jezus wel beter wist, maar zich slechts schikte naar
het algemeen geloof, zooals een volwassene zich schikt
naar de opvattingen van het kind, tot hetwelk hij
spreekt: deze verklaring wordt door ons verworpen als
strijdig met het karakter van hem, die zelf de waarheid
was en waarlijk niet schroomde tegen de vooroordeelen
zijner tijdgenooten op te treden. Maar wel deze, dat het
geloof des Heercn een regel is ook voor ons geloof, en
wij van hem moeten leeren, hoe de Schriften, van welke
hij het middelpunt is, moeten uitgelegd worden, en
wat wij te denken hebben van dien demonischen achter-
grond der natuur, die zoo sterk op den voorgrond
treedt, als hij verschenen is, wiens levenstaak het zal
zijn om de werken des duivels te verbreken.
En wat die andere gebeurtenissen aangaat, het mag
reeds van te voren als billijke eisch gesteld worden,
dat wij niet te haastig zijn in ons oordeel, en in
plaats van het licht, dat bijna overal schijnt, te
laten verduisteren door enkele donkere plekken, liever
trachten die duistere plekken te laten verlichten
-ocr page 86-
74
door den helderen glans, die zich overal elders ver-
toont. Zoo zal men oordeelen bij andere gestalten uit
de geschiedenis; waarom niet bij de allergrootste ge-
stalte? De meeste bezwaren, die men maakt, getuigen
ook nog op andere wijze van een zekere onwelwillend-
heid. Immers, als een ander zoo streng en onvervaard
was opgetreden tegen een geheelen stand, die in huichel-
achtige vroomheid de armen verdrukte en recht en
waarheid verkrachtte in den naam van geleerdheid en
godsdienst, een stand bovendien, die allen invloed en
alle macht bezat, dan zou men zijn heldenmoed prijzen
en hoogelijk verheffen den onversaagden kampvechter
Gods, die het eigen leven niet achtte in de zekerheid
van voor des Heeren zaak te strijden. Als Jezus het
doet, dan is dat een fout, een dwaling, een zonde, een
vlek op zijn heiligheid.
Wij gelooven echter, dat alles wat opgenoemd is,
zeer goed kan verklaard worden in overeenstemming
met het geheele optreden van den Heiland, mits slechts
niet worde vergeten, dat zijn heiligheid steeds liefde,
en zijn liefde steeds heiligheid is. Om te beginnen met
den verdorden vijgeboom, wat is dit anders dan een
zinnebeeldige handeling, een gelijkenis in daad, van
het oordeel, dat het onvruchtbare Israël treft, dat de
Rechter gedwongen wordt uit te spreken over de stad,
aan welke hij de tranen zijner teleurgestelde liefde
wijdde? Waar naar de weenende liefde niet gehoord
wordt, is geen ontkoming meer aan den heiligen toorn.
Heilige toorn, is deze het niet, die zich uitspreekt in
-ocr page 87-
75
de tempelreiniging, de daad des Zoons in het huis
des Vaders? Het was een schoone gedachte van Rem-
brandt, toen hij bij zijne teekening den lichtkrans, die
anders het hoofd des Heeren omgeeft, aanbracht rondom
de hand, waarin thans als \'t ware de heiligheid zetelt.
Laten wij liever dan deze daad den Heer als een
beschuldiging voor de voeten te werpen met de dis-
cipelen er aan indachtig worden, dat er geschreven
staat: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden. En
dan eindelijk die schrikkelijke strafrede tegen de leiders,
de verleiders des volks: geldt niet altijd de regel in de
dingen van het Koninkrijk Gods, dat ook in de drei-
ging des oordeels de lokstem der reddende liefde wordt
vernomen? Geeft de Heiland het zelf niet aan, als het
laatste middel der Christelijke tucht, die behouden wil,
het laatste, als alle andere middelen vruchteloos zijn
aangewend, om den zondaar uit te stooten, opdat hij
nog behouden worde, tot inkeer gekomen, ziende, waar
van hij is uitgeworpen en vervallen ? Het is thans zoo-
ver gekomen, dat alleen nog de woorden des oordeels
zijn overgebleven. Gelijk Prof. Gunning het zoo schoon
heeft gezegd: „Het Licht der wereld is als liefelijk
schijnsel teruggewezen, versmaad: nu rest nog slechts,
dat het als dreigende bliksem ten allerlaatste waar-
schuwe of anders den verharde aan zijn oordeel over-
geve. Gelijk eertijds te Rome de edele Gracchen, die
tegen een zelfzuchtige en welgesloten orde de partij van
het arme verdrukte volk opnamen, maar wel wisten,
dat zij zich zelf daarmee het graf dolven, zoo, doch
-ocr page 88-
76
zonder het bijmengsel van verkeerdheid, dat den arbeid
dezer kloeke martelaren ontreinigde, breekt hij manlijk
beslist de brug achter zich af. Want duidelijk ziet de
Heer, dat hij zijn liefdebedoeling aan volk en oversten
niet bereikt heeft. De voorgangers stellen zich hoe
langer hoe beslister tegen hem over; die heimelijk toe-
gekeerd zijn durven zich niet te uiten, en het volk laat
zich door zijne meerderen medesleepen. De geestdrift
bij den intocht in de heilige stad is slechts een stroo-
vuur geweest. Dit bemerkt Jezus; en ook hier, als
altijd, den toestand in zijn volle werkelijkheid aan-
vaardende, neemt hij afscheid van zijn volk. Want een
afscheid is de rede tot volk en Farizeén, een woord,
waarin het hart als met volle golven uitstort, wat het
lang in zich verkropte. Een woord van heiligen, vlam-
menden toorn, doch die slechts laatste poging is eener
onuitputbare liefde, om nog zoo mogelijk het brand-
hout uit de vlam te rukken. Toorn en liefde zijn hier
niet samen gemengd, uitwendig aan elkaar gevoegd:
neen, de liefde zelve voor zijn veelbemind volk is toorn
tegen hen, die het misleiden en van den weg des
levens afvoeren: de toorn zelf tegen de rampzalige
voorgangers, die Israels heerlijkheid verdonkeren, is
slechts de spits der vlam, waarin de liefde bernt."
Ziedaar een gansch andere opvatting. Het is de eenige,
die naar onze meening geoorloofd is tegenover den
Zondelooze, den Heilige Gods.
-ocr page 89-
XV.
De wonderen van Christus.
Is Jezus inderdaad, wat hij gezegd wordt te zijn,
dan hebben wij in hem te doen met een wezen, dat
niet van deze wereld is, en toch in deze wereld is
gekomen. En wordt dit eenmaal toegegeven, dan volgt
er uit, dat hij de macht bezat om wonderen te doen,
en wij hebben geen reden om te twijfelen, als ons
verhaald wordt, dat hij van die macht gebruik maakte.
Wij hebben niet getracht het goddelijk karakter van
den Christus af te leiden uit zijne wonderen, maar
wij leiden wel die wonderen af uit zijn goddelijk
karakter. Ook waar wij toegeven, dat de wetten der
natuur niet worden opgeheven en niet worden geschorst
— dit geschiedt evenmin, waar onze kracht op die
natuur inwerkt —, kunnen zij toch dermate onder-
worpen zijn aan zijne kracht, dat hij in staat is om
teekenen en wonderen te verrichten. Als hij een boven-
menschelijk wezen is, dan zou het al zeer vreemd zijn,
zoo hij geen bovenmenschelijke dingen deed, daar dan
-ocr page 90-
78
toch ook de natuur tot hem in een andere verhouding
staat dan tot ons; ja, niet alleen zeer vreemd, maar
zelfs ongeloofelijk.
Het beeld van de piano is meer gebruikt, maar kan
nog altijd worden gebezigd tot verklaring. Dit instrument
is zoo samengesteld, dat bij iedere aanraking der toetsen
een zeker geluid ontstaat. Waar een of ander dier
over die toetsen heen en weer loopt, ontstaat een
onwelluidend, krassend mengelmoes van tonen, en het
dier is er van overtuigd, dat het in de natuur van dit
instrument ligt om zulke en geen andere geluiden
voort te brengen. Laat nu een bekwaam speler komen
en diezelfde toetsen aanraken; betooverend schoon is
de harmonie der tonen, welke hij aan het speeltuig
weet te ontlokken. Het dier kan nu redeneeren, dat
dit een onmogelijkheid is, daar de natuurwet der piano
er door wordt verkracht, en het geheel in strijd is met
zijn eigen ervaring; de menschen immers redeneeren
vaak op deze wijze. Maar de speler zelf en allen, die het
als mogelijk beschouwen, dat hij vermag wat het dier
niet kan, twijfelen er geen oogenblik aan, of de muziek
ontstaat naar volmaakt dezelfde wetten als het gekras.
Zoo kan Christus aan de toetsen van het groote wereld-
instrument ander geluid ontlokken dan wij bij machte
zijn voort te brengen, ofschoon steeds dezelfde wetten
blijven gelden. En wij zouden het niet als mogelijk
kunnen denken, dat hij dit niet kon. De hoogere
wereld kan niet gebonden zijn binnen de perken der
lagere. De natuur zelf, tegenover hem geplaatst, moet
-ocr page 91-
79
nieuwe krachten openbaren. Daar hij zelf een wonder
is, zou het het allergrootste wonder zijn, zoo hij geen
wonderen verrichtte.
Laat ons daarbij niet vergeten, dat Christus niet in
deze wereld verdwaald is, maar er is gekomen met
een bepaald doel, met een bepaalde taak, die gewichtig
genoeg is om zijne verschijning te rechtvaardigen. Hij
komt niet om de orde Gods te verstoren, maar veeleer
om de door de zonde verstoorde orde te herstellen,
en alles weder op zijn plaats te brengen. Hij komt
om het Koninkrijk Gods te stichten, en aldus door
de verlossing de schepping haar doel te doen bereiken.
Hij komt niet om de wetten te verbreken, maar om
de hoogste wet te vervullen ; niet om bressen te maken,
maar om ze te herstellen; niet om een samenhang te
verstoren, maar om het uiteengerukte weder in zijn
verband te brengen.
Zoo zijn in Christus de krachten der hoogere wereld
gekomen tot deze lagere, als in haar ingedaald, om
genezend, opheffend in haar te werken, haar op te
richten uit haren val, haar op te wekken uit haren
dood. Waar wij hem dan zijne wonderen zien ver-
richten, waar op zijn nadering de krankheid vlucht,
de schellen vallen van de oogen, de dood zijn prooi
loslaat, daar zullen wij niet zeggen, dat de wetten der
gevallen natuur worden verbroken, maar veeleer zullen
wij juichen, dat de orde is gekomen tot de wanorde
en de genade tot de zonde. Die zonde is immers de
verstoring der orde, de groote verwarring, de groote
w
-ocr page 92-
8o
krankheid ; zullen wij ons dan niet verblijden, als de
Medicijnmeester komt, en zijne hand leggend op den
kranke, spreekt: Wees genezen!
Neen, als de heerschappij der zonde op het een of
ander punt voor hem moet wijken, dan willen wij niet
klagen over verbreking der wetten, maar ons verheugen,
dat de rechte wet tot heerschappij is gebracht. Laat
er een scheur komen in den kerkermuur, door de
zonde opgetrokken; die scheur laat het licht binnen
van hemelschen vrede en goddelijke orde. Zoo worden
ons die wonderen een teeken van de nabijheid des
hemels, en lezen wij met blijde dankbaarheid: Dit
beginsel der teekenen heeft Jezus gedaan te Kana in
Galilea, en heeft zijne heerlijkheid geopenbaard; en
zijne discipelen geloofden in hem. Laten wij ook in
hem gelooven! Het licht zijner heeé\'rlijkheid verdrijft
de duisternis. Hij is de groote Vredemaker, die den
vrede van boven ook beneden komt brengen. Daar
beneden is het wonder der zonde, en dat wonder is
de ellende der zuchtende schepping; maar wijken moet
het voor het grootere wonder van Jezus en zijne
werken, zoodat de engelen zingen: Vrede op aarde!
Zullen ook wij dan niet mede instemmen: Eere zij
God in de hoogste hemelen?
Daar zijn er, die de wonderverhalen uit de evari-
geliën als willen uitlichten, om dan alleen de woorden
des Heeren over te houden. Zij begrijpen niet, dat zij
ook de woorden daarmede verliezen, daar woord en
werk in dit leven met elkander in het nauwste ver-
-ocr page 93-
8i
band staan en wat gesproken wordt, dikwijls, met
name in het Johannes evangelie, voortvloeit uit hetgeen
gedaan is. Anderen zeggen, dat wij die wonderen even
goed konden missen, dat er eigenlijk geen plaats voor
is aan te wijzen in het Evangelie. En voorzeker, wat
wij allen noodig hebben, van zondaren te worden weder-
om geboren tot kinderen Gods, is een wonder op het
gebied van den geest, niet alleen grooter, maar ook
andersoortig dan de genezing van kranken en de op-
wekking van dooden. Maar geven dan de daden des
Heeren het ons niet te verstaan, dat hij voor ons alles,
wat wij behoeven, kan en wil doen? Hij, die de oogen
der blinden aanraakte, de melaatschen genas, op de
zee wandelde, de dooden opwekte en zelf de kluisters
des doods verbrak, kan onze hartstochten beteugelen,
onze smarten lenigen, onze aangeboren krankheden van
ons nemen, en alle stormen in ons hart stillen. De
wonderen versterken ons vertrouwen, verlevendigen onze
hoop. Gebogen onder de smart, verbrijzeld door de
schuld, onmachtig en der wanhoop nabij, hebben wij
toch hoop, dat hij ook onze verslagen ziel zal heelen;
dat, als wij slechts den zoom van zijn kleed aanraken,
kracht van hem zal uitgaan om ons te genezen. In alle
donkere dagen van het leven, als het duister is in de
ziel en alle omstandigheden ons tegen schijnen, als de
wilde stormen over ons levensscheepje zijn losgebroken,
dan vestigen wij den blik op hem, die op de golven treedt
en ons toeroept: Zijt goedsmoeds, ik ben het, vreest
niet. Schijnt niet door al die wonderen de persoon des
6
-ocr page 94-
82
Heeren heen, zoodat het niet alleen daden van macht,
maar ook van genade en ontferming voor ons zijn,
teekenen eener hemelsche liefde, die haar glans op ons
doet afstralen?
Hij is die Jezus de Nazarener, van wien Petrus sprak
in zijn Pinksterrede, als van een man van God, onder
Israël betoond door krachten, en wonderen, en teekenen,
die God door hem gedaan had. Hij zelf is het groote
Wonder, dat alle wonderen verklaart; hem te aan-
schouwen brengt de ziel tot geloof, en maakt haar
toegankelijk voor de kracht der herscheppende ge-
nade.
Dat aanschouwen is beter dan redeneeren en twisten ;
het moet ons te doen zijn om den totaalindruk zijner
persoonlijkheid, en daaruit, uit dat geheel leeren wij
al de daden verstaan. Hier is het middelpunt der
gansche openbaring Gods, dat alle waarheid in zich
bevat. Voor dit souvereine licht, dat van God uitstroomt,
verdwijnen al onze vragen en twijfelingen, die het vaak
zoo duister om ons heen maken; verdwijnen zij in den
afgrond, waaruit zij gekomen zijn en waarin zij thuis
behooren. Wie in dit licht hebben gestaan met ge-
opende oogen en een geopend hart, zeggen het den
apostel na: God, die gezegd heeft, dat het licht uit
de duisternis zou schijnen, is degene, die in onze harten
geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis
der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus
Christus. Dit is het, wat allen twijfel verslagen heeft in
de eeuwen, die voorbijgingen, en het zal doen in de
-ocr page 95-
§3
eeuwen, die komen zullen. Geen redeneering tegen de
zon zal haar van den hemel wegdrijven. Het oog, ver-
blind door haar glans, keert zich van haar af, doch
maakt haar glans niet duister. Maar wie God zoeken
en naar God verlangen, zullen steeds weder hun oog
daar henen wenden; zij zullen zien en gelooven.
-ocr page 96-
XVI.
Een woord ten besluite.
Geen merkwaardiger gebeurtenis heeft de wereld-
geschiedenis te vermelden, dan de komst van den
Zoon Gods in het vleesch. Een volmaakt wezen heeft
op deze wereld gewoond, en heeft ons alle aardsche
dingen en verhoudingen laten zien in den toestand der
volmaaktheid, verheerlijkt door hemelsch licht. Hij
heeft ze opgeheven uit den val en ze ons getoond,
zooals zij wezen moeten. Daardoor is de wereld ver-
anderd; er is iets nieuws in haar gekomen, en in haar
gebleven.
En het zal blijven, ondanks alle pogingen om het
uit te drijven. Laat de maatschappij teruggaan op
hare banen, laat zelfs de kerk verdwijnen, laat het
ongeloof de waarheid loochenen en huichelarij haar ont-
eeren: toch zal het blijven, omdat het eeuwig is. Wat
Christus in de wereld gebracht heeft, kan er niet meer
uit, want Christus heeft er niet in gebracht een vol-
maakte leer, maar een volmaakt leven. Zie dan op
-ocr page 97-
85
hem, gij gevallen mensch! Daar is Een gekomen uit
een andere, een hoogere wereld; hij is tot u gekomen,
in uwen kerker. Vraagt gij, wie hij is? Zijn naam is
Wonderlijk. Hij is heilig, door geen zonde besmet; hij
heeft u lief. Daar is hope voor u, o zondaar! Want de
heiligheid kwam voor niets anders in de wereld dan
om heilig te maken. Zie het Lam Gods, dat de zonde
der wereld wegneemt! De kerkermuur stort in; volg
hem, die u roept naar de vrijheid, naar het licht, naar
den eeuwigen vrede, naar de zaligheid.
En nu, ten slotte, nog een enkele herinnering. Eens,
het was in de deelen van Caesarea Philippi, vroeg
Jezus zijne discipelen naar de meening der menschen
omtrent hemzelven. De jongeren antwoordden, dat
sommigen hem hielden voor Johannes den Dooper,
anderen voor Elias of Jeremia of een van de profeten.
Maar voor wien hielden zij zelf hem ? Toen nam Simon
Petrus het woord voor allen en sprak: Gij zijt de
Christus, de Zoon des levenden Gods.
En gij, mijn Lezer, welk antwoord geeft gij ? Wat
dunkt u van den Christus? Gij bewondert hem; gij
plaatst hem op een voetstuk; gij wilt bij niemand
achterstaan in waardeering voor zijn persoon en werk.
Dit wil zeggen, gij geeft hetzelfde antwoord als de
menschen, die hem hielden voor Johannes of Elias of
Jeremia. Dat waren altemaal hoogelijk waardeerende
oordeelen, maar het was het rechte antwoord niet. Het
was geen geloof, maar ongeloof. En met al die waar-
-ocr page 98-
86
deering hebben zij toch ten slotte den Christus aan
het kruis geslagen.
Iets anders dan waardeering is noodig om het eeuwige
leven te verwerven. Bij die waardeering behoudt gij u
zelf, en prijst gij uzelf misschien, dat gij blijkbaar
gevoel hebt voor zijne grootheid. Welnu, wees eerlijk
met dat gevoel, en gij zult u zelf niet langer kunnen
behouden. Gij zult uw eigen kleinheid zien, uw schuld
en zonde tegenover zijne heiligheid, uw zelfzucht tegen-
over zijn zelfverloochening, gij zult leeren u zelf te
veroordeelen. Nu is het niet langer de vraag voor u,
of gij Christus zult aannemen en uw zegel zult hechten
aan zijn optreden, maar het wordt de levensvraag
uwer ziel, of Christus u, zondaar, zal aannemen. En
het wordt uw gebed, uw vurige smeeking: Kom af,
o Christus, van het voetstuk, waarop mijne bewondering
u plaatste, en daal tot mij, in het stof gebogene, neder
om de hand Uwer levendmakende ontferming te leggen
ook op mij, ook op mij!
Nu waardeert gij niet langer, maar gij gelooft.
Wie gelooft in den Zoon, heeft het eeuwige leven.
6*
-ocr page 99-
»
INHOUD.
Hoofdst.                                                                                                 Bladz.
Een woord vooraf............      v
I. Een volmaakte jeugd..........      i
II. Blijvende onschuld.....».....      7
III.   Vroomheid zonder berouw........    11
IV.   Een merkwaardig evenwicht.......    14
V. Hoogmoed of recht?..........    18
VI. In het lijden..............    23
VII. De stichting van het Koninkrijk Gods ...    31
VIII. De vriend der armen..........    36
IX. Geen partij gevormd.........•   40
X. De Leeraar..............    43
XI. Hoogheid en heiligheid.........    59
XII. De Zoon des levenden Gods.......    63
XIII.   Waarheid of verdichting?........    6j
XIV.  Zondeloosheid.............    70
XV. De wonderen van Christus.........    77
XVI. Een woord ten besluite.........    84