-ocr page 1-
WET
van 2 Oetober 1893 (Staatsblad no. 149)
*
TOT HEFFING EENER BELASTING OP
bedrijfs- en andere inkomsten,
TOEGELICHT
DOOR
E. FRANKEN,
5
Inspecteur der Mr. bel., irw. en ace.
HELDER. - C. DE BOER Je.
1894.
-ocr page 2-
vnm I /
3«5
I. oct.
:
-ocr page 3-
WET VAN 2 OCTOBER 1893 (STAATSBLAD No. 149)
TOT HEFFING EENER BELASTING OP BEDRIJFS- EN
ANDERE INKOMSTEN.
-ocr page 4-
Dit werk wordt gesteld onder de bescherming der wet van
28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).
"\'"<\'::\':\'.,.\'- fes IX
iM -Tvu \'<"•#< /^
-ocr page 5-
Jf°I6ö¥
WET
van 2 October 1893 (Staatsblad no. 149)
TOT HEFFING EENER BELASTING OP
bedrijfs- en andere inkomsten,
TOEGELICHT
DOOK
E. FRANKEN,
Inspecteur lier dir. bel., inv. en ace.
HELDER. - C. DE BOER Jb.
1894.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
VOORBERICHT.
"Wij zullen niet beweren, dat met de verschijning van dit
reeds vroeger aangekondigd werk in eene bestaande behoefte
wordt voorzien, maar vleien ons alleen, dat het door vorm en
inrichting aan de eischen van een praktisch handboek zal be-
antwoorden. Bij de bewerking is in hoofdzaak gebruik ge-
maakt van de Bijlagen en Handelingen der Staten-G-eneraal,
zonder na te laten den tekst der wet nog door aanteekeningen
te verduidelijken. Met de opname van eenïge bijlagen, waar-
onder uitgewerkte tarieven en een alphabetisch register, zal,
naar wij vertrouwen, de bruikbaarheid van het werk zijn ver-
hoogd. In de Inleiding wordt een beknopt overzicht gegeven
van den inhoud der wet, met eene geschiedkundige verklaring
van enkele onderdeelen, welke op de artikelen eene minder
geschikte plaats konden vinden.
De taak, den ambtenaren voor de uitvoering der wet opge-
dragen, zal zonder twijfel hunne volle aandacht vorderen, ver-
zwaard als zij is door eene in vele opzichten ondoeltreffende
techniek. Het administratieve talent der belastingplichtigen is,
naar onze meening, wat al te veel overschat, want wij durven
voorspellen, dat er van eene behoorlijke invulling der aan-
giffcen niet veel terecht zal komen. De fout ligt trouwens ook
reeds in de wet met hare zonderlinge op theoretische gronden
berustende onderscheiding van biljetten A en B, waarvan het
-ocr page 8-
VI
eerste vragen bevat, die in ons oog al heel weinig waarde
hebben. Wij kunnen ons niet losmaken van het denkbeeld,
dat men hier een wanhopigen greep in het wilde heeft gedaan.
Dit is de eenige critiek, welke wij ons veroorloven, zonder
overigens te kort te doen aan den eerbied voor het talent
en de werkkracht, die de samenstelling dezer wetgeving hebben
vereischt.
Amsterdam, April 1894.
E. FRANKEN.
-ocr page 9-
INHOUD.
Blzz.
Inleiding...............1—50.
Tekst der wet.............51—94.
Tekst der wet met aanteekeningen (de §§ in
margine der artikelen verwijzen naar de instruc-
tie, bijl. A).............95-246.
A.    Instructie tot uitvoering der wet (verkorte
aanduiding I. B.) . . . . •......247-282.
B.    "Wet tot instelling van colleges van zetters . 283 — 290.
C.    Koninklijk Besluit, houdende bepalingen
omtrent de commissiën van aanslag .291—292.
D.    Koninklijk Besluit, houdende bepalingen
omtrent de raden van beroep . . . .293 — 296.
E.    Wet op de invordering van \'s rijks directe
belastingen.............297-306.
Tarieven................307-315.
Alphabetisch register............316 — 320.
NB. Bij Harer Majesteits Besluit van 21 April 1894, n<>. 11 (Verz. no. 41), is
o. a. bepaald, dat de provinciale inspecteurs, de controleurs en de adjunct-
controleurs der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, met in-
gang van 1 Mei 1894, den ambtstitel voeren van directeurs, inspecteurs
en adjunct-inspecteurs. Het afdrukken van dit werk was reeds te ver
gevorderd, om met die gewijzigde titulatuur rekening te kunnen houden.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
INLEIDING.
I.
Met de invoering der belasting op bedrij fs- en andere in-
komsten zal, in aansluiting met die op het vermogen, na
herhaalde vruchtelooze pogingen, de inkomstenbelasting in
werking treden. Daarmede is in de fiscale wetgeving een
ommekeer tot stand gebracht, waarvan ternauwernood een
tweede voorbeeld in de geschiedenis der belastingen is te vinden.
Ofschoon men van meening kan zijn, dat met deze belastingen
een te zware last over te weinig schouders wordt verdeeld en
in de toepassing te veel verborgen zal blijven, wat tot ongelijken
druk moet leiden, toch is aan de hervorming de lof niet
te onthouden, dat zij eène verschikking van lasten beoogt,
waarbij het beginsel van draagkracht — zonder die draag-
kracht zelve te wijzigen — meer op den voorgrond is gekomen.
Tegenover de nieuwe belastingen, met inbegrip van de ver-
hooging van den gedistilleerdaccijns, staan de afschaffing en
vermindering van andere heffingen. De accijns op de zeep is
verdwenen, die op het zout verlaagd van fè tot f 3 per 100 KG.,
de rechten op overdracht van onroerende goederen gebracht
van 6.27 % op 2.15 %, de grondbelasting der ongebouwde
eigendommen, dooreengenomen 7 % van de belastbare opbrengst,
thans bepaald op 6 °/0, het patentrecht vervallen en de af-
schaffing der tollen op vaarten en wegen in uitzicht gesteld.
Al wenscht men ook niet gerekend te worden tot hen, die
onder elke omstandigheid, de zoogenaamde mutatierechten eene
-ocr page 12-
2                                        Inleiding. .
belasting „op het ongeluk" noemen, of in het patentrecht eene
aanranding hebben gezien van het „droit du travail", zoo zal
er niettemin, indien de schatkist het aequivalent ontvangt van
hetgeen is opgeofferd, reden te meer zijn, de. financiëele her-
vorming toe te juichen, omdat in de wijze van heffing de
fiscale „hardheden" en „goedertierenheden" meer zullen wor-
den vermeden. *).
"Weliswaar wordt aan het begrip eener inkomstenbelasting
eenig geweld aangedaan, omdat bij de vermogensbelasting niet
het inkomen, maar het vermogen object der belasting
is, waardoor het geval zich zal kunnen voordoen, dat belasting
wordt gevorderd, zonder genot van inkomsten, doch de Minister
rechtvaardigde dezen maatstaf met eene herinnering aan de
groote ongelijkheden, welke bij de beleggingen worden waar-
genomen en ontwikkelde zijne inzichten in de volgende be-
woordingen:
„Ten eerste. Er zijn bezittingen die veel en andere die
weinig rente geven. Hooge rente gaat veelal gepaard met
minder soliditeit, maar de waardeering der soliditeit loopt zeer
uiteen. Lage rente kan geacht worden eene vergoeding te
vinden in kans op rijzing van de waarde der bezitting, maar
die kans wordt verschillend beoordeeld".
„Het is niet duidelijk, hoe by al die verscheidenheden de
billijkheid kan worden betracht, tenzij tot regel worde aange-
nomen, dat over gelijke vermogens gelijke sommen worden
betaald, om het even, welke inkomsten zij verschaffen, of
verwacht worden te zullen verschaffen".
*) Raming van de opbrengst der
vermogensbelasting..................f 8.675.000
bedrijfsbelasting....................- 4.650.000
verhooging van den gedistilleerdaccijns............ 1.200.000
totaal . . . f 14.525.000
Het verlies wegens afgeschafte en verminderde heffingen te stellen op:
zeepaccijns.....................ƒ 2.005.000
zoutaccijns......................- 2.500.000
registratie, en hypotheekrechten.............- 4.336.000
grondbelasting....................- 960.000
patentrecht.....................- 4.650.000
totaal . . . f 14.451.000
In het verlies van het patentrecht zal moeten worden voorzien door de op-
brengst der bedrijfsbelasting, waarvan eene gemotiveerde raming den Minister
niet mogelijk bleek.
De tollen op vaarten en wegen wachten nog op afschaffing. Daarbij zijn tal
van moeielijkheden uit den weg te ruimen. De intusschen bekend geworden
opbrengst der vermogensbelasting, welke ƒ 1.800.000 beneden de raming is ge-
bleven, draagt er waarschijnlijk ook toe bij den Minister minder toeschietelijk
te maken, alvorens de middelen tot dekking zijn gevonden.
-ocr page 13-
3
Inleiding.
„Ten tweede. Aan fondsen met hooge rente wordt meestal
de voorkeur gegeven door kleine kapitalisten. Zeer kieskeurig
te zijn in hunne beleggingen, hoe wenschelijk het hun moge
voorkomen, is hun dikwerf niet mogelijk".
„Hoe grooter daarentegen het kapitaal, des te geringer is de
behoefte aan hooge rente. Het inkomen en niet het kapitaal
tot maatstaf te nemen, zou stellig eene bevoordeeling zrjn van
den meer- tegenover den mindergegoede".
„Ten derde. Terwijl de rente onveranderd blrjft, kan het
kapitaal in waarde veranderen. Néémt men het inkomen tot
maatstaf, zoo heeft deze waardeverandering geen invloed op het
cijfer der belasting. Anders daarentegen, wanneer het kapitaal
tot maatstaf wordt genomen. Dan wordt de belastingdruk
grooter of kleiner, naar gelang het kapitaal in waarde toe- of
afneemt, in overeenstemming met hetgeen de billijkheid vordert".
„Op deze drie gronden wordt de gekozen maatstaf niet
alleen de eenvoudigste, maar ook de rechtvaardigste geacht.
Wel kan het geval zich voordoen, dat belasting wordt betaald,
waar inkomen ontbreekt, maar ditzelfde kan plaats hebben
bij toepassing der andere methode, want zoodra er een ach-
teruitgang van waarde is, die de rente overtreft, wordt er in
werkelijkheid geen inkomen genoten, schoon de belasting, in-
dien zij de rente tot maatstaf had, toch nog altijd geheven
zou worden".
„Het kapitaal tot maatstaf nemende plaatst de fiscus zich
op dit standpunt: hij vraagt niet, hoe de belastingschuldige
zijn geld heeft belegd, of bij die belegging soliditeit aan rente,
of rente aan soliditeit werd opgeofferd, of de keus gelukkig
was of ongelukkig in verband met het beoogde doel, hij
constateert alleen de aanwezigheid van een zeker kapitaal en
leidt daaruit de aanwezigheid van een evenredig draagvermogen
af, voor zoover het draagvermogen niet door andere factoren,
die bij eene andere belasting in aanmerking moeten komen,
wordt bepaald. Theoretisch is dit standpunt te verdedigen,
practisch levert het groote voordeelen op en het komt aan
de billijkheid zoo nabij als mogelijk is". (Mem. v. Toel. brj
het ontw. wet Verm.bel.).
En verder nog in antwoord op de bedenkingen in het Voor-
loopig Verslag:
„Wanneer enkele deelen van het vermogen geen rente geven,
blijft daarom het geheele vermogen nog niet onvruchtbaar.
Voor landerijen, die geen pacht opbrengen, huizen, die ledig
-ocr page 14-
4                                        Inleiding.
staan, noodlijdende fondsen, zal men evenzeer moeten betalen
als voor aandeelen, die 10, 20 % dividend geven; maar zal
het dikwerf voorkomen, dat een vermogen enkel uit landerijen,
die geen pacht geven, ledig staande huizen en noodlijdende
fondsen bestaat? Men moet hier ook het eene jaar door het
andere rekenen en een kapitalist is wel zeer ongelukkig, wan-
neer hij dooreengenomen, b.v. over drie of vier jaren, niet
ongeveer 4 % van ZW geld maakt. Gelukt hem dit niet door
middel van de belegging, die hij koos, dan zal hij naar eene
andere belegging omzien en wijs handelen door zoo te doen."
„Neemt men de rente tot maatstaf, zoo komt men voor
allerlei moeielij kneden te staan. De houder van 37a % ^at- Schuld
zal meer betalen dan de houder van 2a/2 %• In soliede effecten
met hooge rente en fondsen, in welker rente een post voor
amortisatie is begrepen, zullen onmatig zwaar worden belast.
Aandeelen in vennootschappen worden meestal zonder bij-
berekening van rente verhandeld; wie bankaandeelen koopt
in April, geniet reeds in Mei het volle dividend; is dit zuivere
rente? Wie ze verkoopt in April mist het dividend over het
afgeloopen jaar. Vindt hij dit in den prijs niet terug? En hoe
de rente te berekenen van bedrijfskapitaal, dat in landbouw-
zaken is belegd? Zullen de landbouwers zelve dit moeten
aangeven? Het is zoo, door naar het inkomen te rekenen
rekent men zuiverder, maar hoe komt men in een groot aantal
gevallen tot de juiste waardeering van het inkomen?" (Mem.
v. Antw. bij het ontw. wet Verm. bel.).
Met de vorenstaande argumenten moge niet elke bedenking
tegen den aangenomen maatstaf zijn weggenomen, toch zal
het geen tegenspraak vinden, dat bij de moeielij kheid der keuze,
de beslissing met gegronde redenen is omkleed. Daarom moet
het eenige verwondering wekken, dezelfde bedenkingen op
nieuw ter sprake te zien brengen bij de behandeling der be-
drijfsbelasting, nadat de vermogensbelasting reeds in werking
was. Dit napleiten zou dan ook als geheel overbodig en doelloos
mogen worden beschouwd, ware er niet in het debat nog een
principieel argument aan den dag gekomen, waarmede de
Minister het ingenomen standpunt met des te meer recht
meende te kunnen handhaven.
Het was n.1. bij gelegenheid, toen voorstanders van eene
verbeterde editie der patentwet de stelling verdedigden, dat
een aanslag mag worden opgelegd naar den omvang en de
beteekenis der beroepen en bedryven en dus naar gelang deze
-ocr page 15-
Inleiding.
5
in meerdere of mindere mate van de Staatsbemoeiing voordeel
trekken. Mocht men de verwerping van deze stelling hebben
vermoed, juist het gedeelte der hier volgende redevoering le-
verde den voorstanders het bewijs, dat slechts over de wijze
van uitvoering van dit denkbeeld verschil van meening bleef
bestaan.
„Te veel wordt voorbijgezien" — aldus de Minister — „dat
aan de oude patentwet, trots al hare gebreken, toch in één
opzicht eene goede gedachte ten grondslag ligt, eene gedachte,
die zij verre overdreef, maar die niet in allen deele verwer-
pelijk is te achten. Die gedachte is, dat in sommige gevallen,
ook dan, als er verlies is, Staat en Gemeente wel degelijk iets
mogen eischen. Zij behoeven niet altijd achteraan te komen".
„De Staat of de Gemeente behoeft niet altijd te vragen, of
er winst is behaald."
„Als ondernemingen aan het Rijk of de Gemeente direct of
indirect uitgaven veroorzaken, dan is het niet meer dan billijk,
dat zulke ondernemingen in ieder geval tot die uitgaven iets
bijdragen. Hoe bereikt men het best dit doel? Hoe betracht
men daarbij de billijkheid? Mij dunkt, door den weg te be-
wandelen, die thans is ingeslagen, n.1. eene vermogensbelasting
te heffen, onverschillig, of er winst is; bedrij fsbelas-
ting alleen, voor zoover meer is verdiend dan 4 %"• *)
Komen wij door deze redeneering tot het besluit, dat hier
de vorm, waarin de betaling moet geschieden, is veranderd,
doch dat de Minister de goede gedachte der patentwet zelve
heeft trachten te bestendigen, zoo ligt daarin tevens de er-
kenning opgesloten eener afwijking van het zuivere begrip
eener inkomstenbelasting, dat niet duldt belasting op te leggen
waar geen inkomen is.
Trouwens, — de connexiteit tusschen de vermogens- en be-
drijfsbelasting buiten twijfel stellende, dan blijkt toch ook in
ander opzicht aan de volledigheid van dat begrip afbreuk te
zijn gedaan, waar in artikel 3, § 7, landbouwinkomsten van
de belasting\' zijn uitgezonderd **). Geplaatst voor de moeie-
*) De vermogensbelasting is eene persoonlijke belasting. Rechtspersonen en
ook buitenlanders vallen er niet in. Wanneer dus — om een voorbeeld te
noemen — eene hier te lande gevestigde naamlooze vennootschap een fabriek
exploiteert, waarvan de aandeelen in handen van buitenlanders zijn. dan mist
het argument zijne kracht. Zoo ook, indien buitenlanders hier te lande exploi-
teeren en geen winst realiseeren.
"*) Art. 3 ziet op natuurlijke personen en bepaalt, wat voor binnen het
Rijk wonenden als winst of belooning geldt. Naamlooze vennootschappen, enz.
-ocr page 16-
6
Inleiding.
lijkheid in de toepassing van een billijken maatstaf, om die
inkomsten te begrooten, en van meening, dat de pacht- en
koopprijzen zich naar de aloude vrijstelling van het patent-
recht hebben geschikt, *) legde de Minister reeds bij de be-
handeling der vermogensbelasting de verklaring af, deze vrij-
stelling in de bedrijfsbelasting te zullen opnemen. Lezen wrj
evenwel in de Handelingen, hetgeen daarover is gesproken, dan
schijnt men in de vrijstelling slechts eene tijdelijke concessie
te moeten zien, door de omstandigheden geboden, welke brj
grooter bloei van den landbouw en bij stijgende prijzen moeie-
lijk zal blijven gehandhaafd.
Mocht dit tijdperk van bloei eenmaal aanbreken, dan kun-
nen wij verwachten, dat de opheffing der vrijstelling bij leven
en welzijn van Mr. Rutgers van Rozenburg niet zonder pro-
test zal doorgaan. Naar diens gevoelen toch is de uitsluiting
van landbouwwinsten geen vrijstelling, doch een recht, ont-
leend aan de omstandigheid, dat de inkomsten uit den grond-
of landbouw reeds getroffen zijn door eene speciale inkomsten-
belasting — de grondbelasting, aan welker amortisatie, als
zakelijke belasting, hij niet gelooft, al ware het alleen, omdat
de theorie hapert, indien landaanwinning plaats heeft bij wijze
van droogmaking, ontginning of bedijking. Landbouw is vol-
gens dezen afgevaardigde niets anders dan het oogsten, het
incasseeren van de renten van het onroerend kapitaal. Hij
dient tot het knippen van de coupon van onroerend vermogen,
en, evenals de landbouwer eens in het jaar de rente van zijn
vast goed oogst, plukt een of tweemaal \'s jaars de kapitalist
„en portefeuille" de vruchten van zijn roerend vermogen. De
landbouw is voor het onroerend, wat de couponschaar is voor
worden dus belast voor de winsten uit landbouwbedrijf. Zoo ook de buiten-
landsche vennooten in Nederlandsche maatschappen (art. Ie, jo art. 6 § 2) en
de in het buitenland gevestigden, waarvan sprake is in art. 6 § 5. Daarentegen
niet de maatschappen (art. 16fi0 en volgg. Burg. Wetb.), omdat de hier geves-
tigde vennooten individueel, dus als natuurlijke personen tegenover de fiscale
wet staan, zooals in het vervolg zal blijken. Over stichtingen, welke het land-
bouwbedrijf uitoefenen, raadplege men de aanteekening op art. 5 § 4.
*) Het daarbij door den Minister ingenomen standpunt laat zich aldus om-
schrijven :
Staat het vast, dat zakelijke belastingen worden geamortiseerd, d. i. drukken
zij gekapitaliseerd den verkoopprijs van een onroerend goed, dan zal ook even-
zeer amortisatie plaats vinden bij langdurig genot eoner vrijstelling, want daarop
is gerekend bij het bepalen van pachten en koopprijzen. Is er depressie op
landbouwgebied, dan zal voor de loopende contracten de oplegging der belasting
des te meer worden gevoeld. Zijn daarentegen de prijzen der landbouwpro-
ducten stijgende, dan zouden eigenlijk de loopende pachten en de koopprijzen
te laag zijn, maar juist dit moment zou gunstig zijn voor de opheffing der vrijstelling.
"
-ocr page 17-
7
Inleiding.
het roerend vermogen en zoolang de eigenaars van effecten
en aandeelen in vennootschappen niet eerst in de vermogens-
belasting worden aangeslagen en daarna voor hun bedrijf van
couponknippen in de bedrijfsbelasting, zóó lang behoort de
landbouwer niet te worden gemoeid in de bedrijfsbelasting,
nadat hij als grondeigenaar reeds is aangeslagen in de ver-
mogensbelasting. Zoo ook de landhuurder. Zijne positie is die
van den geldleener. Huurt deze kapitaal tegen rente, gene
huurt land onder bezwarenden titel. Beiden leenen of beiden
huren. Wordt dus de geldleener niet als zoodanig in de be-
drijfsbelasting betrokken, dan evenmin de landbouwer-huurder.
De aloude quaestie over het karakter der grondbelasting
duikt, zooals men zal opmerken, hier weder op. Die belasting
eene grondrente te noemen door den tegenwoordigen eigenaar
feitelijk niet gedragen, blijft ongetwijfeld een regel met tal
van uitzonderingen, *) maar landbouwwinsten gelijk te stellen
met het bloot realiseeren van coupons lijkt ons eene stelling,
waarvan de logica der verdediging te wenschen overlaat. Een
effect, wat is het anders dan het bewijs, dat de som, daarin
uitgedrukt, werd afgestaan tegen genot van een gedeelte (de
rente) in de winst, welke een ander daarmede tracht te be-
halen? Zoo ook de grondeigenaar. Hij staat zijn eigendom ten
gebruike af tegen genot eener vergoeding, de pacht, door aan-
wending van arbeid op de vruchtdragende kracht van den
bodem verkregen. Indien dus de waarde van het effect heeft
gediend tot het drijven van eene industriëele onderneming,
waarvan het winstcijfer, na aftrek van 4 % voor net, bedrijfs-
kapitaal, in de belasting wordt betrokken, welke reden kan
er dan zijn dit na te laten ten opzichte van de winsten van
den pachter boven 4 % ? En maakt het verschil, als eigenaar
en landgebruiker in denzelfden persoon zijn vereenigd? Zeker niet.
Ook de meerderheid der Commissie van Rapporteurs verzette
zich tegen de vrijstelling. „Ik zal alleen de situatie, zooals wij
*) In de Memorie van toelichting bij het ontwerp-wct op de grondbelasting
zegt de Minister:
«Het komt ondergeteekende voor, dat deze beide wetten — nul, die van
25 April 1879, Stbl. no. 89, en van 31 Dec. 1592, Stbl. no. 315 — meer zeker-
heid aan het karakter der grondbelasting hebben gegeven. Mocht vroeger aan-
leiding hebben bestaan, om in deze belasting een soort van grondrente te
zien, een nagenoeg vast bedrag in geld, slechts onder zeer bijzondere omstan-
digheden voor wijziging vatbaar, thans is aan die opvatting alle steun ontnomen.
Het is niet langer voor tegenspraak vatbaar, dat de grondbelasting, afd. onge-
bouwde eigendommen, naar de Nederlandsche wet eene zakelijke belasting is,
klevende op het landbezit....."
-ocr page 18-
8
Inleiding.
ons die voorstellen, zeide haar "Voorzitter, de Heer Van Houten,
klaar schetsen door het introduceeren van een nieuwen
persoon, die, voor zoover ik weet, nog niet genoemd is, n.1.
den zetboer. De arbeid van den zetboer vertegenwoordigt in
het landbouwleven datgene, wat de eigenaar-landbouwer zelf
doet; zijn inkomen vertegenwoordigt het deel van het inkomen
van dien landbouwer, dat zijn arbeidsloon vertegenwoordigt.
Indien men hem vergelijkt met den pachter, is het onderscheid
tusschen hem en den pachter voornamelijk hierin gelegen, dat
de een heeft een wisselvallig inkomen en de ander een vast".
„Nu is er niemand geweest, die de vrijstelling van den zet-
boer heeft verdedigd. Er wordt dus ook inderdaad in het
landbouwbedrijf eene winst behaald, die niet op eenigerlei wijze
is terug te brengen tot de inkomsten, uit den eigendom van
den grond zelf."
„Datgene wat uit den arbeid, gericht op de feitelijke uitoefe-
ning van het landbouwbedrijf, als arbeidsinkomen wordt ver-
kregen, moet, ons inziens, onder de belasting vallen; het is
volstrekt niet een doublé emploi; het is geen belasting, die
den landeigenaar als zoodanig treft."
Intusschen — een amendement door den Heer Poelman
voorgesteld, om § 7 (§ 8 van het ontw.) van art. 3 in te trekken,
kon de goedkeuring der Kamer niet verwerven en werd ver-
worpen met 73 tegen 20 stemmen. In die verwerping zie men
evenwel meer eene erkenning van de moeielijke tijdsomstan-
digheden, waarin de landbouw verkeert, dan van de juistheid
der „theorie van de couponschaar", zooals de Heer Tydeman
het betoog van den Heer Rutgebs zeer eigenaardig noemde.
Mag alzoo door de vrijstelling van landbouwwinsten *) het
gebouw der inkomstenbelasting niet geacht worden volledig te
zijn opgetrokken, eene andere bepaling, waaruit blijkt, dat de
grenzen ietwat ruimer zijn uitgezet, dan met eene strikte op-
vatting van het wezen dezer belasting is overeen te brengen,
bljjve daarentegen niet onvermeld.
Wij bedoelen het berekenen van den aanslag over de volle
dividenden van naamlooze vennootschappen, enz. (verg. art. 5,
§ 1, j°. art. lö), zonder aftrek van 4 % van het kapitaal, waar-
voor door aandeelhouders in de vermogensbelasting wordt ge-
contribueerd.
In het eerste ontwerp n.1. was voorgesteld met dezen aftrek
\') De vrijstellingen zijn overigens geregeld in art. 8, terwijl de grens, waar
de belastingplicht aanvangt, is af te leiden uit de tarieven in art. 9.
-ocr page 19-
Inleiding.                                          9
rekening te houden, om dubbele belasting te vermijden. Daar-
gelaten nog de wijze, waarop men dezen aftrek zou behooren
toe te passen, hetzij op het gestorte kapitaal, hetzij op de
beurswaarde der aandeelen, wees het Voorloopig Verslag er op,
dat eene dergelyke reductie niet gemotiveerd scheen: 1°. waar
de aandeelen in het bezit zijn van vreemdelingen of van de
doode hand en 2°. wanneer de eigenaars beneden het minimum
der vermogensbelasting blijven. Ziet men verder ten opzichte van
de werking dezer wet in de naamlooze vennootschap slechts het
in gemeenschap gebrachte kapitaal der verschillende aandeel-
houders, dan schijnt uit een oeconomisch oogpunt aansluiting
met de vermogensbelasting gewenscht, en de aftrek van 4 %
een eisch der billijkheid. *) Plaatst men zich echter op juri-
disch standpunt, dan is zij een zelfstandig handelspersoon
met eigen vermogen, afgescheiden van dat der aandeelhouders
en deze opvatting laat toe, om de dividenden te beschouwen,
als de winsten der vennootschap, waarbij elk verband van die
dividenden met de vermogens der aandeelhouders vervalt.
Waren deze participanten of firmanten en dus aansprakelijk
voor de schulden en verliezen, de zaak zou anders zijn, maar
juist die aansprakelijkheid is beperkt tot het aandeel. Behalve
dezen rechtsgrond pleiten voor den niet-aftrek ook utiliteitsrede-
nen, omdat eveneens het patentrecht het volle dividend in aan-
slag nam, bovendien aan Nederlandsche aandeelhouders in bui-
tenlandsche vennootschappen evenmin reductie wordt toegestaan
en de aftrek allicht tot ontduikingen kan aanleiding geven.**)
De vorenstaande opmerkingen bleven niet zonder invloed.
In de Memorie van Antwoord verklaarde de Minister in het
gewijzigd ontwerp den aftrek te hebben losgelaten. Niet zoo-
zeer het eigenaardig juridisch karakter der naamlooze vennoot-
schap gaf hiertoe aanleiding, maar meer de oeconomische werking
der belasting, waaraan zij onderworpen is, — eene werking, in
dit geval te vergelijken met die der grondbelasting, afdeeling
ongebouwde eigendommen. Evenals de kooper van land de
belasting amortiseert, zal ook de kooper van een aandeel re-
kenen op de belasting, die van het dividend zal worden ge-
heven en die hy dus zal moeten missen. Voor hem regelt
zich de waarde van het aandeel niet naar de winst, doch
*) Een amendement, door den Heer van Karnebeek bij art. 5 voorgesteld
om den aftrek van 4 o/o toe te laten, werd verworpen met 52 tegen 10 stemmen\'
**) In het Ie ontwerp was de belasting voorgesteld op 8.2 o/0 van de winst
boven 4 o/o.
-ocr page 20-
10
Inleiding.
naar het dividend. In dit karakter der patentwet, als za-
kelijke belasting ten aanzien van naamlooze vennootschappen,
wordt by een gelijk percentage (patentrecht 2.56 °/0, bedrijfs-
belasting 2.5 %) geen wijziging gebracht en daarop blijft dus
een bijzondere last kleven, een geamortiseerde last voor de
bestaande en, wat de nieuwe betreft, eene fiscale voorwaarde
aan het gebruik van dezen ondernemingsvorm verbonden.
Alleen de aandeelhouders in de nieuw op te richten vennoot-
schappen zullen eenig nadeel ondervinden, dat echter bij ver-
koop der aandeelen voor de volgende houders niet meer drukt.
Is de belasting laag, dan ligt het voor de hand, dat de amor-
tisatie weinig tastbaar zal zijn. Is zij hoog, dan komt het des
te duidelijker uit, hetgeen de Minister, bij de beraadslaging
in de Eerste Kamer over dit onderwerp, in de volgende zin-
sneden nog nader toelichtte.
„In 1868 heeft Oostenrijk eene zakelijke belasting ingevoerd
van zijne eigen coupons. Van de coupons der metallieken
werd 16 % geheven en niemand zal beweren, dat die belas-
ting nog drukt op degenen, die na 1868 metallieken hebben
gekocht, want ieder heeft er op gerekend, dat hem zooveel
wordt onthouden. Wanneer dit waar is van metallieken,
waarom dan ook niet van aandeelen in naamlooze vennoot-
schappen? Wanneer de belasting van 16 % °P de coupons
der metallieken den tegenwoordigen houders niets kost, waar-
om zal dit dan wel het geval zijn met de 2.56 % patentrecht
van het dividend der naamlooze vennootschappen? Dat de
stukken zoo dikwijls van hand tot hand gaan, is eerder een
argument vóór dan tegen mijne theorie. Hadden die stukken
geen beurswaarde, dan zou de juistheid der theorie nog in
twijfel kunnen getrokken worden; doordien zij een zeer ver-
handelbaar artikel zijn, regelt zich hun koers naar het netto-
inkomen, dat zij verschaffen."
„Tevens echter is nu de grens aangegeven, die men bij de
belasting der naamlooze vennootschappen heeft in acht te
nemen, wat het Rijk betreft. Men moet zich houden aan het
bestaande. Mijn voorstel luidde, om iets minder te nemen
(2 %) en wel me* ne* °°g °P nieuw °P te richten vennoot-
schappen, ten aanzien van welke de theorie niet van toepas-
sing is. De Tweede Kamer echter bracht het percentage op
2Vs % (het opeentenartikel werd ook ingetrokken) en ik legde
mij daarbij neder. Hooger echter zou men niet mogen gaan.\'\'
-ocr page 21-
Inleiding.                                     11
II.
De vraag, of de enkelvoudige vorm eener inkomstenbelasting
niet te verkiezen ware geweest boven den tweeledigen, is in
de Bijlagen en Handelingen over en weer in den breede be-
handeld. Had de Minister bij de indiening der vermogensbe-
lasting reeds dadelijk daaromtrent zijn standpunt te verdedi-
gen, in de discussiën over de bedrij fsbelasting, toen het ge-
heele samenstel beter kon worden overzien, werden de voor-
en nadeelen op nieuw gewikt en gewogen.
Ofschoon — te oordeelen naar den totaal-indruk van het
verhandelde — de splitsing meer berust op parlementaire tak-
tiek, achten wij het niet zonder nut kortelijk de daarvoor door
den Minister gebezigde argumenten in herinnering te brengen.
Wij bepalen ons tot een drietal hoofdpunten.
Het eerste en meest gewichtige argument, voor de splitsing
bijgebracht, moet worden gezocht in de mogelijkheid, om ten
opzichte van de bedrij fsbelasting, aan de gemeenten de lang
gewenschte gelegenheid te kunnen verschaffen, de elders wo-
nenden (de z. g. forenses) te treffen, die, hoewel voordeelen
trekkende uit en genietende van tal van werken en inrichtin-
gen van publiek nut, zich door hun absentéisme onttrekken
aan de bijdrage, die in billijkheid tot stijving der gemeente-
kas, van hen mag worden gevorderd. Dat doel is langs twee
wegen te bereiken. Men kan de belastingplichtigen aanslaan
ter plaatse, waar zij hun bedrijf uitoefenen of ter plaatse waar
zij wonen. In het eerste geval zal slechts btf de wet aan de
gemeenten het recht van opcenten-heffing behoeven te worden
toegestaan, in het tweede geval kan die heffing van wege het
Eijk plaats hebben, ten einde de verdeeling naar wettelijke
regelen te doen geschieden, opdat aan elke gemeente het be-
drag worde uitgekeerd, waarop zij rechtens aanspraak kan
maken. In hoeverre nu de gemeenten bij die opcenten baat
zouden vinden, waar, met het oog op de hooge grens dervrij-
stelling en den laagsten aanslag van /"l, de geheele opbrengst
in de meeste gemeenten zeer onbeduidend zal zijn, werd door
den Minister in het volgende bloot rekenkunstig voorbeeld ver-
duidelijkt.
Stel, dat men wil heffen van het inkomen boven f 200 en
80 opcenten noodig oordeelt. Dan zou men kunnen beginnen
met al degenen, die van f 200 — /" 600 inkomen hebben, boven
welk cyfer de rij ksbedrij fsbelasting begint, te onderwerpen aan
-ocr page 22-
Inleiding.
12
eene belasting van 80 percent van het tarief, dat geheven
wordt door het Rijk. Dit tarief op 2 % stellende, wordt dus
1.6 % van de kleine inkomens en men belast dan:
f 300 met f 1.60
n 400 „ „ 3.20
„ 500 „ „ 4.80
„ 600 „ „ 6.40
Degenen, die bij het Rijk niet zijn aangeslagen, zijn dus
zoodoende belast, en hetzelfde behoort men te doen, ten aan-
zien van hen, die wel zijn aangeslagen. Van deze heft men
daarom ten eerste opcenten en ten tweede eene vaste som,
welke bedragen zal 1.6 % van /"400 — het verschil tusschen
f 600 en f 200 — dus f 6.40. Op gelijksoortige wijze zjjn
de bezwaren te ondervangen, ontleend aan het niet betrekken
der landbouwwinsten in de bedrijfsbelasting, want naar de be-
doeling van het voorbeeld zullen de gemeenten met 1.6 %
ook de vrijgestelde inkomsten (landbouw, enz.) moeten belas-
ten. Overigens zou, bij eene eventuëele wettelijke regeling
van dit onderwerp, gelet behooren te worden op de omstan-
digheid, dat de tarieven, naar welke het bedrijfsinkomen wordt
getroffen, in vele gevallen verband houden met de aangiften
voor de vermogensbelasting. Zooals de Heer Roëll bij de be-
raadslaging opmerkte, is dit verband ten opzichte van het
Rijk consequent. Het Rijk heft vermogens- en bedrij fsbelasting
en dus moet het zorgen, dat het niets verliest van wat het
toekomt, noch wat het belastbaar bedrag, noch wat het cijfer
der belasting zelve betreft. Tegenover de gemeenten is dit
echter geheel anders. De ééne gemeente kan recht hebben
op een deel der vermogens- en de andere op een deel van
de bedrij fsinkomsten. Maar wat heeft b. v. de gemeente
Amsterdam te maken met de vraag, of een persoon, die daar
zyne winst maakt, doch elders woont, al dan niet in eene
andere gemeente in de vermogensbelasting is aangeslagen?
Dit is onverschillig. Amsterdam maakt aanspraak op een deel
der winst uit het bedrijf, dat binnen de gemeente wordt uit-
geoefend en waarvoor het zich offers getroost. Gesteld echter,
dat die gemeente later opcenten wenscht te heffen op de be-
drijfsbelasting, zoo zou het haar ten goede komend bedrag zijn
gebaseerd op eenen aanslag, waarbij rekening werd gehouden
met de vraag, of de aangeslagene, die elders woont, al dan
niet in de vermogensbelasting is aangeslagen\' en daarmede
heeft Amsterdam niets te maken.
-ocr page 23-
Inleiding.
13
Als tweede motief ten gunste der splitsing noemde de
Minister het voordeel eener meer deugdelijke heffing. De ver-
mogensbelasting toch vordert eene andere regeling dan die op
inkomsten uit beroepen en bedrijven. *) Voor de toepassing
van de eerste beschikt de Rüksadministratie over gegevens,
die ten deele reeds dienen als controle op de aangiften voor
het recht van successie. Terwijl de ambtenaren der registra-
tie met die gegevens op bekend terrein staan, zou hun daar-
entegen het heffen eener bedrijfsbelasting bezwaarlijk kunnen
worden opgedragen. Daarbij treedt bekendheid met toestanden
op het gebied van het maatschappelijk leven, van handel en
nijverheid meer op den voorgrond^ waarmede de ambtenaren
der directe belastingen — voorgelicht omtrent de bedrij fsin-
komsten door commissiën van aanslag — dagelijks in aanra-
king komen. De splitsing beantwoordt alzoo het meest aan
de inrichting der Rijksadministratie en wordt geacht den bes-
ten waarborg te geven, dat voor elke heffing de krachten wor-
den bestemd, die daartoe het meest geëigend zijn.
In de derde plaats wees de Minister er op, dat bij splitsing
het vermogen langs eenvoudigen weg hooger kan worden be-
last dan de inkomsten uit arbeid, waarmede in zooverre even-
zeer het voordeel. wordt bereikt als bij de toepassing eener
gescheduleerde inkomstenbelasting. Weliswaar ontmoet de
regeling eener behoorlijke progressie bezwaar, omdat bij de
afzonderlijke deelen geen rekening kan worden gehouden met
twee belangrijke factoren, welke op de draagkracht van groo-
ten invloed zijn, n. 1. plaatselijke gesteldheid en getalsterkte
van het gezin, doch eene goede progressie vordert niet per se
haar te leggen in elke wet in \'t bijzonder, maar wordt even-
eens verkregen, indien zij het kenmerk is van het geheele
stelsel. Om die reden is de voorkeur gegeven aan * eene her-
ziening der wet op de personeele belasting, met het doel daar-
bij de beide genoemde factoren te doen gelden. **) In dit op-
zicht zullen dus de vermogens- en bedrij fsbelasting met de per-
soneele belasting als een geheel moeten worden beoordeeld.
Met terzijdestelling echter van dit punt bleef te onderzoeken,
of bij lager belasting van bedrij fsinkomen tegenover vermogen
en in gevallen van gemengde inkomsten uit vermogen en
*) Vermogens beneden f 18000 vallen, tot inkomsten herleid, ook in de
bedrijfsbelasting, Verg. art. 8, § 8.
**) Het denkbeeld om de personeele belasting als zelfstandige heffing af te
staan aan de gemeenten, zal bijgevolg wel niet tot uitvoering komen.
-ocr page 24-
14
Inleiding.
arbeid te zamen, progressie zou zijn te verkrijgen. En verder,
of eene progressie mogelijk is, waar, tengevolge van de split-
sing, twee op zich zelf staande minima bestaan, tusschen welke
verband moet worden gelegd? Bij eene inzage der tarieven,
zooals die thans in beide wetten zijn opgenomen, zal blijken,
dat deze vragen tot eene behoorlijke oplossing zijn gebracht
en dat eene verdedigbare aansluiting is verkregen, waar die
aanvankelijk twijfelachtig scheen.
Indien n.1. tusschen de vermogens- en bedrijfsbelasting
eene verhouding wordt aangenomen van 5 : 3.2, dan zal, bij
eene veronderstelde rente van 4 % en eene heffing van 1.25
per mille van het vermogen, het daaruit verkregen inkomen
zijn belast met 40 : 100 = 1.25 : x d. i. 31/,, %, terwijl bij
eene heffing van 2 per mille het percentage klimt tot 5 %•
Op deze percentages de bedoelde verhouding toepassende, be-
hoort het bedrijfsinkomen belast te worden met 2 % en 3-2 %
en heeft men alzoo, omdat bij de vermogensbelasting de hef-
fing boven f 8000 inkomen (4 % van f 200000) wordt gewij-
zigd, alleen te zorgen, het percentage bij de bedrij fsbelasting
daarmede gelijken tred te doen houden.
Is nu verder — zooals inderdaad het geval is — het vrij ge-
stelde bedrag bij de bedrij fsbelasting hooger dan bij de vermo-
gensbelasting, zoo dient bij de eerste tevens in acht genomen
te worden, dat het verschil der beide cijfers inrekening worde
gebracht bij het bepalen der grens, waar de hoogere percen-
tage toepassing zal vinden en bij het vaststellen van de som,
waarboven de heffing bij gemengde inkomens zal aanvangen.
Hieruit volgt, vermits de aftrek bij de bedrij fsbelasting is ge-
steld op f 600 en die voor de vermogensbelasting op f 400
(4 % van f 10000), dat de grens van f 8000 (4 % van f 200000),
waarbij eene wijziging der heffing intreedt, bij de bedrijfsbe-
lasting moet worden verhoogd tot f 8200. Eveneens is het
duidelijk, dat het onbelaste maximum bij de gemengde inko-
mens moet worden bepaald op /"600—f 400 = ƒ200, aangezien
by de vermogensbelasting reeds f 400 is geleden.
Het aantal tarieven, voor de bedrij fsbelasting samen te stel-
len, moest bijgevolg afhankelijk worden gesteld van het getal
trappen of verschillen in den voet van heffing bij de vermo-
gensbelasting.
Betreft het uitsluitend inkomen van hen, die niet in de
vermogensbelasting zijn aangeslagen, dan volstaat men klaar-
bhjkelijk met een enkel tarief, dat onder A van art. 9 is op-
-ocr page 25-
Inleiding.
15
genomen. De heffing is daarbij in dezelfde verhouding gere-
geld als bij de vermogensbelasting (2 % : 3.2 % = 1.25 %0: 2 %0
of S1/» % : ^ %)i behoudens eenige afwijkingen, welke te zoe-
ken zijn in:
1°. het belasten van de vermogens van f 13000 en f 14000
met een willekeurig te laag cijfer;
2°. de hoogere som van vrijstelling vojor bedrijfs- dan voor ver-
mogensinkomen;
3°. de lagere belasting ter wille van de geringe inkomsten
beneden zeker cijfer; en
4°. de opklimming bij de vermogensbelasting met sommen van
f 40 (4 % van f 1000) en daarentegen by de bedrij fsbelas-
ting met bedragen van f 50 en f 100.
Deze afwijkingen buiten rekening latende, verdient het ove-
rigens opmerking, dat het percentage der heffing, niettegen-
staande tusschen zekere grenzen een gelijk recht wordt gene-
ven, nochtans progressief is. Dit resulteert uit de toepassing
van het Bentamsche stelsel, dat de aftrek eener vaste som
toelaat, waarvan de waarde toe- of afneemt met den omvang
van het inkomen. Neemt men b.v. naar dit stelsel een vas-
ten aftrek van f 600, dan zal van / 4000 en f 6000 a 2 %
de belasting bedragen ƒ 68 en ƒ 108 en dus op het lagere in-
komen 1.7 % worden gelegd tegen 1.8 % °P net hoogere,
terwijl het volle percentage nimmer wordt bereikt.
Beschouwen wij thans de tarieven onder B van art. 9. Zij
zijn drie in getal, omdat, zooals wij hiervoor reeds hebben
opgemerkt, ook de voet van heffing in de vermogensbelasting
verschillend is by f 13000 - f\\ 4000, f 15000 - f 200000 en boven
f 200000.
Wanneer bedrij fsinkomsten gepaard gaan met eene aangifte
voor de vermogensbelasting boven f 200000 (tarief Bc) zal het
wel geene toelichting behoeven, dat het hoogste percentage
van 3.2 % berekend moet worden. In dat geval toch beant-
woordt dat percentage geheel aan de aangenomen verhouding
van 3.2 : 5, als overtreffende steeds het bedrag van f 8000
(4 % van f 200000) f 200.
Bedraagt het vermogen f 15000 tot f 200000 (tarief Bb), dan
blijft het daaruit verkregen inkomen beneden f 8000 en als
zoodanig valt het onder de lagere heffing van 1.25 per mille.
Door de baten uit het bedrijf kan evenwel het geheele in-
komen boven de f 8000 f 200 stijgen, alzoo het punt over-
-ocr page 26-
16                                      Inleiding.
schrijden, waarbij de hoogere heffing van f 2 per mille intreedt,
en daarop behoort gerekend te worden.
Gevolgelijk zal, zoodra het vermogens- en bedrij fsinkomen
te zamen genomen meer dan ƒ 8200 beloopt van het meerdere,
behalve de 2 %, noS een surplus bijberekend moeten worden
van 1.2 %.
Stellen wij iemand met een vermogen van ƒ100000 (=ƒ 4000
inkomen) en een zuiver bedrij fsinkomen van f 6000, dan zou
voor dit laatste de aanslag zijn als volgt:
2% van/"6000........= ƒ 120. -
1.2% „ (ƒ 6000 f 4000) - ƒ8200 = ,, 21.60
-------- ƒ 141.60
Bij een vermogen van ƒ 190000 (= f 7600 inkomen) en een
bedrij fsinkomen van ƒ 800 :
2% van ƒ 800........= ƒ 16. -
1.2 % „ (ƒ 800 ƒ 7600) - f 8200 = „ 2.40
-------- ƒ 18.40
Bij een vermogen van ƒ 30000 (= ƒ 1200 inkomen) een be-
dryfsinkomen van /"4000 :
2 % van f 4000........= f 80.-
1.2% „ (ƒ4000 ƒ1200) - ƒ8200 = „ „.„
. -------- ƒ 80.-
Bij een vermogen van ƒ 20000 ( = ƒ 800 inkomen) een
bedrij fsinkomen van ƒ 10000 :
2% van ƒ10000.......=ƒ 200.-
1.2% „ (ƒ10000 ƒ800) - ƒ8200 = 31.20
--------• ƒ 231.20
Dat in deze voorbeelden de berekening niet overeenstemt met
de uitkomsten volgens het wettelijk tarief*), zal met eene
verwijzing naar de zooeven opgenoemde afwykingen wel geen
nadere verklaring vorderen.
Tarief Ba vereischt na het vorenstaande evenmin verduide-
lijking. Alleen eene schijnbare tegenstrijdigheid valt daarbij op
te merken, n.1., dat de lagere bedrijfsinkomens bij een ver-
mogen van ƒ13000 — ƒ14000 zwaarder worden getroffen, dan
bij een vermogen van ƒ15000 - ƒ200000.
Om dit op te helderen, is het noodzakelijk te herinneren
aan het 2e regeeringsontwerp, dat onder litt. B slechts twee
tarieven opnam, al naar gelang de bedrij fsinkomsten samen
vielen met een vermogen van boven of beneden ƒ200000.
*) Verg. de tarieven, achter dit werk opgenomen.
-ocr page 27-
Inleiding.                                    17
In deze laatste veronderstelling was de belasting voor in-
komsten van ƒ8200 en daarbeneden ƒ2 van elke ƒ100 boven
eene vrijgestelde som van ƒ200, en vermogens van f 13000 en
ƒ 14000 werden dus niet afzonderlijk genomen. Tarief A van
dat ontwerp gold uitsluitend voor bedrij fsinkomsten. Beneden
/"2000 o. a. was daarvan verschuldigd ƒ1 van elke ƒ 50 boven
het vrijgestelde bedrag van ƒ600. Het gevolg dezer regeling
was, dat in vele gevallen minder zou zijn betaald bij eene
aangifte in de vermogens- en bedrijfsbelasting beide, dan bij
eene aangifte in de laatste alleen. Had b.v. iemand bij ƒ12000
een bedrij fsinkomen van ƒ 570, zoo zou volgens het regeerings-
ontwerp over ƒ480 (zie art. 2, § 2 der wet) ƒ570 = ƒ 1050,
de belasting bedragen ƒ9. Bij een gelijk bedrij fsinkomen, doch
ƒ13000 vermogen, was verschuldigd ƒ2 in de vermogens- en
ƒ6 in de bedrij fsbelasting, alzoo te zamen ƒ8.
Bij meerdere inkomsten door grooter vermogen dus minder
belasting. Deze onregelmatigheid lag klaarblijkelijk bij de te
lage belastingcijfers voor vermogens van /13000 en ƒ14000,*)
terwijl geen rekening werd gehouden met het feit, dat ver-
mogens beneden ƒ13000 a 4 %i tot bedrij fsinkomsten herleid,
daarbij worden opgetrokken. Ten einde anomalieën te vermij-
den, als waarvan het gegeven voorbeeld een uit vele geeft, is
bij amendement van Mr. Goeman Boegesius een afzonderlijk
tarief Ba opgenomen, houdende eene eenigszins hoogere be-
lasting voor de lagere bedrij fsinkomsten bij vermogens van
ƒ13000 en ƒ14000. Daarmede is eene fout hersteld, welke zeer
zeker in de praktijk der wet telkens aanstoot zoude hebben
gegeven.
Dat overigens nog combinaties van cijfers zijn te maken met
kleine doch strijdige verschillen in de belasting, is een onver-
nujdelijk gevolg van de sprongen van ƒ50 en ƒ100, waar-
mede de opklimmingen in de tarieven zijn geregeld.
Ten blijke dat niettemin bij het samengaan van vermogens-
en beroepsinkomen eene regelmatige progressie wordt verkregen,
diene nog de volgende tabel uit de Memorie van Antwoord,
overgenomen en in overeenstemming gebracht met de tarieven,
zooals die thans in de wet zijn vastgesteld. Daarbij wordt
verondersteld een beroepsinkomen van ƒ5000, zich voegende
bij vermogens van verschillende grootte.
*) Om de kleine fortuinen een weinigje te ontzien, werd de belasting be-
paald op ƒ2 en ƒ4. Feitelijk behoorde dit te zijn 3 X ƒ1.25 = ƒ3.75 en 4 X
ƒ1.25 = ƒ5, na aftrek van de vrijgestelde ƒ10000.
2
-ocr page 28-
18                                   Inleiding.
EN.
Beroepsinko-
agens
ting.
è $
In
O
O
men met
:s?:ö
Te
percenten
n
4 pet. van het
i-i n
"ê£
zamen.
van het
>
vermogen.
£&
«£
inkomen.
f 25000
f 6000
f 18.75
f 92.00
f 110.75
1.84
50000
7000
50.00
92.00
142.00
. 2.03
75000
8000
81.25
92.00
173.25
2.16
100000
9000
112.50
101.60
214.10
2.38
125000
10000
143.75
113.60
257.35
2.57
150000
11000
175.00
125.60
300.60
2.73
175000
12000
206.25
137.60
343.85
2.86
200000
13000
237.50
149.60
387.10
2.98
225000
14000
287.50
153.60
441.10
3.15
250000
15000
337.50
153.60
491.10
• 3.27
III.
De persoonlijke belasting treft, in tegenstelling van de zake-
hjke, alleen de ingezetenen, somwijlen ook de buitenslands ver-
toevende burgers van den Staat. Zij houdt zooveel mogelijk
rekening met schulden en behoort te letten, zoowel op den
welstand van den belastingplichtige, door toepassing van het
beginsel van progressie, als op factoren, waardoor de draag-
kracht wijziging ondergaat, b.v. de getalsterkte van het gezin.
Met al deze omstandigheden houdt de zakelijke belasting geen
rekening. Zij belast het object, zooals bij de grondbelasting,
zonder te vragen, wie eigenaar is of waar deze zich ophoudt.
Aan de persoonlijke belasting kan men zich onttrekken door
het Rijk te verlaten of verandering te brengen in de levens-
wyze, bij de zakelijke is dit enkel mogelijk, door eene andere
bestemming te geven aan het kapitaal.
Toetst men de bed rijfsbelasting aan deze omschrijving, dan
zien wy in art. 1 der wet het persoonlijke karakter dezer be-
lasting in \'t algemeen op den voorgrond gesteld, doch tevens
eenige zakelijke elementen opgenomen als uitzonderingen op
den regel. De wet vordert n.1. niet uitsluitend belasting van
natuurlijke (physieke) personen, maar zij betrekt daarin ook
naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschappen
op aandeelen, vereenigingen (men denke b.v. aan coöperatieve
-ocr page 29-
Inleiding.
19
winkel- en productievereenigingen, coöperatieve voorschotbanken,
begrafenisfondsen en sociëteiten), maatschappijen, reederijen
en stichtingen. Zij heft belasting, zoo vaak door buitenlan-
ders aan ingezetenen concurrentie wordt aangedaan op Ne-
derlandsch grondgebied of zoo dikwijls zij winst behalen door
participatie in Nederlandsche ondernemingen, met uitzondering
nochtans van buitenlandsche aandeelhouders in Nederlandsche
naam 1 ooze vennootschappen. Winkeliers en andere, in den
vreemde gevestigd, die hier te lande hunne goederen aan de
verbruikers verkoopen en verzekering-maatschappijen, die hier
te lande zaken doen, worden onder zekere omstandigheden
eveneens getroffen. Kortom, onder het bereik der wet vallen alle
bedrijven, beroepen en ondernemingen, die binnenslands worden
uitgeoefend, zonder te onderscheiden, of dit geschiedt door phy-
sieke of door rechtspersonen, door ingezetenen of door vreem-
delingen *) Zij gaat nog verder en onderwerpt bovendien aan
de belasting ondernemingen, die buitenslands worden ge-
dreven, voor zoover daarbij binnen het Rijk wonenden zijn be-
trokken, alsmede naamlooze vennootschappen, coöperatieve en
andere vereenigingen, enz. (verg. art. 1, litt. b en c), die hier
te lande haren zetel hebben, onverschillig, of haar arbeidsveld
binnens- of buitenslands is gelegen.
Geheel in overeenstemming met het persoonlijk karakter
der bedrij fsbelasting geschiedt de invordering rechtstreeks van
hen, die haar schuldig zijn, ook ter wille van het stelsel van
progressie. Van dien regel wordt echter afgeweken ten op-
zichte van de bedoelde naamlooze vennootschappen, enz. (zie
art. 5) waarvan de winsten in aanslag komen bij de bron. Dit
is bepaald, als eene gewenschte vereenvoudiging bij deinvor-
dering der belasting en vooral ter voorkoming van ontdui-
kingen, welke niet zouden uitblijven, indien de individueele
leden of participanten moesten worden opgespoord tot menig-
maal in het buitenland.
Om dezelfde reden werden in het eerste wetsontwerp nog
genoemd consortia, syndicaten en handelingen voor gemeene
rekening, — vormen van oeconomische werkzaamheid, die, als
tijdelijke organisatiën, het behalen van winst beoogen. **) In
*) Zie echter het bepaalde bij art. 6, § 5, laatste zinsnede.
") De vennootschap onder eene firma was reeds in het eerste ontwerp niet
als fiscale eenheid opgenomen. In de Memorie van Toelichting lezen wij daar-
omtrent: »Het\' stelsel van progressie gedoogt niet, dat gevolg wordt gegeven
aan een denkbeeld, op zich zelf beschouwd zeer aanlokkend, om voor winsten,
-ocr page 30-
Inleiding.
20
het Voorloopig Verslag werden echter tegen dit denkbeeld
eenige bedenkingen ingebracht en de uitvoerbaarheid daarvan
betwijfeld. „Waar is" — zoo werd gevraagd — „het domicilie
van een consortium of syndicaat? Wie der in verschillende
plaatsen binnenslands wonende deelnemers zal men voor de
geheele winst aanslaan? Zal dit ook geschieden voor het aan-
deel der buitenlandsche participanten? Gesteld, een Portu-
geesche leening wordt overgenomen door een consortium, waarbij,
behalve Oostenrijksche, Russische, Duitsche en Fransche, ook
eenige Nederlandsche bankiers zich met de emissie inlaten.
Zal nu, voor het geval een Nederlandsche bankier met de af-
wikkeling van het syndicaat is belast, deze worden aangesla-
gen, ook voor de winsten door de bankiers te Weenen, St.
Petersburg, Berlijn en Parijs behaald? Indien die vraag be-
vestigend moet worden beantwoord,\' zal men dan ooit de
winstuitkeering hier te lande doen plaats vinden? En wan-
neer b. v. de afwikkeling door eene Berlijnsche firma geschiedt,
die aan hare Amsterdamsche collega het aandeel in de winst
per wissel overmaakt, hoe zal dan de belasting voor de schat-
kist zijn te innen ?"
Ontegenzeggelijk waren dit vragen van beteekenis. Gold het
slechts bankiers, die in dergelijke consortia, enz. deelnemen,
de wetsbepaling ware dan overbodig. Bij deze toch vormt de
winst, uit dien hoofde gerealiseerd, een deel van hetgeen uit
andere bemoeiingen van hunnen werkkring wordt verkregen
en waarvoor zij zelfstandig belastingplichtig worden. De aan-
leiding voor de wetsbepaling lag evenwel in de veronderstel-
ling, dat ook particulieren daarbij meermalen rechtstreeks zijn
betrokken, en juist hierin had de Minister grond gevonden
voor een op zich zelf staanden aanslag. Daar intusschen uit
vollediger inlichtingen van het tegendeel bleek en kon worden
verklaard, dat bij emittenten zelfs een principieel verzet be-
staat, om particulieren op te nemen, verviel voor den Minister
het argument. De betrekkelijke wetsbepaling werd dientem
gevolge in het gewijzigde ontwerp- niet teruggevonden. Tevens
werden daaruit verwijderd de Administratiën van inschrijving
op de Grootboeken of van effectenbezit, omdat hare aandeel-
door firma\'s genoten, deze laatsten en niet de firmanten persoonlijk aan te
slaan. Aanlokkend was dit denkbeeld, omdat de firma in oeconomischen zin tot
op zekere hoogte eene eenheid is en het voor alle partijen geriefelijk zoude
zijn, konde zij fiscaal als eenheid behandeld worden. Maar het stelsel van pro-
gressie verbiedt dit, terwijl nog andere redenen zich daartegen verzetten."
-ocr page 31-
Inleiding.                                       21
houders voor verre het meerendeel kantoren zijn en hare
winsten dan van zelve onder de algemeene kantoorwinsten
vallen.
Voor de beoordeeling, of men, betrekkelijk dit onderwerp,
bij de toepassing der wet, al dan niet met eene fiscale een-
heid te doen heeft, is echter van een bepaald vooropgezet be-
ginsel uitgegaan, door den Voorzitter der Commissie van Rap-
porteurs, Mr. van Houten, bij de beraadslaging in de volgende
bewoordingen toegelicht.
„In het industriëele leven heeft zich de handeling voor ge-
meene rekening door multiplicatie en organisatie ontwikkeld
tot bijzondere soorten van rechtspersonen, die men in het
recht gewoon is handelspersonen te noemen. Zoolang
men nu met de coöperatie in haren grondvorm te doen heeft,
bestaat er in het systeem der wet geen aanleiding voor het
heffen van belasting. Van daar, dat uit het wetsontwerp zijn
verdwenen de handelingen voor gemeene rekening,
de syndicaten, enz. als zelfstandige belastingplichtigen en
dat evenmin belastingplichtig zal zijn de maatschap. Zoo-
lang de handeling voor gemeene rekening nog slechts dien
primitieven rechtsvorm heeft en het goed, dat aan de combi-
natie behoort, nog onder het recht valt als gemeen eigen-
dom, als commune pro indiviso, zoolang is er geen
aanleiding om een zelfstandigen fiscalen persoon, evenmin als
een zelfstandigen rechtspersoon aan te nemen, en worden de
winsten in dien vorm behaald, verdeeld en gevoegd bij het
privaat inkomen, hetwelk de belastingplichtige, die hier te
lande woont, heeft aan te geven. Maar daar, waar door orga-
nisatie ontstaat eene eigen persoonlijkheid met eigen vermogen,
dat niet meer valt onder den gewonen rechtsvorm van den
gemeenen eigendom, waaromtrent geen actie tot scheiding of
deeling is toegelaten, daar behoort de fiscus de beweging te
volgen".
In het le ontwerp waren ook de gemeenten en andere Staats-
rechterlijke lichamen (waterschappen, polders, enz.) voor de
door hen geëxploiteerde ondernemingen onder den belasting-
plicht begrepen. Voor de vrijstelling van winsten van gas-
fabrieken, van den reinigingsdienst, enz. bestond volgens de
Memorie van Toelichting geen grond en de moeielijke onder-
scheiding, of de exploitatie van publiek- dan wel van privaat-
rechterlijken aard is, kon onbesproken blijven, omdat zelfs in
het eerste geval geene argumenten voor de vrijstelling pleitten.
-ocr page 32-
22
Inleiding.
Luidens het Voorloopig Verslag waren de meeningen hierover
zeer verdeeld. De winsten — zoo werd opgemerkt — door den
Staat zelven gemaakt, zijn terecht van de belasting uitgesloten.
Staat en gemeente hebben echter een zelfde reden van bestaan,
een zelfde doel, t. w.: de bevordering van het algemeen belang,
en de werkzaamheid der gemeente verliest dit karakter niet,
wanneer zij het drijven eener industriëele onderneming mede-
brengt. Voor zoover gemeentelijke gasfabrieken, waterleidingen
en andere industriëele ondernemingen winsten afwerpen, vloeien
deze in de gemeentekas en worden zij dus weer ten publieken
nutte aangewend. Bovendien zou, met het oog op art. 254
der gemeentewet, dat het maken van winsten niet veroorlooft,
de belastingwet berusten op eene strijdige veronderstelling, en
reeds deze omstandigheid behoorde tot intrekking der voorge-
stelde bepaling te leiden.
Naar aanleiding van deze opmerkingen tot nadere overwe-
ging gezet, verklaarde de Minister op zijne vroegere meening
terug te komen en ontwikkelde in de Memorie van Antwoord
eenige motieven voor de algeheele vrijstelling van bedoelde
lichamen, welke wij hier in hoofdzaak laten volgen.
Indien de gemeente eene onderneming drijft, en daarbij in
vrije concurrentie treedt met de particuliere nijverheid, dragen
de door haar verkregen voordeelen een geheel ander karakter,
dan wanneer tegenover haar de mededinging uit den aard der
zaak onmogelijk is. In dit laatste geval mogen hare winsten
beschouwd worden als recognitiën of retributiën, in aard en
wezen soms veel overeenkomst hebbende met belastingen.
Hetgeen zij bij exploitatie van een gasfabriek of waterleiding
meer vordert dan tot dekking van kosten noodig is, mag in
eigenlijken zin geen winst genoemd worden, omdat hetzelfde
voordeel kan verkregen worden bij het verleenen van concessie
aan eene maatschappij, onder beding van zekere uitkeeringen
met toekenning aan die maatschappij van het recht om zekere
prijzen te vorderen. Zulk eene uitkeering moge winstaandeel
worden genoemd, inderdaad is zij iets anders. Zoo kan de
gemeente zich bij verordening het recht voorbehouden, om de
faecaliën te verzamelen, doch de daarbij behaalde bate is geen
eigenlijke winst en slechts verkregen door uitsluiting van
mededinging. Richtte daarentegen eene gemeente eene brood-
fabriek op of ondernam zij eene stoombootdienst of bouwde en
verhuurde zij woningen, dan zou zij treden op het terrein der
particuliere nijverheid met vrije mededinging en ondernemers-
-ocr page 33-
Inleiding.
23
winsten kunnen gerealiseerd worden, die binnen het bereik
der bedrij fsbelasting zouden vallen. Juist om dit principiëele
verschil, zü\'n de Staatsrechterlijke lichamen niet meer opgeno-
men, want de eenige winsten, die men zou mogen treffen,
komen te zelden voor\' en zijn uit een fiscaal oogpunt van te
weinig belang, om ze in de bedrij fsbe|asting te betrekken.
IV.
Waren in het eerste ontwerp sub- en objecten der belasting
eenigszins verward dooreengestrengeld, waardoor het begrip
der bepalingen in hooge mate werd bemoeielijkt, bij de indie-
ning van het gewijzigd ontwerp bleek van de opmerkingen in
in het Voorloopig Verslag op voortreffelijke wijze partij te zijn
getrokken. Het was ongetwijfeld eene heldere combinatiegeest,
die aan het geheele ontwerp eene meer bevattelijke inrichting
gaf, zoodat ook de beraadslaging met des te meer vrucht kon
worden gevoerd. Reeds bij eene oppervlakkige kennisneming
valt de systematische „opzet" der wet in het oog, en als een
goede wegwijzer, om zich spoedig daarin thuis te gevoelen,
laten wij hieronder eene korte aanduiding volgen van de on-
derwerpen in het eerste tiental artikels geregeld. Zoo bepaalt:
Art. 1, wie belastingplichtig zijn,
„ 2, de aard der inkomsten, waarvoor de hier te lande
wonende personen belastingplichtig z\\jn, daarbij onder-
scheidende tusschen hen, die al of niet in de vermogens-
belasting zijn aangeslagen,
„ 3, wat voor binnen het Eijk wonenden als winst of
belooning geldt, en wat is te verstaan onder het
zuiver bedrag daarvan,
„ 4, over welke tijdperken voor diezelfde personen het
inkomen wordt berekend,
„ 5, waarvoor andere dan natuurlijke personenbelasting-
plichtig zijn (art. 1, b en c),
„ 6, als voren ten aanzien van buitenslands gevestigden
(art. 1, d—i), en
„ 7, wie de belasting verschuldigd is, voor zoover eene
bepaalde aanduiding gewenscht scheen.
Voorts behelst art. 8 eenige vrijstellingen, terwijl in art. 9
de tarieven zijn opgenomen met eene speciale tractaat-bepa-
-ocr page 34-
Inleiding.
24
ling in art. 10. De overige artikels betreffen in hoofdzaak de
administratieve techniek.
Houdt men in gedachten, dat de bedrijfsbelasting als het
complement der vermogensbelasting is te beschouwen, die te
zamen als eene volledige inkomstenbelasting moeten werken,
dan zal men inzien, dat in de eerste inkomsten moesten wor-
den ondergebracht, welke niet resulteeren uit bezit van ver-
mogen. In algemeene termen uitgedrukt, zouden wij dus kun-
nen zeggen, dat iedere vergoeding, voor intellectueelen en
materiëelen arbeid ontvangen als winst of belooning onder
toepassing der bedrij fsbelasting zal vallen. Met betrekking tot
de hier te lande wonende personen geeft de wet van winsten
en belooningen eene omschrijving, en begrijpt zij daaronder al
hetgeen in geld of geldswaarde (b.v. vrije woning, vrij vuur
en licht, kost en inwoning, enz.), wordt genoten uit bedrijf,
beroep, onderneming, ambt, waardigheid, bediening of betrek-
king, tijdelijk of voor eens verrichte werkzaamheid (b.v. auteurs-
honorarium) van welken aard ook, bedongen of niet bedongen.
Van aandeel in winst en overwinst is evenzeer bedrijfsbelas-
ting verschuldigd, tenzij het betreft uitdeelingen op aandeelen
in naamlooze vennootschappen, enz., waarvan de winst reeds
bij de bron in aanslag is genomen, of wel winstuitkeeringen,
als verzekerde genoten, die in den regel slechts voortspruiten
uit verhoogde premiën en dus eigenlijk meer eene teruggave zijn.
De opsomming is hiermede niet geëindigd, want niet alleen
winsten en belooningen, ook wachtgelden, pensioenen,
verschuldigde — d. i. krachtens wets-, contractueele bepaling
of rechterlijke uitspraak (zié art. 280 Burg. Wetb.) — perio-
dieke uitkeeringen, andere dan die\'in art. 3, 3e lid, *)der
wet op de vermogensbelasting genoemd, en verschuldigde ver-
strekkingen van levensonderhoud, huisvesting en andere
zaken, (verg. de artt. 375 — 384 Burg. Wetb.) zijn binnen het
bereik der wet gebracht. In al deze gevallen toch ligt in meer-
dere of mindere mate opgesloten eene vergelding voor vroegere
dienstprestatiën.
Lijfrenten, aanvankelijk in het le ontwerp-wet der ver-
*) Art. 3, 3e lid luidt:
»Voorts wordt als vermogen beschouwd, een bij deze wet vast te stellen veel-
voud van het bedrag of de geldswaarde der jaarlijksche ontvangsten terzake
van in opstal, erfpacht en dusgenaamde vaste huur of pacht uitgegeven goe-
deren; terzake van tiend, grond, rento of andere op onroerende goederen geves-
tigde schuldplichtigheid; en terzake van gevestigde of altijddurende renten
en uitkeeringen van polderkassen."
-ocr page 35-
25
Inleiding.
mogensbelasting begrepen, werden daar uitgelicht, om hier over-
gebracht te worden, daar in menig geval eene lijfrente de
strekking heeft van pensioen, de grens overigens moeilijk te
trekken en ook de vermogenswaarde, naargelang van leeftijd
en gezondheid van den lijfrentetrekker, zeer veranderlyk is. *)
Uitgezonderd zijn evenmin toelagen, (b.v. delegaties van
traktement) verschuldigd of niet verschuldigd, voor zoover zij
worden verstrekt door buitenslands gevestigden, waaronder
niet begrepen zijn de Nederlandsche staatsambtenaren, onder
art. 1 d, hier te lande belastingplichtig, en zulks, zooals wel
van zelf spreekt, ter vermijding van dubbele belasting.
Nog verder in de wet ontmoeten wij eene zeer bijzondere
bepaling in art. 2 § 2.
Voor hen n.L, die niet in de vermogensbelasting zijn aan-
geslagen, omdat hun vermogen minder bedraagt dan ƒ13000,
moeten de hiervoor bedoelde inkomsten worden verhoogd met
ƒ40 van elke ƒ 1000, waaruit hun vermogen bestaat, — opgevat
en berekend naar de wet van 27 September 1892 (Stbl. n°. 223).
De strekking dezer bepaling ligt voor de hand; zij is rationeel,
als men bedenkt, dat de vrijstelling in de vermogensbelasting
berust op de onderstelling, dat de belastingplichtige uitsluitend
van een klein inkomen uit vermogen moet leven. Wordt
evenwel het inkomen vermeerderd en daaraan toegevoegd een
zeker bedrag uit arbeid verkregen, dan wordt de draagkracht
grooter en is het billijk om naar de gezamenlijke inkomsten
belasting te heffen. Het doel, om eenen aanslag op te leggen,
indien inkomsten uit arbeid, enz. èn uit een vermogen beneden
ƒ13000 te zamen het vrijgestelde bedrag beneden ƒ650 (zie
tarief A onder art. 9) overtreffen, beoogt slechts de zuivere
toepassing eener enkelvoudige inkomstenbelasting. Een beroeps-
inkomen van ƒ2000 met een vermogensbezit van ƒ12000 zal
bijgevolg bij de aanslagsregeling gelden voor ƒ2480.
*) Lijfrente is eene kansovereenkomst, waarover gehandeld wordt in het
3e Boek, 16e Titel, 2e Afd., Burg. Wetb. Zooals het woord reeds aanduidt, is
zij gevestigd op het lijf (leven) van een of meer personen en eindigt zij met
den dood van dezen. In dit laatste ligt haar kenmerkend karakter. Tegenover
het genot eener hooge rente, staat het verlies van de hoofdsom.
Eene lijfrente is dus wel te onderscheiden van de gevestigde of altijddurende
renten, waarvan sprake is in den 15en Titel, 3e Boek, Burg. Wetb., waarbij het
kapitaal niet kan worden opgeëischt, dan onder zekere bij de wet genoemde
omstandigheden, al behoudt daarentegen de debiteur te allen tijde het recht
van aflossing. Deze renten vallen onder de vermogensbelasting en zijn genoemd
in art. 8, 3e lid, jo art. 7 c en art. 8 der betrekkelijke wet of onder debedrijfs-
belasting (verg. art. 2 § 2 der wet), alnaarmate het de berekening betreft van
een vermogen van f 13000 en daarboven of van minder bedrag.
-ocr page 36-
Inleiding.
26
Voor buitenslands gevestigden is van het beginsel uitgegaan,
dat, waar de wet de winsten van hier te lande gevestigden
treft, ook de buitenlanders, die geheel hetzelfde doen, als de
ingezetenen, aan de belasting niet behooren te ontsnappen,
enkel omdat hunne woonplaats niet binnenslands is gevestigd.
Het spreekt echter van zelf, dat daarbij bijzondere regelen
moesten worden gesteld, zoowel met betrekking tot hetgeen
te hunnen aanzien als winst en belooning geldt, als met het
oog op de berekening van het zuiver belastbaar bedrag. Wrj
verwijzen daartoe naar art. 6.
Hierboven werd reeds gezegd, dat elke vergoeding voor in-
tellectueelen of materieelen arbeid als winst of belooning onder
de toepassing der bedrijfsbelasting zal vallen.
Dit is echter geen streng gelimiteerd begrip, dat eiken twijfel
buiten sluit en de vraag deed zich bij de beraadslaging over
de wet al dadelijk voor, of het verhuren van woningen bloot
als geldbelegging of als bedrijf is aan te merken. Een bepaald
kenmerk toch voor een bedrijf is in de wet niet aangegeven.
Dit te doen, achtte de Minister niet alleen overbodig, doch
ook bedenkelijk, omdat de gevallen te zeer uiteenloopen, om
onder eene algemeene definitie te worden samengevat. Tot
zekere hoogte was de Regeering intusschen van gevoelen, dat
het verhuren van woningen als bedrijf moest worden beschouwd,
zooals blijkt uit de in het ontwerp voorkomende bepaling be-
treffende de z.g. huisjesmelkers, luidende:
„Personen, die hun bedrijf maken van het verhuren van on-
gemeubelde *) woningen voor niet langer dan bij de maand
aan tien of meer hoofden van gezinnen of alleenwonende per-
sonen, niet bij hen in dienst, worden geacht, behoudens tegen-
bewijs, in dat bedrijf eene zuivere winst te maken van een
vierde gedeelte der ontvangen huurpenningen."
Tot verdediging dezer bepaling voerde de Minister aan, dat
het verhuren van woningen, waarvoor men eene geheele ad-
ministratie houdt, niet eenvoudig kan worden gezegd bloot
\') «Wanneer iemand" — aldus de Heer Van Houten — »een gemeubileerde
kamer verhuurt, om een gedeelte zijner woning productief te maken, dan is dit
geen bedrijf; maar als de houder van een pension of hotel zijne vertrekken
verhuurt en bovendien dépendances huurt, om daarin gasten te huisvesten, dan
is dit wel degelijk een bedrijf. Bij onze tegenwoordige zeden en de toepassing der
patentwet wordt het verhuren van gedeelten van woningen, door houders van
pensions en hotels, een bedrijf geacht."
«De vrees, dat de methode van berekening hier aangegeven, ook zou worden
gevolgd door houders van pension of hotel, heeft geleid tot de opneming van het
woord «ongemeubeld." Niet om alleen het verhuren van ongemcubelde woningen
tot bedrijf te stempelen, in tegenstelling van gemeubelde."
-ocr page 37-
27
Inleiding.
belegging van vermogen te zyn. Het mag eerder worden be-
schouwd als een bedrijf, volkomen gelijkstaande met dat van
eenen bakker of kruidenier, — eene administratie, welke
eigenaardige werkzaamheden en moeielijkheden medebrengt,
maar ook eigenaardige voordeelen geeft, want zoodra arbeid
verricht wordt, administratie aan de zaak is verbonden, is
er iets meer dan eene rente, is er winst. En die winst moet
belast worden. Daarbij moest een zekere grenslijn getrokken
worden tusschen het hebben van huizen als kapitaalbelegging
en het maken van een bedrijf van het bezit en verhuren van
woningen. Die grens werd gezocht in een zeker getal wo-
ningen en in een bepaalden huurtermijn, ten einde daardoor
buiten te sluiten, wat bij het bedrijf van huisjesmelker niet
behoort en om positieve waarborgen te hebben, dat geen in-
komsten aan de belasting worden onderworpen, die niet tot
bedrijfsinkomsten kunnen worden gerekend.
In dit regeeringsvoorstel zag de Heer Bool intusschen een
bezwaar in de aangenomen grens, waardoor de toepassing der
wet ten eenenmale het doel zou missen, daar in de practijk
al spoedig een eenigszins langer huurtermijn zou worden over-
eengekomen, terwijl toch huur over ruimer tijdvak niet altijd
gezegd kan worden enkel geldbelegging te zijn. Een door hem
ingediend amendement had de strekking, om elke restrictie weg
te nemen en aan de Administratie de quaestie over te laten,
of er al dan niet sprake kan zijn van bedrijfsuitoefening. De
Heer Donner noemde het regeeringsvoorstel het creëeren van
een nieuw bedrijf, waarbij een willekeurig criterium wordt
gesteld. Een groot deel der verhuurders van huizen voor
langeren termijn valt er buiten, niettegenstaande tal van on-
der nemers met opgenomen kapitaal huizen bouwen en verhuren.
Hèt amendement Bool schept naar zijn gevoelen zuivere wil-
lekeur, want als men het object niet kan bepalen, zooals de
Minister zelf verklaarde, dan vervalt ook de grond voor de
belasting zelf. Daarom stelde deze afgevaardigde voor, de
geheele paragraaf te schrappen. Hiermede werd volgens den
Heer van Houten, echter niet uitgemaakt, dat het verhuren
van woningen nimmer als een bedrijf zal zijn te qualificeeren.
Wilde men het voordeel, door de exploitatie van kleine
woningen verkregen, nimmer als bedrijfswinst beschouwen,
dan behoorde eene regeling te worden voorgesteld, die duidelijk
aanwijst, welk gevolg het amendement Donner zal hebben.
Vervalt de paragraaf, dan kunnen bedoelde personen belasting"
-ocr page 38-
28                                       Inleiding.
plichtig blijven, doch wordt de speciale methode van bereke-
ning opgeheven. Ook de Minister wees op de rechtsonzekerheid,
die het amendement zou doen ontstaan, doch de Kamer schonk
niettemin daaraan hare adhaesie met 63 tegen 29 stemmen. *)
Na deze beslissing gaf de Minister geen gevolg aan den door
de Heeren Heemskerk en Donner uitgesproken wensch, om
ergens in de wet eene duidelijke bepaling op te nemen, waaruit
zou kunnen blijken, dat huisjesmelkers niet vallen in de be-
drijfsbelasting. Nu dus geene vrijstelling in de wet voorkomt,
zal voor elk geval in \'t bijzonder moeten worden beslist, of
het verhuren van woningen al dan niet geschiedt bij wijze
van bedrijf.
Nog op eene speciale wetsbepaling worde hier ter plaatse gewezen.
. Zullen n. 1. de winsten of verliezen enkel uit belegging van
kapitaal in fondsen of goederen voor de bedrij fsbelasting in
rekening komen, dan stelt art. 3 § 1, slotzinsnede, den eisch,
dat dit geschiede in beroep of bedrijf. Den particulier laat de
wet ongemoeid. Maakt hij hooge rente met beleeningen of
prolongatie, realiseert hn\' winsten uit premie- en tijdaffaires,
aan dit alles ligt speculatie, geen eigenlijke arbeid ten grond-
slag en vermeerdert of vermindert zijn kapitaal, dan kan dit
alleen voor de toepassing der wet op de vermogensbelasting
van invloed worden.
Nu heeft men hierbij in het oog te houden, dat de wet
enkel spreekt van belegging. Gaat de handeling verder,
zóó, dat niet enkel de risico bestaat in eene bloote rijzing of
daling van prijzen, maar voegt zich daarbij eene beschikking over
goederen en fondsen, waarvan men door verwerking, plaatsing,
enz. hoogere waarde tracht te bedingen, dan zal moeten worden
beoordeeld, of dit geschiedt in bedrijf of beroep. Koopt b. v.
iemand land, om dat verkaveld weder in kleine perceelen te
verkoopen, dan kan dit, zoo het slechts eene toevallige onder-
neming is, geen beroepsuitoefening heeten, maar wel zal het
zulks worden, indien iemand meer bepaald van dergelijke
bouwgrondspeculatiën zijn werk maakt, hetgeen naar de om-
standigheden moet worden beoordeeld.
*) De Heer Hartogh wilde aan het votum de bepaalde zekerheid verbinden,
of het verhuren van woningen al dan niet naar de bedoeling der wet een
bedrijf is. Als laatste spreker werd hij echter niet meer beantwoord, maar
onder de vóór-stemmers vinden wij den Heer Bool, terwijl ook de Heer van
Houten verklaarde, aan het behoud der paragraaf niet bijzonder te hechten ;
natuurlijk in een anderen zin dan de Heer Hartogh, die met den Heer A. van
Dedeh alleen het huren om weder te verhuren een bedrijf noemde.
-ocr page 39-
Inleiding.                                    29
V.
Natuurlijke personen worden belast naar het zuiver bedrag
der jaarlijksche inkomsten, d. i. na aftrek der geleden ver-
liezen. Is deze bewerking toegepast, dan komt verder in min-
dering het jaarlijksch bedrag der verschuldigde lijfrenten,
pensioenen, gevestigde of altijddurende renten en de jaarlijk*
sche som der uitgaven voor verschuldigde verstrekkingen
van levensonderhoud, huisvesting of andere zaken. Deze be-
paling stemt overeen met die in art. 8 der wet op de vermo-
gensbelasting, waar, door vermenigvuldiging met den factor
20, eerst eene herleiding tot vermogen (het object) plaats heeft.
Is dus de belastingplichtige in die belasting aangeslagen of is
bij de berekening van het vermogen beneden f 13000 de ver-
mindering reeds in aanmerking genomen, dan komt zij niet
meer te pas. De bedoelde uitkeeringen kunnen afwisselend
zijn. In dat geval wordt het gemiddelde per jaar gerekend
over de drie laatste belastingjaren of c. q. over den tijd van
het bestaan der schuld.
Eene zeer billijke bepaling houdt de wet in ten opzichte van
hen, die meer schuld hebben dan vermogen of ook enkel schulden.
De som, waarmede deze in het afgeloopen belastingjaar zijn
verminderd, mits betaald uit bespaarde inkomsten, kan wor-
den afgetrokken. Geschiedt de afbetaling uit eene in den loop
van het jaar ontvangen erfenis, geschenk of ander buiten-
kansje, dan, zooals wel van zelf spreekt, is dat niet toege-
laten. Behalve aflossing kan bovendien de over het ingetre-
den belastingjaar te betalen rente van schulden, voor zoover
zij niet door vermogen gedekt zijn, op de jaarlijksche inkom-
sten gekort worden.
Stellen wij de volgende voorbeelden tot toelichting.
A.  heeft een beroepsinkomen van f 3000. Daarbij een ver-
mogen van f 15000, dat hem werd gelegateerd onder den last
eener jaarlijksche uitkeering van f 150 aan X. gedurende diens
leven. Zijn vermogen opgevat en berekend volgens de bepa-
lingen der wet van 27 Sept. 1892 (Stbl. n°. 223), bedraagt
dus f 15000 - (20 X f 150) = f 12000. Voor de bedrij fs-
belasting heeft hiï mitsdien aan te geven:
Beroepsinkomen . . f 3000
f 40 X 12 (art. 2 § 2) „ 480
------------- f 3480.
B.  heeft een beroepsinkomen van f 3000 en eene schuld van
-ocr page 40-
Inleidino.
30
f 5000, waarvan hij 5 % rente betaalt. In het afgeloopen jaar
loste hij daarop f 500 af (uit bespaard inkomen), zoodat bij den
aanvang van het ingetreden jaar f 4500 schuld overbleef.
Aldus:
                      beroepsinkomen . .... f 3000
waarvan af: de aflossing ad f 500
5 % rente van f 4500 „ 225        „ 725
Belastbaar naar f 2275
Had A. een huis in eigendom volgens de bepalingen der
wet op de vermogensbelasting gesteld op eene waarde van
f 10000 en rustte daarop eene hypotheekschuld ad f 15000
tegen 5 % me* f 500 jaarlijksche aflossing, ook dan zou het
bedrag der zuivere inkomsten op f 2275 moeten worden ge-
steld. Mocht hij in dit geval 4 % van f 10000 bij zijn inko-
men voegen en daarentegen 5 °/0 van f 14500 f 500 af-
trekken, dan ware er voor hem eenig voordeel bij, doch eene
dergelijke berekening steunt niet op de wet, die geen vermo-
gen onderstelt, zoodra het passief het actief overtreft. Het
huis kan werkelijk f 15000 waarde vertegenwoordigen en fei-
telijk bestaat er dus geen schuld, doch de fout ligt hier bij
de aangehaalde wet van 27 Sept. 1892.
Zullen vermogens- en bedrijfsbelasting zich bij elkander aan-
sluiten, zoo moet vaststaan, welk deel van een inkomen, dat
èn uit vermogen èn uit arbeid voortvloeit, door de eerste reeds
is getroffen. Een zeker rente-percentage moet worden aange-
nomen, uitdrukkende het belaste vermogensinkomen. Aan de
waarheid het meest nabij werd dit gesteld op 4 %• »M. a. w."
— zoo lezen wij in de Memorie van Toelichting — „wanneer
een koopman of fabrikant f 100000 in zijne zaak heeft belegd
en hij verdient daarmede f 10000, zoo wordt uitgegaan van
dit denkbeeld: die f 10000 zijn reeds ten bedrage van f 4000
getroffen door de vermogensbelasting, derhalve mag bij dit
ontwerp slechts van belasting der overige f 6000 sprake zijn.
Het doel is geweest, om te komen tot eene belasting der zui-
vere ondernemerswinst boven de 4 %i behoudens de noodig
gekeurde vrijstellingen, die ook in de vermogensbelasting niet
ontbreken. Het begrip „ondernemerswinst" moge in de weten-
schap — gelyk ieder oeconomisch begrip — tot veel verschil
van meening aanleiding hebben gegeven, voor den man der
praktijk is het een volkomen klaar begrip. Geen koopman of
fabrikant, die boek houdt, zal op de vraag, hoeveel in een
gegeven jaar zyn winst boven 4 °/0 van zijn kapitaal bedraagt,
-ocr page 41-
Inleiding.                                    81
het antwoord behoeven schuldig te blijven. Ook dan niet, in-
dien het door hem aangewende kapitaal afwisselend is ge-
weest. Dat iemand nu een groot, dan een kleiner deel van
zyn vermogen in zaken heeft belegd, komt gelijk van zelf
spreekt, in den regel slechts voor bij personen met vermogens
van zekeren omvang. Wie een gering kapitaal heeft, kan
nooit iets daarvan missen; de afwisseling bestaat bij hem al-
leen in het bedrag der opgenomen gelden, der op hem loo-
pende wissels. Doch wie met een groot kapitaal werkt, pleegt
ook te zorgen voor eene goede boekhouding en voor hem is
het eene geringe moeite, die boekhouding tot eene nauwkeu-
rige renterekening uit te strekken. Zijn er associé\'s, zoo is
die rekening zelfs onmisbaar en ontbreekt zij dan ook nimmer.
In één woord, het denkbeeld om naast het inkomen uit ver-
mogen de ondernemerswinst boven 4 % van net aangewende
kapitaal te treffen, is een praktisch zeer wel uitvoerbaar denk-
beeld."
Naar dit beginsel is art. 3 § 2a geredigeerd. *) Het laat toe,
om tot het belastbare zuiver bedrag te komen, de bruto-winst
te verminderen met 4 % der kapitalen, die de belastingplich-
tige in eigendom of vruchtgenot heeft (berekend volgens art.
7 der wet op de vermogensbelasting, d. i. dus voor goederen
in vruchtgenot of vruchtgebruik over de volle waarde), öf met
den bedongen rentevoet van opgenomen kapitalen, in beide
gevallen echter onder voorwaarde, dat zij in bedrijf of beroep
zijn aangewend en de vruchten daarvan tevens zyn
begrepen onder de inkomsten. **)
Op den regel van aftrek van 4 % zÜn niettemin enkele uit
zonderingen bij amendement in de wet gebracht. Zij betreffen:
1°. de stichtingen (art. 5, § 4),
2°. de in art. 1, lett. e, bedoelde buitenlandsche vennooten in
Nederlandsche vennootschappen en maatschappen ("art. 6,
§ 2), en
*) Winstuitkeeringen genoten door commanditaire vennooten uit comman-
ditaire vennootschappen niet op aandeelen (want anders zou de winst reeds ge-
troflen zijn bij de bron), kunnen ter berekening van haar zuiver bedrag even-
eens verminderd worden met 4 pet. van hot kapitaal, waarvoor deze vennooten
deelgerechtigd zijn in de vennootschap. Dit is ten overvloede nog gezegd in
§ 5 van art. 3.
") Gebouwde eigendommen door den belastingplichtige of zijn gezin be-
woond, en voor bedrijf of beroep in gebruik, worden niet gerekend tot de hier
bedoelde kapitalen te behooren, want daarvoor geldt de bepaling bij $ 4 van
art. 3.
-ocr page 42-
32                                   Inleiding.
3°. de in het buitenland gevestigden, waarvan sprake is in
art. 6, § 5, le en 2" zinsnede, litt. a.*)
Ofschoon door den Minister bestreden, als strijdig met het
stelsel der wet, vereenigde toch de meerderheid der Kamer
zich met de voorgestelde uitzonderingen, overwegende, dat,
waar geen aanslag in de vermogensbelasting wordt opgelegd,
en feitelijk een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend, de reden
voor bedoelden aftrek niet gemotiveerd schijnt.
Behalve den aftrek voor bedrijfskapitalen kunnen nog tal
van uitgaven, aan de uitoefening van bedrijf, beroep en ambt
verbonden, of reducties worden toegepast, om tot de zuivere
belastbare bate te geraken. **) Zoo o. a. zal een winkelier kun-
nen aftrekken het loon aan winkelpersoneel betaald, devrach-
ten en pakhuishuur, de assurantie voor winkel en pak-
huisvoorraad en de als onverhaalbaar afgeschreven winkel-
schuld. Woont hij b. v. in een gehuurd huis, dan komt mede
in mindering het deel der huur, waarop de winkel is begroot
(art. 3, § 4). Een notaris zal in mindering brengen de uitga-
ven voor kantooronkosten (traktementen aan personeel, enz.)
Bewoont hij b. v. een eigen huis, dan bovendien het deel der
kadastrale huurwaarde, waarop het kantoorlokaal kan worden
begroot (art. 3, § 4). Een dokter zal de uitgaven voor paard
en rijtuig enz. onder de kosten brengen. Een ambtenaar de
verplichte bijdragen en kortingen voor pensioenen of fondsen.
Fabrikanten b. v. de kosten van onderhoud en herstelling van
fabrieksgebouwen en werktuigen, afschrijvingen, retributiën
en belastingen (de directe uitgezonderd), drukkende op het be-
drijf, winstuitkeeringen aan personeel, bijdragen aan fondsen
en verzekeringspremiën voor personen in zijnen dienst of toe-
lagen aan invaliden en nagelaten betrekkingen van vroeger
dienstpersoneel.
Als regel kan men stellen, dat alleen die kosten worden
geleden, welke rechtstreeks verband houden met de uit-
oefening van bedrijf, beroep of ambt. Daaronder vallen bij-
gevolg niet de uitgaven voor woning en huishouding, voor
onderhoud en opvoeding van kinderen of onverschuldigde uit-
keeringen (art. 3 § 3).
Premiën voor levensverzekering, pensioen of lijfrenten mogen
*) Men vergelijke mede de aanteekening op art. 6, § S.                            ,
") In sommige gevallen kunnen kosten voor niet meer dan de helft in reke-
ning worden gebracht.
Verg. art. 3, § 2, litt. c, de slotbepaling.
-ocr page 43-
33
Inleiding.
worden afgetrokken tot 5 % der bruto-inkomsten volgens
art. 2 § 1, doch hoogstens ten bedrage van ƒ100. Dit
geldt als eene algemeene bepaling. Pensioenen, wachtgelden
en lijfrenten (met uitzondering van de z. g. huwelijksgiften)
komen voor de eerste f 1000 slechts voor de helft in aanslag.
Trekt iemand b. v. een pensioen van ƒ 1600, zoo wordt hij
naar ƒ 1100 aangeslagen. Betaalt hij voor eene uitkeering bij
overlijden in eene levensverzekering ƒ 100 jaarlijksche premie,
dan zal hij nog ƒ 80 (5 % van f 160°) kunnen korten. Be-
droeg het pensioen ƒ 1200, dan zou dit bedrag berekend worden
op ƒ700, doch, bij dezelfde levensverzekeringspremie van ƒ100,
teruggebracht worden op ƒ 640 en dus geen belasting ver-
schuldigd zijn, daar tarief A begint met ƒ 650. Had hij ook
in de vermogensbelasting bij te dragen, dan zou hij niet zijn
vrijgesteld (verg. de tarieven B).
De wet bepaalt, dat de binnen het Rijk wonende man, be-
houdens verhaal, uit eigen hoofde belastingplichtig is voor het
inkomen van zijne vrouw (art. 2 § 5). Daarop zijn een drietal
uitzonderingen, waarin de vrouw zelve dezen belastingplicht
draagt, t. w.:
1°. in het geval van scheiding van tafel en bed, waaraan
krachtens art. 298 B. W. per se scheiding van goederen
verbonden is (verg. art. 288 en volgg. B. W.),
2°. bij scheiding van goederen volgens art. 241 B. W. krach-
tens rechterlijk vonnis, en
3°. indien de vrouw zich bij huwelij ksche voorwaarden reser-
veerde het beheer van haar roerend en onroerend\' goed en
het vrije genot van hare inkomsten krachtens art. 195 B. "W.
Om echter te voorkomen, dat bij de zelfstandige aangiften
sub 2°. en 3°. in sommige gevallen niets en in andere met
het oog op de progressie te weinig zou worden betaald, laat de
wet geen splitsing toe bij de berekening der verschuldigde
belasting van de inkomsten van man en vrouw, maar wordt
de uitkomst dier berekening in evenredigheid tot het bedrag
van ieders inkomen omgeslagen. Het doel der bepalingen is
dus, om de vrouw een eigen reclame-recht te geven, met ver-
mijding van de zooeven genoemde nadeelen. Is er in de ge-
vallen sub 2°. en 3°. nog één gezin, in het geval sub 1°. bestaat
dit niet meer, maar is er slechts een zwakke band, die een
nieuw huwelijk verbiedt en de gelegenheid laat tot verzoening
(artt. 255, 297 en 303 B. W.).
Om voor natuurlijke personen, die hier te lande wonen of
3
-ocr page 44-
34
Inleiding.
zich hier metterwoon vestigen een tijdperk vast te stellen,
waarover de jaarlijksche inkomsten moeten worden berekend,
bepaalt art. 4, dat alle vaste inkomsten worden genomen
naar het jaarlijksch bedrag bij den aanvang van het belasting-
jaar of van de belastingplichtigheid. Voor de bepaling van
alle overige inkomsten (daaronder begrepen dag- en weekloonen)
mocht een enkel jaar niet tot maatstaf dienen en was het
noodig de gemiddelde zuivere baten over een langer tijdvak
te nemen. Evenals art. 8 der vermogensbelasting en in over-
eenstemming met de meeste buitenlandsche wetgevingen geldt
daarvoor een tijdvak van drie jaren. Is een bedrijf, beroep,
enz. nog geen drie jaren hier te lande uitgeoefend, dan worden
de verkregen inkomsten berekend over het tijdsverloop tus-
schen den aanvang of de aanvaarding van het beroep, enz. en
het einde van het laatste kalenderjaar (de maand van aanvang
voor eene geheele gerekend), tenzij bij korter duur dan een jaar,
in welk geval zij worden begroot. *) Valt het boekjaar eener
onderneming niet samen met het kalenderjaar, dan treedt het
boekjaar daarvoor in de plaats.
De wet vraagt naar de baten der toekomst. Voor vaste
traktementen is na te gaan op welke cijfers zij zijn bepaald,
maar voor afwisselende inkomsten moesten de gemiddelden van
vorige jaren worden genomen, om op die wijze de toekomstige
te kunnen ramen. Op dezen regel zijn een paar uitzonderingen :
1°. de onvaste toelagen van buitenslands gevestigden, welke
worden berekend naar het vermoedelijk bedrag, en
2°. de inkomsten wegens tijdelijke werkzaamheden, welke wor-
den gebracht onder de inkomsten van het belastingjaar,
volgend op dat, waarin zij zijn ontvangen. **)
Om de noodzakelijkheid te ontgaan, telkens in de berekening
van gemiddelden wijziging te moeten brengen, stelt de wet verder
zekere grenzen, om te beoordeelen, of er werkelijk van aanvang
of aanvaarding van een beroep, bedrijf, enz. sprake mag zijn.
Men raadplege daarover art. 4, § 3, voorlaatste zinsnede.
VI.
Voor de hier te lande gevestigde naamlooze vennootschappen,
*) Verg. de overgangsbepaling in art. 57.
") Verg. de overgangsbepaling in art. 56.
-ocr page 45-
Inleidikg.
35
commanditaire vennootschappen op aandeelen, coöperatieve of
andere vereenigingen, en onderlinge verzekeringmaatschappijen,
is de belastingplicht naar een anderen maatstaf geregeld dan
voor de natuurlijke personen. De hier opgenoemde fictieve
personen, met uitzondering van de sociëteiten, zijn n.1. belas-
tingplichtig naar het bedrag der gewone en buitengewone uit-
deelingen en te hunnen aanzien kan er bijgevolg eerst van
eenen aanslag sprake zijn, als werkelijk uitdeelingen plaats
hebben en inkomsten zijn verkregen, waarvan de fiscus zijn
tantième vordert.
Van welken aard ook die uitdeelingen zijn, gedurende het
belastingjaar uitgekeerd aan oprichters, concessionarissen, pre-
ferente en gewone aandeelhouders, leden en andere deelgerech-
tigden in de winst (men denke aan houders van z.g. actions
de jouissance), doet niets ter zake. Wordt echter aangetoond,
dat in die uitdeeling tevens aflossing van kapitaal is begrepen,
dan kan het bedrag daarvan worden afgetrokken tot het ge-
storte kapitaal geheel is afgelost of afgeschreven.
Daarentegen wordt bijschrijving op en uitreiking van aan-
deelen of obligatiën, indien daarvoor geen storting werd ge-
daan, als uitkeering beschouwd. Zoo ook zal bij liquidatie
het batig saldo, voor zooveel dit het gestorte kapitaal over-
treft, als uitdeeling worden aangemerkt. De wet spreekt van
saldo en begrijpt daaronder zoowel geld als geldswaarde.
Gebruikte zij enkel de uitdrukking „geld", dan zouden bij
liquidatie gebouwen, gronden en voorradige goederen kunnen
worden overgedragen aan eene vennootschap, die betaalde in
aandeelen of obligatiën en werd zoodoende het doel der wet
gemist.
Het kan verder voorkomen, dat de vennootschappen, ver-
eenigingen en maatschappijen genoemd in art. 1 b ontvangsten
boeken, terzake van het bezit van aandeelen op naam in an-
dere zoodanige vennootschappen, enz. Daar deze ontvangsten
reeds zijn belast bij de bron, waaruit zij vloeien, kunnen zy
van het bedrag der uitdeelingen worden afgetrokken. Opdat
evenwel de controle niet al te zeer zou worden verzwaard en
al te veel twijfel aan de waarheid zou overblijven, geven ont-
vangsten op toonder-aandeelen geen recht op dien aftrek.
Onder uitdeelingen heeft men blijkbaar slechts te verstaan
die van winst. Art. 5 § 1 noemt eenige gevallen op, welke
daaronder niet zijn te rangschikken, t. w.:
1°. de uitdeelingen aan leden der directie of van het bestuur
-ocr page 46-
36                                       Inleiding.
en aan het personeel q. q., wordende deze personen daar-
voor \'toch zelfstandig belastingplichtig;
2°. de uitdeelingen of uitkeeringen aan onderstand genietenden
in deze hunne eigenschap, b.v. aan zieken en werkloozen
door eene vakvereeniging en aan verzekerden, voor wat
aangaat de bedragen, waarvoor verzekerd is, en dus met
uitsluiting van winstuitkeeringen aan verzekerden (verg.
voor natuurlijke personen de bepaling van art. 3, § 1, litt.
b); en
3°. uitdeelingen in den vorm van teruggave van betaalde con-
tributiën, zooals bij verdeeling eener vereenigingskas moge-
lijk is, tenzij dit geschiedt door vereenigingen, welke eene
winkelnering, een fabriek of handwerk drijven en zulks ter
voorkoming, dat betalingen wegens inkoopen bij coöpera-
tieve vereenigingen onder den naam van contributiën zou-
den doorgaan.
Ten einde te vermijden, dat in sommige gevallen de belas-
ting door willekeurige opvattingen nopens den aard der ver-
kregen voordeelen door belastingplichtigen zou worden ver-
kort, was het noodig eenige bepalingen in de wet op te nemen,
omtrent hetgeen bij enkele bedrijven en beroepen van fictieve
personen als winst zal gelden. Zoo is voor re e der ij en tot
maatstaf genomen het bedrag der uitkeeringen aan deelheb-
bers, verminderd met eene rente van 7 % in het jaar over het
aangewende kapitaal, berekend naar een gemiddelde van 3 ja-
ren of korter tijdvak (art. 5 § 2), terwijl bij liquidatie als
winst geldt, wat meer wordt uitgekeerd dan het gestorte ka-
pitaal. Sociëteiten zijn belastingplichtig naar het bedrag
(van het vorige boekjaar) der contributiën, entreegelden en
ontvangsten wegens levering van consumtie, verpacht of niet
verpacht, en het verschaffen van uitspanning, een en ander
na aftrek van de rente, kosten, enz. bedoeld bij art. 3 § 2.
Stichtingen, die een beroep of bedrijf uitoefenen, wor-
den belast naar het zuiver bedrag der inkomsten, berekend
volgens art. 3, zonder aftrek van renten voor in het beroep
of bedrijf gestoken eigen kapitalen.
Over het al of niet betrekken der coöperatieve vereenigin-
gen in de belasting en over hetgeen ten opzichte van deze
vereenigingen als winst is aan te merken, openbaarden zich in
de gewisselde stukken en bij de beraadslaging zeer afwijkende
opvattingen. Tegenstanders van de regeeringsvoordracht for-
muleerden hunne zienswijze in een tweetal amendementen.
-ocr page 47-
Inleiding.                                       37
Het eene, dat van den Heer van Karnebeek, *) beoogde niet
enkel de coöperatieve vereenigingen, maar ook de overige
vereenigingen (b. v. de sociëteiten) en de onderlinge verzeke-
ringmaatschappijen uit het artikel te lichten, indien de werk-
kring zich uitsluitend bepaalde tot de leden. Het andere, dat
van den Heer Kerdijk c.s., **) bedoelde alleen de uitsluiting
der coöperatieve vereenigingen, voor zooveel hare bemoei-
ingen zich niet verder uitstrekken dan tot de leden.
Achtte men den aanslag in de belasting op de besomde
voordeelen uit handelingen met niet-leden algemeen billijk en
gerechtvaardigd, daar, waar deze zich bepalen tot de leden,
kon, naar het gevoelen der voorstellers van de amendementen,
slechts eene miskenning van den aard der coöperatie er toe
leiden van handels- en bedrijfswinsten te spreken. Zoo kan
de coöperatieve consumtie-vereeniging of de verkoopprijzen zóó
laag stellen, dat zij niet meer bedragen dan de prijzen van
inkoop plus de kapitaalrente en de onkosten, of zij kan ver-
koopen tegen de gewone prijzen van den detailhandel en het
geldelijk voordeel onder de leden verdeelen. In het eerste
geval is er geen saldo, in het andere geval kan er slechts
sprake zijn van restitutie van het te veel betaalde. Deze
restitutie te belasten als inkomsten, zou zrjn in strrjd met
het stelsel der wet, die eene inkomstenbelasting heft en geen
bedrijfsbelasting is in den zin eener recognitie, verschuldigd
voor de uitoefening van het bedrijf. Wanneer enkele personen
gezamenlijk voor huishoudelijk gebruik eenen inslag doen, om
van de en-gros-prijzen te proflteeren, zal men niet spreken van
eene eigenlijke handelswinst. Met welk recht zal men dan een
ander karakter toekennen aan dezelfde handeling, als een groot
aantal personen daaraan deelnemen en eene zekere wettelijke
regeling wordt in het leven geroepen, om de verdeeling van
het ingekochte naar ieders behoefte te doen plaats hebben?
Evenals de kruidenier, verhoogt ook de winkelvereeniging den
inkoopsprijs met zeker bedrag. Voor zoover dat bedrag
*) Om litt. b van art. 1 te lezen:
»Van hier te lande gevestigde naamloozc vennootschappen en commanditaire
vennootschappen op aandeelen en van hier te lande gevestigde coöperatieve of
andere vereenigingen en onderlinge verzekeringmaatschappijen wier werkkring
zich niet hepaalt tot hare leden."
*\') Om in litt. b van art. 1 in plaats van de woorden : «Coöperatieve of andere
vereenigingen en onderlinge verzekeringmaatschappijen", te lezen:
«Coöperatieve vereenigingen, voor zooveel haar werkkring zich tot derden
uitstrekt, andere vereenigingen en onderlinge verzekeringmaatschappijen"..
-ocr page 48-
38                                    Inleiding.
onkosten vertegenwoordigt, kan er bij beiden geen winst zijn,
maar al wat meer op den verkoopprijs wordt gelegd, is voor
den kruidenier winst, voor de coöperatieve vereeniging niets
dan teruggave van hetgeen aanvankelijk te veel werd be-
taald. Feitelijk zal dus belasting worden geheven van de
uitgaven. Nu kan men door verlaging van prijzen beneden
den particulieren winkelprijs den aanslag in de belasting tot
een minimum beperken en de aantrekkelijkheid door het gemis
eener uitkeering zal, zooals uit de cijfers van buitenlandsche
coöperatieve vereenigingen valt te bewijzen, wel niet geringer
worden, doch het groote voordeel van kapitaalvorming door
de leden, de grootste zegen der coöperatie, zal wegvallen. "Waar
b.v. aan de winkelvereeniging eene organisatie is verbonden
tot eigendomsverkrij ging van arbeiderswoningen, treedt vooral
het belang op den voorgrond, om die uitkeering te bestendigen,
en dient vermeden te worden, dat de fiscale wet daarin wij-
ziging brenge. Deze argumenten bleven niet onbeantwoord.
Dat de winsten van coöperatieve vereenigingen geen winsten
zouden zijn in den waren zin des woords, schijnt moeilijk vol
te houden. Winst ontspruit uit waardeverschil en zoodanig
verschil is hier aanwezig. Eene kleine hoeveelheid, afzonderlijk
verkrijgbaar gesteld onder het bereik van eenen kring van con-
sumenten heeft, in verhouding, eene hoogere waarde dan de
groote hoeveelheid, waarvan zij deel uitmaakt. Van dat waarde-
verschil trekt de kruidenier partij, maar ook de coöperatieve
vereeniging, om het even, aan wie zij verkoopt. De afgeleverde
waren op bestelling der leden aan hunne woning bezorgd,
vertegenwoordigen daar ter plaatse, en naar de behoefte ver-
deeld, eene handelswaarde, die grooter is dan de productie-
kosten. Die meerdere waarde wordt gecreëerd door middel
van het kapitaal en het krediet der vereeniging en de diensten
van de loontrekkende beambten en bedienden. Het is een
winst, die evenals de winst, door particuliere ondernemers be-
haald, in wier plaats hier de gezamenlijke deelgenooten treden,
met handelsoperatiën wordt verkregen. In den rechtsvorm,
die de coöperatieve vereenigingen gekozen hebben, valt niet
meer te denken aan een gemeen eigendom van deelgenooten,
waarvan ieder een deel krijgt, doch is er in werkelijkheid een
onderlinge verkoop. Te beweren dat belasting zal worden be-
taald van de uitgaven en niet van de inkomsten, is
met den werkelijken gang van zaken in strijd. Als .de winst-
en verliesrekening geen overschot aanwijst, dan ontvangen de
-ocr page 49-
Inleiding.                                       39
leden niets, al zijn hunne uitgaven nog zoo groot en evenmin
is voor den fiscus het object voor de belasting aanwezig.
Bovendien besparing van uitgaven kan winst zijn en dit is
het geval, als men coöperatief het winkelbedrijf uitoefent,
want dan doet men de baten, die anders de winkeliers hebben,
in eigen zak vloeien. Of men overigens aan derden levert,
mag niet het criterium van belastbaarheid zijn. Dit te contro-
leeren ware reeds niet doenlijk, daar ieder lid voor anderen
zoude kunnen inkoopen, doch juist de winstuitkeering bewijst,
dat uit de handeling voor gemeene rekening een handelspersoon
is geboren, die dividenden noodig heeft, om zich te blijven
ontwikkelen. Dat bij coöperatieve vereenigingen van winst
mag worden gesproken, komt o. a. zeer duidelijk uit bij de
coöperatieve voorschotbanken. Die vereenigingen worden in
het leven geroepen door de behoefte aan krediet van lieden,
die persoonlijk geen krediet hebben en dit verkrijgen door de
collectieve verantwoordelijkheid der leden. Als de voorschot-
vereeniging, doordien alle leden zich voor hare schulden solidair
aansprakelijk stellen tegenover derden, van deze geld ter leen
ontvangt en daarmede winst maakt, dan heeft deze zuiver het
karakter van de winsten, welke bij deze wet zullen worden
getroffen. Waar de winstuitdeeling geschiedt in verhouding
van het op de aandeelen gestorte bedrag, wordt zelfs dividend
uitgekeerd aan hen, die zelve geen voorschotten nemen. Eischen
billijkheid en recht hier geen belasting? Maar nog eene om-
standigheid, niet zonder belang, pleit er voor, de coöperatieve
vereenigingen binnen het bereik der wet te houden, n.1., dat,
bij vrijstelling, menige naamlooze vennootschap in eene coöpe-
ratieve vereeniging zal worden omgezet bij de geringe bezwaren
en moeielij kneden, welke daarbij zouden in den weg staan.
Hoe weinig de voorstellers der amendementen de Kamer
hadden overtuigd, bleek bij de stemming. Het amendement
van den Heer van Karnebeek werd verworpen met 81 tegen
1, dat van den Heer Keedijk c. s. met 76 tegen 6 stemmen.
Met betrekking tot de coöperatie is het hier de plaats nog
een ander punt te bespreken. De vrijstelling van landbouw
en veeteelt in art. 3 § 7 opgenomen, is beperkt tot natuur-
lijke personen. Coöperatieve zuivelfabrieken worden dus belast
naar de* uitdeelingen, volgens de beginselen van art. 5 § 1,
hoewel zij slechts de voortzetting zrjn, onder ge wijzigden vorm,
van het reeds vrijgestelde bedrijf. Belasting op te leggen,
waar eene combinatie van landbouwers gezamenlijk de melk
-ocr page 50-
40                                   Inleiding.
van hun vee verwerken, vond om die reden bestrijding en
werd eene premie genoemd op de ouderwetsche karn tegen-
over de nieuwere werkwijze naar Deensche methode, door de
concurrentie geboden. Deze zienswijze werd vertolkt in een
amendement van den Heer Lieftinck om „de uitdeelingen
van coöperatieve zuivelfabrieken, waar alleen het product van
de bij de deelhebbers in eigen gebruik zijnden grond wordt
verwerkt" onder de uitzonderingen van art. 5 § 1 op te nemen.
Zoowel de Minister als de Commissie van Rapporteurs bestre-
den het amendement. Zij achtten het niet geraden, speciaal de
coöperatieve zuivelfabrieken te begunstigen en b.v. turfstrooisel-
aardappeb en beetwortelsuikerfabrieken op coöperatieven grond-
slag te belasten. De vrijstelling te verleenen, indien geen
melk wordt verwerkt van derden, scheen des te minder gera-
den, om geen aanleiding te geven de productie in eene bepaalde
richting te leiden of oeconomische toestanden te doen ontstaan,
die anders zouden zijn uitgebleven. Of ware het niet onbillijk
eene coöperatieve zuivelfabriek, uitsluitend voor de leden wer-
kende, vrij te stellen en haar te belasten als één niet-lid zich
met de melk daarbij voegde? Juist omdat de coöperatieve
zuivelfabrieken met haar beteren rechtsvorm treden op het
terrein van het fabriekwezen, wordt de heffing van belasting
gerechtvaardigd. Het fiscale belang moge voorshands van ge-
ringe beteekeniszijn, de geschiedenis der Cooperative Store
der Rochdale-pioneers bewijst, dat de coöperatie eene
ontwikkeling kan bereiken, waarbij de vrijstelling der schat-
kist duur te staan zou komen. Zal men haar dan opheffen
en terugnemen, wat eenmaal verleend is?
Ofschoon het amendement met 33 tegen 29 stemmen uitge-
leide werd gedaan, zag de voorsteller toch geheel aan zijne
wenschen tegemoetgekomen, toen bij de tweede lezing van het
ontwerp over dit onderwerp nader van gedachten werd gewis-
seld en de Regeering in plaats van het verworpen amen-
dement, de volgende wijziging als uitzondering d op art. 5, § 1,
voorstelde:
d. „uitdeelingen of uitkeeringen van coöperatieve of andere
vereenigingen, voor zooveel slechts bestaande in waarde-
vergoeding van geleverde zaken of in arbeidsloon."
Op een bezwaar van niet-ontvankelijkheid, door den Voor-
zitter der Commissie van Rapporteurs opgeworpen, nam de
Minister, weliswaar, de wijziging terug, doch verklaarde haar
eveneens overbodig, „daar het volkomen evident is, dat# de
-ocr page 51-
Inleiding.                                    41
bedoeling van het artikel zóó zal moeten worden opgevat, alsof
d er in stond".
Bij de behandeling van dit onderwerp is steeds gesproken
van coöperatieve vereenigingen, doch bij de beraadslaging in
de Tweede Kamer vindt men geen melding gemaakt van
naamlooze vennootschappen. Toch zijn er onder de
laatsten, waarvan de vennooten onderling een zuivelfabriek
exploiteeren door de melk van eigen vee te verwerken en de
opbrengst van het product in verhouding van de geleverde
melk verdeelen, al staat dit laatste niet uitdrukkelijk in de
statuten vermeld. Daar de fabriek met erf (het kapitaal der
vennootschap) aan de vennooten voor een gelijk aandeel be-
hoort, is er van eene eigenlijke winstuitkeering nimmer sprake.
Zal men hier de waarde van het verkochte product vermin-
deren met de waarde van de geleverde grondstof om tot de
bruto-winst te komen?
Verg. o.a. het Bijv. der Staatscour. van 12 Febr. 1886, n°.
36 (volgn. 27).
f ----------
VIL
Een beknopt overzicht van de bepalingen, welke meer speciaal
betrekking nebben op de administratieve techniek, volge
hieronder.
Het belastingjaar loopt van 1° Mei —uit0. April en valt dus
samen met dat van de vermogensbelasting.
Ontstaat de belastingplicht tusschentijds, dan wordt voor
de nog niet ingetreden maanden slechts naar twaalfde ge-
deelten verschuldigd, althans, indien de j aarlijksche inkom-
sten maatstaf van berekening zijn (verg. art. 4). Deze be-
paling geldt echter niet, als de belasting wordt berekend over
een deel van het jaar (verg. b.v. art. 6 § 5, 2e lid) en
evenmin voor uitdeelingen en uitkeeringen, bedoeld bij art. 5,
§§ 1 en 2 en art. 6, § 2. De handelsreizigers, onder art. 1,
litt. &, betalen steeds het volle vaste recht in art. 9 C op
genomen.
Het tijdstip van aanvang van belastingplichtigheid in den
loop van het belastingjaar is voor de verschillende gevallen
omschreven in art. 11, §3. Voor hen o.a., die op 1 Mei binnen
-ocr page 52-
42                                    Inleiding.
het Rijk wonen, doch toen niet in de termen van aanslag
vielen, breekt dit aan, zoodra zij vaste inkomsten verwerven
van minstens ƒ650 per jaar of wisselvallige inkomsten, die
blijkens overeenkomsten en andere gegevens op dat bedrag
kunnen worden begroot.
Evenals bij de vermogensbelasting, is ook voor de bedrijfs-
belasting eigen aangifte de algemeene regel, maar met eene
belangrijke uitzondering ten aanzien van hen, van wie door-
gaans niet verwacht kan worden, dat zij tot nauwkeurige aan-
gifte, van hetgeen de fiscus weten moet, in staat zijn. Men
zou evenwel — zegt de Memorie van Toelichting — te ver-
gaan door onder dezulken allen te begrijpen, wier inkomsten
gering zijn. Een kantoorbediende, al is zijn inkomen ook nog
zoo klein, kan het bedrag daarvan zeer wel opgeven. Tot de
hier bedoelde groep behooren dus alleen de kleine winkeliers,
de kleine werkbazen en diergelijken. In vele, misschien wel
in de meeste gevallen, houden deze personen niet met zooveel
nauwkeurigheid boek, als voor eene juiste aangifte van hunne
winsten noodig is. Van hen wordt dus alleen eene opgave gevraagd
van uiterlijke kenteekenen of bijzonderheden en van het ver-
mogen beneden ƒ13000, om daarin een punt van uitgang te
hebben voor het bepalen der zuivere inkomsten der verschil-
lende bedrijven, beroepen, enz. Zij zijn mitsdien gebracht onder
het régime van den ambtshalven aanslag en ontvangen
enkel ter invulling een biljet A, terwijl aan hen, die geacht
worden wèl in staat te zijn, om opgave te doen van inkomsten
en ontvangsten, tevens een biljet B wordt uitgereikt *).
Wordt de belasting berekend naar de uitkeeringen en uitdee-
lingen (art. 5 §§ 1 en 2 en art 6 § 2), dan komt alleen biljet C
te pas.
In de volgorde van art. 1 ontvangen de belastingplichtigen
(verg. art. 12 § 2) onder:
litt. a: het biljet A en tevens biljet B, voor zoover
le. zij geacht worden in de vermogensbelasting be-
lastingplichtig te zijn;
2e. hunne inkomsten, ongerekend die uit vermogen,
hoofdzakelijk geacht worden te bestaan uit vaste
traktementen en andere inkomsten, bedoeld bij art. 4 § 1.
"> Bij aanvang van belastingplichtigheid in den loop van het belastingjaar
geldt art. 14 $ 4.
Men raadplege ook art. 12 $ 4, laatste lid.
-ocr page 53-
Inleiding.
43
3\'. zij in het vorige belastingjaar naar een bedrag van
ƒ 2000 of meer in deze belasting waren aangeslagen; en
4". zij den ontvanger der directe belastingen uiterlijk
op 15 Mei hunnen wensch, om een biljet B te ont-
vangen, schriftelijk hebben kenbaar gemaakt.
NB. Voor de minderjarigen, tenzij zij handlichting
hebben bekomen, ingevolge art. 480 Burg. Wetb.. en
andere belastingplichtigen, genoemd in art. 7 § 5, ge-
schiedt de uitreiking aan hunne vertegenwoordigers,
enz. Ontbreken deze, dan heeft de uitreiking plaats
aan de belastingplichtigen zelve.
litt. b: de sociëteiten biljet A en B,
de overigen biljet C;
litt. c: de reederijen biljet C;
NB. De uitreiking geschiedt aan den boekhouder
der reeöery (verg. art. 7 § 1); de stichtingen biljet
A en B.
litt. d: biljet B;
litt. e: „ C;
NB. De uitreiking geschiedt aan de hier te lande
wonende beheerende vennooten (verg. art. 7 § 2).
litt. f: biljet B;
NB. De uitreiking geschiedt aan de vertegen-
woordigers bij de Nederlandsche regeering.
litt. g: biljet A en B;
NB. De uitreiking geschiedt aan de gemachtigden
of, indien een daarvan de algemeene leiding heeft,
aan dezen (verg. art. 7 § 3).
litt. h: biljet A en tevens biljet B, indien kantoren ofan-
dere vaste inrichtingen worden gebezigd of vaste
inkomsten, niet bestaande uit dag- of weekloonen,
worden genoten.
NB. Bij vertegenwoordiging door gemachtigden ge-
schiedt de uitreiking aan dezen (verg. art. 7 § 3).
litt. i: biljet A en B;
NB. De uitreiking geschiedt aan de optredende
tusschenpersonen (verg. art. 7 § 4).
litt. k: biljet A.
Eene bijzondere bepaling is in de wet opgenomen ten op-
-ocr page 54-
44
Inleiding.
zichte van de firma. Ofschoon als zoodanig geen belasting-
plichtig lichaam (zie de noot op blz. 19) wordt toch een bil-
jet A uitgereikt, indien de onderneming wordt gedreven door
meer dan één in Nederland wonenden hoofdelijk aanspra-
kelijken vennoot. In dat geval moet het biljet door alle ven-
nooten met hun eigen naam worden onderteekend en kunnen zij
bij hunne individuëele aangifte op biljet A (verg. litt. a) naar
deze aangifte verwijzen. Dezelfde bijzonderheden met betrek-
king tot de zaken der firma behoeven dus niet herhaald te
worden en de aangifte heeft de strekking eener vereenvoudi-
ging. Niettemin kunnen de vennooten nog uit andere bron-
nen inkomsten genieten buiten de onderneming der firma, doch
daarvan behooren zij dan melding te maken op het biljet A,
hun persoonlijk uitgereikt.
Ter verkrijging van de gevorderde aangiften geschiedt op
den gebruikelijken voet eene beschrijving door den Ontvanger
of zijn gemachtigde volgens lijsten met bijgevoegde formulie-
ren, hem daartoe door den bij de wet bedoelden hoofdambte-
naar der directe belastingen toegezonden.
Waar de uitreiking en de aanslag geschieden, leert art. 12
§ 4 en art. 17.
Het tijdstip van aanvang der beschrijving wordt door den
Commissaris der Koningin in de provincie bepaald en door het
gemeentebestuur afgekondigd. Zij heeft plaats uiterlijk in de
maand Juli, een termijn met voordacht zoo ruim genomen,
omdat vele aangiften voor de bedrijfsbelasting niet kunnen
worden afgewerkt, vóór dat die betrekkelijk de vermogens-
belasting zijn behandeld. Alleen de biljetten C worden in het
begin van het belastingjaar uitgereikt.
Behoudens verlenging van den termijn worden de biljetten
A en B na twintig dagen weder opgehaald, tenzij zij dade-
lijk ingevuld en onderteekend bij de uitreiking worden terug-
gegeven of binnen den gestelden termijn worden terugbezorgd.
Is de belastingplichtige niet in staat om aangifte te doen, dan
kan dit namens hem krachtens schriftelijke volmacht of op
schriftelijke vergunning van den hoofdambtenaar, in art. 19
bedoeld, geschieden. Volmacht of vergunning worden dan aan
de aangifte gehecht. Indien iemand verklaart niet te kunnen
schrijven, kan op verlangen de invulling worden gedaan door
den Ontvanger of zijn gemachtigde, die, na voorlezing met
één getuige, de aangifte namens den belastingplichtige onder-
teekent (art. 13). In de gevallen, dat bij de primitieve beschrü-
-ocr page 55-
Inleiding.
45
ving geen biljet A is ontvangen, of de beantwoording der bil-
jetten A en B, in afwachting van de vaststelling der balans,
nog niet kan geschieden, alsmede bij aanvang van belasting-
plichtigheid in den loop van het belastingjaar, voorziet art.
14. Verandering van de bijzonderheden, in biljet A vermeld,
binnen twee maanden, nadat het biljet is ingeleverd, moeten
nader worden opgegeven (art. 15§ 1). Die optreedt als bestuurder
of beheerend vennoot van eene hier te lande gevestigde ven-
nootschap, onderlinge verzekeringmaatschappij, coöperatieve
vereeniging of van eene vereeniging of stichting, die een be-
drijf of beroep uitoefent, of als boekhouder eener reederij, moet
daarvan binnen één maand kennis geven (art. 15 § 2). Tot
uitdeelingen of uitkeeringen volgens art. 5 § § 1 en 2 en art. 6
§ 2 mag niet worden overgegaan, alvorens daarvan aangifte
gedaan — en de over vroegere uitdeelingen of uitkeeringen
verschuldigde belasting betaald te hebben. Bij liquidatie moet
echter de verschuldigde belasting vooraf worden betaald
(art. 16). De aanslagregeling is opgedragen aan twee com-
missiën, waarvan Voorzitter is een hoofdambtenaar der dir.
bel. Daarenboven kan de Minister van Financiën nog Advi-
seurs benoemen tot het geven van inlichtingen. De aanslagen
van binnen het Rijk wonenden (art. la), aan wie geen biljet
B is uitgereikt — dit zijn dus zij, die in de termen van ambts-
halven aanslag vallen en enkel biljet A ontvangen — worden
vastgesteld door een der colleges van zetters, bedoeld bij de
wet van 5 April 1870 (Stbl. n°. 63). Voor alle overige belas-
tingplichtigen treedt eene speciale commissie op, wier taak zich
over meerdere gemeenten te zamen kan uitstrekken of waar-
van ook in één gemeente meerdere kunnen worden ingesteld.
In de taal der wet wordt overigens ook het college van
zetters als commissie van aanslag aangeduid (art. 19.) De aan-
gifte kan nader worden toegelicht bij den Voorzitter der com-
missie, tenzij de aangever schriftelijk het verlangen heeft te
kennen gegeven door de commissie zelve te worden gehoord
(art. 20). Bestaat geen bedenking tegen de aangifte, dan
wordt de aanslag dienovereenkomstig vastgesteld, doch de
commissie kan ook eenen aanslag opleggen naar een hooger
dan het aangegeven bedrag der inkomsten (art. 21 § 1). De
aanslag van. hem, die geen aangifte heeft gedaan van het be-
drag, waarnaar de aanslag moet geschieden, wordt ambtshalve
geregeld (art. 21 § 2).
Is de commissie van oordeel, dat geen aanslag moet worden
-ocr page 56-
Inleiding.
46
opgelegd, dan wordt de aangifte buiten verdere behandeling
gelaten, tenzij tusschen de meerderheid der commissie en den
Voorzitter verschil van meening ontstaat over de vraag, of
iemand uit eigen hoofde of als belastingplichtige voor anderen
moet worden aangeslagen. In dat geval beslist de Provinciale
Inspecteur, gehoord den Rijksadvocaat, bijaldien het geschil
de toepassing betreft van art. 1, art. 2 § 5 en art. 7. Loopt
het verschil van meening over de hoegrootheid van den aan-
slag, dan beslist eveneens de genoemde autoriteit, doch moet
zich bij de vaststelling van den aanslag houden binnen het
hoogste en laagste cijfer. Deze beslissingen zijn voor de com-
missie verbindend (art. 21 § 3).
Herziening van den aanslag kan te pas komen als in de
bepaling van het vermogen, op een volgens de wet van
27 Sept. 1892 ingediend bezwaarschrift, wijziging is gebracht
(art. 21 § 4).
Op het kohier worden alleen de aanslagen, niet de inkomsten
uitgetrokken (art. 22 §§ 1 en 2). Te wiens name zij worden
gesteld, is in art. 22 § 2 aangewezen. Bij inlevering van
aangiften of aanbieding ter quiteering van aanslagbiljetten in
gesloten omslag worden de biljetten op dezelfde wijze bezorgd
of teruggegeven (art. 22 § 3). Uitreiking der aanslagbiljetten
geschiedt binnen veertien dagen na de afkondiging van het
kohier (art. 22 § 4).
Die bezwaar heeft tegen den aanslag, hem uit eigen hoofde
of als belastingplichtige voor anderen opgelegd, kan zelf of
door eenen gemachtigde een gemotiveerd bezwaarschrift be-
zorgen bij den Voorzitter der commissie van aanslag en wel
tegen gedagteekend ontvangbewrjs of aangeteekend per post.
De termijn van reclame verstrijkt zes weken na de af-
kondiging van het kohier of de dagteekening der in art. 21 § 4
(zie hiervoor) bedoelde uitspraak. Is het bezwaar gegrond op
de bepalingen van art. 1, art. 2 § 5 en art. 7, dan beslist de
Provinciale Inspecteur, gehoord den Rijksadvocaat. Deze be-
slissing is voor de commissie verbindend. *) Indien de recla-
mant daartoe het verlangen heeft te kennen gegeven, wordt
hij te zijner keuze door de commissie van aanslag of haren
Voorzitter en in de gevallen, waarin de Provinciale Inspecteur
beslist, door dezen gehoord (art. 23). Van de uitspraak wordt
hem kosteloos kennis gegeven tegen gedagteekend ontvang-
") De Provinciale Inspecteur beslist, doch de Commissie doet uitspraak.
-ocr page 57-
Inleiding.
47
bewijs of wel aangeteekend per post (art. 24). Heeft hij tegen
de uitspraak bezwaar, dan kan hij binnen dertig dagen na
bedoelde kennisgeving bij eene met redenen omkleede
memorie en onder overlegging van een afschrift van de uit-
spraak der commissie van aanslag in beroep komen bij den-
zelfden Raad, die voor de toepassing der vermogensbelasting
bij art. 29 der wet van 27 September 1892 (Stbl. n°. 223) is
ingesteld (art. 25 §§ 1 en 4). Die ambtshalve is aangeslagen,
omdat hij naliet aangifte te doen, komt onder bijvoeging van
het aanslagbiljet rechtstreeks bij dezen Raad in reclame en
met voorbijgang dus der commissie van aanslag. Daarvoor
geldt de termijn van zes weken na afkondiging van het
kohier (art. 25 §§ 2 en 4).
Eveneens staat aan den Voorzitter der commissie van aan-
slag het beroep open bij den Raad tegen uitspraken der com-
missie op bezwaarschriften, omtrent den aanslag of de inkomsten,
mits ingesteld binnen veertien dagen na die uitspraken en
daarvan, op de wijze in art. 24 voorgeschreven, binnen drie
dagen kennis gevende aan den belanghebbende. Eerst der-
tig dagen nadat deze kennisgeving is uitgereikt of ver-
zonden, wordt dit beroep door den Raad in behandeling ge-
nomen (art. 25 §§ 3 en 5). De wijze, waarop een ingesteld
beroep bij den Raad wordt behandeld, is geregeld in art. 27.
Volgens art. 28 mag de Voorzitter der commissie van aanslag
het advies op ingediende reclames en het zelfstandig ingestelde
beroep toelichten uit gegevens, waaromtrent hem geheimhou-
ding is opgelegd. In de artt. 29 — 31 zijn de bevoegdheden
van den Raad omschreven. Hij kan:
1°. bij de uitspraak eenen aanslag opleggen in afwijking zoowel
van de aangifte als van den ambtshalven aanslag of van\'
het advies der commissie of haren Voorzitter.
Verlaging van den aanslag echter niet, indien de belas-
tingschuldige ambtshalve is aangeslagen, als gevolg van
verzuim van aangifte, tenzij hij aantoone, dat de aanslag
te hoog is;
2°. bij "de behandeling eener zaak den aangeslagene toestaan
zijne aangifte te verbeteren;
3°. de plechtige verklaring volgens het wettelijk formulier
vorderen van hem, die bij zijne aangifte volhardt, indien .
omtrent de juistheid der aangifte naar biljet B of C of
omtrent het vermogen, volgens biljet A, twijfel overblijft
of bezwaar is tegen toepassing van het bepaalde sub 1°., le lid.
-ocr page 58-
Inleiding.
48
In de bevestigde aangifte wordt berust.
Bij weigering om de verklaring af te leggen en te on-
derteekenen wordt de aanslag niet verlaagd of opgeheven;
4°. bij uitspraak op een beroep van den aangeslagene den
vastgestelden of gehandhaafden aanslag verhoogen met:
a. 25 % van de hoofdsom van den aanslag, als de ver-
plichting tot het doen van aangifte niet is nagekomen, en
6. 25 % van de meerdere verschuldigde belasting in hoofd-
som bij te lage aangifte van het bedrag naar hetwelk
de omslag moet geschieden; en
5°. de commissiën van aanslag hooren nopens de berekening
van inkomsten, uitdeelingen, uitkeeringen of vermogen, en
deskundigen raadplegen omtrent waardebepalingen en af-
schrij vingen.
Niet altijd is het indienen van een bezwaarschrift de voor-
waarde tot verkrijging van ontheffing. Op voorstel van de
commissie van aanslag kan n.1. de Provinciale Inspecteur ook
zonder die indiening ontheffing verleenen, indien hem in het
loopende of volgende belastingjaar blijkt, dat de aanslag te hoog
is gesteld. Daarenboven kan bij Koninklijk Besluit in bij zon -
dere gevallen van dwaling of onwillig verzuim, kwijtschel-
ding of vermindering of teruggaaf geschieden van de hoofd-
som der belasting en van de ingevolge art. 30 opgelegde ver-
hooging (art. 43).
De wet spreekt, behalve van bezwaarschriften, ook nog van
verzoekschriften om ontheffing, in te dienen aan den
Provincialen Inspecteur, die daarop uitspraak doet, na de com-
missie van aanslag gehoord te hebben. Zij betreffen het geval:
J.0. dat belastingplichtigen, bedoeld in art. 1, litt. a, b en c,
die in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere
werelddeelen, wegens door hen uitgeoefende bedrijven,
beroepen of ondernemingen in het patentrecht of eene
belasting naar de inkomsten zijn aangeslagen (art. 37);
2°. van overlijden van eenen belastingplichtige, bedoeld bij art. 1
litt. a en d en bij litt. h, voor zoover deze hier persoon-
lijk werkzaam was (art. 38, le lid);
3°. dat de belastingplichtigen onder art. la, in den loop van
het jaar het Rijk metterwoon verlaten (art. 38, 2e lid); en
4°. van staking van bedrijf of beroep of ontslag uit eene
betrekking ten aanzien van belastingplichtigen, bedoeld bij
art. 1, litt. a, d en ft, en wat betreft de belastingplich-
tigen in art. 1, litt. o, indien het inkomen door het op-
-ocr page 59-
Inleiding.
49
houden van inkomsten als bedoeld bij art. 2, § 1&, in
den loop van het jaar met meer dan een vierde is
verminderd (art. 40).
Het verzoekschrift sub 1°. moet worden ingediend, binnen
zes maanden na de afkondiging van het kohier, waarop de
aanslag hier te lande voorkomt, die sub 2°. en 3°. binnen zes
weken na het overlijden of vertrek, behoudens verlenging
van den termijn tot uiterlijk zes maanden door den Minister
van Financiën.
Beroep tegen de uitspraak van den Provincialen Inspecteur
in de gevallen sub 1°., 2°. en 3°. staat open bij de Koningin,
die daarop beslist, den Raad van State gehoord, en in het
geval sub 4°. bij den Minister van Financiën. Het moet worden
ingesteld binnen dertig dagen na den datum der toezending
der uitspraak, waarvoor geldt die der aanteekening per post
of die van het gedagteekend ontvangbewijs.
Ook eenige controlemiddelen komen in de wet voor. Zoo
moeten b.v. handelsreizigers, kramers en alle verdere personen,
genoemd bij art. 1, litt. a, h en ft, die hun beroep rondtrek-
kende uitoefenen, zich voorzien van een Bewijs, af te geven
door het gemeentebestuur (art. 34) en zijn de ambtenaren der
directe belastingen, op schriftelijke lastgeving en met de ver-
eischte machtiging, bevoegd in fabrieken, werkplaatsen, enz.
de bijzonderheden op te nemen bedoeld in art. 12, §1 II (art. 44).
Verder zijn bestuurders van de bij art. 1 b en c bedoelde
naamlooze vennootschappen, enz. verplicht, binnen veertien
dagen na de vaststelling der balans of rekening, daarvan een
voldoend uittreksel te zenden aan den Voorzitter der commissie
van aanslag (art. 45) en is aan de hoofdambtenaren der di-
recte belastingen de bevoegdheid gegeven, inzage te nemen van
de kohieren der hoofdelijke omslagen naar het inkomen (art. 36).
Evenals in de wet op de vermogensbelasting is het opzette-
lijk afleggen eener valsche verklaring als bedoeld bij art. 29
en het opzettelijk schenden der bij art. 35 opgelegde geheim-
houding strafbaar (art. 47, §§ 1 en 2). Beide feiten worden
beschouwd als misdrijven (art. 48, le lid), wat voor het laatste
feit in de wet op de vermogensbelasting werd verzuimd te
bepalen, zoodat de strafbedreiging daar voorshands zonder ge-
volg blijft. In afwijking dier wet zijn echter bij de bedrijfs-
belasting nog meerdere straffen opgenomen. De Minister achtte
het, met het oog op het groote getal belastingplichtigen, bh\'
deze wetgeving betrokken, noodzakelijk, aan de strafbedreiging
4
-ocr page 60-
Inleiding.
50
eenige uitbreiding te geven, om de uitvoering der wet te ver-
zekeren. By een ontwikkeld rechtsgevoel maakt het niettemin
een minder goeden indruk, dat iemand, te wiens aanzien ver-
zuim van aangifte in de vermogensbelasting wordt bewezen,
niet strafbaar is, terwü\'1 b. v. hetzelfde verzuim van verplichte
aangifte en zelfs het in gebreke blijven, om het aangifte-biljet
A terug te bezorgen, voor de bedrijfsbelasting als eene straf-
bare overtreding wordt beschouwd (verg. art. 47, §§ 3 — 7, j°.
art. 48, 2e lid). Intusschen is ook hier transactie voor de
geldboeten toegelaten, om op eenvoudige, min kostbare wijze
onbeteekenende zaken uit den weg te ruimen zonder tusschen-
komst van den rechter.
De overgangs- en slotbepalingen vindt men bijeengevoegd in
hoofdstuk VI. O. a. bepaalt art. 54 (in aansluiting met art.
50 der wet op de vermogensbelasting), dat in afwachting eener
nadere wettelijke regeling op de bedrij fsbelasting geen opcenten
ten behoeve van gemeenten en provinciën mogen worden ge-
heven. Verder zijn eenige wijzigingen gebracht in de wet op
de Invordering van \'s Eijks directe belastingen van 22 Mei 1845
(Stbl. n°. 22). Het stelsel van betaling in tien termijnen is ver-
laten en de bedrij fsbelasting invorderbaar gesteld in Vij f ter-
mijnen, behoudens eene bijzondere regeling voor de aanslagen
op suppletoire kohieren en voor zoover zij niet volgens de
thans vastgestelde redactie van art. 9 dier wet dadelijk en in
eens invorderbaar is. Voorts werd art. 15 der bedoelde wet
in dien zin aangevuld, dat verzet en terugvordering tegen de
wettigheid van den aanslag kunnen gericht zijn en is in eene
bestaande leemte voorzien betrekkelijk de terugvordering van
betaalde belasting.
Het middel van inlegering, reeds in onbruik, is, als „uit den
tijd", voor de invordering van bedrij fsbelasting niet toegelaten.
-ocr page 61-
WET van den 2den Ootober 1893
(Staatsblad n°. 149, Verz. n°. 93),
tot heffing eener belasting op
bedrijfs- en andere inkomsten.
In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Wij EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het Ko-
ninkrijk,
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te
weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig
is, in verband met de vermogensbelasting het recht van pa-
tent door eene belasting op bedrijfs- en andere inkomsten te
vervangen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK I.
Belastingplichtigheid. Aard, voorwerp en bedrag
der belasting. vertegenwoordiging.
Art. 1. Onder den naam van belasting op „bedryfs- en
andere inkomsten" wordt eene directe belasting geheven:
a.    van ieder die binnen het Rijk woont of die zich in den
loop van het jaar binnen het Ryk metterwoon vestigt;
b.    van hier te lande gevestigde naamlooze vennootschappen,
commanditaire vennootschappen op aandeelen, coöperatieve of
andere vereenigingen en onderlinge verzekeringmaatschappyen;
c.    van hier te lande gevestigde reederyen, en van hier te
-ocr page 62-
52                      Hoofdstuk I. — Aktt. 1 — 2.
lande gevestigde stichtingen die een bedrij f of beroep uitoefenen;
d.    van allen, niet begrepen onder a, die een Nederlandsen
Staatsambt uitoefenen buiten het Rijk, zonder daar aan per-
soonlijke lasten onderworpen te zijn en voor zoover zij geen
dienst doen in de koloniën of bezittingen van het Rijk in
andere werelddeelen;
e.    van buitenlandsche vennooten in Nederlandsche ven-
nootschappen, daaronder niet begrepen buitenlandsche aandeel-
houders, en van buitenlandsche vennooten in Nederlandsche
maatschappen betrekking hebbende tot de uitoefening van
eenig bedrijf of beroep;
f.    van spoorwegondernemingen in het buitenland gevestigd,
welker exploitatie zich op Nederlandsch grondgebied uitstrekt;
g.    van in het buitenland gevestigden, die hier te lande
door tusschenkomst van gemachtigden, hier gevestigd, over-
eenkomsten aangaan tot brand-, zee-, levens- of andere ver-
zekering ;
h. van andere in het buitenland gevestigden, die hier te
lande persoonlijk of door gemachtigden een bedrijf, beroep,
ambt, waardigheid, bediening of betrekking geregeld uitoefenen,
of minstens drie maanden achtereen uitgeoefend hebben, of
van wie op grond van overeenkomsten of andere gegevens is
aan te nemen dat zij dit gedurende minstens drie maanden
achtereen zullen doen;
i. van in het buitenland gevestigden, die herhaaldelijk stoffen
of kleedingstukken, sieraden, meubelen, speelgoed, voedings-
en genotmiddelen en andere dergelijke artikelen in koop toe-
zenden aan niet daarin handeldrijvenden hier te lande door
bemiddeling van hier te lande gevestigde tusschenpersonen;
k. van in het buitenland gevestigden, die hier te lande
rondreizen, met of zonder stalen of monsters, om bestellingen
op te nemen.
Of en waar iemand binnen het Rijk woont of gevestigd is,
wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Art. 2. § 1. Zij, die binnen het Rijk wonen of zich in den
loop van het belastingjaar binnen het Rn\'k vestigen, zn\'n be-
lastingplichtig naar de som hunner jaarljjksche inkomsten,
voor zoover bestaande:
a. uit winsten en belooningen;
-ocr page 63-
Hoofdstuk I. — Art. 2.
53
b. uit wachtgelden en pensioenen, lijfrenten en andere ver-
schuldigde periodieke uitkeeringen, niet bedoeld in artikel 3,
derde lid, der wet van 27 September 1892 {Staatsblad n°. 223),
verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting
en andere zaken, en verschuldigde of onverschuldigde toelagen
van buitenslands gevestigden, niet belastingplichtig ingevolge
artikel ld.
Onder de som der j aarlij ksche inkomsten wordt verstaan
het zuiver bedrag daarvan, na aftrek der geleden verliezen, een
en ander opgevat en berekend naar de bepalingen dezer wet.
§ 2. Voor hen die niet in de vermogensbelasting zijn aan-
geslagen, omdat hun vermogen geacht wordt minder te zijn
dan ƒ 13 000, wordt de in § 1 bedoelde som verhoogd met
f 40 van elke f 1000, waaruit hun vermogen, opgevat en
berekend naar de bepalingen der wet van 27 September 1892
(Staatsblad n°. 223), bestaat.
Daarentegen wordt die som voor hen verlaagd met het vol-
\' • gende, voor zooverre het niet reeds bij de toepassing van het
vorig lid in aanmerking werd genomen:
a.    het jaarlijksch bedrag der verschuldigde lijfrenten, pen-
sioenen, gevestigde of altijddurende renten;
b.    het jaarlijksch bedrag der uitgaven van den belasting\'
plichtige voor verschuldigde verstrekkingen van levensonder-
houd, huisvesting of andere zaken; de uitgaven bedoeld by
art. 3 § 3, daaronder niet begrepen.
Is het bedrag van dit een en ander afwisselend, dan wordt
daarvoor het gemiddelde per jaar over de drie laatste belas-
tingjaren gerekend, of indien de schuld nog geen drie jaren
bestaat, het gemiddelde per jaar over den tijd van haar bestaan.
§ 3. Indien bij het begin van het vorig belastingjaar de
waarde van het vermogen tegenover het bedrag der schulden
een tekort aanwees, of wel de belastingplichtige op dat tijdstip
geen vermogen doch wel schulden had, wordt de in § 1 be-
doelde som verlaagd met het bedrag waarmede het totaal
zyner schulden op het eind van dat jaar verminderd is; voor
zooverre de belastingplichtige die vermindering op geen andere
wyze heeft kunnen bewerkstelligen dan uit bespaarde inkomsten.
§ 4. Doet gelijk geval zich voor bij het begin van het be-
lastingjaar, dan wordt de in § 1 bedoelde som verminderd met
-ocr page 64-
Hoofdstuk I. — Artt. 2—3.
54
de in dat jaar te betalen rente van schulden, die niet door
vermogen zijn gedekt.
Bij toepassing van deze en de vorige paragraaf wordt het
vermogen opgevat en berekend naar de bepalingen der wet van
27 September 1892 {Staatsblad n°. 223) artt. 2, 3, 4, 6 en 7.
§ 5. De binnen het Rijk wonende man is, behoudens ver-
haal, uit eigen hoofde belastingplichtig voor het inkomen naar
deze wet van zijne vrouw, tenzij in de gevallen van scheiding
van tafel en bed, van scheiding van goederen en in het geval
dat de vrouw, krachtens art. 195 van het Burgerlijk Wetboek,
zich het beheer van hare roerende en onroerende goederen en
het vrije genot van hare inkomsten heeft bedongen; in welke
gevallen de vrouw zelve belastingplichtig is.
Niettemin wordt in de twee laatste gevallen bij de bereke-
ning van de verschuldigde belasting geene splitsing van de
inkomsten van man en vrouw toegelaten maar de uitkomst
der berekening in evenredigheid tot het bedrag van ieders
inkomen over beide omgeslagen.
Art. 3. § 1. Bij toepassing van artikel 2 wordt, behoudens
het hierna bepaalde, als winst of belooning beschouwd de som
van al hetgeen in geld of geldswaarde genoten wordt uit be-
drijf, beroep, onderneming, ambt, waardigheid, bediening of
betrekking, tijdelijk of voor eens verrichte werkzaamheid, van
welken aard ook, aandeel in winst of overwinst, bedongen of
niet bedongen, met uitzondering van:
a.    uitdeelingen op aandeelen in naamlooze vennootschappen
en in commanditaire vennootschappen op aandeelen, in onder-
linge verzekeringmaatschappijen, in reederijen en op bewijzen
van lidmaatschap van coöperatieve en andere vereenigingen;
b.    winstuitkeeringen als verzekerde genoten.
Winsten of verliezen ontstaan enkel uit belegging van kapi-
taal in fondsen of goederen, anders dan in de uitoefening van
bedrijf of beroep, komen niet in aanmerking.
§ 2. Ter berekening van haar zuiver bedrag, en in daartoe
leidende gevallen van het geleden verlies wordt, voor zoover
bij hare berekening te dier zake nog geen aftrek heeft plaats
gehad, de winst of belooning verminderd met:
a. de rente der kapitalen, aangewend in het bedrijf of be-
-ocr page 65-
Hoofdstuk I. — Art. 3.
55
roep, voor zoover de vruchten dezer kapitalen zyn opgenomen
onder de inkomsten bedoeld bij artikel 2.
Deze rente wordt berekend: voor kapitalen, waarvan de be-
lastingplichtige eigendom of vruchtgenot heeft, naar den maat-
staf van 4 ten honderd in het jaar over de geldswaarde, becij-
ferd volgens art. 7 der wet van 27 September 1892 (Staatsblad
n°. 223); voor andere kapitalen, naar den bedongen rentevoet.
Gebouwde eigendommen, voor bedrijf of beroep aangewend,
maken van die kapitalen geen deel uit, wanneer zij door den
belastingplichtige of zijn gezin worden bewoond;
b.    kosten van onderhoud en herstelling in haren vorigen
staat van uitsluitend ten behoeve van het bedrijf, beroep of
ambt gebezigde zaken;
c.    loonen, vrachten, assurantiepenningen, pakhuis-, kantoor-,
werkplaats^ of andere huren en alle verdere kosten, noodzake-
kelijk ter verwerving van het inkomen of ter uitoefening van
het bedrijf, beroep of ambt, waaruit dat inkomen wordt ver-
kregen.
Uitgaven, bedoeld in b en c, niet uitsluitend voor het ge-
noemde oogmerk noodzakelijk, maar ook ten deele voor per-
soonlijk genot of andere oogmerken gedaan, worden voor de
helft als kosten aangemerkt;
d.    de als onverhaalbaar afgeschreven schuldvorderingen of
gedeelten van schuldvorderingen;
e.    de afschrijvingen noodzakelijk tegenover vermoedelijke
waardevermindering van eigendommen uitsluitend voor bedrijf,
beroep of ambt aangewend;
f.    bijdragen aan fondsen tot ondersteuning van personen
bij den belastingplichtige in dienst voor zijn bedrijf of beroep,
premiën door hem uitbetaald tot verzekering van die personen
tegen ongelukken, toelagen aan hunne nagelaten betrekkingen
of aan ouden en gebrekkigen, vroeger tot die personen behoord
hebbende;
g.    winstuitkeeringen aan personeel bij den belastingplichtige
in dienst voor zijn bedrijf of beroep en ter zake daarvan;
h. retributiën en belastingen, directe daaronder niet begre-
pen, drukkende op het bedrijf;
i. kortingen van traktementen en andere belooningen we"
gens verplichte bijdragen voor pensioenen of fondsen.
j. premiën voor levensverzekering, voor pensioen of voor
-ocr page 66-
56
Hoofdstuk I. — Art. 3.
lijfrenten, doch tot geen hoogere som dan vijf ten honderd van
het bedrag der inkomsten, bedoeld in art. 2, § 1, en in geen
geval meer dan f 100.
§ 3. Uitgaven voor woning en huishouden van den belas-
tingplichtige of zijn gezin of voor onderhoud en opvoeding van
kinderen, onverschuldigde uitkeeringen, niet begrepen onder de
vorige paragraaf en andere uitgaven, die niet rechtstreeks tot
de uitoefening van het bedrijf of beroep betrekking hebben,
worden niet als kosten aangemerkt.
§ 4. Wanneer vertrekken die als kantoor, winkel, magazijn,
lokaal voor onderwijs, atelier of werkplaats worden gebezigd,
tevens tot woning dienen van den belastingplichtige of zijn
gezin, of wel wanneer zoodanige vertrekken een gedeelte uit-
maken van het perceel, waarin zich die woning bevindt, dan
geldt als kosten het door den belastingplichtige te begrooten
aandeel der huur, of wanneer hij eigenaar is, der kadastrale
huurwaarde, van het deel dat geheel of gedeeltelijk voor zijn
bedrijf, beroep of ambt wordt gebezigd. Wordt door de com-
missie van aanslag die begrooting te hoog geacht, dan wordt
dat bedrag door deskundigen, door haar aan te wijzen, geschat.
De kosten der schatting, volgens een door Ons vast te stellen
tarief, komen ten laste van den belastingplichtige, indien zijne
begrooting het geschat bedrag met tien ten honderd of meer
overtreft en worden met de belasting van hem ingevorderd.
§ 5. Winstuitkeeringen genoten door commanditaire ven-
nooten uit andere commanditaire vennootschappen dan diebe-
doeld bij art. 1 b worden, ter berekening van haar zuiver
bedrag, verminderd met eene rente op den voet van vier ten
honderd in het jaar van het kapitaal, waarvoor deze vennoo-
ten deelgerechtigd zijn in de vennootschap.
§ 6. Van pensioenen, wachtgelden en lijfrenten, mits deze
laatste niet bij huwelijksche voorwaarden of ter zake van hu-
welijk door bloedverwanten of aangehuwden in de rechte op-
gaande linie ten behoeve van kinderen en andere afstamme-
lingen zijn gevestigd, worden de eerste f 1000 van hun bedrag
voor vijftig ten honderd in rekening gebracht.
§ 7. Inkomsten uit hier te lande gedreven land-, tuin- of
boschbouw, boom- of bloembollenkweekerij, onverschillig of
daarbij eenige bloemisterij op kleine schaal wordt gedreven,
veehouderij of veenderij, met inbegrip der daarmede gewoon-
-ocr page 67-
57
Hoofdstuk I. — Artt. 3 — 4.
lijk samengaande bereidingen van het voortgebrachte door de
voortbrengers zelven, alsook winsten uit steengroeven en uit
groeven of mijnen van andere delfstoffen hier te lande, voor-
zoover zij voortkomen uit verkoop in natura der uitgegraven
stoffen, worden \'geacht, na aftrek van alle kosten, vier ten
honderd in het jaar van het daartoe aangewende kapitaal te
bedragen, of, voor zoover daartoe opgenomen kapitaal is gebe-
zigd, zooveel ten honderd als bedongen is. \'
Deze bepaling is niet van toepassing:
1°. wanneer het in bovenbedoelde bedrijven aangewende
kapitaal, ten gevolge van de vereeniging dier bedrijven met
andere, niet afzonderlijk te begrooten is;
2°. op winsten uit bloemisterij, onverschillig of daarbij eenige
bloembollenkweekerij op kleine schaal wordt gedreven.
Art. 4. Voor de toepassing van het in de artt. 2 en 3 be-
paalde gelden de volgende regelen:
§ 1. Vaste traktementen en alle andere voor bepaalden of
onbepaalden tijd vastgestelde inkomsten uit bedrijven, beroe-
pen, ambten, waardigheden, bedieningen of betrekkingen, be-
nevens wachtgelden, pensioenen, lijfrenten en andere perio-
dieke uitkeeringen belastbaar volgens deze wet, als ook vaste
toelagen van buitenslands gevestigden, worden berekend naar
het jaarlijksch bedrag bij den aanvang van het belastingjaar,
of bij lateren aanvang van belastingplichtigheid, op het tijd-
stip van dien aanvang; een en ander verminderd, voor zoover
dit pas geeft, met het bedrag der vermoedelijke rente, kosten,
afschrijvingen, bijdragen, retributiën, kortingen en premiën,
berekend overeenkomstig art. 3 §§ 2 — 4.
Andere toelagen van buitenslands gevestigden worden bere-
kend naar het vermoedelijk bedrag.
§ 2. Inkomsten wegens tijdelijke werkzaamheden worden
gebracht onder de inkomsten van het belastingjaar, volgend
op dat waarin zij zijn ontvangen.
§ 3. Alle overige inkomsten bedoeld bij art. 2 § 1, daar-
onder begrepen dag- en weekloonen, worden berekend naar het
gemiddeld per jaar over de drie laatste kalenderjaren ontvan-
gen bedrag.
                                    *
Is een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of be-
-ocr page 68-
58
Hoofdstuk I. — Artt. 4—5.
trekking nog geen drie jaar door den belastingplichtige hier
te lande uitgeoefend, dan worden de daaruit verkregen in-
komsten berekend over het tijdsverloop tusschen den aanvang
of de aanvaarding van dat bedrijf, beroep of ambt of die waar-
digheid, bediening of betrekking en het einde van het laatste
kalenderjaar, de maand van aanvang voor eene geheele gerekend.
Is het bedrijf, beroep of ambt of de waardigheid, bediening
of betrekking nog» geen jaar door den belastingplichtige hier
te lande uitgeoefend, dan wordt de jaarlyksche winst of be-
looning begroot.
Valt het boekjaar van eene onderneming of bedrjjf niet sa-
men met het kalenderjaar, dan treedt het boekjaar daarvoor
in de plaats.
Door bloote verandering in den vorm, den omvang of den
naam van een bedrijf of beroep, of door bevordering of be-
noeming tot een ander ambt of eene andere waardigheid, be-
trekking of bediening in militairen, kerkelijken of openbaren
burgerlijken dienst of wel in dienst van handel of nijverheid,
wordt niet geacht aanvang of aanvaarding plaats te grijpen;
tenzij de maatstaf van belooning of de toepassing daarvan ge-
heel of gedeeltelijk verandering heeft ondergaan, eene bestaande
winstverdeeling vervalt of gewijzigd wordt, of eene nieuwe
ontstaat.
De aanslag voor het loopende belastingjaar, door de com-
missie van aanslag bedoeld in art. 19 vastgesteld, blyft echter
ook dan ongewijzigd.
Art. 5. § 1. De vennootschappen, vereenigingen en maat-
schappijen bedoeld bij art. lb zijn belastingplichtig naar het
bedrag van hare gewone en buitengewone uitdeelingen, van
welken aard ook, gedurende het belastingjaar aan oprichters,
concessionarissen, preferente en gewone aandeelhouders, leden
en andere deelgerechtigden in de winst, daaronder niet be-
grepen:
a.    uitdeelingen aan beheerende vennooten, bestuurders, com-
missarissen, gecommitteerden en verder personeel als zoodanig;
b.    uitdeelingen of .uitkeeringen aan onderstand genietenden
in deze hunne eigenschap en aan verzekerden, voor zooveel de
bedragen betreft, waarvoor verzekerd is;
c uitdeelingen bestaande in teruggave van betaalde con-
tributiën, voor zoover deze niet geschieden door vereenigingen,
-ocr page 69-
Hoofdstuk I. — Art. 5.
59
die eene winkelnering of eene fabriek of handwerk drijven.
Kan worden aangetoond, dat in de uitdeeling tevens aflos-
sing van kapitaal is begrepen en zoo ja, tot welk bedrag, dan
wordt dat bedrag van die uitdeeling afgetrokken, totdat het
geheele bedrag van het gestorte kapitaal is afgelost of afge-
schreven.
Brjschrijving op en uitreiking van aandeelen of obligatiën,
voor zoover daarvoor geen storting plaats heeft, en uitkeering
van het batig saldo in geval van liquidatie, voor zoover dit
saldo het gestorte, doch nog niet afgeloste of afgeschreven
kapitaal overtreft, worden als uitdeelingen aangemerkt.
Het bedrag, dat in een boekjaar, waarover de uitdeeling ge-
schiedt, door in art. 1& genoemde vennootschappen, vereeni-
gingen en maatschappijen is ontvangen ter zake van het be-
zit van aandeelen op naam in andere zoodanige vennootschap-
pen, vereenigingen of maatschappijen, wordt van die uitdee-
ling afgetrokken.
§ 2. De reederyen bedoeld bij art. lc zijn belastingplichtig
naar het gemiddeld bedrag der uitkeeringen aan deelhebbers
in de laatste drie jaren of, indien de reederij nog geen drie
jaar heeft bestaan, sedert zij een aanvang nam, verminderd
met eene rente op den voet van zeven ten honderd in het
jaar over het aan de deelhebbers toebehoorend in de onder-
neming aangewend kapitaal.
Bij liquidatie geldt als winst wat meer wordt uitgekeerd
dan het gestorte kapitaal.
§ 3. Met afwijking van het bepaalde bij § 1 zijn sociëteiten
belastingplichtig naar het bedrag over het vorige boekjaar der
contributiën, entreegelden en ontvangsten wegens de levering
van eet- en drinkwaren, verpacht of niet verpacht, en het ver-
schaffen van uitspanning aan leden of geïntroduceerden, een
en ander na aftrek van de rente, kosten, afschrijvingen, bij-
dragen, winstuitkeeringen en retributiën, bedoeld bij artikel 3
§ 2 ; alles onverminderd de belastingplichtigheid van den pach-
ter, kastelein of buffethouder.
§ 4. De stichtingen, bedoeld bij art. lc, zrjn belastingplich-
tig naar het zuiver bedrag • van de som der inkomsten, bere-
kend volgens artikel 3, uit de door haar uitgeoefende bedrrj-
ven en beroepen, met uitzondering, dat hierbij geen aftrek
voor rente van eigen kapitalen wordt toegestaan.
-ocr page 70-
Hoofdstuk I. — Art. 6.
60
Art. 6. § 1. Personen, bedoeld bij artikel ld, zijn belasting"
plichtig naar het bedrag van hun jaarlijksch traktement, toe-
lagen en emolumenten daaronder begrepen, verminderd met
het bedrag der beroepskosten, bepaald volgens door Ons te
stellen regelen, en der kortingen van traktementen en andere
belooningen wegens verplichte bijdragen voor pensioenen en
fondsen. Een en ander onverminderd hunne belastingplichtig-
heid ingevolge artikel 1 e en h.
§ 2. De in art. 1 e bedoelde buitenlandsche vennooten in
Nederlandsche vennootschappen en maatschappen zijn be-
lastingplichtig naar het bedrag der door hen gedurende het
belastingjaar ontvangen winstuitkeeringen.
Voor de toepassing dezer wet gelden als Nederlandscheven-
nootschappen en maatschappen alleen dezulke, welker zetel
in Nederland gevestigd is.
§ 3. De spoorwegondernemingen, bedoeld bij art. 1 f zyn
belastingplichtig naar de halve jaarlijksche bruto ontvangst
per kilometer, zoo noodig berekend in verhouding tot die van
de geheele lijn, na aftrek eener rente ten bedrage voor ge-
wone spoorwegen van f 3200 per kilometer, voor lokaalspoor-
wegen van f 1200 en voor stoomtram wegen van f 800 per
kilometer.
§ 4. In het buitenland gevestigden, die door tusschenkomst
van gemachtigden hier te lande overeenkomsten aangaan tot
brand-, zee-, levens- of andere verzekeringen, zijn belasting-
plichtig naar tien ten honderd van het in het vorige boekjaar
aan premiën of kapitaal van in Nederland gevestigde verze-
kerden ontvangen bedrag, na aftrek der courtages, provisiën
en rabatten, welke in mindering van dat bedrag komen.
§ 5. In het buitenland gevestigden, niet reeds begrepen
onder §§ 3 en 4, die hier te lande persoonlijk of door gemach-
tigden een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of be-
trekking geregeld uitoefenen, zijn belastingplichtig naar hunne
hier te lande verkregen winsten en belooningen, opgevat en
berekend naar de bepalingen van artt. 3 en 4 dezer wet voor
binnen het Rijk wonenden, met uitzondering, dat hierby geen
aftrek voor rente van eigen kapitalen wordt toegestaan.
Andere by artikel 1 h bedoelden, die geacht worden hier te
lande een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of be-
trekking slechts ty\'delyk uit te oefenen of te zullen uitoefenen,
-ocr page 71-
Hoofdstuk I. — Aett. 6 — 7.                     61
zijn belastingplichtig, behoudens latere verrekening, indien
noodig:
a.    naar het zuiver bedrag hunner vermoedelijke winsten en
belooningen hier te lande in het loopende belastingjaar, ge-
schat bij billijke vergelijking met dat van personen hier te
lande, die hetzelfde bedrijf of beroep uitoefenen en zonder af-
trek voor rente van eigen kapitalen;
b.    wanneer zij hier te lande in eene bezoldigde betrekking
getreden zijn of treden, naar het zuiver bedrag hunner bezol-
diging in het loopende belastingjaar.
Het vervoeren van personen en goederen tusschen buiten-
landsche en Nederlandsche havens door of voor rekening van
buitenslands gevestigden en werkzaamheid van in het buiten-
land gevestigd bezoldigd personeel op vervoermiddelen, die het
verkeer met het buitenland onderhouden, worden niet aange-
merkt als de uitoefening van een bedrijf of beroep hier te lande.
§ 6. In het buitenland gevestigden bedoeld bij art. 1 i zijn
belastingplichtig voor tien ten honderd van de verkoopwaarde
der goederen in het voorafgaande belastingjaar door hen naar
Nederland gezonden.
Art. 7. § 1. De belasting van reederijen hier te lande ge-
gevestigd is verschuldigd in de persoon van den boekhouder,
behoudens verhaal op de reeders.
§ 2. De belasting der buitenlandsche vennooten bedoeld bij
artikel 1 e, is verschuldigd in de persoon van de voor deze
schuld ieder voor het geheel aansprakelijke hier te lande wo-
nende beheerende vennooten, behoudens verhaal op de belas-
tingplichtigen.
§ 3. De belasting der in het buitenland gevestigden bedoeld
by art. Ij en ft, hier te lande vertegenwoordigd door personen
tot de uitoefening van het bedrijf of beroep gemachtigd, is, be-
houdens verhaal op de belastingplichtigen, verschuldigd in de
persoon dier vertegenwoordigers.
Zijn er twee of meer vertegenwoordigers, doch is aan eenen
de algemeene leiding van het bedrijf hier te lande toever•
trouwd, dan is de belasting verschuldigd in zijn persoon.
§ 4. De belasting van ondernemers bedoeld bij artikel 11
is, behoudens verhaal op de belastingplichtigen, verschuldigd
in de persoon van de hier te lande gevestigde tusschenpersonen.
-ocr page 72-
Hoofdstuk I. — Aett. 7—9.
62
§ 5. Indien minderjarigen, voor zoover zij niet ingevolge
artikel 480 van het Burgerlijk "Wetboek handlichting bekomen
hebben, onder curateele gestelden, krankzinnigen of afwezigen
een binnen het Rijk wonenden wettelijken vertegenwoordiger
hebben, is de belasting, behoudens verhaal op den belasting-
plichtige, verschuldigd in de persoon van dien vertegenwoordiger.
Woont de vertegenwoordiger in het buitenland, dan is zij,
mede behoudens verhaal, verschuldigd in de persoon van den
gemachtigde of anderen, die hier te lande voor hem optreedt.
Ontbreekt ook deze, zoo is de belasting verschuldigd in de
persoon van den belastingplichtige zelf.
Art. 8. Vrijgesteld van belasting zijn:
a.    winsten van stichtingen, voortspruitende uit of verband
houdende met het geven van onderwijs, het voorkomen of le-
nigen van armoede, verpleging, verzorging of zedelijke verbe-
tering en het verstrekken aan minvermogenden van kost, in-
woning of kost en inwoning, geneeskundige hulp, geneesmid-
delen en begrafenis of begrafenisgelden;
b.    inkomsten van spoorwegondernemingen in het buiten-
land gevestigd, welker exploitatie op Nederlandsch grondgebied
zich niet verder uitstrekt dan tot het naast bij de grens ge-
legen station, mits Nederlandsche spoorwegondernemingen in
het land waar eerstgenoemde gevestigd zijn gelijke vrijstelling
genieten;
c inkomsten van gezanten en andere vertegenwoordigers
of diplomatieke ambtenaren van vreemde Mogendheden, die
naar de regelen van het volkenrecht of krachtens verdrags-
bepalingen op vrijdom van persoonlijke lasten aanspraak heb-
ben. Deze vrijstelling kan onder voorwaarde van wederkeerig-
héid worden uitgestrekt tot consuls of consulaire ambtenaren
van vreemde Mogendheden, mits zij vreemdelingen zijn en hier
te lande overigens geen bedrijf of beroep uitoefenen.
Art. 9. De belasting bedraagt:
A. voor binnen het Rijk wonenden, die niet in de vermogens-
belasting zijn aangeslagen;
voor hen, die buiten het Rijk in Europa een Nederlandsch Staats-
ambt uitoefenen;
en voor de in het buitenland gevestigden, bedoeld bij art. lh, die
hier te lande persoonlijk of door gemachtigden een bedrijf, beroep,
-ocr page 73-
Hoofdstuk I. — Abt. 9.
63
ambt, waardigheid, bediening of betrekking geregeld uitoefenen;
wanneer de zuivere inkomsten bedragen:
1,00
f 650 tot beneden f 700 .
f
» »
750
n n
800
» n
850
n »
900
n n
950
n n
1 000
n n
1050
» V
1 100
» »
1150
» n
1200
» »
1250
» »
1300
n »
1350
» n
1400
n n
1450
n »
1 500
n «
1600
2,00
2,75
3,50
4,25
5,00
5,75
6,50
7,25
8,00
8,75
9,50
10,25
11,00
11,75
12,50
13,25
14,00
700
750
800
850
900
950
1000
1050
1100
1150
1200
1250
1300
1350
1 400
1450
1500
Bedragen zij meer dan ƒ1500, doch niet meer dan ƒ8200,
zoo is verschuldigd eene vaste som van f 14, benevens /"2voor
elke geheele som van ƒ100, waarmede zy het bedrag van
ƒ1500 te boven gaan.
Bedragen zij meer dan f 8200, zoo is verschuldigd eene vaste
som van ƒ148, benevens ƒ3,20 voor elke geheele som van
ƒ100, waarmede zij het bedrag van ƒ8200 te boven gaan.
B. voor hen, die in de vermogensbelasting zijn aangeslagen:
a.
indien het belastbaar vermogen ƒ 13 000 of ƒ 14 000 be-
draagt:
wanneer de zuivere inkomsten bedragen:
250 tot beneden f
300 .
. ƒ 2,00
300
350 .
2,75
350 „
400 .
3,50
400 „
450 .
4,25
450 „ .
500 .
5,00
500 „
550 .
5,75
550 „
600 .
6,50
600 „
650 ,
7,25
650 „
700 .
8,00
700 „
750 .
8,75
f
-ocr page 74-
Hoofdstuk I. — Art. 9.
64
ƒ 750 tot beneden ƒ 800 .... ƒ 9,50
800
j)
r>
850
850
;;
ri
900
900
V
n
950
950
n
»
1000
1000
71
»
1050
1050
n
»
1150
10,25
11,00
11,75
12,50
13,25
14,00
Bedragen zij meer dan ƒ 1050, zoo is verschuldigd eene vaste
som van ƒ14, benevens ƒ2 voor elke geheele som van /"100,
waarmede zij het bedrag van ƒ1050 te boven gaan.
Bedragen echter de zuivere inkomsten, gevoegd bij vier ten
honderd van het belastbaar vermogen, meer dan /"8150, dan
is over dat meerdere nog ƒ1,20 voor elke geheele som van
ƒ100 verschuldigd;
b. indien het belastbaar vermogen /15 000, doch niet meer
dan ƒ200 000 bedraagt:
wanneer de zuivere inkomsten bedragen:
ƒ 250 tot beneden ƒ 300 .
ƒ 1,25
300 „ „ 350 .
2,00
350 „ „ 400 .
2,75
400 „ ,, 450 .
3,50
450 „ „\' 500 .
4,25
500 „ „ 550 .
5,00
550 „ „ 600 .
5,75 .
600 „ „ 650 .
6,50
650 „ „ 700 . .
7,25
700 „ „ 750 .
8,00
750 „ „ 800 .
8,75
800 „ „ 850 .
9,50
850 „ „ 900 .
10,25
900 „ „ 950 .
11,00
950 „ „ 1000 .
11,75
1000 „ „ 1050 .
12,50
1050 „ „ 1100 .
13,25
1 100 „ „ 1200 .
14,00
Bedragen zij meer dan ƒ1100, zoo is verschuldigd eene
vaste som van ƒ14, benevens ƒ2 voor elke geheele som van
ƒ100, waarmede zij het bedrag van ƒ1100 te boven gaan.
Bedragen echter de zuivere inkomsten, gevoegd bij vier ten
honderd van het belastbaar vermogen, n
ïee
r d
an ƒ8200, dan
-ocr page 75-
Hoofdstuk I, II. — Abtt. 9—11.                    65
is over dat meerdere nog ƒ1,20 over elke geheele som van
ƒ100 verschuldigd.
c. indien het belastbaar vermogen meer dan ƒ 200 000 be-
draagt: ƒ3.20 voor elke geheele som van ƒ100 der zuivere
inkomsten, waarmede zy het bedrag van ƒ200 te boven gaan.
C.  voor de in het buitenland gevestigden, die hier te lande rond-
reizen om bestellingen op te nemen:
ƒ15 in ieder belastingjaar, onverminderd de belasting uit
anderen hoofde krachtens deze wet door hen verschuldigd;
D.  voor alle overige belastingplichtigen:
ƒ2.50 van elke geheele som van ƒ100.
Voor de in het buitenland gevestigden, bedoeld bij art. 1 h, die
hier te lande slechts tijdelijk een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid,
bediening of betrekking uitoefenen,
wordt echter de belasting be-
rekend op ƒ0,50 van elke geheele som van ƒ25, waarmede in
elke drie kalendermaanden hunne inkomsten het bedrag van
ƒ150 te boven gaan.
Art. 10. Voor de toepassing van artt. 21 en 24 van het
tractaat van handel en scheepvaart met Pruisen en de verdere
Staten van het Duitsche Tolverbond van 24 December *) 1851
(Staatsblad 1852 n°. 104) en van art. 5 der overeenkomst met
Duitschland, tot regeling van de uitoefening der geneeskunst
in de grensgemeenten, van 11 December 1873 {Staatsblad 1874
n°. 71), wordt de belasting op bedrij fs- en andere inkomsten
ten hoogste tot het daar bepaalde bedrag geheven.
HOOFDSTUK II.
Belastingjaar. Beschrijving.
Art. 11. § 1. Het belastingjaar begint met 1 Mei en ein-
digt met 30 April.
§ 2. Bij aanvang van belastingplichtigheid in den loop van
het belastingjaar is de belasting, indien zij over het jaar is
\') Blijkens het Staatsblad no. 104 van 1852 moet gelezen worden 31 Decem-
ber. Zooals de Minister te kennen gaf, zal deze drukfout bij de eerste gelegen*
heid worden verbeterd.
5
-ocr page 76-
66
Hoofdstuk II. — Artt. 11 — 12.
berekend en niet slechts over een deel daarvan, noch over de
uitdeelingen en uitkeeringen bedoeld bij art. 5 § § 1 en 2 en
art. 6 § 2, slechts verschuldigd over zooveel twaalfde gedeel-
ten van het belastingjaar als het aantal geheele maanden be-
loopt, die nog niet zijn ingetreden.
§ 3. Aanvang van belastingplichtigheid in den loop van het
belastingjaar heeft plaats:
a.    voor hen, die op 1 Mei wel binnen het Rijk wonen,
doch volgens de bepalingen dezer wet geen belasting verschul-
digd zijn: wanneer zij in den loop van het belastingjaar inkom-
sten verwerven als bedoeld bij art. 4, § 1 ten bedrage van
f 650 of meer per jaar, of wanneer zij een bedrijf of beroep
aanvangen of een ambt, waardigheid, bediening of betrekking
aanvaarden, waarvan de jaarlijksche inkomsten, berekend naar
de bepalingen dezer wet, blijkens overeenkomsten of andere
gegevens op f 650 of meer kunnen worden begroot;
b.    voor hen die zich na 1 Mei metterwoon binnen het Rijk
vestigen: wanneer zij tijdens die vestiging reeds in het genot
zn\'n van inkomsten, begrepen in art. 2 § 1 en waarvan het
bedrag op minstens zooveel kan worden begroot als belastbaar
is volgens de bepalingen dezer wet, en voorts in de hierboven ge-
noemde gevallen;
c.    voor de personen bedoeld bij art. 1 d, wanneer zij in den
loop van het belastingjaar een Nederlandsch Staatsambt bui-
ten het Rijk aanvaarden: op den dag van ingang hunner be-
zoldiging;
d.    voor de spoorwegondernemingen bedoeld bij art. 1 f: bij
den aanvang van haren dienst op Nederlandsch grondgebied;
e.    voor stichtingen en voor de buitenslands gevestigden, be-
doeld bij art. 1 h: bij den aanvang der uitoefening van het be-
drijf, beroep, ambt of de waardigheid, bediening of betrekking hier
te lande, indien het inkomen daaruit op minstens zooveel kan
worden begroot, als belastbaar is volgens de bepalingen dezer wet;
f.    voor de buitenslands gevestigden, bedoeld bij art. 1 k: bij
den aanvang hunner werkzaamheid hier te lande.
§ 4. Het bepaalde in § 2 is niet van toepassing op belas-
tingplichtigen bedoeld bij art. 1 k.
Art. 12. § 1. De belasting wordt geheven ingevolge aan-
giffcen der belastingplichtigen of hunne vertegenwoordigers op
beschrijvingsbiljetten.
-ocr page 77-
!
Hoofdstuk II. — Art. 12.                         67
Er zyn beschrijvingsbiljetten A, B en C.
Biljet A is bestemd\'tot aangifte:
I.    van den naam, de voornamen en de woonplaats of plaats
van vestiging van hen, door wie de aangifte geschiedt; voorts
van den naam, de voornamen en de woonplaats of plaats van
vestiging van hen, op wie de aangifte betrekking heeft, als-
mede van hunne bedrijven, beroepen, bezoldigde ambten, waar-
digheden, bedieningen, betrekkingen en verdere bronnen van
inkomsten bedoeld bij art. 2 § 1, art. 5 §§ 3 en 4 en art. 6 § 5;
II.    van bijzonderheden, niet ontleend aan kasboeken, ba-
lansen of winst-en-verliesrekeningen, waarvan de kennis ge-
vorderd wordt tot beoordeeling van den aard en den omvang
der bedrijven, beroepen, bezoldigde ambten, waardigheden, be-
dieningen en betrekkingen hierboven bedoeld;
III.    wanneer een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend in
vennootschap of maatschap met anderen, van den naam en
de woonplaats dezer personen, voor zooverre zij beheerende of
hoofdelijk aansprakelijke vennooten zijn. Wanneer er com-
manditaire vennooten zijn, wordt daarvan melding gemaakt;
IV.    voor hen, die tevens biljet B ontvangen, van het per-
centsgewijs bedrag der afschrijvingen bedoeld bij art. 3 § 2e
en van het bedrag der als kosten ingevolge art. 3 § 4 bere-
kende huur of huurwaarde;
V.    in de gevallen bedoeld bij art. 2 § 2, van het vermogen
van den belastingplichtige opgevat en berekend volgens de
wet van 27 September 1892 (Staatsblad n°. 223).
Biljet B is uitsluitend bestemd tot aangifte van inkomsten
of ontvangsten, belastbaar volgens deze wet.
Biljet G is bestemd tot aangifte van de uitkeeringen of uit-
deelingen waarover ingevolge art. 5 §§ 1 en 2 en art. 6 § 2
belasting verschuldigd is.
De formulieren voor de biljetten worden bjj algemeenen
maatregel van bestuur vastgesteld.
§ 2. Biljet A wordt uitgereikt:
1°. Aan alle binnen het Rijk wonende of gevestigde personen
of lichamen, die geacht worden hetzij uit eigen hoofde, hetzy
als gemachtigde, vertegenwoordiger of tusschenpersoon voor
anderen, op 1 Mei belastingplichtig te zijn.
Wordt eene onderneming door meer dan een in Nederland
wonenden hoofdelijk aansprakelijken vennoot onder eene firma
-ocr page 78-
68
Hoofdstuk II. — Art. 12.
gedreven, zoo geschiedt de uitreiking van biljet A ook aan die
firma, ter vermelding der bijzonderheden bedoeld bij § II—IV
van dit artikel, voorzooveel zij de door die firma gedreven
onderneming betreffen. Ten blijke dat zij met den inhoud
instemmen zijn alle in Nederland gevestigde hoofdelijk aan-
sprakelijke vennooten gehouden de aangifte met hun eigen
naam te onderteekenen. Bij hunne individueele aangifte op
biljet A kunnen zij naar deze aangifte verwijzen;
2°. aan de in het buitenland gevestigden, die op 1 Mei
persoonlijk of als gemachtigde hier te lande een bedrijf, beroep,
ambt, waardigheid, bediening of betrekking uitoefenen en ge-
acht worden belastingplichtig te zijn.
De uitreiking van biljet A geschiedt echter niet aan dezulken
die alleen belastingplichtig zijn naar uitkeeringen of uitdeelingen,
noch aan hen voor wie, ingevolge art. 7 §§ 3, 4 en 5, de be-
lasting verschuldigd is in de persoon van een ander.
Biljet B wordt uitgereikt:
1°. aan alle in het Rijk wonenden aan wie biljet A wordt
uitgereikt, voor zooverre:
a.    zij geacht worden in de vermogensbelasting belasting-
plichtig te zijn;
b.    hunne inkomsten, ongerekend die uit vermogen, hoofd-
zakelijk geacht worden te bestaan uit vaste traktementen en
andere inkomsten bedoeld bij art. 4 § 1;
c.    zij in het vorige belastingjaar naar een bedrag van ƒ2000
of meer in deze belasting waren aangeslagen;
d.    zij den ontvanger der directe belastingen uiterlijk op
15 Mei hunnen wensch om een biljet B te ontvangen schrif-
telijk hebben kenbaar gemaakt;
2°. aan hier te lande gevestigde stichtingen en sociëteiten
aan wie een biljet A wordt uitgereikt;
3°. aan allen die een Nederlandsch Staatsambt uitoefenen
buiten het Rijk zonder daar aan persoonlijke lasten onder-
worpen te zijn;
4°. aan spoorwegondernemingen in het buitenland gevestigd,
wier exploitatie zich op Nederlandsch grondgebied uitstrekt;
5°. aan in het buitenland gevestigden, die hier te lande
door tusschenkomst van gemachtigden hier gevestigd, overeem
komsten aangaan tot brand-, zee-, levens-of andere verzekering;
6°. aan andere in het buitenland gevestigden die op 1 Mei
-ocr page 79-
Hoofdstuk II. — Art. 12.
69
hier te lande een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, betrekking
of bediening uitoefenen, waarvoor zij kantoren of andere vaste
inrichtingen bezigen of waaraan vaste inkomsten, niet bestaande
uit dag- of weekloon en, verbonden zijn;
7°. aan in het buitenland gevestigden, die herhaaldelijk
stoffen of kleedingstukken, sieraden, meubelen, speelgoed, voe-
dings- en genotmiddelen en andere dergelijke artikelen in koop
toezenden aan niet daarin handeldrijvenden hier te lande door
bemiddeling van hier te lande gevestigde tusschenpersonen.
Aan de onder 3°., 5°., 6°. en 7°. bedoelden worden slechts
dan biljetten uitgereikt, wanneer zij geacht worden op 1 Mei
belastingplichtig te zijn.
De biljetten bestemd voor de sub 4°. bedoelden worden uit-
gereikt aan hunne vertegenwoordigers bij de Nederlandsche
Regeering; die voor de sub 5°. en 7°. bedoelden, aan hen in
wier persoon de belasting verschuldigd is. Oefenen de sub 6°.
genoemden hun bedrij f of beroep door hier te lande gevestigde ge-
machtigden uit, dan geschiedt de uitreiking aan die gemachtigden.
De biljetten worden uiterlijk in Juli door of vanwege den
ontvanger der directe belastingen uitgereikt.
Of een biljet of biljetten zullen worden uitgereikt beoordeelt
de hoofdambtenaar der directe belastingen bedoeld in art. 19.
Over de vraag of iemand geacht moet worden in de vermo-
gensbelasting belastingplichtig te zijn raadpleegt hij den inspec-
teur der registratie, wiens advies door hem wordt gevolgd.
Biljet G wordt uitgereikt:
1°. aan de vennootschappen, vereenigingen en maatschap-
pijen bedoeld bij art. 16;
2°. aan de boekhouders van reederijen bedoeld bij art. 7 § 1;
3°. aan de hier te lande wonende beheerende vennooten
bedoeld bij art. 7 § 2;
tot aangifte te zijner tijd van de uitkeeringen of uitdeelingen,
voor welke naar deze wet de belasting verschuldigd is.
De uitreiking geschiedt bij het begin van het belastingjaar,
desgevorderd in meer dan één exemplaar.
§ 3. Ieder aan wien een beschrijvingsbiljet is uitgereikt,
hetzij voor hem persoonlijk of als belastingplichtig voor anderen,
is gehouden de daarin gestelde vragen duidelijk, stellig en
zonder voorbehoud naar waarheid te beantwoorden en het met
zijne naamteekening te bekrachtigen.
-ocr page 80-
70                   Hoofdstuk II. — Artt. 12 — 13.
Hij aan wien een biljet is gezonden, en die over het loopend
belastingjaar in eene andere gemeente van het Rijk is aan-
geslagen of daar reeds aangifte heeft gedaan, vermeldt dit op
het biljet, met opgaaf van den naam dier gemeente, onver-
minderd zijne verplichting tot aangifte in het geval, bedoeld
by art. 14 § 4.
De aangifte voor hier te lande gevestigde naamlooze ven-
nootschappen, commanditaire vennootschappen op aandeelen,
coöperatieve of andere vereenigingen, onderlinge verzekering-
maatschappijen, sociëteiten en stichtingen, geschiedt door de
hier te lande gevestigde bestuurders of beheerende vennooten;
die van spoorwegondernemingen bedoeld bij art. 1/", door haren
vertegenwoordiger bij de Nederlandsche Regeering.
§ 4. De beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt ter plaatse
waar ingevolge art. 17 de aanslag geschiedt.
De voor eene firma bestemde biljetten A worden echter uit-
gereikt ter plaatse, waar deze haren zetel heeft.
Voor belastingplichtigen aan wie geen biljetten worden uit-
gereikt, alsmede voor alle belastingplichtigen die geen biljetten
hebben ontvangen of wier biljetten in het ongereede zijn ge-
raakt, worden biljetten kosteloos verkrijgbaar gesteld, zoowel
brj de ontvangers der directe belastingen als op de secretariën
der gemeenten.
Art. 13. § 1. De dag waarop met de uitreiking van de
beschrijvingsbiljetten zal worden begonnen, wordt door den
Commissaris der Koningin in de provincie bepaald en door het
gemeentebestuur ter algemeene kennis gebracht.
De biljetten A en B worden na twintig dagen door of van-
wege den ontvanger teruggehaald, indien zy\' niet reeds ter-
stond na de uitreiking ingevuld en onderteekend aan dezen of
zijn gemachtigde zijn teruggeven of vóór het verstrijken van
den hierboven bedoelden termijn ten kantore van den ontvan-
ger zijn bezorgd. Zij kunnen worden afgegeven in gesloten
omslag en een ontvangbewijs kan worden geëischt.
De hierboven bedoelde termijn kan door den hoofdambtenaar
der directe belastingen bedoeld bij art. 19 worden verlengd.
§ 2. Indien hij, aan wien biljetten zijn uitgereikt, of die,
ook zonder dat hem biljetten zijn uitgereikt, tot het doen van
aangifte verplicht is, niet in staat mocht zijn om aangifte te
doen, kan dit door een ander, namens hem, worden gedaan,
hetzy krachtens schriftelyke volmacht, hetzy\' op schriftelyke
-ocr page 81-
Hoofdstuk IL — Artt. 13 — 14.                   71
vergunning van den hoofdambtenaar der directe belastingen
bedoeld bij art. 19. Volmacht of vergunning worden in die
gevallen aan de aangifte gehecht.
§ 3. Indien iemand verklaart niet te kunnen schrijven, ge-
schiedt de invulling der biljetten op zijn • verlangen en met
vermelding der reden kosteloos door den ontvanger of zijn ge-
machtigde, die daarna de aangifte, na voorlezing, namens den
belastingplichtige in tegenwoordigheid van een getuige onder-
teekent. De getuige onderteekent mede.
Art. 14. § 1. Allen die op 1 Mei uit eigen hoofde of als
gemachtigde, vertegenwoordiger of tusschenpersoon belasting-
plichtig zijn, zijn gehouden uiterlijk binnen twee maanden na
den dag, door den Commissaris der Koningin in de provincie
voor het begin van de uitreiking der beschrijvingsbiljetten be-
paald, hunne aangifte in den voorgeschreven vorm op biljet
A in te dienen, bijaldien zij dit biljet A niet hebben ontvan-
gen of het niet is teruggehaald.
Dit voorschrift is niet van toepassing op hen die een Ne-
derlandsch Staatsambt uitoefenen buiten het Rijk, op de spoor-
wegondernemingen bedoeld bij art. 1 ƒ, op dezulken die alleen
belastingplichtig zijn naar uitkeeringen en uitdeelingen, noch
op hen voor wie ingevolge art. 7 §§ 3, 4 en 5 de belasting
verschuldigd is in de persoon van een ander.
De indiening geschiedt ten kantore van den ontvanger der
directe belastingen, ter plaatse waar zij ingevolge art. 17 moe-
ten worden aangeslagen; of indien aldaar geen zoodanig ont-
vanger gevestigd is, bij het bestuur der gemeente.
Het gemeentebestuur zendt de aangiften onverwijld aan den
ontvanger der directe belastingen tot wiens kantoor de ge-
meente behoort.
§ 2. De hierboven bedoelde termijn kan door den hoofd-
ambtenaar der directe belastingen bedoeld brj art. 19 worden
verlengd.
§ 3. Belastingplichtigen, wier winstaangifte afhangt van de
nog vast te stellen balans der onderneming, kunnen voorloo-
pig volstaan met de beantwoording van het beschrijvingsbil-
jet .4, en biljet B, indien hun dit is uitgereikt, voor memorie
invullen. In dit geval zal echter die aangifte moeten volgen
binnen acht dagen na • den termijn voor die vaststelling be-
paald, waartoe hun desverlangd de vereischte formulieren koste-
loos worden verstrekt.
-ocr page 82-
72                   Hoofdstuk II. — Aett. 14 — 15.
§4. Bij aanvang van belastingplichtigheid in den loop van
het belastingjaar doet hij, die uit eigen hoofde of voor ande-
ren belastingplichtig is, binnen vier weken daarvan onder ver-
melding van zijn adres en den grond zijner belastingplichtig-
heid schriftelijk aangifte ten kantore van den ontvanger der
directe belastingen in de gemeente, waar hij ingevolge artikel
17 zal worden aangeslagen, of, indien aldaar geen zoodanig
ontvanger gevestigd is, bij het bestuur der gemeente.
Het bestuur der gemeente zendt in het laatste geval die
aangifte onverwijld aan den ontvanger der directe belastingen,
tot wiens kantoor de gemeente behoort.
Daarop worden hem aangeteekend per post het biljet of de
biljetten toegezonden, die hij ingevolge artikel 12 § 2 zou ont-
vangen hebben, bijaldien zijn belastingplicht reeds op 1 Mei
had bestaan. Behoort hij tot de belastingplichtigen bedoeld bij
artikel 1 a of tot de gemachtigden van belastingplichtigen be-
doeld bij art. 1 A, aan wie het biljet B niet wordt\' uitgereikt,
doch wenscht hij dit biljet niettemin te ontvangen, zoo maakt
hjj dezen wensch schriftelijk kenbaar aan den ontvanger of
het gemeentebestuur vermeld in het eerste lid dezer paragraaf,
te gelijk met zijne daarbedoelde aangifte.
Hij bezorgt het biljet of de biljetten, desgevorderd tegenontvang-
bewijs, binnen drie weken na den dag der toezending ter plaatse
waar hij de aangifte, vermeld in het eerste lid, heeft gedaan.
Het gemeentebestuur, dat het biljet of de biljetten ontving,
zendt deze onverwijld aan den ontvanger.
Voorts is artikel 12 § 3 eerste en § 4 laatste lid hier van
toepassing.
De in deze paragraaf genoemde termijnen kunnen door den
hoofdambtenaar der directe belastingen, bedoeld bij art. 19,
verlengd worden.
Art. 15. § 1. Bn\' verandering van de bijzonderheden in
biljet A vermeld, binnen twee maanden nadat het biljet is in-
geleverd, wordt daarvan binnen veertien dagen door den aan-
gever schriftelijk kennis gegeven aan den ontvanger der directe
belastingen in de gemeente waar de aanslag zal geschieden,
of zoo daar geen zoodanig ontvanger gevestigd is, bn\' het be-
stuur der gemeente.
Het gemeentebestuur zendt deze kennisgeving onverwijld
aan den ontvanger der directe belastingen, tot wiens kantoor
de gemeente behoort.
-ocr page 83-
Hoofdstuk II, III. — Aett. 15 — 17.                73
§ 2. Ieder die optreedt als bestuurder of beheerend ven-
noot van eene hier te lande gevestigde vennootschap, onder-
linge verzekeringmaatschappij, coöperatieve vereeniging, of van
eene vereeniging of stichting die een bedrijf of beroep uitoe-
fent, of als boekhouder eener hier te lande gevestigde reeder ij,
is gehouden daarvan schriftelijk binnen ééne maand kennis te
geven bij het bestuur der gemeente waar hij woont.
Het gemeentebestuur handelt met deze kennisgeving op de
wijze voorgeschreven in de laatste zinsnede der vorige para-
graaf.
Art. 16. Hier te lande wonende beheerende vennooten van
Nederlandsche vennootschappen en maatschappen, als bedoeld
in art. 6 § 2, en van de in art. 1 b bedoelde commanditaire
vennootschappen op aandeelen, bestuurders van hier te lande
gevestigde naamlooze vennootschappen, coöperatieve en andere
vereenigingen en onderlinge verzekeringmaatschappijen, als ook
boekhouders van hier te lande gevestigde reederijen mogen
niet tot het doen van uitdeelingen of uitkeeringen, waarover
volgens art. 5 §§ 1 en 2 en art. 6 § 2 belasting verschuldigd
is, overgaan, alvorens daarvan aangifte gedaan en de over
vroegere uitdeelingen of uitkeeringen verschuldigde belasting
betaald te hebben.
Bij liquidatie mogen de hier bedoelde uitdeelingen of uit-
keeringen niet geschieden, alvorens de daarover verschuldigde
betaling is voldaan.
HOOFDSTUK III.
Aanslag. Beroep.
Art. 17. De aanslag der belastingplichtigen geschiedt ter
plaatse als volgt:
1°. Belastingplichtigen bedoeld bij artikel la: in de ge-
meente waar zij wonen op 1 Mei of bij het begin van hunne
belastingplichtigheid in het loopend belastingjaar.
De woonplaats van den binnen het Rijk wonenden man
wordt geacht ook de woonplaats te zijn van zijne vrouw, van
wie mj niet van tafel en bed gescheiden is.
-ocr page 84-
74                      Hoofdstuk III. — Artt. 17 — 18.
Minderjarigen die geene handlichting hebben bekomen in-
gevolge art. 480 van het Burgerlijk Wetboek, onder curateele
gestelden, krankzinnigen en afwezigen, voor wie de belasting
verschuldigd is in de persoon van een ander, worden, indien
hun een aanslag moet worden opgelegd, aangeslagen in de ge-
meente waar hunne wettelijke vertegenwoordigers wonen, en
zoo deze in het buitenland wonen, in de gemeente waar de
gemachtigden dier vertegenwoordigers wonen, of de personen
die hier te lande voor hen optreden.
Voor rondreizende of rondtrekkende personen zonder vaste
woonplaats, wordt de plaats van het werkelijk verblijf daar-
voor gehouden;
2°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel 1 & en c: ter
plaatse waar de zetel dier lichamen of de boekhouder der
reederij gevestigd is;
3°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel ld: te \'s Graven-
hage;
4°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel 1 e: ter plaatse
waar de zetel der vennootschap of maatschap gevestigd is;
5°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel 1 ƒ, g, h, i en k:
ter plaatse waar hunne vertegenwoordigers, gemachtigden of
agenten, expediteurs of andere personen die voor hen optreden
gevestigd zijn of, bij gebreke van zoodanigen, de gemeente
waar het bedrijf, beroep of ambt of de waardigheid, bediening
of betrekking hier te lande wordt of zal worden uitgeoefend.
Strekt zich in het laatstbedoelde geval dat bedrijf, beroep
of ambt of die waardigheid, bediening of betrekking uit over
verschillende gemeenten, dan geldt als zoodanig de gemeente
waar de uitoefening in het belastingjaar begint.
Bij verschil van gevoelen over de plaats waar een belasting-
plichtige moet worden aangeslagen, beslist de Minister van
Financiën.
Art. 18. Aan art. 2, 1ste lid, der wet van 5 April 1870
(Staatsblad n°. 63) wordt het volgende toegevoegd:
„Wij behouden Ons echter voor in eene gemeente meer dan
een collegie van zetters in te stellen, in zoodanig geval het
aantal leden van elk collegie, behoudens het bovenbedoelde
maximum, te bepalen en de werkzaamheden onder die collegiën
te verdeelen."
Aan art. 2, 2de lid, der evengenoemde wet wordt het vol-
gende toegevoegd:
-ocr page 85-
Hoofdstuk III. — Artt. 18 — 19.                    75
„Voor werkzaamheden echter betreffende de belasting op
bedrijfs- en andere inkomsten is, met afwijking van het be-
paalde bij art. 5, tweede lid, een hoofdambtenaar der directe
belastingen, aan te wijzen door den Minister van Financiën
ambtshalve lid en voorzitter. Art. 14 en art. 16 zijn bij het
verrichten dezer werkzaamheden niet van toepassing."
Aan art. 3 der evengenoemde wet wordt het volgende toe-
gevoegd :
„Bij instelling van meer dan een collegie van zetters in
eene gemeente geschiedt de benoeming der niet ambtelijke
leden de eerste maal uit eene opgave door den Gemeenteraad
binnen twee maanden na het instellen van het collegie of de
collegiën in te zenden aan den Commissaris der Koningin in
de provincie, die het tijdstip van het optreden der benoemden
bepaalt.
„De helft der aldus benoemde leden treedt af met het einde
van het volgend jaar, de overigen twee jaar later, overeem
komstig de regelen bij art. 4, 3de en 4de lid, dezer wet be-
paald."
Art. 19. § 1. De aanslag wordt in elke gemeente vastgesteld :
a.    voor de belastingplichtigen bedoeld bij art. 1 a, indien
zij niet behooren tot dezulken aan wie ingevolge art. 12 § 2
het biljet B wordt uitgereikt: door een der collegiën van zet-
ters bedoeld bij de wet van 5 April 1870 (Staatsblad n°. 63);
b.    voor alle overige belastingplichtigen: door eene commissie
bestaande uit een hoofdambtenaar der directe belastingen, aan
te wijzen door den Minister van Financiën, een lid benoemd
door Gedeputeerde Staten, een lid benoemd door den Gemeen-
teraad en een lid benoemd door den Kantonrechter in wiens
rechtsgebied de commissie volgens Onze aanwijzing is gevestigd.
Bij het regelen van aanslagen van hen, die belastingplichtig
zyn naar de vermogensbelasting, maakt een door den Minister
van Financiën aan te wyzen inspecteur der registratie deel uit
der commissie.
Voor elk der leden wordt op dezelfde wijze een plaatsver-
vanger benoemd.
Voorzitter der commissie is de hierboven bedoelde hoofdamb-
tenaar der directe belastingen.
§ 2. Wij behouden Ons voor om in ééne gemeente meer-
dere commissiën bedoeld bij § 1 6, of voor meerdere gemeenten
-ocr page 86-
76                           Hoofdstuk III. — Abt. 19.
te zamen, gelegen in dezelfde provincie, slechts ééne zoodanige
commissie in te stellen. Geschiedt dit laatste, zoo bestaat de
commissie uit een hoofdambtenaar der directe belastingen, aan
te wijzen door den Minister van Financiën, twee leden benoemd
door Gedeputeerde Staten en een lid benoemd door den Kan-
tonrechter in wiens rechtsgebied de door Ons aangewezen stand-
plaats der commissie is gevestigd.
Verder zijn de drie laatste zinsneden der vorige paragraaf
van toepassing.
§ 3. Waar in deze wet gesproken wordt van de commissie
van aanslag wordt daaronder verstaan, zoowel het collegie van
zetters belast met den aanslag, als de commissiën bedoeld bij
§ 1 b en § 2.
§ 4. De commissiën van aanslag zijn gehouden elkander de
vereischte inlichtingen te verschaffen, die zij geven kunnen.
Daarenboven kan de Minister van F inanciën voor een bepaal-
de gemeente of groep van gemeenten Adviseurs benoemen,
wier taak het is, om ieder afzonderlijk of vergaderd onder voor-
zitterschap van den door genoemden Minister aan te wijzen
hoofdambtenaar der directe belastingen, de inlichtingen te ver-
schaffen, waartoe zij in staat en bevoegd zijn omtrent aansla-
gen van belastingplichtigen.
§ 5. Op de commissiën bedoeld bij § 1 & en § 2 en de bij
§ 4 bedoelde Adviseurs is van toepassing het bepaalde bij art.
1, 2de lid, art. 5, 1ste, 4de, 5de en 6de lid, art. 8,1ste lid, art.
10, 1ste lid, art. 11 en art. 12 der wet van 5 April 1870 (Staats-
blad
n°. 63).
Mede is van toepassing het bepaalde bij art. 5, 2de lid, voor
zoover daarvan niet bij § § 1 en 2 is afgeweken.
De kosten van het lokaal, daaronder begrepen die van meu-
beleering, verlichting, verwarming en schoonhouden daarvan,
ten behoeve van meer dan een collegie van zetters in dezelfde
gemeente, van de commissiën als bedoeld in § 1 & en van de
Adviseurs bedoeld bij § 4, komen ten laste van het Rijk.
§ 6. De niet ambtelijke leden van de commissiën van aan-
slag en hunne plaatsvervangers leggen, alvorens hunne werk-
zaamheden tot uitvoering dezer wet aan te vangen, ten over-
staan van den voorzitter den volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof), dat ik, als lid (plaatsvervangend lid) van
de commissie van aanslag voor de belasting op bedrrjfs- en an-
-ocr page 87-
Hoofdstuk III. — Artt. 19—20.                   77
dere inkomsten, overeenkomstig de bepalingen der wet met
nauwgezetheid en onpartijdigheid en volgens mijn geweten zal
handelen en dat ik hetgeen mij in mijn ambt nopens aansla-
gen in de genoemde belasting, vermogens, inkomsten, uitkee-
ringen of uitdeelingen, bedrijven, beroepen, ambten, waardig-
heden, bedieningen, betrekkingen of werkzaamheden blijkt of
medegedeeld wordt, zal geheim houden. Zoo waarlijk helpe
mij God Almachtig! (Dat beloof ik)."
Van deze handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.
Wegens het afleggen van den eed of belofte en het opmaken
van het proces-verbaal zijn geen kosten verschuldigd.
Bij herbenoeming wordt geene nieuwe eed of belofte gevor.
derd, doch wordt van de vroeger afgelegde verklaring door den
voorzitter op de nieuwe akte van aanstelling melding gemaakt.
§ 7. De commissie van aanslag brengt de aanslagsregeling
ten einde binnen den tijd door den Commissaris der Koningin
in de provincie te bepalen. Is dat werk niet binnen dien tijd
gereed, dan wordt het door het ambtelijk lid of de ambtelijke
leden van elke commissie met den burgemeester der gemeente,
waar de aanslag ingevolge art. 17 moet geschieden, ten spoe-
digste volbracht. In dit geval wordt bij verschil van meening
tusschen den burgemeester en een ambtelijk lid beslist door
den Provincialen Inspecteur der directe belastingen, invoerrech-
ten en accijnzen, in wiens inspectie de gemeente gelegen is.
§ 8. De benoeming van de leden der commissiën bedoeld bij
§ 1 & en § 2 en der Adviseurs bedoeld bij § 4 geschiedt telkens
voor vier jaren. De aftredenden zijn herbenoembaar.
De diensttijd der niet ambtelijke leden en hunne plaatsver-
vangers gaat in met den eersten Januari. Vóór den eersten
November van het voorafgaande jaar worden zij benoemd. Zij
kunnen tusschentijds bij een \'met redenen omkleed besluit wor-
den ontslagen door de autoriteit die hen benoemd heeft.
Bij tusschentijdsch ontslag of overlijden van een nietambte-
lijk lid of plaatsvervanger wordt onverwijld door de autoriteit,
die dat lid of dien plaatsvervanger benoemd heeft, een ander
in zijne plaats benoemd. De tusschentijds benoemde treedt af
op het tijdstip waarop degene, in wiens plaats hij benoemd is,
zou hebben moeten aftreden.
Art. 20. Indien de commissie van aanslag nadere toelichting
eener aangifte noodig acht, kan zij den aangever daartoe in de
gelegenheid stellen. Tenzij de aangever schriftelijk zijn ver-
-ocr page 88-
78                   Hoofdstuk III. - Artt. 20—21.
langen te kennen geeft om door de commissie zelve gehoord
te worden, geschiedt deze nadere toelichting aan den voorzitter.
Art. 21. § 1. Indien de commissie van aanslag geen be-
denking heeft tegen de aangifte van het bedrag, naar hetwelk
de aanslag ingevolge deze wet moet geschieden, wordt de aan-
slag door haar, behoudens de bepalingen van § 3, in overeen-
stemming met die aangifte vastgesteld.
De commissie is bevoegd den aanslag vast te stellen naar
een hooger dan het aangegeven bedrag, indien dit laatste, om
welke reden ook, haar te laag voorkomt.
§ 2. De aanslag van hem, die van het in § 1 bedoelde be-
drag geen aangifte heeft gedaan, wordt ambtshalve geregeld.
§ 3. Aan de aangifte van hem, wien naar de meening van
de commissie van aanslag geen aanslag moet worden opgelegd,
wordt, behoudens het bepaalde in het tweede lid dezer para-
graaf, geen verdere behandeling gegeven.
Indien in de commissie van aanslag verschil van meening
ontstaat tusschen de meerderheid van de commissie en den
voorzitter over de vraag of aan iemand uit eigen hoofde of als
belastingplichtige voor anderen een aanslag moet worden op-
gelegd, wordt deze vraag onderworpen aan het oordeel van
den Provincialen Inspecteur der directe belastingen, invoer-
rechten en accijnzen, in wiens inspectie de standplaats der
commissie gelegen is, die haar, bijaldien het verschil de toe-
passing van art. 1, art. 2 § 5 en art. 7 betreft na raadpleging
van den Rijksadvocaat, beslist. Deze beslissing is voor de
commissie van aanslag verbindend.
Indien in de commissie van aanslag verschil van meening
ontstaat tusschen de meerderheid van de commissie en den
voorzitter over het bedrag naar hetwelk de aanslag moet ge-
regeld worden, dan wordt dat geschil onderworpen aan het
oordeel van den hierboven genoemden Provincialen Inspecteur,
die in dat geval het bedrag vaststelt, doch tot geen hoogere
som dan het hoogste en geen lagere dan het laagste der be-
dragen waarover het geschil loopt. Ook deze beslissing is voor
de commissie van aanslag verbindend.
§ 4. Indien eene uitspraak op een bezwaarschrift krachtens
de wet van 22 September *) 1892 (Staatsblad n°. 223) wijziging
*) Blijkens het Staatsblad no. 223 van 1892 moet gelezen worden 27 September.
Zooals de Minister te kennen gaf, zal deze drukfout bij de eerste gelegenheid
worden verbeterd.
-ocr page 89-
Hoofdstuk III. — Artt. 21-23.                   79
brengt in de bepaling van het vermogen, naar hetwelk de
aanslag in deze belasting is geregeld, wordt deze aanslag, zoodra
de uitspraak niet meer voor beroep vatbaar is, herzien.
Art. 22. § 1. De aanslagen worden ten kohiere gebracht.
Die van reederijen worden gesteld ten name van den boek-
houder, onder vermelding van diens hoedanigheid.
Die van de in § 2 van artikel 7 bedoelden worden gesteld
ten name der voor deze schuld ieder voor het geheel aanspra-
kelijke hier te lande wonende beheerende vennooten, met toe-
voeging der woorden: voor buitenlandsche vennooten.
Die van de onder §§ 3, 4 en 5 van artikel 7 genoemde .be-
lastingplichtigen worden gesteld te hunnen name, onder bij-
voeging van den naam en de hoedanigheid van hen, in wier
persoon zij krachtens dat artikel belastingplichtig zijn. Voor
de toepassing van artt. 24, 25, 27, 29, 30 en 32 wordt deze
persoon als de belanghebbende of aangeslagene beschouwd.
§ 2. In de kohieren wordt het bedrag der inkomsten niet
vermeld.
§ 3. Aan hen, die aangiften in gesloten omslag hebben
ingeleverd, wordt het aanslagbiljet mede in gesloten omslag
uitgereikt.
Aanslagbiljetten, welke voor geheele of gedeeltelijke aan-
zuivering in gesloten omslag worden aangeboden, worden, na
voldaanteekening, in gesloten omslag teruggegeven.
§ 4. De aanslagbiljetten worden uiterlijk binnen veertien
dagen na de afkondiging van het kohier uitgereikt.
Art. 23. Hij, die bezwaar heeft tegen den aanslag, hem uit
eigen hoofde of als belastingplichtige voor anderen opgelegd, kan,
tenzij hij de aangifte niet deed, waartoe hij gehouden was, zelf
of door een gemachtigde, binnen zes weken na de afkondiging
van het kohier, of in het geval bedoeld in § 4 van art. 21,
binnen zes weken na de dagteekening der daarbedoelde uitspraak,
een gemotiveerd bezwaarschrift bezorgen bij den voorzitter der
commissie van aanslag, die hem den aanslag heeft opgelegd,
en wel tegen gedagteekend ontvangbewijs of aangeteekend
per post.
Voor zoover het bezwaar gegrond is op de bepalingen van
art. 1, art. 2 § 5 en art. 7, wordt gehandeld, gelijk in art.
21 § 3, 2de lid, is voorgeschreven. Ook dan is de beslissing
-ocr page 90-
Hoofdstuk III. — Artt. 23—25.
80
van den Provincialen Inspecteur voor de commissie van aan-
slag verbindend.
Heeft de Provinciale Inspecteur reeds vroeger in die zaak
eene beslissing genomen, zoo wordt hem, onder mededeeling
van het bezwaarschrift, eene nadere beslissing gevraagd.
Indien hij, die een bezwaarschrift heeft ingediend, of zijn
gemachtigde, het verlangen daartoe heeft te kennen gegeven,
wordt hij te zijner keuze door de commissie van aanslag of
haren voorzitter en, in het geval bedoeld bij het tweede lid,
door den Provincialen Inspecteur gehoord.
Art. 24. Op de bezwaarschriften wordt uitspraak gedaan
dóór de commissie van aanslag, die daarvan den aangeslagene
kosteloos kennis geeft, hetzij tegen gedagteekend ontvangbewn\'s
of wel aangeteekend per post.
Art. 25. § 1. Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak
der commissie op zijn bezwaarschrift omtrent zijn aanslag,
kan, binnen dertig dagen na de dagteekening van het ontvang-
bewijs of van de aanteekening per post, in beroep komen bij
den Raad, ingesteld bij art. 29 der wet van 27 September
1892 (Staatsblad n°. 223).
§ 2. Hij, die bezwaar heeft tegen den aanslag hem ambts-
halve opgelegd wegens het nalaten eener aangifte, waartoe hij
gehouden was, kan bij dien Raad in beroep komen binnen
zes weken na den dag van afkondiging van het kohier.
§ 3. Beroep op den Raad staat mede open binnen veertien
dagen nadat die uitspraken zijn gedaan aan den voorzitter der
commissie van aanslag tegen uitspraken der commissie op
bezwaarschriften omtrent den aanslag of de inkomsten.
Maakt de voorzitter van dat beroep gebruik, dan geeft hij
binnen drie dagen hiervan den belanghebbende kennis op de
wijze by art. 24 voorgeschreven.
§ 4. Het beroep geschiedt door toezending van een met
redenen omkleede memorie aan den voorzitter van den Raad
op de wijze bepaald bij art. 23 lste zinsnede.
Bij de memorie wordt in het geval bedoeld bij § 1 van dit
artikel een afschrift van de uitspraak der commissie, in dat
bedoeld bij § 2 het aanslagbiljet overgelegd.
§ 5. Het beroep van den voorzitter op den Raad van be-
roep wordt door dezen niet in behandeling genomen alvorens
-ocr page 91-
Hoofdstuk III. — Artt. 25 — 27.                    81
dertig dagen zijn verstreken nadat de kennisgeving bedoeld
bij § 3 is uitgereikt of verzonden.
Art. 26. De voorzitter, de leden en de plaatsvervangende
leden van den Raad leggen, alvorens werkzaamheden hun bij
deze wet opgedragen aan te vangen, ten overstaan van den
Commissaris der Koningin in de provincie den volgenden eed
of belofte af:
„Ik zweer (beloof), dat ik als voorzitter (lid), (plaatsvervan-
gend lid) van den Raad van beroep ingesteld bij de wet van
27 September 1892 (Staatsblad n°. 223), overeenkomstig de
bepalingen der wet tot heffing eener belasting op bedrijfs- en
andere inkomsten met nauwgezetheid en onpartijdigheid en
volgens mijn geweten zal handelen, en dat ik hetgeen mij in
mijn ambt nopens aanslagen in die belasting, inkomsten, ver-
mogens, uitdeelingen of uitkeeringen, bedrijven, beroepen,
ambten, waardigheden, bedieningen, betrekkingen of werk-
zaamheden blijkt of medegedeeld wordt, zal geheim houden.
Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik)."
Van deze handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.
Wegens het afleggen van den eed of belofte en het opma-
ken van het proces-verbaal zijn geen kosten verschuldigd.
Art. 27. Alvorens op eert beroep uitspraak te doen stelt de
Raad den belanghebbende die het mocht verlangen, in de ge-
legenheid om zijne bezwaren mondeling toe te lichten. Dit
verlangen geeft de belanghebbende te kennen in de memorie
bedoeld bij art. 25 § 4. Is het beroep ingesteld door den
voorzitter der commissie van aanslag, zoo doet de belang-
hebbende die kennisgeving binnen acht dagen, nadat hem van
dat beroep bericht is gezonden. De voorzitter der commissie
van aanslag of zijn plaatsvervanger wordt steeds door den
Raad gehoord.
Elke memorie wordt ten minste twintig dagen vóór de be-
handeling aan den voorzitter der commissie ter beoordeeling
gezonden.
Zoowel de belanghebbende als de\' voorzitter der commissie
van aanslag of zijn plaatsvervanger worden door den voor-
zitter ten minste vijf dagen vóór de vergadering schriftelijk
opgeroepen.
Brj verhindering van den belanghebbende om zelf in de ver-
gadering van den Raad te verschijnen kan diens gemachtigde
6
-ocr page 92-
82                  Hoofdstuk III. — Abtt. 27—29.
worden toegelaten, indien de redenen van verhindering aan
den voorzitter gegrond voorkomen.
De behandeling der zaak wordt, zoo noodig, door den voor-
zitter verdaagd.
De belanghebbende en de commissie van aanslag en haar
voorzitter kunnen schriftelijke toelichtingen aan den Raad
overleggen.
Art. 28. De voorzitter der commissie van aanslag of zijn
plaatsvervanger is bevoegd zoowel zijn advies op de memorie
als zijn beroep toe te lichten uit gegevens, waaromtrent hem
geheimhouding is opgelegd.
Art. 29. De Raad is bevoegd bij zijne uitspraak een aanslag
op te leggen, afwijkende zoowel van de aangifte als van den
ambtshalve opgelegden aanslag en van het advies van de
commissie van aanslag of haren voorzitter.
De Raad is echter onbevoegd tot verlaging van den aanslag,
opgelegd aan hem, die de aangifte, waartoe hij gehouden was,
niet heeft gedaan, tenzij de aangeslagene hebbe aangetoond,
dat de aanslag te hoog was.
Bij de behandeling zijner zaak kan den aangeslagene worden
toegestaan om zijne aangifte te verbeteren.
Indien omtrent de juistheid der aangifte naar biljet B of G
twijfel overblijft en bezwaar is tegen toepassing van het eerste
lid van dit artikel, of indien twijfel overblijft omtrent de juist-
heid der aangifte in biljet A omtrent vermogen, kan de Raad
hem, die bij zijne aangifte volhardt, uitnoodigen om die in de
vergadering van den Raad door een der volgende verklaringen
te bevestigen:
„Ik verklaar, dat de inkomsten (het vermogen) (de uitdeeling,
de uitkeering) bij de aangifte, die hier voor mij ligt, te goeder
trouw, naar mijn beste weien, zonder iets te verzwijgen, is
(zyn) opgegeven, en die inkomsten (de waarde van dat ver-
mogen) (die uitdeeling, die uitkeering) overeenkomstig de wet,
te goeder trouw, naar mijn beste weten, berekend is (zijn)."
„Ik verklaar, dat ik te goeder trouw vermeen, dat ik geen
inkomsten, (vermogen), (uitdeeling of uitkeering) had aan te
geven, waarvoor naar de wet belasting verschuldigd is."
Van de handeling wordt proces-verbaal opgemaakt, waarin
de verklaring opgenomen en door den aangever onderteekend
wordt.
-ocr page 93-
Hoofdstuk III. - Abtt. 29-33.                   83
Het proces-verbaal wordt door den voorzitter en de leden
van den Raad onderteekend.
In de bevestigde aangifte wordt berust.
De aanslag van hem, die weigert of, daartoe overeenkomstig
het in het 3de lid van art. 27 bepaalde opgeroepen, in gebreke
blijft de verklaring af te leggen en te onderteekenen, wordt,
niet verlaagd of opgeheven.
In geval van ziekte, afwezigheid buiten het Rijk of andere
wettige reden van verhindering, kan de verklaring, met toe-
lating van den Minister van Financiën, krachtens eene bijzon-
dere volmacht, worden afgelegd.
Het verzoekschrift om toelating wordt door tusschenkomst
van den voorzitter van den Raad aan den Minister gezonden.
Art. 30. De aanslag bij de uitspraak van den Raad op een
beroep van den aangeslagene vastgesteld of gehandhaafd, wordt
verhoogd met:
vijf en twintig ten honderd van de hoofdsom van den aan-
slag, indien de aangeslagene de aangiften, waartoe hij gehouden
was, niet heeft gedaan;
vijf en twintig ten honderd van de verhooging der belasting
in hoofdsom, indien de aangifte van het bedrag, naar hetwelk
de aanslag moet geschieden, te laag is gedaan.
Art. 31. De Raad kan de commissie van aanslag hooren
nopens de berekening van inkomsten, uitdeelingen, uitkeeringen
of vermogen en deskundigen raadplegen omtrent waardebepa-
lingen en afschrijvingen.
Art. 32. De uitspraak van den Raad, door den voorzitter
en den secretaris onderteekend, wordt aan den belanghebbende
gezonden en in afschrift medegedeeld aan den Provincialen
Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen,
die voor zooveel noodig voor de uitvoering zorgt.
Art. 33. De bepalingen van art. 37 der wet van 27 Sep-
tember 1892 (Staatsblad n°- 223) gelden ook voor de belasting
op bedrijfs- en andere inkomsten.
-ocr page 94-
Hoofdstuk IV. — Aett. 34 — 35.
84
HOOFDSTUK IV.
Bijzondere bepalingen.
Art. 34. Handelsreizigers, kramers en alle verdere personen,
die hun bedrijf of beroep rondtrekkende uitoefenen, voor zoover
zij behooren tot de bedoelden bij art. la, h en k, zijn gehouden
onverminderd hunne verplichtingen omschreven bij artt. 12 en
14, zich ter plaatse binnen het Rijk, waar zij zich na het
begin van het belastingjaar het eerst bevinden, bij het ge-
meentebestuur schriftelijk aan te melden, met opgaaf van hun
naam, hunne woonplaats en hun bedrijf of beroep. Ten blijke
dat zij hieraan voldaan hebben, ontvangen zij kosteloos een
door of vanwege het hoofd van dat bestuur onderteekend Be-
wijs, dat zij gehouden zijn mede te onderteekenen en op aan-
vraag aan ambtenaren der directe belastingen te vertoonen.
Van de hierbedoelde opgaaf wordt door het gemeentebestuur
onverwijld afschrift gezonden aan den ontvanger der directe
belastingen, onder wiens kantoor de plaats gelegen is, waar
ingevolge art. 17 de aanslag moet geschieden.
Buitenslands gevestigden, indien zij hier te lande geen kan-
toren of vaste inrichtingen hebben, bekomen het Bewijs slechts
op verklaring van den ontvanger, dat zij niet door hem be-
lastingplichtig worden geacht of wel den door hem voorloopig
naar deze wet geregelden aanslag betaald of voor het bedrag
daarvan, ten zijnen genoege, borg gesteld hebben ; een en ander
behoudens hunne verplichting tot bijbetaling en hun recht op
teruggave ten gevolge van de definitieve vaststelling van hun
aanslag.
De ontvanger geeft, onder overlegging der aangifte, van
den door hem geregelden aanslag onverwijld kennis aan den
voorzitter der commissie van aanslag, die den aanslag moet
regelen.
Art. 35. Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit-
hoofde van zijn, hetzij tegenwoordig, hetzij vroeger ambt nopens
aanslag in deze belasting, inkomsten, vermogen, uitkeeringen
of uitdeelingen, bedrijf, beroep, waardigheid, bediening, betrek-
king of werkzaamheden van anderen gebleken of medegedeeld
-ocr page 95-
Hoofdstuk IV. — Artt. 35—37.                   85
is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn
ambt of betrekking in dienst van het Rijk gevorderd wordt.
Art. 36. De gemeentebesturen zijn gehouden aan de hoofd-
ambtenaren der directe belastingen op hun verzoek kosteloos
inzage van de kohieren der hoofdelijke omslagen naar het inko-
men te geven en toe te laten, dat zij daarvan uittreksel of
afschrift nemen of doen nemen.
De ambtenaren ressorteerende onder het Departement van
Financiën geven aan de hoofdambtenaren der directe belastingen,
voor zooveel noodig, inlichtingen volgens regelen door den Mi-
nister van Financiën te stellen.
Art. 37. Aan belastingplichtigen bedoeld in art. 1 a, b en c,
die in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere wereld-
deelen wegens door hen uitgeoefende bedrijven, beroepen of
ondernemingen in het patentrecht of eene belasting naar de
inkomsten zijn aangeslagen, wordt op hun verzoekschrift ont-
heffing van belasting verleend voor de som, gedurende het
voorafgaand belastingjaar uit dien hoofde in die koloniën of
bezittingen door hen betaald.
De ontheffing kan echter voor belastingplichtigen bedoeld bij
art. 1 a en c de hoofdsom, voor belastingplichtigen bedoeld brj
art. 1 b twee derden der hoofdsom naar deze wet door hen in
het loopend belastingjaar verschuldigd niet te boven gaan.
Bijaldien de belasting in die koloniën of bezittingen is bere-
kend naar inkomsten of uitdeelingen, kan de ontheffing niet
meer bedragen dan twee ten honderd van het bedrag daarvan.
De verzoekschriften moeten uiterlijk binnen zes maanden na
de afkondiging van het kohier, waarop de aanslag hier te lande
voorkomt, aangeteekend per post toegezonden of tegen ontvang-
bewijs worden uitgereikt aan den Provincialen Inspecteur der
directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, in wiens in-
spectie de gemeente gelegen is, waar de belastingplichtige is
aangeslagen.
Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van bewijsstukken
of gewaarmerkte afschriften daarvan.
De Provinciale Inspecteur doet uitspraak na de commissie
van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld, gehoord te heb-
ben. Hij zendt de uitspraak aangeteekend per post of tegen
gedagteekend ontvangbewijs kosteloos aan dengeen die het
verzoek heeft gedaan.
-ocr page 96-
86                   Hoofdstuk IV. - Artt. 38-40.
Art. 38. Bij overlijden van een belastingplichtige, bedoeld
bij art. la en rö, en van een belastingplichtige, bedoeld bij
art. 1 h, die hier te lande persoonlijk werkzaam is, wordt aan
de erfgenamen op hun verzoekschrift ontheffing verleend van
den aanslag van den overledene over de maanden van het belas-
tingjaar, of, bij aanslag voor korteren tijd, over die, waarover de
aanslag loopt, die tijdens dat overlijden nog niet zijn ingetreden.
Gelijke ontheffing wordt op zijn verzoekschrift verleend aan
den belastingplichtige, bedoeld in art. 1 a, die in den loop van
het belastingjaar het Rijk metterwoon verlaat, voor zijn aan-
slag over de maanden van het jaar, die tijdens zijn vertrek,
of indien het verzoekschrift eerst na het vertrek is ingediend,
tijdens de indiening nog niet zijn ingetreden.
De verzoekschriften moeten uiterlijk binnen zes weken na
het overlijden of vertrek, aangeteekend per post, toegezonden,
of tegen ontvangbewijs uitgereikt worden aan den Provincialen
Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen,
in wiens inspectie de gemeente is gelegen, waar de belasting-
plichtige is aangeslagen.
\' Verlenging van dezen termijn tot uiterlijk zes maanden kan
door den Minister van Financiën worden toegestaan.
De Provinciale Inspecteur doet uitspraak na de commissie
van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld, gehoord te
hebben. Hij zendt de uitspraak in gesloten omslag, aangetee-
kend per post, of tegen gedagteekend ontvangbewijs, kosteloos
aan dengeen, die het verzoek heeft gedaan.
Art. 39. Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den
Provincialen Inspecteur op zijn verzoekschrift krachtens artt. 37
en 38 dezer wet ingediend, kan binnen dertig dagen, nadat zij
hem is toegezonden, daarvan bij Ons in beroep komen. Als
datum van toezending geldt die der aanteekening per post of
die van het gedagteekend ontvangbewijs.
Door Ons wordt beslist den Raad van State gehoord.
Art. 40. Wanneer het inkomen naar het hetwelk de aan-
slag van een belastingplichtige, bedoeld bij art. 1 a, d en h
is geregeld, door het staken van eenig bedrijf of beroep of ont-
slag uit een ambt, waardigheid, bediening of betrekking, of,
voor zooveel de belastingplichtigen bedoeld bij art. 1 a betreft,
door het ophouden van inkomsten als bedoeld bij art. 2 § 1 b
in den loop van het belastingjaar met meer dan één vierde is
-ocr page 97-
Hoofdstuk IV. — Artt. 40 — 44.                   87
verminderd, kan aan den belastingplichtige geheeleof gedeelte-
lijke ontheffing van nog niet vervallen termijnen van belasting
worden verleend door den Provincialen Inspecteur der directe
belastingen, invoerrechten en accijnzen, in wiens inspectie de
gemeente is gelegen, waar de belastingplichtige is aangeslagen.
De Provinciale Inspecteur doet uitspraak, na de commissie
van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld gehoord te
te hebben. Hij zendt de uitspraak in gesloten omslag aan-
geteekend per post of tegen gedagteekend ontvangbewijs, kos-
teloos aan dengeen, die het verzoek heeft gedaan.
Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den Provin-
cialen Inspecteur op zijn verzoekschrift kan binnen dertig
dagen in beroep komen bij den Minister van Financiën.
Als datum van toezending geldt die der aanteekening per
post of die van het gedagteekend ontvangbewijs.
Art. 41. Bij overlijden van den aangeslagene zijn de erven
in al hunne goederen voor het niet aangezuiverde gedeelte van
diens aanslag aansprakelijk, voor zooveel schulden van den
boedel van den overledene ten hunnen laste komen.
Art. 42. Ieder erfgenaam, de executeur-testamentair of de
bewindvoerder over de nalatenschap is bevoegd de aangifte te
doen, bezwaarschriften in te dienen en in beroep te komen
omtrent den aanslag van een overledene, alsof hij zelf de be-
lastingplichtige ware.
Art. 43. De Provinciale Inspecteur der directe belastingen,
invoerrechten en accijnzen kan, onverschillig of al dan niet
een bezwaarschrift is ingediend, op voorstel van de commissie
van aanslag ontheffing van belasting verleenen, indien hem
in den loop van het belastingjaar of van het volgend belasting-
jaar blijkt, dat de aanslag van een belastingplichtige te hoog
is bepaald.
Daarenboven behouden Wij Ons voor om in bijzondere ge-
vallen vanwege dwaling of onwillig verzuim kwijtschelding of
vermindering of teruggaaf van de hoofdsom en van de inge-
volge artikel 30 opgelegde verhooging te verleenen.
Art. 44. De ambtenaren der directe belastingen zijn bevoegd
om, op schriftelijke lastgeving van den voorzitter der commissie
van aanslag, welke desgevorderd moet worden vertoond, met
machtiging van den kantonrechter en vergezeld van een door
-ocr page 98-
88                    Hoofdstuk IV. — Aett. 44—46.
dezen aangewezen persoon bij dag en op de gewone voor den
arbeid bestemde uren in de fabrieken, werkplaatsen en andere
vaste inrichtingen en op de vaartuigen van de belastingplichtigen
en van hen, die vermoed worden belastingplichtig te zijn, de
bijzonderheden op te nemen, bedoeld in art. 12, § 1 II, zonder
nochtans inzage van boeken of schrifturen te kunnen nemen,
tenzij de belastingplichtige dit verlangt.
Deze bevoegdheid strekt zich niet uit tot de fabrieken, werk-
plaatsen, andere vaste inrichtingen en vaartuigen van hen,
wier aanslag voor het loopend belastingjaar reeds door de
commissie van aanslag of, in geval van beroep van den aan-
geslagene, door den Raad van beroep is vastgesteld.
Zij betreden geen woning, tenzij dit noodzakelijk is om de
bovengenoemde lokalen te betreden.
Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal op-
gemaakt en binnen vier en twintig uren aan dengenen, wiens
woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.
Art. 45. Bestuurders van de bij art. lftenc bedoelde naam-
looze vennootschappen, coöperatieve vereenigingen, andere ver-
eenigingen en stichtingen, die een bedrijf of beroep uitoefenen,
onderlinge verzekeringmaatschappijen en sociëteiten, alsook
beheerende vennooten van hier te lande gevestigde comman-
ditaire vennootschappen op aandeelen en boekhouders van
hier te lande gevestigde reederijen, zijn gehouden binnen
veertien dagen na de vaststelling van balans of rekening een
zoodanig uittreksel als noodig is tot toelichting der winst,
uitkeeringen of uitdeelingen te doen toekomen aan den voor-
zitter der commissie van aanslag, bedoeld bij art. 19 § 1 & of
§ 2, die den aanslag moet regelen.
Art. 46. De stukken krachtens deze wet op te maken en
uit te vaardigen, quitantiën van betaalde belasting, zoomede
de processtukken, daaronder begrepen vonnissen en afschriften
van vonnissen betreffende de toepassing van deze wet, zijn
vrij van zegel en worden, voor zoover aan de formaliteit van
registratie onderworpen, kosteloos geregistreerd.
-ocr page 99-
Hoofdstuk V. — Art. 47.
89
HOOFDSTUK V.
Bepalingen van strafrechterlijken aard.
Art. 47. § 1. Hij, die persoonlijk of door een bijzonder daar-
toe gemachtigde opzettelijk eene valsche verklaring, als be-
doeld bij art. 29, aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes jaren.
Ontzetting van de in artikel 28 n°. 1 — 4 van het Wetboek
van Strafrecht vermelde rechten kan worden uitgesproken.
§ 2. Hij, die opzettelijk de bij art. 35 opgelegde geheim-
houding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd
gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten te
bekleeden.
Hij, aan wiens schuld schending van de geheimhouding te
wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem,
ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.
§ 3. Ieder die, daartoe gehouden, nalaat de vragen, betref-
fende de bijzonderheden, bedoeld bij art. 12 § 1, I, III en IV
in het hem, aan zijne firma of aan de stichting of sociëteit,
waarvan hij bestuurder is, uitgereikte of toegezonden beschrij-
vingsbiljet A stellig, duidelijk en zonder voorbehoud naar
waarheid te beantwoorden en dit antwoord te onderteekenen,
of wel nalaat dit biljet tijdig ter voorgeschreven plaatse in te
dienen, wanneer het niet reeds vroeger is teruggehaald, wordt
gestraft met eene geldboete van ten hoogste ƒ100.
§ 4. De belastingplichtige, die, ook zonder dat hem een bil-
jet is uitgereikt, niet voldoet aan de hem in art. 14 § 1 eerste
lid en art. 14 § 4 eerste lid opgelegde verplichtingen, wordt
gestraft met eene geldboete van ten hoogste ƒ50.
§ 5. Hij, die daartoe gehouden, nalaat de verplichtingen na
te komen bedoeld bij art. 15 § 1 eerste lid, en art. 15 § 2 eer-
ste lid, wordt gestraft meteene geldboete van ten hoogste ƒ25.
Gelijke straf wordt opgelegd in geval van overtreding van art. 45.
-ocr page 100-
Hoofdstuk V. — Artt. 47 — 52.
90
§ 6. Overtreding van art. 16 wordt gestraft met eene geld-
boete van ten hoogste f 400.
§ 7. Personen, die van een bewijs voorzien moeten zijn als
bedoeld in art. 34 en die in gebreke blijven dit bewijs op aan-
vrage aan bevoegde ambtenaren te vertoonen, worden gestraft
met eene geldboete van ten hoogste f 25.
Geven zij ter bekoming van dat bewijs aan het bevoegd ge-
zag een valschen naam, woonplaats, bedrijf of beroep op, of
maken zij gebruik van het aan een ander afgegeven bewijs,
dan worden zij gestraft met eene geldboete van ten hoogste
ƒ150.
Art. 48. De feiten strafbaar volgens art. 47 § 1 en § 2 dezer
wet, worden beschouwd als misdrijven, behalve voor de toe-
passing van artikel 57 en 58 van het Wetboek van Straf-
recht, in de plaats waarvan wordt toegepast artikel 62 1ste
en 2de lid van dat wetboek.
De feiten strafbaar volgens art. 47 §§ 3 — 7 dezer wet, wor-
den beschouwd als overtredingen.
Art. 49. Met het opsporen van overtredingen dezer wet
zijn, behalve de in artikel 8 n°. 1°.-4°. en 6°. van het Wet-
boek van Strafvordering aangewezen personen, belast de amb-
tenaren der directe belastingen.
Zij maken van hunne bevinding proces-verbaal op, dat den
bekeurde wordt beteekend op de wijze voorgeschreven bij arti-
tikel 144 van het Wetboek van Strafvordering.
Art. 50. De feiten strafbaar volgens de bepalingen van art.
47 §§ 3 — 7 dezer wet worden vanwege den Minister van Finan-
ciën vervolgd op de wijze bedoeld bij art. 141 2°. van het
Wetboek van Strafvordering.
Art. 51. Wanneer in de gevallen bedoeld bij art. 47 §§ 3 —7
is aan te nemen, dat bij den bekeurde geen opzet tot ont-
duiking van belasting heeft bestaan, kan hij, mits vóór de
dagvaarding, door of vanwege den Minister van Financiën tot
transactie over de geldboete worden toegelaten.
Art. 52. Wanneer eene bekeuring wegens overtreding van
art. 47 § 3 of § 4 bij transactie is beëindigd of eene veroor-
deeling te dier zake onherroepelijk is geworden, slaat de com-
missie van aanslag, indien dit noodig is, den bekeurde of ver-
-ocr page 101-
Hoofdstuk V —VI. — Aett. 52 — 57.              91
oordeelde alsnog ambtshalve aan of herziet zij zijn reeds vast-
gestelden aanslag. Is de vroegere aanslag door den Raad van
beroep vastgesteld, dan wordt deze door dien Raad herzien.
De commissie van aanslag en de Raad gedragen zich naar
de uitspraak des rechters.
Art. 23 is hier niet van toepassing. De aanslag wordt ook
in het geval van herziening aangemerkt als een aanslag ambts-
halve.
De aanslag of verhooging van aanslag wordt alsnog ten ko-
hiere gebracht.
Is de verhooging van aanslag door den Raad van beroep
vastgesteld, dan kunnen daartegen geen bezwaarschriften wor-
den ingediend en staat daartegen geen beroep open.
Art. 53. Zijn bestuurders van stichtingen of sociëteiten in
hunne betrekking als zoodanig wegens overtreding van art.
47 § 3 of § 4 onherroepelijk veroordeeld of is eene tegen hen
te dier zake ingestelde bekeuring bij transactie beëindigd, dan
wordt, met inachtneming van het in art. 52 bepaalde aan die
lichamen, zoo dit noodig is, alsnog een aanslag opgelegd of de
reeds vastgestelde aanslag herzien.
HOOFDSTUK VI.
OVEBGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
Art. 54. In afwachting van nadere wettelijke regeling wor-
den op deze belasting geene opcenten ten behoeve van ge-
meenten of provinciën geheven.
Art. 55. Bepalingen omtrent meting van Rijkswege van
binnenvaartuigen en de daarvoor in rekening te brengen kos-
ten, worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur.
Art. 56. De inkomsten in art. 4 § 2 bedoeld, blijven bij
den aanslag van het belastingjaar 1894 — 1895 buiten aan-
merking.
Art. 57. Voor belastingplichtigen, wier inkomsten volgens
-ocr page 102-
92                  Hoofdstuk VI. — Artt. 57 — 58.
artikel 4 § 3, 1ste en 2de lid, zouden moeten worden bere-
kend naar de uitkomsten van aan den aanvang van de hef-
fing dezer belasting voorafgaande jaren, doch die bij hunne
aangifte met redenen aantoonen, dat die uitkomsten geen be-
trouwbaren maatstaf opleveren voor de berekening van ver-
moedelij ke inkomsten in het eerste belastingjaar, wordt in dat
jaar de jaarlijksche winst of belooning begroot, naar de ont-
vangen bedragen welke volgens artikel 4 als grondslag zou-
den moeten gelden, doch met inachtneming der redenen, die
erkend worden eene afwijking noodig te maken, en geschiedt
in de twee volgende belastingjaren de berekening naar de in-
komsten, verkregen sedert den aanvang van het kalender- of
boekjaar waarin de heffing dezer belasting aanvangt.
Art. 58. § 1. In art. 4, 1°. en art. 24 der wet van 22 Mei
1845 (Staatsblad n°. 22) vervallen de woorden: „van beschrij-
ving".
In art. 4, 2°. vervallen de woorden: „en der acten van
patent".
Art. 8, derde lid, wordt vervangen door:
„Met afwijking van het in de beide voorafgaande leden
bepaalde, zijn de aanslagen wegens belasting op bedrijfs- en
andere inkomsten op de voljaarskohieren invorderbaar in vijf
gelijke termijnen; voor zooveel de betaling bij termijnen niet
geheel of gedeeltelijk is verboden en behoudens de uitzonde-
ringen bij het volgend artikel gemaakt. De eerste termijn
vervalt den laatsten Augustus, de tweede den laatsten October,
de derde den laatsten December, de vierde den laatsten Februari
en de vijfde den laatsten April van het belastingjaar."
Aan het slot van art. 8 wordt het volgende toegevoegd:
„Met afwijking van het in het vierde lid van dit artikel
bepaalde is voor aanslagen op kohieren welke na den laatsten
Augustus zijn afgekondigd, de belasting op bedrijfs- en andere
inkomsten invorderbaar in zooveel gelijke termijnen als er na
de maand, waarin de afkondiging plaats had, nog tijdvakken
van twee maanden als bovenbedoeld in het dienstjaar over-
blijven. Blijft zulk een tijdvak niet over, dan is de belasting
dadelijk in haar geheel invorderbaar."
In art. 9 2°. dier wet vervallen de woorden: „en het regt
van patent", en wordt in de plaats van: „die middelen" ge-
lezen „dat middel".
-ocr page 103-
Hoofdstuk VI. — Art. 58.                      93
Artikel 9 3°. wordt vervangen door:
„3°. voor zooveel de belasting op bedrijfs- en andere in-
komsten aangaat, wanneer de aanslagen betreffen uitdeelingen
van naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschap-
pen op aandeelen, coöperatieve en andere vereenigingen, on-
derlinge verzekeringmaatschappijen en reederijen of uitdeeling
van winstaandeelen aan buitenslands gevestigde vennooten, of
wel buitenslands gevestigden, die hier te lande geene vaste
inrichtingen, kantoren of in Nederland gevestigde vertegem
woordigers hebben; voorts wanneer blijkt, dat de belasting-
schuldige het Rijk met der woon wil verlaten, met wegvoering
der meubelen."
Aan het slot van art. 15 worden de volgende leden toe-
gevoegd :
„Met afwijking van het in het tweede lid van dit artikel\'
bepaalde kunnen voor zooveel de belasting op bedrij fs- en
andere inkomsten betreft, verzet en terugvordering nimmer de
hoegrootheid van den aanslag of de bepaling van inkomsten,
vermogen, uitkeeringen of uitdeelingen van den aangeslagene
betreffen, noch gegrond zijn op het niet ontvangen van aan-
slagbiljet, waarschuwing of aanmaning.
„Terugvordering van betaalde belasting op bedrijfs- en andere
inkomsten heeft plaats bij dagvaarding van den Minister van
Financiën voor de arrondissementsrechtbank, tot welker gebied
het ontvangkantoor behoort. De dagvaarding wordt beteekend
aan den ontvanger van dit kantoor."
Art. 17 is ten deze niet van toepassing.
§ 2. In de considerans en in de artt. 1 en 2 der wet van
18 September 1852 (Staatsblad n°. 177), wordt in plaats van:
„en het regt van patent" en „en het patentregt" gelezen: „en
de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten."
§ 3. In de wet van 4 April 1870 (Staatsblad n°. 60), ver-
vallen in de considerans en in de artt. 2 en 3 de woorden:
„of het regt van patent", in art. 1 de woorden: „en art. 28,
eerste zinsnede, der wet op het regt van patent van 21 Mei
1819 (Staatsblad n°. 34)". •
§ 4. Voor aanslagen betreffende het recht van patent over
het dienstjaar 1893 — 1894 en vroeger, blijven echter de in dit
artikel gewijzigde bepalingen van kracht.
-ocr page 104-
Hoofdstuk VI. — Artt. 59 — 60.
94
Art. 59. Onder vroegere belastingjaren worden in deze wet
ook verstaan tijdperken van twaalf maanden, beginnende 1
Mei en eindigende 30 April, voorafgegaan aan 1 Mei 1894.
Art. 60. De heffing dezer belasting vangt aan op 1 Mei 1894.
Behoudens het bepaalde bij § 4 van art. 58, vervalt op dat
tijdstip de wet van 21 Mei 1819 (Staatsblad n°. 34), gewijzigd
bij die van:
6 April 1823 (Staatsblad n». 14),
16 Juni 1832 (
n
n
30),
24 April 1843 (
»
r
16),
22 April 1852 (
»
»
61),
8 Mei 1869 (
n
I)
77),
17 April 1887 (
n
;;
64).
. Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoritei-
ten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauw-
keurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 2den October 1893.
EMMA.
De Minister van Financiën,
PlERSON.
Uitgegeven den zevenden October 1893.
De Minister van Justitie,
Smidt.
-ocr page 105-
WET van den 2den October 1893
(Staatsblad n°. 149, Verz. n°. 93),
tot heffing eener belasting op
bedrijfs- en andere inkomsten. *)
In naam van Hake Majesteit WILHELMINA, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
"Wu EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het Ko-
ninkrijk ;
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te
weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig
is, in verband met de vermogensbelasting het recht van pa-
tent door eene belasting op bedrij fs- en andere inkomsten te
vervangen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk W\\j goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK I.
Belastingplichtigheid. Aard, voorwerp en bedrag
der belasting. vertegenwoordiging.
Art. 1. Onder den naam van belasting op „bedrijfs- en
andere inkomsten" wordt eene directe belasting geheven:
o. van ieder die binnen het Rijk woont of die zich in den
loop van het jaar binnen het Rijk metterwoon vestigt;
b. van hier te lande gevestigde naamlooze vennootschappen,
*) Het eerste ontwerp sprak van eene bedrijfs- en beroepsbelasting.
De bedrijven waren voorop geplaatst als het meest talrijk in vergelijking met
beroepen. Daar het ontwerp echter de strekking had »het treilen van alle
inkomsten, winsten, belooningen, enz. uit welken hoofde ook genoten, en uit
welke bron voortvloeiende, voor zoover daarvoor niet reeds is betaald in de
vermogensbelasting" en het dus in de bedoeling lag ook pensioenen, wachtgelden,
lijfrenten, enz. onder het bereik der wet te brengen (verg. art. 2 8§ 1 en 2),
werd de naam, naar aanleiding van de opmerkingen in het Voorl. Verslag, ge-
wijzigd, zooals hij thans luidt, om des te scherper te doen uitkomen, dat deze
belasting méér omvat, dan de benaming in het eerste ontwerp deed vermoeden.
-ocr page 106-
96                         Hoofdstuk I. — Abt. 1.
commanditaire vennootschappen op aandeelen, coöperatieve of
andere vereenigingen en onderlinge verzekeringmaatschappijen;
c.    van hier te lande gevestigde reederijen, en van hier te
lande gevestigde stichtingen die een bedrijf of beroep uitoefenen;
d.    van allen, niet begrepen onder a, die een Nederlandsen
Staatsambt uitoefenen buiten het Rijk, zonder daar aan per-
soonlijke lasten onderworpen te zijn en voor zoover zij geen
dienst doen in de koloniën of bezittingen van het Rijk in
andere werelddeelen;
e.    van buitenlandsche vennooten in Nederlandsche ven-
nootschappen, daaronder niet begrepen buitenlandsche aandeel-
houders, en van buitenlandsche vennooten in Nederlandsche
maatschappen betrekking hebbende tot de uitoefening van
eenig bedrijf of beroep;
f.    van spoorwegondernemingen in het buitenland gevestigd,
welker exploitatie zich op Nederlandsch grondgebied uitstrekt;
g.    van in het buitenland gevestigden, die hier te lande
door tusschenkomst van gemachtigden, hier gevestigd, over-
eenkomsten aangaan tot brand-, zee-, levens- of andere ver-
zekering ;
h. van andere in het buitenland gevestigden, die hier te
lande persoonlijk of door gemachtigden een bedrijf, beroep,
ambt, waardigheid, bediening of betrekking geregeld uitoefenen,
of minstens drie maanden achtereen uitgeoefend hebben, of
van wie op grond van overeenkomsten of andere gegevens is
aan te nemen dat zij dit gedurende minstens drie maanden
achtereen zullen doen;
i. van in het buitenland gevestigden, die herhaaldelijk stoffen
of kleedingstukken, sieraden, meubelen, speelgoed, voedings-
en genotmiddelen en andere dergelijke artikelen in koop toe-
zenden aan niet daarin handeldrijvenden hier te lande door
bemiddeling van hier te lande gevestigde tusschenpersonen;
k. van in het buitenland gevestigden, die hier te lande
rondreizen, met of zonder stalen of monsters, om bestellingen
op te nemen.
Of en waar iemand binnen het Rn\'k woont of gevestigd is,
wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Aanhef. I. De aanhef van art. 1 in het eerste ontwerp luidde: »Onder
den naam van bedrijfs- en beroepsbelasting wordt eene directe
belasting geheven van winsten en belooningen, verkregen:" Daar
-ocr page 107-
, Hoofdstuk I. — Art. 1.                           97
de belasting niet zal worden geheven van winsten en belooningen,
maar van belastingplichtige personen, werd in het Voorl. Verslag
op de minder gelukkige redactie gewezen en in overweging ge-
geven, hier de redactie der wet op de vermogensbelasting te vol-
gen, ten einde ook het verband der beide belastingen onmiddellijk
te doen uitkomen a). Zonder wijziging toch zou het artikel beter
passen aan het hoofd eener zakelijke belasting op ondernemingen,
bedrijven en beroepen, dan als aanhef van eene gedeeltelijke in-
komstenbelasting, gelijk het ontwerp beoogde, afgezien van de
enkele zakelijke elementen, daarin opgenomen.
Aan den wenk in het Voorl. Verslag kwam de Minister te
gemoet door in art. 1 eene opsomming te geven der belasting-
plichtige personen en in art. 2 aan te duiden ter zake waarvan
de belasting verschuldigd is. Zie bl. 23 der Inl.
a) Dit verband is op amendement van den heer van Alphen in de
beweegreden der wet nog uitdrukkelijk ingelascht.
Litt. a. 2. De hier gevolgde redactie sluit zich aan bij art. 1 der wet
op de vermogensbelasting.
Met het «Rijk" wordt bedoeld het Rijk in Europa, zoodat, waar
verder in de wet sprake is van het buitenland, de koloniën en
bezittingen als buitenland worden beschouwd. Vandaar, dat uit
de vroegere redactie sub d, de woorden „in Europa" zijn weg-
gevallen. Dat deze woorden nog voorkomen in den aanhef van
art. 9, tarief A, berust op eene vergissing, die niet werd opge-
merkt bij de redactiewijziging, tengevolge van een aangenomen
amendement.
3.  De uitdrukking het «jaar" moet worden opgevat in den zin
van belastingjaar (verg. art. 11 § 1).
4.  In het buitenland wonende ambtenaren van hier gevestigde
maatschappijen, zooals b.v. die van de Zuid-Afrikaansche Spoor-
wegmaatschappij, wier zetel in Nederland is, zijn hier te lande
niet belastingplichtig, omdat zij niet gezegd kunnen worden, hier
te wonen.
De maatschappij zelf betaalt volgens art. 5 § 1 naar hare uit-
deelingen.
5.  In het Voorl. Verslag werd de vraag gedaan, hoe de toe-
passing der wet zou zijn ten aanzien van opvarenden van Ne-
derlandsche schepen, die zich buitengaats of in den vreemde
bevinden. Zullen deze geacht worden hun beroep «hier te lande"
uit te oefenen? Men denke b.v. aan zeeofflcieren, die juist ter
uitoefening van hun beroep soms jarenlang buitenslands zijn.
Naar aanleiding van deze vraag gaf de Commissie van Rappor-
teurs den Minister als hare meening te kennen, dat door de ge-
wijzigde redactie a) zeeofflcieren, die buitenslands kruisen, onver-
schillig, of zij hier al of niet gedomicilieerd zijn, belastingplichtig
zijn krachtens art. 1, a ofd b); dat zeeofflcieren in dienst der ko-
lonie, — b.v., die tot het auxiliair eskader behooren — niet door
deze belasting worden getroffen en dat ten aanzien van andere
opvarenden van Nederlandsche schepen de belastingplichtigheid
7
-ocr page 108-
Hoofdstuk I. — Art. 1.
afhangt van de vraag, of zij geacht worden hier te lande te
wonen.
De Minister beantwoordde deze opmerkingen met de redactie-
wijziging van litt. d, zooals die thans in de wet is opgenomen,
> omdat de vroeger gekozen bewoordingen tot verschil van op-
vatting aanleiding zouden kunnen geven."
Men mag dus aannemen, dat het in de bedoeling lag, daarmede
de zienswijze der Commissie van Rapporteurs duidelijker te doen
uitkomen.
a)    De hier bedoelde redactie van litt. d luidde:
»Van allen, die een Nederlandsen staatsambt uitoefenen buiten het
Rijk in Europa, zonder daar aan persoonlijke lasten onderworpen te
zijn; met uitzondering van hen, die bij den burgerlijken of militairen
dienst der koloniën of bezittingen in andere werelddeelen eene vaste
betrekking bekleeden of tijdelijk zijn ingedeeld."
b)    In welke gevallen zeeofficieren belastingplichtig zijn naar litt. d
is niet zoo dadelijk uit te maken. Toch is de vraag niet zonder be-
lang, want biljet A wordt niet uitgereikt aan de belastingplichtigen
onder deze littera en bijgevolg kan er ook geen sprake zijn van toepassing
der strafbepaling van art. 47, § 4. Doen zij dienst in Oost-Indië en
komen zij ter dispositie van den Commandant der zeemacht aldaar, of
worden zij geplaatst aan boord van een in West-Indië gestationneerd
oorlogsschip, dan zijn zij hier te lande niet belastingplichtig noch naar
litt. a noch naar litt. d, behoudens dat de hier te lande achtergeble-
ven betrekkingen voor de ontvangen toelagen (z. g. delegaties van
traktement) in de belasting worden betrokken volgens art. 2, § 16.
Zijn zij echter geplaatst aan boord van een oorlogsvaartuig, dat voor
eene langdurige reis uitgaat, b. v. tot bezoek van vreemde havens
of zijn zij voor geruimen tijd gedetacheerd bij den aanbouw van een
Ned. oorlogsschip op eene buitenlandsche werf, dan is de rangschik-
king onder a of d geheel afhankelijk van de Vraag, of zij geacht kun-
nen worden hier te lande te wonen (zie het laatste lid van dit artikel).
Gaat het vertrek gepaard met opbreking der huishouding of woon-
plaatsverandering van het achtergelaten gezin, dan zou men daarin
eene aanwijzing kunnen zien, dat het wonen van den betrokken per-
soon hier te lande heeft opgehouden en hij bij gevolg behoort onder litt.
d. Kortom, waar hier de grens is tusschen litt. o en d is niet met
juistheid te bepalen en de omstandigheden moeten voor ieder geval
in het bijzonder beslissen.
Men vergelijke ook art. 38, 2e lid.
6. Zeeofficieren en ook andere opvarenden zullen niet altijd in
de gelegenheid zijn, zelf de voorgeschreven aangifte te doen. Art.
13 § 2 wijst in dergelijke gevallen den weg. Mocht de aangifte
geheel uitblijven, dan kan volgens art. 21 § 2 een ambtshalve
aanslag worden opgelegd. Door de bedoelde belastingschuldigen
zal de termijn van reclame, in art. 25 § 2 genoemd, wellicht moeilijk
in acht te nemen zijn, doch art. 43 biedt uitkomst. Intusschen —
het nalaten der aangifte is strafbaar gesteld bij art. 47 § 4 j°.
art. 52.
b. 7. Hier zijn de Nederlandsche belastingplichtigen vermeld,
die bij art. 5 § 1 worden aangeslagen naar uitdeelingen en uit-
keeringen a) zonder aftrek van rente. Andere commanditaire
vennootschappen dan die op aandeelen zijn niet genoemd, want
is de commanditaire vennootschap niet op aandeelen, dan worden
-ocr page 109-
Hoofdstuk I. — Abt. 1.
99
de leden individueel belast naar de winst volgens de bepalingen
van de artt. 2, 3 en 4, onder aftrek dus ook van 4 °/o rente van
het kapitaal waarvoor de vennooten deelgerechtigd zijn in de
vennootschap, zooals dit ten overvloede nog in art. 3 § 5 is ge-
zegd. {b-d)
a)    Voor sociëteiten is echter bij art. 5, § 3, eene bijzondere bepa-
ling gemaakt.
b)    Van het denkbeeld, om de gewone commanditairen bij de bron
te treffen, werd afgezien. Aanleiding daartoe gaf de overweging, dat
heffing bij de bron hier niet altijd uitvoerbaar is. Dit is het geval,
wanneer de onderneming geheel eene buitenlandsehe is of indien zij
zoowel in het buitenland als in Nederland is gevestigd en de winsten
niet hier te lande ter verdeeling komen, wat — volgens den Minister —
blijkens verkregen inlichtingen, in zulke gevallen, veelvuldiger ge-
schiedt, dan aanvankelijk werd vermoed. Het zou tot verwarring aan-
leiding kunnen geven, indien de gewone commanditaire winsten niet
naar één systeem werden behandeld.
c)    De buitenlandsehe vennooten in Nederlandsche vennootschappen
en maatschappen zijn ingedeeld onder litt. e, waarbij te vergelijken
art. 6, § 2. Zie ook aant. 20 hierna.
d)    De commanditaire vennootschappen op aandeelen zijn niet met
name aangeduid in het Wetb. van Kooph. De geldschieters, bedoeld in
art. 19 van dat Wetboek, worden in dezen vorm vertegenwoordigd
door de houders der aandeelen. Na verwant aan de naamlooze ven-
nootschap onderscheidt zij zich daarvan, omdat er minstens één hoof-
delijk voor hot geheel aansprakelijke vennoot moet zijn. Koninklijke
bewilliging wordt niet vereischt en meerdere bepalingen, die voor de
naamlooze vennootschappen gelden, b. v. het verbod om eene vaste
rente te bedingen (art. 49 W. v. K.), zijn op haar niet van toepassing.
8.     Eene naamlooze vennootschap «niet in Nederland gevestigd"
maar die in Nederland eene succursale of zelfs een vasten ver-
tegenwoordiger — een agentschap — heeft, valt niet onder litt. b,
maar onder litt. g of h van dit artikel, a)
a) De hier te lande op te richten naamlooze vennootschappen ver-
eischen koninklijke bewilliging en daaruit mag men besluiten, dat zij
hier te lande gevestigd zijn. Zie art. 36 en volgg. van het Wetb. van
Kooph.
9.     Met betrekking tot de sociëteiten, begrepen onder de andere
vereenigingen, wordt in de Memorie van Toelichting het
volgende opgemerkt.
Eigenlijke bedrijven zijn zij niet, tenzij de uitoefening plaats
hebbe door personen voor eigen rekening of gewinshalve. Uit-
geoefend door eene vereeniging tot gezellig verkeer, welker winst
gewoonlijk tot gemak of genoegen der leden wordt aangewend en
in de exploitatie opgaat, schijnt eene sociëteit eer het onderwerp
eener verterings- dan eener bedrijfsbelasting. In eene personeele
belasting zijn echter sociëteiten niet op billijken, dat is voldoenden
voet te belasten. Bovendien is er niets tegen ze in de bedrijfs-
belasting gelijk te stellen met hen, die het bedrijf van sociëteit-
houder uitoefenen, waarvoor, de overeenkomst tusschen den een
en den ander nog daargelaten, te meer grond bestaat, wegens
het gevaar, dat sociëteit" en koffiehuishouders en tappers, om
zich aan betaling van bedrijfsbelasting te onttrekken, aan hunne
-ocr page 110-
Hoofdstuk I. — Art. 1.
100
inrichting, door verzonnen overeenkomsten, het karakter kunnen
geven eener sociëteitsvereeniging; een gevaar, dat — blijkens
hetgeen meermalen is aangewend, om bepalingen van politiever-
ordeningen, betreffende het sluitingsuur, te ontgaan — geenszins
te licht mag geteld worden.
10.    De begrafenisfondsen vallen of onder b óf onder c. Eene
afzonderlijke vermelding was om die reden niet noodig.
11.    De opneming van de onderlinge verzekeringmaatschappijen
onder de belastingsubjecten gaf de Commissie van Rapporteurs
aanleiding tot de vraag, wat te haren aanzien het belastingobject
zal zijn. Uit haren aard doen die maatschappijen geen winst-
uitkeeringen en voor zoover dit geschiedt zijn deze uitkeeringen
aan verzekerden zoowel bij art. 3 § lb als bij art. 5 § 16 — toen
nog ongewijzigd — van de heffing uitgezonderd. Met het oog
echter op een geval, dat zich heeft voorgedaan, achtte de Minister
de vermelding dezer maatschappijen volkomen onschadelijk en
soms van eenig nut. a)
a) Wij merken hierbij op, dat tengevolge van een aangenomen
amendement van Mr. Goeman Borgesius, bij art. 5, § lb, de winstuit-
keeringen door verzekeringmaatschappijen belastbaar zijn gesteld. Ook
buiten het geval, waarop de Minister zinspeelde, is dus thans de ver-
melding dezer maatschappijen noodzakelijk.
Verg. het aangeteekende op art. 5, § 1 en verder art. 286 en 308
van het Wetb. van Kooph.
12.    Voorde coöperatieve vereenigingen is derechtstoe-
stand geregeld bij de wet van 17 November 1876 (Stbl. n°. 227)
gewijzigd bij de wet van 7 Mei 1878 (Stbl. n°. 41) a).
Voor de andere vereenigingen geldt de wet van 22 April
1855 (Stbl. n°. 32) gewijzigd bij de wet van 14 September 1866
(Stbl. n°. 123) a), waarbij erkenning wordt gevorderd, om als
rechtspersoon te kunnen optreden, voor zoover zij niet bij de
grondwet of andere wetten zijn ingesteld b). Ten aanzien van
vereenigingen, welke bestonden vóór het in werking komen der
wet van 1855, raadplege men Boek III, titel X, van het Burg.
Wetb.
a)    Bij de invoeringswet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64), zijn de
straffen in de hierbedoelde wetten gewijzigd.
b)    De artt. 5, 14 en 15 der aangevulde wet van 1855 luiden:
Art. 5. Geene vereeniging, buiten die door de grondwet of andere
wetten ingesteld, treedt als rechtspersoon op, dan na of door eene wet
of door Ons te zijn erkend.
Alle voor onbepaalden tijd of voor langer dan dertig jaren aange-
gane vereenigingen, welke als rechtspersonen willen optreden, behoe-
ven eene erkenning door de wet.
Dergelijke vereenigingen, voor minder dan dertig jaren aangegaan,
kunnen door Ons worden erkend.
Art. 14. De bepalingen der voorafgaande artikelen zijn niet van toe-
passing op de burgerlijke maatschap of vennootschap, noch op ven-
nootschappen van koophandel, wederkeerige verzekerings- of waar-
borgmaatschappijen en scheepsreederijen.
De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van
Koophandel blijven op deze onderwerpen van toepassing.
Art. 15. Vereenigingen, welke vóór het in werking komen dezer
-ocr page 111-
Hoofdstuk I. — Abt. 1.                         101
wet bestonden, worden beoordeeld naar de wetten, waaronder zij zijn
opgericht.
13. De administratiën van inschrijving op de Grootboeken der
Nationale Schuld of van effectenbezit, de handelingen voor ge-
meene rekening, consortia en syndicaten waren in het eerste ont-
werp als zelfstandige belastingsubjecten opgenomen. In het tweede
ontwerp werden zij echter niet meer teruggevonden, daar in het
algemeen bij dit ontwerp was getracht, om het treffen bij de bron,
ter vermijding van complicatiën, tot een minimum te beperken.
De gemeenten en andere Staatsrechtelijke lichamen — met uit-
zondering van den Staat zelve — in het eerste ontwerp genoemd
en belastingplichtig naar 50 % der zuivere baten uit bedrijf
verkregen, komen eveneens in de wet niet meer voor.
Men vergelijke over een en ander de Inleiding bl. 19—23.
Litt. c. 14. Naar het oordeel der Commissie van Rapporteurs waren
de woorden: »die een bedrijf of beroep uitoefenen" overbodig,
daar uit art. 5 § 4 reeds blijkt, dat alleen de inkomsten van
stichtingen uit door haar uitgeoefende bedrijven of beroepen in
de belasting vallen, a)
De Minister hechtte echter aan het onveranderd behoud der
redactie, omdat juist stichtingen in den regel vrij zullen wezen,
hetgeen van de overige belastingsubjecten in art. 1 niet kan
worden gezegd. Verg. art. 8a.
a) In >Regt en Wet", Tijdschrift voor het notarisambt, deel 22, afl.
1 en 2, blz. 80—111, vindt men een artikel over stichtingen van de
hand van J. P. Sprenger van Eyk. Verg. ook de arresten van den
Hoogen Raad van 30 Juni 1882 en 18 Juni 1886 (W. v. h. R. nos. 4800
en 5311).
15. Voor reederijen vergelijke men Boek II, Titel II van het
Wetboek van Kooph.
Litt. d. 16. Eene redactiewijziging door den heer Roessingii voorge-
steld, n.1. om voor «het Rijk in andere werelddeelen" te lezen:
«het Rijk buiten Europa" nam de Minister niet over, omdat met
beide uitdrukkingen hetzelfde wordt gezegd en misverstand niet
mogelijk schijnt.
17.  De vraag, of de Nederlandsche Staatsambtenaren in landen,
waar geen persoonlijke lasten, maar slechts zakelijke en indirecte
belastingen worden geheven, zoowel hier als ginds in de lasten
zullen moeten mededragen, werd door den Minister in toestem-
menden zin beantwoord.
Men kan n.1. uit tweeërlei oorzaak in een ander land van per-
soonlijke lasten vrij zijn, of, omdat zoodanige belastingen daar
niet geheven worden, óf wel, omdat men van het betalen van die
belastingen is vrijgesteld. In beide gevallen is men onderworpen
aan de bedrijfsbelasting.
18.   Aan wien het Nederlandsch Staatsambt wordt opgedragen
is onverschillig, want de uitdrukking .van allen" omvat zoowel
Nederlanders als vreemdelingen. De redactie van art. 1 § 3 van
-ocr page 112-
102                        Hoofdstuk I. — Art. 1.
het eerste ontwerp, waarvan de aanhef luidde: «Het bekleeden
van Nederlandsche Staatsambten in den vreemde .. •." liet twijfel
omtrent de bedoeling over, doch bij de algemeenheid der tegen-
woordige redactie is die opgeheven.
Intusschen — als een Belg in Ostende als Nederlandsch consul
of consulair agent fungeert, zal hij alleen onder de toepassing
dezer wet vallen, indien hij in zijn eigen land aan geen per-
soonlijke lasten onderworpen is. En in de laatste veronderstel-
ling zal er voor den fiscus wel niet veel te vorderen zijn, daar
de consuls-empirici in den regel slechts eershalve het ambt be-
kleeden en in dien rang geen beduidende inkomsten genieten.
19. Gepensioneerden, die in het buitenland wonen, vallen buiten
de toepassing der wet. Voor zoover zij pensioen genieten uit de
Indische schatkist, zou twijfel kunnen rijzen omtrent de bevoegd-
heid van den Nederlandschen wetgever, om ten behoeve van de
Nederlandsche schatkist belasting te heffen. Betreft het gepen-
sionneerden uit de Nederlandsche schatkist, dan zou dit, daarge-
laten nog het geringe fiscale belang, kwalijk passen in het stelsel
der wet, dat in het algemeen slechts belasting vordert van hen,
die binnen het Rijk wonen. Men kan, weliswaar, belastingplichtig
zijn bij uitoefening van een bedrijf hier te lande zonder binnen
het Rijk te wonen, doch daarvoor pleiten billijkheidsgronden, even-
als voor het belasten van Nederlandsche Staatsambtenaren buiten
het Rijk, zonder dat deze daar aan persoonlijke lasten zijn onder-
worpen, a).
Maar als b.v. een Duitsch hoogleeraar, na eenigen tijd hier.
werkzaam te zijn geweest, met pensioen naar zijn land terugkeert,
dan ware het noch billijk noch met het stelsel der wet vereenig-
baar, om dit pensioen in aanslag te nemen.
a) Do beperking in litt. d «zonder daar aan persoonlijke lasten on-
derworpen te zijn" heeft blijkbaar ten doel dubbele belasting aan de
bedoelde ambtenaren te besparen. Verg. art. 8 c.
Litt. e. 20. Op de vraag, waarom in litt. b gesproken wordt van
„hier te lande gevestigde naamlooze vennootschappen" en te dezer
plaatse van «Nederlandsche vennootschappen" antwoordde de
Minister:
„Art 1 geeft eene opsomming van de belastingplichtigen. In
a-c worden de hier te lande gevestigden genoemd a); daartoe
behooren de naamlooze vennootschappen. Bij d gaat men over
tot buitenlanders, en nu vermeldt litt. e de buitenlandsche
vennooten in Nederlandsche vennootschappen, daar-
onder niet begrepen buitenlandsche aandeelhouders.
M. a. w.: hier worden belastingplichtig verklaard alle buitenslands
gevestigde associés. Opdat echter de algemeene uitdrukking
vennootschappen geen aanleiding zou kunnen geven tot het
misverstand, als zou het in de bedoeling liggen, om, nadat de
naamlooze vennootschappen volgens b zelve belastingplichtig
zijn verklaard, daarenboven hare buitenlandsche aandeelhouders
te belasten, zijn die buitenlandsche aandeelhouders hier nadruk-
kelijk uitgezonderd".
-ocr page 113-
Hoofdstuk I. — Abt. 1.
103
a) Dit moet worden beoordeeld naar de bepaling der laatste zinsnede
van dit artikel.
21.     Het woord «commanditair" is hier opzettelijk weggelaten,
om aan te duiden, dat de bepaling ook geldt voor andere ven-
nooten. Iemand kan zich — zooals de Minister opmerkte — in
het buitenland vestigen, zonder uit zijne in Nederland gevestigde
firma te treden.
22.     De bewoordingen .betrekking hebbende tot de uitoefening
van eenig bedrijf of beroep" zijn ontleend aan art. 1660 van het
Burg. Wetb. en aldus gekozen, opdat een buitenlander, die slechts
voor het verrichten van eene enkele handeling met een ingezetene
van Nederland een maatschap sluit, b. v. het aan de markt
brengen van eene leening, conto-meta zaken, a) enz. daardoor nog
niet belastingplichtig zou worden.
a) De conto-meta is eene gemeenschappelijke rekening, welke wordt
geopend, indien b.v. een buitenlander optreedt in eene handelstransactie
waarvan de winst of het verlies door elk der partijen gelijkelijk ge-
dragen moet worden.
Lltt. g. 23. Een amendement van den heer Hintzen, dat echter
verworpen werd, had de strekking om litt. g geheel te doen ver-
vallen. De voorsteller zag n. 1. niet in, waarom men behalve de
agenten nog buitendien de buitenlandsche maatschappijen zou be-
lasten. Daarbij wees de heer Plate er op, dat de deelneming
aan verzekeringen hier te lande niet alleen plaats heeft op de
wijze in litt. g omschreven, maar ook b. v. door het opzenden van
posten naar het buitenland door tusschenkomst van makelaars in
assurantiën hier te lande of in dezen vorm, dat overeenkomsten
worden aangegaan tusschen hier te lande gevestigde assurantie-
maatschappijen en elders gevestigde, waarbij de wederkeerige ri-
sico\'s voor een deel worden overgenomen. Bij zoovele vormen
slechts één te belasten, achtten deze afgevaardigden minder juist
gezien, a)
„Het geldt hier" — antwoordde de Minister — «geen verschil-
lende vormen, maar verschillende zaken. Bij litt. g heeft men te
doen met eene buitenlandsche verzekeringmaatschappij, die in
Nederland haar bedrijf uitoefent. Zij richt daartoe een agentschap
op, vestigt een prachtig bureau en doet hetzelfde als eene Neder-
landsche maatschappij. Zulk eene buitenlandsche maatschappij
behoort te vallen onder de Nederlandsche belastingwet." b)
a) Litt. g strekt niet om het overnemen van risico\'s terzake van
assurantiën hier te lande aan belasting te onderwerpen, maar wel het
verwerven van posten hier te lande door gemachtigden hier gevestigd;
zij, die hier posten zooken, worden belast, maar het overnemen van
risico\'s is onbelast. Wanneer een makelaar een post opzendt naar
eene buitenlandsche maatschappij, dan heeft de Nederlandsche schat-
kist geenerlei betrekking tot die zaak. Indien er hier contracten \\vor-
den gesloten, om wederkeerig als herverzekeraar op te treden, dan zal
de winst van de Nederlandsche maatschappij uit hare deelneming in
de verzekeringen der buitenlandsche maatschappij deel uitmaken van
haar inkomen en dus hier worden belast, evenals de winst op de in
•Nederland gesloten posten, voor zoover die door herverzekering uitge-
keerd worden aan buitenlandsche maatschappijen, aan de Nederland-
sche belastingen ontgaan. De hier gevestigde buitenlandsche agenturen
-ocr page 114-
Hoofdstuk I. — Art. 1.
104
vrij te stellen, zou de buitenlandsche maatschappijen in meer voor-
deelige conditiën brengen dan de Nederlandsche. Het verschil is zóó
klein, dat men niet kan zeggen, dat daardoor groote wijziging zou
kunnen gebracht worden in de verhoudingen, want volgens deze wet
wordt er slechts een matig bedrag geheven over 10 o/o van de premie.
Als echter een hoog bedrag geheven werd, dan zouden de buitenland-
sche maatschappijen zeker beter in staat worden gesteld risico\'s over
te nemen hier te lande, dan de binnenlandsche maatschappijen. Aldus
de heer Van Houten in antwoord aan den heer Plate.
b) De in het buitenland gevestigden, in deze littera bedoeld, kun-
nen zoowel physieke als rechtspersonen zijn. Zoo ook de gemachtigden,
die echter hier te lande moeten wonen of gevestigd zijn. Treedt eene
naamlooze vennootschap als gemachtigde op, dan zal hetgeen zij uit
dien hoofde ontvangt als winst bij de uitdeeling in aanslag komen vol-
gens art. 5 § 1. De buitenlandsche assurantiemaatschappij of assura-
deur wordt belast naar art. 6 § 4.
Litt. h. 24. „Hier wordt" — aldus de Memorie van Antwoord— .ge-
dacht aan velerlei personen: aan den fabrikant, koopman, arts,
herbergier, die even over de grenzen woont en hier te lande zijn
bedrijf of beroep geregeld uitoefent; aan den gemachtigde van
eene buitenlandsche onderneming"; aan den directeur van een bui-
tenlandsche circus of een buitenlandsche kapel, met zijn personeel
tijdelijk hier vertoevende. Dat het wenschelijk en rechtvaardig is
deze en dergelijke buitenslands gevestigden in de belasting te be-
trekken, schijnt niet twijfelachtig. Aan den aandrang op beperking
is echter voldaan. Zoo is nu voorgesteld (zie art. 6 § 5 in fine)
«het vervoeren van personen en goederen tusschen buitenlandsche
en Nederlandsche havens door of voor rekening van buitenslands
gevestigden" niet te beschouwen «als de uitoefening van een be-
drijf of beroep hier te lande" en evenmin .werkzaamheid van in
het buitenland gevestigd personeel op vervoermiddelen, die het
verkeer met het buitenland onderhouden". Voorts is door beper-
king der belastingplichtigheid van tijdelijk hier aanwezige buiten-
landers tot dezulken, van wie is aan te nemen, dat zij minstens
drie maanden achtereen hier te lande een bedrijf, enz. zullen uit-
oefenen of dit reeds hebben gedaan (a-c) te gemoet gekomen aan
gerezen bezwaren.........want, wie zal verlangen, dat de bui-
tenlandsche hoogleeraar, in consult geroepen, de buitenlandsche
zanger of virtuoos, gedurende de enkele dagen, die hij hier door-
brengt, met den fiscus in aanraking zal komen?"
a) Deze bepaling maakt de vrijstelling van het buitenlandsch per-
soneel op vervoermiddelen niet overbodig, omdat onder de daar bedoelde
personen velen voorkomen, die geregeld hier te lande in de uitoefening
van hun beroep verschijnen.
6) Eene buitenlandsche kapel b.v., die hier te lande gedurende bijna
drie maanden, zonder bepaalde overeenkomst voor langer tijdvak, con-
certen geeft, zal geen belasting betalen. Vreemde zangers en zangeres-
sen, die hier optreden en »met hunne verrukkelijke stemmen groote
sommen aan de beurzen der ingezetenen onttrekken", worden door den
fiscus ongemoeid gelaten, wanneer zij geen drie maanden hier verblijven.
Billijker tegenover landgenooten en meer bevorderlijk aan de heffing,
wenschte daarom de heer Bool den termijn van drie maanden in te
krimpen tot één maand. De Minister ging echter op dien wensch niet
in, omdat hij betwijfelde, of het doel zou worden bereikt. De bedoelde
personen toch blijven hier ook zelden één maand, tenzij zij een vast
-ocr page 115-
«
Hoofdstuk I. — Art. 1.                         105
engagement hebben gesloten, maar dan is hun verblijf gewoonlijk lang
genoeg, om hen onder de belasting te doen vallen.
c) De uitdrukkelijke vermelding van drie maanden schept de prae-
sumptio juris, dat alles, wat gedurende drie maanden of korter geschiedt,
per se niet onder h valt.
25.    De uitdrukking «geregeld een bedrijf uitoefenen" is met
voordacht gekozen, omdat juist bij eene scherpere definitie be-
lastingplichtigen aan de belasting zouden ontsnappen. Aan de pru-
dentie der Administratie moet worden overgelaten, om in ieder
geval naar omstandigheden uit te maken, of het bedrijf al dan
niet geregeld wordt uitgeoefend.
Intusschen wordt door het vrijgestelde bedrag van tarief A
(art. 9), dat op deze belastingplichtigen van toepassing is, eene
kleingeestige toepassing uitgesloten, die anders mogelijk zou kunnen
zijn en is het beroep op den rechter een waarborg voor de stipte
en eerlijke uitvoering der wet. a)
a) In het Voorl. Verslag der Eerste Kamer over het wetsontwerp
werd de vraag gedaan, hoe het zonder vexatoire maatregelen mogelijk
zal zijn, van de in het buitenland gevestigden aan te nemen, dat zij
een bedrijf, beroep, enz. geregeld zullen uitoefenen en dat wel gcdu-
rende minstens drie maanden? Dit voornemen — antwoordde men —
zal zijn op te maken uit advertentiën en andere uiterlijke kenteekenen
en in de Memorie van Antwoord merkte do Minister nog op, dat
vexatoire maatregelen van zelf zijn uitgesloten, want er moeten »gege-
vens" zijn.
26.  Buitenslands gevestigden, die, hetzij persoonlijk, hetzij door
eenen gemachtigde, hier te lande al of niet gevestigd, in het Rijk
een bedrijf uitoefenen, zijn belastingplichtig voor de winsten door
hen in dat bedrijf gemaakt, onverminderd de belastingplicht van
den gemachtigde uit eigen hoofde, zoo daartoe termen zijn. De
buitenlandsche firma dus, die hier te lande eene vaste inrichting
heeft; de buitenlandsche ijzerfabrikant, die hier eene brug bouwt,
ten behoeve waarvan een door hem herwaarts gezonden ingenieur
langer dan drie maanden achtereen werkzaam is; de buitenlandsche
handelaar, die eenen reiziger minstens drie maanden achtereen zijne
stoffen hier te lande doet rondventen, — zij allen betalen voor
de winsten door hen hier te lande gemaakt, onverminderd den
aanslag van den gemachtigde, bestuurder\' der inrichting (art. 1 a),
van den herwaarts gezonden ingenieur (art. 1 h), en van den
handelsreiziger (art. 1 k), voor de voordeden door dezen per-
soonlijk voor zich behaald.
Deze opvatting van litt. h, door de Commissie van Rapporteurs
in hare\' Nota bij het Verslag gegeven, gaf volgens den Minister,
de bedoeling met juistheid weer. (a-b).
o) In antwoord op de vragen, door den heer Van Beuningen gesteld,
gaf de Minister te kennen, dat een buitenlandsche suikerfabrikant, die
geregeld al dan niet door tusschenkomst van eenen agent suiker levert
aan Kederlandsche raffinadeurs niet geacht kan worden daarvoor be-
lastingplichtig te zijn. Het bedrijf van dien fabrikant is suiker pro-
duceeren en dat doet hij niet hier, maar elders. Zoo ook Krupp,
indien hij kanonnen levert aan het Nederlandsen gouvernement of rails,
wielbanden, enz. aan spoorwegmaatschappijen. Zijn bedrijf oefent.hij
te Essen uit, al verkoopt hij hier te lande het ginds geproduceerde.
-ocr page 116-
106
Hoofdstuk I. — Art. 1.
Neemt echter een buitenlander in Nederland het een of ander werk
aan, b.v. het maken van eene brug of iets dergelijks, dan komt hij daar-
voor in Nederland en oefent dus hier zoolang zijn bedrijf uit; daardoor
wordt hij belastingplichtig, althans zoo hij winst maakt. Woont men
in het buitenland en zendt men alleen zijne producten herwaarts, dan
oefent men zijn bedrijf niet hier te lande uit, maar verkoopt slechts
aan Nederlanders de zaken, die men door zijn bedrijf elders verkregen
heeft.
6) In het geval van litt. g moeten de gemachtigden en ook volgens
litt. i de tusschenpersonen hier te lande gevestigd zijn, bij deze litt. h
is dit evenwel geen voorwaarde.
27. Ten einde eene te ruime toepassing uit te sluiten en te doen
uitkomen, dat niet alles afhankelijk wordt gesteld van de aan-
wezigheid van gemachtigden, van tusschenpersonen, maar dat
meer noodig is b.v. eene depot, een filiaal, werd door den heer
Hintzen een amendement voorgesteld om de woorden „of door
gemachtigden" te vervangen door »of door gevestigde inrichtingen"
dat evenwel met 78 tegen 3 stemmen werd verworpen. In zijne
bestrijding van dit amendement wees de Minister er op, dat met
deze wijziging b.v. een buitenlandsche maatschappij, die geregeld
laat varen tusschen Arnhem en Rotterdam en daarvoor georga-
niseerd is, maar haar zetel te Keulen heeft, niet zou worden
getroffen, indien zij slechts zorgde geen vaste inrichting hier te
lande te hebben of enkel door een contract met eenen cargadoor
of expediteur de «inrichtingen" van een ander bezigde. En waar-
om hier de belastingplichtigheid afhankelijk moest worden gesteld
van het al dan niet voldoen aan hetgeen iets toevalligs, niet
essentieels is, was den Minister niet duidelijk, o).
a) !>Zoo is ook" —aldus de Voorzitter der commissie van Rapporteurs
— »wat litt. h betreft, het argument van den Minister volkomen af-
doende, dat, indien men daar de vermelding der personen wegneemt
en alleen dun belast, als er inrichtingen zijn, er geenerlei controle
mogelijk is, dat men het bedrijf niet uitoefent door tusschenkomende
personen. B.v. een buitenlander heeft hier een winkel en daarin
iemand, die de zaak voor hem waarneemt, dan kan natuurlijk die per-
soon, — dat is een quaestie van het contract, dat tusschen hem en
den buitenlander bestaat — alle inrichtingen op zijnen naam nemen
en tegen eene vaste som ter beschikking stellen van zijn constituent.
Dan ontsnapt de inrichting niet aan de belasting, zooals de zaak is
geregeld in h, wèl volgens het amendement. Ten aanzien van het
veelvuldig voorkomende geval, dat het winkelbedrijf hier te lande wordt
uitgeoefend voor rekening van buitenlanders, is de regeling volmaakt
billijk. Men ziet de winst, die daar gemaakt wordt. Indien wordt op-
gegeven door dengene te wiens name het bedrijf wordt uitgeoefend,
dat hij het doet als agent of depóthouder krachtens contract, dan wordt
hij voor zijn persoon bevrijd van den aanslag, (uit eigen hoofde blijft
hij natuurlijk als agent of depóthouder met zeker salaris belasting-
plichtig. lied.), maar gelijktijdig wordt de buitenlander getrolfen. In-
dien men het amendement van den heer Hintzen aanneemt, zal de
laatste vrij zijn ten nadeele van de gelijke concurrentie."
28. Voor de vrees, dat de zeer algemeene bepaling van net
ontwerp zou kunnen worden toegepast op hen, die regelmatig hier
te lande, ten behoeve van hun buitenslands uitgeoefend bedrijf
«inkoopen doen", bestaat volgens den Minister geen grond nu
art. 6 § 5 de buitenlanders, die hier te lande een bedrijf of beroep
-ocr page 117-
Hoofdstuk I. — Art. 1.
107
uitoefenen, belastingplichtig maakt naar hunne „hier te lande
verkregen winsten en belooningen", of „naar het zuiver bedrag
hunner vermoedelijke winsten en belooningen hier te lande", of
eindelijk, wanneer zij hier te lande eene bezoldigde betrekking
bekleeden, naar «het bedrag hunner bezoldiging."
Door in Nederland inkoopen te doen ten behoeve van een bui-
tenslands uitgeoefend bedrijf, verkrijgt men hier te lande geen
winsten. De winsten worden verkregen bij den verkoop en die
geschiedt elders, a)
a) Een buitenlandsch handelaar, die regelmatig onze markten be-
zoekt enkel voor het opkoopen van vee, wordt dus ongemoeid gelaten.
29. In het Voorl. Verslag werd de vraag gesteld, of men vaste
agenturen van Duitsche firma\'s desgevorderd hooger zal aanslaan
dan art. 24 van het handelstractaat met het Tolverbond gedoogt
— zie de aant. op art. 10 —, en zoo ja, of dan niet een zeer
irrationeele toestand zou worden geboren, daar de aanslag nu
verschillend zal zijn, naarmate men een reizend of niet-reizend
vertegenwoordiger treft?
De Minister achtte hier echter een misverstand aanwezig en
merkte op, dat een Duitsch fabrikant, die zich hier te lande be-
stellingen laat geven, niet geacht zal worden hier te lande een
bedrijf uit te oefenen. Zijn bedrijf is fabriceeren en dat doet hij
in Duitschland; de vertegenwoordiger zelf zal onder de belasting
vallen. Is deze een buitenlandsche reiziger, dan valt hij onder
het voor dezen bepaalde tarief; is hij in Nederland woonachtig,
dan behoort hij tot de gewone belastingplichtigen, bedoeld bij
art. 1 a. De belasting voor buitenlandsche handelsreizigers is
geen belasting van buitenlandsche firma\'s, die hier te lande door
vertegenwoordigers handelen, maar eenvoudig eene belasting van
personen, die hier te lande zelve een bedrijf uitoefenen, t. w.
het bedrijf van handelsreiziger. Aan die belasting stelt art. 24
van het bedoelde tractaat een grens, welke bij het tarief (art. 9)
is in acht genomen, a)
o) In hare nota, behoorende bij het verslag, kwam de Commissie
van Rapporteurs op de vraag in het Voorl. Verslag terug. iA.1 gaat het
voorstel der Regeering uit" — zoo schreef zij — »van het denkbeeld, dat
art. 24 van het bedoelde handelstractaat alleen slaat op den handels-
reiziger als zoodanig, hetgeen de bedoeling wel schijnt te zijn, toch
vereischt dit punt nog eene opzettelijke bespreking." En in antwoord
hierop gaf de Minister eene nadere verklaring in de volgende bewoor-
dingen:
»De vraag, of dit artikel — n.1. art. 24, 3e lid, van het handelstrac-
taat — veroorlooft den buitenlander, die in het geval van het tractaat
verkeert, hooger aan te slaan dan teft het in gemeld artikel genoemd
maximum moet waarschijnlijk aldus worden opgevat, of zoo iemand,
indien hij bovendien hier te lande een winkel of een magazijn heeft,
voor dit laatste afzonderlijk kan worden belast. Zonder twijfel kan
dit geschieden. Art. 24 van het tractaat verzet zich daartegen in
geenen deele."
Lltt. i. 30. Deze bepaling, heeft ten doel om het bedrijf te belasten
van buitenlandsche ondernemingen — men denke b\'. v. aan con-
fectie-magazijnen als de Louvre, de Printemps en de Bon Marché
-ocr page 118-
Hoofdstuk I. — Abt. 1.
te Parijs — die er hun werk van maken, kleedingstukken, stoffen
en dergelijke voorwerpen van dagelijksch gebruik aan particulieren
hier te lande te zenden en aldus onzen nijveren eene scherpe
concurrentie aandoen. Het is toch een bekend feit, dat de ver-
zendingen door de groote buitenlandsche maatschappijen aan par-
ticulieren steeds toenemen, terwijl door de winkeliers, die in de
door die ondernemingen geleverde goederen handelen, steeds ge-
klaagd wordt, dat velen dezer in het geheel geen belasting be-
talen. De omzet van sommige dier huizen mag gesteld worden
op ƒ 200000 a ƒ 300000 \'s jaars en de billijkheid vordert, een
dergelijk debiet te belasten. Dit te doen verraadt geen protec-
tionistische neigingen, noch mag bescherming heeten tegen buiten-
landsche mededingers, maar slechts gelijkstelling van beiden. „Zal
men evenwel weten" — aldus het Voorl. Verslag — „wat en hoeveel
die magazijnen hier te lande leveren, waar zij veelal hunne goe-
deren langs verschillende wegen aan de afnemers hier te lande
verzenden en aan de kantoren van inklaring wel de namen der
geadresseerden, maar niet die der afzenders bekend zijn ? Zullen
de moeielijkheden der uitvoering te overwinnen zijn bij de velerlei
middelen, welke zullen worden aangewend om de belasting te
ontduiken ?"
Tegenover die bedenkingen wees de Minister op de praktijk.
De hier bedoelde zaken worden meestal gedreven op dezen voet,
dat het magazijn de goederen zendt aan eenen expediteur of anderen
vasten a) tusschenpersoon hier te lande, die dan de invoerrechten
betaalt, veelal ook de adressen, voorzien van den naam van het
magazijn, op de pakjes doet plaatsen en voor de verzending per
postpakket b) of op andere wijze zorg draagt. Dit schijnt in den
regel de goedkoopste methode te zijn, zooals zich trouwens ge-
makkelijk laat begrijpen en het is niet zeer waarschijnlijk, dat
men, om eene luttele belasting te ontgaan, daarin verandering zal
brengen. De ambtenaren der douane kunnen zich dus vrij wel
op de hoogte stellen van de totale waarde der goederen, die een
buitenlandsch magazijn in Nederland plaatst. Intusschen erkende
de Minister, dat, indien de toezendingen zonder vaste tusschen-
personen geschieden, de belasting moeielijk zal te verhalen zijn.
Daarom is dan ook geen bezwaar gevonden het criterium van
belastbaarheid in het gebruik maken van de diensten dezer tus-
schenpersonen te zoeken en is het eerste ontwerp in dien zin
gewijzigd. Uit een principieel oogpunt is het voorgestelde nu
nog beter te verdedigen. Hebben buitenlandsche magazijnen hier
te lande tusschenpersonen, dan oefenen zij door bemiddeling dezer
personen hun winkelbedrijf hier uit en zijn zij dus naar billijkheid
belastingplichtig, c)
a)    De Minister spreekt hier van een vasten tusschenpersoon, omdat
dit in den regel het geval is, doch in de wet is dit niet tot voorwaarde
gesteld. De hier bedoelde tusschenpersonen zijn van de gemachtigden,
bedoeld onder litt. h, gemakkelijk te onderscheiden, omdat zij enkel
optreden bij de toezending der goederen.
b)    Geschiedt de toezending der goederen door het buitenlandsch
magazijn rechtstreeks per postpakket, of wordt de order uitgevoerd
doorde spoorwegmaatschappij zonder tusschenkomst van eenen expediteur,
-ocr page 119-
Hoofdstuk I. — Art. 1.                           109
dan vallen de bedoelde zendingen buiten de belastingwet. Wij meenen
zelfs, dat, indien een expediteur zich uitsluitend bepaalt tot het decla-
reeren der geadresseerde zendingen, en slechts de betaalde rechten met
vracht en onkosten van de geadresseerden invordert, deze handelingen
hem niet stempelen tot den door de wet bedoelden tusschenpersoon.
c) Treden voor de ondernemingen meerdere tusschenpersonen hier
te lande op, dan kan de aanslag, naargelang van ieders aandeel in
den gezamenlijken omzet, worden verdeeld. Verg. art. 7 § 4.
Overigens houde men in het oog, dat de wet van tusschenpersonen
spreekt, die voor den afzender optreden. Doet men dus eene bestelling
voor particulieren hier te lande, dan treedt men niet voor den afzender
op, hetgeen niet wegneemt, dat de gevallen kunnen samengaan.
31.     Wanneer van ^herhaaldelijk" toezenden zal kunnen worden
gesproken en hoe men zal uitmaken, of iemand in de toegezonden
artikelen handel drijft, zijn vragen, die in de praktijk naar het
den Minister voorkwam, geen moeielijkheden zullen baren. De
Administratie zal, bij de toepassing dezer bepaling, met de om-
standigheden te rade gaan. a)
o) Om belastingplichtig te zijn volgens deze littera moet niet alleen
de toezending geschieden herliaaldelijk, maar ook aan de consumenten,
door hier te lande gevestigde tusschenpersonen en de goederen zijn van
de soort als de wet bedoelt. Vier voorwaarden dus, die moeten samengaan.
32.     In het Voorl. Verslag werd de hier vermelde opsomming
niet volledig genoemd, terwijl de term »en andere dergelijke ar-
tikelen", bestemd om die onvolledigheid te dekken, in eene wet
minder geëigend scheen. De Minister verklaarde echter, dat de
uitdrukking niet gemist kon worden en vertrouwde, dat men zich
daarbij zou kunnen neerleggen, nu de beperking betreffende de
tusschenpersonen in de bepaling was opgenomen, a)
a) In litt. i is opzettelijk veel gespecificeerd, om daarmede te kennen
te geven, dat winkelgoederen worden bedoeld, voor particulieren bestemd.
Er kan dus geen sprake zijn, de winsten te belasten op leverantiën
van steenkolen, cokes, drijfriemen, enz. aan Nederlandsche fabrieken,
evenmin als gezegd kan worden, dat spoorweg" en oorlogsmaterieel ob-
jecten van winkelbedrijf zijn.
33.     De vraag, of de verkoop van genees- en geheime middelen
in de belasting zal vallen, beantwoordde de Minister met de op-
merking, dat deze hier te lande plegen verkocht te worden.
Om boeken en couranten te rangschikken onder «genotmiddelen",
zooals dit in het Voorl. Verslag mogelijk werd geacht, zou al te
dwaas zijn. Dit neemt intusschen niet weg, dat naar onze mee-
ning, zoowel genees- en geheime middelen als boeken en couranten,
bij verkoop op de wijze als litt. i veronderstelt, kunnen worden
begrepen onder de uitdrukking »en dergelijke artikelen".
34.    Een particulier, die, zonder eenig voordeel voor zich zelf
te behalen, geregeld als tusschenpersoon fungeert voor een bui-
tenlandsch magazijn, moet als belastingplichtig worden beschouwd.
Volgens art. 7 § 4, kan hij echter de belasting op den afzender
verhalen, wat hem, indien hij zich ook met de inning van het
geld belast, niet zwaar zal vallen.
-ocr page 120-
110
Hoofdstuk I. — Art. 1.
35. Waar de aanslag afhankelijk moet worden gesteld van de
vraag, of\' er in werkelijkheid hier te lande een bedrijf wordt
uitgeoefend, ongeacht of dit groot- dan wel kleinhandel betreft,
is het in de eerste plaats noodig, dat de belastingwet behoorlijke
regelen stelt en de grenzen zoodanig afbakent, dat een ieder kan
begrijpen, welke personen binnen de wet en welke daarbuiten
vallen. Nu echter het internationaal verkeer zoo is uitgebreid,
de internationale handelsverhoudingen zoo zijn gewijzigd, dat tus-
schen koopers en verkoopers, tusschen fabrikanten en afnemers,
tusschen vervoerders en ontvangers, bij vroeger vergeleken, geheel
andere verhoudingen zijn ontstaan en de afstand tusschen produ-
cent en consument zoo is verkort, valt het moeielijk te beoordeelen,
waar en hoe iemand zijn bedrijf uitoefent. Of en in hoeverre
den ingezetenen concurrentie wordt aangedaan, mag in deze geen
leiddraad zijn. Indien men het gevaar van concurrentie op den
voorgrond schuift, kan het niet anders, of behoefte aan bescher-
ming komt er naast te staan. Juist ter wille van het beginsel
van vrijhandel, dat de heer Hintzen hierbij ook betrokken zag,
stelde deze afgevaardigde een amendement voor, om litt. i geheel
te doen vervallen, daarbij wijzende op de moeielijkheid, om bij
de uitvoering het voorschrift in billijkheid en rechtvaardigheid
toe te passen.
«Het geldt hier" — antwoordde de Minister— «eene grensquaestie.
Wanneer de grenzen niet van zelf zijn aangewezen, dus getrokken
moeten worden, is altijd een zekere willekeur onvermijdelijk. Twee
dingen zijn hier evident. Ten eerste, dat wie in Nederland een
bedrijf uitoefent, hier wonend of niet, onderworpen moet worden
aan de belasting. En in de tweede plaats is volkomen evident,
dat een buitenlandsch groothandelaar, die geregeld graan levert
aan meelfabrieken, een buitenlandsch beetwortelsuikerfabrikant,
die grondstoffen levert aan onze raffinaderijen, wegens de daaruit
verkregen winsten niet belastingschuldig moet zijn. Wij hebben
hier dus een evident geval van belastingplichtigheid en een evident
geval van niet-belastingplichtigheid. Tusschen die beide punten
moet de grens worden bepaald. Waar moet zij vallen ? Ik meen,
dat zoo\'dra men hier te lande, hetzij persoonlijk, hetzij door een
gemachtigde of tusschenpersoon het winkelbedrijf, den verkoop
en détail uitoefent, men belastingplichtig moet zijn. De winst,
die de fiscus treft, moet niet zijn de winst, behaald op het ver-
plaatsen van goederen herwaarts, maar, evenals bij de coöperatieve
vereenigingen, hel waardeverschil tusschen prjjzen en gros en
en- détail in Nederland zelf. Ziedaar het algemeen beginsel,
dat ik heb toegepast. Is het verkeerd gekozen? Had ik de
grenslijn elders moeten trekken ? Ik geloof het niet, want men
treft nu alleen een waardeverschil, dus een bron van winst, in
Nederland zelf ontstaan".
De meerderheid der Kamer was hier aan \'s Ministers zijde en
verwierp het amendement met 76 tegen 5 stemmen.
Litt. k. 36. De buitenlandsche handelsreizigers zijn hier afzonderlijk
vermeld, omdat zij meermalen niet onder h vallen en toch in deze
belasting betrokken moeten worden, a)
-ocr page 121-
Hoofdstuk I. — Art. 1.                         111
a) Ook de in het buitenland gevestigden, die voor eigen zaken
hier te lande rondreizen, zijn volgens litt. k belastingplichtig, ongeacht,
in daartoe leidende gevallen, van de belastingplichtigheid uit ande-
ren hoofde.
De wet spreekt van rondreizen, om bestellingen op te nemen met
of zonder vertoon van stalen en monsters. Het eigenlijke rondventen
met de goederen langs de huizen of op kermissen en markten, het op
publieke plaatsen in veiling brengen van goederen, b.v. van manufac-
turen, kleedingstukken, enz., valt dus buiten deze bepaling. Alleen
dan, wanneer dit geregeld of minstens drie maanden geschiedt, zou
litt. h van toepassing worden.
Laatste
zinsn. 37. Deze zinsnede is gelijkluidend met art. 1, laatste lid,
der wet op de vermogensbelasting. Waar iemand binnenslands
woont, beslist de Minister van Financiën (art. 17, laatste lid), doch
zoolang geene opcenten worden geheven, (art. 54) is de vraag
slechts van administratief belang.
De vraag, echter of iemand binnen het Rijk woont, is van meer
gewicht en kan beslissen over den belastingplicht. Aan wien die
beslissing is opgedragen, zegt de wet niet, maar juist daaruit volgt,
dat zij aan den rechter is verbleven. Wordt iemand dus aange-
slagen, die niet belastingplichtig meent te zijn, dan kan hij wegens
de beweerde onwettigheid van den aanslag in verzet komen op
grond van art. 15 der wet op de invordering van 22 Mei 1845
(Stbl. n°. 22), zooals dit werd aangevuld bij art. 58 der hier be-
handelde wet. Intusschen kan hij ook een anderen weg inslaan.
Hij kan n.1. het ontvangen beschrijvingsbiljet invullen en daarbij
tevens vermelden, op welke gronden zijne niet-belastingplichtigheid
steunt. Vereenigt de commissie van aanslag, of, bij verschil van
gevoelen de Prov. Inspecteur, zich daarmede, dan zal de aangifte
ter zijde worden gelegd (art. 21 § 3) en wordt aan het geval de
meest eenvoudige oplossing gegeven. Doet de belanghebbende dit
niet en wordt hij aangeslagen, dan volgt de zaak haar gewonen
loop n.1. verzet tegen het dwangbevel. Voorziet hij evenwel de
mogelijkheid, bij den rechter in het ongelijk te worden gesteld en
acht hij in elk geval den aanslag te hoog, dan zal het tevens
zaak zijn, omtrent dit punt op de gewone wijze te reclameeren, zoo
noodig in laatste instantie bij den Raad van beroep, hetgeen na-
tuurlijk de rechterlijke uitspraak niet prejudiciëert.
38. Het begrip van domicilie, zooals dit in het Burg. Wetb.
is omschreven, is niet in de wet gebracht en het wonen als een
feitelijk, niet als een rechtsbegrip genomen. Zooals de ervaring
in de praktijk der wet op het recht van successie leert, zeide de
Minister bij de behandeling der wet op de vermogensbelasting, is
ter bepaling van iemands .domicilie" dikwijls een moeilijk en
langdurig onderzoek noodig, waarbij niet zelden de hulp van de
diplomatie moet worden ingeroepen, om de noodige inlichtingen
uit het buitenland te verkrijgen. De kennis der feiten, waaruit
moet worden afgeleid, of iemand voornemens was, elders zijn
hoof dverblijf te vestigen, wordt soms eerst na veel inspanning
verkregen en meermalen blijkt dan, dat iemand zijn domicilie heeft
behouden op eene plaats, die hij reeds jaren geleden verliet en
-ocr page 122-
112                    Hoofdstuk I. — Artt. 1—2.
waarmede hij feitelijk sedert lang niet meer verbonden was. De
bepalingen van het Burg. Wetb. omtrent het domicilie kunnen
daarom bij deze wet niet tot richtsnoer worden genomen.
De belastingplicht is dus af hankelijk gesteld van het feit van wo-
nen. Het ligt voor de hand, dat dit bewezen kan worden door ver-
schillende omstandigheden, die echter bezwaarlijk in eene wet zijn op
te sommen. Onder die omstandigheden behooren natuurlijk eveneens
de verklaringen in het Burg. Wetb. bedoeld, maar ook hier, evenals
in art. 244 der gemeentewet, houden die verklaringen op e enige
leiddraad te zijn, want voor de toepassing der belastingwet is niets
anders bedoeld, dan dat men den rechter of het administratief gezag
vrijlaat in de appreciatie van alle omstandigheden ter zake.
Daar het feitelijk wonen wordt bepaald door het gewoon
v e r b 1 ij f, staat het bovendien vast, dat tijdelijk verblijf buiten
het Rijk niet van den belastingplicht ontslaat.
Zoo ook kan men tijdelijk in Nederland wonen, hetgeen b.v.
ten opzichte van buitenlanders meermalen voorkomt, die, zonder
eenig vast verblijf buiten Nederland, hier te lande vertoeven. In
dit geval zouden die personen, bij uitoefening van een bedrijf of
beroep, belastingplichtig zijn naar litt. a en niet naar litt. h, dat
enkel ziet op de in het buitenland gevestigden, dus op
hen, die daar eene woning, een gezin, een verblijf hebben en tegen-
over wier aanwezigheid hier te lande het denkbeeld staat van
tijdelijke afwezigheid elders.
Verg. de beslissingen aanget. op art. 17.
Art. 2. § 1. Zij, die binnen het Rijk wonen of zich in den
loop van het belastingjaar binnen het Rijk vestigen, zijn be-
lastingplichtig naar de som hunner jaarlijksche inkomsten,
voor zoover bestaande:
a.    uit winsten en belooningen;
b.    uit wachtgelden en pensioenen, lijfrenten en andere ver-
schuldigde periodieke uitkeeringen, niet bedoeld in artikel 3,
derde lid, der wet van 27 September 1892 (Staatsblad n°. 223),
verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting
en andere zaken, en verschuldigde of onverschuldigde toelagen
van buitenslands gevestigden, niet belastingplichtig ingevolge
artikel ld.
Onder de som der jaarlijksche inkomsten wordt verstaan
het zuiver bedrag daarvan, na aftrek der geleden verliezen, een
en ander opgevat en berekend naar de bepalingen dezer wet..
§ 2. Voor hen die niet in de vermogensbelasting zijn aan-
geslagen, omdat hun vermogen geacht wordt minder te zijn
dan ƒ13 000, wordt de in § 1 bedoelde som verhoogd met
;" f 40 van elke f 1000, waaruit hun vermogen, opgevat en
berekend naar de bepalingen der wet van 27 September 1892
(Staatsblad n°. 223), bestaat.
-ocr page 123-
113
Hoofdstuk I. — Abt. 2.
Daarentegen wordt die som voor hen verlaagd met het vol-
gende, voor zooverre het niet reeds bij de toepassing van het
vorig lid in aanmerking werd genomen:
a.    het jaarlijksch bedrag der verschuldigde lijfrenten, pen-
sioenen, gevestigde of altijddurende renten;
b.    het jaarlij ksch bedrag der uitgaven van den belasting-
plichtige voor verschuldigde verstrekkingen van levensonder-
houd, huisvesting of andere zaken; de uitgaven bedoeld bij
art. 3 § 3, daaronder niet begrepen.
Is het bedrag van dit een en ander afwisselend, dan wordt
daarvoor het gemiddelde per jaar over de drie laatste belas-
tingjaren gerekend, of indien de schuld nog geen drie jaren
bestaat, het gemiddelde per jaar over den tijd van haar bestaan.
§ 3. Indien bij het begin van het vorig belastingjaar de
waarde van het vermogen tegenover het bedrag der schulden
een tekort aanwees, of wel de belastingplichtige op dat tijdstip
geen vermogen doch wel schulden had, wordt de in § 1 be-
doelde som verlaagd met het bedrag waarmede het totaal
zijner schulden op het eind van dat jaar verminderd is; voor
zooverre de belastingplichtige die vermindering op geen andere
wijze heeft kunnen bewerkstelligen dan uit bespaarde inkomsten.
§ 4. Doet gelijk geval zich voor bij het begin van het be-
lastingjaar, dan wordt de in § 1 bedoelde som verminderd met
de in dat jaar te betalen rente van schulden, die niet door
vermogen zijn gedekt.
Bij toepassing van deze en de vorige paragraaf wordt het
vermogen opgevat en, berekend naar de bepalingen der wet van
27 September 1892 (Staatsblad n°. 223) artt. 2, 3, 4, 6 en 7.
§ 5. De binnen het Rijk wonende man is, behoudens ver-
haal, uit eigen hoofde belastingplichtig voor het inkomen naar
deze wet van zijne vrouw, tenzij in de gevallen van scheiding
van tafel en bed, van scheiding van goederen en in het geval
dat dé vrouw, krachtens art. 195 van het Burgerlijk "Wetboek,
zich het beheer van hare roerende en onroerende goederen en
het vrije genot van hare inkomsten heeft bedongen; in welke
gevallen de vrouw zelve belastingplichtig is.
Niettemin wordt in de twee laatste gevallen bij de bereke-
ning van de verschuldigde belasting geene splitsing van de
inkomsten van man en vrouw toegelaten maar de uitkomst
8
-ocr page 124-
114
Hoofdstuk I. — Art. 2.
der berekening in evenredigheid tot het bedrag van ieders
inkomen over beide omgeslagen.
§ I. Aan-
hef.
I. Door den heer Vrolik werd een amendement voorgesteld,
om zoowel in den eersten als in den tweeden zin in de plaats
van „jaarlijksche" te lezen: ,in den loop van het belastingjaar
in rekening komende." Daarmede wilde hij voorkomen, dat de
verdiensten over een gedeelte van het jaar zouden worden her-
leid tot die over 12 maanden, om, nadat de aanslag volgens de
tarieven onder art. 9 zou zijn bepaald, eerst dan eene reduc-
tie toe te passen in verhouding van den tijd, dat er belas-
tingplichtigheid bestond tot het geheele jaar. „Dus" — ripos-
teerde de heer van Houten — »wanneer iemand mij als advocaat
ƒ1,80 voor een advies van 5 minuten ter hand stelt, zoude ik
moeten zeggen: Ik heb voor 5 minuten een jaarlijksch inkomen ge-
noten van ruim ƒ 60000!" Zulk een begrip van jaarlijksch inko-
men kon alleen bestaan in de voorstelling van den Heer Vbolik.
Bedoeld wordt natuurlijk niet het inkomen over een jaar bere-
kend, maar het inkomen, dat in den loop van een jaar is geno-
ten en met jaarlijksche inkomsten duidt men hetzelfde aan als
het amendement omschrijft. Overigens wees de heer van Houten
er op, dat voor de interpretatie van het begrip van jaarlijksch
inkomen eene verwijzing wordt gevonden in het laatste lid dezer
§ en welke wetsbepaling den voorsteller van het amendement aan-
leiding gaf tot de zeldzame opvatting bleek niet. Alleen in art.
11 § 3a bestaat wellicht de mogelijkheid van misverstand, omdat
men daar tot het jaar teruggebrachte inkomsten kan denken, in-
dien men vergeet, dat het tweede gedeelte van § 2 van dat arti-
kel uitsluitend betrekking heeft op hen, die bij den aanvang van
het belastingjaar niet belastingplichtig waren. De heer Vkolik
bleek ten slotte nog verstandig genoeg, om zijn amendement in
te trekken.
§ I a. 2. Een ander amendement van den Heer Vkolik om litt. a te
lezen: ,uit het zuiver bedrag van winsten en belooningen"
werd door den voorsteller eveneens ingetrokken. De bedoeling
was, om meer duidelijk het eigenlijke belastingobject voorop te
stellen, maar de voorsteller vergat, zooals de heer Mees op-
merkte, dat in de laatste alinea reeds hetzelfde stond uitgedrukt,
als hetgeen hij in litt. a wilde doen opnemen. „Bovendien" —
voegde de heer van Houten hieraan toe — „is die opneming
hier niet ter plaatse, want het eerste gedeelte dezer § strekt uit-
sluitend, om aan te wijzen den algemeenen aard. der inkomsten,
welke aan deze belasting zijn onderworpen, en niet de wijze van
berekening. Deze wet belast de winsten en belooningen (litt. a)
en de pensioenen, wachtgelden, enz. (litt. è). De geheele quaestie
van de berekening van het belastbaar bedrag valt buiten den
gedachtengang van dit artikel. Men heeft alleen aan te wijzen,
welke de soort is van de inkomsten, die men treft, en dat men
niet wil treffen inkomsten uit renten uit onroerend goed, uit
periodieke uitkeeringen uit onroerend goed, enz., die in de ver-
-ocr page 125-
Hoofdstuk I. — Art. 2.                         115
mogensbelasting zijn betrokken. In het tweede lid wordt gezegd,
dat onder de winsten en belooningen is te verstaan, de som .der
jaarlijksche inkomsten berekend volgens deze wet. En hoe men
dat moet berekenen, vindt men in de volgende artikelen."
3. De uitkeering aan eenen predikaDt van de opbrengst der ver-
paehting van kerkelijke landerijen, voor dat doel bestemd (de z. g.
pastoriegoederen), is een vorm van belooning, die onder de
bedrijfsbelasting zal vallen, berekend als wisselvalllige inkomsten
naar art. 4 § 3.
Ib. 4. De uitdrukking .periodieke uitkeeringen krachtens huwelijks-
contract", zooals die nog voorkwam onder litt. b van het gewijzigd
ontwerp, werd bij nadere nota veranderd in de tegenwoordige
redactie »en andere verschuldigde periodieke uitkeeringen niet
bedoeld in art. 3, derde lid, der wet van 27 September 1892
(Staatsblad n°. 223)". Het scheen den Minister wenschelijk deze
ruimere uitdrukking te bezigen, opdat ook b.v. uitkeeringen, be-
doeld bij art. 280 van het Burg. Wetb. a) daaronder zouden vallen.
a) Dit art. luidt:
slndien de echtgenoot, op wiens verzoek de echtscheiding is uitgo-
sproken, geene genoegzame inkomsten heeft tot zijn levensonderhoud,
zal de rechtbank hem uit de goederen van den anderen echtgenoot
eene uitkeering tot onderhoud mogen toeleggen".
5.     Hetgeen volgens art. 8, 2°., der wet op de vermogensbelas-
ting wordt afgetrokken, komt hier in aanslag, met uitzondering
van de gevestigde of altijddurende renten, die, onder
het vermogen begrepen, bij Kdeze wet alleen worden getroffen, voor
zoover het eene berekening betreft als bedoeld in § 2 van dit
artikel.
6.     Onder pensioenen vallen zoowel Indische als buitenlandsche
en door wie zij verleend worden is onverschillig. Toelagen van
buitenlandsche Regeeringen zijn evenmin uitgezonderd. Alleen voor
toelagen van buitenslands gevestigden, belastingplichtig ingevolge
art. ld, is eene uitzondering gemaakt. „Het gaat niet aan" —
zei de de Minister — «tegelijk een inkomen te treffen en een toe-
lage, die in den regel uit dat inkomen zal ontsproten zijn." a)
a) Verg. aant. 19 op art. 1.
7.    Het woord verschuldigde moet worden opgevat in de be-
teekenis eener wettelijke verplichting uit overeenkomst, uiterste
wilsbeschikking of krachtens de wet. Geeft men b. v. aan zijne
gehuwde kinderen vrijwillig eene jaarlijksche som, dan zijn deze
daarvoor niet belast, maar evenmin kan dat bedrag in mindering
komen van de inkomsten der ouders (verg. § 26 van dit artikel).
Had men zich evenwel tot die uitkeering, ofschoon geheel vrij-
willig, bij notariëele akte verbonden, dan zou het bedrag daarvan
bij de kinderen in aanslag komen, doch omgekeerd de ouders
weer het bedrag kunnen aftrekken. Kosten van onderhoud en
opvoeding van kinderen behoorende tot het gezin worden niet als
verschuldigde verstrekkingen beschouwd. Zy worden dus niet
-ocr page 126-
116
Hoofdstuk I. — Akt. 2.
afgetrokken bij de berekening der inkomsten. Verg. hierbij art.
3, § 3, met aantt. en aant. 11 hierna.
§ I. Iaat-
ste lid. 8. In het oorspronkelijk ontwerp kwam geen bepaling voor, dat
men, bij uitoefening van verschillende bedrijven, verliezen, ge-
leden in het eene bedrijf, kon compenseeren tegen winsten, ge-
maakt uit een ander.
Thans is in § 1, laatste lid, met de woorden „na aftrek van
geleden verliezen", duidelijk aangegeven, dat zulks geoorloofd is a).
Intusschen merkte de heer Van Karnebeek op, dat, wat be-
treft den landbouw en de steengroeven (verg. art. 3 § 7) der-
gelijke compensatie van verlies toch niet mag plaats hebben en
evenmin, wat betreft de verliezen geleden door deelneming in
naamlooze vennootschappen, enz., bedoeld in art. 3, litt. a, tegen
winsten uit anderen hoofde. Deze opvatting werd door den
Minister bevestigd.
a) Dit volgt ook uit de uitdrukking in art. 3 § 1: »de som van al
hetgeen.............genoten wordt". Een som wordt verkregen door
optelling, en bij die optelling neutraliseeren een plus en een minus
elkander. Stel dus iemand, die een fabriek drijft (eigen bedrijfskapitaal
f 20000) en tevens grossier is (eigen bedrijfskapitaal f 15000). Indien nu
in de eerste zaak f 1000 verlies is geleden, doch met de tweede ƒ3000
is besomd, dan zal het saldo f 2000 zijn. Dit bedrag behoeft hij ech-
ter niet aan te geven, want volgens art. 3 § 2 a mag hij 4 o/o van f 35000,
waarvoor hij in de vermogensbelasting wordt getroffen, aftrekken en bij-
gevolg zal hij in de bedrijfsbelasting betalen naar f 2000 — f 1400 = f 600.
§ 2. 9. Door den heer Dobbelmann werd een amendement voorge-
steld om § 2 geheel te doen vervallen, op grond, dat bij art. 10
der wet op de vermogensbelasting een vermogen beneden ƒ 13000
werd vrijgesteld in het belang der financieel-zwakken. Die vrij-
stelling werd z. i., door de bepaling dezer § weder teruggenomen,
— eene hardheid, die tot gevolg zou hebben, dat reeds met eene
bijverdienste van ƒ170 belasting wordt gevorderd, niettegenstaande
de bezitter van zulk een klein vermogen dikwijls daarvan weinig
of geene revenuen trekt. Zoowel de Minister als de Voorzitter
der Commissie van Rapporteurs bestreden het amendement met
nadruk, omdat het de geheele oeconomie van het wetsontwerp
zoude verstoren en het verband, tusschen vermogens- en bedrijfs-
belasting gelegd, daardoor geheel zoude worden verbroken. De
bijtelling heeft geen ander doel dan de bedrijfsinkomsten voor een
grooter of kleiner deel te treffen naar gelang er vermogen bijkomt
of niet. De man, die ƒ12500 vermogen heeft, behalve ƒ 700 of
ƒ800 jaarlijksche verdiensten, is een krachtiger persoonlijkheid
dan hij, die alleen ƒ 700 of ƒ 800 verdient. Na de bijtelling, die nooit
meer dan ƒ480 kan bedragen, volgt altijd weder eene aftrekking
van ƒ 600, zoodat de aftrek steeds meer bedraagt dan de bijtelling.
In een anderen vorm kan men dus zeggen, dat de wet ƒ600
vrijstelt, verminderd met ƒ 40 van elke ƒ1000 vermogen, die de
belastingplichtige bezit. Daarmede drukt men geheel hetzelfde
denkbeeld uit.
In stemming gebracht, werd het amendement verworpen met
61 tegen 22 stemmen, a)
-ocr page 127-
117
Hoofdstuk I. — Abt. 2.
a) In de discussiën over het amendement wees de Heer Heemskerk
er op, dat, indien dit werd aangenomen, de geheele § 2 zoude vervallen
met inbegrip dus van de gevallen van aftrek voor verschuldigde lijf-
renten, |enz. onder litt. a en b van het 2e lid. De daar bedoelde ver-
laging is in § 1 niet opgenomen, omdat zij voor hen, die in de vermo-
gensbelasting zijn aangeslagen, reeds staat in art. 8 der desbetreffende
wet. Ware dat niet het geval, dan zoude zij bij deze wet eigenlijk
moeten voorkomen in art. 3, waar bepaald wordt, wat mag worden
afgetrokken. Zij werd echter in § 2 van art. 2 gebracht, omdat daarin
sprake is van hen, die wel in de bedrijfs- doch niet in de vermo-
gensbelasting zijn aangeslagen, als bezittende geen of een kleiner ver-
mogen dan f 13000. Verviel dus de eerste alinea van § 2, dan zou
toch ergens in de wet de bedoelde aftrek moeten worden geformuleerd,
daar anders zij, die in de bedrijfs- en niet in de vermogensbelasting
zijn aangeslagen, van ongunstiger conditie zouden zijn dan hunne meer
vermogende landgenooten. De Minister beaamde deze opmerkingen vol-
komen, doch de opvatting van den Heer Kolkman, als zoude de 2e alinea
van § 2 enkel zien op de Ie alinea en niet op § 1 werd niet gedeeld.
10.   De bepaling, dat het vermogen moet worden opgevat en
berekend volgens de wet van 27 September 1892, kan tot een
verschil van opvatting leiden, waar b.v. bij eene verplichte jaar-
lijksche uitkeering de aftrek mogelijk is, zoowel op het beroeps-
inkomen als op het vermogen. Neemt men aan, dat iemand
ƒ2000 salaris heeft bij een bezit van ƒ12000 en verplicht is eene
jaarlijksche uitkeering te doen van ƒ 400, dan kan men stellen:
Salaris..............ƒ 2000
waarbij 40 X 12...... . 480
te zamen... ƒ 2480
af de uitkeering van. , 400
belastbaar naar... ƒ2080
Maar men kan ook rekenen, als volgt:
Vermogen..................ƒ 12000
af 400 X 20 (art. 8 verm. bel.) » 8000
blijft... f 4000, dus:
Salaris..............ƒ 2000
waarbij 40 X *....... . 160
belastbaar naar... ƒ 2160
Naar ons gevoelen vindt de eerste berekening evenveel steun
in de wet als de laatste. De woorden «voor zooverre het niet
reeds bij de toepassing van het vorig lid in aanmerking werd
genomen", zooals die voorkomen in den aanhef van het 2e lid
dezer paragraaf, wijzen reeds op de facultatieve toepassing. De
verwijzing naar de wet van 27 Sept. 1892 was natuurlijk als
algemeene regel noodig. Vermogens van ƒ 13000 en daarboven,
kunnen immers ook worden teruggebracht tot beneden ƒ 13000.
11.   Men is wel onderhoud verschuldigd aan zijne inwonende
dienstboden, doch deze vorm van loonuitkeering mag niet begrepen
worden onder de verschuldigde verstrekkingen van le-
vens onderhoud, enz. bedoeld onder litt. b.
Verg. ook de artt. 375—384 Burg. Wetb.
-ocr page 128-
118                         Hoofdstuk I. — Abt. 2.
§ 3. 12. Deze paragraaf moet zóó worden opgevat, dat men n.1. in het
algemeen de geleden verliezen mag aftrekken, in de laatste zinsnede
van § 1 bedoeld en bovendien, hetgeen hier wordt geregeld. Het
gespatiëerde woord, dat in de vroegere redactie vóór het woord
„verlaagd" stond, verviel echter, niet om de bepaling eene andere
interpretatie te geven, maar omdat een daartoe strekkend amen-
dement van den heer Vrolik van misverstand blijken gaf.
13.    Het denkbeeld, in het Voorl. Verslag geopperd, om aan
deze bepaling een facultatief karakter te geven, in dien zin, dat
de Minister van Financiën op voorstel van de Commissie van
aanslag of den Raad van beroep den aftrek zou kunnen toestaan,
vond geen steun. „In eene wet als deze" — zeide de Minister —
»die naar het inkomen belast, moet het aftrekken van datgene,
wat inderdaad het inkomen vermindert, niet een gunst, maar een
recht zijn." a)
d) De aard noch de oorzaak der schulden zijn bepaald, mits zij
slechts wettig bestaan (verg. art. 1825 Burg. Wetb.). Huisschulden
komen dus eveneens in aanmerking. Evenzeer betalingen op handels-
schulden, na faillissement, al is een accoord getroffen (verg. art. 1395,
2e lid, Burg. Wetb.). De schulden, in deze paragraaf bedoeld, zijn op
te vatten in den zin van een negatief vermogen. Gaat men dus schulden
aan, om deel te nemen in eene onderneming, dan staat daar tegenover
eene boek-vordering of koopt men goederen, dan is er compensatie van
waarde en in deze gevallen mag niet worden afgetrokken. Maar heeft
het geld gestrekt, om b.v. bloot het recht te koopen tot opname in eene
zaak, dan is dit een uitgaaf waar tegenover in den zin der wet geen
vermogen staat, al wordt ook, in den vorm van inkomsten die uitgaaf
terug verwacht.
14.     De laatste woorden „voor zooverre" enz. slaan op het ge-
val, dat de belastingplichtige in den loop van het jaar eene erfe-
nis kreeg of een geschenk en dus daarmede zijne schuld kan
verminderen.
§ 4. 15. In de vorige paragraaf wordt de aflossing, hier wordt de
rente der schuld vermeld, terwijl de laatste zinsnede dezer para-
graaf alles onder het vermogen brengt, wat de wet op de ver-
mogensbelasting daaronder rangschikt. Dus ook het vermogen der
vrouw en vermogen in vruchtgenot, enz. Art. 8 dier wet wordt
echter niet genoemd en daaruit volgt, dat voor de toepassing van
deze en de vorige paragraaf het vermogen moet worden genomen
zonder aftrek der in dat artikel bedoelde schulden.
De bedoeling is duidelijk. Men heeft willen voorkomen, dat de
belastingplichtige eerst het zuiver saldo van zijn vermogen zoude
bepalen, om daarna nogmaals de schulden af te trekken.
16. De heer Van Karnebeek voorzag van deze bepaling mis-
bruik, omdat, indien iemand met opgenomen geld een bedrijf uit-
oefent en zijne schulden het vermogen overtreffen, uit de jaar-
lijksche winst aftrek wordt toegestaan voor hetgeen tot vermin-
dering der kapitaalschuld wordt afgezonderd, ofschoon voor die-
zelfde schuld reeds aftrek van rente is berekend volgens art. 3 § 2.
De Minister deelde in die vrees niet, daar in art. 3 § 2 wordt
gesproken van rente van kapitaal, aangewend in bedrijf of beroep,
-ocr page 129-
Hoofdstuk I. — Abt. 2.                          119
waarvan de vruchten zijn opgenomen onder de inkomsten.
Dit kan nimmer slaan op kapitaal, dat niet meer bestaat, gelijk
hier wordt verondersteld.
Een passief, dat het actief overtreft, is een minus en een
minus kan men niet aanwenden in zijn bedrijf, een minus geeft
geen inkomsten.
De bepaling voorziet in een geval, dat zich dikwijls zal voor-
doen. Iemand is b.v. achteruit gegaan door slechte zaken, zijn
vermogen verdween, eene schuld bleef bestaan en daarover moet
hij rente betalen en aflossing. Het zou niet billijk zijn, dit buiten
aanmerking te laten bij de bepaling van zijn inkomen. Maar de
rente, waarvan hier sprake is, is noodwendig eene andere dan
die bedoeld wordt in art. 3 § 2. Voor doublé emploi dus geen
gevaar, zeide de Minister, maar de heer Van Kabnbbeek werd
niet overtuigd.
17.  Luidens het Voorl. Verslag achtten sommige leden het billijk,
om, voor zooverre de belooningen van minderjarigen onder de
inkomsten van het gezin worden opgenomen (zooals b.v. steeds
het geval is in arbeidersgezinnen, waar de kinderen meêverdienen),
voor de berekening der belasting ook het bedrag van die be-
looningen te voegen bij de verdiensten van het hoofd van het
gezin. Een zoodanig gezin toch is in veel beter omstandigheden
dan een ander, waar alleen de vader kostwinner is. Verdient dus
de vader ƒ600 en twee zijner inwonende minderjarige kinderen
ieder j 150, dan zou volgens deze leden belasting betaald moeten
worden over ƒ900.
Bij de vermogensbelasting antwoordde de Minister is dit ge-
schied a), doch bij eene belasting als deze zou het niet van fls-
caliteit zijn vrij te pleiten (art. 368 Burg. Wetb.).
a) Bedoeld wordt het vruchtgenot der ouders van hunne minder-
jarige kinderen beneden 20 jaar. Verg. art. 3, 2e lid, dier wet.
18.    Bij de drie gevallen, waarin de vrouw zelve belasting-
plichtig is, kwam in het eerste ontwerp nog het geval, dat de
vrouw openbare koopvrouw is.
Het Voorl. Verslag noemde deze uitzondering minder rationeel
en waarom verschil werd gemaakt tusschen de vrouw, die eene
winkelnering drijft, en die b.v. als onderwijzeres werkzaam is,
achtte men niet duidelijk. Alleen toch in een patentwet of be-
drijfsbelasting in engeren zin, zou die belastingplichtigheid uit
eigen hoofde te verdedigen zijn, maar niet in het stelsel dezer wet.
De beperking werd \'dan ook in het gewijzigd ontwerp niet
teruggevonden en bij de regeling der belasting ten aanzien van
echtgenooten art. 4 der wet op de vermogensbelasting tot richt-
snoer genomen, a)
a) Behalve in de uitgezonderde gevallen is er dus confusie van in-
komsten. Daaruit volgt dan ook, dat het verlies door een der echt-
genooten geleden bij uitoefening van beroep .of bedrijf, in compensatie
mag worden gebracht op de inkomsten van den anderen, voor zooverre
die volgens deze wet belastbaar zijn.
Men houde overigens in het oog, dat gemeenschap van winst en
verlies (art. 210 Burg. Wetb,) of van vruchten en inkomsten (art.
I
-ocr page 130-
120                    Hoofdstuk I. — Artt. 2—3.
219 Burg. Wetb.) geen aanleiding geeft tot een gesplitsten aanslag.
Zie Inleiding bl. 33.
Art. 3. § 1. Bij toepassing van artikel 2 wordt, behoudens
het hierna bepaalde, als winst of belooning beschouwd de som
van al hetgeen in geld of geldswaarde genoten wordt uit be-
drijf, beroep, onderneming, ambt, waardigheid, bediening of
betrekking, tijdelijk of voor eens verrichte werkzaamheid, van
welken aard ook, aandeel in winst of overwinst, bedongen of
niet bedongen, met uitzondering van:
a.    uitdeelingen op aandeelen in naamlooze vennootschappen
en in commanditaire vennootschappen op aandeelen, in onder-
linge verzekeringmaatschappijen, in reederijen en op bewijzen
van lidmaatschap van coöperatieve en andere vereenigingen;
b.    winstuitkeeringen als verzekerde genoten.
Winsten of verliezen ontstaan enkel uit belegging van kapi-
taal in fondsen of goederen, anders dan in de uitoefening van
bedrijf of beroep, komen niet in aanmerking.
§ 2. Ter berekening van haar zuiver bedrag, en in daartoe
leidende gevallen van het geleden verlies wordt, voor zoover
bij hare berekening te dier zake nog geen aftrek heeft plaats
gehad, de winst of belooning verminderd met:
a.    de rente der kapitalen, aangewend in het bedrijf of be-
roep, voor zoover de vruchten dezer kapitalen zijn opgenomen
onder de inkomsten bedoeld bij artikel 2.
Deze rente wordt berekend: voor kapitalen, waarvan de be-
lastingplichtige eigendom of vruchtgenot heeft, naar den maat-
staf van 4 ten honderd in het jaar over de geldswaarde, becij-
ferd volgens art. 7 der wet van 27 September 1892 (Staatsblad
n°. 223); voor andere kapitalen, naar den bedongen rentevoet.
Gebouwde eigendommen, voor bedrijf of beroep aangewend,
maken van die kapitalen geen deel uit, wanneer zij door den
belastingplichtige of zijn gezin worden bewoond;
b.    kosten van onderhoud en herstelling in haren vorigen
staat van uitsluitend ten behoeve van het bedrijf, beroep of
ambt gebezigde zaken;
c.    loonen, vrachten, assurantiepenningen, pakhuis-, kantoor-,
werkplaats^ of andere huren en alle verdere kosten, noodzake-
kelijk ter verwerving van het inkomen of ter uitoefening van
-ocr page 131-
Hoofdstuk I. — Aet. 3.
121
het bedryf, beroep of ambt, waaruit dat inkomen wordt ver-
kregen.
Uitgaven, bedoeld in b en c, niet uitsluitend voor het ge-
noemde oogmerk noodzakelijk, maar ook ten deele voor per-
soonlyk genot of andere oogmerken gedaan, worden voor de
helft als kosten aangemerkt;
d.    de als onverhaalbaar afgeschreven schuldvorderingen of
gedeelten van schuldvorderingen;
e.    de afschrijvingen noodzakelijk tegenover vermoedelijke
waardevermindering van eigendommen uitsluitend voor bedrijf,
beroep of ambt aangewend;
f.    bijdragen aan fondsen tot ondersteuning van personen
bij den belastingplichtige in dienst voor zijn bedrijf of beroep,
premiën door hem uitbetaald tot verzekering van die personen
tegen ongelukken, toelagen aan hunne nagelaten betrekkingen
of aan ouden en gebrekkigen, vroeger tot die personen behoord
hebbende;
g.    winstuitkeeringen aan personeel bij den belastingplichtige
in dienst voor zijn bedrijf of beroep en ter zake daarvan;
h. retributiën en belastingen, directe daaronder niet begre-
pen, drukkende op het bedrijf;
i. kortingen van traktementen en andere belooningen we-
gens verplichte bijdragen voor pensioenen of fondsen.
j. premiën voor levensverzekering, voor pensioen of voor
lijfrenten, doch tot geen hoogere som dan vijf ten honderd van
het bedrag der inkomsten, bedoeld in art. 2, § 1, en in geen
geval meer dan f 100.
§ 3. Uitgaven voor woning en huishouden van den belas-
tingplichtige of zijn gezin of voor onderhoud en opvoeding van
kinderen, onverschuldigde uitkeeringen, niet begrepen onderde
vorige paragraaf en andere uitgaven, die niet rechtstreeks tot
de uitoefening van het bedrijf of beroep betrekking hebben,
worden niet als kosten aangemerkt.
§ 4. Wanneer vertrekken die als kantoor, winkel, magazijn,
lokaal voor onderwijs, atelier of werkplaats worden gebezigd,
tevens tot woning dienen van den belastingplichtige of zijn
§§ 44, 45 gezin, of wel wanneer zoodanige vertrekken een gedeelte uit-
maken van het perceel, waarin zich die woning bevindt, dan
geldt als kosten het door den belastingplichtige te begrooten
aandeel der huur, of wanneer hij eigenaar is, der kadastrale
-ocr page 132-
122
Hoofdstuk I. — Abt. 3.
huurwaarde, van het deel dat geheel of gedeeltelijk voor zyn
bedrijf, beroep of ambt wordt gebezigd. Wordt door de com-
missie van aanslag die begrooting te hoog geacht, dan wordt
dat bedrag door deskundigen, door haar aan te wijzen, geschat.
De kosten der schatting, volgens een door Ons vast te stellen
tarief, komen ten laste van den belastingplichtige, indien zijne
begrooting het geschat bedrag met tien ten honderd of meer
overtreft en worden met de belasting van hem ingevorderd.
§ 5. "Winstuitkeeringen genoten door commanditaire ven-
nooten uit andere commanditaire vennootschappen dan die be-
doeld bij art. 1 b worden, ter berekening van haar zuiver
bedrag, verminderd met eene rente op den voet van vier ten
honderd in het jaar van het kapitaal, waarvoor deze vennoo-
ten deelgerechtigd zijn in de vennootschap.
§ 6. Van pensioenen, wachtgelden en lijfrenten, mits deze
laatste niet bij huwelij ksche voorwaarden of ter zake van hu-
welijk door bloedverwanten of aangehuwden in de rechte op-
gaande linie ten behoeve van kinderen en andere afstamme-
lingen zijn gevestigd, worden de eerste f 1000 van hun bedrag
voor vijftig ten honderd in rekening gebracht.
§ 7. Inkomsten uit hier te lande gedreven land-, tuin- of
boschbouw, boom- of bloembollenkweekerij, onverschillig of
daarbij eenige bloemisterij op kleine schaal wordt gedreven,
veehouderij of veenderij, met inbegrip der daarmede gewoon-
lijk samengaande bereidingen van het voortgebrachte door de
voortbrengers zelven, alsook winsten uit steengroeven en uit
groeven of mijnen van andere delfstoffen hier te lande, voor-
zoover zij voortkomen uit verkoop in natura der uitgegraven
stoffen, worden geacht, na aftrek van alle kosten, vier ten
honderd in het jaar van het daartoe aangewende kapitaal te
bedragen, of, voor zoover daartoe opgenomen kapitaal is gebe-
zigd, zooveel ten honderd als bedongen is.
Deze bepaling is niet van toepassing:
1°. wanneer het in bovenbedoelde bedrijven aangewende
kapitaal, ten gevolge van de vereeniging dier bedrijven met
andere, niet afzonderlijk te begrooten is;
2°. op winsten uit bloemisterij, onverschillig of daarbij eenige
bloembollenkweekerij op kleine schaal wordt gedreven.
§ I. I. De vraag, of de schadeloosstelling, aan het mandaat van
volksvertegenwoordiger verbonden, onder de belasting valt, moet
in toestemmenden zin worden beantwoord.
-ocr page 133-
Hoofdstuk I. — Art. 3.                         123
2.    De ruime redactie van § 1 brengt mede, dat vrij vervoer,
vrij vuur en licht, vrije kost en inwoning, vrije kleeding, vrije
geneeskundige behandeling en vrije woning als bestanddeelen van
de bezoldiging medetellen. Een wettelijken maatstaf te stellen
voor het geldelijk bedrag van vrije woning, zou, naar \'s Ministers
meening, op practische moeielijkheden afstuiten. Die vrije wo-
ning kan een gedeelte zijn van een stationsgebouw, van een post-
of bankkantoor. In deze en dergelijke gevallen is begrooting het
eenig mogelijke en daar men éénen regel moet stellen, kan die
regel slechts deze zijn, dat men naar zijn beste weten behoort te
schatten, a)
a) Ook de inwonende dienstboden zullen de vrije kost en inwoning
in aanmerking moeten nemen, maar met het oog op den aftrek van ƒ600
(ben. f 650) voor personen, die niet in de vermogensbelasting vallen,
zullen zij zelden geplaatst worden voor de vraag, op hoeveel dat een
en ander te begrooten zij.
3.     Over het compenseeren van winsten en verliezen, bij uit-
oefening van verschillende beroepen en bedrijven, raadplege men
aant. 8 op art. 2.
4.    De uitzonderingen sub a en b vermeld, vinden hierin ha-
ren grond, dat de daar genoemde inkomsten reeds elders getrof-
fen zijn. Verg. art. 5 § 1.
5.     De woorden „commanditaire vennootschappen op aandee-
len" werden op aanbeveling van de Commissie van Rapporteurs
door den Minister overgenomen ter vervanging van de woorden:
.commanditaire vennootschappen bedoeld bij art. lb." Daarmede
werd voorkomen, dat de uitkeeringen op aandeelen van in het
buitenland gevestigde commanditaire vennootschappen niet zouden
zijn uitgezonderd, die van hier te lande gevestigde wel, wat niet
in de bedoeling lag. a)
a) Het aandeel in winst of overwinst van gewone commanditairen
in vennootschappen niet op aandeelen blijft belast onverschillig, waar
die vennootschappen zijn gevestigd, in het buitenland of hier te lande.
Verg. de aantt. op § 5 van dit artikel.
6.    Uitdrukkelijk is bepaald, dat winsten en verliezen uit s p e-
culatie ontstaan, tenzij in de uitoefening van een bedrijf of be-
roep, niet in aanmerking komen. Men heeft hier geen keus, zeide
de Minister, want het begrip „speculatiewinst" buiten den eigen-
lijken handel, is niet te bepalen. Iemand, die ƒ100000 rijk is,
bezit ƒ150000 aan effecten, waar tegenover een beleeningschuld
staat van ƒ50000; welk deel zijner effecten bezit hij nu als be-
legging, welk deel als speculatie ? Men moet dus öf de bepaling
goedkeuren, óf allen voor- en achteruitgang op de waarde van
het vermogen in rekening laten brengen. Dit laatste is echter
ondoenlijk, a)
a) In de wet wordt geen definitie gevonden van het begrip ïbedrijf".
Zal een particulier, die zijn vermogen aanwendt tot aankoop van effecten
in prolongatie en daaruit 8, 9 of 10 o/o weet te behalen, beschouwd
worden, een bedrijf uit te oefenen? Deze vraag van den Heer Gerritsen
beantwoordde de Minister in ontkennenden zin, er bijvoegende, dergelijke
operatiën op groote schaal niet aan te raden, omdat tegen het rente-
-ocr page 134-
Hoofdstuk I. — Art 3.
voordeel de risico\'s in niet geringe mate vermeerderen. Eene definitie
achtte de Minister minder raadzaam en hier zelfs overbodig.
7.     Bij de toepassing van de §§ 1 en 2 heeft men met eene
dubbele kunstbewerking te doen. Men bepaalt eerst de bruto-
winst en trekt daarna af overeenkomstig § 2. Ook de koopman
gaat op dezelfde wijze te werk bij het opmaken van zijne balans.
Hij maakt n.1. eerst zijne proef balans op, daaruit distilleert hij
zijne winst- en verliesrekening. Door de eerste bewerking con-
stateert hij, wat door hem bruto genoten is uit bedrijf of beroep,
door de tweede het netto-bedrag.
Hij handelt b. v. in koffie, suiker en katoen; dan heeft hij
eerst zijne koffierekening na te gaan, om te zien, wat hij daarop
heeft gewonnen, vervolgens gaat hij de suikerrekening, eindelijk
de katoenrekening na.
Is hij daarmede gereed, dan zijn er nog andere rekeningen,
gewoonlijk van nadeeligen aard, n.1. de onkosten- en de rente-
rekening; voorts komen de afschrijvingen aan de orde.
Er is echter op één punt verschil van methode. Wanneer n.1.
een koopman goederen ontvangt uit het buitenland, moet hij daar-
voor vracht betalen. Nu kan hij die vracht op de onkostenreke-
ning brengen, maar hij kan ook terstond de goederenrekening
debiteeren. Sommigen doen het eerste, anderen het tweede.
Daarom noemde de Minister het eene zeer gelukkige gedachte
van de Commissie van Eapporteurs om in § 2 op te nemen:
• voor zooverre bij hare berekening te dier zake nog geen aftrek
heeft plaats gehad." Twee methoden dus zijn mogelijk: öf er
wordt eerst gedebiteerd op de onkostenrekening óf onmiddellijk
op de goederenrekening. En nu beteekenen de bedoelde woorden
eenvoudig, dat het geen invloed mag hebben op het cijfer, naar
hetwelk de belasting wordt berekend, of men het een dan wel
het ander doet. a)
a) Een door den Heer Vrolik voorgesteld, doch later ingetrokken
amendement, om het woord «genoten" in den derden regel van $ 1 te
veranderen in «ontvangen", omdat, naar het oordeel van den voorsteller,
in het eerste woord reeds het begrip van een saldo ligt opgesloten,
werd met de hier gegeven uitlegging tevens beantwoord.
8.     De vermindering der bruto-winst of belooning mag niet
worden uitgebreid tot andere gevallen dan in § 2 vermeld. Lui-
dens art. 4, litt. ƒ, van het eerste ontwerp was ook aftrek we-
gens bijschrijving op reserve-, herstellings-, vernieuwingsfondsen
en dergelijke toegelaten, doch naar aanleiding van de opmerkin-
gen in het Voorl. Verslag, waarbij werd gewezen op het gevaar
van ontduikingen en ook dubbele belasting mogelijk bleek, werd
in het gewijzigd wetsontwerp de bepaling niet teruggevonden.
Een koopman of fabrikant zal dus van de bruto-winst geen som
mogen aftrekken wegens bijschrijving op een reservefonds, waar-
door het zuivere winstcijfer zou worden verkleind. De fiscus
accepteert dit niet, maar er staat tegenover, dat uitkeeringen uit
dergelijke fondsen ook niet worden getroffen, omdat de belasting
daarover moet zijn betaald. De wet kent alleen afs ch rij vin-
ving e n, als bedoeld bij litt. d en e.
-ocr page 135-
Hoofdstuk I. — Art. 3.                         125
Wat naamlooze vennootschappen, enz. betreft (art. 5 §§ 1 en 2),
komt natuurlijk, hetgeen op reservefondsen, enz. wordt bijgeschre-
ven niet in aanslag, want dit bedrag wordt niet uitgedeeld of
uitgekeerd.
§ 2 a. 9. In hare nota bij het Verslag merkte de Commissie van
Rapporteurs op, dat het beter ware voor .kapitalen" te lezen
.kapitaal", aangezien de term kapitaal in de economische betee-
kenis voorkomt. De Minister kon dit niet toegeven. Er wordt
hier n.1. gedacht aan verschillende kapitalen, het eigen en het
opgenomene, het vaste of stamkapitaal der onderneming en het
tijdelijk daaraan toegevoegde, het voor een langdurig tijdperk en
het voor korten tijd geleende. Werd hier het enkelvoud gebe-
zigd, de zin der wetsbepaling zou ten deele verloren gaan.
10.     De geldswaarde van het in bedrijven aangewende kapitaal
wordt berekend volgens de wet op de vermogensbelasting, maar
alleen art. 7 kon hier tot richtsnoer dienen. Het betreft slechts
eene berekening van waarde, niet van vermogen in den zin
der wet op de vermogensbelasting, waar b. v. vruchtgenot voor
*/6 wordt genomen (zie art. 3, 2e lid dier wetï. a)
o) Heeft iemand dus een vermogen van f 10000, waarvan hij het
vruchtgebruik heeft, als bedrijfskapitaal in zijn zaak gestoken, dan zal
hij 4 o/0 van f 10000 mogen aftrekken. Daarentegen zullen zijne in-
komsten volgens de bepaling van art. 2 § 2 slechts worden verhoogd
met 4 o/0 van ƒ 8000.
11.     Art. 4 litt. a en e van het oorspronkelijk ontwerp, beide
betrekking hebbende op den aftrek van rente wegens aangewend
kapitaal, zijn hier onder litt. a bijeengebracht. Ten eerste is thans
bepaald, dat slechts de rente van die kapitalen mag worden af-
getrokken, waarvan de vruchten onder de inkomsten
zijn opgenomen. Mocht dus een bankier van oordeel zijn,
dat een deel zijner effecten tot zijn bedrijfskapitaal behoort, zoo
zal dit, mits hij eerlijk aangeeft, niet schaden; de coupons dezer
effecten komen dan volgens de wet onder de baten van zijn kan-
toor. Ten tweede is de redactie zóó gemaakt, dat de aandacht
niet wordt gevestigd op het bedrag der schulden, die velerlei
bestemming en oorsprong kunnen hebben, maar op het bedrag
van het in de onderneming belegde kapitaal, a)
Duidelijker dan vroeger wordt nu de leidende gedachte uitge-
sproken: alleen de zuivere winst van bedrijven is belastbaar en
als zuivere winst wordt aangemerkt, wat verdiend is boven de
rente.
a) De bedoeling is, dat aftrek plaats vindt over het werkelijk aanwijs-
baar bedrijfskapitaal. Men heeft dus te doen met eenen feitelijken
toestand. Is de zaak begonnen met ƒ 30000 opgenomen kapitaal, doch
de waarde daarvan door achteruitgang tot f 20000 gereduceerd, dan
moet de aftrek van rente over dit laatste bedrag geschieden. Voor de
schuld van ƒ 10000, indien daartegenover geen vermogen staat, kan
$ 4 van art. 2 toepassing vinden.
12.    Naar de meening van den heer Gerritsen zou een onder-
nemer voor het eigen kapitaal in zijne zaak een boekpost kunnen
-ocr page 136-
126
Hoofdstuk I. — Art. 3.
maken, zich zelf kunnen crediteeren en bepalen, dat hij van dat
kapitaal zal ontvangen b.v. 10 °/0. Dan zouden de vruchten van
dat kapitaal niet meer worden opgenomen onder de inkomsten,
maar in het debet daarvan wel de renten. »Wie\'\' — antwoordde de
Minister— .zulk eene willekeurige wetsinterpretatie volgt, maakt
zich schuldig aan eene plompe fraude" en ook de Voorzitter der
Commissie van Rapporteurs geloofde, dat dergelijke pogingen tot
ontduiking terstond haar graf\' zouden vinden, wanneer door den
Raad van beroep daarover recht werd gedaan. Evenals voor den
geldschieter de rente de burgerlijke vrucht is van het kapitaal,
zijn voor hem, die het in zijne onderneming aanwendt, de vruchten
van dat kapitaal de winsten daarmede gevormd. Dit is de eenige
interpretatie, die steun vindt in de wet, terwijl de heer Gerritsen
bovendien vergat, dat alleen, indien van derden geleend is, de
bedongen rente in aanmerking komt.
13.    Uitzonderingen op den aftrek van rente vindt men in art. 5
§ 4, art. 6 § 2 en art. 6 § 5, le en 2e zinsn. litt. a.
14.     De bijvoeging, dat gebouwde eigendommen, voor bedrijf of
beroep gebezigd, van de aangewende kapitalen geen deel uit-
maken, wanneer zij door den belastingplichtige of zijn gezin worden
bewoond, heeft ten doel dubbelen aftrek te voorkomen, want vol-
gens § 4 van dit artikel geldt als bedrijfskosten het door den be-
lastingplichtige te begrooten bedrag der kadastrale huurwaarde
van het deel dier eigendommen, dat voor het bedrijf wordt ge-
bruikt. «Men zou de vraag kunnen stellen" — zeide de Minister —
rof een perceel, ten deele voor het bedrijf gebezigd, ten deele
verhuurd, niet evenzeer van het bedrijfskapitaal behoort te
worden uitgesloten? Doch het antwoord mag ontkennend zijn.
Zulk een perceel kan veilig als bedrijfskapitaal worden aange-
merkt, omdat de .vruchten", dat zijn de huurpenningen, dan van
zelf onder de inkomsten vallen. Zulke perceelen laten zich ver-
gelijken bij de effecten, die een bankier tot zijn bedrijfskapitaal
rekent."
§ 2 b. 15. Luidens de Memorie van Toelichting heeft de Minister zich
onthouden van het geven eener definitie van het begrip «her-
stelling", als zijnde eene feitelijke quaestie, evenals zoo vele
andere, door de commissiën uit te maken. Naar aanleiding echter
van de bedenkingen in het Voorl. Verslag, werd de bepaling van
litt. b in zooverre scherper geredigeerd, dat thans de kosten van
herstelling zich moeten bepalen tot die, welke noodig zijn om de
voorwerpen in den vorigen staat te houden. Strekt de her-
stelling zich uit tot eene verbetering en worden dus kosten be-
steed, om aan de zaak meer waarde te geven, dan mag niets
worden afgetrokken. Maar vordert b. v. de toestand van een gebouw
daarop een nieuw dak te plaatsen, dan zal men mogen zeggen,
dat het dak is vernieuwd en het gebouw hersteld.
16. Hier wordt alleen gesproken van bedrijf, beroep of
ambt, terwijl in § 1 die omschrijving veel ruimer is. In antwoord
op eene vraag van den heer Goeman Borgesius verklaarde
-ocr page 137-
Hoofdstuk I. — Abt. 3.                         127
de Minister echter, dat slechts uit een oogpunt van redactie de
herhaling van de lange lijst van betrekkingen, enz. was ver-
meden, maar dat naar de bedoeling de aftrek geoorloofd zal zijn voor
al de beroepen, betrekkingen en werkzaamheden, genoemd in § 1.
§ 2 c. 17. Ter voorkoming van verwarring en ontduikingen, waartoe
de uitdrukking: »en verdere kosten ter uitoefening van het be-
drijf of beroep" in art. 4 litt. c van het eerste ontwerp kon lei-
den, werd in het Voorl. Verslag de meening uitgesproken, om bij
beroepen de bruto-inkomsten te treffen, al lag daarin ook zekere
onbillijkheid, waar men voor de bedrijven slechts de netto-win-
sten belast. De Minister gaf aan dezen wensch niet toe, doch,
om een leiddraad aan te geven ter beslissing van twijfelachtige
gevallen, werd in het gewijzigd ontwerp bepaald, dat uitgaven,
niet uitsluitend ter verwerving van het inkomen of ter uitoefening
van het bedrijf of beroep noodzakelijk a), maar ook ten deele
voor persoonlijk genot of andere oogmerken gedaan, voor d e
h e 1 ft als kosten zullen gelden, b)
a) Het woord «noodzakelijk" is, naar aanleiding eener opmerking
in het Voorl. Verslag, opgenomen, om de Administratie een wapen in
de hand te geven tegen bedrog.
6) Op amendement van den Heer Goeman Borgesius werd de be-
paling omtrent den aftrek der uitgaven voor de helft, in het Regee-
ringsontwerp slechts van toepassing op litt. c, ook uitgebreid tot de
gevallen onder litt. 6. Het zou toch eene hardheid zijn geweest, indien
b.v. doktoren, rijtuigverhuurders, enz., die toch ook wel eens een rij-
toertje voor eigen genot maken, in het geheel niets zouden mogen af-
trekken voor onderhoud, herstelling, enz.
18. Door den heer de Beaufort (Wijk bij Duurstede) werd
voorgesteld de volgende alinea aan litt. c toe te voegen: „Met
betrekking tot hen, die traktement of schadeloosstelling genieten
van rijk, provincie of gemeente, wordt het bedrag der hierboven
bedoelde kosten bepaald volgens door Ons vast te stellen regelen."
De moeielijkheid van eene dergelijke regeling erkennende,
meende de voorsteller toch, dat, indien zij achterwege bleef, door
de wijze waarop de verschillende Commissiën van aanslag en
Eaden van beroep over dit onderwerp zullen beslissen alle een-
heid van wetsinterpretatie verloren zou gaan. a)
Bij den Minister vond het amendement echter geen steun, want
de aanneming er van zou de taak der Regeering loodzwaar druk-
ken en haar bovendien eene macht verleenen, die haar niet be-
hoort geschonken te worden. ,Men moet" zeide de Minister— «der
Regeering niet te veel op de schouders leggen en overlaten aan
de Raden van beroep om uit te maken, wat in ieder speciaal ge-
val als beroepskosten mag in aanmerking komen." Ook de Com-
missie van Rapporteurs was van dit gevoelen, doch zij legde
tevens de verklaring af, dat bij de toepassing der wet het begin-
sel, in het amendement opgesloten, in het oog zal moeten wor-
den gehouden, zonder evenwel te zeggen langs welken weg dit
bij de verschillende geheel zelfstandige colleges kan worden be-
reikt. Het amendement werd intusschen verworpen met 69 tegen
21 stemmen.
-ocr page 138-
Hoofdstuk I. — Abt. 3.
o) In art. 6 § 1 is het hier verdedigde beginsel opgenomen, doch de
Minister vond het daar noodig, omdat een gezant bezwaarlijk met de
Nederlandsche commissiën van aanslag kan komen onderhandelen.
19.     Ook aan loontrekkenden arbeid kunnen kosten verbonden
zijn, zooals aanschaffing van boeken, porti en diergelijke, tot
welker aftrekking de belastingplichtige bevoegd is.
20.     Op eene vraag in het Voorl. Verslag, hoe de kosten in
aanmerking genomen kunnen worden bij vaste bezoldigingen, die
naar hare bedragen bij het begin van het belastingjaar worden
berekend (verg. art. 4 § 1), antwoordde de Minister, dat in die
gevallen alleen eene begrooting kan plaats hebben, zooveel moge-
lijk gegrond op bekende gegevens, die in de meeste gevallen wel
niet zullen ontbreken.
21.     In de statuten eener naamlooze vennootschap is bepaald,
dat met het oog op de belangen, welke de vennootschap heeft
bij de persoonlijke hoedanigheden van den benoemden directeur,
op het leven van dezen, ten faveure der vennootschap, eene ver-
zekering zal worden gesloten, welke strekt tot waarborg voor zijn
beheer en tot dekking van eventuëele verliezen, ontstaan door te
vroegtijdig overlijden, zullende de helft der premie door de ven-
nootschap, de andere helft door den directeur worden betaald.
Heeft het overlijden plaats binnen tien jaren, dan vervalt het
revenu geheel aan de vennootschap, maar na dien tijd heeft zij
geene rechten meer op de polis of het revenu daarvan. Wenscht
de directeur daarna ten behoeve zijner erven of rechthebbenden
de verzekering te continuëeren, dan staat hem dit ten eigen
koste vrij.
De vraag doet zich hierbij voor, of de helft der premie gedu-
rende tien jaren door den directeur in mindering kan worden ge-
bracht op zijne belooning, als vallende onder de „verdere kosten"
hier genoemd?
Daarvoor bestaat o. i. alle aanleiding. Eerst na verloop der
tien jaren geldt litt. j van dit artikel.
d. 22. Indien men vreest, dat debiteuren in gebreke zullen blij-
ven te betalen, komt het menigmaal voor, dat op de winst- en
verliesrekening een reservepost wordt afgeschreven voor dubieuse
debiteuren. Er wordt voor dat deel geen winst uitgedeeld en het
kan, naar de beginselen dezer wet, niet onder de belasting vallen,
doch de heer Mees meende, dat de redactie van litt. d aanlei-
ding kon geven tot twijfel, of zulk eene reserve daaronder is be-
grepen, te meer, omdat in het eerste ontwerp de bepaling van
litt. d nog was aangevuld met de woorden .voor zoover niet
bestreden uit daarvoor bestemde fondsen of gere-
serveerde gelden", die in het gewijzigd ontwerp niet meer
voorkwamen. Evenzeer dus als geoorloofd is het aftrekken van
vorderingen, die men zeker weet, dat onverhaalbaar zijn, moet
ook hetgeen wordt gereserveerd voor dubieuse debiteuren, niet in
de belasting vallen. Zooals uit het antwoord van den Minister
blijkt, was dit juist gezien en de hiervoren aangehaalde woorden
bleken slechts weggelaten als, bij nader inzien, geheel overtollig.
-ocr page 139-
Hoofdstuk I. — Abt. 3.                         129
In een voorbeeld gaf de Minister, betrekkelijk dit punt, nog de
volgende toelichting. „Afschrijving kan geschieden in tweeërlei
vorm. Men heeft b. v. ƒ100000 aan diverse debiteuren, die slechts
f 90000 waard worden geacht. Nu kan men een post maken:
winst en verlies aan diverse debiteuren ƒ 10000, dan komt deze
laatste rekening terstond op ƒ90000 te staan, doch men kan ook
boeken: winst en verlies aan reserve voor dubieuse debiteuren
op ƒ10000, dan blijven diverse debiteuren op ƒ100000, doch zij
krijgen een crediteur van ƒ 10000 tegenover zich. Dit laatste is
ook afschrijving, afschrijving n.1. op winst en verlies en daar
winst en verlies een tusschenrekening is voor kapitaalrekening,
zoo is het feitelijk eene afschrijving." a)
a) Komt later nog een reeds afgeschreven post binnen, dan zal deze
buitengewone ontvangst natuurlijk bij het winstcijfer worden getrokken.
§ 2 e. 23. In het eerste ontwerp (art. 4 litt. ƒ) werd enkel gesproken
van „noodzakelijke" afschrijvingen. Hoe onbestemd ook, toch
achtte de Minister deze uitdrukking voldoende om er op te wij-
zen, dat de gepastheid der afschrijving in elk bijzonder geval
moet worden beoordeeld, onder opmerking, dat ook in de buiten-
landsche wetgevingen op dit gebied geen meer bepaalde uitdruk-
kingen voorkomen. In het Voorl. Verslag werd evenwel de vrees
uitgedrukt, dat de bepaling tot misbruik kon leiden en kwam het
in elk geval juister voor, om in de wet het kenmerk der nood-
zakelijkheid aan te geven, zooals dit thans in de woorden „tegen-
over vermoedelijke waardevermindering der eigen-
do mm en" ligt opgesloten. Overigens zal, volgens art. 12 § 1 IV,
door hen, die tevens biljet B ontvangen, het percentsgewijs be-
drag der afschrijvingen moeten worden opgegeven en ook hierin
ligt een middel van controle, (a—b)
a)    De vraag, of iemand, die eene vaste bezoldiging geniet, afschrij-
vingen zal mogen doen, b.v. door waardevermindering van zijne boeken,
is in de Mem. van Antw. toestemmend beantwoord, wel te verstaan,
wanneer die zaken voor zijn beroep dienen en de uitgaven daarvoor
niet onder de kosten zijn opgenomen.
b)    Men houde in het oog, dat de wet alleen afschrijving toelaat als
de voorwerpen uitsluitend voor bedrijf, beroep of ambt worden aange-
wend. Gemengd gebruik is uitgesloten.
24. Wanneer een fabrikant eene machine buiten werking heeft
gesteld, is er geen vermoedelijke waardevermindering van aan-
gewend, maar geconstateerde waardevermindering van niet lan-
ger aangewend eigendom.
De afschrijvingen, waarvan hier sprake is, zien op dit geval
dus niet.
§ 2f. 25. De wet onderscheidt hier bijdragen, premiën en toe-
lagen, maar de eerstgenoemde moeten strekken voor onder-
steuningsfondsen, waarmede het personeel, collectief als groep, is
gebaat. Eene rechtstreeksche, individuëele bijdrage voor onder-
stand valt daaronder niet.
26. Het eerste ontwerp sprak alleen van „werklieden." In het
Voorl. Verslag werd tegen het gebruik van dit woord, dat geen
9
-ocr page 140-
130                         Hoofdstuk I. — Abt. 3.
juridiek begrip is, bedenking geopperd en achtte men, ter wille
van het goede beginsel, uitbreiding der bepaling gewenscht tot
alle personen bij den belastingplichtige in dienst voor zijn be-
drijf of beroep. Hieraan werd door den Minister gevolg ge-
geven, a)
o) Onder de personen, die vroeger tot het personeel van den belas-
tingplichtige behoord hebben, vallen niet de vroegere huisbedienden. De
restrictie «voor zijn bedrijf en beroep" geeft dit duidelijk te kennen.
§ 2 g. 27. Winstuitkeeringen mogen slechts als kosten in mindering
worden gebracht, indien zij geschieden „aan personeel bij den
belastingplichtige in dienst voor zijn bedrijf of beroep en ter
zake daarvan." Onder dat personeel kunnen eigen kinderen
ook zijn begrepen, wat zeer rationeel is, nu zij uit eigen hoofde
kunnen worden aangeslagen.
§2h. 28. De zakelijke lasten, in het eerste ontwerp genoemd, wer-
den in het gewijzigd ontwerp niet meer opgenomen, zoodat alleen
overbleven „de retributiën voor de uitoefening van het bedrijf
verschuldigd". Ter wegneming van de bestaande onzekerheid, of
de belastingen onder de kosten kunnen worden gebracht, werd
echter de bepaling nog in dien zin aangevuld, dat de directe be-
lastingen (met inbegrip dus der bedrijfsbelasting) uitdrukkelijk
van den aftrek zijn uitgezonderd, a)
a) De uitdrukking «retributiën en belastingen" heeft luidens de
Memorie van Antwoord op het Voorl. Verslag der Eerste Kamer eene
algemeene strekking en omvat ook de gemeentelijke retributiën en
belastingen (de directe uitgezonderd). Verder gaf de Minister daarin
te kennen, dat het gemeentelijk vergunningsrecht, bedoeld bij art. 6
der wet van 28 Juni 1881 (Stbl. no. 97), ook voor de toepassing der
zegelwet steeds is beschouwd als eene directe plaatselijke belasting.
Wordt evenwel met vergunning bedoeld de recognitie, die men heeft
te betalen, als vergoeding voor eene vergunning, om in eens anders
grond pijpen te leggen of over diens eigendom draden te spannen, dan
kunnen dergelijke recognitiën worden afgetrokken.
Als retributiën kunnen b.v. worden beschouwd tollen, wik- en weeg-
loonen, sluisgelden, enz. (verg. art. 238 Gem.wet).
§ 2 i. 29. Alleen voor de verplichte bijdragen voor pensioen of
fondsen wordt aftrek toegelaten. Die aftrek vindt zijn grond in
deze verplichting zelve, die niet altijd strookt met wenschen of
belangen. Aan het verlangen naar eene ruimere redactie, zoodat
alle bijdragen voor pensioenen (weduwen- en weezenpensioenen
inbegrepen) in het algemeen vrij zouden zijn, gaf de Minister
niet toe, omdat dit tot onbillijkheden zou leiden, daar de een zich
eene lijfrente verzekert, de ander zich een kapitaal vormt voor
den ouden dag en men deze twee personen, die langs verschil -
lende wegen hetzelfde doen, toch niet ongelijk zou kunnen be-
handelen. Intusschen merken wij hierbij op, dat door de volgende
litt. j aan dat verlangen tot zekere hoogte is te gemoet ge-
komen.
§ 2 j. 30. Deze bepaling werd hier ter plaatse ingevoegd op voorstel
van de Commissie van Rapporteurs en door den Minister over-
genomen. Zij is gegrond op billijkheidsmotieven om ook niet-
-ocr page 141-
131
Hoofdstuk I. — Art. 3.
ambtenaren tegemoet te komen daar litt. i hoofdzakelijk, zoo
niet uitsluitend ten goede komt aan ambtenaren. Het gekozen
cijfer is eenigszins willekeurig, maar in het onbepaalde den af-
trek toe te laten, zou een middel kunnen worden tot kapitaal-
vorming met het doel, inkomsten aan de belasting te onttrekken.
Voor ambtenaren geldt deze bepaling eveneens, zoodat hun, vol-
gens den heer A. van Dedbm, lid der Commissie van Rappor-
teurs, nog een nieuw voorrecht is toegestaan, waarvan velen, met
het oog op hunne verplichte kortingen, wel geen gebruik zullen
maken.
31. Uit de verwijzing naar art. 2 § 1 volgt, dat de aftrek kan
geschieden, zoowel van de inkomsten daar onder a vermeld als
die onder b. Zonder deze bepaalde uitbreiding zoude alleen kun-
nen worden afgetrokken van de onder a genoemde winsten en
belooningen, als enkel bedoeld in den aanhef van § 2 van dit
artikel 3.
§ 3. 32. Luidens het Voorl. Verslag (Eerste Kamer) vonden eenige
leden het onbillijk en strijdig met het stelsel der wet, dat uit-
gaven, volgens deze paragraaf, waartoe men verplicht is, niet als
kosten worden aangemerkt, maar de Minister kon deze opvatting
niet deelen, er voorts op wijzende, dat de belasting, bij gemis
van deze bepaling, al zeer weinig zoude opbrengen, a)
a) Ook bij de wet op de vermogensbelasting (verg. art. 8, laatste lid,
is dit punt ter sprake gekomen. De heer Havelaar herinnerde toen
aan art. 376 Burg. Wetb., waarin wordt bepaald, dat kinderen hunne
ouders en andere bloedverwanten in de opgaande linie moeten onder-
houden, wanneer zij behoeftig worden; hetzelfde geldt ook voor schoon-
ouders en in art. 378 is die verplichting wederkeerig gemaakt. Hij
vond het bijgevolg een zonderlingen toestand, dat men wel mag af-
trekken, indien men krachtens de wet zijne ouders en schoonouders
onderhoudt, doch dat omgekeerd de ouders niets in mindering mogen
brengen voor het onderhoud hunner kinderen. Naar het gevoelen van
den Minister stonden de gevallen echter niet gelijk, omdat de ver-
plichting van kinderen tegenover hunne ouders van anderen aard is,
dan die van ouders tegenover hunne kinderen.
33. Kosten voor opleiding van kinderen zijn uitgaven voor op-
voeding.
§ 4. 34. De vertrekken, bestemd voor kantoor, winkel, magazijn,
enz., moeten tevens dienen tot woning van den belastingplichtige
of zijn gezin of deel uitmaken van het perceel, waarin de woning
zich bevindt. Is het een noch het ander het geval, dan zal § 2,
litt. a, toepasselijk zijn, indien de belastingplichtige eigenaar, of
§ 2, litt. c, als hij huurder is.
35. Voor „huurwaarde" in het eerste ontwerp is, ten aanzien
van eigenaren, gesteld „kadastrale huurwaarde", omdat het hier
eigendommen geldt, waarbij de kadastrale huurwaarde maatstaf
kan zijn voor de raming van het vermogen, ingevolge de bepa-
lingen der wet op de vermogensbelasting, a)
a) Is de belastbare opbrengst van sommige eigendommen nog niet
bekend, dan zal de kadastrale huurwaarde van gelijksoortige perceelen
tot vergelijking kunnen dienen.
-ocr page 142-
132
Hoofdstuk I. — Art. 3.
36.     Aangeziea de begrooting voor den belastingplichtige te
goeder trouw, met het oog op het laatste lid dezer §, gevaarlijk
werk is, werd er volgens het Voorl. Verslag in een der afdee-
lingen op aangedrongen, de schatting steeds ambtshalve te
doen geschieden, behoudens appèl. De Minister kon de wensche-
lijkheid daarvan niet toegeven, ongetwijfeld ook denkende aan de
vermeerdering van werkzaamheden, welke daaruit voor de Ad-
ministratie zoude voortvloeien. Intusschen ligt in art. 12, § 1,
sub IV, het controle-middel tegenover hen, die biljet B ontvan-
gen. Voor hen, aan wie alleen biljet A wordt uitgereikt, heeft
feitelijk de schatting ambtshalve plaats.
37.     «Gevraagd werd" — aldus het Voorl. Verslag— ,of bij de
hier voorgeschreven berekening in aanmerking mag worden ge-
nomen, dat de belastingplichtige, ter wille van zijn bedrijf, ge-
dwongen is een grooter huis of wel een huis op duren stand te
bewonen." «Wordt bedoeld" — antwoordde de Minister— «grooter
dan het huis, dat hij zou bewonen, indien hij een ander beroep
of bedrijf uitoefende? Zoo ja, welk beroep of bedrijf moet dan
tot maatstaf dienen ? Of grooter dan het huis, dat hij bewonen
zou, indien hij van alle bedrijfs- of beroepsinkomen verstoken
ware?" Met deze vragen bleef het onderwerp verder rusten. Naar
onze meening echter is de begrooting volgens deze § slechts eene
schatting in verband met het aantal, de ruimte en de ligging der
vertrekken tot het geheel. De waarde der zaak, uit een oog-
punt van clientèle, behoort afgescheiden te blijven.
Betaalt een winkelier b. v. ƒ2000 huur en kan het aandeel a)
der huur van het gedeelte voor winkel en berging gebruikt in
verhouding tot het geheel op ƒ1000 worden gesteld, dan kan het
zijn, dat hij voor de resteerende ƒ 1000, naar zijn inkomen gere-
kend, te duur woont, doch deze omstandigheid blijft buiten aan-
merking. In den regel toch zal hij langs anderen weg nog wel
eenige tegemoetkoming in de huur kunnen vinden, b)
d) Het woord «aandeel" is met voordacht gekozen om aan te duiden,
dat de huur of huurwaarde van een perceelsgedeelte niet mag worden
begroot buiten evenredigheid tot die van het geheel.
b) Aan de «woning" waarvan in § 4 wordt gesproken, is het begrip
van domicilie niet verbonden. Men kan dus in een perceel wonen,
zonder juist daar ter plaatse gedomicilieerd te zijn.
38.     De wet, sprekende „van het deel, dat geheel of gedeelte-
lijk" voor bedrijf, beroep of ambt wordt gebezigd, drukt daar-
mede uit, dat b. v. bij eenen kleermaker, die de woonkamer tevens
tot werkplaats bezigt, deze kamer geheel in aanmerking komt bij
het bepalen der huur of kadastrale huurwaarde.
39.   Art. 1. De in art. \'S § 4 der bovengemelde wet bedoelde
kosten van schatting bedragen voor elke schatting ep voor de geza-
menlijke deskundigen, die daarvoor zijn aangewezen en tot de
schatting hebben medegewerkt, twee gulden van elke honderd
gulden of gedeelten van dien der huur van het gehuurde per-
ceel of, indien de belastingplichtige de eigenaar is, der kadastrale
huurwaarde van het kadastraal perceel, met bepaling dat die
-ocr page 143-
133
Hoofdstuk I. — Akt. 3.
kosten voor elk perceel de som van twintig gulden niet zullen
te boven gaan.
Art. 2. De deskundigen brengen den uitslag hunner schatting
schriftelijk ter kennis van den Voorzitter der Commissie van aan-
slag, door welke zij voor die schatting zijn aangewezen, a)
K. B. van 23 December 1893 (Stbl. n°. 218, Verz. 1891, n°. 1).
a) Deze schatting is voor de commissie verbindend.
§ 5. 40. In deze bepaling wordt ten overvloede herhaald, wat uit de
algemeene strekking van art. 3 § 2 a reeds van zelve volgt. De
winstuitkeering boven 4 % komt in aanslag, a) Waar de zetel
der vennootschap is, doet hier niets ter zake, mits slechts de
commanditaire vennooten in Nederland wonen.
Commanditaire vennootschappen op aandeel en zijn uitge-
zonderd, omdat volgens art. 5 de uitdeelingén in dien vorm
worden getroffen bij de bron.
a) Bedraagt het vermogen minder dan f 13000, dan zal feitelijk de
volle winstuitkeering in aanslag komen, want voor het vermogen, op-
gegeven in biljet A (verg. art. 12, § 1 V) heeft volgens art. 2 § 2 eene
bijtelling plaats. Boven f 13000 wordt vermogensbelasting geheven.
In dat geval komt alleen een aanslag in de bedrijfsbelasting tot stand
voor hetgeen meer wordt genoten dan 4 o/0.
41. De wet spreekt hier van winstuitkeeringen, genoten door
commanditaire vennooten.
Heeft men als gewoon geldschieter geld uitgeleend onder be-
ding, dat behalve eene vaste rente of ook zonder die bepaling,
een zeker deel van de winst zal worden genoten, dan is niet
deze paragraaf, maar art. 3 § 1 toepasselijk, waar ,aandeel in
winst of overwinst, bedongen of niet bedongen" als belastbare
bedrijfswinst wordt beschouwd. Wordt dus door den crediteur be-
dongen eene vaste rente van 6 °/0, dan valt hij buiten het bereik
dezer wet. Is daarentegen b.v. het beding gemaakt, dat behalve
\'1 °/0 nog een zeker percentage van de winst is verschuldigd, dan
zal dit laatste worden getroffen.
§ 6. 42. In het oorspronkelijk ontwerp waren pensioenen, wacht-
gelden en lijfrenten slechts belast naar 50 °/0 van hun bedrag.
Deze bepaling was gegrond op de humane overweging, dat de
meeste pensioenen genoten worden door personen, die door ouder-
dom, ziels- of lichaamsgebreken ongeschikt zijn tot arbeid, alsook
door weduwen en weezen, en, wat de lijfrenten en wachtgelden
betreft, omdat zij in vele gevallen niets anders zijn dan pen-
sioenen, tevwijl lijfrenten dikwijls worden gekocht door bejaarde
personen, die, zonder prijs te stellen op behoud van liet kapitaal,
langs dezen weg tot verbetering van hunne maatschappelijke po-
sitie komen. Luidens het Voorl. Verslag vond deze bepaling
echter geen algemeene instemming en werden bij de beraadslaging
in de Tweede Kamer de verschillende meeningen in bijna even-
veel amendementen omgezet van meer of minder wijde strekking,
al naarmate zich daaraan de vraag vastknoopte, in hoeverre het
hooger belasten van inkomsten uit bedrijf tegenover vastgestelde
inkomsten is te verdedigen. Het eerst kwam in behandeling een
-ocr page 144-
134
Hoofdstuk I. — Abt. 3.
amendement van den heer Poelman, dat de ontwerp-paragraaf met
de volgende zinsnede aanvulde : „De in art. 4 § 1 bedoelde vaste trak-
traktementen en alle andere voor bepaalden of onbepaalden tijd vast-
gestelde inkomsten worden berekend naar 75 ten honderd." De
voorsteller ontleende het argument voor deze aanvulling aan de
omstandigheid, dat er verschil van waarde bestaat tusschen de
z.g. vaste inkomsten en andere inkomsten van gelijk bedrag, ge-
trokken uit beroep en bedrijf, want eene bedrijfsonderneming heeft,
juist omdat zij bestaat, eene zakelijke waarde, die zij behoudt,
ook al gaat de zaak doorverkoop of overlijden in andere handen
over. Het kapitaal, dat de bedrijfsondernemer alzoo zonder be-
sparing vormt, kan door hen, die vastgestelde inkomsten genieten,
niet worden verkregen, dan — zoo al mogelijk — door besparingen
ten koste eener beperking van dikwijls noodzakelijke uitgaven.
Het tweede amendement van den heer Heemskerk bewoog zich
in dezelfde richting en had ten doel achter het woord «gevestigd"
in te lasschen de volgende woorden »en jaarwedden van hen, die
in militairen, kerkelijken of openbaren burgerlijken dienst zijn
geplaatst of bij het onderwijs of in dienst van vereenigingen of
instellingen van godsdienstigen of liefdadigen aard werkzaam zijn."
Ook aan deze categorie van belastingplichtigen wilde de heer
Heemskerk speciaal te gemoet komen met eene verlichting in
den druk, die de bedrijfsbelasting voor hen zal medebrengen. Beide
amendementen werden intusschen verworpen, het eerste met 76
tegen 16, het tweede met 79 tegen 13 stemmen.
Een amendement van den heer Van Beuningen, gesteund door
de meerderheid der Commissie van Rapporteurs, om § 7 (nu § 6)
geheel te doen vervallen, als leidende tot allerlei inconsequenties
en in strijd met h#et beginsel der wet, om alle inkomsten gelijkelijk
te belasten, verwierf evenmin eene meerderheid (57 tegen 35
stemmen). Zoo ook bleef in de minderheid, met 47 tegen 45
stemmen, een amendement van den heer Seret, om in de Re-
geeringsbepaling de reductie voor de lijfrenten uit te zonderen.
Alleen de heer Goeman Borgesius zag zijn amendement, over-
eenstemmende met de tegenwoordige redactie, aangenomen met
64 tegen 28 stemmen, nadat een gelijkluidend amendement van
den heer Ras, doch uitgebreid tot de in art. 4 § 1 bedoelde vaste
traktementen en andere voor bepaalden of onbepaalden tijd vast-
gestelde inkomsten, was verworpen.
Met het amendement Goeman Borgesius is dus voorkomen, dat
zonder voldoend motief, ook hooge pensioenen, wachtgelden en
lijfrenten slechts voor de helft in de belasting worden betrokken
en is, met betrekking tot de lijfrenten, tevens\' vermeden, dat
manipulaties met kapitaal belangrijke schade aan de schatkist
kunnen toebrengen.
43. Uitkeeringen, waartoe ouders of grootouders zich tegenover
aanstaande echtgenooten hebben verbonden, kunnen, naar de rui-
me bewoordingen van art. 1813 van het Burg. Wetb., als lijf-
renten worden aangemerkt. Daar het niet in de bedoeling lag op
deze de milde bepalingen van deze paragraaf toe te passen, werden
de beperkende woorden »mits deze laatste enz." bij eene
-ocr page 145-
Hoofdstuk I. — Abt. 3.                        135
nadere nota van wijzigingen door den Minister voorgesteld en alsnog
bij tweede lezing van het wetsontwerp zonder hoofdelijke stem-
ming opgenomen. Bij de behandeling van het amendement Goeman
BorgesiüS was n.1. op deze wijziging niet gelet.
Men vergelijke Boek I, Titel 8, Afd. 4 en Boek III, Titel 16,
Afd. 2, Burg. Wetb.
44. De vraag, of, bij gelijktijdig genot van pensioen en lijf-
rente, de hier bedoelde reductie op de afzonderlijke bedragen
moet worden toegepast, vordert o. i. eene ontkennende beant-
woording. Bedraagt het pensioen b.v. ƒ 1000 en trekt men boven-
dien nog eene lijfrente van ƒ1000, dan zou betaald behooren te
worden naar ƒ 2000 —ƒ500 = ƒ 1500, omdat het systeem der
wet medebrengt, dat men eerst de som der inkomsten vast-
stelt (art. 2 § 1) en daarna overgaat tot de aftrekkingen der uit-
gaven en reducties volgens art. 3. Intusschen merken wij op, dat
in het formulier beschrijvingsbiljet de vraag in anderen zin is
beslist en de reductie op elk bedrag afzonderlijk is toegelaten.
Een groot fiscaal belang is trouwens met de quaestie niet gemoeid,
gedachtig ook aan den bekenden regel: in dubio contra
f i s c u m.
45. De hier gekozen vorm voor de vrijstelling van de inkomsten
uit landbouw, enz., in plaats van haar op te nemen onder de
vrijstellingen van art. 8, was noodzakelijk om onzekerheid en ver-
warring te voorkomen. Ware geschreven: «de winsten van land-
bouwbedrijf zijn vrijgesteld", dan zouden gevallen te stellen zijn,
waarin, bij eene dergelijke formuleering, niemand zou weten, hoe
hij zijn inkomen becijferen moest. In verband met den aftrek van
4 °/0 en de compensatie van winst en verlies zou men telkens
voor groote moeielijkheden hebben gestaan. „In eene patentwet"
— aldus de Mem. van Antwoord •— «passen vrijstellingen van
bepaalde beroepen of bedrijven, omdat ieder beroep of bedrijf
daar afzonderlijk wordt belast; in eene wet als de nu voorge-
dragene daarentegen kan men wel personen, vereenigingen, maat-
schappijen, inrichtingen, enz. vrijstellen en ook bepaalde inkomsten
van personen, wanneer geen andere door hen genoten inkomsten
voor de belasting in aanmerking worden genomen. Maar bepaalde
inkomsten van ingezetenen vrij te stellen, heeft hier geen rede-
lijken zin, want naar dit wetsontwerp is het inkomen uit geen
enkel bedrijf of beroep onvoorwaardelijk belast. Wie ƒ2000 trak-
tement geniet, doch evenveel verlies heeft op eene onderneming,
betaalt niets. Het woord vrijstelling moet in zoodanige gevallen
verwarring stichten. Iemand, die eene betrekking bekleedt en vaste
goederen bezit, heeft die goederen verhypothekeerd, ten einde het
noodige bedrijfskapitaal te verkrijgen tot uitoefening van een
landbouwzaak. Welk licht geeft aan zulk een persoon de mede-
deeling, dat landbouwwinsten zijn .vrijgesteld"? In verband met
de bepalingen van het ontwerp, die aftrek van renten toelaten,
baart zij veelal onzekerheid. Niet eene vrijstelling is hier noodig,
maar een methode van berekening, waaruit vrijstel-
ling voortvloeit, en die heeft men in het ontwerp trachten te
-ocr page 146-
Hoofdstuk I. — Abt. 3.
geven. Ook de vermogensbelasting geeft geene vrijstelling van
bepaalde objecten; de aanhef van art. 6 luidt aldus: »Onder het
vermogen wordt niet begrepen" — eene formule, die hier niet
kon gevolgd worden en waarvoor de gekozene in de plaats trad.
De bedoeling is natuurlijk, dat de fiscus zich met de winst- en
verliesrekening van het landbouwbedrijf in het geheel niet zal
inlaten, dat bedrijf volkomen ignoreeren zal. Deze bedoeling
zal echter eerst dan worden bereikt, als de woorden: «worden
geacht geen hoogere winst op te leveren dan 4 percent" enz.
(art. 5, litt. o, van het eerste ontwerp) aldus worden gelezen:
«worden geacht een winst op te leveren van 4 percent". Bij deze
redactie blijven niet alleen de landbouwwinsten, maar ook de
landbouwverliezen buiten aanmerking. De persoon, die een ge-
salariëerd ambt bekleedt en tevens eene landbouwzaak drijft, zal,
bijaldien deze zaak hem schade berokkent, die schade niet in
mindering mogen brengen van zijn traktement, maar evenmin zal
hij verplicht zijn, om, indien er winst is, die winst onder zijn be-
lastbaar inkomen op te nemen.
46. Art. 3 handelt over physieke personen en, daar maat-
schappen groepen zijn van physieke personen, geldt dus ook de
vrijstelling voor hen, evenals voor lichamen, die geen vereeni-
gingen zijn in den zin der wet van 1855 en geen naamlooze ven-
nootschappen, (a—b)
Wat de boschmarken betreft, ,die zich in het kleed eener
vennootschap met aandeelen hebben gestoken", zal veel, zoo niet
alles, afhangen van den vorm, dien men aan dat kleed heeft ge-
geven. Is de opgerichte maatschap eene gewone b u r g e r 1 ij k e
maatschap, dan is niet zij, doch zijn casu quo hare ven-
nooten belastingplichtig. Is intusschen den vorm eener naamlooze
vennootschap of van een zedelijk lichaam gekozen, dan zal die
naamlooze vennootschap of vereeniging over hare uitkeeringen of
uitdeelingen belasting zijn verschuldigd.
a)    Men raadplege met betrekking tot de coöperatieve zuivelfabrieken
aant. 3 hierna, en wat betreft de stichtingen aant. 16a op art. 5.
b)    In antwoord op de opmerkingen in de afdeelingen der Eerste
Kamer gaf de Ministor, met betrekking tot dit onderwerp, in de Mem.
van Antw. nog de volgende toelichting: »Het ligt niet in de bedoeling
om de gewone burgerlijke maatschappen, bedoeld bij art. 1655 en volgg.
van het Burg. Wetb. als vereenigingen, waarvan sprake is in art. 1 6,
te beschouwen en hare uitdeelingen bij de bron te belasten. De leden
der maatschap zullen geacht worden zelve een inkomen te genieten uit
bedrijf, voor zoover hiervan sprake kan zijn, en daarbij vallen zij, wo-
nende binnen het Rijk, onder de bepalingen van art. 2—4 der wet.
Voor zoover zij buitenlanders zijn, geldt voor hen art. 1 e, alsook art 6 § 2.
Of de maatschap uitdrukkelijk is aangegaan, dan wel stilzwijgend
bestaat en of zij al of niet den vorm heeft aangenomen van een maat-
schap op aandeelen, maakt geen verschil. Maar wel zullen — indien
twee of meer eigenaars van onverdeelde of verdeelde landen of erven,
een maatschap aangaan, waarbij zij hun eigendom ten gemeenen koste
samenbrengen, om daaruit voordeel te verwerven — de mede-eigenaars
socii, die in het buitenland wonen, ook dan bedrijfsbelasting moeten
betalen, wanneer de door hen verkregen winsten uit landbouw ont-
spruiten. Dit is niet alleen het gevolg van de aanneming van het
amendement der Commissie van Rapporteurs op art. 6 8 2, waardoor
-ocr page 147-
Hoofdstuk I. — Art. 3.
137
de aftrek van 4 pet. is vervallen, maar ook hiervan, dat de bepaling
van art. 3 $ 7 voor hen niet geldt. De door hen genoten winstuitkee-
ringen zijn ten volle belastbaar.
Over het algemeen is het voor den belastingplicht geheel onver-
schillig, of men een bedrijf of beroep alleen, dan wel in maatschap met
anderen uitoefent. Slechts zijn de buitenlandsche vennooten — in
Nederlandsche maatschappen, betrekking hebbende tot de uitoefening
van eenig bedrijf of beroep — volgens art. 1 e belastingplichtig, ook al
oefenen zij niet persoonlijk hun bedrijf in Nederland uit."
Verg. aant. 20 op art. 1.
47.     Daar de vrijstelling is beperkt tot physieke personen en de
heeren Lieftinck en Gerritsen haar ook wenschten te zien uit-
gestrekt tot coöperatieve vereenigingen, werden door hen
in dien geest, ofschoon in eenigszins afwijkende redactie, amen-
dementen voorgesteld. Naar aanleiding echter eener opmerking
van den Minister, n. 1., dat reeds in § la van dit artikel de uit-
deelingen van coöperatieve vereenigingen zijn uitgezonderd, om-
dat deze volgens art. 5 bij de bron worden getroffen en de be-
handeling hunner amendementen dus daar ter plaatse thuis be-
hoorde, trok de heer Lieftinck zijn amendement in en werd dat
van den heer Gerritsen, als voor geen intrekking meer vat-
baar, verworpen, a)
Verg. de Inleiding bl. 39—40.
a) Een amendement van den heer Heldt, om tusschen de woorden
«samengaande" en «bereidingen" in te lasschen de woorden «niet fa-
briekmatige", ten einde fabriekmatige bereidingen van de vrijstelling
uit te sluiten, werd verworpen met 79 tegen 19 stemmen, op grond
voornamelijk, dat het begrip eener «fabriekmatige" bereiding voor
geen nauwkeurige definitie vatbaar werd geacht.
48.     De vraag in het Voorl. Verslag gesteld, of het de bedoe-
ling is, de hier gestelde presumtie ook toepasselijk te verklaren
op het landbouwbedrijf in Indië, werd door den Minister ontken-
nend beantwoord. De woorden .hier te lande", in den aan-
hef dezer paragraaf, heffen trouwens eiken twijfel daaromtrent op,
zoodat zij in het algemeen voor buitenlandsche of koloniale cul-
tuur- of mijnondernemingen niet geldt, a)
a) Voor deze gevallen eene speciale regeling in de wet op te nemen,
wat als zuivere bate zal worden aangemerkt, achtte de Minister niet
wel uitvoerbaar. De zuivere winst zal dus moeten worden becijferd,
volgens de regelen gesteld in art. 3 §§ 1—5.
49.     Die als ze tb o er tegen vastgesteld loon de boerderij drijft
voor den eigenaar-landbouwer (verg. bl. 8 der Inleiding) valt niet
onder d,e vrijstelling van deze paragraaf. Hij zal, evenals b. v.
een administrateur bij eenig landbouwbedrijf, belasting verschul-
digd zijn over de belooning. Deze personen kunnen niet gezegd
worden inkomsten uit landbouw te genieten, want zij staan
buiten alle risico van het bedrijf.
50.     Art. 3 ziet op binnen het Rijk wonenden. Wanneer dus
buitenlanders hier te lande het landbouwbedrijf uitoefenen, het-
geen in de grensstreken kan voorkomen, dan geldt de vrijstelling
niet en zijn deze personen te rangschikken onder art. 1, litt. h,
en volgens art. 6 § 5 de bepalingen van art. 3 ook op hen van
-ocr page 148-
138
Hoofdstuk 1. — Art. 3.
toepassing. Wanneer dus een Pruisisch of Belgisch landbouwer
in Nederland eene boerderij exploiteert, dan wordt hij geacht hier
te lande 4 °/0 winst te maken, indien hij met eigen bedrijfs-
kapitaal werkt, daar aftrek van rente luidens het aangehaalde
art. 6, § 5, le lid, hem niet is toegestaan. Werkt hij echter met
opgenomen kapitaal, dan zal hij geen belasting verschuldigd
zijn, want in dit geval onderstelt § 7 geen hoogere inkomsten
dan de bedongen rentevoet, dien hij mag aftrekken (art. 3 § 2) a).
a) Hetgeen hier van het landbouwbedrijf is gezegd, geldt eveneens
voor de andere in § 7 daarmede gelijk gestelde bedrijven. Of een bui-
tenlander hier te lande exploiteert, is eene feitelijke quaestie, voor
ieder geval op zich te beoordeelen. Vaste regelen zijn daaromtrent
niet te stellen. Liggen b.v. van eene Pruisische boerderij enkele stuk-
ken land op Nederiandsch grondgebied en maken deze van het geheel
slechts een klein gedeelte uit, dan zal er in gezonden zin, ook met het
oog op het vrijgestelde bedrag in tarief A van art. 9, wel geen sprake
kunnen zijn van eene geregelde uitoefening van het bedrijf hier te
lande. Maar men zou kunnen aannemen, dat dit wèl het geval is,
indien b.v. van het land, tot de boerderij behoorende, het overwegende
deel in Nederland ligt, al staat de boerderij (behuizing) zelve op Prui-
sisch grondgebied. De commissie van aanslag zal hierover hebben te
oordeelen en bij verschil van gevoelen beslist de Provinciale Inspecteur,
gehoord den Rijksadvocaat, behoudens de bevoegdheid van den belang-
hebbende om in appèl te komen bij den Raad van beroep.
51. Wat men heeft te verstaan onder de met den landbouw,
enz., gewoonlijk samengaande bereidingen is eene vraag
van feitelijken aard en afhankelijk van de gebruiken hier te lande,
die echter zeer verschillend kunnen zijn a). Zoo vindt men streken,
waar de landbouwers de appelen van eigen boomgaarden ver-
werken tot stroop, elders weer houdt men uitgestrekte tuinen van
bessestruiken ter vervaardiging van aalbessenwijn. Daar ter
plaatse is dit dus een gebruikelijk accessoire van de vruchtenteelt.
Een van de meest sprekende gevallen, die de wetgever op het
oog heeft, is zeker wel de bereiding van boter en kaas van eigen
vee; maar koopt b.v. een veehouder voortdurend vee op — buiten
het geval dat dit enkel geschiedt tot aanvulling van zijnen stal —
met het doel, om dit weer te verkoopen, dan vormt dit eenen
afzonderlijken handel buiten verband met het bedrijf van vee-
houder en wordt hij voor de winsten uit dien hoofde belasting-
plichtig, evenals een groenteboer, die behalve eigen gekweekte
groenten ook nog gekochte groenten verkoopt b). Zoo ook is
het geen gebruikelijk accessoire als een landbouwer eigen geteeld
graan maalt, jenever stookt en suiker fabriceert uit eigen geteelde
aardappelen en bieten. Evenmin kan, luidens de Mem. van Antw.
op het Voorl. Verslag der Eerste Kamer, het fabriceeren van
turfstrooisel uit eigen veen of het bereiden van vruchtenstroop
door boomkweekers onder de vrijstelling worden begrepen.
o) De wet vordert, dat de samengaande bereiding van het voort-
gebrachte geschiedt door de voortbrengers zelve. Aan deze bepaling
ligt niet het beperkte denkbeeld ten grondslag, dat de voortbrengers die
bereiding zelve moeten doen. Aan de wet wordt voldaan, indien zij slechts
plaats heeft onder hunne rechtstreeksche leiding en voor eigen risico.
6) Is de vereeniging der bedrijven zóó nauw, dat het kapitaal, in
de vrijgestelde bedrijven aangewend, niet afzonderlijk te begrooten is,
-ocr page 149-
Hoofdstuk I. — Art. 3.
139
dan vervalt de wettelijke fictie en wordt dus de belasting verschuldigd
over al de inkomsten zonder uitzondering. Verg. sub lo. dezer § 7.
52.     Het oogsten van veld- en boomvruchten en het rooien en
schillen van hout door handelaren, die een en ander tot dat einde
gekocht hebben, is belastingplichtig.
53.     In het eerste ontwerp was de vrijstelling van de boom-
en bloembollenkweekerij, onverschillig of daarbij
eenige bloemisterij op kleine schaal wordt gedreven,
niet opgenomen. Luidens het Voorl. Verslag bestond voor de
uitzondering dezer cultuur geen voldoend motief, als verder het
winnen van vruchten van den bodem niet belastingplichtig maakt.
Als criterium voor de vrijstelling te nemen, welke bedrijven tot
nu toe patentplichtig waren en welke niet, van welk standpunt
bij het ontwerp blijkbaar was uitgegaan, achtte men minder juist.
Naar aanleiding van deze opmerkingen kwam de Minister op zijne
vroegere meening terug, overwegende, dat bloembollencultuur en
landbouw vaak nauw zijn saamgeweven a) en uit vrees vooral,
dat door fiscale bepalingen eene richting zou worden gegeven aan
eene cultuur, welke met de oeconomische belangen der bevolking
in strijd zou zijn, waarbij de Minister inzonderheid dacht aan de
cultuur, zooals die in het Westland zich zoo schoon ontwikkelt.
Daargelaten nog het geringe fiscale belang, bij deze vrijstelling
betrokken, kwam ook het argument, door den heer Rekkers bij-
gebracht, den Minister gegrond voor, n.1. dat bij de herziening
der ongebouwde eigendommen de bloembollenlanden, die hunne
waarde grootendeels ontleenen aan arbeid en kapitaal, zeer hoog
zijn geschat.
Een amendement van den heer Heldt, dat beoogde, om, bij
verwerping van het amendement Poelman (zie bl. 8 der Inleiding),
de hier besproken cultuur toch van de vrijstelling uit te zonderen,
als betreffende eene bijzondere bevoorrechting van eene klasse
van personen, die, naar zijn gevoelen, daarop geen aanspraak kan
maken, bleef met 70 tegen 22 stemmen in de minderheid, (b-c).
o) Bij de bloemisterij bestaat die samenhang met het landbouw-
bedrijf niet, althans niet op eenigszins groote schaal, en wordt zij op
kleine schaal in vereeniging met andere cultuur uitgeoefend, dan ligt
hierin geen grond voor belastingplichtigheid. Verg. het 2e lid, sub b,
dezer § 7.
b)    De vraag van den heer Mees, of de bloembollenkweekers zullen
worden aangeslagen als kooplieden, m. a. w. of de handel in bloembollen
vrij zal zijn of niet, beantwoordde de Minister ontkennend, wanneer
die handel is een zelfstandig bedrijf, doch bevestigend, voor zoover die
handel het direct en onvermijdelijk gevolg is van de bloembollencultuur.
Wanneer het een het geval zal zijn, wanneer het ander, kan bij de
uitvoering der wet, onder deskundige voorlichting, ter sprake komen.
c)    De meening, uitgedrukt in het adres der aïgemeene vereeniging
voor bloembollencultuur, dat de kooper, die te veld staande bloembollen
heeft gekocht met het recht, om ze nog eenige maanden te laten
groeien, buiten de bedrijfsbelasting zou vallen, indien hij na dien tijd
de bollen gedeeltelijk verkoopt en gedeeltelijk in zijne kweekerij op-
noemt, werd door den heer A. van Dedkh niet gedeeld, want zoo
iemand beschouwde hij als een gewoon handelaar.
Doet zich het geva) voor, dat iemand, die kweeker van bloembollen
is, nog daarin handel drijft, dan zal men de kapitalen in elk der be-
-ocr page 150-
140                     Hoofdstuk I. — Artt. 3 — 4.
drijven aangewend, afzonderlijk moeten begrooten. Is dit niet mogelijk,
dan vervalt de vrijstelling en geldt ook de wettelijke presumtie be-
trekkelijk het winstcijfer niet meer. Verg. sub lo. dezer § 7.
54. De mijnen zijn bij de wet van 21 April 1810 (Bulletin
des lois, n°. 283) aan eene afzonderlijke belasting onderworpen.
Krachtens art. 35 dier wet bestaat die belasting uit een vast recht
van 10 francs \'s jaars per vierkanten kilometer en een jaarlijksch
evenredig recht, dat 5 percent der zuivere opbrengst niet mag te
boven gaan, doch sedert eene lange reeks van jaren 2l/2 pet.
bedraagt. Het kwam den Minister voor, dat het mijnwezen af-
zonderlijk belast moet blijven en dus niet in de bedrijfsbelasting
moet vallen. Behoeft het mijnrecht verhooging, dan zou het, in
verband met deze wet, kunnen worden gewijzigd, a)
a) Geschiedt de exploitatie van steengroeven en mijnen door naam-
looze vennootschappen, enz. (art. 5 § 1) of door buitenlanders (art. 6 $ 5),
dan is dit art. 3 § 7 niet van toepassing.
De wettelijke uitdrukking in natura geeft eene beperking aan in dien
zin, dat men b.v. de uitgehouwen steen niet zoover mag bewerken, dat
daardoor een nieuw handelsartikel ontstaat.
§7,
2e lid. 55. Met deze bepaling is tegemoet gekomen aan het be-
zwaar, dat landbouw met handel of andere bedrijven kan ver-
eenigd zijn. Is die vereeniging zóó nauw, dat men de aange-
wende kapitalen niet kan onderscheiden, zoo gelden de gewone
bepalingen der wet. a)
a) Het oordeel over de afzonderlijke begrooting van het in andere
bedrijven aangewende kapitaal, behoort in de eerste plaats bij den be-
lastingplichtige zelf. Verdient hij veel met landbouw, weinig met andere
bedrijven, zoo brengt zijn belang allicht mede, dat hij dit aantoont.
»Er zullen gevallen zijn" — aldus de Memorie van Antwoord— «waarin
splitsing onmogelijk is, maar ook andere, waarin zij, ernstig beproefd,
met voldoende nauwkeurigheid kan geschieden, en tusschen die ge-
vallen zal men allengs leeren onderscheiden. Bij blijvend verschil van
meening zal de Raad van beroep te beslissen hebben. De praktijk zal
ook hier van lieverlede de noodige ervaring schenken."
Art. 4. Voor de toepassing van het in de artt. 2 en 3 be-
paalde gelden de volgende regelen:
§ 1. Vaste traktementen en alle andere voor bepaalden of
onbepaalden tijd vastgestelde inkomsten uit bedrijven, beroe-
pen, ambten, waardigheden, bedieningen of betrekkingen, be-
nevens wachtgelden, pensioenen, lijfrenten en andere perio-
dieke uitkeeringen belastbaar volgens deze wet, als ook vaste
toelagen van buitenslands gevestigden, worden berekend naar
het jaarlijksch bedrag bij den aanvang van het belastingjaar,
of bij lateren aanvang van belastingplichtigheid, op het tijd-
stip van dien aanvang; een en ander verminderd, voor zoover
dit pas geeft, met het bedrag der vermoedelijke rente, kosten,
afschrijvingen, bijdragen, retributiën, kortingen en premiën,
berekend overeenkomstig art. 3 §§ 2 — 4.
-ocr page 151-
141
Hoofdstuk I. — Abt. 4.
Andere toelagen van buitenslands gevestigden worden bere-
kend naar het vermoedelijk bedrag.
§ 2. Inkomsten wegens tijdelijke werkzaamheden worden
gebracht onder de inkomsten van het belastingjaar, volgend
op dat waarin zij zijn ontvangen.
§ 3. Alle overige inkomsten bedoeld bij art. 2 § 1, daar-
onder begrepen dag- en weekloonen, worden berekend naar het
gemiddeld per jaar over de drie laatste kalenderjaren ontvan-
gen bedrag.
Is een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of be-
trekking nog geen drie jaar door den belastingplichtige hier
te lande uitgeoefend, dan worden de daaruit verkregen in-
komsten berekend over het tijdsverloop tusschen den aanvang
of de aanvaarding van dat bedrijf, beroep of ambt of die waar-
digheid, bediening of betrekking en het einde van het laatste
kalenderjaar, de maand van aanvang voor eene geheele gerekend.
Is het bedrijf, beroep of ambt of de waardigheid, bediening
of betrekking nog geen jaar door den belastingplichtige hier
te lande uitgeoefend, dan wordt de jaarlijksche winst of be-
looning begroot.
Valt het boekjaar van eene onderneming of bedrijf niet sa-
men met het kalenderjaar, dan treedt het boekjaar daarvoor
in de plaats.
Door bloote verandering in den vorm, den omvang of den
naam van een bedrijf of beroep, of door bevordering of be-
noeming tot een ander ambt of eene andere waardigheid, be-
trekking of bediening in militairen, kerkelij ken of openbaren
burgerlijken dienst of wel in dienst van handel of nijverheid,
wordt niet geacht aanvang of aanvaarding plaats te grijpen;
tenzij de maatstaf van belooning of de toepassing daarvan ge-
heel of gedeeltelijk verandering heeft ondergaan, eene bestaande
winstverdeeling vervalt of gewijzigd wordt, of eene nieuwe
ontstaat.
De aanslag voor het loopende belastingjaar, door de com-
missie van aanslag bedoeld in art. 19 vastgesteld, blijft echter
ook dan ongewijzigd.
§§ 1-3. I. In dit art. 4 wordt geregeld op welke wijze, wat den tijd
betreft, de inkomsten worden berekend voor natuurlijke per-
sonen, die hier te lande wonen of zich hier metterwoon vestigen.
De hoofdgedachte is, dat de toestand bij den aanvang van het
dienstjaar grondslag is van de berekening en dat men in dit
geval vermoedens aanneemt omtrent het bedrag, hetwelk de
-ocr page 152-
Hoofdstuk I. — Art. 4.
belastingschuldige in den loop van het aangevangen
dienstjaar zal genieten, m. a. w. de toekomstige
baten, die van het ingaande belastingjaar, zullen worden belast.
In § 1 steunt dat vermoeden op contracten, aanstellingen, vaste
regelingen, enz. Het geldt hier inkomsten, waaromtrent geen
gissing behoeft gemaakt te worden, waaromtrent zekerheid be-
staat, waar men dus feiten voor zich heeft. Heeft men echter met be-
drijven of beroepen te doen met wisselvallige inkomsten, dan
ontleent men volgens § 3 aan het verleden het vermoeden voor
de vermoedelijke uitkomsten van het ingetreden belastingjaar, a)
Daarvoor is in overeenstemming met art. 8 der vermogensbelasting
een driejarig of casu quo korter tijdvak aangenomen, waarbij de
fout, die aan vele buitenlandsche wetgevingen kleeft, n.1. van de
verliesjaren niet mede te tellen, is vermeden. Op dien regel zijn
twee uitzonderingen. De eene betreft de onvaste toelagen van
buitenslands gevestigden (b-c); de andere betreft de inkomsten
wegens tijdelijke werkzaamheden. Alleen § 2, waar deze in-
komsten zijn vermeld, is eene bepaalde afwijking van het voor
physieke personen gekozen stelsel, doch eene zeer noodige. Het
verleden dient hier niet tot maatstaf voor de toekomst; de be-
doelde inkomsten — om het even of het waarschijnlijk is of niet,
dat zij in het beginnend belastingjaar terugkeeren — worden
onder de inkomsten van dat jaar «gebracht". Met opzet, zeide de
Minister, is dit woord gekozen, daar geen beter middel werd ge-
vonden, om inkomsten wegens tijdelijke werkzaamheden niet te
doen ontsnappen, d)
a)    Wanneer dat vermoeden door omstandigheden, die in den loop
van het dienstjaar intreden, wordt beschaamd, wanneer het uitgangs-
punt, waarnaar men de belasting regelde, blijkt niet te blijven voort-
bestaan in den loop van het belastingjaar, dan heeft men de bepalingen
van de artt. 38, 39 en 40, omtrent overlijden, staking van bedrijf, enz.
b)    Zijn aan dezelfde betrekking zoowel vaste als wisselvallige in-
komsten verbonden, dan wordt voor de eerste de berekening naar 8 1,
voor de laatste die naar § 3 gevolgd en dus, wat de wisselvallige be-
treft, ook met inachtneming der regelen voor de berekening over korter
tijdvak dan drie jaar.
c)    »Vast" — merkte de Minister tusschen haakjes op — »in den
strengsten zin is menige toelage niet, al laat zich haar ^vermoedelijk
bedrag"
zeer wel bepalen."
d)    Ontstaat de belastingplichtigheid eerst in den loop van het be-
lastingjaar, ook dan moeten de inkomsten wegens tijdelijke werkzaam-
heden, in het vorig jaar genoten, worden bijgeteld.
2. Door den heer Vrolik werd een amendement voorgesteld,
dat in hoofdzaak ten doel had, om de §§ 1 en 2 van dit artikel
te doen vervallen. Daarmede trachtte hij te bereiken, om ook hen,
die vaste traktementen genieten, onder den algemeenen regel van
§ 3 te brengen en dus te vermijden, dat voor iemand met vast
traktement de aanslag steeds zal plaats hebben naar het hoogste
cijfer, dat zijn inkomen naar de laatste promotie bereikte. De
voorsteller noemde het minder humaan, juist bedoelde categorie
van personen nimmer te doen profiteeren van de gemiddelde
inkomsten, welke allicht minder zullen bedragen dan die op 1° Mei.
-ocr page 153-
Hoofdstuk I. — Art. 4.
143
Daarbij wenschte hij § 3 in dien zin te lezen, dat als belastbaar
bedrag der inkomsten, bedoeld in art. 2 § 1, zou worden aange-
nomen twaalfmaal het gemiddelde der belastbare bedragen, uit
gelijksoortige inkomsten in den loop der drie laatste kalen-
derjaren per maand verkregen. Daar de wijzigingen geheel in
strijd waren met het stelsel van het artikel, zooals dit hiervoor
in aant. 1 is omschreven, viel het niet moeielijk den heer Vrolik
te bestrijden. De Minister wees er bovendien op, dat niet altijd
het vaste traktement op 1° Mei mdér zal bedragen dan bet g e-
middelde, omdat iemand meermalen inkomsten opoffert, ten
einde een aangenamer en rustiger werkkring te krijgen of om
andere redenen eene betrekking aanvaardt, waaraan minder finan-
ciëele voordeden zijn verbonden. Ook in de uitdrukking gelijk-
s oor tig zag de Minister een bron van quaesties. Het amendement
werd intusschen verworpen met 46 tegen 22 stemmen.
§ I. 3. Zonder de uitdrukkelijke vermelding in § 1, dat de aftrek-
kingen wegens vermoedelijke rente en dergelijke kosten overeen-
komstig de §§ 2—4 van art. 3 kan geschieden, zou dit niet mo-
gelijk zijn geweest, omdat hier wordt gesproken niet van „in-
komsten", maar van «vaste traktementen" en gezegd wordt, dat die
berekend moeten worden voor het jaarlijksch bedrag bij den aan-
vang van het belastingjaar. In de andere §§ wordt echter ge-
sproken van «inkomsten" en wat daaronder te verstaan is, leert
art. 3. Bovendien heeft men daar te doen met kosten, die reeds
gemaakt zijn, met uitgaven, die reeds plaats hebben gevonden,
terwijl in §1 sprake is van vermoedelijke kosten.
4. Wat onder «aanvang van belastingplichtigheid"
is te verstaan, wordt vermeld in art. 11.
§ 2. 5. «Wanneer iemand uit verschillende beroepen afwisselende in-
komsten trekt, dan is een van beide het geval, óf het zijn be-
roepen, die aan den persoon, die ze uitoefent, permanent zekere
qualiteit geven en dan vallen ze onder § 3, óf de uitoefening is
slechts occasionally, toevallig, tijdelijk, vallende onder § 2.
Geeft iemand b.v. op 1° Mei niet aan, dat hij is hotelhouder,
maar wordt hij door den loop der omstandigheden gedurende een
paar maanden belast met het houden van een hotel, waardoor hij
een zeker inkomen verwerft, dan wordt niet § 3, maar § 2 toegepast."
Aldus de heer van Houten, bij de beraadslaging over art. 2. a)
a) Heeft iemand, zonder schrijver van beroep te zijn, het een of
ander werk bezorgd, waarvoor hij honorarium genoot, of is hij opge-
treden als executeur-testamentair, bewindvoerder, lid eener examen-
commissie (zonder daartoe permanent benoemd te zijn), dan worden de
verkregen inkomsten geacht, uit tijdelijke werkzaamheden te zijn voort-
gesproten.
Wordt bij uitzondering een der crediteuren aangesteld tot curator
             in een faillissement, dan verricht deze tijdelijke werkzaamheid, in tegen-
stelling met den advocaat, tot wiens geregelde werkzaamheden dergelijke
opdrachten behooren.
6. Luidens de overgangsbepaling van art. 56 blijven de hier
bedoelde inkomsten in het belastingjaar 1894/5 buiten aanmerking.
-ocr page 154-
144
Hoofdstuk I. — Art. 4.
§3,1° en
2\' zinsn. 7. Op eene vraag van den heer van Beuningen, of men, indien van
5 bedrijven met 1 Mei slechts 4 gecontinueerd worden, dan toch over
5 bedrijven zal worden aangeslagen, antwoordde de Minister, dat het
vroegere inkomen uit het gestaakte bedrijf niet in rekening zal be-
hoeven te komen bij de becijfering van het gemiddelde, (a-b)
a) Als iemand een beroep of bedrijf heeft uitgeoefend, maar dat in
den aanvang van het belastingjaar laat varen, dan is er ook geen aan-
leiding, om daarvoor belasting te heffen, omdat de basis van belasting-
plichtigheid ontbreekt. Men oefent dan geen beroep of bedrijf meer uit.
Die vóór 1 Mei aftreedt als ambtenaar, als directeur eener naamlooze
vennootschap, mag niet belast worden wegens verdiensten genoten in
het verleden, want steeds wordt belast, wat iemand genieten zal. Op
dat beginsel is slechts eene uitzondering, n.1. ten aanzien van tijdelijke
werkzaamheden.
6) Hieruit volgt, dat zooveel mogelijk bij gelijktijdige uitoefening
van verschillende bedrijven, enz. de winsten uit ieder bedrijf afzonder-
lijk moeten worden bepaald, omdat, al naarmate een bedrijf langer of
korter tijd is uitgeoefend, de berekening van het gemiddelde verschilt
of wel eene begrooting van inkomsten plaats heeft.
8. Voor de hier aangegeven wijze van berekening kan in de
eerste drie belastingjaren de overgangsbepaling in art. 57 in de
plaats treden.
§3,
zinsn. 9. „Deze bepaling" — aldus de Mem. van Antw. — »is ook
in de buitenlandsche wetgevingen op de inkomstenbelasting een
der meest stereotype en zij kan niet gemist worden. Zonder haar
zou men b.v. een nieuw benoemden ambtenaar, wiens inkomen
louter uit percenten van de ontvangsten of uit emolumenten be-
staat en den zoon, die zijn vader opvolgt in een gevestigde zaak,
een jaar lang moeten vrijlaten." a)
a) Het geldt hier eene begrooting, die over het eerste jaar ook
wordt toegepast bij overname van qen bedrijf. Daarbij zullen dan de
verdiensten van den voorganger veelal wel tot richtsnoer kunnen die-
nen, doch niet tot maatstaf der heffing, want dikwijls zal het voor-
komen, dat het belastbaar inkomen van den opvolger beduidend verschilt
met dat van den voorganger. Het geval kan zich echter ook voordoen,
dat een belastingplichtige volgens art. 1 h zijne woonplaats naar Neder-
land overbrengt, zonder dat overigens eenige verandering is gebracht
in het bedrijf. Hij zal dus gerangschikt worden onder art. 1 a, maar
bij de begrooting der winsten kunnen dan vorige jaren tot maatstaf
worden genomen (verg. art. 11 § 3 b). Anders zal het zijn, indien
iemand buiten het Rijk zijne zaak naar Nederland verplaatst, daar bij
de begrooting in dit geval vorige jaren buiten rekening moeten blijven,
omdat de wet daarvoor de uitoefening hier te lande onderstelt.
§3,
zinsn. 10. In- deze zinsnede wordt geregeld, wanneer er sprake mag
zijn van aanvang van een nieuw bedrijf, enz. en wanneer van
continuïteit. Als b. v. een commissionnair in effecten zich make-
laar gaat noemen, eene firma wordt veranderd, voor een associé, \'
die uittreedt, een ander in de plaats komt, een ontvanger der
registratie te A. ontvanger wordt te B., dan geldt dit niet voor
sluiting eener periode en aanvang van eene nieuwe.
Zoodra echter «de maatstaf van belooning of de toe-
passing daarvan geheel oi\' gedeeltelijk verandering
-ocr page 155-
Hoofdstuk I. — Artt. 4 — 5.                     145
heeft ondergaan" of zoodra «eene bestaande winstver-
deeling vervalt of gewijzigd wordt of eene nieuwe
ontstaat" — b. v. een ontvanger der registratie wordt benoemd
tot hypotheekbewaarder, een hoofdbeambte eener naamlooze ven-
nootschap, vroeger in het genot van gratificatie, berekend naar
zijn salaris, wordt directeur met genot van tantièmes, een associé
treedt uit, zonder vervangen te worden of een associé wordt op-
genomen, dan begint in al die gevallen een nieuw tijdvak en on-
dergaat de maatstaf der belooning of de winstverdeeling veran-
dering. (a-b)
a) De 5e zinsnede bepaalt den aanvang en de aanvaarding, waarvan
in de 2e zinsnede wordt gespreken. In welken zin men deze woorden
heeft op te vatten, leert o. a., wat de binnen het Rijk wonenden betreft,
art. 11 § 8 a. Is men reeds op lo Mei belastingplichtig, dan blijft elke
vermeerdering van bedrijven, beroepen, enz. in den loop van dat jaar
buiten aanmerking.
Men verlieze overigens niet uit het oog, dat de geheele § 3 ziet op
wisselvallige inkomsten.
6) Is die wijziging ingetreden in den loop van het belastingjaar, zoo
blijft toch gedurende dat jaar de aanslag onveranderd luidens de slot-
bepaling dezer zinsnede. Eerst bij den aanvang van het nieuwe wordt
daarmede rekening gehouden en heeft er voor dat jaar eene begrooting
van inkomsten plaats overeenkomstig de 3e zinsnede dezer paragraaf.
11.     Voor de toepassing dezer zinsnede blijft er eenige moeie-
lijkheid over, wanneer n.1. niet een nieuw beroep aanvaard of een
nieuwe tak van bedrijf geopend noch een oude tak van bedrijf
gestaakt, maar binnen de algemeene grenzen van hetgeen tot één
en hetzelfde bedrijf wordt gerekend, wijziging wordt gemaakt, a)
In zulk een geval staat men altijd voor moeielijkheden, als men
de uitkomsten van vorige jaren absoluut wil berekenen en hier-
omtrent in eene wet voorzieningen op te nemen, is een niet te
overwinnen bezwaar. Bij de toepassing eener wet blijven er steeds
zaken over, die tusschen commissie en belastingschuldigen behan-
deld en beslist moeten worden. «Als eene wet" — zeide de heer van
Houten — «de mathematische zekerheid moest geven, dat zij bij
de uitvoering in alles altijd absoluut billijk zal worden toegepast,
alsof eene machine alles regelde, dan zou het onmogelijk worden
wetten te maken. Altijd zullen er zaken overblijven, die afhan-
kelijk zijn van appreciatie, van beslissing ex bon e et aequo."
En zulk eene toepassing zal ook bij eene ongewijzigde redactie
niet zijn uitgesloten of belemmerd, omdat, zoodra er zich belang-
rijke invloeden doen gelden, zulks wel te brengen is onder staking
van het bedrijf, al betreft het in een ensemble van bedrijven
slechts een onderdeel.
a) B.v. wanneer een machinefabrikant ophoudt met het maken van
locomotieven als onderdeel van zijne fabriek.
12.     Met personen «in dienst van handel en n ij verheid"
worden bedoeld alle personen, die in handel of nijverheid eene
betrekking bekleeden.
Art. \'S. § 1. De vennootschappen, vereenigingen en maat-
schappijen bedoeld bij art. 1& zijn belastingplichtig naar het
10
-ocr page 156-
146                       Hoofdstuk I. — Abt. 5.
bedrag van hare gewone en buitengewone uitdeelingen, van
welken aard ook, gedurende het belastingjaar aan oprichters,
concessionarissen, preferente en gewone aandeelhouders, leden
en andere deelgerechtigden in de winst, daaronder niet be-
grepen:
a.    uitdeelingen aan beheerende vennooten, bestuurders, com-
missarissen, gecommitteerden en verder personeel als zoodanig;
b.    uitdeelingen of uitkeeringen aan onderstand genietenden
in deze hunne eigenschap en aan verzekerden, voor zooveel de
bedragen betreft, waarvoor verzekerd is;
c.    uitdeelingen bestaande in teruggave van betaalde con-
tributiën, voor zoover deze niet geschieden door vereenigingen,
die eene winkelnering of eene fabriek of handwerk drijven.
Kan worden aangetoond, dat in de uitdeeling tevens aflos-
sing van kapitaal is begrepen en zoo ja, tot welk bedrag, dan
wordt dat bedrag van die uitdeeling afgetrokken, totdat het
geheele bedrag van het gestorte kapitaal is afgelost of afge-
schreven.
Bij schrij ving op en uitreiking van aandeelen of obligatiën,
voor zoover daarvoor geen storting plaats heeft, en uitkeering
van het batig saldo in geval van liquidatie, voor zoover dit
saldo het gestorte, doch nog niet afgeloste of afgeschreven
kapitaal overtreft, worden als uitdeelingen aangemerkt.
Het bedrag, dat in een boekjaar, waarover de uitdeeling ge-
schiedt, door in art. lb genoemde vennootschappen, vereeni-
gingen en maatschappijen is ontvangen ter zake van het be-
zit van aandeelen op naam in andere zoodanige vennootschap-
pen, vereenigingen of maatschappijen, wordt van die uitdee-
ling afgetrokken.
§ 2. De reederyen bedoeld bjj art. lc zijn belastingplichtig
naar het gemiddeld bedrag der uitkeeringen aan deelhebbers
in de laatste drie jaren of, indien de reederij nog geen drie
jaar heeft bestaan, sedert zij een aanvang nam, verminderd
met eene rente op den voet van zeven ten honderd in het
jaar over het aan de deelhebbers toebehoorend in de onder-
neming aangewend kapitaal.
Bij liquidatie geldt als winst wat meer wordt uitgekeerd
dan het gestorte kapitaal.
§ 3. Met afwijking van het bepaalde by § 1 zijn sociëteiten
belastingplichtig naar het bedrag over het vorige boekjaar der
-ocr page 157-
Hoofdstuk I. — Abt. 5.                       147
contributiën, entreegelden en ontvangsten wegens de levering
van eet- en drinkwaren, verpacht of niet verpacht, en het ver-
schaffen van uitspanning aan leden of geïntroduceerden, een
en ander na aftrek van de rente, kosten, afschrijvingen, bij-
dragen, winstuitkeeringen en retributiën, bedoeld hy artikel 3
§ 2; alles onverminderd de belastingplichtigheid van den pach-
ter, kastelein of buffethouder.
§ 4. De stichtingen, bedoeld bij art. lc, zijn belastingplich-
tig naar het zuiver bedrag van de som der inkomsten, bere-
kend volgens* artikel 3, uit de door haar uitgeoefende bedrij-
ven en beroepen, met uitzondering, dat hierbij geen aftrek
voor rente van eigen kapitalen wordt toegestaan.
§ I. I. Een amendement van den heer van Karnebeek om, ter voor-
koming van dubbele belasting, voor de hier bedoelde vennoot-
schappen, vereenigingen en maatschappijen een aftrek van 4 °/0
over de geldswaarde der gezamenlijke uitgegeven aandeelen toe te
laten werd verworpen. Men raadplege daarover de Inleiding, bl. 8—9.
2.     Over het amendement van den heer van Karnebeek en
dat van den heer Kerdijk, betrekkelijk de coöperatieve
vereenigingen, alsmede dat van den heer Lieftinck, betrek-
keiijk de coöperatieve zuivelfabrieken, vergelijke men
de Inleiding, bl. 37—41.
3.     Het woord .winst" komt in dit artikel wel voor, doch
niet tot aanwijzing van den maatstaf van belasting. Het woord
werd vermeden, omdat het anders noodzakelijk ware, ook hier
daarvan eene omschrijving te geven, gelijk in art. 3 is geschied
van de belastingplichtigen volgens art. 1 a. De Minister achtte
het eenvoudiger alleen te spreken van uitdeelingen en uitkee-
ringen, en verder zoodanige uitzonderingen in het artikel op te
nemen, als voldoende zijn, om te doen uitkomen, dat winst
wordt bedoeld en niets anders, a)
a) Al wordt er winst gemaakt, dan is hiervan niet altijd belasting
verschuldigd, want zij kan worden opgelegd of in de onderneming zelve
worden aangewend. Wanneer zij wordt uitgedeeld, uitgekeerd in de
vormen door de wet aangegeven, eerst dan ontstaat de belastingplicht.
Verg. aant. op art. 8 a.
4.    Zonder aandeelhouder te zijn, kan men toch deelgerechtigd
zijn in de winst. Hetgeen aan zulke deelgerechtigden is ver-
sehuldigd, is naar de woorden der wet eene belastbare uitkeering.
Zoo kan het voorkomen, dat de eene spoorwegmaatschappij
als eigenares van den weg een zeker aandeel in de winst ontvangt
van eene andere maatschappij, voor het gebruik van dien weg.
Feitelijk worden nu beide maatschappijen belast voor hetzelfde
bedrag. De maatschappij, die uitkeert, mag niet aftrekken, en by
de maatschappij, die ontvangt, influenceert het bedrag op de eerst-
volgende uitdeeling. a)
-ocr page 158-
Hoofdstuk I. — Art. 5.
148
Rente, aan obligatiehouders verschuldigd, behoort tot de kosten
der onderneming en daarvoor wordt geen belasting gevorderd,
tenzij ook alweer deze obligatiehouders als deelgerechtigden in de
winst zijn te beschouwen en het beding is gemaakt, rente te ont-
vangen in den vorm van een zeker percentage in de winst.
Is men aandeelhouder en is b.v. 50 % van het nominaal bedrag
gestort, dan zal elke uitkeering van winst in den vorm van bij-
schrijving op het aandeel tot de volle 100 °/0 belast zijn, doch
ontvangt men daarentegen bij wijze van afschrijving het gestorte
bedrag terug, zoo valt deze uitkeering buiten de belasting. Ge-
schiedt winstuitkeering bij wijze van uitreiking van aandeden en
obligatiën, dan ontvangt men natuurlijk waardej waarover de
fiscus belasting heft.
a) Voor de concessie aan de Nederlandsche Bank verleend (verg. de
wijzigingswet van 7 Aug. 1888, Stbl. no. 122), ontvangt de Staat een zeker
deel van de winst. Kan men nu de Staat als deelgerechtigde beschou-
wen in den zin der wet en zal de Bank dus het uit te keeren bedrag
niet in mindering mogen brengen van het winstcijfer, waarover de
belasting moet worden berekend ? Ware eene vaste som bedongen,
buiten verband met de \'gemaakte winst, dan zou er geen belasting
verschuldigd zijn van dat bedrag, maar juist de vorm waarin die uit-
keering geschiedt, maakt haar, naar ons gevoelen, belastbaar, omdat de
wet niet is getreden in de motieven, waarop de uitkeering steunt.
5.     Wanneer eene coöperatieve vereeniging, die zich ten doel
stelt aan hare leden eigen woningen te verschaffen, daarvoor aan
de leden-bewoners eene som in rekening brengt, bestaande uit
het benoodigde, om de renten van het kapitaal en de onkosten
te dekken benevens uit eene annuïteit voor eigendomsverkrijging,
na een zeker getal jaren de woningen aan de leden in indivu-
dueelen eigendom overdraagt, kan de waarde dier woningen geen
buitengewone winstuitdeeling worden genoemd, waarvoor de
vereeniging moet worden aangeslagen.
6.     Bij de algemeene beraadslaging wees de heer de Meijier
op de hardheid, dat voor bouwvereenigingen met een philantro-
pisch doel, die luidens de statuten hoogstens 4 % rente uitkee-
ren, dezelfde regels worden toegepast als voor de naamlooze ven-
nootschappen en dus de aftrek van 4 % evenmin is toegelaten,
waardoor dubbele belasting wordt gevorderd.
Het stellen van een algemeenen regel was echter noodig, omdat
anders gemakkelijk eene naamlooze vennootschap zou kunnen
worden veranderd in eene vereeniging. Ook daar, waar geen
winst wordt beoogd, verkrijgt men echter wel eens winst en
daarbij herinnerde de Minister aan eene hem bekende bouwver--
eeniging, die, nadat de woningen waren gebouwd, deze weder
moest opruimen, omdat dit voor de uitbreiding der stad noodig
was. Het terrein werd verkocht en met groote winst geliquideerd.
Tegen dergelijke gevallen moet de fiscus gewaarborgd zijn, doch
men heeft trouwens dien waarborg zelf in de hand — zeide de
Minister — door n. 1. de aandeelen om te zetten in obligatiën.
§ I a. 7. Voor de uitdeelingen aan de beheerende vennooten, be-
stuurders, enz. als zoodanig zijn deze persoonlijk belasting*
-ocr page 159-
149
Hoofdstuk I. — Art. 5.
plichtig, ook al ontvangen zij die in den vorm van tantièmes.
Dergelijke uitgaven zijn natuurlijk voor de naamlooze vennoot-
schap, enz. kosten aan de onderneming verbonden.
b. 8. In het ontwerp, zooals dit bij de Tweede Kamer in beraadsla-
ging kwam, luidde litt. b dezer §: »uitdeelingen of uitkeeringen aan
verzekerden en onderstand genietenden in deze hunne eigenschap."
Volgens deze lezing zou er dus van de winst, door verzekeringmaat-
schappijen behaald, geen belasting worden betaald, voor zoover die
winst werd uitgekeerd aan de verzekerden. De Minister grondde zich
hierbij op de overweging, dat het bij de gewone levensverzekering-
maatschappijen meer en meer gebruikelijk is geworden, om twee tarie-
ven te hebben: een met en een-zon der winstuitkeering en dus
in het eerste geval die uitkeering meer als eene restitutie is te
beschouwen. Strijd met de beslissing ten aanzien van de coöpe-
ratieve winkelvereenigingen werd daarin niet gezien. «Keerden
winkeliers" — zeide de Minister — «een belangrijk deel hunner
winsten aan hunne clientèle uit, dan zou voor belasting der coöpe-
ratieve uitkeeringen weinig aanleiding hebben bestaan, maar, om-
dat zij dit niet doen, misseu de coöperatieve uitkeeringen geheel
het karakter, van restitutie, want nu is er prijs-, waardeverschil,
en komt dus alleen werkelijke winst ter verdeeling. De prijs,
dien men in een winkel betaalt, is enkel prijs; de premie, die
men voor verzekering met winstaandeel betaalt, is meer dan lou-
ter verzekeringspremie." Met deze subtiele redeneering kon de
heer Goeman Borgesius zich niet vereenigen. Als het waar is,
zeide deze afgevaardigde, dat de premie, die men voor verzeke-
ring met winstaandeel betaalt, meer is dan louter verzekerings-
premie, dan zou men met hetzelfde recht kunnen beweren, dat
de prijs, die men in een coöperatieven winkel besteedt, meer is
dan louter winkelprijs, want dat ook daarin een overschot schuilt
voor latere restitutie. Bij de discussie over de coöperatieve winkel-
vereenigingen werd echter het tegendeel aangetoond. Winst wordt
altijd gemaakt, doordat men voor de waren, in casu de polissen,
een hoogeren prijs bedingt, dan noodig is, om de kosten te dek-
ken. Het overschot blijft winst, onverschillig aan wie het wordt
uitgekeerd. De vraag overigens, of het billijk is, dat coöperatieve
vereenigingen bedrijfsbelasting betalen, is niet afhankelijk van
de vraag, wat winkeliers doen. Maakt een winkelier ƒ 2000 winst
en keert hij daarvan ƒ1000 aan zijn clientèle uit, dan zal hij
naar /"2000 worden belast. Evenzoo behooren verzekeringmaat-
schappijen belast te worden voor hetgeen zij als winst aan de
clientèle uitkeeren. Dergelijke uitkeeringen restitutie te noemen,
zou tot gevolg moeten hebben, dat de verzekerden ook dan een
deel van de premie terug ontvangen, indien er geen winst is ge-
maakt en dit is juist niet het geval. Bij het amendement door
den heer Goeman Borgesius voorgesteld, om mitsdien in de
aangehaalde litt. b de woorden: «verzekerden en" te doen
vervallen schaarde de Kamer zich met 48 tegen 16 stemmen aan
diens zijde, a) Als een gevolg van deze beslissing werd door de
Regeering bij de tweede lezing van het ontwerp voorgesteld, om
litt. b alsnog aan te vullen met de woorden: »en aan verzeker-
-ocr page 160-
«
150                         Hoofdstuk I. — Abt. 5.
den, voor zooveel de bedragen betreft, waarvoor verzekerd is."
De Minister achtte deze bijvoeging noodig, om het misverstand
te voorkomen, als zouden uitkeeringen van verzekeringssommen,
krachtens polis, kunnen worden begrepen onder de belasting-
plichtige uitkeeringen, die in het algemeen, onder welken vorm
ook, in den aanhef van deze paragraaf worden genoemd. De
heer Goeman Borgesius bestreedt de bijvoeging, omdat betaling
van hetgeen krachtens polis is verschuldigd nooit onder de uit-
deeling kan vallen en het z. i. niet aanging, voor één geval de
niet-belastingplichtigheid uit te zonderen, terwijl men bedoelt, dat
in alle soortgelijke gevallen geen belasting verschuldigd zal zijn.
In de bijvoeging zag hij zelfs gevaar, doch de Kamer, overtuigd,
dat het overbodige hier niet kan schaden, voldeed aan \'s Ministers
verlangen met 47 tegen 41 stemmen.
a) Art. 6 § 4 heeft betrekking op buitenlandsche verzekeringmaat-
schappijen, die hier te lande vertegenwoordigd zijn. Is dit niet het
geval, dan ontsnappen de winstuitkeeringen van die maatschappijen
aan de belasting. In zooverre zijn zij dus van gunstiger conditie dan
de binnenlandsche.
9. De uitkeeringen aan zieken of werkloozen gedaan door eene
vakvereeniging vallen onder deze bepaling.
§ I c. 10. De hier genoemde uitdeelingen doelen op het mogelijk ge-
val eener verdeeling der vereenigingskas, hetgeen niet anders dan
eene teruggave van contributie kan worden genoemd. De beper-
kende bepaling was intusschen noodig, om ontduiking van belas-
ting te voorkomen, daar allicht aan betalingen voor inkoopen bij
coöperatieve vereenigingen de naam van contributiën zou kunnen
worden gegeven. Het kan voorkomen, dat uitdeelingen van giften
worden gedaan aan leden der vereeniging uit gelden, door ande-
ren aan de vereeniging geschonken. Deze gelden zijn belast, ten-
zij zij strekken voor onderstand, — hetgeen meestal het geval is
— en dus de bepaling onder litt. b toepasselijk wordt.
§ I, laatste
zinsn. II. Volgens de redactie, door de Regeering voorgesteld, zou
voor uitdeelingen op aandeelen op naam, toebehoorende aan in
art. 1 b genoemde vennootschappen, enz. geen belasting zijn ver-
schuldigd, ten einde dubbele heffing te vermijden. De vennootschap,
die uitkeerde, kon bijgevolg het bedrag der uitdeeling op ten
name eener andere vennootschap staande aandeelen aftrekken.
Bij gemis van eiken rechtsgrond, krachtens welken de tweede
vennootschap van de eerste eene extra-uitkeering zou kunnen
vorderen, omdat de eerste vennootschap ter zake van de uitkee-
ring op die aandeelen geen belasting schuldig was, bestond volgens
de Commissie van Rapporteurs geen zekerheid, dat de ontheffing der
belasting ten goede zou komen aan de maatschappijen, aan wie
de hier bedoelde aandeelen op naam toebehooren. In de gevallen
echter, met het oog waarop de bepaling hoofdzakelijk werd ge-
schreven, achtte de Minister die zekerheid van zelf aanwezig.
Wanneer b.v. eene bankinstelling elders eene succursale opricht,
doch tot beperking harer aansprakelijkheid daaraan den vorm
-ocr page 161-
Hoofdstuk I. — Abt. 5.                         151
geeft eener naamlooze vennootschap, welker aandeelen zij voor
het grootste deel in portefeuille houdt of wel, indien eene maat-
schappij wordt gesplitst in twee maatschappijen en de eerste in
het bezit blijft van al de aandeelen (aan de wordingsgeschiedenis
der Nederlandsch-Indische Landbouwmaatschappij werd hierbij
herinnerd), dan bestaat het bedoelde gevaar niet. fntusschen vond
de Minister de tegenwoordige redactie, door de Commissie van
Rapporteurs voorgesteld, en waarbij de vroegere regeling werd
omgekeerd, zóó gelukkig gekozen, dat \'zy werd overgenomen, a)
a) Zal hetgeen ontvangen wordt wegens bezit van aandeelen in
andere vennootschappen, enz., bedoeld bij art. 1 b, op de uitdeelingen
in mindering komen, dan moeten deze aandeelen op naam staan,
waardoor controle mogelijk is door vertoon der stukken. Aandeelen
aan toonder blijven buiten aanmerking, terwijl de woorden der wet
»in andere zoodanige vennootschappen" enz. er op wijzen, dat deze in
Nederland gevestigd moeten zijn, zoodat aftrek ter zake van aandeelen
op naam in naamlooze vennootschappen, enz., waarvan de zetel buitens-
lands is, niet is toegelaten. Overigens is het duidelijk, dat de wet niet
bedoeld een bloot bezit van aandeelen in dien zin, dat de vennootschap,
enz. ze slechts onder zich heeft, b.v. tot onderpand voor verstrekt geld.
Trouwens de voorwaarde, dat de aandeelen op naam moeten staan
schijnt eene dergelijke veronderstelling reeds uit te sluiten.
2. 12. Hier worden bedoeld de reederijen in art. 820 van het
Wetb. van Kooph. genoemd. De naamlooze vennootschap, die
schepen uitrust, valt onder § 1 van dit artikel, hetgeen niet weg-
neemt, dat zij toch deelhebber in eene reederij kan zijn.
13. Aanvankelijk was voorgesteld, de reederijen te belasten
naar het bedrag der uitkeeringen gedurende het belastingjaar,
verminderd met eene rente van 7 % over het door de deelhebbers
in de onderneming gestoken kapitaal. Zooals de Commissie van
Rapporteurs in hare Nota bij het Verslag opmerkte, liet deze
redactie onzekerheid omtrent de bedoeling, of ook voor de jaren,
dat geene uitkeering plaats had bij eene latere uitkeering daarvoor
7 % kon worden afgetrokken a). Was dit niet het geval, dan
achtte zij de bepaling niet vrij van hardheid, omdat over het
renteloos gebleven kapitaal toch elk jaar vermogensbelasting
werd gevorderd.
Door bij de tegenwoordige redactie eene gemiddelde rekening aan
te nemen, evenals in art. 4 § 3, werd het geopperde bezwaar
door den Minister zoo niet geheel ondervangen dan toch getem-
perd. b)
a) Het rentecijfer van 7 o/o is aangenomen, omdat bij reederijen op de
waarde van schepen doorgaans niet wordt afgeschreven. De uitkee-
ringen zijn dus grooter dan zij eigenlijk behooren te zijn, want een
zeker deel is daarin begrepen voor amortisatie wegens teruggang in
waarde der schepen.
6) De uitkeeringen zijn belast zonder in aanmerking te nemen of
daarin aflossing van kapitaal is begrepen, want daarop is feitelijk reeds
gerekend bij den aftrek van 7 °/o. Alleen bij liquidatie geldt als winst,
wat meer is uitgekeerd dan het gestorte of, wat hetzelfde is, aangewende
kapitaal. Het begrip eener reederij brengt mede, onder dat kapitaal
niet alleen te verstaan de som bq de oprichting bijeengebracht, maar
ook hetgeen door de deelhebbers later is gestort tot aanschaffing of
-ocr page 162-
Hoofdstuk I. — Abt. 5.
herstelling van schepen of tot dekking van geleden verliezen, waarop
in mindering zal komen het bedrag aan hen gerestitueerd wegens ver-
koop en uitbetaalde assurantiepenningen bij verlies van schepen.
14. De vrees, in het Voorl. Verslag uitgedrukt, dat het boven
de 7°/0 verdiende als reserve zou worden opgelegd, om aan de
belasting te ontgaan, kwam den Minister weinig gegrond voor,
omdat te eeniger tijd de reserve met de gekweekte rente toch
uitgekeerd zou worden en dan van zelve onder de belasting viel.
Onbillijkheid in de bepaling, dat bij liquidatie het geheele
kapitaal is vrijgelaten, hoewel in een e uitkeering van 7 % i-eeds
eene som tot afschrijving van dat kapitaal is begrepen, vond de
Minister evenmin, want alleen dan zou dit juist zijn, indien die
uitkeering geregeld plaats heeft en voldoende uitkeeringen niet
door onvoldoende of bijbetalingen worden opgewogen.
15.    Wat eene sociëteit tegenover de contributiën, enz. praesteert,
kan geacht worden het aequivalent daarvan te zijn; ontstaat
op de ontvangsten een overschot, zoo is er winst in den gewonen
zin des woords. Had een particulier de zaak ondernomen, dan zou
die winst te zijnen bate gekomen en van zelf onder de belasting
zijn gevallen. Dat eene vereeniging haar onderneemt, kan geen
voldoend motief zijn, om de winst, die zij geniet, vrij te stellen, (a-6)
a) En verder nog in de Memorie van Antwoord:
»Als onderdeel der kosten mag uit den aard der zaak niet worden
beschouwd, wat besteed is tot uitbreidingen verfraaiing. Mogelijkerwijs
zal zich wel eens verschil openbaren ten aanzien der vraag, wat als
onderhoud en wat als uitbreiding is aan te merken, maar dergelijke
quaestiën kunnen en zullen zich ook voordoen ten aanzien van andere
belastingplichtigen en daarover beslist in laatste ressort de Raad van
Beroep".
6) Luidens den aanhef van deze paragraaf zijn sociëteiten, al heb-
ben ze ook den rechtsvorm eener naamlooze vennootschap, niet belast
naar de uitdeelingen aan hare leden, zoo deze al mochten voorkomen.
16.     De vermogensbelasting is eene persoonlijke belasting. Zij
heeft geene betrekking op goederen in de doode hand. Stichtingen
worden dus daarin niet getroffen.
De meerderheid der Commissie van Rapporteurs vond het der-
halve zeer onbillijk voor stichtingen, die een bedrijf of beroep
uitoefenen, wegens rente van eigen kapitalen een aftrek toe te
laten, waardoor zij zelfs — men wees op de Trappistenbierbrou-
werij te Tilburg — onder gunstiger voorwaarden kunnen concur-
reeren. De reden toch voor den aftrek der 4 % rente steunt op
de overweging, dat het kapitaal reeds onder een anderen vorm
wordt getroffen en die reden is hier niet aanwezig.
De Minister achtte echter den niet-aftrek van rente in strijd
met het beginsel der wet en noemde het onrechtvaardig de rente
tevens in aanslag te nemen, indien zich toevallig daarbij eenige
ondernemerswinst voegt, o) Wilde men de goederen in de doode
hand treffen, dan behoorde dit te geschieden bij eene afzonderlijke
wet. Intusschen schonk de Kamer aan het amendement der Com-
missie van Rapporteurs, strekkende om den aftrek van rente voor
eigen kapitalen uit te zonderen, met 41 tegen 23 stemmen hare
-ocr page 163-
Hoofdstuk I. — Artt. 5 — 6.
153
adhaesie, nadat de heer van dek Ka.au nog had opgemerkt, dat
daarmede volstrekt niet werd beoogd voor een deel de doode
hand qua tal is te belasten.
a) pMen heeft gezegd" — zeide de Minister tot nadere toelichting van
                    zijn standpunt — »zoodra de doode hand bedrijvig wordt, is zij geen
doode hand meer. Maar is dit meer dan een woordenspel? De vraag
is deze: Moet de rente worden belast al dan niet? Ik antwoord: altijd
of nooit, en hoezeer de billijkheid dat medebrengt, blijkt terstond, zoo
men twee gevallen tegenover elkander stelt. Eene stichting heeft land
verpacht, eene andere heeft land in eigen exploitatie. In het eerste
geval wordt niets betaald; in het tweede geval kan die exploitatie
misschien slechts 3 of 2J pet. geven, maar dan zal toch, naar art. 3 § 7,
dat hier van toepassing is, eene inkomst van 4 pet. verondersteld en
de belasting worden geheven".
Volgens den heer van Gijn ging dit voorbeeld niet op, want sedert
de z. i. onbillijke vrijstelling van het landbouwbedrijf werd aangenomen,
zal ook het klooster, dat een landbouwbedrijf uitoefent, buiten deze
belasting vallen. Ons komt deze opvatting echter minder correct voor
en wij zien de beweerde misvatting in \'s Ministers voorbeeld niet in.
Stichtingen immers worden, zonder eenige restrictie, belast naar de
zuivere inkomsten uit bedrijf en beroep. Voor de berekening van die
inkomsten wordt verwezen naar art. 3 en daarmede dezelfde regels van
toepassing verklaard als gelden voor phijsieke personen. Alleen aftrek
van rente komt na het aangenomen amendement nu niet te pas, wat
eigen kapitalen betreft.
17.     Het woord «beroepen" is tengevolge eener opmerking der
Commissie van Rapporteurs nader ingelascht, omdat eene stichting,
die b.v. eene kostschool houdt, veeleer een beroep dan een be-
drijf uitoefent.
18.     De woorden .eigen kapitalen" zien natuurlijk niet op
op het geheele kapitaal der stichting, maar alleen op het ge-
deelte, dat in het belastbaar bedrijf of beroep is aangelegd.
Art. 6. § 1. Personen, bedoeld bij artikel ld, zijn belasting-
plichtig naar het bedrag van hun jaarlijksch traktement, toe-
lagen en emolumenten daaronder begrepen, verminderd met
,3- het bedrag der beroepskosten, bepaald volgens door Ons te
stellen regelen, en der kortingen van traktementen en andere
belooningen wegens verplichte bijdragen voor pensioenen en
fondsen. Een en ander onverminderd hunne belastingplichtig-
heid ingevolge artikel 1 e en h.
§ 2. De in art. 1 e bedoelde buitenlandsche vennooten in
Nederlandsche vennootschappen en maatschappen zijn be-
lastingplichtig naar het bedrag der door hen gedurende het
belastingjaar ontvangen winstuitkeeringen.
Voor de toepassing dezer wet gelden als Nederlandscheven-
nootschappen en maatschappen alleen dezulke, welker zetel
in Nederland gevestigd is.
§ 3. De spoorwegondernemingen, bedoeld bij art. 1 f zijn
-ocr page 164-
154                       Hoofdstuk I. — Abt. 6.
belastingplichtig naar de halve jaarlijksche bruto ontvangst \'
per kilometer, zoo noodig berekend in verhouding tot die van
de geheele lijn, na aftrek eener rente ten bedrage voor ge-
wone spoorwegen van f 3200 per kilometer, voor lokaalspoor- •
•wegen van f 1200 en voor stoomtramwegen van f 800 per
kilometer.
§ 4. In het buitenland gevestigden, die door tusschenkomst
van gemachtigden hier te lande overeenkomsten aangaan tot
brand-, zee-, levens- of andere verzekeringen, zijn belasting -
plichtig naar tien ten honderd van het in het vorige boekjaar
aan premiën of kapitaal van in Nederland gevestigde verze-
kerden ontvangen bedrag, na aftrek der courtages, provisiën
en rabatten, welke in mindering van dat bedrag komen.
§ 5. In het buitenland gevestigden, niet reeds begrepen
onder §§ 3 en 4, die hier te lande persoonlijk of door gemach-
tigden een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of be-
trekking geregeld uitoefenen, zijn belastingplichtig naar hunne
hier te lande verkregen winsten en belooningen, opgevat en
berekend naar de bepalingen van artt. 3 en 4 dezer wet voor
binnen het Rijk wonenden, met uitzondering, dat hierbij geen
aftrek voor rente van eigen kapitalen wordt toegestaan.
Andere bij artikel 1 h bedoelden, die geacht worden hier te
lande een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of be-
trekking slechts tijdelijk uit te oefenen of te zullen uitoefenen,
zijn belastingplichtig, behoudens latere verrekening, indien
noodig:
a.    naar het zuiver bedrag hunner vermoedelijke winsten en
belooningen hier te lande in het loopende belastingjaar, ge-
schat by billijke vergelijking met dat van personen hier te
lande, die hetzelfde bedrijf of beroep uitoefenen en zonder af-
trek voor rente van eigen kapitalen;
b.    wanneer zij hier te lande in eene bezoldigde betrekking
getreden zijn of treden, naar het zuiver bedrag hunner bezol-
diging in het loopende belastingjaar.
Het vervoeren, van personen en goederen tusschen buiten-
landsche en Nederlandsche havens door of voor rekening van
buitenslands gevestigden en werkzaamheid van in het buiten-
land gevestigd bezoldigd personeel op vervoermiddelen, die het
verkeer met het buitenland onderhouden, worden niet aange-
merkt als de uitoefening van een bedrijf of beroep hier te lande.
-ocr page 165-
155
Hoofdstuk I. — Art. 6.
§ 6. In het buitenland gevestigden bedoeld by art. 1 i zyn
belastingplichtig voor tien ten honderd van de verkoopwaarde
der goederen in het voorafgaande belastingjaar door hen naar
Nederland gezonden.
§ I. I. Naar aanleiding eener opmerking in het Voorl. Verslag, om
ten opzichte der gezanten eene splitsing te maken tusschen het-
geen als traktement en als vergoeding voor representatiekosten is
te beschouwen, werd de tegenwoordige redactie gekozen.
Voor ieder geval zullen de bedoelde regelen naar billijkheid
by Koninklijk Besluit worden vastgesteld (Mem. van Antw.) a).
Verg. aant. 18a op art. 3.
a) De in § 1 bedoelde belastingplichtigen, als niet wonende binnen
het Rijk, betalen geen vermogensbelasting. Bijgevolg komt voor hen
toepassing van art. 2 §§ 3 en 4 ook niet te pas, omdat hier in den
zin der wet schulden niet tegenover vermogen kunnen worden gesteld.
§ 2. 2. Evenals op art. 5 § 4 (stichtingen) werd ook hier door de
meerderheid der Commissie van Rapporteurs de in het ontwerp
toegelaten aftrek van 4 % van net deelgerechtigde kapitaal be-
streden en voorgesteld de desbetreffende bepaling te doen ver-
vallen. Naar het gevoelen van den Minister eischte echter het
beginsel der wet, om met dien aftrek rekening te houden, omdat
onafhankelijk van de vraag, of er vermogensbelasting wordt be-
taald, slechts beroeps- en bedrijfsinkomsten en hetgeen daarmede
is gelijk gesteld object der belasting zijn. Wijkt men daarvan af,
dan komt men tot de onbillijkheid, dat een vreemdeling, die
geldschieter is in Nederland, ook al ontvangt hij meer dan
4 %, niet in de belasting valt, terwijl hij daarentegen als com-
manditair vennoot van de winst zal moeten betalen, al bedraagt
deze 4 % of minder.
De Voorzitter van de Commissie van Rapporteurs, de heer
van Houten, merkte echter op, dat sedert de bedrijfsbelasting
was gewijzigd in eene belasting op bedrijfs- en andere in-
komsten, als aanvulling der vermogensbelasting, men zich op
het standpunt had te plaatsen, of de courtoisie tegenover de bui-
tenlandsche ondernemers eischte, hen in gunstiger positie te plaatsen
dan de Nederlandsche en dit meende hij, ter wille van de gelijke
concurrentie, in ontkennenden zin te moeten beantwoorden. Ook
de Kamer deelde dat gevoelen en schonk aan het amendement
met 49 tegen 17 stemmen hare sanctie.
3. Om een vast kenmerk te hebben voor eene Nederlandsche
onderneming zijn als zoodanig alleen beschouwd die, welker
zetel in Nederland is gevestigd. De uitdrukking .zetel" bij
naamlooze vennootschappen steeds gebezigd, scheen de minst ver-
werpelijke. .Hoofdkantoor" is onbruikbaar, om voor de hand lig-
gende redenen. .Uitsluitend in Nederland gevestigd" evenzeer,
want een firma kan hier of daar een agentschap hebben. Waar
de zetel is, wordt de balans opgemaakt, wordt het algemeen be-
heer gevoerd, behoort de vennootschap thuis. Geen betere uit-
drukking werd gevonden, zeide de Minister, om te voorkomen, dat
-ocr page 166-
156                         Hoofdstuk I. — Art. 6.
de in Nederland gevestigde filiale eener Indische firma voor de ♦
toepassing van deze bepaling als een Nederlandsche zou worden
aangemerkt.
4. Volgens het eerste ontwerp (art. 5 litt. ») werden buiten-
landsche commanditairen in gedeeltelijk Nederlandsche en gedeelte-
lijk buitenlandsche ondernemingen, welker winsten, in Nederland
en elders behaald, men niet gewoon is te splitsen, belast naar een
derde van het bedrag dezer winsten. Ook om het geringe fiscale
belang bij de zaak betrokken, werd bij het gewijzigd ontwerp
dit denkbeeld echter losgelaten, omdat zulke winsten veelal bui-
tenslands (b.v. in Indië) ter verdeeling komen en het dan moeilijk
is, iemand in Nederland voor de belasting aansprakelijk te stellen.
§ 3. 5. De consequentie zou gevorderd hebben, om ook hier geen
aftrek van rente toe te staan (verg. art. 5 § 4, art. 6 §§ 2
en 5, le en 2e zinsn., litt. a). Althans zoo oordeelden de voor-
stellers van een daartoe strekkend amendement, dat ook den
Minister wenschelijk voorkwam na de vroegere beslissingen. Het
gevolg, indien de aftrek verviel, zou zijn geweest, dat de redactie
der gewijzigde § niet zou toelaten renten van opgenomen kapitaal
voor aanlegkosten af te trekken. Eene achterstelling dus bij de
Nederlandsche spoorwegondernemingen, die eerst voor rente en
aflossing der leeningen zorgen, alvorens dividend te kunnen be-
palen. Immers de 50 % vertegenwoordigt de netto-opbrengst na
aftrek alleen van exploitatiekosten in engej-en zin. De voorstellers
zagen de juistheid dezer opmerking van den heer Van Kerkwijk
in en het amendement werd ingetrokken.
6- De .geheele lijn" is natuurlijk de lijn, waarvan de ont-
vangsten bekend zijn en die dus tot maatstaf kunnen dienen voor
de berekening. (Mem. v. Antw.) a)
a) Is de bruto-opbrengst bekend, dan wordt zij tot netto-opbrengst
herleid door halveering en geschiedt daarna van de helft de aftrek.
7. Bij het vaststellen der genoemde cijfers is uitgegaan van
de onderstelling, dat eene spoorweglijn gemiddeld /80000, een
lokaalspoorweg ƒ30000 en een stoomtram ƒ 20000 per kilometer
kost. a)
a) Art. 1, litt. f, onderstelt, dat de exploitatie geschiedt door de in
het buitenland gevestigde spoorwegonderneming zelf. Zij blijft bijgevolg
onbelast, indien de exploitatie geschiedt door eene Nederlandsche spoor-
wegmaatschappij.
§ 4. 8. »Het cijfer van 10 % is een middencijfer, dat na raad-
pleging met deskundigen is aangenomen. Het moge in sommige
gevallen als geraamde winst wat hoog zijn, op het bedrag der
belasting kan dit weinig invloed hebben en het bezwaar is niet
groot genoeg, om daarvoor de uniforme regeling prijs te geven."
(Mem. v. Antw.).
Het woord «kapitaal" ziet op transactiën, waarbij eene som in
eens gestort wordt, b.v. bij lijfrenteverzekering. Langs welken weg
de premiën of het kapitaal worden overgemaakt, hetzij recht-
streeks, hetzij door tusschenkomst der gemachtigden, doet niets
-ocr page 167-
Hoofdstuk I. — Abt. 6.                          157
ter zake. Alleen het contract van verzekering moet aangegaan
zijn door tusschenkomst van gemachtigden hier te lande (Verg.
aant. 23 a op art. 1).
De uitdrukking »en andere verzekeringen" laat de ruimste
opvatting toe, zoodat zij ook tot niet genoemde onderwerpen zich
kunnen uitstrekken (art. 247 Wetb. v. Kooph.). Waar de verze-
kerde voorwerpen zijn gelegen is evenmin een wettelijk criterium,
mits slechts de verzekerden in Nederland zijn gevestigd.
Daar de aftrek is beperkt tot de courtages, provisiën en ra-
batten, is het niet geoorloofd andere kosten in rekening te brengen.
Bij de bepaling van het middencijfer van 10 % is hierop gelet.
9. Voor andere buitenslands gevestigden (andere dan die on-
der §§ 3 en 4) is eene onderscheiding gemaakt. Zij kunnen hier
persoonlijk of door gemachtigden geregeld een beroep of be-
drijf uitoefenen; men denke aan den bankier of fabrikant, den
arts, den kantoorbediende, den herbergier, die even over de gren-
zen woont en dagelijks of bijna dagelijks overkomt.
Dezulken moeten betalen over hunne hier te lande verkregen
winsten en belooningen, opgevat en berekend naar de bepalingen
van art. 3 en 4 dezer wet voor binnen het Rijk wonenden, a)
Ten overvloede zij aangestipt, dat de bepalingen van art. 3 § 2 a,
laatste lid, en § 4, betreffende gebouwde eigendommen, voor be-
drijf of beroep aangewend, die tevens tot woning dienen voor
den belastingplichtige of zijn gezin, in dit geval uit den aard der
zaak wel zelden toepassing zullen vinden. Is er een gemachtigde
en geniet deze vrije woning, zoo zal de geldswaarde dier vrije
woning (ingevolge art. 3 § 1) deel uitmaken van het belastbaar
inkomen van den gemachtigde zelven.
Maar het kan ook zijn, dat de buitenlander slechts voor kor-
ten tijd, tijdelijk (volgens art. 1 h gedurende minstens drie
maanden) een beroep of bedrijf komt uitoefenen of reeds uitge-
oefend heeft. Dan wordt het zuiver bedrag der winsten en be-
looningen geschat «bij billijke vergelijking" b), tenzij die schat-
ting overbodig is, omdat eene bezoldigde betrekking is aanvaard.
Men heeft dus niet eerst de jaarlijksche inkomsten vast te stellen,
om daarnaar te regelen het bedrag over korter tijdvak, maar de
begrooting betreft den tijd van werkzaamheid hier te lande.
Aangenomen, dat een artist b. v. gedurende vier maanden van
verblijf hier te lande f 20000 zuiver verdient, dan zal dat be-
drag gelden voor de berekening naar het tarief van art. 9,
slotzinsn., al staat ook vast, dat hij de volgende acht maanden
bij terugkeer in zijn vaderland op die som zal teren.
a) Met uitzondering, dat geen aftrek voor rente van eigen kapitalen
wordt toegestaan, als het gevolg van een door de Commissie van Rap-
porteurs voorgesteld amendement, dat met 54 tegen 12 stemmen werd
aangenomen. In de praktijk zal het trouwens moeilijk zijn te contro-
leeren, of de hier bedoelde belastingplichtigen met eigen of opgenomen
kapitaal werken. Verder dient nog opgemerkt, dat art. 2 op hen niet
van toepassing is verklaard, zoodat bijtelling volgens § 2 van dat artikel
dus nooit te pas komt.
6) Ook dan wordt de aftrek van rente voor eigen kapitalen niet
-ocr page 168-
158                         Hoofdstuk I. — Abt. 6.
toegelaten. In verband met het amendement onder noot a hiervoor
werd die uitzondering op voorstel van den Minister bijgevoegd.
§ 5, laatste
zinsn. 10. Tot toelichting dezer bepaling schreef de Minister in ant-
woord op de nota der Commissie van Rapporteurs bij het Verslag:
.Vrijgesteld is het vervoeren van personen en goederen tusschen
buitenlands olie en Nederlandsche havens door of voor rekening van
buitenslands gevestigden. Dat «vervoeren" geschiedt door schippers;
deze zijn dus vrijgesteld, voor zooverre hunne werkzaamheid hier
te lande zich niet verder uitstrekt dan tot het daar genoemde. Een
Duitsche schipper, die direct tusschen Keuleu en Rotterdam vaart,
is vrij. Maar doet hij geregeld eene tusschenliggende plaats aan,
b.v. Arnhem, om goederen voor Rotterdam in te laden, dan is hij
belastingplichtig voor de daaruit voortvloeiende baten, want van
die werkzaamheid is in de bedoelde zinsnede niet gesproken.
Wel zal het soms moeielijk zijn de baten te berekenen, maar men
zal toch moeten trachten deze moeielijkheid op te lossen, daar
anders geen billijkheid zou worden betracht tegenover de Neder-
landsche schippers, a) De bedoeling was geen andere, dan tege-
moet te komen aan het in het Voorl. Verslag terecht geopperde
bezwaar, dat men sommige vreemde schepen allicht zou weren,
indien men de baten uit de vaart tusschen Nederlandsche en
buitenlandsche havens aan belasting onderwierp, b) Maar
verder te gaan, en ook de baten uit het verkeer tusschen bin-
nenlandsche havens vrij te stellen, werd niet beoogd.
a)    De ontvangsten uit het intercommunaal vervoer verkregen, mogen
bekend zijn, doch welk deel daarop in mindering moet worden gebracht
van de exploitatiekosten met betrekking tot dat vervoer tusschen Ne-
derlandsche havens, zal slechts bij approximatie zijn te bepalen. Men
zou b.v. het percentage der kosten van het geheele traject ook kunnen
aannemen voor het gedeelte, waarover hier te lande belasting wordt ver-
schuldigd.
b)    In het eerste ontwerp (art. 5, litt. i) gold voor scheepvaartonderne-
mingen, in het buitenland gevestigd, die geregeld de vaart op Neder-
landsche havens uitoefenen, als zuivere bate 10 pet. der vrachtpenningen,
jaarlijks in de vaart van en op Nederland verdiend. In het Voorl.
Verslag werden hiertegen verschillende bedenkingen geopperd. Afgezien
van de vraag, of ook in de buitenlandsche wetgevingen eene dergelijke
bepaling wordt aangetroffen, achtte men toch het schrappen der bepa-
ling aan te bevelen, ten einde moeielijkheden te voorkomen, die ook
bij de toepassing van den maatstaf zouden ontstaan, te meer, omdat
het fiscale belang bij de zaak in geringe mate is betrokken. Aan dezen
wenk gaf de Minister gevolg in de hier geredigeerde uitzondering.
II. Het woord .bezoldigd" is in de plaats gesteld van «on-
der ge schikt", zooals dit in het regeeringsontwerp voorkwam.
Ware dat woord behouden, dan zouden de buitenlandsche schip-
pers — d. w. z. de kapiteins — als niet begrepen in het onder-
geschikt personeel, belastbaar blijven wegens het tusschenvervoer
in de binnenlandsche vaart en zou voor hen de belasting alleen
beperkt zijn door art. 21 van het traktaat met Duitschland (verg.
de aant. op art. 10).
De heer Mees vond dit ondoelmatig. In de eerste plaats om-
dat het uiterst moeilijk zou zijn te berekenen, welk deel voor eene
-ocr page 169-
Hoofdstuk I. — Abtt. 6—7.                    159
bezoldiging van een kapitein moet gerekend worden betrekking
te hebben op de werkzaamheden yoor de binnenlandsche vaart, en
in de tweede plaats, omdat de belasting onder gelijke omstan-
digheden evenmin wordt geheven in Pruisen van Nederlanders.
Ook den Minister kwam de woordverwisseling uit een administra-
tief oogpunt als eene gewenschte vereenvoudiging voor, hoewel
er misschien eene kleine inconsequentie uit zal voortspruiten. Het
betrekkelijk amendement van den heer Mees werd overgenomen, a)
a) »Het woord «ondergeschikt" eenvoudig te laten vervallen" — zeide
de heer Mees nog — ukan niet worden voorgesteld, want dan zou de
schipper, die voor eigen rekening vaart, ook buiten de belasting vallen,
hetgeen niet billijk zou zijn tegenover onze schippers." Voor deze schip-
pers blijft art. 21 van het genoemde traktaat van toepassing, in ver-
band met de bepaling van art. 10 hierna.
12. Met opzet is hier de ruimere uitdrukking gekozen: f op
vervoermiddelen, die het verkeer met het buitenland onderhouden".
»Daarbij werd gedacht" — aldus in antwoord op de nota derCom-
missie van Rapporteurs — »aan alle vervoermiddelen, ook aan
spoorwegen bijvoorbeeld; buitenlandsch treinpersoneel zal dus
ongemoeid worden gelaten. Geen onderscheid werd gemaakt voor
schepen, die tusschenliggende Nederlandsche havens aandoen;
de schipper zal in dat geval worden aangeslagen, a) maar de
andere opvarenden, voor zoover zij buitenlanders zijn, blijven vrij." b)
a)    Ook de schipper wordt niet aangeslagen, sedert het woord »be-
zoldigd" in de plaats kwam van het woord «ondergeschikt". Zie de
vorige aanteekening.
b)    Ouitsche hofmeesters op Duitsche stoombooten zullen belast kun-
nen worden. Hunne werkzaamheid kan, volgens den heer Mees, niet
gerekend worden, onder de werkzaamheden op vervoermiddelen, als
zoodanig. Zij houden eenvoudig restaurants op stoombooten, die men
even goed kan belasten, als men belasten zou het houden van winkels
of het verkoopen van waren op stoombooten.
§ 6. 13. Het woord .verkoopwaarde" geeft te kennen, dat de geldsom,
die de leverancier hier te lande vermoed wordt te bedingen, tot
maatstaf zal dienen.
14. In het eerste ontwerp was de presumtie van 20 % winst
aangenomen. Naar aanleiding van eene opmerking in hetVoorl.
Verslag wijzigde de Minister dit cijfer in 10 %, omdat uit nader
ontvangen inlichtingen de juistheid van het eerste cijfer kan worden
betwijfeld.
Art. 7. § 1. De belasting van reederrjen hier te lande ge-
gevestigd is verschuldigd in de persoon van den boekhouder,
behoudens verhaal op de reeders.
§ 2. De belasting der buitenlandsche vennooten bedoeld bij
artikel 1 e, is verschuldigd in de persoon van de voor deze
schuld ieder voor het geheel aansprakelijke hier te lande wo-
nende beheerende vennooten, behoudens verhaal op de belas-
tingplichtigen.
-ocr page 170-
Hoofdstuk I. — Art. 7.
160
§ 3. De belasting der in het buitenland gevestigden bedoeld
bij art. 1 g en h, hier te lande vertegenwoordigd door personen
tot de uitoefening van het bedrijf of beroep gemachtigd, is, be-
houdens verhaal op de belastingplichtigen, verschuldigd in de
persoon dier vertegenwoordigers.
Zijn er twee of meer vertegenwoordigers, doch is aan eenen
de algemeene leiding van het bedrijf hier te lande toever-
trouwd, dan is de belasting verschuldigd in zijn persoon.
§ 4. De belasting van ondernemers bedoeld bij artikel 1 i
is, behoudens verhaal op de belastingplichtigen, verschuldigd
in de persoon van de hier te lande gevestigde tusschenpersonen.
§ 5. Indien minderjarigen, voor zoover zij niet ingevolge
artikel 480 van het Burgerlijk Wetboek handlichting bekomen
hebben, onder curateele gestelden, krankzinnigen of afwezigen
een binnen het Rijk wonenden wettelijken vertegenwoordiger
hebben, is de belasting, behoudens verhaal op den belasting\'
plichtige, verschuldigd in de persoon van dien vertegenwoordiger.
Woont de vertegenwoordiger in het buitenland, dan is zij,
mede behoudens verhaal, verschuldigd in de persoon van den
gemachtigde of anderen, die hier te lande voor hem optreedt.
Ontbreekt ook deze, zoo is de belasting verschuldigd in de
persoon van den belastingplichtige zelf.
§ I. I. De woorden «behoudens verhaal" hier en in de volgende § §
voorkomende, en strekkende, om aan de betalende personen eene
rechtsvordering toe te kennen tegenover degenen voor wie zij
betalen, werden, luidens het Voorl. Verslag, door sommige leden
overbodig geacht. Intusschen heeft de Administratie zich met
dat verhaal niet in te laten en zich slechts te houden aan den
persoon, door wien de belasting volgens dit artikel is verschuldigd.
§ 2. 2. De solidaire aansprakelijkheid der beheerende vennooten,
hier uitdrukkelijk opgenomen, had ten. doel die ook ten aanzien
van deze schuld boven allen twijfel te verheffen (verg. art. 18
van het Wetb. van Kooph. en art. 1316 van het Burg. Wetb.).
§ 3. 3. De gemachtigden zijn niet solidair aansprakelijk gesteld, doch
is aan éénen gemachtigde uit onderscheidene de algemeene leiding
toevertrouwd, dan is, ingevolge de bepaling in de tweede zinsnede,
de belasting verschuldigd in zijn persoon (a-b).
a) Met het oog op de progressie zal in daartoe leidende gevallen
(art. 1, litt. h) ook zonder dat één gemachtigde de algemeene leiding
heeft, de belasting berekend moeten worden over het totaal-bedrag van
het belastbaar inkomen der zaken, door de verschillende gemachtigden
gerepresenteerd. Het zoo berekende belastingcijfer zal dan moeten worden
omgeslagen over het getal gemachtigden in verhouding van het be-
lastbaar inkomen, voor ieders deel van de zaak aangenomen.
-ocr page 171-
161
Hoofdstuk I. — Art. 7.
6) "Wie als gemachtigde is te beschouwen, is eene vraag, welke in
de praktijk wel tot geen moeielijkheden aanleiding zal geven. Wij
zouden dus daarvoor aanwijzen de personen, die namens de buitens-
lands gevestigden, hier te lande met eenen bepaalden last voor de zaak
optreden en met zeker algemeen gezag zijn bekleed, al strekt zich dit
niet uit tot enkele onderdeelen der onderneming.
§ 5. 4. De belastingplichtigheid van minderjarigen, die de in art.
480 van het Burg. Wetb. beperkte handlichting hebben verkre-
gen, uitdrukkelijk te vermelden, achtte de Minister overbodig met
het oog op de bewoordingen waarin art. 1 a en art. 2 § 1 zijn
gesteld.
5.     Op eene vraag van de Commissie van Rapporteurs in hare
Nota bij het Verslag, n.1.: wie zal worden aangeslagen voor min-
derjarigen, onder curateele gestelden of afwezigen a), indien hier
te lande noch wettelijke vertegenwoordigers, noch gemachtigden
van deze, noch personen, die voor hen optreden, worden gevon-
den, antwoordde de Minister, dat in dat geval de algemeene regel
werkt, waarop deze bepaling eenige uitzonderingen stelt b). In de
nu gevolgde redactie is dit duidelijk uitgedrukt.
d) Verg. Boek I, Titel 19, Burg. Wetb.
b) De algemeene regel brengt mede, dat de belasting is verschuldigd
in den persoon van den belastingplichtige zelven, ongeacht of dit
een physieke of rechtspersoon is. Art. 7 geeft daarop eenige uitzon-
deringen en stelt derden in hun plaats voor die gevallen, dat de be-
lasting anders moeielijk verhaalbaar zou zijn of belastingplichtigen de
toegekende rechten niet kunnen uitoefenen of opgelegde verplichtingen
niet zouden kunnen nakomen.
6.    Het scheen den Minister niet doelmatig te bepalen, dat de
belasting van buitenlandsche spoorwegondernemingen verschuldigd
zou zijn in de persoon van hen, die hier te lande tot de uitoefe-
ning van het bedrijf dier ondernemingen zijn gemachtigd. Daaren-
tegen is in art. 12, § 2, bepaald, dat de aangifte voor deze belas-
tingplichtigen moet worden gedaan door haren vertegenwoordiger
bij de Nederlandsche Regeering. Deze, de officiëele tusschenpersoon
tusschen de Nederlandsche autoriteiten en de vreemde spoorweg-
onderneming, is de aangewezen persoon, om de aangifte te doen.
7.    De bepaling in het oorspronkelijk ontwerp (art. 2 VII), dat de
belasting van in staat van faillissement of in staat van kennelijk
onvermogen verkeerenden is verschuldigd in den persoon van den
curator, werd in het gewijzigd ontwerp weggelaten. Het kan
voorkomen, zeide de Minister, dat een gefailleerde eene vaste be-
trekking verkrijgt, of, niettegenstaande zijn faillissement, door
arbeid een vrij aanzienlijk vermogen verwerft. Doch dat inkomen
wordt niet altijd in den boedel ingebracht en het zou hard zijn,
den curator aansprakelijk te stellen voor eene belastingschuld,
die hij niet altijd op den boedel of den belastingplichtige zal kun-
nen verhalen. Wanneer er zich echter in den boedel gelden be-
vinden, zal de curator, ingevolge art. 7 der wet van 22 Mei 1845
(Stbl. n°. 22) verplicht zijn, de verschuldigde belasting te betalen.
11
-ocr page 172-
Hoofdstuk I. — Art. 8.
162
Art. 8. Vrijgesteld van belasting zjjn:
a.    winsten van stichtingen, voortspruitende uit of verband
houdende met het geven van onderwijs, het voorkomen of le-
nigen van armoede, verpleging, verzorging of zedelijke verbe-
tering en het verstrekken aan minvermogenden van kost, in-
woning of kost en inwoning, geneeskundige hulp, geneesmid-
delen en begrafenis of begrafenisgelden;
b.    inkomsten • van spoorwegondernemingen in het buiten-
land gevestigd, welker exploitatie op Nederlandsch grondgebied
zich niet verder uitstrekt dan tot het naast bij de grens ge-
legen station, mits Nederlandsche spoorwegondernemingen in
het land waar eerstgenoemde gevestigd zijn gelijke vrijstelling
genieten;
c.    inkomsten van gezanten en andere vertegenwoordigers
of diplomatieke ambtenaren van vreemde Mogendheden, die
naar de regelen van het volkenrecht of krachtens verdrags-
bepalingen op vrijdom van persoonlijke lasten aanspraak heb-
ben. Deze vrijstelling kan onder voorwaarde van wederkeerig-
heid worden uitgestrekt tot consuls of consulaire ambtenaren
van vreemde Mogendheden, mits zij vreemdelingen zijn en hier
te lande overigens geen bedrijf of beroep uitoefenen.
Litt. a. I. Het was voldoende, hier alleen te spreken van stichtingen,
omdat ten aanzien van vereenigingen de bepaling geldt van
art. 5 § 1, waar met opzet de uitdeelingen tot maatstaf der belas-
ting zijn genomen (verg. aant. 3 op dat artikel.). Deelen de
vereenigingen uit, zoo worden zij getroffen, behoudens de uitzonde-
ringen onder b en c van art. 5 § 1; deelen zij niet uit, dan zijn
zij vrij.
Stichtingen daarentegen zijn volgens art. 5 § 4 uitdrukkelijk
belast naar het zuiver bedrag der inkomsten uit bedrijf of beroep.
Daarvoor was hier eene speciale vrijstelling noodig, om te ver-
mijden, dat voor winsten, die men wilde vrijstellen, belasting zou
worden gevorderd.
2.     Onder stichtingen ter voorkoming van armoede kan men
ook spaarbanken rekenen, want niets is geschikter om armoede
te voorkomen, zeide de Minister, dan door gelegenheid te geven
tot sparen a).
a) Uit deze uitspraak volgt nog niet, dat elke spaarbank eene stich-
ting is, maar verscheidene moeten onder deze categorie gebracht wor-
den. Spaarbanken van vereenigingen, die uitkeeringen doen, zijn van
de belasting niet uitgezonderd (art. 5 $ 1).
3.    In het Begeeringsontwerp, zooals dit bij de Tweede Kamer
in behandeling kwam, luidde litt. a: «winsten van stichtingen, tot
het geven van onderwijs, tot het voorkomen of lenigen van ar-
-ocr page 173-
163
Hoofdstuk I. — Aet. 8.
moede, tot verpleging, verzorging of zedelijke verbetering en tot
het verstrekken aan minvermogenden van kost of kost en inwo-
ning, geneeskundige hulp, geneesmiddelen en begrafenis of begra-
fenis gelden" a).
De woorden .stichtingen tot het geven van onderwijs" kon-
den tot de verkeerde gevolgtrekking leiden, dat stichtingen, die zich
bezighouden met onderwijs en daarnevens met het exploiteeren
van eene fabriek of eene onderneming, aan de belasting volgens art.
5 § 4 zouden kunnen ontsnappen, zoodra het doel der stichting slechts
was aangegeven in een vorm, die haar onder dit artikel 8 bracht.
Volgens den Minister was echter de bepaling aldus geredigeerd,
om kleingeestige toepassingen der wet te voorkomen, want ware
geschreven: «winsten van stichtingen uitsluitend tot het geven
van onderwijs" enz., dan zouden deze, hoewel zij geen ander doel
hebben, voor kleine bijkomstige winsten belastbaar zijn. Daar
het doel der stichting blijkt uit een of ander authentiek stuk, een
testament of eene akte van oprichting en de inkomsten voor dat
doel. moeten worden aangewend, meende de Minister, dat de vrij-
stelling nimmer over een groot bedrag kon loopen. Deze vrije
interpretatie eener bepaling, die naar de letter eene andere opvat-
ting vordert, bleef de heer Hintzen echter niet zonder gevaar
achten. Mitsdien werd door dezen afgevaardigde overeenkomstig
de thans luidende redactie een amendement voorgesteld, dat met
39 tegen 23 stemmen werd aangenomen. Daarmede is vermeden,
dat b.v. de bekende Trappistenbierbrouwerij buiten de belasting
valt, terwijl aan den anderen kant de kleine bijkomstige win-
sten, waarvan de Minister sprak, indien zij verband houden met
de vrijstelling, daaraan niet te kort doen. Behaalt b.v. eene
stichting voor ziekenverpleging met het beschikbaar stellen van
een desinfectieoven, die zij overigens voor het ziekenhuis zelf in
de eerste plaats gebruikt, daarmede eenige winst, dan houdt deze
winst verband met het doel: de verpleging. Zoo ook, indien zij
werk verschaft met het kloppen van steenen, zal de winst, die
bij den verkoop kan worden verkregen, verband houden met het
doel: het lenigen van armoede, evenals ook de winst, verkregen
uit de exploitatie eener apotheek door eene stichting voor het ver-
strekken van geneeskundige hulp aan minvermogenden, vrijgesteld
blijft.
o) De uitdrukking «kost en kost en inwoning" werd later gewijzigd
in »kost, inwoning of kost en inwoning", naar de bedoeling van een
amendement van de Commissie van Rapporteurs, dat door den Minister
werd overgenomen. Bij die wijziging werd gedacht aan personen, die
alleen inwoning genieten in hofjes en gestichten, wanneer aan de in-
woning geen kost is verbonden.
Litt. b. 4. Op de vraag in het Voorl. Verslag, voor welke der Ne-
derlandsche lijnen op buitenlandsch grondgebied de hier aan buiten-
landsche lijnen toegekende vrijstelling niet is verleend, antwoordde
de Minister, dat vrijstelling wettelijk alleen bestaat in België.
Feitelijk wordt door Pruisen voor het" baanvak Grens—Emmerik
niets geheven, maar voor het geheele baanvak Grens—Salzber-
gen wordt betaald.
-ocr page 174-
Hoofdstuk I. — Artt. 8 — 9.
164
Litt. c. 5. De regelen van het volkenrecht staan in het algemeen
wel niet voldoende vast, om daarnaar in eene wet te verwijzen,
doch voor de toepassing van de bedrijfsbelasting achtte de Mi-
nister dit geoorloofd.
6. De beperking der vrijstelling van vreemde consuls of con-
sulaire agenten tot hen, «die vreemdelingen zijn en hier te lande
overigens geen bedrijf of beroep uitoefenen" ging volgens het
Voorl. Verslag te ver, doch de Minister herinnerde aan art. 11
der wet op de vermogensbelasting, waar dezelfde beperking wordt
aangetroffen.
Art. 9. De belasting bedraagt:
A. voor binnen het Rijk wonenden, die niet in de vermogens-
belasting zijn aangeslagen;
voor hen, die buiten het Rijk in Europa een Nederlandsch Staats-
ambt uitoefenen;
en voor de in het buitenland gevestigden, bedoeld bij art. lh, die
hier te lande persoonlijk of door gemachtigden een bedrijf, beroep,
ambt, waardigheid, bediening of betrekking geregeld uitoefenen;
wanneer de zuivere inkomsten bedragen:
650 tot beneden f 700 .
f 1,00
700 „ „ 750 .
2,00
750 „ „ 800 .
2,75
800 „ „ 850 .
3,50
850 „ „ 900 .
4,25
900 „ „ 950 .
5,00
950 „ „ 1 000 .
5,75
1000 „ „ 1 050 .
6,50
1050 „ „ 1 100 .
7,25
1 100 „ „ 1 150 . .
8,00
1 150 „ „ 1 200 . .
8,75
1200 „ „ 1250 . .
9,50
1250 „ „ 1300 . .
10,25
1 300 „ „ 1 350 .
11,00
1350 „ 1 400 .
11,75
1400 „ „ 1450 .
12,50
1450 „ „ 1 500 .
13,25
1500 „ „ 1600 .
14,00
f
Bedragen zij meer dan /"1500, doch niet meer dan ƒ8200,
zoo is verschuldigd eene vaste som van f 14, benevens ƒ2 voor
elke geheele som van ƒ100, waarmede zij het bedrag van
ƒ1500 te boven gaan.
-ocr page 175-
165
Hoofdstuk I. — Abt. 9.
Bedragen zij meer dan ƒ 8200, zoo is verschuldigd eene vaste
som van ƒ 148, benevens ƒ3,20 voor elke geheele som van
ƒ100, waarmede zij het bedrag van ƒ8200 te boven gaan.
§ 12. B. voor hen, die in de vermogensbelasting zijn aangeslagen:
a.    indien het belastbaar vermogen ƒ13 000 of ƒ14 000 be--
draagt:
wanneer de zuivere inkomsten bedragen:
ƒ 250 tot beneden ƒ 300 .... ƒ 2,00
300
»
;;
350
350
»
»
400
400
!!
»
450
450
>!
j;
500
500
»
v
550
550
»
)!
600
600
))
n
650
650
»
il
700
700
)!
!!
750
750
»
V
800
800
)J
;>
850
850
)J
»
900
900
;)
V
950
950
n
V
1000
1000
»
11
1050
1050
1150
2,75
3,50
4,25
5,00
5,75
6,50
7,25
8,00
8,75
9,50
10,25
11,00
11,75
12,50
13,25
14,00
Bedragen zij meer dan ƒ1050, zoo is verschuldigd eene vaste
som van ƒ14, benevens ƒ2 voor elke geheele som van ƒ100,
waarmede zij het bedrag van ƒ1050 te boven gaan.
Bedragen echter de zuivere inkomsten, gevoegd bij vier ten
honderd van het belastbaar vermogen, meer dan ƒ8150, dan
is over dat meerdere nog ƒ1,20 voor elke geheele som van
ƒ100 verschuldigd;
b.    indien het belastbaar vermogen ƒ15 000, doch niet meer
dan ƒ200 000 bedraagt:
wanneer de zuivere inkomsten bedragen:
300 . .
f 1,25
350 . .
2,00
400 . .
2,75
450 . .
3,50
500 . .
4,25
550 . .
5,00
ƒ 250 tot beneden ƒ
300
V
JJ
350
V
ri
400
;>
»
450
»
V
500
!!
I!
-ocr page 176-
166
Hoofdstuk I. — Art. 9.
ƒ 550 tot beneden ƒ 600 .... ƒ 5,75
600 „
»
650
650 „
j;
700
700 „
jj
750
750 „
n
800
800 „
n
850
850 „
n
900
900 „
n
950
950 „
il
1000
1000 „
Tl
1050
1050 „
V
1100
1 100 „
>\'.
1200
6,50
7,25
8,00
8,75
9,50
10,25
11,00
11,75
12,50
13,25
14,00
Bedragen zij meer dan ƒ1100, zoo is verschuldigd eene
vaste som van ƒ14, benevens ƒ2 voor elke geheele som van
ƒ100, waarmede zij het bedrag van ƒ1100 te boven gaan.
Bedragen echter de zuivere inkomsten, gevoegd bij vier ten
honderd van het belastbaar vermogen, meer dan ƒ8200, dan
is over dat meerdere nog ƒ1,20 over elke geheele som van
ƒ100 verschuldigd.
c. indien het belastbaar vermogen meer dan ƒ200 000 be-
draagt: ƒ3.20 voor elke geheele som van ƒ100 der zuivere
inkomsten, waarmede zij het bedrag van ƒ200 te boven gaan.
C.  voor de in het buitenland gevestigden, die hier te lande rond-
reizen om bestellingen op te nemen:
f 15 in ieder belastingjaar, onverminderd de belasting uit
anderen hoofde krachtens deze wet door hen verschuldigd;
D.  voor alle overige belastingplichtigen:
ƒ2.50 van elke geheele som van ƒ100.
Voor de in het buitenland gevestigden, bedoeld bij art. 1 h, die
hier te lande slechts tijdelijk een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid,
bediening of betrekking uitoefenen,
wordt echter de belasting be-
rekend op ƒ0,50 van elke geheele som van ƒ25, waarmede in
elke drie kalendermaanden hunne inkomsten het bedrag van
ƒ150 te boven gaan.
I. Tarief A is op drie categoriën van belastingplichtigen van
toepassing en geldt:
1°. voor de binnen het Rijk wonenden, die niet in de ver-
mogensbelasting zijn aangeslagen;
2°. voor hen, die buiten het llijk een Nederlandsch Staatsambt
uitoefenen (art. 1 d en art. 6 § 1), en
-ocr page 177-
Hoofdstuk I. — Art. 9.
167
3°. voor de in het buitenland gevestigden, bedoeld in art. 1 h,
die hier te lande persoonlijk of door gemachtigden een be-
drijf, enz. geregeld uitoefenen, in tegenstelling met hen,
die dit slechts tijdelijk doen en voor wie het tarief in het
laatste lid van dit artikel is opgenomen (art. 6 § 5, 1\' en
2e zinsn.).
De sub 2°. en 3°. zijn met de sub 1°. genoemden geassimi-
leerd, omdat, wat sub 2°. betreft, geen vermogensbelasting door
hen is verschuldigd, als wonende buiten het Rijk, terwijl, al moch-
ten de sub 3°. genoemden vermogen bezitten, die onderstelling,
ter wille van een uniform tarief, ter zijde is gesteld.
Tarief B is geplitst in drie onderdeelen in verband met den
belastingvoet bij art. 10 der wet op de vermogensbelasting voor
vermogens van verschillende grootte bepaald (verg. de Inleiding
bl. 14—18).
Tarief C is uitsluitend ingesteld voor buitenlandsche handels-
reizigers, die hier te lande bestellingen opnemen (art. 1 k). Met
het oog op de bepaling in het handelstraktaat van 31 December
1851 (verg. art. 10 hierna), werd voor hen het recht gefixeerd op
f 15, ongeveer overeenkomende met het vroegere patentrecht
in hoofdsom en opcenten ad f 15.36. Aanvankelijk was het recht
op f 12 bepaald, doch toen de bevoegdheid tot het heffen van
opcenten uit het ontwerp werd gelicht, kon het cijfer tot f 15
worden opgevoerd.
Tarief D ziet op alle overige belastingschuldigen:
1°. de  naamlooze vennootschappen, (art. 1 b en art. 5 § 1),
2°. de   commanditaire vennootschappen op aandeelen (art. 1 b
en  art. 5 § 1,
3°. de   coöperatieve en andere vereenigingen (art. 1 b en art.
5 § 1),
4°. de onderlinge verzekeringmaatschappijen (art. 1 b en art. 5 § 1),
5°. de reederijen (art. leen art. 5 § 2),
6°. de sociëteiten (art. 1 b en art. 5 § 3),
7°. de stichtingen (art. 1 c en art. 5 § 4),
8°. de buitenlandsche vennooten in Nederlandsche vennoot-
schappen en maatschappen (art. 1 e en art. 6 § 2), a),
9°. de spoorwegondernemingen in het buitenland gevestigd,
welker exploitatie zich op Nederlandsch grondgebied uit-
strekt (art. 1 ƒ en art. 6 § 3),
10°. de in het buitenland gevestigden, die hier te lande over-
eenkomsten van verzekering aangaan, door tusschenkomst
van hier gevestigde gemachtigden (art. 1 g en art. 6 § 4) en
11°. de in het buitenland gevestigden, die door bemiddeling van
tusschenpersonen hier te lande, herhaaldelijk stoffen of
kleedingstukken, enz. aan hier wonenden voor particulier
gebruik in koop toezenden (art. 1 i en art. 6 § 6).
a) Tarief A ook toepasselijk te verklaren op de hier bedoelde be-
lastingplichtigen van art. 1 e, en voor hen dus hetzelfde te laten gel-
den als voor de in art. 1 h genoemde buitenlanders, die hier te lande
geregeld een bedrijf uitoefenen, achtte de Minister niet wensehelijk.
-ocr page 178-
Hoofdstuk I. — Abt. 9.
De overgroote meerderheid der buitenlanders, bedoeld bij art. 1 e, bestaat
zonder eenigen twijfel uit commanditairen. Hunne personen blijven
den fiscus onbekend. Zij moeten dus op dezelfde wijze belast worden
als aandeelhouders in eene naamlooze vennootschap en ook voor hen
moet de belasting een streng zakelijk karakter dragen. Het geval, dat
een firmant in eene Nederlandsche onderneming buitenslands woont,
zal zich niet dikwijls voordoen. De bepaling moest zóó worden gere-
digeerd, dat zij past, niet op het exceptioneele, maar op het meest
voorkomende geval. »Dat overigens," zoo merkte de Minister verder op,
»een buitenlander, vallende onder de categorie van art. 1 h, zich onder
het tarief D kan brengen door zich met zijn gemachtigde te associëeren,
is waar, maar de schatkist zal daarbij niet veel verliezen, want eerst
bij een inkomen van f 8300 begint de progressie, en is het inkomen
kleiner dan die som, zoo drukt tarief D zelfs zwaarder."
2.     Van de verschillende amendementen, op het ontwerp-artikel
voorgesteld, maken wij hier geen melding. Eensdeels werd daar-
mede beoogd bij de tarieven rekening te houden met de getal-
sterkte van het gezin, anderdeels het percentage der heffing voor
de lagere inkomsten in meerdere of mindere mate te verlagen,
terwijl het amendement van den heer Dobbelmann nog ten doel
had, de tarieven voor de bedrijfsbelasting los te maken van het
bezit van vermogen. De amendementen werden echter alle ver-
worpen. Alleen het amendement van den heer Goeman Borge-
sids werd aangenomen overeenkomstig de tegenwoordige redactie
van de tarieven A en B, in dien zin gewijzigd, dat het minimum
van ƒ 700 in tarief A door een aangenomen sub-amendement
van den heer Heldt weder werd teruggebracht tot dat in het
regeerings-ontwerp vermeld, a)
a) Het minimum van f 700 was gegrond op de redeneering, dat,
aangezien het bedrijfsinkomen in den regel met den dood ophoudt en
het vermogensinkomen niet, ook het minimum voor het eerste hooger
behoort te worden gesteld dan de laagst belastbare som van f 520
(4 o/o van f 13000) in de vermogensbelasting en wel zooveel, als iemand
met f 520 aan arbeidsinkomen moet betalen aan premie, om eene som
te verzekeren, groot genoeg, om na zijnen dood aan zijne erfgenamen een
inkomen van f 520 \'s jaars te waarborgen. Daarvoor zou gemiddeld
ƒ 180 noodig zijn en dit cijfer, gevoegd bij f 520, vormde de basis,
waarop het voorstel. steunde. Bovendien wees de voorsteller er pp,
dat de heffing van f 1 van f 650 inkomen het getal oninbare posten
ontzaglijk kon doen toenemen. Door den Minister werd het minimum
evenwel bestreden, uit vrees dat daardoor een te groot tekort zou ont-
staan op de te verwachten opbrengst der belasting en zoodoende kwam
do heer Heldt met het sub-amendement, om daardoor de aanneming
van het overige in het amendement van den heer Goeman Borgesius
des te beter te verzekeren.
3.     Tengevolge van een aangenomen amendement van den heer
Van Beuningen, werd de heffing in tarief D bepaald op 21/2 %
in plaats van 2 %, zooals in het Kegeerings-ontwerp was voor-
gesteld. De bepaling omtrent het heffen van opcenten was intus-
schen door den Minister teruggenomen.
4.     Volgens het gewijzigd ontwerp werd voor de in de laatste
zinsnede vermelde buitenlanders, die hier slechts tij de-
lijk een bedrijf, enz. uitoefenen, de belasting op/1 van elke ge-
heele som van f 50 berekend, zonder dat een bepaald minimum was
-ocr page 179-
Hoofdstuk I. — Art. 9.                          169
vrijgelaten. Bijgevolg zou een buitenlander, die in drie maanden
niet meer verdiende dan een vierde van ƒ 600, dus f 150, in de
belasting vallen. Deze bepaling vond de heer Mees niet billijk
en ook minder doelmatig, want zij, die volgens deze zinsnede wor-
den aangeslagen, hebben het middel bij de hand om belast te
worden, evenals de hier wonenden. Zij behoeven zich n.1. slechts
aan te geven, als vallende onder art. 1 a en zich verder te beroe-
pen op art. 38, indien zij het Rijk metterwoon verlaten. De
tegenwoordige redactie, door den heer Mees voorgesteld, werd
op deze argumenten door den Minister overgenomen, a)
a) Eerst dan. wanneer men het beroep drie maanden uitoefent of
zal uitoefenen, wordt men belastingplichtig, gevoegd hij de onderstelling,
dat in zulk een tijdvak de inkomsten minstens ƒ175 bedragen. Daarbij
moet de bepaling van art. 10 hierna in de daartoe leidende gevallen
worden in acht genomen.
5. Voorbeelden:
1°. Een ambtenaar bij de Holl. Sp. Mij. geniet een vast trak-
tement van ƒ2000 en bezit bovendien eene inschrijving op het
Grootboek der 2y2 % Nat. Schuld van ƒ14000 (koers 90 °/0).
Voor het pensioenfonds der Maatschappij wordt hem jaarlijks
gekort f 110. Voor het verplichte onderhoud zijner schoonmoeder
draagt hij jaarlijks ƒ200 bij. Hij betaalt dus naar:
Vast traktement..........ƒ 2000
Herleid vermogen (art. 2 § 2).....» 480
ƒ 2480
Waarvan af:
Korting (art. 3, litt. i)........ƒ 110
Verplicht levensonderhoud (art. 2 § 2 b). . » 200 a)
. 310
Belastbaar inkomen ƒ 2170
Daarvan is verschuldigd (tarief A):
van ƒ 1500 ƒ 14
, » 670 _,___12_
totaal ƒ 26
2°. Iemand geniet een pensioen van ƒ1000. Hij heeft een ver-
mogen van ƒ8000, voor welk bedrag hij als commanditair vennoot
deelgerechtigd is in eene vennootschap (niet op aandeelen) en waar-
van hij, behalve eene vaste rente van 5 %, in de laatste jaren
gemiddeld nog 2 % heeft ontvangen (verg. art. 3 § 5, art. 4 § 3 j°.
art 57).
Pensioen..............    f 1000
4 % van ƒ8000 (het vermogen opgegeven
in biljet A)...........     ,820
waarbij 7% — 4% van ƒ8000 (art. 3 § 5)     . 240
ƒ 1560
Af: 50 o/0 van ƒ1000 (art. 3 § 6)........ 500
Belastbaar inkomen ƒ 1060
Volgens tarief A is verschuldigd ƒ7.25.
-ocr page 180-
170
Hoofdstuk I. — Art. 9.
3°. Een winkelier, wiens vermogen bestaat uit zijn bedrijfs-
kapitaal, groot ƒ 10500, heeft enkel biljet A ter invulling ontvangen.
Hij wordt dus ambtshalve aangeslagen door het College van
Zetters. Dit stelt zijne zuivere inkomsten vast op ƒ1500, waarin,
zooals van zelf spreekt, is begrepen hetgeen met het bedrijfs-
kapitaal wordt verdiend. Aldus:
Ambtshalve bepaalde zuivere inkomsten.....ƒ 1500
Waarbij 4 % (art. 2 § 21 van ƒ 10000 (op te geven in
biljet A)................ . 400
ƒ 1900
Waarvan af (art. 3 § 2 o)........... 420 b)
Belastbaar naar ƒ 1480
Volgens tarief A verschuldigd ƒ13.25.
Met de kosten volgens art. 3 § 2 heeft de winkelier niet te
maken, want zij worden op biljet A niet gevraagd. Hierop moet
door het College van Zetters bij de bepaling der zuivere inkomsten
worden gerekend.
Maar hoe zal b.v. dat College weten, of de betrokken belasting-
plichtige eene zekere premie betaalt volgens art. 3, litt. j?
4°. Iemand geniet eene levenslange jaarlijksche uitkeering van
ƒ 1000, waarvoor tot zekerheid der richtige uitbetaling eene in-
schrijving in het Grootboek der 2J/2 % Nat. Schuld is verbonden
van ƒ 40000. Hij geniet verder een wachtgeld van ƒ700 en be-
taalt jaarlijks eene premie van ƒ100 voor eene uitkeering bij
overlijden. Van die premie werd hem in het afgeloopen belasting-
jaar na de opmaking der vijfjarige balans 40 % gerestitueerd uit
de gemaakte winst, dus ƒ200. De belasting te berekenen naar:
Jaarlijksche uitkeering (art. 2 § 1 b).......ƒ 1000
Wachtgeld................, 700
Winstuitkeering (art. 3 § 1 b).........          vrij
ƒ 1700
Af: 50% van/700 (art. 3 § 6) . . . ƒ 350
5 % premie van/1700 (art. 8 § 2 litt.» . 85
. 435
Belastbaar inkomen ƒ 1265
Volgens tarief A is verschuldigd f 10.25.
Was den belastingplichtige het vruchtgebruik der bedoelde in-
schrijving ad f 40000 gelegateerd, dan zou dit bedrag tegen den
koers van 90% een vermogen vertegenwoordigen van ƒ36000 en
daarvan volgens de wet op de vermogensbelasting zijn verschuldigd
over ƒ28800 (verg. art. 3, 2" lid en art. 10 dier wet) ƒ22.50 be-
lasting. Aan bedrijfsbelasting van de overige inkomsten (ƒ315)
had hij dan nog te betalen naar tarief B, lett. 6, ƒ2.00, te zamen
in beide belastingen ƒ24.50.
5*. Een gemeente-secretaris geniet als zoodanig een traktement
van ƒ.300. Hij is tevens landbouwer. De waarde zijner bezitting
wordt naar art. 7 A der wet op de vermogensbelasting berekend:
-ocr page 181-
Hoofdstuk I. — Art. 9.
171
Belastbare opbrengst, gebouwd.....ƒ 100
»                  >           ongebouwd . . • . » 500
Grondbelasting (hfds. en opc.) gebouwd . , 8
,                          i                ongebouwd • 35
Waarde gebouwd 92 X 15 = ........ƒ 1380
, ongebouwd 465 X 20 =........ 9300
> van paarden, voorraden, enz.......» 2000
Geheel vermogen ƒ 12680
Hij zal dit vermogen in biljet A hebben op te geven. Volgens
art. 2 §2 wordt zijn inkomen van ƒ300 verhoogd met ƒ480, te
zamen ƒ780. Hiervan bedraagt de belasting naar tarief A ƒ2.75.
Van de inkomsten uit landbouw wordt geen notitie genomen.
Zij worden geacht 4% te bedragen (art. 3 § 7) en gelijk te staan
met den aftrek volgens art. 3 § 2. Het winstcijfer werd met be-
doeling in de wet gefixeerd, om compensatie met inkomsten uit
andere bronnen te voorkomen.
6°. Een Duitsch ingenieur is hier te lande tijdelijk werkzaam
bij den bouw eener brug. In vasten dienst bij den buitenland-
schen fabrikant (aannemer van het werk) geniet hij jaarlijks een
salaris van ƒ 3000, terwijl hij gedurende den tijd van zijn verblijf
hier te lande eene maandeïijksche toelage ontvangt van ƒ 125.
Bepalen wij dat verblijf op vier maanden en nemen wij gemaks-
halve de bedoelde cijfers als zuiver bedrag aan, zooals de wet
dit vordert (art. 6 § 5), dan geniet hij in dien tijd ƒ 1500, want
ook de toelage is hier een vorm van belooning. De be-
lasting wordt dus berekend voor de eerste drie maanden over
—j—X3=/"1l25-DitDedragverminderdmet/15()DliJft/975)waar-
4
                                975
van is verschuldigd -hv-X ƒ 0-50 = ƒ 19.50; voor de overblijvende
1500
maand geschiedt de berekening over: —-— = ƒ 375, waarvan
na aftrek van ƒ 150, overschiet ƒ 225. Hiervan bedraagt de
225
belasting: -^-- X f 0.50 = ƒ 4.50. Te zamen dus over vier
maanden ƒ 24. Bij art. G § 5 heeft men overigens in het oog te
houden, dat de wet slechts spreekt van winsten en beloo-
ningen, (onder b van bezoldiging), evenals in § la van art. 2.
De wachtgelden, pensioenen, enz. onder b van die § komen dus
voor de buitenslands gevestigden voor de belasting niet in aan-
merking, al oefenen zij ook hier geregeld of tijdelijk een bedrijf
of beroep uit. Verg. ook aant. 26 op art. 1.
o) Verg. aant. 10 op art. 2.
6. Het verdient opmerking, dat hier de verwaarloozing van de som
beneden f 1000 niet is toegepast, omdat art. 3 f 2 a enkel art. 7 der
wet op de verm.bel. toepasselijk maakt. Uit art. 12 § 1 V zou men
wellicht kunnen afleiden, dat dit de bedoeling niet is. Wij laten de
vraag in het midden.
6. Uitgewerkte tarieven zijn achter dit werk opgenomen.
-ocr page 182-
Hoofdstuk I. — Abt. 10.
172
Art. 10. Voor de toepassing van artt. 21 en 24 van het
tractaat van handel en scheepvaart met Pruisen en de verdere
Staten van het Duitsche Tolverbond van 24 December *) 1851
(Staatsblad 1852 n°. 104) en van art. 5 der overeenkomst met
Duitsehland, tot regeling van de uitoefening der geneeskunst
in de grensgemeenten, van 11 December 1873 (Staatsblad 1874
n°. 71), wordt de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten
ten hoogste tot het daar bepaalde bedrag geheven.
I. Bij overeenkomst met verschillende andere Mogendheden is
wederzijdsche gelijkstelling bedongen met de onderdanen der
meest begunstigde natiën. De in art. 10 vermelde bepa-
lingen gelden dus ook voor de Staten, aan wie het laatste is
toegestaan, (o. a. aan België luidens art. 1 van het verdrag
van 7 Dec. 1865, Stbl. 1866, n°. 79, Verz. n°. 63.). «Wanneer de
bedrijfsbelasting het patentrecht vervangt" — aldus in de Memo-
rie van Toelichting — «spreekt het van zelf, dat de verplichtingen,
aangegaan met betrekking tot laatstgemelde belasting, op de
eerstgenoemde overgaan en tevens dat, waar het recht volgens
deze lager is dan het patentrecht, slechts dit lagere recht zal ge-
vorderd worden."
Voorts lezen wij nog in de Mem. van Antw.: , Wordt voor de
buitenlandsche reizigers het tarief vastgesteld gelijk het nu is
ontworpen, en worden art. H en art. 6 § 5, laatste lid, aangeno-
men, zooals zij zijn voorgedragen, dan is eene bepaling, als
vervat in het oude art. 9 (nu dit art. 10, aangevuld met de ver-
wijzing naar de overeenkomst van 1873, Bed.) bijna overbodig
geworden. Want .de schippers van het Tolverbond in de Neder-
landen" bij art. 21 van het traktaat van 1851 vermeld, zullen dan
vrij zijn, indien zij slechts tusschen Nederlandsche en buitenland-
sche havens personen en goederen vervoeren, terwijl zij, de
binnenlandsche vaart hier uitoefenende, dit wel nimmer »drie maan-
den achtereen" zullen doen. In den regel zal die binnenland-
sche vaart met de buitenlandsche gecombineerd zijn. Intusschen
bestaat dienaangaande geene volstrekte zekerheid." a)
a) De in artikel 10 aangehaalde bepalingen luiden als volgt:
Art. 21 van het traktaat van 1851: (verg. Verz. 1852, no. 72
en 73.) »De wederzijdsche schippers zullen vrijgesteld zijn van het
patentrecht, alsmede van elk ander tot hun beroep betrekkelijk per-
soneel recht, voor alle reizen, welke zij doen tusschen het gebied van
het Tolverbond en dat der Nederlanden, hetzij met lading, hetzij in
ballast".
»Wat betreft de binnenlandsche scheepvaart, zoo is er overeengekomen,
dat de schippers van het Tolverbond in de Nederlanden jaarlijks slechts
zullen betalen een recht van 20 cents per ton voor eene kubiek el
(behoudens 28 opcenten), en dat de Nederlandsche schippers in elk der
Staten van het Tolverbond als maximum slechts zullen betalen het
tegenwoordig in die Staten bestaand patentrecht".
\') Blijkens het Staatsblad no. 104 van 1852 moet gelezen worden 31 Decem-
ber. Zooals de Minister te kennen gaf, zal deze drukfout bij de eerste gelegen^
heid worden verbeterd.
-ocr page 183-
173
Hoofdstuk I. — Abt. 10.
»Als binnenlandsche scheepvaart zal niet worden beschouwd het
transport, hetzij der goederen, welke de schippers aanbrengen, uit het
gebied van het Tolverbond in do Nederlanden, of vice versa, naar eene
of naar verschillende plaatsen van het andere land, gelegen in den
koers hunner reis, hetzij van de goederen, die de terugkeerende schip-
pers uitvoeren uit eene of verschillende plaatsen van het andere land,
in den koers hunner reis gelegen".
»De voorgaande bepalingen zijn insgelijks van toepassing op de
stoombooten".
«Overigens is het uitdrukkelijk bepaald, dat de voorgaande bepalingen,
zonder uitzondering, van toepassing zijn op al de waterwegen, vermeld
in alinea 1 van art. 10".
Art. 24 van het traktaat van 1851:
»Er zal volkomen en algeheele handelsvrijheid bestaan tusschen de
onderdanen der twee hooge contracteerende partijen, in dien zin, dat
dezelfde faciliteiten, veiligheid en bescherming, door de eigen onder-
danen genoten, over en weder worden gewaarborgd. Dientengevolge
zullen de wederzijdsche onderdanen, ter zake van hunnen handel of
van hunne nijverheid, in de havens, steden of plaatsen, hoe ook ge-
naamd, der beide hooge contracteerende partijen, hetzij zij zich daar
vestigen, hetzij zij er zich slechts tijdelijk met der woon neerzetten of
ophouden, geen andere of hoogere rechten, schattingen, of belastingen
betalen, dan die van de inboorlingen zullen geheven worden; en de
voorrechten, vrijdommen en andere gunsten, welke de onderdanen van
de eene der beide hooge contracteerende partijen in zake van handel
of van nijverheid genieten, zullen gemeen zijn aan die van de andere".
»\\Vat betreft de fabrikanten en kooplieden van een der Staten van
de hooge contracteerende partijen, alsmede hunne handelsreizigers, welke
in den anderen Staat aankoopen doen voor de behoeften hunner nij-
verheid en er bestellingen met of zonder monsters opdoen, doch zonder
met koopwaren rond te venten, zoo is het navolgende overeengekomen:
j>De onderdanen van een der Staten van het Tolverbond, die in de
Nederlanden reizen, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor die van een
handelshuis van het Tolverbond, zullen ter zake van hunnen handel
geene andere rechten betalen dan een jaarlijksch patentrecht van f 12
(behoudens 28 opcenten), als maximum".
«Wederkeerig zullen de Nederlandsche onderdanen, die in het Tol-
verbond reizen, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor die van een
Nederlandsch huis, ter zake van hunnen handel geene andere rechten
betalen dan een patentrecht van 8 Thalers jaarlijks, als maximum, in
eiken Staat van het Tolverbond."
»Er is evenwel overeengekomen, dat in alle gevallen, waarin in een of
ander der Staten van het Tolverbond het wettig tegenwoordig bestaand
patentrecht voor Nederlandsche onderdanen minder dan 8 Thalers be-
draagt, dat recht niet zal kunnen verhoogd worden."
Art. 5 van de overeenkomst van 1878 (verg. Verz. 1874,
no. 69):
«Daar de uitoefening der geneeskundige praktijk in Nederland onder-
worpen is aan eene patentbelasting, terwijl zoodanige belasting niet in
het Duitsche grensland bestaat, zoo is overeengekomen, ten einde deze,
door het verschil der wetgeving van beide landen veroorzaakte, onge-
lijkheid zooveel mogelijk te herstellen, dat de Duitsche praktizeerenden,
die van de hun door artikel 1 der overeenkomst verleende bevoegd-
heid gebruik mochten maken, slechts onderworpen zullen zijn aan het
minimum van het thans bij de wet vastgesteld patentrecht, hetwelk
f 5.76 in hoofdsom en opcenten bedraagt. Hierbij is te verstaan, dat
de Duitsche praktizeerenden dit minimum der patentbelasting slechts
éénmaal \'s jaars zullen te betalen hebben, om in alle aan Duitschland
grenzende Nederlandsche gemeenten de praktijk te kunnen uitoefenen."
-ocr page 184-
174                        Hoofdstuk II. — Art. 11.
HOOFDSTUK II.
Belastingjaar. Beschrijving.
Art. 11. § 1. Het belastingjaar begint met 1 Mei en ein-
digt met 30 April.
§ 2. Bij aanvang van belastingplichtigheid in den loop van
het belastingjaar is de belasting, indien zij over het jaar is
berekend en niet slechts over een deel daarvan, noch over de
uitdeelingen en uitkeeringen bedoeld bij art. 5 § § 1 en 2 en
art. 6 § 2, slechts verschuldigd over zooveel twaalfde gedeel-
ten van het belastingjaar als het aantal geheele maanden be-
loopt, die nog niet zijn ingetreden.
§ 3. Aanvang van belastingplichtigheid in den loop van het
belastingjaar heeft plaats:
a.    voor hen, die op 1 Mei wel binnen het Rijk wonen,
doch volgens de bepalingen dezer wet geen belasting verschul-
digd zijn: wanneer zij in den loop van het belastingjaar inkom-
sten verwerven als bedoeld bij art. 4, § 1 ten bedrage van
f 650 of meer per jaar, of wanneer zij een bedrijf of beroep
aanvangen of een ambt, waardigheid, bediening of betrekking
aanvaarden, waarvan de jaarlijksche inkomsten, berekend naar
de bepalingen dezer wet, blijkens overeenkomsten of andere
gegevens op f 650 of meer kunnen worden begroot;
b.    voor hen die zich na 1 Mei metterwoon binnen het Rijk
vestigen: wanneer zij tijdens die vestiging reeds in het genot
zijn van inkomsten, begrepen in art. 2 § 1 en waarvan het
bedrag op minstens zooveel kan worden begroot als belastbaar
is volgens de bepalingen dezer wet, en voorts in de hierboven ge-
noemde gevallen;
c.    voor de personen bedoeld bij art. 1 d, wanneer zij in den
loop van het belastingjaar een Nederlandsen Staatsambt bui-
ten het Rijk aanvaarden: op den dag van ingang hunner be-
zoldiging;
d.    voor de spoorwegondernemingen bedoeld bij art. 1 f: bjj
den aanvang van haren dienst op Nederlandsch grondgebied;
e.    voor stichtingen en voor de buitenslands gevestigden, be-
-ocr page 185-
Hoofdstuk II. — Abt. 11.                      175
doeld bij art. 1 h: bh\' den aanvang der uitoefening van het be-
drrjf, beroep, ambt of de waardigheid, bediening of betrekking hier
te lande, indien het inkomen daaruit op minstens zooveel kan
worden begroot, als belastbaar is volgens de bepalingen dezer wet;
f. voor de buitenslands gevestigden, bedoeld bij art. l/crby
den aanvang hunner werkzaamheid hier te lande.
§ 4. Het bepaalde in § 2 is niet van toepassing op belas-
tingplichtigen bedoeld bij art. 1 k.
§ I. I. Daar het kalenderjaar voor de meeste ondernemingen het
boekjaar is en hare balansen dus eerst geruimen tijd na 1° Ja-
nuari kunnen worden opgemaakt a), werd het verkieslijk geacht,
den aanvang van het belastingjaar op 1° Mei te bepalen, hetgeen
ook met het oog op art. 5 der vermogensbelasting wenschelijk is.
a) Verg. art 8 van het Wetb. van Kooph., alsmede art. 59 hierna.
§ 2. 2. Volgens art. 2 § 1 zijn zij, die binnen het Rijk wonen of
zich in den loop van het belastingjaar binnen het Rijk vestigen
belastingplichtig naar de som der jaarlijksche inkomsten, die be-
rekend worden naar de bepalingen van de artt. 3 en 4. Hetzelfde
geldt voor de in het buitenland gevestigden, die hier geregeld een
bedrijf, enz. uitoefenen (verg. art. 6 § 5, le zinsn.) en voor stich-
tingen (art. 5 § 4). In deze gevallen dus wordt naar twaalfde
gedeelten verschuldigd, (a-b)
Die rekening is echter niet toepasselijk bij t ij d e 1 ij k e uit-
oefening bedoeld bij art. 6 § 5, 2e zinsn. en ziet evenmin op ge-
vallen, waarin de belasting is verschuldigd van uitkeeringen en
uitdeelingen.
Overigens wordt voor de belastingplichtigen in art. 1 /, g en i
de belasting berekend naar art. 6 §§ 3, 4 en 6 en voor sociëtei-
ten naar art. 5 § 3.
Op handelsreizigers slaat de bepaling dezer § niet (verg. § 4).
a) De bedoeling der bepaling is, dat de berekening naar twaalfde
gedeelten wordt toegepast op het belastingbedrag overeen vol
jaar. Iemand, die dus met ingang van 2 November belastbaar wordt
naar een inkomen van f 1750, zou volgens tarief A van art. 9 ver-
schuldigd zijn f 18 en zal bijgevolg over vijf maanden betalen f 7.50.
Berekende men het belastbaar inkomen naar tijdsgelang en paste
men daarop het tarief toe, dan zou een andere uitkomst verkregen worden.
6) De wet spreekt van aanvang van belastingpliehtigheid.
Wanneer men dus lo. Mei reeds belastingplichtig was, wordt men in
den loop van het belastingjaar voor eventueel vermeerderde inkomsten
niet aangeslagen. Verg. hierbij art. 4 { 3, laatste zinsn. en art. 40.
§3a. 3. Zij, die binnen het Rijk wonen, doch niet belastingplichtig
zijn naar deze wet, zullen het tusschentijds slechts worden, bij-
aldien zij inkomsten verwerven, die ƒ650 of meer per jaar be-
dragen of daarop te begrooten zijn. Luidens de Mem. van Toe-
lichting is met deze bepaling eene kleingeestige toepassing der
wet voorkomen, a)
a) Wanneer iemand, die in de vermogensbelasting is aangeslagen
-ocr page 186-
Hoofdstuk II. — Abtt. 11 — 12.
176
in den loop van het belastingjaar wordt benoemd (b. v. tot burge-
meester) op een traktement van minder dan ƒ 650, wordt hij niet be-
lastingplichtig. Dit is wel eenigszins in strijd met de tarieven onder
art. 9 B opgenomen, waar de belastingplicht in dergelijke gevallen
reeds aanvangt bij f 250 of f 300.
Men houde overigens in het oog, dat door vermeerdering van in-
komsten, b. v. door verhooging van bezoldiging van f 600 tot f 700, in
den loop van het jaar de belastingplicht eveneens kan ontstaan (tarief A.).
§ 3 b. 4. Wanneer b.v. een gepensionneerde met ƒ 1000 pensioen zich
na 1° Mei hier te lande vestigt, is hij niet belastingplichtig (art.
3 § 6), tenzij hij tevens in de vermogensbelasting wordt getroffen
(verg. art. 9, tarieven B). Is dit niet het geval en bedroeg zijn
pensioen j 1500, dan zou hij in de belasting vallen, doch voor
elke vermeerdering in den loop van het jaar geen verhooging
van belasting schuldig zijn. Anders ware het, indien, bij de zoo
even onderstelde ƒ 1000 pensioen, nog inkomsten werden gevoegd,
die den belastingplicht in den loop van het jaar deden ontstaan.
§ 3 c. 5. Bekleedt men hier te. lande reeds eene bezoldigde betrek-
king en gaat men in den loop van het belastingjaar in een bezol-
digd Staatsambt over buiten het Rijk, dan zal van den aanslag
als belastingplichtige volgens art. 1 a ontheffing kunnen gevraagd
worden op grond van art. 38, 2\' zinsn.
§3(1. 6. De woorden: «bij den aanvang van haren dienst op Ne-
derlandsch grondgebied" sluiten in zich het geval, dat eene be-
staande lijn wordt overgenomen.
§ 3 f. 7. In verband met § 4 zullen de buitenlandsche handelsreizi-
gers, onderworpen aan tarief C van art. 9, ƒ 15 te betalen heb-
ben, ongeacht het tijdstip, waarop zij in het belastingjaar hun
bedrijf hier te lande aanvangen. Iemand, die in April voor het
eerst bestellingen opneemt, betaalt bijgevolg evenveel als een
ander die wellicht reeds bij den aanvang van het jaar daarvoor
werkzaam is. De Minister zag in de bepaling echter geen onbil-
lijkheid, »omdat de laatstgenoemde misschien zijn bezoek nooit her-
haalt en men dus, wilde men een ander systeem volgen, voor ieder
naar het aantal dagen zou moeten rekenen. Eene rekening, die
echter aan nauwkeurige controle zou ontsnappen."
Art. 12. § 1. De belasting wordt geheven ingevolge aan-
gifben der belastingplichtigen of hunne vertegenwoordigers op
beschrrj vingsbiljetten.
Er zijn beschrrj vingsbiljetten A, B en G.
Biljet A is bestemd tot aangifte:
I. van den naam, de voornamen en de woonplaats of plaats
van vestiging van hen, door wie de aangifte geschiedt; voorts
van den naam, de voornamen en de woonplaats of plaats van
vestiging van hen, op wie de aangifte betrekking heeft, als-
mede van hunne bedrijven, beroepen, bezoldigde ambten, waar-
-ocr page 187-
Hoofdstuk II. — Abt. 12.                      177
digheden, bedieningen, betrekkingen en verdere bronnen van
inkomsten bedoeld bij art. 2 § 1, art. 5 §§ 3 en 4 en art. 6 § 5;
II.    van bijzonderheden, niet ontleend aan kasboeken, ba-
lansen of winst-en-verliesrekeningen, waarvan de kennis ge-
vorderd wordt tot beoordeeling van den aard en den omvang
der bedrijven, beroepen, bezoldigde ambten, waardigheden, be-
dieningen en betrekkingen hierboven bedoeld;
III.    wanneer een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend in
vennootschap of maatschap met anderen, van den naam en
de woonplaats dezer personen, voor zooverre zij beheerende of
hoofdelijk aansprakelijke vennooten zijn. Wanneer er com-
manditaire vennooten zijn, wordt daarvan melding gemaakt;
IV.    voor hen, die tevens biljet B ontvangen, van het per-
centsgewijs bedrag der afschrijvingen bedoeld bij art. 3 § 2e
en van het bedrag der als kosten ingevolge art. 3 § 4 bere-
kende huur of huurwaarde;
V.    in de gevallen bedoeld bij art. 2 § 2, van het vermogen
van den belastingplichtige opgevat en berekend volgens de
wet van 27 September 1892 (Staatsblad n°. 223).
Biljet B is uitsluitend bestemd tot aangifte van inkomsten
of ontvangsten, belastbaar volgens deze wet.
Biljet G is bestemd tot aangifte van de uitkeeringen of uit-
deelingen waarover ingevolge art. 5 §§ 1 en 2 en art. 6 § 2
belasting verschuldigd is.
De formulieren voor de biljetten worden bij algemeenen
maatregel van bestuur vastgesteld.
§ 2. Biljet A wordt uitgereikt:
1°. Aan alle binnen het Rijk wonende of gevestigde personen
g 27 of lichamen, die geacht worden hetzij uit eigen hoofde, hetzij
als gemachtigde, vertegenwoordiger of tusschenpersoon voor
anderen, op 1 Mei belastingplichtig te zijn.
Wordt eene onderneming door meer dan een in Nederland ,
§§ 10, il, wonenden hoofdelijk aansprakelijken vennoot onder eene firma
36,41. gedreven, zoo geschiedt de uitreiking van biljet A ook aan die
firma, ter vermelding der bijzonderheden bedoeld bij § II—IV
van dit artikel, voorzooveel zij de door die firma gedreven
onderneming betreffen. Ten bljjke dat zij met den inhoud
instemmen zijn alle in Nederland gevestigde hoofdelijk aan-
sprakehjke vennooten gehouden de aangifte met hun eigen
12
-ocr page 188-
178
Hoofdstuk II. — Art. 12.
naam te onderteekenen. Bij hunne individueele aangifte op
biljet A kunnen zij naar deze aangifte verwijzen;
2°. aan de in het buitenland gevestigden, die op 1 Mei
persoonlijk of als gemachtigde hier te lande een bedrijf, beroep,
ambt, waardigheid, bediening of betrekking uitoefenen en ge-
acht worden belastingplichtig te zijn.
De uitreiking van biljet A geschiedt echter niet aan dezulken
die alleen belastingplichtig zijn naar uitkeeringen of uitdeelingen,
noch aan hen voor wie, ingevolge art. 7 §§ 3, 4 en 5, de be-
lasting verschuldigd is in de persoon van een ander.
Biljet B wordt uitgereikt:
1°. aan alle in het Rijk wonenden aan wie biljet A wordt
uitgereikt, voor zooverre:
a.    zij geacht worden in de vermogensbelasting belasting-
plichtig te zijn;
b.    hunne inkomsten, ongerekend die uit vermogen, hoofd-
zakelijk geacht worden te bestaan uit vaste traktementen en
andere inkomsten bedoeld bij art. 4 § 1;
c.    zij in het vorige belastingjaar naar een bedrag van f 2000
of meer in deze belasting waren aangeslagen;
d.    zij den ontvanger der directe belastingen uiterlijk op
§§3l,38. 15 Mei hunnen wensch om een biljet B te ontvangen schrif-
telijk hebben kenbaar gemaakt;
2°. aan hier te lande gevestigde stichtingen en sociëteiten
aan wie een biljet A wordt uitgereikt;
3°. aan allen die een Nederlandsch Staatsambt uitoefenen
buiten het Rijk zonder daar aan persoonlijke lasten onder-
worpen te zn\'n;
4°. aan spoorwegondernemingen in het buitenland gevestigd,
wier exploitatie zich op Nederlandsch grondgebied uitstrekt;
5°. aa\'n in het buitenland gevestigden, die hier te lande
door tusschenkomst van gemachtigden hier gevestigd, overeem
komsten aangaan tot brand-, zee-, levens-of andere verzekering;
6°. aan andere in het buitenland gevestigden die op 1 Mei
hier te lande een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, betrekking
of bediening uitoefenen, waarvoor zij kantoren of andere vaste
inrichtingen bezigen of waaraan vaste inkomsten, niet bestaande
uit dag- of weekloon en, verbonden zijn;
7°. aan in het buitenland gevestigden, die herhaaldelijk
stoffen of kleedingstukken, sieraden, meubelen, speelgoed, voe-
-ocr page 189-
Hoofdstuk II. — Art. 12.                      179
dings- en genotmiddelen en andere dergelijke artikelen in koop
toezenden aan niet daarin handeldrijvenden hier te lande door
bemiddeling van hier te lande gevestigde tusschenpersonen.
Aan de onder 3°., 5°., 6°. en 7°. bedoelden worden slechts
dan biljetten uitgereikt, wanneer zij geacht worden op 1 Mei
belastingplichtig te zijn.
De biljetten bestemd voor de sub 4°. bedoelden worden uit-
gereikt aan hunne vertegenwoordigers bij de Nederlandsche
§ 27. Regeering; die voor de sub 5°. en 7°. bedoelden, aan hen in
wier persoon de belasting verschuldigd is. Oefenen de sub 6°.
genoemden hun bedrijf of beroep door hier te lande gevestigde ge-
machtigden uit, dan geschiedt de uitreiking aan die gemachtigden.
j§ 19-21, De biljetten worden uiterlijk in Juli door of vanwege den
:3-25,38. ontvanger der directe belastingen uitgereikt.
§ 17. Of een biljet of biljetten zullen worden uitgereikt beoordeelt
de hoofdambtenaar der directe belastingen bedoeld in art. 19.
Over de vraag of iemand geacht moet worden in de vermo-
§ 12. gensbelasting belastingplichtig te zijn raadpleegt hij den inspec-
teur der registratie, wiens advies door hem wordt gevolgd.
Biljet G wordt uitgereikt:
1°. aan de vennootschappen, vereenigingen en maatschap-
pijen bedoeld bij art. lfe;
2°. aan de boekhouders van reederijen bedoeld bij art. 7 § 1;
3°. aan de hier te lande wonende beheerende vennooten
bedoeld bij art. 7 § 2;
tot aangifte te zijner tijd van de uitkeeringen of uitdeelingen,
voor welke naar deze wet de belasting verschuldigd is.
De uitreiking geschiedt bij het begin van het belastingjaar,
desgevorderd in meer dan één exemplaar.
§ 3. Ieder aan wien een beschrijvingsbiljet is uitgereikt,
33, 34. hetzij voor hem persoonlijk of als belastingplichtig voor anderen,
is gehouden de daarin gestelde vragen duidelijk, stellig en
zonder voorbehoud naar waarheid te beantwoorden en het met
zijne naamteekening te bekrachtigen.
Hij aan wien een biljet is gezonden, en die over het loopend
belastingjaar in eene andere gemeente van het Rijk is aan-
geslagen of daar reeds aangifte heeft gedaan, vermeldt dit op
het biljet, met opgaaf van den naam dier gemeente, onver-
minderd zijne verplichting tot aangifte in het geval, bedoeld
bij art. 14 § 4.
-ocr page 190-
180
Hoofdstuk II. — Abt. 12.
De aangifte voor hier te lande gevestigde naamlooze ven-
nootschappen, commanditaire vennootschappen op aandeelen,
coöperatieve of andere vereenigingen, onderlinge verzekering-
maatschappijen, sociëteiten en stichtingen, geschiedt door de
hier te lande gevestigde bestuurders of beheerende vennooten;
die van spoorwegondernemingen bedoeld bij art. 1/", door haren
vertegenwoordiger bij de Nederlandsche Regeering.
§ 27. § 4. De beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt ter plaatse
waar ingevolge art. 17 de aanslag geschiedt.
De voor eene firma bestemde biljetten A worden echter uit-
gereikt ter plaatse, waar deze haren zetel heeft.
Voor belastingplichtigen aan wie geen biljetten worden uit-
§§31,35, gereikt, alsmede voor alle belastingplichtigen die geen biljetten
37, 38. hebben ontvangen of wier biljetten in het ongereede zijn ge-
raakt, worden biljetten kosteloos verkrijgbaar gesteld, zoowel
bij de ontvangers der directe belastingen als op de secretariën
der gemeenten.
§§ I en 2. I. Op de gronden in de Mem. van Toelichting der vermogens-
belasting uiteengezet (ontleend aan de ervaring in Pruisen bij de
heffing der inkomstenbelasting opgedaan), is ook voor de bedrijfs-
belasting eigen aangifte de algemeene regel. Daarop is nochtans
eene belangrijke uitzondering gesteld. »De ondergeteekende" —
aldus de Minister in de Mem. van toelichting — «heeft zich
nimmer kunnen vereenigen met het denkbeeld om aangiften te
verlangen van hen, van wie in den regel niet verwacht kan
worden, dat zij tot nauwkeurige aangifte, van hetgeen de fiscus
weten moet, in staat zijn. Men zou te ver gaan door onder de-
zulken allen te begrijpen, wier inkomsten gering zijn. Een kan-
toorbediende b.v., al is zijn inkomen nog zoo klein, kan het be-
drag daarvan zeer wel opgeven, a) Tot de hier bedoelde groep
behooren alleen de kleine winkeliers, de kleine werkbazen en
diergelijken. In vele, misschien wel in de meeste gevallen, houden
deze personen geen boek, niet althans met zooveel nauwkeurig-
heid als noodig is, om hen tot eene juiste aangifte hunner winsten
in staat te stellen. Daar de grens ergens moet getrokken worden,
scheen dit het eenvoudigst, haar te trekken bij het punt, waar
de vrijstelling van de vermogensbelasting begint. Van kleine bazen
en winkeliers en dergelijken, die geen ƒ13000 bezitten, zal dus,
naar de bepalingen van dit ontwerp geen eigen aangifte gevraagd
worden; zij worden gebracht onder het régime van den ambts-
halvcn aanslag", b)
„Maar zal men bij dien aanslag niet in den blinde tasten, zoo
dient men eenige gegevens te bezitten, naar welke men kan oor-
deelen."
,Ten einde die te verkrijgen — en zoodanige gegevens kunnen
ook in andere gevallen noodig zijn, daar ambtshalve aanslag mede
-ocr page 191-
Hoofdstuk II. — Abt. 12.
181
kan voorkomen tegenover hen, die hooger staan op de maat-
schappelijke ladder — is in art. 12 voorgesteld, om tweeërlei
beschrijvingsbiljetten in te voeren, een biljet A en een biljet B.
Het beschrijvingsbiljet A moet inzonderheid dienen tot aangifte
van allerlei zaken, waarvan de kennis belang heeft ter beoor-
deeling van de winst, die de belastingplichtige trekt uit zijn
bedrijf. Men zal dit biljet inrichten naar gelang van de behoef-
ten; de inrichting moet zóó zijn, dat de beteekenis en de omvang
der zaak daaruit kunnen blijken, c) Het zal worden toegezonden
aan iedereen, die geacht wordt belastingplichtig te zijn, dus ook
aan hem, wien geen aangifte van belooning of winst wordt ge-
vraagd. Voor deze laatste aangifte is uitsluitend biljet B bestemd."
„Ten aanzien derzulken, die biljet B niet ontvangen, werkt de
nu voorgestelde belasting als een enkelvoudige income-tax.
Daar zij niet in de vermogensbelasting zijn aangeslagen, zal te
hunnen aanzien hoofdzakelijk onderzocht behooren te worden, of
hun geheele inkomen het vrijgestelde minimum overschrijdt, en
zoo ja, hoeveel het bedraagt. Want een te hooge of te lage
schatting van hun vermogen heeft, zoo slechts hun inkomen nauw-
keurig is geschat, op het bedrag van hun aanslag geen invloed.
Een winkelier b.v. heeft ƒ 1500 zuiver inkomen en zijn vermogen
is f 10000, maar door onbekendheid met dit laatste neemt de
fiscus aan, dat het niet meer dan f 6000 bedraagt. Nu zal te
lage schatting van het vermogensinkomen daaruit volgen, maar
juist daarom ook te geringen aftrek voor rente van het bedrijfs-
inkomen, zoodat het een het ander compenseert."
«Daarom is het onderzoek naar de hoegrootheid van het ver-
mogen dezer personen niet overbodig — bij biljet A wordt zelfs
aangifte daarvan gevorderd. Nog meer beteekenis echter heeft
de kennis van hun geheele inkomen. Ter verkrijging dezer kennis
zal gelet worden op hunne verteringen, hunne levenswijze, voorts
op de gegevens bij de invulling van biljet A verstrekt. Hun aan-
slag zal dus meest gegrond zijn op uiterlijke kenteekenen, ken-
teekenen evenwel, die niet in de wet omschreven zijn — iedere
poging tot zoodanige omschrijving is steeds mislukt — maar op
die kenteekenen, welke licht geven voor elk bijzonder geval", d)
a)    Zij, die hoofdzakelijk vaste traktementen of andere inkomsten
hebben, bedoeld bij art. 4 § 1 zijn altijd, ongerekend hun vermogen,
tot opgave daarvan verplicht en ontvangen dus ook biljet B.
b)    Zijn zij in het vorige belastingjaar naar een bedrag van f 2000
of meer in de bedrijfsbelasting aangeslagen (voor 1894-95 werkt deze
bepaling dus niet), dan bestaat de verplichting tot aangifte der in-
komsten wèl. Deze bepaling is in de wet gebracht op een aangeno-
men amendement van den heer Hintzen.
c)    Tegen vaststelling der formulieren bij de wet maakte de Minister
bezwaar, omdat de handen der Administratie daardoor te veel zouden
zijn gebonden, waar de ervaring nog zooveel te leeren zal geven en
wijziging langs meer eenvoudigen weg wenschelijk blijft. Intusschen
voldeed de Minister aan het te kennen gegeven verlangen inhetVoorl.
Verslag en gaf hij in de Mem. van Antwoord omtrent hetgeen bij bit—
jet A zal worden gevraagd — en waarvan de strekking in het gewij-
zigd ontwerp scherper werd uitgedrukt — de volgende inlichting:
»Ten eerste zou eene specificatie verlangd moeten worden van de
-ocr page 192-
Hoofdstuk II. — Art. 12.
verschillende bronnen, waaruit het belastbaar inkomen vloeit, natuur-
lijk zonder opgaaf der inkomsten zelve. Men zal dus moeten vermel-
den, welke bedrijven, beroepen en ambten men uitoefent; of men com-
missaris is in eene zaak, commanditair in eene buiten- of binnenland-
sche onderneming; of men soms tijdelijke werkzaamheden verricht,
waarvoor men beloond wordt en van welken aard die zijn; of men
pensioen, wachtgeld, lijfrente of periodieke uitkeeringen krachtens
huwelijkscontract, toelagen van buitenslands gevestigden ontvangt.
Kortom, men zal eene lijst hebben in te vullen, waaruit blijkt langs
welke kanalen het belastbaar inkomen genoten wordt. Uitlokking van
geheimen moet daarbij zooveel mogelijk worden vermeden. De vragen
moeten voor deze afdeeling zóó worden geformuleerd, dat zij beant-
woord kunnen worden met ja of neen; die alleen uitgezonderd, welke
betrekking hebben op feiten, op welker geheimhouding niemand prijs
stelt. Aan een kantoorbediende b. v. zal gevraagd kunnen worden, wie
zijn vaste patroon is. Het doel is, aan de Administratie een leiddraad
te verschaffen, inzonderheid bij ambtshalven aanslag en tevens den
belastingplichtige indachtig te maken aan hetgeen hij desgevorderd bij
invulling van B moet in aanmerking nemen; maar hierbij alles te ver-
mijden wat aan de wet een odieus karakter geven en dus hare goede
werking belemmeren zou. Ten tweede kunnen speciale vragen ge-
richt worden tot hen, die voor eigen rekening zaken doen. Van elke
onderneming afzonderlijk worde gevraagd, sedert wanneer de belasting-
plichtige haar drijft en of zij reeds vroeger door anderen is gedreven,
de naam van elke gemeente, waar zij eigen kantoren of vaste inrich-
tingen heeft, de namen en woonplaatsen der overige beheerende ven-
nooten, als die er zijn; of er vreemd kapitaal (commanditair of ander)
vast in de zaak is belegd; het getal der verschillende geëmploijeerden,
gesplitst naar de categoriën hunner werkzaamheden (kantoorbedienden,
winkelbedienden, fabriekarbeiders, enz.); indien er stoomwerktuigen of
andere toestellen zijn, hun aantal, enz. Voorts zullen de vragen wor-
den gedaan, die de wet zelve voorschrijft."
ïDe opsomming van dit een en ander zal reeds voldoende zijn, om
aan te toonen, hoe bezwaarlijk de inhoud van biljet A reeds nu in
eene wet zou kunnen worden opgenomen. Na eenige jaren zal het
misschien mogelijk zijn, thans zou het stoornis kunnen geven."
»De vraag, of de verplichting tot aangifte van den eenen belasting-
plichtige zal gebruikt worden om voor de inkomsten van anderen ge-
gevens te verkrijgen — in het Voorl. Verslag gesteld — wordt ont-
kennend beantwoord. Wel zal hetgeen de een meedeelt, dikwijls van
zelf tot controle strekken van den ander (bij firmanten, bijv.), maar
dat wordt vermoedelijk met de gestelde vraag niet bedoeld."
»De ondergeteekende hecht er groote waarde aan, dat de verplich-
ting tot invulling van biljet A behouden blijve. Vele aangiften voor
inkomstenbelastingen zijn te laag, doordien sommige bronnen van in-
komsten uit het oog worden verloren: dat uit het oog verliezen wordt
onwaarachtigheid, wanneer den belastingplichtige vragen als de bo-
venbedoelde worden voorgelegd. Bij discussiën over biljet B kan biljet
A op den voet worden gevolgd. Komen bronnen van inkomen, die te
vermelden waren, op dit laatste biljet niet voor en blijkt dit aan de
Administratie, dan zal zij dat verzuim in aanmerking nemen bij haar
optreden tegenover den belastingplichtige."
»Ook de verdere bijzonderheden, waarvan zoo even melding is ge-
maakt, hebben belang. Niet, natuurlijk, wanneer zij onoordeelkundig
worden gebruikt. Het oude stelsel, belasting naar wettehjk aangewe-
zen kenteekenen, is voor goed veroordeeld. Maar in een groot aantal
gevallen geeft de kennisneming van feiten als de bedoelde zeer veel
licht. In zaken, die aan weinig risico zijn blootgesteld, waar bijv. op
bestelling wordt gewerkt, beslist de omvang der onderneming voor
een goed deel over hare winstgevendheid, en schoon het der Admini-
stratie ook dan natuurlijk niet gelukken zal die winstgevendheid, door
-ocr page 193-
Hoofdstuk II. — Abt. 12.
183
van den omvang der zaak eenigermate kennis te nemen, nauwkeurig
te bepalen, grove onwaarachtigheden in de aangifte zullen haar toch
niet ontgaan."
«Daarbij moet gedacht worden aan den aftrek van rente over het
aangewende kapitaal. In zeer vele gevallen blijkt van de uitgebreid-
heid der aangewende kapitalen door waarneming van zichtbare feiten
zeer veel. Bij den ambtshalven aanslag, die op allen, wien geen biljet
B wordt uitgereikt, zal worden toegepast, moet de Administratie der-
halve met die feiten bekend worden gemaakt en de invulling van bil—
jet A is daartoe het begin."
«Ten aanzien van biljet B zij het volgende opgemerkt. Het ligt in
de bedoeling dat biljet zóó in te richten, dat hier weinig bijzonder-
heden worden gevraagd. Men zal ruime groepen van inkomsten kun-
nen maken, zoodat de belastingplichtige zekere posten bijeen kan voe-
gen. Doch hoever men hierin kan gaan, zal de ervaring moeten lee-
ren, en zoo wordt ook voor de vaststelling van dit biljet het vertrouwen
gevraagd, dat door de aanneming van art. 15 der vermogensbelasting
der Regeering reeds eenmaal is betoond."
d) De kenteekenen, waarvan hier wordt gesproken, zijn geen m a at-
staf voor de heffing, doch louter kenbronnen, blooteene aanwijzing
voor vermoedelijke inkomsten. Blijken zij bedriegelijk te zijn geweest,
dan wordt de belasting niet overeenkomstig hare aanwijzingen gere-
geld. Daarvoor zijn allerlei waarborgen aan de belastingplichtigen
gegeven.
2. Bij K. B. van 13 April 1894 (Stbl. n°. 55) zijn de formu-
lieren der biljetten A, B en C vastgesteld. Daarbij is eene zeer
gemakkelijk te onthouden onderverdeeling tot stand gebracht naar
de litterae van art. 1 der wet en met toevoeging van een cijfer,
waar de soort der vragen aan de belastingplichtigen te doen, nog
eene nadere onderverdeeling van dezelfde littera noodig maakte.
Zoo heeft men biljet:
Aa1 en Ba (art. 2),
Aaz (art. 12 § 2, firma\'s),
C* (art. 5 § 1),
A*> en Bb (art. 5 § 3),
Cc (art. 5 § 2),
Ac en Bc (art. 5 § 4),
Bd (art. 6 § 1),
Ge (art. 6 § 2),
Bi (art. 6 § 3),
A9 en B9 (art. 6 § 4),
Ah1 en B^1 (art. 6 § 5, l8 zinsn.),
Ah2 en BhZ (art. 6 § 5, 2° zinsn., litt. a),
Ahs en Bh3 (art. 6 § 5, 2e zinsn., litt. b),
A> en JS» (art. 6 § 6),
^fc (Art. 9 C).
Verder raadplege men hierbij bl. 42/43 der Inleiding, a)
a) De uitreiking der biljetten geschiedt naar de verschillende qua-
liteiten in welke men aangifte doet, zooals trouwens de bovenstaande
onderscheiding der formulieren dit reeds aanwijst. Treedt men b. v.
als tusschenpersoon op in het geval van art. 1, litt. j, dan ontvangt
men zoowel in die qualiteit de biljetten Ai en Bi als voor zich zelf bil-
jet -4al met of zonder biljet Ba- Zoo ook ontvangt c. q. een voogd als
-ocr page 194-
184
Hoofdstuk II. — Art. 12.
wettelijk vertegenwoordiger van minderjarigen (zie art. 7 § 5) in deze
hoedanigheid en voor zich zelven biljetten. Naamlooze vennootschap-
pen, enz. aan wie overigens alleen biljet Cb wordt uitgereikt, kunnen
gemachtigde zijn voor buitenlandsche ondernemingen en ontvangen dan
tevens b. v. de biljetten A^ en Bhï,
§ I, IV. 3. In weerwil van de bedenking in het Voorl. Verslag geopperd,
werd de uitdrukking «percentsgewijs bedrag der afschrijvingen"
behouden. Om de beteekenis eener afschrijving te beoordeelen,
zeide de Minister, moet men weten, hoeveel percenten zij bedraagt.
Dat die percenten berekend worden van de waarde der zaak,
waarop afgeschreven wordt, spreekt van zelf.
4.     Het geval b.v., dat een fabrikant eene verouderde machine
buiten werking stelt en mitsdien de waarde geheel afschrijft, be-
hoort niet tot dezulke, waarvan in art. 3 § 2 e sprake is. Daar
worden alleen genoemd «de afschrijvingen noodzakelijk tegenover
vermoedelijke waardevermindering van eigendommen, uitsluitend
voor bedrijf, beroep of ambt aangewend". Doch wanneer een
fabrikant eene machine buiten werking heeft gesteld, is er geen ver-
moedelijke waardevermindering van aangewend, maar van geconsta-
teerde waardevermindering van n i e t langer aangewend eigendom.
5.     De verplichting tot aangifte van het percentsgewijs bedrag
der afschrijvingen is naar aanleiding van een door de Commissie
van Rapporteurs voorgesteld, en door den Minister overgenomen
amendement, beperkt tot hen, die tevens biljet B ontvangen. Ten
aanzien van hen, die ambtshalve en dus naar uiterlijke kentee-
kenen worden aangeslagen, kwam het der Commissie eenvoudiger
voor en meer bevorderlijk aan de duidelijkheid, om die opgave
niet te eischen, te meer, daar bijzonderheden, ontleend aan kas-
boeken, balansen of winst- en verliesrekeningen, niet behoeven
te worden opgegeven (zie sub II dezer §).
§ 2. 6. Zij, wier uitdeelingen of uitkeeringen belast zijn, ontvangen
alleen biljet C, dat in het begin van het belastingjaar wordt uit-
gereikt a), desgevorderd in meer dan een exemplaar, omdat er ook
voorloopige uitdeelingen of uitkeeringen kunnen geschieden, waar-
van dan aangifte moet worden gedaan. Doet b.v. eene naam-
looze vennootschap hare eerste uitdeeling onder deze wet in April
1895, dan kan zij daarvoor het biljet gebruiken, dat haar in Mei
1891 is toegezonden.
a) De uitreiking in het begin van het belastingjaar was hier noo-
dig, met hot oog op de bepaling van art. 16.
7. Het eenige nadeel, dat voor iemand kan ontstaan, die ten
onrechte is gerangschikt onder dezulken, die slechts biljet A ont-
vangen, is te hooge aanslag en daarvan kan hij in beroep komen
eerst bij de Commissie, later desnoods bij den Raad (art. 25 § 1).
Voorts zij opgemerkt, dat volgens § 4 voor ieder de gelegenheid
openstaat, om zich een biljet B te verschaffen. Wie den in deze
§ genoemden termijn laat voorbijgaan, verbeurt geen enkel recht;
hem wordt alleen biljet B niet «uitgereikt" en hij moet het
dus afhalen bij den Ontvanger of aan de gemeente-secretarie.a)
-ocr page 195-
Hoofdstuk II. — Artt. 12 — 13.                  185
<() De aanslag wordt echter in dit laatste geval niet vastgesteld
door de commissie van aanslag, maar door het college van zetters.
Verg. art. 19.
8.     Volgens het aangeteekende in de Mem. van Antwoord ligt
het niet in de bedoeling, zonder dringende noodzakelijkheid, den
uitersten termijn van uitreiking der biljetten in Juli af te wachten,
doch ontstond door den omvang van het werk in den beginne
eenige vertraging, dan zou men gedekt willen zijn door eene wets-
bepaling. Bovendien is die termijn ook gekozen met het oog op
de raadpleging van den inspecteur der registratie, a)
a) Er is geen overwegend bezwaar, reeds dadelijk tot vaststelling
van den aanslag in de bedrijfsbelasting over te gaan, wanneer het ver-
mogen beneden f 13000 of meer dan / 200000 bedraagt, of indien om-
trent de hoegrootheid van iemands vermogen geen twijfel bestaat. Het
beroep volgens art. 23 of de herziening, bedoeld bij art. 21 § 4, blij-
ven altijd middelen van redres.
9.     De firma\'s als zoodanig ontvangen geen biljet B, maar
wel biljet A. a) Daardoor wordt aan de verschillende firmanten
de moeite bespaard van elk voor zich dezelfde mededeelingen te
doen. Zij kunnen dan op hunne eigene aangifte A naar het ge-
meenschappelijk biljet verwijzen, b)
a)    Volgens het eerste ontwerp ontvingen de firma\'s ook een biljet
B en kon op verzoek splitsing van den aanslag worden toegestaan.
Bij het gewijzigd ontwerp verviel deze bepaling en daarmede ook het
betrekkelijk artikel 10 in het eerste ontwerp.
b)    Deze eigene aangifte kan overigens nog bronnen van inkomsten
behelzen, die elke vennoot voor zich heeft te vermelden, evenals, de
opgave van vermogen.
§ 3. 10. Luidens de Mem. van Antwoord voorziet de 2e zinsn. ook
in het geval, dat een buitenlander in den loop van het belasting-
jaar ingezetene wordt. Dan blijft zijne verplichting tot hernieuwde
aangifte »onverminderd". Voorts wordt in de 3" zinsn. gezegd,
wie aangifte moeten doen voor Nederlandsche naamlooze vennoot-
schappen, enz. tt)
o) Verg. hierbij art. 7.
§ 4. II. Het ligt voor de hand, dat de beschrijvingsbiljetten moeten
worden uitgereikt ter plaatse, waar de aanslag geschiedt, doch
voor firma\'s, ter plaatse, waar zij haren «zetel" hebben. Wat
onder dit laatste woord is te verstaan, werd toegelicht bij art. 6 § 2.
12. De laatste zinsnede dezer § is algemeen. Zij slaat dus ook .
op biljetten B, zooals de Minister in de Mem. van Antwoord op
het Voorl. Verslag der Eerste Kamer opmerkte.
Art. 13. § 1. De dag waarop met de uitreiking van de
§§18,19. beschrijvingsbiljetten • zal worden begonnen, wordt door den
Commissaris der Koningin in de provincie bepaald en door het
gemeentebestuur ter algemeene kennis gebracht.
De biljetten A en B worden na twintig dagen door of van-
wege den ontvanger teruggehaald, indien zij niet reeds ter-
-ocr page 196-
186                 Hoofdstuk II. — Artt. 13—14.
stond na de uitreiking ingevuld en onderteekend aan dezen of
§§26,28-30,zijn gemachtigde zijn teruggeven of vóór het verstrijken van
32, 38. <jen hierboven bedoelden termijn ten kantore van den ontvan-
ger zijn bezorgd. Zij kunnen worden afgegeven in gesloten
omslag en een ontvangbewijs kan worden geëischt.
De hierboven bedoelde termijn kan door den hoofdambtenaar
der directe belastingen bedoeld bij art. 19 worden verlengd.
§ 2. Indien hij, aan wien biljetten zijn uitgereikt, of die,
ook zonder dat hem biljetten zijn uitgereikt, tot het doen van
aangifte verplicht is, niet in staat mocht zijn om aangifte te
doen, kan dit door een ander, namens hem, worden gedaan,
hetzij krachtens schriftelijke volmacht, hetzij op schriftelijke
vergunning van den hoofdambtenaar der directe belastingen
bedoeld bij art. 19. Volmacht of vergunning worden in die
gevallen aan de aangifte gehecht.
§ 3. Indien iemand verklaart niet te kunnen schrijven, ge-
schiedt de invulling der biljetten op zijn verlangen en met
§ 22. vermelding der reden kosteloos door den ontvanger of zijn ge-
machtigde, die daarna de aangifte, na voorlezing, namens den
belastingplichtige in tegenwoordigheid van een getuige onder-
teekent. De getuige onderteekent mede.
§ I. I. Daar de ervaring bij de uitvoering der wet op de vermogens-
belasting, volgens den Voorzitter der Commissie van Rapporteurs,
reeds had geleerd, dat de termijn van 20 dagen voor de terug-
haling der biljetten niet te lang is, gaf de heer Bool aan zijne
opmerking, om in het belang eener geregelde administratie dien
termijn te verkorten, geen verder gevolg, a)
a) De verlenging geschiedt op verzoek van den belanghebbende of
wel ambtshalve, hetgeen eveneens geldt voor de termijnen in art. 14
§ 2 en § 4, laatste zinsn.
§ 2. 2. De bepaling, dat de aangifte ook zonder speciale volmacht
kan geschieden op vergunning van den hier bedoelden hoofd-
ambtenaar, kwam in het eerste ontwerp niet voor. o)
a) Het verleenen der vergunning is overgelaten aan de prudentie
,
              van den hier bedoelden hoofdambtenaar. De vrouw kan b. v. wel ge-
machtigd worden, de aangifte te doen bij afwezigheid van haren man,
doch wordt ze niet xmans" genoeg geacht, om deze taak naar behooren
te vervullen, dan is het, ter voorkoming van latere bezwaren, verstandig,
om de machtiging niet te geven. Verg. ook art. 42.
Art. 14. § 1. Allen die op 1 Mei uit eigen hoofde of als
gemachtigde, vertegenwoordiger of tusschenpersoon belasting-
plichtig zijn, zijn gehouden uiterlijk binnen twee maanden na
den dag, door den Commissaris der Koningin in de provincie
voor het begin van de uitreiking der beschryvingsbiljetten be-
-ocr page 197-
Hoofdstuk II. — Abt. 14.
187
paald, hunne aangifte in den voorgeschreven vorm op biljet
A in te dienen, bijaldien zij dit biljet A niet hebben ontvan-
gen of het niet is teruggehaald.
Dit voorschrift is niet van toepassing op hen die een Ne-
derlandsch Staatsambt uitoefenen buiten het Rijk, op de spoor-
wegondernemingen bedoeld bij art. 1 ƒ, op dezulken die alleen
belastingplichtig zijn naar uitkeeringen en uitdeelingen, noch
op hen voor wie ingevolge art. 7 §§ 3, 4 en 5 de belasting
verschuldigd is in de persoon van een ander.
De indiening geschiedt ten kantore van den ontvanger der
§ 35. directe belastingen, ter plaatse waar zij ingevolge art. 17 moe-
ten worden aangeslagen; of indien aldaar geen zoodanig ont-
vanger gevestigd is, bij het bestuur der gemeente.
Het gemeentebestuur zendt de aangiften onverwijld aan den
ontvanger der directe belastingen tot wiens kantoor de ge-
meente behoort.
§ 2. De hierboven bedoelde termijn kan door den hoofd-
ambtenaar der directe belastingen bedoeld bij art. 19 worden
verlengd.
§ 3. Belastingplichtigen, wier winstaangifte afhangt van de
nog vast te stellen balans der onderneming, kunnen voorloo-
§ 29. pig volstaan met de beantwoording van het beschrijvingsbil-
jet J., en biljet 5, indien hun dit is uitgereikt, voor memorie
invullen. In dit geval zal echter die aangifte moeten volgen
binnen acht dagen na den termijn voor die vaststelling be-
paald, waartoe hun desverlangd de vereischte formulieren koste-
loos worden verstrekt.
§ 4. Bij aanvang van belastingplichtigheid in den loop van
het belastingjaar doet hij, die uit eigen hoofde of voor ande-
ren belastingplichtig is, binnen vier weken daarvan onder ver-
§§ 31, 35, melding van zijn adres en den grond zijner belastingplichtig-
36. heid schriftelijk aangifte ten kantore van den ontvanger der
directe belastingen in de gemeente, waar hij ingevolge artikel
17 zal worden aangeslagen, of, indien aldaar geen zoodanig
ontvanger gevestigd is, bij het bestuur der gemeente.
Het bestuur der gemeente zendt in het laatste geval die
§§ 31, 38. aangifte onverwijld aan den ontvanger der directe belastingen,
tot wiens kantoor de gemeente behoort.
Daarop worden hem aangeteekend per post het biljet of de
biljetten toegezonden, die hij ingevolge artikel 12 § 2 zou ont-
vangen hebben, bijaldien zijn belastingplicht reeds op 1 Mei
-ocr page 198-
188                      Hoofdstuk II. — Art. 14.
had bestaan. Behoort hij tot de belastingplichtigen bedoeld bij
artikel 1 a of tot de gemachtigden van belastingplichtigen be-
doeld bij art. 1 ft, aan wie het biljet B niet wordt uitgereikt,
§§ 31, 38. doch wenscht hij dit biljet niettemin te ontvangen, zoo maakt
hij dezen wensch schriftelijk kenbaar aan den ontvanger of
het gemeentebestuur vermeld in het eerste lid dezer paragraaf,
te gelijk met zijne daarbedoelde aangifte.
Hij bezorgt het biljet of de biljetten, desgevorderd tegen ontvang-
bewijs, binnen drie weken na den dag der toezending ter plaatse
waar hij de aangifte, vermeld in het eerste lid, heeft gedaan.
Het gemeentebestuur, dat het biljet of de biljetten ontving,
zendt deze onverwijld aan den ontvanger.
Yoorts is artikel 12 § 3 eerste en § 4 laatste lid hier van
toepassing.
De in deze paragraaf genoemde termijnen kunnen door den
hoofdambtenaar der directe belastingen, bedoeld bij art. 19,
verlengd worden.
§ I. I. Wie bij het uitreiken of terughalen der beschrijvingsbiljetten
is overgeslagen, moet zich op dat verzuim niet kunnen beroepen,
indien hij bevonden wordt belastingplichtig te zijn. Om te be-
oordeelen, of er verzuim is, bepaalt de wet eenen termijn en bij
overschrijding, in art. 47 § 4 eene strafbedreiging, a) De dadelijke
toepassing der strafbepaling achtten sommige leden luidens het
Voorl. Verslag echter te streng en ware het huns inziens aan te
bevelen vooraf eene waarschuwing te zenden, omdat velen onder
de belastingplichtigen, die op de grens der belastbaarheid ver-
kceren, te goeder trouw zich van de aangifte ontslagen zullen
rekenen.
De Minister bleef niettemin de bepaling onmisbaar beschouwen.
De verplichting toch tot aangifte naar biljet A — en die bestaat
volgens art. 12 § 2 voor al de in den aanhef genoemden — moet
z. i. onvoorwaardelijk zijn, niet afhankelijk van het feit, of de
belastingplichtigheid al of niet bekend is aan de Administratie. Er
zijn altijd personen, die hunne belastingplichtigheid willen ver-
bergen en dezulken moeten weten, dat zij, door niet aan te geven,
eene boete kunnen beloopen. Vooral nu ambtenaren en vele an-
deren, wier belastingplichtigheid voor de Administratie nooit ver-
borgen kan blijven, in deze belastingwet betrokken zijn, is eene
bepaling als de voorgestelde dringend noodig.
• Hierbij komt" — aldus de Minister nog — «dat door allerlei
oorzaken geschil kan ontstaan over de vraag, of de biljetten al
of niet zijn uitgereikt en teruggehaald. De quaestie zal dikwijls
niet uit te maken zijn, omdat het beweren van den een tegenover
het ontkennen van den ander staat. Zoodanig geschil mag echter
op de gehoudenheid tot aangifte geen invloed hebben."
a) Is een beschrijvingsbiljet A uitgereikt of toegezonden, dan geldt
bij niet-beantwoording der gestelde vragen, enz. de strafbepaling van
-ocr page 199-
Hoofdstuk II. — Art. 14.
189
art. 47 § 3. Deze bepaling en die van art. 47 § 4 zien niet op biljet
B. Verzuim van tijdige indiening of terugbezorging van dit biljet
heeft alleen ten gevolge, dat men ambtshalve wordt aangeslagen, geen
bezwaarschrift kan indienen bij de Commissie van aanslag, doch recht-
streeks in beroep moet komen bij den Raad van beroep (art. 25 § 2 j°
art. 23). De belastingplichtige zal dan moeten aantoonen, dat zijn aan
slag te hoog is, maar niettemin zal hij 25 oƒ0 verhooging van den aan-
slag moeten bijbetalen (art. 29, 2e zinsn. j° art. 30), tenzij art. 43
2e lid met goed gevolg mocht worden ingeroepen.
2.     Volgens art. 17, 1°, laatste lid, wordt voor rondtrekkenden
of rondreizenden zonder vaste woonplaats daarvoor gehouden de
plaats van het werkelijk verblijf. Daar zal dus de uitreiking van
het beschrijvingsbiljet geschieden en dat biljet worden terugge-
haald. Is de belastingplichtige daar niet te vinden, dan geldt dit
artikel 14 § 1.
3.    Volgens de 2e zinsn. dezer paragraaf ziet de le zinsn. o.a.
niet op hen, voor wie ingevolge art. 7 §§ 3, 4 en 5 de belasting
verschuldigd is in den persoon van een ander. De gemachtigden,
vertegenwoordigers of tusschenpersonen zelf zijn dus van de ver-
plichting in de 1" zinsn. niet bevrijd.
§ 2. 4. Verg. aant. 1 a op art. 13.
§ 3. 5. Aan belastingplichtigen, die op het tijdstip der besehrij-
ving nog geen aangifte van winst kunnen doen, omdat hunne
balans nog niet is opgemaakt, moet daarvoor uitstel worden ge-
geven. Dit uitstel behoeft echter niet verder te gelden dan acht
dagen nadat de balans, volgens art. 8 Wetb. van Kooph. (binnen
de zes eerste maanden van elk jaar) of volgens den bij de sta-
stuten gestelden termijn, moet zijn opgemaakt (Mem. v. ïoel.). o)
a) Wordt biljet B niet tijdig ingediend, dan wordt de aanslag ambts-
halve geregeld. Mocht vóór de vaststelling daarvan het biljet nog inko-
men, dan kan evenwel van de beantwoording gebruik worden gemaakt
voor den bedoelden arnbtshalven aanslag.
§ 4. 6. Art. 12 § 2 werd tot bevordering der duidelijkheid zóó ge-
steld, dat daarin alleen is geregeld, hetgeen bij het begin van
het belastingjaar te doen is. Vandaar, dat hier het een en ander
moest voorkomen ten aanzien van hen, die eerst later belasting-
plichtig worden. Daarbij is getracht naar eene eenvoudige regeling.
Men kon niet zoover gaan, om de beschrijvingsbiljetten onmiddel-
lijk op aanvrage uit te reiken, omdat eerst dient vast te staan,
welke die moeten zijn, maar de toezending geschiedt, zoodra de
belastingplichtigen van het ontstaan en den grond hunner belas-
tingplichtigheid kennis hebben gegeven, en wel aangeteekend per
post, ter verkrijging van eene vaste dagteekening.
Van toepassing is verklaard art. 12 § 3, laatste lid (gehouden-
heid om de gestelde vragen te beantwoorden) en § 4, laatste lid,
(gelegenheid tot verkrijging van in het ongereede geraakte bil-
jetten, enz.).
7. Verg. bij de laatste zinsn. dezer paragraaf aant. 1 o op
art. 13.
-ocr page 200-
190                 Hoofdstuk II. — Abtt. 15 — 16.
Art. 15. § 1. Bij verandering van de bijzonderheden in
biljet A vermeld, binnen twee maanden nadat het biljet is in-
geleverd, wordt daarvan binnen veertien dagen door den aan-
§§ 37, 38. gever schriftelijk kennis gegeven aan den ontvanger der directe
belastingen in de gemeente waar de aanslag zal geschieden,
of zoo daar geen zoodanig ontvanger gevestigd is, bij het be-
stuur der gemeente.
Het gemeentebestuur zendt deze kennisgeving onverwijld
aan den ontvanger der directe belastingen, tot wiens kantoor
de gemeente behoort.
§ 2. Ieder die optreedt als bestuurder of beheerend ven-
noot van eene hier te lande gevestigde vennootschap, onder-
linge verzekeringmaatschappij, coöperatieve vereeniging, of van
eene vereeniging of stichting die een bedrijf of beroep uitoe-
fent, of als boekhouder eener hier te lande gevestigde reederij,
is gehouden daarvan schriftelijk binnen ééne maand kennis te
geven bij het bestuur der gemeente waar hij woont.
Het gemeentebestuur handelt met deze kennisgeving op de
§§ 37, 38. wijze voorgeschreven in de laatste zinsnede der vorige para-
graaf.
§ I. I. Opgave van de veranderingen in de bijzonderheden van het
bedrijf, ofschoon daaruit geen nieuwe aanslag voortvloeit, was
toch noodig, opdat de belastingplichtige bij de voor het toezicht
noodzakelijke opneming dier bijzonderheden (verg. art. 44) niet in
verzuim bevonden en strafschuldig worde krachtens art. 47 § 5.
In het eerste ontwerp bestond die verplichting zonder bepaal-
den termijn, doch luidens het Voorl. Verslag achtten vele leden
het hoogst bezwaarlijk voor handel en industrie, indien men
voortdurend van elke verandering in het bedrijf, het aanschaffen
eener nieuwe machine, het aanstellen van eenen klerk meer, aan-
gifte zou moeten doen. Om die reden werd in het gewijzigd ont-
werp de bepaling in dien zin gewijzigd, dat de verplichting tot
aangifte werd beperkt tot twee maanden, nadat het biljet isinge-
leverd. De aanslag zal dan dikwijls nog niet zijn vastgesteld en
dus kan de kennis dier veranderingen nog belang hebben.
Art. 16. Hier te lande wonende beheerende vennooten van
Nederlandsche vennootschappen en maatschappen, als bedoeld
in art. 6 § 2, en van de in art. 1 b bedoelde commanditaire
vennootschappen op aandeelen, bestuurders van hier te lande
gevestigde naamlooze vennootschappen, coöperatieve en andere
§§ 37, 38. vereenigingen en onderlinge verzekeringmaatschappijen, als ook
boekhouders van hier te lande gevestigde reederyen mogen
niet tot het doen van uitdeelingen of uitkeeringen, waarover
-ocr page 201-
Hoofdstuk II, III. - Artt. 16-17.              191
volgens art. 5 §§ 1 en 2 en art. 6 § 2 belasting verschuldigd
is, overgaan, alvorens daarvan aangifte gedaan en de over
vroegere uitdeelingen of uitkeeringen verschuldigde belasting
betaald te hebben.
Bij liquidatie mogen de hier bedoelde uitdeelingen of uit-
keeringen niet geschieden, alvorens de daarover verschuldigde
belasting is voldaan.
1.     Aanvankelijk was bepaald, dat geene uitdeelingen of uitkee-
ringen mochten geschieden, alvorens de belasting daarvan was
betaald. Zooals terecht in het Voorl. Verslag werd opgemerkt,
kon dit tot gevolg hebben, dat de uitdeelingen wellicht ettelijke
maanden werden vertraagd, indien omtrent het bedrag van den
aanslag zich quaestiën voordeden. Het artikel werd dan ook in
dien zin gewijzigd, dat, behoudens de verplichting tot voorafgaande
aangifte, van de betaling der belasting over vroegere uitdee-
lingen of uitkeeringen slechts behoeft te blijken. Bij liquidatie
echter moet de betaling der belasting voorafgaan, omdat in een
dergelijk geval latere vordering van te laag geheven belasting
bezwaar zou kunnen opleveren.
2.     Het biljet C (zie art. 12 § 2, slot) in het begin van het
belastingjaar uitgereikt, zoo noodig in meer dan een exemplaar, kan
dienen voor de uitdeelingen en uitkeeringen, die in den loop van
dat jaar zullen geschieden. Luidens art. 12 § 4, laatste zinsnede,
zijn bij het niet ontvangen of het in het ongereede raken van een
biljet steeds kosteloos exemplaren verkrijgbaar.
HOOFDSTUK III.
Aanslag. Beroep.
Art. 17. De aanslag der belastingplichtigen geschiedt ter
plaatse als volgt:
1°. Belastingplichtigen bedoeld bij artikel la: in de ge-
meente waar zij wonen op 1 Mei of bij het begin van hunne
belastingplichtigheid in het loopend belastingjaar.
De woonplaats van den binnen het Rijk wonenden man
wordt geacht ook de woonplaats te zijn van zyne vrouw, van
wie hij niet van tafel en bed gescheiden is.
-ocr page 202-
Hoofdstuk III. — Art. 17.
192
Minderjarigen die geene handlichting hebben bekomen in-
gevolge art. 480 van het Burgerlijk Wetboek, onder curateele
gestelden, krankzinnigen en afwezigen, voor wie de belasting
verschuldigd is in de persoon van een ander, worden, indien
hun een aanslag moet worden opgelegd, aangeslagen in de ge-
meente waar hunne wettelijke vertegenwoordigers wonen, en
zoo deze in het buitenland wonen, in de gemeente waar de
gemachtigden dier vertegenwoordigers wonen, of de personen
die hier te lande voor hen optreden.
Voor rondreizende of rondtrekkende personen zonder vaste
woonplaats, wordt de plaats van het werkelijk verblijf daar-
voor gehouden;
2°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel 1 b en c: ter
plaatse waar de zetel dier lichamen of de boekhouder der
reederij gevestigd is;
3°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel ld: te \'s Graven-
hage;
4°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel 1 e: ter plaatse
waar de zetel der vennootschap of maatschap gevestigd is;
5°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel 1 ƒ, g, h, t en k:
ter plaatse waar hunne vertegenwoordigers, gemachtigden of
agenten, expediteurs of andere personen die voor hen optreden
gevestigd zijn of, bij gebreke van zoodanigen, de gemeente
waar het bedrijf, beroep of ambt of de waardigheid, bediening
of betrekking hier te lande wordt of zal worden uitgeoefend.
Strekt zich in het laatstbedoelde geval dat bedrijf, beroep
of ambt of die waardigheid, bediening of betrekking uit over
verschillende gemeenten, dan geldt als zoodanig de gemeente
waar de uitoefening in het belastingjaar begint.
Bij verschil van gevoelen over de plaats waar een belasting-
plichtige moet worden aangeslagen, beslist de Minister van
Financiën.
Aanhef. I. In het eerste ontwerp luidde de aanhef van dit artikel «De
aanslag geschiedt ter plaatse, waar het bedrijf of beroep wordt
uitgeoefend." Daarop volgde eene gespecificeerde aanwijzing waar
die uitoefening zou worden geacht plaats te hebben .behoudens
eene nadere wettelijke regeling van verdeeling van den aanslag
voor de verschillende daarbij betrokken gemeenten, waar die pas
geeft." Ofschoon voorloopig de heffing van gemeentelijke en pro-
vinciale opcenten (zie art. 54) werd uitgesloten, was toch de mo-
gelijkheid bij dit artikel 17 voorzien. Na rijpe overweging meende
de Minister echter te moeten afzien van elke bindende bepaling,
-ocr page 203-
193
Hoofdstuk III. — Art. 17.
om deze belasting nu reeds dienstbaar te maken aan de plaatse-
lijke opcenten.
Het artikel werd bijgevolg gewijzigd en de aanhef zooveel mo-
gelijk in overeenstemming gebracht met art. 12 der wet op de
vermogensbelasting. Zooveel mogelijk, maar niet geheel, want die
aanhef luidde nu in het tweede ontwerp: «Behoudens verdeeling
van den aanslag tusschen de daarbij betrokken gemeenten volgens
nader wettelijk te stellen regelen, worden aangeslagen:"
Eene zinspeling op de heffing van opcenten bleef dus behouden,
in tegenstelling met bedoeld art. 12. In \'s Ministers plannen
ten aanzien van de gemeenten leent zich evenwel heffing van op-
centen op de vermogensbelasting evenzeer als die op de bedrijfs-
belasting en dit in de eene wet uit te drukken, in de andere
niet, had geen zin. Ten einde dus ook deze wet geheel los te
maken van toezeggingen van anderen legislatieven aard dan daarin
thuis behooren, werd een daartoe strekkend amendement van den
heer van Alphen door den Minister overgenomen en de tegen-
woordige redactie gekozen.
Als regel geldt, dat de belastingplichtige wordt aangeslagen
ter plaatse, waar hij woont. Verg. aant. 2 hierna.
Sub I". 2. Zij, wier belastingplichtigheid op 1° Mei vaststaat, moeten
worden aangeslagen in de gemeente, waar zij op 1° Mei wonen.
Wanneer echter iemand den 2en Mei verhuist naar eene andere
gemeente, wordt hij hoogst waarschijnlijk, bij onbekendheid met
zijne vorige woonplaats, op de nieuwe woonplaats beschreven, en
zal er overzending van beschrijvingsbiljetten moeten plaats hebben.
Aan de uitvoering dezer bepaling zou zeker zijn tegemoet gekomen,
indien in het formulier der biljetten eene vraag was opgenomen
betreffende de woonplaats op 1° Mei.
3.     De bepaling, dat de woonplaats van den binnen het
Rijk wonenden man wordt geacht ook de woonplaats te zijn
van zijne vrouw, van wie hij niet van tafel en bed gescheiden
is, wijst er op, dat, indien de man buitenslands gevestigd is, ten
aanzien der vrouw de algemeene regel werkt en dus haar woon-
plaats moet worden afgeleid uit de feitelijke omstandigheden. Dit
is eene afwijking van art. 12, 2" zinsn., der wet op de vermogens-
belasting, want daar wordt steeds de woonplaats van den man ge-
acht die te zijn van zijne vrouw (het geval van scheiding van tafel
en bed uitgezonderd). Woont dus de man buitenslands, dan zal ook
de vrouw niet in de vermogensbelasting kunnen worden aangeslagen,
maar wel zal zij in de bedrijfsbelasting kunnen vallen, als inkomsten
worden genoten, bedoeld in art. 2 § 1. Verg. aant. bb op art. 1.
4.     Minderjarigen, onder curateele gestelden en krankzinnigen,
indien zij hier te lande geen wettelijke vertegenwoordigers noch
gemachtigden van dezen of voor hen optredende personen hebben,
moeten worden aangeslagen, waar zij wonen. Zie aant. 5 op
art. 7 en aant. 6 hierna.
5.     Bijzondere bepalingen voor aan boord wonenden werden
13
-ocr page 204-
Hoofdstuk III. — Art. 17.
194
niet noodig geacht, want zij vallen öf onder de eerste of onder
de laatste zinsn. In denzelfden geest dus als de patentwet.
6. De volgende aanhalingen zijn ten deele verkort, overgeno-
men uit het: Periodiek Woordenboek van administra-
tieve en gerechtelijke beslissingen in zake van ver-
mogensbel astin g, registratie, enz.
Zij, die bij den burgerlijken of militairen dienst der koloniën
of bezittingen in andere werelddeelen eene vaste betrekking be-
kleeden of tijdelijk zijn ingedeeld, moeten, zoo lang zij buitens-
lands verblijf houden, niet in de vermogensbelasting worden aan-
geslagen, al hebben zij hunne vrouw of hunne huishouding hier
achtergelaten. Dit is o. a. van toepassing op de officieren der
marine, die naar Oost- of West-Indië zijn vertrokken, om aldaar
dienst te doen.
Bekleeden de ambtenaren of officieren geen vaste betrekking
in het buitenland of in de koloniën of bezittingen in andere we-
relddeelen en zijn zij aldaar niet tijdelijk ingedeeld bij den bur-
gerlijken of militairen dienst, dan zullen de gehuwde ambtenaren
en officieren, die tijdelijk buitenslands dienst doen, hier belasting-
plichtig blijven, wanneer zij hunne vrouw of hunne huishouding
hier achterlaten (n°. 8420).
De ambtenaren en officieren in Indischen dienst met verlof,
die hier te lande verblijven, moeten in de vermogensbelasting
worden aangeslagen. Het voornemen, om naar Indië terug te
keeren, dat bij hen kan worden ondersteld, moge van belang zijn
ter bepaling van hun domicilie naar burgerlijk recht, het heeft
geen invloed op het feitelijk wonen, waarnaar de belastingplich-
tigheid voor de vermogensbelasting moet worden beoordeeld
(n°. 8421).
Uit het feit, dat het wettelijk domicilie van minderjari-
gen buiten aanmerking blijft, is ten onrechte afgeleid, dat een
minderjarige op kostschool altijd woont ter plaatse waar de kost-
school is. Hij woont, waar hij zijn tehuis heeft, dat is, waar
hij geregeld vacanties gaat doorbrengen, bij ernstige ziekte of
onder andere omstandigheden zijn intrek neemt, b.v. bij zijn voogd
of bij een ander, die voor hem zorgt (n°. 8422).
Inschrijving in het bevolkingsregister, al geschiedt zij op eigen
verzoek, geeft geen voldoenden grond om iemand, die gewoonlijk
elders verblijf houdt, aan te merken als woonachtig in de ge-
meente, waar de inschrijving plaats had.
Evenmin is het bezit van een zomerverblijf, dat slechts enkele
maanden in het jaar betrokken wordt, daartoe voldoende (n°.
8424), a)
a) Eene andere missive (P. W. 8423) wijst er op, dat sommige
personen in meer dan ééne gemeente eene woning te hunner be-
schikking hebben en geregeld gedurende een gedeelte van het jaar in
elke woning hun verblijf houden. Zoolang geen opcenten worden ge-
heven, is dit van minder belang, doch gezorgd moet worden, dat
slechts één aanslag tot stand komt. Dit zal het zekerst worden be-
reikt, wanneer tot regel wordt genomen, dat de aanslag plaats heeft
in de gemeente, waar de persoon bij den aanvang van het belasting-
jaar in het bevolkingsregister is ingeschreven.
-ocr page 205-
Hoofdstuk III. — Abtt. 17 — 18.
195
Een krankzinnige woont niet altijd in het gesticht, waar hij
verpleegd wordt. Als hij eene woning heeft, waarheen hij zich
begeven kan, bij ontslag uit het gesticht, b. v. het huis van zijn
gezin, dan kan hij wonen ter plaatse, waar die woning is. En
om te weten, of hij dat werkelijk doet, moet worden gelet »op
den duur van het verblijf in het gesticht, op het uitzicht op ont-
slag, enz." Met het oog hierop, werd ten aanzien van een ge-
huwd man, die in een krankzinnigengesticht was opgenomen en
voor wien geen curator of bewindvoerder was benoemd, beslist,
dat hij moet worden aangeslagen in de gemeente, waar zijne
vrouw en kinderen zijn gevestigd (n°. 8425).
Sub2°. 7. De zetel van coöperatieve vereenigingen is aangeduid inde
akte van oprichting (zie art. 7, 9°. der wet van 17 Nov. 1876,
Stbl. n°. 227); die van naamlooze vennootschappen in de statu-
ten. De commanditaire vennootschappen op aandeelen en andere
vennootschappen van koophandel hebben den zetel, waar het ge-
meenschappelijk kantoor wordt gehouden of bij het houden van
meerdere kantoren het hoofdkantoor. Bestaat er geen bepaald
kantoor, dan geldt als zoodanig de woonplaats van een der hier
te lande wonende beheerende vennooten, of, na ontbinding, de
woonplaats van een der vereffenaars (verg. art. 4, 4°., Wetb. van
Burg. Rechtsv.). Bij onderlinge verzekeringmaatschappijen is de
zetel ter plaatse van het hoofdkantoor ; bij vereenigingen en stich-
tingen de plaats, waar het bestuur zitting of kantoor houdt en bij
gebreke de woonplaats van het hoofd des bestuurs (verg. art. 4,
3°., Wetb. van Burg. Rechtsv.). Voor reederijen wijst de wet
daarvoor aan, de plaats waar de boekhouder is gevestigd. Treedt
als zoodanig op eene vennootschap van koophandel onder firma,
dan is de zetel aan haar kantoor.
Sub 4°. 8. Omtrent den zetel, waarvan hier wordt gesproken, raad-
plege mén aant. 3 op art. 6.
Sub 5°. 9. Oefenen de buitenslands gevestigden hier te lande per-
soonlijk hun bedrijf, beroep, enz. uit, dan zal de aanslag moe-
ten geschieden ter plaatse, waar hunne kantoren of vaste inrich-
tingen zijn gelegen. Zijn deze over verschillende gemeenten ver-
spreid, dan zal met het oog op de progressie (art. 1, litt. h,
art. 9 A) de aanslag moeten worden vastgesteld op een dier
plaatsen. Zonder het houden van kantoren of vaste inrichtingen
zal bij uitoefening van het bedrijf of beroep in meerdere gemeenten
de belastingplichtige moeten worden aangeslagen ter plaatse, waar
de uitoefening in het belastingjaar begint.
Bij verschil van gevoelen beslist de Minister van Financiën.
Art. 18. Aan art. 2, 1ste lid, der wet van 5 April 1870
(Staatsblad n°. 63) wordt het volgende toegevoegd:
„Wij behouden Ons echter voor in eene gemeente meer dan
een collegie van zetters in te stellen, in zoodanig geval het
aantal leden van elk collegie, behoudens het bovenbedoelde
-ocr page 206-
196                      Hoofdstuk III. — Art. 18.
maximum, te bepalen en de werkzaamheden onder die collegiën
te verdeelen."
Aan art. 2, 2de lid, der evengenoemde wet wordt het vol-
gende toegevoegd:
„Voor werkzaamheden echter betreffende de belasting op
bedrijfs- en andere inkomsten is, met afwijking van het be-
paalde bij art. 5, tweede lid, een hoofdambtenaar der directe
belastingen, aan te wijzen door den Minister van Financiën
ambtshalve lid en voorzitter. Art. 14 en art. 16 zijn bij het
verrichten dezer werkzaamheden niet van toepassing."
Aan art. 3 der evengenoemde wet wordt het volgende toe-
gevoegd:
„Bij instelling van meer dan een collegie van zetters in
eene gemeente geschiedt de benoeming der niet ambtelijke
leden de eerste maal uit eene opgave door den Gemeenteraad
binnen twee maanden na het instellen van het collegie of de
collegiën in te zenden aan den Commissaris der Koningin in
de provincie, die het tijdstip van het optreden der benoemden
bepaalt.
„De helft der aldus benoemde leden treedt af met het einde
van het volgend jaar, de overigen twee jaar later, overeen-
komstig de regelen bij art. 4, 3de en 4de lid, dezer wet be-
paald."
I. De wet van 5 April 1870 is bij dit artikel zoodanig uitge-
breid, dat in één gemeente verscheidene colleges van zetters ge-
vestigd kunnen worden, elk met zooveel leden (tot een maximum
van zeven) als er noodig zijn en ter verrichting van verschillende
werkzaamheden a). Voorts is bepaald, dat voor de werkzaamheden
betreffende de bedrijfsbelasting een hoofdambtenaar der directe be-
lastingen lid en voorzitter is b). Art. 14 der wet van 1870 (ver-
plichting van den Burgemeester, om het werk der zetters af te
doen, indien het niet tijdig gereed is) c) en art. 16 dier wet (be-
voegdheid van Gedeputeerde Staten tot vernietiging van besluiten
en handelingen) zijn dan niet van toepassing.
o) Op eene vraag van den heer Roessingh, of het voor de admi-
ministratie niet een\\oudiger zou zijn in de hier bedoelde wet van
5 April 1870 zoodanige wijziging te brengen, dat het mogelijk werd
voor meerdere gemeenten te zamen één college van zetters ter regeling
van de bedrijfsbelasting in te stellen, evenals dit in art. 19 $ 2 voor de
commissiën van aanslag is bepaald, antwoordde de Minister, bij de
wijziging der zetterswet niet verder te zijn gegaan, dan voor het
oogenblik strikt noodig was. Tot andere wijzigingen te besluiten, zou
eene voorafgaande nauwgezette overweging vereischen.
b) De reden, dat de Burgemeester als voorzitter van het college van
zetters niet is behouden, moet voornamelijk gezocht worden in de
omstandigheid, dat hij, met het oog op de geheimhouding (art. 35), als
-ocr page 207-
Hoofdstuk III. - Artt. 18-19.                 197
voorzitter van den gemeenteraad in eene moeielijke positie zou worden
geplaatst bij de regeling van de plaatselijke belasting naar het inkomen.
c) Verg. art. 19 $7.
2. De in dit en andere artikelen dezer wet genoemde hoofd-
ambtenaar der directe belastingen is de controleur.
De algemeene benaming werd gekozen in navolging der wet
van 1870 en van de latere wetten op de grondbelasting.
Art. 19. §1. De aanslag wordt in elke gemeente vastgesteld:
§§ 14, 15, a. voor de belastingplichtigen bedoeld bij art. 1 a, indien
40-43, ei, zy niet behooren tot dezulken aan wie ingevolge art. 12 § 2
62, 69. jje|. biljet B wordt uitgereikt: door een der collegiën van zet-
ters bedoeld bij de wet van 5 April 1870 (Staatsblad n°. 63);
b, voor alle overige belastingplichtigen: door eene commissie
bestaande uit een hoofdambtenaar der directe belastingen, aan
te wijzen door den Minister van Financiën, een lid benoemd
door Gedeputeerde Staten, een lid benoemd door den Gemeen-
teraad en een lid benoemd door den Kantonrechter in wiens
rechtsgebied de commissie volgens Onze aanwijzing is gevestigd.
Bij het regelen van aanslagen van hen, die belastingplichtig
zijn naar de vermogensbelasting, maakt een door den Minister
§ *•> van Financiën aan te wijzen inspecteur der registratie deel uit
der commissie.
Voor elk der leden wordt op dezelfde wijze een plaatsver-
vanger benoemd.
Voorzitter der commissie is de hierboven bedoelde hoofdamb-
* \' tenaar der directe belastingen.
§ 2. Wij behouden Ons voor om in ééne gemeente meer-
. dere commissiën bedoeld bij § 1 &, of voor meerdere gemeenten
te zamen, gelegen in dezelfde provincie, slechts ééne zoodanige
commissie in te stellen. Geschiedt dit laatste, zoo bestaat de
commissie uit een hoofdambtenaar der directe belastingen, aan
te wijzen door den Minister van Financiën, twee leden benoemd
door Gedeputeerde Staten en een lid benoemd door den Kan-
tonrechter in wiens rechtsgebied de door Ons aangewezen stand-
plaats der commissie is gevestigd.
Verder zijn de drie laatste zinsneden der vorige paragraaf
van toepassing.
§ 3. Waar in deze wet gesproken wordt van de commissie
van aanslag wordt daaronder verstaan, zoowel het collegie van
§ I\' zetters belast met den aanslag, als de commissiën bedoeld bij
§ 1 & en § 2.
-ocr page 208-
198
Hoofdstuk III. — Art. 19.
§ 4. De commissiën van aanslag zijn gehouden elkander de
vereischte inlichtingen te verschaffen, die zij geven kunnen.
Daarenboven kan de Minister van Financiën voor een bepaal-
de gemeente of groep van gemeenten Adviseurs benoemen,
wier taak het is, om ieder afzonderlijk of vergaderd onder voor-
§§ 16, 51. zitterschap van den door genoemden Minister aan te wijzen
hoofdambtenaar der directe belastingen, de inlichtingen te ver-
schaffen, waartoe zij in staat en bevoegd zijn omtrent aansla-
gen van belastingplichtigen.
§ 5. Op de commissiën bedoeld bij § 1 & en § 2 en de bij
§ 4 bedoelde Adviseurs is van toepassing het bepaalde bij art.
1, 2de lid, art. 5, 1ste, 4de, 5de en 6de lid, art. 8,1ste lid, art.
10, 1ste lid, art. 11 en art. 12 der wet van 5 April 1870 {Staats-
blad
n°. 63).
Mede is van toepassing het bepaalde bij art. 5, 2de lid, voor
zoover daarvan niet bij § § 1 en 2 is afgeweken.
De kosten van het lokaal, daaronder begrepen die van meu-
beleering, verlichting, verwarming en schoonhouden daarvan,
ten behoeve van meer dan een collegie van zetters in dezelfde
gemeente, van de commissiën als bedoeld in § 1 & en van de
Adviseurs bedoeld bij § 4, komen ten laste van het Rijk.
§ 6. De niet ambtelijke leden van de commissiën van aan-
slag en hunne plaatsvervangers leggen, alvorens hunne werk-
zaamheden tot uitvoering dezer wet aan te vangen, ten over-
staan van den voorzitter den volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof), dat ik, als lid (plaatsvervangend lid) van
de commissie van aanslag voor de belasting op bedrijfs- en an-
dere inkomsten, overeenkomstig de bepalingen der wet met
nauwgezetheid en onpartijdigheid en volgens mijn geweten zal
handelen en dat ik hetgeen mij in mijn ambt nopens aansla-
gen in de genoemde belasting, vermogens, inkomsten, uitkee-
ringen of uitdeelingen, bedrijven, beroepen, ambten, waardig-
heden, bedieningen, betrekkingen of werkzaamheden blijkt of
medegedeeld wordt, zal geheim houden. Zoo waarlijk helpe
mij God Almachtig! (Dat beloof ik)."
Van deze handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.
Wegens het afleggen van don eed of belofte en het opmaken
van het proces-verbaal zijn geen kosten verschuldigd.
Bij herbenoeming wordt geene nieuwe eed of belofte gevor-
derd, doch wordt van de vroeger afgelegde verklaring door den
voorzitter op de nieuwe akte van aanstelling melding gemaakt.
-ocr page 209-
199
Hoofdstuk III. — Art. 19.
§ 7. De commissie van aanslag brengt de aanslagsregeling
ten einde binnen den tijd door den Commissaris der Koningin
in de provincie te bepalen. Is dat werk niet binnen dien tijd
gereed, dan wordt het door het ambtelijk lid of de ambtelijke
leden van elke commissie met den burgemeester der gemeente,
waar de aanslag ingevolge art. 17 moet geschieden, ten spoe-
digste volbracht. In dit geval wordt bij verschil van meening
§ 50. tusschen den burgemeester en een ambtelijk lid beslist door
den Provincialen Inspecteur der directe belastingen, invoerrech-
ten en accijnzen, in wiens inspectie de gemeente gelegen is.
§ 8. De benoeming van de leden der commissiën bedoeld bij
§16. § 1 & en § 2 en der Adviseurs bedoeld bij § 4 geschiedt telkens
voor vier jaren. De aftredenden zijn herbenoembaar.
De diensttijd der niet ambtelijke leden en hunne plaatsver-
vangers gaat in met den eersten Januari. Vóór den eersten
November van het voorafgaande jaar worden zij benoemd. Zij
kunnen tusschentijds bij een met redenen omkleed besluit wor-
den ontslagen door de autoriteit die hen benoemd heeft.
Bij tusschentijdsch ontslag of overlijden van een niet ambte-
Hjk lid of plaatsvervanger wordt onverwijld door de autoriteit,
die dat lid of dien plaatsvervanger benoemd heeft, een ander
in zijne plaats benoemd. De tusschentijds benoemde treedt af
op het tijdstip waarop degene, in wiens plaats hij benoemd is,
zou hebben moeten aftreden.
§ I. i. In het eerste ontwerp was de voorbereidin g der aan-
slagen opgedragen aan de colleges van zetters, de vaststel-
ling daarvan aan de commissiën van aanslag. Tegen deze on-
oordeelkundige en omslachtige werkverdeeling werden in het
Voorl. Verslag verschillende bedenkingen geopperd, met het ge-
volg, dat in het gewijzigd ontwerp de regeling werd voorgesteld,
zooals die thans in de wet is opgenomen. In plaats van voor te
bereiden, wat de commissiën van aanslag zouden hebben vast te
stellen, zijn de colleges van zetters nu voor een belangrijk deel
zelve commissiën van aanslag a). Tevens is bepaald, dat de In-
specteur der registratie als lid der commissie van aanslag zal
medewerken in die gevallen, waarin zijne medewerking wordt
vereischt, zoodat de bedenkingen in het Voorl. Verslag, gemaakt
tegen gemis aan verband tusschen de aanslagen in de vermo-
gens- en bedrijfsbelasting, geheel zijn opgelost. De inlichtingen,
die den Inspecteur der registratie zijn gegeven, zullen dus niet
tegenover de commissie van aanslag herhaald behoeven te wor-
den. Wel zou dit door administratieve voorschriften, zooals de
Minister in de Mem. van Antw. schreef, ook volgens het eerste
ontwerp — waarin bedoelde Inspecteur geen zitting in de com-
-ocr page 210-
Hoofdstuk III. — Abt. 19.
200
missie had — zijn verhoed, maar thans is dit voorkomen door
eene wetsbepaling.
o) Voor welke belastingplichtigen de aanslag wordt vastgesteld door
het college van zetters en voor welke door de commissie van aanslag
is in litt. a en 6 dezer paragraaf duidelijk aangegeven. Daaromtrent
beslist het al dan niet uitreiken van een biljet B aan hen, die binnen
het Rijk wonen of die zich in den loop van het belastingjaar binnen
het Rijk metterwoon vestigen. Ontvangen zij alleen biljet A (verg. de
Inleiding bl. 42-48), dan geschiedt de aanslagsregeling door het college
van zetters, in alle andere gevallen door de commissie van aanslag.
Geeft iemand vóór 15 Mei aan den Ontvanger zijn verlangen te ken-
nen, om een biljet B te ontvangen (verg. art. 12 $ 2, biljet B, sub
lo d en art. 14 $ 4, 3c zinsn.), ook dan wordt zijne aangifte beoor-
deeld door de commissie van aanslag, in tegenstelling met het geval ,
dat een dergelijk biljet voor den belastingplichtige slechts verkrijg-
baar is gesteld en hij het dus moet afhalen (verg. art. 12 § 4 en art.
14 § 4, 6e zinsn.), want dit verhindert niet, dat de aanslagsregeling
blijft berusten bij het college van zetters. Onbevoegde regeling van
den aanslag zoude kunnen leiden tot eene betwisting van de rechts-
geldigheid van den aanslag en in zooverre verdient dit onderwerp alle
aandacht.
2.    Voor de regeling der aanslagen van hen, die tevens in de
vermogensbelasting zijn aangeslagen bestaat de commissie onder
litt. b uit vijf, anders uit vier leden. Bij staking van stemmen
beslist de Voorzitter. Verg. art. 11 der wet op de colleges van
zetters van 5 April 1870, achter dit werk opgenomen, a)
a) Eenige leden der Eerste Kamer achtten het minder gewenscht,
dat aan den hoofdambtenaar der directe belastingen in eene commissie
van vier leden, bij staking van stemmen, eene beslissende stem werd
gegeven. De Minister zag daarin echter geen bezwaar, beriep zich op
de wet op de vermogensbelasting, waarbij de Inspecteur der registra-
tie geheel alleen den aanslag vaststelt en zag in de instelling der
Raden van beroep, waarin geen enkel rijksambtenaar, ressorteerende
onder het Departement van Financiën, zitting heeft, voldoenden waar-
borg voor de belangen der belastingplichtigen.
3.     Volgens litt. b wordt de standplaats, waar de commissie
van aanslag vergadert, bij Koninklijk Besluit aangewezen. Dit
betreft slechts eene administratieve regeling, zoodat, indien de
commissie elders vergaderde dan de aangewezen standplaats, op
dien grond de wettige vaststelling van den aanslag moeilijk zou
kunnen worden betwist.
§ 4. 4. Het woord „vereischte" heeft, luidens de Mem. van Antw.,
ten doel, om ter wille der geheimhouding te voorkomen, dat meer
wordt medegedeeld dan noodig is voor de vaststelling van den
aanslag. Hierbij is inzonderheid gedacht aan commissiën op ver-
schillende plaatsen, maar toch ook aan commissiën op dezelfde
plaats.
5. De benoeming van Adviseurs, eerst in het gewijzigd ont-
werp voorgesteld, vond bij de Commissie van Rapporteurs geen
steun, omdat naar hare meening medewerking tot den aanslag
door personen, die geene verantwoordelijkheid dragen, moest
worden uitgesloten. Daarbij vreesde zij, dat door de benoeming
van Adviseurs de keuze voor de commissiën van aanslag zou
-ocr page 211-
201
Hoofdstuk III. — Art. 19.
worden beperkt. Op grond van de ondervinding, door de plaatse-
lijke directe belasting naar het inkomen te Amsterdam opgedaan,
bleef echter de Minister veel waarde hechten aan die benoeming,
te meer, omdat hunne taak zich alleen bepaalt tot het verschaf-
fen van inlichtingen, zonder dat hun daarbij een enkel geheim
wordt geopenbaard. Het andere bezwaar der Commissie van
Rapporteurs ware, zooals de Minister nog opmerkte, te onder-
vangen door de benoeming van de leden der commissiën van aan-
slag te doen geschieden vóór de keuze van Adviseurs.
§ 5. 6. De hier toepasselijk verklaarde bepalingen der wet van 5
April 1870 op de colleges van zetter9, betreffen :
art. 1, 2\' lid: vergoeding van bureaukosten, presentiegeld;
art. 5, le lid: voorwaarden van benoembaarheid; (het 2e lid:
uitsluiting van sommigen, waaronder rijksambte-
naren a) is natuurlijk slechts ten deele toepas-
selijk verklaard);
art.5,4e—6\'lid: uitsluiting van bloedverwanten, enz.
art. 8, le lid: kennisgeving van verhindering, afwezigheid;
art. 10, le lid: voorziening door de gemeente in het lokaal; b)
artt. 11 en 12: vereischten voor het nemen van een besluit,
onderteekening der uitgaande stukken, niet-
deelneming aan behandeling der aangelegen-
heden betreffende bloedverwanten.
a)    Met uitzondering van den hoofdambtenaar der directe belastin-
gen en dien der registratie. Verg. § 1 b van dit artikel.
b)    Bestaat er meer dan één college van zetters ook dan moet de
gemeente desgevorderd zorg dragen voor het verschaffen van de noo-
dige lokalen, evenals voor de vergaderingen van de commissiën van
aanslag en die der Adviseurs. Blijkens het slot dezer paragraaf wor-
den in die gevallen de kosten echter door het Rijk betaald, hetgeen
in dien zin moet worden opgevat, dat slechts bedoeld zijn de werke-
lijke
kosten, want meesttijds zal de gemeente een beschikbaar lokaal
kunnen afstaan.
§ 6. 7. De verplichting, tot het afleggen van den eed (de belofte)
van geheimhouding is tot alle niet ambtelijke leden, ook der zet-
terscolleges, uitgebreid. Onnoodig achtte de Minister dit te doen
voor het geval van hunne herbenoeming en voor de ambtenaren,
die reeds uit den aard hunner betrekking tot geheimhouding van
hunne gedane mededeelingen zijn gehouden. Voor het eedsfor-
mulier is de redactie gevolgd van art. 30 der wet op de ver-
mogensbelasting. Nieuw benoemde leden van een college van
zetters zullen den eed (de belofte) hebben af te leggen, zoowel
volgens art. 9 der wet van 5 April 1870, Staatsbl. n°. 63, als
volgens deze paragraaf, zelfs al treedt het college alleen op voor
de toepassing der wet op de bedrijfsbelasting.
8. Het gevoelen, dat openbaarheid de beste, om niet te zeggen
de eenige afdoende controle zou zijn, strookte noch met \'s Mi-
nisters overtuiging noch met hetgeen de ervaring in Pruisen en
Engeland daaromtrent heeft geleerd, daargelaten nog, dat het
niet zou aangaan, nu bij de vermogensbelasting geheimhouding is
voorgeschreven, bij de bedrijfsbelasting een ander stelsel te hul-
-ocr page 212-
202                Hoofdstuk III. - Artt. 19-21.
digen. iEen koopman" — aldus de Minister in antwoord op het
Voorl. Verslag der Eerste Kamer — , die met goed gevolg nieuwe
betrekkingen heeft aangeknoopt, een industrieel, die een nieuw
procédé heeft ingevoerd en daarmede groote winsten maakt, heeft
er belang bij, dat die winsten geheim blijven. Dwingt men een
zoodanig persoon tot openbaarmaking, zoo stelt men hem voor een
moeilijk dilemna. En waartoe zou men het doen? Wat van al-
gemeene bekendheid is, weten de commissiën van aanslag, des-
gevorderd voorgelicht door Adviseurs, natuurlijk ook. En wat niet
van algemeene bekendheid, maar slechts het geheim van enkelen
is, komt bij de openbaarheid der kohieren toch maar zelden ter
oore van den fiscus."
§ 7. 9. Bestaat er in het hier veronderstelde geval verschil van
meening tusschen den Burgemeester en een der ambtelijke leden
der commissie, dan zal steeds de beslissing moeten worden in-
geroepen van den Provincialen Inspecteur.
Art. 20. Indien de commissie van aanslag nadere toelichting
eener aangifte noodig acht, kan zij den aangever daartoe in de
§§ 47, 51. gelegenheid stellen. Tenzij de aangever schriftelijk zijn ver-
langen te kennen geeft om door de commissie zelve gehoord
te worden, geschiedt deze nadere toelichting aan den voorzitter.
I. De laatste volzin werd bij het gewijzigd ontwerp aan het
artikel toegevoegd, opdat de aangever niet verplicht zou zijn voor
de geheele commissie te verschijnen, maardesverkiezende
zijne inlichtingen aan den \'voorzitter zal kunnen geven.
Art. 21. § 1. Indien de commissie van aanslag geen be-
denking heeft tegen de aangifte van het bedrag, naar hetwelk
de aanslag ingevolge deze wet moet geschieden, wordt de aan-
slag door haar, behoudens de bepalingen van § 3, in overeen-
stemming met die aangifte vastgesteld.
De commissie is bevoegd den aanslag vast te stellen naar
een hooger dan het aangegeven bedrag, indien dit laatste, om
welke reden ook, haar te laag voorkomt.
§ 2. De aanslag van hem, die van het in § 1 bedoelde be-
SS Af) 7*ï
98 \' \'drag geen aangifte heeft gedaan, wordt ambtshalve geregeld.
§ 3. Aan de aangifte van hem, wien naar de meening van
de commissie van aanslag geen aanslag moet worden opgelegd,
wordt, behoudens het.bepaalde in het tweede lid dezer para-
graaf, geen verdere behandeling gegeven.
Indien in de commissie van aanslag verschil van meening
ontstaat tusschen de meerderheid van de commissie en den
§§ 49, 51,53 voorzitter over de vraag of aan iemand uit eigen hoofde of als
70, 88. belastingplichtige voor anderen een aanslag moet worden op-
-ocr page 213-
Hoofdstuk III. — Art. 21.
203
gelegd, wordt deze vraag onderworpen aan het oordeel van
den Provincialen Inspecteur der directe belastingen, invoer-
rechten en accijnzen, in wiens inspectie de standplaats der
commissie gelegen is, die haar, bijaldien het verschil de toe-
passing van art. 1, art. 2 § 5 en art. 7 betreft na raadpleging
van den Rijksadvocaat, beslist. Deze beslissing is voor de
commissie van aanslag verbindend.
Indien in de commissie van aanslag verschil van meening
ontstaat tusschen de meerderheid van de commissie en den
voorzitter over het bedrag naar hetwelk de aanslag moet ge-
regeld worden, dan wordt dat geschil onderworpen aan het
§§49,51,53. oordeel van den hierboven genoemden Provincialen Inspecteur,
die in dat geval het bedrag vaststelt, doch tot geen hoogere
som dan het hoogste en geen lagere dan het laagste der be-
dragen waarover het geschil loopt. Ook deze beslissing is voor
de commissie van aanslag verbindend.
§ 4. Indien eene uitspraak op een bezwaarschrift krachtens
de wet van 22 September *) 1892 (Staatsblad n°. 223) wijziging
§§52,53,71.brengt in de bepaling van het vermogen, naar hetwelk de
aanslag in deze belasting is geregeld, wordt deze aanslag, zoodra
de uitspraak niet meer voor beroep vatbaar is, herzien.
§ I. I. De commissie van aanslag is niet verplicht, hare handelwijze
tegenover den aangeslagene te motiveeren, of hem kennis te geven,
indien zij krachtens het 2e lid den aanslag vaststelt naar een
hooger bedrag dan is aangegeven.
Motiveering van uitspraken is den Inspecteur der registratie
evenmin bij de vermogensbelasting opgelegd.
§ 2. 2. Art. 23 § 2 van het eerste ontwerp luidde: .Ambtshalve
wordt de aanslag geregeld voor belastingplichtigen, die öf tot
geene aangifte van winsten en belooningen in de gelegenheid zijn
gesteld, óf de voorgeschreven aangiften daarvan niet gedaan
hebben." Voor het laatste dezer twee gevallen bepaalde § 3 van
dat artikel zoo ongeveer, dat voor hen, die hunne winsten of be-
looningen hoofdzakelijk ontleenden aan eigen of commissiehandel,
nijverheid of scheepvaart, de som daarvan niet lager werd gesteld
dan 6 °/0 van het vermogen en in geen geval minder dan het
tienvoud der huurwaarde van de woning. De bedoeling was, om
een wettelijken regel te geven, waar de commissie anders in den
blinde zou moeten rondtasten, doch het gevolg ware geweest, dat
iemand, die naar f 1000000 in de vermogensbelasting was aange-
slagen en een huis bewoonde van f 5000 huurwaarde, bij verzuim
van aangifte eener geringe winst of belooning uit eene bron,
*) Blijkens het Staatsblad n». 223 van 1892 moet gelezen worden 27 September.
Zooals de Minister te kennen gaf, zal deze drukfout bij de eerste gelegenheid
worden verbeterd.
-ocr page 214-
204                       Hoofdstuk III. — Art. 21.
welke in de bedrijfsbelasting is begrepen, buiten alle verhouding
zou zijn belast of, zoo men wil, gestraft. Blijkbaar dus, omdat de
hier aangenomen berekening zelfs niet in een verwijderd ver-
band kan staan met de feitelijke winsten. Nu was, weliswaar,
beroep op den Raad niet uitgesloten, maar met het oog op andere
gebreken in de redactie, werd toch bij het gewijzigd ontwerp de
berekening naar 6 °/0 van het vermogen losgelaten, doch de be-
paling overigens uitgebreid in dien zin, dat, waar het veelvoud
der huurwaarde voor geene toepassing vatbaar bleek (inwonenden),
het inkomen nimmer lager zou worden bepaald dan op ƒ800. De
Commissie van Rapporteurs had er echter geen vrede mede. Zij
noemde het een volmaakt miswijzend kompas den uiterlijken staat
van den persoon te gebruiken als grondslag voor den minimum-
aanslag, zonder daarbij met den geheelen vermogenstoestand van
den persoon rekening te houden. Daarom stelde zij een amende-
ment voor, om de besproken bepaling te doen vervallen, dat, of-
schoon door den Minister bestreden, werd aangenomen met 54
tegen 12 stemmen, a)
a) De redactie van § 2, zooals die thans luidt, sluit in zich, dat niet
alleen zij, die tot aangifte naar biljet B gehouden zijn, bij verzuim,
ambtshalve kunnen worden aangeslagen, maar dat zulks ook het geval
is, ten aanzien van hen, die enkel biljet A ontvangen, onverschillig of
dit biljet al dan niet is ingeleverd. In deze laatste veronderstelling
wordt echter nog de strafbepaling van art. 47 § 3 van toepassing. Verg.
ook art. 47 $ 4 jo. art. 52.
§3, 2°
zinsn. 3. Met deze bepaling wordt voorzien in het geval van verschil
van meening tusschen de meerderheid der commissie en den voor-
zitter. Volgens het stelsel ook bij de vermogensbelasting aange-
nomen, behooren vragen omtrent de hoegrootheid van den
aanslag tot den werkkring van den Raad van beroep, terwijl de
belastingplichtigheid eene rechtsquaestie kan zijn. Omtrent
dit laatste punt moest er eene autoriteit zijn, die voorloopig be-
slist, opdat de aanslag zal kunnen worden vastgesteld, onvermin-
derd de rechten van den aangeslagene. Als zoodanig is aange-
wezen de Provinciale Inspecteur, gehoord den Rijksadvocaat, zonder
dat hij echter verplicht zal zijn diens advies te volgen, a) Aan
de commissie zelve de beslissing over te laten, achtte de Minister
niet wenschelijk. Bij verschil moet de Voorzitter niet overstemd
kunnen worden door de meerderheid, want luidde hare beslissing
ten onrechte: niet belastingplichtig, dan zou er geen aanslag ten
kohiere komen, terwijl eene onjuiste beslissing van den Provin-
cialen Inspecteur ten gunste van belastingplichtigheid hier niets
prejudiciëert aan eene latere uitspraak van den rechter, wiens
tusschenkomst kan worden ingeroepen door een verzet tegen de
tenuitvoerlegging van een eventueel dwangbevel tot invordering
der belasting.
a) De slotbepaling, zoowel in deze als in de volgende zinsnede, gaf
aanleiding tot de opmerking, dat het eene minder gewenschte regeling,
om niet te zeggen een noodelooze omslag is, in sommige gevallen de
commissie van aanslag uitspraak te laten doen in overeenstemming
met de door den Provincialen Dispccteur reeds genomen beslissing.
Ter wille van de uniformiteit in de wijze van vaststelling van den aan-
-ocr page 215-
Hoofdstuk III. - Artt. 21-22.                 205
slag, enz. vond de Minister het echter eenvoudiger, dat de Provinciale
Inspecteur zijne uitspraak mededeelde aan de commissie, dan zelf den
aanslag te moeten bewerkstelligen, want al is de beslissing aan de
commissie voorgeschreven, formeel is deze toch altijd de hare en voor
de buitenwereld beslist zij alleen. Zie ook art. 23, 2e zinsn. jo.
art. 24.
§3, 3\'
zinsn. 4. Loopt het geschil inde 2e zinsn. over de b el as tingplich-
tigheid, hier betreft het de hoegrootheid van den aanslag
en is eveneens de Provinciale Inspecteur aangewezen als de auto-
riteit, die binnen zekere grenzen, de beslissing neemt, zonder dat
voor den aangeslagene een enkel recht verloren gaat, want komt
hij na die beslissing met een bezwaarschrift bij de commissie, dan
zal zij waarschijnlijk eene voor hem gunstige beslissing nemen en
tegen deze beslissing kan de voorzitter slechts in beroep komen
bij den Raad (art. 25 § 3) a). Zooals de Minister in de Mem. van
Antw. schreef, zal zich, naar men hopen mag, het hier onderstelde
geval niet dikwijls voordoen. De voorzitter zal begrijpen, dat hij
van de hem verleende bevoegdheid slechts gebruik moet maken
in die gevallen, waarin het recht onbetwistbaar aan zijne zijde
is, want hij weet, dat de aangeslagene in verzet zal komen, in-
dien de aanslag te hoog is. In de overgroote meerderheid der
gevallen zal hij zich dus nederleggen bij het genomen besluit.
Maar hij behoeft het niet te doen en daardoor zal zijne verant-
woordelijkheid voor eene billijke en juiste toepassing der wet
worden verhoogd.
a) Het denkbeeld der Commissie van Rapporteurs, om de meerder-
derheid der commissie van aanslag te doen beslissen, vond bij den
Minister geen steun, want ook in dat geval zou men bezwaarlijk den
voorzitter een beroep op den Raad kunnen ontzeggen, indien hij zich
bij die beslissing niet kan neerleggen. Het onderscheid tusschen de
rol, die de commissie dan zou vervullen en die haar thans is toebe-
deeld, achtte de Minister in het wezen der zaak zeer gering. Ook uit
een administratief oogpunt tegenover den belastingplichtige ware eene
dergelijke regeling niet aan te bevelen, want op den voorloopig vast-
gestelden aanslag zou nog eene latere bijheffing kunnen volgen, al
naargelang van de uitspraak van den Raad. Dat overigens de taak
der commissie hier tot eene bloot adviseerende werd gemaakt, bestreed
de Minister, er op wijzende, dat de Provinciale Inspecteur aan een
hoogste en laagste cijfer is gebonden, terwijl hij later, bij het indienen
van een bezwaarschrift, in het geheel geen gezag meer zal kunnen uit-
oefenen.
§ 4. 5. Waar in de wet op de vermogensbelasting van de uitspraken
van den Inspecteur der registratie beroep is op den Raad, zal
men de einduitspraak moeten afwachten, alvorens eenen aanslag
in de bedrijfsbelasting te herzien. Die herziening kan dan ambts-
halve geschieden.
§§43,51-57, Art. 22. § 1. De aanslagen worden ten kohiere gebracht.
60, 62. Die van reederijen worden gesteld ten name van den boek-
houder, onder vermelding van diens hoedanigheid.
Die van de in § 2 van artikel 7 bedoelden wórden gesteld
ten name der voor deze schuld ieder voor het geheel aanspra-
-ocr page 216-
206
Hoofdstuk III. — Abt. 22.
kelijke hier te lande wonende beheerende vennooten, met toe-
voeging der woorden: voor buitenlandsche vennooten.
Die van de onder §§ 3, 4 en 5 van artikel 7 genoemde be-
lastingplichtigen worden gesteld te hunnen name, onder bij-
voeging van den naam en de hoedanigheid van hen, in wier
persoon zij krachtens dat artikel belastingplichtig zijn. Voor
de toepassing van artt. 24, 25, 27, 29, 30 en 32 wordt deze
persoon als de belanghebbende of aangeslagene beschouwd.
§ 2. In de kohieren wordt het bedrag der inkomsten niet
vermeld.
§ 3. Aan hen, die aangiften in gesloten omslag hebben
ss 55 58 ingeleverd, wordt het aanslagbiljet mede in gesloten omslag
88 \' \' uitgereikt.
Aanslagbiljetten, welke voor geheele of gedeeltelijke aan-
zuivering in gesloten omslag worden aangeboden, worden, na
voldaanteekening, in gesloten omslag teruggegeven.
§§58,59,75. § 4. De aanslagbiljetten worden uiterlijk binnen veertien
dagen na de afkondiging van het kohier uitgereikt.
§ I. I. Of het in deze paragraaf bedoelde kohier door de eommis-
sie van aanslag dan wel door haren voorzitter wordt opgemaakt,
en of dit hier niet behoorde te worden aangewezen, was eene
vraag van den heer Bool, waarop de Minister te kennen gaf,
dat het bepaalde in art. 19, omtrent de vaststelling van den aan-
slag, het onnoodig maakt te dezer zake een voorschrift op te
nemen, terwijl bovendien de bepaling geldt van art. 1 der wet
van 22 Mei 1845 (Stbl. n°. 22) a) op de invordering van\'s Rijks
directe belastingen, welke hier niet buiten toepassing is gehou-
den, zooals in art. 53 der wet op de vermogensbelasting, b)
o) Gewijzigd bij die van 14 Juli 1869 (Stbl. no. 183) en art. 58,
dezer wet.
6) De vraag der Commissie van Rapporteurs, of er, met het oog op
het bepaalde in art. 14 § § 3 en 4, art. 22 § 4, \'art. 23 al. 1 en art. 25
§ 2, geene speciale voorschriften behoorden te worden gegeven voor
het opmaken van suppletoire kohieren, beantwoordde de Minister met
de opmerking dat een suppletoir kohier eveneens »een kohier in den
zin der wet is", en dat de zaak door de artt. 1 en 2 der wet van 1845
voldoende is geregeld.
§ 2. 2. Ten einde de gelegenheid tot reclameeren te vergemakke-
lijken, werd in het Voorl. Verslag het denkbeeld geopperd, om
in alle gevallen het bedrag der inkomsten op het aanslagbil-
jet en derhalve ook in de kohieren te vermelden, doch de Minister
vond dit weinig in overeenstemming met het beginsel van ge-
heimhouding.
§ 3. 3. Luidens het Voorl. Verslag werd het vrij algemeen wen-
schelijk geacht, om steeds het aanslagbiljet in gesloten omslag
-ocr page 217-
Hoofdstuk III. - Aett. 22 — 23.                 207
te doen uitreiken. Nu echter de keus aan den belastingplichtige
is overgelaten, kwam een daartoe strekkend algemeen voorschrift
den Minister overbodig voor. a)
o) Voldoet de Ontvanger niet aan het verlangen, om het aanslag-
biljet in gesloten omslag te ontvangen, dan kan hij in aanraking komen
met de strafbepaling in art. 47 § 2.
§ 4. 4. De termijn van uitreiking der aanslagbiljetten werd in het
gewijzigd ontwerp opgenomen, naar aanleiding eener opmerking
in het Voorl. Verslag, dat anders de termijn van reclame over-
eenkomstig het volgend artikel reeds geheel zou kunnen zijn
verstreken, op het oogenblik, dat de belastingschuldige het aan-
slagbiljet ontving.
Art. 23. Hij, die bezwaar heeft tegen den aanslag, hem uit
eigen hoofde of als belastingplichtige voor anderen opgelegd, kan,
tenzij hij de aangifte niet deed, waartoe hij gehouden was, zelf
of door een gemachtigde, binnen zes weken na de afkondiging
van het kohier, of in het geval bedoeld in § 4 van art. 21,
i§ 61, 69. binnen zes weken na de dagteekening der daarbedoelde uitspraak,
een gemotiveerd bezwaarschrift bezorgen bij den voorzitter der
commissie van aanslag, die hem den aanslag heeft opgelegd,
en wel tegen gedagteekend ontvangbewijs of aangeteekend
per post.
Voor zoover het bezwaar gegrond is op de bepalingen van
art. 1, art. 2 § 5.en art. 7, wordt gehandeld, gelijk in art.
21 § 3, 2de lid, is voorgeschreven. Ook dan is de beslissing
van den Provincialen Inspecteur voor de commissie van aan-
slag verbindend.
Heeft de Provinciale Inspecteur reeds vroeger in die zaak
eene beslissing genomen, zoo wordt hem, onder mededeeling
van het bezwaarschrift, eene nadere beslissing gevraagd.
Indien hij, die een bezwaarschrift heeft ingediend, of zijn
gemachtigde, het verlangen daartoe heeft te kennen gegeven,
wordt hij te zijner keuze door de commissie van aanslag of
haren voorzitter en, in het geval bedoeld bij het tweede lid
door den Provincialen Inspecteur gehoord.
zinsn. I. Tegen het denkbeeld in het Voorl. Verslag geuit, om de
in dit artikel geregelde beroepsinstantie te doen vervallen
of die althans facultatief te stellen en voor de belastingschuldi-
gen de gelegenheid open te laten zich rauwelijks tot den Eaad
van beroep te wenden, had de Minister bezwaar. De thans aan-
genomen regeling, welke overeenkomt met het stelsel ook in art.
24 der wet op de vermogensbelasting gehuldigd, stelt de com-
missie van aanslag in staat de bezwaren tegen den aanslag na-
-ocr page 218-
208                      Hoofdstuk III. - Art. 23.
der te overwegen, waardoor in vele gevallen wordt voorkomen,
dat de Raad van beroep met noodeloos werk wordt overladen.
Alleen dan, wanneer de belastingplichtige de aangifte niet deed,
waartoe hij gehouden was, zal hij zich rechtstreeks tot den
Raad moeten wenden (art. 25 ij 2). De gespatiëerde woorden wer-
den in het gewijzigd ontwerp opgenomen, om scherper te doen
uitkomen, dat het recht van reclame ook is toegekend aan hen,
die niet verplicht zijn biljet B in te dienen. Voldoende is het
dus, dat men het formulier of de formulieren heeft beantwoord,
waarvan de beantwoording volgens de wet wordt gevorderd. Zijn
de antwoorden op de daarbij gestelde vragen onvolledig, niet
duidelijk, niet stellig (zie art. 12 ij 3), dan zou bij eene strenge
opvatting van de bedoelde woorden den belastingschuldige het
recht, om bij de commissie in verzet te komen, moeten worden
ontzegd. In de praktijk zal het zich echter voordoen, dat vra-
gen onbeantwoord zijn gelaten, die voor de regeling van den aan-
slag weinig of geen beteekenis hebben, ook, dat onnauwkeurig-
heden of vergissingen door den belastingplichtige gaarne zullen
worden hersteld, indien hij daarop wordt gewezen. In deze ge-
vallen het bezwaarschrift ter zijde te leggen, zou niet strooken
met de bedoeling van de wet. Maar is eene aangifte bepaald
onjuist, zonder dat aan eene vergissing te denken valt, en is het
bewijs dier onjuistheid desnoods in rechten te leveren, dan moet
eene dergelijke aangifte als ongeldig worden beschouwd met de
gevolgen, daaraan door de wet verbonden (verg. art. 30).
2.     Uit de woorden »hij, die bezwaar heeft tegen den aanslag,
hem uit eigen hoofde of als belastingplichtige voor anderen op-
gelegd" volgt, dat zij, die de wet als belastingplichtige aanwijst
voor anderen (verg. art. 7 j° art. 22), zich in reclame kunnen
voorzien. Voor fictieve personen, waarvoor luidens art. 12 § 3,
laatste lid, de aangifte geschiedt door de hier te lande gevestigde
bestuurders of beheerende vennooten, zijn deze daartoe van zelf
aangewezen. Letterlijk genomen staat deze bevoegdheid niet open
voor den daar genoemden vertegenwoordiger van eene buiten-
landsche spoorwegonderneming, bedoeld in art. 1 ƒ, omdat hij
niet wordt aangeslagen, maar slechts tot de aangifte be-
voegd is verklaard. Daar echter in het algemeen bezwaarschrif-
ten kunnen worden ingediend door gemachtigden, zal dezen krach-
tens zijne algemeene bevoegdheid als vertegenwoordiger dit recht
ongetwijfeld niet kunnen worden ontzegd. Overigens moeten zij,
die namens anderen bezwaarschriften indienen, hunne bevoegdheid
bewijzen, door overlegging eener onderhandsche volmacht of een
authentiek afschrift der notariëele akte, waarbij zij benoemd zijn.
Mondelinge machtigingen kunnen worden gegeven ten overstaan
van den voorzitter in tegenwoordigheid van een\' getuige. Verg.
art. 1942 Burg. Wetb. en verder art. 42 hierna.
3.     Volgens het Voorl. Verslag achtten enkele leden de ver-
plichting, om het bezwaarschrift met redenen te omkleeden, voor
de kleine industriëelen en kooplieden, voor wie het samenstellen
van een betoog geen gemakkelijk werk zal zjjn, te bezwarend.
-ocr page 219-
Hoofdstuk III. - Artt. 23-24.                 209
Allicht zullen deze zich om hulp tot zaakwaarnemers en andere
lieden wenden, die zich daarvoor doen betalen, met het gevolg,
dat de kosten dikwijls het bedrag der eventueele ontheffing zul-
len overtreffen. Andere leden waren echter van gevoelen, dat
een betoog als motiveering niet wordt vereischt. Eene alge-
meene phrase, die spoedig burgerrecht zal verkregen hebben,
zal voldoende zijn. Men zal b.v. als motiveering opgeven: »de
ondergeteekende maakt minder winst dan hem is toegeschreven",
of iets dergelijks. Naar aanleiding hiervan schreef de Minister
in de Mem. van Antw.: „Evenals bij de vermogensbelasting (art.
24) is het wenschelijk, dat de bezwaarschriften gemotiveerd zijn,
doch het spreekt van zelf, dat die motiveering in vele gevallen
eenvoudig kan zijn, zoodat bij het schrijven daarvan de hulp van
zaakwaarnemers onnoodig is." a)
a) Of het voorbeeld eener motiveering, in het Voorl. Verslag aange-
geven, als voldoende mag worden beschouwd, daarover heeft de Minister
zich niet uitgelaten. Ons komt het wel wat al te gemakkelijk voor. Er is
echter geene wettelijke bepaling, welke verhindert, dat men den recla-
mant verzoekt zijn bezwaarschrift nader toe te lichten, en dit zoo noo-
dig doet aanvullen. In elk geval zal de Voorzitter alle ingekomen
bezwaarschriften ter tafel moeten brengen. Adviseert hij tot niet-ont-
vankelijk-verklaring of afwijzing en beslist de Commissie anders, dan
kan hij, zoo noodig, bij den Raad in beroep komen (art. 25 { 3).
4. De termijn van reclame is verbonden aan den datum van
afkondiging van het kohier, niet aan de dagteekening van uit-
reiking van het aanslagbiljet a), omdat het juiste tijdstip daarvan
op plaatsen, waar de belastingschuldigen zeer talrijk zijn, niet te
constateeren is, zonder grooten omslag en belangrijke vertraging.
In het geval van art. 21 § 4 is eene uitspraak van den Inspec-
teur der registratie na 30 dagen niet meer vatbaar voor beroep,
die van den Baad van beroep is een eind-uitspraak, maar kan
zich lang laten wachten. (Verg. art. 28 en 31 der wet op de
verm. bel.)
a) Bij de vermogensbelasting is dit wel het geval, maar daar ge-
schiedt geen afkondiging van kohieren. Zie art. 24 en art. 28, 3e lid
der betrekkelijke wet.

zirwn. 5. Bij het indienen van een bezwaarschrift heeft de Prov. In-
specteur met de beoordeeling van de hoegrootheid van den
aanslag niet meer te maken. Verg. art. 21, aant. 3.
Art. 24. Op de bezwaarschriften wordt uitspraak gedaan
§§ 62, 71. door de commissie van aanslag, die daarvan den aangeslagene
kosteloos kennis geeft, hetzij tegen gedagteekend ontvangbewijs
of wel aangeteekend per post.
I. Op de vraag, binnen hoeveel tijd de commissie uitspraak
zal moeten doen, antwoordde de Minister, dat het hem, zoolang
de practijk omtrent de toepassing dezer wet nog niets heeft geleerd,
onraadzaam voorkwam, de commissie aan eenen termijn te binden.
14
-ocr page 220-
210                     Hoofdstuk III. — Art. 25.
Art. 25. § 1. Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak
der commissie op zijn bezwaarschrift omtrent zijn aanslag,
§§ 64, 69. kan, binnen dertig dagen na de dagteekening van het ontvang-
bewijs of van de aanteekening per post, in beroep komen bij
den Raad, ingesteld bij art. 29 der wet van 27 September
1892 (Staatsblad n°. 223).
§ 2. Hij, die bezwaar heeft tegen den aanslag hem ambts-
halve opgelegd wegens het nalaten eener aangifte, waartoe hij
gehouden was, kan bij dien Raad in beroep komen binnen
zes weken na den dag van afkondiging van het kohier.
§ 3. Beroep op den Raad staat mede open binnen veertien
§§ 62, 66. dagen nadat die uitspraken zijn gedaan aan den voorzitter der
commissie van aanslag tegen uitspraken der commissie op
bezwaarschriften omtrent den aanslag of de inkomsten.
Maakt de voorzitter van dat beroep gebruik, dan geeft hij
binnen drie dagen hiervan den belanghebbende kennis op de
wijze bij art. 24 voorgeschreven.
§ 4. Het beroep geschiedt door toezending van een met
§§ 63 64. re(ienen omkleede memorie aan den voorzitter van den Raad
op de wijze bepaald bjj art. 23 lste zinsnede.
Bij de memorie wordt in het geval bedoeld bij § 1 van dit
s 65. artikel een afschrift van de uitspraak der commissie, in dat
bedoeld bij § 2 het aanslagbiljet overgelegd.
§ 5. Het beroep van den voorzitter op den Raad van be-
roep wordt door dezen niet in behandeling genomen alvorens
dertig dagen zijn verstreken nadat de kennisgeving bedoeld
bij § 3 is uitgereikt of verzonden.
§ I. I. De samenstelling, enz. van den Raad van beroep was in
het eerste ontwerp op gelijke wijze geregeld als bij art. 29 der
wet op de vermogensbelasting, maar aan de pra\'ctijk zou worden
overgelaten, of men overal het beroep voor beide belastingen aan
een\' op dezelfde wijze samengestelden Raad zou willen opdra-
gen. Dat één Raad voor de beide belastingen te zeer met
werk zou kunnen worden overladen en wellicht niet overal per-
sonen zouden worden gevonden, die evenzeer met bedrijfs- als
vermogensomstandigheden bekend zijn, waren de motieven voor
deze regeling. De opmerkingen echter iD het Voorl. Verslag, dat
voor de bedrijfsbelasting partij kon worden getrokken van de
kennis, welke de Raad zich van de vermogensbelasting reeds kan
hebben verworven en dat het ook voor de belastingplichtigen, die
voor beide belastingen in beroep komen, zeer verkieslijk zou zijn
slechts met één college te doen te hebben, leidden den Minister
er toe, daaraan bij het gewijzigd ontwerp gevolg te geven.
-ocr page 221-
Hoofdstuk III. - Artt. 25-26.               211
2. De woorden , omtrent zijn aanslag" in deze § en die »tegen
den aanslag hem ambtshalve opgelegd" in § 2, zijn overgenomen
uit art. 28 der wet op de vermogensbelasting. Bij de behandeling
dier wet maakte de heer Roëll de opmerking, dat de uitdrukking
aanleiding kan geven tot de opvatting, als zoude de Raad van
beroep ook hebben te oordeelen over de bewering: »ik ben niet
belastingplichtig, omdat ik niet hier te lande woon". De Commissie
van Rapporteurs achtte het echter duidelijk genoeg, dat de Raad
van beroep alleen over het bedrag van den aanslag, niet over
hare wettigheid heeft te oordeelen a) en aan de opmerking
werd door redactieverduidelijking geen verder gevolg gegeven.
a) Uit art. 29 hierna is af te leiden, dat de Raad alleen het bedrag
•van den aanslag of de hoegrootheid der belastbare inkomsten beoor-
deelt. De vraag, of een aangeslagene al dan niet behoort tot de in
art. 1 bedoelde personen en lichamen, of tot hen, in wier persoon de
belasting voor anderen is verschuldigd (art. 7), staat niet aan zijne
beoordeeling. In die gevallen toch kan de aangeslagene de beslissing
van den rechter inroepen. Zie aant. 37 op art. 1.
§ 3. 3. Op eene vraag van den heer Bool omtrent de z. i. over-
tollige bijvoeging der woorden »of inkomsten" in het slot der
le zinsn., antwoordde de Minister, dat zij doelden op het geval
dat geen aanslag is gedaan, a)
o) Dit zal moeten worden uitgelegd in dien zin, dat de Voorzitter
in beroep kan komen, indien de Commissie heeft beslist, dat de recla-
mant geen voldoende inkomsten heeft om aangeslagen te worden, want
er is hier sprake van bezwaarschriften. Art. 21 handelt over geschillen
vóór de vaststelling van den aanslag.
De kennisgeving aan den belanghebbende te doen, strekt, om hem de
gelegenheid te verschaffen zich op zijne verdediging voor te bereiden.
Verg. art. 27, le zinsn.
§ 4. 4. Wordt eene memorie a) aan het verkeerde adres ingediend,
dan zal, met het oog op de termijnen in § 1 en § 2 eene onver-
wijlde terugzending aan den belanghebbende gewenscht zijn, met
verwijzing naar den Voorzitter van den Raad van beroep.
a) Volgens art. 28 der wet op de vermogensbelasting behoeft men
het beroep op den Raad niette moti veeren. Voor de bed rijfsbelasting wel.
§ 5. 5. De hier gestelde termijn van 30 dagen staat in verband
met § 1. De aangeslagene zelf kan n.1. ook in beroep komen en
eene gelijktijdige behandeling van beider beroepen is dan mogelijk.
Art. 26. De voorzitter, de leden en de plaatsvervangende
leden van den Raad leggen, alvorens werkzaamheden hun bij
deze wet opgedragen aan te vangen, ten overstaan van den
Commissaris der Koningin in de provincie den volgenden eed
of belofte af:
„Ik zweer (belooi), dat ik als voorzitter (lid), (plaatsvervam
gend lid) .van den Raad van beroep ingesteld bij. de wet van
27 September 1892 (Staatsblad n°. 223), overeenkomstig de
bepalingen der wet tot heffing eener belasting op bedrij fs- en
-ocr page 222-
Hoofdstuk III. — Artt. 26—27.
212
andere inkomsten met nauwgezetheid en onpartijdigheid en
volgens mijn geweten zal handelen, en dat ik hetgeen mij in
mijn amht nopens aanslagen in die belasting, inkomsten, ver-
mogens, uitdeelingen of uitkeeringen, bedrijven, beroepen,
ambten, waardigheden, bedieningen, betrekkingen of werk-
zaamheden blijkt of medegedeeld wordt, zal geheim houden.
Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik)."
Van deze handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.
Wegens het afleggen van den eed of belofte en het opma-
ken van het proces-verbaal zijn geen kosten verschuldigd.
I. Bij de redactie van het formulier is zooveel mogelijk gevolgd art.
30 der wet op de vermogensbelasting. De sacramenteele woorden
werden bij de behandeling dier wet op amendement van den heer
van Alphen daaraan toegevoegd.
Het doen van den eed of de belofte staat aan de vrije keuze
van de betrokken personen. Eene onderscheiding naar de gods-
dienstige gezindte komt daarbij niet te pas.
Art. 27. Alvorens op een beroep uitspraak te doen stelt de
Raad den belanghebbende die het mocht verlangen, in de ge-
legenheid om zijne bezwaren mondeling toe te lichten. Dit
verlangen geeft de belanghebbende te kennen in de memorie
bedoeld bij art. 25 § 4. Is het beroep ingesteld door den
voorzitter der commissie van aanslag, zoo doet de belang-
hebbende die kennisgeving binnen acht dagen, nadat hem van
dat beroep bericht is gezonden. De voorzitter der commissie
van aanslag of zijn plaatsvervanger wordt steeds door den
Raad gehoord.
§ 65. Elke memorie wordt ten minste twintig dagen vóór de behande-
ling aan den voorzitter der commissie ter beoordeeling gezonden.
§ 67. Zoowel de belanghebbende als de voorzitter der commissie
van aanslag of zijn plaatsvervanger worden door den voor-
zitter ten minste vijf dagen vóór de vergadering schriftelijk
opgeroepen.
Bij verhindering van den belanghebbende om zelf in de ver-
gadering van den Raad te verschijnen kan diens gemachtigde
worden toegelaten, indien de redenen van verhindering aan
den voorzitter gegrond voorkomen.
De behandeling der zaak wordt, zoo noodig, door den voor-
zitter verdaagd.
De belanghebbende en de commissie van aanslag en haar
voorzitter kunnen schriftelijke toelichtingen aan den Raad
overleggen.
-ocr page 223-
Hoofdstuk III. - Abtt. 27-29.                 213
I. Dit artikel is in hoofdzaak geredigeerd naar art. 31 der wet
op de vermogensbelasting. Terwijl daar echter de Inspecteur der
registratie, zoo noodig gemachtigd, uitspraak doet op de bezwaar»
schriften, is dit voor de toepassing der bedrijfsbelasting in eerste
instantie opgedragen aan de commissie, behoudens, dat ook aan
den Voorzitter het recht is toegekend bij den Raad in beroep te
komen, a) Vandaar, dat hier den belanghebbende de gelegen»
heid moest worden gegeven, zich te verweren, mits hij het ver-
langen daartoe te kennen geeft binnen acht dagen, nadat hij vol-
gens art. 25 § 3, laatste zinsn., van dat beroep werd verwittigd.
Is de belanghebbende verhinderd zelf in de vergadering van
den Baad te verschijnen, dan kan hij eenen gemachtigde zenden,
mits de redenen van verhindering den Voorzitter gegrond voor-
komen. Die redenen van verhindering kunnen bestaan, ook al is
er geen aanleiding om een attest van den dokter over te leggen!
Of de belanghebbende zich eenen raadsman mag assumeeren, om
voor hem het woord in de vergadering te doen, schijnt niet be-
paald verboden.
a) Het is aan den Raad overgelaten, om den aangeslagene, zoo deze
verschijnt, en den Inspecteur der registratie elk afzonderlijk of in eikaars
bijzijn te hooren. Dit schreef de Minister in de Mem. van Antw. be-
trekkelijk art. 31 der wet op de vermogensbelasting. In zake de be-
drijfsbelasting is dit natuurlijk ook het geval.
2. De Commissie van Rapporteurs achtte het meer in over-
eenstemming met het stelsel, voor de vermogensbelasting gevolgd,
indien niet de Voorzitter der commissie van aanslag, maar de
commissie zelve door den Raad van beroep werd gehoord.
De Minister had echter hiertegen het bezwaar, dat zoodoende het
tijdroovende van de werkzaamheden der commissie zeer zou wor-
den vermeerderd, en wees nog op art. 31, waarbij is toegelaten
de commissie over de daarbedoelde berekening te hooren. o)
o) Volgens de laatste zinsnede van art. 27 kan ook de Commissie
schriftelijke toelichtingen aan den Raad overleggen. Aan de medeon-
derteekening van die uitgaande stukken kan de Voorzitter zich niet
onttrekken, al kan hij zich ook rnet de zienswijze der meerderheid niet
vereenigen. Dit volgt uit art. 11 der wet op de colleges van zetters.
Intusschen kan de Voorzitter ook zelfstandig toelichtingen overleggen.
Art. 28. De voorzitter der commissie van aanslag of zijn
88. plaatsvervanger is bevoegd zoowel zijn advies op de memorie
als zijn beroep toe te lichten uit gegevens, waaromtrent hem
geheimhouding is opgelegd.
Art. 29. De Raad is bevoegd bij zijne uitspraak een aanslag
op te leggen, afwijkende zoowel van de aangifte als van den
ambtshalve opgelegden aanslag en van het advies van de
commissie van aanslag of haren voorzitter.
De Raad is echter onbevoegd tot verlaging van den aanslag,
opgelegd aan hem, die de aangifte, waartoe hy gehouden was,
-ocr page 224-
214                     Hoofdstuk III. — Art. 29.
niet heeft gedaan, tenzy de aangeslagene hebbe aangetoond,
dat de aanslag te hoog was.
Bij de behandeling zijner zaak kan den aangeslagene worden
toegestaan om zijne aangifte te verbeteren.
Indien omtrent de juistheid der aangifte naar biljet B of G
twijfel overblijft en bezwaar is tegen toepassing van het eerste
lid van dit artikel, of indien twijfel overblijft omtrent de juist-
heid der aangifte in biljet A omtrent vermogen, kan de Raad
hem, die bij zijne aangifte volhardt, uitnoodigen om die in de
vergadering van den Eaad door een der volgende verklaringen
te bevestigen:
„Ik verklaar, dat de inkomsten (het vermogen) (de uitdeeling,
de uitkeering) bij de aangifte, die hier voor mij ligt, te goeder
trouw, naar mijn beste weten, zonder iets te verzwijgen, is
(zijn) opgegeven, en die inkomsten (de waarde van dat ver-
mogen) (die uitdeeling, die uitkeering) overeenkomstig de wet,
te goeder trouw, naar mijn beste weten, berekend is (zijn)."
„Ik verklaar, dat ik te goeder trouw vermeen, dat ik geen
inkomsten, (vermogen), (uitdeeling of uitkeering) had aan te
geven, waarvoor naar de wet belasting verschuldigd is."
Van de handeling wordt proces-verbaal opgemaakt, waarin
de verklaring opgenomen en door den aangever onderteekend
wordt.
Het proces-verbaal wordt door den voorzitter en de leden
van den Raad onderteekend.
In de bevestigde aangifte wordt berust.
De aanslag van hem, die weigert of, daartoe overeenkomstig
het in het 3de lid van art. 27 bepaalde opgeroepen, in gebreke
blijft de verklaring af te leggen en te onderteekenen, wordt
niet verlaagd of opgeheven.
In geval van ziekte, afwezigheid buiten het Rijk of andere
wettige reden van verhindering, kan de verklaring, met toe-
lating van den Minister van Financiën, krachtens eene bijzon-
dere volmacht, worden afgelegd.
Het verzoekschrift om toelating wordt door tusschenkomst
van den voorzitter van den Raad aan den Minister gezonden.
zinsn. I. Luidens het Voorl. Verslag werd de vraag gedaan, of de
Baad bevoegd is, om den aanslag te verlagen, als niet de
aangeslagene, maar alleen de Voorzitter der commissie van aan-
slag in beroep is gekomen, en omgekeerd, of de Baad den aan-
slag kan verhoogen, wanneer alleen de aangeslagene appèl
aanteekent. Men achtte dit weinig in overeenstemming met het
-ocr page 225-
Hoofdstuk III. - Abtt. 29-30.                   215
denkbeeld eener beroepsinstantie, ook al laat de redactie ten
deze, naar men meende, volkomen vrijheid. In antwoord daarop,
gaf de Minister als zijn gevoelen te kennen, dat de Raad vrij
behoort te zijn, om eenen aanslag te wijzigen, onverschillig door
wien het beroep is ingesteld. Hij is daarbij niet gebonden aan
de minima van art. 21 § 3, 3° zinsn., welke geenszins als straf
te beschouwen zijn. Beneden de som, welke de aangeslagene zelve
op biljet B mocht hebben opgegeven, zal de Baad echter wel
niet mogen gaan. a)
a) Motiveering der uitspraken schrijft de wet niet voor.
zinsn. 2. Bij de behandeling van art. 34 der wet op de vermogens-
belasting wees de heer van Houten, voorzitter der Commissie
van Rapporteurs, er op, dat de niet-aangifte den aangeslagene in
de noodzakelijkheid brengt, zijnerzijds de commissie te overtuigen,
dat hij recht heeft, om tegen den aanslag op te komen. De be-
wijslast wordt dus verplaatst.
zinsn. 3. De toestemming, om de aangifte te verbeteren, heeft blijk-
baar het geval op het oog, dat bij de behandeling van het be-
zwaarschrift de aangeslagene uit de besprekingen ophelderingen
ontvangt, die hij te voren niet kende of niet begreep. Met zijn
goedvinden wordt dus een aanslag vastgesteld, zonder dat het
tot eene plechtige verklaring komt of tot de toepassing van art. 30.
4"
zinsn. 4. De uitdrukking «indien omtrent de juistheid der aangifte
.... twijfel overblijft en bezwaar is ....", overgenomen uit art.
33 der wet op de vermogensbelasting, beteekent, luidens \'s Ministers
antwoord aan de Tweede Kamer: ,dat de Raad de geloofwaar-
digheid eener aangifte niet durft loochenen, maar toch daarvan
niet overtuigd is." a)
a) Het opzettelijk afleggen eener valsche verklaring is strafbaar ge-
steld bij art. 47 § 1.

zinsn. 5. De bedoeling dezer zinsnede is, dat de Raad den aanslag
moet vaststellen overeenkomstig de aangifte.
Art. 30. De aanslag bij de uitspraak van den Raad opeen
§ 56. beroep van den aangeslagene vastgesteld of gehandhaafd, wordt
verhoogd met:
vijf en twintig ten honderd van de hoofdsom van den aan-
slag, indien de aangeslagene de aangiften, waartoe hij gehouden
was, niet heeft gedaan;
vijf en twintig ten honderd van de verhooging der belasting
in hoofdsom, indien de aangifte van het bedrag, naar hetwelk
de aanslag moet geschieden, te laag is gedaan.
I. De verhooging is hier alleen van toepassing verklaard bij
uitspraak op een beroep van den aangeslagene. Het denk
-ocr page 226-
216
Hoofdstuk III. — Abtt. 30—32.
beeld in het Voorl. Verslag aangegeven, om haar ook op te leg-
gen, ingeval van beroep door den Voorzitter der commissie van
aanslag, vond bij den Minister geen steun.
2. Is iemand, die de aangiften niet deed, waartoe hij gehou-
den was, bij den Eaad in appèl gekomen, steeds zal hij eene
verhooging moeten bijbetalen, ook al had hij aangetoond (art.
29, 2" zinsn.), dat de aanslag te hoog is gesteld. i)ie verhooging
wordt berekend over den vollen aanslag, zooals die door den
Baad is vastgesteld of gehandhaafd. In het tweede bij dit arti-
kel onderstelde geval, indien hij n. 1. aangifte deed van het be-
drag, naar hetwelk de aanslag moet geschieden, kan de verhoo-
ging enkel verschuldigd worden bij te laag bevonden aangifte
en is zij slechts verschuldigd over het verschil, ongeacht of de
de aanslag, door den Raad vastgesteld, lager is dan die van de
commissie. Daar zij, die enkel biljet A ontvangen, steeds ambts-
halve worden aangeslagen, kan uit den aard der zaak dit tweede
geval op hen nimmer worden toegepast. Het is dus voor den
belastingplichtige niet zonder belang te weten, of hij ook ver-
plicht is een biljet B in te vullen, a)
a) Art. 30 komt m. m. overeen met art. 34 der wet op de vermo-
gensbelasting. Bij de behandeling dier wet schreef de Minister in de
Mem. van Antw. aan de Tweede Kamer: »Wat de voorgestelde verhoo-
ging betreft voor hen, wier aangifte te laag bleek, hierin moet geen
straf worden gezien voor te lage aangifte, maar alleen eene vergoeding
van kosten. Men is in beroep gekomen tegen eenen hoogeren aanslag,
doch de Raad oordeelde dat beroep ongegrond. Nu is het billijk, dat
in de kosten van het beroep worde gedeeld door hem, die ze veroor-
zaakt." Verg. art. 43, 2e zinsn.
Art. 31. De Raad kan de commissie van aanslag hooren
nopens de berekening van inkomsten, uitdeelingen, uitkeeringen
of vermogen en deskundigen raadplegen omtrent waardebepa-
lingen en afschrijvingen.
I. Zooals dit artikel in het eerste ontwerp luidde, kon de
Baad zich ook doen voorlichten omtrent de berekening van winst,
belooning of vermogen. Daar echter volgens de wet op de
vermogensbelasting (art. 35) het verhoor van deskundigen is be-
perkt tot bepaalde feiten achtte het Voorl. Verslag de hier ge-
volgde redactie te ruim gesteld en werd tevens de opmerking ge-
maakt, dat de berekening van winst en belooning niet aan
deskundigen kan worden overgelaten, zonder dat de Baad zijn
eigen taak geheel uit handen geeft. Vandaar, dat bij het ge-
wijzigd ontwerp die raadpleging is beperkt tot waardebepalingen
en afschrijvingen, a)
a) Uit hetgeen bij de behandeling van art. 35 der wet op de ver-
mogensbclasting door den Minister werd gesproken, mag men afleiden,
dat de gevallen niet zijn uitgesloten, waarin de belanghebbenden ken-
nis zullen krijgen van het gevoelen der deskundigen.
Art. 32. De uitspraak van den Raad, door den voorzitter
en den secretaris onderteekend, wordt aan den belanghebbende
-ocr page 227-
Hoofdstuk III - IV. - Artt. 32-34.                 217
gezonden en in afschrift medegedeeld aan den Provincialen
Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen,
die voor zooveel noodig voor de uitvoering zorgt.
I. Hetgeen in dit artikel wordt geregeld, was niet noodig te
bepalen voor de uitspraken der commissie van aanslag, bedoeld
in art. 24, omdat de Voorzitter dier commissie hoofdambtenaar
der directe belastingen is en dus de ambtelijke hiërarchie er van
zelve toe leidt, om langs den administratieven weg de uitvoering
der uitspraken te verzekeren.
Art. 33. De bepalingen van art. 37 der wet van 27 Sep-
tember 1892 (Staatsblad n°- 223) gelden ook voor de belasting
op bedrijfs- en andere inkomsten.
I. Het hier aangehaalde art. 37 der wet van 27 Sept. 1892
luidt:
• Aan den Voorzitter en de leden van den Raad wordt door Ons,
boven vergoeding van reis- en verblijfkosten, vacatiegeld en aan
den secretaris bovendien vergoeding voor bureaukosten toegekend."
„Aan de deskundigen die den Raad hebben voorgelicht, wordt
door den Voorzitter vergoeding toegekend volgens de artikelen
61, 63 en 66 van het tarief van justitiekosten en salarissen in
burgerlijke zaken, a) met dien verstande, dat zijne beoordeeling
in de plaats treedt van die van den rechter."
„De aan de deskundigen toegekende vergoeding en de kosten
van huur, verwarming, verlichting en schoonhouden van het
lokaal, waarin de Raad vergadert, en van bediening komen ten
laste van het Rijk."
a) Deze artikelen der wetten van 28 Aug. 1843 (Stbl. nos. 37—40,
66 en 67) luiden, voor zooverre toepasselijk, als volgt:
Art. 61. »Aan deskundigen wordt toegelegd een vacatiegeld, geëven-
redigd aan hun maatschappelijken stand, beroep en het belang der
verrichting, ter beoordeeling van den rechter, welke het onderzoek
heeft bevolen, doch niet hooger dan f 2.00 voor iedere vacatie van een
uur, tot de aan hem opgedragene werkzaamheden besteed".
»Het gedeelte van een uur wordt voor een geheel gerekend."
Art. 63. nlndien deskundigen zich tot het verrichten hunner werk-
zaamheden van hunne woonplaats moeten verwijderen, wordt hun een
gelijk vacatiegeld toegestaan voor den tijd tot de heen- en terugreize
benoodigd".
Art. 66. «Voor reiskosten wordt goed gedaan: lo. »Aan deskundigen
........ het bedrag der door hen voor reiskosten gedane verschotten,
naar billijkheid en ter beoordeeling van den rechter."
HOOFDSTUK IV.
Bijzondere bepalingen.
Art. 34. Handelsreizigers, kramers en alle verdere personen,
die hun bedrijf of beroep rondtrekkende uitoefenen, voor zoover
-ocr page 228-
218                    Hoofdstuk IV. — Abt. 34.
zij behooren tot de bedoelden bij art. la, h en Ze, zijn gehouden
onverminderd hunne verplichtingen omschreven bij artt. 12 en
14, zich ter plaatse binnen het Rijk, waar zij zich na het
begin van het belastingjaar het eerst bevinden, bij het ge-
meentebestuur schriftelijk aan te melden, met opgaaf van hun
naam, hunne woonplaats en hun bedrijf of beroep. Ten blijke
dat zij hieraan voldaan hebben, ontvangen zij kosteloos een
8 35. door of vanwege het hoofd van dat bestuur onderteekend Be-
wijs, dat zij gehouden zijn mede te onderteekenen en op aan-
vraag aan ambtenaren der directe belastingen te vertoonen.
Van de hierbedoelde opgaaf wordt door het gemeentebestuur
onverwijld afschrift gezonden aan den ontvanger der directe
§ 37. belastingen, onder wiens kantoor de plaats gelegen is, waar
ingevolge art. 17 de aanslag moet geschieden.
Buitenslands gevestigden, indien zij hier te lande geen kan-
toren of vaste inrichtingen hebben, bekomen het Bewijs slechts
op verklaring van den ontvanger, dat zij niet door hem be-
§ 54. lastingplichtig worden geacht of wel den door hem voorloopig
naar deze wet geregelden aanslag betaald of voor het bedrag
daarvan, ten zijnen genoege, borg gesteld hebben ; een en ander
behoudens hunne verplichting tot bijbetaling en hun recht op
teruggave ten gevolge van de definitieve vaststelling van hun
aanslag.
De ontvanger geeft, onder overlegging der aangifte, van
den door hem geregelden aanslag onverwijld kennis aan den
voorzitter der commissie van aanslag, die den aanslag moet
regelen.
I. In de redactie van het eerste ontwerp werd gevorderd, dat
„handeldrijvenden, ondernemers van tooneelvoorstellingen en
andere vermakelijkheden en verdere belastingplichtigen, die ter
uitoefening van hun bedrijf of beroep reizen" zich van een .pa-
tent" moesten voorzien. Het Voorl. Verslag wees er op, dat
deze redactie verder reikte dan werd bedoeld, want naar den
letter zou b. v. een hoogleeraar in de geneeskunde, die voor con-
sult buiten zijne woonplaats wordt geroepen, of een predikant in
den ring predikende, op aanvrage van eenen ambtenaar der directe
belastingen zijn «patent" moeten vertoonen. Bovendien achtte men
dit woord, dat zin en beteekenis heeft bij een stelsel van licen-
tiën, in eene partiëele inkomstenbelasting niet op zijne plaats.
Naar aanleiding dezer opmerkingen koos de Minister bij het ge-
wijzigd ontwerp de tegenwoordige meer beperkte redactie, zoo-
dat alleen zij, die hun bedrijf of beroep rondtrekkende uitoefenen,
m. a. w. wier bedrijf of beroep het rondreizen als regel mede-
brengt, zich van een Bewijs moeten voorzien — eene uitdruk-
king, welke de gelijkenis met de patentwet geheel doet verval-
-ocr page 229-
Hoofdstuk IV. — Artt. 34 — 35.               219
len. Het nut der\' bepaling werd door den Minister op tweeërlei
grond verdedigd. Ten eerste wordt verkregen, dat handelsreizi-
gers, enz., die dikwerf slechts enkele dagen in hunne woonplaats
vertoeven en daardoor allicht bij de beschrijving worden over-
geslagen op indirecte wijze de Administratie van hun bestaan,
hunnen werkkring en hunne woonplaats kennis geven. De Voor-
zitter der commissie van aanslag zal dus kunnen nagaan, of zij
inderdaad kunnen geacht worden een belastbaar inkomen te ge-
nieten en kan, zoo hij meent, dat dit het geval is, voor eene uit-
reikiug der beschrijvingsbiljetten zorg dragen. In de tweede plaats
biedt de bepaling het voordeel, dat het nut van het patent uit
een oogpunt van politie niet verloren gaat. Het „Bewijs" geeft
gelegenheid zich te legitimeeren, dat door velen der bedoelde
personen zal worden gewaardeerd. Wel vond de heer van der
Velde in dit laatste argument aanleiding, zijne beduchtheid te
kennen te geven, dat de voorgestelde bepaling inbreuk zou ma-
ken op de reglementeerende bevoegdheid der gemeentebesturen
ten aanzien van bedelaars en .vermomde" bedelaars, doch de
Minister stelde dezen afgevaardigde gerust met de opmerking,
dat, al heeft ook het artikel op een ander gebied eene nuttige
werking, in deze wet met zijne opneming een zuiver fiscaal
doel op den voorgrond staat, a)
a) Van de buitenslands gevestigde personen moet de belasting geïnd
worden, alvorens zij hun bedrijf of beroep hier te lande uitoefenen,
daar men anders gevaar loopt van deze personen nimmer eenige belas-
ting te ontvangen. Op eene regeling van hunnen aanslag of op eene
beslissing, dat geen belasting is verschuldigd, kunnen zij echter niet
wachten. Vandaar voorloopige afdoening met den Ontvanger, zonder
dat dit te kort doet aan hun recht, om door de Commissie te worden
aangeslagen en desnoods in beroep te komen bij den Raad of het be-
taalde te revindiceeren. Hebben zij echter hier te lande kantoren of andere
vaste inrichtingen dan is vooruitbetaling of borgstelling onnoodig.
Overigens wordt met die borgstelling bedoeld persoonlijke zekerheid,
(Boek III, Titel 18, Burg. Wetb.), behoudens het bepaalde bij art. 1867
Burg. Wetb. Voorloopige betaling, zooals die bij de Administratie zeer
gebruikelijk is, blijft wel het meest eenvoudig.
Art. 35. Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit-
hoofde van zijn, hetzij tegenwoordig, hetzij vroeger ambt nopens
aanslag in deze belasting, inkomsten, vermogen, uitkeeringen
§ 93. of uitdeelingen, bedrijf, beroep, waardigheid, bediening, betrek-
king of werkzaamheden van anderen gebleken of medegedeeld
is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn
ambt of betrekking in dienst van het Rijk gevorderd wordt.
I. Luidens het eerste ontwerp bleef de Burgemeester voorzitter
en lid yau het college van zetters en was hij tevens aangewezen
als lid der commissie van aanslag. In het Voorl. Verslag werd
bijgevolg de vraag gedaan, of hij de wetenschap, die hij als zoo-
danig verkrijgt, zou mogen aanwenden bij het vaststellen van den
gemeentelijken hoofdelijken aanslag en bij het overleg, bedoeld
bij art. 14 der wet op de vermogensbelasting. Daar bij het ge-
wijzigd ontwerp het presidium van het college van zetters werd
-ocr page 230-
220                  Hoofdstuk IV. - Artt. 35 — 36.
overgebracht bij den bij deze wet bedoelden hoofdambtenaar der
directe belastingen, heeft de vraag grootendeels haar belang ver-
loren. Alleen in het geval bij art. 19 § 7 werkt de Burgemeester
ex officio tot de regeling van den aanslag mede, en, ofschoon niet
uitdrukkelijk door den Minister gezegd, ligt het toch voor de hand,
dat hij hierbij, evenals de ambtelijke leden, geheimhouding in acht
moet nemen. Uit de redactie van het artikel valt dit af te leiden.
Overigens zal de Burgemeester, indien hij wordt benoemd tot lid
eener commissie van aanslag, in dezen gelijk staan met de andere
leden en hetgeen hij als lid eener Commissie te weten komt,
nimmer verder mogen bekend maken dan voor de uitoefening van
deze betrekking noodzakelijk is. a)
a) De bijvoeging der woorden sin dienst van het Rijk" in dit arti-
kel voorkomende, en welke ontbreken in art. 47, le zinsn., der wet op
de vermogensbelasting, achtte de Minister noodig, omdat de aanslagen
voor de bedrijfsbelasting niet door ambtenaren, maar door Commissiën
worden vastgesteld. De strafbepaling is opgenomen onder art. 47 § 2.
Art. 36. De gemeentebesturen zijn gehouden aan de hoofd-
§§ 4, 5. ambtenaren der directe belastingen op hun verzoek kosteloos
inzage van de kohieren der hoofdelijke omslagen naar het inko-
men te geven en toe te laten, dat zij daarvan uittreksel of
afschrift nemen of doen nemen.
De ambtenaren ressorteerende onder het Departement van
§§4,9,9l. Financiën geven aan de hoofdambtenaren der directe belastingen,
voor zooveel noodig, inlichtingen volgens regelen door den Mi-
nister van Financiën te stellen.
1.     Art. 42 van het eerste ontwerp, bepaalde, dat alle openbare
ambtenaren gehouden waren, om de commissiën kosteloos inzage
te verleenen van boeken, akten, enz. In aansluiting met art.
13 der wet op de vermogensbelasting werd het artikel echter bij
het gewijzigd ontwerp in meer beperkten zin geredigeerd. Daar
de Burgemeesters niet meer rechtstreeks bij de uitvoering der wet
zijn betrokken, is thans uitdrukkelijk aan de gemeentebesturen de
verplichting opgelegd, om toe te laten, dat van de kohieren inzage,
uittreksel of afschrift wordt genomen. »Het schijnt" — zoo schreef de
Minister in de Mem. van Antw. — «overigens voldoende, wanneer
de bij dit artikel bedoelde inlichtingen worden verstrekt aan de
hoofdambtenaren der directe belastingen. Zoo noodig zullen deze
niet nalaten, hetgeen zij weten, in den boezem der Commissie van
aanslag mede te deelen."
2.     Ofschoon het beginsel der geheimhouding reeds bij de ver-
mogensbelasting werd beslist, werd in het Voorl. Verslag door
sommige leden de eisch gesteld, dat ook omgekeerd het Rijk zijne
gegevens ter beschikking zou stellen van de gemeenten. De Mi-
nister bleek evenwel niet geneigd aan dezen eisch, van welks
inwilliging hij groot gevaar duchtte, gevolg te geven, te minder,
daar volgens vele andere leden op die geheimhouding bij de be-
drijfsbelasting nog meer prijs werd gesteld dan voor de vermo-
gensbelasting.
-ocr page 231-
Hoofdstuk IV. — Artt. 36 — 37.
221
Eene poging van den heer Gerritsen, om haar ten aanzien
van de gemeentebesturen op te heffen en de hoofdambtenaren
der directe belastingen te machtigen, aan die besturen de noodige
inlichtingen te verschaffen voor de opmaking der plaatselijke ko-
hieren, trof geen doel. Het door dien afgevaardigde voorgestelde
amendement werd verworpen met 40 tegen 30 stemmen.
3. Dat de redactie van de tweede zinsnede eenigszins vaag is,
kan moeilijk anders, daar het niet mogelijk blijkt, a priori aan te
geven, welke inlichtingen zullen worden verstrekt en welke niet. a)
„De bedoeling van het voorschrift" — aldus de Memorie van Ant-
woord — „is echter duidelijk. De Voorzitters der commissiën en
de Inspecteurs der registratie zullen samen hebben te werken en
elkander bij de regeling, zoowel van deze belasting als van de
vermogensbelasting behulpzaam moeten zijn. Dit uitdrukkelijk
in de wet te vermelden, schijnt niet noodig, te minder nu de In-
specteur der registratie in sommige gevallen lid is der commissie
van aanslag."
a) Do inlichtingen zijn niet beperkt tot die uit archieven van kan-
toren,
zooals dit is bepaald in art. 13, 8e zinsn. der wet op de vermo-
gensbelasting. Die woorden werden hier juist weggelaten, om duide-
lijk te doen uitkomen, dat niet alleen ontvangers of andere ambtena-
ren, die kantoren hebben, bedoeld zijn onder hen, die verplicht zijn,
inlichtingen te verschaffen.
Art. 37. Aan belastingplichtigen bedoeld in art. 1 a, b en c,
die in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere wereld-
deelen wegens door hen uitgeoefende bedrijven, beroepen of
ondernemingen in het patentrecht of eene belasting naar de
inkomsten zijn aangeslagen, wordt op hun verzoekschrift ont-
hefflng van belasting verleend voor de som, gedurende het
voorafgaand belastingjaar uit dien hoofde in die koloniën of
bezittingen door hen betaald.
De ontheffing kan echter voor belastingplichtigen bedoeld bij
art. 1 a en c de hoofdsom, voor belastingplichtigen bedoeld bij
art. 1 b twee derden der hoofdsom naar deze wet door hen in
het loopend belastingjaar verschuldigd niet te boven gaan.
Bijaldien de belasting in die koloniën of bezittingen is bere-
kend naar inkomsten of uitdeelingen, kan de ontheffing niet
meer bedragen dan twee ten honderd van het bedrag daarvan.
De verzoekschriften moeten uiterlijk binnen zes maanden na
de afkondiging van het kohier, waarop de aanslag hier te lande
voorkomt, aangeteekend per post toegezonden of tegen ontvang.
§ 70. bewijs worden uitgereikt aan den Provincialen Inspecteur der\'
directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, in wiens in-
spectie de gemeente gelegen is, waar de belastingplichtige is
aangeslagen.
-ocr page 232-
222
Hoofdstuk IV. — Art. 37.
§ 72. Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van bewijsstukken
of gewaarmerkte afschriften daarvan.
§ 69. De Provinciale Inspecteur doet uitspraak na de commissie
van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld, gehoord te heb-
ben. Hij zendt de uitspraak aangeteekend per post of tegen
§71. gedagteekend ontvangbewijs kosteloos aan dengeen die het
verzoek heeft gedaan.
I. Naar de bewoordingen van dit artikel wordt aan belasting-
plichtigen onder art. la, b en c, a) de hier bedoelde ontheffing van
bedrijfsbelasting verleend ten bedrage van hetgeen zij gedurende
het voorafgaand belastingjaar b) in de koloniën of bezittingen van
het Rijk in andere werelddeelen c), wegens door hen uitgeoefende
bedrijven, beroepen of ondernemingen d), in het patentrecht of
eene belasting naar de inkomsten hebben betaald.
In Nederlandsch Indië n.1. bestaat eene ordonnantie van 31 De-
cember 1878 (Stbl. van Ned. Indië, n°. 350) krachtens welke onder
den naam van patentrecht eene belasting wordt geheven van 2%
van het zuiver inkomen uit beroepen, bedrijven en ondernemingen
genoten. Zij omvat alle ondernemingen, onverschillig waar de zetel
van het bestuur zich bevindt, met uitzondering van naamlooze
vennootschappen, welke ter zake van de uitoefening in Neder-
landsch Indië van eenige nijverheid, enz. in het in Nederland
geheven wordende patentrecht zijn aangeslagen tot een bedrag
van 2 °/0 van het bedrag der uitdeelingen. De bedoeling dezer
uitzondering was dus kennelijk om te voorkomen, dat dubbele
belasting wordt gevorderd van dezelfde inkomsten in Ned. Indië
èn in Nederland.
Bij het onvoldoende verband tusschen de Nederlandsche en
Nederlandsch-Indische patentwetgeving had deze bepaling echter
tot gevolg, dat de belasting voor het toenemend aantal onder-
nemingen in Indië, die door hier te lande gevestigde naamlooze
vennootschappen worden gedreven, uitsluitend ten bate der Neder-
landsche schatkist is gekomen, al zijn de winsten ook in Indië
verkregen. Het valt niet te ontkennen, dat hierin eene groote
onbillijkheid lag, want de lasten, die de uitoefening van het be-
drijf aan het Staatsgezag oplegt, worden toch grootendeels, zoo
niet uitsluitend, gedragen en bekostigd door het Indische bestuur.
Opheffing der vrijstelling in de Indische ordonnantie — en dit
schijnt te zullen volgen bij de invoering der bedrijfsbelasting, als
zijnde geene heffing van patentrecht — zou evenwel dubbele
belasting medebrengen, tenzij daarentegen in de Nederlandsche
wet eene vrijstelling wordt opgenomen. Zóó ver kon men intus-
schen niet gaan, omdat de bedoelde naamlooze vennootschappen
toch ook buiten Indië dikwijls winst behalen, die in Nederland
moet worden getroffen en bovendien de billijkheid eenige heffing
wettigt, waar het bestuur hier te lande onder de hoede van het
Nederlandsch Staatsgezag is gevestigd e). Het meest zuivere stelsel
ware dus geweest eene splitsing van den aanslag naarmate van
de winsten in Indië en elders verkregen ƒ). Maar hoe, zonder
bemoeiing met het inwendige der maatschappijen en inzage van
-ocr page 233-
Hoofdstuk IV. — Abt. 37.
223
hare boekhouding, te constateeren, dat hare zaken zich tot Ne-
derlandsch Indië bepalen, of wel, voor hoeveel hare winsten aan
elders verrichte zaken zijn toe te schrijven ?
Deze moeielijkheid scheen niet te overwinnen. Vandaar het
zoeken naar eenen middenweg, waarbij rekening wordt gehouden
met de billijke aanspraken der Indische schatkist, doch die ook
overigens het voordeel heeft, dat het beginsel der Nederlandsche
bedrijfsbelasting — algemeenheid en onsplitsbaarheid van den
aanslag van alle hier te lande gevestigde naamlooze vennoot-
schappen — intact is gelaten.
De tegenwoordige redactie, zooals die bij eene nadere nota van
wijziging tijdens de beraadslaging in de Kamer is voorgedragen,
werd door den Minister aldus toegelicht:
«De beperkingen bij de ontheffing worden thans geregeld met
inachtneming van het volgende:
»l°. Voor naamlooze vennootschappen, enz. en voor belasting-
plichtigen, bedoeld bij art. 1 a, moet de regeling verschillend zijn.
Gene zijn niet, deze wel in de vermogensbelasting aangeslagen,
en de aandeden der naamlooze vennootschappen, enz. kunnen
in het bezit van buitenlanders zijn. Zij die kapitaal hebben belegd
in koloniale ondernemingen, indien zij behooren tot de belasting-
plichtigen bedoeld bij art. la, hebben dus aanspraak op ruimer ont-
heffing dan belastingplichtigen bedoeld bij art. 1 6; ten aanzien
dezer laatsten alleen is de beperking tot twee derden gehandhaafd".
„De bij art. 1 o bedoelden (reederijen en stichtingen) zijn
ook wel niet aan vermogensbelasting onderworpen, maar de
aandeelen van Nederlandsche reederijen zullen wel steeds aan
ingezetenen behooren, en stichtingen plegen geen kapitaal te be-
leggen in koloniale ondernemingen.
Aan de belastingplichtigen, bedoeld bij art. 1 a, konden der-
halve die bedoeld bij art. 1 o worden toegevoegd."
,Het woord «hoofdsom" is noodig, omdat de wet op de Middelen
opcenten zou kunnen toestaan."
«2°. Twee personen kunnen hier te lande naar een verschillend
tarief zijn aangeslagen, de een geheel naar het tarief van 2, de
ander geheel naar het tarief van 3.2 pet. Voor die twee personen
moet de ontheffing niettemin dezelfde zijn, daar anders de tweede
zou bevoordeeld worden. Vandaar de beperking tot «twee ten
honderd van het bedrag der inkomsten, naar hetwelk de belasting
in die koloniën of bezittingen is berekend."
a) De beperking tot de sub a, 6 en c kon geschieden, omdat de
buitenslands gevestigden slechts betalen voor hetgeen zij in Nederland
verdienen. Voor hen is ontheffing dus niet noodig.
6) De verre afstand tusschen het moederland en de bezittingen,
alsmede de omstandigheid, dat het belastingjaar hier en in Indië niet
samenvalt, heeft aanleiding gegeven, om te spreken van «voorafgaand"
belastingjaar, terwijl onder belastingjaar wordt verstaan dat volgens
deze wet: 1 Mei—30 April.
c) In het eerste ontwerp werd slechts gesproken van Nederlandsch
Indië. Naar aanleiding eener opmerking in het Voorl. Verslag werd de
bepaling uitgebreid tot de koloniën en bezittingen van het Rijk in
andere werelddeelen, zoodat ook West-Indië thans is inbegrepen.
-ocr page 234-
224                Hoofdstuk IV. - Artt. 37-38.
d)    De beperking tot hen, die landbouw-, mijn- of fabrieksonderne-
mingen in Indië drijven of ondernemingen van scheepvaart of vervoer
uitsluitend binnen den Indischen archipel, zooals die in het eerste ont-
werp nog voorkwam, is vervallen, zoodat thans aan ieder, die wegens de
door hem uitgeoefende bedrijven, beroepen of ondernemingen in de kolo-
niën of bezittingen aan patentrecht of eene belasting op de inkomsten is
onderworpen, op zijn verzoek ontheffing wordt verleend van de daar
betaalde belasting. De Nederlandsch-Indische pakketvaart b.v. zal dus
eene lijn naar Melbourne of China mogen exploiteeren, zonder van de
hier verleende gunst verstoken te worden.
e)    »Ik heb gemeend" — zeide de Minister bij de beraadslaging —
»dat, welke generositeit ook tegenover eene zekere klasse van ingeze-
tenen moge worden betoond, de Staat altijd recht heeft op een deel
van de belasting hunner inkomsten. Het is waar, door dit recht te
doen gelden, doet men het gevaar ontstaan, dat naamlooze vennoot-
schappen haren zetel overbrengen naar Indië, maar eene regeling te
maken waaraan geene bezwaren zijn verbonden, is hier ook niet mo-
gelijk. Het bedoelde gevaar moet ons wel tot matigheid nopen; doch
dit schijnt mij hier betracht. Men moge nu verschillen over het
cijfer: l/5, 1/4 of 1/3, — ik heb dit laatste cijfer gekozen en meen, dat
het billijk is."
f)    De heer Hartogh wenschte, dat de Minister in dien zin zou
handelen, door de beperking der ontheffing tot twee derden te doen
vervallen en dus haar ook voor naamlooze vennootschappen tot het
volle bedrag toe te staan. Dan zou, buiten den belastingschuldige om,
de verrekening naar wettelijke regelen kunnen geschieden tusschen
het moederland en de koloniën. Tot een voorstel kwam het echter niet.
Art. 38. Bij overlijden van een belastingplichtige, bedoeld
bij art. 1 os en d, en van een belastingplichtige, bedoeld bij
art. 1 ft, die hier te lande persoonlijk werkzaam is, wordt aan
de erfgenamen op hun verzoekschrift ontheffing verleend van
170-72. ,jen aansiag van <jen overledene over de maanden van het belas-
tingjaar, of, bij aanslag voor korteren tijd, over die, waarover de
aanslag loopt, die tijdens dat overlijden nog niet ziïn ingetreden.
Gelijke ontheffing wordt op zijn verzoekschrift verleend aan
den belastingplichtige, bedoeld in art. 1 a, die in den loop van
•jqj]2 ^ belastingjaar het Rijk metterwoon verlaat, voor zijn aan-
\'slag over de maanden van het jaar, die tijdens zijn vertrek,
of indien het verzoekschrift eerst na het vertrek is ingediend,
tijdens de indiening nog niet zijn ingetreden.
De verzoekschriften moeten uiterlijk binnen zes weken na
het overlijden of vertrek, aangeteekend per post, toegezonden,
of tegen ontvangbewijs uitgereikt worden aan den Provincialen
Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en acerjnzen,
in wiens inspectie de gemeente is gelegen, waar de belasting-
plichtige is aangeslagen.
Verlenging van dezen termijn tot uiterlijk zes maanden kan
door den Minister van Financiën worden toegestaan.
De Provinciale. Inspecteur doet uitspraak na de commissie
-ocr page 235-
Hoofdstuk IV. — Art. 38.
225
§ 69. van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld, gehoord te
hebben. Hij zendt de uitspraak in gesloten omslag, aangetee-
kend per post, of tegen gedagteekend ontvangbewijs, kosteloos
aan dengeen, die het verzoek heeft gedaan.
hen 2°
zinsn. I. De bepaling," dat de ontheffing wordt verleend over de nog
niet ingetreden maanden van het belastingjaar of, bij aanslag
voor korteren tijd, over die waarover de aanslag loopt, is aldus
geredigeerd, omdat door vele belastingplichtigen de inkomsten per
maand worden genoten en ook dubbele belasting wordt voorko-
men. Zie art. 11 § 2.
zinsn. 2. Ue ontheffing volgens deze zinsnede wordt slechts verleend
bij overlijden a) van personen die hier te lande wonen (art. 1 a),
een Nederlandsch staatsambt in den vreemde bekleeden (art. 1 d)
of buitenslands zijn gevestigd en hier te lande persoonlijk werk-
zaam zijn (art. 1 h). Wel kan het ook bij enkele andere belasting-
plichtigen voorkomen, b.v. bij buitenlandsche handelsreizigers, dat
de bron van inkomsten met het overlijden ophoudt te vloeien,
doch het zou tal van administratieve moeielijkheden opleveren,
wanneer men in deze gevallen ontheffing moest verleenen. Reeds
het feit van overlijden ware bezwaarlijk te controleeren en, indien
buitenlanders hun bedrijf hier te lande door eenen gemachtigde uit-
oefenen, mag veilig worden ondersteld, dat, als het bedrijf door
dien gemachtigde voor rekening der erfgenamen wordt voortgezet,
ook de inkomsten daaruit niet noemenswaard zullen verminderen.
a) In tal van gevallen houdt met den dood van den belastingplichtige,
of spoedig daarna, het inkomen op. Waar dit niet het geval is, b.v.
bij voortzetting der zaken van den overledene door of voor rekening
der erfgenamen, zullen deze in den regel uit eigen hoofde belasting-
plichtig worden ingevolge art. 11 § 8. Zijn zij echter reeds aangeslagen,
dan komt een verhoogde aanslag niet te pas. Zie aant. 2 6 op art. 11.
Overigens houde men in het oog, dat het overlijden moet blijken uit
verklaringen der ambtenaren van den burgerlijken stand in Nederland
of van de bevoegde autoriteit buitenslands.

zinsn. 3.
De hier opgenomen bepaling is in overeenstemming ge-
bracht met art. 25 der wet op de vermogensbelasting, a) Ook aan
hen, die het Rijk metterwoon verlaten, doch onder eene andere
categorie volgens art. 1 belastingplichtig blijven, kan de hierbe-
doelde ontheffing worden verleend, b. v. indien een ambtenaar
aan het Departement van Buitenlandsche zaken wordt benoemd
tot secretaris van legatie (art. 1 d). In deze gevallen staat tegen-
over de ontheffing een nieuwe aanslag en dubbele belasting
wordt vermeden, b)
a)    Evenals daar in art. 38, is hier in het volgende artikel 39 het
beroep geregeld. De vraag, of na afwijzing van dit beroep een eisch
om ontheffing bij den burgerlijken rechter is uitgesloten, werd door
den Minister bevestigend beantwoord, doch anderen zijn van een
tegenovergesteld gevoelen.
b)    Het vertrek naar het buitenland moet uit de omstandigheden
worden afgeleid. Voldoende zal dit in den regel zijn gebleken door
15
-ocr page 236-
226                Hoofdstuk IV. - Artt. 38-40.
afschrijving op het bevolkingsregister hier te lande en overlegging van
een bewijs van vestiging elders. Intusschen is dit bewijs niet steeds
te vorderen, daar men het Rijk. kan verlaten, zonder dadelijk eene
vaste woonplaats te kiezen, terwijl papieren bewijzen ook overigens
met de feiten in strijd kunnen worden bevonden. Is de belasting-
schuldige tevens in de vermogensbelasting aangeslagen, dan is het zeker
gewenscht, dat de beide takken van Administratie bij de beslissingen één
lijn trekken.
4"
zinsn. 4. De termijn, waarin het verzoekschrift om ontheffing moet
worden ingediend, is op zes weken gesteld, doch de Minister
kan, ook zonder dat dit uitdrukkelijk is verzocht, verlenging toe-
staan. Dikwerf zal door onbekendheid der erfgenamen met de
wet, verzuimd worden, binnen den gestelden termijn het verzoek-
schrift in te dienen, a)
o) Dit schreef de Minister in de Memorie van Antwoord. Maar
ware het nu niet beter geweest van eiken termijn af te zien?
Art. 39. Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den
Provincialen Inspecteur op zijn verzoekschrift krachtens artt. 37
en 38 dezer wet ingediend, kan binnen dertig dagen, nadat zij
hem is toegezonden, daarvan bij Ons in beroep komen. Als
datum van toezending geldt die der aanteekening per post of
die van het gedagteekend ontvangbewijs.
Door Ons wordt beslist den Raad van State gehoord.
I. Dit artikel komt overeen met de administratieve procedure
in art. 38 der wet op de vermogensbelasting aangenomen. Daar
gaf zij aanleiding tot de vraag, of hierdoor het vragen van ont-
heffing bij den burgerlijken rechter is uitgesloten, welke vraag
door den Minister in bevestigenden zin werd beantwoord, a)
a) In de Memorie van Antwoord (Eerste Kamer) bevestigde de Mi-
nister de meening, dat art. 38 en volgg. der wet van 21 December 1861
(Stbl. no. 129), regelende de samenstelling en de bevoegdheid van den
Raad van State, aan de belanghebbenden de gelegenheid openen, hunne
bezwaren persoonlijk of bij gemachtigde ook mondeling aan dien Raad
voor te dragen.
Art. 40. Wanneer het inkomen naar het hetwelk de aan-
slag van een belastingplichtige, bedoeld bn\' art. 1 a, d en h
is geregeld, door het staken van eenig bedrijf of beroep of ont-
slag uit een ambt, waardigheid, bediening of betrekking, of,
§ 70. voor zooveel de belastingplichtigen bedoeld bij art. 1 a betreft,
door het ophouden van inkomsten als bedoeld bij art. 2 § 1 &
in den loop van het belastingjaar met meer dan één vierde is
verminderd, kan aan den belastingplichtige geheele of gedeelte-
lijke ontheffing van nog niet vervallen termijnen van belasting
worden verleend door den Provincialen Inspecteur der directe
belastingen, invoerrechten en accijnzen, in wiens inspectie de
gemeente is gelegen, waar de belastingplichtige is aangeslagen.
-ocr page 237-
Hoofdstuk IV. — Art. 40.
227
De Provinciale Inspecteur doet uitspraak, na de commissie
van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld gehoord te
te hebben. Hij zendt de uitspraak in gesloten omslag aan-
geteekend per post of tegen gedagteekend ontvangbewijs, kos-
teloos aan dengeen, die het verzoek heeft gedaan.
Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den Provin-
cialen Inspecteur op zijn verzoekschrift kan binnen dertig
dagen in beroep komen bij den Minister van Financiën.
Als datum van toezending geldt die der aanteekening per
post of die van het gedagteekend ontvangbewijs.
1.     De Provinciale Inspecteur kan ontheffing verleenen, doch
is daartoe niet verplicht. Hij moet dus overtuigd worden, dat
de omstandigheden, die tot vermindering aanleiding geven, aanwe-
zig zijn. De reden is, dat het hier veelal een zuiver financiëele
quaestie geldt. Of een bedrijf is gestaakt, is in den regel, hoe-
wel niet altijd, gemakkelijk na te gaan, doch of het inkomen van
den belastingplichtige daardoor is verminderd, is niet zoo grif te
zeggen. En vermindering van het inkomen, niet het staken van
een bedrijf, is de zaak waarop het hier aankomt, a) Om deze
reden schijnt een beroep op de Kroon en inwinning van het advies
van den Baad van State noch noodzakelijk noch gewenscht. Legt
de belanghebbende zich niet neer bij de uitspraak van den Pro-
vincialen Inspecteur, dan is het voldoende, wanneer hij zich kan
wenden tot het verantwoordelijk hoofd der Administratie, b)
a) Staking van een beroep of bedrijf, ontslag uit een ambt, enz., of
het ophouden van inkomsten, bedoeld in art. 2 § 16, zijn dus niet
altijd redenen tot ontheffing, want deze omstandigheden behooren
gepaard te gaan met eene vermindering van meer dan een vierde van
het belastbaar inkomen, waarnaar de in art. 1 litt. a, den h genoemde
belastingplichtigen zijn aangeslagen. Verg. aant. 2 op art. 58.
6) De wettelijke uitdrukking sin beroep komen" kon luidens het
Voorl. Verslag der Eerste Kamer doen denken aan eene administratieve
procedure,
terwijl hier toch uitsluitend sprake is van eene hiërarchische
regeling.
De wenschelijkheid, om dezelfde term te gebruiken als in
art. 39, was, zooals de Minister antwoordde, het motief voor de gekozen
redactie.
2.    De vraag, of nog niet in meerdere gevallen ontheffing
zou kunnen worden verleend, werd door den Minister ontkennend
beantwoord. Immers moet zooveel doenlijk worden vastgehouden
aan het aangenomen beginsel, om aan een eenmaal vastgestelden
aanslag niet meer te tornen. Wanneer toch den belastingplichtige
bij ieder eenigszins aanzienlijk verlies vermindering van belasting
moest verleend worden, zou daaruit logisch volgen, dat ook bij
elke eenigszins belangrijke vermeerdering van inkomsten, b.v. uit-
breiding van het bedrijf, verhooging van bezoldiging, enz. een
suppletoire aanslag moest worden gedaan. Dat hierdoor de belas-
ting alle vastheid zou verliezen en de belastingplichtigen voort-
durend met de Administratie in aanraking zouden moeten komen,
is duidelijk, a)
-ocr page 238-
Hoofdstuk IV. — Artt. 40—42.
228
a) Aan nog andere belastingplichtigen dan aan ingezetenen van het
het Koninkrijk, Nederlandsche staatsambtenaren in den vreemde en
hier te lande een bedrijf uitoefenende buitenlanders, bedoeld in art.
1 h, ontheffing te verleenen, was onnoodig, daar die andere belasting-
plichtigen of belast worden over de reeds genoten winsten öf — dit
geldt van de buitenlandsche handelsreizigers — aan een vast recht
zijn onderworpen. Voor zooverre over uitkeeringen of uitdeelingen
belasting verschuldigd is, komt ontheffing hier natuurlijk niet te pas.
3. De ontheffing wordt alleen verleend voor nog niet verval-
len termijnen van belasting. Strikt genomen moet de belasting
voor vervallen termijnen dadelijk worden voldaan, zoodat, werd
ook hiervoor ontheffing toegestaan, dit eene premie zou worden
op het traag voldoen der belasting, a)
a) Een termijn voor de indiening van het verzoekschrift is uit den
aard der zaak niet gesteld, maar hoe langer de belastingschuldige met
de indiening wacht, hoe meer termijnen er verschijnen en dit is in zijn
nadeel.
Art. 41. Bij overlijden van den aangeslagene zijn de erven
in al hunne goederen voor het niet aangezuiverde gedeelte van
diens aanslag aansprakelijk, voor zooveel schulden van den
boedel van den overledene ten hunnen laste komen.
I. Dit artikel is gelijkluidend aan art. 44, 1* zinsn., der wet
op de vermogensbelasting. Het herhaalt ten overvloede, dat de
gewone regels van burgerlijk recht omtrent verhaal van schulden
der nalatenschap kunnen worden toegepast. Verg. Boek 2, Titel
14 en 15, Burg. Wetb. a)
d) De bepaling van hoofdelijke aansprakelijkheid, zooals die in het
Ie ontwerp der wet op de vermogensbelasting was opgenomen, werd
bij het 2e ontwerp geschrapt.
Art. 42. Ieder erfgenaam, de executeur-testamentair of de
bewindvoerder over de nalatenschap is bevoegd de aangifte te
doen, bezwaarschriften in te dienen en in beroep te komen
omtrent den aanslag van een overledene, alsof hij zelf de be-
lastingplichtige ware.
1.     Zooals dit artikel o. a. uitdrukkelijk bepaalt, kunnen de
hier bedoelde personen de aangifte doen, indien de belasting-
plichtige is overleden, voordat hij zijne aangifte heeft gedaan.
Evenzoo kunnen zij bezwaarschriften indienen of in beroep ko-
men, zonder dat naar de woorden van art. 30 de daar bedoelde
verhoogingen mogen worden uitgetrokken.
2.     Curators in faillissementen zijn krachtens algemeene rechts-
beginselen bevoegd, om bezwaarschriften in te dienen. Aldus de
Minister in antwoord op eene in het Voorl. Verslag gestelde vraag.
3.     Het eerste ontwerp voorzag in het geval, dat bij overlijden
het bedrijf door of voor rekening van de erfgenamen of recht-
verkrijgenden werd voortgezet. Bij nadere overweging kwam het
behoud van die bepaling (art. 47) den Minister minder noodig
-ocr page 239-
Hoofdstuk IV. — Abtt. 42—44.                  229
voor. Bij overlijden toch wordt het bedrijf door de erfgenamen
gestaakt óf voortgezet. In de eerste onderstelling zullen zij in-
gevolge art. 38 meestal ontheffing bekomen en in de andere zul-
len zij in de meeste gevallen reeds in het loopend belastingjaar
en zeker bij den aanvang van het volgende voor de uit dat be-
drijf genoten inkomsten belastingplichtig worden. Zet slechts een
hunner het bedrijf voort, doch worden de anderen commanditaire
vennooten, dan zullen de door hen genoten winsten het volgende
jaar bij den aanslag in aanmerking worden genomen.
Art. 43. De Provinciale Inspecteur der directe belastingen,
invoerrechten en accijnzen kan, onverschillig of al dan niet
§§69-71. een bezwaarschrift is ingediend, op voorstel van de commissie
van aanslag ontheffing van belasting verleenen, indien hem
in den loop van het belastingjaar of van het volgend belasting-
jaar blijkt, dat de aanslag van een belastingplichtige te hoog
is bepaald.
Daarenboven behouden Wij Ons voor om in byzondere ge-
§§69-7l. vallen vanwege dwaling of onwillig verzuim kwijtschelding of
vermindering of teruggaaf van de hoofdsom en van de inge-
volge artikel 30 opgelegde verhooging te verleenen.
zinsn. I. Deze zinsnede komt overeen met art. 27 der wet op de
vermogensbelasting en is daar door den Minister het «abuizen-
artikel" genoemd. Het heeft de strekking, om mogelijke abuizen en
misrekeningen, die zoowel door de belastingschuldigen als door
de commi8siën van aanslag zijn gemaakt, te herstellen. In zoo-
verre wijken de regelingen van elkander af, dat hier het voor-
stel der commissie van aanslag in de plaats treedt van de mach-
tiging van een door den Koning aan te wijzen hoofdambtenaar
der registratie en dat, met het oog op het geval, dat een aanslag
bij het einde van het belastingjaar is vastgesteld, de ontheffing
ook nog kan worden verleend, indien in het volgende belasting-
jaar van den te hoogen aanslag blijkt.
2"
zinsn. 2. Evenmin als in art. 45 der wet op de vermogensbelasting
en in art. 60 der successiewet aan de Kroon de verplichting is
opgelegd, om vóór het nemen harer beslissing het advies van den
Raad van State in te winnen, achtte de Minister dit hier wen-
schelijk. De bijzondere gevallen, waarop hier wordt gedoeld,
strekken zich ook uit tot aanslagen door de Raden van beroep
vastgesteld.
Art. 44. De ambtenaren der directe belastingen zijn bevoegd
om, op schriftelijke lastgeving van den voorzitter der commissie
van aanslag, welke desgevorderd moet worden vertoond, met
machtiging van den kantonrechter en vergezeld van een door
dezen aangewezen persoon bij dag en op de gewone voor den
-ocr page 240-
230
Hoofdstuk IY. — Abtt. 44 — 45.
arbeid bestemde uren in de fabrieken, werkplaatsen en andere
vaste inrichtingen en op de vaartuigen van de belastingplichtigen
en van hen, die vermoed worden belastingplichtig te zijn, de
bijzonderheden op te nemen, bedoeld in art. 12, § 1 II, zonder
nochtans inzage van boeken of schrifturen te kunnen nemen,
tenzij de belastingplichtige dit verlangt.
Deze bevoegdheid strekt zich niet uit tot de fabrieken, werk-
plaatsen, andere vaste inrichtingen en vaartuigen van hen,
wier aanslag voor het loopend belastingjaar reeds door de
commissie van aanslag of, in geval van beroep van den aan-
geslagene, door den Raad van beroep is vastgesteld.
Zij betreden geen woning, tenzij dit noodzakelijk is om de
bovengenoemde lokalen te betreden.
Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal op-
gemaakt en binnen vier en twintig uren aan dengenen, wiens
woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.
I. De bij dit artikel verleende bevoegdheid geeft aan de Ad-
ministratie het middel, om de juistheid der verstrekte inlichtingen
op biljet A te beoordeelen a). Dat van het recht van toegang
uiterst zeldzaam gebruik zal worden gemaakt, meende de Minister
veilig te kunnen verzekeren b), doch juist voor die enkele ge-
vallen moet men de bevoegdheid hebben, om ook tegen den wil
van den belastingplichtige zich een denkbeeld te kunnen vormen
van den omvang van zijn bedrijf.
Zoodra de aanslag ten kohiere is gebracht, blijft overigens de
belastingplichtige van alle bezoeken verschoond, tenzij hij zelf
door een bezwaarschrift in te dienen of bij den Raad van beroep
in appèl te komen, de noodzakelijkheid doet ontstaan, om de
juistheid van nieuw aangevoerde beweringen te toetsen.
De bepaling in het eerste ontwerp, dat men zich desnoods met
inroeping van den sterken arm den toegang kan verschaffen, komt
in de wet niet meer voor. Weigering van toegang is strafbaar.
(Zie artt. 180 en 184 Wetb. van Strafr.). De tot binnentreden
gerechtigde personen maken van die weigering proces-verbaal op,
dat door tusschenkomst van den Provincialen Inspecteur aan het
Openbaar Ministerie wordt opgezonden tot het instellen eener
strafvervolging (art. 10 "Wetb. van Strafv.).
a)    Zijn deze bijzonderheden niet juist opgegeven, dan is dit straf-
baar. Zie art. 47 § 5 jo art. 15 § 1.
b)    Veilig, want men heeft er niets aan. Wellicht zal de een of
andere voorzitter de last eens geven, om te toonen »wat hij kan".
Art. 45. Bestuurders van de bij art. 1 b en c bedoelde naam-
looze vennootschappen, coöperatieve vereenigingen, andere ver-
eenigingen en stichtingen, die een bedrijf of beroep uitoefenen,
onderlinge verzekeringmaatschappijen en sociëteiten, alsook
§ 9. beheerende vennooten van hier te lande gevestigde comman-
-ocr page 241-
Hoofdstuk IV—V. — Artt. 45 — 47.              231
ditaire vennootschappen op aandeelen en boekhouders van
hier te lande gevestigde reederijen, zijn gehouden binnen
veertien dagen na de vaststelling van balans of rekening een
zoodanig uittreksel als noodig is tot toelichting der winst,
uitkeeringen of uitdeelingen te doen toekomen aan den voor-
zitter der commissie van aanslag, bedoeld bij art. 19 § 1 & of
§ 2, die den aanslag moet regelen.
I. Het voorschrift van dit artikel, dat verband houdt met art.
5, strekte zich volgens het eerste ontwerp ook uit tot het over-
leggen van verslagen. Daar deze in den regel een meer con-
ftdentiëel karakter dragen, gaf de Minister bij het tweede ont-
werp toe aan het te kennen gegeven verlangen, om die over-
legging niet meer te vorderen. Eveneens nam de Minister een
amendement over van den heer Bahlmann, om te bepalen, dat
slechts «een zoodanig uittreksel als noodig is tot toelichting der
winst a), uitkeeringen of uitdeelingen" kan worden gevorderd,
in plaats van de geheele balans of rekening, zooals dit in het
regeeringsontwerp stond geschreven. De omstandigheid, dat som-
mige handelshuizen bij hunne boekhouding den omvangrijken in-
ventaris in de balans begrijpen, zoude de overlegging onnoodig
bezwarend maken. Vandaar de wijziging.
a) Deze uitdrukking ziet alleen op stichtingen, die een bedrijf of
beroep uitoefenen.
Art. 46. De stukken krachtens deze wet op te maken en
uit te vaardigen, quitantiën van betaalde belasting, zoomede
§ 74. de processtukken, daaronder begrepen vonnissen en afschriften
van vonnissen betreffende de toepassing van deze wet, zijn
vrij van zegel en worden, voor zoover aan de formaliteit van
registratie onderworpen, kosteloos geregistreerd.
I. Met een gering verschil in redactie komt dit artikel over-
een met art. 49 der wet op de vermogensbelasting. De vraag
van den heer Roessinqh, of ook de aanslagbiljetten in de vrij-
stelling van het zegelrecht deelen, daar zij niet worden opge-
maakt krachtens deze wet a), maar ingevolge de wet op de
invordering van 1845, werd door den Minister bevestigend be-
antwoord.
a) Dit is in het artikel ook niet te lezen. De uitdrukking »qui-
tantiën van betaalde belasting" staat op zich zelf.
HOOFDSTUK V.
Bepalingen van strafrechterlijken aard.
Art. 47. § 1. Hij, die persoonlijk of door een bijzonder daar-
toe gemachtigde opzettelijk eene valsche verklaring, als be-
-ocr page 242-
232                     Hoofdstuk V. — Abt. 47.
doeld bij art. 29, aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes jaren.
Ontzetting van de in artikel 28 n°. 1 — 4 van het Wetboek
van Strafrecht vermelde rechten kan worden uitgesproken.
§ 2. Hij, die opzettelijk de bij art. 35 opgelegde geheim-
houding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd
gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten te
bekleeden.
Hij, aan wiens schuld schending van de geheimhouding te
wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem,
ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.
§ 3. Ieder die, daartoe gehouden, nalaat de vragen, betref-
§§34,73, fende de bijzonderheden, bedoeld bij art. 12 § 1, I, III en IV
74,76-83. in net hem, aan zijne firma of aan de stichting of sociëteit,
waarvan hij bestuurder is, uitgereikte of toegezonden beschrij-
vingsbiljet A stellig, duidelijk en zonder voorbehoud naar
waarheid te beantwoorden en dit antwoord te onderteekenen,
of wel nalaat dit biljet tijdig ter voorgeschreven plaatse in te
dienen, wanneer het niet reeds vroeger is teruggehaald, wordt
gestraft met eene geldboete van ten hoogste f 100.
§ 4. De belastingplichtige, die, ook zonder dat hem een bil-
s§ 73,74, J^ is uitgereikt, niet voldoet aan de hem in art. 14 § 1 eerste
76-83. lid en art. 14 § 4 eerste lid opgelegde verplichtingen, wordt
gestraft met eene geldboete van ten hoogste ƒ50.
§ 5. Hij, die daartoe gehouden, nalaat de verplichtingen na
te komen bedoeld bij art. 15 § 1 eerste lid, en art. 15 § 2 eer-
,tl- ste lid, wordt gestraft meteene geldboete van ten hoogste/" 25.
Gelijke straf wordt opgelegd in geval van overtreding van art. 45.
Id>          §6. Overtreding van art. 16 wordt gestraft met eene geld-
boete van ten hoogste f 400.
§ 7. Personen, die van een bewijs voorzien moeten zijn als
bedoeld in art. 34 en die in gebreke blijven dit bewijs op aan-
ld. vrage aan bevoegde ambtenaren te vertoonen, worden gestraft
met eene geldboete van ten hoogste f 25.
Geven zij ter bekoming van dat bewijs aan het bevoegd ge-
zag een valschen naam, woonplaats, bedrijf of beroep op, of
,d- maken zij gebruik van het aan een ander afgegeven bewijs,
dan worden zij gestraft met eene geldboete van ten hoogste f 150.
-ocr page 243-
233
Hoofdstuk V. — Art. 47.
1.    De hier bedreigde straf is dezelfde als in andere bewoor-
dingen voorkomt in art. 33 der wet op de vermogensbelasting.
2.    De schending der geheimhouding ook vervolgbaar te stellen
op klachte van de rechtverkrijgenden van hem, te wiens
opzichte de geheimhouding is geschonden (zie de 3e zinsn.), achtte
de Minister noch gewenscht noch noodzakelijk.
In art. 47 der wet op de vermogensbelasting is die toevoeging
evenmin opgenomen. De artt. 64—67 van het Wetb. van Strafr.
zijn overigens van toepassing.
3.     In het Regeeringsontwerp was de hier opgenomen straf-
bedreiging ook van toepassing verklaard op het niet beantwoorden
der vragen, in de formulieren te stellen ingevolge art. 12 § 1
sub II. De Commissie van Rapporteurs achtte het echter met
goede strafrechtelijke beginselen in strijd, om straf te bedreigen
op het niet beantwoorden van aan den wetgever niet bekende
vragen en dus een blanc-seign te geven tot het doen van vragen
omtrent bijzonderheden, zonder dat deze bijzonderheden door den
wetgever nominatum zijn aangewezen. Ook de Minister verklaarde
na de aanneming van art. 44 aan het behoud der strafbedreiging
niet bijzonder te hechten nu daartegen bezwaar bestond en een
in dien zin voorgesteld amendement der Commissie van Rapporteurs
werd aangenomen met 67 tegen 3 stemmen. Verg. aant. 1 a op
art. 44. (ab).
a)    Het punt sub V in art. 12 § 1 betreft de vraag naar het ver-
mogen en te dezen aanzien is geen ander recht toepasselijk dan wat
geldt voor de vermogensbelasting, want daar is verzuim van aangifte
evenmin strafbaar. Maar de vragen sub 1, III en IV hebben alle be-
trekking op zuivere feiten, die de belastingplichtige kan en ook moet
beantwoorden, zal in het algemeen de heffing van de belastingplich-
tige personen worden verzekerd. Nu moge bij de vermogensbelasting
het nalaten der aangifte of het verstrekken van logenachtige gegevens
niet strafbaar zijn, bij de bedrijfsbelasting is dit noodzakelijk, »wil
men voorkomen" — aldus de Mem. van Antwoord — »dat tallooze per-
sonen de aangifte verzuimen. Op invulling van biljet B wordt even-
eens hooge prijs gesteld, doch desnoods is iemands inkomen zonder die
aangifte te begrooten; bij gemis der kenbronnen van biljet A daaren-
tegen kan slechts zeer bezwaarlijk een aanslag worden gedaan."
»Eene verplichting tot waarschuwing in de wet te schrijven, zou het
doel, dat hier beoogd wordt, verijdelen. Bij de uitvoering zal echter
mildheid worden betracht; men zal waarschuwen waar en zooveel men
kan, tenzij men grond heeft, om aan opzettelijk verzuim te gelooven.
Met het oog op groote inkomens mocht geen te laag maximum wor-
den genoemd, doch de werkelijke straf kan (volgens art. 23 jo art.
91 van het Wetb. van Strafr.) dalen tot 50 cent."
b)    Een verzoek van den heer Levy aan den Minister, om de pen
te halen door alle strafbepalingen in de §§ 3-6, was gegrond op twee
motieven. Vooreerst, omdat het stelsel der wet berust op eigen aan-
gifte of ambtshalven aanslag, zooals blijkt uit de geamendeerde $ 2 van
art. 21, waarbij de voorzitter der Commissie van Rapporteurs deed
uitkomen, dat, ondanks de aanneming van haar amendement, het aan
de Administratie toch zoude vrijstaan, wat niet meer voorkomt in art.
21 J 2, te doen opnemen in de instructie aan hare ambtenaren. Is er
dus geene aangifte gedaan, dan zal zij toch niet machteloos staan en
evengoed achter de waarheid komen, als wanneer de aangifte wel ge-
schiedde.
De tweede reden voor het vervallen der strafbepalingen was, dat
-ocr page 244-
234                        Hoofdstuk V. — Art. 47.
zij in hare uitwerking draconisch zouden zijn, want bij de beste trouw
zullen de vragen niet altijd stellig, duidelijk en zonder voorbehoud zijn
beantwoord en ontbreekt een dezer criteria, dan is de rechter bevoegd
de straf toe te passen. De Minister gaf evenwel aan het verzoek van
den heer Levy geen gevolg en uit hetgeen onder noot o hiervoor is
aangeteekend, mag men afleiden, dat de strafrechter met de bedrijfs-
belasting niet zoo druk gemoeid zal worden.
§ 4. 4. Deze paragraaf voorziet in het geval, dat eenen belasting-
plichtige geen biljet is uitgereikt of dat iemand in den loop van
het jaar belastingplichtig wordt. Hij is dan verplicht volgens
art. 14 § 1 of § 4 de vereischte aangifte uit eigen beweging te
doen. Verzuim daarvan moet om de hierboven genoemde redenen
strafbaar zijn, doch daar dien schuldige in dit geval geen be-
schrijvingsbiljet is uitgereikt, dat hem aan die verplichting heeft
herinnerd, is het maximum der boete tot ƒ50 verminderd, a)
a) Volgens § 3 is het onjuist- of niet-beantwoorden der vragen op
biljet A bedoeld bij art. 12 § 1, sub II en V niet strafbaar, doch hier
wordt verwezen naar art. 14 § 1, waarin wordt gevorderd, dat de aan-
gifte moet geschieden in den voorgeschreven vorm op biljet A, dus met
inbegrip der vragen sub II en V. Het niet-beantwoorden van die vra-
gen zou dus strafbaar zijn in dit geval.
De heer van Nispen vestigde op deze anomalie de aandacht bij de
beraadslaging in de Eerste Kamer. Intusschen schijnt ons deze wets-
uitlegging wel wat al te eng en daaronder eveneens te begrijpen het
geval van art. 14 $ 4, Ie lid, achten wij geheel onjuist, omdat daar
slechts sprake is van eene aanvrage om biljetten.
($5. 5. Deze paragraaf houdt geen verbodsbepalingen in, maar
slechts verplichtingen, evenals de $ 3 en 4. Vandaar, dat
de tegenwoordige redactie is gekozen op aanwijzing der Com-
missie van Rapporteurs en er geen sprake meer is van o ver-
treding zooals in § 6. a)
a) De onjuiste aangifte van de bijzonderheden volgens art. 12 { 1,
sub II is niet strafbaar volgens het aangenomen amendement der
Commissie van Rapporteurs op § 3. Verzuimt men echter binnen de
twee maanden van de veranderingen aangifte te doen, zooals art. 15
§ 1, Ie lid, dit voorschrijft, dan wordt straf beloopen. Blijkbaar is er
niet aangedacht deze bepaling te wijzigen in overeenstemming met
bedoeld amendement.
§ 6. 6. Let men op de groote bedragen aan belasting, die men door
verzuim van aangifte zou kunnen ontduiken, dan is een maximum
van ƒ400 boete zeker geen te zware straf. Aldus de Memorie
van Antwoord.
§ 7. 7. Eene afzonderlijke strafbepaling was noodzakelijk, daar
anders zij, die in gebreke blijven a) het Bewijs te vertoonen, steeds
zouden kunnen beweren, dat zij verzuimd hadden het zich te ver-
schaffen. Dat iemand vergeten heeft zijn Bewijs bij zich te hebben,
zal wel niet dikwijls voorkomen, maar dan zal trouwens de rechter
het minimum der boete van ƒ0.50 kunnen toepassen, b)
De straf in de 2e zinsnede voorgesteld wegens het opgeven van
een valsehen naam is dezelfde als die van art. 435, 3°. van het
Wetboek van Strafr., en daarmede is gelijkgesteld het opgeven
van eene onjuiste woonplaats en van een beroep of bedrijf, dat
-ocr page 245-
235
Hoofdstuk "V. — Aett. 47 — 49.
men niet uitoefent, alsmede het gebruik maken van eens anders
Bewijs.
a)    De uitdrukking »in gebreke blijven" is in de plaats gekomen
van ^nalatig", omdat dit laatste woord aanleiding kon geven tot de
interpretatie, dat alleen weigering en niet verzuim, om het Bewijs aan
te vragen, strafbaar zou zijn.
b)    Ten einde dengene, die wel een Bewijs bezit, maar het niet bij
zich draagt, voor straf te vrijwaren, stelde de heer Levy een amende-
ment voor, om in plaats van het niet-vertoonen van het Bewijs, alleen
het verzuim van aanmelding overeenkomstig art. 34 strafbaar te stel-
len, doch de Kamer verwierp dit met 61 tegen 10 stemmen.
Art. 48. De feiten strafbaar volgens art. 47 § 1 en § 2 dezer
wet, worden beschouwd als misdrijven, behalve voor de toe-
passing va^ artikel 57 en 58 van het "Wetboek van Straf-
recht, in de plaats waarvan wordt toegepast artikel 62 1ste
en 2de lid van dat wetboek.
De feiten strafbaar volgens art. 47 §§ 3 — 7 dezer wet, wor-
den beschouwd als overtredingen.
I. In het eerste lid, zooals het door de Regeering werd voor-
gesteld, waren al de feiten, volgens art. 47 strafbaar gesteld,
als misdrijven gequalificeerd. De heer Levï betoogde echter
op verschillende gronden, dat de strafbare feiten in de § § 3—7
geen misdrijven mochten worden genoemd, als in strijd met de
beginselen van het strafrecht en een door hem voorgesteld amen-
dement, om de bedoelde feiten als overtredingen te beschou-
wen, werd aangenomen met 52 tegen 19 stemmen. Medeplichtig-
heid (wel te onderscheiden van doen plegen of uitlokken) en po-
ging zijn bijgevolg nu niet strafbaar, ofschoon daarvan bij de
toepassing dezer wet bezwaarlijk sprake kan zijn. Een essentieel
gevolg van het aangenomen amendement is, dat thans de verja-
ringstermijn voor de vervolging en de uitvoering der straf kor-
ter is (verg. art. 70 en 76 van het Wetb. van Strafr.) en verder,
dat de vonnissen niet, zooals bij de qualificatie van misdrijven,
appellabel zijn (verg. art. 56 der wet op de rechterlijke organisatie,
enz.) Overigens behoeft bij overtredingen van geen opzet te blijken.
Plet tweede lid van het regeeringsartikel bepaalde nog, dat te-
gen den beheerenden vennoot, bestuurder of boekhouder van wien
blijkt, dat het misdrijf buiten zijn toedoen is gepleegd, geen straf
zou worden uitgesproken. Daar hetzelfde reeds is geregeld bij
art. 51 van het Wetb. van Strafr., wijzigde de heer Lkvy het
amendement in dien zin, dat ook deze bepaling verviel. Wel
merkte de Minister op, dat in bedoeld art. 51 geen melding wordt
gemaakt van beheerende vennooten, doch de Kamer schonk
daaraan geen aandacht, in de overtuiging blijkbaar, dat behee-
rende vennooten kunnen worden begrepen onder de generieke
benaming van bestuurders.
Art. 49. Met het opsporen van overtredingen dezer wet
zijn, behalve de in artikel 8 n°. 1°.-4°. en 6°. van het Wet*
-ocr page 246-
236                 Hoofdstuk V. — Aett. 49 — 50.
boek van Strafvordering aangewezen personen, belast de amb-
tenaren der directe belastingen.
Zij maken van hunne bevinding proces-verbaal op, dat den
bekeurde wordt beteekend op de wijze voorgeschreven bij arti-
kel 144 van het Wetboek van Strafvordering.
1.    De in de eerste zinsnede van dit artikel bedoelde personen,
genoemd in art. 8, n°. 1—4 en 6 van het Wetboek van Strafvor-
dering zijn:
de veld- en boschwachters;
de officieren en onderofficieren der marechaussee;
de directeuren en commissarissen van politie en de water-
schouten ;
de burgemeesters of degenen, die hen vervangen, »doch alleen
in de gemeenten, alwaar geen commissarissen van politie zijn;
de ambtenaren van het Openbaar Ministerie, behalve die bij de
kantongerechten.
2.    De 2e zinsn. kwam wel voor in het eerste, doch niet in
het gewijzigd ontwerp. Naar aanleiding eener opmerking der
Commissie van Rapporteurs werd zij echter weder opgenomen,
met het oog op de in art. 51 gegeven bevoegdheid tot transactie,
zoodat het noodzakelijk is, dat de bekeurde kennis bekomt van
het voornemen, om hem te vervolgen, a)
a) Op de beteekening van het opgemaakte proces-verbaal is van
toepassing de toelichting op art. 144 van het Wetb. van Strafv. opge-
nomen in de res. van 7 Aug. 1886, n<>. 50. (Verz. n°. 69).
3.     In het oorspronkelijk ontwerp kwam onder art. 56 eene be-
paling voor, ontleend aan de patentwet, n.1. omtrent het in bewa-
ring nemen en in sommige gevallen verkoopen van de koopwaren,
enz. van niet hier te lande wonende bekeurden. De bedenking
daartegen in het Voorl. Verslag ontwikkeld, leidde den Minister
er toe, om de bepaling terug te nemen, omdat volgens art. 23 j°.
art. 91 van het Wetb. van Strafr., de mogelijkheid bestaat, bij
een veroordeelend vonnis vervangende hechtenis toe te passen.
Art. 50. De feiten strafbaar volgens de bepalingen van art.
47 §§ 3 — 7 dezer wet worden vanwege den Minister van Finan-
ciën vervolgd op de wijze \'bedoeld bij art. 141 2°. van het
Wetboek van Strafvordering.,
I. Het hier aangehaalde artikel van het Wetb. van Strafvord.
bepaalt, dat de zaak ter terechtzitting van de arrondissements-
rechtbank aanhangig wordt gemaakt door eene dagvaarding, be-
teekend van wege andere (d. w. z. buiten den officier van justitie)
ambtenaren, daartoe bij de wet gemachtigd, o).
a) De vervolging geschiedt van wege den Minister van Financiën
door de daarvoor aangewezen rijksadvocaten of rechtsgeleerden, die
met de waarneming dier betrekking zijn belast.
-ocr page 247-
Hoofdstuk V. — Artt. 50-52.                  237
o) De Memorie van Toelichting betrekkelijk dit artikel (oud art.
57) luidde:
«Met uitzondering der misdrijven bedoeld bij de artt. 33 en 41 (nu
art. 47 §§ 1 en 2), die de meeste elementen gemeen hebben met de
misdrijven van meineed en schending van geheimen, vertoonen de in
het ontwerp strafbaar gestelde feiten de eigenaardige karaktertrekken
van een fiscaal delict, zoodat hunne vervolging vanwege den Minister
van Financiën behoort te geschieden. De Rijksadvocaten, die thans na-
mens dien Minister optreden, vorderen slechts veroordeeling tot geld-
boete, verbeurdverklaring en sluiting van fabrieken en werktuigen,
terwijl de Officieren van Justitie tot oplegging der principale of sub-
sidiaire vrijheidstraffen requireeren. Er bestaat geen reden, waarom
de vertegenwoordigers van den fiscus hiertoe niet bevoegd zouden mo-
gen zijn. Het Openbaar Ministerie, dat volgens art. 201 van het Wetb.
van Strafvordering conclusie blijft nemen, zal zijn invloed op het
strafgeding niet verliezen, terwijl de kosten en omslag van eene dub-
bele, in de praktijk steeds volkomen gelijkluidende, dagvaarding worden
vermeden."
Men merke op, dat thans, na de wijzigingen, art. 47 J§ 3—7 enkel
boeten bepalen.
Art. 51. Wanneer in de gevallen bedoeld bij art. 47 §§ 3 — 7
is aan te nemen, dat bij den bekeurde geen opzet tot ont-
74- duiking van belasting beeft bestaan, kan hij, mits vóór de
dagvaarding, door of vanwege den Minister van Financiën tot
transactie over de geldboete worden toegelaten.
I. In het Wetboek van Strafrecht is het middel van transactie
niet bekend, doch in het rijksbelasting-strafrecht bestaat het sedert
jaren. Onbeteekenende overtredingen, waarbij aan geen fraude valt
te denken, worden langs dien weg op eenvoudige en min kostbare
wijze beëindigd. Daar de bekeurde steeds een rechterlijke uit-
spraak kan verkiezen boven de transactie kan van willekeur geen
sprake zijn. Dat met de gesloten transactie tevens alle nadeelige
gevolgen der op die wijze beëindigde strafzaak eindigen, spreekt
van zelf en dit uit te drukken in de wet ware overbodig, a)
a) Transactie na de dagvaarding is niet toegelaten. Intusschen kan
eene overtreding, waarop alleen geldboete is gesteld, zooals dit het
geval is in de §§ 3—7 van art. 47, ook na de dagvaarding worden voor-
komen door vrijwillige betaling van het maximum der geldboete en
van de kosten, indien de vervolging reeds is aangevangen. Daartoe
wordt echter de machtiging vereischt van den bevoegden Officier van
Justitie, terwijl dan de betaling behoort te geschieden binnen den
door hem te stellen termijn. Verg. de aant. op { 76 der instr. (bijl. B).
Art. 52. Wanneer eene bekeuring wegens overtreding van
art. 47 § 3 of § 4 bij transactie is beëindigd of eene veroor-
deeling te dier zake onherroepelijk is geworden, slaat de com-
missie van aanslag, indien dit noodig is, den bekeurde of ver-
oordeelde alsnog ambtshalve aan of herziet zij zijn reeds vast-
gestelden aanslag. Is de vroegere aanslag door den Kaad van
beroep vastgesteld, dan wordt deze door dien» Raad herzien.
De commissie van aanslag en de Raad gedragen zich naar
de uitspraak des rechters.
-ocr page 248-
238
Hoofdstuk V. — Art. 52.
Art. 23 is hier niet van toepassing. De aanslag wordt ook
in het geval van herziening aangemerkt als een aanslag ambts-
halve.
§ 75. De aanslag of verhooging van aanslag wordt alsnog ten ko-
hiere gebracht.
Is de verhooging van aanslag door den Raad van beroep
vastgesteld, dan kunnen daartegen geen bezwaarschriften wor-
den ingediend en staat daartegen geen beroep open.
1.     De verplichting in art. 47 § § 3 en 4 van het gewijzigd re-
geeringsontwerp den rechter opgelegd, om tevens te veroordeelen
tot betaling of bijbetaling der ontdoken belasting overeenkomstig
het bedrag door de commissie van aanslag te bepalen, werd op
aandrang der commissie van Rapporteurs weggelaten. Zij was
van oordeel, dat, waar de bepaling van den aanslag ten slotte
geheel afhankelijk was gesteld van het vrije arbitrium der com-
missie van aanslag, voor den term .ontdoken belasting" geen
plaats kon zijn, te minder nog, omdat, indien de commissie reeds
dadelijk van eene onjuiste aangifte blijkt, de aanslag kan worden
vastgesteld naar gegevens, die zij van elders bezit. In een der-
gelijk geval kan men wel eene boete opleggen wegens niet-nale-
ving van wettelijke verplichtingen, maar van te weinig (ontdoken)
belasting is dan geen sprake. De Commissie van Rapporteurs
was van meening, dat het bedrag der belasting dus langs admi-
nistratieven weg behoorde te worden bepaald, zonder inmenging
van den rechter, — eene inmenging hier geenszins rationeel en
bloot van formeelen aard. Aan dat verlangen heeft de Minister
bij de tegenwoordige redactie gevolg gegeven. De rechter zal
uitsluitend hebben te oordeelen over de toepassing der straf, doch
na transactie of een veroordeelend vonnis, wordt, zoo noodig,
een aanslag vastgesteld of herzien langs administratieven weg.
De herziening is opgedrageD aan dezelfde administratieve macht,
die den oorspronkelijken aanslag regelde, daar deze alleen in staat
is te beoordeelen, in hoeverre de onjuiste opgave invloed uit-
oefende bij de oorspronkelijke vaststelling van den aanslag. Geldt
het eenen nieuwen aanslag, dan geschiedt deze naar de gewone
regelen, dus ook naar tijdsgelang.
2.     Als een gevolg van het aangenomen amendement van den
heer Levy, om de hier bedoelde feiten als overtredingen te beschou-
wen, kon de vroegere uitdrukking „wegens een dezer misdrijven"
in de eerste zinsnede niet behouden blijven. Daarvoor is in de
plaats getreden de uitdrukking „te dier zake" naar aanleiding
van een door den Minister overgenomen amendement der Com-
missie van Rapporteurs. Die woorden slaan terug op eene ver-
oordeeling wegens overtreding van art. 47 § 3 en § 4 en natuur-
lijk niet op transactie, daar eene veroordeeling wegens trans-
actie onbestaanbaar is. De heer van der Velde hieromtrent
nog niet gerust, stelde tot verduidelijking voor, om te lezen: „of
eene veroordeeling wegens een dezer strafbare feiten", doch zijn
amendement werd verworpen met 56 tegen 15 stemmen.
-ocr page 249-
Hoofdstuk V-VI. - Artt. 52 — 54.              239
3.     Hun, die verzuimd hebben de voorgeschreven aangifte te doen,
staat daartoe de gelegenheid nog open, ook na betaling der boete.
Op zoodanige aangifte kan door de Commissie van aanslag wor-
den acht geslagen, doch de aangever verkrijgt daardoor niet de
rechten, aan het tijdig aangeven verbonden.
4.     Uit de bepaling in de 3e zinsnede, dat ook in het geval
van herziening de aanslag wordt aangemerkt als ambtshalve vast-
gesteld, volgt, dat daartegen bij de Commissie van aanslag geen
bezwaren kunnen worden ingebracht.
Art. 53. Zijn bestuurders van stichtingen of sociëteiten in
hunne betrekking als zoodanig wegens overtreding van art.
47 § 3 of § 4 onherroepelijk veroordeeld of is eene tegen hen
te dier zake ingestelde bekeuring bij transactie beëindigd, dan
wordt, met inachtneming van het in art. 52 bepaalde aan die
lichamen, zoo dit noodig is, alsnog een aanslag opgelegd of de
reeds vastgestelde aanslag herzien.
I. Dit artikel voorziet in het geval, dat bestuurders van eene
stichting of sociëteit verzuimd hebben, aangifte te doen of deze
onjuist hebben gedaan en dat daardoor de aanslag achterwege
gebleven of op een te gering bedrag is vastgesteld. Belasting-
plichtigen, die enkel biljet B of C ontvangen, vallen niet onder
de bepalingen van art. 47 § 3 en § 4. Verg. hierbij art. 16.
HOOFDSTUK VI.
OVERGANGS" EN SLOTBEPALINGEN.
Art. 54. In afwachting van nadere wettelijke regeling wor-
den op deze belasting geene opcenten ten behoeve van ge-
meenten of provinciën geheven.
I. Het eerste ontwerp bevatte in dit artikel nog de bepaling,
dat 28 opcenten zouden worden geheven. Bezwaren daartegen in
het Voorl. Verslag ontwikkeld, op grond vooral, dat daardoor de
aangenomen verhouding in het belasten van vermogens- en be-
drijfsinkomen geheel zou worden verstoord, leidden den Minister
in het gewijzigd ontwerp tot een ander voorstel, n. 1. om het
heffen van opcenten over het eerste belastingjaar afhankelijk
te stellen van de opbrengst der belasting. Bedroegen de kohie-
ren op 1 Nov. 1894 minder dan ƒ4.400000 dan zoude over 1894/5
het heffen van opcenten tot een maximum van 25 zijn toegelaten.
Tijdens de beraadslaging trok de Minister echter ook deze be-
-ocr page 250-
240                Hoofdstuk VI. — Artt. 54 — 57.
paling in, bij het vooruitzicht, dat de Kamer zich waarschijnlijk
toch zou hebben vereenigd met een daartoe strekkend amende-
ment der Commissie van Rapporteurs.
Art. 55. Bepalingen omtrent meting van Rijkswege van
binnenvaartuigen en de daarvoor in rekening te brengen kos-
ten, worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur.
I. De heffing van kanaal-, sluis- en havengelden, zoowel door
het Rijk als door andere lichamen, berust voor een goed deel op
de meting van Rijkswege van den inhoud der vaartuigen, terwijl
ook in vele gevallen de vracht daarnaar berekend wordt. Het
vervallen der meting zou dus groot ongerief veroorzaken, daar
zij, ofschoon enkel ten behoeve der heffing van het patentrecht
ingesteld, in zekeren zin een tak van publieken dienst is geworden
(scheepvaartstatistiek). Om die reden achtte de Minister het wen-
schelijk, in deze wet den legalen grond op te nemen voor de me-
ting volgens regelen bij Koninklijk besluit te stellen.
Art. 56. De inkomsten in art. 4 § 2 bedoeld, blijven bij
den aanslag van het belastingjaar 1894 — 1895 buiten aan-
merking.
I. Dit artikel dankt zijn ontstaan aan een amendement der
Commissie van Rapporteurs, dat door den Minister werd overge-
nomen. Inkomsten wegens tijdelijke werkzaamheden, vóór de
invoering der wet genoten, te belasten, zou zijn in strijd met
art. 4 der Algemeene bepalingen van wetgeving, want terwijl aan
art. 4 §§ 1 en 3 het denkbeeld ten grondslag ligt, dat, wanneer
iemand een beroep of bedrijf reeds uitoefent in vorige jaren,
daaruit een vermoeden mag worden afgeleid ten aanzien van het
bedrag der inkomsten over het loopende belastingjaar, draagt § 2
van dat artikel een ander karakter en worden inkomsten wegens
tijdelijke werkzaamheden berekend op het bedrag, in het vorig
jaar genoten. Eene naheffing dus, die in het eerste jaar niet
toegepast mocht worden, omdat de inkomsten werden genoten,
tijdens de wet nog niet bestond.
Art. 57. Voor belastingplichtigen, wier inkomsten volgens
artikel 4 § 3, 1ste en 2de lid, zouden moeten worden bere-
kend naar de uitkomsten van aan den aanvang van de hef-
fing dezer belasting voorafgaande jaren, doch die bij hunne
aangifte met redenen aantoonen, dat die uitkomsten geen be-
trouwbaren maatstaf opleveren voor de berekening van ver-
moedelijke inkomsten in het eerste belastingjaar, wordt in dat
jaar de jaarlijksche winst of belooning begroot, naar de ont-
vangen bedragen welke volgens artikel 4 als grondslag zou-
den moeten gelden, doch met inachtneming der redenen, die
erkend worden eene afwijking noodig te maken, en geschiedt
-ocr page 251-
241
Hoofdstuk VI. — Aett. 57—58.
in de twee volgende belastingjaren de berekening naar de in-
komsten, verkregen sedert den aanvang van het kalender- of
boekjaar waarin de heffing dezer belasting aanvangt.
I. De drie jaren vóór de invoering der wet onder alle omstan-
digheden als maatstaf te nemen, zoude aanleiding kunnen geven,
dat men in het eerste belastingjaar betaalde over een veel grooter
inkomen, dan men in werkelijkheid onder de werking der wet aan
belastingschuldig inkomen genoten had. Vandaar, dat ook hier
dit overgangsartikel door de Commissie van Rapporteurs werd
voorgesteld en door den Minister overgenomen. Indien het nu
voorkomt, dat iemand in een der drie jaren, aan de heffing dezer
belasting voorafgaande, ruimer inkomen genoten heeft, dan hij,
onder aanvoering van bepaalde omstandigheden en feiten, in het
jaar, waarin de belastingheffing aanvangt, verwachten mag, wordt
hem vrijheid gegeven dit aan het oordeel der administratie te
onderwerpen. Zoodra er een boekjaar is gesloten onder de wer-
king dezer wet, worden de verkregen uitkomsten van dat jaar
als regel aangenomen; in het tweede belastingjaar geldt dan als
maatstaf de uitkomst van het na de invoering der wet verloopen
boekjaar en in het derde jaar de uitkomst van de twee onder de
werking der wet verloopen belastingjaren. Na drie jaren, dus bij
den aanslag over 1897/98, is de werking der overgangsbepaling
afgeloopen. (a-b)
a) Art. 57 ziet alleen op het geval, dat men wel hetzelfde bedrijf uitoefent,
maar dat in de winstgevendheid daarvan verschil ontstaat. Zoodra
men eene branche van een bedrijf laat varen, heeft men natuurlijk te
dier zake ook geen aangifte meer te doen, omdat deswege de belas-
tingplichtigheid vervalt. Zie aant. 7 op art. 4.
b)    Zooals in het Voorl. Verslag der Eerste Kamer werd opgemerkt,
zal het voor eenen koopman niet gemakkelijk zijn, de redenen op te
geven, waarom de winsten van de afgeloopen drie jaren billijkerwijze
geen maatstaf kunnen zijn voor die van het eerste belastingjaar. Uit
een oogpunt van administratie erkende de Minister, dat de regeling
eenvoudiger ware geweest, als voor het eerste belastingjaar het vorige
jaar, voor het tweede de beide, voor het derde de drie voorafgaande
jaren als maatstaf waren aangenomen, maar uit een principieel oog-
punt moest aan de tegenwoordige redactie de voorkeur worden gege-
ven. Zonder noodzaak zou anders de bepaling voor allen hebben ge-
golden, terwijl het artikel thans slechts toepasselijk is op hen, »die bij
hunne aangifte met redenen aantoonen", dat de gemiddelde uitkomsten
der laatste drie jaren geen betrouwbaren maatstaf opleveren voor de
berekening van vermoedelijke inkomsten in het eerste belastingjaar.
Art. 58. §.1. In art. 4, 1°. en art. 24 der wet van 22 Mei
1845 (Staatsblad n°. 22) vervallen de woorden: „van beschrij-
ving".
In art. 4, 2°. vervallen de woorden: „en der acten van
patent".
Art. 8, derde lid, wordt vervangen door:
„Met afwijking van het in de beide voorafgaande leden
bepaalde, zijn de aanslagen wegens belasting op bedryfs- en
16
-ocr page 252-
242
Hoofdstuk VI. — Art. 58.
andere inkomsten op de voljaarskohieren invorderbaar in vijf
gelijke termijnen; voor zooveel de betaling Uj termijnen niet
geheel of gedeeltelijk is verboden en behoudens de uitzonde-
ringen brj het volgend artikel gemaakt. De eerste termrjn
vervalt den laatsten Augustus, de tweede den laatsten October,
de derde den laatsten December, de vierde den laatsten Februari
en de vijfde den laatsten April van het belastingjaar."
Aan het slot van art. 8 wordt het volgende toegevoegd:
„Met afwijking van het in het vierde lid van dit artikel
bepaalde is voor aanslagen op kohieren welke na den laatsten
Augustus zijn afgekondigd, de belasting op bedrijfs- en andere
inkomsten invorderbaar in zooveel gelijke termijnen als er na
de maand, waarin de afkondiging plaats had, nog tijdvakken
van twee maanden als bovenbedoeld in het dienstjaar over-
blijven. Blijft zulk een tijdvak niet over, dan is de belasting
dadelijk in haar geheel invorderbaar."
In art. 9 2°. dier wet vervallen de woorden: „en het regt
van patent", en wordt in de plaats van: „die middelen" ge-
lezen „dat middel".
Artikel 9 3°. wordt vervangen door:
„3°. voor zooveel de belasting op bedrij fs- en andere in-
komsten aangaat, wanneer de aanslagen betreffen uitdeelingen
van naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschap-
pen op aandeelen, coöperatieve en andere vereenigingen, on-
derlinge verzekeringmaatschappijen en reederijen of uitdeeling
van winstaandeelen aan buitenslands gevestigde vennooten, of
wel buitenslands gevestigden, die hier te lande geene vaste
inrichtingen, kantoren of in Nederland gevestigde vertegen-
woordigers hebben; voorts wanneer blijkt, dat de belasting-
schuldige het Rijk met. der woon wil verlaten, met wegvoering
der meubelen."
Aan het slot van art. 15 worden de volgende leden toe-
gevoegd :
„Met afwijking van het in het tweede lid van dit artikel
bepaalde kunnen voor zooveel de belasting op bedrij fs- en
andere inkomsten betreft, verzet en terugvordering nimmer de
hoegrootheid van den aanslag of de bepaling van inkomsten,
vermogen, uitkeeringen of uitdeelingen van den aangeslagene
betreffen, noch gegrond zijn op het niet ontvangen van aan-
slagbiljet, waarschuwing of aanmaning.
„Terugvordering van betaalde belasting op bedrijfs- en andere
-ocr page 253-
Hoofdstuk VI. — .Art. 58.                       243
inkomsten heeft plaats bij dagvaarding van den Minister van
Financiën voor de arrondissements-rechtbank, tot welker gebied
het ontvangkantoor behoort. De dagvaarding wordt beteekend
aan den ontvanger van dit kantoor."
Art. 17 is ten deze niet van toepassing.
§ 2. In de considerans en in de artt. 1 en 2 der wet van
18 September 1852 (Staatsblad n°. 177), wordt in plaats van:
„en het regt van patent" en „en het patentregt" gelezen: „en
de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten."
§ 3. In de wet van 4 April 1870 {Staatsblad n». 60), ver-
vallen in de considerans en in de artt. 2 en 3 de woorden:
„of het regt van patent", in art. 1 de woorden: „en art. 28,
eerste zinsnede, der wet op het regt van patent van 21 Mei
1819 (Staatsblad n°. 34)".
§ 4. Yoor aanslagen betreffende het recht van patent over
het dienstjaar 1893 — 1894 en vroeger, blijven echter de in dit
artikel gewijzigde bepalingen van kracht.
I. De tijdsbepaling van art. 12 § 2 voor de uitreiking der be-
schrijvingsbiljetten, is als een uiterste termijn te beschouwen,
waarvan slechts gebruik moet worden gemaakt ten aanzien van
hen, wier belastingplichtigheid voor de vermogensbelasting of de
mate dier belastingplichtigheid, niet vóór dien tijd bij den Inspec-
teur der registratie vaststaat. Voor het groote meerendeel der
belastingplichtigen echter, van wie reeds dadelijk bekend is, dat
zij niet in de termen der vermogensbelasting vallen, zal die uit-
reiking veel vroeger kunnen plaats hebben en zullen dus ook de
aanslagbiljetten vroeger kunnen zijn uitgezonden dan men, alleen
lettende op bovenstaande tijdsbepaling, zou verwachten. Dit neemt
niet weg, dat zelfs de aanslagen dezer personen niet kunnen zijn
vastgesteld, althans de aanslagbiljetten niet uitgereikt vóór den
tijd, waarop de eerste der betalingstermijnen bedoeld bij het
2° lid van art. 8 der wet van 22 Mei 1845 (Stbl. n°. 22) vervalt
en dat dus eene andere regeling dier termijnen noodig is. Daarom
werd een stelsel van vijf termijnen aangenomen, waarvan de eerste
vervalt den laatsten Augustus en de volgende telkens twee maanden
later, behoudens eene bijzondere regeling voor de aanslagen op
suppletoire kohieren. Terwijl volgens de wet van 1845 op 1° Ja-
nuari anders reeds 7/10 der belasting invorderbaar is, zal dit thans
ten opzichte van de bedrijfsbelasting met slechts 3/5 het geval
zijn en daar in den regel de aanslagbiljetten vóór het vervallen
van den eersten termijn in handen der belastingschuldigen zullen
komen, schijnt het voor deze te minder bezwaarlijk, dat de be-
lasting in twee-maandelijksche termijnen invorderbaar zal zijn,
wijl het hun ook voor deze belasting vrij blijft staan, om gedeel-
telijke betalingen te doen op rekening of in mindering der door
hen verschuldigde bedragen.
-ocr page 254-
244                  Hoofdstuk VI. — Artt. 58 — 60.
2.     Aan het verlangen in het Voorl. Verslag uitgedrukt, om
den voorrang aan den fiscus in art. 12 der wet van 1845 toe-
gekend, te doen vervallen, gaf de Minister niet toe, omdat al
kon die bepaling bij de vermogensbelasting worden gemist, bij de
bedrijfsbelasting dit geenszins het geval is, met het oog op de
veel talrijker groep van personen uit allerlei kringen, waartoe
zich deze wet uitstrekt, want zeer dikwijls zal weinig beslagbaar
vermogen aanwezig zijn.
Voor de loslating van dit privilegie bestond te minder aan-
leiding, nu volgens art. 40 ook in geval van faillissement de ge-
legenheid zal openstaan, om, zoo daarvoor termen zijn, vermin-
dering van den aanslag te erlangen, a)
Eveneens hechtte de Minister aan het behoud der bijzondere
beslaglegging onder derden in art. 7 b) en aan art. 16 der ge-
noemde wet van 1845.
Dit laatste artikel is het eenige middel, om te beletten, dat door
verzonnen overeenkomsten, omtrent overdracht van meubelen, het
verhaal der belasting op belastingplichtigen, die geen vermogen
bezitten, onmogelijk wordt gemaakt.
a)    In antwoord op het Voorl. Verslag der Eerste Kamer wees de
Minister er nog op, dat indien den Staat geen privilegie werd» ver-
leend, zijn positie als belastingheffer veel ongunstiger zou zijn dan die
• van eenen schuldeischer tegenover zijne debiteuren. Deze zijn tot het
verleenen van het krediet niet verplicht en kunnen dus in tijds de
noodige maatregelen nemen.
b)    Ten aanzien van het algemeen executoriaal beslag onder derden
vergelijke men art. 475 van het Wetb. van Burg. Rechtsvord.
3.    De aanvulling van art. 15 der wet van 1845 komt in
hoofdzaak overeen met het bepaalde bij art. 42 der wet op
de vermogensbelasting. Stilzwijgend is thans uitgemaakt, dat
verzet en terugvordering tegen de wettigheid van den aanslag
kunnen zijn gericht. Verder wordt eene bestaande leemte aan-
gevuld met betrekking tot de terugvordering van betaalde be-
lasting.
Het middel van inlegering in art 17 der wet van 1845 ge-
noemd, is tengevolge van een amendement van den heer Levy,
overgenomen door den Minister, voor de invordering van bedrijfs-
belasting niet toegelaten.
Art. 59. Onder vroegere belastingjaren worden in deze wet
ook verstaan tijdperken * van twaalf maanden, beginnende 1
Mei en eindigende 30 April, voorafgegaan aan 1 Mei 1894.
Art. 60. De heffing dezer belasting vangt aan op 1 Mei 1894.
Behoudens het bepaalde bij § 4 van art. 58, vervalt op dat
tijdstip de wet van 21 Mei 1819 (Staatsblad n°. 34), gewiïzigd
bij die van:
6 April 1823 (Staatsblad n». 14),
16 Juni 1832 ( „
         „ 30),
24 April 1843 ( „         „ 16), ,
-ocr page 255-
Hoofdstuk VI. — Abt. 60.
245
22 April 1852 (Staatsblad n°. 61),
8 Mei 1869 ( „          „ 77),
17 April 1887 ( „         „ 64).
Lasten en bevelen, enz.
1.    Met het oog op verschillende bepalingen bleek het wen-
schelijk, otn niet het in werking treden der wet, maar den aan-
vang der heffing van de belasting tot 1° Mei 1894 te verschuiven.
De wet zelve verbindt dus sedert 27 October 1893, den twintig-
sten dag na hare afkondiging, a)
a) Een door don heer Gerritsen voorgesteld amendement was van
dezelfde strekking als destijds bij de behandeling der vermogensbe-
lasting door den heer Bahlmann c.s. werd voorgesteld, n. 1. om de wet
in werking te doen treden op een nader bij de wet te bepalen tijdstip.
De voorsteller grondde zich daarbij op een drietal overwegingen: lo.
de moreele onbevoegdheid der Kamer, om in het gezicht eener voorge-
dragen kieswetregeling te besluiten tot de invoering eener wet, die
zoo diep ingrijpt in het volksleven; 2°. op den zwaren druk der be-
drijfsbelasting, zoolang de personeele belasting niet is herzien en 3o.
dat de nieuwe belasting ter vervanging van de patentwet voor vele
neringdoenden een finantiëel nadeel zal opleveren. De Minister stond
er echter op, dat die invoering zoo spoedig mogelijk zou plaats hebben,
omdat met de vermogensbelasting slechts half werk zou zijn geleverd,
indien de bedrijfsbelasting als het complement er niet naast kwam te
staan, terwijl eene herziening der personeele belasting door de niet-in-
voering niet zou worden bevorderd. De Kamer schaarde zich aan \'s
Ministers zijde en verwierp het amendement met 53 tegen 25 stemmen.
2.     Wij maken hier nog kortelijk melding van een paar bepa-
lingen van transitoiren aard, waarvan de opneming in de wet
werd beproefd. Het eene amendement kwam van de Commissie
van Kapporteurs en luidde:
„Tot op het tijdstip, dat de wet op de personeele belasting
van .... zal zijn herzien, wordt op de belasting, verschuldigd
volgens deze wet, voor de belastingplichtigen, die in de personeele
belasting voor de drie eerste grondslagen zijn aangeslagen en
wier zuivere inkomsten, berekend volgens artt. 2 en 3 dezer wet
en voor zoover zij in de vermogensbelasting zijn aangeslagen,
vermeerderd met 4 pet.\'van hun vermogen, niet meer bedragen
dan ƒ4500, eene reductie toegestaan van 2 pet. van elke ƒ100,
die de zuivere inkomsten blijven beneden ƒ4500 per jaar, met
dien verstande, dat deze reductie nimmer meer dan 40 pet. zal
bedragen."
Tegen de aanneming van dit amendement verzette zich echter
de Minister, omdat daardoor het verband met de vermogensbelas-
ting zou worden verbroken, want, is het noodig, onder omstan-
digheden, rekening te houden met het verband tusschen personeele-
en bedrijfsbelasting, dan achtte de Minister\' het evenzeer noodig
dat verband vast te houden bij de vermogensbelasting.
Daar verder ook de verlaging der tarieven onder art. 9 ten-
gevolge van de aanneming van een amendement van den heer
Goeman Borgesiüs, der schatkist naar globale schatting op ruim
6 ton kwam te staan, mocht de Minister zich des te sterker
kanten tegen het voorstel der Commissie, welke ook verder niet aan-
-ocr page 256-
Hoofdstuk VI. — Art. 60.
246
drong op de behandeling van haar amendement, doch zich aan-
sloot bij een door den heer Pytteesen voorgesteld sub-amende-
ment van eene meer beperkte strekking in het verleenen van
reductie. De Kamer verwierp intusschen dit sub-amendement met
43 tegen 30 stemmen.
Het andere voorstel kwam van den heer Conrad en luidde:
«Voor belastingplichtigen, die op het oogenblik van de invoe-
ring der wet inkomsten, als bedoeld in art. 4 § 1, eerste lid, ge-
nieten tot geen hooger bedrag dan van ƒ3000 in het jaar, wordt,
voor de toepassing dezer wet, het zuiver bedrag van zoodanige
inkomsten berekend met inachtneming van den regel, dat van
pensioenen, wachtgelden en lijfrenten met afwijking van het be-
paalde bij art. 3 § 7, de eerste ƒ1500; en van de overige in-
komsten, bedoeld in art 4 § 1, eerste lid, de eerste ƒ1000 tegen
50 pet. van hun bedrag worden in rekening gebracht."
«Stijgt later het bedrag hunner inkomsten, als bedoeld bij art. 4
§ 1, eerste lid, boven dat van ƒ3000 in het jaar, zoo vervalt de
toepasselijkheid van den hier gestelden regel."
Met dit amendement beoogde de voorsteller den nieuwen last, die
door deze wet zal worden gelegd op de schouders van hen, die
moeten leven van vaste traktementen, enz. tot zekere hoogte eenigs-
zins te verlichten en hij deed dit met des te meer vertrouwen,
omdat de bedoelde categorie van personen inkomsten genieten,
welke voor nauwkeurige controle vatbaar zijn, in tegenstelling met
hen, die wisselvallige inkomsten genieten uit bedrijven, enz.
Het amendement werd echter door den Minister nadrukkelijk be-
streden, omdat het niet te verdedigen zou zijn, hen, die dag- en week-
loonen of percentsgewijze belooning genieten van de gunstige bepa-
ling uit te zonderen en de voorsteller, de kans op aanneming van zijn
amendement niet groot achtende, trok dit daarna in.
3. Het voorstel van den heer Lbvy, om in de wet eene slot-
bepaling op te nemen, waarin de vrijheid van uitoefening van
handel, bedrijf, enz. zou worden gewaarborgd, laten wij hier buiten
bespreking, als van minder belang in eene uitgave der wet, voor
praktisch gebruik bestemd.
N.B. In de Mem. van Toelichting ad art. 23 schreef de Mi-
nister, dat het woord «belastingschuldigen" wordt gebezigd
voor saangeslagenen", terwijl het woord «belastingplichtigen"
doelt op hen, die, ofschoon aan de belasting onderworpen, nog
niet zijn aangeslagen. Het komt ons echter voor, dat aan dit
onderscheid in den tekst der wet niet bijzonder streng de
hand is gehouden. Ook in de aanteekeningen hebben wij er
bijgevolg minder aan gehecht.
-ocr page 257-
B IJ L A G E A.
INSTRUCTIE tot uitvoering der wet van 2
October 1893 (Stbl. n°. 149, Verz. n°. 93),
tot heffing eener belasting op bedrijfs-
en andere inkomsten, vastgesteld bij res.
van 27 Febr. 1894, n°. 43 (Verz. n°. 21).
§ 1. In tegenstelling met het bepaalde bij art. 19 § 3 der
wet, worden in deze instructie, overal waar van commissiën
van aanslag sprake is, alleen die bedoeld, welke genoemd zijn
in art. 19 §§ lfr en 2.
I. Voorbereidende werkzaamheden.
§ 2. De controleurs richten er hunne bezigheden zooveel
mogelijk naar in, dat zij in het begin van November een aan-
vang kunnen maken met de voorbereiding der werkzaamhe-
den betreffende de belasting op bedryfs- en andere inkomsten
voor het volgend belastingjaar.
§ 3. Die voorbereiding omvat:
a.    het onderzoek, wie naar de bepalingen der bovenge-
melde wet belastingplichtig zijn te achten;
b.    de beoordeeling der vraag, welke beschrijvingsbiljetten
hun moeten worden uitgereikt.
Daarop kan dan te zijner tijd volgen, een en ander voor
zoover dit wenschelijk wordt geacht, eene voorloopige regeling
door het collegie van zetters der aanslagen van hen, aan wie
vermoedelijk geen biljet B zal worden uitgereikt, en eene voor-
loopige overweging door de commissie van aanslag, van het
vermoedelijk bedrag der bedrijfswinst van andere belasting-
plichtigen.
* § 4. Voor het onderzoek, wie belastingplichtig zyn te ach-
ten, gaan de controleurs te rade met:
a. de .registers van de personeele belasting, de aangiften
nopens het inwonen van personen niet tot het gezin behoo-
rende, bedoeld bij art. 30 § 3, vierde lid der wet op die be-
lasting en, in de eerste jaren, ook met de leggers voor het
patentrecht over 1893/94. Hierbij zij opgemerkt dat de leden
van het gezin, behoudens het bepaalde bij art. 2 § 5, elk uit
eigen hoofde belastingplichtig zijn voor inkomsten belastbaar
volgens de bepalingen der wet.
-ocr page 258-
248                           Bijlage A. — § 4.
b. de kadastrale leggers en andere gegevens betreffende de
huurwaarde van gebouwde eigendommen, voor bedrijf, beroep
of ambt gebezigd;
c de aanslagen in de plaatselijke inkomsten-belastingen,
waarbij in het oog is te houden, dat in gemeenten, waar het
belastbaar inkomen uit huurwaarde of andere grondslagen
wordt afgeleid, die raadpleging toch nut kan hebben voor den
aanslag van personen, die bij anderen inwonen;
d.    de staatsbegrooting, provinciale en de gemeenteverslagen
en andere offlciëele bescheiden betreffende traktementen, wacht-
gelden en pensioenen; opgaven van de van Rijkswege ver-
leende pensioenen en wachtgelden zullen door het Departement
van Financiën worden verstrekt.
Wanneer de controleur twijfelt, of iemand Rijkstraktement
geniet en hoeveel, of wel omtrent de daarop in aftrek te
brengen verplichte bijdragen voor pensioenen of fondsen, kan
hij, indien hij zich daarvan niet op andere wijze kan verge-
wissen, zich om inlichtingen wenden tot den betaalmeester of
anderen onder dat Departement ressorteerenden ambtenaar,
die met de uitbetaling is belast;
e.    de door de ambtenaren der registratie te verstrekken op-
gaven omtrent hjfrenten, uitkeeringen en verstrekkingen, ge-
noten of bedongen blijkens geregistreerde acten, aangiften of
bezwaarschriften wegens de vermogensbelasting of andere ge-
gevens;
f.    de staten, opgemaakt door de ontvangers der successie,
volgens art. 1 der resolutie van 9 December 1892 n°. 61 (Cir-
culaire n°. 1099) van personen, die niet in de vermogensbe-
lasting zijn aangeslagen. De controleur overlegt met den in-
specteur der registratie, op welke wijze de raadpleging van die
staten het best zal geschieden;
. g. de door de ontvangers der registratie te verstrekken
jaarlijksche opgaven van de door notarissen, griffiers en deur-
waarders verleden akten, gehouden veilingen en opgemaakte
scheidingen en van de geregistreerde akten van aanbesteding,
van het aangaan van maatschappen, vennootschappen en ver-
eenigingen en van huwelijksche voorwaarden, waarby de vrouw
zich het beheer harer roerende en onroerende goederen en het
vrije genot van hare inkomsten heeft bedongen;
h. de gegevens welke de ontvangers der invoerrechten en
accijnzen kunnen verstrekken omtrent ingeslagen, vervaar-
digde, verwerkte of uitgeslagen waren of grondstoffen en in
\'t algemeen omtrent den omvang van de zaken van hande-
laars, expediteurs, cargadoors en, anderen.
-ocr page 259-
Bijlage A. - §§ 4-5.                        249
t. de tarieven, circulaires en andere gegevens, welke om-
trent de winstgevendheid van sommige bedrijven licht kun-
nen geven.
§ 5. De controleur onderzoekt in welke gemeenten zijner
controle plaatselijke belastingen naar het inkomen worden ge-
heven en gaat, in overleg met den inspecteur der registratie,
na in hoever, ook ter besparing van kosten, voor de kennis-
neming van de aanslagen in die belastingen, gebruik kan wor-
den gemaakt van de opgaven door dien ambtenaar verkregen
ingevolge art. 30 der resolutie van 9 December 1892, n°. 61
(Circulaire n°. 1099).
Voor de daarin niet opgenomen aanslagen doet de controleur
aan den provincialen inspecteur, vóór een door dezen te be-
palen tijdstip, na overleg met den burgemeester, een voorstel
omtrent het vervaardigen van uittreksels uit de kohieren dier
belastingen over het loopende jaar, welke, naar\'zijne meening,
van nut kunnen zijn bij het regelen der belasting op bedrijfs-
en andere inkomsten.
Dat voorstel bevat eene raming der kosten en eene opgaaf
van de wijze waarop de uittreksels zullen worden vervaardigd
(bijv. ter secretarie der gemeente). Waar het kohier der plaat-
selrjke inkomstenbelasting in druk verkrijgbaar is, zal het in
den regel wenschelijk zijn, dat de controleurs zich een exem-
plaar daarvan en van de reglementen op de heffing dier belas-
ting op \'s Eijks kosten aanschaffen.
De provinciale inspecteur zendt de bij hem ingekomen voor-
stellen met zijn advies aan den Minister.
De uittreksels worden bij voorkeur in dier voege vervaar-
digd, dat zij, na bijwerking, ook in volgende jaren kunnen
worden gebruikt (b.v. gedurende 10 jaren). Materieel voor deze
uittreksels is op aanvrage bij het Departement van Financiën
verkrijgbaar. Omtrent de bijwerking wordt door den controleur
mede een voorstel gedaan.
De kosten voor het aanschaffen der reglementen en in druk
uitgegeven kohieren en het schrrjfloon voor het vervaardigen
en bijwerken der uittreksels worden door den ontvanger der
directe belastingen over de standplaats van den controleur,
tegen door den controleur geviseerde quitantien, betaald en bij
zijn maandstaat in uitgaaf gebracht.
De reglementen, kohieren en uittreksels worden door den
controleur bewaard.
Hij stelt zich zoo goed mogelijk op de hoogte van de wijze,
waarop de aanslagen in de verschillende gemeenten plaats
hebben, bijv. of er gestreefd wordt naar eene juiste schatting
van ieders inkomen, dan wel, of de belasting in evenredigheid
daarvan wordt omgeslagen, (waarbij dat inkomen te laag kan
-ocr page 260-
250                        Bijlage A. - §§5-8.
zijn gesteld). Hij houdt aanteekening van de hieromtrent ver-
kregen inlichtingen.
§ 6. De controleurs houden voor ieder persoon of lichaam
in hunne controle, die belastingplichtig is, of die door hen ge-
acht wordt, belastingplichtig te zijn, een legger, derwijze in-
gericht, dat daarin gedurende vijf of tien jaar aanteekening
kan worden gehouden van de bestanddeelen van het belast-
baar inkomen of bedrag.
Voor de leggers wordt, naar gelang van de soort der be-
lastingplichtigen, gebezigd een der modellen, Bedrijfsbelasting
n°. 1 — 12. Zij strekken den controleurs tot een gemakkelijk
te raadplegen overzicht bij de regeling van den aanslag van
belastingplichtigen en de beoordeeling hunner aangiften en
tevens als middel, om te voorkomen dat belastingplichtigen
worden overgeslagen.
De bewerking der leggers splitst zich in twee deelen. Vóór
den aanvang van het belastingjaar heeft daarin, zooveel mo-
gelijk, de inschrijving plaats van al wat, volgens de in § 4
vermelde of andere gegevens, kan dienen als hulpmiddel bij de
regeling van den aanslag.
Na afloop der aanslagsregeling wordt in de leggers opgenomen
hetgeen uit de aangiften en bij den aanslag of de behandeling
van bezwaarschriften, omtrent de inkomsten van den belas-
tingplichtige bekend is geworden. Voor zoover aanslagen ambts-
halve zijn tot stand gekomen of wel met globale aangiften
van winsten en belooningen genoegen is genomen, geven de
controleurs zich zooveel mogelijk rekenschap van de juistheid
van den aanslag, door in den legger de aangegeven of begroote
inkomsten, zooveel mogelijk met medewerking der collegiën
van zetters of der commissiën van aanslag, naar hare ver-
schillende bronnen te splitsen.
§ 7. Wanneer tusschen echtgenooten scheiding van goede-
ren bestaat, of de vrouw, krachtens art. 195 van het Burgerlijk
"Wetboek, zich het beheer van hare roerende en onroerende
goederen en het vrije genot van hare inkomsten heeft be-
dongen, wordt in den eenen legger naar den anderen verwezen.
Onverminderd het bepaalde in de eerste zinsnede der vo-
rige paragraaf, wordt voor bij den aanvang van het belasting-
jaar overleden personen, die meer dan één erfgenaam nalieten,
de legger als hulpmiddel voor de regeling van den aanslag der
erfgenamen bijgehouden, zoo lang de nalatenschap niet is ver-
deeld.
§ 8. De leggers worden door de controleurs voor elke ge-
meente hunner controle gerangschikt in alphabetische volgorde
(op twee letters) of in de volgorde der huisnummers, in welk
-ocr page 261-
Bijlage A. - §§ 8 — 11.                       251
geval eene alphabetische naamlijst (mede op twee letters) moet
worden aangelegd en bijgehouden.
Zij worden bewaard in door van Rijkswege op aanvrage te
verstrekken doozen of portefeuilles. Waar het getal leggers
het aanschaffen eener kast noodig maakt, kan daartoe een
voorstel worden gedaan.
De buiten gebruik gestelde leggers, betreffende personen of
lichamen, die niet meer belastingplichtig zijn, worden in af-
zonderlijke doozen of portefeuilles geborgen.
§ 9. Bij de leggers worden bewaard de daarbij behoorende
bescheiden, als daar zijn:
de staatscouranten, waarin de Koninklijke besluiten tot goed-
keuring van statuten van naamlooze vennootschappen of ver-
eenigingen of wijzigingen daarvan, zijn opgenomen, of waarin
krachtens art. 5 der wet van 17 November 1876 (Staatsblad
n°. 227) de acten van oprichting van coöperatieve vereenigingen
zijn openbaar gemaakt; exemplaren dier couranten worden
hiertoe aan de controleurs op hunne aanvrage verstrekt;
de bescheiden welke ingevolge het bepaalde bij art. 45 der
wet zijn ingekomen;
de aanteekeningen, in gevallen waarin de inspecteur der
registratie geene voldoende inlichtingen kan geven, door de
controleurs genomen bij inzage van acten, ingeschreven ter
griffie der arrondissements-rechtbank of van het kantongerecht;
de aangiften der twee laatste jaren, en voorts alle bescheiden,
die kunnen strekken tot toelichting.
§ 10. De controleurs leggen jaarlijks een register aan van
in hunne controle gevestigde firma\'s (Bedrijfsbelasting n°. 13),
waarin worden vermeld de namen en woonplaatsen der hoof-
delijk aansprakelijke vennooten. Daarin wordt tevens aange-
teekend, of de firma commanditaire vennooten heeft, en zoo
ja, hetgeen den controleurs nopens naam en woonplaats dezer
laatsten ter kennis mocht komen.
Dit register wordt elk jaar, zoo noodig ook door middelvan
briefwisseling met andere controleurs, aangezuiverd door daarin
te vermelden de volgnommers der aanslagen van elders geves-
tigde ondernemingen of elders wonende belastingplichtigen,
vennooten, bestuurders en commissarissen van vennootschappen,
enz., of de reden, waarom geen aanslag heeft plaats gehad.
In dit register worden niet vermeld firma\'s, die slechts door
één persoon gevoerd worden, tenzij is aan te nemen, dat men
met een tij delijken toestand te doen heeft.
§ 11. Bij verhuizing van een belastingplichtige en bij ver-
legging van het kantoor eener firma of van den zetel van een
-ocr page 262-
252                      Bijlage A. - §§ 11-12.
aan de belasting onderworpen lichaam naar eene andere con-
tröle, zendt de controleur den legger met de bijlagen of een
uittreksel uit het in § 10 vermeld register van firma\'s aan
den controleur over de nieuwe woonplaats of de plaats waar
de zetel gevestigd wordt.
De verzending van een en ander heeft plaats tusschen stevige
cartonbladen, zonder de stukken te vouwen en tegen ontvang-
bewijs.
De controleur deelt de verhuizing van belastingplichtige
personen mede aan den inspecteur der registratie over hunne
vorige woonplaats.
I. Voor de toepassing der wet van 27 September 1892 (Staatsblad
n°. 223, Verzameling 1893, n°. 90), is het wenschelijk, dat de amb-
tenaren van de registratie met de verhuizingen van belasting-
schuldigen bekend zijn.
Te dien einde behooren de ontvangers der directe belastingen
na den l»le" doch uiterlijk op den 5do" Augustus, November, Fe-
bruari en Juni aan den inspecteur of de inspecteurs der registratie
en domeinen, tot wier divisie hunne kantoren behooren, eene
opgaaf te zenden per gemeente van de namen der belastingschul-
digen, die blijkens het register van aangiften volgens art. 27, § 2,
der wet op de personeele belasting eene aangifte van verhuizing
hebben ingediend, met vermelding tevens van den datum, waarop
die verhuizingen hebben plaats gehad en de nieuwe adressen van
de belastingschuldigen.
Ees. 3 Maart 1894, n°. 4 (Verz. n°. 24).
§ 12. Wat betreft de vraag, of iemand vermogen bezit, en
voor zooveel dit op zijn aanslag in de bedrijfsbelasting van
invloed kan zijn, hoeveel, gelden de volgende voorschriften:
Voor vermogens beneden f 13000, treedt de controleur met
den inspecteur der registratie in overleg over het onderzoek,
waaraan de biljetten A, in welke zoodanig vermogen is opge-
geven, of naar zijne meening opgegeven moest zijn, volgens
§ 4/1 zullen worden onderworpen.
Van de personen, die in de vermogensbelasting zijn aange-
slagen, zendt de inspecteur der registratie den controleur, zoo mo-
gelijk twee of drie maanden vóór den aanvang van het dienstjaar,
eene lijst, waarop achter de namen, met de letters a, &ofc, door
eerstgenoemden,wordt aangeduid, of die personen zijn aangeslagen:
voor vermogens van f 13000 of f 14000;
voor vermogens van f 15000 tot en met f 200000;
voor vermogens boven de f 200000.
De controleur zendt de lijst, na van den inhoud aanteekening
te hebben genomen, aan den inspecteur der registratie terug,
opdat deze hem kennis kunne geven van de veranderingen,
welke tijdens de regeling voor het nieuwe dienstjaar, in de
aanslagen worden gebracht.
-ocr page 263-
Bijlage A. - §§ 12-15.                         253
Geeft het gebruik van een en ander den controleur, bij de
beoordeeling van iemands aangifte van bedrij fs- en andere in-
komsten, in verband met den uiterlijken staat van den belas-
tingplichtige, of om andere redenen, zoomede voor de toepas-
sing van art. 9 der wet, aanleiding, om opgave van diens
vermogen te verlangen, dan stelt hij den inspecteur der regis-
tratie de aangifte ter hand, opdat deze hem omtrent dat ver-
mogen inlichte, en zich vóór de behandeling van den aanslag
in de vergadering der commissie van aanslag kunne voorbe-
reiden.
Men zij er op bedacht, dat, zoolang de belastbare opbrengst
der gebouwde eigendommen niet is herzien, het gepresumeerd
inkomen uit vermogen, mede tengevolge van art. 7 A en 51
der wet op de vermogensbelasting van 27 September 1892
(Staatsblad n°. 223), niet onbelangrijk van het werkelijke kan
verschillen, zoodat 4 ten honderd van het vermogen, waarvoor
iemand in de vermogensbelasting is aangeslagen, niet altijd
overeenkomt met het bedrag der inkomsten, dat hij uit zijn
vermogen geniet.
§ 13. Tot het verkrijgen van inlichtingen omtrent onder-
nemingen in de koloniën, wendt de controleur zich tot den
inspecteur der registratie en zoo deze hem die niet kan ver-
schaffen, tot den Minister.
Voor inlichtingen omtrent belastingplichtigen, bedoeld bij
art. ld der wet wendt hij zich rechtstreeks tot den Minister.
§ 14. Alvorens de voorstellen tot aanslag aan het oordeel
van het collegie van zetters of de commissie van aanslag te
onderwerpen, moet de controleur, gebruik makende van de
hem ten dienste staande middelen, trachten de regeling zoo
volledig mogelijk te maken en zich vóór de te houden verga-
deringen te voorzien van de noodige gegevens om zyne voor-
stellen toe te lichten en te verdedigen.
Dat hij daartoe aanvankelijk niet volkomen in staat zal zijn,
ontlast hem niet van den plicht, er reeds dadelijk naar te
streven, de grondslagen te leggen, waarop met vrucht kan
worden voortgebouwd.
§ 15. Ten einde reeds vooraf inlichtingen te verkrijgen voor
de aanslagsregeling in het volgende dienstjaar kunnen de voor-
zitters der collegiën van zetters en der commissiën van aan-
slag eene of meer voorloopige vergaderingen beleggen. Zullen
deze vergaderingen, waarvan het aantal, wegens de kosten,
zooveel mogelijk moet worden beperkt, (verg. § 46) de ge-
wenschte vruchten opleveren, dan behoort de voorzitter zich
vooraf rekenschap te geven van de bijzonderheden, welke in
-ocr page 264-
254                          Bijlage A. - § 15.
de vergadering van het collegie of de commissie zullen wor-
den behandeld.
Het collegie van zetters kan zich al dadelijk bezig houden
met de voorloopige begrooting van het belastbaar inkomen der
ingezetenen, aan wie vermoedelijk geen biljet B zal worden
uitgereikt en wier belastingplichtigheid niet betwijfeld wordt,
wel te verstaan, voor zoover hun toestand het collegie genoeg
bekend is, om, in afwachting van het door hen in te dienen
biljet A, ongeveer de mate hunner belastingplichtigheid te be-
palen.
Voor deze personen, niet aangeslagen in de vermogensbe-
lasting, zal, in den regel, het geheele vermoedelijk inkomen
als maatstaf voor de toekomstige belasting worden genomen,
daar toch in deze gevallen, de aftrek voor vermogen aange-
legd als bedrijfskapitaal, gewoonlijk zal worden opgewogen
door den bijslag bedoeld bij art. 2 § 2.
Voorloopige aanslagsregeling kan door de commissie van
aanslag, bij gebreke der aangifte van winsten en belooningen,
niet plaats hebben. Niettemin kan ook door haar voorloopig
reeds nuttige arbeid worden verricht, door vaststelling van
het vermoedelijk bedrijfsinkomen van vele belastingplichtigen
wier bedrijf door haar met dat van anderen kan worden ver-.
geleken. Daarvoor is echter noodig, dat de controleur lijsten
ter tafel brenge van personen, die hetzelfde bedrijf, beroep of
ambt binnen den werkkring der commissie uitoefenen, gerang-
schikt naar hun hoofdbedrijf of beroep. Deze lijsten vermelden
het bedrag der bekende of vermoedelijke bedrijfswinst of be-
looning in het belastbaar inkomen dier personen over hetioo-
pend belastingjaar begrepen. Het daarvoor te bezigen materieel
is opgenomen in de serie Bedrijfsbelasting, onder n°. 14.
De controleurs bepalen, in overleg met den provincialen in-
specteur, voor welke bedrijven, beroepen of ambten dergelijke
lijsten, afzonderlijk ten dienste van het collegie van zetters
en van de commissie van aanslag, zullen worden aangelegd
en bijgehouden.
Deze of dergelijke lijsten kunnen, waar dit te pas komt,
tevens dienstbaar gemaakt worden aan eene voorloopige be-
spreking met de adviseurs.
Vóór den aanvang van het belastingjaar 1894/5 worden,
ten gebruike bij de aanslagsregeling, voor dat jaar, lijsten aan-
gelegd, waarin vermeld worden de patentplichtigen over het
dienstjaar 1893/4, die binnen den werkkring der commissie
hetzelfde bedrijf, beroep of ambt uitoefenen en geacht worden
belastingplichtig te zijn voor de bedrij fsbelasting; hiervoor kan
gebruik worden gemaakt van het elementregister, Patenten
n°. 13, voor de patentplichtigen vermeld in de tabellen IV, V,
-ocr page 265-
Bijlage A. - §§ 15-17.                         255
VI en XIV, terwijl voor andere belastingplichtigen lysten op
dien voet kunnen worden samengesteld.
§ 16. In groote middelpunten van handel of nijverheid doen
de provinciale inspecteurs, in overleg met de controleurs, aan
den Minister voorstellen tot benoeming, telkens voor vier ja-
ren, van adviseurs voor een bepaalde gemeente of groep van
gemeenten, (art. 19 §§ 4 en 8).
De voorzitters kunnen, wanneer zij dit noodig oordeelen,
de adviseurs raadplegen over de vermoedelijke inkomsten van
een of meer belastingplichtigen of wel over de vermoedelijke
bedrijfswinst van belastingplichtigen, die in de gemeente of
de groep van gemeenten, waarvoor de adviseurs benoemd zijn,
hetzelfde bedrijf, beroep of ambt uitoefenen. In laatstbedoeld
geval kunnen de voorzitters hun lijsten voorleggen, als bedoeld
in § 15, doch houden hierbij in het oog, dat de wet niet toe-
laat den adviseur inzage te geven van aangiften van winsten
en belooningen, van opgaven aan die aangiften ontleend of
van gegevens, waaromtrent hun ambtshalve geheimhouding is
opgelegd. Overigens verschaffen zij dezen alle inlichtingen, die
kunnen strekken, om het te plegen overleg zoo vruchtbaar
mogelijk\'te maken.
In gemeenten, waar meer dan eene commissie van aanslag
gevestigd is, wordt een harer voorzitters door den Minister,
op voorstel van den provincialen inspecteur, aangewezen om
als voorzitter op te treden van de in gemeld artikel bedoelde
vergaderingen van adviseurs, in de zeldzame gevallen, waarin
raadpleging der gezamenlijke adviseurs noodig mocht zijn.
Deze bespreekt alsdan ook de aanslagen van personen of
lichamen, welke geregeld moeten worden door andere commis-
siën dan waartoe hij behoort, tenzij nuttig wordt geoordeeld,
dat de vergadering wordt bijgewoond door voorzitters der andere
commissiën in de gemeente.
§ 17. Gelijktijdig met het aanleggen van bovenbedoelde
leggers maken de controleurs een aanvang met de samenstel-
ling der lijsten, (Bedrijfsbelasting n°. 15), van personen en
lichamen, die door hen geacht worden belastingplichtig te zijn,
en aan wie beschrijvingsbiljetten moeten worden uitgereikt,
(art. 12 § 2).
Bij dit werk, waarbij zoo noodig, de lijsten der huisnummers
bij het gemeentebestuur of b\\j de wijkbesturen aanwezig, kun-
nen worden geraadpleegd, zij hun de meeste zorgvuldigheid
aanbevolen, opdat geene belastingplichtigen door hen worden
overgeslagen. •
Personen of lichamen, omtrent wier belastingplichtigheid
twyfel bjj hen bestaat, worden door de controleurs afzonderlijk
-ocr page 266-
Bijlage A. - §§ 17-19.
256
opgeteekend tot nader onderzoek om, naarmate dit onderzoek
vordert, op die lijsten te worden overgebracht.
II. Beschrijving.
§ 18. Tegen den tijd, krachtens art. 13 § 1 der wet voor
de uitreiking der biljetten bepaald, onderwerpt de controleur de
lijsten van belastingplichtig geachte personen en lichamen
(Bedrij fsbelasting n°. 15), mede met het oog op de hem inmid-
dels bekend geworden verhuizingen, van welke hij den Inspec-
teur der registratie kennis geeft, aan een nieuw onderzoek en
teekent daarop aan, welke biljetten aan elk hunner moeten
worden uitgereikt.
I. Verg. de aant. op § 11.
§ 19. De controleur maakt voor ieder persoon of elk lichaam,
in bovenbedoelde lijsten vermeld, een of meer der in art. 12
§ 1 genoemde beschrijvingsbiljetten gereed. Het hoofd van
het formulier wordt daartoe ingevuld, behalve de verwijzing
naar het register van aanslagen, welke later plaats heeft. Ook
wordt op de voorzijde van het biljet de dagteekening der uit-
reiking vermeld, met doorhaling der zinsnede welke daarbij
niet te pas komt. Met het oog op de aan de belastingplich-
tige toegekende termijnen, zorge men er voor geen dagteeke-
ning op de biljetten te vermelden, waarop de uitreiking nog
niet kan plaats hebben.
De biljetten worden met een omslag voor de terugbezorging,
gesloten in een daarvoor, mede van Kijkswege, verstrekten
omslag, en met een voor uitgifte geteekend en gedagteekend
afschrift der lijsten, als dienstbrief of dienstpakket, aan den
ontvanger ter uitreiking gezonden.
Aan belanghebbenden wordt op hunne aanvrage kosteloos
een dubbel van de aan hen uitgereikte biljetten verstrekt.
I.    I. Het bepaalde bij het tweede lid van § 19 I. B. moet niet
worden opgevat, alsof de omslagen voor de uitreiking der be-
schrijvingsbiljetten moeten zijn dichtgemaakt. De omslag, welke
die biljetten met de bijlagen omvat, wordt open aan den Ontvan-
ger gezonden.
II.  Omslagen met beschrijvingsbiljetten, die gesloten ten kan-
tore des Ontvangers terugkomen, worden door hem ongeopend
gezonden aan den Inspecteur.
Blijkt bij de inlevering niet, van wien de omslag afkomstig is
en kan dus het bepaalde bij § 32 der instructie niet worden op-
gevolgd, dan schrijft de Ontvanger de dagteekening der terug-
ontvangst in op eene door hem aan te leggen lijst en teekent
die dagteekening en het volgnommer dier lijst aan op den om-
slag. De Inspecteur vermeldt dan die dagteekening in zijne lijst
(Bedrijfsbelasting n°. 15) en geeft den Ontvanger tot aanvulling
zijner beschrijvingslijst spoedig kennis van den naam van den
-ocr page 267-
Bijlage A. - §§ 19-23.                      257
belastingplichtige, wiens aangifte in den genommerden omslag is
aangetroffen. De Ontvanger verwijst daarbij naar de kennisge»
ving van den Inspecteur.
III. Bij inlevering van beschrijvingsbiljetten anders dan in ge-
sloten omslag, wordt aan de belanghebbenden, die dit verlangen,
een ontvangbewijs afgegeven, waarvoor een formulier wordt op-
genomen in de serie Bedrijfsbelasting n°. 16a.
Ees. 17 Mei 1894, n°. 37 (Verz. n». 48).
§ 20. De ontvanger verricht de beschrijving zooveel moge-
lijk in persoon. "Waar hij dit niet of niet geheel kan doen,
draagt hij die bij schriftelijke machtiging op aan geschikte
personen, daartoe, op zijne voordracht, voor bepaalde gemeenten
of voor gedeelten van gemeenten aangewezen door den pro-
vincialen inspecteur.
In de eerste plaats worden daartoe deurwaarders der directe
belastingen en boekhouders of klerken van den ontvanger voor-
gedragen.
Waar de ontvanger slechts een deel der beschrijving in per-
soon verricht, wordt er op gelet, dat dit elk volgend jaar in
eene andere gemeente of in een ander deel der gemeente plaats
hebbe, opdat hij na een bepaald getal jaren zijn geheelen
dienstkring zal hebben bezocht.
§ 21. De in de vorige paragraaf bedoelde voordracht wordt
uiterlijk 1 April bij den controleur ingezonden en door dezen
met zijn advies aan den provincialen inspecteur vóór 15 April
ingediend.
Indien de provinciale inspecteur de voorgedragen personen
niet geschikt acht, geeft hij dit den ontvanger te kennen, op-
dat deze tijdig eene nadere voordracht kunne inzenden. Een
en ander door tusschenkomst van den controleur.
Aanwijzing van andere rijksambtenaren dan deurwaarders
der directe belastingen, boekhouders of rijksklerken of van ge-
meente-ambtenaren, geschiedt niet dan bij gebreke van andere
personen en na vergunning van den Minister van Financiën
te hebben verkregen. Deze vergunning wordt niet verleend,
wanneer bij de aanvrage niet blijkt, dat bij den tak van dienst,
waarbij de ambtenaar werkzaam is, tegen zijne aanwijzing
geen bedenking bestaat.
§ 22. Het staat den gemachtigde niet vrij, voor bijstand in
de invulling van biljetten of het geven van inlichtingen, van
den aangever belooning, in welken vorm ook, aan te nemen.
§ 23. Indien de ontvanger niet de geheele beschrijving ver-
richt, maakt hij voor zich en elk zijner gemachtigden uittrek-
sels uit de volgens § 19 van den controleur ontvangen lijsten.
17
-ocr page 268-
Bijlage A. - §§ 23-27.
258
Deze uittreksels worden door hem, met vermelding van dag-
teekening, voor uitgifte afgeteekend.
Wordt de beschrijving geheel door gemachtigden verricht,
dan worden voor eiken gemachtigde een of meer zoodanige uit-
treksels opgemaakt.
§ 24. De beschrijver, hetzij de ontvanger zelf of zijn ge-
machtigde, reikt de op de lijsten of de volgens § 23 gemaakte
uittreksels dier lijsten voorkomende biljetten aan de daarin
aangewezen personen of lichamen uit.
Blijkt daarbij:
a.  dat op de lijsten of op de uittreksels daarvan namen van
personen of benamingen van lichamen onjuist zijn vermeld;
b.  dat daarop personen of lichamen ontbreken, aan wie naar
zyn gevoelen biljetten moeten worden uitgereikt, of wel, dat
daarop personen of lichamen voorkomen, aan wie andere of
meerdere biljetten dan de daarop vermelde behooren te worden
bezorgd, dan zendt de ontvanger, met bijvoeging, waar dit
te pas komt, der biljetten, daarvan opgave aan den controleur,
die hem, zoo noodig, vervolglijsten met andere of nieuwe bil-
jetten zendt, om daarmede te handelen als hierboven is voor-
geschreven.
Blijkt het dat personen of lichamen niet meer aan de aan-
gewezen adressen te vinden zijn, dan tracht de ontvanger het
nieuw adres op te sporen. Van dat adres of wanneer de per-
soon of het lichaam in de gemeente of den kring van het
kantoor niet is op te sporen, geeft hij den controleur kennis,
die hiervan mededeeling doet aan den inspecteur der registratie.
§ 25. De beschrijving mag niet plaats hebben op zon- en
wettige feestdagen, noch vóór \'s morgens acht uur of nazons-
Ondergang.
§ 26. Indien de belastingplichtige of hij, die bevoegd is voor
hem aangifte te doen, verlangt de biljetten reeds dadelijk bij
de uitreiking ingevuld en onderteedend terug te geven, neemt
de beschrijver die, desgevorderd tegen bewijs, in ontvangst.
Beschrijvingsbiljetten, welke ingevuld en onderteekend ten
kantore worden bezorgd, worden op de aldaar berustende lijst
dadelijk afgeschreven.
§ 27. De beschrijvingsbiljetten voor een hier te lande wo-
nende worden uitgereikt aan zijne woning, die voor hier te
lande gevestigde lichamen aan hun kantoor of hoofdkantoor.
Houdt iemand, die belastingplichtig wordt geacht, of zijn
wettelijke vertegenwoordiger, buitenslands verblijf, dan wordt
het biljet of worden de biljetten bezorgd aan zjjne woning hier
-ocr page 269-
Bijlage A. - §§ 27-31.
259
te lande of bij dengene, die hier te lande zijne zaken waar-
neemt (art. 7, § 5); is dit niet mogelijk, dan wordt het biljet
of worden de biljetten door den ontvanger franco en aange-
teekend per post naar de buitenlandsche verblijfplaats ver-
zonden. De kosten van verzending worden het Rijk, op ge-
wone declaratie in duplo, in rekening gebracht.
Voor buitenslands gevestigden, die hier te lande een bedrijf
uitoefenen en daarvoor kantoren of andere vaste inrichtingen
bezigen, doch geen gemachtigde hebben, geschiedt de bezorging
daar ter plaatse.
§ 28. De beschrijver is, des verlangd, den aangever behulp-
zaam bij de invulling der biljetten en geeft hem, voor zoover
hij daartoe in staat is, de noodige inlichtingen. Desgevorderd
geeft de beschrijver voor elk teruggeven biljet een onderteekend
ontvangbewys af, inhoudende de soort en het nummer van het
biljet en den dag der terugontvangst. Voor invulling van het
ontvangbewijs, mag gebruik worden gemaakt van stempels en
van potlooden, waarmede onuitwischbaar schrift wordt ver-
kregen.
De ontvanger zorgt er voor, dat de beschrijver voorzien zy
van ontvangbewijzen (Bedrijfsbelasting n°. 16).
§ 29. Zoo spoedig mogelijk na het verstrijken van den in
art. 13 § 1, tweede lid, der wet gestelden termijn van twintig
dagen, gaat de beschrijver over tot het terughalen der uitge-
reikte biljetten, welke niet bij de uitreiking ingevuld en on-
derteekend zijn teruggegeven, of daarna ten kantore van den
ontvanger zjjn bezorgd.
Indien de beschrijver bij de terughaling biljetten B terug
ontvangt, ingevuld met .de in art. 14 § 3 bedoelde memorie-
aangifte, dan geeft hij, desverlangd, den aangever een of meer
formulieren voor eene nieuwe aangifte B en maakt daarvan
melding in zijne lijst.
Voor ten kantore bezorgde memorie-aangiften geldt het tweede
lid van §26.
§ 30. De ontvanger zendt de terugontvangen biljetten niet
de van eene gedagteekende afteekening voorziene lyst aan den
controleur. Zijn niet al de biljetten, op de lijst vermeld, in-
gekomen, dan teekent hij die daarop aan en zendt de achter-
gebleven biljetten, welke daarna bij hem inkomen, met eene
vervolglijst in.
§ 31. De ontvanger zendt den voorzitter de by hem inge-
komen:
a. aanvragen om een biljet B te ontvangen (art. 12 § 2
biljet B 1» d);
-ocr page 270-
260                      Bijlage A. - §§ 31-32.
b.  biljetten, ingevolge art. 12, laatste lid, verstrekt aan be-
lastingplichtigen, aan wie bij de beschrijving geene biljetten
waren uitgereikt;
c.  aangiften ter bekoming van biljetten bij aanvang van be-
lastingplichtigheid in den loop van het belastingjaar (art. 14
§4, eerste en tweede lid), (Bedrijfsbelasting n° 17);
d.  aanvragen ter bekoming van een biljet B, bij aanvang
van belastingplichtigheid in den loop van het belastingjaar,
(art. 14, § 4, derde lid, tweede zinsnede), (Bedrijfsbelasting n°. 17);
De aangever kan in de gevallen sub c en d volstaan met
eene schriftelijke aanvrage aan den ontvanger of het gemeente-
bestuur. Meldt hij zich daarvoor echter ten kantore of ten
raadhuize aan, dan is het verkieslijk voor de aanvrage boven-
gemeld model te bezigen.
De voorzitter geeft gevolg aan de onder b vermelde biljetten
door die op het register van aanslagen te brengen; aan de
aangiften en aanvragen onder a, c en d vermeld, door den
naam en het adres van hem voor wien de biljetten zijn aan-
gevraagd op de lijst te brengen en de aangevraagde biljetten
met het afschrift der lijst of der vervolglijst te zenden aan
den ontvanger ter uitreiking, of voor zooveel de onder een rf
vermelde aangiften of aanvragen betreft, ter verzending per
post. Zoodra de ontvanger die biljetten, ingevuld en onder-
teekend, van den aangever terug ontvangt, zendt hij die aan
den voorzitter.
Zijn echter voor de onder a, c en d vermelde aanvragen of
aangiften en voor de volgens art. 14, § 4, derde lid, ingekomen
biljetten, blijkens de door den ontvanger op de lijst gestelde
dagteekening van ontvangst, de termijnen niet in acht geno-
men, dan geeft de voorzitter aan zoodanige aangifte of biljet
geen ander gevolg, dan dat hij die overlegt aan het college
van zetters of de commissie van aanslag, wie het aangaat, om
daarop bij de regeling van den aanslag te letten.
§ 32. De beschrijver vermeldt dadelijk op de lijst nauw-
keurig den dag, waarop de uitreiking en de terugontvangst van
elk biljet plaats heeft, ten einde omtrent dit punt, zoo noodig,
in rechten eene verklaring onder eede te kunnen afleggen.
Nevens de namen van personen of lichamen, aan wie geen
biljet is uitgereikt, vermeldt hij daarvan in het kort doch
duidelijk de reden; voor biljetten waarvan de aanneming of
de teruggave is geweigerd, tevens de dagteekening en de op-
gegeven reden der weigering.
Bekomt de beschrijver geen toegang tot het huis of het
kantoor, waar hij één of meer biljetten heeft uit te reiken, en
bevindt zich daaraan geen brievenbus van den op zijn hjst
-ocr page 271-
Bijlage A. - §§ 32-34.
261
genoemde, dan teekent hij dit aan op die lijst, en geeft de
biljetten aan den ontvanger terug; in plaatsen echter, waar
met weinig moeite de uitreiking andermaal kan worden be-
proefd, niet voordat het huis of het kantoor bij herhaling
ontoegankelijk is gebleken.
Is het huis of het kantoor, waar één of meer biljetten zijn
uitgereikt, bij de terughaling ontoegankelijk, dan vermeldt de
beschrijver dit mede op de lijst. De ontvanger zendt, in dat
geval, den belastingplichtige, per post en aangeteekend, eene
waarschuwing (model Bedrijfsbelasting n°. 18) en maakt van
de dagteekening dier waarschuwing melding op de lijst.
I. Verg. de res. aangeteekend op § 19 dezer Instr.
§ 33. De controleurs en de ontvangers der directe belas-
tingen geven mondeling aan de daarbij belanghebbenden de
inlichtingen, welke deze vragen omtrent hunne verplichtingen
en bevoegdheden, met betrekking tot de belasting op bedrij fs-
en andere inkomsten.
Gedurende den tijd der beschrijving zorgen de controleurs
wekelijks op bepaalde en door hen, op de volgens hun gevoelen
doelmatigste wijze, aan te kondigen dagen en uren te hunnen
kantore aanwezig te zijn, om de belanghebbenden in te lichten
omtrent hunne verplichtingen ten aanzien dier belasting.
Zoo noodig, houden zij ook op andere plaatsen dan die, waar
hunne standplaats is gevestigd, te dien einde zitdagen.
De controleurs worden daarin bijgestaan en zoo noodig daarbij
vervangen door een adjunct-controleur of een surnumerair.
§ 34. De controleur kan hen, wier aangifte om gebreken
in den vorm niet als geldig kan worden aangemerkt, met ver-
wijzing naar het bepaalde bij art. 47 § 3 der wet, uitnoodigen,
om binnen een door hem te bepalen termijn eene behoorlijke
aangifte te zijnen kantore in te leveren. Die uitnoodiging
(Bedrijfsbelasting n°. 19) wordt door een deurwaarder der directe
belastingen uitgereikt of per post verzonden in een gesloten
omslag, als bedoeld\'bij § 19 en bevat, zooveel mogelijk, eene
aanduiding der gebreken.
Aan elke aangifte, welke wegens gebreken in den vorm niet
tot grondslag van den aanslag kan strekken, en aan elke aan-
gifte, welker juistheid door den controleur wordt betwijfeld,
wordt eene nota gehecht, waarop worden vermeld:
de bedenkingen tegen den vorm der aangifte;
de aangewende pogingen tot verkrijging van redres of van
inlichtingen en de gevolgen daarvan;
het bedrag, waarnaar de controleur vermeent, dat de aanslag
moet worden bepaald, en de gronden waarop deze meening steunt.
-ocr page 272-
262
Bijlage A. — § 35.
§ 35. De controleur zendt aan de burgemeesters in zijne
controle een genoegzaam getal:
a.    der in art. 12 bedoelde biljetten, met omslagen;
b.    der in art. 14 §?4, le lid, bedoelde formulieren, Bedrijfs-
belasting n°. 16;
c.    der Bewijzen, bedoeld in art. 34, le lid.
Hij verzoekt den burgemeesters:
1°. om vóórdat de toegezonden voorraad van elk dier
biljetten en formulieren geheel uitgeput is, nieuwe exemplaren
bij hem aan te vragen;
2°. om ieder, die eene der in art. 12 bedoelde aangiften
wil doen en geene biljetten ontvangen heeft, of wiens biljetten
in het ongereede zijn geraakt en die zich ter secretarie om
aangifte-biljetten aanmeldt, een exemplaar der door hem be-
noodigde biljetten af te geven en een omslag ter verzending
der aangifte of aangiften;
3°. om van ieder, die, bij aanvang van belastingplichtig-
heid in den loop van het belastingjaar, eene aangifte, bedoeld
in art. 14 § 4, le lid, wil doen, die aangifte in ontvang te ne-
men of daarvoor een formulier uit te reiken, dit ingevuld en
onderteekend in ontvang te nemen en de ontvangen aangifte
onverwijld te zenden aan den ontvanger der directe belastin-
gen, onder wiens kantoor de gemeente gelegen is;
4«. om de krachtens art. 14 § 1, 3e lid of art. 14 § 4, 2e
en 5e lid, bij hem ingekomen biljetten, of de volgens art. 15
door hem ontvangen kennisgevingen, onverwijld aan dien ont-
vanger toe te zenden;
5°. om van ieder der in art. 34 bedoelde handelsreizigers,
kramers en anderen, die hun bedrijf of beroep rondtrekkende
uitoefenen, en zich ter bekoming van het in dat artikel be-
doeld Bewijs aanmelden, de daar gevorderde aangifte in ont-
vang te nemen, die te doen onderteekenen en daarvoor het in
dat artikel bedoeld Bewijs af te geven, evenwel niet dan na
zich, voor zoover de hun ten dienste staande middelen strek-
ken, overtuigd te hebben van de juistheid der opgegeven woon-
plaats, en, betreffende buitenslands gevestigden, indien zij hier
te lande geen kantoren of vaste inrichtingen hebben, na de
verklaring van bovengemelden ontvanger te hebben verkre-
gen, dat de voorloopig geregelde aanslag te zijnen kantore is
voldaan of verzekerd, of dat de kramer of rondtrekkende per-
soon door hem niet belastingplichtig wordt geacht.
I. Voor de afgifte der Bewijzen is een doorloopend register
vastgesteld, waarvan het formulier is opgenomen in de serie
Bedrijfs belasting, onder n°. 40.
Res. 1 Maart 1894, n». 47. (Verz. n°. 22),
-ocr page 273-
Bijlage A. - §§ 36-39.
263
§ 36. Ofschoon de wet van firma\'s, bij aanvang van be-
lastingplichtigheid harer in Nederland wonende hoofdelijk aan-
sprakelrjke vennooten in den loop van het belastingjaar, de by
art. 12 § 2, 1°. tweede lid der wet bedoelde aangifte niet vor-
dert, en er dus in dat geval van het instellen van bekeuring
wegens het nalaten daarvan geen sprake kan zijn, moet toch
in het geval, waarop art. 14 § 4 betrekking heeft — natuur-
lijk alléén in dat geval — een biljet A aan de firma gezon-
den worden, om hare vennooten in staat te stellen, in hunne
individueele aangiften, voor zooveel de wet dit toelaat, naar
hunne collectieve te verwijzen.
§ 37. Bij ontvangst van kennisgevingen en aangiften, be-
doeld in artt. 15 en 34 der wet, of van aangiften bedoeld bij
art. 12, laatste lid, van hen, die bij de beschrijving mochten
zijn overgeslagen, zendt de ontvanger die aan den controleur.
Hetzelfde geldt voor die bedoeld in art. 16, doch hierbij
voegt hij het bericht, of de voor vroegere uitdeelingen of uit-
keeringen der vennootschap, maatschap, vereeniging, maat-
schappij of reedery verschuldigde belasting is betaald.
§ 38. De ontvanger zorgt, dat al de in §§ 24, 30, 31 en
37 voorgeschreven toezendingen aan den controleur met den
meesten spoed geschieden. "Worden de werkzaamheden van
laatstgenoemden door te late toezending belemmerd, dan vraagt
hij de verantwoording van den ontvanger, en dient zoo noo-
dig, onder overlegging daarvan, eene klacht in bij den provin-
cialen inspecteur.
§ 39. Naarmate de beschrijvingsbiljetten inkomen, verge-
lijkt de controleur de aangiften met de aanteekeningen op de
leggers en schrapt de hem aannemelijk voorkomende posten
nevens de vermelding van het belastingjaar voorloopig aan.
De aangiften, welke hem onnauwkeurig of twijfelachtig voor-
komen, voorziet hij van eene nota, waarop hij kortelijk de
reden aanteekent, die hem belet met het aangegevene genoe-
gen te nemen. Die nota\'s strekken hem tot onderzoek en
overleg met de collegiën van zetters, de commissiën van aan-
slag en de adviseurs.
Inlichtingen omtrent het vermogen, van de inspecteurs der
registratie verkregen, mogen echter daarbij door den contro-
leur niet worden medegedeeld.
Blijkt den controleur uit eene aangifte, dat de belasting-
plichtige ten vorigen jare in eene andere controle aangifte
heeft gedaan of aangeslagen is, dan geeft hij zijn ambtgenoot
van de ontvangst der aangifte kennis, opdat deze daarvan aan-
teekening kunne houden in zyn legger of het register (Bedrij fs-
belasting n°. 13).
-ocr page 274-
264
Bijlage A. — §§ 40-42.
III. Aanslag.
§ 40. De ingekomen biljetten worden door den voorzitter
van. de commissie van aanslag of het collegie van zetters in-
geschreven in registers van aanslagen, te weten:
a.    die van hier te lande wonenden, aan wie een biljet A,
doch geen biljet B is gezonden, in één of meer registers (Be-
drijfsbelasting n°. 20), bestemd voor de collegiën van zetters;
b.    de overige in één of meer registers (Bedrij fsbelasting n°.
21), bestemd voor de commissiën van aanslag.
In den regel wordt van elk dezer categoriën één register
voor elke gemeente aangelegd. "Waar dit voor geregelde af-
werking moeilijkheid zou opleveren, worden echter afzonder-
lijke registers, doch met doorloopende volgnummers, aangelegd
voor afdeelingen, wijken of buurten of andere gedeelten der
gemeente.
Aanslagen, volgens art. 21 § 2 ambtshalve geregeld, wor-
den zooveel mogelijk in het register der afdeeling, wijk of
buurt, waarin de aangeslagene woont, ingeschreven.
Ten einde verwarring te voorkomen, worden de volgnum-
mers van het register, hierboven onder b bedoeld, gemerkt
met de letter b.
Elk register wordt, na vaststelling der aanslagen, afgesloten
en door de leden van het collegie van zetters of der com-
missie van aanslag onderteekend.
Bij elk register wordt gevoegd een alphabetische lijst der
daarin voorkomende bedrijven, beroepen, enz., gerangschikt
naar de hoofdbedrijven of "beroepen, met vermelding der volg-
nummers van de aanslagen.
§ 41. Al komt daarvoor geen aanslag te pas, toch worden aan-
giften van firma\'s (art. 12 § 2, 1°, tweede lid, der wet) in het
register van aanslagen ingeschreven, met vermelding, in de
laatste kolom, van de volgnummers, waar de individueele aan-
gifte der hier te lande wonende hoofdelijk aansprakelijke ven-
nooten zijn ingeschreven. Wederkeerig wordt bij deze naar
het volgnummer van inschrijving der aangifte van de firma
verwezen.
§ 42. Blijkt een belastingplichtige, die op het register van
aanslagen van het collegie van zetters is ingeschreven, te be-
hooren tot hen, wier aangifte door de commissie van aanslag
moet worden beoordeeld, of is het omgekeerde het geval, dan
wordt de post, met verwijzing in de laatste kolom, op dat
register doorgehaald en overgebracht in het andere register.
De naam van een in hei register geplaatste, die door het
collegie van zetters of de commissie van aanslag niet belas-
-ocr page 275-
Bijlage A. - §§ 42-47.
265
tingplichtig wordt geacht, wordt doorgeslagen, met korte ver-
melding van den grond waarop het besluit berust.
§ 43. De inschrijving in de registers en de aanslag geschie-
den naar de plaatselijke indeeling, ten name van de personen
of lichamen wie de aanslag betreft, met bijvoeging, waar dit
te pas komt, van den naam van dengene, die voor hem op-
treedt en van zijne hoedanigheid ten opzichte van den aange-
slagene of van de letters qq.
Voor de in art. lc en 7 genoemden geschiedt de inschrijving
in de registers overeenkomstig het bepaalde bij art. 22 § 1
der wet.
§ 44. Blijkt bij de toepassing van art. 3 § 4 der wet, dat
het daarbedoelde aandeel in de huurwaarde niet kan bepaald
worden, omdat de kadastrale huurwaarde van een perceel nog
niet is vastgesteld, dan verzoekt de voorzitter den controleur
der directe belastingen en van het kadaster die huurwaarde
voorloopig vast te stellen en hem het bedrag daarvan op te
geven.
§ 45. Alvorens de commissie van aanslag overga tot aan-
wijzing van deskundigen, voor het doen eener in art. 3 § 4
bedoelde schatting, stelt de voorzitter den belastingplichtige in
de gelegenheid, om zijne aangifte te wijzigen.
§ 46. De voorzitter richt de werkzaamheden derwijze in,
dat het getal vergaderingen, met het oog op de daaraan
verbonden kosten, zich tot het strikt noodige bepale, en voorts,
dat de inspecteur der registratie niet worde bemoeilijkt met
het bijwonen van vergaderingen, waarin geen aanslagen zul-
len behandeld worden van hen, die belastingplichtig zijn naar
de vermogensbelasting.
Hij houdt dergelijke aanslagen zooveel mogelijk aan tot af-
doening in eene latere vergadering, waarvoor hij den dag be-
paalt in overleg met dien inspecteur.
§ 47. Indien het collegie van zetters of de commissie van
aanslag nadere toelichting eener aangifte noodig acht (art. 20
der wet), geeft de voorzitter den aangever daarvan kennis door
middel eener oproeping (Bedrijfsbelasting n°. 22), uit te reiken
door een deurwaarder der directe belastingen of per post.
Mocht de meerderheid van het collegie van zetters of van
de commissie van aanslag in het verlangen van den voorzit-
ter, om een aangever te hooren niet deelen, zoo staat het hem
vrij dit als controleur te doen. In dit geval zendt hij hem op
dezelfde wijze eene oproeping (Bedrijfsbelasting n°. 23).
Hetzy de aangever of zijn gemachtigde op eigen verlangen
-ocr page 276-
Bijlage A. - §§ 47-50.
266
of wel na oproeping gehoord wordt, maakt de controleur een
verslag op van het hem of der commissie medegedeelde en
voegt dit bij de aangifte of den legger waartoe het betrekking
heeft.
§ 48. Aanslagen, waarbij de belasting over het jaar is be-
rekend en niet slechts over een deel daarvan, noch over de
uitdeelingen of de uitkeeringen, bedoeld bij art. 5 §§ 1 en 2
en art. 6 § 2, en die slechts over een deel van het jaar loo-
pen, worden in het register vermeld voor het bedrag, dat be-
taald moet worden, met aanduiding, in de laatste kolom, van
het aantal maanden, waarover zij loopen.
In het geval, bedoeld bij art. 2 § 5, tweede lid, der wet,
wordt, bij den aanslag der beide echtgenooten, in de laatste
kolom, naar den aanslag van den anderen echtgenoot verwezen.
§ 49. Bij verschil van meening worden de gronden voor
het gevoelen der meerderheid van het collegie van zetters of
van de commissie van aanslag en voor dat van den voorzitter,
beknopt ingeschreven in de daarvoor bestemde kolommen van
het register, hetwelk door laatstgenoemden met de aangifte
aan den provincialen inspecteur ter beslissing van het verschil
wordt ingezonden.
Indien deze dit noodig acht, kan hij den legger van een be-
lastingplichtige, met de daarbij behoorende bescheiden, opvra-
gen, welke hem, ongevouwen, tusschen cartonbladen worden
toegezonden.
Zoo noodig voegt de voorzitter bij het register ééne of meer
nota\'s, waarin de verschillende gevoelens en de daarvoor aan-
gegeven gronden meer uitvoerig worden uiteengezet. Ieder lid
kan verlangen, dat eene door hem opgemaakte nota, houdende
zijn gevoelen, bij de stukken wordt gevoegd.
Overeenkomstig de beslissing van den provincialen inspecteur,
zoo noodig genomen na den rijksadvocaat te hebben gehoord,
en die geheel of verkort in de daartoe bestemde kolom wordt
ingeschreven, wordt het bedrag van den aanslag in het register
uitgetrokken.
§ 50. Mocht het geval zich voordoen, voorzien in art. 19,
§ 7, laatste zinsnede der wet, dan stelt de controleur den
burgemeester in de gelegenheid om, hetzij in de voor dat bij-
zonder geval te wijzigen kolommen, hetzij in eene afzonder-
lijke nota, zijn gevoelen aan den provincialen inspecteur te
kennen te geven. Overigens heeft, bij toepassing van dat ar-
tikel, de aanslagsregeling en de behandeling van bezwaar-
schrift en beroep plaats op de wijze in deze instructie voor-
geschreven, met dien verstande, dat de controleur, de burge-
-ocr page 277-
Bijlage A. - §§ 50—54.
267
meester, en, als dit te pas komt, de inspecteur der registratie,
te zamen optreden als collegie van zetters of commissie van
aanslag.
§ 51. Opdat het ten kohiere brengen van aanslagen niet
noodeloos worde vertraagd, worden posten, welke voor dadelijke
afdoening vatbaar zijn, het eerst afgewerkt en op een kohier
gebracht. Posten waarvan de afdoening afhankelijk is, hetzij
van nog in te stellen onderzoek, bedoeld bij art. 19 § 4 of
art. 20 of van op andere wijze in te winnen inlichtingen, of
waarop de beslissing van den provincialen inspecteur moet
worden gevraagd, (art. 21 § 3, tweede en derde lid), worden
op een volgend of afzonderlijk register gebracht.
§ 52. Brengt eene einduitspraak op een bezwaarschrift krach-
tens de wet van 27 September 1892 {Staatsblad n°. 223) wij-
ziging in de bepaling van het vermogen, naar hetwelk de aan-
slag in de vermogensbelasting is geregeld, dan geeft de inspecteur
der registratie daarvan kennis aan den voorzitter der commissie
van aanslag, ten einde te onderzoeken, of termen bestaan tot
herziening van den aanslag in de belasting op bedrij fs- en
andere inkomsten (art. 21 § 4 der wet).
Bestaat voor herziening grond, dan brengt de voorzitter den
post opnieuw in het register van aanslagen. Leidt de her-
ziening tot verhooging van den aanslag, dan wordt die ver-
hooging ten kohiere gebracht, behoudens het recht van den
aangeslagene, om daartegen een bezwaarschrift in te dienen
en van de daarop gevallen uitspraak in beroep te komen.
Leidt zij daarentegen tot vermindering van den aanslag,
dan geeft de voorzitter hiervan kennis aan den provincialen
inspecteur tot het verleenen van ontheffing op den vroegeren
aanslag.
§ 53. In de gevallen, bedoeld bij §§ 51 en 52 en bij door-
haling om andere redenen, wordt in de laatste kolom verwezen
naar latere volgnommers.
§ 54. Belasting, voorloopig betaald of waarvoor borg is ge-
steld naar aanleiding van het bepaalde bij art. 34, derde lid,
wordt geboekt in het journaal, Comptabiliteit n°. la.
Overtreft het betaald of gedeponeerd bedrag den ten kohiere
uitgetrokken aanslag, dan wordt het meerdere den belang-
hebbende teruggegeven tegen quitantie nevens den journaalpost
te hechten.
I. I. Bij ontvangst van het afschrift van eene aangifte als
bedoeld in art. 34 der wet van buitenslands gevestigden, die hier
te lande geene kantoren of vaste inrichtingen hebben, beslist de
ontvanger voorloopig over de belastingplichtigheid dier personen
-ocr page 278-
Bijlage A. — § 54.
268
en legt hij, wanneer daartoe termen bestaan, een voorloopigen
aanslag op.
Hij noodigt den aangever uit, hetzij te zijnen kantore, hetzij
elders in de gemeente, waar hij de aangifte deed, domicilie te
kiezen.
II.     Die aanslag wordt gebracht op een voorloopig kohier,
waarbij van het model, vastgesteld bij resolutie van 4 Februari
1853 n°. 167 {Verzameling n°. 17), dat met de pen gewijzigd kan
worden, gebruik gemaakt wordt.
III.     Aan den belastingplichtige wordt een voorloopig aanslag-
biljet (model 1) uitgereikt, waarin met de pen de noodige wijzi-
gingen zijn aangebracht a). Op dit biljet wordt van de voor-
loopig betaalde belasting quitantie gegeven. Is deze gedeponeerd,
dan wordt daarvan op het biljet melding gemaakt.
Belasting, voorloopig betaald of gedeponeerd, wordt geboekt op
de wijze voorgeschreven bij § 54 der resolutie van 27 Februari
1894 n°. 43 (Verzameling n°. 21).
IV.     De ontvanger geeft van de door hem genomen beslissing,
omtrent de belastingplichtigheid der hier bedoelde buitenslands
gevestigden, onverwijld kennis aan het gemeentebestuur, door terug-
zending van het behoorlijk door hem ingevulde tweede gedeelte
van het afschrift der aangifte (Bedrijfsbelasting n°. 40). Wanneer
geen misbruik te vreezen is, kan deze kennisgeving door tusschen-
komst van den belanghebbende geschieden.
Tevens geeft de ontvanger van de door hem genomen beslis-
singen kennis aan den voorzitter der commissie van aanslag, die
den eventueelen aanslag heeft te regelen, onder beknopte vermel-
ding van de gronden waarop zijn besluit rust.
Wanneer een voorloopige aanslag is opgelegd, voegt hij bij het
afschrift der in artikel 34 der wet bedoelde aangifte, de door
den belastingplichtige beantwoordde beschrijvingsbiljetten of het
beschrijvingsbiljet, en vermeldt tevens, of de belasting voorloopig
is betaald dan wel daarvoor borg is gesteld.
V.     Bij ontvangst van het executoir verklaarde kohier vergelijkt
de ontvanger daarmede het voorloopige kohier en brengt hij de
afschrijvingen van het laatste op het eerste over.
Blijkt het, dat door den belanghebbende te veel betaald of ge-
deponeerd is, dan wordt dit hem teruggegeven tegen quitantie,
die aan den post op het voorloopig journaal wordt gehecht.
Na ontvangst van het executoir verklaarde kohier wordt steeds
aan het gekozen domicilie een definitief aanslagbiljet uitgereikt.
Wanneer het voorloopig vastgesteld bedrag van den aanslag
gedeponeerd was, wordt de aanslag daarop ingevorderd.
In de uit te reiken biljetten wordt de voorloopig betaalde of
ingevolge het vorig lid ingevorderde belasting afgeschreven. Het
overige wordt op de gewone wijze ingevorderd.
Is de voorloopig vastgestelde belasting noch betaald, noch ge-
deponeerd, doch daarvoor personeele borgtocht gesteld, dan wordt
de belasting zoo noodig van den borg ingevorderd.
Voorts wordt het bedrag der voorloopig betaalde of gedepo-
-ocr page 279-
Bijlage A. - §§ 54-56.                        269
neerde aanslagen afgeschreven op het executoir verklaarde kohier,
in éëne som van de ontvangsten op het journaal compt. n°. la
afgetrokken en artikelsgewijs in het journaal compt. n°. 1 over-
gebracht.
Res. 27 April 1894, n°. 100 (Verz. n°. 42).
a) Zie de aant. op § 58.
IV. KOHIEB.
§ 55. Na afsluiting der in § 40 bedoelde registers van
aanslag worden de daarin voorkomende aanslagen door den
controleur, voor elke gemeente afzonderlijk, overgebracht op
het kohier (Bedrijfsbelasting n°. 24). De primitieve kohieren
worden zoo spoedig mogelijk, de latere, behalve in spoedeischende
gevallen, in den regel kwartaalsgewijs opgemaakt.
Hetzelfde kohier kan aanslagen bevatten, vastgesteld door
het collegie van zetters en door de commissie van aanslag,
mits dit ten behoeve der uitreiking van de aanslagbiljetten
blijke. Ten zelfden einde (art. 22 § 3, eerste lid), wordt achter
de aanslagen vermeld, of zij voortvloeien uit aangiften in ge-
sloten omslag ingeleverd.
§ 56. In het geval, bedoeld bij art. 3 § 4, tweede lid der
wet, brengt de controleur de ten laste van den belasting-
plichtige komende kosten van schatting ten kohiere. Deze
kosten worden na ontvangst van het executoir verklaarde
kohier, zoodra de ontvangsten daartoe toereikende zijn, afge-
trokken van de 8ste en overgebracht in de 12de kolom van het
journaal comptabiliteit n°. 1, onder het opschrift: kosten van
schatting op de kohieren van de belasting op bedrijfs- en andere
inkomsten uitgetrokken.
Zij worden voorts onder het evengenoemde opschrift, en wel
voor ieder dienstjaar afzonderlijk, in het kasboek overgebracht,
waarvoor daarin, zoolang de tegenwoordige oplaag van het
materieel, comptabiliteit n°. 4, strekt, twee voor geen andere
doeleinden . gebruikte kolommen met de pen kunnen worden
gewijzigd. In de maand- en saldostaten worden zij verantwoord
onder de rubriek: verschillende Bijksontvangsten.
De deskundigen, die de schattingen hebben verricht, brengen
de hun daarvoor, krachtens art. 1 van het Koninklijk besluit
van 23 December 1893 (Staatsblad n°. 218, Verzameling 1894,
n\\ 1), toekomende kosten aan het Riï\'k in rekening op decla-
ratie in tweevoud opgemaakt, waarvan een exemplaar, indien
het bedrag meer dan ƒ10 bedraagt, gezegeld moet zijn.
De declaratiën worden door den voorzitter onderzocht, na
accoordbevinding gearresteerd en voorts op de gewone wn\'ze
ter verevening aan het Departement van Financiën ingezonden.
-ocr page 280-
270
Bijlage A. - §§ 56-59.
In het geval, bedoeld bij art. 30 der wet, brengt de con-
troleur ten kohiere:
a.    het verschil, waarmede de aanslag door den Eaad vast-
gesteld, dien overtreft, waartegen beroep is ingesteld.
b.    de verhooging, krachtens dat artikel, uit de uitspraak
van den Raad voortvloeiende.
§ 57. De voorzitter zendt het kohier met het register van
aanslagen aan den provincialen inspecteur ter executoir-ver-
klaring.
Meent deze, dat er schrijf- of rekenfouten in voorkomen, dan
gaat hij niet tot executoir-verklaring over, voordat de voor-
zitter hem de noodige toelichting heeft verstrekt of de ver-
gissing is verbeterd, zoo noodig, met instemming van het col-
legie van zetters of de commissie van aanslag.
§ 58. De ontvangers der directe belastingen dragen zorg,
dat, bij ontvangst van afgekondigde kohieren, de aanslagbiljetten
te hunnen kantore spoedig en met de meeste nauwkeurigheid
worden geschreven en uitgereikt, binnen den in art. 22 § 4 der
wet bepaalden termijn, zoo noodig, op de in § 3 eerste lid van
dat artikel vastgestelde wijze.
I. § I. Voor de aanslagbiljetten der belasting op bedrijfs- en andere
inkomsten worden vastgesteld de modellen bij deze resolutie ge-
voegd a) t. w.:
het aanslagbiljet I, voor de aanslagen van hen, die de aan-
gifte, waartoe zij gehouden zijn, hebben gedaan,
het aanslagbiljet II, voor hen, die de aangifte, waartoe zij ge-
gehouden zijn, niet hebben gedaan,
het suppletoire aanslagbiljet A, voor hen, wier aanslag, krach-
tens art. 21 §4 der wet, is herzien,
het suppletoire aanslagbiljet B voor aanslagen, tengevolge van
uitspraak van den Eaad van beroep (artt. 29 en 30 der wet),
het buitengewoon aanslagbiljet, voor aanslagen voortvloeiende
uit bekeuring.
§2. De aanslagbiljetten worden door de Ontvangers der directe
belastingen verstrekt en gedrukt op geschept Hollandsen klein schrijf-
papier k f 8 de riem van 480 vel, wegende 14 kilogram, waarvan
een monster zal worden gezonden aan elk der Provinciale Inspecteurs.
Ees. 17 April 1894, n°. 71 (Verz. n". 40).
a) Deze modellen laten wij achterwege. Red.
§ 59. In het aanslagbiljet wordt vermeld, of de aanslag is
geschied overeenkomstig of met afwijking der aangifte van
den belastingplichtige of wel ambtshalve.
Voor echtgenooten, die ieder afzonderlijk worden aangeslagen
(art. 2 § 5, tweede lid, der wet), wordt daarin naar het aanslag-
biljet van den anderen echtgenoot verwezen.
-ocr page 281-
Bijlage A. - §§ 59-62.                        271
Ook wordt in het aanslagbiljet, behalve het voorgeschrevene
bij art. 2 der wet van 22 Mei 1845 (Staatsblad n°. 22), vermeld
het aantal maanden, waarover de belasting verschuldigd is.
Wegens het bepaalde bij art. 22 §4 wordt aanteekening
gehouden van den dag der uitreiking van elk aanslagbiljet,
met vermelding, of het al of niet in gesloten omslag is uit-
gereikt. De ontvanger stelt eene verklaring op het titelblad
van het kohier, waaruit blijkt, op welken dag het laatste aan-
slagbiljet aan op dat kohier aangeslagenen is uitgereikt.
Aan aangeslagenen, die een duplicaat van het aanslagbiljet
verlangen, wordt dit tegen betaling van 5 cent afgegeven.
§ 60. De provinciale inspecteurs houden in registers (Di-
recte belastingen n°. 7 en 8) en de controleurs in registers
(Bedrijfsbelasting n°. 25) aanteekening van het bedrag der exe-
cutoir verklaarde kohieren wegens de belasting op bedrij fs- en
andere inkomsten.
Op die registers en de daaruit te vervaardigen staten en
opgaven is van toepassing, hetgeen voor het patentrecht is
voorgeschreven bij resolutie van 28 September 1869, n°. 10 (Ver-
zameling
n°. 165), gewijzigd bij die van 17 December 1870, n°. 18
(Verzameling 185).
V. Bezwaarschriften, beroep, ontheffing.
§ 61. Bij ontvangst van een bezwaarschrift geeft de voor-
zitter daarvoor een ontvangbewijs af (Bedrijfsbelasting n°. 26).
Wordt het bezwaarschrift, op welks behandeling § 46 van
toepassing is, door het collegie van zetters of de commissie
van aanslag gegrond bevonden, dan brengt hij den aanslag
waartegen het gericht is, met vermelding van het nieuwe volg-
nommer, in een volgend, des noods afzonderlijk register (Be-
drij fsbelasting n°. 20 of 21), over.
Voldoet het bezwaarschrift niet aan den in art. 23 voor-
geschreven vorm, dan doet hij den aangeslagene daarop wijzen.
§ 62. De voorzitter zendt de uitspraak van het collegie
van zetters of de commissie van aanslag (Bedrij fsbelasting n°.
27 en 28) tegen ontvangbewijs (Bedrij f belasting n°. 29) of aan-
geteekend per post aan den belanghebbende.
Indien de aanslag daarbij is verminderd, zendt hij, na ver-
loop van de voor beroep gestelde termijnen, een afschrift der
uitspraak aan den provincialen inspecteur, ten einde onthef-
fing te verleenen.
Bhjkt de aanslag, bij het tengevolge van het ingekomen
bezwaarschrift ingesteld onderzoek, in plaats van te hoog, te
laag te zyn, dan staat den voorzitter tot verbetering daarvan,
-ocr page 282-
272                      Bijlage A. - §§ 62-66.
het in art. 25 § 3 der wet bedoeld beroep open op den Raad
van beroep.
De op nieuw geregelde aanslag wordt in het register van
aanslagen ingevuld, hetzij naar de boven vermelde uitspraak
of de beslissing van den provincialen inspecteur, hetzij naar
de uitspraak van den Raad van beroep. Eerst na deze uit-
spraak of het ongebruikt voorbijgaan van de voor het instel-
len van beroep gestelde termijnen, worden de aanslagen, zoo
daartoe termen bestaan, voor het meer verschuldigde op nieuw
ten kohiere gebracht.
§ 63. De provinciale inspecteur voorziet de voorzitters der
Raden van beroep van formulieren voor de in art. 25 § 4 der
wet bedoelde ontvangbewijzen (Bedrijfsbelasting n°. 30).
§ 64. Wordt eene voor den voorzitter van den Raad van
beroep bestemde memorie van beroep (art. 25 § 4 der wet),
door den aangeslagene, tengevolge van misverstand of bij ver-
gissing, gezonden aan den voorzitter der commissie van aan-
slag of van het collegie van zetters, dan wordt zij door dezen
onverwijld met eene duidelijke terechtwijzing aan den belang-
hebbende teruggezonden.
§ 65. De voorzitter zorgt, dat de memorie van beroep,
welke hij krachtens art. 27, tweede lid, ter beoordeeling ont-
ving, en die hij tijdig aan het collegie van zetters of de com-
missie van aanslag meedeelt, uiterlijk veertien dagen, nadat hij
die ontvangen heeft, bij den Raad van beroep terug ontvan-
gen worde.
Bij de terugzending legt hij de aangifte over en geeft hij,
indien niet is voldaan aan het bepaalde bij art. 25 § 4, 2e lid
der wet, den dag op, waarop hij de uitspraak van het collegie
van zetters of van de commissie van aanslag aan den aange-
slagene heeft toegezonden (art. 24 der wet), of wel, dien van
de afkondiging van het kohier (art. 25 § 2 der wet).
Blijkt hem, dat het beroep te laat is ingesteld, dan legt hij,
in de plaats van de aangifte, het gedagteekend ontvangbewijs
of het bewijs van aangeteekende verzending van de uitspraak
der commissie (art. 24 der wet) of een duplicaat van het aan-
slagbiljet aan den Raad over.
§ 66. Indien de voorzitter van het collegie van zetters of
van de commissie van aanslag tegen eene uitspraak beroep
(art. 25 § 3 tweede zinsnede) instelt bij den Raad van beroep,
zendt hij den belanghebbende eene kennisgeving (Bedrijfsbe-
lasting n°. 31), tegen ontvangbewijs (Bedrijfsbelasting n<>. 32)
of wel aangeteekend per post.
-ocr page 283-
273
Bijlage A. - §§ 67-69.
§ 67. De voorzitter draagt zorg, dat hij bij de behandeling
der zaak voor den Raad van beroep (art. 27, 3\' lid) in per-
soon, desgevorderd, tegenwoordig kan zijn.
Wanneer hij door onverwacht opgekomen omstandigheden
in de onmogelijkheid verkeert, om voor den Raad van beroep
te verschijnen, dan noodigt hij zijn plaatsvervanger daartoe uit.
Mocht deze vervanging niet meer mogelijk zyn, dan wordt
de verhindering door hem of desnoods door een ander Rijks-
ambtenaar, met opgaaf van de reden daarvan, langs den kort-
sten weg, aan den voorzitter van den Raad van beroep mee-
gedeeld.
Zoo dikwijls de voorzitter, zonder in de waarneming zijner
functiën vervangen te zijn, verhinderd wordt, om in persoon
voor den Raad van beroep te verschijnen op den dag, waar-
tegen hij opgeroepen was, geeft hij hiervan dadelijk kennis
aan den provincialen inspecteur.
§ 68. Uitspraken van Raden van beroep worden door den
provincialen inspecteur, na uitvaardiging, zoo noodig, der or-
donnantiën van ontheffing, gezonden aan den voorzitter van
het collegie van zetters of van de commissie van aanslag, ter
kennisneming en aanteekening in het register van aanslagen
en het register (Bedrijfsbelasting n°. 33). Deze zendt die uit-
spraken aan den provincialen inspecteur terug, na den inhoud
daarvan aan het collegie van zetters of de commissie van aan-
slag te hebben medegedeeld.
Komt eene uitspraak den provincialen inspecteur voor, niet
op de wet gegrond of daarmede in strijd ofwel van bijzonder
belang te zijn, dan zendt hij die, na daaraan uitvoering te
hebben gegeven, met de door hem van dien voorzitter op te
vragen biïlagen, binnen 14 dagen, met zijne beschouwingen aan
den Minister van Financiën.
§ 69. De voorzitter houdt aanteekening:
a.    van de bij hem ingekomen bezwaarschriften, van de hem
gezonden memoriën van beroep en van de daarop gevallen uit-
spraak, alsmede van de aanslagen waarvoor, krachtens art. 43
der wet, ontheffing in overweging is genomen, zonder dat een
bezwaar- of verzoekschrift werd ingediend: in het register
(Bedrijfsbelasting n° 33);
b.    van de hem gezonden verzoekschriften om ontheffing,
bedoeld bij artt. 37, 38, 40 en 43, de daarop uitgebrachte ad-
viezen en de gevallen uitspraak: in het register (Bedrijfsbe-
lasting n°. 34).
In de laatste kolom van het register van aanslagen (Bedrij fs-
belasting n°. 20 en 21) verwijst hü naar het volgnommer der
18
-ocr page 284-
274                        Bijlage A, - §§ 69-71.
onder a en b hierboven bedoelde aanteekening, met de ver-
melding: bezwaarschrift, memorie van beroep, verzoek om
ontheffing, (art. ).
Bovendien voorziet hij elk bij hem ingekomen bezwaarschrift
van een omslagvel (Bedrijfsbelasting n°. 35) en houdt dat bij
tot de zaak is afgedaan.
§ 70. De provinciale inspecteur houdt in registers (Bedrijfs-
belasting n°. 34) aanteekening van de bij hem ingediende ver-
zoekschriften, bedoeld bij artt. 37, 38, 40 en 43 der wet, en
geeft daarvoor, indien zij anders dan aangeteekend per post
zijn ingekomen, ontvangbewijzen (Bedrijfsbelasting n°. 36) af.
De verzoekschriften worden met omslagen (Bedrijfsbelasting
n°. 37) door hem om advies gezonden aan den voorzitter van
het collegie van zetters of van de commissie van aanslag. De
voorzitter hoort het collegie of de commissie en, dit noodig
achtende, den ontvanger over de gemeente der woonplaats van
den aangeslagene. Indien het verzoekschrift is ingediend wegens
het metterwoon verlaten van het Rijk en de verzoeker in de
vermogensbelasting is aangeslagen, raadpleegt de voorzitter ook
den inspecteur der registratie.
Vordert de zaak geen wijdloopig onderzoek, dan behandelt
elk hunner die in den regel binnen acht of ten hoogste veer-
tien dagen.
De provinciale inspecteur houdt in bovengemeld register aan-
teekening van de adviezen en van zijne uitspraak.
Deze laatste zendt hij aangeteekend per post of tegen ont-
vangbewijs (Bedrijfsbelasting n°. 38) aan den belanghebbende
en deelt haar bij afschrift mede aan bovengemelden voorzitter.
Is de rijksadvocaat over de zaak gehoord, (art. 21 § 3 der
wet), dan zendt hij diens advies aan den voorzitter ter inzage,
die daarvan den inspecteur der registratie doet kennis dragen.
§ 71. Aan voorstellen tot het verleenen van ontheffing
(§§ 52 en 62), uitspraken op verzoekschriften (§ 70) en uitspra-
ken van den Raad van beroep, welke ontheffing, vermindering,
teruggaaf of kwijtschelding moeten ten gevolge hebben, geeft
de provinciale inspecteur uitvoering op de wijze als is bepaald
bij art. 1 der wet van 15 Juli 1869 (Staatsblad n°. 133, Ver-
zameling
n°. 167), de wet van 18 September 1852 {Staatsblad
n°. 177, Verzameling 1866 n°. 39), gewijzigd bij art. 58 § 2 van
die van 2 October 1893 (Staatsblad n°. 149, Verzameling n°. 93)
en de voorschriften daaromtrent voor de overige directe be-
lastingen gegeven.
Van de verleende ontheffingen, verminderingen, teruggaven
en kwijtscheldingen wordt aanteekening gehouden in de regis-
ters (Bedrijfsbelasting n°. 39).
-ocr page 285-
275
Bijlage A. - §§ 71-75.
De instructie van 5 November 1869, n°. 29 (Verzameling n°.
190) voor de opmaking en behandeling der staten van onin-
bare posten wegens de directe belastingen, is mede van toe-
passing op die, wegens de belasting op bedrijfs- en andere in-
komsten, met dien verstande, dat voor deze belasting van het,
zoo noodig met de pen te wijzigen, model A wordt gebruik ge-
maakt.
§ 72. De in art. 37, vijfde lid, der wet bedoelde bewijsstuk-
ken zijn in de eerste plaats quitantiën van betaalde koloniale
belasting of gewaarmerkte afschriften daarvan. Welke andere
bewijsstukken voor de beoordeeling der gegrondheid van het
daarbedoeld verzoekschrift mochten noodig zijn, zal voor elk
bijzonder geval moeten overwogen worden.
In de gevallen, bedoeld in art. 38, legt de voorzitter van het
collegie van zetters of van de commissie van aanslag, bij de
behandeling van het verzoekschrift het bericht over van den
burgemeester van de gemeente der woonplaats van den aan-
geslagene, nopens de dagteekening van het overlijden of van
het verlaten van het Rijk.
Bij de behandeling van verzoekschriften, bedoeld in art. 40
der wet, legt de voorzitter de bescheiden over, welke het col-
legie van zetters of de commissie van aanslag geleid hebben
tot zijn of haar advies.
VI. Vervolging. Transactie.
§ 73. Met de vervolging der strafbare feiten, bedoeld in art.
47 §§ 3 — 7, zijn belast de rijksadvocaten.
§ 74. De provinciale inspecteurs worden krachtens art. 51
der wet en behoudens de daar vermelde beperkingen, in de
gevallen, bedoeld bij art. 47 §§ 5 — 7, gemachtigd de bekeurden
tot transactie toe te laten.
In de gevallen, bedoeld bij art. 47 §§ 3 en 4, zenden zij de
bekeuringsstukken met hun advies ten spoedigste aan den
Minister.
Tenzij bijzondere verzachtende omstandigheden aanwezig zijn,
wordt niemand tot transactie toegelaten dan op zijn verzoek.
Krachtens art. 46 der wet zijn ook de acten van transactiën
vrij van zegel.
§ 75. In de gevallen, bedoeld bij artt. 52 en 53, zendt de
provinciale inspecteur zijn exemplaar der acte van transactie
of een afschrift van het vonnis met de verdere stukken, be-
treffende de daar bedoelde bekeuring, aan den voorzitter, ter
mededeeling aan het collegie van zetters of de commissie van
aanslag en om, daartoe termen vindende, het voorstel te doen,
-ocr page 286-
276
Bijlage A. - §§ 75-76.
den bekeurde of veroordeelde alsnog ambtshalve aan te slaan
of zijn reeds vastgestelden aanslag te herzien. Is de aanslag
door den Raad van beroep vastgesteld, dan zendt de bovenge-
noemde voorzitter die bescheiden aan den voorzitter van dien
Raad.
Na gemaakt gebruik worden die stukken aan den provincialen
inspecteur teruggezonden.
Op het aanslagbiljet, betreffende een aanslag krachtens art.
52 der wet verhoogd of vastgesteld, wordt vermeld, welke mid-
delen den belanghebbende tegen den aanslag openstaan.
§ 76. Omtrent de wijze waarop vervolging, wegens een der
in art. 47 §§ 3 — 7 bedoelde strafbare feiten, kan worden voor-
komen, door betaling van het maximum der geldboete en der
kosten, zullen afzonderlijke voorschriften worden gegeven.
I. § 1. Volgens artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht,
in verband met artikel 56 der wet op de rechterlijke organisatie, kan
vervolging van een of meer der strafbare feiten, bedoeld in arti-
kel 47, §§ 3—7, der wet van 2 October 1893 {Staatsblad n°. 149,
Verzameling n°. 93) worden voorkomen, door vrijwillige betaling
van het maximum der geldboete en van de kosten, indien er reeds
vervolging heeft plaats gehad, op machtiging van den bevoegden
officier van justitie, binnen den door dezen te stellen termijn.
§ 2. Wanneer de officier van justitie, ten einde die machti-
ging te kunnen verleenen, zich tot den rijksadvocaat wendt met
verzoek hem de tot de overtreding betrekking hebbende stukken
te doen toekomen, voldoet deze zoo spoedig mogelijk aan dit ver-
zoek, onder opgave der wetsartikelen, die naar zijn oordeel zijn
overtreden en der reeds gemaakte kosten.
De vervolging der zaak wordt alsdan zoo noodig door den
rijksadvocaat geschorst, met kennisgeving aan den provincialen
inspecteur, die hem de stukken ter vervolging heeft doen toe-
komen.
Zijn de stukken nog niet ter vervolging gesteld in handen van
den rijksadvocaat, dan verzoekt deze den provincialen inspecteur,
hem die te willen toezenden. Blijkt, dat de stukken zijn toege-
zonden aan een anderen rijksadvocaat, dan geeft hij daarvan on-
verwijld kennis aan den officier.
§ 3. De ontvanger der directe belastingen, wiens kantoor door
den officier van justitie is aangewezen voor de voldoening der in
§ 1 bedoelde gelden, boekt de betaalde bedragen in het register
n°. 6 (Comptabiliteit) en geeft daarvoor uit dat register eene kwij-
ting. Op de ontvangen gelden is voorts van toepassing, hetgeen
bij punt II, laatste zinsnede, en III, le zinsnede, der resolutie van
19 Juni 1882, n°. 35 (Verzameling n°. 63), en bij punt IV der
resolutie van 11 Juli 1883, n°. 88 (Verzameling n°. 69) ten aan-
zien der overmaking van geconsigneerde gelden is voorgeschreven.
Bij betaling binnen den in de machtiging gestelden termijn doet
de ontvanger daarvan onverwijld mededeeling aan den officier
-ocr page 287-
Bijlage A. - §§ 76-80.                             277
van justitie en aan den rijksadvocaat, met bijvoeging voor dezen
laatste van een afschrift van de machtiging.
Van het ongebruikt verstrijken van den termijn wordt op ge-
gelijke wijze aan dezelfde ambtenaren kennis gegeven. In dat ge-
val wordt de vervolging der zaak door den rijksadvocaat onmid-
dellijk voortgezet.
De rijksadvocaat zendt de van den ontvanger bekomen mede-
deelingen ter kennisgeving aan den provincialen inspecteur.
Res. 17 Jan. 1894, n°. 22 (Verz. n°. 23).
§ 77. Zoodra eene rechterlijke uitspraak, houdende veroordee-
ling wegens een der in art. 47 §§ 3 — 7 bedoelde strafbare fei-
ten, kan worden ten uitvoer gelegd, zendt de rijksadvocaat het
dossier der zaak met een afschrift der rechterlijke uitspraak,
de ingekomen declaratiën en den staat van kosten aan den
provincialen inspecteur.
De provinciale inspecteur zorgt voor de ten uitvoerlegging
door tusschenkomst van den controleur,
§ 78. De rechterlijke uitspraak wordt van wege den Minister
van Financiën beteekend, met gelijktijdig bevel tot betaling
van het bedrag der daarin vermelde geldboete en gerechtskos-
ten. Het bepaalde bij de resolutie van 7 Augustus 1886, n°.
50 (Verzameling n°. 69) is ten deze toepasselijk.
Bij de beteekening kan de daarmede belaste ambtenaar boete
en kosten in ontvangst nemen. Na de beteekening kan beta-
ling slechts geschieden ten kantore van den in het bevel aan-
gewezen ontvanger, aan wien steeds onverwijld afschrift van
het vonnis, het exploit en de betaalde gelden worden ter
hand gesteld.
§ 79. De ontvanger is gerechtigd boete en kosten, zoowel
gezamenlijk als afzonderlijk, in ontvangst te nemen.
De geldboete kan noch door toepassing van lij fsdwang noch
door executie op de goederen van den veroordeelde en even-
min op diens erfgenamen worden verhaald.
"Wanneer twee maanden na de beteekening van de rechter-
lijke uitspraak zijn verstreken, zonder dat de geldboete betaald
is, geeft de ontvanger daarvan onder terugzending der bij hem
berustende stukken, door tusschenkomst van zijn controleur,
kennis aan den provincialen inspecteur. Hij houdt aanteeke-
ning van de te betalen boeten en kosten en blijft ook na de
verzending verplicht, om de verschuldigde gelden in ontvangst
te nemen.
"Wanneer de uitvoering der vervangende hechtenis is aan-
gevangen, kan ook een gedeelte der geldboete worden in ont-
vangst genomen.
§ 80. De provinciale inspecteur zendt het afschrift van de
-ocr page 288-
278
Bijlage A. — §§ 80-85.
rechterlijke uitspraak aan den bevoegden ambtenaar van het
Openbaar Ministerie, met verzoek de vervangende hechtenis
op den nalatigen veroordeelde toe te passen.
§ 81. De ontvanger geeft van iedere betaling steeds onver-
wijld kennis aan den provincialen inspecteur, die, in het ge-
val, dat de stukken reeds ter toepassing der vervangende
hechtenis aan den ambtenaar van het Openbaar Ministerie wa-
ren verzonden, dezen ten spoedigste van de betaling mede-
deeling doet.
Zoo noodig wordt voor deze kennisgevingen van den tele-
graaf gebruik gemaakt.
§ 82. De gerechtskosten worden op de gewone wijze van
den veroordeelde ingevorderd. Indien een vonnis bij verstek
is gewezen, wordt tot die invordering niet overgegaan voor-
dat de provinciale inspecteur bericht ontvangen heeft, dat de
vervangende hechtenis is ondergaan. De provinciale inspecteur
doet daarvan mededeeling aan den controleur.
§ 83. Voor zooverre hierboven niets anders bepaald is, zijn
de voor ten uitvoerlegging van rechterlijke uitspraken, in zake
Directe belastingen bestaande voorschriften, ten deze toepas-
sehjk.
VII. Algemeene Voorschriften.
§ 84. De provinciale inspecteur heeft het toezicht op de
werkzaamheden der onder zijne bevelen geplaatste ambtenaren.
Hij overtuigt zich, waar hij dit noodig acht, van den goe-
den gang der zaken.
Ofschoon hij zich — behoudens in bijzondere gevallen —
niet met des controleurs wettelijke verplichtingen als voorzit-
ter van collegiën van zetters of van commissiën van aanslag
heeft in te laten, ontheft hem dit niet van zijn plicht, om
aan den Minister van Financiën gemotiveerde voorstellen te
doen tot vervanging van een controleur, in wiens hand hy
grond heeft, om \'s Rijks belang niet genoegzaam verzekerd te
achten.
§ 85. Bij ontstentenis van den voorzitter van collegiën van
zetters tengevolge van ziekte, verlof, verplaatsing of overlij-
den, doet de provinciale inspecteur een voorstel tot zijne ver-
vanging, wanneer is te voorzien, dat overleg met die collegiën
noodig en niet voor uitstel vatbaar is.
Hetzelfde geldt in het onverhoopte geval, dat zoowel de
voorzitter van commissiën van aanslag als zijn plaatsvervan-
ger buiten staat zijn, om hunne betrekking waar te nemen.
-ocr page 289-
Bijlage A. - §§ 86-91.                       279
§ 86. Gedurende de beschrijving en de aanslagsregeling doet
de provinciale inspecteur zich ten minste éénmaal in de maand
door de controleurs eene opgave verstrekken van den stand
dier werkzaamheden.
Een verslag uit die opgaven samen te stellen volgens het
zooveel noodig te wijzigen model (Directe belastingen n°. 1)
wordt door hem vóór den lOden der volgende maand gezonden
aan den Minister van Financiën, met de opmerkingen, waartoe
zij hem aanleiding geven.
§ 87. Daar aan de voorzitters de kantoorwerkzaamheden
der commissiën van aanslag en collegiën van zetters zijn op-
gedragen, wordt aan deze commissiën en collegiën, ten behoeve
der belasting op bedrijfs- en andere inkomsten, geene vergoeding
voor bureaukosten toegelegd.
De uitgaven voor papier, pennen, inkt en andere kleine
kosten der vergaderingen moeten gevonden worden uit de
vergoeding voor bureaukosten -van den controleur.
§ 88. De controleur onthoudt zich van mededeeling aan
derden van de hem door de ambtenaren der registratie ver-
strekte inlichtingen, behoudens het bepaalde bij art. 28 der
wet en de voorlichting aan den provincialen inspecteur, te
verstrekken in het geval, voorzien bij art. 21, § 3, tweede lid.
De controleurs geven dien ambtenaren de hun ten dienste
staande inlichtingen nopens bedrijf, beroep, enz. of woonplaats,
welke deze voor de regeling der vermogensbelasting verlangen.
Op de welwillende samenwerking dezer ambtenaren wordt
gerekend.
I. De ontvangers der dir. bel. zenden aan den inspecteur of
de inspecteurs der registratie een opgaaf van de verhuizingen
volgens het voorschrift der res. van 3 Maart 1894, n°. 4 (Verz.
n°. 24). Zie de aant. op § 11.
§ 89. Ter vermijding van noodelooze briefwisseling geschiedt
het overleg met de ambtenaren der registratie zooveel mogelijk
mondeling. Is briefwisseling nopens de eene of andere vraag
noodzakelijk, dan stelle men haar duidelijk en beknopt.
§ 90. De surnumerairs, over wie niet behoeft beschikt te
worden voor waarneming van opengevallen betrekkingen, wor-
den tijdelijk werkzaam gesteld bij de controleurs, die het meest
behoefte hebben aan bijstand in hunne bemoeiingen, betreffende
de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten.
§ 91. De ontvangers en verdere ambtenaren der directe be-
lastingen, invoerrechten en accijnzen, alsmede !de ambtenaren
der directe belastingen en van het kadaster, zijn verplicht, de
in deze instructie bedoelde voorzitters der commissiën van
-ocr page 290-
280
Bijlage A. - §§ 91-93.
aanslag zooveel mogelijk behulpzaam te zijn in het verkrijgen
der inlichtingen, welke deze behoeven.
Ter uitvoering van het tweede lid van art. 36 der wet
wordt bepaald, dat in de gevallen, waarin, volgens de voor-
schriften dezer instructie, overleg zal plaats hebben tusschen
hoofdambtenaren der directe belastingen en ambtenaren der
registratie, deze laatsten bevoegd zijn tot het verstrekken van
gegevens, waaromtrent hun overigens geheimhouding is op-
gelegd.
§ 92. De schrifturen, betreffende de belasting op bedrijfs-
en andere inkomsten, worden onder sluiting bewaard.
Registers en kohieren worden na de vaststelling ingebonden
of in stevig papier ingenaaid.
De ambtenaren, wien het aangaat, zorgen, dat dit geschiedt
op hun kantoor, zonder dat onbevoegden van den inhoud kennis
nemen.
§ 93. De controleurs zien toe, dat de bij art. 35 der wet.
verzekerde geheimhouding ten strengste wordt in acht ge-
nomen.
Niet-ambtelijke personen, die aan de werkzaamheden voor
de belasting op bedrij fs- en andere inkomsten deel nemen,
worden door de ambtenaren, in wier dienst zij zijn, op de
bepaling van dat artikel gewezen, en in geval van overtreding,
uit hun dienst verwijderd.
Voor gelijkluidend afschrift,
De Secretaris-Generaal,
Bartstra.
-ocr page 291-
281
Bijlage A.
Lijst van materieel der serie „Bedrijfsbelasting\'
KORTE AANDUIDING DER STREKKING VAN DE MODELLEN.
zw
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
18
14
15
16
16a
17
18
19
20
20a
21
21a
22
23
24
24a
25
26
Legger van personen (art. la).
„ „ naamlooze vennootschappen, enz.*(art. lb).
„ „ sociëteiten (art. lb).
„ „ reederijen (art. lc).
„ „ stichtingen (art. lc).
„ „ staatsambtenaren buiten het Rijk (art. ld).
„ „ buitenlandsche vennooten (art. le).
„ „ buitenlandsche spoor- en tramwegonder-
nemingen (art. l/1).
„ „ buitenlandsche verzekeringmaatschappij-
en (art. lg).
„ buitenlanders, die hier te lande een be-
roep, enz. uitoefenen (art. Ih).
„ „ buitenlanders, die winkelgoederen aan
particulieren zenden (art. lt).
„ „ buitenlandsche handelsreizigers (art. IA;).
Register van vennooten.
Lijst van aangegeven of begroote bedrijfswinst.
Beschrij vingslij st.
Recu\'s van onder couvert terug ontvangen beschrij -
vingsbiljetten.
Requ\'s van open ontvangen beschrijvingsbiljetten.
Aanvraag om beschrijvingsbiljetten ingevolge art. 14
§ 4 der wet.
Uitnoodiging tot inlevering van uitgereikte beschrij -
vingsbiljetten.
Uitnoodiging tot toelichting van onvolledig ingevulde
beschrijvingsbiljetten (art. 12 § 3).
Register van aanslagen (college van zetters).
n             n              n             ( n           n             n )              ^
artt. en minder.
„ \' „
                    (commissie van aanslag).
n             n              n            \\          »             n            )) \' *•"
artt. en minder.
Uitnoodiging tot toelichting van aangiften (art. 20).
                                                „ (art. 20).
Kohier.
„ — 10 artt. en minder.
Staat van het bedrag der kohieren.
Bewijs van ontvangst van een bezwaarschrift.
6
6
6
6
6
6
6
6
6
6
6
10
15, 4« lid
17
28
1894, n°. 48
31
32, 4« lid
34, le lid
40, le lid a
40, le lid a
40, le lid b
40, le lid b
47,1\' lid
47, 2\' lid
55
55
60
61
Verz.
-ocr page 292-
282
Bijlage A.
KORTE AANDUIDING DER STREKKING VAN DE MODELLEN.
z5
62, 1\' lid
Formulier van afwijzende beschikking op bezwaar-
(schriften.
„ gunstige
                                 
Recu eener uitspraak (af te geven door de belangheb-
bende).
Recu eener memorie van beroep (af te geven door
den Voorzitter van den Raad van beroep).
Kennisgeving aan den belanghebbende van het door
den Voorzitter ingesteld beroep (art. 25 § 3).
Regu van vorenbedoelde kennisgeving.
Lijst van bezwaarschriften en van aanslagen, waar-
van ambtshalve ontheffing in overweging is geno-
men (art. 43 der wet).
Register van verzoekschriften, enz. (artt. 37, 38, 40
en 43 der wet).
Omslagvel bij het bezwaarschrift.
Recu van bij den Prov. Inspecteur ingekomen ver-
zoekschriften.
Omslagvel bij verzoeken om ontheffing (Prov. Inspec-
teur).
Requ eener uitspraak van den Provincialen Inspecteur.
Register van aanteekening van verleende ontheffin-
gen, enz.
Register van bewijzen, bedoeld bij art. 34 der wet.
Proces-verbaal van beêediging (art. 19 § 6 der wet).
Begeleidende missive bij toe te zenden stukken aan
Burgemeesters.
Alphabetische lijst van beroepen, enz.
Losse aanteekening bij de uit te reiken beschrijvings-
biljetten.
N.B. Verg. aant. 2 op art. 12, betreffende de formu-
lieren der beschrüvingsbiljetten.
. 62,
62,
IMid
IMid
63
66
66
69,
1° lid a
69,
en 70
69,
70,
le lid b
3Mid
IMid
70,
2Mid
70,
71,
5Mid
2Mid
Verz. 1894
•, n». 22
§ 35
§ 40, 6
Verz. 1894
6 lid
, n°. 43
-ocr page 293-
BIJLAGE B.
WET van den 5den April 1870 (Staatsblad n°. 63,
Ven. n°. 80), houdende instelling van col-
legiën van zetters voor \'s Rijks directe be-
lastingen. *)
Wij Willem III, bij de gratie Gods, Koning dek Neder-
landen, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxem-
burg, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te
weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het nood-
zakelijk is, ten aanzien der instelling van collegiën van zetters
voor \'s Rijks directe belastingen nieuwe wettelijke bepalingen
vast te stellen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Van de samenstelling en inrichting der collegiën van
zetters en de benoeming der leden.
Art. 1. In iedere gemeente is een collegie van zetters voor
\'s Rijks directe belastingen tot het verrichten der werkzaam-
heden hun door de wet opgedragen.
Door Ons kan aan die collegiën eene vergoeding voor bureau-
kosten en aan de leden, bij wijze van schadeloosstelling, een
presentiegeld worden toegekend.
I. Dit art. 1, 2e lid, is mede van toepassing op de Commissiën
en Adviseurs bedoeld bij de §§ IJ, 2 en 4 van art. 19 der wet
van 2 October 1893 (Stbl. n°. 149).
Verg. § 5, la lid, van dat artikel.
Koninklijk Besluit van 8 Maart 1894 (Stbl. n°. 43,
verz. n°. 34), betreffende de collegiën van
zetters voor \'8 eljks directe belastingen, hunne
belooning en vergoeding voor bureaukosten en
de belooning der adviseurs voor de belasting
op bedrijfs- en anderk inkomsten.
Art. 1. De bestaande collegiën van zetters te Amsterdam, Rot-
terdam
en \'* Gravenhage blijven werkzaam, behalve voor aanslagen
*) Bij res. van 2 Juni 1870, no. 3 (verz. n». 82) zijn eenige punten van in-
structio vastgesteld tot uitvoering der wet.
-ocr page 294-
284
Bijlage B. — Art. 1.
betreffende het recht van patent, bedoeld bij art. 58, § 4, der wet
van 2 October 1893 (Staatsblad n°. 149), voor de grondbelasting
en de personeele belasting.
Art. 2. Voor de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten
worden in de genoemde gemeenten collegiën van zetters ingesteld,
bestaande uit den voorzitter en vier leden, te weten:
een collegie van zetters voor elk der zes kantoren te Amsterdam.
een collegie van zetters voor elke der drie afdeelingen te
Rotterdam.
een collegie van zetters voor elke der twee afdeelingen te
\'s Gravenhage.
Onder kantoren of afdeelingen worden voor de toepassing van
dit besluit verstaan de kringen van de ontvangkantoren der directe
belastingen in de genoemde gemeenten, zooals die kringen door
Ons zijn of nader zullen worden omschreven.
Art. 3. Met ingang van 1 Mei 1894 wordt voor de in art. 1
bedoelde collegiën van zetters, het bij art. 2 van het Koninklijk
besluit van 26 Augustus 1870 (Staatsblad n°. 156) a) vastgestelde
presentiegeld voor elk duizendtal inwoners der gemeente vermin-
derd tot ƒ 5.
o) Aangeteekend op het volgende artikel.
Art. 4. Voor de leden der gezamenlijke in art. 2 van dit besluit
bedoelde collegiën van zetters in elke der daar genoemde gemeenten
wordt, met uitzondering van de voorzitters, toegekend een pre-
sentiegeld als schadeloosstelling, tot gelijk bedrag als is bepaald
bij artt. 2 en 3 van het Koninklijk besluit van 26 Augustus 1870
(Staatsblad n°. 156) a).
o) Deze artikelen (Verz. 1870, no. 142) luiden:
Art. 2. Aan de leden te zamen van een collegie,van zetters wordt
jaarlijks, naarmate der bevolking van de gemeente, voor elk duizendtal
inwoners bij wijze van schadeloosstelling als presentiegeld toegekend:
o. in gemeenten van 10000 zielen en daarboven.....ƒ 14.00
b. in de overige gemeenten............- 10.00
Art. 3. Het onderdeel der duizendtallen in de twee vorige artikelen
vermeld, genomen naar den toestand van het jaar, waarin de werk-
zaamheden zijn verricht, wordt, indien het 500 of meer bedraagt, voor
een geheel en anders niet gerekend.
Art. 5. Met ingang van 1 Mei 1894 wordt de vergoeding voor
bureaukosten der bestaande collegiën van zetters, vastgesteld bij
art. 1 van het Koninklijk besluit van 26 Augustus 1870 (Staatsblad
n°. 156) en het Koninklijk besluit van 29 Mei 1872 (Staatsblad
n°. 53), verminderd als volgt:
voor elk duizendtal inwoners wordt als vergoeding voor bureau-
kosten toegekend:
in gemeenten van 50000 zielen en daarboven ..../" 2.—
in gemeenten van 10000 zielen tot 50000 zielen . . . - 1.25
in gemeenten van 1500 zielen tot 10000 zielen .... 1.—
De voorschriften van artt. 4 en 5 van eerstgemeld besluit a)
zijn ook van toepassing op de. in artt. 3, 4 en 5 van dit besluit
bedoelde presentiegelden en vergoedingen voor bureaukosten.
a) Deze artikelen luiden :
Art. 4. Het bedrag der vergoeding voor bureaukosten en dat van
-ocr page 295-
Bijlage B. - Artt. 1-3.                       285
het presentiegeld der leden worden voor elke gemeente door Onzen
Commissaris in de provincie aangewezen.
Hij verdeelt tevens het presentiegeld onder de leden, naarmate deze
aan de vergaderingen hebben deelgenomen, blijkens de presentielijsten,
aan hem door den voorzitter van het collegie na afloop des jaars in te
zenden.
Hij doet vóór den 15 Februari van een en ander mededeeling aan
den Provincialen Inspecteur der directe belastingen, die tot uitbetaling
van de vergoeding voor bureaukosten ordonnantiën en van het presen-
tiegeld betalingslijsten opmaakt.
Art. 5. De ordonnantiën worden door den voorzitter en een ander lid
van het collegie van zetters en de betalingslijsten door elk lid ieder
voor zooveel hem aangaat, voor voldaan geteekend.
Art. 6. De krachtens art. 19 § 4 der wet van 2 October 1893
(Staatsblad n°. 149) te benoemen Adviseurs genieten ieder zes
gulden voor eiken dag, waarop zij voor de belasting op bedrijfs-
en andere inkomsten met den voorzitter werkzaam zijn.
Duurt die werkzaamheid minder dan drie uren dan wordt dat
bedrag met de helft verminderd.
De declaratiën wegens dit presentiegeld worden per drie maanden
ingezonden aan het Departement van Financiën, voorzien van
eene verklaring van den voorzitter nopens hare juistheid. Zij
vermelden de dagen waarop de werkzaamheden hebben plaats
gehad.
Art. 2. Het collegie van zetters bestaat in gemeenten van
10 000 zielen en daarboven uit zeven, in de overige gemeem
ten uit vijf leden.
Wij benouden Ons echter voor in eene gemeente meer dan
een collegie van zetters in te stellen, in zoodanig geval het
aantal leden van elk collegie, behoudens het bovenbedoelde
maximum, te \'bepalen en de werkzaamheden onder die colle-
giën te verdeelen. a)
De burgemeester, of die hem ingevolge art. 77 der wet van
29 Juni 1851 (Staatsblad n°. 85) vervangt, is ambtshalve lid
en voorzitter.
Voor werkzaamheden echter betreffende de belasting op be-
drijfs- en andere inkomsten is, met afwijking van het be-
paalde bij art. 5, tweede lid, een hoofdambtenaar der directe
belastingen, aan te wijzen door den Minister van Financiën
ambtshalve lid en voorzitter. Art. 14 en art. 16 zijn bij het
verrichten dezer werkzaamheden niet van toepassing, a)
De overige leden worden uit ingezetenen der gemeente be-
noemd. Bij niet genoegzame ruimte van keuze in de gemeente
kunnen ook ingezetenen van eene naburige gemeente in de-
zelfde provincie worden benoemd.
a) Dit lid is toegevoegd krachtens art. 18 der wet van 2 October
1893 (Stbl. no. 149).
Art. 3. De benoeming geschiedt door Onzen Commissaris in
de provincie vóór den eersten October des jaars uit eene aan
-ocr page 296-
286                     Bijlage B. - Artt. 3-5.
hem door den gemeenteraad vóór den eersten September van
dat jaar ingezonden opgave van tweemaal zooveel personen
als er leden te benoemen zijn.
Is deze opgave niet tijdig ingekomen of zijn daarop perso-
nen geplaatst, die de vereischten, om benoemd te worden, niet
bezitten, dan is Onze Commisssaris in de provincie bevoegd tot
eene benoeming naar eigen keuze.
Binnen veertien dagen na de benoeming voorziet Onze com-
missaris in de provincie de benoemden van eene akte van
aanstelling.
In de gemeenten van 10 000 zielen en daarboven kan Onze
Commissaris in de provincie op voordracht van den burge-
meester, in diens plaats een wethouder of een ander lid van
den gemeenteraad aanwijzen.
Bij instelling van meer dan een collegie van zetters in eene
gemeente geschiedt de benoeming der niet ambtelijke leden de
eerste maal uit eene opgave door den Gemeenteraad binnen
twee maanden na het instellen van het collegie of de colle-
giën in te zenden aan den Commissaris des Konings (der Ko-
ningin) in de provincie, die het tijdstip van het optreden der
benoemden bepaalt, a)
De helft der aldus benoemde leden treedt af met het einde
van het volgend jaar, de overigen twee jaar later, overeen-
komstig de regelen bij art. 4, 3e en 4e lid, dezer wet be-
paalt. a)
a) Dit lid is toegevoegd krachtens art. 18 der wet van 2 October
1898 (Stbl. no. 149).
Art. 4. De diensttijd der zetters gaat in met den eersten
Januari.
De benoemden hebben zitting gedurende vier jaren.
Telkens na verloop van twee jaren treedt de helft der be-
noemde leden volgens een daarvan op te maken rooster af.
Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid naar den rooster
aftreedt. Die aftredenden zijn dadelijk herbenoembaar.
Art. 5. Om tot zetter te kunnen worden benoemd, moet
men den vollen ouderdom van dertig jaren hebben bereikt en
in het vol genot zijn van burgerlijke en burgerschapsrechten.
Geestelijken, bedienaren der godsdienst, notarissen, ambte-
naren bij \'s Rijks belastingen of bij gemeentebesturen en mili-
tairen in werkelijken dienst zijn niet benoembaar.
Niemand kan voor meer dan ééne gemeente te gelijk wor-
den benoemd.
Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of twee-
den graad mag niet bestaan tusschen de zetters onderling.
Die na zijne benoeming in den verboden graad van zwager-
-ocr page 297-
287
•Bijlage B. — Artt. 5 — 8.
schap geraakt, behoeft vóór den afloop van zijn tijd van zit-
ting niet af te treden.
De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw,
die haar veroorzaakte.
1.    Dit art. 5, le, 4% 5e en 6" lid is mede van toepassing op
de commissiën en Adviseurs, bedoeld bij de §§ 16, 2 en 4 van
art. 19 der wet van 2 October 1893 (Stbl. n°. 149).
Hetzelfde geldt voor het bepaalde bij het 2e lid, voor zoover
daarvan niet bij de §§ 1 en 2 van genoemd art. 19 is afge-
weken.
Verg. § 5, le en 2" lid, van dat artikel.
2.    Bezoldigde gemeente-ambtenaren zijn niet benoembaar tot
zetter of lid eener commissie van aanslag voor de belasting op
bedrijfs- en andere inkomsten.
Art. 6. De tot zetter benoemde geeft, bij de- ontvangst zij-
ner akte van aanstelling, een bewijs van ontvangst daarvoor
af en, binnen acht dagen na de dagteekening van dat bewijs,
kennis aan den Commissaris desKonings (der Koningin) of hij
de benoeming aanneemt.
Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan,
geacht de benoeming niet aan te nemen.
Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, of
de in het eerste lid van dit artikel bepaalde \'tijd zonder ken-
nisgeving verstreken is, geschiedt eene nieuwe keuze over-
eenkomstig art. 7.
Zetters kunnen te allen tijde hun ontslag nemen. Het
wordt door hen ingezonden aan den Commissaris des Konings
(der Koningin). Zij blijven echter hunne betrekking waarnemen,
tot dat hunne opvolgers hunne benoeming zullen hebben aan-
genomen.
Art. 7. Bij tusschentijds ontslag of overlijden van eenen
zetter benoemt Onze Commissaris in de provincie een ander
in diens plaats, uit de opgave, in art. 3, eerste alinea, vermeld.
Wordt die opgave daartoe door hem niet voldoende geacht,
dan vraagt hij aan den gemeenteraad de toezending, binnen
den tijd van dertig dagen, eener nieuwe van twee personen.
Op deze opgave is van toepassing art. 3, tweede lid.
De tusschentijds benoemde treedt af op het tijdstip waarop
degene, in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten
aftreden.
Art. 8. De zetter, die door ziekte, afwezigheid, of de ver-
vulling van openbare dienstplichten tijdelijk verhinderd wordt
aan de werkzaamheden van het collegie deel te nemen, geeft
daarvan dadelijk aan den voorzitter kennis.
-ocr page 298-
288                     Bijlage B. — Artt. 8 —11-.
In die gevallen benoemt Onze Commissaris in de provincie,
zoo noodig, tijdelijk een of meer plaatsvervangers.
Op deze plaatsvervangers zijn toepasselijk de bepalingen
vervat in de artt. 5 en 6.
I. Dit art. 8, l,te lid, is mede van toepassing op de Commis-
siën en Adviseurs, bedoeld bij de §§ 1 b, 2 en 4 van art. 19 der
wet van 2 October 1893 (Stbl. n°. 149).
Verg. § 5, le lid, van dat artikel.
Art. 9. De door Onzen Commissaris in de provincie be-
noemde zetters en hunne plaatsvervangers leggen, alvorens
hunne betrekking te aanvaarden, in handen van den voor-
zitter, elk naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den
volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof), dat ik als zetter voor de Rijks directe
„belastingen der gemeente....., bij de toepassing der wet,
„waartoe ik heb mede te werken, met nauwgezetheid en on-
„partijdigheid en volgens mijn geweten zal te werk gaan.
„Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!" („Dat beloof ik").
Van deze beëediging, die kosteloos geschiedt, maakt de voor-
zitter op de akte van aanstelling melding.
Bij herbenoeming wordt geene nieuwe eedsaflegging gevorderd.
Van den afgelegden eed wordt door den voorzitter op de nieuwe
akte van aanstelling melding gemaakt.
I. Voor de toepassing der wet van 2 October 1893 (Stbl.
n°. 149) geldt het formulier opgenomen onder § 6 van art. 19
dier wet. Verg. aant. 7 op dat artikel.
§ 2. Van de vergadering en de werkzaamheden der collegiën.
Art. 10. De gemeente voorziet in het lokaal, waarin de ver-
gaderingen worden gehouden.
De voorzitter roept, zoo dikwerf hij het noodig oordeelt, of
daartoe door den Rijksambtenaar, met wien het collegie in-
gevolge de wet zijne werkzaamheden verricht, wordt uitgenoo-
digd, minstens drie dagen te voren, bij schriftelijke kennisge*
ving aan elk lid en dien Rijksambtenaar, het collegie bijeen.
Gelijke oproeping geschiedt op het daartoe strekkend verzoek
van de meerderheid der leden van het collegie.
I. Dit art. 10, l8,e lid, is mede van toepassing op de Commis-
siën en Adviseurs bedoeld bij de §§ 1 i, 2 en 4 van art. 19 der
wet van 2 October 1893 (Stbl. n». 149).
Verg. § 5, le en 3e lid, van dat artikel.
Art. 11. De besluiten van het collegie worden bij meerder-
heid van stemmen genomen.
-ocr page 299-
Bijlage B. - Artt. 11-15.                   289
Tot het nemen van een besluit wordt in collegiën, uit zeven
leden bestaande, de tegenwoordigheid van ten minste vier, en
in de overige collegiën die van minstens drie leden vereischt.
Bij staking van stemmen heeft de voorzitter eene beslissende
stem.
De uitgaande stukken worden namens het collegie door den
voorzitter en minstens twee der overige leden geteekend.
I. Dit art. 11. is mede van toepassing op de Commissiën en
Adviseurs, bedoeld bij de §§ 1 b, 2 en 4 van art. 19 der wet van
2 October 1893 (Stbl. n». 149).
Verg. § 5, le lid, van dat artikel.
Art. 12. Bij de behandeling der aangelegenheden, betreffende
een der leden of iemand, met wien hij in bloedverwant" of
zwagerschap tot den derden graad ingesloten, staat, verlaat dit
lid vooraf de vergadering.
I. Dit art. 12 is mede van toepassing op de Commissiën en
Adviseurs, bedoeld bij de §§ 16, 2 en 4 van art. 19 der wet van
2 October 1893 (Stbl. n°. 149).
Verg. § 5, le lid, van dat artikel.
Art. 13. De vergaderingen van het collegie worden bijge-
woond door den Rijksambtenaar in art. 10, laatste lid, genoemd,
zoo menigmaal hij dit voor de behandeling van zaken noodig acht.
Zoowel deze als de voorzitter kunnen den Rijksontvanger
der directe belastingen van de gemeente uitnoodigen die ver-
gaderingen bij te wonen. Hij heeft daarin eene raadgevende stem.
Art. 14. Het collegie vangt de werkzaamheden betrekkelijk
de aanslagsregeling der belastingplichtigen aan en brengt die
ten einde binnen den tijd, daartoe door Onzen Commissaris in
de provincie te bepalen. Zijn die werkzaamheden op den be-
paalden tijd niet ten einde gebracht, dan worden zij door den
burgemeester alleen ter hand genomen en ten spoedigste afgedaan.
De in art. 10, laatste zinsnede, genoemde Rijksambtenaar ver-
gadert dan met den burgemeester tot het daarbij vermeld einde.
I. Verg. hierbij art. 19, § 7, der wet van 2 October 1893 (Stbl.
n°. 149).
Art. 15. Het collegie dient binnen veertien dagen van bericht
en raad op verzoek- of bezwaarschriften in zake van directe
belastingen, die tot dat einde door den Rijksambtenaar, wien
zulks aangaat, in zijne handen worden gesteld.
Blijft het ten deze in gebreke, dan wordt de zaak ten spoe-
digste door den burgemeester alleen afgedaan.
19
-ocr page 300-
290
Bijlage B. — Artt. 16 — 18.
Art. 16. Alle besluiten of handelingen van collegiën van
zetters, in strijd met de wet of waartoe de wet hun geene
bevoegdheid geeft, worden op voorstel van den Rijksambtenaar,
daartoe door Ons aan te wijzen, door Gedeputeerde Staten der
provincie nietig verklaard bij een met redenen omkleed besluit,
hetwelk aan het collegie en dien Rijksambtenaar wordt mede-
gedeeld en openbaar gemaakt.
De stukken betreffende de gerezen bezwaren worden door
Gedeputeerde Staten vooraf aan het daarbij betrokken collegie
gezonden, hetwelk ze, voorzien van zijn bericht, binnen den tijd
van acht dagen terugzendt.
De nietig-verklaring brengt mede vernietiging van al de ge-
volgen van het vernietigd besluit.
I. Bij K. B. van 18  Mei 1870 (Stbl. n°. 76, Verz. n°. 81) is de
Provinciale Inspecteur    der directe belastingen aangewezen als
de Rijksambtenaar in    dit artikel bedoeld, op wiens voorstel be-
sluiten of handelingen    van collegiën van zetters kunnen worden
nietig verklaard.
Art. 17. Al de stukken, die uit krachte dezer wet worden
opgemaakt, zijn vrij van zegel en van registratie.
§ 3. Overgangsbepalingen.
Art. 18. De benoeming van zetters krachtens deze wet ge-
schiedt de eerste maal tot het geheel aantal, bedoeld bij art.
2. Hun diensttijd gaat in den lsten Januari 1871.
De helft van die benoemden treedt af den laatsten December
1872, overeenkomstig de regelen, bij art. 4, 3de en 4de lid, ge-
steld.
Met den lsten Januari 1871 vervalt art. 23, 4de en 5de lid,
der wet van 21 Mei 1819 (Staatsblad n°. 34).
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriëele Departementen, Autoriteiten,
Collegiën en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de nauw-
keurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te \'s-Gravenhage, den 5den April 1870.
WILLEM.
De Minister van Financien,
van Bosse.
Uitgegeven den elfden April 1870.
De Minister van Justitie,
VAN LlLAAR.
-ocr page 301-
BIJLAGE C.
KONINKLIJK BESLUIT van den 28sten October
1893 (Stbl. n". 157, Verz. n°. 109), tot aan-
wijzing der kringen van de commissiën van
aanslag voor de belasting op bedrijfs- en
andere inkomsten en van hare standplaatsen.
In naam van Haee Majesteit WILHELMINA, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-
Nassau, enz., enz., enz.
Wij EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het Ko-
NINKRUK,
Op de voordracht van den Minister van Financiën, van 11
October 1893, n°. 75, Directe Belastingen;
Gelet op artikel 19 §§ 1, 2, 5 en 8 der wet van 2 October
1893 (Staatsblad n°. 149), betreffende de belasting op bedrijfs-
en andere inkomsten;
Den Raad van State gehoord (advies van den 24 October
1893, n°. 20);
Gelet op het nader rapport van genoemden Minister, van
27 October 1893, n°. 105, Directe Belastingen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1. Commissiën van aanslag *voor de belasting op be-
drijfs- en andere inkomsten worden ingesteld ter plaats en
voor de kringen omschreven in den aan dit besluit gehech-
ten staat.
I. De opneming van dezen staat is achterwege gelaten. Eene
lijst van de tot elke controle der directe belastingen behoorende
gemeenten of deelen van gemeenten, met vermelding van de
inspectiën der registratie, de kringen der commissiën van aanslag
en de kringen der Kaden van beroep, waarbij die gemeenten of
deelen van gemeenten zijn ingedeeld, is opgenomen in Verz. 1891,
n°. 28.
Art. 2. De leden der commissiën van aanslag, buiten den
voorzitter en den Inspecteur der Registratie, genieten ieder
zes gulden voor eiken dag waarop zij hare vergaderingen by-
wonen.
-ocr page 302-
Bijlage C. — Artt. 2—4.
292
De declaratiën wegens presentiegeld worden per drie maan-
den ingezonden aan het Departement van Financiën. Zij ver-
melden de dagen waarop de vergaderingen zijn bijgewoond en
worden door den voorzitter voorzien van eene verklaring, dat
de opgegeven vergaderingen werkelijk door den declarant zijn
bijgewoond.
Art. 3. De commissiën van aanslag vergaderen in de ge-
meente, waarin zij gevestigd zijn, tenzij door den voorzitter
eener commissie, welker werkkring zich over meerdere gemeen-
ten uitstrekt, eene andere plaats binnen den haar aangewezen
kring voor de vergadering wordt aangewezen.
De reis- en verblijfkosten worden aan de leden der commis-
siën, buiten den voorzitter, vergoed overeenkomstig de bepalin-
gen vastgesteld bij het Koninklijk besluit van 5 Januari 1884
(Staatsblad n°. 4). Zij worden gerangschikt in de derde klasse,
bedoeld bij art. 2 van evengemeld besluit.
De declaratiën van reis- en verblijfkosten worden ingediend
bij het Departement van Financiën; art. 21 van voormeld
besluit van 5 Januari 1884 is op deze declaratiën van toe-
passing.
Art. 4. Onder de benamingen: „kantoren of afdeelingen",
voorkomende in den staat bedoeld bij artikel 1 van dit be-
sluit, worden verstaan de kringen van kantoren of afdeelingen
der directe belastingen, zooals zij door Ons zij n of nader zullen
worden vastgesteld.
De Minister van Financiën is belast met de uitvoering van
dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en
waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van
State en aan de Algemeene Rekenkamer.
Het Loo, den 28sten October 1893.
EMMA.
De Minister van Financiën,
PIERSON.
Uitgegeven den veertienden November 1893.
De Minister van Justitie,
S M I D T.
-ocr page 303-
BIJLAGE D.
KONINKLIJK BESLUIT van den I3\'i\'\'" April 1893
(Stbl. n°. 75, Vepz. n°. 92), houdende be-
palingen omtrent de Raden van beroep voor
de uitspraken op de bezwaarschriften, be-
trekkelijk de vermogensbelasting
*)
In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-
Nassau, enz., enz., enz.
Wij EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het ko-
NINKRIJK,
Op de voordracht van den Minister van Financiën van den
18den Maart 1893, n°. 8, Registratie;
Gelet op de artikelen 29 en 37 der wet van den 27stenSep-
tember 1892 {Staatsblad n°. 223) op de vermogensbelasting;
Den Raad van State gehoord (advies van den 4den April 1893,
n°. 14);
Gezien het nader rapport van den voornoemden Minister van
den 12den April 1893, n°. 32, Registratie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1. Er zal een Raad van beroep zijn gevestigd in elk
der na te melden gemeenten, voor de uitspraak op de bezwaar-
schriften betrekkelijk de aanslagen in de vermogensbelasting
opgelegd binnen den bij elke gemeente vermelden kring, te
weten:
1°. te Groningen, voor de aanslagen opgelegd in de provincie
Groningen;
2°. te Leeuwarden, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
der kantoren der successierechten te Leeuwarden, Harlingen,
Holwerd, Dokkum en Hardegarijp;
3°. te Heerenveen, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
van de kantoren der successierechten te Heerenveen, Bolsward,
Sneek, Lemmer, Beetsterzwaag en Oldeberkoop;
*) Volgens art. 25 der wet van 2 October 1893 (Stbl. n<>. 149, Verz. no. 92)
treden dezelfde Radon van beroep op voor de uitspraken op de bezwaarschrif-
ten, betrekkelijk de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten.
-ocr page 304-
294
Bijlage D. — Abt. 1.
4°. te Assen, voor de aanslagen opgelegd in de provincie Drenthe;
5°. te Zwolle, voor de aanslagen opgelegd in de kringen der
kantoren der successierechten te Zwolle, Kampen, Steenwijk,
Deventer, Baalte
en Ommen;
6°. te Hengelo, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
der kantoren der successierechten te Almelo, Enschede en Goor;
7°. te Zutphen, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
der kantoren der successierechten te Zutphen, Lochem, Groenlo,
Apeldoorn, Elburg, Harderwijk
en Nijkerk;
8°. te Arnhem, voor de aanslagen opgelegd in de kringen der
kantoren der successierechten te Arnhem, Zevenaar, Terborg,
Wageningen,
en Doesburg;
9°. te Tiel, voor de aanslagen opgelegd in de kringen der
kantoren der successierechten te Tiel, Nijmegen, Druten, Eist,
Zaltbommel
en Culenborg;
10°. te Roermond, voor de aanslagen opgelegd in de pro-
vincie Limburg;
11°. te \'s-Hertogenbosch, voor de aanslagen opgelegd in de
kringen der kantoren der successierechten te \'s-Hertogenbosch,
Veghel, Boxmeer, Oss, Grave, Werkendam, Waalwijk, Oirschot,
Eindhoven
en Helmond;
12°- te Breda, voor de aanslagen opgelegd in de kringen der
kantoren der successierechten te Breda, Tilburg, Oosterhout,
Zevenbergen, Roosendaal
en Bergen op Zoom;
13°. te Middelburg, voor de aanslagen opgelegd in de pro-
vincie Zeeland;
14°. te Dordrecht, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
der kantoren der successierechten te Dordrecht, Sliedrecht, Go-
rinchem, Vianen
en Oud-Beijerland ;
15°. te Rotterdam, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
der kantoren der successierechten te Rotterdam, Schiedam, Brielle,
IJsselmonde
en Dirksland;
16°. te \'s-Gravenhage, voor de aanslagen opgelegd in de
kringen der kantoren der successierechten te \'s-Gravenhage,
Delft
en Gouda;
17°. te Leiden, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
der kantoren der successierechten te Leiden, Noordwijk, Alphen
en Woerden;
18°. te Utrecht, voor de aanslagen opgelegd in de provincie
Utrecht;
19°. te Amsterdam, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
der kantoren der successierechten te Amsterdam en Hilversum;
-ocr page 305-
295
Bijlage D. — Aett. 1 — 5.
20°. te Haarlem, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
der kantoren der successierechten te Haarlem en Zaandam;
21°. te Hoorn, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
der kantoren der successierechten te Hoorn, Medemblik, Enkhui-
zen
en Purmer end;
22°. te Alkmaar, voor de aanslagen opgelegd in de kringen
der kantoren der successierechten te A Ikmaar, Schagen, Helder
en Texel.
Art. 2. De Kaad vergadert in de gemeente, waarin hij ge-
vestigd is, tenzij door den voorzitter eene andere plaats voor
de vergadering wordt aangewezen.
De reis- en verblijfkosten worden aan den voorzitter en aan
de leden van den Raad vergoed, overeenkomstig de bepalingen
gemaakt bij het Koninklijk besluit van den 5den Januari 1884
(Staatsblad n°. 4). De voorzitter en de leden van den Raad
worden gerangschikt in de tweede klasse, bedoeld bij art. 2
van evengemeld besluit.
De declaratiën van de reis- en verblijfkosten worden ingele-
verd bij het Departement van Financiën ; art. 21 van voor-
meld besluit van 5 Januari 1884 is op deze declaratiën van
toepassing.
Art. 3. Voor eiken dag, waarop de Raad vergadert, wordt
als vacatiegeld genoten, door den voorzitter vijftien gulden en
door ieder lid tien gulden.
De declaratiën wegens vacatiegelden worden per drie maan-
den ingezonden aan het Departement van Financiën; zij ver-
melden de dagen, waarop de vergaderingen zijn bijgewoond.
Die van de leden van den Raad worden door den voorzitter
voorzien van eene verklaring, dat de opgegeven vergaderingen
werkelijk door den declarant zijn bijgewoond.
Art. 4. Als vergoeding voor bureaukosten kan door den Mi-
nister van Financiën worden toegekend:
aan den Secretaris van den Raad te Amsterdam hoogstens
achthonderd gulden \'s jaars;
aan den Secretaris van de Raden te Rotterdam en te \'s-Graven-
hage,
elk hoogstens zeshonderd gulden \'s jaars.
en aan den Secretaris van elk der andere Raden hoogstens
vierhonderd gulden \'s jaars.
Deze vergoeding wordt tegen quitantie van den Secretaris
aan het einde van elke drie maanden uitbetaald door den ont-
vanger der successierechten tot wiens kantoor de standplaats
van den Raad behoort.
Art. 5. De vergoeding aan de deskundigen, die den Raad
-ocr page 306-
296                       Bijlage D. - Artt. 5-6.
hebben voorgelicht, wordt hun overeenkomstig art. 37, alinea
2, der wet van 27 September 1892 (Staatsblad n». 223), door
den voorzitter van den Raad toegelegd aan den voet van hunne
declaratie.
De declaratie vermeldt de opdracht van den Raad, den aard
der verrichte werkzaamheden, den daaraan besteden tijd en de
daarvoor gedane reizen. Het vacatiegeld en het voor reiskos-
ten toegekende bedrag worden door den voorzitter elk afzon-
derlijk vermeld.
Het door den voorzitter toegelegde bedrag wordt door den
ontvanger der successierechten aan de deskundigen uitbetaald
op overlegging van hunne onder des voorzitters toeschatting
te stellen quitantie.
Art. 6. De kosten van huur, verwarming, verlichting en
schoonhouden van het lokaal, waarin de Raad vergadert en
van bediening van den Raad, worden door den Minister van
Financiën vastgesteld en door den ontvanger der successierech-
ten aan de daarop rechthebbenden op hunne quitantie uitbetaald.
De Minister van Financiën is belast met de uitvoering van
dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waar-
van afschrift zal worden gezonden aan de Algemeene Reken-
kamer en aan den Raad van State.
Amsterdam, den 13den April 1893.
EMMA.
De Minister van Financiën,
PlERSON.
Uitgegeven den zeventienden April 1893.
De Minister van Justitie,
Smidt.
-ocr page 307-
BIJLAGE E.
WET van den 22sten Mei 1845 (Stbl. n«. 22,
Verz. n°. 140), op de invordering van \'s Rijks
directe belastingen, zooals zij gewijzigd is
bij de wetten van 15 Juli 1869 (Stbl. nD.
133, Verz. n°. 167) en 2 October 1893 (Stbl.
n°. 149, Verz. n°. 93).
Wij WILLEM II, enz.....doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het nood-
zakelijk is de invordering van \'s Rijks directe belastingen en
den voorrang van \'s Rijks schatkist te dier zake, bij eene
algemeens wet te regelen ;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State enz.
Art. 1. De invordering der directe belastingen geschiedt
krachtens de door den Gouverneur der provincie a) executoir
verklaarde en door het hoofd van het plaatselijk bestuur af-
gekondigde kohieren.
De afkondiging houdt in, dat het kohier aan den ontvan-
ger ter invordering is ter hand gesteld en dat ieder verplicht
is zijnen aanslag, op den bij de wet bepaalden voet, te vol-
doen.
Van de afkondiging en overgave van het kohier wordt, door
het hoofd van het plaatselijk bestuur, aanteekening gedaan op
het kohier, met vermelding van den dag waarop een en ander
is geschied.
a) Thans de provinciale Inspecteurs der directe belastingen.
Verg. art. 1 der wet van 15 Juli 1869 (Stbl. n°. 133, Verz. n».
167).
Art. 2. Na de overneming van het kohier zendt de ont-
vanger, zoodra mogelijk en kosteloos, aan ieder belasting-
schuldige een gedagteekend aanslagbiljet, bevattende den naam
van den belastingschuldige, mitsgaders aanwijzing van het be-
drag van den aanslag, van de plaats van betaling, van de
dagen en uren waarop de ontvanger zitting houdt, van den
ambtenaar of het collegie, bij welke de bezwaarschriften kun-
nen worden ingediend, en van den. termijn daartoe bij de wet
bepaald, en, eindelijk, uitnoodiging tot betaling vóór of op de
vervaldagen, op straffe van vervolging.
Wanneer, wat de grondbelasting betreft, de belastingschui-
-ocr page 308-
298
Bijlage E. — Abtt. 2—6.
dige niet woont in eene der gemeenten tot het kantoor van
ontvangst behoorende alwaar hij is aangeslagen, kan het aan-
slagbiljet worden toegezonden aan den huurder, pachter of
bruiker, of, tot meerdere perceelen betrekking hebbende, aan
den huurder, pachter of bruiker van het gedeelte der goede-
ren, hetwelk, volgens de registers van het kadaster, het hoog-
ste inkomen oplevert, mits zoodanige huurder, pachter of brui-
ker in eene van die gemeenten woonachtig.zij.
Art. 3. De ontvangers zijn verplicht voor iedere betaling
onmiddellijk quitantie op het aanslagbiljet te stellen.
Indien het aanslagbiljet in het ongereede mocht zijn ge-
raakt moet een duplicaat van hetzelve opgemaakt en, tegen
betaling van vijf cents, behalve het zegelrecht, indien de qui-
tantie daaraan onderworpen is, aan den belastingschuldige uit-
gereikt worden.
Art. 4. De toerekening en afschrijving der betalingen ge-
schiedt in de navolgende orde:
1°. op de kosten van schatting, telling of herziening en van
vervolging, zoo die verschuldigd zijn;
2°. op de zegelrechten der quitantiën;
3°. op de oudste der openstaande aanslagen of vervallen
termijnen.
Art. 5. Iedere aanslag is in zijn geheel verschuldigd door
dengene, te wiens name dezelve op het kohier voorkomt.
Niettemin kunnen de verkeerde tenaamstellingen, in den
loop des dienstjaars in de kohieren der grondbelasting ont-
dekt, welke eene verandering of splitsing van den aanslag
noodig maken bij eenvoudig bevelschrift van den Provincialen
Inspecteur der directe belastingen worden hersteld.
Dat bevelschrift heeft dezelfde kracht als het executoir ver-
klaarde kohier; hij, die zich met zijnen daarin voorkomenden
aanslag bezwaard mocht achten, kan daartegen opkomen bjj
Gedeputeerde Staten der provincie, op denzelfden voet als
voor de gewone aanslagen op de kohieren is bepaald. De ter-
mijn daartoe gaat in met den dag der kennisgeving van het
bevelschrift.
Bij eigendomsovergang van onroerende goederen, zijn de
nieuwe verkrijgers aansprakelijk voor de grondbelasting van
het loopende en het vorige jaar, wegens die goederen ver-
schuldigd, en kunnen zij tot de aanzuivering daarvan, even
als de schuldenaar zelf, rechtstreeks en in hunne eigen goe-
deren worden aangesproken.
Art. 6. Mede-eigenaars, welke niet bij name op het kohier
-ocr page 309-
Bijlage E. - Artt. 6-8.                     299
der grondbelasting zijn aangeslagen, zijn niet aansprakelijk,
dan in het onroerend goed waarvan zij den mede-eigendom
hebben. De uitwinning kan echter plaats hebben ten name
van den op het kohier bekenden mede-eigenaar.
Art. 7. Huurders, pachters of bruikers, ontvangers, rent-
meesters, zaakwaarnemers, notarissen, griffiers, deurwaarders,
ondernemers van openbare verkoopingen, curators in boedels
van gefailleerden of van in staat van kennelijk onvermogen
verkeerende belastingschuldigen, en alle andere houders of
schuldenaars van penningen aan dezelve toekomende, zijn ver-
plicht, op de daartoe gedane vordering van den ontvanger,
voor rekening van den belastingschuldige, voor zooverre de
penningen, onder hen berustende of door hen verschuldigd,
strekken, de directe belastingen door dezen verschuldigd te be-
talen, zonder daartoe eene verificatie en beëediging van schuld-
vordering, eene rangregeling of rechterlijke uitspraak te mo-
gen afwachten, tenzij onder hen beslag gelegd of verzet ge-
daan ware ter zake van inschulden, waaraan bij art. 12 voor-
rang boven \'s Rijks schatkist is toegekend. Zij zijn zelfs be-
voegd, die betaling uit eigen beweging te doen, vóór dat zij
tot de afgifte der penningen of tot voldoening van het ver-
schuldigde overgaan.
De quitantiën der betaalde belasting hioeten hun in reke-
ning worden geleden.
De in dit artikel bedoelde houders of schuldenaars van pen-
ningen, in gebreke blijvende aan de vordering des ontvangers
te voldoen, worden door dezen bij executoriaal beslag vervolgd,
op de wijze bij het 2" boek, 2e titel, 2e afdeeling, van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald. De kosten
van vervolging komen in dat geval voor hunne rekening, zon-
der te dier zake eenig verhaal op de belastingschuldigen zel-
ven te kunnen uitoefenen.
Art. 8. Voor zooverre bij de belastingwetten de betaling
bij termijnen niet geheel of gedeeltelijk is verboden, en be-
houdens de uitzonderingen, daaromtrent bij het volgende arti-
kel gemaakt, zijn de aanslagen in de directe belastingen op
de voljaarskohieren invorderbaar in tien gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt den laatsten dag der tweede maand
van het dienstjaar; de tweede termijn den laatsten dag der
derde maand, en zoo vervolgens.
Met afwijking van het in de beide voorafgaande leden be-
paalde, zijn de aanslagen wegens belasting op bedrijfs- en an-
dere inkomsten op de voljaarskohieren invorderbaar in vijf
gelijke termijnen; voor zooveel de betaling bij termijnen niet
geheel of gedeeltelijk is verboden en behoudens de uitzonde-
-ocr page 310-
300
Bijlage E. — Artt. 8 — 11.
ringen bij het volgend artikel gemaakt. De eerste termn\'n ver-
valt den laatsten Augustus, de tweede den laatsten October,
de derde den laatsten December, de vierde den laatsten Fe-
bruari en de vijfde den laatsten April van het belastingjaar.
Indien de aanslagen naar tijdsgelang slechts over één kwar-
taal loopen, moeten dezelve dadelijk in hun geheel betaald
worden; anders in zoo vele termijnen, als er, na de maand
waarin de afkondiging van het kohier plaats heeft, nog maan-
den in het dienstjaar overblijven.
Met afwijking van het in het vierde lid van dit artikel be-
paalde is voor aanslagen op kohieren, welke na den laatsten
Augustus zijn afgekondigd, de belasting op bedrijfs- en andere
inkomsten invorderbaar in zooveel gelijke termijnen als er na
de maand, waarin de afkondiging plaats had, nog tijdvakken
van twee maanden als bovenbedoeld in het dienstjaar over-
blijven. Blijft zulk een tijdvak niet over, dan is de belasting
dadelijk in haar geheel invorderbaar.
Art. 9. De directe belastingen zijn dadelijk en in eens in-
vorderbaar :
1°. Wanneer de belastingschuldige in staat van faillisse-
ment of van kennelijk onvermogen is verklaard, gelijk mede
in geval van inbeslagneming van roerende of onroerende goe-
deren, vanwege het Rijk, of van verkoop derzelve, ten gevolge
van eene inbeslagneming namens derden;
2°. Voor zooveel de belasting op het personeel betreft, in
geval van eene over het dienstjaar bij rechterlijk vonnis ge-
bleken overtreding der wetten op dat middel, welke met ont-
duiking der belasting gepaard gaat;
" 3°. voor zooveel de belasting op bedrij fs- en andere in-
komsten aangaat, wanneer de aanslagen betreffen uitdeelingen
van naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschap-
pen op aandeelen, coöperatieve en andere vereenigingen, onder-
linge verzekeringmaatschappijen en reederijen of uitdeeling van
winstaandeelen aan buitenslands gevestigde vennooten, of wel
buitenslands gevestigden, die hier te lande geene vaste in-
richtingen, kantoren of in Nederland gevestigde vertegenwoor-
digers hebben; voorts wanneer blijkt, dat de belastingschuldige
het Rijk met der woon wil verlaten met wegvoering der meubelen.
Art. 10. De verplichting tot betaling wordt niet geschorst
door de indiening van bezwaarschriften tegen den aanslag,
noch door verkrijging van surséance van betaling, evenmin
door het voorbehouden recht van beraad, of door de aanvaarding
onder het voorrecht van boedelbeschrijving.
Art. 11. De directe belastingen, welke gedurende drie jaren,
te rekenen van den dag der afkondiging van het kohier, of
-ocr page 311-
Bijlage E. — Artt. 11 —14.
301
van de dagteekening van het bevelschrift in art. 5 vermeld,
of sedert de laatst bêteekende akte van vervolging, oninge-
vorderd zijn gebleven, zijn verjaard.
Art. 12. \'s Rijks schatkist heeft het recht van voorrang;
A.    Wat de grondbelasting aangaat:
1°. op de aan den belastingschuldige toebehoorende veld- en
boomvruchten, turf te velde, en verdere opbrengst der goe-
deren aan de belasting onderworpen, mitsgaders op de ver-
schuldigde en verschuldigd wordende pacht- of huurpenningen,
en op de tot zekerheid der belasting wegens te verveenen
gronden geconsigneerde waarborgspenningen; a)
2°. op de goederen zelven aan de belasting onderworpen.
B.    Wat de overige directe belastingen aangaat:
op al de roerende en onroerende goederen van den belasting-
schuldige.
Het recht van voorrang bij dit artikel toegekend, geldt boven
alle andere zelfs boven pand en hypotheek, met uitzondering
alleen van de bevoorrechte inschulden in de artt. 1185 n°. 1
en 1195 n°. 1 van het Burgerlijk Wetboek opgenoemd.
Hetzelve houdt stand twee jaren na den dag der afkondiging
in art. 1 of, na de dagteekening van het bevelschrift in art. 5
bedoeld. De bepalingen van dit artikel brengen geen nadeel
toe aan verbanden of privilegiën vóór de afkondiging dezer
wet verkregen.
a) Dit laatste ziet op den sedert afgeschaften turfaccijns.
Art. 13. Wanneer de belastingplichtige in gebreke blijft
het verschuldigde vóór of op den verschijndag aan te zuiveren,
zendt de ontvanger hem een waarschuwing, om binnen drie
dagen, aan zijne verplichting tot betaling te voldoen. Indien
op deze waarschuwing de betaling niet volgt, doet de ontvan-
ger hem eene aanmaning toekomen, om, binnen een nieuwen
termijn van drie dagen, het verschuldigde te betalen, onder
kennisgeving, dat hij daartoe anders door middelen, bij de wet
bepaald, zal worden gedwongen.
Voor de waarschuwing wordt in de steden vijf cents, en ten
platte lande tien cents aan de belastingschuldigen in reke-
ning gebracht; voor de aanmaning het dubbel dier sommen.
Art. 14. De invordering der directe belastingen geschiedt
bij dwangbevel, medebrengende het recht van parate execu-
tie, dat is, het recht, om de roerende en onroerende goederen
des schuldenaars zonder vonnis aan te tasten.
Het dwangbevel kan onderscheiden personen betreffen en
over verschillende dienstjaren en directe belastingen loopen.
Hetzelve wordt uitgevaardigd door den ontvanger, in naam des
-ocr page 312-
302
Bijlage E. — Artt. 14 — 16.
Konings (der Koningin), en executoir verklaard door den\' rechter
van het kanton, waarin het kantoor gevestigd is, alwaar
de belastingschuldige ten kohiere is gebracht; het wordt aan
de schuldenaars, ieder voor zooveel hem aangaat, beteekend,
met bevel tot betaling, en voorts ten uitvoer gelegd op den
voet en de wijze, bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor-
dering, ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vonnissen
en authentieke akten voorgeschreven.
Art. 15. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet
worden geschorst, dan door een verzet, met redenen bekleed.
Dit verzet kan nimmer tegen de wettigheid of de hoegroot-
heid van den aanslag gericht, noch gegrond zijn op de bewe-
ring, dat het aanslagbiljet, de waarschuwing of aanmaning niet
ontvangen zouden zijn.
Hetzelve wordt beteekend aan den ontvanger, die de beta-
ling vervolgt, of ter zijner woonplaatse, en moet, op straffe
van nietigheid, bevatten, keuze van domicilie binnen het ge-
rechtelijk arrondissement, waarin het kantoor van ontvangst
gevestigd is, met dagvaarding voor de rechtbank van dat ar-
rondissement tegen eenen bekwamen rechtsdag, invallende
binnen den veertienden dag na de beteekening der dagvaarding.
Dit verzet wordt voor de rechtbank als summiere zaak be-
handeld en afgedaan, met begrooting der kosten.
Het verzet, afgewezen zijnde, is geen hooger beroep of cas-
satie ontvankelijk, dan na voorafgaande consignatie van de
belasting, en van al de kosten, in handen van den ontvanger,
door wien de betaling wordt vervolgd.
Met afwijking van het in het tweede lid van dit artikel
bepaalde kunnen voor zooveel de belasting op bedrïjfs- en andere
inkomsten betreft, verzet en terugvordering nimmer de hoe-
grootheid van den aanslag of de bepaling van inkomsten, ver-
mogen, uitkeeringen of uitdeelingen van dèn aangeslagene be-
treffen, noch gegrond zijn op het niet ontvangen van aanslag-
biljet, waarschuwing of aanmaning.
Terugvordering van betaalde belasting op bedrijfs- en andere
inkomsten heeft plaats bij dagvaarding van den Minister van
Financiën voor de arrondissements-rechtbank, tot welker gebied
het ontvangkantoor behoort. De dagvaarding wordt beteekend
aan den ontvanger van dit kantoor.
Art, 16. In geval bij eene inbeslagneming van roerende
goederen, derden op de daarin begrepen voorwerpen geheel of
gedeeltelijk recht meenen te hebben, kunnen zij hunne bezwaar-
schriften te dierzake, door tusschenkomst van den ontvanger
en tegen een door denzelven af te geven bewijs, indienen bij
den gouverneur der provincie, a) welke, zoodra mogelyk en
-ocr page 313-
303
Bijlage E. - Artt. 16 — 17.
uiterlijk binnen acht dagen, eene beschikking neemt, waarbrj
de tot bewijs overgelegde stukken moeten worden vermeld.
De verkoop mag niet plaats hebben, dan acht dagen na de
beteekening dier beslissing aan den reclamant en aan dengenen,
tegen wien het beslag is gelegd, met nadere bepaling van den
dag van verkoop.
In geval het bezwaarschrift door den gouverneur a) wordt af-
gewezen, kan degene, die tegen het beslag opkomt, de zaak
voor den gewonen rechter brengen, mits de dagvaarding doende
binnen drie dagen na evengemelde beteekening.
Behoudens het recht van terugvordering, toegekend bij art.
2014 van het burgerlijk wetboek, en bij art. 230 en volgende
van het Wetboek van Koophandel, kunnen derden geene bezwa-
ren inbrengen, noch eenig verzet in rechten doen tegen de in-
beslagneming ter zake van die belastingen, welker voorrang
bij letter B van art. 12 hiervoren geregeld is, wanneer de in-
geoogste of nog niet ingeoogste vruchten, of roerende goederen
tot stoffeering van een huis of landhoef, of tot bebouwing of
gebruik van het land, zich tijdens de inbeslagneming op den
bodem van den belastingschuldige bevinden.
a) Thans de Commissaris der Koningin in de provincie.
Art. 17. Alvorens tot de uitvaardiging van dwangbevelen
tegen achterlijke belastingschuldigen over te gaan, kan de ont-
vanger, op daartoe bekomen machtiging van den kantonrechter,
den nalatige, mits hem daarvan ten minste 24 uren te voren
schriftelijk, kennis gevende, door inlegering tot betaling dwingen,
en hem ten dien einde een krijgsman zenden, voorzien van
een bevel tot inlegering, hetwelk door den ontvanger uitge-
vaardigd en door het hoofd van het plaatselijk bestuur voor
gezien geteekend wordt, a) In de aanvrage ter bekoming van
deze machtiging, worden vermeld de persoon of personen bij
wie de inlegering zal plaats hebben, met opgave hunner woon-
plaats.
De machtiging mag niet worden geweigerd dan om zeer ge-
wichtige redenen, welke door den kantonrechter worden ver-
meld op de aanvraag, welke aan den ontvanger wordt terug-
gegeven.
De belastingschuldige is verplicht aan den ingelegerde huis-
vesting, een nachtleger, voeding en eene plaats aan den ge-
meenen haard te geven, benevens vijftig cents daags; gedeelten
van dagen voor geheele gerekend.
De inlegering mag slechts tien volle dagen worden voort-
gezet. Indien de nalatige binnen dien tijd het gevorderde, met
inbegrip der kosten, voldoet, wordt de ingelegerde door den
ontvanger dadelyk teruggeroepen.
-ocr page 314-
Bijlage E. — Artt. 17 — 19.
304
Wanneer de nalatige belastingschuldige weigeren mocht den
ingelegerde huisvesting, een nachtleger, voeding of eene plaats
aan den gemeenen haard te geven, wordt hij veroordeeld in
eene boete van hoogstens f 100, en in eene gevangenisstraf
van ten hoogste zes maanden, voor het geval van wanbetaling.
De ingelegerde vervoegt zich in dat geval bij den commissaris
van politie, of, in gemeenten, waar geen zoodanig ambtenaar aan-
wezig is, bij het hoofd van het plaatselijk bestuur, welke ambte-
naren, na persoonlijk onderzoek bij den nalatigen belastingschul-
dige, van die weigering een proces-verbaal opmaken, hetwelk,
overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van strafvorde-
ring, aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie
ter vervolging wordt opgezonden.
Dat proces-verbaal levert wettig bewijs op, overeenkomstig
de regelen bij het wetboek van Strafvordering nopens schrif-
telijke bescheiden vastgesteld, en de daaruit voortvloeiende
vordering verjaart, wanneer de zaak niet is vervolgd binnen
den tijd van zes maanden na de dagteekening van het proces-
verbaal. Opvolgende betaling van de boete en de gemaakte
gerechtskosten ontslaat van alle verdere gevangenis.
a) Dit artikel 17 is niet van toepassing voor de invordering
der belasting op bedrijfs- en andere inkomsten. Zie art. 58
dier wet.
Art. 18. Voor de berekening der verschuldigde kosten van
vervolging, waarvan het bedrag niet reeds bij deze wet is be-
paald, zullen door Ons tarieven worden vastgesteld, welke,
uiterlijk binnen vijf jaren na de afkondiging dezer wet, door
nadere wettelijke bepalingen zullen vervangen worden, a)
a) Deze bepalingen zijn vervat in de wet van 1 Juni 1850
(Stbl. n». 26, Verz. n°. 43).
Art. 19. De betaling der kosten van vervolging geschiedt
tegen quitantie in handen van den ontvanger.
Zij, welke zich met de hun in rekening gebrachte kosten
van vervolging, niet voortspruitende uit de gerechtelijke ten-
uitvoerlegging van het dwangbevel, bezwaard achten, kunnen
hunne bezwaarschriften deswege indienen bij Gedeputeerde
staten der provincie, mits dit doende binnen veertien dagen
na de dagteekening van de akte van de vervolging waarbij
die kosten gevorderd worden. Deze doen daaromtrent, na on-
derzoek der gronden van beklag, uitspraak, overeenkomstig
de bepalingen van deze wet.
De indiening dezer bezwaarschriften neemt echter niet weg
de verplichting tot betaling der kosten, behoudens teruggaaf
van dezelve, indien het bezwaar gegrond bevonden wordt.
-ocr page 315-
305
Bijlage E. - Artt. 20-23.
Art. 20. Alle exploiten en akten, betreffende de vervolgingen
voor de invordering der directe belastingen, of wegens boeten,
in zake dier belastingen, namens het bestuur der belasting be-
teekend of uitgevaardigd, geschieden door deurwaarders, voor
eene of meerdere gemeenten daartoe aangesteld, en door den
rechter van het kanton, waarin zij resideeren, kosteloos beëedigd.
De deurwaarders moeten hunne akten van aanstelling, waarop
van de beëediging door den kantonrechter melding wordt ge-
maakt, steeds bij zich dragen, op daartoe gedane aanvragen
vertoonen en daarvan, zoo wel als van hunne beëediging, in
alle hunne akten en exploiten, op straffe van nietigheid mei-
ding maken.
De hoedanigheid van deurwaarder der directe belastingen is
met die van deurwaarder bij de kantongerechten of arrondis-
sements-rechtbanken vereenigbaar.
Art. 21. Wanneer de belasting, boete en kosten, ter gele-
genheid eener inbeslagneming, aan den deurwaarder worden
aangeboden, is hij verplicht de gelden aan te nemen, mits daar-
voor dadelijk quitantie gevende en daarvan melding makende
op zijn repertorium en op den kant van het oorspronkelijke
van het exploit.
In alle andere gevallen is het hem verboden, gelden tot be-
taling van belasting, boete of kosten aan te nemen, of zich met
de overbrenging van dezelve naar het kantoor van den ont-
vanger te belasten.
De belastingschuldige welke hem zoodanige gelden mocht
toevertrouwen, is, desnoods, gehouden ten tweede male te be-
talen, behoudens zijn verhaal op den deurwaarder.
Art. 22. De verplichtingen, bij de bestaande wetten, ten aan-
zien van het houden van een repertorium van alle akten en
exploiten vastgesteld, zijn op de deurwaarders der directe be-
lastingen toepasselijk.
Het repertorium wordt gekantteekend en gewaarmerkt door
den arrondissements-directeur a) der directe belastingen of door
zoodanigen anderen hoofdambtenaar, als daartoe in het vervolg
door Ons mocht worden aangewezen.
a) Thans Provinciale Inspecteur.
Art. 23. De waarschuwingen, aanmaningen, dwangbevelen,
processen-verbaal, exploiten en verdere gerechtelijke en buiten-
gerechtelijke akten, namens de administratie uitgevaardigd of
beteekend; — de aanslagbiljetten en de bezwaarschriften, in
art. 16, beide voor zoover die aanslag niet meer bedraagt dan
f 20; de afzonderlijk af te geven quitantiën, die som niet te
boven gaande, noch ten onderwerp hebbende betalingen op re-
20
-ocr page 316-
306                     Bijlage E. — Artt. 23-25.
kening of tot geheele voldoening eener hoogere som, en alle
andere stukken zonder onderscheid (de processenverbaal van
verkoop en de vonnissen van toewijzing daaronder niet begre-
pen), betreffende de invordering der directe belastingen, zoo in
hoofdsom als opcenten, boeten en kosten; — de akten van
aanstelling en beëediging der deurwaarders, en de daarop te
stellen aanteekening der eedsaflegging mitsgaders de repertoria,
door hen te houden, — zijn vrij van zegel en van het recht
van registratie, a)
a) Verg. art. 4G der wet op de bedrijfs- en andere inkomsten.
Art. 24. De bepalingen dezer wet omtrent den voorrang en
de vervolgingen strekken zich niet alleen uit tot de belasting
zelve, maar ook tot de opcenten en tot de aangewende kosten
van aanslag, zegel, schatting, telling, herziening en vervolging.
Art. 25. Deze wet, met uitzondering van art. 8, komt in
werking op het nader door ons te bepalen tijdstip, a)
Na hetzelve zijn vervallen:
de bepalingen op de invordering der directe belastingen, voor-
komende in de wetten van 2 October 1791, 17 Brumaire Vde
jaar, en 3 Frimaire Vilde jaar;
de wet van 4 Messidor Vilde jaar (Bulletin des lois n°. 292),
op de afkondiging der kohieren;
het reglement van 16 Thermidor VlIIste jaar (Bulletin des
lois
n°. 38),. op de invordering der directe belastingen;
de wet van 12 November 1808 (Bulletin des lois n°. 213),
betrekkelijk den voorrang van \'s Rijks schatkist, mitsgaders
voor zoover noodig de artt. 9, 15, 19 en 22 van de wet van
11 Februari 1816 (Staatsblad n°. 14) nopens het legaal verband
voor de voldoening der directe belastingen aan de schatkist
toegekend.
Art. 8 komt in werking met het dienstjaar, dat na de in-
voering dezer wet een aanvang neemt.
Lasten en bevelen, enz.
o) Bij K. B. van 4 September 1845 (Stbl. n°. 52) bepaald op
1 October 1845.
-ocr page 317-
Tarieven.
307
Tarief A van toepassing:
1°. voor binnen\'het Rijk wonenden, die niet in de vermogensbelasting
zijn aangeslagen;
2°. voor hen, die buiten het Rijk in Europa een Nederlandsch staatsambt
uitoefenen; en
3°. voor de in het buitenland gevestigden, bedoeld bij art. l/«, die hier te
lande persoonlijk of door gemachtigden een bedrijf, beroep, ambt, waar-
digheid, bediening of betrekking geregeld uitoefenen.
Bedrag der
zuivere
inkomsten.
belas-
ting.
zuivere inkomsten.
belas-
ting.
f 650 tot beneden
f 700
1
00
f 2900 tot beneden
f 3000
42
00
700 „
ïï
750
2
00
3000 ,
7 7)
3100
44
00
750 „
;;
800
2
75
3100 ,
1
3200
46
00
800 „
7?
850
3
50
3200 ,
I 7?
3300
48
00
850 „
fl
900
4
25
3300 ,
l ;j
3400
50
00
900 „
H
950
5
00
3400 ,
\' ?)
3500
52
00
950
V
1000
5
75
3500 ,
ï V
3600
54
00
1000 „
j;
1050
6
50
3600 ,
l j;
3700
56
00
1050 „
?5
1100
7
25
3700 ,
ï ??
3800
58
00
1100 „
j;
1150
8
00
3800 ,
7 ÏJ
3900
60
00
1150 „
n
1200
8
75
3900 ,
i ;j
4000
62
00
1200 „
n
1250
9
50
4000 ,
\' 7)
4100
64
00
1250 „
n
1300
10
25
4100 ,
1 JJ
4200
66
00
1300 „
Tl
1350
11
00
4200 ,
l jj
4300
68
00
1350 „
V
1400
11
75
4300 ,
\' jj
4400
70
00
1400 „
n
1450
12
50
4400 ,
1 77
4500
72
00
1450 „
r
1500
13
25
4500 ,
7 77
4600
74
00
1500 „
?;
1600
14
00
4600 ,
\' 77
4700
76
00
1600 „
M
1700
16
00
4700 ,
7 7)
4800
78
00
1700 „
n
1800
18
00
4800 ,
J 77
4900
80
00
1800 „
?j
1900
20
00
4900 ,
7 77
5000
82
00
1900 „
»
2000
22
00
5000 ,
7 77
5100
84
00
2000 „
n
2100
24
00
5100 ,
J 77
5200
86
00
2100
»
2200
26
00
5200 ,
1 77
5300
88
00
2200
»
2300
28
00
5300 ,
J 77
5400
90
00
2300 „
>?
2400
30
00
5400 ,
7 77
5500
92
00
2400 „
n
2500
32
00
5500
7 77
5600
94
00
2500 „
»
2600
34
00
5600
i) J7
5700
96
00
2600 „
f}
2700
36
00
5700
7 77
5800
98
00
2700 „
fi
2800
38
00
5800
7 77
5900
100
00
2800 „
n
2900
40
00
5900
3 77
6000
102
00
-ocr page 318-
308                                                  Taeieven.
Bedrag der
zuivere
inkomsten.
belas-
ting.
zuivere
inkomsten.
belas-
ting.
f 6000 tot beneden f 6100
104
00
f 10000 tot beneden f 10100
205
60
6100 „
jj
6200
106
00
10100 „
ii
10200
208
80
6200 „
??
6300
108
00
10200 „
;;
10300
212
00
6300 „
n
6400
110
00
10300 „
?;
10400
215
20
6400 „
r
6500
112
00
10400 „
jj
10500
218
40
6500 „
r
6600
114
00
10500 „
;?
10600
221
60
6600 „
77
6700
116
00
10600 „
n
10700
224
SO
6700 „
n
6800
118
00
10700 „
;j
10800
228
00
6800 „
77
6900
120
00
10800 „
;;
10900
231
20
6900 „
ï)
7000
122
00
10900 „
Ti
11000
234
40
7000 „
77
7100
124
00
11000 „
77
11100
237
60
7100 „
n
7200
126
00
11100 „
77
11200
240
80
7200 „
n
7300
128
00
11200 „
77
11300
244
00
7300 „
n
7400
130
00
11300 „
7?
11400
247
20
7400 „
D
7500
132
00
11400 „
77
J.1500
250
40
7500 „
77
7600
134
00
11500 „
77
11600
253
60
7600 „
77
7700
136
00
11600 „
77
11700
256
80
7700 „
n
7800
138
00
11700 „
77
11800
260
00
7800 „
n
7900
140
00
11800 „
77
11900
263
20
7900 „
n
8000
142
00
11900 „
77
12000
266
40
8000 „
77
8100
144
00
12000 „
77
12100
269
60
8100 „
77
8200
146
00
8200 „
?•
8300
148
00
En zoo v
oorts,
van elke
geheele
8300
H
8400
151
20
som van f 100
zuivere inkomsten
8400 „
»
8500
154
40
/"3.20 belasting bijtellen.
8500 „
r
8600
157
60
8600 „
n
8700
160
80
8700 „
ït
8800
164
00
8800 „
77
8900
167
20
8900 „
7?
9000
170
40
9000 „
77
9100
173
60
9100 „
n
9200
176
80
9200 „
77
9300
180
00
9300 „
77
9400
183
20
%
9400 „
»
9500
186
40
9500 „
9600
189
60
9600 „
;,
9700
192
80
9700 „
V
9800
196
00
9800 „
V
9900
199
20
9900 „
11
10000
202
40
-ocr page 319-
Tabieven.
309
Tarief B van toepassing:
a. voor hen, die in de vermogensbelasting zijn aangeslagen, indien het
belastbaar vermogen f 13000 of f 14000 bedraagt.
Bede.\'
L G D E B
zuivere
inkomsten.
belas-
ting.
zuivere inkomsten.
belas-
ting.
f 250 tot beneden f 300
2
00
f 3150
tot beneden f 3250
56
00
300 „
»
350
2
75
3250
77 J?
3350
58
00
350 „
n
400
3
50
3350
1) 77
3450
60
00
400 „
n
450
4
25
3450
77 77
3550
02
00
450 „
V
500
5
00
3550
77 77
3650
04
00
500 „
ti
550
5
75
3(550
77 77
3750
66
00
550 „
jj
600
(5
50
3750
77 77
3850
68
III)
600 „
w
650
7
25
3850
7? 77
3950
70
00
650 „
n
700
8
00
3950
77 77
4050
72
00
700 „
tl
750
8
75
4050
77 77
4150
74
00
750 „
77
800
9
50
4150
77 77
4250
70
00
800 „
tl
850
10
25
4250
77 77
4350
78
00
850 „
r
900
11
00
4350
77 77
4450
80
00
900 „
77
950
11
75
4450
77 77
4550
82
00
950
tl
1000
12
50
4550
77 77
4650
84
00
1000 „
n
1050
13
25
4650
77 77
4750
86
III)
1050 „
H
1150
14
00
4750
77 77
4850
88
00
1150 „
n
1250
16
00
4850
77 77
4950
90
00
1250 „
n
1350
18
00
4950
77 77
5050
92
00
1350 „
n
1450
20
00
5050
77 77
5150
94
00
1450 „
»
1550
22
00
5150
77 77
5250
96
00
1550 „
n
1650
24
00
5250
77 77
5350
98
00
1650 „
»
1750
26
00
5350
77 77
5450
100
00
1750 „
n
1850
28
00
5450
77 77
5550
102
00
1850 „
n
1950
30
00
5550
77 77
5650
104
00
1950 „
ti
2050
32
00
5650
77 77
5750
106
II)
2050 „
ti
2150
34
00
5750
77 77
5850
108
)0
2150 „
ti
2250
36
00
5850
77 77
5950
110
10
2250 „
j;
2350
88
00
5950
77 \'7
6050
112
10
2350 „
j?
2450
40
00
6050
77 77
6150
114
00
2450 „
»
2550
42
00
6150
77 77
6250
116
00
2550 „
w
2650
44
00
6250
77 7?
6350
118
10
2650 „
n
2750
4(>
00
6350
77 77
6450
120
II)
2750 „
n
2850
48
00
6450
77 77
6550
122
10
2850 „
ti
2950
50
00
6550
77 77
6650
124
II)
2950
w
3050
52
00
6(i50
77 77
6750
126
00
3050 .
n
3150
54
ooi
6750
n n
6850 1
128
10
-ocr page 320-
310                                              Tarieven.
Bedrag dee
zuivere
inkomsten.
belas-
ting.
zuivere inkomsten.
belas-
ting.
f 6850 tot beneden f 6950
130
00
f 11150 tot beneden/111250
216
00
6950 „
n
7050
132
00
11250 „ „ 11350
218
00
7050 „
7;
7150
134
00
11350 „ „ 11450
220
00
7150 „
77
7250
136
00
11450 „ „ 11550
222
00
7250 „
7)
7350
138
00
11550 ., „ 11650
224
00
7350 „
7)
7450
140
00
11650 „ „ 11750
226
00
7450 „
77
7550
142
00
11750 „ „ 11850
228
00
7550 „
77
7650
144
00
11850 „ „ 11950
230
00
7650 „
77
7750
146
00
11950 „ „ 12050
232
00
7750 „
7*
7850
148
00
7850 „
n
7950
150
00
En zoo voorts, voor elke geheele
7950 „
?•
8050
152
00
som van f 100 zuivere inkomsten
8050 „
n
8150
154
00
f 2.00 belasting bijtellen.
8150 „
;•
8250
156
00
Bedragen echter de zuivere inkom-
8250 „
77
8350
158
00
sten, gevoegd bij 4 % van het belast-
8350 „
7\'
8450
160
00
baar vermogen, meer dan f 8150, dan
8450 „
n
8550
162
00
is over dat meerdere nog f 1.20 voor
8550 „
77
8650
164
00
elke geheele som van f 100 verschul-
8650 „
77
8750
•166
00
digd. B. v.
8750 „
8850
168
00
8850 „
77
77
8950
170
00
lo. Zuivere inkomsten f 8000. Vermogen
f 13000.
8950 „
77
9050
172
00
Verschuldigd:
9050 „
9150
174
00
9150 „
77
9250
176
00
van {f 8000 -j- /\' 520) — f 8150
9250
77
9350
178
00
f 370, d. i. 3 X f 1-20 ...» 3.60
9350 "
77
7\'
9450
180
00
Te zamen f 155.60
9450 „
7\'
9550
182
00
2°. Zuivere inkomsten f 10000. Vermogen
9550 ,.
9650
184
00
f 14000.
9650 „
77
77
9750
186
00
Verschuldigd :
van ƒ 10000..........f 192.00
9750 „
77
9850
188
00
van (f 10000 -f f 560) — ƒ 8150
9850 „
77
77
9950
10050
190
192
00
00
f 2410, d. i. 24 X f 1-20 . ,
Te zamen
» 28.80
9950 „
f 220.80
10050 „
10150
194
00
10150 „
7*
77
10250
196
00
3o. Zuivere inkomsten f 7650. Vermogen
f 14000.
10250 „
77
10350
198
00
Verschuldigd:
10350 „
10450 „
10450
10550
200
202
00
00
van f 7650..........f 146.00
77
77
van (ƒ 7650 -f f 560) — f 8150
— ƒ 60, d. i.........nihil.
10550 „
10650 „
10650
10750
204
20(5
00
77
77
00
Te zamen f 146.00
10750 „
77
10850
208
00
Yerg. voor de veelvouden van f 1.20
10850 „
10950 „
77
10950
11050
210
212
00
00
30
het hulptafeltje op blz. 315.
11050 „
77
11150
2141
-ocr page 321-
311
Tarieven.
Tarief B van toepassing:
b. voor hen, die in de vermogensbelasting zijn aangeslagen, indien het
belastbaar vermogen f 15000, doch niet meer dan f 200000 bedraagt.
Bedrag dee
zuivere
inkomsten.
belas-
ting.
zuivere
inkomsten.
belas-
ting.
f • 250 tot beneden f 300
1
25
J 3300 tot beneden
f 3400
58
00
300 „
w
350
2
00
3400
77
77
3500
60
00
350 ,,
73
400
2
75
3500
73
7?
3600
62
00
400 ,;
77
450
3
50
3600
77
77
3700
64
00
450 „
77
500
4
25
3700
77
77
3800
66
00
500 „
77
550
5
00
3800
n
;;
3900
68
00
550 „
77
600
5
75
3900
n
77
4000
70
00
600 .,
73
650
6
50
4000
n
f)
4100
72
00
650 „
7*
700
7
25
4100
r.
77
4200
74
00
700 „
77
750
8
(ii)
4200
77
77
4300
76
00
750 „
77
800
8
75
4300
7?
77
4400
78
00
800 „
77
850
9 50
4400
JJ
7*
4500
80
00
850 „
77
900
10
25
4500
77
J7
4600
82
00
900 „
77
950
11
00
4600
77
7?
4700
84
00
950 „
;•
1000
11
75
4700
7)
77
4800
86
00
1000 „
77
1050
12
50
4800
7J
77
4900
88
00
1050 ,
77
1100
13
25
4900
77
J7
5000
90
00
1100 „
7*
1200
14
00
5000
77
77
5100
92
00
1200 „
77
1300
16
00
5100
73
7*
5200
94
00
1300 „
77
1400
18
00
5200
77
7)
5300
96
00
1400 „
77
1500
20
00
5300
77
77
5400
98
00
1500 „
77
1600
22 00
5400
Tj
7)
5500
100
00
1600 „
77
1700
24
00
5500
77
77
5600
102
oo
1700 „
77
1800
26
00
5600
7)
77
5700
104
00
1800 „
77
1900
28
00
5700
77
?7
5800
106
00
1900 „
77
2000
30
00
5800
77
7;
5900
108
00
2000 „
77
2100
32
00
5900
7J
77
6000
110
00
2100 „
77
2200
34
00
6000
77
jj
6100
112
00
2200 „
7?
2300
3600
6100
7*
77
6200
114
00
2300 „
77
2400
38
00
6200
77
77
6300
116
00
2400 „
7;
2500
40
00
6300
*i
77
6400
118
00
2500 „
77
2600
42
00
6400
7)
7*
6500
120
00
2600 „
77
2700
44
00
6500
77
77
6600
122
00
2700 „
77
2800
46
00
6600
7*
6700
124
00
2800 „
77
2900
48
00
6700
77
77
6800
126
00
2900
77
3000
50
00
6800
77
7*
6900
128
00
3000
7J
3100
52
00
6900
77
•*
7000
130
00
3100 „
77
3200
54
00
ooi
7000
7)
77
7100 •
132
)0
3200 „
77
3300
561
7100
J7
»
7200 !
134
00
-ocr page 322-
312                                              Tarieven.
Bedrag ,ber
zuivere
inkomsten.
belas-
ting.
zuivere inkomsten.
belas-
ting.
f 7200 tot beneden
f 7300
136
00
f 11500 tot beneden/ 11600
222
00
7300
n
v
7400
138
00
11600 „ „ 11700
224
00
7400
n
r
7500
140
00
11700 „ „ 11800
226
00
7500
n
j;
7600
142
00
11800 „ „ 11900
228
00
7600
n
11
7700
144
00
11900 „ „ 12000
230
00
7700
;;
11
7800
146
00
12000 „ „ 12100
232
00
7800
11
?;
7900
148
00
7900
n
n
8000
150
00
En zoo voorts, voor elke geheele
8000
n
ii
8100
152
00
som van f 100 zuivere inkomsten
8100
n
n
8200
154
00
f 2.00 belasting bijtellen.
8200
r
;:
8300
156
00
Bedragen echter de zuivere inkom-
8300
n
f)
8400
158
00
sten, gevoegd bij 4 % van het be-
8400
n
V
8500
160
00
lastbaar vermogen, meer dan /"8200,
8500
n
n
8600
162
00
dan is over dat meerdere nog f 1.20
8600
n
n
8700
164
00
over elke geheele som van f 100
8700
V
n
8800
166
00
verschuldigd. B. v.
8800
n
r
8900
168
00
1". Zuivere inkomsten f 6000. Vermogen
8900
9000
170
00
f 100000.
9000
9100
n
n
n
9100
9200
172
174
00
00
Verschuldigd:
van f fiOOO..........ƒ 112.00
van (ƒ 6000 -\\- f 4000) — f 8200
9200
;•
n
9300
176
00
= f 1800, d. i. 18 X f !-20 - • » 21-60
9300
»
ii
9400
178
00
Te zamen f 133.60
9400
n
ii
9500
180
00
2". Zuivere inkomsten f 800. Vermogen
9500
9600
182
00
f 190000,
9600
n
ii
V
9700
184
00
Verschuldigd:
9700
n
n
9800
186
00
van (ƒ800 f 7600) — ƒ 8200 z= ƒ200,
9800
n
il
9900
188
00
d. i. 2 X f 1-20.......» 2.40
9900
••
il
10000
190
00
Te zamen f 11.90
10000
ti
n
10100
192
00
3<>. Zuivere inkomsten ƒ 4000. Vermogen
10100
10200
n
n
n
V
V
10200
10300
10400
194
196
198
00
00
00
f 30000.
Verschuldigd:
van f 4000........
f 72.00
10300
van (ƒ 4000 -j- f 1200) — /\' 8200
10400
n
n
ii
10500
10600
200
202
00
00
Te zamen
» —.—
10500
f 72.00
10600
11
ii
10700
204
00
4". Zuivere inkomsten f 10000. Vermogen
10700
10800
r,
n
n
n
10800
10900
206
208
00
00
f 20000.
Verschuldigd:
van f 10000.........f 192.00
10900
n
ii
11000
210
00
van (ƒ 10000 -\\- f 800) — f 8200
11000
n
j*
11100
212
00
= f 2600, d. i. 26 X f 1-20 . . » 31.20
11100
n
ii
11200
214
00
Te zamen f 223.20
11200
**
i*
11300
216
00
Verg. voor de veelvouden van
11300
n
n
11400
218
00
f 1.20 het hulptafeltje op bl. 315.
11400
n
»
11500
220
ooi
-ocr page 323-
Tarieven.                                          313
Tarief B van toepassing :
c. voor hen, die in de vermogensbelasting zijn aangeslagen, indien het
• belastbaar vermogen meer clan f 200000 bedraagt.
Bedrag der
zuivere inkomsten.
belas-
ting.
zuivere inkomsten.
belas-
ting.
f 300 tot beneden /
\' 400
3
20
f 4200 tot beneden f
4300
128
DO
400
IJ 77
500
6
40
4300
fj jj
4400
131
20
500
J JJ
600
9
60
4400
ij ?j
4500
134
40
600
J 77
700
12
80
4500
j ??
4600
137
00
700
1) 77
800
16
00
4600
j jj
4700
140
80
800
} 77
900
19
20
4700
7 7?
4800
144
00
900
J 77
1000
22
40
4800
9 77
4900
147
-2()
1000
7 77
1100
25
60
4900
7 77
5000
150
10
1100
) 77.
1200
28
80
5000
7 7)
5100
153
00
1200 ,
7 11
1300
32
00
5100
7 77
5200
156
so
1300
1 ??
1400
35
20
5200
7 77
5300
160
01)
1400
"i 11
1500
38
40
5300
7 77
5400
163
20
1500
3 11
1600
41
60
5400
7 77
5500
166
40
1600 ,
) 77
1700
44
80
5500
7 77
5600
169
00
1700 ,
7 11
1800
48
00
5600 ,
J 77
5700
172
80
1800 ,
? 77
1900
51
20
5700
7 77
5800
176
00
1900 ,
? 77
2000
54
40
5800 ,
7 77
5900
179
20
2000 ,
? 77
2100
57
60
5900 ,
7 77
6000
182
40
2100 ,
7 77
2200
60
80
6000 ,
7 77
6100
185
00
2200 ,
> 77
2300
64
00
6100
7 \' 77
6200
188
SO
2300 ,
\' 77
2400
67
20
6200 ,
7 77
6300
192
00
2400 ,
1 77
2500
70
40
6300 ,
7 77
6400
195
20
2500 ,
\' 77
2600
73
60
6400 ,
( 77
6500
198
40
2600 ,
1 77
2700
76
80
6500 ,
7 77
6600
201
60
2700 ,
7 77
2800
80
00
6600 ,
1 j;
6700
204
so
2800 ,
1 77
2900
83
20
6700 ,
t . Jj
6800
208
00
2900 ,
7 77
3000
86
40
6800 ,
J 77
6900
211
20
3000 ,
) 11
3100
89
(50
6900 ,
1 77
7000
214
40
3100 ,
1 77
3200
92
80
7000 ,
1 77
7100
217
r,o
3200 ,
1 77
3300
96
00
7100 ,
i jy
7200
220
SO
3300 ,
1 77
3400
99
20
7200 ,
t 77
7300
224
00
3400 ,
1 77
3500
102
40
7300 ,
i 7;
7400
227
20
3500 ,
7 77
3600
105
60
7400 ,
i 77
7500
230
40
3600 ,
77
3700
108
80
7500 ,
i jj
7600
233
00
3700 ,
77
3800
112
00
7600 ,
i 77
7700
236
so
3800 ,
77
3900
115
20
7700 ,
77
7800
240
00
3900 ,
► 77
4000
118
40
7800 ,
i 7j
7900
243
20
4000 ,
77
4100
121
60
7900 ,
i 77
8000
246
40
4100 ,
77
4200
124
80
8000 ,
77
8100
249
00
-ocr page 324-
314
Tarieven.
Bedrag der
zuivere
inkomsten.
belas-
tin g.
zuivere inkomsten.
belas-
ting.
f 8100 tot beneden f 8200
252
80
f 12100 tot beneden f 12200
380
80
8200 „
77
8300
256
00
12200 „ „ 12300
384
00
8300
77
8400
259
20
12300 „ „ 12400
387
20
8400 „
77
8500
262
40
12400 „ „ 12500
390
40
8500 „
77
8600
265
60
12500 „ „ 12600
393
60
8600 „
77
8700
268
80
12600 „ „ 12700
396
80
8700 „
77
8800
272
00
12700 „ „ 12800
400
00
8800 „
77
8900
275
20
12800 „ „ 12900
403
20
8900 „
77
9000
278
40
12900 „ „ 13000
406
40
9000 „
7"
9100
281
(50
13000 „ „ 13100
409
60
9100
77
9200
284
80
9200 „
n
9300
288
00
En zoo voorts, voor elke
geheele
9300 „
;•
9400
291
20
som van ƒ 100 zuivere inkomsten
9400
?•
9500
294
40
ƒ3.20 belasting bijtellen.
9500
7*
9600
297
60
9600 „
77
9700
300
80
9700 „
v
9800
304
00
9800 „
;i
9900
307
20
9900
77
10000
310
40
10000 .,
?\'
10100
313
60
10100
7\'
10200
316
80
10200
?•
10300
320
00
10300
M
10400
323
20
10400 „
w
10500
326
40
10500 ..
77
10600
329
(il)
10600
7"
10700
332
80
10700 „
?J
10800
336
00
10800
7?
10900
339
20
10900
?7
11000
342
40
11000
;*
11100
345
60
11100
?;
. 11200
348
80
11200 „
V
11300
352
00
11300
>?
11400
355
20
11400 „
j:
11500
358
40
11500
77
11600
361
60
11600 „
77
11700
364
80
11700
77
11800
368
00
11800
77
11900
371
20
11900
7*
12000
374
40
12000 „
77
12100
377
60
-ocr page 325-
315
Hulptafeltje
TEN GEBEUIKE BIJ DE TARIEVEN B a EN B D VOOR DE
VEELVOUDEN VAN f 1.20.
1
1
20
26
31
20
51
61
20
76
91
20
2
2
40
27
32
40
52
62
40
77
92
40
3
3
60
28
33
60
53
63
60
78
93
60
4
4
80
29
34
80
54
64
80
79
94
80
5
6
00
30
36
00
55
66
00
80
96
00
6
7
20
31
37
20
56
67
20
81
97
20
7
8
40
32
38
40
57
68
40
82
98
40 •
8
9
60
33
39
60
58
69
60
83
99
60
9
10
80
34
40
80
59
70
80
84
100
80
10
12
00
35
42
00
60
72
00
85
102
00
11
13
20
36
43
20
61
73
20
86
103
20
12
14
40
37
44
40
62
74
40
87
104
40
13
15
60
. 38
45
60
63
75
60
• 88
105
60
14
16
80
39
46
80
64
76
80
89
106
80
15
18
00
40
48
00
65
78
00
90
108
00
16
19
20
41
49
20
66
79
20
91
109
20
17
20
40
42
50
40
67
80
40
92
110
40
18
21
60
43
51
60
68
81
60
93
111
60
19
22
80
44
52
80
69
82
80
94
112
80
20
24
00
45
54
00
70
84
00
95
114
00
21
25
20
46
55
20
71
85
20
96
115
20
22
26
40
47
56
40
72
86
40
97
116
40
23
27
60
48
57
60
73
87
60
98
117
60
24
28
80
49
58
80
74
88
80
99
118
80
25
30
00
50
60
00
75
90
00
100
120
00
-ocr page 326-
ALPHABETISCH REGISTER OP DE VOORNAAMSTE ONDERWERPEN
DER WET. *)
Agentschap eener buitenlandsche naaml. ven-
nootschap. 1. 8.
Assuradeurs. Buitenlandsche. Zie Verzekeraars.
»            Maatstaf der belasting voor bui-
tenl. —. 6. 8.
A ssurantiepenningen. Aftrek van —. 3 c.
A teliers. Aftrek voor huur van —. 3. 34—39.
B.
Balans. Overlegging van uittreksel uit de —. 45.
»         Aangifte volgens —. 14 § 3.
Beding der vrouw van het beheer harer goede-
ren. 2. 18.
» der vrouw van het vrije genot harer
goederen. 2. 18.
Bedrijf. Definitie van —. 3. (1 a. Inl. bl. 28.
Bedrijfskapitaal. Rente van —. 3. 11—13.
Begrafenisfondsen. 1. 10.
Begrafenisgelden. Verstrekking van —. 8 a.
Begrooting van inkomsten. 4. 9.
Belasting. Tarief der —. 9.
»         Aftrek wegens —. 3. 28.
Belastingjaar 1. 3; 11. 1; 59.
Belastingplichtigen. Beteekenis der uitdruk-
king —. 60 N.B.
Belastingplichtigheid der vrouw. 2. 18.
»                   van minderjarigen 2. 17.
m                   Aanvang van—. 11.2—6.
»                   Verschil van gevoelen over
de —. 21 i 3.
Belastingschuldigen. Beteekenis der uitdruk-
king —. 60 N.B.
Belofte. 19 $ 6; 26.
Belooningen. Wat onder —. te begrijpen. 3 § 1.
»           Belastingplichtig voor —. 2 § 1.
Beroep. Beroep op den raad van —. 25; 27; 28 ; 29.
Beroepskosten. 3. 18.
Beschrijving. 13.
Beschrijvingsbiljetten. Bestemming der—. 12 $ 1.
»                   Formulieren der —. 12. 2.
»                   Uitreiking der —. 12 § 2.
»                   Plaats van uitreiking der
—. 12 § 4.
»                   Aanvang van uitreiking
Aandeel in winst en overwinst. 3. Sa.
Aandeelen aan toonder. 5. 11 a.
»           op naam. 5. 11.
Aandeelhouders. Buitenlandsche —. 1. 20.
Aangifte. Verplichting tot —. 14 §§ 1 en 2.
»         — in gesloten omslag. 13 § 1.
»         — voor memorie. 14 § 3.
»          Siippletoirc —. 14 §4.
»          — bij het gemeentebestuur 14 $§ 1
en 4; 15 $2; 34.
»          — van firma\'s. Inl. bl. 19, noot; 18. 9.
»         — van rondtrekkenden en rondrei-
zenden. 14. 2 : 34.
»          —bij optreding als bestuurder, enz.
15 §2.
»          — van uitdeelingen en uitkeeringen.
16.
»          bij liquidatie. 16
»         Toelichting der —. 20.
Aanslag. Splitsing van dei» —. 2. 18.
» Plaats van —. 17.
»         Ambtshalve —. 21 § 2.
»         Herziening van den —. 21 § 4,
Aanslagbiljetten. 22 §§ 3 en 4.
Aanslagsregeling. Termijn voor de —. 19 § 7.
Aansprakelijkheid voor de belasting bij over-
lijden. 41.
Aanvaarding van een bedrijf, enz. 4. 10—11.
Aanvang van een bedrijf, enz. 4. 10—11.
»          der beschrijving. 13 § 1.
»          van belastingplichtiglieid. 11. 2—7.
Abuizen. Ontheffing bij —. 43.
Administrateurs bij het landbouwbedrijf. 3.49.
Adminislratiën van inschrijving op de groot-
boeken, enz. 1. 13.
Adviseurs. 19 §4.
Afschrijvingen. 3. 23, 24.
»              Percentsgewijs bedrag der —
12. 3—5.
Aftrek wegens schulden. 2. 12—14.
»            » rente van schulden. 2. 15—16.
Afwezigen. 7 § 5.
der-
13.
\') Het vette cijfer wijst op het artikel, het gewone op de aanteekening. Waar enkel naar
het artikel is verwezen, zijn de aanteekeningen daaronder begrepen. Men vergelijke ook
bl. 23 der Inleiding.
-ocr page 327-
Alphabetisch Kegister.                                       317
Bevestiging ecner aangifte. 29.
Bewindvoerders. Bevoegdheid van —. 42.
Bezittingen. Ontheffing hij aanslag in de —. 37.
Bezwaarschriften. Indiening. 23; 25; 27; 42.
ï              Uitspraak. 24:25; 27 ; 29 ; 30;
32; 43.
Bloembollenkweekerij. 3. 45. 53.
Bloemisterij. 3. 53.
Boekhouders van reederijen. 7 $ 1; 15 § 2; 16;
Boeten. 47 §J 3—7.                               22 § 1 ; 45.
Bnomkweekerij. 3. 45—53; 55.
Borgstelling. 34.
Boschbouw. 3. 45 — 52; 55.
Boschmarken. 3. 46.
Bouwvereenigingen. 5. 5—6.
Buitenlanders. Uitoefening van een beroep, enz.
door —. 1. 24—29.
»         Landbouwbedrijf door —. 3.46 a, 50.
ï         Maatstaf der belasting. 6. 9.
»         Door wie de belasting is verschul-
digd. 7. 1—3.
Burgemeester. 19 § 7.
Bijdragen aan ondersteuningsfondsen. 3. 25
»
          voor pensioen. 3. 29.
c.
Colleges van zetters. 18; 19.
Commanditaire vennooten. Winsten genoten
door—. 3 § 5.
Commanditaire vennoot-
schappen op aandeelen.
Belastingplichtigheid.
1. ld; 3. 5.
i>                       Maatstaf der belas-
ting. 5 § 1.
»                     Aangifte. 12 § 3; 16.
»                      Plaats van aanslag. 17.
»                     Ontheffing van belas-
ting. 37.
>                     Overlegging van een
• uittreksel der balans.
45.
Commanditaire vennootschappen niet op aan-
deelen.
1. 7 b; 3. 5 a; 16.
Commissiën van aanslag. 19.
Compensatie van winsten en verliezen. 2 8.
Consortia. 1. 13.
Consulaire agenten. 8. 6.
Consuls. 8. 6.
Continuïteit bij uitoefening van beroepen, enz.
4. 10.
Coöperatieve vereenigingen. Belastingplichtig-
heid. 1. 7,12; 3. 47.
Zie verder Ver-
eenigingen.
Coöperatieve zuivelfabrieken. 3. 46 a, 47; 5. 2.
Curateele. Onder — gestelden. 7. 5.
Curators. 7. 7 ; 42. 2.
D.
Dag- en weekloonen. 4 $ 3.
Deelgerechtigden in de winst. 5. 4.
Deskundigen voor de schatting 3. 39.
»
           Raadpleging van —. 31.
Dienstboden. Inwonende —. 3. 2 a.
Diplomatieke ambtenaren
8 c.
Domicilie. 1. 37, 38.
Dubieuse debiteuren. 3. 22.
Dwaling. Ontheffing bij —. 43.
E.
Eed. 19 § 6; 26.
Erfgenamen. Bevoegdheid van —. 42.
Erven. Aansprakelijkheid van —. 41.
Excecuteurs-testamentair. Bevoegdheid van —.
42.
F-
Firma\'s. Aangifte van —. Inl. bl. 19, noot;
12 § 2, 9.
Fabrieken. Opneming van —. 44.
Faillissement. 7. 7.
Formulieren der beschrijvingsbiljetten. 12. 2.
G.
Gebouwde eigendommen als bedrijfskapitaal. 3.
14.
Gedeputeerde Staten. 19 § 1 b en $ 2.
Gefailleerden. 7. 7.
Geheimhouding. 19. 7—8; 35.
Gemachtigden van buitenlanders. 1. 24—29.
Gemeenschap van winst en verlies. 2. 18 a.
»               » vruchten en inkomsten. 2.
18 a.
Gemeentebestuur. 34.
Gemeenten. 1. 13.
Gemeenteraad. 19 g 1 6.
Gepensionneerden wonende buitenslands. 1.19.
Gezanten. Beroepskosten. 3. 18 a.
H.
Handelingen voor gemeene rekening. 1. 13.
Handelsreizigers, Buitenlandsche —. 1. 36;
11 $$ 3 en 4; 34.
Handelstractaten. 1. 29; 10. 1.
Handlichting. 7 § 5.
Herstelling. Definitie van —. 3. 15.
Herstellingsfondsen. 3. 8.
Herziening van den aanslag 21 § 4.
Hoegrootheid. Verschil over de — van den
aanslag. 21 § 3.
Hofmeesters. 6. 12 b.
-ocr page 328-
318                                       Alphabetisch Register.
Magazijnen. Aanslag voor buitenlandsche —.
7 § 4.
Meting van vaartuigen. 55.
Minderiarigen. Aanslag voor —. 7. 4—5.
»            Domicilie van —. 17. 4, 6.
>             Belastingplichtigheid van —.
2. 17.
Misdrijven. 47 §§ 1 en 2; 48.
Motiveering van bezwaarschriften. 23. 3.
Mynen. Exploitatie van —. 3. 48, 54.
N.
Naamlooze vennootschappen. Belastingplichtig-
heid van —. 1.
7—8, 20.
»
                       »                 Landbouwbedrijf
door —. 3. 46.
»                       »                 Maatstaf der be-
lasting —. 5 § 1.
»                       »                 Aangifte voor —.
12 § 3.
>                       »                 Optreding van be-
stuurders —. 15 $ 2.
» .                 » . Aangifte van uit-
deelingen —. 16.
»                       »                 Zetel van—.17.7.
»                       »                 Plaats van aan-
slag —. 17.
»                       »                 Ontheffing van be-
lastingvoor—.37.
»                       »                 Overlegging van
extract der ba-
lans —. 45.
O.
Obligatiën. 5 § 1.
Omslagen. Gesloten —. 13 § 1; 22 § 3.
Onderlinge verzekeringmaatschappijen. Zie ver-
zekering maatschappijen.
Onderwijs.
8. 3.
Ontdoken recht. 52: 58.
Ontslag. Ontheffing bij —. 40.
Ontvangbewijs van gedane aangifte. 13 § 1.
Onwillig verzuim. Ontheffing bij —. 43.
Opcenten. 17. 1; 54.
Openbare koopvrouw. 2. 18.
Ophouden van inkomsten. Ontheffing bij het —.
Opleiding. Kosten van — 3. 83.                *°-
Opneming van bijzonderheden in fabrieken, enz.
Opsporing van overtredingen. 49.                   
Opvarenden. 1. 5—6.
Opvoeding. Kosten van —. 3. 32.
Overlijden. Ontheffing bij —. 88.
j>           Aansprakelijkheid bij —. 41.
Overtredingen. 47 §§ 3-7; 48; 49; 52.
Overwinst. Aandeel in —. 8. 5 a.
Hofjes. 8. 3 a.
Huishouding. Uitgaven voor —. 3. 32.
Huisjesmelkers. Inl. bl. 26—28.
Huur. Aftrek wegens —. 3 § 2 c; 8 § 4.
I.
Indische pensioenen. 2. 6.
Inkomsten. Wat te verstaan onder jaarlijksche
—. 2. 1—2.
»           Ontheffingbij het ophouden van —. 40.
Inspecteur der registratie. 19. 1.
Invordering. Wijziging in de wet op de —. 58.
Inwoning. Verstrekken van —. 8. 3.
K.
Kantonrechter. 19 § 1 b; 44.
Kantoorhuur. Aftrek van kosten voor —.
3 §2c; 3 § 4. 34—39.
Kapitaal. Berekening van in bedrijf aangewend
—. 3. 10.
Kasboeken. 12 § 1. II.
Kennelijk onvermogen. 7. 7.
Kinderen. Inkomsten van minderjarige —. 2.17.
Kohieren. Opmaking van — . 22 § 1.
»         Afschriften of uittreksels uit plaatse-
lijke —. 36.
Koloniën. Ontheffing bij aanslag in de —. 37.
Kortingen van traktementen. 3. 29.
Kost. Verstrekking van —. 8. 3.
Kosten. Aftrek van —. 3. 15—21.
» van schatting. 3. 39.
Kramers. Afgifte van een bewijs aan —. 34.
Krankzinnigen. Aanslag voor —. 7 § 5.
»             Domicilie van —. 17. 6.
L.
Landbouw. Vrijstelling van —. 3. 45—52, 55.
Landbomvbedrijf in Indië. 3. 48.
Lokalen voor onderwijs. Aftrek van kosten
voor —. 3. 34—39.
Lijfrenten. Maatstaf der heffing. 3. 42—44.
»          Premiën voor —. 3. 30—31.
»          Wijze van berekening. 4. 1.
M.
Maatschappen. Inl. bl. 21; 1. 22.
»             Landbouwbedrijf. 3. 46.
Maatstaf. Verandering in den — van beloo-
ning. 4. 10.
Magazijnen. Aftrek van kosten voor—. 3.34—39.
»
           Belastingplichtigheid van buitenl.
—. 1. 30—35.
»           Maatstaf der heffing voor buitenl.
—. 6. 18—14.
-ocr page 329-
319
Alphabeti-sch Registee.
Splitsing van den aanslag. 2. 18.
Spooriveg ondernemingen. Buitenl.—. Belasting-
plichtigheid. 1 f.
                   j)                Buitenl. Maatstaf der
heffing. 6 §3.
»                    j>                Buitenl. Aanslag voor
—. 7. 6.
,,                   »               Buitenl. Vrijstelling.
Sb.
»                   »               Buitenl. Aanvang der
belastingplichtigheid.
U. §3.
j,
                   »               Buitenl. Aangifte voor
-. 12. §3.
ï                   »               Buitenl. Plaats van
,         aanslag. 17.
Staatsambtenaren builen \'t Rijk. Belastingplich-
tigheid. 1 d.
y.               »           » Maatstaf der
heffing. 6 § 1.
i               »           » Aanvang derbe-
lastingplichtig-
heid. 11 § 3.
»               »           » Plaats van aan-
slag. 17.
Staatsrechtelijke lichamen. 1. 13.
Staking. Ontheffing bij — van bodrijf, enz. 40.
Steengroeven. Exploitatie van —. 3. 48, 54.
Stichtingen. Belastingplichtigheid. 1 c.
•n           Landbouwbedrijf. 3. 46 a.
»           Maatstaf der heffing. 5. $4.
»            Vrijstelling. 8 a.
»           Aanvang der belastingplichtigheid.
»           Aangifte. 12 $ 3.                n $ 3\'
»            Optreding van bestuurders. 15 § 2.
»            Plaats van aanslag. 17.
»            Ontheffing van belasting. 37.
»           Overlegging van uittreksel derre-
Stra f bepaling en. 47.                        kening. 45.
Succursale eener buitenl. naaml. vennootschap.
Sgndicaten. 1. 13.
                                       1- 8-
T.
Tantièmes. 5. 7.
Tarieven der belasting. 9.
Tenaamstelling van aanslagen. 22 f 1.
Toelagen. 2. 6; 4 § 1.
Traktementen. 2 { 1 a; 3. 29; 4 § 1.
Transactie. 51; 52; 53.
Tuinbouw. 3. 45—51, 55.
Tijdelijke inkomsten. 2$la;3§l;4§2;56.
u.
Uitdeelingen. 3 §la; 5 §1.
Uitkeenngen aan werkloozen. 5. 9.
j>
             » zieken. 5. 9.
Pakhuishuur. Aftrek voor —. 3 § 2 c.
Pastoriegoederen 2. 3.
Patentwet. Afschaffing der —. 60.
Pensioenen. Maatstaf der heffing. 3. 42—44.
•ti Kortingen voor —. 3. 29.
»         Premiën voor —. 3. 30—31.
»         Wijze van berekening. 4. 1.
»         Buitenlandsche —. 2. 6.
Periodieke uitkeeringen. 2. 4; 4. 1.
Personeel. Winstuitkeeringen aan —. 3 j2g.
Plaats
van aanslag. 17.
Premiën van verzekering. 3. 25, 30, 31.
R.
Raad van beroep. 25-33.
Reederijen. Belastingplichtigheid. 1 c.
»          Maatstaf der heffing. 5 { 2.
»          Aanslag. 7 § 1.
s          Optreding als boekhouder—. 15 j 2.
•n          Aangifte van uitkeeringen. 16.
»                » voor —. 12 $ 2 slot.
»          Plaats van aanslag. 17.
»          Zetel. 17. 7.
»          Ontheffing van belasting voor —. 37.
»         Overlegging uittreksel rekening. 45.
Registratierecht. Vrijstelling van —. 46.
Rekening. Overlegging van uittreksel. 45.
Rente. Aftrek van — voor bedrijfskapitaal. 3.
11—13.
Renten. Gevestigde of altijddurende —. 2. 5.
Reservefondsen. 3. 8.
Retributiön. Aftrek voor —. 3. 28.
Rondtrekkende personen. Bewijs voor —. 34.
Rijk. Wat te verstaan onder het«—. 1. 2, 16.
s.
Scheepsmeting. 55.
Scheepvaartondernemingen. Buitenlandsche, —.
6. 10.
Scheiding van tafel en bed. 1. 18.
Schepen. Opneming van bijzonderheden op —.
44.
Schippers. Buitenlandsche —. 6. 11—12; 10.
Schulden. Aftrek van —. 2. 12—14.
»             » » rente van —. 2. 15—16.
Schuldvorderingen. Onverhaalbare —. 3. 22.
Sociëteiten. Belastingplichtigheid. 1. 9.
»           Maatstaf der heffing. 5 §3.
»           Aangifte voor —. 13 § 3.
ï           Plaats van aanslag. 17.
»           Overlegging uittreksel der rekening.
Spaarbanken. 8. 2.                                       *5-
Speculatie. Winsten en verliezen uit —. 3. 6.
-ocr page 330-
320                                       Alphabetisch Register.
Uitkeeringen aan verzekerden. 8. 4; 5. 8.
k             » verschuldigde periodieke —.
2. 7, 11.
»
             » deelhebbers. 5 § 2.
Uitspraak op bezwaarschriften. 24. 25; 27; 29;
30; 32; 43.
»          » verzoekschriften. 37—40; 43.
V.
Vaartuigen. Opneming van —. 44.
Veehouderij. Vrijstelling van —. 3. 45—51, 55.
Veenderij.               »            » —. 3. 45, 51.
Vennooten. Buitenslands wonende —. Ie;
6 i 2: 7 $ 2; 16; 17.
Verandering in den maatstaf van belooning,
enz. 4. 10.
Vereenigingen. Belastingplichtigheid. lft. 7, 12.
»             Maatstaf der belasting. 5 § 1.
»             Aangifte voor —. 12 § 3.
»             Optreding van bestuurders, enz.
15 § 2.
»             Aangifte van uitdeelingen. 16.
»             Plaats van aanslag. 17.
»             Zetel. 17. 7.
i             Ontheffing van belasting voor
—. 37.
»
             Overlegging van uittreksel der
rekening. 45.
Vereenigingskas. 5. 10.
Vergunning. Aangifte bij —. 13 § 2.
Verhaal der belasting. 7. 1—7.
Verhooging. Ambtshalve —. 21 $ 1.
»           Oplegging eener — bij beroep. 30.
Verklaring voor den Raad van beroep. 29.
Verkoopwaarde. 6. 13.
Vermogen. Berekening van het —. 2 § 2; 3 § 2 a.
Vernieuwingsfondsen. 3. 8.
Verpleging 8. 3.
Verschil van gevoelen. 21 § 3.
Verstrekkingen. Verschuldigde —. 2. 7, 11.
Vertrek. Ontheffing bij — naar buitenlands. 38.
Vervoermiddelen. Buitenlandsche 6. 12.
Vervolging. Straf —. 50.
Verzekeraars. (Buitenlandsche). Zie verzeke-
ringmaatschappijen (buitenlandsche).
Verzekcrimjmaatsc1iap-
pijen (Onderlinge). Belastingplich-
tigheid. 16.11.
»                      »          Maatstafderbe-
lasting. 5§1.
*                      »          Aangifte voor
-. 12 § 3.
»                      »           Optreding van
bestuurders,
enz. 15. § 2.
Verzekeringmaatschap-
pijen
(Onderlinge). Aangifte van
uitdeelingen. 16.
»                       j           Plaats van aan-
slag. 17.
»
                         j>            Zetel. 17. 7.
i                      »           Overlegging
uittreksel ba-
lans. 45.
Verzekeringmaalsclmppijen (Buitenlandsche).
lo-;6§4;7$3;22§l.
Verzoekschriften. Indiening van—. 37—40; 43.
Verzorging. 8. 3.
Volmacht. Aangifte bij —. 13 § 2.
Vrouw. Belastingplichtigheid der —. 2. 18.
Vrijstelling van zegelrecht. 46.
»             » registratierecht. 46.
»             » stichtingen. 8 a.
»             » spoorwegondernemingen. 8 6.
»             » voor gezanten, enz 8 c.
»             » landbouw, enz. 3 § 7.
w.
Wachtgelden. Maatstaf der heffing. 3. 42—44.
t              Wijze van berekening. 4. 1.
Weeklounen. 4 § 3.
Werkloozen. Uitkeeringen aan —. 5. 9.
Werkplaatsen. Aftrek van kosten voor —. 3.
34—39.
»
             Opneming van —. 44.
Winkelgoederen. Leverantie van — door bui-
tenlanders. 1. 30—35.
Winkels. Aftrek van kosten voor —. 3. 34—39.
Winst. Wat als — te beschouwen. 3 f 1; 5. 3.
» Berekening der bruto —. 3. 7. 8.
» Aandeel in —.3. 5a; 5. 4.
Winsten. Belastingplichtig voor —. 2 $ 1.
ti          genoten door commanditaire ven-
nooten. 3 \\ 5.
Winst- en verliesrekeningen. 12 $ 1. II.
Winstuitkeeringen. Aftrek wegens —. 3 § 2 g.
y>                  aan verzekerden. 3. 4; 5. 8.
»                   » commanditaire vennoo-
ten. 3 $ 5.
Wisselvallige inkomsten. 4. 1, 7, 8; 57.
z.
Zedelijke verbetering. 8. 3.
Zeeofficieren. 1. 5—6.
Zegel. Vrijstelling van —. 46.
Zctboeren. 3. 49.
Zetel van vennootschappen, enz. 6. 3; 17. 7.
Zieken. Uitkeeringen aan —. 6. 9.
<C>L .&>7<»/