-ocr page 1-
*
VOORLEZINGEN
JE
GESCHIEDENIS
DER OPVOEDING DES MBNSOHDOMS
DOOR GOD
TOT OP DE KOIST VAi\\ JEZUS CHRISTUS
DOiWi
P. HOFSTEDE DE GROOT,
Hoogleeraar te Groningen.
tmmüir->MiL.
:!■■
TWEEDE VERHETEitDE UITGAVE.
fS
•- .
-ocr page 2-
vnm l/3
\'7
F. OCt.
1973
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Van denzelfden Schrijver is mede verkrijgbaar :
VOORLEZINGEN
OVER DE
GESCHIEDENIS
DER
TOT OP DE KOMST VAN JEZUS CHRISTUS.
Tweede herziene druk.
TWEE DEELEN.
Vroeger /\' 9.50 , thans f 4.90.
Het zelfde werk in postformaat zonder aanteekeningen.
Vroeger f 2.90 , thans f 2.00.
i mono mi
in het licht der Kerkgeschiedenis.
Vroeger f 4.60 , thans f 2.90.
P
DER
MEEST GEBRUIKELIJKE FORMULIEREN
DER
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
Vroeger f 2.20, thans f 1.50.
i..
. ■ ^
-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
VOORLEZINGEN
OVER DE
GESCHIEDENIS
DER OPVOEDING DES MENSOHDOMS
DOOR GOD
TOT OP DE KOMST VAN JEZUS CHRISTUS
DOOR
P. HOESTEDE DE GROOT,
Hoogleeraar te Groningen.
DERDE DEEL.
TWEEDE VERBETERDE UITGAVE.
GRONINGEN. — SCHOLTENS &• ZOON. — 1885.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000005232545B
0523 2545
-ocr page 9-
GODS OPENBARING
DE BRON VAN GODSDIENST EN WIJSBEGEERTE
VOOR IET MENSCHDOM
DOOR
P. HOFSTEDE DE GROOT,
Hoogleeraar te Groningen.
mm-■%\'■ s$w
TWEEDE VERBETERDE DRUK.
GRONINGEN. — SCHOLTENS & ZOON. — 1885.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
VOOEREDE.
Onder de brandende vraagstukken van onzen tijd behoort
dat naar den oorsprong van godsdienst en beschaving, van
godgeleerdheid on wijsbegeerte. Men vraagt: Zijn deze allen
uit Gods openbaring? of uit het nadenken der menschen? of
uit beiden?
Velen zoeken met ernst naar een bevredigend antwoord,
dewijl zij overtuigd zijn, dat daarvan voor\'onze kennis, gods-
dienst, deugd en voor geheel ons geestelijk welzijn onbereken-
baar veel afhangt.
In vorige eeuwen was het bijna algemeene antwoord: uit
Gods openbaring. Later werd het: uit beiden, uit Gods open-
baring en der menschen nadenken. Thans luidt het bij zeer
velen : uit der menschen nadenken alleen.
Nooit werd er echter, ten einde tot zekerheid te komen,
genoeg acht gegeven op de overleveringen en getuigenissen ,
welke hieromtrent bij het meest ontwikkelde volk der Oudheid,
de Grieken , bestaan, en op de vele verzekeringen en verkla-
ringen hierover van zijn uitnemendsten tolk, Plato. En lette
men op de Grieken en vooral op Plato, dan werden hunne
uitspraken omtrent Gods openbaring als de bron van gods-
dienst en wijsbegeerte veelal verminkt en onkenbaar gemaakt.
Door nauwgezette studie, vooral van Plato, ben ik ten
slotte tot het inzicht gekomen, dat èn Plato èn geheel de
Grieksche wijsbegeerte èn de gansche Oudheid zich op Gods
openbaring beroepen als bron hunner hoogere kennis, en
• dat zij dit met recht doen.
Ik ben overtuigd, dat hoeveel gebrekkigs mijn pleidooi voor
deze zienswijze moge aankleven, en hoe veel er in bijzonder-
-ocr page 12-
VOORREDE.
VI
heden in te verbeteren en aan te vullen zal zijn, nogtans de
hoofdgedachte er van waar is en hoe langer zoo meer door
onpartijdige en grondige wetenschappelijke nasporingen als
waar erkend zal worden.
Hierdoor zal eene veel meer ware en heilzame beoefening
der wereldgeschiedenis, der wijsbegeerte en der godgeleerd-
heid worden bevorderd, dan nu algemeen plaats vindt. Ik
wenschte dit in het licht te stellen in een wetenschappelijk
onderzoek , \'t welk ten titel draagt:
GODS OPENBARING de bron van godsdienst en wijsbegeerte
voor !>"1 menschdom.
En ook tot tweeden titel heeft:
GESCHIEDENIS der OPVOEDING des menschdoins door GOD .
tot op de komst van Jezus Christus. Derde deel.
Dit werk sluit zich namelijk nauw aan bij de twee deelen
van mijne Geschiedenis der Opvoeding des menschdoins door God,
in 1846 voor \'teerst, in 1848 andermaal en, zonder de aantee-
keningen , in 1855 voor de derde maal uitgegeven. Het kan
er als eene aanvulling van beschouwd worden.
Stuksgewijze is dit geschrilt reeds sedert 18G9 opgenomen
in het Tijdschrift Waarheid in Liefde, doch nu verbeterd
en aangevuld. Ook zijn in dat Tijdschrift nog verscheidene
verhandelingen, die tot bevestiging van mijne zienswijze kun-
nen dienen,
Gemeenteleden, die mijn boek willen lezen, behoeven zich
niet te. laten weerhouden door de vrees, dat zij het niet zullen
kunnen verstaan. Ik heb zoo duidelijk geschreven, dat elk
beschaafde lezer mij gemakkelijk kan volgen.
Indien de geldelijke opbrengst grooler is, dan tot dekking
der kosten vereischt wordt, zal het voordeel ten bate komen
van het Nederlandsch Zendelinggenootschap. Dit behoeft en
verdient krachtdadige en veelzijdige ondersteuning. En mis-
schien zullen Zendeling-k weekelingen hier het een en ander
vinden, dat hun in hunne opleiding te stade komt.
Groningen , Februari 1885.
P. HOFSTEDE DE GROOT.
-ocr page 13-
INHOUD.
EERSTE VOORLEZING.
De wijsbegeerte der Grieken eene bron van ontwikkeling
niet naast, maar uit Gods openbaring. Plan van deze Voor-
lezingen. De Griekscbe wijsbegeerte gebouwd op Gods open-
baring. Bewijs uit Pythagoras, Socrates, Plato en Aristoteles.
Pythagoras vangt aan van den volksgodsdieust. Hij beroept
zich op openbaring vau God. Niet redeneering over Godheid
en godsdienst wil hij, maar onderwerping er aan . . . bl. 1.
TWEEDE VOORLEZING.
Socrates. Pythagoras priester en wijsgeer, Socrates alleen
wijsgeer. Zijne sterkte is de methode. Hot geweten door hem
gewekt. Gods openbaring bron voor de kennis van de gees-
telijke dingen, zelfs van het staatsrecht. — Plato bezit de
godsdienstige waarheid èn uit Gods openbaring, vooral in
mythen tot ons gekomen , èn uit onze herinneringen uit ons
vroeger leven. Uit wijsgeerige redeneering leidt hij niets
omtrent haar af. Zijne kennis der waarheid vloeit dus niet
uit menschen voort, maar uit God. Men moet haar geloo-
vende en hopende aannemen Ingeving van God ook nu nog
mogelijk. Plato ijvert voor godsdienst en zedelijkheid. Hij
heeft niets tegen de dichting in de godsdienst, maar wel tegen
-ocr page 14-
INHOUD.
VIII
onzedelijke dichting. Hij leidt uit de volksoverleveringen af,
hoe de wereld is geworden, in welken toestand de eerste
inenschen hebben geleefd , hoe er kunsten, staten, recht en
deugd zijn ontstaan, wat de mensehelijke ziel is, dat zij on-
sterfelijk is en dat haar straf of loon wacht. — Plato bij
Joden en Christenen hooger geacht dan eenig ander wijs-
geer................bl. 30.
DEEDE VOOELEZING.
Aristoteles, de man der wetenschap en des begrips, houdt
zich aan het bestaande. Eerbied ook voor de volksoverleve-
ringen bij hem. — Samenvatting van het bij de vier voor-
naaniste wijsgeeren gevondene. De oorsprong, zin en strek-
king van hun beroep op Goddelijke openbaring. Geen schikken
naar volksvooroordeelen. Zij bedoelen ook niet alleen open-
baring van God in de zinnenwereld en in ons hart, maar
buitengewone en uitwendige openbaring. De gronddenkbeelden
over de geestelijke wereld niet afgeleid uit redeneering, maar
uit openbaring. De Oudheid zoekt ware wijsheid, waar-
van Gods openbaring de bron is. Plato\'s Gorgias. De phi-
losophie wijst de redelijkheid van het gelooven aan. Philo-
sopheeren is niet twijfelen en beredeneeren , maar bewonderend
aanschouwen en leeren kennen van bet heelal. De Paedon.
Philosophie is de rationele bevestiging der traditionele over-
tuigingen. Cicero............bl. 65.
VIEEDE VOOELEZING.
De philosophie bij de Ouden eene geheel andere zaak dan
bij de meeste Nieuweren. Oudtijds philosopheerd.e men voor
het leven en den Staat, niet voor begrip en school. Er was
eenheid voor den Staat, en dus ook voor den staatsgodsdienst.
Men erkende het gebrekkige daarin, doch wilde haar niet
sloopen, gelijk Euemerus. Verbetering, zou door eene too-
komstige openbaring worden aangebracht. De Oudheid was
onvoldaan met zich zelve. De Grieksche Wijsgeeren erkennen
-ocr page 15-
INHOUD.
IX
als supranaturalisten Gods openbaring in het verledene, tegen-
woordige en toekomende. Vergelijking van hen met Israëls
Profeten...........• . . . bl. 100.
VIJFDE VOORLEZING.
Er heeft nooit ergens een natuurlijke godsdienst bestaan.
Alle godsdiensten beroepen zich op eene goddelijke openbaring,
als hunne bron. Deze openbaring bestond eerst in den omgang
van goddelijke wezens met de menschen in de gouden eeuw.
Daarin stemmen de overleveringen aller volken overeen, ook
in velerlei andere zaken, in taal, wetgeving, godsdienst,
fabelen. — Griekenland had de beginselen zijner beschaving,
het letterschrift, de kolonisten, zijn godsdienst uit Phenicië
en Egypte. Mogelijke invloed van Jakob, Jozef en Mozes op
Egypte. Reizen van Grieksche geleerden naar Phenicië en
Egypte...............bl. 132.
ZESDE VOORLEZING.
Pythagoras. Zijne afkomst van Samos. Reizen naar Pheni-
cië en Egypte. Inwijding in de priesterkaste. Wegvoering
naar Babel. Omgang met Zoroaster en met Israëlieten. Terug-
keer naar Griekenland. Vestiging op Samos. Vertrek naar
Croton. Indruk van zijn optreden. Huwelijk met Theano.
Opvoedingsgesticht. Zijn onderwijs. Zijn Gulden Spreuken.
Verjaging van Pythagoras en de zijnen. Vestiging te Tarente.
Vlucht naar Megapont. Dood.
Vóór Pythagoras heerschte in Griekenland nacht. Hij werd
de grondvester van wijsbegeerte en wetenschap. Invloed van
hem op de latere eeuwen, ook nog op de onze . . bl. 161.
NASCHRIFT
bl. 209
-ocr page 16-
-ocr page 17-
EERSTE VOORLEZING.
De wijsbegeerte der Grieken eene bron van ontwikkeling niet naast,
maar uit Gods openbaring. Plan van deze Voorlezingen.
De Grieksche wijsbegeerte gebouwd op Gods openbaring. Bewijs
uit Pythagoras
, Socrates , Plato en Aristoteles. Pythagoras
vangt aan van den volksgodsdienst. Hij beroept zich op open-
baring van God.
Aïef redeneering over Godheid en gods-
dienst wil hij, maar onderwerping er aan.
Mijne Hoeren !
In mijne Geschiedenis der opvoeding des menschdoms door God
tot op de komst van Jezus Christus
heb ik als de twee hoofd-
bronnen voor die opvoeding voorgesteld: Gods openba-
ring, welke eerst aan de stamouders des menschdoms, van
Adam tot Noach, en later door Abraham, Mozes en de Profeten
aan Israël was gegeven, en de wijsbegeerte der
Grieken, die zich, vooral sedert Pythagoras en Socrates,
als een zelfstandige vrucht des menschelyken geestes had
ontwikkeld. Deze twee bronnen heb ik naast, niet tegen-
over elkander gesteld, als twee van elkander onafhankelijke
zaken. Zij waren mij twee bronnen, waaruit twee ver-
schillende rivieren ontsprongen, die zich later in één stroom
vereenigden.
Het Oosten of Azië was mij het land van het gevoelende
hart, het Westen of Europa het land van den denkenden
geest \')• »Eindelijk," zeide ik, >toen het Oosten en Wes-
1
-ocr page 18-
2
EERSTE VOORLEZING.
ten, elk op zich zelf, zich zoo ver hadden ontwikkeld, als
zij konden , wilde de hemelsche Opvoeder het gevoel van
het eene met den geest van het andere verbinden, om uit
deze verbindtenis hooger ontwikkeling en veelzydiger bescha-
ving te doen ontspruiten voor deze beide soorten van natiën,
dan ieder alleen ooit zou hebben kunnen erlangen."
Later2) heb ik de Grieken niet alleen van de Ooster-
lingen, maar ook van de overige hun zeer verwante Wes-
terlingen onderscheiden, door hen een volk van een schep-
penden geest te noemen. » Homerus," merkte ik op,
„schept zich uit de overleveringen omtrent den Tïojaanschen
oorlog eene dichterlijke wereld van Goden en helden. Na hem
scheppen de kunstenaars tempels en standbeelden, de dich-
ters vele nieuwe soorten van poëzie, de wetgevers ongekende
staatsregelingen, de wijsgeeren beelden van volmaakt wijze
menschen en volmaakt goede staten. En deze allen scheppen
op hunne wijze onoverlroflene, ja in menig opzicht nooit
geëvenaarde meesterstukken, die der menschheid op aarde
misschien altijd tot leering en voorbeeld zullen zijn. Door
dezen scheppenden geest staan de Grieken eenig in de ge-
schiedenis der wereld."
Vervolgens heb ik in al deze zoo even opgenoemde punten
de scheppende kracht van het Grieksch genie doen uitkomen,
vooral ook in de wijsbegeerte 3). >De spreuk, die het ken-
merk der Oostersche (met name der Israëlietische) wijsheid
is, luidt aldus: »De vreeze des Heeren is het beginsel der
wijsheid;" de spreuk, die de Grieksche wijsheid en wijsbe-
geerte kenteekent, en dus ook op den beroemdsten hunner
tempels was gegrift, is deze: „Ken u zelven."
Over \'t geheel deed ik de godsdienstige strekking dier
wijsbegeerte wel uitkomen; maar was het toch bij mij vaste
overtuiging, dat, gelijk Israël zijn godsdienst had uit Gods
openbaring, zoo de Grieken hunne wijsbegeerte uit mensche-
lyk nadenken \'\'). Ik heb dus de bedenking gemaakt s), hoe
-ocr page 19-
GRONDSLAG DER ORIÈKSCHE WIJSBEGEERTE.                 3
het te pas kon komen, dat ik in eene geschiedenis der op-
voeding des menschdoms door God zoo lang stilstond bij
der Grieken ontwikkeling, aangezien bij hen nergens eenig
spoor is van onmiddellijke openbaring of medewerking van
God, en alles veeleer eene opvoeding des menschdoms door
zich zelf schijnt te vertoonen. Deze bedenking meende
ik te kunnen oplossen door de opmerking, dat in elke wijze
opvoeding twee krachten werkzaam zijn , die des opvoeders
en die des kweekelings, en dat deze, zal de opvoeding ge-
lukken , niet altijd alles van den opvoeder moet ontvangen,
maar ook aan zich zelven moet overgelaten worden, althans
schijnbaar. Zoo had God de Heidenen, ook de Grieken ,
schijnbaar laten wandelen op hunne wegen , opdat zij het
zoo verre mochten brengen , als zonder onmiddellijke hulp
van God mogelijk was, ten einde deze hulp in Jezus Christus
eerst dan te schenken, als het bleek, dat zij, na de eigene
ontwikkeling van al hunne krachten, Gods hulp niet konden
ontberen en derhalve deze nu ook zouden willen aannemen.
Bij Pythagoras en Plato heb ik intusschen den godsdien-
stigen geest der Grieksche wijsbegeerte sterk doen uitkomen.
Bij Plato lang stil staande heb ik ook veel overeenkomst in hem
met den Bijbel, bijzonder met Mozes, opgemerkt0); maar
altijd zonder het vermoeden te uiten , of hetzij Pythagoras ,
hetzij Plato ook aan Gods openbaring, in den Bijbel mede-
gedeeld, iets konden ontleend hebben. Zelfs het tegendeel
heb ik nu en dan te kennen gegeven. Ik heb het uitge-
sproken\'): »Gij zult zien, dat de meeste gronddenkbeelden,
die ons in de Israëlietische en Christelijke godsdienst histo-
risch worden gegeven, door Plato wijsgeerig zijn ge-
vonden of vermoed."
In dit alles was ik ten deele niet waar, ten deele onvol.
ledig. Wat ik zeide, was niet geheel waar, en er was ook
meer waar, wat ik ook reeds vóór veertig jaar had kunnen
opmerken. Maar mijne oogen waren toen daarvoor gesloten,
1*
-ocr page 20-
4
EERSTE VOORLEZING,
even gelijk die van genoegzaam alle andere geleerden dit
tot op dien tijd waren, en ook nog in onzen tijd zijn. In
die verblinding werd ik door het gezag van die geleerden
bevestigd; ook is er door mij toen iets gezegd, dat bepaald
onwaar is 8): »God verwekte Socrates, om den mensch te
leeren in zich zei ven in te keeren, en in plaats van den
leidsman buiten zich, de gewoonte of het volksgeloof, een
leidsman in zich te vinden , de rede, en wel de rede, die
zedelijkheid en godsdienst als het hoogste en beste voor den
mensch eerbiedigt, en dus deze zelfstandig zoekt te kennen
en te volgen. Zoo nam door hem de jeugdige wijsbe-
g e e r t e de plaats in , althans bij de kern der natie , van
de afgeleefde volksgodsdienst."
Zóó sprak ik toen. Ik dwaalde met velen. Thans denk
ik anders. De oogen zijn mij sedert eenige jaren open ge-
gaan. Nu zie ik klaar en helder, dat deze tegenoverstelling
van wijsbegeerte en volksgodsdienst aan Socrates hoewel
door allen , toch ten onrechte wordt toegeschreven, en dat
in \'t geheel er aan die algemeen heerschende voorstelling ,
alsof wijsbegeerte en godsdienst bij de Grieken tegenover
elkander stonden, veel ontbreekt. Dit wil ik nu aanvullen.
Meende ik, dat vooral Mozes, als tolk van Gods openbaring,
en Plato, als woordvoerder van \'s mensch en wijsbegeerte,
de voorname wegbereiders voor Jezus Christus waren: thans
zie ik in, dat ook Plato\'s wijsbegeerte en alle Grieksche
wijsheid steunde op Gods openbaring , eerst aan de stam-
ouders van ons geslacht en voorts aan Israël gegeven, zoodat
ten slotte Mozes de geschiedkundig-godsdienstige en Plato de
wijsgeerig-godsdienstige tolk is van ééne en dezelfde zaak»
van Gods openbaring.
Gij verwondert u, Mijne Hoorders! en — gelooft mij
misschien niet. Hoe zou ik u dit ten kwade duiden ? Meer
u verwonderen , dan ik vroeger deed , kunt gij niet. En
ongelooviger, dan ik was, toen ik tot dit inzicht kwam,
-ocr page 21-
GRONDSLAG DER GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.                  5
kunt gij niet zijn. Ik bid u alleen, schort uw oordeel op,
totdat gij eerst èn mijn denkbeeld èn deszelfs gewicht be-
grijpt, zoo als ik beide eerst ter inleiding zal aanduiden, en
totdat gij daarna de voorstelling van mijn denkbeeld en de
aanwijzing van deszelfs waarheid geleidelijk hebt gevolgd.
Gedurende vele eeuwen was het een algemeen gevoelen,
dat alleen de Israëlieten het voorrecht hadden genoten, Gods
openbaring te bezitten en door God te worden geleid en
opgevoed; terwijl de Heidenen hunne eigene wegen be-
wandelden. Toen mijne Geschiedenis der opvoeding des mensch-
doms door God
uitkwam, keurde een vrijzinnig geleerde, zoo
als Dr. I. van Gilse zich steeds betoonde, den hoofdinhoud
er van af, dewijl ik die opvoeding ook uitstrekte over de
Heidenen. Thans wordt door vele wysgeeren en ge-
schiedsch rij vers, ja ook door christelijke godgeleerden be-
weerd, dat Israëlieten en Heidenen gelijk gesteld moeten
worden, dewijl het ééne volk evenmin als het andere door
God is opgevoed, maar allen zich door zich zelve
hebben ontwikkeld. Aan eene bijzondere leiding door God
zou dus bij geen volk, ook niet bij Israël meer te denken
vallen, maar dan ook aan geene eigenlijk gezegde openbaring
of opleiding of tusschenkomst van God in de lotgevallen der
menschheid, veelmin aan eenig onderwijs, door hemelboden
gegeven, om eene openbaring van God in groote feiten, b. v.
in de schepping, gegeven aan te wijzen en uit te leggen;
terwijl de Profeten in Israël, die zeiden door God gezonden
te zijn, dit alleen in zooverre waren, als zij eene hoogere,
hun eigene geestkracht in zich zelve voelden werken. Gelijk
alle wijsbegeerte zou dan ook alle godsdienst, ook het
Christendom zelf, alleen eene van zelf gewordene ontwik-
keling zijn van de natuurlijke, den mensch verleende krach-
ten. Alzoo wordt het supranaturalisme of de denkwijze, dat er
hoogere dan eindige, dat er bovennatuurlijke Machten in
-ocr page 22-
6
EERSTE VOORLEZING.
de wereldgeschiedenis werken, als ongegrond verworpen, en
treedt het naturalisme, of de denkwijze, dat alles uit de,
hoe dan ook ontstane (misschien nog wel door God gescha-
pene) natuur voortkomt, en dat er niets dan eindige oorza-
ken in de wereldgeschiedenis werkzaam zijn, bij de meesten
als de uitkomst der wetenschap tijdelijk in eere en in heer-
schappij op het tooneel der wereld. Dit naturalisme kan
men ook rationalisme noemen, in zooverre als de ratio of
de menschelijke rede alle dingen navorscht, doorziet, uitlegt,
waardeert, en ten laatste als de slotsom harer werkzaamhe-
den, beide èn wijsbegeerte èn godsdienst, voortbrengt.
Aan deze zienswijze geef ik in zooverre thans mijn bijval,
als zij Israëlieten en Heidenen vrij wat gelijk stelt. Doch in
zooverre kom ik er beslist tegen op, als zij bij beiden na-
turalisme vindt, terwijl ik bij beiden supranaturalisme zie-
Tot dit inzicht ben ik gekomen door het onbevooroordeeld
bestudeeren der voornaamste Grieksche wijsgeeren zelve,
vooral door mij te verdiepen in Plato. Nooit heb ik gehecht
aan de beschuldiging der Kerkvaders, dat de Philosophen
hunne wijsheid van de Profeten hadden gestolen9). Van
oneerlijkheid en bedrog kan hier geene sprake zijn. Maar
sedert eenige jaren heb ik, door voortgezette studie, leeren
opmerken en begrijpen, wat de Grieksche denkers zelve
over deze zaak zeggen. Hoe ? vroeg ik mij, zouden zij zelve
erkennen, dat de grondslag hunner wijsbegeerte is de open-
baring van God ? Hoe, indien, wat zij erkennen, van alle
kanten beschouwd, eens bleek waar te zijn?
En beide is zeker. Vooreerst: zij erkennen het, en verder:
het is naar. waarheid, dat zij het erkennen.
Indien iemand in staat is, dit overtuigend aan te toonen,
moet er op den duur noodwendig eene geheele omkeering
tot stand komen in de beschouwing der wijsbegeerte, der
godgeleerdheid en der godsdienst. Zoo toch de meest gevor-
derde wijsbegeerte, de Grieksche, steunt op Gods openba-
-ocr page 23-
GRONDSLAG DER GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE. 7
ring, dan zal wel geene philosophie, die Gods openbaring
voorbij ziet, goed kunnen uitvallen. Indien geene wijsbegeerte
kan slagen, welke dezen bodem van Gods openbaring ver-
laat, dan kan voorzeker althans geene godgeleerdheid be-
staan, die dit waagt. En z\'yn deze theoretische zaken,
philosophie en theologie, uit Gods openbaring ontsproten,
dan ten minste de practische godsdienst, welke alsdan bij
geene mogelijkheid enkel een vrucht van \'s menschen
eigen denken en gevoelen kan z\'yn.
Ook op de beschouwing van het Christendom en van het
Mozaïsme, en dus van den geheelen Bijbel, ja zelfs op de
behandeling der wereldgeschiedenis moet de invloed van deze
zienswijze, is zij eenmaal algemeen geworden, onbereken-
baar groot zijn. Bestaat er een God, die zich aan geheel
het menschdom heeft geopenbaard en nog openbaart, om
het op te voeden en te vormen, en is de erkentenis en
eerbiediging van deze openbaring de hoofdkracht ter ontwik-
keling van de menschen in \'t algemeen en van iederen
enkelen mensch in \'t bijzonder: dan mag en kan en zal die
openbaring niet langer worden voorbij gezien noch door de
godgeleerden, noch door de bijbelvorschers, noch door de
geschiedschrijvers der wereld en der wijsbegeerte, die op
haar zullen moeten letten, om de raadselen der wereld te
kunnen oplossen. Eindelijk, ook op de beschouwing van
deugd en recht moet het overgrooten invloed hebben , als
eens algemeen erkend wordt, dat ook zij afhangen van Gods
wil en openbaring. Ja, geene wetenschap is er, of zij zal
er de kracht van ondervinden.
Welnu, de leermeesteresse der wijsheid, de geschiedenis,
zal ons onderrichten en de wijsbegeerte zelve het bevestigen,
dat het alzoo met deze dingen gesteld is, dat èn godsdienst
èn godgeleerdheid èn zelfs wijsbegeerte èn elke hoogere
wetenschap, voorzoover zij heeft kunnen bloeien en vrucht
dragen, is geworteld geweest in Gods openbaring: in de
-ocr page 24-
8
EERSTE VOORLEZING.
openbaring van God, aan de stamouders des menschdoms
gegeven, gegeven in groote feiten, van de schepping af,
die door goddelijk onderwijs verklaard zijn, gegeven aan het
oudere Israël en op volkomen wijze aan het nieuwere Israël
en aan geheel het menschdom door Jezus Christus.
Als een zelfstandige arbeid, maar ook als aanvulling en
ten deele als verbetering van mijn vroeger werk wil ik dit
thans uiteenzetten. God geve mij daartoe licht en kracht,
en doe mijne pogingen ten nutte strekken van zijne kin-
deren, die Hij allen lief heeft en opvoedt tot zijne ge-
meenschap I
Ik stel my voor, de aanvaarde taak zoo te behandelen,
dat ik eerst aanwijs, wat de geschiedenis leert. Hiertoe is
mijn plan, dat ik vóór alles uit vele getuigenissen van de
beroemdste Grieksche wijsgeeren zelf mededeel en aantoon,
dat zij werkelijk en naar waarheid hunne wijsbegeerte op
Gods openbaring bouwden; dat ik daarna dit hun beginsel
uit geheel hun doel en zienswijze toelicht; en voorts uit de
wereldgeschiedenis de waarheid hunner getuigenissen bevestig.
Doch bij de wijsbegeerte alleen wil ik mij niet beperken;
ook de godsdienst moet zijn deel hebben. Het moet blijken,
dat ook hij in waarheid uit Gods openbaring is geboren en
zijn kracht en leven verliest, wanneer hij deze geboorte uit
God ontkent of voorbijziet.
Heb ik dit aangewezen, dan is de zaak voldongen. Moge
er in bijzonderheden zeer veel zijn bij te voegen en te wij-
zigen en ook te verbeteren, het groot geheel staat dan on-
wrikbaar vast: er bestaat in waarheid eene openbaring van
God, en deze is voor wijsbegeerte en godsdienst beide altijd
onmisbaar. Hiermede is dan een grondslag ten deele her-
wonnen , ten deele nieuw gewonnen voor den vooruitgang
des menschdoms op wetenschappelijk, godsdienstig, zedelijk
-ocr page 25-
GRONDSLAG DER GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.               9
en elk ander gebied; een grondslag, welke door het voor-
bij zien of wel loochenen van Gods openbaring in onze dagen
ons dreigde te ontzinken.
Vooreerst is nu mijne taak, uit vele getuigenissen van
de beroemdste Grieksche wijsgeeren zelve aan te toonen,
dat zij hunne wijsbegeerte op Gods openbaring bouwen.
Wat ik hiermede bedoel, moet ik echter eerst een weinig
omschrijven.
Als ik zeg, dat die wijsgeeren hun onderwijs bouwden
op Gods openbaring, bedoel ik, dat zij zelve het gebouw
zelfstandig optrokken, en dat hunne wijsbegeerte der-
halve hun werk is; maar dat zij, als zijnde zich niet
zelfgenoegzaam, tot grondslag, waarop zij hun stelsel
plaatsten, Gods openbaring bezigden. Er is tusschen z e 1 f-
standigheid en zelfgenoegzaamheid een groot
verschil. Zelfstandigheid is het staan op eigene voeten»
waartoe hulp van anderen eerst onmisbaar is; zelfgenoeg-
zaamheid is, aan zich zelven zoo veel te hebben, als men
noodig heeft, zoodat wij geene hulp van elders nu behoeven
of vroeger genoten hebben, om alzóó te zijn of te worden.
Zelfstandig is de Grieksche wijsbegeerte voorzeker, daar z\\j
eigene inzichten volgt; zelfgenoegzaam zou zij wezen, als
zij deze inzichten zonder medehulp van elders, waarop zij moet
steunen, had verkregen en vasthield.
Zelfstandigheid wordt door allen aan de Grieksche wijs-
begeerte toegekend, ook door mij. Maar door bijna allen
wordt haar thans ook zelfgenoegzaamheid toegeschreven, en
deze hoop ik te toonen, dat zij zich zelve niet toekent, en
zij zich ook niet naar waarheid zou kunnen toekennen.
Ja, de wijsbegeerte der Grieken is hun eigen werk, maar
de belangrijkste denkbeelden, waarover deze handelt, namen
zij eenvoudig uit Gods openbaring over, zonder ook maar
den schijn aan te nemen, alsof zij die uit eigen nadenken
-ocr page 26-
10
EERSTE VOORLEZING.
hadden gevonden. Veel spreken zij over God, over den
oorsprong aller dingen, over den aard en de bestemming
des menschen, over zijne betrekking tot God en over andere
dergelijke grondvragen voor alle wijsbegeerte en godgeleerd-
heid. Maar de oudste en beste Grieksche wijsgeeren, de
voorgangers en leermeesters aller volgende, doen geene po-
gingen, om op die vragen een eigen antwoord te vinden,
dan in zooverre zij trachten, hetgeen, naar hun inzien, de
Godheid daarover heeft geopenbaard, eerst op te diepen en
dan te begrijpen.
De Godheid, erkennen zij, heeft er zich over geopenbaard
en heeft er onderwijs over gegeven aan de voorgeslachten,
vooral aan de stamouders der menschen. Wat de Godheid
daarover heeft bekend gemaakt, willen zij uitvorschen,
zoeken te verstaan en eerbiedig aannemen. Kortom, zy
willen, om het tegenwoordig spraakgebruik over te nemen,
in hunne godgeleerd-wijsgeerige zienswijze geene rationalisten
of naturalisten zijn, maar geheel en al supranaturalisten.
Met dit uit te spreken, verklaar ik iets, dat in lijnrechten
strijd is tegen de thans genoegzaam algemeene zienswijze over
de wijsbegeerte. Een onzer meest geachte vaderlandsche god-
geleerden zeide voor eenigen tijd 10) in een opstel, waarin
hij het geloof op gezag als noodwendig verdedigt: „De
wijsbegeerte kwam van den mensch, zoowel de wijs-
heidspreuken der Hebreen als de stelsels der Grieksche .*#*»
wijzen; maar den godsdienst vinden wij overal en altijd
uit den hemel afgeleid." In deze woorden spreekt hij uit,
wat bijna elk als waar aannam. Nu zal het blijken, dat
even als de godsdienst, ook de wijsbegeerte der Grieken,
wat grondslag en hoofdzaak betreft, door de Grieksche wijs-
geeren zelve, en dat terecht, uit den hemel wordt afgeleid.
Doch in hoe verre bestond er dan eene openbaring van
God, waarvan de Grieksche philosophen mogelijkerwijze ken-
nis kunnen verkregen hebben ? Er bestond zulk eene open-
-ocr page 27-
GRONDSLAG DER GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.              11
baring van God, van Adam af tot Noach en den verhinder-
den torenbouw te Babel toe, eene openbaring, waarvan de
brokstukken nog duidelijk zichtbaar zijn in de godsdienstige
overleveringen, geschiedkundige herinneringen en in steen
bewaarde gedenkstukken van alle eenigszins ontwikkelde
volkeren ").
Als bestanddeelen dier openbaring moeten wij wel onder-
soheiden tusschen de groote daden van God en het van God
gegeven onderwijs daarover. Eene reeks van groote daden
is door God verricht, b.v. de schepping des heelals, met name
der menschen, hunne plaatsing in het paradijs en verdrijving
daaruit, de verdelging des zondigen menschdoms door den
grooten watervloed, de redding van één huisgezin daaruit,
de verstrooing der menschen over de aarde, de afzondering
en leiding van Israël.
Doch deze groote daden zouden onbegrepen aan de men-
schen zijn voorbij gegaan, indien God ze niet door eenig
onderwijs had verstaanbaar gemaakt. Hoe dit is gegeven,
weten wij niet; wel, dat het gegeven is. Gissen kunnen
wij, dat een Engel nu en dan zichtbaar aan de eerste
menschen is verschenen, hen heeft geholpen, om, eerst
door de naamgeving aan de dieren, te leeren spreken, hun
eene mededeeling of liever aanschouwelijke voorstelling heeft
gegeven van deze zaak, dat God alles heeft geschapen»
voorts het verbod, om van zekeren boom te eten, hun
bekend gemaakt; de ondervraging ingesteld na de overtreding
van dit verbod; de samenspraak met Kaïn gehouden; het
bevel gegeven aan Noach, om een vaartuig te bouwen, en
dergelijke dingen meer.
Er bestaat waarschijnlijkheid voor deze gissing, vooral in
zooverre zij wordt afgeleid uit de verschijning van een Engel
aan Mozes in den lichtenden braambosch ; deze Engel spreekt
(2 Moz. 3: 4 en verv.), alsof hij zelf de Heer ware, wiens
vertegenwoordiger hij was. Wij mogen hieruit opmaken,
-ocr page 28-
12
EERSTE VOORLEZING.
dat in de oudere verhalen, waar van God of Goden (Elohim)
wordt gesproken, Engelen zijn bedoeld. — Doch dit is voor
ons doel geen hoofdzaak.
Van deze groote daden nu, door God verricht, en mede
van het onderwijs ter harer verklaring, door God gegeven,
hebben wij niet alleen berichten in de eerste hoofdstukken
van onzen Bij bel, maar ook overleveringen en herinneringen,
gelijk bij alle volkeren, zoo ook bij de Grieken en bij de
Grieksche wijsgeeren. En wel verre, dat deze wijze mannen
ze uit der hoogte zouden hebben verworpen of ook maar
voorbijgezien, hebben zij ze uit volle overtuiging, wat haar
kern en hoofdinhoud betreft, als waar erkend en ten grond-
slag voor hunne wijsgeerige onderzoekingen gelegd.
Ik vertrouw nu duidelijk genoeg te hebben omschreven,
wat ik bedoel, als ik zeg, dat de Grieken hunne wijsbe-
geerte op Gods openbaring bouwden. Ééne zaak blijft nog
onverklaard, waarom ik van die openbaring spreek als niet
alleen aan onze stamouders, maar ook aan Israël gegeven.
Met recht kunt gij vragen , wat dit laatste beteekene.
Doch dit kan ik vooralsnog niet nader ophelderen, dan met de
opmerking, dat het ons blijken zal, dat do Grieksche wijsgeeren
de eerste openbaring aan de stamouders hebben leeren kennen
ook uit de berichlen, daarover inlsraëls heilige boeken bewaard.
Het bijgebrachte zij vooreerst genoeg, zoodat wij nu kun-
nen overgaan, om, uit vele getuigenissen van de beroemdste
Grieksche wijsgeeren zelve, mede te deelen en aan te toonen,
dat zij op Gods openbaring, voor zooverre hun deze bekend
was, hunne stelsels bouwden.
Om deze taak te volvoeren, zal ik u bepalen bij de vier
groote mannen, die als vertegenwoordigers der Grieksche
wijsgeeren mogen gelden, Pythagoras, Socrates, Plato en
-ocr page 29-
GRONDSLAG DER GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.              13
Aristoteles, en deze, wat ons onderwerp betreft, volledig
laten hooren. Want eene bloemlezing van velerlei gezegden
uit alle wijsgeeren op te maken, zou wel gemakkelijk te
leveren zijn, maar niets of ten minste weinig afdoen. Er
zou niet uit blijken, of zij niet misschien, om zich naar de
volksvoordeelen te schikken, aldus hadden gesproken. Zoo
men zekerder wilde gaan en nu alle Grieksche wijsgeeren,
of, zoo niet alle, ten minste alle voortreffelijken onder hen,
in den geheelen samenhang hunner denkbeelden over deze
zaak raadplegen, zou men zich aan noodelooze omslachtigheid
schuldig maken. Beter is het niet te gewagen van hen,
die vóór Pythagoras bloeiden en hunne inzichten wel mede-
deelden, doch meer stamelend dan sprekend; als ook niet
van hen, die na Aristoteles hunne voorgangers wel in eenige
bijzonderheden verbeterden, maar toch in \'t algemeen slechts
in de verte volgden en niet bereikten. Zoo zal ik dan alleen
de voornaamsten raadplegen, de toongevers en meesters der
overigen, maar die ook volledig. Hebben toch deze mannen
Gods openbaring aan de stamouders des menschdoms tot
grondslag hunner wijsbegeerte gelegd, dan ligt voorzeker
dezelfde grondslag ook bij hen , die op de gronddenkbeelden
van dit viertal hunne stelsels bouwen.
Luisteren wij nu naar die hoofden der Grieksche wijsgeeren,
dan hooren wij het hen in bepaalde, ronde en duidelijke
woorden dikwijls uitspreken, dat zij zich in hun denken
over goddelijke dingen, over de Godheid en der menschen
betrekking tot de Godheid niet verlaten op eigen redenee-
ring en inzicht, maar op Gods openbaring.
Immers zij zoeken geene bewijzen, om als slotsom eener
redeneering op te maken, dat er Goden of hoogere Machten
zijn, dat deze zorg dragen voor de menschen, dat de mensch
zedelijk vrij is en verplicht is de Goden te vereeren, dat hij
onsterfelijk is en hiernamaals vergelding heeft te wachten \'*).
Al deze denkbeelden nemen zij als waar over uit de volks-
-ocr page 30-
14
EERSTE VOORLEZING.
godsdienst, daar deze steunt op de openbaring der God-
heid zelve aan de voorgeslachten gegeven. Zij nemen ze
over, zonder aan de waarheid er van te twijfelen. Het
hoogste is, dat zij ze als redelijk en nuttig aanprijzen.
Meestal echter staat dit redelijke en nuttige bij hen zoo
vast, dat zij de aanprijzing van die denkbeelden niet eens
noodig achten.
Daarom hielden zij zich echter niet aan al de opsieringen
en fabelen over de Goden, welke de dichters aanboden.
Hierin zagen zij veel onzuivers en onwaardigs. Maar toch
was de kern en hoofdinhoud der volksgodsdienst bij hen
zeker en waar. Dit spraken zij gedurig uit, niet om zich,
door de volksmeeningen te ontzien, tegen vervolging te
vrijwaren; maar als eene vrije, welgegronde en helder door-
ziene eigene overtuiging.
De geheele verwerping van de volksgodsdienst of het al-
gemeen ongeloof is in Griekenland eerst verbreid door Eueme-
rus, die in de derde of tweede eeuw vóór Christus leefde,
en Griekenland rondreisde, om uit overleveringen en gedenk-
teekenen op te maken, dat zij, die als Goden werden ver-
eerd, deze eer niet verdienden, daar men eenvoudig men-
schen tot Goden had gemaakt. In zijne aanwijzingen was
veel waarheid, doch hare bekendmaking schaadde, dewijl hij,
in stede van het bijgeloof, niet een welgegrond geloof, maar
ongeloof deed ontstaan. Immers hij had dien invloed, dat eerst
het geloof aan den volksgodsdienst en weldra het geloof aan
alle godsdienst uit de beschaafde kringen verdween. — Maar
de oudere wijsgeeren, en met name het viertal, dat ik wil
beschouwen, dachten niet als Euemerus. Zij stelden vertrou-
wen op de openbaring van God, waarvan de volksgodsdienst,
zoo bij hen als bij andere natiën, de hoofdzaak had bewaard.
De eerste wijsgeer, op wien ik uwen blik vestig, is
Pythagoras, die in de zesde eeuw voor Christus bloeide. Ik
-ocr page 31-
PYTHAGORAS.                                            15
herhaal niet, wat ik vroeger over hem schreefl3). Toen
hij, na vele reizen in Egypte, Babylonië en Griekenland
zich eindelijk in zijn zestigste levensjaar te Croton in Zuid-
Italië neerzette, begon hij , om ter hervorming van de be-
volking te kunnen werken, met toespraken tot de ver-
schillende klassen der maatschappij te houden. Deze toe-
spraken zijn eigenlijk preeken, de oudste proeven van gods-
dienstige welsprekendheid onder den Grieken, gelijk deze nu
nog vooral door de christelijke godsdienstleeraars wordt be.
oefend. Immers ze zijn geene wijsgeerige uiteenzettingen
van verhevene denkbeelden en heilige plichten, uit de rede
afgeleid, maar stichtelijke opwekkingen, die op de bestaande
godsdienst en wetgeving steunen, even als onze preeken op
Bijbel en Evangelie.
Pythagoras wendde zich eerst tot de jeugd, welke in eene
school voor gymnastie bijeen was, ten einde haar tot bezoek
van zijn onderricht uit te noodigen. Zijne opwekking was
geheel en al gebouwd op de bestaande godsdienstige volksover-
tuigingen. Volgens het bericht van zijn levensbeschrijver 14)
zeide hij, dat in de wereld en het leven, in de steden
en de natuur, het oudere wordt geëerd boven het in tijd
latere, de opkomst boven den ondergang, de morgen boven
den avond, het begin b\'oven het einde, de wording boven
het bederf. Desgelijks zijn de oorspronkelijke bewoners meer
dan de aankomelingen, en even zoo staan boven de volk-
planters hunne aanvoerders en de stichters der staten. Maar
in \'t algemeen zijn nu de Goden boven de Demonen ver-
heven, deze boven de Halfgoden, en de Helden (of Halfgoden)
boven de menschen, en bij deze de ouderen boven de jongeren,
hunne kinderen. Na verder op den grooten eerbied, welken
wij aan onze ouders schuldig zijn, te hebben aangedrongen,
zeide hij, dat den Goden die eerbied welgevallig is, dewijl
wij juist van onze ouders geleerd hebben, de Godheid zelve
te eeren. Daarom heeft dan ook Homerus den koning der
-ocr page 32-
16
EERSTE VOORLEZING.
Goden geëerd, door hem den Vader der Goden en der
menschen te noemen. Voorts beroept zich Pythagoras op
Zeus (Jupiter), Juno en Hercules en op het orakel te Delphi,
alles bouwende, gelijk men ziet, op de godsdienstige, in
de mythologie nedergelegde, volksovertuigingen.
Zoo gunstig was de indruk van Pythagoras\' eerste rede,
tot de jeugd gehouden, dat de Raad der duizend, die uit
de regeerende hoofden der burgerij bestond, hem uitnoodigde,
ook in hun midden zijne inzichten bloot te leggen. Hieraan
voldoende plaatste hij zich weder op den bodem van den be-
staanden godsdienst. Hij vermaande den Raad \'•) een tempel
voor de Muzen te bouwen, tot behoud der harmonie in de stad,
en vooral het recht te handhaven. „Want de menschen,"
zeide hij, „ wetende, dat er overal behoefte aan rechtvaar-
digheid is, hebben de mythe gemaakt, dat Themis bij Jupi-
ter, Diké bij Pluto en de Wet bij de Stalen dezelfde plaats
innemen, opdat het duidelijk blijke, dat hij, die het recht
niet handhaaft, waartoe hij gesteld is, de geheele wereld-
orde verstoort. Het betaamt derhalve den Raad, den naam
van geenen God in den eed te misbruiken en verder zijne
woorden zoo in te richten, dat zij ook zonder eeden te ver-
trouwen zijn."
Spreekt Pythagoras hier van een „mythe maken," later
zullen wij zien, dat mythe in zulk een samenhang inkkeding
beteekent, d. i. zinnelijke voorstelling van eene geestelijke
waarheid. Wat nu Themis, Diké en de Wet betreft: bij den
hoogsten God in den hemel (Zeus , Jupiter) is Themis de god-
delijke wereldorde; bij den God der onderwereld (Pluto) is
Diké de vergeldende regtvaardigheid; in de Staten op aarde
is de Wet de menschelijke staatsorde.
Men ziet, Pythagoras bouwde ook in den kring der be-
schaafden de publieke zedeleer op de publieke, van ouds
overgeleverde godsdienst. Hij gaf verder opwekkingen, om
het huiselijk leven en het huwelijk heilig te achten. Eene
-ocr page 33-
PYTHAGORAS.                                            17
der beweegredenen hiertoe was, „dat zij hunne vrouwen
van haren ouderlijken haard voor het oog der Goden met
offers in hun huis hadden gevoerd,"
Daarna hield Pythagoras nog eene derde toespraak tot de
knapen in den tempel van Apollo, en eene vierde tot de
vrouwen in dien van Juno. Beide waren mede op den grond-
slag van den volksgodsdienst gebouwd. De woorden zal ik nu
niet verder aanhalen. Wie ze naleest l0), zal erkennen, dat
zij door en door godsdienstig zijn.
Na deze uitnoodigingen, tot allen gedaan, begon Pytha-
goras met het geven van onderwijs aan hen, die zich aan
hem wilden toevertrouwen. Het was in denzelfden geest,
zoo wel het meer bijzondere en ontwikkelde, \'t welk hij
aan zijne eigenlijke leerlingen gaf, als het meer algemeene
en oppervlakkige, dat hij gaf aan de overigen, die hem
wilden hooren. Men mag dus niet onderstellen , dat de wijsgeer
om des volks wille zoo sprak, zonder het zelf te gelooven.
Neen, het was blijkbaar zijne eigene, volle overtuiging.
Dit ziet men vooral uit hetgeen wij weten van zijn op-
voedingsgesticht op een landgoed, niet verre van Croton,
in het voormalige gebied van Sybaris. Daar had hij zijne
eigenlijke leerlingen bijeen. "Welnu, hoe ving hij daar het
onderwijs aan? Met onderzoeken en bewijzen? Neen, met
het inprenten van zedelijke en godsdienstige grondbeginselen,
welke zij van buiten moesten leeren. „Die grondbeginselen
omtrent hetgeen zij hadden te doen en na te laten, bedoel-
den," gelijk de oude verhaler verklaart "), „het verkeer met
de Godheid te bevorderen. Geheel het leven was geordend,
om de Godheid na te volgen. Dit was het begin en dit
de inhoud dezer wijsbegeerte."
Hoe juist dit gezien is, merken wij uit de Gulden Spreuken
van Pythagoras, welke algemeene levensregelen bevatten;
en, om den waren grond der levenswijsheid aan te wijzen,
aldus beginnen:
2
-ocr page 34-
18                                  EERSTE VOORLEZING.
Eer de Goden boven alles;
Blijf uw eed altijd gestand;
Eer ook de onderaardsche Geesten
En de Helden van uw land.
Zegt de Hebreër: ,,De vreeze van Jehova is het beginsel
der wijsheid:" Pythagoras verklaart daarin, dat hij zijne
Gulden Spreuken aldus, gelijk wij hooren, aanvangt, als
zijne overtuiging: „Het onderhouden van den godsdienst eens
volks is het beginsel der wijsbegeerte."
Men make niet de tegenwerping, dat het onzeker is,
of deze Gulden Spreuken wel van Pythagoras\' eigene hand
zijn. Indien ze dit misschien niet zijn, zoo stammen ze
toch af van een zijner eerste leerlingen, die daarin dan de
wijsheidsregelen zijns meesters samenvatte. Immers de brok-
stukken der van Pythagoras zelven tot ons gekomene voor-
schriften stemmen alle met deze Spreuken geheel overeen.
Ze zijn van zedelijk-godsdienstigen inhoud, bevelen strenge
deugd, velerlei oflers en gebeden, volkomene overgave aan
de Godheid, die alles ziet en regelt en die hier en hierna-
maals vergelding doet; zij scherpen niet eene door hem
zelven uit de natuur of het geweten afgeleide eigene gods-
dienst in, maar de aloude voorvaderlijke18).
Bij dit alles keurde Pythagoras evenwel volstrekt niet goed
al wat de dichters over de Goden hadden gebeuzeld. Al-
leen de kern der waarheid, in den volksgodsdienst te vinden,
wenschte hij te bewaren. In een eigen leerdicht schilderde
Pythagoras de vergelding hiernamaals in den trant van het
Egyptische doodengericht, ernstig en streng. En daarin worden
Hesiodus en Homerus ten toon gesteld , als straf ontvangende
wegens de onwaardige voorstelling der Goden, in hunne ge-
dichten gegeven \'9). Hij wilde dus de eigenlijke kern en
grondgedachte van den aiouden godsdienst, het besef, dat er
hoogere Machten zijn, die ons lot besturen, van wie wij geheel
en al afhangen, aan wie wij ons moeten toewijden, onwrikbaar
-ocr page 35-
19
PYTHAGORAS.
vasthouden, met verwerping van de vaak ijdele fabelen,
door de dichters uitgevonden. Even zeer als zijn zedelijke zin
tegen deze opkwam, had zijn godsdienstig gemoed behoefte
aan ware religie. Immers het verreweg belangrijkste en
meest in het oog vallende in de geheele opvoeding, door
Pythagoras aan zijne leerlingen gegeven, is in \'t algemeen
het godsdienstig karakter, \'t welk er duidelijk bij is uitge-
sproken en er diep is ingedrukt. De nauwkeurigste onder-
zoeker van Pythagoras\' leven, denkwijze en wijsbegeerte,
die niet al de hulpmiddelen der wetenschap onzer eeuw en
met onvermoeide studie een nieuw licht over het streven
en werken des grooten mans heeft doen opgaan, doch voor
zich zelven geen groot vriend van den godsdienst is, getuigt
dit en wijst dit aan \'■"), en voegt er dan nog bij:,, De meeste
leerstellingen behoorden tot een kring van godsdienstige
denkbeelden; de meeste voorschriften waren godsdienstige
geboden , en niet alleen zedelijk-godsdienstige, maar ritueel-
godsdienstige , die eene wet bevatten, welke den gang van
het geheele dagelijksche leven tot den dood en de begrafenis
toe regelde. De inprenting dezer uitvoerige en talrijke gods-
dienstige voorschriften was de eerste arbeid des geestes,
welke de jonge krachten bezig hield. Op een godsdienstigen
grondslag was dus de opvoeding bij Pythagoras gebouwd;
zijne school is eene godsdienstige instelling, de geheele vor-
ming eene streng priesterlijke."
Ik moet dit in enkele bijzonderheden doen zien.
In den eersten leercursus, waarin de leerlingen alleen
moesten hooren en van buiten leeren, wat hun werd gezegd,
was alles alleen godsdienst. De tweede cursus was die der
muziek. Doch ook de toonkunst was bij Pythagoras eene
godsdienstige. De muziek was hem, zegt een oud schrijver 2\'),
»de geneeskunst der ziel." Zij diende immers tot reiniging
der hartstochten, tot vertroosting des geinoeds , tot verhef-
fing des geestes, en werd daartoe dagelijks, bij het ter
2*
-ocr page 36-
20
EERSTE VOOHLEZING.
ruste gaan, en opstaan en bij elke gelegenheid aangewend.
Doch daartoe verbood hij ook de wereldsche , en gebood
hij de godsdienstige toonkunst.
De derde cursus bevatte het onderwijs in de wiskunde,
vooral als hulpmiddel en oefening tot het afgetrokken denken.
Nu spreekt het wel van zelf, dat de wiskunde in geenerlei
verband met den godsdienst kon slaan; maar in dezen derden
leertijd werd het godsdienstig bestanddeel der beide vroegere
bijgehouden en voortgezet.
Na dezen driejarigen cursus kwam men ten laatste in den
kring der ingewijden , die onder de persoonlijke leiding van
Pylhagoras stond. Eindigde nu hunne godsdienstige opleiding?
Verre vandaar! Meer dan ooit werd zij vastgehouden. Deze
leerlingen werden ingewijd in de godsdienstige plechtigheden
en denkbeelden, welke van den aiouden en wijzen dichter
Oipheus afstamden, maar door Pythagoras waren hervormd
en verder ontwikkeld. Eerst deze leerlingen in nauweren
zin, de ingewijden (esoterici), mochten over hunne studie
spreken en navragen, het gehoorde opschrijven en eigene
gedachten opteekenen. Hunne inwijding in de Orphische
mysteriën geschiedde vooral door hen bekend te maken met
een groot episch gedicht, onder den naam van Heilige Rede 2\'2)
beroemd, \'twelk door Pythagoras was opge teld, doch dik-
wijls aan Orpheus werd toegeschreven. Uit de nog voor-
handene brokstukken er van en berichten er over weten wij ,
wat de inhoud was, namelijk deze: „Uit de oorspronkelijke
Godheid waren lagere Goden of Demonen voortgekomen en
voorts eene wereld. Weldra waren deze onder elkander
gaan strijden, waarop het menschengeslacht was ontstaan,
tot straf der overwonnen Demonen, die nu in de mensche-
1\'yke lichamen, door de Godheid geschapen, werden inge-
sloten. Daarop waren nog vele Goden geboren, tot den
jongsten toe, Dionysos, die door de Titanen werd gedood,
door Zeus weder werd opgewekt en tot beheerscher der
-ocr page 37-
21
PYTHAGORAS.
onderwereld aangesteld, waar hij belooning en straf uitdeelt
aan de gestorvene menschen \'23).
Als grond voor de hoogere kennis, waarin Pythagoras\'
eigene leerlingen werden ingewijd, werd eene goddelijke
openbaring aangegeven. De aanhef van het leerdicht, \'twelk
zij nu leerden kennen , luidt aldus:
o Koning, Lcto\'s zoon, ver stralende, machtige Phebus,
Alziende, over menschen en onsterflyken heerschend,
Helios, die gij cp gouden wieken daarheen zweeft!
Deze van God afstammende kennis berichttct Gij mij.
Gij gaaft haar, als getuige roep ik u zelf aan24).
Gij bemerkt: geheel anders luidt deze aanhef dan die van
Homerus\' heldendicht:
Zing, o Muze, zing mij Achilles\' verderllijke gramschap.
Homerus bidt om goddelijke bezieling voor de dichterlijke
voorstelling der hem bekende geschiedenis van Achilles\'
gramschap; Pythagoras dankt voor cene goddelijke openba-
ring, waardoor hem is bekend gemaakt, wat geen mensch
uit zich zelven kon weten. In welken zin Pylhagoras rnet
recht kon zeggen, zulk eene openbaring te hebben ontvan-
gen, zullen wij later nagaan. Thans is het genoeg op te
merken, dat de wijsgeer zich niet op eonige menschclijke
redeneering of eigene bewaistheid , maar op goddelijke kennis
beroept als den grond zijner mededcelingen en vermaningen.
Nadat een leerling in deze, voor de anderen geheim
gehouden wijsheid was ingewijd, bevond hij zich in eene
nieuwe wereld van vrijheid en zelfstandigheid. Maar mocht
hij nu in \'t algemeen ongehinderd vorschen, denken en
spreken, dit stond hem evenwel niet vrij over alles, niet
over God en godsdienst, alleen over de thans ter onderzoe-
king gegeven wetenschappen, de wis- en natuurkunde, en
-ocr page 38-
22                                     EERSTE VOORLEZING.
over de schoone kunsten. „Deze leerlingen," zegt een ge-
loofwaardig berichtgever25), „werden mathematici ge-
noemd, naar de wetenschappen , die zij nu waren begonnen
te beoefenen, daar de oitflc Grieken de meetkunde en de
bouwkunst, de toonkunst en de andere hoogere wetenschap"
pen mathemata noemden. Door de beoefening dezer
wetenschappen gesterkt, gingen zij voort, om de werken
der wereld en de beginselen der natuur te loeren kennen ,
en dan werden zij physici (natuurkundigen) gcheeten."
Maar hoe stond het nu zelfs met deze natuurkunde?
Voor zooverre hierin zaken ter sprake kwamen, welke ook
in de loer van den godsdienst waren behandeld, werden deze
zonder nader onderzoek uit de godsdienstleer overgenomen
en als waar geëerbiedigd. Eenc verandering der godsdienstleer
naar de uitkomsten der natuurkunde kwam niet ter sprake.
Over alles, wat in de godsdienstleer was behandeld, mossten
de Pythagoreërs blijven bij de hun uit openbaring van God
medegedeelde denkbeelden, welke de uitgangs- en eindpunten
waren hunner leer over de natuur. Die denkbeelden over
de wording der wereld uit da Godheid en haar leven in de
Godheid, over de afkomst van \'s menschen onsterfelyken
geest uit den hemel en zijn ingang van buiten in het men-
schelijk lichaam, over de sterfelijke, niet met denkens-
kracht begaafde ziel of de levenskracht, en over het lichaam ,
als ook over den toestand na dit leven, de onsterfelijkheid , de
verhuizing der zielen of geesten en hun terugkeer naar den
hemel, worden in Pythagoras\' natuurleer ook aangetroffen ;
maar zonder bewijs; ze worden eenvoudig overgenomen of
bijgehouden uit de godsdienstleer.
Zoo kwam, om maar ééne proeve te geven, in het grooto
gedicht, Heilige llede, ecne voorstelling voor over de schep-
ping der menschen, t. w. dat God den mensch had gevormd
uit de aarde en hein vervolgens eenen zede! ij ken geest ge-
geven ; doch dat deze geest reeds vooraf had bestaan daar
-ocr page 39-
23
TYTHAGORAS.
hij tot straf voor vroegere zonden in dit lichaam werd in-
gesloten 2r\'). Maar nu werden in de natuurleer die zelfde
denkbeelden eenvoudig overgenomen en herhaald, zonder dat
daarvoor uit de natuur zelve eenig bewijs werd aangevoerd\'2\').
Uit al het bijgebrachte blijkt zonneklaar, dat Pythagoras
zijne wijsbegeerte, gelijk hij meende, op goddelijke openbaring,
goddelijk onderwijs en goddelijke mededeclingen heeft gebouwd.
Men kan nog vragen, of het hem hiermede wel recht ernst
was, of zijn woord ook als beeldspraak zij aan te merken,
of hij zich in deze zaken ook schikte naar volksvooroordeelen.
Recht, om dit te onderstellen, heeft men niet. Later zullen
wij zien, dat hij, even als de andere wijsgeeren, in volle
oprechtheid en volkomen ernst zóó sprak en deed. Ook kan
men vragen, of hij recht had tot deze ziens- en handelwijze.
Maar naderhand zal ik ook aanwijzen, dat hij dit recht bezat-
Vooreerst is het genoeg, dat wij reeds in Pythagoras be-
ginnen te zien, hoe de Grieksche wijsbegeerte niet zelfge-
noegzaam in eigene kracht stond op een eigen verworven
bodem, maar, afhankelijk van goddelijke openbaring, deze
nam tot onwrikbaren grondslag, om hierop nu zelfstandig
het gebouw harer wetenschap op te trekken. Aanvankelijk
vermoeden wij dus reeds, dat er wellicht maar ééne bron zal
zijn van kennis, wijsheid, beschaving, ontwikkeling, deugd,
godsdienst en zelfs van wijsbegeerte: Gods openbaring, Gods
mededeeling, Gods onderwijs, Gods opvoeding, het eigene
vrije werk van den vrijen God. Want hoezeer de menschen,
wat God geeft, moeten gebruiken, elk op zijne wijze, vrij,
zelfstandig, werkzaam: — immers opdat wij er zulk een
gebruik van zullen maken, doet God zijn werk aan de men-
schen: — Hij, Hij schept toch het geestelijke Eden zoowel
als het zinnelijke , opdat zij dit mogen bouwen28). De
Vader geeft datgene, waarmede de zoon, die zijn beeld en
medewerker is, voordeel moet doen en wat deze zoon verder
moet bewerken; maar die dit geeft, is de Vader; de zoon
-ocr page 40-
24
EERSTE VOORLEZING.
geeft het zich zelven niet. De vrije God geeft den vrijen
mensch stof, grondslag, aanwijzing en onderricht, om te
werken. God doet niet alles voor den mensch, gelijk Hij
voor het dier alles doet. Maar Hij laat den mensch ook niet
alleen zoeken, omdolen, afdwalen. Hij is hem nabij en
helpt hem, behalve door de krachten der natuur, ook door
eigene vrije mcdedeelingen.
Doch wat ik zeg, zal duidelijker en zekerder worden door
vele andere proeven, achtereenvolgens bij te brengen\'").
AANTEEKENINGEN".
•)
BI.
i-i
*)
BI.
2.
:i)
BI.
2.
4)
BI.
2.
8)
BI.
-1.
n)
BI.
:!.
\')
BI.
:s.
B)
BI.
■!,
">
BI.
6.
D. II, vierde voorl. bl. 77 der tweede uitgave.
Vijfde voorl. bl. 107.
Zesde voorl. bl. 133.
Achtste voorl. bl. 177.
Zevende voorl. bl. 152.
Elfde voorl.
Bl. 257, 253.
Achtste voorl. bl. 188. Verg. Negende voorl. bl. 197.
Do Joodselio geschiedschrijver Josophus on twee
Joodsehe wijsgecren, do Peripateticus Aristobulus en de Plato"
nicus Isumenius, bobben vermeld, dat Plato Mozos en de Profeten
heeft gekend. Do Kerkvaders, Justinus de Martelaar, Theophilus
de Apologeet, Clemens van Alexandriö en anderen spraken even
zoo. De zaak is bekend. Vele bewijsplaatsen uit deze schrijvers
zijn aangehaald door c. ackebjiann , Das Chriüliche int Plato nnd
in der platonische» Philosoplve, Ilamb.
1835, bl. 4, 5.
Ik herhaal, dat ik niet door die bewecringen, maar door
bet bcstudeoren van de Grioksche wijsbegeerte, vooral door die
van Plato, tot mijne tegenwoordige overtuiging ben gekomen.
Deze studio heeft niet gediend, om voor eene vaststaande op-
vatting bewijzen te verzamelen; maar de onbevangen studie heeft
gemaakt, dat ik mijne vroegere opvatting bob laten varen, daar
ik overtuigd werd (met talloos vele anderen) gedwaald te hebben.
-ocr page 41-
25
AANTEEKENINGEN.
10) BI. 10. van koetsveld , Set Apostolisch Hoangelie, D. I,
bl. 57.
") Bl. 11. Ze zijn vaak op geleerde wijze uitvoerig samen-
gebracht , b. v. door h. lüken , Die Traditionen des Menschen-
geichlechts oder die JJroffenbarung Qottes unter den Heiden, Munster
1856 en 1869; door fbed. de kougemont , Le peuple primiüf,
sa religion, son histoire, et sa civilisation,
drie deelen, Genèoe
1855—1857; door e. l. fischee , Heidenthttm und Offenbarung.
Religionsgeschitliche Studiën iiber die Berührungspunkie der altesten
heiligen Schriften der Inder, Perser, Babylonier, Assyrer und Aegyp-
ter mit der Bibel auf Qrund der neuesten Forschungen, Mainz
1878,
enz. Men kan ook vergelijken de Etudes philosophiques sur le
Christianisme
van auguste nicolas , die langen tijd jaarlijks
eene nienwe uitgave hebben beleefd. D. I, bl. 197—244 brengt
Nicolas alle gronden voor de werkelijkheid en noodwendigheid
der oorspronkelijke openbaring bij. Zelfs Renan, Histoire géné-
rale des langues si\'mitiques,
erkent, D. I, bl. 472, wat de verhalen
over de vier stroomen van het paradijs betreft: „Voor zoover
de Perzische overlevering [bij Zoroastor] ons overeenstemming
aanbiedt, zie ik niet eene overneming van Jndea uit Perzië , of
van Perzië uit Judea, maar veel liever eene gemeenschappelijke
herinnering, welke de Arische en Semitische rassen zullen heb-
ben bewaard van hun verblijf in den Imaus." Hij beroept zich
verder op de groote geleerden, Ewald, die de Tsraëlietische,
Lassen, die do Indische, en Eugènc Burnouf, die do Perzische
oudheid door en door kennen, en zegt voorts: „Dit feit van
ééne en dezelfde aloude overlevering, bij do Semitische en
Arische volkeren gezamenlijk te vinden, staat voorts niet alleen.
Ewald heeft voor do wetenschap een nieuwen weg geopend door
vele tot op hem niet of niet goed\' opgemerkte overeenkomsten
tusschen do oudste Hobreeiiwsche overleveringen en die van
Perzië en Indiö aan te wijzen. Zijne stoute inzichten hebben
de beste bevestiging gevonden: de twee meest vertrouwbare
woordvoerders der Arische studiën, Lassen en Eugèno Burnouf
(deze laatste met meer beperking), hebben er do voornaamste
slotsommen van overgenomen. De samenhang in voorhistorische
tijden van de Indisch-Europesche met do Semitische volken is
eene soort van onderstelling geworden, welke in de hoogste en
beste sferen der Duitscho wetenschap als waar is aangenomen.
Zonder mij over dit punt met dezelfde verzekerdheid als Ewald
-ocr page 42-
26                                    EERSTE VOORLEZING.
en Lassen uit te spreken, moet ik evenwel zeggen, dat deze
onderstelling mij voorkomt geenerlei afdoende zwarigheid tegen
zich te hebben, en dat zij tot eene verbinding verstrekt voor
vele feiten, die zonder haar onverklaarbaar blijven.
„Onder deze brokstukken der gemeenschappelijke erfenis van
Ariërs en Semiten plaatsen Ewald, Lassen en Burnouf boven
alles het geloof aan een eersten toestand van volmaaktheid, het
denkbeeld van fabelachtige tijdperken, welke aan de geschiede-
nis zijn voorafgegaan, en eenige getallen, die den duur dezer
tijdperken uitdrukken. Men moet erkennen, dat de verhalen
van het paradijs, van den boom des levens, van do eerste zonde ,
van de slang, die verleidde, groote overeenkomst hebben met
de fabelen der Brahmienen over de wieg van het menschelijk
geslacht, en nog meer met zekere mythen van den Vendidad-
Sadé. Maar nu zijn de hoofdstukken van Genesis, waarin deze
verhalen zijn bevat, geschreven vóór de wetenschappelijke ken-
nismaking der Hebreen met de Arische volken en steken zij
zeer af bij de kleur der boeken, die onder den invloed der
Perzen in de ballingschap vervaardigd zijn. Ewald en Lassen
stelden evenzoo de overlevering omtrent den zondvloed onder
de herinneringen, welke aan de beide rassen gemeen zijn. Las-
sen verliet later deze meening. Maar Ewald bleef er bij en
schijnt zijne zaak gewonnen te hebben."
Dit uit Eenan zij voorloopig hier genoeg. Verg. julius
happel , Die Anlage des Menschen zur Religion (Teylers Genoot-
schap, 1877), die bl. 6, 7, 80, 103, 104 opmerkt, dat Grimm,
Ewald, Movers, Max Muller en Waitz het monotheïsme voor
den oudsten vorm van den godsdienst houden.
Het vraagstuk is, of de mensch eerst, ten gevolge van Gods
openbaring aan hem, in een toestand van beginnende beschaving
is geweest, dan wel aan zich zelf overgelaten , in een toestand
van ruwheid. Later komen wij hierop terug.
1S) Bl. 15. De wijsgeerige Grieken spraken over dit alles
in dezer voege, dat zij vele inkleedingen en persoonsverbeeldin-
gen gebruikten. Zij handelden van het goddelijke of de Godheid
of de Goden, van de Moira of het noodlot of het bestuur van
der menschen lot, van de Nemesis of de vergelding der misda-
den door de Godheid, van de Themis of de wetgeving, van de
Diké of de regtvaardigheid, van den Hades of de onderwereld
of de onsterfelijkheid, van het Elysium en den Tartarus of de
-ocr page 43-
27
AANTEEKENINGEN.
belooning en straf hiernamaals. Inkleeding en gedachte moeten
hier wel onderscheiden worden; deze moet niet worden verwor-
pen, omdat aan gene iets schijnt te haperen.
«) BI. 15. Gesch. der opvoeding, D. II, bl. 133—141. Zeer
verward hebben de meeste nieuwere schrijvers, die der twee
laatste eenwen, over hem gehandeld. De eerste, die eene
kritische beschouwing der bronnen, zonder welke niets is aan
te vangen, heeft geleverd, is c. meineks , Gesch. der Wissen-
schaften,
D. I, bl. 187—303. De laatste, die zulk eene beschou-
wing heeft gegeven, waardoor Meiners is verbeterd, is e. eöth ,
Gesch. unsercr ahendlandischen Thilosophie, D. II, bl. 266—283 ,
Noten bl. 49—59.
14) Bl. 15. jAMBLicnus , De vita Pylhagorae, Sect. 17. Daar
Jamblichus pas in de vierde eeuw na Christus, dus om-
trent duizend jaar na Pythagoras leefde, zijn wij niet zeker,
dat wij overal de eigene woorden van dozen hooren. Mogelijk
is het echter wel; want Jamblichus heeft uit oude bronnen
geput. Doch zeker is het althans, dat Pythagoras in dezen
geest heeft gesproken, gelijk het vervolg zal loeren. En op dezen
geest alleen komt liet voor mijn tegenwoordig doel aan.
Aan de nauwkeurigheid der uittreksels uit deze toespraken,
want in haar geheel bezitten wij zo niet, twijfelen zelfs zij
niet, die anders bijna alles betwijfelen. Op inwendige gronden
is die nauwkeurigheid vooral aangewezen door E ö t h , Gesch.
unserer abendl. Philosophie,
D. II, bl. 425 volgg. Ik zal veel gc-
bruik van Böth\'s werk maken. Do vroeg overledene, onver-
moeide navorscher der Egyptische, Perzische en Griekscho oud-
heid uit alle bronnen, geeft zich omtrent de door hem aango-
wende langdurige studio, om Pythagoras in het licht van zijn
tijd ons getrouw voor oogen te stellen, eene getuigenis, dio
door edel zelfgevoel, tegenover schandelijke miskenning, is
ingegeven, bl. 742—744. Miskend werd hij vooral, dewijl hij
den moed had, tegen de gangbare aanmatigingen der zooge"
noemde hoogere kritiek op te komen, en haar de k r i-
tiek der bekrompenheid te noemen. Zie D. I, bl. 29.
Overigens is Röth te belangrijker voor mijn doel, dewijl hij van
geene openbaring van God, zelfs niet van eene aan Israël, wil
weten. Hij heoft derhalve de geschiedenis niet bezien of terecht
gelegd, om er blijken van het bestaan eener openbaring van God
in te vinden. De blijken er van, welke ik bij hem vind, geeft
hij onwillekeurig en onbewust.
-ocr page 44-
28
EERSTE VOORLEZING.
15) BI. 16. jamblichus, Sect. 45.
u) BI. 17. jamblichus, Sect. 51, 54.
") BI. 18. jamblichus , Sect. 86 en 137. Ik heb ver-
taald naar de verbetering van den verwarden tekst, door L.
Kuster op Sect. 86 voorgeslagen.
18) BI. 18. Deze Gulden Spreuken zijn in eene vloeiende
vertaling van •wijlen mijn vriend Mr. T. P. Tresling medege-
deeld in de Gesch. der opvoeding , D. II, bl. 138—141. Daarin
moeten echter twee veranderingen gebragt worden. BI. 140
moet regel 6 van onderen in plaats van:
„\'t Lot verstompt het hoofd en \'t harte,"
gelezen worden :
„ Dwaasheid doet de zinnen dolen."
En op bl. 141 regel 13 van bovenin plaats van:
„Zorg voor geest en lichaam beide,"
gelezen worden:
„Let altijd op de eerste stappen."
Deze veranderingen rnsten op verbeteringen in den Griekschen
tekst gebragt door som , Gesch. unseree abendl. P/iilos. D. II,
bl. 220—221. Hoe veel edeler, dieper en reiner de geest der
Spreuken hierdoor wordt, wijst Eöth aan. Inderdaad komt
daardoor eerst zin in die twee regels en samenhang met Pytha-
goras\' beginselen. In het Grioksch bepaalt zich de verandering
tot die van ééne letter van een woord in eiken regel, in den
eersten, dat polgn wordt /toigia, en in den tweeden fiytatmv
wordt TrQÓivmi\'. Later doel ik nog eene herziening der vertaling
van deze Gulden Spreuken in haar geheel mode.
,9)
lil.
IS.
jm
lil.
19.
2.)
Bl.
21.
H)
El.
20.
M)
lil.
23.
*4)
151.
24.
")
lil.
22.
-\'\'ï
El.
23.
»1)
Bl.
23.
2S>
Bl.
23.
"O
lil.
21,
Zie eöth, D. II, bl. 495, 496. Noten bl. 124.
itörn , bl. 505.
JAMBLICHUS , Sect. 110.
Itqbq kóyoq.
eöth, bl. 609—635.
Men vindt deze regelen bij eöth , noot 976.
AULUS GELLIUS, Noct. All. I , 9.
KÖTn, bl. 083—687.
eöth, bl. 861—863.
1 Moz. 2: 15.
Voorloopig wijs ik, ter bevestiging van deze
zienswijze, welke thans maar aan enkele geleerden eigen is,
op de schriften van eenst von lasaulx, die haar met kracht
-ocr page 45-
29
AANTEEKENINGEN.
handhaaft. Zoo verklaart hij b.v. in zijne rede, Ueber die the-
ologisehe Grundlage aller philosophische Bysteme, Munrhen
1856,
bl. 2 : (na van Pythagoras te hebben gesproken): „ Und ganz
in abnlicher Weise philosophiren alle grossen Denker des
Alterthums, auf der Grundlage dessen, was langst vor aller
philosophie dureh die vaterliehe Religion, das heilige Erbe der
Vorwelt an die Mitwelt und Nachwelt, bereits fest stand, und
was niemals von der Philosophie a priori bewiesen, sondern nur
a posteriori nach gewiesen werden kann, und die Vorauset-
zung aller wahren Philosophie ist und bleibt." Ook onze de
la saussate sprak het uit, De plaats der theologische wetenschap
in de Encyclopedie der wetenschappen, Gron.
1872, bl. 10: „De
Grieksche wijsbegeerte bleef godsdienstig, al emancipeerde zij
zich van de priesterscholen en do traditioneele godsdiensten."
Bl. 12 : „ Godsdienst was het beginsel der wetenschap bij de
vóór-Grioksche volkeren; godsdienst was de bezielende geest der
Grieksche beschaving."
-ocr page 46-
TWEEDE VOORLEZING.
Socrates, Pythagoras priester en wijsgeer, Socrates alleen wijs-
geer. Zijne sterkte is de methode. Het geweten door hem
gewekt. Gods openbaring bron voor de kennis van de geestelijke
dingen, zelfs van het staatsrecht.
Plato bezit de godsdienstige
waarheid en uit Gods openbaring, vooral in mythen tot ons
gekomen, en uit onze herinneringen uit ons vroeger leven. Uit
wijsgeerige redeneering leidt hij niets omtrent haar af. Zijne
kennis der waarheid vloeit das niet uit menschen voort
, maar uit
God. Men moet haar geloovende en hopende aannemen. In-
geving van God ook nu nog mogelijk. Plato ijvert voor gods-
dienst en zedelijkheid. Hij heeft niets tegen de dichting in de
godsdienst, maar wel tegen onzedelijke dichting. Hij leidt
uit de volksoverleveringen af
, hoe de wereld is geworden, in
welken toestand de eerste menschen hebben geleefd, lwe er
kunsten , staten
, recht en deugd zijn ontstaan, wat de men-
schelijke ziel is, dat zij onsterfelijk is en dat ïiuar straf of
loon wacht.
Plato bij Joden en Christenen hocger geacht
dan eenig ander wijsgeer.
Mijne Hoeren !
Pythagoras, den eersten uitnemenden wijsgeer onder de
Grieken, hebben wij beschouwd als de eerste proeve, dat
-ocr page 47-
31
SOCRATES.
Gods openbaring in feiten en Gods onderwijs, om die feiten
te doen verstaan, welke wij uit het Oude Verbond kennen
als aan de stamouders des menschdoms en aan Israël gege-
ven , niet alleen voor Abrahams nakomelingen de grondslag
van hun godsdienst waren, maar ook voor de Grieken de
grondslag zoowel van hun wijsbegeerte, als van hun godsdienst
geweest zijn. Bij die eerste proeve voeg ik nu eene tweede,
Socrates. Immers ook deze „vader der wijsbegeerte" bleef
op denzelfden bodem staan als Pythagoras: op Gods open-
baring.
Met recht heet hij de vader der wijsbegeerte; want met
hem vangt eene nieuwe richting in den geest der Grieken,
met hem de zuivere wijsbegeerte aan. Pythagoras toch
voerde wel den naam in van wijsgeer, philosophos, in stede
van dien van wijze, sophos, welken de leidslieden van den
Griekschen geest voorheen droegen \'). Toch was Pythagoras
geen wijsgeer alleen; hij was tevens priester. Socrates was
de eerste, die alleen en geheel wijsgeer was \'\')■
Het onderscheid tusschen deze twee groote mannen springt
in \'t oog, ook reeds wat hun begrip van wijsbegeerte be-
treft. Blijkbaar was het Pythagoras niet maar om den
naam, ook om de zaak te doen; hij was begeerig naar wijs-
heid en zocht er anderen begeerig naar te maken Maar
in Egypte, waar hij tweeentwintig jaar vertoefde, had hij
zich in de priesterkaste laten inwijden , en ook als volksop-
voeder onder de Grieken vertoonde hij vóór alles in kleeding,
leefwijze en houding en in de inrichting van zijn onderwijs
den priester, die met hooger gezag spreekt en handelt.
Daarom moesten zijne leerlingen lang zwijgen en verder ten
laatste in godsdienstige mysteriën worden ingewijd. Daarom
was voor hen langen tijd, zoo niet levenslang , de laatste
en afdoende bewijsgrond voor eene stelling de uitspraak:
»Hij heeft het zelf gezegd."
Socrates was volstrekt geen priester, evenmin als hij een
-ocr page 48-
32                                    TWEEDE VOORLEZING.
wijze was, in den zin der vroegere wijzen van Griekenland.
Hij was geheel en al wijsgeer"). Volgens hem was alleen
de Godheid wijs, en kon de mensch het niet verder bren-
gen , dan dat hij een begeerige naar wijsheid werd.
Geen wonder dus , dat het voornaamste in Socrates zijne
leerwijze is. Een stelsel had hij niet; hij zeide zelf niets
te weten , dan dit ééne, dat hij niets wist. Maar hij zeide
ook de kunst te verstaan, om uit den zvvangeren geest van
leergierige jongelingen denkbeelden , als geesteskinderen ,
ter wereld te brengen. Inbrengen in de menschen konde
hij derhalve niets, maar alleen wat in hen was, voor
den dag halen, om dit dan öf als misgeboorte (als on-
waar) , of als gezonde vrucht (als waar) te doen kennen.
Natuurlijk hoort gij in deze voorstelling, wat den vorm be-
treft, den scherts, aan Socrates altijd eigen. Maar met
de zaak, hierin aangeduid, was het hem volkomen ernst.
Dit blijkt uit alle berichten over hem. Hoe ver deze reeds
bij Xenophon en Plato , zijne eerste en onmiddellijke leer-
lingen, uiteenloopen: hierin komen beide geheel en al over-
een , dat hun meester, vragende en samensprekende, uit
zijne volgelingen zelve de waarheid wilde doen geboren
worden. Doch ook Plato laat ik nu eerst ter zijde: zijne
werken en zijn Socrates zal ik gebruiken , als ik over Plato
zelven handel. Den historischen Socrates, met wien wij
ons bezig houden , kennen wij beter uit Xenophon, die zijn
meester niet konde en wilde bezigen, gelijk Plato, om onder
zijn naam eigene denkbeelden uiteen te zetten, maar hem,
voor zoover hij hem had kunnen vatten, weder gaf, gelijk
hij geweest was.
De hoofdeisch van Socrates , aan allen, die wijsheid zoch-
ten, steeds gedaan, was die van den God der wijsheid te
Delphi: »Ken u zelf." Met dit zelf bedoelde hij echter
niet het zinnelijke zelf, maar het geestelijke, en in dit
-ocr page 49-
SOCRATES.                                               33
geestelijke vooral het zedelijke , zoodat door hem bovenal,
wat wij het geweten noemen , in den raensch is gewekt
De zinnelijke wereld, ook het zinnelijke in den mensch
zijn lichaam met deszelfs werkingen , wordt door Socrates
niet onderzocht. Immers niet het zinnelijke . naar het
geestelijke boezemde hem belang in, en wel vooral het
zedelij k-geestelijke. Omdat hij hier altijd mede bezig was,
zeide men, dat hij de wijsbegeerte uit den hemel of uit de
wolken (dat is, uit de natuurkunde), waar zich de vroegere
wijsgecren meest mede bezig hielden , had doen nederdalen
in de steden en huizen, ten einde de menschen te leeren ,
gehoorzame kinderen, vlijtige burgers, brave ouders en
trouwe vrienden te worden. Hoe afkeerig Socrates van de
natuurkunde was, spreekt Xenophon gedurig uit. »Hij
sprak niet," verhaalt deze4), » over de natuur, gelijk de
meeste anderen , die onderzoeken , hoe , \'t geen door de wijzen
het heelal wordt genoemd, wel moge bestaan, en naar
welke vaste wetten de hemellichamen bewogen worden. In
tegendeel , hij toonde aan, dat wie daarvan hun werk ma-
ken , eigenlijk dwazen zijn. Vooreerst overwoog hij hen
aangaande, of zij dergelijke onderwerpen nasporen, dewijl
zij meenen de menschelijke dingen reeds genoeg te kennen,
dan of zij wanen plichtmatig te handelen , indien zij de
menschelijke dingen daar laten, om de zinnelijke natuur te
onderzoeken. Voorts verwonderde hij zich , dat het hun
niet bleek , hoe onmogelijk het voor menschen is, de natuur
te doorgronden. Immers zij, die zich het meest er op laten
voorstaan, daarover te kunnen spreken , hebben onderling
niet dezelfde meeningen , maar gedragen zich onderling als
krankzinnigen , [dewijl zij elkander onophoudelijk tegen-
spreken]."
Daar Socrates zoo afkeerig was van al het uiterlijke, en
den mensch onophoudelijk op zijn eigen zedelijk bestaan
wees, geloof ik niet te veel te zeggen, als ik beweer, dat
3
-ocr page 50-
34
TWEEDE VOORLEZING.
met Socrates het geweten wakker is geworden. Tot op hem
had men in Griekenland meestal een geweten, als niet heb-
bende. Wel had men in de fabelleer de Furiën of Wraak-
godinnen, als dichterlijke voorstelling van de angsten, welke
den misdadiger bij wanbedrijven folteren. Maar zij ver volg-
den den menscli alleen bij verregaande misdaden. Wat het
gewone leven betreft, sliep het geweten, althans voor de
wetenschap. Op de bestaande wetten en inlichtingen van
huis en stad, van godsdienst en gewoonte beriep men zich,
zonder heldere bewustheid, dat er in den boezem des men-
schen ook een rechter is, die mede gehooid moet worden5).
Juiste kennis had men nog niet gemaakt met dezen rechter
in ons, het geweten, dat is, het medeweten van ons
met een ander en hooger weten, door dit andere en hoogere
wel eerst van buiten wakker gemaakt, maar nu ook daarop
van binnen antwoordend. Dit toch is de beteekenis van het
mede in het Grieksche en Latijnsche woord, door ons geweten
i
                 overgezet; want daarin noemde men het een medeweten °).
En daar in het Grieksche en Latijnsche woord deze beteekenis
onbetwijfelbaar duidelijk is, mogen wij vaststellen, dat in de
vertaling er van met geweten dit ge ook mede zal te kennen
geven, \'t geen taalkundig zonder zwarigheid is, zoo als blijkt
uit vele andere woorden met ge zamengesteld. als geroep,
geschreeuw
, geklanh . getrappel, gebergte, gebedel, gebeuk , ge-
blaas, gedans, geheugen, geleide, gekus,
en dergelijke meer,
die allen een doen en weder doen te kennen geven, een
roepen en mede of weder roepen, een schreeuwen en mede ot
loeder schreeuwen, een klinken en mede of weder klinken. Ge-
iveten
is dus een medeweten of weder weten binnen in ons,
\'t welk antwoord geeft op een weten, \'t welk van buiten
tot ons komt. Of intusschen Socrates dit woord geweten in
den zedelijken zin ooit heeft gebruikt, betwijfel ik zeer: ik
herinner mij althans niet het bij hem gevonden te hebben.
Zeker is het, dat hij het, zoo ooit, dan zeldzaan bezigde \').
-ocr page 51-
35
SOCRATES.
Maar de zaak is door hem wakker gemaakt. Zijn daemonium
of geleigeest, die hem stellig afried, wat hij wilde doen ,
maar niet mocht doen, en die misschien ook wel aanried ,
wat hij moest doen , is de aanschouwelijke voorstelling van
het geweten 8).
Doch als men nu meende, dat Socrates, die den mensch
zoo zeer aanspoorde, tot zich zelven in te keeren, uit het
geweten eene wijsbegeerte over geestelijke en goddelijke
dingen zal hebben afgeleid, zou men dwalen. Wat hij over
deze dingen heeft te zeggen, is alleen verwijzen naar god-
delijke openbaring. En deze ziet hij in den volksgodsdienst,
in de staatsinstellingen, in de godspraken en in de voor-
teekenen, en verder ook in de harmonie der natuur.
Telkens hoort gij hem terug wijzen op al deze zaken,
vooral op den volksgodsdienst en de staatsinstellingen, maar
niet zelden ook op de orakelen, welke hij wil geraadpleegd
hebben, zelfs op de voorteekenen, als wenken bij allerlei
voorvallen door de Goden gegeven; terwijl hij ook nu en dan
aantoont, dat de schoonheid, doelmatigheid en orde der na-
tuur bevestigen, wat wij uit die andere bronnen omtrent
de Godheid weten °).
Leerzaam is hier vooral een gesprok van Socrates met
Hippias l0) over het wezen van het recht. Daarin verklaart
Socrates, dat bij hem wat met de staatswetten overeenkomt,
hetzelfde is als het rechtvaardige "). Doch nu zijn er, zegt
Socrates , ook nog ongeschreven wetten, die in alle hinden even-
zeer gelden, welke niet door mensehen kunnen gemaakt
zijn, dewijl deze daartoe niet zijn samen gekomen. Ze moeten
dus de Goden tot wetgevers hebben, gelijk het dan ook bij
alle menschen de eerste plicht wordt geacht, de Goden te
dienen. Tot deze wetten behoort, dat ouders en kinderen \'
elkander niet in huwelijk mogen nemen. Dit willen de
Goden niet, zoo als blijkt uit de door hen ingestelde ordening
der natuur, dat, waar dit geschiedt, een zwak nakroost
3*
-ocr page 52-
36
TWEEDE VOORLEZING.
wordt geboren. Tot deze wetten behoort ook, dat men
weldoeners weder moet weldoen, zoo als daaruit blijkt, dat
men anders zijne vrienden verliest en eenzaam in de wereld
blijft staan.
Volgens Socrates is het recht dus in de eerste plaats
dat, wat de staatswet beveelt; voorts wat, gelijk wij
uit de gevolgen kunnen opmaken, de Goden nog verder
bevelen, behalve in de staatswetten, die ook van hen zijn,
gelijk telkens wordt ingeprent\'2). Alle recht steunt dus,
\'t zij middellijk, \'t zij onmiddellijk , op den geopenbaarden wil
der Godheid.
Derhalve onderstelt Socrates niet, gelijk vele latere rechts-
geleerden, ook in onzen tijd, eene stem der menschelyke
natuur of eene zelfwetgeving in ons, waaruit het recht,
en dus ook de staat, is voortgevloeid; hij kent alleen orde-
ningen der Godheid, welke wij zien en wier doelmatigheid
wij kunnen opmerken.
Doch er valt nog meer bij te brengen, ook wat recht-
streeks ons onderwerp geldt. De verhevenste denkbeelden,
welke Socrales vaak behandelt, zijn die van het bestaan,
de goedheid en de wijsheid der Goden en van hunne zorg
voor de inenschen. Maar nu behandelt hij deze nooit anders
dan door eerst aan te nemen en vervolgens eenigszins aan te
toonen, dat het volksgeloof, \'t welk dit alles aan de Goden
toeschrijft, juist en waar is. Zoo neemt hij l3j op grond
der algemeene handelwijze en overtuiging bij Hellenen en
barbaren als waar aan, dat er alwetende Gtden zijn, wie
men over alles, wat er is en zijn zal, door middel der
wichelary kan vragen; die dan dooi\' stemmen, droomen en
vogels antwoorden, wat men al of niet moet doen , en die
machtig zijn, over de menschen het goede en het kwade
te beschikken.
Hoe ernstig Socrates het meende, als hij verklaarde, dat
men den wil der Goden uit nog altijd voortgaande openba-
-ocr page 53-
SOCRATES.                                               37
ringen moet loeren kennen, blijkt ook uit hetgeen hij aan
Xenophon, volgens het eigen verhaal van dezen i*), had ge-
zegd, toen Xenophon hem raad vroeg, ot hij deel zou nemen
aan den krijgstucht van den jongeren Cyrus tegen Artaxerxes.
Hij verwees hem naar Delphi\'s orakel, \'t welk hem den
wil der Godheid zou doen hooren.
Wat Socrates hier aldus als waar aanneemt, tracht hij
elders \'5) als zoodanig aan te toonen, door op al wat er is
in de natuur, bijzonder in ons lichaam en onzen geest en
ons leven, de aandacht te vestigen, als blijken van zorg
en bedoeling der Goden, zonder dat hij iets uit gevoel of
begrippen poogt af te leiden.
Zelfs ook waar de verwachting der onsterfelijkheid door
Socrates\' echten leerling Xenophon wordt uitgesproken, is
niets te vinden, wat naar bewijs zweemt. Hij ontvouwt,
hoe de onsterfelijkheid stellig door hem wordt te gemoet
gezien, maar geeft geene gronden voor zijn uitzicht, dan
een paar losse opmerkingen. Immers in Xenophons wijsgee-
rigen roman, de Cyropaedie geheeten, waarin hij de kracht
der zedelij k-godsdienstige beginselen van Socrates wil laten
zien in een bestuurder van een groot rijk, schildert hij
Cyrus\' sterfbed, waarop do held van zijn boek in volle
verzekerdheid des geloofs verklaart "), dat hij het volgend
leven inwacht. De taal is zoo schoon en stichtelijk, dat
Cicero de plaats heeft overgenomen \'"). Maar wijsgeerig be-
toog is er volstrekt niet in. Cyrus zegt, dat het leven
na dit leven zeker is, „gelijk ik voor mij meen" I8).
Uit dit alles blijkt duidelijk, dat Socrates, hoewel hij de
nienschen er toe bracht, om elk in zich zclven in te koeren
en zich zelven te loeren kennen, evenwel niet uit \'s men-
schen binnenste de beginselen der wijsbegeerte wilde afleiden ,
maar uit den bestaanden godsdienst, de wetgevingen volks-
overtuiging, wier kern, door de Godheid zelve geopenbaard,
hij als waar erkende en als waar wilde aanwijzen, zonder
dit een en ander ooit wijsgeerig te bewijzen.
-ocr page 54-
38
TWEEDE VOORLEZING.
Hier eindig ik vooreerst met Socrotes.
Wij gaan over tot zijn grootsten leerling, die in sommige
opzichten den meester te boven gaat, tot Plato ").
Plato is een leerling, die zijn leermeester hoog waar-
deerde , ja bewonderde. Evenwel verschilde hij niet minder
van Socrates, dan deze van Pythagoras. Immers Socrates
is de man van het practisch gezond verstand, die in huis
en stad wil blijven: Plato is de dichter-wijsgeer, die even
hoog boven de werkelijkheid opstijgt, als hij diep in \'smen-
schen gemoed weet neder te dalen. Huis en stad zijn hem
geene perken; \'t heelal is hem niet te groot, de eeuwigheid
niet te lang, de Godheid niet te verheven, om hem af te
schrikken, ze allen denkende te doorgronden.
Vraagt gij , hoe het mogelijk was, dat deze hoogvliegende
leerling toch den diepsten eerbied voor zijn omlaag blijven-
den leermeester koesterde? Het antwoord is, dat zij in twee
opzichten toch overeen komen. Eerst in de methode, die
bij Socrates het voornaamste was, door Plato van hem werd
overgenomen, en voor dezen het voertuig werd, waarmee
hij zijne hooge vlucht kon ondernemen. En voorts komen
zij overeen in het vasthouden aan de voorhandene, practi-
sche, tastbare werkelijkheid, aan de dingen, die er zijn;
want deed dit Socrates, wij zullen zien, dat de idealistische
vlucht van Plato, hoe verheven ook, toch nog altijd rustte
op die zelfde werkelijkheid.
In het bijzonder stemmen zij, wat den inhoud van hun
streven betreft, geheel samen in eerbied voor de Godheid,
die zich in de staatsinstellingen, en dus ook in den volks-
godsdienst, en voorts in de aloude overleveringen, overal
voorhanden, heeft geopenbaard. Staat en godsdienst, gij
weet het, moet men, als men van de oude volken spreekt,
bijeen voegen. Onder alle natiën, Israëlieten zoowel als
Heidenen, was de volksgodsdienst een onderdeel der staats-
-ocr page 55-
39
PLATO.
instellingen. Scheiding van Kerk en Staat, als tweelingen,
die, hoewel zij elkander niet kunnen missen, toch ieder hun
eigendom moeten behouden en bewerken, is eene zaak, die
eerst door Christus tot stand is gekomen.
Maar in de opvatting van staat, godsdienst en overleve-
ring is er toch ook verschil tusschcn Socrates en Plato.
Wijzen beiden steeds op de bestaande instellingen, als van
de Goden afkomstig, Plato let veel meer, dan Socrates,
op de aloude overleveringen, als openbaringen van God. De
wichelaars en de orakels, die bij Socrates eene zoo groote
rol spelen, ontbreken bij Plato wel niet, maar treden toch
bij hem op den achtergrond tegen over die openbaringen,
waarover Socrates minder schijnt nagedacht te hebben, maar
die bij Plato telkens worden aangehaald, uitgewerkt en niet
allen als inkleeding, maar ook als bewijs in zijne philosophie
gebruikt. Geen wonder! Socrates bleef te Athene of waar
hij als Athener moest zijn: Plato reisde de wereld rond,
om overal wetenschap en wijsheid op te doen. Bij Plato
is, naast een zeldzaam beroep op de wichelarij 20), een door-
gaand heenwijzen op poëten en profeten, even als b\'y de
Apostelen op de schrijvers des Ouden Verbonds; en bij hem
komen vele mythen of verhalen voor, om wijsgeerige denk-
beelden daarin te kleeden, even als hiertoe bij onzen Heer
de gelijkenissen dienen.
Nog is er een ander verschil tusschon Socrates en Plato.
Blijft Socrates bij dit en het volgende leven staan, Plato
onderstelt ook een nog vroeger aanzijn; wij bestonden, vol-
gens hem, reeds vóór dat dit ons aardsche leven aanving.
Daarvan, zegt hij, hebben wij nog herinneringen in ons,
die bij onze geboorte in ons sluimeren, maar door ouders
en leermeesters gewekt kunnen en moeten worden.
In ons onderzoek is deze voorstelling van Plato van het
grootste gewicht.
Vraagt gij, hoe Plato b\'y\' deze gedachte kwam, dan gist
-ocr page 56-
40                                   TWEEDE VOORLEZING.
gij ook ligt, dat zij samenhing met de leer der zielsverhui-
zing, welke Pjihagoras uit Egypte in Griekenland had over-
gebracht. Plato nam haar van zijn grooten voorganger
over. De oorspronkelijk ia den mensch van zijne gehoorte
af aanwezige denkbeelden, of liever beginselen, bij Plato
zijn dus van een anderen aard , dan die, welke Cartesius
en Leibnitz voorstonden. Bij deze latere wijsgeeren zijn
ze ons aangeboren , dewijl ze ons ingeschapen zijn : bij Plato
zijn ze mei ons geboren, dewijl ze uit een vroeger leven
ons zijn bijgebleven , als herinneringen.
Evenwel ontwaken deze herinneringen niet bij allen. In
de voornaamste plaats, waar Plato over deze zaak handelt"),
schildert hij eerst, hoe de menschelijke zielen vele duizenden
jaren achtereen uit het eene lichaam in het andere verhui-
zen tot straf van haren afval van God. Voorts verhaalt
hij, dat, als zij weder op aarde in een menschelijk lichaam
komen en zich nu door de rede laten besturen, zij van de
enkele en zinnelijke dingen tot de algemeene en geestelijke
opklimmen. Daarop laat hij volgen: „Dit nu (deze opklim-
ming der menschen) is de herinnering der dingen, welke onze
ziel eens gezien heeft, toen zij, met de Godheid rondreizende,
verachtte \'tgcen wij nu (op aarde, in de zinnelijkheid) zeg-
gen
dat is, en zij zich verhief tot hetgeen werkelijk is."
Intusschen worden de meeste zielen door de begoocheling
der aardsche dingen bekoord en besmet, zoodat „maar wei-
nigen overblijven, die daarvan herinnering genoeg hebben."
Dit zijn dan de ware wijsgeeren, die, dewijl zij dat zijn,
door den grooten hoop voor waanzinnigen worden gehouden.
Elders vindt men bij Plato 22) eene dergelijke plaats, maar
die eene eigene belangrijkheid heeft, dewijl hij daar eene
proef geeft, hoe die herinneringen in eiken mensch sluime-
ren, ook waar zij niet aanwezig schijnen te zijn, en in
allen gewekt kunnen worden. Immers hier wordt een slaaf
ten tooneele gevoerd, die nooit is onderwezen, en dus ook
-ocr page 57-
41
PLATO.
niets van de meetkunst heeft geleerd. Evenwel wordt hij door
een beleidvol vrager (Socrates) tot bewustheid (dat is dan,
tot herinnering) gebracht, welke eigenschappen een vierhoek
heeft, zoodat uit dezen slaaf blijkt, dat kennis is herinne-
ring, of dat de mensch niet uit medegedeelde wetenschap
van anderen, maar uit eigene voorstelling, door anderen
gewekt, kan en moet putten 23).
Het is duidelijk, dat Plato tweederlei bron kent van de
godsdienstige waarheid ; ééne in anderen, de mythe of o ver-
levering der voorgeslachten, en eene tweede in ons zelve,
de eigene met ons geborene gedachte, dat is, de herinnering
uit het voorbestaan of uit het leven bij de Godheid. De
vraag is nu, of hij ook eene derde bron van haar kent, in
verstandsredeneering of in wijsgeerige bewijsvoering bestaande.
Het antwoord moet luiden, dat hij deze niet kent, aange-
zien hij niet alleen nooit uit haar put, maar haar bestaan
ook uitdrukkelijk ontkent. Open en rond spreekt hij het
uit, dat wij over de goddelijke dingen „door eigen onder-
zoek"24) niets kunnen voortbrengen, \'t geen meer degelijk
en waar zou zijn, dan \'t geen de overleveringen daarover
verhalen. En maar eenmaal kan hij schijnen, één dezer
dingen toch te willen bewijzen; namelijk de onsterfelijkheid
onzer ziel, in zijn beroemden Phaedon. Maar later zal ik
aantoonen, dat dit alleen schijn is, dewijl hij ook daar die
onsterfelijkheid niet uit bewijzen afleidt, maar als eene ge-
loofde en zekere zaak voorop stelt, terwijl hij haar door
redeneering alleen nader toelicht en bevestigt.
Er blijven dus maar twee bronnen van kennis der gods-
dienstige waarheid over, de overlevering van anderen en
de eigene ervaring. Doch beiden hebben maar éénen oor-
sprong : de Godheid, uit wie alle kennis der waarheid voort-
vloeit. Meent gij in monschen dien oorsprong te kunnen
vinden, dan zegt u Plato25): „Dikwijls hebt gij gehoord,
dal het eene allergrootste wetenschap is, het volmaakt goede
-ocr page 58-
42
TWEEDE VOORLEZING.
(of het ideaal van het goede) te kennen, aangezien de leer
van het recht en de andere dingen de wetenschap behoeven,
om bruikbaar en nuttig te worden...... Maar nu hebben
wij (menschen) daarvan geene voldoende wetenschap." Deze
overtuiging werkt hij vervolgens uit in het bekende beeld20),
dat de menschen hier op aarde als in eene spelonk leven,
met hals en beenen aaneen gebonden en met den rug naar
het licht gekeeid, zoodat zij alleen de schaduwbeelden der
dingen, als door een tooverlantaarn op den wand der spelonk
geworpen, kunnen zien, niet de dingen zelve, terwijl zij
toch die schaduwen voor zaken houden. Zullen zij hunne
dwaling kunnen zien, dan moeten anderen hen los maken
en langzaam naar het licht keeren. Deze anderen kunnen
evenwel de kracht daartoe niet in zich zelve vinden. Want
wie is wijs ? Niemand onder de menschen, zelfs als hij licht
van boven erlangt. God is de eenige, die wijs mag heeten.
„Iemand wijs te noemen, schijnt mij," zegt Plato2S), ,,iets
groots te zijn en alleen voor God passend; wijsgeer of
zoo iels te heeten, voegt meer voor eiken mensch."
Verre is het er dus van af, dat de wetenschap bij Plato
het voornaamste zou zijn geweest, waarnaar de menschen
hebben te streven, waar het op godsdienstige en wijsgeerige
waarheid aankomt. Streven moeten zij naar geloof en
hoop, op mededeelingen der Godheid gegrond. Deze me-
dcdeelingen bestaan. Nadat Plato de wereldwording heeft
beschreven, vervolgt hij 28): „Het gaat onze macht te boven
de wording der Halfgoden uit te spreken en te kennen.
Men moet echter hen gelooven, die het vroeger gezegd
hebben29), die, gelijk ze verklaarden, afstammelingen der
Goden waren en hunne voorouders gewis kenden. Het is
onmogelijk, geloof te weigeren30) aan Godenzonen, ofschoon
ze zonder blijkbare en noodwendige bewijzen spreken. Men
moet, de staatswet opvolgende, hen gelooven, als die ge-
tuigen, dat zij het hun bekende berichten31)."
-ocr page 59-
43
PLATO.
Met dit geloof moet zich hoop paren, of stellige ver-
wachting van eene blijde toekomst. „Ik zou den dood,"
zegt bij zijn sterven de Platonische Socrates3\'2), „ten onrechte
zonder droefheid inwachten, indien ik niet meende, eerst
bij goede en wijze Goden te zullen komen en voorts bij
gestorvene menschen, die beter zijn, dan die hier worden
gevonden. Gij moet weten, dat ik hoop33) bij deugdzame
mannen te zullen komen, zonder dit stellig te durven ver-
zekeren. Maar dat ik bij machtige en geheel en al goede
Goden zal komen, dit, zoo men iets over zulke dingen kan
zeggen, durf ik wel verzekeren. Daarom ben ik niet treu-
rig, maar vol blijde hoop3\'\'), dat er voor de gestorvenen
iets overblijft, en, gelijk het ook oudtijds gezegd is, iets
veel beters.voor de braven dan voor de slechten." Ook op
anderen beroept zich de stervende wijsgeer. „Gaarne,"
zegt hij35), „wilden velen sterven, door de hoop gedreven,
dat zij ginds hen zouden zien en genieten, naar wie zij
hier verlangden."
Doch hoe kent Plato de goddelijke openbaring, waarop
zijn geloof en zijne hoop zijn gebouwd? Uit mededeclingen,
van de Godheid zelve. Wel gingen deze mcdeiloelingen
ook nog voort in zijnen tijd, volgens zijne overtuiging,
maar ze hadden vooral in vroegere tijden plaats gehad.
Nog in zijn tijd was er eene mededeeling der Godheid
aan menschen door middel van ingeving, inspiratie, bezie-
ling van boven. „De uitnemendsle goederen," verklaart
h\\j3B) . „geworden ons door ingeving 3~\'), welke ons door eene
goddelijke gift wordt geschonken. De profetes te Delphi en
de priesteressen te Dodena hebben, door ingeving opgewon-
den38), vele en goede dingen aan burgers en staten van
Griekenland bewezen, — met een nuchteren verstand30)
weinig of niets." „Past liet niet," vraagt hij elders\'"1),
„hen goddelijke menschen te noemen, die, zonder hun eigen
verstand te volgen41), in hetgeen zij doen en zeggen, veel
-ocr page 60-
44
TWEEDE VOORLEZING.
goeds voortbrengen ? En als wij hen nu goddelijk noemen,
die godspraken en voorstellingen geven en gedichten maken,
moeten wij dan van de staatslieden niet even eens zeggen,
dat zij goddelijk zijn en vol van hooger geestdrift, door de
Godheid aangeblazen en bezield, wanneer zij over vele en
zware zaken juist spreken43), terwijl ze niets weten van \'tgeen
zij zeggen." — Geen wonder, dat hij zelf ook wel midden
in een gesprek de Godheid om licht voor zich aanroept43).
Maar rekende hij op nog steeds voortgaande mededeel ingen
van de Godheid, dan is het natuurlijk, dat hij ook gaarne
geloofde aan vroeger gegevene, ja dat hij overtuigd was,
dat ze vooral bij den oorsprong des menschdoms waren ge-
schonken , en dat deze, door de overlevering tot ons geko-
men, door ons geëerbiedigd moeten worden. „Als eene
gave der Goden aan de menschen, gelijk mij toeschijnt,"
verklaart Plato 44), „kwam eens, door den eenen of anderen
Prometheus, van wege de Goden in het helderste licht deze
spreuk4\') tot ons, welke de Ouden, die beter waren dan
wij en digter bij de Goden woonden, ons hebben overgele-
verd, dat het vele uit het ééne afstamt.....Aldus hebben
de Goden ons overgeleverd, om het te onderzoeken, te
loeren en elkander te onderwijzen."
Indien eenige plaats, dan is deze geschikt, om ons dui-
delijk te maken, welke bij Plato de betrekking is van Gods
openbaring en \'s menschen wijsbegeerte. De grondgedachte,
waarop het b\'y alle wijsheid aankomt, is deze, dat er een
heelal is, een samenhangend geheel, orde, harmonie, een-
heid. "Waar alles wat bestaat, wordt beschouwd als eene
samenvloeiing van allerlei aan elkander vreemde, toevallig
elkander ontmoetende bestanddeelen, daar is geen denken,
dat is bijeenbrengen40), mogelijk. Van de eenheid moeten
wij beginnen, gelijk in ons tellen, zoo ook in ons denken.
Maar nu is deze gedachte: Alles is één; is uit één; hoe
velerlei dingen er zijn, toch zijn ze uit één en dus tot één;
-ocr page 61-
4j
PLATO.
of, om het met duidelijker woorden te zeggen: Er is één
enkel God, uit wien en door wien en tot wien alle dingen
zijn: —deze gedachte is volgens Plato geene slotsom van
menschelijke redeneering of van eenig wijsgeerig onderzoek.
Neen, zij is mededeeling van de Godheid , die zelve haar
aan ons heeft geopenbaard.
Maar waartoe deed zij dit? Om ons nu rustig en traag
te laten sluimeren, als die van haar zelve weten, wat waar
is ? Verre vandaar! Zij geeft ons deze grondgedachte , dit
punt van aanvang, dezen lichtstraal, dit baken, of liever
dezen helder brandenden vuurtoren, opdat wij nu zelve onzen
koers daarnaar richten. Zij geeft ons die aanwijzing, gelijk
Plato zegt, „om nu (bij haar licht) te onderzoeken, te loeren
en elkander te onderwijzen." Hij wil dus onderzoek van
het overgeleverde, om waar en onwaar te kunnen scheiden;
hij verwerpt onnadenkend aannemen en napraten. Wat Gods
openbaring zegt, moet worden onderzocht, maar dat zij
spreekt , mag niet worden ter zijde gesteld en voorbij ge-
zien , gelijk men reeds in Plato\'s dagen, tot bederf van alle
wijsbegeerte, begon te doen.
Doch nu rijst de vraag, waar hoort Plato de stem der
goddelijke openbaring, aan de voorgeslachten geschied? Hij
antwoordt, dat hij die hoort in velerlei lecringen en spreu-
ken, en vooral in mythen, welke overal zijn bewaard onder
de volkeren, en waarop wij kunnen en moeten vertrouwen.
"Wij bemerkten dit reeds uit eenige plaatsen, welke ik
uit Plato bijbracht4:): nog duidelijker zullen wij het uit
andere verklaringen vernemen. „Hoor eens," zegt hij48),
,,\'tgcen men een zeer schoon verhaal noemt, \'t welk gij,
zoo als ik vermoed, voor een verzonnen vertelsel49) zult
houden, maar ik voor een getrouw verhaal50); want wat
ik u wil zeggen, zal ik u als waarheid zeggen." Daarop
hoort men een verhaal van de belooningen en straffen, hier
namaals , volgens het volksgeloof der Grieken, te verwach-
-ocr page 62-
46
TWEEDE VOOLEZING.
ten, \'t welk eindigt met de woorden: „Dit is het, wat ik
heb gehoord en geloof (vertrouw)51), dat waarheid is." Nog
wat later is het weer: „Ik ben door deze verhalen tot ecne
vaste overtuiging gekomens\'2) en leg er mij op toe, om voor
den rechter (hier namaals) met eene volkomene ziel te ver-
schijnen." „U schijnt dit alles misschien een vertelseltje te
zijn, als van een oud vrouwtje, zoodat gij er geene waarde
aan hecht. Nu zou \'t ook geene verwondering mogen baren,
dat men er geene waarde aan hechtte, namelijk, indien
wij maar met al ons onderzoek iets konden vinden, dat
meer degelijk en waar is." — „Duld derhalve (wanneer ook
gij gelooft), dat men er u als een onwijze om verachte, en,
als men wil, beleedige. Er zal u, als gij deugdzaam zijt,
geen kwaad van overkomen."
De volksverhalen, overleveringen, mythen zijn dus bij
Plato geene verdichtselen van menschen, maar dichterlijke
inkleedingen van ware mededeelingen, door de menschen
van de Godheid verkregen. Hij neemt ze dus aan als pun-
ten van uitgang en voorwerpen voor het wijsgeerig naden-
ken , ja als objectieve bewijzen van algemeenc geldigheid,
veel hooger te stellen dan de ijdele onderstellingen en sub-
jeetieve redekavelingen der Sophisten , de in hun eigen oog
wijze lieden van dien tijd. Van hen is hij, even als Socrales,
de geweldigste bestrijder , dewijl zij, door alles op redeneering
te bouwen, alles onzeker maakten. Hij wil geloof. Hij
stelt de eenvoudigheid der voorgeslachten, die aan openba-
ringen geloofden, verre boven de ingebeelde wijsheid der
meesten van zijne tijdgenooten, die de Sophisten volgden en
dus alles beredeneerden. „De priesters," zegt PlatoM), „in
den tempel van Jupiter te Dodona verklaarden, dat de eerste
godspraken waren gekomen uit een eik. Voor de menschen,
die toen leefden , was het, dewijl ze niet wijs waren, gelijk
gij, jongelieden, wegens hun eenvoud voldoende, een eik
of steen te hooren, mits deze maar waarheid zeiden. Gij
-ocr page 63-
47
PLATO.
vraagt, wie en vanwaar de spreker is; want gij onderzoekt
niet dit alleen, of het waar is of niet, wat hij zegt." Dat
men een eik of steen zou kunnen hooren spreken, klinkt
vreemd. Hoe sterk moet bij Plato dus de overtuiging ge-
weest zijn, dat er godspraken bestonden, wanneer hij die,
zelfs zóó tot hem gekomen, liever aannam, dan verwierp!
die liever aannam, dan de redeneeringen der Sophisten,
dewijl deze alleen op eigene inzichten steunden en alle gezag
ter zijde lieten liggen! Stoute redeneringen zijn bij hem
geen blijk van ware wijsheid. Die haar voorstaan, en dus de
mythologie verwerpen, wier aloude verhalen zij door physisch-
allegorische verklaringen tot dagelijksche voorvallen willen
maken, noemt Plato spottend de wijzen5,1). Maar hun
arbeid is hem te zwaar, te kunstig en te onvruchtbaar,
om er zich mede te willen inlaten ").
Plato heeft onwederlegbaar bezwaar tegen alle beredenee.
ring dier goddelijke dingen, door wien ook beproefd, ook
tegen zijne eigene. Ze zijn geen voorwerp daarvoor. So-
crates vraagt bij Plato eens aan een vriend 5r\'): „Weet gij,
hoe men der Godheid het meest welgevallig kan zijn ?"
Waarop de vriend antwoordt: „Neen, maar gij dan?*\' So-
crates herneemt: „Ik* kan u althans een oud verhaal daar-
over doen. De voorgeslachten kenden de waarheid." En
dan deelt hij de Egyptische overlevering omtrent Theuth mede,
een goddelijk mensch, die de taal, het schrift, de reken-
kunde , de aard- en sterrekunde heeft uitgevonden en on-
derwezen.
De slotsom van een ander gesprek luidt81): „Wanneer het
zoo met ons gesteld is, gelijk het nu blijkt het geval te
zijn, is het schandelijk, ons nog, aan ligtzinnige jongelin-
gen gelijk, te willen voordoen, alsof wij iets waren, wij,
die toonen niet in het minst eene vaste meening over de-
zelfde dingen te hebben, en dat wel over de allergewich-
tigste dingen. Zoo groot is onze onkunde."
-ocr page 64-
48
TWEEDE VOORLEZING.
Hij eerbiedigt derhalve de mythen van den voortijd als
dichterlijke inkleedingen van werkelijke mededeelingen. De in-
kleeding is van de menschen, de mededeeling van God. De
mythen zijn hem gedicht, niet verdicht58). Dat zij
gedicht of dichterlijk zijn en dus opgesierd, spreekt hij nu
en dan uit, doch ook dan verklaart haar kern voor niet
verdicht, maar voor zeker en waarachtig. „Wij moeten de
kinderen," schrijft hij !0), „eerst met leugens onderwijzen.
Immers wij geven hun eerst aloude verhalen, die leugens
zijn, doch met waarheid er in." Met beiden is het hem
evenzeer ernst: even stellig, als hij het menschelij k-dichter"
lijke der inkleeding erkent, houdt hij vast aan het goddelyk-
ware van den inhoud. Het eene staat bij hem even zeker
en vast, als het andere.
De geleerden meenen thans genoegzaam allen, dat liet bij
Plato geen ernst is geweest met dezen eerbied voor de
mythologie en dat hij zich daarin geschikt heeft naar de volks-
vooroordeelen. Doch hoe uitnemende kenners zij overigens
van Plato mogen zijn, hierin volgen zij hunne eigene voor-
oordeelen. Plato meende hot met zijnen eerbied voor de my-
then zoo ernstig als maar mogelijk isco). Behalve de reeds
aangehaalde plaatsen zijn er nog vele andere, die dit be-
tuigen. Zoo spreekt hij ergens °\') van de regeering van
Saturnus en Jupiter, en voegt er dan bij: „De voorge-
slachten zijn ons de berichtgevers van deze dingen, welke
nu ten onrechte door velen niet worden geloofd." Maar
meer nog dan deze enkele gezegden doet zijne geheele
manier van philosopheeren af, waarop ik insgelijks latei-
zal wijzen.
Voor dat ik daartoe over ga , moet ik nog eene opmer-
king over zijne eigenaardigheid als mensch maken. Plato
is zelf dichter geweest. die zich in bijna alle dichtsoorten
heeft geoefend ; doch \'t is eene grove miskenning zijner
wijsgeerige voortreffelijkheid, hem, gelijk nu velen sedert
-ocr page 65-
49
PLATO.
Aristoteles\' voorgang plegen te doen , meer fantast of dich-
ter dan denker te noemen. Hoe scherp, diep en veelzijdig
hij denkt, zelfs meer dan Aristoteles, zullen wij later zien.
Maar, en dit onderscheidt hem van de meesten, die zich
op philosophie toeleggen, hij is meer dan een denkend
wezen. Hij doorziet, hoe onzeker en ijdel het denken op
zich zelf is: hij wil er een vaster, hij wil er een zekeren in-
houd voor hebben. Behalve diepe denkkracht heeft hij ook
een rein en sterk gevoel, en wil de inspraken hiervan, als
niet minder gerechtigd, dan de uitspraken van het denken,
erkend hebben. En voor dit gevoel vindt hij voedsel in den
volksgodsdiens.t. Daarom heeft hij een diepen eerbied voor
de oudheid en wenscht hij hare overleveringen veel meer
overwogen te zien , dan de redeneer ingen zijner eeuw M).
"Wij moeten nog wat dieper in den geest van Plato in-
dringen , om duidelijk te kunnen zien, hoe hij de vrije
inkleeding van de ware kern in de mythen onderscheidde.
Hij verklaarde, 63): » De Ouden waren beter dan wij en
woonden digter bij de Goden. — Men moet Godenzonen
gelooven." Maar wie zijn nu deze Ouden en Godenzonen?
Dit zijn04): »De dichters en profeten der Goden."
Doch staan nu alle dichters of profeten als zonen en tolken
der Godheid gelijk? Verre vandaar ? Er zijn , die op on-
waardige wijze de goddelijke dingen hebben behandeld, en
onwaardig is elke wijze, die de zedelijkheid kwetst. Men
moet dus onderscheid maken tusschen dichters en dichters.
^Pindarus zegt," verklaart Plato03), »en vele andere dich-
tei\'s, voor zoo verre zij goddelijk zijn." Elders6")
heeft hij eene vergelijking van de dichters met gezanten en
herauten, die men niet onvoorwaardelijk mag vertrouwen ,
maar alleen als zij zich dien naam niet hebben aangema-
tigd, getrouw hun last tot de vreemden overbrengen en bij
hun terugkeer naar waarheid verslag doen. Er moet dus
volgens Plalo onderzoek worden gedaan bij eiken dichter,
4
-ocr page 66-
50
TWEEDE VOORLEZING.
of hij een waardige tolk der Godheid is en hierom geloof
verdient.
Den toetsteen , waaraan Plato wil beproeven, of het blin-
kend metaal bij de dichters goud is, vindt hij in de zedelijk-
heid. En de wortel der zedelijkheid en der wijsbegeerte is
weder bij hem één en dezelfde , de geestdrift voor het
sehoone en goddelijke, of, gelijk hij zelf het noemt, de
liefde 01). De ware liefde toch is bij hem het zich uitstrek-
ken en streven van den geest naar het ware goed, het
ware schoon, het ware recht, of naar de idealen van goed-
heid, schoonheid en rechtvaardigheid. Maar dan kan men
niet toelaten, dat er niet goede, niet sehoone, niet recht-
vaardige handelingen en eigenschappen van de Goden wor-
den verhaald; want »de Godheid is inderdaad goed," ver-
klaart Plato n8), »en behoort dus zóó te worden beschreven."
»\\Yat is," vraagt hij r\'3) »een Gode aangenaam en gehoor-
zaam gedrag ? Maar één, \'t welk een oud wijsheidsbeginsel
volgt, namelijk, dat twee gelijken elkander behagen, als
beiden zich aan ééne regelmaat houden; want onregelma-
tige personen behagen noch aan elkander, noch aan regel-
matige. Nu is ons de Godheid voorzeker de regelmaat aller
dingen , en wel veel meer, dan, zoo als men zegt 10) , eenig
mensch kan zijn. Daar nu dit het wezen der Godheid is,
volgt noodwendig , dat, wie door haar wil bemind worden,
ook zoo veel mogelijk zoodanig moet trachten te worden.
Naar dit beginsel is de gematigde11) onder ons een vriend
der Godheid ; want hij gelijkt op haar, en is de ongematigde
ongelijk en verschillend en dus onrechtvaardig. Naar dit
beginsel is het met alles." Daarom , gelijk Plato verder
ontwikkelt , is de godsdienst dei\' braven aan de Godheid aan-
genaam, die der slechten haar een gruwel.
Nog duidelijker zegt hij elders1-): »Geen listige dief-
stal, geen gewelddadige roof behaagt aan de zonen van God.
Niemand late zich dus dooi\' dichters of door andere vertellers
-ocr page 67-
51
PLATO.
van fabelen bedriegen, om te meenen , dat hij, stelende of
roovende, geene schandelijke daad verricht, maar iets, dat
ook de Goden doen. Dit is niet waar en heeft er zelfs niet
den schijn van; wie zoo iets tegen de wet doet, is geen
God en Godenzoon. Het betaamt den wetgever deze dingen
beter te weten, dan alle dichters te zamen."
Geen wonder dus, dat Plato in zijn volmaakten Staat
Hesiodus en Homerus wegens hunne onzedelijke verhalen
niet wil gelezen hebben. »Zij hebben," zegt hij "), «onware
mythen gegeven." Wat Hesiodus vertelt , dat Uranus en
Kronos hebben gedaan en Kronos van zijn zoon geleden,
moest, zelfs indien het waar was, niet aan jonge menschen
verhaald worden. Evenmin, hoe Goden onderling oorlog
voeren en elkander lagen leggen , \'t geen alles onwaar is.
Of hoe Juno door haar zoon is geboeid, en Vulkaan, die
zijne moeder, toen zij geslagen werd, wilde te hulp komen,
door zijn vader uit den hemel werd geworpen, \'t geen Ho-
merus heeft verdicht. Zinnebeelden of niet — die dingen
moeten geweerd worden. Ook worden de onwaardige
schilderingen bij Homerus van Achilles en Priamus , die af-
stammelingen van Goden zijn, sterk afgekeurd, en nog veel
meer andere dergelijke dingen.
Wat Plato aan Hesiodus en Homerus ten kwade duidt ,
is dit, dat zij onzedelijke mythen geven, geenszins, dat
zij veel vrijheid gebruiken in het behandelen der godenleer.
Die gebruikt hij zeil ook. Volgen de dichters hunne fan-
tasie, hij verwerkt de mythen, gelijk zijne rede en zijn
gemoed hem ingeven. Hiertoe had hij volkometie vrijheid;
want de Grieksche godsdienst was geen scherp afgesloten
en vast ineengegroeid stelsel. »Zij was zrer kneedbaar,"
zegt een kenner der Grieksche oudheid "), »en h;ende zich
tot eene vrij willekeurige voorstelling voor iedereen. Het
gronddenkbeeld van de Grieksche fabelleer is juist dit , dat
zij niet volkomen vast is gesteld. Daarom zijn er eeredien-
4*
-ocr page 68-
52
TWEEDE VOORLEZING.
sten, die op onderscheidene wijze zijn ingericht, is er een
weinig samenhangende priesterschap , is de grootste vrijheid
aan de verbeelding der dichters gelaten en aan de willekeur
in de mythen , die men de dichterlijke noemt. Maar zoo de
mythen der dichters vrij waren , die der wijsgeeren waren
het nog veel meer. En deze vrijheid scheen geen godde-
loosheid. Bij de dichters stond de godsdienst in den dienst der
verbeelding; bij de wijsgeeren in dien van de rede en de
wetenschap , die partij trokken van hare overleveringen en
er met eerbied en onafhankelijkheid uit putten."
Van zulk eene door Plato genomen vrijheid ziet men in
schier iedere mythe, doorhem gebruikt, de duidelijke proe-
ven \'6). Maar hoe veel vrijheid Plato zich veroorloofde,
toch wilde hij zelfs in zijn volmaakten Staat geen gods-
dienst naar eigen inzicht invoeren. Hij wilde dien des
vaderlands behouden , derhalve ook zijne mythen en mys-
teriën , en het orakel te Delphi blijven raadplegen. Dit
blijkt uit vele, ten deele reeds aangehaalde plaatsen. Alles
neemt hij samen op in deze woorden "): »In de onder-
wereld zullen wij straf lijden voor \'t geen wij hier zullen
misdaan hebben, of zelve öf onze kindskinderen. Evenwel
vermogen de mysteriën en de vergevende Goden veel, ge-
lijk de grootste Staten zeggen, en de dichters, de Goden-
zonen en de profeten, uit de Goden geboren , die allen
aanwijzen , hoe het hiermede gelegen is."
Vrijheid, om van den staatsgodsdienst af te gaan, kon hij
zich niet denken. Want hij schreef den oorsprong der sta-
ten aan de Godheid toe, gelijk vooral blijkt uit de fabel van
Protagoras, en ook uit menig ander woord. Zoo begint
hij zijne boeken over de Wetten met de vraag: »IIeeft eene
Godheid of een mensch de taak gehad , om wetten te ge-
ven?" Het antwoord is: »Eene Godheid, voorzeker eene
Godheid Dit is met volkomen recht te beweren l8)."
Ook het Delphisch orakel moest dus geraadpleegd worden.
-ocr page 69-
53
PLATO.
Waar hij voorschriften over begrafenissen geeft 19) voegt
hij er bij: Zoo en zoo zal men doen, »mits Pjthia hare
toestemming geve " En deze Pythia, de priestcresse te
Delphi, moest ook gevraagd worden door de burgers van
zijn volmaakten Staat80).
Heeft al het reeds overwogene getoond, dat het Plato
ernst was, als hij zich vasthield aan den volksgodsdienst, om
uit hem, als den bewaarder der goddelijke openbaringen,
wijsheid te erlangen, zoo vragen wij nu, welke zaken omtrent
de Godheid en onze betrekking tot haar Plato uit do in omloop
zijnde mythen afleidt. Doen wij dit, dan bevinden wij, dat
er niet céne hoofdzaak hieromtrent bestaat , welke hij uit
eene andere bron , en niet uit deze, zoude putten.
Immers Plato wijst uit mythen , en alleen uit deze aan ,
hoe de wereld is geworden, wat het wezen der Godheid
is, in welken toestand de eerste mensehen hebben geleefd,
hoe er kunsten , staten , recht en deugd zijn ontstaan ;
wat eigenlijk de raenschelijke ziel is, dat zij onsterfelijk is
en dat haar straf of belooning wacht, en alles, wat verder
op God en godsdienst betrekking heeft.
Over de wording der wereld spreekt hij aldus81): »Daar
er veel door velen over de Goden en de wording des heelals
wordt gesproken, moet gij billijker wijze niet meer dan een
waarschijnlijke mythe van mij er over verwachten." Waarop
hij dan een bij de Grieken vreemd verhaal laat volgen, dat het
heelal, gelijk het nu is, of de schoone inrichting aller din-
gen , moet afgeleid worden uit Gods goedheid : een verhaal,
\'t welk zoo veel met dat des Bijbels overeenkomt, dat de
Kerkvaders hierom Plato den Attisehen Mozes hebben genoemd.
Aan \'t einde van dit verhaal volgt82) de betuiging, dat men
zulke dingen alleen sdoor het geloof" kan weten.
Over het wezen der Godheid zegt Plato81): »God, gelijk
ook de oude wijsheid84) leert, heeft het begin, het
-ocr page 70-
54
TWEEDE VOORLEZING.
einde en het midden aller dingen in zijne macht. Hij gaat
volgens zijne natuur op den rechten weg voort. Hem volgt
altijd de Rechtvaardigheid8\'), die de verlalers der goddelijke
wet straft."
Omtrent den toestand, waarin de menschen eerst hebben
geleefd, verhaalt Plato8n): »Wy hebben een bericht8\') ver-
nomen van dat zalige leven, toen alle goederen zonder moeite
en van zelf den menschen toevloeiden. De oorzaak er van
is, naar men zegt, deze. Toen Saturnus bemerkte, dat geen
mensch in staat was, de menschen behoorlijk te besturen,
stelde hij een goddelijker en beter soort van wezens daartoe
aan." Waarna eene verdere beschrijving van de gouden
eeuw volgt, gelijk men ook elders hij hem vindtss). —
Doch opmerkelijk is het, dat Plato ook eene reden geeft,
waarom de eerste menschen niet door menschen , maar door
hoogere wezens zijn geleid. Wij immers, zegt hij, stellen
ook geen rund tot herder van runderen, geen geit tot dien
van geiten aan. Even noodig als deze dieren den mensch
hebben, hebben de menschen derhalve hoogere geesten
noodig. Deze bestaan dus, deze bemoeien zich dus met
ons, hebben het althans in den aanvang van het mensch-
dom gedaan 80).
Hoe er kunsten, staten, recht en deugd in de mensche-
lijke maatschappij zijn ontstaan, wordt door Plato het uitvoe-
rigst in het licht gesteld naar d3 mythe van Prometheus9D),
die het uil den hemel gestolen vuur in den mensch bracht,
en daarmede hem kunstvaardigheid schonk, welke de dieren
niet bezitten. Aldus met de Goden vermaagschapt gewor-
den, is de mensch de Godheid gaan dienen, en staten gaan
oprichten, waartoe de Oppergod de Schaamte en liet
Recht op aarde zond, ten einde de banden der Staten\'te
zijn, met bevel, dat wie de schaamte en het recht niet wilde
bewaren, als een vergif uit den Staat moest weggedaan
worden. Ook hier acht Plato het dus niet voldoende, dat
-ocr page 71-
55
PLATO.
de rede, eene sprank van \'t hernelvuur, in ons is. Indien
de Goden niet meer hadden gedaan , dan ons die rede
schenken , zou cv geene geregelde maatschappij zijn ontstaan.
Deze steunt op wetten, die van boven zijn gegeven0\').
Historische mythen hebben wij verder, ten bewijze , dat
de ziel èn onsterfelijk is èn hiernamaals vergelding heeft te
wachten. In hot beroemde gesprek, waarin hij Socrates\'
sterven beschrijft, zegt Plato: »Wy herinneren ons een oud
verhaal ,J2), dat de zielen van de aarde naar de onderwereld
gaan en vandaar hierheen terug keeren en uit de gestorvenen
geboren worden. En brengt hij nu ook wijsgeerige blijken
hiervoor bij, toch leidt hij het geloof aan de onsterfelijkheid
hieruit niet af, maar bevestigt alleen hierdoor de aangeno-
nomen en geloofde overtuiging van de onsterfelijkheid als
redelijk en waar.
Eindelijk: de verwachting, dat der ziel hiernamaals loon
of straf zal geworden, rust bij Plato, volgens vele duidelijke
verklaringen1"), geheel en alleen op mythen of overleve-
ringen , afkomstig uit openbaringen der Godheid.
Kortom, welke hoofdonderwerpen voor het wijsgeerig
denken men verder bij Plato wil nazoeken34), altijd zal men
vinden, dat de overleveringen van het Oosten, welke die der
Pythagoreërs waren, door hare oudheid, haren roem van
wijsheid, haar religieus karakter en de diepe waarheden, welke
zij bevatten, Plato hadden bekoord. Hem bekoord, gelijk alle
greote geesten van alle eeuwen, zoodat zij hem tot grondslag
van zijne denkbeelden strekten, en hem, om het zoo uit te
drukken, de stof waren, waaruit hij zijne gedachten weefde *\'\').
Zoo hoog stonden die overleveringen bij Plato, dat hij
ze niet dan een enkel maal als redelijk of waarschijnlijk
aanbeveelt. Dit doet hij, met die over de onsterfelijkheid in
den Ph\'tedon. Maar hoewel wij ook hier nog niets meer dan
eene wijsgeerige aanbeveling vinden van de historische over-
levering, toch staat dit gesprek als zoodanig nog alleen
-ocr page 72-
56                                   TWEEDE VOORLEZING.
onder Plato\'s werken. Elders vinden wij zelfs zulk eene
aanbeveling niet, alleen eene mededoeling. Plato berust
derhalve in die mythen, als de eenig mogelijke gronden
voor de godsdienstige en geestelijke of hoogere dingen, die
men moet aannemen, dewijl, bij verwerping daarvan, er
niets andei\'s overblijft.
Nu en dan doet hij ook uitkomen , dat de denkbeelden ,
in die mythen vervat, zich vroeg of laat aan den mensch,
ook tegen zijnen wil, als waar opdringen. Zoo schildert hij
b. v. zeer schoon, hoe , als de dood dreigt, het geweten bij
velen wakker wordt. „Wanneer iemand," zegt hij ,a),
„zoover gekomen is, dat hij meent spoedig te zullen sterven,
overvalt hem vrees en zorg over die dingen, waarover hij
zich vroeger niet bekommerde. Want de mythen , die over
de onderwereld worden verhaald, hoe hij , die hier onrecht-
vaardig leefde, daar straf moet lijden, werden dusverre
door hem belacht; maar ontrusten alsdan de ziel met het
vermoeden, dat zij toch misschien waar zijn. Wegens de
zwakheid des ouderdoms of dewijl hij nu naderbij is aan die
gindsche dingen, beschouwt hij ze nauwkeuriger. Hij wordt
vol ontroering en vrees. Hij rekent uit en ziet rond, of
hij ook iemand onrecht heeft aangedaan. Vindt hij velerlei
onrecht, in zijn leven door hem begaan, dan wordt hij
dikwijls als de kinderen in den slaap van schrik wakker en
leeft met een slecht uitzicht in de toekomst. Maar wie zich
van geen onrecht bewust is, koestert altijd eene zoete hoop ,
eene verkwikkelijke vriendin zijns ouderdoms , zoo als ook
Pindarus bevallig zingt:
\'t Harte streelend , grijsheid koestrend ,
Woont bij hem de zoete hoop,
Die des stci velings gedachten ,
Veel bewogen, meest beheerscht."
Ik eindig voor dit maal mijne beschouwingen over Plato,
-ocr page 73-
PLATO.                                                57
Uit alles blijkt, dat Plato , nog veel meer dan Pytha-
goras of Socrates, tot vele gronddenkbeelden niet alleen,
maar ook tot de grondrichting des Bijbels nadert. Want bij
hem is het, even als bij Mozes en de Profeten, niet alleen
deugd, heiligheid en godsvrucht, waarop hij overal aandringt:
deze inhoud of geest heeft ook hetzelfde lichaam bij Plato
als bij Israël : overal verwijst ook Athene\'s philosooph,
naar overlevering, historie, openbaring van God, als
waarop de deugd, de heiligheid en de godsvrucht moeten
gebouwd worden ; dewijl die de grondslagen zijn van
geheel ons denken, gevoelen en leven, ja van ons geheel
èn zedelijk èn staatkundig bestaan, \'t welk daarop moet
rusten, zal het zeker en vast kunnen zijn.
Zeer verklaarbaar en natuurlijk is derhalve de oude voor-
liefde van Joden en Christenen voor Plato. Zij hoorden in
hem een welluidenden naklank van hunne waarlijk godde-,
1\'yke openbaring, welker waarde en beteekenis door Athene\'s
beroemdsten wijsgeer, die haar eerbiedigde en zocht te
verstaan, niet weinig voor hen werd verhoogd. Daarom
sloten Philo en alle Alexandrijnsche Joden vóór en na hem
zich veel meer aan Plato, dan aan eenig ander wijsgeer
der Grieken aan. Daarom prijzen hem de Grieksche *en
Latijnsche Kerkvaders als om strijd. Daarom zegt Eusebius °7):
„Plato is de eenige van alle Grieken, die in den voorhof
der (evangelische) waarheid is doorgedrongen." En daarom
heeft een Augustinus niet geschroomd Plato te roemen als
den uitnemendsten aller heidensche wijsgeeren en van hem
en zijne leerlingen te zeggen08): „Daar zijn geene anderen,
die nader tot ons (Christenen) komen dan zij. — Zij kennen
den waren God èn als schepper des heclals, èn als verlichter
der waarheid, èn als uitdeeler der zaligheid."
Ook Wessel Ganzevoort en Erasmus stelden Plato als
wegbereider voor het Christendom boven alle wijsgeeren.
Nog in onze eeuw werd door een diepzinnigen vereerder
-ocr page 74-
58
TWEEDE VOORLEZING.
des Evangelies en tevens grondigen kenner der wijsbegeerte
een voortreffelijk werk geschreven, uitgerust met al de weten-
schap onzer dagen, \'t welk met recht den titel voert: Das
Christliche im Plito und in der platonischen Phllosophie entivickelt
und hervorgehiben von
Dr. c. ackeumann, Hamb. 183590).
Inderdaad is Plato dan ook voor velen eene brug gewor-
den, om tot Jezus Christus te komen en Hem beter dan
anders mogelijk geweest ware, te verstaan; voor een Jus-
tinus, Clemens, Augustinus, Wessel Ganzevoort, VanHeusde,
Pareau en ontelbaar vele anderen.
AANTEEKENINGEN.
\') BI. 31. Hoo hij don naam van wijsgeer verstond en
waarom bij dien invoerde, verbaalt ciceiïo, Tusc. Quaesl. V, 3.
*) BI. 31. Hij was, gelijk bij bij xenomion, Si/mpos. I,
5, zich noemt, avTovgyöi rt/s (ptloaoifiaq. Een landman, die niet
door slaven, maar met eigene band zijne akkers zelf bebouwt,
beet nivoviiyoi, zelf werker. Zulk een man was Socrates op den
akker der wijsbegeerte.
s) BI. 32. Over Socrates zeide ik veel in de Gesch. der op-
voeding ,
D. II, bl. 180—244. Docb toen ik dat scbreef, was
nog niet uitgekomen eenst vox lasailx, Bes Solcrates Leben,
Lehre und Tod, nach den Zeugnissen der Allen, Miinchen
1858, bet
grondigste, meest bezielde en aangenaamste bock, dat, zoo ver
ik weet, ooit over Socrates gesebreven is. Bl. 95 zegt bij:
Wabrhaftig er starb wie ein beiligor Monseb: als er fast scbon
den Todesbcober in der Hand hielt, spracb er nog so, dass er
nicht zum Todo sondern empor in den Himmel geführt zu werden
scbien (ciceko, Tuscal., I, 29, 71). — Lasaulx maakt, zoo
als ik ook deed, eene vergelijking van Socrates met Chris-
tus (bl. 100—122), welke mot deze woorden eindigt: Ich nebme
keinen Anstand offen und zuversicbtlicb zu bebaupten, dass
keine unter allen alttestamentlieken Persönliehkeiten ein so
-ocr page 75-
59
AANTEEKENINGEN.
vollstandiges Vorbild Ckristi ist als der Griechische Sokrates;
und dass ebenso unzweifelbaft das Boste der ehristliehen Lo-
benslehre dem Hellcnismus ungleich naher steht als dem Ju-
daismus.
*) BI. 33. Xenoplion stelt bet voorop in de Metnor al. 1,1,
11—16. En zóó is bet in dit werk gedurig weder. Verg. ook
ciceeo, Tuscul. Quae.it. V, 4, Aead. I, 4.
5) BI. 34. iiegel, Philosophie der Iteligion, ~D. II, bl. 103
(tweede tiitg.): „Zens is bij de Grieken een staatkundige God,
de God der wetten, der beersebappij, maar der bekende
wetten, niet der wetten des gewetens. Het geweten beeft in
den Staat [en bij de Grieken was de Staat bet boogste] geen
regt — wanneer do mensch zicb op zijn geweten beroept, dan
kan do een dit geweten en de ander een ander bobben — maar
bet wettige [bet door de -wetten bepaalde] beeft reebt in den
Staat."
c) Bl. 34. ZvviiSt\\ai%, conscientia.
\'•) Bl. 34. De alleen verstandelijke, en niet gemoedelijke
rigting van Soerates en van gebeel do Griekscbe oudboid liet
niet toe, aan bet geweten die zedelijk-godsdienstigo beteekenis
toe te kennen, welke de Israëliet en vooral de Cbristen er aan
hecht. Verg. n. cbemee, Wórterbuch der netttestam. Graecilüt,
Gotha
1860, bl. 184—18".
8) Bl. 35. Misscbiou ook nog van iets moer dan van bet ge-
weten: van een zedelijk instinct en een zeker voorgevoel. Zie
Gesch. der opo. D. II, bl. 242, 243, j. ten bbink, Gedenk-
waardigheden van Soerates
, bl. 4, en andere uitleggers op xeno-
phon , Memorah. 1, 1, 2, vooral ook plato , Theag. p. 128 D.,
PLUTAEcnus, Be geitio Socratis p. 588 cd. Xylandri. — Een
geleerde schrijver over Soerates, e. albebti, Soerates, E in
Versuch iïber ihn uach den Quellen, Gi\'itt.
1869, toont, na talloos
vele anderen, bl. 55—71 in zijn voorbeeld, dat er geene bel-
derheid in deze zaak is te verkrijgen, wanneer men niet rond
en onomwonden erkent, dat Soerates aan eene werkelijk godde-
lijke openbaring geloofde.
•) Bl. 35. Verg. Memorah. I, 1, 6—9 en 19, I, 4, 15 en
16, II, 6, 8, IV, 3, 12 en 10, IV, 7, 10. Op de naUxur wijst
hij I, 4, IV, 3.
,0) Bl. 35. Memorab. IV, 4.
") Bl. 35. \'Tó avxb ró/iifiói\' xnl (Kxkiov tlvtu.
-ocr page 76-
60                                   TWEEDE VOORLEZING.
") BI. 36. Zie b. v. Memorab. I, 4, 16, IV, 3, 12 en 16.
IS) BI. 36. XENOPÜON, Symposion, IV, 46—48.
u)
BI.
37.
\'•)
151.
37.
1«)
BI.
37.
")
BI.
37.
Anabasia, III, 1, 4—7.
Memorab. I, 4, IV, 3.
VIII, 7, 19—22.
I)e Senectute, 22.
) BI. 37. "JlaTtfQ fymèiofuu.
19) BI. 38. Over Plato heb ik veel gezegd in de Gexeh. der
opvoeding,
D. II, bl. 249—273.
»°) BI. 30. B. v. Phatdr. p. 241 B, C. ed. Stcphani.
2\') Bl. 40. Phaedr. p. 219 B volgg.
M) Bl. 40. Menon, p. 81 B.
*\') Bl. 41. Ik moet bier opmerken, dat de Menon tbans
door velen aan Plato wordt ontzegd. Maar of Plato zelf deze
samenspraak heeft geschreven, dan wel een zijner leerlingen,
die alsdan zijn meester zeer, zeer na op zijde is gekomen, is
voor mijn doel onverschillig. Ik zal dns ook in \'t vervolg op
de twijfelingen der geleerden over de echtheid der op Plat o\'s
naam gaande geschriften , die in een ander opzicht haar belang
hebben, doorgaans geen acht slaan. Te minder doe ik het, de-
wijl zij mij meest alle ongegrond voorkomen.
**) Bl. 41. Zoekende \'^tjTavrxtq, Gorgias, p. 527 A.
25) Bl. 41. De Republ. VI, p. 535, A.
*•) Bl. 42. De Republ. VII in het begin. Verg. Geseh. der
opvoeding,
D. II, bl. 264.
«) Bl. 42. Phaedr. p. 278 D.
M) Bl. 42. Timaeus, p. 40 D, E.
2<J) Bl. 42. Jlruiiiov rot; tlqijxóaiv ïfi7rgoa9-iv.
3") Bl. 12. *A.T«lT(Zr.
") Bl. 42. Eeno plaats, die tot bevestiging van deze kan
dienen, zal ik straks uit den Gorgias aanhalen.
32) Bl. 43. Phaedon, p. 03 B. 33) Bl. 43. ElxCe».
34) Bl. 43. EveXmt.            ss) BL 43. Phaedon, p. 68 A.
3n) Bl. 43. Phaedr. p. 214, A.         31) Bl. 43. Jia p«W«;
38) Bl. 43. MayiXatu.         VJ) Bl. 43. Zohpporovoai,.
40) Bl. 43. Menon, p. 99 C. 4I) Bl. 43. JVovv pi, tXorcfs.
42)     Bl. 44. Mijófr !t<5ótf; wv ).iyovot,v.
43)     Bl. 44. Legg. IV, p. 712 B.
44)     Bl. 44. Philebus, p. 16 C, E. 45) Bl. 44. tfiy/n;.
46) Bl. 44. Het Latijnsche cogilare is het frequentavivum
-ocr page 77-
61
AANTEEKEN1NGEN.
van cogere, en dit is samengetrokken uit coagere, bij een brengen.
Cogitare
is derhalve al weer en steeds dóór samenbrengen. En is
ons denken inderdaad iets anders, dan dit P iets anders dan,
gelijk men liet ook noemt, uit de vele bijzonderheden tot hot
algemeene opklimmen P
*■•) BI. 45. Philebns, p. IC C. E, Timaeus, p. 40 D, E.
«) BI. 45. Gorgias, p. 523 A.
*9) BI. 45. MiO-oq.          »•) BI. 45. Aóyoq.
s\') BI. 4G. lhavtho.        M) BI. 46. P. 526 D: iriXëKiitat.
»») BI. 46. Phaedr. p. 275 B. 54) BI. 47. T0vS ffoyor?.
ss) BI. 47. Phaedr. p. 229 C, D.
\'") BI. 47. Phaedr. p. 274 B, C.
5\') BI. 47. Gorgias, p. 527 D.
58) BI. 48. Zóó onderscheidt hegel , Philosophie der Religion,
D. II, bl. 102 (eerste uitg.), juist en puntig. Hij spreekt echter
niet van Plato, maar van de Grieksche godenleer en zegt van
hare Goden: „Ze zijn gemaakt of gedicht, maar daarom niet
verdicht."
5») Bl. 48. De Republ. II, p. 277 A. Wat Plato hier pv&ot
noemt, vertaal ik door „aloude verhalen."
co) Bl. 48. Erkend wordt dit wel door ast, Platoni Leben
und Schriften,
bl. 165, ackekmann, Dan Christl. im Plato,
bl. 52—55, van nErsDE, hiilia jihilosophiae Plat. Vol. I, p.
119 sqq., ckeuzer, Sj/miolik und Mythologie der alten Völker,
bcsonders der Grieehen,
D. III en IV. Maar toch komt de zaak
ook bij hen niet tot haar volle recht, daar zij nog niet konden
inzien, hoc veel Plato middellijk of onmiddel] ijk van Israël had
geleerd en hoe vast dus zijne overtuiging op goddelijke openba-
ring kon steunen.
fil) Bl. 48. Politicus, p. 271 B.
r>\'2) Bl. 49. Dat Plato geen fantast is, wijst ackekmann ,
Das Chrittliehe im Plato, bl. 95—99, voortreffelijk aan.
r\'3) Bl. 49. Philebus, p. 16 C, Timaeus, p. 40 E.
•«) Bl. 49. De Sepubl. II, p. 366 B.
°8) Bl. 49. Menon, p. 81 B.
««) Bl. 49. Ligg. XII, in \'t begin.
01) Bl. 50. E. Zeiler, Die Philosophie der Grieehen, D. II,
bl. 315: Die Wurzel der Sittlichkeit und Philosophie (ist bei
Plato) cine und diesclbo, die Bcgeisterung 1\'ür \'s Schone und
Göttliche, der Eros.
-ocr page 78-
62
TWEEDE VOORLEZING.
68) BI. 50. T)e. Republ. II, p. 379 B. Dikwijls weidt Lij met
warmte uit in den lof van do zedelijke goedheid van God, b. v.
Theaet. p. 170 C, Phaedr. p. 217 A, Tim. p. 29 E.
e") BI. 50. Legg. IV, p. 710 C.
"°) BI. 50. „M en" is hier Protagoras, wiens bekende spreuk
was, dat de mensch de maatstaf aller diDgen is. Hij wilde dus
do Godheid in en uit den menseh kennen, terwijl de inensch
zich zelven eerst leert kennen in en uit God. De Chris-
ten kent èn God èn zich zelven uit Gods volmaakte openbaring,
uit den Godmensch Jezus Christus, Gods afbeeldsel en \'s men-
schen voorbeeld. Maar Plato kent God ook uit eone wel nog
niet volkomeno, maar toch ware openbaring. Protagoras is ra-
tionalist, Plato supranaturalist.
"■) BI. 50. \'O eéxf^my.
«) BI.
50.
\'») BI.
51.
•*) BI.
51.
Legg. XII, p. 941 B, C.
De Republ. II, p. 377 D.
Be, Republ. III, p. 388.
n) BI. 51. victor cousix, Oeuores dePlaton, D VI, bl. 453.
\'") Bl. 52. Men lette maar eens op de fabel van Protagoras
over Promctheus, voorts op de mythen over de liefde in het
Symposion , vooral op die van Aristophanes , p. 190 B ; op die over
de goiiden eeuw in den Politicus, p. 208 D.
") Bl. 52. Tic Republ. II, p. 300, A, B. Zie verder p. 379
A en Legg. IX, p. 870 D.
•8) Bl. 52. Verg. ook Legg. IV, p. 712 B.
\'")
13!.
5:ï.
8(1)
Bl.
53.
p. 540 C.
8.)
Bl.
ü:s.
Bï)
Bl.
53.
83)
Bl.
53.
84)
Bl.
53.
86)
lil.
54.
ff)
Bl.
54.
Legg. XII, p. 947 D.
T)a Republ. IV, p. 427 B, V, p. 401 E, VII,
Timaeus, p. 29 C, D.
Timaeus, p. 40 D, E.
Legg. IV, p. 715 E, 710 A.
\'O tT«Af«ó; i.óyuf.        85) Bl. 53. \'// óixij.
Le.jg. IV, p. 713 C. 8\') Bl. 54. <*>»>»/.
B. v. Oorglas, p. 523 A, Polilien*, p. 272 B.
80) Bl. 54. „Do Oppergod (heet het bij Plato) had alles ver-
deeld onder de mindere Goden, die ook als Goddelijke herders
voor de dieren zorgden. Maar die God zelf, die aan \'t hoofd
staat, hoedde de menschen (als herder), gelijk nu do menschen,
daar zij van goddelijk geslacht zijn, als herders voor de lagere
soorten zorgen." Na cene beschrijving van hot overvloedige en
-ocr page 79-
63
AANTEEKENINGEN.
onbezorgde leven in dien gulden tijd, volgt, dat de Oppergod
zich daarna met de overige mindere Goden had teruggetrokken
en de wereld aan zich zelve overgelaten. Plato merkt ook op,
dat de menschen uit do aarde waren gemaakt, en behalve met
dieren ook met God en goedo geesten omgingen.
90) BI. 54. Protag. p. 320—322. Verg. Gesc/i. der opv. D.
II, 258—262.
01) BI. 55. Wat eigenlijk do mcnschelijke ziel is, stelt Plato
op andere wijze in een dichterlijk kleed aanschouwelijk voor
oogen. Zij is als een wagen, welke door de rede als voerman
wordt bestuurd en door twee gevleugelde paarden, namelijk de
geestelijke aandrift en den zinnelijken hartstocht, wordt voort-
getrokken, waarbij het de kunst van den voerman moet zijn,
don zinnelijken hartstocht door de geestelijke aandrift te dwin-
gen ook naar boven te gaan.
Deze voorstelling nu wordt niet door Plato gegeven als oen
oud historisch verhaal, uit goddelijke openbaring tot ons geko-
men. Zij is eene wijsgeerige inkleeding, die bewijst, dat Plato
niet durft wagon redeneerend op te maken, maar alleen schil-
derend te vertoonen, wat do ziel moge zijn. En ook die in-
klceding is dan een blijk, dat hij do diepste en hoogste waar-
heden voor verstandelijk betoog niet bereikbaar acht.
°2) BI. 55. 1\'haedon, p. 70 C. Uu>.tni><; Xóyos.
™) BI. 55. Phaedon, p. 63 C, De RepubLTL, p. 366 A, B,
Gorgias, p. 523 A.
u) BI. 55. Hiertoe moot men evenwel niet brengen, wat
hij zegt over den oorsprong der taal. liet was in dien tijd,
gelijk-nog , ecne twistvraag, of de taal al of niet al3 eene gave der
Goden moet beschouwd worden. Zie de schrijvers, aangehaald
bij ast, Platons Lede* und Schriften, bl. 266*). Ku trekt M-
colas, Etudes phi\'osoph. uur te Chrvstianime, D. I, bl. 214, uit
eenige woorden in Plato\'s Cratjlus het gevolg, dat Plato ook
do taal van do Godheid zou hebben afgeleid. Doch hij vergist
zich. Wel zegt Cratylus, in het naar hem genoemd gesprek,
p. 438 B, dat zijns oordeels eene hoogere dan de mcnschelijke
macht aan de dingen namen heeft gegeven en zij daarom juist
zijn. Maar Soorates = Plato weerlegt dit dadelijk, aangezien
namen niet als juist kunnen beschouwd worden. En vroeger
p. 425 D had hij ook reeds gezegd, dat in deze zaak de toe-
-ocr page 80-
64
TWEEDE VOOHLEZING.
vlucht tot de Godheid te nemen zoo iets is, als in de tragedie
de Deus ex machina.
IJS) BI. 55. Woorden van zijn uitnemcnden uitlegger, victoe
coüsin , Oeuvre* de Platon, ~D. VI, bl. 465. Verg. bl. 414—416,
463—466, 493.
M) Bl. 56. De Republ. I, p. 330 D, E.
0\') Bl. 57. Praepar. Euang. XIII, 14.
08) Bl. 57. De doilafe Dei, VIII, 5. Er ware eene vrij
lange bloemlezing van lofspraken op 1\'lato uit Augustinus op
te zamelen.
\'*) Bl. 58. In den aanvang van dit geschrift, bl. 1-—20,
vindt men een overzicht van de blijken van ingenomenheid met
Plato onder do Christenen van ouds af tot nu toe.
-ocr page 81-
DERDE VOORLEZING.
Aristoteles, de man der wetenschap en des begrips, houdt zich
aan liet bestaande. Eerbied ook voor de volksoverleveringen
bij hem.
Samenvatting van het bij de vier voornaamste ivijs-
geeren gevondene. De oorsprong
, zin ei strekking van hun beroep
op Goddeiijke openbaring Geen schikken naar vnlksvzoroordeelen.
Zij bedoelen ook niet alleen openbaring van God in de
zinnenwereld en in ons hart
, maar buitengewone en ■uiiwen-
dige openbaring. De gronddenkbeelden over de geestelijke 10e-
reld niet a/geleid uit redeneerinj
, maar op openbaring ge-
bouwd. De Oudheid zoekt ware wijsheid
, waarvan Gods
openbaring de bron is. Phtto\'s
Gorgias. De philosophie wijst
de redelijkheid van het
gelooven aan. Philosopheeren is
niet twijfelen en beredeneeren, maar bewonderend aantahou-
iven en lecen kennen van hel heelal. Da
Paedon. Philoso-
phie is de rationele bevestiging der traditionele overtuigin-
gen. Cicero.
Mijne Heeren!
Van Plato tot zijn leerling Aristoteles overgaande, komen
5
-ocr page 82-
GO
DERDE VOORLEZING.
wij in eene geheel andere wereld. Bij den leermeester heer-
schen poëzie en geloof en gemoed, bij den leerling proza en
wetenschap en verstand. Ja, zoo groot is het verschil, dat
Aristoteles een tegenvoeter van Plato moet heeten. Immers bij
Plato is alles ideaal; bij Aristoteles alles reëel. Plato maakt
zelfs de zinnelijke wereld tot eene soort van geestelijk wezen:
Aristoteles de geestelijke wereld tot eene lioogcr georgani-
seerde zinnelijke natuur. Bij Plato wordt de natuurgeest;
bij Aristoleles de geest natuur. „Plato kon het goddelijke,
Aristoteles het zinnelijke niet laten varen. De physica van
Plato is, om zoo te spreken , alleen eene verdigte theologie,
en de melaphysica van Aristoteles is in den grond niets
anders dan eene verdunde physica \')•"
Maar de leerling is ook een bestrijder van zijn meester,
zonder hem te verstaan, ja een bespotter van hem. Twintig
jaar had hij, een der helderste en scherpste critici, Plato\'s
onderricht genoten. Men zou dus meenen, dat hij hem
althans had begrepen. Doch dit deed hij niet. De laag
staande kan den hoog vliegende niet volgen; de physische
mensch vat den pneumatischen niet; deze is genen eene
dwaasheid2). Aristoteles zoekt Plato te verbeteren, te
bestrijden, zelfs belachelijk te maken3).
Aristoteles is bovenal een man der wetenschap en des
begrips. Om nauwkeurig te weten en juist te begrijpen,
onderzoekt hij alles, doch meest de stoffelijke natuur. En
als hij de geestelijke poogt te leeren kennen, is het toch
ook veel meer, om te weten en in begrippen te brengen,
hoe zij nu eenmaal is, dan wel, om in te zien, hoe zij
geworden is en wat zij worden moet, hoe zij goddelijk is
van oorsprong, goddelijk van aanleg en goddelijk van be-
stemming. Maar één bewijs breng ik bij, hoe weinig
Aristoteles de geestelijke natuur in hare waarde weet te
schatten: hij loochent de onsterfelijkheid des menschen 4),
En hoe laag bij den grond moet een wijsgeer blijven, die
-ocr page 83-
ARISTOTELES.                                           67
ons menschen eenvoudig als tijdelijke bewoners der aarde
beschouwt, zonder den blik naar ons waar vaderland te
kunnen verheffen? Met dit alles wil ik de groote en ware
verdiensten van den vader der wetenschappen, gelijk
wij Aristoteles mogen noemen *), niet verkleinen. Zijn
nuchtere zin is een onontbeerlijke tegenhanger van den
hoog \\liegenden, wel eens opgewonden geest van den heer-
lijken Plato. Zonder de scherpe en vaak onverdiende critiek
van Aristoteles, zou de nakomelingschap ligt door Plato tot
dweperij zijn vervallen.
Maar wij moeten Aristoteles nog meer in \'t algemeen
kennen, om in \'t bijzonder te begrijpen en te waa-\'deeren ,
in welke betrekking zijne wijsbegeerte staat tot Gods open-
baring. En als wij, eiken wijsgeer, dien wij beschouwen,
pogende te kennen, nu zulk een overgroot verschil tusschen
hen vinden, als werkelijk tusschen Pythagoras, Socrates,
Plato en Aristoteles bestaat, dan hebban wij daarin een
waarborg te meer, dat wij geene andere, dan deze vier
beroemdste wijsgeeren voor ons doel behoeven ter hand te
nemen; immers zij vertegenwoordigen blijkbaar alle richtingen.
Hoezeer Aristoteles van zijne voorgangers op godgeleerd
en godsdienstig terrein zal verschillen, kunnen wij reeds uit
zijne geheele geestrichting gissen. Spreekt bij over goddelijke
dingen, dan keurt hij de menschelyke voorstellingen (anthro-
pomorphismen) over de Godheid nadrukkelijk af. De mythen,
waarin de Goden als menschen voorkomen, zijn hem dus
bedriegelijke voorstellingen, uitgevonden, om de menigte ter
bevestiging van het welzijn der staten te doen gelooven,
wat zij niet kan weten, en haar eerbied voor hoogere mach-
ten te doen verkrijgenc). Dit kon niet anders; want de
sterren zijn bij hem veel hoogere wezens, dan de menschen.
In den mensch als geestelijk wezen eene hoogere dan de
zinnelijke natuur op te meiken en daarom hem als beeld
der Godheid te beschouwen, schijnt bij Aristoteles niet op
5*
-ocr page 84-
68
DERDE VOORLEZING.
te komen. Want de Godheid zelf is geen eigenlijke geest
bij hem, geen persoonlijk, de wereld in eigenlijken zin re-
geerend wezen. Zij is hem alleen cene eerste beweegoorzaak
van het heelal. Aan deze gedachte oorzaak geeft hij den
naam God. De goddelijke Voorzienigheid is hem dus het-
zelfde als de regelmatig geordende loop der natuur, die
vaste en onverbrekelijke wetten noodwendig volgt. Van
bedoelingen of eindoorzaken, dat is, oorzaken die een be-
paald einde bedoelen, kan dus ook bij Aristoteles geene
spraak zijn. De Godheid geelt regen en droogte, niet opdat
het koorn groeie, maar uit noodwendigheid. Er bestaat
dus geene ruimte of mogelijkheid voor het wijs en liefdevol
besturen van de menschelijkc toestanden door de Godheid.
Alles loopt in vaste kringen rond \').
Uit dit alles zouden wij nu ligt geneigd zijn te besluiten ,
dat Aristoteles voor ons onderzoek niets zal opleveren. Maar
daarin zouden wij ons toch bedriegen. Hoewel weinig, heeft
ook hij iets, en wel iets zeer belangrijks.
Immers Aristoteles, die, even als alle andere oude wijs-
geeren, veel practischer was dan de latere, houdt zich aan
het leven en deszelfs behoeften. Hij acht en onderzoekt
derhalve het bestaande, niet alleen de bestaande stoffelijke
natuur, maar ook al wat er verder bestaat, ons denken en
dichten , onze overtuigingen , zeden en instellingen ; derhalve
ook de staatsinstellingen en de godsdienstvormen, die er nu
eenmaal zijn.
Aan dit bestaande houdt hij zich vast. Zeide Protagoras,
dat de menscli, en Plato, dat de Godheid de maat aller
dingen is: Aristoteles zou hebben kunnen zeggen, dat het
bestaan de maat van alles is. Hij is geen dichter maar
leidt uit de in Griekenland bestaande dichtwerken af, wat
dichten is en zijn moet. Hij heeft geene verhevene lessen
over de deugd, maar toont uit de bestaande zeden aan, wat
men voor deugd (het midden tusschen twee uilersten) hou-
-ocr page 85-
69
ARISTOTELES.
den moet. Hij sticht geen eigen staat, zelfs niet in zijne
gedachten, maar wijst uit de hem bekende staatsregelingen
der bestaande rijken aan , hoe een rijk behoorlijk kan worden
ingericht. Zoo geeft hij ook gcenc hem eigene denkbeelden
over de godsdienst, maar hij eerbiedigt de aanwezige gods-
dienstvormen en overleveringen, als beslaande, en dus volgens
hem recht van bestaan hebbende, en niet alleen als nuttig
om het volk te leiden, maar ook als werkelijk en in de
hoofdzaak waar, zoodat ze dan ook door de wijsgeeren
erkend en gehandhaafd moeten worden.
Want er is volgens Aristoteles voor ol dit bestaande eene
zekere noodwendigheid van geworden zijn en van aanwezig
zijn. Daarom zijn hom de godsdienstvormen en mythen
geenszins willekeurig uitgedachte zaken. De grootsche ver*
schijnselon in de (zinnelijke) natuur, meent hij , hebben de
bewondering der menschen gewekt. En deze bewondering
is zoowel een grond voor de mythen als voor de philosophie ,
en mede een grond, waarom de philosophen (als Pythagoras
en Plato) ook wel het mythische beminnen. „Door de be-
wondering zijn de menschen tot de wijsbegeerte gekomen ,
nademaal zij in de in \'t oog springende verschijnselen der
zinnelijke wereld iets hoogers vermoedden. Zij gingen zacht-
kens aan verder voort en wierpen ook over groote dingen
twijfelingen op, als over de hemellichamen en over het
ontstaan des heelals. In den twijfel nu en in de bewonde-
ring ligt het niet-weten; waarom ook wel de philosophen
het mythische beminnen; want de inhoud van de mythus
is het wonderbare8)." Doch behalve uit deze bron, de
grootsche natuurverschijnselen, vloeit er nog een besef van
het goddelijke uit eene andere bron, de ziel zelve, voort.
In het droomen toch volgt de ziel haren eigenen aard,
waardoor zij zelfs toekomstige dingen voorziet en voorspelt.
Deze tweede bron wordt ons aangewezen door een wel later
levend, maar nauwkeurig schrijver0). „Aristoteles zeide,"
-ocr page 86-
70                                    DERDE VOORLEZING.
verhaalt hij, „dat het besef van de Goden uit twee begin-
selen in de menschen geboren wordt, uit hetgeen met de
ziel gebeurt en uit de natuurverschijnselen... Wanneer
toch, zegt hij, in het droomen de ziel zelfstandig is gewor-
den, en dan haren eigenen aard hernomen heeft, voorziet
zij als door wichelarij en voorspelt zij de toekomende din-
gen .... Daaruit, zegt hij, hebben de menschen vermoed >
dat God iets is, dat bestaat, en iets is, dat uit zijn aard
op de ziel gelijkt en alle dingen verreweg het beste kent."
Wat nu uit deze twee bronnen in vroegere eeuwen is
afgeleid, is, in mythen gekleed, tot ons gekomen. Mythen
zijn dus overblijfselen van eene vroegere wijsheid, welke in
den cirkelloop der dingen is te gronde gegaan. Zulk een
cirkelloop is er. Het heelal heeft een bestaan, zonder begin
en zonder einde. Het was er altijd en zal er ook altijd zijn.
Eene van het mindere tot het meerdere voortgaande ont-
wikkeling is bij Aristoteles derhalve niet denkbaar: alleen
een cirkelloop is er van worden en vergaan der enkele din-
gen in het ongeworden en onvergankelijk heelal 10). Iedere
kunst en wetenschap is daarom ontelbare malen ontstaan
en weder verloren gegaan. En zoo zijn er kiemen van
waarheid besloten in de mythen, als in begrijpelijke slot-
sommen van vroegere wijsheid.
Nu zou men kunnen meenen, dat die twee bronnen, de
natuurverschijnselen, en de menschelijke ziel, bij Aristoteles
voldoende zouden geacht zijn, om er alle mythen uit af te
leiden. Doch dit is niet het geval. In de plaats, waar hij
het uitvoerigst over de mythen en hare beteckenis handelt,
vindt hij haren eigenlijken oorsprong in eene goddelijke
openbaring „Het begin," zegt hij daar"), „en het eerste
van alle dingen is de geheel de wereld omsluitende Godheid.
Zij is zelve onbewegelijk en zelfstandig, maar doet de eerste,
eeuwige en steeds eenzelvige beweging des heelals ontstaan.
Want het is noodwendig, dat hetgeen bewogen wordt, door
-ocr page 87-
71
ARISTOTELES.
iets wordt bewogen, terwijl het eerst bewegende zelf onbe-
wogen moet zijn en eene eeuwige beweging alleen van iets
eeuwigs en ééue beweging alleen van iets éénigs kan uit-
gaan. Doch wij zien benevens deze eenvoudige omwenteling
des heelals, welke wij aan het eerste en onbewegelijke
"Wezen toeschrijven, andere ook eeuwige omwentelingen,
die der planeten. Noodwendig moet ook elke dezer omwen-
telingon van een onbewogen, zelfstandig en eeuwig wezen
voortkomen ... Nu wordt ook van de voorgeslachten uit
de verste Oudheid in den vorm van een mythe aan de na-
komelingen overgeleverd, dat de sterren Goden zijn en dat
de oorspronkelijke Godheid de geheele natuur omsluit. Het
overige is op mythischen trant er bij gevoegd, om de me-
nigte te doen gelooven en om te dienon ter bevestiging van
de staatswetten en van het algemecne welzijn: namelijk,
dat men deze goddelijke wezens in de gedaante van men-
schen en dieren voorstelt, en wat daarmede verder samen-
hangt en verwant is. Wanneer men nu dit laatste weg doet
en alleen het eerste behoudt, te weten, dat goddelijke we-
zens de eerste wezens zijn, dan moet men het er wel voor
houden , dat dit uit eene G o d d e 1 y k e openbaring is
voortgekomen. En daar, volgens alle waarschijnlijkheid,
elke kunst en wijsheid reeds meermalen, zoo ver het mo-
gelijk was, is uitgevonden en weder verloren gegaan, zoo
zullen ook deze denkbeelden (over de Godheid) als over-
blijfselen uit die (verloren gegane kunst en wijsheid) moe-
ten beschouwd worden. Alleen op deze wijze kunnen wij
begrip verkrijgen van de ons door de vaderen en den voor-
tijd overgeleverde denkbeelden."
Het is mijne taak niet, te vorklaren en te verdedigen,
hoe Aristoteles, terwijl hij niets dan eene eerste beweeg-
oorzaak in God ziet, toch eene openbaring op geestelijk
gebied van dien God erkent en mag erkennen. Geheel on-
verklaarbaar is het evenwel ook niet; want geest is bij hem
-ocr page 88-
72                                     DERDE VOORLEZING.
eigenlijk geen vrij wezen, maar alleen een werkend en tot
werken brengend beginsel, eene soort van levenskracht,
zoo als er ook in de planten is. Doch waarom blijft hij
hierbij niet? Waarom laat hij het niet bij de physiologie,
gelijk thans vele wijsgeeren, en klimt hij tot eene theologie ,
en wel tot eene traditionele, mythische theologie op? Waarom
gevoelt hij voor deze eenigen eerbied ?
De reden, welke hem hiertoe dringt, schijnt te zijn, dat
hij op zijne eigene beschouwingen niet volkomen vertrouwt.
Hij acht het wel waar, wat hij over God of de eerste be-
weegoorzaak kan bcrodeneeren, maar verblijdt zich toch,
dat hij in de overleveringen van den voortijd daar steun
voor vindt.
Mij dunkt, dit is de indruk, welken de uitvoerige plaats,
zoo even uit hem aangehaald, op ons maakt. En nog meer
doet dit eene andere. Een zeker geschrift vangt hij aan met
de bewering, dat het heelal volmaakt moet zijn, doch dat
er, behalve de enkele en eenvoudige bewogene dingen,
welke \\vy zien, een voortreffelijker en goddelijker beginsel
moet zijn, \'t welk door zijne eigene natuur wordt bewogen.
Daarna wijst hij aan, dat dit beginsel zwaar noch ligt is,
ongeboren, onvergankelijk, niet vatbaar voor vermeerdering,
vermindering of verandering. Na dit te hebben uiteen gezet,
vervolgt hij ,J): „Zoodanig is liet beginsel der dingen , indien
men het als grondslag voorop gestelde gelooft1,1). Maar
het blijkt, dat de rede met de verschijnselen \'*) overeen-
stemt en de verschijnselen met de rede. Immers alle men-
schen hebben eene meening over de Godheid en allen geven
haar de hoogste plaats, vreemdelingen zoowel als Grieken,
zoo ze maar achten, dat er Goden zijn .... Indien er nu
eene Godheid is, en zij is er, dan is ook het nu gezegde
over het eerste wezen aller dingen naar waarheid gezegd."
Hierna volgt eene opmerking, dat de Ouden reeds zoo hebben
gedacht, blijkens den naam aan het goddelijk wezen gegeven,
-ocr page 89-
ARISTOTELES.                                           73
aether, dat is, volgens hem, het zich altijd bewegende l5).
Met deze zienswijze komt het overeen, dat hij in den
staat niet alleen tempels wil hebben, maar ook orakels en
eerbied voor de instellingen en overleveringen der Oudheid,
mits zij de zedelijkheid niet kwetsen ,c). Uitdrukkelijk wijst
hij enkele malen aan, welke ware denkbeelden hij ziet in
sommige mythen en overleveringen, wier echten inhoud hij
van de dichterlijke inkleeding zoekt af te scheiden. „Zoo
wordt") in de mythen van Occanus, Thetis en Styx en in
Hesiodus\' verzen over den Chaos en den Eros eene bepaalde
bespiegeling over de wording der wereld, maar toch alleen
aarzelend, door hem gevonden. Zoo wordt de mythe van
den Atlas,8) op eene meer algemeene gedachte terug ge-
bracht, en opgemerkt \'9), dat bij den Atlas de uitvinders van
de mythe r.an de wereldas schijnen gedacht te hebben80).
Nog spreekt hij over den naam van Aphrodite, over hare
verbindtenis met Ares , en over het wegwerpen der fluit door
Athene, waarin hij hoogeren zin meent te kunnen zien.
Gelijk Aristotcles zich veel minder dan Plato met de
mythen bezig houdt, zoo leidt hij ook op verre na zoo veel
er niet uit af. liet door hem er uit getrokkene komt op
deze twee grondgedachten neder, vooreerst, dat ééne alles
omvattende Godheid de beweegoorzaak des heelals is, en ten
tweede, dat deze Godheid niet i:; ontstaan, bij wijze van
ontwikkeling , uit blinde natuurkracht, maar zelfstandig het
eerste beginsel is. De eerste gedachte spreekt hij duidelijk
uit in de uitvoerige, zoo even reeds medegedeelde plaats\'21);
de tweede elders2-) op deze wijze. Hij onderzoekt namelijk
de vraag, of het goede dadelijk in de beginselen der wereld
aanwezig is, dan of het eerst later bij de verdere ontwik-
keling van het ziju te voorschijn komt. Daarop zegt hij,
dat eenigen van de nieuweren, die over de goddelijke
dingen spreken, meenen, dat het goede niet het eerste is,
en niet dan later voor den dag komt. „Ook de oude
-ocr page 90-
74
DERDE VOORLEZING.
dichters zeggen," vervolgt hij, „in zooverre iets gelijk-
soortigs, als zij niet aan de oorspronkelijke natuurkrachten,
gelijk de Nacht en de Hemel, of de Chaos, of ook de
Oceanus zijn, de regeering der wereld toekennen, maar aan
Zeus . . . Doch Pherecydes en eenige anderen , gelijk ook de
Magen [die Zoroaster volgen] , stellen het Beste wezen als
oorsprong der dingen. Zoo ook sommige latere wijzen, als
Empedocles en Anaxagoras, van wie de een tle Vriendschap,
de ander het Verstand tot beginsel der wereld maakt ")■"
Ik besluit hiermede de beschouwing van Aristoteles\' denk-
wijze over Gods openbaring en der menschen wetenschap.
Hebben wij veel minder bij hem gevonden, dan bij de drie
vorige wysgeeren: dit kon niet anders, aangezien hij, in de
bestaande dingen dezer wereld verzonken, zich met de onder-
werpen van Goddelijke openbaring schier niet bezig houdt.
Des te opmerkelijker is het, dat ook hij hare werkelijkheid,
waarheid en onmisbaarheid toch uitdrukkelijk erkent24).
Hiermede heb ik de vier voornaamste wijsgeeren der Oud-
heid afgehandeld. Pythagoras verzamelde rijke stof voor
de wijsgeerige wetenschap en beschouwde haar met het oog
des wijsgeers, gelijk hij zich het eerst van allen noemde,
ter oefening en vorming en heiliging van onzen onsterfelijken
geest. Socrates vond de rechte methode , de dialectische , om
wijsgeerige onderwerpen te behandelen en uit \'s menschen
eigen geest de ware beschouwingen er van uit te lokken.
Plato omstraalde alle wijsgeerige onderzoekingen met een
glans van heiligheid en goddelijkheid, door ze op te voeren
in het rijk der eeuwige ideeën en al het schoone, goede,
rechtvaardige, dat op aarde is, met die volmaakte denkbeel-
den er van te vergelijken. Aristoteles ordende de opge-
hoopte stof met nuchteren zin logisch juist en verdeelde
-ocr page 91-
75
OPENBARING EN WIJSBEGEERTE.
haar in allerlei wetenschappen, opdat de wereld haar mogt
omvatten en gebruiken.
Bij deze vier mannen te samen vinden wij de aloude wijs-
begeerte, wat hoofdzaken betreft, in omvang, methode,
strekking en ordening volledig en geheel. De latere wijs-
geeren hebben hare doelen kunnen onderzoeken, aanvullen,
zuiveren en volmaken: het geheel is bij hen onveranderd
gebleven. De scholen, die zich naar die vier meesters
noemden, hebben hunne zienswijze herhaald, niet wezenlijk
veranderd, en de twee nieuwe scholen, die der Stoïcijnen
en der Epicureers, na Aristoteles ontstaan, hebben de oude
wijsheid op het leven toegepast, doch niet in haar wezen ver-
rijkt; terwijl de Romeinen, zelfs een Cicero en Seneca, alleen
de Grieksche meesters als dankbare leerlingen volgen.
Er bestaat dus geene reden voor mij, mij buiten deze
viei\' voorgangers te begeven. In hen hebben wij de Griek
sche wijsbegeerte in haar geheel.
Wij hebben de aloude wijsbegeerte nu zelve gehoord in
hare vier beroemdste tolken Hen hebben wij elk op zich
zelven gehoord over de betrekking, die er, huns inziens,
bestond tusschen \'t geen de Godheid eerst had geleerd en
geopenbaard, en \'t geen de menschen daarna hadden in-
gezien en overdacht. Wij hebben overal een beroep op
Gods openbaring bij hen gevonden als de bron van alle kennis
en wijsheid bij de menschen.
Den oorsprong, den zin en de strekking van dit hun
beroep wensch ik nu nader toe te lichten uit al hun den-
ken, leven en werken.
Eerst bespreek ik eenigc zwarigheden, die men hier kan
opwerpen.
a. Men kan vermoeden, dat do Grieksche wijsgeeren
zich aldus over Gods openbaring hebben uitgelaten, dewijl
zij den godsdienst, die nu eenmaal bestond en op Goddelijke
-ocr page 92-
76                                     DERDE VOORLEZING.
openbaring heette te steunen, als volksgodsdienst ongerept
hebben willen laten, ten einde geen noodeloozen tegenstand
bij den grooten hoop te verwekken.
Doch tegen dit vermoeden strijdt, dat zij den volksgods-
dienst niet ongerept hebben gelaten. Alle vier hebben zij
onderscheid gemaakt tusschen de kern van den volksgods-
dienst, welke zij als waar hebben behouden , en de i n k 1 e e-
ding, waarop zij voor zich geen prijs stellen en welke zij ten
deele zelfs als schadelijk afkeuren. Immers, reeds Pytha-
goras onderscheidde de mythen, als vormen, van het daarin
bevatte wezen; reeds hij klaagde Homerus en Hesiodus aan
wegens hunne zedelooze verdichtselen. Socrales liet zich
minder over de mythen uit; hij hield zich aan de religieuse
strekking van den volksgodsdienst in het algemeen. Plato
onderscheidt zeer streng en telkens weder tusschen goed en
kwaad, waar en onwaar, vorm en wezen, inkleeding en
doel in den bestaanden godsdienst "). En Aristoteles, die
het zeldzamer doet, is, als hij de zaak aanroert, niet min-
der streng.
Blijkbaar oordeelden deze wijsgeeren over den volksgods-
dienst, de overleveringen, de mythen, de orakels en zelfs
over de voorteekenen, zoo als verlichte Roomsch-Catholieken
in onzen tijd over de leer hunner Kerk. Zijn kern, dat
deel, \'t welk aan hun verstand en gevoel voldoet, is bij
hen waar; maar daaronder en daaromheen is veel bijgeloof,
\'t welk geene waarde heeft dan in zooverre het werkt op
den grooten hoop.
b. Men kan ook vermoeden, dat de wijsgeeren eerbied
voor die overleven ngen, als van de Godheid afkomstig,
hebben betoond, om zich naar den tijdgeest te schikken en
hunne zienswijze ingang te doen vinden bij het volk, gelijk
velen zich thans op bijbelwoorden beroepen en schijnbaar
bybelgezag huldigen, ook al hechten zij daar voor zich zelve
weinig aan.
-ocr page 93-
77
OPENBARING EN WUSDEQEERTE.
Zoo iets zeiden velen reeds voor lang van de wetgevers,
Diodorus Siculus, die in de eerste eeuw onzer jaartelling
leefde, spreekt20) de overtuiging uit, dat de wetgevers de
nieuwe orde van zaken, door hen ingevoerd, aan de God-
heid hebben toegeschreven , ten einde haar ingang te ver-
schaffen. Hij noemt de Egyptenaren, Minos, Lycurgus,
Zoroaster, Zamolxis en Mozes. Evenwel voegt hij er bij,
dat het zijn kan, dat zij ook zelve hunne nuttige inzichten
voor eene wonderbare en werkelijke ingeving hielden. Dit
laatste gunt men doorgaans den wijsgeeren niet eens. Ac-
commodatie , zich kleingeestig of voorzichtig schikken naar de
volksvooroonleelen, zal de reden hunner betuigingen van
geloof aan de overleveringen zijn. Zelfs een man als Schleyer-
macher spreekt dit van een Socrates uit \'2\').
Niets ondertusschen is ongegronder. Zulke vermoedens
worden weersproken door de blijkbaar volkomene oprechtheid,
waarmede die wijsgeeren zich op Gods openbaring beroepen.
Pythagoras was eene priesterlijke natuur, eer tot bijgeloof,
dan tot ongeloof overhellende De drie overigen leefden in
een tijd, toen het ongeloot reeds heerschend begon te wor-
den. En tegen dit ongeloof komen Socrates en Plato juist
op met nadruk en kracht, ernst en gemoedelijkheid. Men
kan met geen kalmer overtuiging spreken, dan Socrates
deed, en met geen dieper gevoel dan Plato, wanneer zij
de kern van den volksgodsdienst verdedigen en als waar en
goed aanbevelen.
c. Eindelijk kan men vermoeden, dat deze wijsgeeren
geene buitengewone, opzettelijke, uitwendige openbaring
van God hebben gemeend, als zij over openbaring spraken;
dat zij onder openbaring van God hebben bedoeld eerst die,
welke wij in de zinnelijke natuur rondom ons, waardoor
God van buiten tot ons komt, vinden, en dan die andere
openbaring binnen in ons, of de innerlijke stem van
God in ons geweten of hart; doch niet eene uiterlijke stem
-ocr page 94-
78
DERDE VOORLEZING.
voor ons oor, niet eene zichtbare verschijning voor ons oog.
Voor dit vermoeden kan pleiten, wat wij weten van den
geleigeest van Socrates28); ook deze en die uitspraak van
Plato29), en zelfs van Aristoteles 30). Doch ook dit vermoe-
den is onjuist. Wel erkennen zij, althans de drie eersten,
\'s menschen aanleg èn als aan God vermaagschapt èn als
voor ingeving vatbaar, waarom de mensch ook wel eens met
goddelijke ingeving wordt begunstigd. Maar ofschoon aldus
Gods stem in ons hart erkennende, bedoelden zij toch ook
en vooral het bestaan van verschijningen van God of god-
delijke wezens zichtbaar voor \'s menschen oog en van onder-
wijs van God hoorbaar voor \'s menschen oor. Immers zij
beroepen zich uitdrukkelijk op de overleveringen van de
Ouden ontvangen, waarop zij vertrouwen, dewijl de eerste
menschen nader tot de Godheid stonden dan wij, aangezien
zij op andere, op onmiddellijke wijze met de Goden hebben
verkeerd. En voorts beroepen zij zich op de nog voortdu-
rende orakels en zelfs op de wichelarij 3|).
Hoe men de zaak keere of wende, de oude wijsgeeren
van Griekenland waren, om het met het woord van onzen
tijd te noemen, supranaturalisten. Zij waren dit in
den sterksten zin des woords. Zij waren geene rationalisten ;
ook niet half rationalisten en half supranaturalisten ; geene
rationalisten voor hunne wijsbegeerte en supranaturalisten
voor hunnen godsdienst ; zij waren alleen supranaturalisten,
zoowel in hunne wijsbegeerte als in hunne godsdienst. Hoe
geneigd men thans zij, wijsbegeerte des menschen tegenover
openbaring van God te stellen: de groote philosophen van
Griekenland deden het niet. De zinnelijke natuur rondom
ons en de menschelijke natuur in ons was hun niet de bron
van godsdienst en wijsbegeerte; de menschen waren niet
opgeklommen tot de Godheid ; zij hadden niet zich uit zich
zelve ontwikkeld. Evenmin als tegenwoordig onze kinderen,
-ocr page 95-
79
OPENBARING EN WIJSBEGEERTE.
hadden de vroegere geslachten hunne kennis en beschaving
uit zich zelve, üe vroeger levenden waren alleen het ka-
na a 1, waarin de kennis der goddelijke dingen tot de later
levenden was gevloeid. Maar de bron er van was de
Godheid, die zich had medegedeeld in den omgang der raen-
schen met de Goden of met goddelijke wezens, door de
stamvaders der menschen genoten.
Dat de drie besprokene vermoedens ongegrond zijn, en
cal de zwarigheden, die men tegen mijne voorstelling kan
opwerpen, dus geenc vastheid hebben, dat derhalve de oude
wijsgeeren eene werkelijke goddelijke openbaring erkennen ,
onderscheiden van \'t geen de natuur ons binnen ons en
buiten ons leert, blijkt, om de zaak nu ook stelliger wijze
nog nader te ontvouwen en aan te dringen, vooral uit eene,
zoo als ik meen , nog nooit recht in het licht gestelde op-
merking. Ik meen deze, dat zij de diepste gedachten, die
de grondslagen van al hunne beschouwingen over de gees-
telijke dingen zijn, niet pogen met bewijzen aan te
toonen of uit redeneer ing af te leiden; maar
eenvoudig zonder eenig bewijs aannemen op gezag van
de bestaande overtuigingen. Bij elk der vier wijsgeeren heb
ik het telkens opgemerkt, dat de denkbeelden over God,
deugd, vrijheid, onsterfelijkheid, vergelding
bij hen, zoo vaak zij er over spreken, vaststaan vóór, bo-
ven en buiten alle redeneering. Geheel anders is het, voeg
ik er nu bij, als zij over andere belangrijke zaken spreken,
b. v. over opvoeding, kunst, wetenschap, wetgeving, staat-
kunde; hierover redeneeren zij ; eene openbaring over deze
aan te nemen , valt hun nooit bij. Een staatkundig stelsel
hebben Plato en Aristoteles, elk naar zijne inzichten, uit-
voerig opgebouwd: een godsdienstig of godgeleerd stelsel
niet. En zoo is het in alles. In al de wereldsche dingen
is er dus ook bij de jongeren ontwikkeling en vooruitgang,
-ocr page 96-
80
DERDE VOORLEZING.
vergeleken met het geen de ouderen daarover leerden: —■
in den godsdienst en de godgeleerdheid bestaat deze niet. In
de meeste menschelyke dingen is het: hoe nieuwer, des te
meer vooruitgegaan: — in al de goddelijke: hoe ouder, des
te zekerder en juister.
Misschien vraagt iemand: Maar waartoe philosopheerden
die Ouden dan toch ? En waarom ? Welk doel en welk be-
ginsel hadden zij bij al hunne onderzoekingen ?
A.ls wij Griekenlands en Rome\'s wijsgeeren zullen ver-
staan , moeten wij wel in het oog houden, dat zij de philo-
sophie geheel anders beschouwden, dan de meeste denkers
van latere tijden. Het beginsel en de bron van hun philo-
sopheeren was niet het denken over het mogelijke,, maar het
opmerken van het bestaande, en het einde of doel van hun
philosopheeren was dus ook niet het weten , maar dit: zelf
goed en wijs te worden en anderen wijs en goed te maken.
Het was Pythagoras, Socrates en Plato en zelfs ook Aiis-
loteles en genoegzaam alle oude wijsgeeren of niet èf althans
niet hoofdzakelijk daarom te doen, dat de menschen veel
zouden denken en luchtkasteelen van begrippen bouwen en
veel over alles v e r s t a n d e 1 ij k zouden weten: maar
hierom, dat zij het bestaande goed zouden opmerken en
in zich zelf echt zedelijk zouden zijn en anderen aldus
maken. Het denken, weten, onderwezen zijn was bij hen
niet het hoogste, maar het vormen van zich zei ven en an-
deren, het loeren zoeken naar de waarheid, het beminnen
en volgen der deugd ; het zelf gelijkvormig worden en an-
deren gelijkvormig maken aan de Godheid.
Zien wij hun nog eens in het aangezicht! Redeneeren,
weten, kennen stond waarlijk niet op den voorgrond bij
Pythagoras, die zijne leerlingen jaren lang liet zwijgen. Ook
niet bij Socrates, die zijne vrienden vóór alles bracht tot
erkentenis hunner onkunde en zeide zelf niets \'.e weten. In
-ocr page 97-
81
OPENBARING EN WIJSBEGEERTE.
\'t algemeen was het aan hen en aan Plato eigen, steeds te
betuigen, dat wij menschen het wezen der dingen niet
kunnen doorgronden, dat God alleen wijs is en wij alleen
wijs ge e ren kunnen zijn. Vooral Plato doet dit sterk
uitkomen. Cicero merkte reeds op,a): „In Plato\'s schriften
wordt niets stellig gezegd; vóór en tegen wordt veel gere-
deneerd; over alles een onderzoek ingesteld; niets als zeker
vastgesteld." Ken geleerde onzer eeuw") schrijft: „De
meeste gesprokken breken daar af, v/aar de verhandeling
het belangrijkst wordt en waar men op de volledige oplos-
sing van het gestelde vraagstuk hoop;. De sprekers komen
na lang heen en weer wenden der rede toch tot geen doel,
en schijnen, trots alle beproefde bepalingen van het rechte
begrip, met niets anders hun bewustzijn verrijkt te hebben,
dan met liet duidelijk inzicht van hun eigen niet-weten en
van de onhoudbaarheid der andere, dusver geldende meenin-
gen. — Bijzonder is dit het geval met Plato\'s gesprekken
en gedachten over de goddelijke dingen. Daarvan zegt hij
zelf34): „Den Maker en Vader van dit heelal te vinden is
een moeijelijk werk; en heeft men Hem gevonden , dan is
het onmogelijk, dat voor allen uit te spreken."
Bij Ari.-toteles is hel anders. Deze is een mat; der we-
tenschappen, gelijk in de Oudheid niemand vóór of na hem.
Het philosopheercn heeft bij hem een doel in zich zelf").
Doch hiermede staat hij, die ook in afkomst geen zuivere
Griek was, maar zoon van eene Grieksche moedei1 en een
Thessalischen vader, onder de Grieken, en onder hunne leer-
lingen de Romeinen, tamelijk alleen. Over \'t geheel hechtte
de Oudheid niet zeer veel aan \'t weten , aan de wetenschap ,
aan de geleerdheid. Zij zag, dat de mensch eene andere
bestemming heeft, dan zich daarop als op het beste toe te
leggen. Zij is onvermoeid in het prediken van de onzeker-
heid aller wetenschap. Cicero30) vat de denkwijze der Ouden
hierover zaaien in deze woorden: „De duisterheid der dingen
6
-ocr page 98-
82                                     DERDE VOORLEZING.
heeft Socrates en Socrates\' vrienden, voorts Democritus,
Anaxagoras, Empedocles en bijna al de Ouden er toe ge-
bracht , hunne onkunde te belijden. Zij zeiden, dat niets
gekend, niets begrepen , niets geweten kan worden ; dat onze
zintuigen beperkt, onze geesten zwak, onze levenstijdperken
kort zijn , dat, gelijk Democritus het uitspreekt, de waar-
heid in de diepte ligt; dat de maatschappij niet dan naar
meeningen en door instellingen wordt bijeen gehouden; dat
er voor de waarheid geene plaats is; dat alles is omgeven
met duisternis."
Naar de schatting der ware W ij s g e e r e n of Philosophen
waren dus de in eigene oogen volkomen Wijzen of Sophis-
ten onverdragelijke wezens. En met recht. Deze lieden
gaven voor, ware wijsheid te bezitten; maar eigenwaan,
ijdelheid, hebzucht, zinnenlust, veel vertooning maken
liever schijnen dan zijn —- was hunne verderfelijke kwaal.
Met allerlei spitsvondigheden wisten zij, gelijk zij zich open-
lijk beroemden, recht tot onrecht te maken . goed tot kwaad,
de onderliggende partij tot de bovendrijvende. Om waarheid
en eerlijkheid, deugd en godsdienst bekommerden zij zich
niet; \'t was hun alleen te doen, om door aanzienlijke jon-
gelingen tot zich te lokken en met schijnschoone rcdeneerin-
gen te pralen en Ie schitteren, zich rijkdom en grootheid
te verschaffen.
Socrates was de groote vijand dezer Sophisten; niet minder
was zulks Plato, die hen, Athene\'s Pharizeën , met even groote
kracht en edelen toorn altijd dóór bestrijdt, als de Heer die
van Jeruzalem. Wat Plalo in hen niet kan dragen , is ook dit,
dat zij het denken en weten eeist boog vereeren en dan op
onwaardige wijze tot allerlei lage doeleinden misbruiken,
zoodat hij hunne sophistiek als eene ligtekooi verachtte en
in hare plaats zijne philosophie tot den rang eener Godin
wilde verheffen. Hij dacht niet met de Sophisten, dat er
alleen een schijn van waarheid bestond, alleen eene mee-
-ocr page 99-
83
OPENBARING EN WIJSBEGEERTE.
ning: hij handhaafde de mogelijkheid en de werkelijkheid
van het kennen, mits men niet bleef staan bij den uiterlijken
schijn der dingen , maar tot hun innerlijk wezen zocht door
te dringen. Wel stelden zich de meeste raenschen met dien
schijn tevreden; in de spelonk zagen zij de schaduwen der
dingen , niet de dingen zelve, en namen zij gene voor deze
aan. Doch dit kwam, dewijl de zinnenlust hen had gebon-
den en zij met den rug naar het licht waren gekeerd.
Waren zij geestelijke en dus vrije menschen, dan konden
zij wel niet alles kennen, en veel alleen onduidelijk kennen,
maar toch waarheid in stede van schijn zoeken 3l).
Maar zal men die heerlijke bezitting, de waarheid, aan-
vankelijk en steeds meer verkrijgen, dan moet men begin-
nen, met de bestaande overtuigingen over de goddelijke
dingen, als uitvloeisels van Gods openbaringen, eenvoudig
als waar aan te nemen on tot grondslag te leggen voor
eigen onderzoek en voor de opleiding van anderen tot wijs-
heid, deugd en gelijkvormigheid aan God.
Hoe weinig hierop wordt gelet, ja hoewel dit als Plato\'s
zienswijze nog nooit klaar en duidelijk in \'t licht is gesteld:
toch is het waar. Als Plato\'.s vast gegronde overtuiging
wordt het op de treffendste wijze blootgelegd in Plato\'s
Gorgias, De uitleggers van Plato zijn, van Olympiodorus
af tot Schleiennacher en Cousin toe, misschien allen zonder
uitzondering, er mede verlegen, wat toch de eenheid van
den Gorgias zijn moge. Zij zien, dat het gesprek uit drie
deelen bestaat, daar het handelt: eerst over de redekunst
(redeneerkunst, rhetorica), waarover Socrates spreekt met
Goigias; dan over de rechtvaardigheid in den staat, welke
Socrates met Polus naspoort; eindelijk over de vergelding in
het volgend leven, welke Socrates met Callicles beschouwt.
Wat is nu in Plato\'s ziel, volgens zijne eigene duidelijke
woorden, de band, die deze drie zaken samenhoudt? De
eene uitlegger denkt, dat de redekunst de hoofdzaak is.
6*
-ocr page 100-
84
DERDE VOORLEZING.
Een ander, dat het Plato te doen is, om den grondslag
van het maatschappelijk welzijn, als in de rechtvaardigheid
gelegen, te verheerlijken. Een derde meent, dat dit zeer
goed kan samengaan . en dat Plato heeft willen in liet licht
stellen, hoe nietig, verderfelijk en afschuwelijk die redekunst
der Sophisten is, welke zich aan het recht niet stoort, maar
er alleen op uit is, om met kunst en schijn en oogver-
blindend vuurwerk de overwinning te behalen. Zoo stelt
b. v. Cousin ;>8) de zaak voor. Maar nu hei, derde deel,
de vergelding hier narnaals\'? Daarmede springt Cousin won-
deilyk om. Zie hier zijne woorden: „Men moet (volgens
Plato) weten, of de i ede-lunst zich niets mag veroorloven
tegen de regtvaardigheid; want van de oplossing van dit
vraagstuk hangt het at, welk denkbeeld wij ons moeten
maken van do redekunst. [Jet tweede deel van den Gor-
giag
of de redeneering met Polus moet dus beschouwd wor-
den als een noodzakelijk vervolg van het eerste; het derde,
de redeneering met Callicles, welke blijkbaar niets is dan
de ontwikkeling en uitbreiding van het tweede], behoort mede
tot het eerste , daar dit derde deel ook over de rechtvaar-
digheid handelt, maar in wijder omvang en met meer klem."
„In wijder omvang en met meer klem" 30) — heeft Cou-
sin recht dit te zeggen? Cousin, die alles, wat bij Plato
de sluitsteen en vastheid is zijner redeneering, tot fabel ver-
laagt, tot fabel, welke ook door Plato niet dan voor fabel
zou zijn aangezien 7 Immers Cousin beschouwt het slot of
het derde deel van den Gorgias eerst inj „als een aanhan-
sel, \'t welk voorzeker behoort bij deze gevonden uitkomst,
dat de redekunst, die zich in tegenspraak durft stellen met
de rechtvaardigheid en die haren schuldigen cliënt doet vrij-
spreken en dus alleen de zegepraal voor het oogenblik ten
doel heeft, zoowel eene laagheid is voor hem, die haar
bezigt, als een onheil voor hem, dien zy meent te moeten
redden-" Want (dit moet Cousin, zal hy geen onzin schrij-
-ocr page 101-
85
OPENBARING EN WIJSBEGEERTE.
ven, bedoelen) die zegepraal redt hem alleen van den tij-
delijken rechter; niet van dien, welken hij hier namaals
heeft te verwachten. Maar nu verklaart dezelfde Cousin
elders41): „Men vindt in den Gorgias, even als in den Phae-
don
en • in de Republiek, een beroep op de fabelleer van
den tijd, \'t welk de beredenecring der zaak bekroont en de
waarheid in den weerglans van zinnebeelden voorstelt; dus
in dien populairen vorm, welke de eigene kracht van
het menschdom van zeli heeft voortgebracht, tot deszelfs
nut, voordat liet nadenken was ontwaakt en bij de keur
der geesten een anderen vorm der gedachte had geschapen,
die zuiverder en verhevener is en wijsbegeerte wordt
genoemd. Plato begrijpt, eerbiedigt en bemint de menschheid
te zeer, om hare oorspronkelijke ingevingen te verwerpen.
Verre van de godsdienst en wijsbegeerte tegen over elkan-
der te stellen, tracht hij ze overal te vereenigen." Cousin
spreekt hier uit, wat thans het meest algemeen gevoelen
bij de geleerden is, namelijk dit: „Er bestaan oorspronke-
lijke ingevingen der menschheid, die uit haar eigen binnen-
ste zijn opgeweld , maar desniettemin als openbaring van
God worden beschouwd, on in dezen vorm bij de groote
menigte nog worden geëerbiedigd, terwijl de ontwikkelde
keur der menschheid inziet, dat die voor goddelijke open-
baring gehoudene inzichten uit \'s menschen eigen geest zijn
opgeweld, zoodat zij nu naar waarheid wijsbegeerte
noemt, wat vroeger ten onrechte openbaring heette."
Volgens Cousin zou dus Plato, op de wijze van Hcgel, de
openbaring en godsdienst voor den nog onontwikkelden vorm
hebben gehouden van \'t geen later wijsbegeerte wordt. Indien
deze voorstelling van Cousin juist ware, zou Plato\'s Gorgias
ten slotte al een zeer dwaas geheel zijn. Dan ware daarin
de redekunst als ijdel aangewezen, indien ze niet de recht-
vaardigheid eerbiedigde, de rechtvaardigheid, welke wij hier
op aarde in den staat zien handhaven, en welke wij ook,
-ocr page 102-
86
DERDE VOORLEZING.
indien wij namelijk aan de kindersprookjes der
voorgeslachten nog geloof hechten, hiernamaals
hebben te verwachten. Dit ware dan do climax van den
Gorgias !
Doch al verklaarden dit alle uitleggers, het is mishandelen
van Plato. Het is er verre van af, dat Plato zoo dwaas
zou geredeneerd hebben, als men hem laat doen. Bij Plalo
is niet „de wijsbegeerte zuiverder en verhevener," dan die
overlevering der voorgeslachten , maar draagt deze laatste de
eerekroon. Want de wijsbegeerte is menschenwerk, de
overlevering is mededecling van Gods openbaring. De climax
in den Gorgias is: 1) de redekunst is in zich zelve ijdel; 2) zij
vernielt de rechtvaardigheid in den staat; 3) zij bekommert
zich niet om de rechtvaardige vergelding hiernamaals, ons
door God zclven geopenbaard.
Wilt gij bewijs, dat dit de climax (de opklimming der
gedachten) en dus ook de samenhang is? Leest dan maar
het slot van den Gorgias. „Hoor, \'t geen men een schoon
verhaal noemt , \'t welk gij , zoo als ik vrees, voor een
verdicht verzinsel zult houden, maar ik voor een getrouw
verhaal; want wat ik u wil zeggen , zal ik als waarheid
zeggen." Hierop volgt dan het verhaal van de beloonin-
gen en straffen hiernamaals , naar het volksgeloof der
Grieken te verwachten , en daarna Plato\'s betuiging:
»Dit is het, wat ik heb gehooid en wat ik geloof, dat
waarheid is .... Want ik ben door deze verhalen tot
eene vaste overtuiging gekomen en leg er mij op toe,
om voor den rechter hiernamaals met eene volkomen ge-
zonde ziel te verschijnen. ... U schijnt dit alles misschien
een vertelseltje te zijn, als van een oud vrouwtje, zoodat
gij er geene waarde aan hecht. Nu, \'t zou ook geene ver-
wondering behoeven te baren, dat men er geene waarde
aan hechtte , indien wij maar met al ons wijsgeerig onder-
zoek iets konden vinden, \'t welk meer degelijk en waar is. ...
-ocr page 103-
87
OPENBARING en WIJSBEGEERTE.
Doch wanneer ook gij gelooft, duld dan, dat men u als
een onwijze (of onwetenschappelijke) verachte en, als men
wil , beleedige. Er zal u, zoo gij deugdzaam zijt , geen
kwaad van overkomen." Tot driemaal toe verzekert Plato
in het laatste deel van dit gesprek op de plechtigste wijze 4I),
dat die volksoverleveringen niet zijn fabelen, maar ware be-
richten, waarop hij volkomen vertrouwt, terwijl hij zichten
slotte nog aldus uitspreekt4:\'), dat al onze beredeneering der
dingen niets waardig is: »Wanneer het zóó met ons gesteld
is, gelijk het nu blijkt te zijn, is het schandelijk, dat wij,
aan lichtzinnige jongelingen gelijk, ons nog willen voordoen,
alsof wij iets waren , wij, die tooncn, volstrekt niet onder-
ling cene vaste meening over dezelfde dingen te hebben,
en dat wel over de allergewichtigste dingen. Zóó groot is
onze onwetendheid!"
De Gurgias, naar aller overtuiging een der heerlijkste
gesprekken van Plato, heeft dus in zijn derde deel, als wij
naar de uitleggers44) luisteren, een lammen, laffen, onge-
lukkig daaraan gehechten staart, welke het geheel ontsiert,
zoodat men geneigd zou worden, er dien af te kappen*
Maar dit derde deel wordt het uitncinendste slot van het
geheel, wanneer wij tot de erkentenis komen, dat het Plato
ernst was, als hij telkens èn hier èn gedurig elders be-
tuigde, dat hij in den volksgodsdienst eene vrucht zag van
ware, goddelijke openbaring, welke de wijsbegeerte moest
eerbiedigen en tot grondslag van haar nadenken en stelsel
nemen. Dan alleen is er samenhang en opklimming in den
Gorgias 4,)>
-ocr page 104-
88
DERDE VOORLEZING.
Maar wat, vraagt gij, had dan de philosophie volgens de
Ouden te doen? Wanneer de volksoverleveringen meer waard
■werden geacht, dan hare redeneeringen, waarom bleven deze
dan maar niet achterwege? Waarom? Omdat dit niet mogt!
De philosophie had eene belangrijke taak, ook met betrek-
king tot de goddelijke dingen. Wel niet die, dat zij ze
moest bewijzen, maar eene andere\', deze, dat zij den
menschen moest aanwijzen, hoezeer wat hun als Gods
openbaring was overgeleverd, overeenkomt met hetgeen hun
gemoed behoefde en hun geest moest toestemmen, en hoe-
zeer zij daardoor zich moesten laten leiden tot eerbied voor
de Goden en tot beoefening der deugd.
Er bestond voor de Ouden derhalve een dubbele grond ,
om te erkennen, dat er eene hoogere goddelijk Macht is en
dat wij vrije wezens zijn, verplicht, om recht en deugd te
beoefenen, aan de Godheid verantwoordelijk, bestemd voor
een volgend leven, waai in ons loon en straf zal geworden,
naardat wij hier hebben geloefd. De eerste en voornaamste
grond was, dat hrt aldus van overoude tijden bij alle volken
ten gevolge van goddelijke openbaringen was geleerd; de
tweede bijkomende grond was, dat onze eigene natuur dit
bevestigt Want \'t is blijkbaar, dut ons gemoed daarmede
instemt; die overgeleverde inzichten wekken in ons bin-
nenste een toestemmenden weerklank ; ook onze geest stemt
daarmede in, geheel de natuur, de geschiedenis en de be-
hoefte van huis en staat eischen hetzelfde ; de nadenkende
mensch moet derhalve de hoofdzaak van den godsdienst en
van de overlevering als waar aannemen.
Dit nu w ij z e n de Ouden gaarne aan, om aldus de
algemecne overtuiging, wier waarheid zij niet willen be-
wij zen en in wier plaats zij geene bewijsvoering kunnen
stellen , toch als redelijk en goed te steunen.
Het is niet moeielijk aan te toonen, dat de Ouden re-
gelmatig en bestendig altijd dus deden. Leest de Gulden
-ocr page 105-
89
OPENBARING EN WIJSBEGEERTE.
Sprevken van Pythagoras nog eens na. Is het streven er
niet in blijkbaar, om de kern der volksgodsdienst als waar
en nuttig voor het gemoed aan te bevelen ? Hebben wij
niet gezien, hoe Socrates die kern vooral aan het gezond
verstand zocht aannemelijk te maken? Wat kon daartoe
meer strekken, dan b. v. de voorzorg en liefde der Godheid
voor menschen aan te toonen in de doeltreffende inrichting
van ons lichaam ?
Maar ook hier geeft Plato ons het meeste. Hij stelt het
denken zeer hoog. Hij neemt daarin op adelaarswieken zulk
eene verhevene vlucht, dat ons liet volgen vaak bezwaarlijk
genoeg wordt. De sterkte van zyn fijn verstand staat vol-
komen gelijk met de kracht van zijn diep gemoed en van
zijne levendige verbeelding. Hij is zelfs veel groot er denker
dan Aristoteles, die meer opmerkor en beoordeelaar is clan
eigenlijke denker of schepper. Aristoteles heeft veel te veel
gelezen , opgemerkt en bestudeerd, is veel te veel geleerde,
dan dat hij het in het eigene denken en scheppen lang
zou kunnen volhouden en daarin onafgebroken voortgaan.
Zijn denken slaat meest in beoordeelen over of word; bere-
deneeren. liet grootste deel zijner schriften bestaat uit door
en door verstandige en juiste opmerkingen. Hij denkt aan
alles, denkt over alles, denkt alles dóór, en zegt niets, dat
hij niet heelt doordacht. Evenwel wordt zijn denken meer
aan den gang gehouden door de verschillende hem voor
oogen komende voorwerpen , waarover het zich beweegt en
waaraan het zich bestendig vastknoopt, dan dat het uit
eigenen, inncrlyken, geestelijken rijkdom al verder zou
voortgaan en hij ook, wat niet voor oogen is, zou zoeken
te kennen en te doen kennen, ot wel zelf zou voortbrengen
en scheppen. Plato\'s echt wijsgeerig verstand heeft de kracht
van diep doordringen, streng vasthouden en veelzijdig uit-
voeren duidelijker aan den dag gelegd, dan Aristoteles\' rijk
wetenschappelijk verstand dit ooit heeft gedaan40).
-ocr page 106-
90
DERDE VOORLEZING.
Desniettemin zouden wij dwalen, indien wij nu meenden,
dat Plato in het denken eeno bron had gezien voor de ken-
nis der godsdienstige waarheid. Hij ziet er geene schep-
pingskracht in, om ons inzicht te schenken in de hoogste
belangen, maar alleen eene kracht tot uitlegging en aan-
beveling van \'t geen God daarover heeft geopenbaard: geo-
penbaard, niet alleen of voornamelijk in de zinnelijke natuur,
in ons geweten of in de geschiedenis, aan elk alleen of aan
allen te zamen, maar bovenal in zijn onderwijs, hoorbaar met
het oor aan de voorgeslachten gegeven, \'t welk wij uit de over-
leveringen kennen , en, nu wij het kennen, overeenkomstig
bevinden met al wat ef is en geschiedt binnen in ons en rond
om ons. Immers hoe ver wij het mogen brengen, ons denken
is altijd maar stukwerk , \'t welk weinig beteekent4\'). Niet de
twijfel is derhalve het begin van het denken bij Plato, gelijk
sedert Cartesius velen wanen, dat behoort te zijn; maar de
bewondering. Er is," zegt hij48), „geen ander begin der
wijsbegeerte, dan dit, bewondering." Doch om te kun-
nen bewonderen, moet men voorwerpen hebben, die men
bewondert. Hiervoor neemt Plato den mensch en het heelal,
de staatsinstellingen en overleveringen, de kunst, de poëzie
en al het bestaande; \'t welk hij niet in de eerste plaats
minacht, betwijfelt, beoordeelt of wil veranderen, maar
bewondert, hoogacht, onderzoekt, poogt te kennen, en
daarna, zooveel noodig en mogelijk is, wenscht te verbeteren.
Plato is dus een behoudsman bij uitnemendheid. In het
staatkundige was hij, naar afkomst en overtuiging, een
aanhanger van de omvergeworpen Atheensche aristocratie;
in het wysgeerige een hersteller van de oude Pythagoreïsche
richting. Hij treedt dus op tegen de democratie en
sophistiek, daar hij in deze richtingen gevaarlijke nieu-
wigheden ziet. Verre is hij zelf er daarom van af, een
altijd gereed staand uitvinder te zijn van nieuwe toestanden
en denkbeelden, die in plaats van de voorhandene zullen
-ocr page 107-
91
OPENBARING EN WIJSBEGEERTE.
gezet worden. Integendeel; hij houdt zich zoozeer vast aan
het historisch gegevene, dat hij dikwijls tot de aanhangers
van het stabiliteitsbeginsel wordt gerekendl0). Volgt hij dus
idealen, dit doet hij niet, dewijl hij ze uitvindt of schept,
maar dewijl hij ze ziet, hij met \'zijn verheven zin, met het
oog zijns geestos ze duidelijk ziet als werkelijk en bestaand,
namelijk in de hoogere, goddelijke sferen\'"\').
Het philosopheeren is derhalve bij Plato niet het twijfelen,
verwerpen , beredeneeren , maar het bewonderend aanschou-
wen en loeren kennen van het heelal, het zich daarover
bezinnen en zich daarvan uit een vroeger leven her in-
neren. De indrukken van do wereld brengen de ziel eerst
in verwarring. Daarin blijft de groote menigte omdwalen.
Maar daaruit werkt csn enkele onder duizenden zich naar
boven, om de wereld te leeren kennen, gelijk zij wezenlijk
is. Die dit doet, is wijsgeer; dat zich uit de verwarring
loswerken is philosopheeren\'\'1).
Schijnt Plato onder philosopheeren soms iets meer te ver-
staan, dan het hier genoemde; schijnt hij soms tot het
eigenlijke bewijzen over te gaan, b. v. wanneer hij de
onsterfelijkheid der menschen poogt aannemelijk te maken52):
dan is het ook niet meer dan schijn. In der daad zoekt
hij niet te bewijzen, dat het zoo is, maar alleen aan
te wijzen, dat, hetgeen uit de overlevering bij hem vast
staat, als het voorbestaan der menschelijke ziel, de ziels-
verhuizing en de onsterfelijkheid, ook door velerlei beschou-
wingen kan gesteund word-jn en dus te meer als waar en
juist kan uitkomen. Uit redeneering afleiden of bewijzen
wil hij het niet: alleen door en met redeneering doen toe-
stemmen i3). En maakte zijn gesprek, de Phaedon, oudtijds
diepen indruk, zoodat zelfs Cato te Utica dien las, om zich
tot den zelfmoord te bereiden : deze indruk moet veel minder
aan de kracht der redeneering worden toegeschreven, dan
wel aan het feit, dat Socrates hier naar waarheid wordt
-ocr page 108-
92
DERDE VOORLEZING.
geschilderd, als die, vol geloof aan de onsterfelijkheid, den
gifbeker kalm en blijmoedig uitdronk. Dit groote feit is
daartoe door Plato gebezigd. Socrates, die de overleveringen
omtrent de toekomst en de vergelding gelooft, is de hoofd-
kracht, welke den diepen indruk maakt. En deze kracht
wordt veel meer verhoogd door zijne kalme gemoedsgesteld-
heid dan door het afdoende zijner redeneeringen.
Het willen bewijzen, dat aan Plato vreemd is, zou men
kannen meenen bij Aristoteles te zullen vinden. Doch ook
bij hem is het niet aan te treffen. Ook zijne methode is het
niet, te scheppen, maar op te merken; minder, uit te deuken,
dan te beoordeelen ; en dus ook veel minder , te bewijzen , dan
wel aan te wijzen. Hij heeft, volgens de puntige uitdrukking
van Cousin "), de dialectica van Plato in eene logica ver-
anderd, dat is, het geestelijk te zamen al sprekende zoeken,
vinden en denken van Plato omgezet in het verstandelijk
opmerken, begrijpen en ordenen. Doch nu kan wel de
dialectica scheppen, maar de logica alleen regelen. En heeft
Plato met zijne dialectica toch niet de denkbeelden over de
goddelijke dingen willen of durven scheppen, Aristoteles kon
het niet zijne logica in \'t geheel niet. Hij moet zich hier-
over dus wel geheel houden bij het begrijpen, zoo mogelijk,
van de overlevering.
Mijne slotsom is, dat de vier groote wijsgeeren van Grie-
kenland geene bewijsvoering voor de waarheid der god-
delijke dingen hebben, dewijl zij overtuigd waren, dat zulks
eene ongerijmdheid zoude zijn. Alleen eene aanwijzing
wilden ze geven, dat de overleveringen over die dingen , als
uit onderwijs door God aan de voorgeslachten gegeven ont-
staan, in de hoofdzaak waarheid zijn. Weshalve de w\'y\'sbe-
geerte bij hen alleen kon zijn de rationele bevestiging
van traditionele overtuigingen.
-ocr page 109-
OPENBARING EN WIJSBEGEERTE.                         93
Maar nu was dit niet bij hen alzoo als bij uitzondering;
neen, \'t was even zoo in den bloeitijd der Oudheid in \'t alge-
meen. Dit wil ik not» boven allen twijfel verheffen door eene
merkwaardige plaats van Cicero. In Cicero, kan men vast-
stellen , is de wijsbegeerte der Oudheid naar haar geest en
streven als in een kort begrip samengevat, en in de boe-
ken van hem over het wezen der Godheid heeft men de
slotsom van \'t geen de Oudheid. ook tegenover de twij-
felingen en ontkenningen na den bloeitijd van Griekenland
hier en daar opgerezen , over God en goddelijke dingen
had te zeggen. Welnu, in dit geschrift laat Cicero Cotia
dus sproken\'\'\'\'): „De meeningen, welke v/ij van de
voorouders over de Godheid hebben ontvangen, de
offers , plechtigheden en eeredienst, welke bestaan, zal
ik altijd verdedigen , gelijk ik ze altijd verdedigd heb.
Die overtuiging, welke ik van de voorouders over de
godsdienst heb ontvangen, zullen redeneeringen van een ge-
leerde of ongeleerde mij nooit ontnemen .... Dit is de
meening van mij, den priester, o Balbus. Laat mij nu
hooren, wat gij denkt. Want van u, den wijsgeer, moet
ik bewijzen der rede voor de godsdienst hebben ; terwijl ik
onze voorouders, ook zonder dat zij cenig redebew\'rjs bij-
brengen. geloof." Een weinig later oc) herneemt Cotta
weder: „Door vele bewijzen hebt gij het bestaan der God-
heid willen aantoonen. Voor mij was het genoeg, dat
onze voorouders het ons aldus hebben overge-
leverd; maar gij verwerpt elk gezag en strijdt door \'t wa-
pen uwer rede. Laat mij toe, dat ik met mijne rede
u w e rede bekamp. Gij brengt al die bewijzen aan,
waarom de Godheid bestaat. Gij maakt eene naar mijn
inzien volstrekt niet twijfelachtige zaak door uwe bewijzen
twijfelachtig."
Cotta, de priester, maar tevens de Academische of Pla-
tonische wijsgeer, is hier de vertegenwoordiger van de
-ocr page 110-
94
DERDE VOORLEZING.
algemeene overtuiging der vroegere Oudheid; Balbus, de
Stoïcijn, de vertegenwoordiger van die wijsgeeren der latere
tijden, die, toen het ongeloof toenam, het recht en den
plicht der wijsbegeerte verder uitstrekten, dan volgens al
de oudere en de meeste nieuwere wijsgeeren behoorde. De
Ouden steunden in het algemeen op het in de volksoverle-
veringen bewaarde goddelijk onderwijs, waarvoor zij wel
toestemmingen , maar geene bewijsvoeringen mogelijk acht-
ten; aangezien de menschelijke rede wel aan de hand dier
overleveringen tot eigen inzicht in de waarheid kon komen,
maar ook alleen aan hare hand, daar zij zonder haar in
den afgrond des twijfels moest nederstorten.
Vanhier, dat men in de Oudheid nog iets beters meende
te hebben , dan de laat geborene wijsbegeerte. Er werd in
een nu verloren werk van Cicero5\') gelezen, dat de wijs-
begeerte niet de ware wijsheid is, dewijl haar aanvang en
oorsprong voor oogen ligt. Lactantius schrijft: „Wanneer,
vraagt Cicero, zijn de wijsgeeren beginnen te ontstaan?
Thales was, meen ik, de eerste, en die tijd is nog jong."
Waarop Lactantius laat volgen: »Ook Seneca zegt: Het zijn
nog geen duizend jaren, dat de beginselen dei\' (mensche-
lijke) wijsheid bekend zijn. Derhalve heeft het mensclulom
vele eeuwen geleefd zonder van de rede gebruik te maken !
Hetgeen Persius dus bespot: Met de pep-M- en de dadels
(eerst toen deze werden ingevoerd) is Rome beginnen wijs
te worden."
Gij ziet uit dit alles, dat de Ouden, of liever de oudste
Wijsgeeren, de alleen menschelijke wijsheid noch voor het
eerste en hoogste hielden , noch voor het zekerste en beste ;
maar dat zij alleen eene zoodanige menschelijke wijsbe-
geerte voorstonden; die de goddelijke openbaring aanneemt,
eerbiedigt, verklaart en tot grondslag harer beschouwin-
gen legt.
/
-ocr page 111-
95
OPENBARING EN ■WIJSBEGEERTE.
AANTEEKENINGEN.
\') BI. 65. Zoo spreekt ackeeiiai.n , bl. 120. Verg. van
HEU8DE, Characterwmi principum philosophorum vetertcm , p. 207. —
Over Aristotclcs heb ik zelf gehandeld Oench. der opvoeding , D.
II, bl. 275—282.
2)    Bl. 66. 1 Cor. II: 14, 15.
3)    Bl. 66. De plaatsen van Aristoteles, die dit bewijzen,
haalt ackebmaxn bl. 107 aan.
4)  Bl. 06. Dit is bewezen door e. zeller, Die Philosophie der Grie-
chen
, D. II, bl. 497. Do ziel, redeneert Aristoteles, is ontstaan en
moet dus ook weder vergaan; want al het ontstane is volgens
zijne natuur vergankelijk. Wel is een deel der ziel niet ont-
staan , de rode, en dit deel is dus ook onsterfelijk; doch de rede
is niet het individuele, maar het algemeene in den mensch.
Eene persoonlijke onsterfelijkheid of eene onsterfelijkheid des
mensehen kan er dus niet zijn. Afdoende is de plaats Ethica.
Nh\'ovt.
1, 11: „Is iemand gelukkig, nadat hij gestorven is? Of
is dit volkomen ongerijmd, vooral voor ons, die zeggen, dat
geluk eene werkzaamheid is?" Aristoteles meent, dat men, om
gelukkig te kunnen zijn, moet werken; maar nu kan een gestor-
venc (een in hot graf liggende) niet werken, alleen lijden; dus
ook niet gelukkig zijn. „Hei schijnt," vervolgt hij: „dat er voor
een gestorvene iets èn kwaad èn goed kan zijn, gelijk voor zulk
een levende, die er geen besef van heeft. To; dat kwade en
goede kan men brengen eer en smaad en den voorspoed of
tegenspoed van kinderen en nakomelingen." Deze plaats is dui-
delijk. Zij is ook in volkomene harmonie met Aristoteles\' geest
en stelsel. Wanneer ons lichaam, krachteloos is , zijn wij, meent
hij, werkeloos. Uij kent geen mensch dan den met een lichaam
voorziencn en daarin werkzamen geest. Uit zijne overgebleven
schriften schijnt niets aangehaald te kunnen worden, wat
hiermede strijdt. En hoe weinig de gezegden, die sommigen
der Ouden uit nu verloren schriften van hem bijbrengen, daar-
tegen afdoen, wijst Zeiler duidelijk aan.
5)      Bl. 67. Verg. uöth, Getck. der abendl. Philoiophie, D. II,
bl. 70,71. Pythagoras zou men den vader der wetenschap
kunnen heeten.
-ocr page 112-
06                                    DERDK VOÜRLRZINO.
6)    BI. 67. De voornaamste plaats is Metaph. XII, 1. Een
weinig later zal ik haar in haar geheel aanhalen.
7)    BI. 68. Verg. zellee, D. II, bl. 556—5ii9. Enkele voor-
name plaatsen uit Aristoteles zal ik strak3 bijbrengen.
8)     Bl. 69. Woorden van r. biese, Die Philoxophie des Arhlo-
leles in ihrcni inuereu Zusammenhange,
D. I, Berliu 1835, bl. 359,
waarmede Biese den gedacht engang van Aristoteles, Metaph. I,
2 , wedergeeft.
9)     Bl. 69. sextus empieicuh, Aclo. Mathen. L. VIII, p. 311,
312 ed. Gencv. 1621. Do eigene woorden van Aristoteles, hier
bewaard, zijn niet in een der tot ons gekomen geschriften van
hem te vinden; doeli er is niets in, dat strijdt met Aristoteles\'
zienswijze, gelijk wij die uit zijne ons overgebleven schriften
kennen , b. v. De divinatione per somnum, zoodat er geene reden
is, aan de geloofwaardigheid van Sextus\' mededeeling te
twijfelen.
10)     Bl. 70. Pki/.°. IV, 14: „Men zegt, dat de menschelijke
zaken een cirkel zijn," xixXov tirrn, ra èv&QÓ.nva Ttqaytiava.
u) Bl. 70. Metaph. XII, 8. In de vertaling dezer plaats
heb ik gebruik gemaakt van hare overzetting en verklaring door
Kóth, Gesrh. dei- «beult. Philosophie, D. II, bl. 982—984.
\'*) Bl. 72. Di coelo, I, 3.
13)     Bl. 72. El t*s roï? i\'7roxitfiivon; movtiit.
14)      Bl. 72. O kóyoq roïg tpmvo^ifvotq.
15)     Bl. 73. Al&rin, welken naam hij met Plato zonder grond
afleidt cfarè tav &tZv alel, van het zich altijd bewegen.
1C) Bl. 73.    Men kan dit zien Polit. VII, 11, 15.
") Bl. 73.    Metaph. I, 3.
,8) Bl. 73.    De coelo, II, 1. ">) Bl. 73. T)e motu an. 3.
20)     Bl. 73.    Dit zijn woorden van Zeiler, D. II, bl. 558, 4).
Ook over het
  eerstvolgende kan men Zeiler nazien.
21)     Bl. 73.     Metaph. XII, 8. ") Metaph. XIV, 4.
23) Bl. 74. Meer nog en schooners ware hier bij te voegen
uit De Mundo 6. Doch daar dit boekske, hoewel onder Aristo-
teles\' naam bewaard, algemeen aan hem wordt ontzegd, laat ik
dat na.
S4) Bl. 74. Do hoofdplaatsen zijn altijd Metaph. XII, 8 en
De coelo, I, 3, beide boven medegedeeld. Uit het licht, dat zij
geven, moet menige anders duistere plaats worden verklaard. —
Die de verhevener beginselen van Aristoteles wil leeren kennen,
-ocr page 113-
AANTEEKENINGEN.                                  97
raadplege de bloemlezing uit zijne werken bijeengebracht door
ebnbt van lassaulx , Die theologische Grundloge aller philosophi-
sehen Sj/steme,
bl. 14—20.
25) Bl. 7G. Zoo zegt hij, om maar iets te noemen, tegen
het einde van den Phaedon, nadat hij Socrates ons lot na den
dood uitvoerig volgens de fabelleer had doen beschrijven, p.
114 D: „Stellig te verzekeren, dat al die dingen juist zóó zijn,
als ik heb voorgesteld, past een verstandig mensch niet. Doch
dat het, daar de ziel blijkbaar onsterfelijk is, of op deze of op
dergelijke wijze met onze zielen en onze ■woonplaatsen gesteld
is, daarop kan hij, die het aanneemt, het gevoegelijk wagen.
Het waagstuk is loffelijk; en men moot zich zoodanige voor-
stellingen gedurig als een dichtstuk voorhouden. Daarom heb
ik ook deze mythe reeds lang uitgesponnen."
2r>) Bl. 77. Hislor. I, 94.
") Bl. 77. rchleieemaciier , flfjcl der Ph\'losophie, bl. 84:
„Socrates Anhanglichkeit an der Volksreligion ist weder Dei-
sidamonie, denn wo er sich rein didaktisch aussert, tritt
überal das &eïov rein hervor; noch ist sie Heuchelei, denn man
sieht, wie wenig es ihm um die gulo Meinnngzu thun war.....
Sondern es lag dabei zum Grunde die reinste Einsicht von dem
Verhaltniss des mythischen zum spekulativen, und dass, wer
sich mit den Unwissenschaftlichen in Gemeinschaft setzt, ihnon
mit der mythischen Form, zugleich die Idee selbst nehmen
würde."
-8) Bl. 78. Zio boven.
»») Bl. 78. Phaedr. p. 249 B, p. 244 A, Menon, p. 99 C en
andere plaatsen boven bijgebracht.
30) Bl. 78. Zie de plaats, ook boven aangehaald, uit
sextus empie. Adv. Mathem. L. VIII, p. 311.
") Bl. 78. xenophon, Mem. Socr. IV, 4, plato, Phile-
bus,
p. 16 C, Tim. p. 40 D, Gorgias, p. 523 D. , aeistoteles ,
Metaph. XII, 8. Dit zijn eenige der vele plaatsen, boven ten
bewijze bijgebracht.
Js) Bl. 81. Jcad. Quaenl. I, 12.
») Bl. 81. ackebmann, Das Christl. in Plalo, bl. 129.
:>«) Bl. 81. Tim. p. 28 C.
»») Bl. 81. Phys. II, 3, M-luph. I, 1 enz.
«) Bl. 81. Jcad. Quaest. I, 12.
J1) Bl. 83. Verg. ackeemann, bl. 70, 2, 3), bl. 161,
7
-ocr page 114-
98
DERDE VOORLEZING.
2), bl. 199, 3), waar hij deze Platonische regelen van Göthe
aanhaalt:
Die Geisterwelt ist nicht versohlossen;
Dein Herz ist zu, dein Sinn ist todt.
Auf! bade, Schuier, unverdrossen,
Die junge Brust in Morgenroth.
«) Bl. 84. Oeuvre» de Plafon, D. III, bl. 132 volg.
39) Bl. 84. „Avec plus d\' étendue et de rigueur."
«•) Bl. 84. Bl. 135.                   «O Bl 178.
**) Bl. 87. P. 523 A: \'SI* dkq&ij yóp ïtra ooi, Xi$<o a itiklta
lifttv, als waarlijk beslaand zal ik « nfdi deelc/i, wal, Ik n wil zeg-
gen.
P. 524 B: Tttvx\' tattv, ii lyit c.xtjxofi); jriöiiitt èXtj&rj nvto,
deze dingen zijn het, welke ik gehoord heb en e.oor waar hand.
P.
526 D: \'Eyai fifr ov» i.ió toirotv xi>v kóyiav itfjitiïlpai., ik ben door
deze redenen [verhalen\'] overtuigd.
Voor deze vastheid van geloof
en overtuiging geeft hij op vele andere plaatsen, gelijk wij in
de tweede voorlezing zagen, als grond aan, dat die volksverha-
len de naklanken zijn van openbaringen, door God aan de voor-
geslachten gegeven.
«) Bl. 87. P. 527 D.
44)     Bl. 87. Tot die uitleggers behoort ook n. s. sybbandi,
in eenc overigens voortreffelijke verhandeling De Plalonis Gorgia
L. B. 1S29. Hij onderzoekt p. 51—65, welk het doel is van
dit gesprek en p. 127-—131, welk het doel van de fabel. Doch
hij komt tot geen bevredigend resultaat, dewijl hij met Plato\'s
uitlegger, Olympiodorns, Plato\'s mythe houdt voor eene ver-
dichte rede, die voor waarheid wil doorgaan, /iSS-o? = ióyos
tyfi\'Gttjq tlxovi^wv d).rtl}ttav.
45)    Bl. 87. Het niet verslaan van Plato èn in den (ïorgias
èn in geheel zijn beroep op Gods openbaring, op zoo vele
plaatsen bij hem aan te treffen, is wel een blijk, dat de men-
schelijke wetenschap nog altijd ::cer gebrekkig is. Hoe vele
duizenden zich, nu meer dan twintig eeuwen lang, met de uit-
legging van Plato hebben bozig gehouden, door vooroordeel
verblind zagen zij meest allen niet, wat er toch duidelijk te
lezen staat. Wel een afdoend bewijs, dat wij telkens van voren
af aan moeten onderzoeken
46) Bl. 89. Men vergelijke ackbbmann, bl 151.
♦\') Bl. 90. Verg. Parmen. p. 134 C, Phaedr. p. 278 D, Oor-
gias
aan het slot p. 527.
-ocr page 115-
99
AANTEEKENTNGEN.
«) BI. 90. Theaet. p. 155 D. Verg. De Republ. VII, p. 518.
*\') BI. 91. Zie ast, Platons Leien, bl. 342, eitteb, Oesch.
der Philosophie,
D. II, bl. 444, ackebmann , bl. 40.
50) Bl. 91. Zie Phaedr. p. 247 D, E.
»\') Bl. 91. Phaedr. p. 249, 250.
52)     Bl. 9L. Zie den Phaedon, Be Republ. en den Phaedrui.
53)     Bl. 91. Verg. zellee, Die Philos. der Otiechen, D. II,
bl. 262—270.
") Bl. 92. Oeuvres de Plafon, D. VI, bl. 465.
»8) Bl 93. De Natura Deorum, 111,2. »6) Bl. 93. Cap. 4.
81) Bl. 94. In den Hortensius, volgenB lactantiub, Instit.
Dioin. III, 16.
7*
-ocr page 116-
VIERDE VOORLEZING,
De philosophie bij de Ouden eene geheel andere zaak dan bij
de meeste nieuweren. Oudtijds philosopheerde men voor \'t Ie-
ven en den Staal , niet voor begrip en school. Er was
eenheid voor den Staat, en dus ook voor den staatsgods-
dienst. Men erkende het gebrekkige daarin
, doch wilde haar
niet sloopen
, gelijk r.uemerus. Verbetering , zou door eene
toekomstige openbaring worden aangebracht. De Oudheid was
onvoldaan met zich zelve. De Grieksche Wijsgeer en erkennen
als supranaturalisten Gods openbaring in het verledene
, tegen-
ivoordige en toekomende. Vergelijking van hen met Israëls
Profeten.
Mijne Heeren !
Nadat wij in de vorige voorlezingen gezien hadden, dat
de vier grootste Wijsgeeren van Griekenland hunne philoso-
phie over God en \'s menschen betrekking tot God hebben
gegrondvest op Gods openbaring aan de voorgeslach-
ten geschonken, zijn we begonnen na te sporen, waarom
zij dit hebben gedaan, en hiertoe te onderzoeken, hoe deze
-ocr page 117-
101
WIJSBEGEERTE BIJ DE OUDEN.
hunne handelwijze samenhangt met hunne geheele beschou-
wing van den aard en de strekking der philosophie.
Met deze onderzoeking zijn we nog niet ten einde. De
zoo geheel en al strijdige wijze, waarop toen en thans de
wijsbegeerte wordt beschouwd, maakt het ons vaak moeielijk,
ons in den gedachtenkring der Oudheid te verplaatsen. Om
u daartoe behulpzaam te zijn en het reeds gevondene nader
toe te lichten, wensch ik u nog verder in te leiden in den
geestelijken dampkring, waarin bij de Grieken geheel de
beschaafde, ook de wijsgeerige, wereld ademde.
In menig opzicht is die dampkring hemelsbreed van den
onzen onderscheiden. Vooral het verschil tusschen den phi-
losooph bij hen en bij ons is onmetelijk groot. Plato kon
met even veel recht verklaren, dat het der menschheid nooit
goed zou gaan, zoo lang geen philosooph -aan \'t hoofd der
regeering stond \'), als Frederik de Groote kon zeggen , dat,
zoo hij een gewest wilde straften, hij niets ergers kon doen ,
dan daaraan een philosooph tot be.stuurder geven. Beiden
hebben zij volkomen recht; want alleen de naam door beiden
gebezigd , komt overeen ; in de zaak zijn de door beide bedoelde
mannen tegenvoeters. Bij Plato is de philosooph een aanvan-
kelijk wijs man, die de wereld kent, en, door haar beter
te kennen, wijzer zoekt te worden; bij Frederik is hij een
kamergeleerde, die ijdele bespiegelingen op elkander stapelt.
Bij Plato een man, die de bestaande toestanden eerbiedigt
en langzaam poogt te verbeteren; bij Frederik een denker,
die uit zijne sluitredenen de wereld wil doen ontstaan en
naar zijn begrippenspel haar toestand omkeeren.
Waarlijk, de philosophie is vooral sedert twee eeuwen
geheel en al veranderd. Twee voorname mannen , één in
den voortijd en een ander in de laatste eeuwen, Plato en
Spinoza, dragen beide den naam van philosophen. Maar zij
stooten als gelijknamige polen elkander onverzoenlijk af.
Samen gaan kunnen zij niet. Zij heeten beide wijsgeeren >
-ocr page 118-
102
VIERDE VOORLEZING.
zoo als Mozes en Boeddha beide godsdienststichters heeten;
maar Mozes is het tot reiniging en versterking, Boeddha
tot verlamming en ontbinding der samenleving.
Vergelijken wij de Grieksche en de hedendaagsche wysgee-
ren, dan moeten wij zeggen : de Ouden philosopheeren
niet voor de school, maar voor het leven. Het is
hun niet, gelijk onzen tijdgenooten , hoofdzakelijk er om
te doen, dat zij hunne volgelingen leeren denken, maar
hierom, dat zij hen opleiden tot levenswijsheid en maatschap-
pelijke deugd. En deze levenswijsheid en deugd bestaan niet
\'daarin, dat men over de staatsinstellingen, en dus ook over
den volksgodsdienst, die er bij de Grieken een deel van was ,
gaat twijfelen of wel ze minacht en poogt omver te werpen.
Zij bestaat hierin, dat men ze tracht te begrijpen en te
volmaken, en in elk geval met eerbied en omzichtigheid
behandelt.
„Onze philosophie," zegt een kenner van de onze en
van de oude2), „die meer over het denken denkt, dan over
de natuur en het menschenleven, is veel dunner en spook-
achtiger dan de oude. Eene zoo volkomene uitscheiding van
al het stoffelijke uit het denkende Ik, eene zoo planmatige
afzondering van ons Zelf, eene zoo geleerde verheffing der
van bloed en leven beroofde abstractie in het van al de stof
ontdane bovenzinnelijke Niets, als heden ten dage mo-
gelijk en heerschend geworden is, kenden en bezigden de
Ouden óf in \'t geheel niet óf alleen zelden. De afgetrokkene
(abstracte) persoonlijkheid was bij hen nog niet, als bij ons,
tot eene wereld voor zich geworden; de persoon in zijne
enkelvoudigheid gold hun weinig; godsdienstig beschouwd
verdween hij voor hunne oogen in het oneindige Al; staat-
kundig genomen verzonk hij tegenover den Staat bijna tot
nul. De tweespalt tusschen denkbeeld en daad, tusschen
school en leven had zich dus bij hen nog niet zoo scherp
gevormd als bij ons. .... De oude philosophie stond daarom
-ocr page 119-
WIJSBEGEERTE BIJ DE OUDEN.                        103
ook in elk opzicht veel nader bij het leven, dan de onze.
In haar oorsprong, in hare navorschingen en mededeelingen,
in haar geheele wezen en werken vertoont zich de oude
wijsbegeerte als iets, dat tot en aan het leven behoort.....
Bij ons is de school en het boek de kring, waarin zij zich
beweegt; niet het leven Onze wijsbegeerte zoekt de ge-
dachte waarheid; de oude de werkelijkheid, namelijk
het ware der dingen. De onze onttrekt zich meest aan
het werkelijk leven; de oude bestaat hoofdzakelijk in een
blijvend onderzoeken van hetzelve. De onze streeft naar
een zelfstandig bestaan in het stelsel en in de wetenschap
als haar hoogste doel; de oude bestaat liefst niet voor zich,
maar als een door alle hoofden verbreid juist denken (over
de dingen die er zijn). Bij ons wordt de waarde van het
philosopheeren speculatief, bij de Ouden meest practisch be-
paald. Bij hen geldt die philosophie het meest, die het
krachtigst werkt, die het meest is een streven naar deugd
en karaktervastheid:!).....De oude wijsgeercn spreken on-
der en met de menschen; de onze leven onder de boeken,
in de studeerkamers. Zij waren opvoeders der jeugd; de
onze leeraars van toekomstige geleerden..... De oude phi-
losophie was eene bron van kracht en heil; de onze is een
overzicht der wetenschap.....Staat en huis, veld en hof
en stal zocht de oude beter in te richten; kunst, deugd,
zielenadel en godsdienst meende zij alleen, of ten minste
het beste, te kunnen bevorderen. Met recht kon Clevnens
van Alexandrië van haar zeggen, dat zij eene wegbereid-
ster is geweest voor de Christelijke godsdienst."
Daar deze practische geest aan de oude wijsbegeerte eigen
was, had zij een diepen eerbied voor \'t geen vroeger had
bestaan, tegenwoordig bestond en voortaan zou bestaan,
of, om het in één woord samen te vatten , voor den
-ocr page 120-
104                                 VIERDE VOORLEZrNO.
alles in zich begrijpenden, nu bestaanden Staat. Immers
de Staat omvatte in de Oudheid alles en beheerschte alles,
ook godsdienst en huiselijk leven. De Ouden kenden niet,
wat eerst na Christus is ontstaan , eene Kerk , in of
boven ot tegenover den Staat ; en zij kenden wel het huis-
gezin, maar achtten het huiselijk leven niet, dan als hulp-
middel, om den Staat in stand te houden. Zóó was hun
dan de Staat boven alles dierbaar, ja eigenlijk hun één en
al. Huichelarij of schikking naar volksvooroordeelen is het
dus niet, wanneer de oude Wijsgeeren voor den Staat, gelijk
hij nu eens van ouds af was, diepen eerbied betoonen. De
Staat was hun geene toevalligheid, geen noodzakelijk kwaad,
geene willekeurige vennootschap , geene vrucht van een maat-
schappelijk verdrag. De Staat was hun de noodwendige,
heilige, door God gestichte vereeniging van menschen onder-
ling, waarin en waardoor alleen zij menschen konden zijn.
Vandaar dat Plato, Aristoteles, Zeno, de stichter der Stoï-
cijnsche school, en Cicero vele boeken over den Staat schre-
ven, ja hunne hoofdwerken wijdden aan het onderzoek, wat
het wezen des Staats en zijne inrichting is, en hoe die be-
hooren te zijn 4).
Zóó nabij, zóó meer dan al het andere lag hun de Staat
aan het hart , dewijl zij noch godsdienst, noch huiselijkheid
kenden , dan als staatsinstelling. Wij plaatsen Kerk en Huis
vaak tegenover het Vaderland ; zij deden dat niet. Eene
vereeniging van menschen met God , die iets anders was ,
dan een onderdeel der staatsge woon ten volgens staatswetten
geordend , was hun geheel vreemd. Tot het staatsieven nu
behoort de vereering der Volksgoden, gelijk de onderwer-
ping aan de rechtspleging. Andere rechters, dan die van
\'t eigen volk , en andere Goden, dan die der eigene natie
te eerbiedigen, kwam hun oudtijds nooit voor den geest.
Dit begon eerst omtrent den tijd van Jezus\' komst, toen
het eigene staatsieven dei- afzonderlijke volken , bij \'t verlies
-ocr page 121-
105
•WIJSBEGEERTE BIJ DE OUDEN.
hunner onafhankelijkheid in het Romeinsche rijk, werd op-
gelost , en derhalve ook de eigene godsdienst ging wankelen.
Evenmin als een godsdienst , van den Staat gescheiden ,
kenden zij een ander huiselijk leven, dan wat een hulpmid-
del was tot instandhouding van den Staat. Men huwde en
leidde zijne kinderen op, om den Staat burgers te verschaffen.
Aan dezen staatsplicht werd alles ondergeschikt gemaakt,
zelfs kieschheid en deugd opgeofferd. Wij weten, wat ge-
schiedde, toen de Spartanen in het derde jaar van huis wa-
ren, om tegen de Messeniërs te oorlogen. Zij zonden bevel
aan hunne vrouwen , om de slaven tijdelijk als hare mannen
te beschouwen, opdat den Staat burgers mogten geboren
worden. Wij weten, hoe laag zelfs Socrates over het
huwelijk dacht, en hoe Plato, in zijnen volmaakten Staat,
goederen en kinderen en vrouwen geineen wilde hebben.
Zoo kon het dan niet anders, of zij wijdden de liefde ,
welke wij over Huis, Vaderland en Kerk uitstrekken, aan
het Vaderland alleen. Dit was het één en alles, waar alles
in was bevat en alles in opging. Cicero drukt den geest der
geheele Oudheid uit, als hij zegt"). »Van alle vereenigingen
is er geene gewigtiger, geene dierbaarder, dan die, waarin
ieder onzer leeft met den Staat. Dierbaar zijn de ouders ,
dierbaar de kinderen, bloedverwanten , vrienden ; maar al
wat immer dierbaar is , bevat het Vaderland alleen samen."
En wederom6): »Ev is niet ééne zaak, waarin de mensche-
ljjke voortreffelijkheid meer nadert tot de goddelijke voorzie-
nigheid, dan het stichten van nieuwe staten of het bewaren
van gestichte staten."
Zelfs nog inniger, dan men uit dit alles zou kunnen ver-
moeden, is de vereeniging van Staat en godsdienst bij de
Ouden. De staatsgodsdienst was niet maar een lid in het
slaatsorganisme, \'t welk de Staat misschien des noods zou
-ocr page 122-
106
VIERDE VOORLEZING.
kunnen missen. Zij was de ziel, de kracht, het leven van
den Staat bij de Grieken. Die geleerden kennen Grieken-
land en de geheele Oudlieid niet, welke zeggen, dat Israël het
volk van den godsdienst was. Israël was het volk der
zuivere Godskennis Hierin munte het uit. In godsdienstig-
heid stond het achter bij de meeste Heidensche volkeren , met
name bij de Grieken. Paulus kende de zaak beter. Hij ,
de Israëliet, noemde \') de Atheners „overgodsdienstig."
En dit terecht. Godsdienstig, ja overgodsdienstig waren zij.
De Staat had volgens de Grieken zijn oorsprong te danken
aan den godsdienst en rustte bij voortduring met geheel de
samenleving op den godsdienst. gelijk deze eenmaal van de
voorouders was overgeleverd Uit deze was een levend staats-
organisme en eene algemeene aangenomene zienswijze gespro-
ten over God, recht, deugd, plicht, vrijheid, vergeldingen
nu op aarde èn later in eene andere wereld. En zonder
deze algemeen aangenomen zienswijze zouden de staatsinstel.
lingen, de samenleving, de beschaving en de natie zelve
niet hebben kunnen ontstaan of blijven bestaan. Zij was de
onzichtbare, maar overal merkbare band, die met vaster dan
koperen ketenen alles bijeen hield.
Zijn er bewijzen voor dit alles noodig? Men weet immers ,
dat de grondvesting, de wetgeving en de eeredienst der
Staten bij de Grieken op orakelspreuken berustte en dat de
uitoefening van godsdienstige plechtigheden in de aan vele
stammen en steden gemeenschappelijk behoorende tempels
hen samen hield als bloedverwanten en broeders. e) Voorts
sla men maar een werk over de Grieksche en ook over de
Romeinsche oudheden op, om in het gedeelte, dat over de
heilige dingen of den godsdienst handelt, te zien, hoe alle
staats- en rechtszaken, de krijgsdienst, de handel, de land-
bouw, elk bedrijf en geheel het dagelijksch leven door gods-
dienstige plechtigheden werden gewijd en geregeld. Ook de
dichtkunst en de beeldende kunst waren van den godsdienst
-ocr page 123-
107
■WIJSBEGEERTE BIJ DE OUDEN.
afhankelijk. Homerus en Hesiodus, Pindarus en de Treurspel-
dichters namen de godsdienstige volksovertuigingen tot grond-
slag voor hunne scheppingen. En even zoo deden de bouwmees-
ters, de schilders en de beeldhouwers, wier meesterstukken bo-
venal aan den godsdienst waren ontleend en gewijd. Niet anders
is het met de geschiedschrijvers. Ook deze zagen in de lot-
gevallen der volkeren en der bijzondere personen steeds de
Godheid straffen en beloonen, en schreven hunne jaarboeken
vooral als aanwijzingen van de rechtvaardige vergelding,
door de Godheid aan de wereld toegedeeeld. Zóó is het
van Herodotus af tot Plutarchus toe. Maar dan is het geen
wonder, dat ook de wijsgeeren vasthielden, gelijk aan alle
andere bestaande instellingen, zoo mede aan den godsdienst,
die bestond, en derhalve recht had van bestaan, en in
geheel de maatschappij zoo onlosmakelijk was ingeweven,
dat men, door den godsdienst ter zijde te zetten, den staat
zou ontbinden 9).
Een inval, gelijk aan dien der Fiansche natie in \'t laatste
der vorige eeuw, om, na opruiming van al het van ouds
bestaande en door de geschiedenis overgeleverde, nu eens
staat, godsdienst, deugd en samenleving van grondsaf naar
de reine begrippen der rede, zoo als het heette, op ge-
welddadige wijze nieuw op te bouwen, kon in de hoofden
der Grieken , ook der Grieksche wijsgeeren, niet opkomen.
Daartoe waren zij te zeer aan het oude gehecht en ook veel
te bezadigd en te bescheiden. Practisch wijze mannen,
gelijk zij waren, konden zulk eene theoretische dwaasheid
niet uitvinden, niet koesteren, niet toelaten. Had hun
iemand zoo iets voorgesteld, zij zouden het beschouwd heb-
ben als een poging, om, niet op vasten grond, maar op de
wolken een gebouw op te trekken. Als trouwe burgers
eerbiedigden zij het bestaande, gelijk wij den eigendom van
landen en huizen erkennen krachtens het recht van verjaring,
ook waar geene schriftelijke bewijzen daarvoor zijn te vinden.
-ocr page 124-
108
VIERDE VOORLEZING.
Het bestaande niet te eerbiedigen, zou strafwaardige vernie-
lingszucht geweest zijn.
De aaneenschakeling van gedachten is in hun geest deze :
a.   Men behoort zich vast te houden aan het bestaande.
b.   Dit bestaande rust op de wijsheid der voorouders.
c.   De wijsheid der voorouders rust op Gods openbaring.
Ik weet, wat men met veel schijn van waarheid hiertegen
kan inbrengen. Hoe maakt gij het dan, hoor ik iemand
zeggen, met Plato\'s hoofdwerk, „over den volmaakten Staat?"
Die is immers evenzeer „naar de reine begrippen der rede"
opgebouwd, als het Fransche gemecnebest na 1789? Vol-
komen waar! Tegenover den Atheenschen Staat van zijnen
tijd met die gewetenlooze Sophisten, die bandelooze volksre-
geering en die zedelooze volksgodsdienst, schiep zich Plato een
naar zijne denkbeelden volmaakten Stant, waarin ware wijs-
heid, onkreukbaar recht en heilige godsdienst zouden heer-
schen. Hij schetste een ideaal, gelijk Israëls Profeten deden
in de schilderij van het Messiasiijk en Johannes in het tafe-
reel van het hemelsch Jeruzalem. Zijne bedoeling is blijk-
baar dezelfde, als die der Profeten en des Apostels. Doch
in plaats van door een hemelsch of geestelijk, wilde hij door
een aardsch of zinnelijk rijk zijn ideaal verwezenlijken. Dit
was een echt Grieksche fout, een vergoden van den Staat,
alsof deze de hoogste en beste veieeniging van menschen
ware. Aan den Staat werd alles opgeofferd
Maar op het papier! De onuitvoerbaarheid zijner idealen
jn de werkelijke wereld erkent Plato zelf zoo rond en dui-
delijk als maar mogelijk is. Hij schrijft\'0): „De in voor-
treffelijkheid eerste Staat en wetgeving is die, waarin voor
den geheelen Staat zooveel mogelijk het van ouds bekende
geldt: „Vrienden hebben al hunne goederen gemeenschap-
pel\'yk." Het is de vraag, of dit nu ergens is of ooit zijn
zal, dat de vrouwen gemeenschappelijk zijn, de kinderen
-ocr page 125-
wijsbegeerte bij de ouden.                  109
gemeenschappelijk en alle goederen gemeenschappelijk, en
dat op alle wijzen het afzonderlijk eigendom uit het leven
verdwijnt, ja zelfs, dat hetgeen elk van nature voor zich
bezit; als oogen en ooren en handen, tot gemeenschappe-
lük zien, hooien en werken wordt aangewend; dat allen
dezelfde dingen prijzen en berispen, zich over dezelfde za-
ken verheugen en bedroeven en onder de wetten een volk
van één en donzelfden zin uitmaken. Maar zeker is het,
dal iets beters en doeltreffendere voor de deugd dan zulk
een Staat niet valt uit te denken. Hetzij ergens Goden,
hetzij Godenzonen in zulk een Staat wonen, zij zijn er ge-
lukkig en blijde. Daarom moeten wij geen ander ideaal
van een Staat zoeken; maar zoo veel mogelijkdit trach-
ten te verwezenlijken. Want dit is te groot dan dat het
door menschen , gelijk ze nu geboren, gevoed en opgeleid
worden, zou worden verdragen."")
Plato heeft dus iets beseft van de mogelijkheid eener ver-
eeniging van menschen, waarin de liefde allen zou verbin-
den, ,,zoodat niemand zeide, dat hetgeen hij bezat, zijn
eigen was, maar alle dingen allen gemeen waren , dewijl
ze één hart en ééne ziel waren ")". Zijne gedachte is
heerlijk en wordt meer bereikt in de Christelijke Kerk, dan
hij meende, dat ooit kon geschieden; maar de vorm , waarin
hij de verwezenlijking zijner geduchte kleedde, is ongeluk-
kig, vooral door hare onkieschheid. Dit gevoelde hij zelf
en daarom verklaart hij zijn ideaal onuitvoerlijk. Niemand
dichte hem dus toe, dat hij werkelijk zulk een Staat heeft
willen stichten ,;1). En niemand valle hem hard, dat hij
voor \'t geen hij niet duidelijk kon zeggen, beeldspraak en
inkleeding heeft gebruikt. Dit deden de Profeten en Johan-
nes in de Openbaring ook, en ook deze deden het niet al-
tijd gelukkig.
Evenwel, dit mag niet worden voorbij gezien, hadden de
idealen, waarmede de Wijsgeeren omgingen, hunne gevaar-
-ocr page 126-
110
VIERDE VOORLEZING.
lijke zijde en vreesde het volk instinctmatig en niet zonder
grond, reeds zeer vroeg, dat de Wysgeeren dwaze, ijdele
en strafwaardige beroerders der bestaande staatsorde zouden
kunnen zijn of worden. Vandaar de straffen, Anaxagoras ,
Protagoras en Socrates aangedaan. Want deze wijze mannen
hadden niet even grooten eerbied voor al het bestaande in
den volksgodsdienst, maar onderscheidden , wat zij voor kern
en wezen van den godsdienst hielden, van inkleeding en
bijvoegselen. Doch welken toetsteen had men , om in deze
zaak het echte goud van klatergoud veilig en juist te kun-
nen onderscheiden ? Voorzeker hadden de dr-ie genoemde
w\'ijsgeeren, en vele andere met hen, geene vervolging ver-
diend; en was Socrates in het bijzonder een door en door
eerlijk staatsburger, die de wetten zijns lands, en dus ook
die betreffende de godsdienst, goed en kwaad beide, wilde
gehoorzamen \'*). Doch zóó was het niet met allen gelegen.
De eigenwijsheid en aanmatiging der Sophisten in vroeger
tijd en het toenemend ongeloof der latere Wijzen was eene
slooping van het bestaande, zonder dat er iets beters voor
in de plaats kwam. Ds ergste slooper was Euemerus, in
de derde of tweede eeuw vóór Christus, die waar en on-
waar tegen den volksgodsdienst inbracht. en vooral in vele
voorbeelden aantoonde, dat de onderscheidene, door de
Grieken vereerde Goden , niet dan vergode menschen waren.
Zoo wierp hij het bestaande omver, zonder bij machte te
zijn, een beteren godsdienst in te voeren 15).
Evenwel: voor dit misbiuik èn van de rede èn van het
verstand door de Sophisten gemaakt, èn van de historische
kritiek, gelijk wij haar nu noemen, door Euemerus aan-
gewend, zijn de oude en echte Wijsgeeren, met name de
vier, die ons de tolken der overigen zijn, niet aansprake-
lijk. Hoe ernstig zij het meenen , als zij betuigen, aan het
bestaande vast te houden, en oprecht te gelooven aan de
overleveringen,
met name omtrent een oorspronkelyk door
-ocr page 127-
111
WIJSBEGEERTE BIJ DE OUDEN.
God aan het menschdom gegeven onderricht, als grondslag
van Staat en leven, blijkt, behalve uit hun eerbied voor
de in \'t verleden ontstane en vandaar tot hen overgebracht»
instellingen, ook uit denzelfden eerbied voor de nog in den
tegenwoordigen tijd beslaande inrichtingen van Staal en Huis.
Immers, zij betoonden groote achting ook voor de nog in
hun tijd aanwezige orakels en voorbeduidingen als wenken ,
door de Godheid nog altijd dóór aan allerlei menschen en
vooral aan de Staten gegeven. En nu zouden deze voort-
gaande wenken, waarin de Go.len hun wil bekend maak-
ten, onzin geweest zijn, indien er niet eens met die mede-
deelingen een aan vang ware gemaakt. Elke voortgang
toch onderstelt een aanvang. En in dit geval mogt men
den aanvang, als die het gebouw zelf den godsdienst had
gesticht, voor hoofdzaak achten en de latere rnededeelingen
en wenken alleen voor een bijkomend onderhoud van dat
gebouw aanzien.
Maar behalve dit blijk, dat zij het ernstig meenen met
dien eerbied voor de rnededeelingen der Godheid , is er nog
een ander, waarover ik dusverre niet handelde: hunne hoop
en verwachting, dat er nog eens eene nieuwe, betere open-
baring van God zou komen, die de oorspronkelijke zou
aanvullen en de toenmalige onzekerheid onder de menschen
zou wegnemen Zij steunden derhalve niet alleen op open-
baringen in \'t verleden gegeven , en op nog in hun tijd be-
staande orakelen, maar ook op de in de toekomst nog te
verwachten orakelen en aanwijzingen van de Godheid. De
Godheid heelt derhalve voorheen onderricht; de Godheid
onderricht nu ; de Godheid zal voorzeker ook later onderrichten.
Voor deze hoop op eene nieuwe en betere openbaring
van God in de toekomst, en wel door iemand, die mogelijk,
nog meer dan mensch zou zijn, vinden wij de hoofdplaatsen
in Plato.
-ocr page 128-
412
VIERDE VOORLEZING.
Hij spreekt meermalen van die noodige, wenschelijke en
door hem verwachte openbaring, die dooi\' een uitstekend
persoon tot \'de menschheid zal gebracht worden. Met de
uitlegging van de overleveringen omtrent de gouden eeuw,
die er onder Kronos of Saturnus geweest was, bezig, zegt
hij in): „Laat ons dit nu maar daar laten, totdat een be-
voegd uitlegger er van aan ons moge verschenen
zijn." Elders weet bij Plato ") Socrates geen raad te ge-
ven , hoe men eigenlijk moet bidden, en zegt hij tenslotte:
„Het is noodig te wachten, totdat ons iemand leer e,
hoe wij ons jegens de Goden en menschen moeten gedra-
gen." „Wanneer," vraagt nu Socrates\' leerling, „zal die
tijd daar zijn? En wie zal het zijn, die ons onderricht?
Zeer gaarne zou ik dien mensch zien, wie hij is." Socra-
tes herneemt: „(God) is het, die voor u zorgt Maar mij
dunkt, dat gij eerst den nevel, die nu voor uw oog is,
moet weg doen, gelijk Homerus zegt, dat Minerva met
Diomedes deed , opdat hij mogt toezien , of het ook veeleer
een God was, dan wel een mensch." Ik kan deze
plaats niet anders begrijpen , of Socrates wil zeggen : „God
zorgt voor u en zal voor u zorgen, ook door u eens zulk
een beter leermeester te schenken, dan de menschenwereld
dusverre ooit heeft bezeten. Maar welligt is het noodig,
dat er dan een nevel van voor uw oog verdwyne, want
die u een mensch zal schijnen, kon wel eens een God zijn".
In deze opvatting word ik versterkt door eene andere
plaats van Plato, waar Simmias tolden stervenden Socrates
zegt \'8): „Een van drieën moet men: óf van anderen lee-
ren, hoe het met de zaken staat, óf het zelf uitvinden,
óf, indien dit een en ander onmogelijk is, uit alle men-
schelijke voorstellingen de beste en minst bezwaarlijke
nemen, daarop als op een bootje ons inschepen , en aldus
het wagen, het leven door te zwalken. Of het moest zijn,
dat iemand op eene zekerder en minder gevaarlijke wijze in
-ocr page 129-
113
WIJSBEGEERTE BIJ DE OUDEN.
een vaster schip, dat van eenig goddelijk onderricht,
de reis kon ondernemen. 7óo zal ik mij niet schamen
te spreken, naar dien gij dit ook zegt."
Beide plaatsen saam gevoegd geven ons de overtuiging,
dat Plato — de diepzinnige , scherpzinnige en verhevene
denker, die, hoe hoog hij gevoelde boven anderen te staan,
evenwel in zich zelven ondervond, hoe onzeker al onze
bespiegeling is — op een goddelijk onderwijs in de toekomst
hoopte , zonder de verwezenlijking dezer hoop als zeker te
durven verwachten , \'t geen wel niemand zal verwonderen.
Maar ook die hoop zal menigeen verbazen Welligt
vraagt hij: Staat dit bij Plato werkelijk? Waarom wordt
het dan niet uit hem aangehaald?
Waarom niet ? Omdat de menschen der wetenschap
veelal zoo afkeerig zijn geweest en nog zijn van de crken-
\'enis onzer behoefte aan Gods openbaring , dat zij ook de
duidelijkste woorden, gelijk de/.e van Plato, welke er over
handelen, misverstaan. Zoo is het zelfs bij den uitnemenden
tolk van Plato , Victor Cousin, die niet alleen in zijne be-
schouwingen over Plato dit niet begrijpt, maar hem zelfs
in vertaling van deze plaats verminkt Immers, terwijl
Plato tegen over elkander zet mensen e lijk e voorstel-
1 in ge n en goddelijk onderricht, laat Cousin hem
spreken van m e n s c h e 1 ij k e r e d e n e e r i n g e n en van
eene afdoende r e d e n e e r i n g "Jj, waardoor èn den woor-
den geweld wordt aangedaan èn de redeneering onzin wordt.
Ik laat daar, wat Plato hier door m enschelijke voor-
stellingen bedoele. Ik vermoed , gebrekkige , door menschen
gegeven inkleedingen van de uit de aloude openbaring van
God hun bekend geworden verhevene denkbeelden. Doch
wat Plato bedoele , hij , die tot grondbeginsel zijner weten-
schap aannam, dat de mensch alleen een begeerige naar
wijsheid kau zijn , en God alleen een bezitter is der w\'ijs-
heid — hij spreekt hier stellig een sterk verlangen uit naar
8
-ocr page 130-
114
VIERDE VOORLEZING.
g o d d e 1 ij k onderricht. En dit verlangen wordt in Cousins
ontrouwe vertaling volkomen uitgewischt.
Houden wij dit verlangen van Plato in \'t oog , dan ver-
staan wij hem ook op eene plaats, waar hij den wensch
uitboezemt20), dat de ware wijsheid (die alleen bij God woont)
zich toch eens zichtbaar moge vertoonen onder de menschen,
om de vurigste liefde te verwekken. Met welgevallen wordt
deze plaats door Cicero aangehaald en aldus weergegeven al):
»Wij hebben als het scherpste zintuig- in ons het gezicht.
Doch daarmede zien wij de wijsheid niet. Welk eene vurige
liefde tot haar zou zij ontsteken , indien zij maar gezien kon
worden ") I"
Dit verlangen , deze hoop , ja deze verwachting, dat er
eens een goddelijk onderricht zou komen, dus eene openbaring
van God gegeven zou worden , kon echter nooit bij iemand
oprijzen, dan die geloofde, dat zoo iets reeds vroeger was
geschied. Wie in zorg en moeite verkeert, ziet biddend uit
naar hulp, te weten , bij een vriend, die hem reeds vroeger
liefde betoonde en bijstand bood; niet bij een onverschilligen
medeburger , die hein nooit vriendschap en hartelijkheid
bewees. De verwachting van toekomstig goddelijk onderwijs
sluit dus de verzekerheid van tegenwoordig of vroeger of
van én nu én toen genoten goddelijk onderwijs in zich.
Intusschen stelde zich Plato niet altijd voor, dat de
Wijsheid, wanneer zij eenmaal persoonlijk zich vertoonde,
als met opene armen door de wereld zou worden ontvangen.
De bejegening, welke zijn geliefde Meester van de Atheners
had ondergaan, waarschuwde hem. Daardoor kwam hij er toe,
om die schilderij op te hangen van de wijze, waarop de
menschheid den volmaakten Leeraar zou ontvangen, welke
door de Kerkvaders dikwijls als eene profetie van .lezus\' lot
is aangehaald.
Wij kunnen de verwachting der philosophen van eene
toekomstige openbaring van God niet afscheiden van de be-
-ocr page 131-
WIJSBEGEERTE BIJ DE OUDEN.                        115
kende zaak, dat de oude wijsgeercn zich het beeld van een
volmaakten Wijze pleegden te schilderen. Sedert Pythagoras
en Socrates door hunne persoonlijkheid den diepen indruk
hadden gemaakt, wat een waarlijk wijs man zijn kon en
moest, teekenden de Grieksche scholen, elk op hare manier,
in kleuren , aan deze groote voorgangers ontleend , het ideaal
van een geheel volmaakten mensch , gelyk zij hoopten, dat
er eens een komen zou , om allen aan zich gelijkvormig te
maken. Doch zij gevoelden , dat zulk een mensch , als hij
niet meer dan mensch was. toch nauwelijks kon verwacht
worden ! »Toont mij een ," roept Epictetus uit , een later
wijsgeer, die omtrent eene eeuw na Christus bloeide,
maar hierin een ware tolk is der Ouderen M), stooni. mij een,
die ziek is, en gelukkig; die in gevaar is, en gelukkig;
stervende , en gelukkig; gebannen, en gelukkig! Toont
mij hem, ik smacht naar hem ! Doch gij kunt er geen too-
nen, die volmaakt is. Nu toont mij dan een, die volmaakt
wordt, die daartoe geneigd is. Bewijst mij deze weldaad.
Onthoudt het mij, ouden man, niet, dit tafereel, dat ik
dus ver niet zien mogt, nog te aanschouwen. Den mensch,
die geheel met de Godheid wil instemmen en in dit sterfe-
lijk lichaam met God genieenschap wil oefenen, dien mensch,
die van een mensch een God wenscht te worden . och, toont
mij dien ! Maar gij kunt het niet "
En kon Epictetus aldus zijne behoefte en zijn verlangen
uitspreken, zonder de vervulling er van te durven hopen:
wat wonder, dat een Plato, die hooger gedachten van Gods
liefde had, de vervulling er van niet alleen durfde wenschen,
maar ook door een van God gezonden leeraar durfde ver-
wachten **)?
Er valt hier nog iets op te merken, ten einde aan mijne
beschouwing der Grieksche Oudheid in \'t algemeen, en daar-
8*
-ocr page 132-
116
VIERDE VOORLEZING.
door ook aan hare wijsbegeerte, het ware licht bij te zetten.
Ik meen dit, dat die Oudheid niet met zich zelve en met den
toestand der dingen bevredigd en voldaan was, en zich daar-
door rustig en kalm gevoelde, gelijk velen ons, tegen geheel
de geschiedenis in, stoutweg verzekeren ; maar dat zij in
tegendeel onbevredigd , onvoldaan , onrustig was , iets beters
dan zij had, zoekende, en niet vindende.
Men weet, hoe. bij de herleving der oude letterkunde in
het midden der vijftiende eeuw in Italië de Grieksche Oudheid
werd vergood. Te Florence had men eene Platonische ge-
leerde maatschappij of academie, waarin Plato\'s geboortedag
als de grootste feestdag werd gevierd en de goddelijke wijs-
geer niet minder geëerd dan vóór vele eeuwen in Griekenland
en Rome. Zelfs weid het Evangelie, met Athene\'s orakel ver-
geleken , door letterkundigen niet alleen, maar ook door
godgeleerden, of althans door kerkelijke personen, gering
geacht. Over \'t geheel werd deze beschouwing tot hare
juiste maat terug gebracht, nadat de Kerkhervormers, bij alle
achting voor de classieke Oudheid, welke zij kenden en
hoog vereerden , het Evangelie in zijne zuiverheid en klaar-
heid hadden terug gegeven aan de menschheid. Maar eene
nieuwe, overdrevene , ja geheel onware verheffing der
Ouden kwam toch weder in Duitschland op in de laatste eeuw.
Daarin gingen vóór Friedrich August Wol ff, de uitnemende
kenner dor Oudheid , en de dichtervorsten Göthe en Schiller.
Sedert hen is er weder eene afgoderij met de oude Classieken
gepleegd, die op eene onware beschouwing van hen rust.
Men schildert ons die oude wereld, alsof zij vol vrede en
geluk ware geweest. Zij wordt getooid in het doorschijnend
gewaad der lichtzinnige en aanminnige natuurvergoding, vrij
van de lastige bewustheid van zonde , van angst voor den
dood, van vrees voor straf, als had zij zich aan al de nei-
gingen van \'t zinnelijk hart en aan al de genietingen van
het natuurleven volop kunnen overgeven. Zoo verklaart een
-ocr page 133-
117
■WIJSBEGEERTE BIJ DE OUDEN.
der woordvoerders onder de kenners der Grieksche letter-
kunde"): » De Oudheid leefde in eene doorgaande zinnelijke
en geestelijke wisselwerking , uit een onbevangen scheppen
in den tegenwoordigen tijd en uit de vereeniging aller men-
schelijke krachten voortvloeiende. De Ouden gevoelden het
geluk hunner vroolijke omgeving en zetteden zich ieder op
zijne beperkte ruimte als rustige\' bewoners neder. Zij be-
zaten het vermogen , in den uitgebreiden rijkdom der zin-
nenwereld in te dringen en zich het genot er van met juist
gevoel onverbrokkeld toe te eigenen. Dewijl zij de natuur
als één geheel beschouwden, vol onverstoorbare vastheid en
klaarheid , volkomen geschikt, omeene waardige woonplaats
der menschheid te zijn , verzuimden zij niet, met vroolijken
werklust op dezen gewenschten bodem plaats te nemen , en,
naar haar voorbeeld, een even gezond organisme des men-
schelijke levens te ontwikkelen. Uit de natuur ontstaat
voor de Ouden elke kiem hunner humaniteit en tot de natuur
keeren hunne neigingen terug. Daarop berust de staat,
waarin de vrije burgers, door slaven voor vernederenden druk
beveiligd , een onbezorgden en jeugdigen zin bewaarden.
Daarop de godsdienst, eene voorstelling en vereering van
het bloeiende natuurleven, die Goden en menschen in het-
zelfde gezelschap en onder hetzelfde noodlot omvatte. Daarop
de letterkunde en de kunst, waarin een veredeld wei-
behagen in de wereld zich in liefelijke vormen openbaart.
Daarop zelfs het huiselijk en gezellig leven, een-
voudig, vergenoegd, verheerlijkt door de openlijk ten toon
gestelde gewrochten der kunst.
„In al deze verschijnselen spiegelt zich de eenheid der
natuur en hare spaarzame wijsheid af. Alle krachten streven
naar één doel, naar de wetenschap, die zich aan het wer-
kelijke houdt. Getrouw aan haar en aan haar toppunt, den
vrij ontwikkelden mensen, besteedt men zijne jaren
blijde, trots alle afwisseling van geluk en lijden, van wer-
-ocr page 134-
118                                 VIERDE VOORLEZING.
ken en ontberen. Een tweespalt van gemoed en verstand
kon daar niet hinderen, waar geene betrekking van het zin-
nelijke en eindige op het geestelijke en oneindige voorhanden
was."
Ik schroom niet, met allen eerbied voor de geleerdheid des
schrijvers, deze voorstelling meer eene dichterlijke, dan eene
geschiedkundige te noemen. Zelfs bij Homerus, den dichter
der natuur bij uitnemendheid, vinden wij eenen anderen
toestand geschilderd, dan die in deze beschouwing van de
Oudheid verheerlijkt wordt. Homerus reeds roert ons diep
door iets veel beters, door het hemelsche in zijne schilderin-
gen van liefde tusschen eehtgenooten en ouders en kinderen,
van hartelijke zelfverloochenende vriendschap, van eerbied voor
de Godheid, die de wereld regeert en hier op aarde en hier
namaals ons straft of beloont. Ja, ook Homerus is er zoo
verre af, van \'t menschelijk leven op aarde zoo schoon en
liefelijk te vinden, dat hij uitdrukkingen heeft als deze26):
Van al wat zich beweegt en leven heeft op aarde,
Is niets rampzaalger dan de mensch.
Zoo zingt ook Pindarus 21):
Schielijk groeit der menschen voorspoed;
Even snel stort hij ter neer.
Wezens van één dag — dat zijt ge.
Heden iets , morgen niets ,
Gij , ijdle droom van schaduwen.
Evenzoo is het met Sophocles en de overige tragische dich-
ters. Hunne teederheid van geest en zin, hun diep gevoel
van recht, deugd en liefde, hunne innige godsdienstigheid
vooral maken hunne scheppingen tot onvergankelijke gedenk-
stukken van ware humaniteit en tot modellen van echte
poëzie. En verre is het er af, dat zij bij dit alles geen
tweespalt zouden gekend hebben. Juist dat noodlot, die
-ocr page 135-
119
WIJSBEGEERTE BIJ DE OUDEN.
kamp des menschen tegen eene hoogere, willekeurige, ja-
loersche, vaak wieede en onrechtvaardige macht, waaronder
hij bezwijkt, is het voorname bestanddeel der schoonheid
hunner kunstgewrochten , het echt tragische in de Grieksche
tragedie. En daartoe behoort vooral ook dat raadselachtige
in den loop der dingen, dat b. v. een Oedipns zijn noodlot
niet kan ontkomen en onwetend misdoet, onwetend zijn
vader doodt en zijne moeder huwt, waarvoor hij zoo vreese-
lijk wordt gestraft, alsof hij willens en wetens had gezondigd
en dus eigenlijke schuld had te boeten. Tweespalt, onze-
kerheid , onverzoenbare strijd tusschen de verlangens en de
behoeften der menschheid en onzen toestand hier op aarde
is heeischend in geheel de Oudheid. Aan de zoenoffers , om
beleedigde Goden voldoening te geven, komt geen einde;
noch ook aan de klachten, van Hesiodus af tot Tibullus
toe, dat de*schoone gouden eeuw in \'s werelds kindsheid
voor eene zilveren, deze voor eene koperen en zelfs ook deze
laatste nu voor eene ijzeren is geweken. Men kent de droeve
klacht van Horatius iS):
Ach, door den tijd neemt alles af!
Door erger kinderen, geboren
Uit ouders, slechter dan te voren
Hun vaders, wordt een nageslacht
Nog meer bedorven voortgebracht.
Het leven is voor de Ouden een raadsel, het geluk een
toeval, de dood, als einde van allen kommer. eene wei-
daad 29).
Zelfs een blijspeldichter 30) noemt de dieren driewerf ge-
lukkiger en zaliger, dan den mensch, omdat de rede die
schepselen niet plaagt. De dieren toch volgen hunne natuur
en neiging; maar wij menschen leiden een leven, dat niet
te leven is. Als slaven dienen wij meeningen, en onder-
werpen ons aan haar, als aan wetten. Gelijk ons voorge-
slacht, kan ook het nageslacht het kwade niet ontgaan.
-ocr page 136-
120                                 VIERDE VOORLEZING.
Wij vinden zelve steeds nieuwe gelegenheden uit voor nieuwe
ongelukken. Geheel de Oudheid achtte, dat niet.geboren te
zijn de eerste aller wcnschcn is; en de tweede, zoo spoedig
mogelijk weder derwaarts te gaan , vanwaar men in dit leven
kwam"). Immers de jeugd met hare lichtzinnigheid, de
volwassen leeftijd mei zijn zorgen, zwoegen en worstelen,
de ouderdom met zijne machteloosheid — \'t is alles even treu-
rig. Bij onderscheidene Griekschc volkstammen werd dus
ook liet kind bij de geboorte met rouwmisbaar ontvangen,
terwijl de begrafenis mei jubelzangen werd begroet3i). Een
vroegtijdige dood was een gunstbewijs van de Goden. Reeds
Homerus zingt van een gestorven jongeling3,1):
Hem minde AVpollo en Jupyn met alle min des harten ;
Dies werd hij vrij van \'t leven en vrij van d\' ouderdom.
Na Homerus werd het eeno lievelingsspreuk der Grieken ,
ook op menige urne, die de asch van oen jongeling bevat,
gegrift : „Vroeg sterft liij . dien de Goden minnen." — Ja
ook de zelfmoord was daarom in geheel de Oudheid eene
algemeen verbreide, wel eens veroordeelde, doch ook weder
sterk aangeprezen gewoonte.
Ken adem van weemoed , van smart , ja ook wel van
wanhoop gaat mede dooi\' de Grieksche schoone kunst. Het,
naar Plinius\' oordeel , meest volmaakte van Hellas\' beeld-
houwwerk is on:; overgebleven. Kn het is — de wereldbe-
roemde Laocoön , die met zijne (wee zonen op het gruwzaam
bestel eener Godheid door kwaadaardige slangen wordt om-
st ren geld en ter dood gemarteld, omdat, ja, omdat hij —
de waarheid had gesproken :")!
Dezelfde weemoed en treurigheid gaat ook door geheel de
Grieksche wijsbegeerte. Men weet, hoe Willem van Haren,
in een der schoonste dichtstukken van onze taal, Het men-
schelijk leven
getiteld, ons leven diep beklaagt van de wieg
tot het graf\'. Welnu , er bestaat onder de werken van Grie-
kenlands grootsten wijsgeer eene zamenspraak , welke ook
-ocr page 137-
121
WIJSBEGEERTE BIJ DE OUDEN.
eene elegie op \'t menschelijk leven kan heeten, in geesten
strekking geheel , soms ook in woorden, met Van Harens
weemoedig lierdicht overeenstemmend \'■). En ook dit gesprek
is niet iets alleen staands Zóó overtuigd waren de wijsgee-
ren van den jammervollen toestand der mcnschheid op aarde,
dat bij de onderwerpen , welke zij gezet pleegden te belian-
delen , ook dat was oovr de vertroosting. Eene reeks van
werken werd door hen geschreven over de troost gronden
tegen den dood , in den ouderdom , onder de rampen des
levens, met name hij de ballingschap en de ondergang van
het beste, dal zij kenden , van het vaderland ™) Maar ook
al die troostgronden gaven nog geetie vastheid en rust aan
het menschelijk hart. Van de wijsbegeerte en letterkunde
zegt Cicero 31): »Zy komen mij voor, mij van de haven en de
wykplaats te verwijderen en haast te verwijten , dat ik blijf
in een leven , waarin niets is (e vinden dan de voortduring
van een allerellendigsten toestand." Uitzonderingen van
deze gemoedsstemming zijn er , met name in Pythagoras ,
Socrates en Plato, die de hoop ook stervende» niet verloren.
Maar ze zijn uitzonderingen , die den regel bevestigen. De
groote menigte dartelde zooveel zij kon lichtzinnig door
\'t leven, en werd, als zij dit niet kon, bedroefd en ontroost-
baar tot wanhoop toe.
Wij staan tegenover deze feiten. Wat doen daarentegen
de fraaije verzekeringen vun vele geleerden , dat er in de
Oudheid harmonie, rust, kalmte en tevredenheid heerschten?
Wat doet daartegen het schoone dichtstuk van Schiller, Die
Götter Gritohmlandsf
Is zijne schildering waarheid? Neen,
driemaal neen ! Zij is verdichting, in haar geheel en in
hare deel en. Er heerscht in de meest beroemde tolken
van den geest der Giieken een treuren over de verlorene
gouden eeuw, eene verlegenheid niet de tegenwoordige,
geheel onbevredigende toestanden, en een hijgen naar eene
betere toekomst, \'t zij op aarde, \'t zij in den hemel. Ja, er
-ocr page 138-
122
VIERDE VOORLEZING.
is vrede in de wereld gekomen , maar niet door de wereld
gegeven ; er is blijdschap verbreid ook onder de rampen des
levens, maar niet uit mcnschelijke kunst en wijsheid gebo-
ren; er is eene zaligheid ontstaan in de harten en huizen ,
maar gelijk geen oog had gezien en geen oor gehoord en
in geens menschen hart was opgekomen. Die vrede, die
blijdschap, die zaligheid zijn op aarde gebracht door Gods
Zoon. Maar dit is de eere der edelsten van Hellas\' zonen ,
dat zij hun gebrek daaraan en hunne behoefte daaraan luide
en open erkenden en naar de voldoening er van smachtend
uitzagen, vol verlangen en hoop38).
Doch dan is het ook duidelijk, dat in de Grieksche Oud-
heid, evenmin als inde Israëlietische, een naturalisme ot
eene afleiding aller dingen uit de natuur en eene berusting
in den bestaanden toestand, gelijk de natuur dien nu een-
maal oplevert, is te vinden. Neen, zelfs het rationalisme
kwam er niet vroeger tot eenige kracht, dan nadat de bloei-
tijd der classieke beschaving reeds was verdwenen. Neen ,
in Hellas heerscht evenzeer als in Israël iets verre boven het
naturalisme en het rationalisme verhevens: er heerscht , ik
moet dit herhalen, het supranaturalisme of de erken-
tenis van een boven de natuur verheven God, die haar be-
stuurt en tot zijne doeleinden leidt, die daartoe zich heeft
geopenbaard on kenbaar gemaakt in den voortijd, dit nu nog
doet en dit toekomstig verder zal doen. Griekenland
heeft de herinnering van eene oorspronkelijke openbaring
van God ; het heeft besef van zijne eigene tegenwoordige
treurige gesteldheid, nu het de kracht en het licht dier oude
openbaring niet meer rein bezit , en thans eene nieuwe
niet dan spaarzaam zich laat vernemen; het heeft uitzicht op
eene betere openbaring in de toekomst , die het vertrouwt ,
dat komen zal , ïoowel dewijl de mensch daaraan behoefte
heeft : als dewijl God liefderijk is en dus aan deze behoefte
bevrediging zal geven. Er is derhalve geen onderscheid in
-ocr page 139-
123
WIJSOEEREN EN PROFETEN.
geest en richting bij Israëls Profeten en Griekenlands wijs-
geeren. Ook de wijsgeeren kenden Gods openbaring en
houden aan haar vast. Ze zijn evenmin naturalisten of zelfs
rationalisten; ze zijn evenzeer supranaturalisten als
de Profeten van Israël 3\'J).
Maar is er in geest en richting geen onderscheid tusschen
profetisme en philosophie, er is wel onderscheid van inzichten
bij die twee. Israël had in zijne heilige boeken veel zuiver-
der verhalen over Gods wezen en werk , vooral over de
schepping, de wereldregeering en de bestemming van geheel
het menschdom. Het had ook veel dieper inzicht in het
wezen des heelals en van God; vooral daardoor, dewijl het
dit heelal kende als eene schepping van God, dus God kende
als boven de natuur verheven, en derhalve natuur en God
scherp onderscheidde. Het zag ook veel helderder in, dat de
zonde een afval van God is, dat zij niet iets onvermijdelijks is,
als doorgang van het min tot het meer volkomene, maar
eene tijdelijke verstoring der door God gewilde wereldorde.
Eindelijk bestond er bij Israël eene onwrikbare zekerheid,
dat God eens de zonde op geheel de aarde zou overwinnen
en de ééne God eens het gansche menschdom in één rijk van
zijne onderdanen zou samen brengen in heiligheid en deugd.
Op dezen, hun bekenden , God , op dezen heiligen, ge.
trouwen en liefdevollen God, was Israëls oog gericht. Daarom
zag dit oog het verledene, tegenwoordige en toekomende
helder en gerust aan. Veel haperde aan de menschen; maar
God was grooter, machtiger, wijzer dan zij, en liefderijk ge-
noeg, omzijn raad te volbrengen en zelfs \'t geen de raen-
schen ten kwade dachten , ten goede te wenden.
Zoo zuiver, zoo diep, zoo zeker als b\'ij Israël het supra-
naturalisme op geloof aan God, die zich altijd en overal
openbaart, was gegrond, vinden wij het bij Griekenlands
Wijzen niet. Het was er sterk genoeg, om hen niet flauw
en zwak te laten versuffen en te doen eindigen in den cirkel-
-ocr page 140-
124
VIERDE VOORLEZING.
loop der zinnelijke wereld. Maar het was er niet zuiver,
niet diep en niet zeker genoeg , om hen met den blijden
moed van een Jezaja te doen rondzien over de menschen der
aarde, dewijl er een God in den hemel is boven allen, en
hen te verheffen boven het tegenwoordige , dewijl er eene
toekomst is, waarin geheel de aarde zal zijn als één berg
van Gods heiligheid, waarop men nergens l*jed zal doen of
verderven. Neen , zy klaagden niet alleen, gelijk Israëls
Profeten , over het ongeloof en de ondeugd der menschen :
zij beschuldigen ook vaak het noodlot en de Goden en het
wereldbestuur, van wien dan ook uitgaande, als blind, doof,
partijdig, voor \'t minst als raadselachtig en onbegrijpelijk.
Droefheid, weemoed en wanhoop vervulden hen. En hooren
wij ook een enkel maal in Israëls heilige boeken zulk een
toon aanslaan, b. v. in dat van Job, de wanklank wordt
daarin ook weder opgelost; omtrent Gods rechtvaardigheid en
wijsheid, heiligheid en liefde blijft geen twijfel over. Door-
gaans is er licht, blijmoedigheid en verzekenlheid des geloofs
in God, gelijk men bij Hellas\' Wijzen niet aantreft. Een
moedige, kalme, dankbare, verheffende hemeltoon, gelijk
b. v. in Jezaja XL wordt gehooid, verneemt gij nergens,
nergens bij de Grieken.
Wij moeten hier een oogenblik stilstaan, om terug te zien
op den dusver afgelegden weg. Immers wij zijn aan eene
grens gekomen, ■ en zullen nu een ander gebied gaan betre-
den. Tot nog toe verkeerden we in Griekenland. Eerst
hoorden wij de bepaalde en duidelijke uitspraken der Griek
sche wijsbegeerte, bij monde van hare vier uitnemendste tol-
ken , waaruit ons bleek, dat zij over Gods wezen en werk
en zijne betrekking tot de menschen niet wilden redeneeren,
maar alleen geloovig aannemen , wat door de voorgeslachten
hun daarover, als openbaring van God, was medegedeeld, en
dat zij op het hoogst enkele malen de redelijkheid daar-
-ocr page 141-
125
VIERDE VOORLEZING.
van aanwezen Daarna poogde ik deze handelwijze toe te
lichten uit den practischen aard der Grieksche philosophie,
als die zich niet in het afgetrokken denken , of in het den-
ken over het denken, bewoog, maar het eenmaal bestaande
zocht te begrijpen, en zoo noodig te verbeteren
Bij al deze omwandelingon in de lustwaranden der Oud-
heid bewogen wij ons echter alleen in Griekenland , met een
enkelen blik somtijds naar Rome geslagen. — Maar nu ver-
laten wij Hellas\' bodem, evenwel niet om te Rome te ver-
toeven, maai\' om te gaan zwerven in hel verre Oosten, ten
einde rond te zien , of de wereldgeschiedenis ons ook leert,
wat de Grieksche philosophie getuigt, dat er goddelijke open
baring, in feiten en onderwijs bestaande, werkelijk aanwe-
zig was en is en dat zij tot kennis der Grieken is gekomen.
Dienen moet deze rondreize, om (e onderzoeken, of derhalve
de Grieksche philosophie naar waarheid eene openbaring van
God heeft erkend, gebruikt en geëerbiedigd. Wij raadple-
gen dus nu de geschiedenis der menscheid, als de eenige
bevoegde getuige in deze zaak, om van haar te vernemen ,
wat zij over den oorsprong van godsdienst en wijsbegeerte
en den zamenhang van Griekenlands ontwikkeling met die
van het Oosten ons mededeelt.
Is daarom dusverre uit Griekscben mond aangewezen
en uit Griekscben geest toegelicht, dat eene openbaring
van God dooi\' Hellas\' edelste zonen voor grondslag der wijs-
begeerte is gehouden: ons verder onderzoek zal volkomen
kunnen bevestigen, dat die grondslag in waarheid heeft
bestaan.
Daartoe kan ons de verbazende uitbreiding van de kennis
der wereldgeschiedenis, vooral van die in het oude Oosten,
in de laatste halve eeuw verkregen , de uitnemendste dien-
sten bewijzen. Reeds nu is veel ontdekt, zonder dat het
\'genoeg is gebruikt voor de onthulling der waarheid Nog
-ocr page 142-
126
WIJSGEEREN EN PROFETEN.
veel meer zal er ontdekt worden. Ruim is het gebied, \'t welk
ons voor onze omwandelingen open ligt.
Intusschen moet ik vooraf eene waarschuwing geven. Ik
kan namelijk de strenge methode, tot dusverre gevolgd, niet
langer aanwenden. Tot hiertoe met de Grieksche Oudheid
bezig, heb ik geen voet vooruitgezet, dan met afdoende be-
wijzen, dat ik zóó mogt en moest gaan. Dit is nu niet meer
mogelijk. Thans zullen wij de wijde, wijde wereldhistorie
ingaan, om op dat veld eenige airen te lezen, enkele aan-
wijzingen te doen, sommige gissingen te wagen. Meer kan
ik niet; want het veld is te ruim, otn het op onze wande-
ling af te meten: en ook nog veelal te onbebouwd, om
overal een oogst te kunnen inzamelen. Maar meer behoeft
ook niet. De verklaringen der Grieksche wijsbegeerte moes-
ten uit den mond harer beroemdste tolken worden verzameld
en toegelicht. Eigenlijk zou rnen daarmede kunnen volstaan.
Want recht, om aan deze verklaringen geloof te ontzeggen,
bestaat er niet. Het is dus eene toegift, als ik nu ook nog
uit het gebied van de geschiedenis der menschheid eenige
bijzonderheden bijbreng, waardoor de eigene verklaringen
der Grieksche wijsbegeerte kunnen worden bevestigd.
Zal ik in deze toegift niet volledig kunnen zijn en mij nu
en dan kunnen vergissen , dit benadeelt niet, wat ik uit de
Grieksche Oudheid heb bijgebracht. Dit staat op zich zelf vast
en onwrikbaar.
-ocr page 143-
427
AANTEEKEN1NQEN.
AANTEEKENINGEN.
i) BI. 101. De Bepubl. IV, p. 500, 501.
2) BI. 102. ackebmann, Da» Chrhll. im P.\'alo , bl. 168—171.
\') Bl. 103. seneca, Epist. 89: j Philoaophia studium virtutis
est. De ware wijze was dus „de opvoeder van het menschelijk
geslacht," Sapiens, humani generis paedagogus. Deze geheole
brief is merkwaardig als overzicht , hoe, en wel hoe practisch,
de wijsbegeerte bij de Ouden werd beschouwd. Het is dan ook
opmerkelijk, hoe een der schoonste overblijfselen van de geheele
wijsheid der Ouden , de ltomeinsche wetgeving, uit het leven ,
jus uit de jurhprv.de>.tia , is ontstaan. De groote rechtsleeraar,
Paulus, drukt dit aldus uit : Ilegula est, quae rem , quae est,
breviter enarrat. IS\'on ut ex regula jus sumatur, sed ex jure,
quod est, regula fiat. L. I. D. d* regulis juris , L. 16. Verg. de
leerrijke rede van j. H. philipse , Dejuntnili jurUprudent.ae Romanae
mtate
, futuri eigori» nc prorxtanliae avgurio felicissimo, Oroningm
1836. Terecht verklaart feed. de eougemont, Le peupltprimUif,
T I, p. XXVI: La vraie philosophie n\'est pas ou 1\'Europe
moderne la cherche : Pytbagore , Socrate et Platon étaiest plus
sages que Bacon , Des Cartes et Degel. L\'homme est volonté
plus encore qn\'intelligence ; ce n\'est pas tout de trouver la
vérité ; il faut la rinre , et qui s\'y refo.se . la manquera.
*) Bl. 104. Hoe groot de eerbied van Pythagoras voor den
Staat was, blijkt uit zijne handelwijze en uit zijne Gulden
Spreuken.
Socrates noemt, bij xenophon , Memorab. I, 4, 16,
„de staten en volken de oudste en wijste der menschelijke
dingen," tó 7toi\\vyqovi6>faxa xal ao^wrara x&v av&qumivmv, :có/.ttq
Ons, evangelische Christenen, die behalve den Staat eene
Kerk kennou , welke er in vele opzichten van gescheiden is ,
en, als wetboek voor deze Kerk , het Evangelie hebben, is deze
eerbied voor Staat en volksgodsdienst als óén wel geordend en
noodwendig geheel nog al vreemd. Maar bij Catholieken is hij
wel te vinden. Zoo verklaart zelfs de man, wiens philosophie
van twijfelen uitging, maar die Catholiek bleef, des caetes ,
Discours de la methode, Trohiime partie: „Mijn eerste beginsel
was te gehoorzamen aan de wetten en gewoonten van mijn land,
-ocr page 144-
128
AA.NTEEKENINQEN.
altijd vast te bonden aan den godsdienst, waarin God mij de
genade heeft gegeven , van mijne kindslieid af onderwezen te
worden , en overigens mij te regelen naar de meest gematigde
en meest van de uitersten afwijkende meehingen , die algemeen
gevolgd werden door de verstandigsten onder hen , met wie ik
moest leven." In korte trekken is het onderscheid tussehen de
Ouden en de Nieuwen, vooral de Protestanten, in dit opzigt
aangewezen door pareau , Waa>h. in L. 1859 , bl. 19—24
») Bl. 105. Be Off. 1, 17.
•) Bl. 105. Be Rep. 1,7. \') Bl. 106. Hand. XVII: 22.
8)    Bl. 106. Men zie ph. g. van heusde , Uiatribe in cioitales
antiqua.i, Amst.
1817.
9)    Bl. 107. Veel ten bewijze van dit alles heb ik bijge-
bracht in do Gesck. der opoofding , D. II, vooral in de zesde en
zevende voorlezing.
\'«) Bl. 108. Be Legg. V , p. 739 B—E.
") Bl. 109. ^Kitti&ij tb toiovtov /AfZ£ov y y.uih rijv vvv
yivtatv xal TQcKpijv xal naiSevaw tÏQrjtru.
">) Bl. 109. Hand. II: 44, 45, IV: 34—37.
13) Bl. 109. Het is onbegrijpelijk , dat ook hierin Plato zoo
zeer wordt miskend , zelfs na de uitstekende verhandeling van
j. t. G. de geek , Biatribe in Politices Plaionicae prittri/iia, Trrj.
ad Rhenum
1810.
*) Bl. 110. Zie xbnophons Memorabilia, en vooral plato\'s
Crito.
>5) Bl. 110. Verg. over Euemerus Oesr.h. d\'.r Opvoeding, D.
II, hl. 437. 438.
If)) Bl. 112. Polit p. 272 D: Tnvca ftfv ayü/ter, i \'o)q üv ijfiZv
l;) Bl. 112. Alcibiades II, p. 150 D. Is deze zamenspraak
misschien niet van Plato zelven , dan toch van een zijner leer*
lingen in zijnen geest.
\'S) Bl. 112. Phaedon, p. 85 C. D.
,9) Bl. 113 Plato zet tegenover elkander, dat, zoo wij de
reis niet willen ondernemen op het bootje der beste avd-Quml,tnov
Xóyoiv,
wij moeten hopen op het beter schip Xóyov &tiov t*»ój.
Cousin vertaalt het eerste, les raisonnemens humaina, en het
tweede , un raisonnement a toute épreuee, in plaats van un raison-
nement dioin.
Andere uitleggers van Plato trachten evenzeer
deze plaats krachteloos te maken. In eene der laatste uitgaven
-ocr page 145-
129
AANTEEKENIMQKN.
van den Phaedov, die van wohlkab , Leipzig bij Teubner 1875
worden p 137 -noorden van Hermann, Stallbaum en Ficinus
aangehaald, dio allen de natuurlijke beteetenis van Plato\'s ge-
zegde geweld aandoen. Hermann en Stallbaum verstaan onder
Xóyw; &tZo<i eenc rechte meening (rfóïrt ondi/\'i, die men door godde-
lijke beschikking O-tin /lorpre) verkrijgt. „Indien (voegen zij er bij)
iemand deze rechte meening bezit, dan wordt hij door den
voort reffelijken aanleg zijner natuur of door zijne wijsbegeerte
van zelf tot hetgeen waar en recht is, gedreven " Ware dit
de goede uitlegging, clan zou er geen verschil zijn tusschen het
tweede en vierde middel; want dan was het vierde, evenals het
tweede, zelf uiteinden. Steinhart (ook door Wohlrab aangehaald)
legt de woorden goed uit, doch maakt ze krachteloos door de
bijvoeging, da! Simruias, dio verre beneden Soerates slaat in
hel denken . op goddelijk onderwijs hoopt. Maar hoe dan het
gemaakt mot Simmias\' verklaring tot Soerates: „naardien gij
dit ook zegt"? Och, deze woorden beteekenen volgens Ficinus:
„naardien gij zelf ons daartoe aanmoedigt." Wohlrab, die Fi-
cinus\' uitlegging zonder aanmerking overneemt, schijnt derhalve
met haar in te stemmen. Aldus verminkt men Plato, om toch
hem te kunnen ontzeggen, dat hij waarlijk aan Gods openbaring
geloofde , dat hij supranaturalist was.
20)     BI. 114 Phaedr. p 250 D.
21)     BI. 114. Cicero, De Finibut, II, 16. Verg. V, 24.
Een dergelijk verlangen spreekt ook Seneca. Ep. 11, uit.
„Uwe ziel hebbc iemand, dien zij kan eerbiedigen; door
wiens gezag zij zich ook van binnen meer moge kunnen hci-
ligen."
2\'2) BI. 114. Ook seneca, Ep. 89, spreekt zoo: „Kon zich
geheel de wijsbegeerte aan ons vertoonen, zij zou alle menschen
tot bewondering nopen, met achterlating van de dingen, welke
wij nu, door de onkunde der groote menigte, voor groot houden."
Zij heeft zich vertoond, in uw eigen leeftijd, Wijsgeer van
Homo! veel heerlijker dan gij durfdet vermoeden, dat ze zijn
zoude. Maar do wereld heeft haar — aan het kruis gesla-
gen!.... Doch ook juist dit was hare grootste heerlijkheid,
dat zij allo inensohelijkc voorstelling verre te boven ging en
daarom werd miskend en vertreden.
**) BI. 115. Zie abbianus, Dittertut. Epicteti, L. II, c 19,
9
-ocr page 146-
130
VIERDE VOORLEZING.
§ 24—27. Epictctus loofde in do eerste eeuw na Christus\' ge-
boorte.
«) BI. 115. Men kan vergelijken l. g. paeeau, Otter het
voorgevoel der christelijke volmaaktheid, en het verlangen daarnaar in
de oude wijsbegeerte,
in Waarh. in Liefde. 1859, I, bl. 9.
»5) Bl. 117. g. beunhabdy, Qtundlinien zu einer Enegclopaedie
der Philologie, Hall e
1832, bl. 39, volgens a. luttbebeck, Ueber
die
Nolhwtndiglcr.it einer Wiedrrgeburt de Philologie zu deren wis-
senschafUich\'/i
VoU.vi.da->■/, Malus 1817, bl. 38.
*•) Bl. 11S. Iliad. XVII, 410, XXIV, 525.
21) BJ. 118. Aehillcs klaagt hopeloos aan \'t einde der Ilias :
AIf.oo bepaalden de Goden hoi lot der onzalige menschen;
Bang in smart te leven , zelf vrij van zorgen on smarten.
Zoo zingt ook Pindarus Pglh. VIII, 131—130.
28) Bl. 119. Od. III, 6, 48.
2B) Bl. 119. Er bestaat ceno rijke en sierlijke rede van c i.
vak assen, Over leven, geluk en dood naar de begrippen der Ouden,
Leiden
1850. Zij is afzonderlijk nitgegeven, maar ook in de
Nieuwe Werken der Holt. Maatschappij van fraaie kusten rn weten,
schappen,
D. III. Verg. ook de doorwrochte verhandeling van
s. HOEKSTEA uz., De waugv.rst der Goden op hel geluk ook de.i
rechtvaardigen, naar het Grieksche volksgeloof,
overdruk uit de
verslagen der Akademie van Wetenschappen III Reeks, Amsler-
dam
1883.
3n) Bl. 119. philemon, in menandei et i\'iiilejiosis ReUquiae,
ed. Grotii et Clerici, p. 352, 354.
:!\') BL 120. Zoo laat soi>nocr,Es, Oed. Colon. vs 1225, niet
een ongelukkig mensen., maar ecu koor zingen, en in de koren
moest zich do algemcene overtuiging bij de Tragici uitspreken.
) Bl. 120. van assen, bl. 39—41. ») Bl. 120. Odyssea,
XV, 240.
34) Bl. 120. Er bestaat eene geestvollo verhandeling van lut-
haedt (Getammelle Vortriige, Leipz. 1870, bl. 293), Die Darslellung
den Schmerzes in der bildenden Kunst,
waarin hij treffend aanwijst,
hoe de antieke kunst , b.v. in Laocoon en Xiobe, do smart zon-
der hoop en zonder troost voorstelt, dewijl zij de verzoenende
macht der Liefde niet kent, daar zij God alleen als Macht
kent en niet als Liefde.
-ocr page 147-
AANTEEKEN NGEN.                                          131
ss) BI. 121. Het ia de Axiochus, onder Plato\'e geschriften,
doch naar veler oordeel ten onrechte , opgenomen.
*•) BI. 121. Een leerzaam overzicht van dit deel der
Grieksche wijsbegeert is gegeven door a. c. van heusde , Dialrit/e
in locum ph\'dosophiae mutatis nni est de consolatione apud Orae os
,
Traj. ad. Bh. 1840.
•■>\') BI. 121. Epist. ad Div. L. V, Ep. 15.
w) BI. 122. Dit is vooral aangewezen door den straks aan-
gchaaldcn Lutterbeck, over wiens werk ik ook reeds sprak in
de Oetch. der Opvoeding, D. II, bl. 439. Een belangrijk over-
zicht van ziju bock vindt men in Waark. in Liefde, 1850, I.
•i») Bl. 123. Die het supranaturalisme in Israéls Profeten
bestrijden, kunnen zich dus, als op een steun voor hunne ziens-
wijze, niet met recht op het naturalisme van Hellas\' philosophie
beroepen. Het bestaat niet.
9*
-ocr page 148-
VIJFDE VOORLEZING.
Er heeft nooit ergens een natuurlijke godsdienst bestaan. Alle
godsdiensten beroepen zich op eene goddelijke openbaring, als
hunne bron. ])e;e openbaring bestond eei\'st in den omgang van
goddelijke wezens met de menschen in de gouden eeuw. Daarin
stemmen ds overleveringen aller volken overeen, ook in velerlei
andere zaken, in taal, wetgeving, godsdienst, fabelen.
Griekenland had de beginselen zijner beschaving
, he\', letterschrift,
de kolonisten, zijn godsdienst uit Phenicië en Egypte Moge-
lijke invloed van Jakob , Jozef en Mozes op Egypte Helzen
van Grieksche geleerden n:iar Phenicië en Egypte.
Mijne Hoeren !
Als wij, naar ons gemaakt bestek, nu op het ruim ge-
bied der wereldhistorie de geschiedenis dor menschheid gaan
raadplegen, 0111 van haar te vernomen, of zij bevestigt,
wat do Grieksche wijsbegeerte zelve over Gods openba-
ring als hare bron getuigt, merken wy in de eerste plaats
op, rlat eene bekende gewichtige zaak reeds hiervoor pleit,
te weten deze, dat er althans nergens een godsdienst
is geweest , dan die zich op eene openbaring van God be-
riep en op openbaring van God zeide te steunen, of dat er,
-ocr page 149-
133
OPENBARING BRON DER GODGELEERDHEID.
gelijk men het gewoonlijk uitdrukt, nergens ooit een na-
tuur lij ke godsdienst heeft bestaan, dat is een godsdienst,
die door eene vereeniging van menschen weid beleden,
nadat die door hen uit de beschouwing der natuur, rondom
ons en in ons , was afgeleid.
Gij beseft, van welk belang dit feit voor onze gehoele
beschouwing moet zijn. De onderstelling, waarop de moderne
phüosophie en theologie rusten, dat de godsdienst een werk
van \'s menschen fantasie of geest of\' hart is, valt als met
de geschiedenis in tegenspraak, in duigen, indien, wat wij
een feit in deze zaak noemen, ook werkelijk een zeker
feit is.
En dit is het. — Al heeft hier en daar een enkel per-
soon zich verbeeld, een godsdienst voor zich uit de natuur
te kunnen afleiden: het kan niet geloochend worden, en
wordt op het gebied der historie ook in werkelijkheid niet
geloochend , dat er zulk een natuurlijke godsdienst nooit
onder eenig volk heeft bestaan. Zelfs Renan erkent dit,
en wel gedurig weder, en geheel volledig; ofschoon hij
niet inziet, dat zijn gehoele stelsel van naturalisme daar-
mede vervalt. Renan verklaart \'): »Een eeuwig instinct
brengt den mensch er toe, zich aan een godsdienstig ge-
loof te hechten, een zoo gebiederul instinct, dat de mensch,
om niet in twijfel te blijven hangen , zonder onderzoek een
geloof aanneemt, \'t welk hij, geheel gereed gemaakt, aan-
treft .... Wat het scheppen in zake van godsdienst betreft,
zijn de volgende geslachten geneigd, zich het voorrecht te
ontzeggen, \'t welk zij aan de vroegere rijkelijk loedeelen
[het voorrecht van eene openbaring xan God te ontvangen].
De wetenschap is door hare natuur het erfdeel van maar
een klein getal, en kan, in den bestaanden toestand der
maatschappij, op het geloof der wereld niet wegen met
afdoende zwaai te ... . Laat ons aan de godsdiensten ver-
gunnen , zich onaantasbaar te verklaren; want zonder dat
-ocr page 150-
434
VIJFDE VOORLEZING.
zouden zij van hunne volgelingen de achting niet verkrijgen,
welke zij noodig hebben. Maar laat ons de wetenschap
niet verplichten, zich aan eene macht te onderwerpen, die
niets wetenschappeljjks bezit. Laat ons de legende niet met
de historie verwarren ; maar ook niet pogen de legende te
verbannen; want zij is de vorm, waarin het geloot der
menschheid zich noodwendig kleedt. De menschheid bestaat
niet uit geleerden." Genoeg, om to doen zien, dat Renan
zelf geene natuurlijke godsdienst kent, of ook maar mogelijk
acht. Elders ontkent hij dan ook uitdrukkelijk . dat men
recht zou hebben, van een natuurlijken godsdienst te spre-
ken. »Geen deel der wereld," zegt hij*), «heeft het Hei
dendom laten varen, dan wanneer eene dezer drie gods-
diensten [de Joodsche, Christelijke of Mohamedaansche] er
is gebracht, en nog in onze dagen komen China en Afrika
tot het monotheïsme niet door den vooruitgang der
rede, maar door den arbeid van Christelijke en Mohame-
daansche zendelingen .... Van natuurlijken god&dientt spreekt
men met al te weinig recht; want het menschdom is in-
derdaad [tot den redelijken godsdienst van het monothe-
ïsme] zonder het Semiotisch ras, door zijne natuurlijke
aandrift, wel niet gekomen." Dit betuigt hij naar waarheid.
De reden hiervan is daarin gelegen, waar ook Renan
haar in ziet, dat namelijk de overgroote meerderheid des
menschdoms niet in staat is, de waarheid wetenschappelijk
op te sporen; waarbij ik nog voeg, dat ook de kleine en
overkleine minderheid evenmin in staat is, op godsdienstig
gebied door wetenschap de waarheid te vinden , dan alleen
wanneer zij voor die wetenschap Gods openbaring tot grond-
slag neemt.
Maar ik ga nog wat verder. Niet alleen bestond of be-
staat er nergens een natuurlijke godsdienst: ook eene
natuurlijke godgeleerdheid, of een stelsel van godsdien-
stige denkbeelden uit redencering afgeleid, is niot dan tij-
-ocr page 151-
OPENBARING BRON DER GODGELEERDIIKm.             135
dens het begonnen verval der Grieksche wijsbegeerte ont-
staan , en ook toen nog niet dan als eene zeer spade vrucht,
zonder frissche kracht en gezonde levensvatbaarheid. Wij vin-
den toch niets van dien aard, gelijk wij zagen, bij de vier
hoofdmannen der Grieksche philosophie; en zelfs ook had
de latere school van Plato eeuwen lang alleen eene zoekende
en onzekere denkwijze over de godgeleerdheid 3). Eerst de
Stoïcijnen, die pas opkwamen, toen de Grieksche geest zijne
kracht en oorspronkelijkheid reeds had verloren, beproefden
eene wijsgeerige uiteenzetting van godsdienstige denkbeelden
te geven, maar ook nog altijd met eerbiediging van Gods
openbaring als grondslag. Zij leerden vooreerst, dat er
Goden bestaan; vervolgens, hoe hun wezen is; daarna,
dat zij de wereld regeeren; ten laatste, dat zij voor de
mensclien zorgen4). Cicero eindelijk geeft ons de eerste
ons overgeblevene proeve eener wijsgeerige godgeleerdheid
in zijne drie boeken over het wezen, der Goden. Maar welk
eene gebrekkige proeve!.... Ook zij erkent in elk geval
het bestaan eener goddelijke openbaring. En zij is, ja, een
overzicht van de verschillende meeningen der oude w\'ysgee-
ren, doch niet om er in te kunnen berusten en uit deze
theorie over God en godsdienst eene practijk van godsver-
ecring af te leiden Noen , op het (/inde is men niet ver-
der, dan toen men begon. Alleen heeft men geleerd, gelijk
Cicero zelf ten slotte zegt5), hoe duister en moeijelijk te
verklaren dit onderwerp is.
En dit is hetzelfde, dat ieder ook reeds wist, toen hij
begon, want ook daar zegt Cicero, dat deze vraag zeer
moeijelijk en zeer duister is c\'). Zelfs daarover, wat nu
Cicero\'s eigene meening is, hebben de geleerden eeuwen
lang getwist, zonder tot eenstemmigheid te kunnen geraken "\').
Ik behoef niet weder op te merken , dat uit zulke onzekere,
zwevende en strijdige meeningen nooit eene volksgodsdienst
kon geboren worden; ja, dat zij eigenlijk grootendeels alleen
-ocr page 152-
136
.VIJFDE VOORLEZING.
bespiegelingen waren over den bestaanden volksgodsdienst,
zoodat deze godgeleerdheid niet de moeder, maar de
dochter van den godsdienst was. Maar als nu, nadat
Griekonland en Rome al hunne wetenschap hadden ontwik-
keld, deze godsdienst nog niet in menschel ij ke bespie-
geling hare moeder kon hebben , waarin is , bij de niet ont-
wikkelde en onwetenschappelijke aanvangen des mensch-
doms, die moeder dan anders te zoeken, dan in g o d d e-
1 ij k e openbaring ?
Is toch bij de wijsgeerige Grieken de godgeleerdheid eene
zoo spade en niet volgroeide of levensvatbare vrucht van hun
nadenken over den bestaanden, op Gods openbaring rustenden,
volksgodsdienst, dan moeten wij wel vermoeden , dat er bij
de veel minder ontwikkelde Oostersche volkeren geene be-
spiegeling over godsdienstige zaken zal te vinden zijn , welke,
los van Gods openbaring, zelfgenoegzaam zou zijn opgetre-
den. Dit vermoeden is gegrond. Zij bestaat er niet. In
het Oosten beroepen zich alle wijzen en wetgevers, evenzeer
als alle godsdienststichters, die ons bekend zijn, niet op
hunne menschclijke rede. die uit de natuur of uit zich zelve
wijsheid, recht en waarheid zou willen afleiden, maai\' op
eene vroeger gegevene openbaring van God.
»Het is de gewoonte van de gehecle Oudheid," zegt in
onze dagen, na vele voorgangers in vroegere lijden, een
der diepzinnigste en geleerdste harer kenners, die zelf aan
geene openbaring van God gelooft 8), »dat zij de godsdien-
stigc kennis als een onmiddellijk uitvloeisel en als eene
openbaring der Godheid beschouwt." Zoo worden dan , gelijk
hij verder opmerkt, de heilige boeken der Egyptenaren in
hun geheel altijd aan den God aller wijsheid en aller open-
baring, aan Thot-Hermes, toegéschreven. Zoo leiden de
Indiërs hunne wetten, godsdienst en wijsheid af van Manu,
den aartsvader na den zondvloed, aan wien Brahma, de
Oppergod, zich openbaarde. Ook is Zoroaster b\'y zijne vol-
-ocr page 153-
OPENBARING BRON DER GODGELEERDHEID.                137
gelingen niet de stichter eener nieuwe, maar de hervormer
eener oude, door de Godheid zelve geopenbaarde religie.
Desgelijks geeft Confucius zich niet uit voor den uitvinder
zijner leer. «Waartoe," spreekt hij iemand aan ,J), »dienen
uwe pogingen, om eene nieuwe zijdenstof te weven ? Wat
mij betreft, om niet te dwalen, zal ik de rede en de leer
onzer voorouders bestudeeren. De Oudheid — zij is het,
waarop ik altijd zie. Mijn geest hecht zich aan den geest
der Ouden; tot aan het morgenrood kan ik niet slapen.
Groot, schitterend en schoon is de leer, welke de Wijzen
ons hebben overgeleverd. Die onze oude leenngen heeft
verworpen, diens gang is onzeker, in hem is geene vast-
heid meer."
Er zouden veel meer getuigenissen zijn bij te brengen.
Maar waartoe is het noodig? Eigenlijk is hierover geen
twijfel. Wat velen ontkennen, is alleen, dat de Ouden
het met recht deden: niet, dat zij het deden. Hoe zou
men dit ook kunnen ontkennen? Elke dag schier brengt,
in de nieuwe ontdekkingen ter opheldering van de geschie-
denis der menscliheid , nieuwe proeven van \'t geen Matthias
Claudius reeds voorlang aldus uitdrukte ln): »Men weet,
dat do godsdienst altijd en overal is beschouwd, als iets van
hoogere afkomst. Bij alle oude volken, waarvan wij be-
richten hebben, zelfs de Amerikaansche, die misschien eenige
duizenden jaren van de overige wereld zijn geseheiden ge-
weest, niet uitgezonderd, waren de eerste stichters van den
godsdienst Goden , Halfgoden, zonen der Zon, Goden, die
menseden, of monschen, die Goden waren geworden. Pm
als tusschen beiden in de gesc\'hiedenis van een volk een
tijdgenoot in eene bekende gedaante als godsdiensl stichter
daar slaat, gelijk Confucius bij de Chinezen of Zoroaster bij
de Perzen, dan is hij alleen de hervormer, en er is reeds
[vóór hem] een Fohi en Hom geweest. De oorsprong is
altijd hooger op en omsluierd; en in den godsdienst zelf is
-ocr page 154-
138                              VIJFDE VOORLEZING.
in den grond , onder menigerlei en onderscheidene namen ,
meer of min verborgen — unus in orbe vultus [één gelaat
overal]. — Overal: een eerst goed Wezen; overal: een
boos Wezen, bij de Indiërs Ruthren, bij de Perzen Aliriman ,
bij de Egyptenaren Tvphon, bij de Kelten en Gothen Snr-
tur, Skrymer, enz.; overal: leven, dood en nieuw leven
of herstel; overal: onsterfelijkheid, bovenmenschelijke kracht
en wijsheid \'\')."
Als eene door niemand bestredene geschiedkundige zaak
houden wij dus daaraan vast, dat, gelijk bij Griekenlands
wijsgeeren , zoo ook bij alle beschaafde volkeren der Oudheid ,
even als bij alle onontwikkelde volkstammen , godsdienst en
godgeleerdheid werden afgeleid uit eene goddelijke openbaring.
Maar nu is er nog iets, voor ons onderzoek hoogst be-
langrijk, hier op te merken; te weten: er beslaat niet
alleen eene algemeene overtuiging, dat er eene goddelijke
openbaring aan de voorgeslachten is gegeven, maar ook hoe
zij is gegeven. Zij is gegeven, verklaren ons allen , door om-
gang van hoogere wezens met de voorouders, die in den
aanvang des rnenschdoms plaats had en vei volgens is opge-
houden. Welke vormen van openbaring zij voor latere tijden
mogen aannemen, donderstemmen, orakelklanken, vogel-
geschrei, staartsterrcn en veranderingen aan den hemelhoog,
uitspraken van priesters, ingevingen, droomen of gezichten
van profeten, en wat ook verder: voor de eerste openbaring
van God spreken zij allen maar van ééne wijze, één vorm,
één middel — den omgang van hoogere wezens met de
menschen.
Dit blijkt uit de algemeen verspreide overtuiging, dat de
eerste menschen leefden in eene gouden eeuw, waarin
de Goden met de menschen verkeering hadden, gedurig met
hen omgingen en nu en dan tot hen spraken. Over deze
gouden eeuw en dezen omgang van hemel wezens met aard-
-ocr page 155-
OPENBARING BRON DER GODGELEERDHEID. 139
bewoners hebben wij niet alleen verhalen op de eerste
bladen van onzen Bijbel: ze zijn overal te vinden aan
Ganges, Eufraat en Nijl , aan de kusten van Italië en
op de bergen van Griekenland. Overal lezen wij in de
verhalen van hunne dichters en wijsgeeren en geschied-
schrijvers, dat er zulk eene gouden eeuw en daarin zulk
een omgang heeft bestaan, een omgang, waarin de men-
schen van de Goden hoorden, hoe zij moesten leven; terwijl
er doorgaans wordt bijgevoegd, dat zij daarnaar eerst luis-
terden; doch niet lang, zoodat er scheiding, afval en terug-
gang volgde; op de gouden eeuw eene zilveren, toen eene
koperen, eindelijk eene ijzeren eeuw12)
Behalve in deze groote hoofdzaak is er een wonderlijke
veelzijdige overeenstemming in allerlei bijzonderheden, waar-
van de eene hier, de andere daar wordt vermeld , maar die
samen tot één geheel kunnen gebracht worden. Allerlei
volken verhalen, dat alle dingen geworden zijn , dus niet
van eeuwigheid bestaan, maar óf zijn gevloeid uit ééne bron
èf geschapen door éénen God: dat de menschen zijn ge-
worden of geschapen en dus ook het menschdom een begin
heeft gehad: dat de eerste menschen in onschuld leefden,
doch dat hunne gehoorzaamheid, teen zij op de proef werd
gesteld, is bezweken; dat ten gevolge daarvan de gelukkige
toestand der menschen is geëindigd; dat er een groote wa-
tervloed is geweest, tot straf der zonden, die algemeen de
overhand hadden genomen, en daaruit maar één huisgezin
in een groot schip is behouden; dat er een toren is ge-
bouwd , hoog naar den hemel heen , maar die niet is blijven
staan — en velerlei zaken meer.
Nemen wij hier nog bij, dat er ook geheel toevallige
overeenkomsten in menigte zijn, overeenkomsten, die met
wijsgeerige denkbeelden niets hoegenaamd gemeens hebben ,
dan wordt de zaak nog opmerkelijker. Of hoe komen de
meest verwijderde volken er toe, om te verhalen, dat de
-ocr page 156-
140                                  -VIJFDE VOORLEZING.
schepping in zes dagen of tijdperken ■ heeft plaats gehad ,
dat er eerst maar één mensch is geschapen , een man , en
dat de vrouw uit een der beenderen des mans is gevormd ?
Dat de eerste zonde heeft bestaan in het eten van verbodene
appelen? Dat cene slang daarbij eene rol heeft gespeeld?
Dat de eerste menschen tienmaal ouder geworden zijn, dan
ze in den hlstorischen tijd worden? Dat er een redder der
ellendig geworden menschheid zal komen, een strijder tegen
de slang, die hem aan de hiel zal wonden, terwijl Hij haar
zal dooden? Dat die redder zal zijn de zoon eener maagd
of eener vrouw alleen ? Dat bij het afnemen van den
grooten vloed eene duif, door een olijf blad in den bek te
brengen, bericht heeft gegeven aan de menschen in het
groote schip, dat zij het konden verlaten ? Deze en talloos
meer andere geheel toevallige omstandigheden , onder allerlei
heidensche volkeren omtrent de oudste menschen verhaald,
behoeven voorzeker wel niet geschiedkundig juist te zijn,
maar wijzen toch op ééne gemeenschappelijke bron terug
en kunnen niet als vruchten van het wijsgceiïg nadenken
van velerlei verschillende volkeren worden beschouwd. Tus-
schen haar en de wijsgeerte is geen punt van aanraking.
Bovendien worden zij vooral niet minder algemeen en rijk
gevonden bij onwijsgeerige, onbeschaafde en geheel wilde
volkoren, dan bij de meer of meest ontwikkelde ,:i). Ook
kunnen zij niet door Christenen algemeen verbreid zijn. Ze
worden gevonden bij volkeren, die vóór Christus\' komst
bloeiden, en in landen, waar nooit een Christen zijnen
voet zette. Eindelijk kunnen ze niet bij geval deze over-
eenkomst hebben. Daarvoor zijn ze in gi onddenkbeelden,
in velerlei bijzaken en in tallooze bijzonderheden te zeer
aan elkander gelijk
Er moet dus, reeds vóór dat de menschen zich van elkan-
der scheidden, ééne overlevering zich in zulk een vasten
vorm hebben gezet, dat zij duizenden jaren daarna nog
-ocr page 157-
OPENBARING BRON DER GODGELEERDHEID.             141
dezelfde was. En hoe was zoo iets mogelijk, dan zoo zij,
hoe gebrekkig dan ook, gaf, wat werkelijk was geschied?
dan zoo er werkelijk eene oorspronkelijke openbaring van
God aan de eerste menschen is gegeven, bestaande èn in
groote feilen, dooi\' God gedaan, èn in de verklaring er
van, door hoogere geesten van Gods wege tot de menschen
gebracht? Wat blijft er dus over, dan dat, \'t geen ons
in de eerste hoofddoelen van Genesis wordt verhaald, in
\'t algemeen inderdaad is geschied, en daarvan de herinne-
ringen overal zijn bewaard , ten deele door dat het mensch-
dom uit éénen bloode is voortgekomen, ten deele misschien
dewijl de bijbelverhalen reeds vroeg, reeds lang vóór Chris-
tus, ook aan andere volken dan Israël, zijn bekend gewor-
den? Welke verklaring is van die zonderlinge geeste30ver-
eenstemming te geven, dan dat de grondbestanddeelen der
heidensche godsdiensten verwilderde loten zijn van één oor-
spronkelijk door God zei ven gcplanten godsdienst, en dat
ook geheel de beschaving der menschen hare wortelen heeft
niet in alleen-menschelijke pogingen, om uit dierlijkheid tot
menschelijklieid te geraken, maar in goddelijk onderwijs,
in eene leiding en opvoeding, hun door God geschonken;
door den hemelschen Vader aan de pas geschapenene men-
schen dadelijk verleend, gelijk de aardsche vaders ook nu
nog hunne kinderen van den geboortestond af verzorgen en
opkweeken, en wel te zorgvuldiger, hoe jonger en zwakker
zij nog zij n !
Met de erkentenis van de werkelijkheid dezer goddelijke
openbaring houden wij den gouden draad vast, die ons door
de doolhoven van het heidendom den weg kan doen vinden ;
hebben wij den sleutel, om ons èn het ontstaan èn den zin
èn de verbastering van de mythen, overleveringen, gods-
diensten, van de geschiedenis, beschaving en ontwikkeling
der heidensche volkeren zoowel als van Israël te ontsluiten.
Met die erkentenis van Gods werk wordt ons de wereldge-
-ocr page 158-
14\'2
VIJFDE VOORLEZING.
schiedenis, van oen bajert vol donkerheid en verwarring,
tot de vrucht eener wijze en liefdevolle wereldregeering van
een Vader in de hemelen, die zijne kinderen van zonde en
dwaling verlost, en tot heiligheid en liefde, wijsheid en
zaligheid opleidt.
Er is hier nog meer op te merken. Sommigen willen
zicli de zaak dus voorstellen, dat verschillende volkeren, elk
op zijne wijze, zijn gaan nadenken en zich zóó uit den toe-
stand der dierlijkheid hebben verheven lot dien van mensche-
lijkhuid. Behalve menig ander bezwaar, moet ik al vast
aanmerken, dat, zoo zij zich zelve uit dierlijkheid tot men-
schelijkheid hadden verheven, zij voorzeker zouden hebben
aangevangen van \'t geen hun oog en oor aandeed. Het is
immers eerst al eenc uitzondering, recht nadenkende men-
schen te vinden; onder de honderden in onze beschaafde
maatschappij zijn er nog maar enkelen, die grondig naden-
ken. Doch verder: indien er zulken z\'tjn, dan denken zij
zeker het minst na over afgetrokken, onzichtbare en on-
hoorbare onderwerpen. »Met betrekking tot de dingen, die
eene inspanning des verstands, die opmerkzaamheid en
overleg vereischen en. in louter afgetrokken begrippen be-
staan , is de traagheid den menschen zoo eigen, dat zij veel-
eer op reeds gebaande wegen voortgaan, dan zelve zich eene
baan breken en hunne geestkrachten uit eigen aandrift in
werkzaamheid brengen ,4)." Maar nu vinden wij bij de
oudste en bij de minst ontwikkelde volken denkbeelden , in
den vorm van mythen gehuld, niet over hetgeen de zinnen
treft, dewijl het voor handen en voor oogen is, maar over
het bovenzinnelijke en afgetrokkene, over het lang verledene,
of hoe alles ontstaan is, en over het toekomende , of welke
vergelding hier namaals ons wacht. Hoe hebben zij zich
hierbij nu bij voorkeur kunnen bepalen , tenzij de Godheid
zelve hen daar op heeft gebracht, en zij in hunne overle-
-ocr page 159-
OPENBARING 11R0N DER GODGELEERDHEID.            143
veringen de flauwe en onzuivere naklanken hebben bewaard
van ware gebeurtenissen, en onder anderen van deze aller-
gewichtigste, dat God zelf daarover openbaring en onderwijs
heeft geschonken ?
Grootelijks wordt deze zienswijze bevestigd door een dage-
lij ks met nieuwe bewijzen in de geschiedenis der mensch-
heid zich ons opdringend feit, namelijk door den nauwen
zamenhang der beschaving en der geestontwikkeling bij alle
volken der aarde, zoodat taal, wetgeving, godsdienst, zelfs
volksverhalen bij de verschillende natiën grootendeels blijken
óf uit (\'\'éne bron te zijn voortgevloeid of althans op elkander
sterken invloed Ie hebben geoefend.
Wat de taal betreft: reeds Adelung, die in \'t jaar 1806
overleed, wees in zijn Mithridates aan, dat men de talen
van alle volken moet terug brengen tot éénen stam, waar-
uit zij allen als zoo vele takken en twijgen zijn voortge-
komen. Met veel meer klein en kracht heeft men dit kun-
nen aanloonen, nadat het Sanskriet of de oude taal van
Indië meer algemeen bekend is geworden. Renan, een
wegens veelzijdige geleerdheid bevoegd getuige, die boven-
dien om zijne bestrijding van elke bovennatuurlijke of god-
delijkc openbaring niet kan vermoed worden ter gunste der
bijbclschc leer van de eenheid des menschdoms gestemd te
zijn: — Renan vat de slotsommen der vergelijkende taai-
kunde aldus te zamen \'*): »Met eene volkomene zekerheid
toont zij de eenheid van het groote Indo-Europesche ras des
menschdoms aan. Maar nu is dit ras blijkbaar bestemd, om
alle anderen aan zich gelijk te maken, zoodat het aanloonen
van de eenheid van het Indo-Europesche ras, voor de toe-
komst hetzelfde is, als de eenheid van het menschdom aan
te toonen. Met eene hooge mate van waarschijnlijkheid
vereenigt zij voorts het Semietische ras met het Indo-Euro-
pesche; beiden zijn in de geschiedenis der beschaving onlos-
makelyk verbonden. Zij laat ook toe, de Chamitische of
-ocr page 160-
444
VIJFDE VOORLEZING.
Cuschitischo rassen aan hetzelfde geslacht te verbinden en
komt zoo tot de mogelijkheid, dat alle rassen één zijn, die
de beschaving in het -westen van Azië, in Europa en in
het noorden en oosten van Afrika hebben gegrondvest."
Doch die vergelijkende taalkunde verwacht, gelijk Renan er
bijvoegt, nog veel meer licht van verder onderzoek en la-
tere ontdekkingen. — Een der grootste taaikenners van
onzen tijd, Max Muller te Oxfort, aarzelt niet hetzelfde als
slotsom zijner onderzoekingen uit te spreken. «Wanneer
wij," zegt hij ,n), «onbevangen on onpartijdig ons vraagstuk ,
de mogelijkheid van één gemeenschappelijken oorsprong [aller
talen op aarde], in \'t oog vatten, beantwoord ik het met
eene besliste bevestiging." Even zoo erkent hij dan ook ")
aan. den gemeenschappelijken oorsprong van het inenschelijk
geslacht vast te houden.
De zamonhang der wetgeving onder de beschaafde
volkeren springt nog veel meer in \'t oog, dan die dei\' talen.
Onze tegenwoordige Europesche wetten hebben veel overge-
nomen van de Romeinsclie. Rome had zijne wetgeving
vooral uit Athene; Athene uit Creta; Greta uit Kgypte, en
die van Egypte en van Indië komen onderling veel overeen ,
terwijl ook vele grondbeginselen van bet Indische recht in
het oud-Germaansche recht onmiddellijk kunnen zijn overge-
gaan. Immers de Indische denkbeelden schijnen in twee
stroomen zich te hebben verbreid; de eene over Egypte
naar zuidelijk Europa (Creta, Athene, Rome), de andere
naar het noordwesten met de Germaansche stammen on-
middellijk mede; de eerste ontwikkelde zich steeds rijker,
de tweede bleef meer eenvoudig, zonder velerlei bijvoeging
en aangroei.
De zamenhang der godsdiensten onder de bekendste
volkeren der aarde komt ook dagelijks meer aan \'t licht.
-ocr page 161-
OPENBARING BRON DER GODGELEERDHEID. 145
Niet alleen in de gronddenkbeelden, maar ook in de dich-
teiTyk uitgewerkte mythen is er eene veel te groote over-
eenstemming, dan dat hier aan iets anders dan aan mede-
deeling en overneming kan gedacht worden. In vele werken
van den jongsten tijd wordt dit aangewezen l8). «Onmogelijk
is het," verklaart een vaderlandsche geleerde "), »de klassieke
mylhologie recht te verstaan, -wanneer men die eenvoudig
op zich zelve beschouwt en niet met andere vergelijkt. De
sleutel der Grieksche en ook der Romeinsche mythologie is
alleen in Egypte en Indië te vinden. De oud-Arische gods-
dienst verklaart de mythen, die de Grieken uit het oud-
Aziatische stamland met zich brachten." Dit geldt ook van
de Germaansche en vele andere stammen , die ook, zullen
zij begrepen worden, licht van elders behoeven. Bijzonder
trouw erkend, dat geen volk zich ooit heeft verheven of nu
verheft tot het inzicht, dat er maar één God is, dan daar-
toe gebracht door Israëls godsdienst, welke aan hetzelve uit
Mozes, Christus of Mohammed is bekend geworden *•).
Zelfs, \'t geen het minst waarschijnlijk moest geacht wor-
den, ook de volksverhalen en fabelen maken reizen over
de aarde. Een voor deze zaak onwraakbaar getuige erkent51):
„De Indische vertelling heeft tot andere volken weten door
te dringen en zich veel verder dan die taal, waarin zij was
vervat, over liet beschaafde deel der aarde verspreid. Niet
alleen in China, in Perzië, in den Indischen Archipel, maar
ook in Afrika, in Arabië, in Spanje en Italië, in Rusland
en onder de Slavische volken, in Frankrijk, Duitschland,
Nederland en Engeland , vinden wij ze dikwerf naar de letter
terug en allerwege in de genoemde landen onder meer of
min gewijzigde vormen."
Belangt ijk is het, dat deze overeenstemming bestaat. Het
wijst op den zamenhang aller volkeren. En deze is niet te
verwonderen, indien alle menschen uit éénen bloede zyn
voortgekomen , gelijk ons de Bijbel de zaak voorsteft, en de
10
-ocr page 162-
146
VIJFDE VOORLEZING.
uitstekendste natuurkundigen uit hun vak van wetenschap
bewijzen22); en indien, gelijk de Bijbel mede verhaalt, de
eerste menschen niet zijn begonnen niet een ruw dierlijk
leven te leiden, maar met eerst te leven in de verkeering
en onder de opleiding van hoogere wezens. En dit bericht
de Bijbel niet alleen: dit getuigen, zoo als ik reeds meerma-
len opmerkte, alle volksverhalen. Dit leert de wijsbegeerte
bij monde van eenen tolk, als Schelling23). Uit erkent in
zekere mate zelfs ook Remin , als hem blijkbaar uit de ver-
gelijkende taalkunde. Immers hij zegt24): „Men moet on-
derstellen , dat de beschaafde rassen niet eerst in een toestand
van wildheid hebben geleefd, maar in zich zelve, van den
aanvang af, de kiem van toekomstigen vooruitgang hebben
gedragen. Was hunne taal op zich zelve alleen niet een
merkteeken van adel en als eene eerste wijsbegeerte 1 Zich
een wilden stam voorstellen, die eene Semietische of Indo-
Europesche taal spreekt, is eene zich zelve opheffende
onderstelling. Haar aan te nemen zal elk weigeren , die in
de wetten der vergelijkende taalkunde en in de algemeene
beschouwing van den menschelijken geest is ingewijd."
Evenzoo spreekt Theodor Benfey •*).
Zóó komt de nieuwste wetenschap aan de oudste blad-
zijden des Bijbels getuigenis der waarheid brengen! En op
deze vinden wij vermeld, dat goddelijke hulp de eerste men-
schen eene taal deed vinden.
Van het algemeene gaan wij nu over tot het bijzondere ;
wij moeten thans naspeuren, vanwaar Griekenland zijne
ontwikkeling, beschaving, godsdienst en wijsbegeerte moge
hebben. Is er toch in \'t algemeen zulk een nauwe zamen-
hang tusschen de volkeren der aarde, dan kan het ons niet
verwonderen, dat die ook bestaat tus\'chen de bewoners van
Indië of Hindostan en van allerlei andere landen van Azië,
-ocr page 163-
OPENBARING BRON DER GODGELEERDHEID.             147
als ook van Egypte, met die van Griekenland, ja dat de
Grieksche volksbeschaving, godsdienst en wijsbegeerte, hoe-
veel ook door den scheppenden geest der Grieken gewijzigd
en veredeld, toch hare eerste bronnen hebben in het Oosten.
Wel wordt dit door groote geleerden ontkend of de invloed
van Azië en Egypte op Griekenland althans tot eene zeer
kleine maat teruggebracht20); maar, met allen eerbied voor
hunne wetenschap, mag men verklaren, dat deze hunne
meening tegen de blijkbare feiten indruischt.
Ik zal op enkele duidelijke bewijzen het oog vestigen,
Niemand ontkent tegenwoordig, dat, gelijk bijna alle
volkeren van Europa, zoo ook de Grieken van dien Caucasi-
schen menschenstam afkomstig zijn, die zich tevens door
Westelijk Azië naar Indië heeft uitgebreid, zoodat men
algemeen van het Indo-Germaansche of Indo-Europesche
menschenras spreekt, om deze geheele volkeren-familie als
één groot geheel zamen te vatten. Hunne eenheid blijkt
reeds uit voorkomen, lichaamsbouw en geestrichting, maar
nog veel meer uit de talen , hun eigen, die allen met het
oud-Indisch of Sanskrit verwant zijn, en daarin, of liever in
eene nog oudere, nu verlorene taal, hare wortels hebben.
Een ander blijk, dat de Grieken hunne beschaving uit
het Oosten hebben, ligt voor ons in hun schrift, \'twelk eene
wijziging is van dat der Israëlieten, hun, gelijk zij zelve
getuigen, door een Pheniciër, Cadmus, aangebracht. Bij deze
zaak moeten wij een weinig stilstaan.
Er zijn twee stelsels van schrift, beeldschrift en
klank- of letterschrift. Het eerste is dit, dat men
de zaak of de gedachte, die men wil uitdrukken, door eene
afbeelding aanwijst. Om een leeuw aan te duiden, beeldt
men een leeuw af, om een grijsaard te kennen te geven,
teekent men een oud man. Maar zulke beelden gebruikt
men dan ook, om eene gedachte uit te drukken: een leeuw
kan ook sterkte, een grijsaard ook ouderdom beteekenen. Ook
10*
-ocr page 164-
148                                  VIJFDE VOORLEZING.
de werkwoorden geeft men door zinnebeelden te kennen:
twee oogen willen zeggen zien, eene opene hand geven, een
gaande mensch gaan. Dit zinnebeeldig schrift vindt men
nog in China, waar het overal, doch niet dan met vele
moeite wordt verstaan, en door de vierhonderd millioen
inwoners zeer ongelijk wordt uitgesproken. Een zeer gewoon
verschijnsel is het daar te lande, dat de bewoners van ver-
wijderde gewesten , die elkander sprekend niet verstaan, tot
het schrijven van \'t geen zij willen zeggen, hunne toevlucht
nemen, en daardoor elkander dadelijk begrijpen. Dit beeld-
schrift was ook in Egypte in gebruik. Doch hier kwam
tevens een klank- of letterschrift in zwang. Ten einde na-
mel\'yk in eene groote behoefte te voorzien, het bewaren der
eigennamen van koningen en andere merkwaardige pei\'80-
nen, en het houden van geslachtsregisters, de eerste begin-
selen der geschiedschrijving, vonden zij ook een klankschrift
of letterschrift uit. Wel bestond dit ook uit beelden, doch
uit zulke, die geene zaak of gedachte, maar een klank te
kennen geven, en wel den klank, waarmede de naam van
het afgebeelde voorwerp begon. Zoo werd een leeuw, in
\'t Egyptisch laboi, geteekend, om de Z-klank . eene hand,
in \'t Egyptisch tot, om de i-klank uit te drukken. Dit
klank- of klankteekenschrift. ook wel toonschrift genoemd,
werd evenwel in Egypte niet geheel en al en alleen heer-
schend , in plaats van het zinnebeeldig schrik, zoodat dit
zou verdwenen zijn. Het kwam alleen in zwang. om het
zinnebeeldige schrift aan te vullen, waar dit geheel onvol-
doende bleek te zijn. Tot alleenheerschappij kwam het
klankschrilt elders, door iemand, die met liet beeldschrift
der Egyptenaren bekend was. Hij, de volmaker van het
Egyptische schrift en in zooverre de uitvinder van het zui-
vere letterschrift, was blijkbaar een Semiet, die tot een
herderstam behoorde, wellicht Mozes, van wiens genie zoo
iets kan verwacht worden en die uitdrukkelijk door een oud
-ocr page 165-
OPENBARING BRON DER GODGELEERDHEID              149
heidensch schrijver als zoodanig wordt aangewezen "). Ja
deze meldt ook, hoe het verder is verbreid. „Mozes," zegt
hij 28), „is de eerste wijze geweest, en heeft het eerst de
letters geleverd aan de Joden; vau de Joden hebben de
Pheniciërs ze gekregen en van de Phenieiërs de Grieken, en
Mozes heeft het eerst wetten voor de Joden geschreven."
Hoogst opmerkelijk is het nu, dat op het eiland Cyprus,
door Grieken oudtijds bewoond, voor eenige jaren munten
en inschriften zijn gevonden met veel meer zamengestelde
en moeielijker schriftteekens, dan de Grieken of Pheniciërs
later gebruikten. Blijkbaar zijn ze overblijfselen van den
tijd, toen men het omslachtig en moeilijk schrift der Egyp-
tenaren begon te vereenvoudigen, maar het rechte middel
daartoe nog niet had gevonden 2a). In dit vroeger onbekende
tusschenschrift hebben wij weder een nieuw bewijs, dat uit
het Egyptische het Phenicische schrift is ontstaan; terwijl
niets dan eene vergelijking van het Phenicisch letterschrift
met het oude letterschrift der Grieken noodig is, om ons
te overtuigen, dat dit werkelijk uit het Phenicische is ont-
staan 30).
Alzoo wordt uit nog bestaande feiten opgehelderd en
bevestigd, wat de Grieken zelve altijd hebben erkend en
bericht. Hunne geschiedenis begint eerst als in schemerlicht
op te komen in de negentiende eeuw vóór Christus, toen
vele der uit Egypte verdreven Hyksos, of Phenicische her-
derstammen , in Griekenland een heenkomen zochten. Die
weg werd ook later ingeslagen. In de eerstvolgende vier
eeuwen kwamen er nog gedurig volkplantelingen uit Egypte
en Phenicië in Griekenland over. Van hen weten ons de
Griekscho volksverhalen, bij dichters, geschiedschrijvers en
wysgeeren bewaard, veel te verhalen. Zij droegen doorgaans
den naam van Pelasgen, dat is vluchtelingen3\'). Zij von-
den de inwoners des lands nog zeer ruw en onontwikkeld M)
en brachten hun de eerste beginselen van beschaving.
-ocr page 166-
150
VIJFDE VOORLEZING.
Van Cecrops, die in Mozes\' tijd uit Egypte schijnt gekomen
te zijn, wordt verhaald, dat hij den grondslag van Athene
gelegd heeft, en daar olijf-, wijn- en landbouw, als ook gere-
gelde huwelijken van één man met ééne vrouw en eenige
godsdienst heeft ingevoerd ,s). üanaus werd de stichter van
Argos. Hij schijnt de broeder van een Egyptisch koning
te zijn geweest, die, terwijl deze langen tijd in Azië oor-
loogde, naar den troon stond, en bij \'s konings terugkeer
naar Griekenland vluchtte. Naar het model van zijn schip
gingen de Grieken nu schepen bouwen :i4) C ad mus kwam
uit Phenicië, waarschijnlijk in Jozua\'s tijd, naar Griekenland
vluchten en grondvestte er Thebe, terwijl hij, gelijk wij
zoo even zagen, liet eigenlijke letterschrift in Griekenland
invoerde \'*).
Behalve deze drie meest beroemde hoofden van volkplan-
tingen zijn er nog veel meer oudtijds in Griekenland aan-
gekomen:,B). Meestal waren het vluchtelingen uit Egypte
en wel vooral uit de reeds genoemde Piienicische stammen,
die tijdens een verblijf van omtrent vijf eeuwen in Egypte
de beschaving van dit land hadden aangenomen , welke zij
nu naar Griekenland overbrachten. Nevens het reeds ge-
noemde leerden zij, naar het schijnt, ook aan de bewoners
van Griekenland den bergbouw en het smelten en bearbeiden
van metalen3\'); terwijl van hunne bouwkunst in de reus-
achtige zoogenoemde Cyclopen muren zelfs nu nog overblijf-
selen in Griekenland zichtbaar zijn. Vroeger bestonden er
ook grootsche havenwerken en onderaardsche kanalen, om
moerassen droog te maken, wier aanleg hun werd toegekend.
Doch brachten deze Piienicische en ook andere vreemde-
lingen eene veelzijdige beschaving tot de woeste stammen
van Griekenland, welke door deze werd overgenomen en
weldra veel rijker en vruchtbaarder ontwikkeld : omgekeerd
namen zij, veel minder talrijk dan de stammen, onder welke
zij zich neerzetteden, de Indo-Europesche taal vau deze over,
-ocr page 167-
OPENBARING BRON DER GODGELEERDHEID.            451
ofschoon er eeuwen lang nog hier en daar, waar de vreem-
delingen in bijzonder groot aantal waren aangekomen en
zich onvermengd hadden staande gehouden, een hoekje was,
waar de oude Phenicische taal was blijven leven. \'Er ge-
beurde toen ginds juist, wat na de herroeping van het Edict
van Nantes in 4685 hier te lande plaats vond. De vluch-
telingen uit Frankrijk brachten ons hunne beschaving, welke
wij behielden, maar verloren hunne taal, waarvoor zij op
den duur de onze aannamen. De Franschen werden Neder-
landers, gelijk de Pelasgen Grieken zijn geworden 38).
Het oudste evenwel, alles omvattende en reeds alleen
geheel afdoende bewijs van den invloed der Pelasgen op de
Grieken zien wij in de fabelleer en de godsdienst der Grie-
ken, welke blijkbaar door hen eerst van de Pelasgen is
ovet genomen en vervolgens op eigene wijze verder ontwik-
keld. De voornaamste Goden der Egyptenaren, door de
Pelasgen geëerbiedigd, vinden wij in overoude tijden ook in
Griekenland bekend en vereerd. Hunne namen en de ver-
halen over hen, hunne gedaante en de dienst, hun gebracht,
zijn, hoe verward en uit de Grieksche oudheid onverklaar-
baar, uit de Egyptische goden- en fabellcer en ten deele
ook uit die van Zoroaster en van Indië, grootendeels dui-
delijk en hieruit alleen, te verklaren. Dit is op overtui-
gende wijze aangetoond, nu Egypte als uit zijn graf is her-
rezen , en wordt hoe langer zoo meer ook erkend 3\'J).
Een ander blijk van den zamenhang van Griekenlands
ontwikkeling met die van het Oosten hebben wij in Grieken-
lands oudsten dichter Homerus, die reeds weet te verhalen
van de Pheniciërs, van hunne scheepvaart door de Middel-
landsche zee en van hun handel, menschenroof en goud-
dorst; voorts van het Egyptische Thebe, met zijne honderd
poorten en talrijke bevolking, en ook van de nog zuidelijker
wonende voortreffelijke Ethiopiërs, die aan den oceaan leven.
-ocr page 168-
152
VIJFDE VOORLEZING.
Was er intusschen in Griekenland zulk eene bekendheid
met het Oosten en zoo groot een invloed van Egypte en
Phenicië, dan mogen wij hier ook al aan Israël denken,
\'twelk door vele banden aan Egypte en Phenicië was ge-
hecht. Wij zagen reeds, hoede Hebreen, en wellicht onder
hen Mozes, het Egyptisch schrift tot een eigenlijk letterschrift
schijnen te hebben volmaakt, en hoe dit door de Pheniciërs
aan de Grieken is gebracht. Maar er is hier moer op te
merken. Letten wij op Jakob, Jozef en Mozes. Toen de
Hyksos of de Flienicische herders in Beneden-Egypte heersch-
ten, kwam Jakob daar wonen. Hij en zijn gezin bezaten,
door familie-overlevering, misschien zelfs door geschreven
gedenkstukken, in hun stam bewaard, zuivere en rijke
kennis van de eerste geschiedenissen der wereld en van
Gods openbaringen aan de eerste menschen en aan de ver-
dere stamvaders tot op Noach toe en nog later. Kon reeds
hierdoor Egypte hooren van \'t geen naderhand, in de eerste
hoofddeelen onzer Heilige Schrift, voor geheel de wereld is
opgeteekend: er was ook nog een ander kanaal, om, wat
Israël wist, te doen overvloeien in Egypte\'s godsdienst.
Jozef huwde met de dochter van den opperpriester te On
of Heliopolis en was dus in de gelegenheid, de godsdienst-
kennis van zijn geslacht aan Egypte\'s geleerden mede te
doelen. En later, toen Mozes als koninklijke prins in alle
wijsheid der Egyptenaren werd opgeleid, bestond op nieuw
eene gereede aanleiding, waardoor hij hun opening kon
geven van \'t geen over de wording aller dingen en over
Gods zorg voor het menschdom in de overleveringen of ge-
denkstukken van Israël werd vermeld. Want hoewel hij
als een Egyptisch koningszoon werd opgevoed, bezocht hij
toch zijne voedster, die zich aan hem als zijne moeder be-
kend maakte en Israëls wijsheid en hoop hein mededeelde.
Dit is zoo in \'t oog springend , dat een Fransch geleerde
reeds voor een paar eeuwen met de hulpmiddelen, welke
-ocr page 169-
OPENBARING BRON DER GODGELEERDHEID.             153
de geschiedkundige wetenschap toen hood, het besluit trok»
dat er van Gods openbaring aan de voorgeslachten kennis
tot de Grieken is gekomen uit Israël door middel van Egypte.
„Juist tijdens het verblijt der Hebreen in Egypte ," schrijft
hij40), hebben Egyptische koloniën de voornaamste steden
van Griekenland geslicht..... Ik zie niets dan de Egyp-
tenaren tusschen Noach en de Grieken, of, indien men nog
bepaalder een middelpersoon wil, tusschen Mozes en de
Grieken."
Wat hij toen reeds zag, kan men thans, nu Egypte als
op nieuw ontdekt is, en ook over het oude Griekenland en
de gansche geschiedenis der oudheid dagelijks meer licht op-
gaat , telkens helderder zien. Een ander Fransch geleerde
uit onzen tijd ondekte onlangs in Egypte zelf eene poging,
om de dienst van den éénon waren God in te voeren , aan-
gewend in de laatste eeuw van Israëls verblijf in Egypte.
En hij weet deze poging niet te verklaren, dan uit den
invloed der Hebreen op dit land 4I).
Hier eindigen wij onze nasporingen over den weg, door
de Oostersche wijsheid naar Griekenland genomen. Van nu
af aan moet men eene andere baan betreden. Zagen
wij tot dusverre het Oosten zijne beschaving mededeelen aan
de Grieken door middel van kolonisten, die uit Egypte en
Phenicië een goed heenkomen in Europa zochten: in de
latere eeuwen, zien wij omgekeerd de Grieken naar het
Oosten reizen, om daar kennis en wijsheid, als uit hare
eigenlijke bron, rein en overvloedig te scheppen.
Algemeen wordt aan het hoofd van Griekenlands wijs-
geeren geplaatst de Ioniër Thales van Milete , die in de ze-
vende en zesde eeuw vóór Christus bloeide (omtrent van
640 tot 545). Welnu, hij was uit een Phenicisch geslacht,
-ocr page 170-
154
VIJFDE VOORLEZING.
welks stamvader met Cadmus in Griekenland was geko-
men 42). In Thales\' kindsheid bracht Psammetichus, koning
van Egypte, het met behulp van Ionische krijgsbenden zoo-
verre , dat hij zijne mededingers naar den troon aan zich
onderwierp, waarna bij Egypte voor de Ionische koopsteden
opende. Milete, Thales\' vaderland, maakte ijverig gebruik
van de vrijheid, om op Egypte te handelen, en onder Hellas
vele zonen, die het rijke wonderland opzochten, was ook
Thales, om daar schatten op te doen, \'t zij voor het lichaam,
\'t zij voor den geest. De laatste vond hij er, gezocht of
ongezocht. Uitdrukkelijk wordt ons verhaald, dat niemand,
\'t geen blijkbaar wil zeggen, geen Griek, zijn leermeester
is geweest, maar hij zijne wijsheid heeft verkregen in den
omgang met Kgyptische priesters43). Behoef ik het belang
van dit bericht aan te wijzen? Do eerste Grieksche wijs-
geer had zijne wetenschap niet uit Griekenland, maar uit
Egypte! Al ware er niemand dan hij heen gegaan, dit
zou genoeg zijn geweest, om in Egypte eene bron van
Griekenlands wijsheid te zoeken Verder weten wij, dat
hij, naar het schijnt, langen tijd in Egypte vertoefde,
daar hij reeds vrij oud **) naar Milete terug keerde. Hier
en in geheel Griekenland maakte hij zich weldra een grooten
naam door het daar ongehoorde feit , dat hij eene groote
zonsverduistering voorspelde, widke naar de berekening der
sterrekundigen den 28 Mei 515 heeft plaatsgehad45). Hij
had intusschen deze en zijne overige sterrekundige en meet-
kundige wetenschap van de Egyptenaren verkregen, gelijk
ons meermalen dooi\' de Ouden wordt verhaald, \'t geen als
waar wordt bevestigd door de volkomene overeenstemming
van Thales\' sterrekunde met die der Egyptenaren 4,i). Maar
ook zijne wijsgeerige en natuurkundige inzichten , voor zoo-
verre zij ons zijn overgeleverd, zijn naklanken van de Egyp-
tische wijsheid. Alleen uit deze is verklaarbaar, wat Tha-
les leerde 1) over de oorspronkelijke Godheid en de wording
-ocr page 171-
OPENBARING BRON DER GODGELEERDHEID. 455
der wereld uit haar, 2) over den tegenwoordigon toestand
en de inrichting der wereld, 3) over de plaats, wolke het
menschelijk geslacht daarin bestaat. i) over de toekomst
der wereld Deze vier dingen zijn de hoofdzaken der Egyp-
tische bespiegeling, en komen min of meer duidelijk in Tha-
les\' leer, zooverre wij deze kennen, te voorschijn\'\'1). Ik
kan mij met de aanwijzing daarvan hier niet ophouden;
maar dit merk ik loch aan, dat Thales aanvangt van
den oorsprong aller dingen , van een eersten God en de
wording der wereld uit Hem : — eene zaak, voor ons on-
derzoek van \'t grootste belang. Even zoo deed ook zijn
leerling Anaximnnder\'"). Ik zeg: de wording der wereld
uit God; want ik durf niet zeggen: de schepping der we-
reld door God Immers dat eerste , de wording, welke
pantheïstisch kan worden opgevat, is waarschijnlijk meer
hunne meening, dan dit tweede, de schepping, die alleen
theïstisch een zin heeft.
Een jongere tijdgenoot van Thales was Pherecydes, uit
Syra of Cyros, een der eilandjes bij Delos, afkomstig, die
omstree/vs van 598 tot 512 vóór Christus leefde. Van hem
lezen wij uitdrukkelijk, dat hij de geheime priesterboeken
der Pheniciërs heeft bestudeerd en naar Egypte is gegaan ,
om hier godgeleerdheid en natuurkunde aan te leeren4").
En deze heeft hij hier geleerd. Stuk voor stuk geeft hij de
bespiegeling der Egyptenaren terug, \'/.onder haar naar den
Griekschen smaak te wijzigen. Even als zijne leermeesters
stelt hij aan \'t hoofd aller dingen eene viervoudige Godheid ,
uit geest, stof, ruimte en tijd bestaande, zonder dat hij de
eenheid dezer zaken kan of wil aanwijzen. Hij is een
Egyptenaar, die in \'t Grieksch schrijft50).
Na Pherecydes\' dood word ook al in Ionië in \'t jaar 500
vóór Christus nog een, later beroemd geworden wijsgeer
geboren, Anaxagoras. Hij was veel zelfstandiger dan alle
andere Ionische denkers en alle natuuronderzoekers vóór
-ocr page 172-
156
VIJFDE VOORLEZING.
Socratcs, en derhalve hing hij veel minder dan de overigen
van zijne voorgangers en leermeesters af. Maar ook hij
had voorbeeld en onderwijs gevonden in Egypte, \'t welk hij
op zijne vele reizen mede had opgezocht, en wel , om er
de godgeleerdheid en natuurkunde te bestudeeren.
In \'t algemeen was Egypte toen het classieke land der
wetenschap voor de Grieken, gelijk Italië thans dat der
kunst voor schilders en beeldhouders is. Die wijs wilde zijn,
ging naar Memphis en Thebe: Empedocles, Democritus,
Plato en hij, die de grondlegger is geworden der wijsgeerige
wetenschap bij de Grieken, Pythagoras. — Doch aan dezen
man wijd ik eene afzonderlijke voorlezing.
AANTEEKENINGEN.
«) BI. 133. Études d\'histoire religieuze, Préf. bl. 20—22.
2)      Bl. 131. kenan, Journal Asiat. 1859, bl. 215.
3)     Bl. 135. Errans et vaga de Diis immortalibus sententia,
zegt ciceko, Be Natura üeorum, II, 1.
4)     Bl. 135. cicero, De Nat. Deorum, II, 1. "Welke Stoïcij-
nen daarover geschreven hebben , geeft wïttenbach op in zijne
Aanieokeningpn op dit werk van Cicero, in CreuzeTS uitgave
er van, p. 711 te vinden.
5)     Bl. 135. cicEiio, III, 39: Hacc fere diccre habui de natnra
Doorum, non ut eam tollerem, sed ut intelligeretis, quam esset
obscura et quam difficiles explicatus haberet. Het zijn de woor-
den van één der zamensprekende geleerden, van Cotta; doch
blijkbaar drukken zij ook Cicero\'s eigene overtuiging uit.
*)    Bl. 135. 1,1: Perdifficilis et perobscura quaestio est de
natura Deorum.
")    Bl. 135. Men zie de laatste noot van Er. Creuzer op dit
werk  van Cicero, in zijne uitgave er van, Leipzig 1818.
8)     Bl. 136. eötu, Gesch. unserer Phüosophie, D. I, bl. 212.
»)    Bl. 137. In den Chouking.
,0)    Bl. 137. Wandsbecker Bothe, D. VIII, bl. 179.
-ocr page 173-
AANTEEKENINOEN.                                     157
") BI. 138 en \'J) bl. 139. Deze twee aanteekeningen moe-
ten vervallen.
\'*) BI. 142 Zoo spreekt een zeer beroemd man en fijn op-
merker uit, wat elk kan zien, dat waarheid is, g. foesteu ,
Bemerkungen auf eitier Reise urn die Welt, bl. 438; volgens lü-
ken , bl. 26.
14)    Bl. 143. Röih, voor wiens navorschingen ik even grooten
eerbied heb, als ik zijne eigene wijsgecrige en godgeleerde ziens-
wijze weinig reken, nademaal hij, dewijl hij van geene openba-
ring wil weten, zich in onderstellingen en valsehe voorstellingen
over den oorsprong der beschaving en der godsdienst verliest: —
Röth erkent D. I, bl. 69: „In stede van een eigenlijk stelsel
van wetenschap bieden ons de oudste proeven van nadenken
[in \'t Oosten en in Griekenland] een geschiedverhaal over hot
heelal aan, en wel een geschiedverhaal, \'t welk in zijne wezen-
lijkste deelen geheel op dichting berust." Verg. bl. 72. Tot
deze dichting van menschen moet Röth wel de toevlucht nemen,
dewijl hij de openbaring van God verwerpt. Maar hoc die oudste
denkers zóó konden dichten, zóó zamenhangend, zóó diepzinnig,
zóó juist als dat bovenal Mozes gedaan heeft, en hoe er daar-
over zóó veel eenstemmigheid heeft kunnen heersenen onder
allerlei volken, beschaafde en onbeschaafde, Indische en Egyp-
tische, Babylonische en Grieksche, Amerikaansche en Australi-
sche — dit verklaart Böth niet. Doch de overigens scherpziende
man is ook zoo blind voor do geheel eenige voortreffelijkheid
der aloude Hebreeuwsche godsdienst, dat hij durft schrijven,
D. I, bl. 101: „Alleen de Ethiopisch-Egyptische volkerenstam
en de Arische stam hadden eene zelfstandige , uit hunne eigene
beschavingstoestanden voortgekomene, als op eigen bodem en
grond opgegroeide goden- en geloofsleer, terwijl de goden-
en geloofsleer der Semietische stammen blijkbaar
alleen een mengsel uit die van de beide andere
stammen is."— O ja, wij vergissen ons, wanneer wij meenen,
dat er eene zon schijnt; wat wij voor zonneschijn aanzien is een
mengsel uit het licht van planeten en kometen!
15)     Bl. 143. Eist. génér. des langues sémit. D. I, bl. 492.
••) Bl. 144. Vorlemngen über die Wissenschaft der Sprach*.,
Leipz. 1863, bl. 279.
«) Bl. 144. Aid. bl. 291.
\'•) Bl. 145. Ik noem er maar één, dat van max mü li.ee, Com-
parative Mythologie,
uit de Oxford Esai/ss in \'t Fransen, overgebracht
-ocr page 174-
158
VIJFDE VOOBI.EZING.
door eenest benan , Esiai de Mythologie romparée, Paris 1859. — In
de eerste dezer voorlezingen heb ik in eene aanteekening eene
plaats van Renan aangehaald, waarin hij, met beroep op Ewald
voor do Israëlietische, op Lassen voor de Indische en op Bur-
nouf voor de Perzische oudheid, zelf ook de eenheid dor aloude
godsdienstige verhalen dier verschillende volkeren over den
oorspronke]ijken toestand des mensehdoms gaaf erkent. — Hot
voornaamste werk over dit onderworp is dat van H. Liiken,
door mij daar en elders mede aangehaald.
\'•) BI. M5. c. p. tiele, Theo\'.. Tijdschrift, 1868, II, bl. 226.
20) Bl. 145. Zie ook dit zelfs erkend door Benan, in de
plaatsen bij den aanvang dezer voorlezing uit hem aangehaald.
- ) Bl. 14,5. Mr. i>. a. s. van limbueg heouv/eü, in de Gids
van Jan. 1800, bl 27, bij eene aankondiging van het werk
des beroemden theodook üentey , Pansehalrunta, Fünf Bikker
Indische,- Fabel»
, Mahrchen un.d Erzdhlungen.
**) Bl. 146. Linnaeus, Blumenbaeh, Cuvier, Prichard, Owen,
Alexander von Humbold! , \'vehrocder van der Kolk, J. van der
Hoeven, De Quatrcfages, enz.
2\') Bl. 146. Vorles. \'tiher die Methode dei academischen Studiums,
nitg. van 1813, bl. 30, 31, 167—169.
24)     Bl. 14G. Tl at. jéicér. des langues sémit. D. I, bl. 484.
25)     Bl. 146. In de voorrede bl. vil—ix voor v. c. augubt
fick , WurteJbuc.h der Indoyermanischen Gr-uiidspraehs, G\'ótt. 1868.
Ik heb de plaats overgenomen in Waarh. in JAefde, 1870, bl. 435.
*•) Bl. 147. Ik noem enkele der uitsiekondsten, die dit doen,
E. A. Wolff, C. O. Muller, H. Bitter. Die anders oordeelen,
tellen ook iiitnemendc bondgenooten , als Fr. Creuzer, Ph.
Eallmcrayer, C. Aekermann, E. Böth. Do laatsten worden door
vele nieuwe ontdekkingen dagelijks meer in \'t gelijk gesteld.
*") Bl 119. Zie Qesch. der Opv. D. I, bl. 223, 252, 428,
D. II, bl. 90, 91, Waarh. in Liefde, 1866, bl. 161 — 183.
28) Bl. 149. Deze schrijver is Eupolemus, die omstreeks
drie eeuwen vóór Chr. schijnt geleefd te hebben. Zie Waaih in
L.
1866, bl. 177, 178. Zijne woorden heeft eüsebius, Praep.
Eoang.
IX, 26, bewaard.
»») Bl. 149. eötii, D. II, bl. 10—13, verhaalt, dat hij die
munten en insehriften \'t eerst heeft ontcijferd.
so) Bl. 149. iiebodotus , V, 58, stelde deze vergelijking
reeds in het werk: „ De Pheniciërs, die met Cadmus kwamen,
hebben zoowel velerlei ander onderricht tot de Grieken overge.
-ocr page 175-
159
AANTEEKENINGEN.
bracht, als bijzonder het letterschrift, dat, zoo als het mij toe.
schijnt, vroeger onder de Grieken niet bestond. Eerst was dit
schrift hetzelfde als \'tgeen allo Phonicicrs gebruikten. Later, bij
verloop van tijd , hebben zij te gelijk niet de laai [zie niiüOD.
I, 57] ook den vorm der letters veranderd."
*\') BI. 149. De namen Pelasgen, Philistijr.cn, Cnri, Creli en
Pleti beteekenen allen vluchtelingen, verdrevenen,ballingen, en dui-
den geene verschillende volkeren aan , maar, in eenigzins ver-
schillende tongvallen, de uit Egypte verjaagde Phcnicische
stammen, gelijk aangewezen is door BÖTir, Geseh. imscrer Phil.
D. I, bl. 87—94. Do overgang van dergelijke algemeene in
eigene namen is niet vreemd. Zoo noemde zich de Pheniciër,
die Thebe stichtte , Cadmus = Oosterling en verkregen de bewo-
ners van het schiereiland tusschen de Hoode- en Perzische zee
den naam van Arabieren = Westerlingen bij do Aziaten en van
Sarracenen = Oosterlingen bij de Afrikanen. Al deze gemeene
namen zijn eigennamen geworden. Verg. ook Oesr-h. der Op».
D. I, bl. 276, 277.
3\') Bl. 149. De schildering van hun toestand bij AEsenvLus ,
Prometh. vinelus, vs 447—457, en bij thucydides, 1, 2 heb ik
overgenomen in Geselt, der Opv. D. II, bl. 81.
") Bl. 150. Verg. Geseh. d\',r Opa. D. II, bl. 83, 89, 90. Ik
voeg er nu bij, dat ook plato, Critias, p. 110 A, onder de
stichters van Athene in do eerste plaats Cocrops noemt, terwijl
mede een wijk van Athene den naam van Cecrops droeg.
34)     Bl. 150. manetho bij josephus, Contra Ap\'onem, I, 15,
BÖTH , D. I , bl. 96.
35)     Bl. 150 Cadmus is Oosterling, lteeds deze naam, welks
beteekenis den Grieken onbekend was , is een teeken , dat
werkelijk iemand , die het Phenicisch of Uebreeuwseh kende,
in Griekenland is gekomen. Want hoe zonde men hier er
op gevallen zijn , hem, ware hij een verdicht persoon, dezen
naam toe te leggen ? Volgens plato , De Legg. II p. 663 E ,
was hij afkomstig uit Sidon. Ook spreekt Plato van Cadmus Phaed.
p. 95 A, B, Men\\r. p. 245 D. Men weet, dat do burgt der stad,
Cadtnea geheeten, den naam des stichters bewaarde. Verg.
Qetch. der Opv. D. II, bl. 90 (14). Naar de straks gemaakte
opmerking was er wel vroeger ook een schrift in Grieken-
land gebracht , maar het veel meer samengestelde Egypti-
sche : Cadmus bracht het vereenvoudigde Phenicische. Verg.
Böth, D. II, bl. 10—13.
-ocr page 176-
160                                  VIIFDE VOORLEZING
») BI. 150. plato, Menex. p. 245, D, zegt, dat Pelops, Cad-
mus, Aegyptus, Danaus on vele andere vreemdelingen
in Griekenland zijn gekomen.
31) BI. 150. Zóó stelt althans böth , D. II, bl. 9, Dl,
bl. 91, Aant. bl. 11, de zaak voor.
38) Bl 151. Zie iieeodotus , I, 56, 57, nibbuhe, Vortrage
iibsr alte Gesch.
D. I, bl. 259, rötii, Gesch. der Phil. D. II,
bl. 15.
3°) Bl. 153. Groot ia de verdienste van böth, D. I, bl.
278—346, dat hij in schier tallooze blijken dezen Egyptischen
en Aziatisohen oorsprong der Grieksche mythologie heeft aan-
gewezen.
*") Bl. 163. d\'aguesseau , Lettre sur divers sujets de méta-
physique, D.
XVI zijner werken bl. 40, volgens a. nicolas,
Etudes philos. sur Ie Christiavisme, D. I, bl. 237 DAguosseau
was een bescheiden en grondig geleerde en sprak aldus, ofschoon
hij een aanhanger van Cartesins was, en dat nog wel in een
opstel, waarin hij de uitnemendheid van de wijsgeeren der Oud-
heid handhaafde.
4l) Bl. 153. FitANcois lenoemant , Recue Britann. Mars 1863,
bl. 115—151. Zie zijne woorden in Waarh. in Liefde 1865,
I, bl. 80, 81.
4S) Bl. 154. nERODOTus, I, 170, verhaalt, dat Thales van
een Phenicisch geslacht afstamde, diogenes laëetius.I, §"22,
geeft, met beroep op Herodotus, Duris en Democritus, de
namen van zijn vader en moeder op, en voegt er bij, dat
hij tot het aanzienlijk geslacht der Theliden behoorde, die met
Cadmus, ook volgens Plato , uit Phenicië waren gekomen.
43)     Bl. 154. diogenes laëbtius, I, §27. Zie andere plaat-
sen bij eöth , D. II, Noot 62 , bl. 4.
44)     Bl. 154. II(>eaiivTtQo%, plutaechub , De Placitis Philos I, 3.
4\') Bl. 154. Eöth, D. II, bl. 98.
*<■>) Bl. 154. Eöth. bl. 106 volgg.
41) Bl. 154. EÖTH, bl. 118—130.
48)     Bl. 155. Eöth, vooral bl. 149.
49)     Bl. 165. Volgens josephüs , Contra Apion. I. § 2, en
die hem uitschrijft, èusebids , Pritep. Euang. X, 7, p. 478,
oboegitjs cedbenus, Hist. Compend. I, p. 94 B.
50)     Bl. 155. Zie Eöth , bl. 161—173.
5\') Bl. 156. geobgius cbdbenub, 1. oit. Verder zie over
Anaxagoras Gesch. der Opv. D. II, bl. 177—179.
-ocr page 177-
ZESDE VOORLEZING.
Pythagoras. Zijne afkomst van Samos. Reizen naar Pheniaië
en Egypte. Inwijding in de priester kaste. Wegvoering naar
Balei. Omgang met Zoroaster en met Israëlieten Terugkeer
naar i\'riekenland. Vestiging op Samos. Vertrek naar Croton.
Indruk vin zijn optreden. Huwelijk niet Theano. Opvoe-
dingsgesticht. Zijn onderwijs. Zijn
Gulden Spreuken. Ver-
jaging van Pythagoras en de zijnen. Vestiging te Tarente.
Vlucht naar Megapont. Dood.
Vóór Pythagoras heerschte in Griekenland nacht. Hij werd de
grondvester van wijsbegeerte en wetenschap. Invloed van hem
op de latere eeuwen
, ook nog op de onze.
Mijne Heeren!
De allerbelangrijkste persoon, die thans door ons te be-
schouwen valt-, is de grondlegger der Griekschc wijsbegeerte
en wetenschap, Pythagoras Blijkt het van hem , dat hij
de nieuwe door hem in Griekenland over geplante gedachten
en inzichten \\v\'. Ii -1 Oo\'-m heeft vorkregen, dan is het
pleit grootendccls beslist. En dit blijkt duidelijk.
De oude schrijvers spreken dit in \'t algemeen uil als eene
bekende en door niemand betwijfelde zaak \'). Maar er is
meer. Zij geven het ons ook in allerlei \'bijzonderheden te
aanschouwen. Hoe verspreid en afgebroken hunne berichten
11
-ocr page 178-
162
ZESDE VOORLEZING.
over Pythagoras zijn, het is toch mogelijk , er één geheel uit
op te maken en Pythagoras op zijne reizen, omzwervingen
en lotgevallen bijna schrede voor schrede te volgen. Alleen
is noodig, dat wij nauwkeurig en onbevooroordeeld weten op
te merken en bijeen te brengen, wat blijkbaar bij elkander
behoort, en dat wij niet op het gebied dei- geschiedenis
eischen . wat daar nooit is te vinden , wiskunstige zekerheid.
Vooral twee uitstekende Hoogduitsche geleerden 1.ebben
met grondige kennis van zaken aangewezen . welke schrij-
vers onder de Grieken Pythagoras en zijne school hebben
behandeld, en welke berichten van de oudsten en geloof-
waardigsten onder hen tot ons zijn overgekomen door de
pennen van later levenden, zoodat, al zijn de werken der
oudste Grieken zelve verloren gegaan . zij en wij door hen
toch uit de brokstukken, welke later levenden over hein
hebben bewaard, tot eene zamenhangende en vrij volledige
kennis van Pythagoras\' leven en denkbeelden kunnen komen.
Die twee geleerden zijn Christoph Meiners, die voor omtrent
eene eeuw bloeide, en liet eerst een grondig onderzoek
hieromtrent instelde\'-), en Eduard Röth, die deze taak op
nieuw opvatte en in 1858 veel verdei\' bracht, ja tot zulk
een einde afweefde, dat wij in \'t algemeen wel daarbij zul-
len blijven staan !).
Eén ding ziet men hieruit terstond zonneklaar. dat name-
lijk Pythagoras niet, gelijk nu sommigen wanen, in een tijd
leefde, waarvan ons alleen legenden en mythen overig zijn ,
maar in eene eeuw van beschaving en letterkunde, gelijk
reeds daaruit blijkt, dat bij zijn leven èn anderen elders
èn de Pisistiatiden te Athene groote openlijke boekerijen
verzamelden. "Wij kunnen daarom eene geschiedkundige
kennis over hem verkrijgen, die even zeker is als die, welke
wij over de meeste Ouden bezitten. Wilt dan mij met be-
langstelling volgen, terwijl ik u in een uitvoerig tafereel
zijn leven afmaai. Want wel sprak ik vroeger} van zijne
«
-ocr page 179-
163
PYTHAQORAS.
wijsbegeerte en opvoedingswijze; maar over de bron, waaruit
hij alles putte, zeide ik nog niets. En wordt de bron van
Pythagoras\' wijsheid duidelijk, dan kennen wij ook die van
Griekenlands wijsheid , die eerst door Pythagoras haar hooge
vlucht begon te nemen.
Op de westkust van Klein-Azië ligt, alleen door een smal
vaarwater van het vaste land gescheiden, ten noorden van
het door den Apostel Johannes ons bekend geworden Patmos,
het schoone en vruchtbare eiland Samos. Onder de honder-
den eilanden van den Archipel is het een der grootsten;
het heeft den omvang als omtrent een derde deel der pro-
vincie Groningen. Verscheidene goede havens lokten de
inwoners ten allen tijde tot handel en scheepvaart.
Daar woonde; in de zesde eeuw vóór Christus een rijk,
beschaafd en geacht koopman, wien in het jaar 569 een
zoon werd geboren. Evenwel zag dit kind niet op Samos
het levenslicht. Naar de wijze der Oudheid was zijn vader
koopman en zeevaarder tevens, en naar de gewoonte, toen
en ook nu nog aan de Grieksche eilandbewoners eigen,
nam hij vrouw en kinderen mede op zijne reizen. Zoo werd
dan zijn derde zoon op eene dier reizen , ea wel te Tyrus j
in Phenicië, geboren.
Zijne jeugd viel in den tijd, waarin Samos tot hoogen
bloei begon te komen. FIct eiland stond onder de heer-
schappij van Polycrat\'s, wiens door Schiller bezongen ring
hem bij ons zeer bekend heeft gemaakt. Aan zijn hol werd
wetenschap en kunst geacht. Polycrates leide eene groote,
nog lang na hem beroemde boekerij aan; de beeldheuw-
kunst werd gelukkig beoefend, en dichters als Ibycus en
Anacreon , vertoefden er gaarne.
Naar Grieksche gewoonte bestond het onderwijs van den
jongen Pythagoras vooral in het lezen van dichters en het
leeren der muziek. Hij had daarin zulk een voortreffelijken
-ocr page 180-
464                                   ZESDE VOORLEZING.
leermeester, dat hij nog als grijsaard hem dankbaar bleef
en de muziek niet alleen theoretisch en practisch zijn leven
dóór beoefende, maar ook in zijne wijsbegeerte invlocht en
in zijne opvoedingsmethode veelzijdig gebruikte
Achttien jaar oud verlangde de leergierige jongeling meer
te kennen, dan Sa mos hem schenken kon. Maar \'t was
onmogelijk, in \'t openbaar het eiland te verlaten. Polycra-
tes, die zich tot vorst er van had verheven, bewaakte met
wantrouwen de schreden der rijke burgers en zou de ver-
wijdering van den begaafden en gegoeden jor!,geling niet
geduld hebben. P\\,..:;., .a--, door ::\'.\'\\u leer:,iee.-i<M-geho\'pcn,
ontvluchtte daarom in stilte. Mij ging eerst naar liet naburig
eiland Lesbos . dewijl hij daar een oom had en er een toen
beroemd geieerde, Pherccydes, zou vinden. Deze laatste
werkte beslissend op Pythagoras, zoodat wij een oogenblik
bij hem moeten verwijlen.
Pherccydes had , onvoldaan met hetgeen Griekenland hem
bood, Egypte opgezocht en zich de wijsheid van het toen,
en reeds vele eeuwen vroeger, beschaafde land eigen ge-
maakt. Vooral de godsdienstige geest er van en de leer der
onsterfelijkheid, in den vorm van zielsverhuizing, behaagden
hem grootelijks. Deze beiden zocht hij aan de Grieken
smakelijk te maken, waartoe hij het eerste wijsgeerige,
wetenschappelijke, in proza opgestelde werk, over de we-
reldwording en de Godheid, .aan zijne volksgenooten schonk.
Wereldwonlfng, Godheid, onstr;f•I:jkhv.\'id — daarmede hield
Pythagoras zich levenslang bez\'g. Blijkbaar had zijn leer-
meester, gelijk de Oudheid juist hem bij voorkeur noemde,
Pherecydes, op deze dingen zijn oog gericht.
Na omtrent iwee jaren dit onderwijs te hebben genoten,
bezocht Pythagoras het niet ver verwijderde Milele, waar
de omtrent negentigjarige Thales nog leefde. Ook deze
man , ieder althans als een van Griekenlands zeven Wijzen
eenigzins bekend, was zijne inzichten meest aan de Egyp-
-ocr page 181-
PYTHAGORAS.                                       165
tische geleerden verschuldigd. In zijn tijd was Egypte aan
de zeezijde voor liet eerst voor vreemdelingen geopend.
»Ook Thales," zoo luidt een oud bericht4), »ontving hem
vriendelijk, bewonderde zijne voortreffelijkheid boven andere
jongelieden, welke hij nog groot er vond, dan de faam, die
hem was vooruitgegaan , had vermeld, deelde hem van zijne
inzichten zoo veel mede, als hij nog kon, waarbij hij zijn
ouderdom en afgenomen krachten beklaagde , en moedigde
hem aan, naar Egypte over te steken en zich bijzonder tot-
de priesters van Memphis en Thebe te wenden. Want van
hen , zeide hij, ook zelf te hebben medegebracht, wat hem
in do oogen der menigte tot eene Wijze maakte; terwijl hij
toch öf van de natuur of van de opvoeding niet die gunsten
had erlangd, welke hij zag , dat Pythagoras bezat, zoodat
hij liem uit alles voorspelde , dat hij , indien hij aan die
priesters zich aansloot, de goddelijkste en wijste aller men -
schen zou worden."
Pythagoras besloot dezen raad, die met zijn lust overeen-
stemde , op te volgen. Moeijelijk viel het hem niet. Hij
had de geldmiddelen , en er was een levendig handelsverkeer
tusschen de kuststeden van Klein-Azië en Egypte. Samos
vooral en Milete dieven zulk een levendigen handel met
Egypte , dat zij met nog ééne derde Grieksche stad Aegina
in Egypte\'s havenstad Nauciatis, waarde handelswegen der
karavanen zich kruisten, elk eene eigene factorij bezaten.
Hij ging dih\'. op reis; doch niet onmiddellijk naar Egypte^
eerst naar Sidon , in de buurt van Tyrus, waar hij geboren
was. Daar leerde hij een geslacht van priesters of profeten
kennen , die hem de in Phenicie gangbare denkbeelden over
de wording aller dingen mededeelden. In hunne mysteriën
liet hij zich inwijden, gelijk ook in die der naburige steden,
Byblus, Tyrus en van andere plaatsen van Syrië. Hij deed
het uit weetgierigheid en uit godsdienstigheid. Deze twee
waren hem toch vim zijne jeugd af tot in zijn ouderdom toe
-ocr page 182-
166
ZESDE VOORLEZING.
altijd dóór eigen. Om haar te bevredigen , ontzag hij niets.
Ook hoopte hij door de inwijding in den Phenicischen pries-
terstand de opneming in den Egyptischen, welke er mede
verwant was, te eerder te zullen verkrijgen.
Van Phenicië reisde Pythagoras naar de grenzen van het
Joodsche land, naar het voorgebergte Karmel, door Elia\'s
offer beroemd. Daar stond een tempel, dien hij bezocht :>).
Jeruzalem, dat, door Nebukadnezar verwoest, neg in juin
lag, kon hem niet trekken. Met een Egyptisch schip voer
hij van Kavmel af en kwam — zoo nauwkeurig wordt ons
veel van hem vei haald — na eene reis van drie dagen en
twee nachten in Egypte aan, in 547 vóór Christus.
Maar in Egypte zijn en de wijsheid der Egyptische pries-
ters grondig leeren kennen, — dat waren twee zaken , die
verre uiteen lagen. Als ieder vreemdeling kon hij in het
land rondreizen en zien en hooren, wat het volk nok zag en
hoorde; zóó hadden Thales en Pherecydes Egypte bereisd en
deed Hcrodot.us en menig andere Griek dit later. Doch van
de geheime wetenschap der priesters vernamen zij niets; die
werd alleen medegedeeld aan de leden der orde. En in deze
was nooit vroeger en is nooit later een Griek opgenomen.
De priesterkaste bestond namelijk uit een afzonderlijken
stam, die naijverig was op zijne voorrechten. Het volk
verkreeg niets dan het eerste of laagste onderwijs, in reke-
nen, lezen en schrijven , en , wat het lezen en schrijven
betreft, alleen van het ongewijde schrift, waarvan men zich
in het dagelijksch leven bediende. Zelfs de lagere priester-
klassen werden niet toegelaten tot het dieper en omvattender
onderwijs in de natuur-, goden- en rechtsleer en in allerlei
wetenschap en schoone kunst, \'t welk de hoogere klasse
alleen ontving. Hoe zou een vreemdeling, een onreine,
wiens kus zij vermeed, uit wiens beker zij niet dronk , met
wiens mes zij niet at °), verkrijgen, wat aan de eigene
volksgenooten werd ontzegd ? Pythagoras kende de bezwa-
-ocr page 183-
167
PYTHAGORAS
ren , maar werd niet afgeschrikt. Zijne weetgierigheid spande
zijne veerkracht Naar mate de bezwaren drukten, zocht
hij zijne hefboomen.
De toenmalige koningvan Egypte, Amasis, ondersteunde
zijne heerschappij door Grieksche hulptroepen , die hem tot
lijfwacht dienden. Hij had dus behoefte aan de gunst van
Grieksche vorsten. Onder hen, met wie hij nauw verbonden
was, behoorde Polycrates, de beheerscher van Samos. Door
zijne vrienden geholpen , verschafte zich Pythagoras een aan
Ml*
bevelingsbrief voor Egypte\'s koning van Samos\' vorst, die
thans vriendelijker voor hem gestemd was, dan toen hij een
jaar of vier geleden (551 vóór Christus) Samos ontvluchtte
Mot dezen brief ging Pythagoras naar Memphis, eene
prachtige stad, van zeven en een half uur in omtrek, niet
verre van het tegenwoordige Cairo. Hij vond gehoor bij
den koning, die hem van zijnen kant eene aanbeveling aan
de priesters gaf.
Nu waren er in dien tijd drie hooge priestergenootschap-
pen in de drie voornaamste steden van Egypte. Zij hadden ,
als wij ze met iets van onzen tijd zullen vergelijken, een
schijn van onze universiteiten. Godsdienst, regt, genees-
kuride, wijsbegeerte, natuurkunde, wiskunde, bouwkunst —
alles wat men toen van wetenschap en kunst bezat, werd
er onderwezen, tiet hoogste Egyptische gerechtshof bestond
uit dei tig priesters, van wie elk dier steden er tien leverde-
Pythagoras wendde zich met \'skonings brief eerst tot de
priesters te Heliopolis of\' On, zoo als die stad in het Oude
Verbond heet, dat is de Zonnestad, waar Egypte\'s voor-
naamste tempel van den Zonnegod prijkte. De verantwoor-
ding voor de nieuwigheid , van een vreemdeling aan te
nemen , durfden of wilden zij echter niet op zich laden
waarom zij hem naar de priesters te Memphis verwezen,
dewijl hunne school ouder was. Maar deze wezen Pythago-
ras naar die van ïhebe, als de oudste van alle drie.
-ocr page 184-
168                                   ZESDE VOORLEZING.
Pythngoras moest dus den Nijl opwaarts varen paar Boven-
Egypte, waar Thebe lag, de vroegere hoofdstad van geheel
Egypte, eene toen nog bloeijende wereldstad , een weinig
kleiner in omtrek dan Memphis, met huizen van vier of vijf
verdiepingen, met paleizen, tempels, sphinxen , obelisken,
kolossen — het honderdpoortigo, zegt reeds Homerus, van
wege al de stadspoorten en die der paleizen en tempels.
Onder do tempels was er één met zijne bijgebouwen zoo
groot als de stad Groningen binnen hare vroegere wallen.
Zóó zeggen de Ouden , en de nog voorhanden puinhoopen
toonen, dat zij niet overdreven.
Pythagoras vond Thebe nog in vollen bloei. De daar
gevestigde priestcrschool was niet alleen de oudste, maar
ook de hoogste der drie. Er bestond reeds sedert eeuwen
eene uitgeslrekte boekerij, welker plaats thans nog in eene
zaal van één der paleizen kan aanschouwd worden. Wij
kunnen ons voorstellen, hoe de leergierige jongeling brandde ,
om hier nu de geheimen van natuur en godsdienst te loeren
kennen. De priesters durfden de koninklijke aanbeveling
niet afwijzen en konden den brenger niet naai\' hooger gezag
heen wijzen. Nu bleef hun niets over. dan hem harde
voorwaarden te stellen, velerlei wasschingen, vasten, ont-
houdingen; het scheï\'ën van zijn geheele lichaam , en nog
meer "\'). Hij onderwierp zich aan alles 8), en deed het ge-
willig. Niet als last, maar als lust beschouwde hij het, en
won alzoo de achting en liefde der priesters. Een opper-
profeet, Sonchis, werd hem tot leermeester aangewezen.
Hij leerde de Egyptische taal, en niet alleen het gewone
of volks-schiïft, maar ook het hiëroglyphische of priester-
schrift, en dit in zijne verschillende ondersoorten. Hierdoor
werden hem de schatten der priesterwijsheid ontsloten. Zij
omvatteden, gelijk wij reeds zagen, elke wetenschap en
schoone kunst van bet toen meest ontwikkelde volk, en
bewaarden ook eene menigte van sterrekundige waarnemin-
-ocr page 185-
169
PYTHAGORAS.
gen en geschiedkundige berichten. Vooral het godsdienstige
in die wetenschap boeide Fythagoras. De slotsommen dezer
wijsheid, voor zooverre hij haar zich toeëigenen en in zich
verwerken koude, leide hij in een groot leerdicht neder,
voor een goed deel in Egypte opgesteld , \'t welk tle heilige
Zee/-0), door hem werd genoemd. En daarvan zijn ons ge-
lukkig nog brokstukken overgebleven.
Twee en twintig voorspoedige jaren vlogen voor Pytha-
goras aldus in Egypte henen. Hij was er van zijn 2\'2ste tot
zijn 44stc levensjaar, gedurende zijn besten mannelijken
tijd, van 547 rot 525 voor Chr. Zou hij er altijd blijven?
Of, met de geestelijke schatten van Egypte verrijkt, Grie-
kenland weder gaan opzoeken? Men mag haast twijfelen,
of dit laatste zijn plan was, daar hij dan zijn verblijf in
Egypte wel niet zóó lang zou gerekt hebben. Doch hoe
dit zij: „De mensch wikt, God beschikt." Dit bleek ook
in het leven van Pythagoras meermalen. Hij was tot nog
meer bestemd, dan hij vermoedde; maar zou dat meerdere,
gelijk het hier op aarde doorgaans noodig is, alleen onder
vele teleurstellingen en zware beproevingen verkrijgen.
Gedurende de. \'22 jaren van Pytliagoras\' verblijf in Egypte
regeerde Amasis. Ook als wetgever bekleedde deze eene
eervolle plaats onder de vorsten zijns lands. Er was rust
en vrede. Het latere Egypte zag op dezen tijd, als een tijd
van geluk en zegen, met weemoed terug.
Doch terwijl Egypte rust en welvaart genoot, was er in
\'t verre Oosten een storm opgestoken , die, tot orkaan aan-
gegroeid , drie werelddeek-n zou aantasten en ten deele ver-
woesten. Cyrus was koning van Perzië geworden, had,
toen Pythagoras een knaap van tien jaar was, liet juk der
Meden afgeschud (559), en toen Pythagoras één jaar in
-ocr page 186-
170                                  ZESDE VOORLEZINO.
Egypte (546) was geweest, Croesus overwonnen. Acht jaar
later (538) viel ook Babel in zijne macht, en met Babel
de daaraan onderworpen landen, Syrië, Phenicië en Palestina.
Zóó werd Perzië de grenstnacht van Griekenland en Egypte,
en bedreigde beiden.
Cyius stierf (530). Zijn zoon Cambyses volgde \'s vaders
staatkunde en viel kort na den dood van koning Amasis op
Egypte aan. Hij overwon het en verwoestte het voor een
groot deel. Zijne verdere ondernemingen in Afrika\'s wil-
dernissen werden onder het zand der woestijn begraven.
Maar Ie zwaarder drukte zijne ruwe hand op het ongelukkige
Egypte, en hier het hardst op de aanzienlijkste klasse, die
der priesters. Bij duizenden werden zij, volgens de oude
staatkunde der Aziatische veroveraars, die ook Israël naar
Assyrie en Babel hadden weggevoerd, als gijzelaars en ypjk-
planters verplaatst naar het verre Aziö, nnar Susa en Babel.
En in hun lot deelde ook de priester Pythagnras.
Hoe zwaar deze slag Pythagoras trof, hij schijnt toch ook
nu weder dadelijk zijn voordeel er mede gedaan te hebben.
Althans een zijner levenbeschrijvers verhaalt, dat hij tot, ds
Arabieren gekomen is en bij hen een onderhoud met een
koning gehad heeft\'"). Nu is hij nooit, zoover wij weten,
in Arabiö geweest, dan op de reis van Egypte naar Babel,
toen hij een deel van Arabië moest, althans kon doortrek-
ken, zoodat hij ook met deze reis weder winst schijnt te
hebben gedaan voor zijn geest. Jeruzalem heeft hij ook nu
niet, evenmin als voor 22 jaren, bezocht Wel was er
thans eene kolonie van Joden uit Babel teruggekeerd, maar
eene kleine en eerst voor weinige jaren, weshalve de op-
bouw van stad en tempel nog niets Ijeteekende.
Hij werd naar Babel gevoerd. Dit was eene stad nog
grooter dan thans Londen, zoo groot bijna als de provincie
Utrecht. De hoog opgetrokken muren waren aan elke der
vier zijden vier en een half uur lang. Zij was de oudste
-ocr page 187-
171
PYTHAGORAS.
stad der wereld, doorgaans het hoofd van een uitgestrekt
rijk, toen eene eeuw geleden door Nebukadnezar op het
prachtigst verbouwd, thans nog de winterhofstad der Perzi-
sche koningen; bovendien de zetel van eene oude beschaving,
en, door hare gelukkige ligging aan den Eufraat, een mid-
denpunt van Az\'.ö\'s handel. Al de gewesten van Nebukad-
nezars uitgestrekte wereldheerschappij hadden hier hunne
bewoners geleverd. Ook Joden waren er gebracht, gelijk
er nu Egyptenaren werden heengeleid.
Bovendien wemelde het op de straten van vreemde koop-
lieden. Hier kwamen de karavanen voor den landhandel
uit Midden-Azië, zelfs uit het verre oostelijke China. Hier,
den Eufraat op, de schepen uit Indië en Ethiopië.
Moest deze nog veel bontere mengeling, dan die in Thebe,
van kleeding, huidkleur en gelaatstrekken in Babels bevol-
king Pythagoras treffen: nog meer zal hem de wijsheid
hebben getrokken, die hij èn inheemsch, èn uit den vreemde
aangebracht, hier leerde kennen.- Zij hield zich onledig met
godsdienst. natuurkennis , sterrekunde , rechtsgeleerdheid ,
geneeskunst, en bewaarde hare vondsten op tichelsteenen,
die nog week werden beschreven en dan in de zon gedroogd
of in het vuur gebakken. Er waren geheele boekerijen van
zulke beschrevene steenen, waarvan groote gedeelten, uit
Babel en uit Ninevé in de laatste jaren aangebracht, thans
in het Britsch Museum, in den Louvre te Parijs en elders
worden bewaard \'\').
Was Babel derhalve voor Pythagoras\' onderzoekenden
geest eene hoogst belangrijke wereldstad: \'t is ook opmerke-
lijk, dat juist zijne eeuw vol leven en beweging was. Py-
thagoras had drie beroemde fijdgenooten , Zoroaster, den her-
vormer van den godsdienst in Midden-Aziö, die 30 jaar ouder
was (599—522 vóór Chr.), Confucius, den hervormer der
zedeleer in China, die 19 jaar jonger was (550—547), en
-ocr page 188-
172
ZESDE VOORLEZING.
Bo;^ddlia, den hervormer der maatschappij in Indië, die 29
jaar jonger was (540 — 468)
Dat deze drie, en nevens hen Pythagoras, de hervormer
of liever de stichter der wetenschap in Griekenland , tijdge-
nooten zouden geweest zijn, zonder zamenhang met elkander
komt al dadelijk onwaarschijnlijk voor. China, Indië, Mid-
den-Azië, Griekenland zouden te gelijk er tijd hervormers,
grooter dan er ooit vroeger of later opstonden, gehad heb-
ben , zonder dat deze in cenigerlei verband met elkander
stonden: — wie kan het vermoeden ?
Er zou een streven naar hervorming, naar zóó diep in-
grijpende hervorming, dat wij de uitwerking er van ring in
onze dagen overal zien, onder de beschaafdste volkeren dier
eeuw op geheel den aardbodem, onder volkeren, die elkan-
der ten minste eenigszins kenden, zijn ontstaan, zonder
onderling verband, zonder zamenhang en zamenwerking : —
■wie, eens daarop lettende, zou zulk een vermoeden kunnen
vasthouden ?
Gewis bestond er een verband! Tets e>- van weten wij
reeds door de ontdekkingen der laatste jaren. Er zal wel
meer licht over opgaan !
Op enkele trekken van den zamenhang en het verband
zal ik uw oog vestigen.
Zoo even zeide ik, dat Zoroaster, de beroemde godsdienst-
hervormer van Midden-Azië, de tijdgenoot van Pythagoras
was, ofschoon de 30 jaar oudere tijdgenoot. Nu voeg ik
er bij, dat zij eenigen tijd zanien in Babel, waar Pythagoras
twaalf jaar woonde, hebben geleefd, en dat de Griek daar,
naar zijn weetgierigen aard, de leerling van den Aziaat is
geworden. Dit zamen/.ijn der twee groote mannen te Babel
en deze betrekking tusschen hen zijn feiten van de gewich-
tigste beteekenis, ook ter vaststelling van Zoioasters leeftijd,
waarover nog altijd verschil bestaat. De zekerheid er van
dien ik derhalve duidelijk aan te toonen. Moeilijk is dit
-ocr page 189-
PYTHAGORAS.                                         173
niet. In de laatste jaren zijn er verschillende uitdrukkelijke
getuigenissen, ten deele uit de school van Pythagoras af-
komstig, bijeen gebracht, waarin beide zaken, èn hun ge-
lijktijdig wonen in Babel èn hun omgang als meester en
leerling, worden medegedeeld. De oudste ons overgeblevene
getuige Aristoxenus \'2), een leerling van Aristoteles, die van
Tarente afkomstig was, do stad in zuidelijk Italië, waar
Pythagoras vele jaren lang heeft geleetd en aan het hoofd
eener school gestaan. Hij kon dus Pythagoras\' leven ken-
nen en heeft door talrijke schriften getoond, dat hij dit
niet alleen, maar ook dat zijner voornaamste leerlingen en
hun wijsgeerig stelsel nauwkeurig kende. Een ander oud
getuige is Alexander Polyhistor ,:l), een geleerd en vertrouw-
baar verzamelaar van velerlei merkwaardige herichten , die
in Sulla\'s tijd te Rome leefde, en ook verhaalt, dat Pytha-
goras Zoroasters leerling is geweest. Een vierde getuige
is een zekere Diogenes, een tijdgenoot van Plutarchus, die
aldus schrijft l4): „Te Babel heeft Pythagoras met de Chal-
deën (de geleerde kaste) omgang gehad, en met Zoroasler
vooral. Beze onderrichtte hem in de natuurkunde en leerde
hem, welke de beginselen aller dingen zijn. Uit zijne om-
zwerving onder deze volken heeft Pythagoras het grootste
deel zijner wijsheid verkregen." Het ware niet moeilijk,
uit het in stukken geslagen wrak der letterkunde over Py-
thagoras nog een tiental getuigenissen op te visschen, welke
ons hetzelfde verklaren. Doch bij de vier aangehaalden,
die, naar ik meen, de oudste zijn, laat ik het nu. Alleen
ééne vijfde voeg ik er bij, dewijl daarin van eene nieuwe
bron van Pythagoras\' wijsheid wordt gesproken. Dezelfde
Diogenes, dien ik straks aanhaalde, schrijft ook15): „Py-
thagoras ging (om te onderzoeken) naar de Egyptenaren,
en ook naar de Arabieren , Chaldeën en Hebreen."
Deze getuige is een man van belang voor ons onderzoek.
Immers Joodsche en Christelijke schrijvers spreken ook zeer
-ocr page 190-
174
ZESDE VOORLEZING.
vaak daarvan, dat Pythagoras de ballingen van het rijk van
Juda en hunne heilige schriften te Babel heeft loeren ken-
nen Maar hier in Diogenes hebben wij een Heidcnsch
geschiedschrijver, die ook hetzelfde verhaalt. Hij volgt blijk-
baar de tijdsorde. Pythagoras heeft eerst de Egyptenaren
opgezocht, toen (op reis naar Babel) de Arabieren, te Babel
de Chaldee\'n , en eindelijk ook aldaar de Hebreen. En inder-
daad: Pythagoras kon te Babel wel geene levendige straat
of markt overgaan , zonder eenige zeer kenbare zonen Israiils
te ontmoeten. Want door Nebukadnezer daarheen gebracht,
verkregen zij wel vrijheid van Cyrus , om naar hun vader-
land terug te keeren, doch, sedert bijna eene eeuw in Ba-
bylonië gewend en in het bezit van huizen en akkers, waren
niet dan weinigen uit hen het oude vaderland weder gaan
opzoeken. En een Pythagoras kon die eigenaardige natie
niet aanschouwen, zonder haar op te merken en te willen
kennen.
Doch wat had Zorcaster in Babel gebracht! Dit is ge-
makkelijk te gissen. Hij had in de stad Bactra gewoond en
was daar zeer gezien geweest aan het hof van koning
Hystaspes. Maar die stad was door de Scythen veroverd en
verwoest. Sommigen verhalen, dat Zoroaster daarbij den
dood vond; anderen, dat hij ontvluchtte. Dat deze laatsten
regt hebben, blijkt daaruit, dat wij hem daarna in Babel
vinden. Geen wonder, dat hij hierheen de wijk nfcni. Deze
stad behoorde, even als het rijk van Bactra, thans onder
Perzië\'s koning. Eu aan het hof van dezen leefde Darius;
Hystaspes\' zoon, Zoroasters vriend en bewonderaar, die later,
toen hij zelf koning van Perziti was, de ijverigste verbreider
van Zoroasters godsdienst is geworden \'•).
Uit dit een en ander laat zich dus volkomen helder be-
grijpen, dat Pythagoras èn vele Joden èn Zoroaster te Ba-
bel vond en in_drie_ van de twaalf jaren zijner inwoning
(525—522) met Zoroaster omgang had en veel van hem leerde.
-ocr page 191-
175
PYTHAGORAS.
Ook Indiërs moest hij wel in Babel ontmoeten, en lig -
tel ijk ook eenigo Brahmienen of Wijzen onder hen. Dit zal
aanleiding gegeven hebben tot de latere overdrijving, die
aan de oudste getuigen vreemd is, dat Pythagoras zelf Indië
zou bezocht en daar de Wijzen zou geraadpleegd hebben.
En toch is er ook zoo veel overeenstemming tusschen de
leefwijze van Pythagoras en van de Brahmienen, dat wij
aan eenigen zamenliang tusschen hen wel moeten denken.
Die overeenstemming is zoo groot, dat zelfs de Grieken haar
opmerkten. Toen Alexander, aan Indië\'s grenzen gekomen ,
Onesicrilus had afgezonden , om over de beroemde Indische
Wijzen wat meer te vernemen , en deze van velen uit hen
had gehoord, welke hunne levensbeschouwing en levenswijze,
waren , vroegen zij hem , of onder de Grieken ook zulke
dingen geleerd werden , waarop Onesicritus antwoordde ,
»dat ook Pythagoras soortgelijke leeringen had gegeven, bij-
zonder de onthouding van het levende (van vleeschspijzen), en
verder Socrates en ook Diogenes, dijn hij zelf had gehoord n).
Doch de vertrouwbaarste berigtgevers spreken er niet van,
dat Pythagoras Indië zelf heeft bezocht; zij zeggen, dat hij
zijne wiskunde had van de Egyptenaren , ChaldeSn en Phe-
niciërs , zijne sterrekunde van de Chaldeën, zijne godenleer
van de Egyptenaren, zijne godsdienstplechtigheden van de
Magiërs, dat is, van Zoroaslers volgelingen, en zijne na-
tuurkunde van Zoroaster, als ook het inzicht, welke de twee
beginselen aller dingen zijn , het goede (Ormuzd) en het
kwade (Ahriman) \'8). Met deze berichten stemt ook Pytha-
goras\' stelsel zelf overeen. Alleen moet ik opmerken, dat
Zoroaster , die te midden van de ballingen uit het rijk der
Tien Stammen in Assyrië was geboren en opgevoed , en later
te Babel met de ballingen uit Juda zamen leefde, blijkbaar
veel uit Israëls Heilige Schriften heeft overgenomen. Met
name is zijn scheppingsverhaal zóó woordelijk met dat van
Genesis overeenstemmend, dat elk erkent, dat het een naar
-ocr page 192-
176
ZESDE VOORLEZING.
het ander is gevormd. Reeds in zooverre althans, door
middel van Zoroaster, had dus ook Israëls godsdienst eenigen
invloed op Pythagoras \'").
Doch ik keer tot zijn leven terug. Twaalf jaar had hij
te Babel als balling en staatsgevange doorgebracht, drie on-
ofer de regeering van Cainbyses, en negen onder die van Da-
lius. De hoop, om in zijn vaderland terug te keeren, had
hij waarschijnlijk opgegeven. Evenwel zou hij niet in Babel
sterven.
Door een zamenloop van de meest romaneske omstandig-
heden had een Griek, die in Perziö leefde, eene in slavernij
gebrachte bemanning van een Perzisch schip vrijgekocht en
tot koning Darius gebragt. Tot bclooning voor deze dienst
schonk hem Darius een paar gunstbewijzen , waarender be-
hoorde de vrijheid van Pythagoras, die, moeien wij oi,der-
stellen, de vriend van dien Griek in het vreemde land\'ge-
worden was. Blijde maakte Pythagoras van dit gunstbewijs
gebruik. Na \'M jaar afwezigheid keerde hij in zijn 5ö*"
levensjaar naar zijn vaderland terug. Hij ging eerst naar
zijn vaderstad Samos. Daar vond hij zijne hoog bejaarde
ouders nog beide in leven , en ook zijn eersten leermeester,
die hem vóór 38 jaar tot de vlucht uit Samos was behulp-
zaam geweest. Zijn tweede; leermeester , Pherecydes , leefde
nog wel, 85 jaar oud , maar ten gevolge van eene besmet-
tclijke huidkrankheid ■\'\') afgezonderd op een naburig eiland.
Pythagoras ijlde er heen en verpleegde den grijsaard, totdat
hij hem de oogen kon luiten.
Naar Samos terug gekeerd vond hij hier en in den om-
trek geen aangenaam verblijf. De Grieksche steden op het
vaste land van Klein-Aziö en op de eilanden aan de kust,
Samos mede, waren onder het opperbewind van Perziö ge-
komen, hadden daardoor hare vrijheid en met deze hare
veerkracht verloren. Dij ging reizen, waar men nog wij e
lucht inademde. Hij bezocht Creta, waar hij zich in de
-ocr page 193-
177
PYTHAGORAS.
mysteriën van den daar vereerden Zeus liet inwijden; daarop
ging hij naarSparta, om voorts de beroemdste der Grieksche
volksspelen , die te Olympia, bij te wonen; toen naar Delphi,
waar hij met de 6"có!ienaars van het meest vereerde der vele
Grieksche orakelen druk verkeerde; voorts naar het dal Tempe,
om er in de door Orpheus gestichte mysteriën van Dionysos
te worden opgenomen. Alle overige beroemde orakelplaatsen
bezocht hij, en kwam zoo, met velerlei kennis verrijkt, op
Samos terug. Wel deed hij zijn best om ook op Creta de
wetten van Minos, en te Sparta die van Lycurgus te ken-
nen; maar het blijkt, dat religieuse instellingen te bezoeken,
het hoofddoel was van zijne reis. Hoe hij daaraan deel nam,
wordt ons, wat eenigen betreft, tot in de kleinste bijzonder-
heden, medegedeeld Want de Oudheid, zijne leerlingen
mede ingesloten , was overtuigd van het gewicht dezer zaken
voor Pythagoras. Wij mogen gissen, dat hij de godsdien*
stige plechtigheden der Grieken heeft vergeleken mot hare
hem door en door bekende bronnen , de Egyptische, Pheni-
cischc en andere Aziatische godsdiensten, en dat hij elke beek
uit hare bron zal hebben willen verklaren. De leer, later
door hein medegedeeld , geeft ons tot deze gissing vrij wat recht.
Op deze omreizen viol er iets voor, dat èn voor de ken-
nis van Pythagoras èn voor die der geheele Grieksche Oud-
heid van groot belang is.
Niet lang nadat hij de Olympische spelen had bijgewoond
kwam hij in een stad van den Peloponnesus , Phlius gehee-
ten, welker vorst, Leon, hij ontmoette. Deze liet zich in
een geleerd onderhoud met hem in, en vroeg hem, vol be-
wondering van zijne wijsheid en welsprekendheid, wat nu
zijn eigenlijk vak was. Pythagoras antwoordde, dat hij
geen bepaald vak beoefende, maar een philosooph, d. i.
een wijsgeer was. Leon bevreemdde de nieuwe naam.
hij vroeg verder, wat dan die philosophen voor menschen
waren en waardoor zij zich van anderen onderscheidden.
12
-ocr page 194-
178
ZESDE VOORLEZING.
Pythagoras antwoordde, dat, naar het hem voorkwam, het
menschelijk leven geleek op het bedrijf en den handel, welke
men zag, als, onder den toevloed van geheel Griekenland,
die prachtige volksspelen te Olympia werden gehouden. Daar
streefden eenige er naar, om met hunne welgeoefende licha-
men den roem en de eere van de zegekroon te erlangen.
Anderen waren er op uit , om er met koop en verkoop
winst te bejagen. Doch er waren ook nog anderen, en
dat waren de edelsten , die noch toejuiching noch voordeel
zochten, maar er waren gekomen, om toe te zien en nauw-
keurig na te sporen, wat men er deed en op welke wijze.
Welnu , zóó waren wij menschen in dit roerig bedrijf (der
wereld) uit eene (andere) woonplaats gekomen; hier geko-
men in dit leven (op aarde) uit een ander leven en bedrijf
(in hooger kringen). En nu was het streven van verreweg
de meesten öf naar eere öf naar geld, zóó zelfs dat zij er
slaven van werden. Maar eenige weinigen waren er ook ,
die al het overige voor niets rekenden en het wezen der
dingen zochten te doorgronden. Deze noemde hij begeerigen
naar wijsheid, wijsgeeren, philosophen. En gelijk het in
die volksspelen het waardigste was, zonder roemzucht of
geldbesag, toe te zien , zoo stond ook in het leven boven
elke andere begeerte die om na te vorschen en wijs té wor-
den, als de voortreffelijkste.
Zóó luidt het oud verhaal2I). Wij liooren er den leerling
in der Egyptische Wijzen, die het er met hen voor hield,
dat wij reeds vóór onze geboorte elders hebben geleefd, dat
het streven naar roem en geld te laag voor ons is, dat op-
merken en nadenken, en hierdoor vorming van geest en
van karakter alleen verdient door ons te worden nagejaagd.
Van de rondreis door Griekenland op Samos terugge-
keerd, begon hij nu, wat hem het hoogste goed was, daar
aan anderen te onderwijzen. Doch met ongelukkigen uitslag.
En dit niet zonder eigene schuld. Want hij ving op de
-ocr page 195-
i79
PYTHAGORAS.
zinnebeeldige wijze der Egyptenaren aan, \'t geen aan de
SamiiTS zoo weinig beviel , dat zijne leerlingen tot op één
na weg bleven, en deze ééne ook nog maar kwam, dewijl
hij hem na elke goed gekende les eene belooning in geld
gaf. Dit vreemde middel had eene werkelijk goede uitkomst.
De jongeling kreeg ten laatste lust en werd zijn ijverige
aanhanger, ook zonder dat hij geld ontving.
Pythagoras zag rond, waar hij beter dan in zijn vader-
stad tot heil der mcnschen werken kon. Zijn blik wendde
zich naar Groot-Griekenland, of zuidelijk Italië\' en het daarbij
gelegen Sicilië, waar vele Grieksche volkplantingen gevonden
werden, die door de vruchtbaarheid van den grond in koren,
wijn en olie, den rijkdom der weiden, de vischrijkheid der
zeeën, en den zich wijd uitstrekkenden handel meer bloeiden
dan de steden van het kleinere en armere eigenlijke Grie-
kenland. In dezen tijd immers, vóór de Perzische oorlogen,
stond gecne stad in Griekenland, Athene niet uitgezonderd,
noch in grootte, noch in macht, noch in rijkdom gelijk met
de aanzienlijke koloniën in Italië\' en op Sicilië, met Sybaris,
Croton, Syracuse of Agrigentuni. Met die welvaart paarde
zich eene ongeloofelijke weelde en een onverzadelijk genot-
bejag. In Sybaris ontvingen zij, die de kostbaarste feest-
gelagen aanrichteden , van staatswege gouden kransen. Ook
geniale koks, die een nieuw gericht hadden uitgedacht,
erlangden ze. Om ongestoord >an de vermoeijenissen der
weelde te kunnen uitslapen, mogt er geen geruischmakend
handwerk in de stad worden gedreven; zelfs hanen , mor-
genwekkers, werden er niet geduld. De kleederpracht ging
zoo ver, dat iemand een gewaad liet maken, \'t welk later
voor drie tonnen gouds werd verkocht.
Pythagoras ondernam met zijne bejaarde moeder — zijn
vader schijnt vroeger overleden te zijn — de reis naar Groot-
Griekenland , waar hij te Sybaris, voor zoo veel wij uit de
berichten kunnen opmaken, moet geland zijn. Doch in deze
12*
-ocr page 196-
180                                  ZESDE VOORLEZING.
weelderigste, zedelooste en daardoor geheel verweekelijkte
plaats zag hij spoedig geen bodem voor zijne hcrvormings-
plannen te kunnen vinden. Betere hoop had hij op Croton,
eene in de nabijheid van Sybaris ook wel door rijkdom vrij
wat ontzenuwde stad , maar die toch ook op hardende
lichaamoefeningen zoo veel prijs stelde . dat hare burgers
veel meer dan die van alle andere oorden in de Grieksche
wedspelen de zege behaalden. Daar kwam bij, dat zich te
Croton thans eene geneeskundige school bevond, welke zich
had gevormd rondom een arts Demokedes, die van Croton
ook geboortig was, maar vrij wat in de wereld had rond-
gezworven. Hij had in Aegina de geneeskunst beoefend,
voorts te Athene, toen op Samos, van welks vorst hij lijfarts
was geweest, en was daarna van een Perzisch landvoogd in
Klein-Azië lijfarts geworden. Doch bij den val van dien
Satraap, was hij als slaaf in lompen en ketenen naar Perzië
vervoerd, had hier echter koning Darius\' voet, dien anderen
niet konden heelen , gelukkig genezen , was toen lijfarts
van Darius geworden, en h id zich eindelijk uit Perzië weten
te verwijderen , om in zijne vaderstad op nieuw te gaan
wonen Met dezen zwerveling schijnt Pythagoras , \'t zij op
Samos, \'t zij te Babel bekend te zijn geworden, en ook dit
kan eene reden geweest zijn, dat hij Croton ging opzoeken.
Hier besloot hij zijne opvoedingsplannen eindelijk uit te
voeren. Dusverre had hij meest ontvangen, thans wilde hij
beproeven te geven. Hij was in zijn zestigste levensjaar,
nog in volle mannelijke kracht , door \'f gezag van de be-
ginnende grijsheid verhoogd »Hij trad hier op," zegt een
oud levensbeschrijver van hem 2-), »als een man, die niet
alleen door groote reizen gevormd, maar ook door de natuur
treffelijk toegerust was. Want hij had een edel voorkomen,
eene hooge gestalte , liefelijkheid in het spreken en waar-
digheid in zijne manieren."
Gelyk ik vroeger reeds verhaalden), wendde zich de
-ocr page 197-
181
PYTHAGORAS.
edele man weinig dagen na zijn aankomst te Croton eerst
tot de jongelingen, welke in eene school voor gymnastie
bijeen waren, om hen uit te noodigen tot bezoek van zijn
onderricht. De indruk zijner toespraak was zoo gunstig»
dat de Raad der duizend, die de regelende hoofden der
burgerij waren , hem uitnoodigde , ook in hun midden zijne
jnzichten bloot te leggen. Voorts hield hij nog eene derde
toespraak tot de knapen en eene vierde tot de vrouwen.
Al die aanspraken waren in de eerste plaats door en door
godsdienstig. Op grond van den godsdienst spoorde hij de jon-
gelingen tot eerbied voor de ouders aan, tot bewaring der
schaamte, tot het streven naar geestontwikkeling; den Raad
der duizend tot bevordering van eendracht, rechtvaardigheid,
achting voor de vrouwen, tot huwelijkstrouw, huiselijkheid,
ingetogenheid, tot afschaffing der gewoonte, die wel onwet-
tig, maar toch algemeen was, van bij wij ven uit de lagere
standen te houden; de knapen wekte hij op tot vlijtig leeren,
tot het nalaten van sarren en schimpen , tot gehoorzaamheid
en onderdanigheid; de vrouwen vermaande hij tot bewaring
der haar eigene vroomheid, tot spaarzaamheid in leefwijze
en klcederdracht, tot afschuw van kwaadspreken , tot zacht-
moedlgheid jegens hare mannen, tot huwelijkstrouw.
De werking dezer toespraken was verbazend. Men noemde
Pythagoras niet bij zijn naam, maar alleen den goddelijke
of den godsman2J); de mannen zonden hunne bij wij ven
weg: de vrouwen brachten hare prachtigste kleederen in
den tempel van Juno ten geschenke, vele duizenden in
aantal. Over dag kwam de leergierige jeugd in zijne we-
tenschappelijke school, \'s avonds stroomden de volwassenen,
onder hen ook de aanzienlijkste overheidspersonen, zelfs
vorsten van naburige niet Gricksche stammen, tot 600 en
meer in aantal, naar zijne populaire voordrachten. Ook
vrouwen en jonge dochters kwamen er, tegen de Grieksche
gewoonte in, Pythagoras hooren. Tot haar behoorde Dei-
-ocr page 198-
182
ZESDE VOORLEZING.
nona, de vrouw van Pythagoras\' gastheer, en hare schoone
en geestvolle dochter, Theano, die door geheel de Oudheid
als eene der uitstekendsten van haar geslacht wordt geprezen.
Nog maar eenige maanden was Pythagoras op deze wijze
te Croton met eere werkzaam geweest, toen or een ver-
bitterde verdelgingskrijg tusschen het naburige Sybaris en
Croton uitbarstte. Hij eindigde met de volledige verwoesting
van Sybaris, waarna de landerijen , die er toe hadden be-
hoord, onder da overwinnaars werden verdeeld. Ook Pytha-
goras verkreeg daarvan een landgoed, werd voorts door een
rijken burger van Croton tot zijn erfgenaam gemaakt, en
huwde nu de jonge en schoone, zoo evengenoemde Theano
Ook wetenschappelijk was zij ontwikkeld; zij was schrijfster
en dichteres. Zij werd de moeder van zeven kinderen, drie
zonen en vier dochters. Zij maakte Pythagoras en hij haar
gelukkig. Hun gezin was een voorbeeld van godsvrucht >
deugd en eenvoudige leefwijze. Na den dood van haar
echtgenoot werd zij de bestuurderes zijner school.
Van zijn fortuin en landgoed maakte Pythagoras het
alleredelste gebruik. Hij ging op zijn landgoed, 20 uur
van Croton verwijderd, in eene prachtige natuur, naar het
voorbeeld der Egyptische priesterscholen, eene kostschool
voor jongelingen oprichten. Dit was \'eene onder Grieken
geheel vreemde zaak. Kinderscholen hadden zij hier en daar:
eene school van hooger onderwijs voor volwassenen was eene
nieuwigheid.
De school van Pythagoras had ook wel iets, althans in
doel, van de profetenscholen, door Samuël onder de Israë-
lieten ingevoerd; althans voor zooverre wij deze kennen.
Zeker wilde Pythagoras in Griekenland mannen vormen , die
daar zouden zijn, wat in Israël de Profeten waren geweest.
Pythagoras wilde, om het volk op te voeden, leeraars voor
-ocr page 199-
183
PYTHAGORAS.
het volk vormen; en deze poogde hij te vormen door hun
innige godsvrucht in te prenten, hieruit ware deugd en
karaktervastheid te doen ontkiemen, hen door ernstige we-
tenschap te bewaren voor dweepeiïj en overdrijving en in
landelijke afzondering en broederlijke zamenleving te sterken
tegen de gevaren van het openbare leven. De kring, waarin
zij kwamen, was een uitgelezene. Hij onderzocht hen, die
zich aanmeldden, vooraf naar aanleg, lust en karakter, om
te zien, of er wat goeds van hen worden kon. Die hiertoe
weinig uitzicht bood, werd afgewezen. De opleiding der
aangenomenen ging trapsgewijze geleidelijk voort. Zij moes-
ten eerst een drievoudigen cursus doorloopen, om later in
de voor anderen geheim gehouden volle wijsheid te worden
ingewijd. In den eersten cursus, waarin de leerlingen alleen
moesten hooren en van buiten leeren, was alles niets dan
godsdienst. In den tweeden cursus kwam de muziek er bij ,
doch niet de wereldsche, alleen de godsdienstige, dewijl
zij, gelijk hij haar noemde, ,,do geneeskunst der ziel" was.
In den derden cursus werd bij het vroegere, dat bleef, de
wiskunde gevoegd als hulpmiddel en oefening tot het afge-
trokken denken.
Na dezen driejarigen cursus goed te hebben doorgemaakt»
kwamen zij in de klasse der ingewijden, die onder de per-
soonlijke leiding van Pythagoras stond. Nu mogten zij over
hunne studie spreken en navragen, het gehoorde opschrijven
en eenige gedachten opteekenen. Doch in welk eene wereld
van vrijheid en zelfstandigheid zij thans overgingen — de
godsdienstige leerstellingen, hun vroeger medegedeeld,
moesten de uitgangspunten en de doeleinden van al hunne
wetenschap blijven, ook van die over de natuur.
Daar ik hier niet kan treden in Pythagoras\' wijsbegeerte,
zwijg ik van zijne inzichten, ontdekkingen en uitvindingen
op het gebied van meet-, reken-, natuur- en sterrekunde
en op dat der toonkunst en het verband van dit alles met
-ocr page 200-
184
ZESDE VOORLEZING».
zijne godsdienstige en zedelijke beschouwingen. Alleen merk
ik op, dat Pythagoras, ten gevolge van zijne nauwkeurige
wiskundige kennis, het er voor hield, dat de aarde en de
hemellichamen geone schijven, maar kogels zijn; dat niet
de aarde het middenpunt des hcelals is , maar dat dit een
centraalvuur is, waarom zich de aarde en alle hemellichamen in
kringen bewegen; dat de bew egingen der hemellichamen voor
een deel alleen in schijn bestaan , aangezien optisch bedrog
hier voor de hand ligt, en men ligtelijk aan de geziene ob-
jecten kan toeschrijven, wat aan de ziende subjecten alleen
eigen is Het treffendst bewijs van zijn helder inzicht in
de sterrekunde levert het feit, dat reeds bij de Pythagoreërs
de overtuiging wordt gevonden , dat de zon stil staat en de
aarde om haar rondloopt. Vier van hen worden met name
genoemd, als die dit leerden \'"\'). — Met do getallen hield
Pythagoras zich veel bezig , zoodat men zelfs beweert, dat
hij zijne philosophie uit getallen afleidde. Zeker helderde
hij haar daaruit op; want overal zag hij orde, door getal
en maat tot stand gekomen. Hij zag reeds, dat de harmonie
in de toonkunst en dus de harmonische intervallen op de
verhouding van getallen rusten. De grondtoon, leerde hij,
staat tot de octaat in de verhouding van één tot twee, tot
de quint in de verhouding van twee tot drie, tot de quart
in de verhouding van drie tot vier. — Bevordering der har-
monie was zijn streven ; de harmonie des lichaams was de
gezondheid, de harmonie der ziel de deugd. Voor de har-
monie des lichaams is onontbeerlijk , dat alle zinnelijke
krachten worden geoefend, waarop de gymnastie werkt,
opdat de mensch de heerschappij over zijn lichaam erlange.
Ziekte is verstoring dier harmonie, welke niet door artsenijen,
maar door de voedingswijze moet overwonnen worden. In
het algemeen verdient het opmerking, dat Pythagoras inge-
togenheid in spijze en drank zeer hoog stelde, als beveili-
ging tegen velerlei ondeugd en als middel tot bewaring en
-ocr page 201-
185
PYTHAGOBAS.
herkrijging der gezondheid ; immers wij lezen, dat zelfs de
artsen uit zijne school de zieken door het dieet of de leef-
wijze genazen: — dus door hetzelfde middel, waartoe men
nu steeds meer terug keert.
Van Pythagoras\' inzichten over godsdienst en zedelijk-
heid moet ik nog" iets zeggen. Want te midden van veel
duisters en onzuivers vinden wij daarin gronddenkbeelden,
welke met de onze zoo zeer overeenstemmen, dat ik van
die eenige wil mededeelen.
Gelijk Pythagoras overal eenheiji ziet, zoo heeft hij ook
ééne oorspronkelijke Godheid, uit wie de mindere Goden of
Engelen zijn voortgekomen , als ook de wereld, welke de
ééne Oppergod door vele Ondeigoden regeert. Wij vinden
in zijne Heiliye Leer daarover deze regelen :
Zeus werd \'t eerste geboren en Zeus is ile laatste, de bliksembeheerscher.
Zeus is \'t hoofd , Zeus \'t midden, uit Zeus is alles geworden;
Zeus werd geboren als man , maar Zeus is ook de eenige Jonkvrouw.
Zeus is de vastheid dor aarde en des hemels, bezaaid met veel sterren.
Zeus is de adem van \'tal, de stroom van \'t vuur, dat niet uitdooft.
Zeus is de bron van de zee, Zeus is de zon en het maanlicht.
Zeus is Koning, Zeus zelf is van alles de Schepper.
Eén is de kracht, één de geest, één de oorsprong van alles.
Men kan deze uitboezeming pantheïstisch opvatten, doch
zou zich dan tegen Pythagoras\' geest bezondigen. De God-
heid is bij hem een dóór en dóór persoonlijk wezen. Zij
heet bij hem niet alleen de eenheid, maar ook de algoed-
heid, en hare persoonlijkheid spiegelt zich af in die des
menschen, welke boven alle vernietiging hoog is verheven.
De menschen zijn door God, wat hun lichaam betreft, uit
het stof der aarde gevormd; maar de geest is hun van
buiten af gegeven, zoodat zij dien door inademen in zich
hebben opgenomen 2"). Wij hebbem immers reeds vroeger
bestaan, meent Pythagoras , doen in dit leven boete voor
vroegere zonden en zullen, stervende , van hier in andere
kringen overgaan , en eindelijk, als wij vrij zijn van zonde,
-ocr page 202-
186
ZESDE VOORLEZING.
in de zaligheid der Goden deelen. Doch vrij van zonde
worden wij alleen, wanneer wij vast houden aan de geboden,
welke God zelf aan de voorouders heeft geopenbaard, vooral
door ingetogene deugd en door een vroom gebedsleven.
Doch ik mag u hiermede niet langer ophouden. Alleen
nog ééne afdoende mededeeling. Er bestaat een gedicht,
onder den naam van Galden Spreuken bekend , \'t welk hoogst-
waarschijnlijk van Pythagoras zelven is, en zoo niet van hem,
dan toch van een zijner leerlingen afkomstig en zeker geheel
in zijn geest gedacht is. U dit voorlezende zal ik u, zoo gij
het niet reeds vroeger kendet, in Pythagoras\' geest kunnen
verplaatsen. Het bevat een kort begrip zijner voor ons
belangrijkste, dat is zijner paedagogische , religieuse en philo-
sophische beginselen.
Eer de Goden boven alles;
Blijf uw eed bij hen gestand.
Eer ook de onderaardsche Geesten
En de Helden van uw land.
Eer uw vader en uw moeder,
En die zijn uw naaste bloed;
En uit de andere menschen kies u
Vrienden van het vroomst gemoed.
Luister naar hun wijze lessen:
Acht hun nutte werken hoog.
Heeft een vriend u iets misdreven,
Sluit, zoo mooglijk, daarvoor \'t oog.
Regel wijs uw eigen leven:
Toom uw eet- en slaaplust in;
Mint gij spijs en rust en weelde,
Toornig, vleeschl\'yk wordt uw zin.
-ocr page 203-
PYTHAQORAS.
Wacht u steeds voor slechte daden,
In \'t geheim en \'t openbaar ;
Dat de schaamte voor u zei ven
Bovenal uw hart bewaar.
Wees in woord en werk rechtvaardig;
Altijd zij de rede uw wet.
Houd in \'t oog, dat eens te sterven,
Allen menschen is gezet.
Rijkdom is niet altijd duurzaam ,
Menig wensch blijft onvervuld;
Moet gij met den rampspoed kampen,
Draag Gods schikking met geduld.
Zoek naar heeling, lijdt ge aan wonde
Maar geloof, dat reeds op aard,
Ook bij duizend tegenheden,
Braven \'t goede blijft bewaard.
Wat de menschen doorgaans spreken,
Is niet alles goed en waar;
Wil dies \'t oor niet angstig sluiten;
En draag zelfs den leugenaar.
Laat u echter nooit verleiden,
Door eens anders daad of woord,
Tot een spreken of een handlen,
Dat u niet als goed bekoort. \'
Denk eerst wél, voordat gij handelt,
Opdat gij geen dwaasheid doet; *
Dwaas te handlen, dwaas te spreken,
Past geen man van deugd en moed.
-ocr page 204-
188
ZESDE VOORLEZING.
Wil toch nimmer ondernemen,
Wat u vreemd is; doe het niet,
Voor dat u eerst andren leeren;
Zie dan, of \'t uw plicht gebiedt.
Uw gezondheid moet gij sparen;
Matig zijn in drank en spijs.
Wil u nimmer overspannen;
Kalm zij steeds uw levenswijs.
Wacht u voor een praalvertooning,
Die ligt afgunst wekt of haat;
Doch wees daarom niet bekrompen;
Houd in alles orde en maat.
Wandel immer wel beraden;
Vraag steeds: wat is nu mijn plicht?
Roep u \'s avonds in \'t geheugen ,
Wat gij hebt des daags verricht.
Waarin heb ik overtreden?
Wat werd door mij afgedaan?
Hoeveel. dat ik moest verrichten,
Is mij wederom ontgaan ?
Hebt gij alles zóó doorloopen,
Met een ongeveinsd gemoed,
Treur dan over al uw feilen,
En verheug u over \'t goed.
Dat dit werk u nooit vervele,
Dit u meer en meer bekoor!
Eenmaal zal \'t u vast doen treden
In het godlijk deugdenspoor.
-ocr page 205-
189
PYTHAOORAS.
Doch gij zult dit nooit verwerven,
Dan door Hem, door Hem alleen,
Die, volmaakt in vorm en wezen,
\'t Al regeert door de eeuwen heen.
\'Treed uw werkkring moedig binnen,
Want de Goden staan u bij;
\'t Aardsch worde u als bajert kenbaar,
\'t Hemelsch goed als harmony.
Hoop niet, wat gij niet moogt hopen;
Dank voor \'t geen het lot u biedt;
Menig drukt de last der rampen,
Wijl hij niet op \'t goede ziet.
\'t Is aan weinigen gegeven,
Zich te redden uit de ramp.
Dwaasheid doet de zinnen dolen,
En, in machteloozen kamp,
Wordt de mensch in \'t rond geslingerd,
Als een rustloos wentlend rad.
\'t Ingeschapen twistvuur blaakt hem ;
Schoon hij \'t ligt beteugeld had.
Hemel vader! Gij zoudt zeker
Ons bevrijden van veel leed,
Als gij heelVyn dwaalziek harte
Aan elk stervling kennen deed.
Mensch!  wil nogtans niet versagen,
Want  gij zijt van Gods geslacht;
Kenbaar  zijn u \'s hemels wondren,
Waar  en hoe ook voortgebracht.
-ocr page 206-
190
ZESDE VOORLEZINO.
Leert ge iets uit dien schat te putten,
Gaan mijn lessen niet te looi\',
Dan ziet, in den nacht der rampen,
Uwe ziel den middaggloor.
Let altijd op de eerste stappen,
Treed op uw bestemming aan;
Kies tot leidsvrouw u de Rede,
Die u sture op \'s levens baan.
Eenmaal, vrij van \'s lichaams banden ,
Zweeft uw ziel in hooger sfeer,
En, onsterflijk als de Godheid,
Kent gij duod noch zwakheid meer n).
Twintig gelukkige jaren bijna leefde Pythagoras op zijn
landgoed, door zijne gade en kinderen innig geliefd, door
eene talrijke schare van leerlingen haast vergood, door zijne
medeburgers hoog geacht, bij vreemdelingen en Grieken in
de landen aan de Middeilandsehe Zee in drie werelddeelen
bekend en geprezen.
Maar in die jaren van stilte verzamelden zich aan den
hemel onweerswolken, die een steeds dreigender aanzien
verkregen. Ook Pythagoras zou het ervaren, dat de mensch\'
heid gewoon is, hare grootste weldoeners ten slotte te be-
joonen met haat, spot, ban , gifbeker, houtmijt, kruis.
Daarin blijven zich de menschen op treurige wijze steeds
gelijk. Treedt een wijs en edel man op, die uit liefde,
met kracht, vrij moedig en ernstig hun de schoonheid der
deugd en der godsvrucht en de snoodheid der zonde en der
zelfzucht voorhoudt, dan verwonderen zij zich eerst over de
liefelijke woorden, die uit zijn mond uitgaan, en voelen zy
lust daarnaar te doen. Dat gaat eenige maanden of jaren
<
;
-ocr page 207-
PYTHAGORAS.                                     191
goed. Doch op den duur verveelt den meesten die inspan-
ning. De zinnelijke lusten herleven. Kr staan volksleiders
op, die deze vleijen. De vrome zedemeester wordt ondra-
gelijk. Zijn lot is beslist.
In Pytagoras is het meer te verwonderen, dat hij zich
twintig jaar handhaafde, dan dat hij na twintig jaar ten
onder ging.
De algemeene zonde kwam te Croton in eigene, by\'zon-
dere vormen te voorschijn. Croton was gedurende die twintig
jaren, ook door Pythagoras\' invloed, de krachtigste en uit-
gebreidste republiek van geheel Groot-Griekenland. Hare
burgers behaalden juist nu nog meer zegepralen in de volks-
spelen der Grieken, dan ooit door hen of door eenige andere
stad waren verkregen 21). Er heerschte algemeene welvaart.
Doch daarom nog geene algemeene tevredenheid. De be-
staande regeering der aanzienlijken werd meer en meer
verzwakt door de begeerte der geringeren, om de teugels
des bewinds te bemachtigen. De aristocratie bezweek ten
slotte voor de democratie. En deze was vooral op Pythagoras
gebeten. Zijne leerlingen , door kunde, deugd en godsvrucht
uitmuntende, waren van zelf aan \'t hoofd der zaken en in
staatsambten gekomen. Dat wekte de afgunst der anderen.
Door deze werd de onderlinge vriendschap der Pythagoreërs
als partyschap gebrandmerkt. Zij ondersteunden elkander,
gaven aan elkander, niet aan allen, de rechterhand als
teeken van vriendschap; zij wilden alles regeeien. Zóó
spraken zelfs sommige aanzienlijken. De hoofdzonde van
Pythagoras was echter bij Crotons bevolking — zijne deugd.
Door een vroegeren leerling van Pythagoras, zeker niet
om zijne voortreflëTykheid weggezonden, werd een boek
verdicht, \'t welk de geheime leer van Pythagoras heette te
bevatten. Daarin kwam voor, dat de Pythagsreërs elkander
onderling als Goden moesten eeren, maar de anderen als
redelooze dieren behandelen. Verder was er menige ware
-ocr page 208-
192
ZESDE VOORLEZING.
levensregel en reine zedespreuk van Pythagoras in opgeno
men, doch die, in klank en woord een weinig veranderd,
tot een hatelijk en schandelijk beginsel was verdraaid. De
aan den Raad der duizend afgedwongen volksvergadering,
waarin deze beschuldiging werd ingebracht, achtte het hooren
der aangeklaagden onnoodig. Hunne schuld was onweer-
rprekelijk. Alleen wist men nog niet dadelijk, hoe hen te
straffen.
Dit wist men binnen weinige dagen wel. De Pythago-
reërs te Croton vierden toen, wel wat onvoorzichtig, als
gewoonlijk het jaarfeest van Pythagoras\' vestiging te Croton
met een offer en een maaltijd. Eenige volkshoopen rottedën
zamen en vielen gewelddadig op hen aan, zoodat zij her.
en derwaarts tot buiten de stad moesten vluchten. Nu
maakte zich het volk ook geheel meester van de regeering
en stelde een prijs van / 7000 op het hoofd van Demoke-
des, den arts , Pythagoras\' vriend, den stichter van de ge-
neeskundige school te Croton, die de ziel der Pythagoreërs
was.
In een nab\'ylegen stadje verzamelde Demokedes zijne
gevluchte vrienden en wapende hen met hunne slaven en
aanhangers; doch hunne tegenstanders overvielen en ver-
sloegen hen; ook Demokedes sneefde, en voor zijn hoofd
werd de bloedprys uitbetaald
Ten einde een schijn van recht te bewaren, werden nu
drie naburige steden uitgenoodigd, scheidsrechters naar Croton
te zenden, om over de Pythagoreërs uitspraak te doen.
Omgekocht verklaarden deze hen schuldig en bepaalden de
verbanning als hunne straf. Deze straf\' werd ook op de
onmondige weezen toegepast. En nu bleek het, wat eigenlijk
Pythagoras\' misdaad was: — zijne hervorming der zeden.
Hij had tucht en huwelijkstrouw ingevoerd! Hij het houden
van bijwijven doen afschaffen! In bitteren spot gaf zich de
haat der vroegere bij wij ven en harer betrekkingen lucht.
-ocr page 209-
PYTHAGORAS.                                          493
De eigene woorden van Pythagoras, bij zijne komst te Croton
voor 20 jaar tot den Raad der duizend gericht, „dat men
de kinderen niet van de ouders mocht scheiden," dat is,
dat de mannen aan hunne vrouwen en kinderen getrouw
moesten zijn, waarmede hij het wettige huwelijk had be-
schermd, werden hem naar \'t hoofd geslingerd, om het ver-
bannen der onwettige kinderen te brandmerken. Het bleek,
wat in het gemoed den wortel van bitterheid had geplant.
Om de kroon op alles te zetten, werden de goederen
der Pythagoreërs verbeurd verklaard en, natuurlijk onder
de bovendrijvende partij, verdeeld. Nu moesten de Pytha-
goreërs een heenkomen zoeken, de een hier, de ander daar.
Pythagoras zelf, tachtig jaar oud, scheepte zich mei, zijn
gezin en een aantal leerlingen in, om te zien, waar hij
rust zou kunnen vinden ; neen, niet rust, maar gelegenheid
tot veilig werken aan de zielen der menschen. Zuidwaarts
opstevenende, werd hij in ééne en nog in ééne stad, als
een gevaarlijk man, afgewezen. Noordwaarts den boeg wen-
dende vond hij in de bloeiende stad Tarente geopende armen.
Wel heerschten ook hier erge weelde, uitspatting en dron-
kenschap. Maar hier was ook iets anders. Hier woonden
vele vroegere leerlingen van hem, en was de regeeringsvorm
aristocratisch.
Van \'t geen Pythagoras te Tarente deed, zijn de berichten
zeer scjiraal. Toch weten wij iets er van.
De onvermoeide grijsaard (.pende straks eene nieuwe
school. Hij bewerkte, met veel inspanning en nauwkeurig-
heid, hier ook eene aardrijkskundige tafel, eene landkaart
van de hem door vele reizen bekend geworden aarde, die
op een metalen plaat werd gegraveerd, en, bij de toen-
malige nog zoo gebrekkige hulpmiddelen, een reuzenwerk
mogt heeten.
Pythagoras leefde te Tarente omtrent zestien jaar (490 —
« 474). Door zijne trouwe gade gesteund en door het geloof
13
-ocr page 210-
194
ZESDE VOORLEZING.
in God sterk en moedig, werkte hij onverdroten in zijne
school voort, zoodat Tarente ecne tweede kweekplaats zijner
inzichten en instellingen werd. — Ware zijne edele ziel voor
leedvermaak vatbaar geweest, dan zou hij met genoegen
gezien hebben, hoe zijne vijanden te Croton gestraft wer-
den, daar een zekere Clinias de vluchtelingen verzameld en
de slaven vrij verklaard had, en nu met beider hulp zich
tot meester en heer van Croton had gemaakt, waarop hij
de hoofden der democratie doodde of verjoeg J8).
Doch een Pythagoras kon zich alleen bedroeven over
geweld en wreedheid, door wien en togen wien ook ge-
pleegd. Treuren kon hij alleen over de tallooze omwente-
lingen, welke het pas ontkiemende znad der beschaving
telkens vernielden, en het hem en zijnen leerlingen onmo-
gelijk maakten, het heil hunner landgenooten op geheel
vaste grondslagen te bouwen. De om wentel ingsstorm be-
reikte ook Tarente. De aristocratie kwam ten val. En toen
de democratie had gezegepraald en nu ook hier in de Py-
thagoreërs hare vijanden zag, werden zij ook van hier ver-
jaagd, en moest de nu 96jarige Pythagoras nog weder als
•banneling gaan zwerven. Gelukkiger dan bij zijne vorige
vlucht, vond hij nu in eene naburige stad Metapont dadelijk
eenc gastvrije opname.
Maar .... voor hoe lang? Drie jaar later konden vele
Metapontische burgers de door Pythagoras ook hier weder
geopende school niet langer verdragen. Zij omsingelden het
gebouw, staken het in brand, en lieten geen der omtrent
■40 leerlingen toe, er uit te ontvluchten. Den dood in de
vlammen — niets beters verdienden zij ! Toen zij de on-
vermijdelijkheid van hunnen dood inzagen, stelden zij zich
zelve aan weerszijden als twee muren tegen de vlammen,
man aan man, om zóó een doorgang te vormen, waardoor
de geliefde meester kon ontkomen. De volkswoede verstomde
voor den aanblik des negenennegentigjarigen grijsaards,
-ocr page 211-
»
PYTHAGORAS.                                         195
zoodat zij hem ongehinderd liet gaan. Doch hoewel hij dus
nog ontkwam , was dit toch te veel. De droefheid sloopte
zijne nog overige kracht. Toch bleef zijn heldengeest on-
gebogen. Stervende (in 470) drukte hij het den zijnen op
het hart, zijn werk voort te zetten.
Ik heb u het wisselvolle leven verhaald van een man,
die door uitstekende gaven zoo van hart, als van hoofd,
door groot talent, vast karakter en edel streven onder de
heroën der menschheid oene eerste plaats verdient.
Eéne zaak vrees ik nu evenwel: dat gij mij van overdrij-
ving zult verdenken , en vermoeden , dat ik een al te roos-
kleurig licht op Pythagoras\' persoon en werk heb laten vallen.
Daartegen verdedig ik mij met een beroep op de Gulden
Spreuken.
Daarin hebt gij zelve zijne gezindheid gehoord.
Niels is er in de heidensche Oudheid , dat daarmede gelijk
staat. Zoo diep, zoo rijk, zoo bondig, zoo rein, zoo aan-
grijpend is niets, niets anders. — Overigens merk ik weder
op, dat ik in mijn verhaal het geheel nieuwe licht heb ge-
bruikt, door een uitnemend, al te vroeg overleden geleerde,
Eduard Röth, voor eenige jaren over Pythagoras en zijne
philosophie ontstoken 2\'J). Zijn arbeid is eene luisterrijke
proeve, hoe rijk de wereldgeschiedenis is aan nog niet ont-
dekte schatten, die zijn op te diepen , wanneer men maar
zonder vooroordeel en met grondige kennis en stalen vlijt
gaat delven. Ook is die arbeid, en mijne meest naar Röth
gevolgde schildering van Pythagoras, eene bijdrage tot de
vele in de laatste jaren gevonden bewijzen , dat er oneindig
meer zamenhang is in de wereldgeschiedenis, veel meer
verkeer was onder de oude volken en veel meer invloed is
te bespeuren van het eene volk op het andere, dan men dus
verre vermoedde. Die schildering mogt in dit werk daarom
niet ontbreken.
13*
-ocr page 212-
196
ZESDE VOORLEZING.
Met nog enkele opmerkingen over de beteekenis van Py-
thagoras in de wereldgeschiedenis wensen ik te eindigen.
1. Ik vestig daartoe eerst uw oog op hetgeen er vóór
Pythagoras was.
In al de stelsels der Grieksche Wijzen of Wijsgeeren
vóór Pythagoras is eigenlijk geen gang. Zij konden niet
vooruitkomen. Zij namen van Egypte, \'t welk door velen
van hen werd bezocht, iets over, verwerkten dit op hunne
wijze, maar geraakten verward in materialisme, pantheïsme,
determinisme of\' onverbrekelijke aaneenschakeling van oor-
zaken en gevolgen. Zij bleven hangen in onderstellingen,
woorden en klanken. Thales leidde alles af uit het water,
Anaximander uit het oneindige, Pherecydos uit den
a e t h e r, en , onder do tijdgenooten van Pythagoras, Xeno-
phancs uit de eenheid, Anaximenes uit de lucht.
Er was ééne algemcene reden, waarom zij het tot geene
eigenlijke wetenschap brachten. Zij wilden de natuur of de
wereld uit hare bestanddcelen verklaren. Zij vorschten na,
welke kracht er is in de natuur, waaruit hare verschijnselen
kunnen en moeten ontslaan. Uit de welkende oorzaken
(causae efficientes) wilden zij de dingen der natuur als hare
noodzakelijke gevolgen aanwijzen.
Het bleek een ijdel streven te zijn. Immers daaruit de
natuur te verklaren is even onmogelijk, als eene schilderij
uit hare bestanddcelen af te leiden. Bezie dat stuk daar
voor u. Gij wilt het kennen uit zich zelf en zoekt nu in
de bestanddeelen het wezen er van. Er is een paneel van
hout; daarover is een doek van linnen; daarom een lijst
van gips, welke verguld is; op het linnen is eene witte
kleur van loodwit, eene blauwe van indigo. Punctum.
Want — naar de bedoeling van den schilder moogt gij niet
vragen; zelfs raakt het u niet, of het stuk een maker
heeft. Wel nu: gelijk gij aldus tegenover eene schilderij
-ocr page 213-
197
PYTHAGORAS.
zoudt staan, stonden de oudste Grieksche Wijzen tegenover
de natuur.
2. Geheel andeis dan zijne voorgangers en tijdgenooten
onder de Grieken, plaatste zich Pythagoras tegenover de
natuur. Hij hegon niet in de natuur te vorschen, om haar
uit zich zelve te verklaren; hij, de komeet van Samos,
gelijk de Ouden hein noemden, begon loven de aarde en de
natuur, hij begon van Goji, die, verre boven de natuur
verheven, haar maker is, gelijk de schilder de maker is
van dat kunststuk. Dit punt van aanvang had hij ten deele
uil Egypte, waar men ook van de Godheid, en niet van
de stof, begon. Maar Egypte alleen kon hem niet hebben
geholpen. Want het verwarde God en de stof toch weder.
En wat Egypte ook dusver nog ons van zijne wijsheid aan-
biedt: het gelijkt, hoeveel het zij, op verre na niet aan
\'tgeen Pythagoras zag en leerde. Daarom waren dan ook
de andere Grieken, die Egypte bezocht hadden, niet tot
klaarheid gekomen. Pythagoras had, hoe veel hij in Egypte
had geleerd, ook nog andere leermeesters gehad, Zoroaster
en Israël; Israël of onmiddellijk óf middellijk door Zoroaster,
die Israëls leerling was. De geest, van Pythagoras is die
van Israëls ProfetenM). En wel is het thans zeker, dat
de philosophie, wat hare ontwikkeling betreft, in Griekenland
thuis behoort; maar ook, dat zij, wat hare grondgedachten
aangaat, uit het Oosten afstamt.
Ik neem het beeld van straks weder op. Gij hebt Ary
Scheffers Faust voor u. Zoolang gij bij de stoffelijke bestand-
deelen bleeft, zaagt gij niets dan hout, linnen, verguldsel,
gips en verf, en begreept gij niets. Maar nu beziet gij het
als fcunsfStuk, als het werk van een schilder, die liet stuk
Faust noemde, en gij kent en begrijpt den Faust van Güthe.
Nu ziet gij, wat Scheller bedoelde. Met zijne doeleinden
voor uw geest bewondert gij de houding van den peinzenden
Faust, die de hand onder het hoofd houdt, een vallenden
*#
-ocr page 214-
198
ZESDE VOORLEZING.
Seraf gelijk. Gij ziet, wat die Mephistopheles is, daar achter
den stoel van Faust, met zijne dunne vingers en lange
nagels, bijna aan klauwen gelijk, terwijl het scherpe, val-
sche oog zegt: „Die ontkomt mij niet meer." En nu kunt
gij nog wel ook aan indigo en loodwit, paneel en doek
denken. Maar dat is geheel ondergeschikt. Wat gij nu
bewondert, is een kunststuk, waarvan gij den oorsprong niet
zoekt in houlstek, linnenmagazijn en verfwinkel, maar in
Scheffers genie, in een geest, die de stof ja wel gebruikt,
maar als machthebbende tot zijne bedoeling, om aan geesten
edel genot te verschaffen.
Bleven Pythagoras\' voorgangers en tijdgenooten in de stof
der natuur verzonken, en beschouwden zij den geest, zoo
zij over dezen spraken, ja ook den geest der geesten, God
zelven, als voortbrengsel dier stof: Pythagoras verhief zich
boven de zichtbare wereld, om tot haren oorsprong, tot
God, op te zien. Bleven zij over de werkende oorzaken
(de causae eflicientes) der natuur peinzen, zonder ze te
kunnen ontdekken: Pythagoras richtte den blik naar boven,
om de doeleinden (de causae finales of de causarum fines) daar
hoog in den hemel te aanschouwen. Bij hem was alles
van God; hij kende Hem als den Schepper, die alles, gelijk
het nu is, heeft voortgebracht. Bij hem was alles door
God; hij kende Hem als die zich had geopenbaard aan de
menschen. Bij hem was alles tot God; hij kende Hem als
den regeerder der wereld, die tot Hem zelven , tot gelijk-
vormigheid aan Hem zelven, de menschen opleidt. Van
God
, door God, tot God was bij hem alles.
De wetenschap beoefende hij \'ijverig; maar zij stond bij
hem beneden de wijsheid. En de wijsheid achtte hij niet
verkregen te hebben, maar te moeten zoeken. Wijsgeer,
philosophos, was hij. Meer kon een mensch niet zijn. Niet
het onbereikbaar bezit er van, maar het streven er naar
was zijn levensdoel. En de hoogste wijsheid was: dat de
-ocr page 215-
499
PYTHAÖORAS.
mensch, die van God afstamt, Gode gelijkvormig wordt, op
aarde reeds als een God leeft, stervende in \'t gezelschap van
goddelijke wezens komt. Godsdienstig-zcdelijk was geheel
zijn streven 3I). Gebed en arbeid zijne bezigheid. Van het
gebed ging hij tot den arbeid, van den arbeid tot het ge-
bed ; ja geheel zijn leven was één werkend bidden of bid-
dend werken.
3. Wat is er nu nog na hem over hem te zeggen?
Eindigt zijn leven met zijn sterven te Metapont, na dien
wreedaardigen brand? 0 neen; hij is blijven leven. Niet
alleen is zijn geest naar hooger sferen opgevaren: wat hij
op aarde deed en leed en streed , U blijven voortwerken en
viucht dragen. Door zijne eerbiediging van God, als die
niet doeleinden het heelal heeft geordend, is hij de grond-
legger der Grieksche wetenschap geworden. De vóór hem
in het duister omtastende en omdolende natuurkunde is dóór
hem gekomen tot gaan, tot vooruitgaan, tot vooruitgaan in
goddelijk licht. Door zijne erkenning, dat de mensch van
Gods geslachte is, Gods openbaring bezit, tot gelijkvormig-
heid aan God door God wordt opgeleid en eeuwig zal leven,
heeft hij aan \'t menschelyk leven op aarde eene verheffing
en veredeling gegeven, die het vóór hem niet bezat. Zóó
is hij de grondlegger geworden der godsdienstige-zedelijke
philosophie, der eeuwige eer van Griekenland .... Wilt
gij bewijs? Overal waren er reeds bij zijn leven leerlingen
van hem, in Italië, Sicilië, het eigenlijke Griekenland,
Klein-Azië en Cyrenaïca of Noord-Afrika. Na zijn jammerlijk
sterven gaf Theano, zijne kloeke weduwe, de taak hares
echtgenoots niet prijs. Eene nieuwe woonplaats, Rhegium,
thans Reggio, in Italië\'s benedeneind tegen over Sicilië,
werd opgezocht. En daar richtte de edele en moedige vrouw
van nieuws de school van Pythagoras op. Later werden de
Pythagoreërs naar Croton terug geroepen; en nu kwamen
twee zijner zonen aan het hoofd der hier herrezen school.
-ocr page 216-
200
ZESDE VOORLEZING.
Scholen van zijne leerlingen bloeiden straks in menig oord.
En als wij nog een paar eeuwen lang de levensgeschiede-
nissen nagaan van de uitstekende wijsgceren , wetgevers,
veldheeren en volksweldoeners, dan vinden wij, waar zij
ook in Griekenland of zijne koloniën thuis behoorden, zeer
dikwijls, dat zij een Pythagoreër tot opvoeder hebben gehad.
Anaxagoras leerde van Pythagoras op te klimmen tot den
Geest, die alles in de wereld heeft geordend en blijft orde-
ncn. Alle Grieksche wijsgeeren, tot Aristoteles ingesloten,
leerden van Pythagoras Gods openbaring te eerbiedigen en
hunne philosophie niet tegen die openbaring te stellen , maar
daaruit af te leiden. Plato , de grootste van Griekenlands
Wijsgeeren, had zijne methode van Socrates, maar zijne hoog
boven die van Socrates zich verheffende ideën meest van
Pythagoras. En wie kan berekenen, welken invloed nu nog
Pythagoras door Plato op de wereld heeft? Cicero, de nog
druk gelezene, ontleent veel aan Plato en ook aan de Py-
thagoreërs. In de eerste eeuwen na Christus kwam er eene
nieuwe Pythagoreïsche school op, die wel meende Christus te
kunnen ontberen, dewijl zij Pythagoras had, maar tocli veel
deed, onwillens, om de geesten en harten der beschaafde
heidenen voor Christus te bereiden. Ook Copernicus no \'in ik.
Hij zag, dat de oude wereldbeschouwing van de beweging des-
zon om de aarde onhoudbaar was, en ging toen, gelijk hij
zelf verhaalt, de oude schrijvers lezen, of die ook het woord
des raadsels hadden. Daar las hij bij Cicero, dat een Py-
thagoreër had gesproken van de zon, als den stilstaanden .
en van de aarde, als den zich om de zon bewegenden bol
En Copernicus bewees de waarheid dezer zienswijze, waar-
door hij de nieuwe sterrekunde grondvestte.
En wat nu nog in onze dagen Pythagoras\' zegenrijken
invloed betreft: zijn er niet onder u, M 11., wien het ging
als mij ? Toen ik als gymnasiast de Gulden Spreuken, wier
naam mijne nieuwsgierigheid prikkelde, in handen kreeg en
-ocr page 217-
201
PYTHAGORAS.
niet zonder moeite leerde verstaan, werd ik diep getroffen
door haren inhoud. Menig versregel bleef in mijn geheugen,
en in mijn geest, en in mijn hart hangen. Gedurig weer-
klonk dat:
„Heb schaamte bovenal, heb schaamte voor u zelven."
En menigen avond vroeg mijn geweten :
Tlfj TtaQtfiijv; rt & tyt a; ti /tot iïiov ov/. f c?/.fo&r];
„Wat misdeed ikP wat verrichtte ik? wat heb ik niet afgedaan:"
En wij allen , M. II , hebben wij nu een paar uur lang
op dat beeld kunne 1 staicn, zonder diep getroffen te zijn. ...
Zonder Ie zeggen: Welk een man! Welk een lot!....
Welk een m.m! Hoe beschaamt en bemoedigt hij ons!
Hoe laag staan wij , met onze veel betere hulpmiddelen en
kennis, beneden hem! En toch is Pythagoras een mensch
van gelijke bewegingen als wij. Biddende en werkende, als
hij , kunnen wij ons steeds meer tot zijne hoogte verheffen.
En welk een lot ! Hoe is toch ten allen tijde ondank
\'s werelds loon geweest! Toch kunnen wij moed behouden ,
on haai\', haar ondanks, blijven weldoen, als wij Pythagoras
(en een, die meer is dan Pythagoras) gelooven:
Eenmaal, vrij van \'s lichaams banden ,
Leeft uw ziel in hoogor sfeer,
En. onsterflijk als de Godheid,
Kent gij dood noch zwakheid meer.
-ocr page 218-
202
ZESDK VOORLEZING.
AANTEEKENINGEN.
\') BI. 161. De oudste der ons overgebleven schrijvers, die dit
met rondo woorden zoggen, is isockates, de redenaar, de tijdge-
noot van Plato, die aldus spreekt, Ba.si.ris, s. 11: „Vele en groote
dingen zou men over de godsdienstigheid der Egyptenaron kun*
nen bijbrengen, en ik ben niet do cenigc of de eerste, die ze
met bewondering aanstaar, maar dat hebben ook velen der nu
en vroeger levenden gedaan. Tot hen behoort Pythagoras de
Samiër, die naar Egypte is gegaan en oen leerling der gindsche
Wijzen is geworden, zoodat hij niet alleen de overige wijsbc-
geerte het eerst tot de Grieken overbracht, maar ook van
offers en godsdienstige reinigingen meer dan alle anderen ijverig
werk maakte."
2)    BI. 102. Von den Oeschiehtsxnhreibern des Pythagoras, seiner
Schule und seiner Philosopkie. Zie
D. I, bl. 187—303, van chr.
meineks, Gesrh. der Wi»se.hnchafltn in Greichenland und Rom.
3)    BI. 162. \'/Ac ïiöm\'s werk, D. II, bl. 201—283, en Noten,
bl. 49—59. Op Meiners en Kóth wees ik ook reeds in eeno
aanteckening op de eerste voorlezing. Naar Röth\'s uitvoerige
verhandeling over Pythagoras (bl. 284—984) heeft eenc goede
populaire voorstelling over hem gegeven eduabd baltzeb , Py-
thagoras von Samos. Min Lebensbild nach den nevelen Fur.iehungen
htarbeitet, Nordhausen
1808.
Voorts merk ik hier op, dat ik over Pythagoras en zijn tijd
en over geheel do geschiedenis der Oudheid na nauwgezet on-
derzock geef, wat mij of zeker of waarschijnlijk voorkomt, zon-
der dit onderzoek zelf doorgaans mede te doelen.
4)    Bl. 105. Van Apollonius, die onder Vespasianus en Do-
mitianus leefde bij jamblichüs, Vila Pj/tkagorae, s. 12. Wellicht
is het bericht wat levendiger door Jamblichüs gekleurd, doch
zeker niet onwaar. Apollonius is over \'t geheel nuchteron en
droog, niet opgewonden en overdreven.
5)    Bl. 106. jamblichüs, Vila Pythag. s. 14.
r\') Bl. 160. HEBODOTrS, II, 41.
~\') Bl. 10S. Ook de voorwaarde der besnijdenis, voor do
Grieken iets vreeselijks. Heeodotüs , II, 37: „Do Egyptenaren
besnijden de schaamdeolen, om der zuiverheids wille; hooger
achtend zuiver, dan fatsoenlijk ie zijn."
-ocr page 219-
1
£03
AANTEKKEN1N0EN.
8) BI. 168. Ook aan de besnijdenis, clemens alex. Strom.
I, 15, p. 354.
°) BI 169. \'0 ïtqbt Xóyos.
10) BI. 170. PoRpirrnirs, Vila Pylhag. s. 11, 12. Straks zal
ik ook uit Diogenes een getuigenis aanhalen, dat Lij do Ara-
bieren heeft opgezocht.
") BI 171. Vooral do sterrekunde der Babyloniërs toont,
lioe wctenschappelijk-nauwkcurig zij varen. Max dcncker,
G\'srh iUs Jllerthum*, D. I, bl. 225, 226 derde uitg., zegt er
van, met aanhaling van ioelek, Sternkunde der Chaldaer: „De
Chaldeën (Babylonische Wijzen) bepaalden de midden synodische
maand maar vier seconden, do periodischo maar ééne seconde
te groot..... Van de sterrekundige waarnemingen der Chal-
deën beeft Ptolomaeus ons de berekeningen van tien maanver-
duisteringen en drie conjuncties van planeten en vaste sterren
bewaard Do maansverduistering van het jaar 721 vóór Chr. is
zoo nauwkeurig bepaald, dat de berekening der Chaldeën het
begin der verduistering maar ééne minuut te laat, en het mid-
den er van maar zes minuten te vroeg stelde."
,2) Bl. 173. Hippolytus, Re/utat. omnium Hneresium, L. I,
c 2: „Diodorns de Erotriër on Aristoxenus de musicus zeggen,
dat Pythagoras naar Zaratas (Zarathustra Zoroaster) den
Chaldeër is gegaan, en dat deze hem gele rd heeft, dat er twee
beginselen der dingen zijn, vader en moeder, en dat de vader
hot licht is, en de moeder do duisternis," enz Verg. over
Aristoxenus EÖTn, Gesch. unserer Philotophir, D. II, bl 209.
Doch van Diodorus den Erotriër wist ik niets te zeggen. Röth
zwijgt van hem. Fabricius, BihHo>h->ct Gra\'ca, en allerlei woor-
denboeken zwijgen mede. Eindelijk heb ik gevonden, dat G.
BOEFES, in schneidewin\'s Philohgui, D. VII. bl 533 — 535 van
hem spreekt, maar aldus: „Des Eretriers Diodorns gedenkt
meines Wissens Niemand, weder der alten noch der noueren."
Wel wordt melding gemaakt van oen Diodorus den Aspendiër,
zegt Roeper; doch dat Eretriër zou geschreven zijn in plaats
van Aspendiër, is hem niet waarschijnlijk. Voorts weet men,
dat er een Diodorus de Ephesiër, die bij diogenes laërtiüs
VIII, 70 in het loven van Einpodocles voorkomt, bestaan hoeft;
doch meer van hem ook niet Boeper gist, dat men bij ïïip-
polytus wellicht Euiorm in stede van Diodorus moet lezen. Maar
heeft er wel een Eudorus geloefd en deze over Pythagoras
-ocr page 220-
304
ZESDE VOORLEZING.
geschreven, zoo als men bij Roeper zien kan, die heet de
Alexandrijner, niet de Eietriër? Zelf erkent hij dan ook, dat
Diodorns de Erelriër te veranderen in Eudorus de Alexandrijner
nog al wat gewaagd is.
Ik waagde eene andere gissing. Bij atüenaeus, Deipnosoph.
L. X, e. 44, p. 434 B, wordt gesproken van een Diodotus den
Erythreër
, die Dagelijkuche Berigten (Ephmerides) over Aloxanders
leven heeft opgesteld. De verandering van Diodorus in Diodotus
en van Erelriër in Erythreër is zeer gering. Do titel van ftage-
lijks\'he Berigten
schijnt een tijdgenoot van Alexander aan te
duiden. En dan is er ook eene reden, waarom Hippolytus
Diodorus of liever Diodotus, als den ouderen, noemt vóór
Aristoxonus, don leerling van Aristoteles. In elk geval heeft
Diodotus over Alexander geschreven en over Aloxanders dood
te Babel (zie Athenaeus). En dit /; -n hom hebben doon spreken
over andere Grieken, ook over Pythagoras, te Babel. Ik erken,
\'t is niet dan gissing. Maar wellicht komt er, nadat zij is ge-
oppord, eenig licht on waarschijnlijkheid voor deze gissing, die
in elk geval niet stout is. ■— Kort, nadat ik deze gissing open-
lijk liad ui (gesproken, berichtte mij mijn vriend Dr. IJ. P. Okken,
dat hij in den Scholiast op Euripides Troud. vg. 822 (uitgave
van L. Dindorf, T. I, p. 8G2) had gevonden, dat er een Dio-
dorus de Erythreër heeft bestaan, een dichter, wien men o a.
do fUAi>a \'D.iti.s toeschreef.
Volgens nissen en gkueeb, E/icyclop. op het woord Diodotus,
bestaat er eene verhandeling van den geleerden Franc;ois Sevin
(naar cotjetin, Encyclopédie moderne, in V. Séo\'n, geb. in 1682,
gest. 1711), Récherches sur la vie el b s icrUx dn Diodol\', te vin-
den in de Acad. des Inscriptions, T. XIX; maar noch in dat,
noch in eenig ander doel der Acadé\'iiie heb ik, ondor de velo
stukken van Sóvins hand, die verhandeling van hom kunnen
vindon.
1:i) BI. 173. clejiens alex. St>-om. I, p. 357: „Alexander
verhaalt in zijne schriften over do Pythagoreërs, dat Pythago-
ras de leerling is geweest van Zaratus den Assyriër." Kort te
voren zegt Clemens, dat Pythagoras zich heeft beijverd met
Zoroaster, den Magiër, don Porsicr, om te gaan.
14) BI. 173. Volgens do aanhaling van den Nieiiw-Pythago-
reër poephybius, Vila Pythag. s. 12. Over Diogenes zie men
Röth, bl. 275.
-ocr page 221-
205
AANTEEKENINGEN.
,5) BI. 173. POEPHTKirs, Vita Pgthag. s. 11.
»•) BI. 174. böth, bl. 344, 345.
") Bl. 175. stbabo, Geogr. XVI, 1.
\'8) Bl. 175. Zie pobphyeiub, Vita Pj/thag. s. 6, 12; verg.
eöth, bl. 350, en üippolytcs, Rs/ut. omnium haeres. L. I, c. 2.
,!\') Bl. 170. Natuurlijk is het mij niet onbekend, dat vele
geleerden thans Zoroasters leeftijd veel ouder stellen, dan ik
hier doe. De gronden voor mijne zienswijze vindt men Waarh.
ia Liefde
1869, bl. 261—275.
20) Bl. 176. De phitiarisis, luizczickte.
2\') Bl. 178. cicEüo, Tuie. Qvaesl. V, 3. Ook jamblichtts,
Vita Pgth. s. 44, verhaalt do hoofdzaak: „Hij betitelde zich met
den naam van wijsgeer, in stede van dien van wijze."
2\'2) Bl. 180. dicaeaechus , een leerling van Aristotoles, bij
pobphyeius , Vita Pythag. s. 18.
2:l) Bl. 180. Uitvoeriger gaf ik don inhoud dezer toespraken
boven op bl. 14.
**) Bl 181. jAMBLicnus, Vita Pythag. s. 53.
2r\') Bl. 184. eöth, bl. 810—813.
2r\') Bl. 185. eöth, bl. 085—087.
2f\') BL 190. De Grioksche Oudheid bewonderde reeds deze
Otildun Spreuken grootelijks. Er bestaat onder anderen nog oene
breedvoerige uitlegging van, door Ilieroelos, een leoraar te
Alexandrië, die in do vijfde eeuw biocide, nagelaten. De beste
uitgave er van is die van r. a. a. mvi.lachius, Ilieroclix in au-
revm Pgthagoreorutn carmeu comnientariu*, Berul
1853. De hier
gegeven vertaling is van wijlen mijnen vriend Mr. T. P. ïres-
ling. Ik nam haar ook op in mijne Geschiedenis der opwdmg,
D. II, bl. 138; doch heb haar nu weder nagezien en voel ver-
anderd, ook naar een paar kritische verbeteringen van eöth,
bl. 220—222 dor Noten. Voorts merk ik op, dat niets door mij
is overgeslagen. Gelijk ik do Galden Spreuken geef, zijn ze van
rythagoras\' hand of school afkomstig; ze zijn geen bloemruiker,
door een ander uit een tuin van kruid en onkruid zamengez,oclit.
*\') Bl. 191. Verg. boven bl. 180.
w) Bl. 191 eöth, bl. 970.
20) Bl. 195. Intusschen moet ik opmerken, dat, hoe aller-
vooi\'trcfl\'elijkst door Böth de lotgevallen van Pythagouas zijn in
het licht gesteld en do wetenschappelijke inzichten van Pytha-
goras ontwikkeld, Eöth toch geen rechten zin heeft voor het
-ocr page 222-
206                               ZESDE VOORLEZING.
religieusc gemoedsleven van Pythagoras en voor zijne vooral
van de paedagogische zijde zoo belangrijke wijsbegeerte Niet
dat liij deze niet kent en erkent; maar hij, de kamergeleerde,
heeft geenen daarvoor recht ontwikkelden zin. Het gebedsleven
van Pythagoras wordt bij hem opgevat als eene uitoefening van
eeredienst; de wijsbegeerte als een streven naar wetenschap.
Daarom ziet hij niet het profetische in Pythagoras, noch zijno
verwantschap mot Isracls Profeten (bl. 388—390), en legt hij
het woord philosophos uit, alsof hot een b^geei-ige naar weten-
schap boteckendo (bl. 340). Veel beter dan Kölh kenmerkt
MAX dunckek Pythagoras {/)**•-&. dra AlUrlh. D. IV, bl. 571,
2de uitg ): „Niet zoozeer als leeraar eener nieuwe wijsheid,
maar als verkondiger eener nieuwe religie en eons nieuwen
levens, als een ingewijde in de geschiedenis des homels, trad
Pythagoras in Croton op." Ook voor \'t geen ik van Pythagoras\'
beteekonis in de wereldgeschiedenis zeg, heeft Ptöth den regten
blik niet. Hoe zon hij dien kunnen hebben, daar hij Gods
openbaring ontkent P Hoe veel ik dus aan Höth verschuldigd
ben, gelijk ik altijd dankbaar heb erkend, zijn wij toch geene
geestverwanten, en ik heb mijne gronddenkbeelden volstrekt
niet nit hem. Plato, over wien Röth niet handelt, is het
eigenlijk, door wiens menigvuldig beroep op Gods openbaring
mij eindelijk de oogen zijn opengegaan, om te zien, dat de
Grieksche wijsbegeerte Gods openbaring tot grondslag heeft.
3") Bl. 197. Er zijn ook vele berichten of geruchten bij de
Kerkvaders, dat Pythagoras met een in Eabels ballingschap le-
venden Profeet van Israël heeft verkeerd.
3\') Bl 199. Dit erkent ook Böth enkele malen, b v. bl.
370, 380.
-ocr page 223-
NASCHRIFT.
Toon ik dit derde deel van mijne Geschiedenis der Opvce-
ding
ter perse gaf, was het mijn voornemen veel meer te
leveren, dan ik nu het licht doe zien.
Ik had geene keuze. Mijn gezicht werd te zwak, om
mijne eigene aanteekeningen anders dan met groote inspan-
ning, en dan nog gebrekkig, te kunnen lezen.
Eene enkele opmerking over de hoofdzaak van dit derde
deel van dit werk wil ik nog ten besluite mededeelen.
De vraag, waarover groot verschil tusschen de geleerden
bestaat , is deze , of de eerste menschen autodidacten, dan
wel theodidacten zijn geweest. Hoe vele groote geleerden
nu in de laatste 30 , 40 jaren hen tot autodidacten maken
en dus elke eigenlijke openbaring van God aan het mensch-
dom en met name ook aan Israël verwerpen , toch steunt
hun betoog daarvan alleen op vooronderstellingen. Deze voor-
onderstellingen zijn volgens Kuenen , „ De Godsdienst van
Israël,"
Deel I, bl. 5—15, een der uitnemendste woordvoer-
ders van deze richting, de volgende:
-ocr page 224-
\'208
NASCHRIFT.
„Ons standpunt is, dat tot de voornaamste godsdiensten
de Israëlitische en de Christelijke behooren, niets minder,
maar ook niets meer. De meening, dat zij een bovennatuur-
lijken oorsprong hebben, is ook die van Zoroasler, Boedha en
Mohamed omtrent hunne godsdienst geweest. Het denkbeeld
om onder de voornaamste godsdiensten ook den Israëli!ischen en
den Christelijke!! op te nemen, verdient dan alleen goed-
keuring en toejuiching, wanneer er tusschen deze beide en
al de overige godsdienslvormen geen soortelijk (specifiek)
verschil bestaat.
»De nieuwere godsdienstwetenschap plaatst zich op het
standpunt van onpartijdige waardeering, zoodat zij de na-
tuurlijke vrucht is van de vorderingen in kennis en ont-
wikkcling, van den gehcclen geestesarbeid der Europee^che
menschheid gedurende de laatste eeuw. Voor haar is Israël
evenmin de spil, waarom de geheele wereldontwikkeling
draait, als de planeet die wij bewonen het middelpunt is
van het heelal. Het geloof aan de verkiezing van het Is-
raëlitische volk sluit in zich, dat zijn godsdienst eene geheel
eenige voortreffelijkheid bezit en zoo ver boven alle andere
godsdienst vormen uitsteekt, als Gods werk heerlijker is dan
dat der menschen."
De lange lijst van Kuenen\'s geestverwanten kan men zien
bij F. E. Kö.NiG, Die Hauptprobleme der aUisraëlitischen Heli-
gionsgeschichte qegeniiber den Entwinkelangstheoretikren beleuchtet,
Leipzig
1884, bl. 1 — 3.
Veel kleiner is de lijst van hen, die tegen deze vooron-
derstellingen zijn opgekomen, bij König bl. 108. Op deze
lijst ontbreken echter niet weinigen b.v. J. J. doedes. De
toepassing van de ontwikkelingstheorie niet aan te bei.elen vjor
de geschiedenis der godsdiensten, Utrechti81A,
G. W1LDEBOER,
De Profetie onder Israël in hare grondbeteekenis voor Ohi istendom en
Theologie, Utrecht
1884. Ook vermeldt König niet mijne ver-
handelingen in Waarheid in Liefde. In een kort bestek
-ocr page 225-
209
NASCHRIFT.
bewijst ook j. j. p. yaleton Jr. in zijne Bijdragen tot de kennis en
waardeering van den lsraëlietisclien godsdienst,
geplaatst in liet
Theologisch Tijdschrift Studiën, D. 7 (1881), bl. 1 en 81,
hoe onjuist de redeneeringen zijn der voorstanders der ont-
wikkelingsleer, Hij toont aan , hoe zeer uiteenloopend bij
de Semieten en Indo-germaneii de verhouding der goden
tot de natuur wordt opgevat .... >Terwyl bij de laatsten
de goden geheel in de natuur opgaan en zelf mede tot deze
behooren , is dit bij de Semieten niet aldus. Bij hen zijn
ze transscendenl, staan zij boven de natuur, zijn ze van
deze onafhankelijk en werken ze door haar .... In tegen-
overstelling van het naturalisme der Indogertnaansche gods-
diensten, kan dus aan de Semietische een zeker suprana-
turalisme toegekend worden; wat bij hen alles beweegt,
is niet de physische, maar is de persoonlijke kracht." Hij
gaat voort bl. 8: ,,Wat Israël door zijne Semietische afkomst
van nature bezit, is (echter) bij dit volk komen te staan onder
den invloed van een anderen, d.i. van den waarlijk leven
wekkenden Geest. Wat Israël, gansch anders dan de overige
Semietische volken, geworden is, is het geworden, voorze-
ker op grond van zijn Semietischen oorsprong, maar dit
toch ,.in der Kraft eines neuen, ihr allein eigenen Princips
(baudissin), door „eine Neuthat Gottes" (schradf.r), door
spersönlicho göttliche Offenbarung" (max muller), „Für die
grosse weltgeschichtliche Macht prophetischen Geistes" (welke
Israëls godsdienst in zijne gansche geschiedenis vertoont)
»gibt es keine irdische Quelle, und nur eine Anschauung der
göttlicher Weltregierung, welche eine wahrhafte Ollenbarung
des göttlichen in die Menschlieit hineinsetst, vermag die
selbe auf zu finden und zu begreifen" (dif.stel). Bl. 18
wordt nog door Valeton opgemerkt, dat er een overblijfsel
van het monotheïsme te zien is bij de Heidenen in het
Noodlot, het Fatum , iets dat boven alle Goden staat, doch
dat dit niet wordt gevonden bij Israël.
-ocr page 226-
210
NASCHRIFT.
Nog iets eigenaardig is er daarin op te merken, namelijk,
dat bij Israël nooit eene spitsing van Javeh in eene mannelijke
en vrouwelijke godheid heeft plaats gehad , terwijl zij altijd
bij de andere volken wordt aangetroffen.
Belangrijk is, wat König aanhaalt uit den grootsten ge-
schiedvorscher en geschiedschrijver van onzen tijd, leopold
ranke, Weltgeschichte, Deell, bl. 30 en volg.: „Die Idee von
Jehovah ist nicht ctwa aus Naturdienst entsprungen . sie ist
ihm entgegen gesetst." 131. 38 : „Tn dem einfachen Fortgang
eines nationalen Naturdienstes hiitte es keine Geschichte
des Menschengeslechtes gegeben. üiese gewinnt eist in
dem Monotheïsmus , der sich von dem Naturdienst los reist,
Grund und Boden." König merkt bl. 108 op, dat bij deze
voorstelling der Isiaëlietische godsdienslgeschiedenis ook de
lang geoefende en wijde blik van een man als Leopold
Ranke vast is blijven staan , toen hij er over nadacht, hoe
hij den draad der geschiedenis van Israël in het weefsel van
de ontwikkeling der menschheid zoude invlechten
DRDKFOU T.
Bl 145 regel 15 in plaats van trouw te lezen ivordt.
d. /6 y/