-ocr page 1-
-ocr page 2-
m rv) //<
\'5^
I. OCt.
2802
IL
L................_...............................................................IIL 1
LEGAAT
:
; VAN
1
l
\\
>
i
Prof. Dr. J. A. C. OUDEMANS.
i
!
•
i
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Uit de
HOM W DEN STAAT.
SCHETSEN
DOOR
H. M. J. WATTEL.
SCHOONHOVEN,
S. & W. N. VAN NO O TEN.
1895.
-ocr page 6-
«
-ocr page 7-
VOORBERICHT.
De populaire schetsen van staatsinrichting, in deze bladzijden
vervat, verschenen aanvankelijk als extra-feuilleton in het Nieuws
van den Dag, en vonden algemeenen bijval.
Toen het bleek dat die belangstelling van blijvenden aard was,
gaf de Directie, op verzoek van den auteur, op hoogst welwillende
wijze toestemming tot overdruk.
Waar het noodig bleek is de tekst aangevuld en met den tegen-
woordigen toestand in overeenstemming gebracht.
Schrijver en Uitgever vertrouwen met de herziening en de uitgave
in dezen vorm, een nuttig en velen welkom werk te hebben verricht,
Sassf.nheim en Schoonhoven,
Mei 1895.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
I.
Staatkundige Geschiedenis tot de Omwenteling
van 1795.
De bewoners der gansche beschaafde wereld leven in
groote groepen: Volken of Staten genaamd. Wel bestaan
tusschen de verschillende volken vele punten van aanraking;
wel heeft het eene volk dikwyls veel overeenkomst niet het
andere; maar toch staat elke groep op zichzelf. Binnen be-
Eaaide grenzen gevestigd, bewegen de menschen, die er toe
ehooren, zich meestal ook in dien kring. Gewoonlijk
stemmen zy overeen in taal en gebruiken. Bovenal, en dit
maakt juist den Staat tot Staat, zü hebben hetzelfde be-
stuur, zij leven onder dezelfde wet, uit dezelfde beurs:
eene groote huishouding dus.
Het kan ons niet onverschillig zijn, hoe het huishouden
bestuurd en de beurs aangewend wordt. Wy hebben daarbü
zelf belang. Bovendien is de wetenschap, die ons leert hoe
de Staat is ingericht, ook in andere opzichten zeer belang-
rn\'k, vol verscheidenheid en ten hoogste praktisch.
W\\j vertrouwen dat de hierna volgende Schetsen uit de
groote huishouding van den Staat, aan vele belangstellenden
als huisboek welkom zullen zn\'n.
Niet geheel door vrn"e keus, meestal slechts door om-
standigheden van hun wil onafhankelijk, z\\jn de menschen
tot Volken of Staten vereenigd. Het is daarom niet minder
belangrn\'k te weten hoe onze Staat ontstaan is.
Ons vaderland maakte in vroegere eeuwen een deel uit
1
-ocr page 10-
2
van het groote Duitsche Ryk. Tot de Nederlanden of de
Nederkreits behoorden echter niet alleen de tegenwoordige
Nederlandsche gewesten, maar ook andere, thans meeren-
deels Belgisch grondgebied. Ten tijde van Karel V waren
er zeventien afzonderlijke gewesten, die in 1548 geheel on-
afhankeln\'k werden en eigenlijk nog maar alleen in naam
gerekend werden tot het Duitsche Rijk te behooren. Vroeger
door verschillende bestuurders geregeerd, was het bestuur
langzamerhand door huwelijk en erfrecht in dezelfde handen
gekomen. Karel V regeerde, onder verschillende titels, over
al de zeventien gewesten. Maar bet gezag der toenmalige
Vorsten was hier in vele opzichten zeer beperkt. De af-
zonderlijke Staten en vooral de steden met hunne nijvere en
gegoede poorters (burgers), wisten voortdurend eene ruime
mate van onafhankelijkheid te bewaren en voor de groote
geldelijke bijdragen, die de Vorsten steeds behoefden, allerlei
vrijheden en rechten, of zoogenaamde privilegiën te be-
dingen. Intusschen gaf juist dit aanleiding tot de groote en
vr\\j algemeen bekende gebeurtenissen der zestiende eeuw.
Vooral de Vorsten uit het Oostenrijksche stamhuis, meeren-
deels oppermachtige gebieders in de grootere Staten, die zij
beheerschten, streefden naar uitbreiding van gezag over de
i-yke en bloeiende Nederlanden. Niet alleen over aan-
gelegenheden van godsdienstigen aard, zooals men wel eens
denkt, maar ook over de geldmiddelen, over de rechtspleging,
over de krijgsmacht ontstonden hooggaande twisten. Toen
Karel\'s zoon, Philips II, Koning van Spanje en heer der
Nederlanden, met geweld de geschillen te zijnen gunste
wilde doen beslissen, brak de zoogenaamde Tachtigjarige
Oorlog uit, die Noord-Nederland vrij maakte.
Het grootste deel der tegenwoordige Nederlandsche
provinciën sloot in 1579 en 1580 een verbond van ver-
dediging, de Unie van Utrecht genaamd, dat men de eerste
Nederlandsche grondwet kan noemen en aan welk verbond
later nog andere gedeelten van het land werden toegevoegd.
De oorlog zelf, in 1568 reeds aangevangen, had eigenlijk slechts
ten doel: de handhaviug der vrijheden en privilegiën, met
erkenning der heerschappij van Philips; maar toen deze zyn
hevigen tegenstander, den bij velen geliefden Willem van
Oranje, stadhouder in Holland en Zeeland, vogelvrij ver-
klaarde en in den ban deed, met het kennelijk oogmerk om
hem uit den weg te ruimen, verklaarden de verbonden ge-
westen den Koning vervallen van zijne heerschappij over
deze landen (1581).
•
-ocr page 11-
3
Van dien ty\'d af rekent men gewoonlijk het bestaan van
de Republiek der vereenigde provinciën: Holland, Zeeland,
Gelderland, Utrecht, Friesland, Overijsel en Groningen;
waartoe tevens behoorde het landschap Drente, met eene
eigene regeering, maar zonder aandeel in de algemeene
regeering. En toen, in 1648, by den vrede van Munster,
onze onafhankelijkheid door Spanje was erkend, werd het
grondgebied nog met eenige veroverde streken vermeerderd:
ongeveer het tegenwoordige Limburg, Noord-Brabant en
Zeen wsch- Vlaanderen.
Het vreemde woord Republiek, afkomstig van eene
Latljnsche uitdrukking, beteekent, letterlijk opgevat, alge-
meen belang. Maar elke regeeringsvorm is natuurlijk
voor het algemeen belang ingesteld. Eene Republiek is
eenvoudig een Staat, waarover niet een persoon als hoofd is
gesteld, maar een geheel college van personen, of ver-
schillende colleges. Zóo was het ook bij ons. Elk gewest
stond op zichzelf, geregeerd door eigen vertegenwoordigers
of Staten, die in hoofdzaak overal op dezelfde wijze waren
samengesteld, voornamelijk uit de edelen en de vroed-
schappen of stedelijke regeeringen. Die Staten hadden dus
ook de wetgevende macht, en meestal was er een stadhouder,
die de wet uitvoerde en het recht handhaafde.
Maar behalve de bijzondere zaken van elk gewest, waren
er ook algemeene zaken, omdat overeen was gekomen om in
vele aangelegenheden, vooral omtrent het voeren van oorlog
en bet sluiten van bondgenootschap met vreemde mogend-
heden, gemeenschappelijk te handelen. Daarom hadden er
soms bijeenkomsten plaats om samen te beraadslagen, waar
de bondgenooten, de verschillende gewesten namelijk, hun
gemachtigden heenzonden, en die men daarom noemde de
vergadering der Generale (Algemeene) Staten, kortheidshalve
ook Staten-Generaal.
Die Staten-Generaal hadden ook het bestuur over de ver-
overde gewesten, waarvan wy boven spraken. Deze hadden
geen eigen beheer en men noemde ze daarom: generaliteits-
landen.
Intusschen waren de bijeenkomsten der Generale Staten
slechts tydelyk; zy waren volstrekt niet voortdurend ver-
gaderd of, zooals men het met een vreemd woord noemt, zij
waren niet permanent. Daarom was er nog een blijvend
werkzaam college, de Raad van State genaamd, dat de
wetten uitvoerde en het dagelyksch beheer had over de
algemeene zaken, zooals het krijgswezen en de geld-
*
-ocr page 12-
4
middelen, totdat in 1593 de Algemeene Staten ook permanent
werden en daarom langzamerhand de meeste zaken zelf
begonnen te behandelen.
Het beheer over oorlogszaken en financiën bleef echter
voortdurend bij den Raad van State. De rekeningen van
het algemeen bestuur werdeu uagezien in eene andere ver-
gadering: de generaliteits-rekenkainer; terwijl de zeezaken
werden geleid onder toezicht van nog een ander college, de
admiraliteit genaamd, dat op verschillende plaatsen zitting
had en waarbij ook elke provincie gemachtigden zond,
ofschoon het eigenlijke beheer door Holland, Zeeland en
Friesland werd gevoerd.
Bü dit alles was en bleef het de hoofdzaak, dat elk
gewest volkomen zelfstandig was. De Unie van Utrecht
was eene zeer onvolkomene grondwet en eene verbeterde
samenstelling van het algemeen bestuur was welhaast dringend
noodig. Maar zoolang de vereenigde provinciën bestonden,
dat is meer dan tweehonderd jaren, kon men tot die ver-
betering niet geraken, en dit feit was oorzaak van den later
zoo treurigen toestand des lands. Tot algemeene hervormingen,
van tijd tot tyd in eiken Staat gewenscht, omdat elke staats-
inrichting met de nieuwere denkbeelden en begrippen, die
met den tijd ontstaan, rekening behoort te houden, kon
het nooit komen. Wat de een wilde, wilde de ander steeds
niet. De hoog geroemde zelfstandigheid der gewesten had
eene zeer donkere zijde. Ook elke stad had hare eigene
wetten en gewoonten. Het bestuur, het recht waren schier
overal verschillend. Steeds nam dat verschil toe; bijna nooit
kon men geraken tot maatregelen van algemeene kracht, en
die niet wilde medewerken kon moeilijk of in het geheel
niet gedwongen worden.
Er waren groote rechtsgeleerden, maar het recht werd niet
naar behooren uitgeoefend. Er waren groote krijgshelden,
maar leger en vloot zagen er dikwijls treurig uit. Aan
onderwijs, aan volksbeschaving, aan volksgezondheid, liet
men zich te weinig gelegen liggen. Zóo was het met de
belangen van het verkeer, met de belastingen, met het munt-
wezen. Ambten en bedieningen werden hoe langer zoo
meer erfelijk of werden verkocht, en het beste wat de
republiek opleverde kwam dan ook meestal aan eenige be-
voorrechte familiën ten bate. Die niet tot de gereformeerde
staatskerk behoorden, sloot men uit van alle waardigheden.
De overdreven zucht om toch maar volkomen op zich-
zelf te staan, om macht en gezag uit te oefenen, om het
-ocr page 13-
5
bestaande te behouden en niets op te offeren aan het al-
gemeen, waren van dat alles de oorzaak. Zóo kon men op
de gebrekkige grondwet der Unie niet voortbouwen en zij,
die iets van de historie kennen, weten hoe dit alles ten
slotte leidde tot een toestand van onhoudbare verwarring
en regeeringloosheid.
Is het waar, wat de schoone spreuk zegt, dat de wereld-
geschiedenis het wereldgericht is, dan moest een volk, dat
na een zoo glorierijk verleden zijn beste belangen zóo ver-
waai\'loosd had, door een tijdperk van harde beproeving
gelouterd en tot meerdere zucht naar eenheid en overeen-
stemming worden aangespoord.
II.
Staatkundige Geschiedenis na de Omwenteling.
De ernstige verbetering van regeeringsvormen en maat-
schappelijke toestanden kon men desnoods nog met geweld
tegenhouden, maar het doorbreken van nieuwere denk-
beelden en den wensch naar verandering nooit De natuur-
lyke ontwikkeling gaat van zelve voort. Zóo was het ook
in de dagen der Vereenigde Nederlanden, inzonderheid in
de laatste dagen der achttiende eeuw. Tegenover de ver-
stokte zucht naar behoud, stond de eisch van verbetering en
aaneensluiting met klimmenden aandrang, nog gesteund door
armoede en groote maatschappelijke rampen. Als de beker
vol is doet een druppel dien overloopen. Vandaar dat de
omwenteling met geweld bracht wat anders niet te bereiken
was. Maar, zooals het met elke omwenteling gaat, zij brak
te veel af en bouwde aanvankelijk te weinig op.
Toen in 1789 de verschrikkelijke revolutie in Frankryk
een einde maakte aan het wanbestuur der Fransche Koningen
en hunne regeeringslieden, gaf dit ook hier het sein tot
eene gelukkig niet zeer bloedige revolutie, eigenlyk een
-ocr page 14-
6
reeks van kleine of plaatselijke omwentelingen, die hierop
uitliepen, dat de nieuwe Fransche Republiek hare legers
zond, om een einde te maken aan den regeeringsvorm en
inzonderheid aau het stadhouderlijk bewind van Prins
Willem V, die door de zoogenaamde patriotten (vaderlanders)
ten onrechte als den grootsten dwingeland en vijand van
alle verbetering werd beschouwd.
Waarheid is, dat in den verwarden toestand geene ver-
betering meer mogelijk was, dan door het geweld van den
staatkundigen storm. De geschiedenis toont daarvan meer
dan een voorbeeld.
Tn 1795 werd de revolutie of staatsomwenteling daarmede
voltooid dat, onder bescherming van Frankrijk, dat ons in
ruil voor dien dienst al dadelijk zware lasten oplegde, de
vereenigde provinciën werden gevormd tot een Ruk: de
Bataafsche Republiek.
Uit groote feit was voorzeker het allerbeste gevolg van
den tuimelgeest dier dagen; maar het moet erkend worden,
dat ook veel goeds werd vastgesteld in de grondwet of staats-
regeling, die den 1. Mei 1798 tot stand kwam: een eenigs-
zins zonderling klinkend en geheel van den opgewonden
tijdgeest getuigend stuk. Uit een reeks van algemeene
beginselen, waarmede deze merkwaardige grondwet aan-
vangt, blykt zeer duidelijk wat als de voornaamste fout
van den ouden regeeringsvorm werd geacht en natuurlek
ook wat men er voor in de plaats wenschte te brengen.
Zeer belangrijk zijn daarin b.v. de volgende artikelen:
Alle de leden der maatschappij hebben, zonder onder-
scheid van geboorte, bezitting, stand of rang, gelyke aan-
spraak op derzelver voordeelèn.
Ieder burger is volkomen vrö om te beschikken over
zyne goederen, inkomsten en de vruchten van zü\'n vernuft
en arbeid, en voorts om alles te doen wat de rechten van
een ander niet schendt.
Ambten en bedieningen zyn lastgevingen der maat-
schappij voor een bepaalden tn\'d. Zy zn\'n noch erfeln\'k noch
vervreemdbaar, noch bijzondere voorrechten van hen die ze
waarnemen. De keus van den eenen burger boven den ander
is alleenlijk gegrond op meerdere deugd en bekwaamheden.
De vrh\'heid der drukpers is heilig.
Ieder burger heeft het recht om met zyne medeburgers te
Tergaderen, tot onderlinge voorlichting, ter opwekking van
vaderlandsliefde en ter nauwer verbintenis aan de staatsregeling.
Ieder burger heeft vrh\'heid om God te dienen naar de
-ocr page 15-
7
overtuiging van zy\'n hart. De maatschappij verleent te dezen
opzichte aan allen gelijke zekerheid en bescherming.
Geene burgerlijke voordeelen of\' uadeelen zyn aan de be-
lijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel gehecht.
Alle heerlijke rechten en titels, waardoor aan een
byzonder persoon of lichaam zou worden toegekend eenig
gezag omtrent het bestuur of de aanstelling van ambtenaren,
worden voor altijd vernietigd.
Er zal een wetboek gemaakt worden, zoowel van burger-
lijke als van lijfstraffelijke wetten, algemeen voor de gansche
republiek.
De pijnbank wordt afgeschaft door de gansche republiek.
By de aanneming der staatsregeling worden vervallen
verklaard alle gilden, corporatiën of broederschappen van
neringen, ambachten of fabrieken. Ieder burger heeft het
recht zoodanig eerlijk bedrijf aan te vangen als hü verkiezen
zal, enz.
Dat van dit alles in de eerste tijden veel niet tot uit-
voering kwam, laat zich wel begrijpen. Voor een deel moet
dit echter ook geweten worden aan den onrustigen staat-
kundigen toestand en den invloed van Frankrijk, waardoor
alras de grondwet en de regeeringsvorm werden veranderd.
Eerst kwam de grondwet van 1801, die al een weinig
minder republikeinsch gekleurd was, of waarin, met andere
woorden, de onmiddellijke invloed van het volk opderegee-
ring reeds minder groot was dan volgens hare voorgangster.
Toen wist Napoleon Bonaparte, Fraukrijk\'s machtige beheer-
scher, die den republikeinschen regeeringsvorm haatte, te
bewerken, dat bij eene nieuwe constitutie, die van 1805,
een raadpensionaris aan het hoofd der zaken werd gesteld.
Den 9. April 1805 werd de bekende Rutger Jan Schimmel-
penninck onder Bonaparte\'s invloed als zoodanig bij volks-
stemming gekozen; maar kort daarop, bü het verdrag van
26 Mei 1806, werd de republikeinsche regeeringsvorm afgeschaft
en gaf Napoleon ons zijn broeder Lodewijk tot Koning. Ook
deze gaf ons eene grondwet, die van 1806, in vele opzichten
met de vroegere overeenkomende; maar zy had evenmin
veel uitwerking.
Het noodzakelijk einde van onze verdeeldheid en van
de staatkundige gebeurtenissen, die er op gevolgd waren,
was dat Napoleon het kleine Nederland, welks bezit hem in
zijne oorlogen tegen Engeland van zooveel gewicht was, by
-ocr page 16-
8
Frankryk inlijfde. Wat daarop volgde behoeft niet in
bijzonderheden vermeld te worden. Verdrukt, uitgezogen,
meegesleept in de oorlogen van het Fransche Keizerrijk
tegen half Europa, was het een tijd van harde beproeving,
maar die louterde en vereenigde. Het is van meer algemeene
bekendheid, hoe November 1813 ons de onafhankelijkheid
hergaf en het Rijk der Vereenigde Nederlanden deed geboren
worden, waarover Willem Frederik, Prins van Oranje, werd
uitgeroepen tot Souverein Vorst (een Vorst die onbeperkt
regeert); hoe wij daarna met de Zuidelijke Nederlanden
werden vereenigd, onder den naam van Koninkrijk der Ne-
derlanden en hoe de Souvereine Vorst de eerste nationale
(door het volk gewilde) Koning was. Bij twee constitutiën,
van 1814 en 1815, werd bepaald op welke grondslagen de
regeering van den Staat zou rusten en welke de betrekking
zou zijn tusschen Vorst en volk.
Bij deze en jatere gebeurtenissen behoeven wij in dit
geschiedkundig overzicht slechts kort stil te staan, omdat
wn\' menig belangrijk punt later nog zullen ontmoeten.
Willem I was, zonder twijfel, een zeer goed en vaderlijk
Vorst, maar, onder den indruk van het gebeurde, was de
grondwet van 1815 wel wat ver afgeweken van de beginselen
in 1798 aangenomen. De vrijheden en bevoegdheden van
het volk waren tamelijk ingekort, zijn aandeel in de regee-
ring was zeer gering en daarentegen de gelegenheid voor
het hoofd van den Staat en zijne bewindslieden, om wille-
keurig te werk te gaan en toezicht op de daden der regeering
af te snn\'den, zeer groot. By de wetgeving en het beheer
der geldmiddelen, kwam dit vooral sterk uit. Ook waren
niet eens aan alle burgers gelijke rechten toegekend, en
werd onderscheid gemaakt tusschen den adel, de steden en
het platteland.
Op den langen duur kon dit niet goed gaan. Willem I
was beslist tegen alle verandering, die natuurlijk de macht
des Konings een weinig moest beperken. Toch wonnen
nieuwere denkbeelden omtrent het Staatsbestuur steeds veld
en werd de aandrang tot grondwetswijziging grooter, vooral
toen er, na de afscheiding van België, meer aanleiding en
gelegenheid was om zich met ernst op de verbetering der
staatsvormen, geheel in Noord-Nederlandschen geest, bezig
te houden.
-ocr page 17-
9
Toen, nadat in 1840 eenige onbeduidende wijzigingen
waren aangebracht, kwam, grootendeels door de persoonlijke
tusschen komst van Willem II, die daarmede eene echt
koninkln\'ke daad verrichtte, de groote grondwetsherziening
van 1848, die bijna geheel de wenschen van het volk be-
vredigde en waaruit zeer veel goeds is geboren. De invloed,
vooral het toezicht van het volk op de regeering, werden
aanmerkelijk grooter; de zelfstandigheid van provinciën en
gemeenten werd uitgebreid zonder benadeeling van de een-
heid van den Staat; de verhouding tusschen de verschillende
staatsmachten en het geldelijk beheer werden op vaster voet
geregeld, eene passende uitbreiding werd gegeven aan de
volksvrn\'heid; de wetgeving werd aanzienlyk verbeterd.
En later is op dien grondslag voortgebouwd. Laatstelijk
is in 1887 de nog altijd bestaande grondwet van 1815 weer
door eene wijziging tot verdere ontwikkeling gebracht.
Waar wy nu in een reeks van opstellen een blik wen-
schen te slaan in de belangrijke huishouding der gemeenten,
het provinciaal beheer en het groote Rijksbestuur, daar zal
ons van zelf binken hoe krachtens de grondwet, zooals die
nu bestaat, de betrekking der staatsmachten is geregeld,
hoe in alle behoeften wordt voorzien en waarover de
zorg voor de groote huishouding van den Staat en zyne
onderdeelen zich uitstrekt.
III.
De Gemeenten.- De Uitvoerende en Wetgevende
Macht. — Burgerlijke- en Burgerschapsrechten.
De staatsregeling van 1798 verdeelde het grondgebied
des lands in departementen en gemeenten, ter betere uit-
oefening van het bui\'gerlijk bestuur.
De splitsing in gemeenten, de voornaamste onderver-
deeliug van het Ryk, treffen wy dan ook nog heden ten
dage aan, en z\\j is voorzeker onmisbaar. De grenzen der
-ocr page 18-
10
gemeenten toch zyu niet geheel willekeurig getrokken,
maar omvatten de eene of andere stad of een of meer
dorpen, gehuchten enz., met eene uitgestrektheid land daar-
om heen, waarvan de bewoners met de stad of het dorp de
meeste gemeenschap hebben of het getnakkelykst kunnen
verkeeren. De plaatselijke of zoogenaamde locale belangen
van zulk een kring (er bestaan ruim elfhonderd gemeenten)
worden, onder een afzonderlijk hoofd, door een eigen be-
stuur, met een eigen kas en gedeeltelijk zelfs met eigen
plaatselijke wetten behartigd, en het zou moeilyk anders
kunnen zijn.
Intusschen kunnen veranderde omstandigheden, b.v. ver-
beterde of gewijzigde middelen van gemeenschap, uitbreiding
van bevolking en daardoor van de bebouwde kom der ge-
meenten enz., wel eens noodzakelijk maken, dat de kaart
worde verlegd. Met andere woorden: de gemeentelijke gren-
zen kan men niet eens en voor altijd vaststellen, en het
zou zelfs de vraag kunnen zijn, of eene algeheele herziening,
op eene eenvoudige wyze, niet gewenscht zou wezen. De
grondwet heeft dit nu wel niet voorgeschreven, maar dan
toch in de zaak voorzien. Zij bepaalt dat provinciën en ge-
meenten kunnen worden vereenigd en gesplitst, dat nieuwe
kunnen worden gevormd en de grenzen der bestaande ver-
anderd. Vooral de belangen der ingezetenen moeten daarbij
wegen, doch de wenschen van de eene gemeente strooken
niet altijd met die der andere. Er wordt echter zoo-
veel mogelijk gezorgd dat, wat het zwaarst is, ook het
zwaarst weegt. Alle belanghebbende partyen worden
gehoord. De vereeniging of splitsing en evenzoo de
grens verandering, die niets anders is dan de vereeniging
van een deel eener gemeente met eene andere, worden ont-
worpen door het dagelyksch bestuur der provincie, de zoo-
genaamde Gedeputeerde Staten, of, zoo de gemeenten in
meer dan éene provincie liggen, door eene commissie uit de
Gedeputeerden dier gewesten, nadat de burgemeester en de
wethouders der betrokken gemeenten door die Staten zyn
geraadpleegd. Dan wordt in elk der gemeenten, die by de
zaak belang hebben, het plan beoordeeld, niet alleen door
den gemeenteraad, dit ligt voor de hand, maar bovendien
door eene byzondere commissie uit de ingezetenen, even
sterk als de raad in ledental, door de gewone stem-
gerechtigden voor den gemeenteraad gekozen en waarvan de
burgemeester voorzitter is.
De vereeniging, splitsing of verandering kan daarna
-ocr page 19-
11
plaats hebben, maar kan toch nooit geschieden dan ten-
gevolge eener wet, die daarvoor opzettelijk wordt gemaakt.
Wat dit beteekent zal ons later duidelijk worden.
De huishouding der gemeente wordt in geen enkel opzicht
willekeurig geregeld. Vooral bij deze huishouding heeft de
burger belang en, het moet gezegd worden, hij stelt er
over \'t algemeen ook belang in. Hier vooral kan hij zelf-
standig waarnemen en den loop der zaken beoordeelen. De
gemeente is de beste oefenschool voor de staatkundige oplei-
ding van het volk.
Sedert de grondwetsherzieuing van 1848 zijn een aantal
belangrijke aangelegenheden bij verschillende wetten geregeld.
Onder deze behoort ook de wet van 29 Juni 1851, welke
de samenstelling, inrichting en bevoegdheid der gemeente-
besturen vaststelt.
Elke gemeente wordt bestuurd door een raad en door een
burgemeester en wethouders.
Het is de Koning die regeert, ook in de gemeente. Hem
komt het opperbestuur toe; doch het wordt feitelijk in zn\'nen
naam uitgeoefend dooreeueu ambtenaar, dien men zou kunnen
noemen Commissaris (zaakgelastigde) des Konings in de ge-
meente, maar die den titel draagt van burgemeester.
Laat ons hier even opmerken dat, ofschoon de regeering
thans berust in handen eener Koningin, w\\j opzettelijk van
een Koning spreken en dit in het vervolg zullen blijven
doen. In de grondwet en in andere wetten, waar het te
pas komt, wordt steeds van den Koning gesproken, niet
zoozeer omdat, toen die wetten gemaakt werden, een Koning
regeerde, maar omdat men, van het hoofd van den Staat
sprekende, vooral het oog heeft op het koninklijk gezag of,
zooals men het ook wel uitdrukt, de kroon. Het is dan ook
niet alleen gemakkelijker, maar het schijnt juister, om steeds
het mannelijk woord te bezigen, tenzij men bepaald mocht
spreken van de persoon der Koningin.
In zoogenaamde officieel e stukken moet echter steeds
van de Koningin worden gesproken, zoolang deze regeert.
Het hoofd van het plaatselijk bestuur wordt door den
Koning benoemd, niet voor het leven, maar voor den tijd
-ocr page 20-
12
van zes jaren tegelijk, en, dit is althans de regel der wet,
uit de ingezetenen der gemeente gekozen.
Op dezen regel zijn wel wat veel uitzonderingen. Haasten
wij ons er bij te voegen, dat de wet die uitzonderingen toe-
laat in het belang der gemeente. Maar de regeering alleen
heeft dit belang te beoordeelen en het woord belang is zeer
ruim op te vatten. De uitzondering is in de praktijk regel
geworden. Het is en blijft waar, dat het de gemeente is
die zelve het meeste belang heeft bij eene goede keuze en
dit belang het liefst zal behartigd zien door een harer be-
kwaamste eu geschiktste burgers. Niet alle gemeenten, het
is zoo, leveren geschikte personen op, die zich voor de taak
beschikbaar kunnen stellen, maar veelal zou men het voor-
schrift der wet toch kunnen nakomen, te meer omdat de
burgemeester niet wordt benoemd voor het leven, maar de
Koning telkens de vrije keus heeft.
Uit het feit dat de burgemeester eigenlijk de koninklyke
macht in de gemeente vertegenwoordigt, moet vanzelf volgen
dat de wet hem verschillende bevoegdheden of zoogenaamde
attributen toekent: hij is voorzitter van den gemeenteraad
en heeft daarin in ieder geval eene raadgevende stem; hem
komt de zoogenaamde uitvoerende macht toe, dat wil zeggen:
wat besloten wordt voert hij uit; wordt door de gemeente
een proces gevoerd of wordt tegen haar in rechten op-
getreden, het geschiedt op zijn naam; hij treedt op als hoofd
der plaatselijke politie, enz.
Overal waar eene uitvoerende macht is, moet nood-
zakelijk eene wetgevende macht zijn. Immers, zal men
een besluit uitvoeren, het moet eerst wettig bestaan en het
gezag, dat bevoegd is om besluiten te nemen, noemt men
de wetgevende macht, al duidt men die besluiten zelf dan
ook niet altijd met den naam van wet aan.
Het voornaamste wetgevend lichaam der gemeente is de
raad, die, zooals trouwens vanzelf spreekt, uit de in-
gezetenen wordt gevormd. Dit welbekende college bestaat
minstens uit zeven en hoogstens uit negen-en-dertig leden,
naarmate der bevolking, volgens een tafel van berekening in
de gemeentewet opgenomen. B\\j eene bevolking van minder
-ocr page 21-
13
dan drieduizeud zielen bedraagt het aantal zeven. Groeit
het zielental tot drieduizend aan, dan zijn er elf raadsleden,
enz. Het getal is steeds oneven, om zooveel mogelijk het
zoogenaamde staken der stemmen te voorkomen.
En de keuze der leden van den raad geschiedt door de
ingezetenen of, beter gezegd, door ingezetenen, namelijk
alleen door hen die het recht van keuze bezitten, kort-
weg kiezers genaamd: mannen, die ten volle drie-en-
twintig jaren oud en geen vreemdelingen zijn, een jaar in
de gemeente hebben gewoond en bevoegd zijn om hunne
burgerlijke en burgerschapsrechten volledig uit te oefenen.
Deze vereischten om kiezer te zyn behoeven wel eenige
toelichting.
De gewijzigde grondwet van 1848, die het maken van
een aantal nieuwe wetten gebood, bepaalde ook, dat bij eene
byzondere wet zou moeten worden uitgemaakt wie Neder-
landers zijn, vooral omdat men, volgens de grondwet, om
eenig burgerschapsrecht te hebben, bepaaldelijk Neder-
lander moet wezen. Nederlanders en vreemdelingen hebben
geenszins dezelfde rechten. Wie Nederlanders en wie
vreemdelingen zijn, is laatstelijk geregeld bij eene wet
van den 12. December 1892. By die wet is ook be-
paald hoe een vreemdeling genaturaliseerd kan
worden, dat wil zeggen, de rechten van een Nederlander
kan verkrygen.
Doch wat zyn dan burgerschaps- en wat zyn burger-
lyke rechten?
Tot de eerste soort behooren die welke men bezit juist
omdat men burger, lid der vereeniging van den Staat is en
die dus ook het bestuur of de huishouding van den Staat
betreffen, zooals: om een ambt te bekleeden, een volks-
vertegenwoordiger te kiezen, enz.
De burgerlijke rechten zijn die, welke de menschen in
het onderling verkeer, dus tegenover elkander, uitoefenen
en op hunne eigene bijzondere levensverrichtingen be-
trekking hebben. Zij beschikken over hun eigendom, over
hunne nalatenschap; zy huwen, sluiten allerlei contracten,
voeren processen, enz. Het recht daartoe is een burgerlyk
recht en hier maakt de wet tusschen man en vrouw en
tusschen Nederlander en vreemdeling weinig verschil.
De kiezer moet al die rechten ten volle kunnen uit-
oefejien en niet alle menschen kunnen dat. Zoo verliest
b.v. iemand, die ophoudt te betalen en zooals het heet in
staat van faillissement verklaard wordt, enkele burgerlyke
-ocr page 22-
14
rechten; zoo kunnen burgerlijke en burgerschapsrechten
verloren worden tengevolge van een strafvonnis, en elk
verlies van dien aard maakt — soms wel wat overdreven —
de stembus voor een burger ontoegankelijk.
IV.
Verkiezingen in het algemeen. - Voor den Baad
in het bijzonder. — Lidmaatschap.
Er is echter nog een vereischte, om als kiezer voor den
raad der gemeente op te treden, een vereischte dat wn\' nog
niet noemden, omdat het eene meer nauwkeurige op-
merking vordert.
Tot aan de grondwetsherziening van 1887 moest men,
om kiezer te zijn, eene zekere som betalen in de grond-
belasting, de personeele belasting of het patentrecht. Het
te betalen bedrag was echter niet in alle gemeenten even
hoog. In de groote steden was die som (de zoogenaamde
census) hooger dan in de kleinere enz., en die census was
zoo hoog gesteld, dat het aantal burgers, bevoegd om aan
de verkiezingen deel te nemen, over \'t algemeen betrek-
keiijk zeer gering was. Het mocht met recht een be-
denkelijk stelsel heeten, dat op geheel onjuiste voorstellingen
berustte. Wie meer betaalt, zoo redeneerde men ongeveer,
heeft ook meer belang dan h\\j die minder opbrengt. Die
b. v. een groote handelsstad bewoont, zoo dacht men verder,
en weinig ontwikkeld is, zal doorgaans toch wel ongeveer
zooveel belasting betalen, als die meer ontwikkeld is, doch
in eene kleinere plaats of op het platteland leeft; want in
grootere plaatsen woont men kostbaarder en drn\'ft zyne zaken
op meer uitgebreide schaal. Daar nu ook de ontwikkelde
meer recht moet hebben dan de niet of minder ontwikkelde,
moet in de grootere plaatsen de census hooger zyn.
Het voornaamste bezwaar tegen dit onhoudbaar stelsel
was ongetwijfeld gelegen in de omstandigheid dat, zooals
w\\j reeds opmerkten, een zoo gering aantal personen .werd
toegelaten.
Om deze en andere redenen is bjj de laatste grondwets-
-ocr page 23-
15
herziening het maken van eene nieuwe kieswet voorgeschreven,
die de keuze van afgevaardigden op andere grondslagen moet
vestigen. En terwn\'1 wij nu in afwachting van deze wet leven,
zyn bij diezelfde grondwetsherziening alvast eenige o ver-
gangsbepalingen gemaakt, waardoor terstond dit voordeel is
verkregen, dat het aantal kiesgerechtigden aanmerkelijk is
uitgebreid. Hoewel nog altijd het betalen van eene zekere
som in de zoogenaamde Rijks directe belastingen is voor-
geschreven, is deze betrekkelyk laag.
Welk stelsel van verkiezingen de te verwachten nieuwe
wet ons zal brengen, is natuurlijk onbekend. In zooverre
zal het tegenwoordige wel behouden blijven, dat men een
te betalen geldsom (census) ook in het vervolg zal eischen.
Die som zal echter vermoedelijk zeer laag worden gesteld,
en bovendien zal dan waarschijnlijk vereischt worden, dat
de kiezer blijk moet geven van het bezit van genoegzame
verstandelijke ontwikkeling, om zelfstandig in het burgerlijk
leven te kunnen optreden.
Of zou men wellicht het stelsel der algemeene kiesbevoegd-
heid invoeren, waarbij op verstandelijke ontwikkeling of op
het bijdragen in de lasten in het geheel niet behoeft te
worden gelet? Met de grondwet, zooals die thans luidt, is
dit in elk geval in strijd; want deze zegt uitdrukkelijk dat
de nieuwe kieswet moet letten op geschiktheid en het bezit
van eenigen maatschappelijken welstand. Het is dan ook
stellig de bedoeling om daardoor zooveel mogelijk waarborg
te verkrijgen, dat alleen zij aan de keuze der regeerings-
lichamen deelnemen, die iets te verliezen hebben en daarom
meer bijzonder belang hebben bij maatschappelijke orde, en
die, eenigszins op de hoogte van de inrichting en de een-
voudigste eischen van het Staatsbestuur, niet al te licht
een werktuig worden in de hand van anderen en zelfstandig
over de openbare belangen kunnen oordeelen.
De leden van den gemeenteraad hebben zitting gedurende
den tijd van zes jaren, maar zij treden niet allen tegelijk af.
Om de twee jaren is een derde gedeelte aan de beurt van
aftreding, en wel met den eersten Dinsdag in September.
Men noemt dit de periodieke (op geregelde tn\'den plaats
hebbende) aftreding. Mochten er plaatsen te vervullen zn\'n,
die door ontslag, overlijden of om eene andere reden tusschen-
tjjds openvallen, dan wordt binnen zes maanden door burge-
-ocr page 24-
16
meester en wethouders eene nieuwe verkiezing uitgeschreven.
Als algemeene regel geldt, dat een aftredend raadslid dadely\'k
weder verkiesbaar is.
In de meeste gemeenten is de derde Dinsdag in de
maand Juli, om het andere jaar, en wel in die jaren welker
tallen met een oneven cyfer eindigen, een gewichtige dag.
Dan zyn de gewone gemeentelijke verkiezingen daar. Vooral
na de belangrijke uitbreiding van het zoogenaamde kiezers-
personeel, door de grondwetswyziging van 1887, is die dag
van groote beteekenis geworden en de nieuwe kiezers hebben
van hun recht aanvankelijk een ijverig gebruik gemaakt.
Op den duur diezelfde belangstelling van allen te verwachten
zou wel eenigszins ongegrond zyn. Het is toch proef-
ondervindelijk bewezen, dat de Nederlandsche natie dergelyke
zaken en eigenlijk het geheele zoogenaamde politieke (staat-
kundige) leven over het algemeen vrij kalm opvat. Dit
levert zeker een groot voordeel op, daar bedaard overwogen
keuzen de slechtste niet zullen zyn en hartstochtelykheid of
wanordelijkheid, die wy zoo vaak in andere Staten aan-
treffen, de goede zaak slechts kunnen schaden. Toch zal
men ten onzent altyd wel een weinig moeten waken, dat niet
de gewenschte kalmte ontaarde in lauwheid en onverschillig-
heid. Bovendien behoort naar onze meening y\'verig zorg te
worden gedragen voor de staatkundige opleiding van het
volk. De kalme opvatting der dingen spruit niet zelden
voort uit onwetendheid, die natuurlyk de wezenlyke belang-
stelling schaadt. Op alle scholen behoort reeds een een-
voudig leesboek over de allereerste beginselen der staats-
inrichting aanwezig te zyn, en ook de volwassene moet,
voor zoover hij er behoefte aan heeft, door woord en schrift
worden onderwezen en opgewekt. Niet het minst de dagblad-
pers kan in dit opzicht bydragen tot de volksopvoeding en
de overtuiging ingang doen vinden, dat wy wel rechten
bezitten, maar meer plichten te vervullen hebben en dat
slechts de ordelyke, doch algemeene samenwerking der bur-
gers, den Staat zyn taak wezenlyk kan doen vervullen.
De wet stelt eenige vereischten voor het lidmaatschap
van
den gemeenteraad, die overeenkomen met hetgeen in
den kiezer gevorderd wordt.
Er zyn evenwel nog eenige bijzondere bepalingen voor
de
leden van den raad gemaakt, die ten doel nebben, eene
-ocr page 25-
17
vry\'e gedachten wisseling en zelfstandige stemming, buiten
allen invloed, zooveel mogelijk te bevorderen. Van lamilie-
regeeriug wil de wet niet weten. Tusschen den burge-
meester en de leden van den raad en tusschen de leden
van den raad onderling, mag niet bestaan bloedverwant-
schap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad. De
betrekking van zoon, kleinzoon, vader, grootvader, schoon-
vader, schoonzoon, zwager, tusschen twee personen, is dus
voor die personen een beletsel om te zamen in den raad
zitting te hebben, enz. Die b. v. met de zuster van den
burgemeester der gemeente gehuwd is, kan geene zitting
nemen in den raad van diezelfde gemeente, maar sterft de
vrouw, die de oorzaak was van het beletsel, dan houdt het
verbod op. De bedoelde personen zijn dan in het staatkundig
leven geene zwagers meer, ofschoon zg het in het burgerlijk
leven wel degelijk blijven.
Ambtenaren der gemeente of zij, die invloed hebben op
het bestuur, zn\'n niet verkiesbaar, en, wat wel het voor-
naamste is, een aantal betrekkingen zijn met het lidmaat-
schap van den raad geheel onvereenigbaar. Voor die
uitsluiting geldt in hoofdzaak dezelfde reden, die wij boven
hebben genoemd. Deze verbodsbepaling betreft de Ministers,
die aan het hoofd eener afdeeling der Regeering staan, den
Commissaris des Konings in de provincie, de griffiers der
Provinciale Staten, de leden der Gedeputeerde Staten. Ook
is met het lidmaatschap van den raad onvereenigbaar de
betrekking van commissaris van politie, geestelijke of be-
dienaar van den godsdienst, onderwijzer bij het lager of
middelbaar onderwijs en krijgsman in werkelijken dienst.
In enkele gevallen wil het ons voorkomen, dat deze verbods-
bepaling te ver is uitgestrekt en velen, die thans zijn uit-
gesloten, zonder bezwaar in het regeerings-college der
gemeente zitting zouden kunnen nemen.
De burgemeester is altijd benoembaar, zelfs wanneer hij
tevens secretaris en dus ambtenaar der gemeente is. In vele
gemeenten maakt het hoofd van het bestuur dan ook deel
Van den raad uit. In andere is de burgemeester zelf daartoe
niet gezind en inderdaad is het eene ernstige vraag, of
de vereenigbaarheid der betrekkingen van burgemeester en
lid van den gemeenteraad niet aan gegronde bedenkingen
onderhevig is?
-ocr page 26-
18
V.
De Burgemeester als Raadslid. "Plaatselijke Eigen-
dommen en Wetgeving. — Huishouding.
Wanneer uien het volgende bedenkt, valt het gemakkelijk
om over de stelling van den burgemeester, die tevens lid van den
raad is, eenigszins te oordeelen. Het is volkomen waar, dat hij
door het vertrouwen der kiezers het lidmaatschap verwierf,
maar dit vertrouwen geldt zijn persoon, niet zu\'n ambt. De
burgemeester, die vanwege den Koning de gemeente be-
stuurt, is voorzitter van den raad en bovendien van een
ander college, dat van burgemeester en wethouders, waarvan
de voorstellen, die de raad moet behandelen, hoofdzakelijk uit-
gaan. Vooral in laatstgemelde betrekking is zijn invloed groot
en nu brengt hij in den gemeenteraad nog eens stem uit,
misschien wel de beslissende stem, over diezelfde voorstellen.
Strookt wat de raad beslist niet met zijne zienswyze, dan is er
allicht een grond te vinden om de vernietiging van het be-
sluit aan den Koning voor te dragen. Wij komen op dezen
laatsten maatregel nog nader terug, doch wn\'zen er ook
thans reeds op, om te doen uitkomen dat in het algemeen
vele redenen bestaan, om den burgemeester zyne eigen-
aardige stelling in de gemeente geheel zuiver te doen be-
waren. Alleen voor zeer kleine gemeenten, vooral ten
platten lande, moet soms het bezwaar zwichten voor een
ander: dat daar namelijk de keuze van een genoegzaam
aantal geschikte personen niet altijd even licht valt.
De gemeente is slechts een onderdeel van het groote
geheel des Rijks en tevens een deel van eene provincie of
gewest. Het spreekt wel van zelf, dat de algemeene Rijks-
wetten en de provinciale verordeningen (waarover wy later
uitvoeriger spreken) ook betrekking kunnen hebben op het
gemeentelijk leven. Voor het overige geldt de regel, dat
de gemeente zichzelve bestuurt, mits zy zich gedrage naar
de algemeene regelen, die de gemeentewet en de grondwet
hebben gesteld en onder voorwaarde dat hare besluiten niet
met hoogere wetten in strn\'d zn\'n. De regeling en het bestuur
-ocr page 27-
19
van de huishouding der gemeente zh\'n voor een deel voor-
behouden aan den hurgemeester of\' aan burgemeester en
wethouders. Al het overige behoort tot de bevoegdheid
van den raad, die het aangewezen lichaam is om de eigen-
Hjke gemeentelijke wetten te maken, of, zooals zy heeten:
de keuren, verordeningen of reglementen.
In de allereerste plaats kunnen deze keuren betrekking
hebben op de eigendommen der gemeente, en hierbij moeten
wy er de aandacht op vestigen dat de gemeenten, zoowel als
de Staat en de provinciën, op tweeërlei wyze eigendommen
bezitten of kunnen bezitten. Zoo is een straat, een markt-
plein, gemeente-eigendom; een raadhuis, een timmerwerf,
een werkinrichting, evenzeer; maar al deze zaken bezit de
gemeente als gemeente of, zooals men het in de rechtstaal
noemt, als publiekrechtelijk lichaam, dat wil zeggen: zij zijn
bestemd om door of ten dienste van het publiek of van het
bestuur der gemeente te worden gebezigd. Die bestemming
behouden zy, totdat by een raadsbesluit verklaard is, dat
zij aan den openbaren dienst worden onttrokken. Ge-
schiedt dit, dan staan die eigendommen gelijk met alle
andere die de gemeente bezit en die niet tot den open-
baren dienst zijn bestemd. De gemeente bezit deze zooals
elk mensch het zyne heeft, als een privaat persoon oi\',
zooals het weer met een rechtsterm heet, als privaat-
rechtelijk lichaam.
Over de laatste kan het gemeentebestuur vrijelyk beschik-
ken, door ze te verkoopen, verruilen of met hypotheek te
bezwaren. Over alles wat tot den openbaren dienst is bestemd
kan op die wijze niet beschikt worden, dau nadat de eigen-
dommen aan dien dienst onttrokken zijn.
Vele beslissingen van den raad, die in het algemeen
meestal besluiten worden genoemd, betreffen byzondere op
zichzelf staande gevallen en behoeven slechts tydelyk te
werken, zooals b.v. het besluit tot het doen eener geld-
leening; het verkoopen, verhuren, verruilen of bezwaren
         o
van gemeente-eigendommen, het aannemen van legaten of
schenkingen aan de gemeente gedaan, het aanleggen of
verbeteren van gemeentewegen, straten, pleinen, grachten
en andere werken, het benoemen van ambtenaren, enz.
Doch andere besluiten, de eigenlyke gemeentewetten,
hebben de strekking om voortdurend te blijven werken.
Deze worden meestal aangeduid met den naam van ver-
ordeningen , keuren of algemeene regelingen; zooals die welke
in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid
*
-ocr page 28-
20
worden vereischt, die welke in betrekking staan tot de open-
bare veiligheid, enz.
Bij deze keuren of verordeningen worden aan de burgers
allerlei verplichtingen opgelegd, waardoor de zindelijkheid,
het onbelemmerde verkeer en alles wat zoowel op zedeln\'k
als op stoffelijk gebied voor de welvaart der gemeente noodig
is, kan bevorderd worden.
Meer dan verordeningen maken kan het bestuur echter
niet doen. Ze behoorlijk en vrijwillig uit te voeren is de taak
der burgerij, en het kan helaas niet ontkend worden, dat veelal
eene onredelyke tegeningenomenheid is waar te nemen met
de plaatselijke reglementen en de bijzondere voorschriften
van politie, eene tegeningenomenheid, die meestal voort-
spruit uit een verkeerd begrip van vrijheid. Juist de vrijwillige
onderwerping aan de voorschriften der openbare orde kan
veroorzaken, dat minder of minder gestrenge voorschriften
in haar belang behoeven te worden uitgevaardigd en het
openbaar gezag zeldzamer behoeft op te treden om ze te
handhaven. Maar ook het tegenovergestelde is waar, en slechts
bij volmaakte orde is de maatschappij in waarheid vrij, omdat
daar niemands handeling de vrijheid van anderen belemmert.
Intusschen zal verstoring der openbare orde wel steeds
in de maatschappij voorkomen, en de wet geeft dan ook wel
degelijk het middel aan de hand om tot plichtsbetrachting
te nopen. De gemeenteraad kan tegen de overtreding zijner
verordeningen, wanneer dit niet reeds bij eene hoogere wet
is geschied, straf, namelijk geldboete en hechtenis, bedreigen.
De overtreder der verordening wordt voor den rechter gedag-
vaard, en wanneer hij door dezen tot eene geldboete wordt
veroordeeld, wordt tevens bepaald, dat wanneer de boete
niet binnen twee maanden na gedane aanmaning is betaald,
deze door hechtenis (de zoogenaamde subsidiaire hechtenis)
wordt vervangen.
Bij het maken der verordeningen, vooral die tegen welker
overtreding straf is bedreigd, is algemeene kennis der wet-
geving, inzonderheid ook van het strafrecht, een vereischte.
Het ontwerpen van de laatstgenoemde plaatselijke wetten
wordt zooveel mogelijk opgedragen aan vaste commissiën,
waarvan de burgemeester voorzitter is. Waar geene com-
missie voor de strafverordeningen bestaat, behoort dit uit
den aard der zaak tot den werkkring van burgemeester en
wethouders. Door deze of door de genoemde commissie,
wordt steeds onderzocht welke strafverordeningen nog van
kracht zyn, en minstens eenmaal in de vyf jaren wordt eene
-ocr page 29-
21
afzonderlijke verordening gemaakt, waarbij de gemeenteraad,
na eene algemeene herziening, verklaart welke der bedoelde
verordeningen nog in de gemeente gelden.
Het is niet twijfelachtig, dat het gemeentebestuur de
stoffelijke belaugen der ingezetenen zoo krachtig mogelijk
behoort te bevorderen. Trouwens, stoffelijke en zedelijke be-
langen gaau veelal hand aan hand. Maar wij hebben hier
het oog op die maatregelen, welke inzonderheid strekken om
het verkeer te vergemakkelijken, den handel te verlevendigen
en de nijverheid aan te moedigen. De gemeentewet heeft
dit punt niet vergeten en maakt uitdrukkelijk melding van
het aanleggen of verbeteren van gemeentewegen, water-
ieidingen, straten, pleinen, grachten, gebouwen, werken en
inrichtingen, het instellen van jaarmarkten of gewone markt-
dagen, enz. Juist omdat de gemeente in betrekkelijk
kleinen kring leeft, omdat zij in vele opzichten zoo huis-
houdelijk is ingericht, omdat men er haast aller belangen
kent en veler belangen kan behartigen, schijnt het gemeente-
bestuur het aangewezen lichaam om in deze voor te gaan
en wel kalm en voorzichtig, maar dan toch ook ijverig te
streven in de richting van vooruitgang en ontwikkeling.
Vooral is het zijne roeping te helpen en voor te gaan waar
particuliere krachten te kort schieten of ontbreken.
Maar de gemeente moet niet, om hare inkomsten te
vermeerderen, als mededingster der ingezetenen optreden, in
het algemeen zelfs niet als mededingster der particuliere
nijverheid. Worden werken of inrichtingen daargesteld in
het algemeen belang of in het belang van handel en nijver-
beid, dan behoort dit werkelijk teu nutte van het publiek
te geschieden en dus zonder dat de gemeente voor de door
haar bewezen diensten meer dan den kostenden prijs rekent.
Nog veel beter is het te trachten het benoodigde door particu-
liere krachten onder goed toezicht van het bestuur tot stand
te doen brengen, en waar de gemeente ernstig in die richting
streeft, zal het haar ongetwyfeld meestal gelukken. De ge-
meentewet heeft het ook zóo begrepen, maar in de praktijk
ssjjn vele gemeentebesturen afgeweken van den goeden weg,
waarop de wetgever ze wel door strengere bepalingen be-
hoorde terug te brengen.
-ocr page 30-
22
VI.
De Gemeenteraadsleden en hun mandaat. — Ver-
gaderingen van den Baad.
Wanneer eene verkiezing yan leden yoor den gemeente-
raad heeft plaats gehad, moeten eenige formaliteiten worden
vervuld, die voor deze gelegenheid door de wet worden ge-
eischt. Vooreerst moeten de zoogenaamde geloofsbrieven
der nieuw inkomende leden door den raad worden onder-
zocht. Onder geloofsbrieven verstaat men zoodanige stukken,
waaruit blijkt van de gedane keuze en van de bevoegdheid
om de betrekking van raadslid te bekleeden. Worden deze
niet in orde bevonden en weigert de raad toelating, dan kan eene
hoogere beslissing, van Gedeputeerde Staten, worden gevraagd;
doch ook bij gunstige beslissing van den raad kunnen de
burgemeester en elk der raadsleden zich op die wijze tegen
de toelating verzetten. De eindbeslissing is in beide gevallen
aan den Koning.
Bij het aanvaarden van het lidmaatschap zijn de leden
van den raad verplicht in handen van den voorzitter den
zoogenaamden zuiveringseed af te leggen, dat wil zeggen,
te zweren dat zij om de benoeming te verkrijgen niemand
iets hebben beloofd of gegeven en ook aan niemand iets
zullen geven. Daarna zijn zij verplicht te zweren trouw aan
de wet en dat zij de belangen der gemeente met al hun
vermogen zullen voorstaan en bevorderen. Zij die behooren
tot het Doopsgezinde Kerkgenootschap, met welks beginselen
de eedzwering in strijd is, kunnen volstaan met eene ver-
klaring en belofte, hetgeen een verschil maakt in de be-
woordingen of het zoogenaamde eedsformulier.
De raad is het vertegenwoordigend lichaam der gemeente,
b\\j uitnemendheid geschikt tot bespreking harer belangen.
Openbaarheid is zn\'n hoofdkenmerk, en die openbaarheid is
niet alleen gewenscht in het belang van onpartijdigheid en
toewijding; z\\j is tevens dringend noodzakelyk, daar zy het
voornaamste middel kan zyn om met juistheid te oordeelen
-ocr page 31-
23
over de vraag, of de afgevaardigden, ofschoon vrije mannen,
zich het verti\'ouwen der bevolking waardig betoonen?
Het is een stellig beginsel onzer Staatsinrichting, dat de
afgevaardigden vrij blijven, dat zij hun last of mandaat zelf-
standig opvatten. Zij mogen dan ook niet met een be-
paalden last of zoogenaamd imperatief mandaat worden
afgevaardigd. Zij mogen evenmin, vóór het uitbrengen van
stem, met de kiezers daaromtrent in overleg treden. De
gedragslyn voor het lid van den gemeenteraad en van de
leden van alle hoogere colleges, die wjj nader zullen ont-
ïnoeten, wordt bepaald door de afgelegde belofte en de
eerlijke overtuiging van het geweten: zóo wil het de wet
en zóo behoort het te zijn.
Streng af te keuren is het vaak voorkomend streven, om
de Regeeringslichamen te vullen met personen, wier doel
het is, by voorkeur de belangen van een bepaalden stand of
van de aanhangers van éene bepaalde richting te behartigen.
In het gemeentelijk leven b. v. wordt door elk raadslid de
geheele gemeente vertegenwoordigd. Nu is het zeker waar,
dat de geheele gemeente eerst dan vertegenwoordigd wordt,
wanneer alle voorname richtingen in het burgerlijk leven
een afgevaardigde bezitten, die inzonderheid de denkbeelden
dezer richting met bekwaamheid voorstaat; maar het zou
zeer wenschelijk zijn dat de verschillende partijen zich meer
dan thans van tijd tot tijd vereenigden, om de vertegen-
woordiging op die wijze samen te stellen. De aldus gekozen
afgevaardigden zouden dan de belangen hunner eigene
richting met de algemeene belangen der gemeente weten
overeen te brengen, en de vertegenwoordiging zelve zou een
meer waardig en degelijk karakter aannemen. Dit schijnt
des te meer aanbevelenswaardig, omdat de gemeenteraad
niet de plaats is, waar groote vraagstukken van staat-
kundig belang voorkomen. Zijn eenigszins huiselijk en huis-
houdelijk karakter eischt vooral onderlinge waardeering,
kalme bezadigdheid en eene groote kennis van plaatselijke
toestanden en belangen.
Minstens zes malen per jaar houdt de raad zijne openbare
vergadering of, beter uitgedrukt, de raad vergadert zoo
dikwyls als de burgemeester, of burgemeester en wethouders,
het noodig oordeelen of vergadering moet worden belegd,
en dit laatste is zes malen in een jaar. Op het verzoek van
-ocr page 32-
24
een deel der leden, dat schriftelijk wordt gedaan, en wel in
genieenten beneden twintig duizend zielen door drie en in
de overige gemeenten door een vijfde der leden, moet de
raad mede buitengewoon worden bijeengeroepen. De ver-
gadering zelve wordt door den burgemeester belegd.
Van de openbaarheid der beraadslagingen kan slechts in
enkele gevallen worden afgeweken. Acht de voorzitter ot
een door de wet aangewezen deel der leden het noodig,
dan worden de deuren gesloten en kan aan de aanwezige
leden geheimhouding omtrent het behandelde worden op-
gelegd. Maar de wet stelt terecht op de openbaarheid den
grootsten prijs" en voor de meest belangrijke zaken, zooals
over geldleeningen, over plaatselijke belastingen, over het
beschikken ten opzichte der gemeente-eigendommen, kan
met gesloten deuren niet worden gehandeld of beslist. Aan
den anderen kant heeft de wet een waarborg gegeven, dat
niemand de openlijke bespreking van alle zaken en een
volkomen vrij en zelfstandig besluit behoeft te schromen,
want wegens de stem of meening door hen in de ver-
gadering geuit, kunnen de leden niet gerechtelijk worden
vervolgd.
De besluiten zelven moeten zooveel mogelijk het wezen-
lyk gevoelen van den raad uitdrukken. Vandaar dat,
wanneer niet de grootste helft van het aantal leden, waaruit
de raad volgens de wet moet zn\'n samengesteld, aanwezig is,
van beraadslagen of besluit nemen geen sprake kan zijn.
In dit geval wordt eene nieuwe vergadering belegd, en
doet zich daarin opnieuw hetzelfde verschijnsel voor, als-
dan ten derde male; en in deze laatste vergadering kunnen
met de aanwezige leden de zaken worden behandeld en af-
gedaan. Men stemt over de meeste zaken mondeling. De
volstrekte meerderheid, dat wil zeggen de grootste helft,
is voor het nemen van een besluit noodig. Staken de
stemmen, met andere woorden, zn\'n er evenveel vóor- als
tegenstemmers, dan wordt in eene volgende vergadering
nog eenmaal gestemd, en heeft dan weder hetzelfde plaats,
dan staat de staking van stemmen met eene verwerping
gelh\'k.
Alleen wanneer een keuze of voordracht van personen
moet geschieden, stemt men met briefjes, ongeteekend en
gesloten (b. v. dichtgevouwen). Heeft nu in zoodanig geval
staking van stemmen plaats, dan moet het lot beslissen.
Nog andere voorschriften z\\jn omtrent de wn\'ze van
werken van den raad in de wet vervat: doch waar de wet
-ocr page 33-
25
zw\\jgt, kan de raad zelf daaromtrent bijzondere bepalingen
vaststellen. Het daarvan opgemaakte besluit noemt men
het reglement van orde.
Hoe noodig het ook zij, dat de leden van den gemeente-
raad uit de beschaafde en verstandige burgers worden ge-
kozen, het is toch onmogelijk dat zij allen kennis bezitten
van alle gemeentelijke belangen en van de geheele wet-
geving. Een zoogenaamd werkman zal b. v. moeilijk over
het maken van strafverordeningeu kunnen oordeelen. Moet
men daarom den werkman uitsluiten? Zeker niet, want de
werkman zal een vers tan digen raad kunnen geven, waar de
rechtsgeleerde geheel onwetend is. Intusschen heeft de wet
getracht te voorzien in de moeilijkheid, die zou kunnen ont-
staan, door de verplichting, om een besluit te nemen over zaken,
waaromtrent de kennis der leden onvoldoende is. Dan is het
zeer gewenscht dat vooraf door de deskundigen een onderzoek
geschiede en door dezen hunne meen ing omtrent het voor-
stel aan de overigen kenbaar worde gemaakt. De raad heeft
daarom de bevoegdheid om vaste commissiën uit de leden
te belasten met de voorbereiding van hetgeen waarover een
besluit moet worden genomen, en tevens, doch dit alleen
op voordracht van burgemeester en wethouders, aan vaste
commissiën uit de leden op te dragen, om het dagelijksch
bestuur en dit zijn juist burgemeester en wethouders, in
het beheer van bepaalde takken van de huishouding der ge-
meente bij te staan (zoogenaamde commissiën van bijstand).
Van deze laatste is de burgemeester of een der wethouders
altijd voorzitter.
Zoo vindt men in sommige gemeenten commissiën voor
de geldelijke aangelegenheden, voor de strafverordenin-
gen, enz.
Wij merkten op dat hier sprake is van vaste commis-
siën. De regelen voor het benoemen van andere commissiën,
tot uitvoering van een bijzonderen last, worden door den
raad zelf bij het reglement van orde vastgesteld.
Het lidmaatschap van den raad is eene onbezoldigde be-
trekking; terecht, want zucht naar wezenlijk geldelijk voor-
deel mag geen gewicht in de schaal leggen bü het al of niet
-ocr page 34-
26
aanvaarden van openbare bedieningen van dien aard. Boven-
dien, hoe meer onafhankelijke personen hoe beter. Toch
mogen anderen niet worden uitgesloten omdat de tijd voor
hen te kostbaar is en brengt de billijkheid soms het toeleggen
eener schadevergoeding mede. De wet heeft echter niet
gewild dat in dit opzicht verschil zou bestaan, en wanneer
de raad dit zoo bepaalt genieten daarom de leden, zonder
onderscheid, een zoogenaamd presentiegeld voor de zit-
tingen die zjj werkelijk hebben bijgewoond, als tegemoet-
koming voor het verlies van den tijd, in het belang der
publieke zaak besteed.
Vil.
Dagelij ksch Bestuur. - Ambtenaren. -
Administratie.
Het zou volstrekt onmogelijk wezen, den gemeenteraad
steeds te doen vergaderen, steeds werkzaam te doen z\\jn,
en toch moet er een schier voortdurende werkkracht wezen,
die de zaken gaande houdt, die beheer voert en kleine dingen
regelt. De wet heeft dien bijzonderen werkkring opgedragen
aan het zoogenaamd dagelij ksch bestuur, dat gevormd
wordt door den burgemeester met twee of meer leden van
den raad, die den titel van wethouder dragen.
Dat zulk een dagelijksch beheer volkomen onmisbaar is,
blijkt terstond, wanneer men opmerkt wat de wet bijzonder
aan burgemeester en wethouders opdraagt. Het is voldoende,
er op te wijzen dat het dagelyksch bestuur belast is met
het uitvoeren der gemeentelyke verordeningen, die de raad
heeft vastgesteld; het houden van toezicht over de adminis-
tratie van den gemeente-ontvanger en op het beheer en het
onderhoud van alle plaatselijke werken en eigendommen, de
braudbluschmiddelen enz.; het benoemen en ontslaan van
ambtenaren ter secretarie en van wyk- en brandmeesters,
enz. Verder wordt al hetgeen ter overweging en beslissing
in den raad wordt gebracht, door het dagelyksch bestuur
voorbereid. Immers, de leden van den raad mogen wel uit
-ocr page 35-
27
eigenhoofde voorstellen doen, van welken aard ook, of,
zooals men het uitdrukt, zy hebhen wel het recht van
initiatief, maar de regel is natuurlek dat de meeste voor-
stellen, inzonderheid de ontwerpen der eigenlijke gemeente-
lh\'ke wetten of plaatselijke verordeningen, uitgaan van
burgemeester en wethouders. Het is volstrekt geen vereischte
dat die ontwerpen of de voorstellen der raadsleden onver-
anderd worden goedgekeurd of wel verworpen. Elk lid van
den raad heeft het recht om veranderingen of bijvoegingen
voor te dragen, waarover dan op de gewone wijze wordt
heslist. Zulk een voorstel tot wijziging eener gedane voor-
dracht noemt men een amendement.
Het minste getal wethouders (in gemeenten van niet meer
dan twintigduizend zielen) bedraagt twee, het hoogste (in de
overige gemeenten) drie of vier. De helft hunner treedt om
de drie jaren af. In welke volgorde die aftreding plaats
heeft, bepaalt het lot. Intusschen zijn ook hier de af-
tredenden dadelijk herkiesbaar. Op den eersten Dinsdag in
September in de jaren 1896, 1899, enz. heeft door en uit de
leden van den raad de gewone verkiezing plaats van wet-
houders, die met dien dag hunne zesjarige bediening
neerleggen.
In vele gemeenten worden bijzondere afdeelingen der
werkzaamheden, die het voortdurend toezicht van een be-
paald deskundige vereischen, dan ook aan bepaalde wethou-
ders opgedragen; zoo heeft men b.v. een wethouder voor het
onderwijs, een ander voor de openbare werken, een ander
voor de geldmiddelen, een ander voor den burgerlijken stand.
Dit laatste punt vereischt eenige toelichting. Volgens
de burgerlijke wet bestaan in elke gemeente registers, die
voortdurend worden bijgehouden en waaruit met groote
zekerheid blijkt van alle plaats hebbende geboorten, huwe-
lü\'ken, echtscheidingen en sterfgevallen en van alle bn\'zon-
derheden welke daarop betrekking hebben. Deze nuttige
instelling, van Franschen oorsprong, levert zooveel zeker-
heid en gemak op, dat zg wel onmisbaar kan worden ge-
noemd en er zeker de meest mogelijke zorg aan behoort te
worden besteed. De ambtenaar nu, die met het bijhouden
dezer belangrijke registers wordt belast, en die, ofschoon de
taak zelf feitelijk meestal door anderen wordt waargenomen,
daarvoor verantwoordelijk is, noemt men ambtenaar van den
burgerlijken stand. Hij wordt door den gemeenteraad be-
-ocr page 36-
28
noemd en uit de leden gekozen. De burgemeester echter,
ofschoon geen lid van den raad zijnde, is toch in deze be-
trekking altijd benoembaar. Meestal wordt dan ook de
burgemeester of een der wethouders voor de taak aangewezen.
Hoe gewichtig de werkkring van den gemeenteraad ook
zijn moge, hij is ondergeschikt aan de hoogere wetgevende
machten; bovendien moeten zijne besluiten aan het openbaar
belang bevorderlijk wezen en mogen geenszins, in strijd met
het algemeen, een bijzonder belang op den voorgrond stellen.
Voor de handhaving van dit beginsel waakt de burgemeester,
die elk door den raad genomen besluit, dat hij strijdig acht
met Rijks- of provinciale wetten of met het algemeen be-
lang, niet ten uitvoer brengt, maar aan den Koning tot
schorsing (tijdelijke buiten werking stelling) of vernietiging
voordraagt. De Gedeputeerde Staten der provincie zijn ver-
plicht den Koning daaromtrent van raad te dienen, en
wanneer na dertig dagen, volgende op de kennisgeving van
het voorgevallene door den burgemeester aan Gedeputeerde
Staten, geene schorsing of vernietiging door den Koniüg is
bevolen, moet het besluit van den raad worden ten uitvoer
gelegd.
Tot de bevoegdheden van den raad behoort mede het
benoemen en bezoldigen van gemeente-ambtenaren; doch
ook dit punt vereischt eenige toelichting.
De burgemeester is iu den eigenlijken zin des woords
geen ambtenaar der gemeente. Zijne bezoldiging wordt
onder goedkeuring des Konings door Gedeputeerde Staten der
provincie vastgesteld, maar komt ten laste der gemeentekas.
De raad wordt er over gehoord.
Is er in de gemeente een commissaris van politie, dan
wordt deze door den Koning benoemd en ontslagen. Zyne
bezoldiging, door den Koning geregeld, wordt mede door
de gemeente betaald.
De wethouders die, als raadsleden, evenmin gemeente-
ambtenaren z\\jn, genieten uit de gemeentekas eene jaarwedde,
die door Gedeputeerde Staten onder goedkeuring des Konings
wordt vastgesteld en die zn\' voor de helft ontvangen als vast
inkomen en voor het overige als presentiegeld, naarmate z|j
-ocr page 37-
29
de vergaderingen van het dagelijkscli bestuur bijwonen, en
dus op dezelfde wijze als de leden van den gemeenteraad.
De dienaren van politie, onder welke benaming deze dan
ook voorkomen, worden door den burgemeester aangesteld,
de gemeenteveldwacht op het platteland door den Oommis-
saris des Konings in de provincie. De gemeente draagt
alweder de bezoldiging, die door den raad wordt vastgesteld.
Gemeente-ambtenaren, welke niet alleen uit de gemeente-
kas worden betaald, maar die ook bepaaldelijk door den
raad worden benoemd en ontslagen, zijn vooral de secretaris
en de ontvanger, en verder de ambtenaren bij de gemeente-
administratie, de raadsboden, de onderwijzers bij de gemeente-
scholen, de gemeente-geneesheeren. Hun traktement wordt
mede door den raad vastgesteld, behalve dat van den
secretaris en den ontvanger, hetwelk door Gedeputeerde
Staten wordt bepaald.
Ook is de raad soms geroepen om te voorzien in de ver-
vulling van andere bedieningen, waarvan de bekleeders niet
zoozeer als ambtenaren kunnen worden aangemerkt, omdat zij
minder in dienst der gemeente staan, zooals de leden van het
burgerlijk armbestuur.
Over twee der bovengemelde ambtenaren dient nog iets
naders te worden gezegd: den secretaris en den o n t-
vanger. De eerste voert, met uitzondering van de gelde-
lyke aangelegenheden, bijna het geheele beheer der gemeente
en van alles wat door de Rijkswetten aan de zorg der
gemeentebesturen is toevertrouwd. De ontvanger voert be-
paald de geldelijke administratie, onder bijzonder toezicht
van burgemeester en wethouders. Hij is verplicht om, tot
zekerheid van zijn beheer, een zakelijken borgtocht te
stellen, hetz\\j hyzelf zn\'ne goederen verbinde, hetzij een ander
dat te zynen behoeve doe. Onder zakelijke borgtochten ver-
staat men vooral het stellen van hypotheek op onroerende
zaken en het verbinden van kapitalen ingeschreven op het
grootboek der nationale schuld. In \'de gemeente waar de
ontvangst gering en de bezoldiging laag is, kan onder goed-
keuring van Gedeputeerde Staten genoegen worden genomen
met een persoonlijken borgtocht, die hierin bestaat, dat
een ander zich in het algemeen verbindt om de geldelijke
verplichtingen van den ontvanger na te komen, wanneer
deze zelf in gebreke is.
-ocr page 38-
30
Ook de burgemeester eener gemeente kan tot secretaris
dierzelfde gemeente worden benoemd, en bovendien kan de-
zelfde persoon burgemeester, secretaris of ontvanger van meer
dan éene gemeente z\\jn, altbans wanneer de bevolking van elk
dier gemeenten niet meer dan vijfduizend zielen bedraagt,
de gemeenten aan elkaar grenzen en te zamen niet meer
dan tienduizend zielen bevatten.
De betrekkingen van secretaris en ontvanger derzelfde
gemeente kunnen niet door denzelfden persoon worden be-
kleed, dan alleen in gemeenten van niet meer dan v\\jf-
duizend zielen en mits de secretaris niet tevens burgemeester
zy, daar deze, als lid van het dagelijksch bestuur, op de
gemeente-administratie toezicht houdt.
Het is juist het geldelijk beheer, dat het nauwst tot de
gemeentelijke huishouding in betrekking staat. Zij heeft hare
inkomsten en uitgaven en zij heeft vaste regelen daarvoor, in
hoofdzaak door de wet bepaald. Wij merkten reeds op, dat
de gemeente ook eigen bezittingen kan hebben, die, b.v.
door verhuring of belegging, rente kunnen opleveren, doch
geen enkele gemeente kan daardoor alleen in haar onder-
houd voorzien. Trouwens, al ware dit zoo, dan nog zou de
administratie niet zoo heel eenvoudig zyn en toch eene
nadere beschouwing ten volle verdienen, met het oog op de
talrijke en onderscheidene uitgaven.
By die beschouwing zullen wij al dadelijk opmerken,
dat het niet alleen de gemeente-ontvanger is, wiens be-
moeiingen in deze zaak zyn betrokken.
VIII.
Gemeentelijke Huishouding. - Begrooting. —
Belastingen.
Het is alweer de gemeenteraad, die, met burgemeester
en wethouders, op de inkomsten en uitgaven der gemeente
-ocr page 39-
31
rechtstreeks den meesten invloed uitoefent en die eigenlijk
geheel regelt.
Nimmer is het met volkomen zekerheid te zeggen, welke
de inkomsten en uitgaven der gemeente in een volgend
jaar zullen zyn, maar de wet heeft toch gewild dat men die
te voren zoo na mogelijk zal bepalen, om alle willekeur en
wanbeheer te voorkomen. Dit geschiedt door het maken
eener raming of zoogenaamde begrooting, welke vier
maanden vóór den aanvang van een nieuw jaar door
burgemeester en wethouders wordt opgemaakt en den raad
aangeboden.
Op die begrooting komen natuurlnk in de eerste plaats
de te verwachten ontvangsten voor, en daarom hebben wij
thans gelegenheid om even een overzicht te geven van het-
geen in de kas der gemeente vloeit of kan vloeien. Een on-
ingewijde zou allicht denken dat, daar de gemeente een
onderdeel van den Staat is, deze iaatste aan elke gemeente
slechts heeft uit te keeren wat zy\' noodig heeft. Wij willen
nu niet onderzoeken of dit denkbeeld ook geheel voor uit-
voering vatbaar zou wezen. Gedeeltelijk stemt het met de
werkelijkheid overeeu; doch over het algemeen moeten de
gemeenten in haar eigen onderhoud voorzien, en by de
gemeentewet is geregeld op welke wijze dit geschiedt.
Behalve de inkomsten uit eigen bezittingen, wordt het-
geen de gemeente behoeft hoofdzakelijk gevonden uit zoo-
genaamde plaatselijke belastingen, die voor een groot deel
in verband staan met de Rijksbelastingen.
Onder de voornaamste Rijksbelastingen rekent men: de
grondbelasting en de personeele belasting, die wij bij een
overzicht van de belastingheffingen in het algemeen nog
nader zullen ontmoeten.
De opbrengst der personeele belasting nu komt, sinds de
afschaffing der plaatselijke accijnzen, voor het grootste deel
aan de gemeenten, want deze kunnen over vier vyfde ge-
deelten van de opbrengst daarvan beschikken.
Verder mogen zy heffen veertig opcenten, d^,t wil zeggen
veertig percent, van de hoofdsom (de eigenlyke belasting)
der grondbelasting van gebouwen en tien opcenten van de
hoofdsom der grondbelasting van landerijen enz., benevens
een onbepaald aantal opcenten op de hoofdsom der reeds
genoemde personeele belasting, die het Ryk in de gemeente
heft. Deze laatste opcenten bedragen in sommige gemeenten
meer dan honderd.
Eindelijk kunnen, behalve eenige kleine heffingen, zooals
-ocr page 40-
32
hondenbelasting en vergunningsrechten, ook nog zoo-
fenaainde hoofdeln\'ke omslagen of andere plaatselijke directe
elastingen worden ingesteld, die daarin bestaan, dat de
belastingschuldige ingezetenen, in evenredigheid van hun
vooronderstelde draagkracht, eene zekere som in de gemeente-
kas storten.
In den laatsten tyd verkeeren de geldmiddelen van onder-
scheidene gemeenten in vrij treurigen toestand en het is
zeer noodig daarin eene andere regeling te brengen. Van
de genoemde bronnen van inkomst is wat de gemeente van
het personeel trekt verweg de voornaamste, en hieruit volgt,
dat in plaatsen waar weinig of geen e vermogende lieden
wonen, waar men zeer eenvoudig leeft en waar dus de per-
soneele belasting (zooals men weet eene belasting op huur-
waarde, deuren, vensters, haardsteden, mobilair, enz.) weinig
oplevert en ook niet veel door middel van hoofdelijke
omslagen kan worden verkregen, de kunst om rond te komen
niet altijd zoo gemakkelijk te beoefenen is.
Toen in 1865 de zoogenaamde accijnzen of belastingen op
artikelen van verbruik als gemeentebelastingen werden afge-
schaft, moesten de gemeenten daarvoor eene vergoeding
hebben. De afschaffing zelve was zeer toe te juichen, want
alle accijnzen geven aanleiding tot den onzedelijken smokkel-
handel en maken de levensbehoeften duurder, meest ten
nadeele der lagere volksklassen, waar men by kleinere hoe-
veelheden koopt. Maar de gemeenten konden die bron niet
missen en men gaf ze een aandeel in de opbrengst der
personeele belasting. Echter werd hierdoor slechts een deel
der gemeenten gebaat. Immers, in de eene gemeente wordt
in verhouding tot het gezamenlijk bedrag der belastingen
veel personeel opgebracht, ia de andere weinig; waar weinig
opgebracht wordt ontvangt de gemeente ook minder en toch
wordt wellicht in diezelfde gemeente zeer veel opgebracht
aan grondbelasting, waardoor de gemeentekas echter minder
gebaat wordt. Sommigen willen dan ook het bedrag, dat
het Rijk aan de gemeente uitkeert, niet hoofdzakelijk afhan-
kelü\'k stellen van de opbrengst van het personeel alleen,
maar ook een grooter aandeel in de opbrengst der grond-
belasting toekennen.
Bovendien acht men het wenschelijk, de invoering van
nog meer bijzondere plaatselijke belastingen mogelijk te
maken, en als zoodanig worden meestal genoemd: de ver-
mogensbelasting, de verteringsbelasting, de bedryfsbelasting
en het debietrecht.
-ocr page 41-
3:5
De hoofdelijke omslag of plaatselijke directe belasting,
welke thans in de gemeentewet is toegelaten, neemt veelal den
vorm aan eener bepaalde inkomstenbelasting, dat wil zeggen,
men betaalt een zeker percent van zyu werkelijk inkomen,
volgens eigen aangifte of naar schatting. Maar er is veel
getwist over de vraag, aan welken vorm van belasting
de voorkeur moet worden gegeven: aan den aanslag naar
het werkelyk inkomen of aan dien naar het werkelijk
vermogen, en daarom zou men dan de gemeente tusschen
die beide soorten een keus willen laten doen.
Wat een verteringsbelasting is begrypt men ge-
makkelijk, wanneer wij opmerken, dat tot die soort de
personeele belasting gerekend wordt. Duze heffing is er dus
eene naar den uitwendigen staat, den uiterlijken schijn en, wij
mogen er wel bijvoegen, wat men, althans bij de personeele be-
lasting, daaronder ten onrechte verstaat. Immers, door b.v.
huurwaarde, deuren, vensters en haardsteden te belasten,
belast men met den uiterlijken staat tevens lucht en licht
en andere noodwendigheden, en verder datgene wat uood-
zakelijk is om het hoofd te bieden aan de eischen van den
tijd en de mededinging. Om die reden en andere dergelijke
bestaan tegen alle verteringsbelastingen gegronde beden-
kingen.
Ook tegen de bedrijfsbelasting bestaan ernstige be-
zwaren. Men verstaat hieronder vooral eene belasting op
ondernemingen van handel en nijverheid, uitgeoefend in
winkels, fabrieken, werkplaatsen, kantoren en magazijnen
binnen de gemeente; maar zoowel in deze als in de verte-
ringsbelasting kan men gemakkelijk, en dit is dan ook
veelal een hoofddoel van die heffingen, hen aanslaan, die
in de gemeente het belastbaar bedrijf uitoefenen, zouder er
werkelijk te wonen. Dit is een gevaarlijk beginsel, want
zoo gaat de eene gemeente feitelyk belasting heffen van de
inwoners van andere gemeenten. Bovendien houdt men te
weinig de eenheid van belangen en den nauwen samenhang
der dingen in het oog. Men zegt: het is billijk dat de
gemeente, die zich bijzondere uitgaven voor handel en nij-
verheid getroost, ook hen in de lasten aanslaat, die, of-
schoon elders wonende, daarvan mede genieten. Maar ook
deze redeneering kan niet geheel opgaan, want wat de
gemeente schijnbaar ten gerieve van handel en nijverheid
alleen doet, is niet minder in het belang van het algemeen,
en nooit is het juist uit te maken, wie er door gebaat
worden en in hoever; terwyl het ook volstrekt onbewijsbaar
8
-ocr page 42-
34
is dat de uitwonende handelaar van de voordeel en geniet
zonder wederkeerig de gemeente te bevoordeelen.
Debietrechten hebben het doel om sommige gemeenten
in de gelegenheid te stellen, meer voordeel te trekken van
het vreemdelingenbezoek. Juist daarom is ook deze belas-
ting bedenkelijk, daar men, door ze te heffen, de beteekenis
van het vreemdelingenbezoek miskent. Het is onbetwist
dat de stroom van vreemdelingen, die ons land bezoekt,
door het verbruik van eene verbazende hoeveelheid spijs en
drank en den aankoop van allerlei zaken, de inkomsten van
het volk zeer verhoogt. En zal men nu zeggen: „er valt
van die vreemdelingen nog meer te trekken; laten wij halen
wat wü kunnen ?" Dit zou zijn de bekende spreuk toepassen ,
dat men de belastingschuldigen moet knijpen zoolang ze
niet schreeuwen, maar het zou tevens wezen onbillyk en
onpraktisch. Men rekent den vreemdeling voor zijn verblijf
en zn\'ne verteringen wat men maar eenigszins kan. De
meeste artikelen zijn bovendien reeds belast. Wy\'n, bier,
suiker en vleesch zijn belast. Gedistilleerd is zwaar belast.
De verkoop in het klein van sterken drank is belast. Nu
zou de gemeente nog eens gaan belasten den verkoop in het
klein van artikelen als tabak en sigaren, bier, limonade, enz.
Maar daardoor zullen dan toch ook de ingezetenen worden
getroffen, en deze zullen meestal betalen van hetgeen reeds
door andere Rijks- en gemeentebelastingen is bezwaard.
Alleen de inkomstenbelasting is werkelijk te ver-
dedigen, omdat in deze elk zooveel mogelijk in de kosten
der huishouding kan bijdragen naar gelang van zyne draag-
kracht.
Bij de bespreking der algemeene Rijksbelastingen vinden
wy nog gelegenheid om op dit punt terug te komen. Wy
mogen ons thans geene verdere uitweiding veroorloven, daar
het eigenlijk de begrooting van ontvangsten en uitgaven is,
die ons bezighoudt.
Wij hebben met het bovenstaande de ontvangsten op
de gemeente-begrooting of zoogenaamde baten overzien en
keeren dus nu het blaadje om.
-ocr page 43-
:<5
IX.
Begrooting. — Toezicht der Begeering. —
Armwezen.
Wat de begrooting der uitgaven bevat behoeft nauwln\'ks
vermelding, ofschoon de gemeentewet het in alle byzonder-
heden opnoemt, om daardoor uit te maken wat op de raming
moet voorkomen, hoewel nog vele andere uitgaven, in de
wet niet vermeld, noodig z\\jn. Worden, tengevolge der
algemeene wetten van het Ryk, aan de gemeente uitgaven
opgelegd, dan moet ook daarvoor een post worden uitge-
trokken, en wanneer de raad dit niet doet, dan geschiedt
het door Gedeputeerde Staten der provincie, want de
begrooting is aan de goedkeuring van dit lichaam onder-
worpen.
Welke kracht heeft eene begrooting? Moet er juist
worden uitgegeven wat er op vermeld is¥ Natuurlijk niet.
Maar mag men meer uitgeven; mag de begrooting worden
overschreden ?
De wet geeft op die vraag het antwoord. Buiten de
begrooting kan geene uitgaaf geschieden dan met machtiging
van Gedeputeerde Staten. Slechts in buitengewone gevallen
van dringenden spoed kan de raad tot zulke uitgaven be-
sluiten, mits terstond de zaak zelve en de reden waarom
zoo gehandeld is aan Gedeputeerde Staten worden medege-
deeld, met aanduiding van den post van ontvangsten,
waaruit de hoogere uitgaaf moet worden gevonden. B\\j-
zondere uitgaven, welke bestreden worden uit posten, die
binken niet noodig te zijn, of uit den post voor onvoorziene
uitgaven, die altijd op de begrooting moet voorkomen,
hebben trouwens dikwüls plaats. Er geschiedt dan op de
begrooting afschrijving van posten of overschrijving van den
eenen post op den anderen. Dit kan echter niet of er moet
machtiging toe verleend zn\'n bij de begrooting zelve of bij
een afzonderlek raadsbesluit, dat door Gedeputeerde Staten
moet worden goedgekeurd; en om de af- en overschrijving,
waartoe bn\' de begrooting machtiging is verleend, te doen
plaats hebben, behoeven burgemeester en wethouders, die
de begrooting feiteln\'k uitvoeren, in ieder geval toestemming
van den raad.
*
-ocr page 44-
36
Bij de begrooting worden de inkomsten en uitgaven dus
slechts geraamd, maar het dagelijksch bestuur moet van de
werkelijke ontvangsten eu uitgaven wel degelijk rekening
en verantwoording doen.
Intusschen is de gemeente-ontvanger belast met de in-
vordering van alle baten en het doen van alle betalingen.
Deze betalingen geschieden op bevelschriften of zoogenaamde
mandaten, geteekend door den voorzitter van het college
van burgemeester en wethouders, met een der wethouders.
Door den ontvanger wordt jaarlijks rekening gedaan aan
het dagelijksch bestuur, dat van zijne zijde, binnen zeven
maanden na afloop van elk dienstjaar, rekening en verant-
woording doet aan den raad. Zij li^t voor het publiek ter
lezing en wordt algemeen vei\'krijgbaar gesteld. Zij wordt
door den raad onderzocht en voorloopig vastgesteld, maar
moet daarna door Gedeputeerde Staten voorgoed (definitief)
worden vastgesteld, en door deze vaststelling worden
gemeente-ontvanger en burgemeester en wethouders van
hunne verantwoording over het vorige dienstjaar ontheven
(gedechargeerd).
In den loop onzer schetsen van de gemeentelijke huis-
houding zien wij zoo telkens eene hoogere macht of hoogere
machten over de aangelegenheden der gemeente beslissen,
een noodzakelijke maatregel voor den geregelden en on-
gestoorden gang van zaken. Onder die hoogere machten
nemen de Gedeputeerde Staten der provincie eene voorname
plaats in, en eene afzonderlijke afdeeling van de gemeente-
wet is dan ook gewijd aan de besluiten der gemeente-
besturen, die aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten
onderworpen zijn. Hiertoe behooren vooral: het aangaan
van geldleeningen, het als eigenares beschikken over de
voornaamste eigendommen der gemeente, het aanvaarden
van legaten of schenkingen, het ondershands verhuren of in
gebruik geven van gemeente-eigendommen en aanbesteden
van werken of leverantiën en h°c voeren van rechtsgedingen.
De weigering van Gedeputeerde Staten, om een besluit goed
te keuren, is in hooger beroep aan de uitspraak des Konings
onderworpen. Dat de gemeentelijke begrootingen van in-
komsten en uitgaven mede de goedkeuring der Staten
behoeven, hebben wij reeds opgemerkt. Ook het invoeren,
wijzigen of afschaffen van plaatselijke belastingen ver-
-ocr page 45-
37
eischt de tussehenkomst der Staten, die de daartoe strek-
kende besluiten der gemeentebesturen aan den Koning ter
goed- of afkeuring voordragen. Wij zien uit een en ander,
dat de provinciale besturen in het beheer van de financiën
der gemeente vooral zeer nauw betrokken zijn.
Overal zien wh\' er de bewijzen van, dat het bestuur der
gemeente aan de hoogere en algemeeue wetgeving onder-
worpen is. De Rijkswetten verplichten haar om onder-
scheidene instellingen of inrichtingen te hebben, die nu
eens betrekking hebben op het zedelijk doel van den Staat,
dan weer op het stoffelijk belang der maatschappij.
.Zoo zouden wij hier al dadelijk gelegenheid hebben om \'
te spreken over het onderwijs. Maai* bet onderwijs wordt
meer in het bijzonder als eene Rijkszaak beschouwd en bij
een later overzicht van het Rijksbestuur is die bespreking
dus meer op haar plaats.
Als het ware naast de plaatsen, waar de jeugd voor het
maatschappelijk en daardoor ook voor het staatsburgerlijk
leven wordt opgeleid, vinden wij de inrichtingen ten be-
hoeve van hen die, door het gemis eener voldoende maat-
schappelijke stelling, van het staatsburgerlijk leven grootendeels
zijn uitgesloten. Wij bedoelen die van weldadigheid.
Het bestaan eener klasse van armen, het zoogenaamd
pauperisme, schijnt wel onafscheidelijk aan het bestaan
van eiken Staat verbonden te zijn. Nevens hen, die moed-
willig of door onachtzaamheid lijden, zullen wel steeds
slachtoffers van het ongeluk en van minder gunstige maat-
schappelijke toestanden gevonden worden. In ons vaderland
was liefdadigheid steeds een hoofdtrek der burgers, maar de
Staat schoot wel eens in zn\'n taak te kort, en terecht
schreef dan ook de staatsregeling van 1798 voor, dat het
vertegenwoordigend lichaam het armbestuur over de geheele
republiek zou regelen. Toch hebben wij vóór 1854 geen wezen-
lijke armwet gehad. De grondwet van 1848 schreef voor, dat het
armbestuur een onderwerp van de aanhoudende zorg der
regeering zou zn\'n en door eene wet moest worden geregeld.
Deze is daarna, den 28 Juni 1854, tot stand gekomen en
b\\j eene latere wet van 1 Juni 1870 gewijzigd. Deze wetten
regelen in hoofdzaak de zoogenaamde burgerln\'ke armbesturen,
die door de gemeenten, althans hoofdzakelyk door de ge-
meenten, worden opgericht.
-ocr page 46-
38
De geest en het beginsel der armenwet zijn deze: de
armverzorgiug in liet algemeen moet worden overgelaten
aan kerkelijke en bijzondere instellingen; het bur-
gerlijk armbestuur is tot leniging der armoede geroepen,
waar van kerkelijke of particuliere zijde geen onderstand te
bekomen is.
Er bestaan ook wel andere dan gemeentelijke instellingen
van armverzorgiug, maar de gemeentelijke armbesturen treft
men alom aan. Somtijds zijn deze van gemengden aard, dat
wil zeggen: gedeeltelijk beheerd door de gemeente, ge-
deeltelyk door de kerk of bijzondere personen; op deze en
op de zuiver burgerlyke is de wet vooral toepasselyk.
De Regeering doet jaarlijks van den toestand van het
armwezen en hare werkzaamheden op dit gebied een verslag
aan de Staten-Generaal; daarom moeten de besturen van
alle instellingen van weldadigheid van hunne z\\jde de
noodige opgaven aan den Minister van Binnenlandsche
Zaken doen. De kerkelijke en particuliere instellingen, die
veelal door de openbare liefdadigheid in staat gesteld worden
om hare taak naar eisch te vervullen, zn\'n ten gerieve der
ingezetenen beperkt in de vrijheid tot het houden van
openbare collecten enz., die niet mogen plaats hebben dan
na kennisgeving aan het gemeentebestuur, dat zelfs, be-
houdens beroep op den Koning, de inzameling kan stuiten.
Alleen collecten in de kerken en die voor instellingen eener
kerkelijke inrichting, enkel aan de huizen der lidmaten van
het kerkgenootschap, zijn geheel vrn\'.
De burgerlijke armbesturen worden door den raad der
gemeente benoemd en zijn aan dezen rekenplichtig. Die
besturen hebben soms bepaalde afgezonderde fondsen te
hunner beschikking; anders komen de uitgaven, als alle
andere kosten der gemeente, ten laste der gewone be-
grootiug. Voor vele gemeenten is het armbeheer een
drukkende last, die een betere regeling van het inkomen
mede zeer wenschelijk maakt. Er is echter voor sommige
een tijd van zwaarder druk geweest, toen de kosten van
verpleging van eenen arme, door eene gemeente, terug-
gegeven werden door die waar de arme zn\'n wettige woon-
plaats (domicilie van onderstand) had. Zeer vele armen, in
de groote steden aan het armbestuur vervallen, bleven
voortdurend ten laste van het platteland. Thans blh\'ven de
kosten der verpleging van eenen arme, die ergens wordt
bedeeld, ten laste van die gemeente en teruggaaf (restitutie)
heeft niet meer plaats.
-ocr page 47-
39
In de besturen der gemengde instellingen van weldadig-
heid wordt ook ten deele door de gemeente voorzien.
De beschikbare gelden van alle burgerlijke en gemengde
instellingen worden op eene door de wet aangewezen wyze
belegd, en de machtiging van Gedeputeerde Staten voor de
beschikking over de goederen der instelling, is voor het
bestuur een vereischte.
Bedelary en landlooperü zyn verboden en er bestaan
gestichten, waarin zn°, die deswege zgn veroordeeld, kunnen
en soms moeten worden overgebracht en waarin ook andere
behoeftigen kunnen worden opgenomen.
Men verwarre vooral de instellingen van armenzorg niet
met die tot voorkoming van armoede. Het voorkomen
van armoede is zeker veel schooner taak dan het bedeelen,
en rechtstreeks in het belang der maatschappij. Onze voor-
ouders droegen, veelal uit een godsdienstig oogpunt, tot
verval van maatschappelijke welvaart bij, door het stichten
van hofjes en dergelijke instellingen van een blijvend
karakter en met een eigen, afzonderlijk vermogen. De vrij
algemeen bekende maatschappij van weldadigheid
levert een voorbeeld op eener particuliere instelling van
lateren tijd, en op gemeentelijk gebied kennen wij vooral
de werkinrichting en de bank-van-leening, welke
laatste voorschot geeft op roerend goed, tegen rente. Het
is proefondervindelijk bewezen, dat deze instelling de ar-
moede eer verergert, daar niet altijd in geval van behoefte
geleend wordt, het leenen zelf niet goedkoop kan zijn en
bn\' gebreke van aflossing de verkoop der panden steeds
schadelijk is voor den eigenaar. Het ware, naar onze meening,
de taak der gemeentebesturen om langzamerhand dergelijke
instellingen van twijfelachtig nut te doen vervallen en
vooral niet toe te laten, dat banken van leen ing door
particulieren onder een valschen naam worden gehouden,
zooals in den laatsten tijd vooral in de groote gemeenten
plaats heeft. Mocht het recht der gemeente daartoe min of
meer twijfelachtig zijn, dan behoorde de Rijkswetgeving
in die zaak te voorzien.
-ocr page 48-
40
X.
Provinciën. - Provinciale Staten. — Verkiezingen.
In den aanvang onzer schetsen hebben wij een en ander
medegedeeld omtrent de staatkundige geschiedenis en de wor-
ding van het Rijk en merkten daarbij reeds op hoe, meeren-
deels door toevallige omstandigheden, de verdeeling van het
land in provinciën, ook wel gewesten genaamd, ontstaan is.
Holland is bij de grondwetswijziging van 1840 in twee
deelen, Noord- en Zuid-Holland, gesplitst, terwijl de pro-
vinciën Brabant en Limburg hoofdzakelijk gevormd zijn uit
de vroeger vermelde generaliteitslanden.
Vóór de laatste verandering in de grondwet (1887) werden
daarin de namen der elf provinciën opgenoemd en werd aan
Limburg den naam gegeven van hertogdom. Ook thans
wordt dat gewest nog wel eens zoo genoemd, doch ten
onrechte. Toen op den 19 April 1839 België door onze
Regeering als een onafhankelijk Rijk werd erkend, werd
een deel van het landschap Limburg, toen eene provincie
vau het Vereenigd Koninkrijk, aan ons land toegewezen,
doch met bepaling dat de Koning over de oostelijke helft, die
over de Maas aan de zijde van Duitschland ligt, als hertog
regeeren zou, en dat dit oostelijk gedeelte zou behooren tot
het toen bestaande verbond van Duitsche Staten. Aan dit
oorspronkelijk plan is echter geen gevolg gegeven. Limburg
kwam, zooals het ons tegenwoordig toebehoort, geheel aan
Nederland, onder de regeering van Willem I als Koning,
maar het werd tevens byna geheel in den Duitschen bond
opgenomen, totdat deze in 1866 ophield te bestaan. Het
woord hertogdom heeft dus alleen eene geschiedkundige
beteekenis, niets meer.
Toen elk gewest nog een zelfstandig bestaan had, sprak
het van zelf, dat elk ook züne bn\'zondere belangen telde
en elke Regcering voor die inwendige belangen zorg droeg.
Toen de Bataafsche Republiek, die boven alles eenheid en
ondeelbaarheid (centralisatie) voorstond, tot stand kwam,
werden de afzonderlijke gewesten wel opgeheven, maar de
constitutie van 1806 keerde, door hare verdeeling van het
-ocr page 49-
41
land in departementen, in hoofdzaak tot den ouden toestaud
terug, daarin door de grondwet van 1814 gevolgd, in zoo-
verre althans, dat de afzonderlijke gewesten, wat het
burgerlijk bestuur betreft, bleven bestaan als hoofdverdeeling
van het Rijk. Daar die toestand nu reeds zoolang geduurd
heeft, zijn dan ook steeds vele belangen aan de bewoners
van hetzelfde gewest gemeen en komen zij dikwijls overeen
in verschillende zaken, die hen van de bewoners van andere
gewesten onderscheiden. Vandaar dat het gewenscht is, de
eenmaal getrokken grenzen zooveel doenlijk te behouden.
Is er eene gegronde reden om van dit beginsel af te
wijken, dan laat de grondwet, zooals wij vroeger reeds
opmerkten, toe, dat de grenzen worden veranderd bij eene
opzettelijk daarvoor te maken Rijkswet. Zelfs kunnen
provinciën, evenals gemeenten, worden vereenigd en ge-
splitst en kunnen nieuwe worden gevormd. Mocht ooit de
drooglegging van een deel der Zuiderzee, zoolang reeds
voorgenomen, inderdaad tot stand komen, dan zal dit laatste
voorschrift der grondwet waarschijnlijk worden toegepast.
Toen de gewijzigde grondwet van 1848 de meerdere
zelfstandigheid der gewesten, wat het eigen bestuur betreft,
duidelijk uitsprak, werden daarbij eenige algemeene voor-
schriften voor dat bestuur vastgesteld, doch werd tevens
bepaald dat eene bijzondere wet, voor dat doel opzettelijk
in het leven te roepen, de wijze moest regelen, waarop het
gezag en de macht van dat bestuur worden uitgeoefend.
Dit is dan ook geschied. De zoogenaamde provinciale
wet is den 6 Juli 1850 tot stand gekomen en thans worden
dus, zoowel in de grondwet als in de provinciale wet, de
regelen gevonden waarnaar onze gewesten worden geregeerd.
Wat wij bij het overzicht der gemeentelijke aangelegen-
heden opmerkten, geldt dikwijls ook voor de provinciën.
Zóo b.v. is het ook hier de Koning die regeert, daar immers
het gewest slechts een deel van het Rijk is; maar ook hier
wordt het hoofd van den Staat vertegenwoordigd door een
commissaris, die de bevelen des Konings uitvoert en met
het toezicht over de handelingen der Staten belast is. Deze
hooge ambtenaar, die werkelijk den titel van Commis-
saris des Konings draagt, is voorzitter van de vergade-
ringen der Staten van de provincie, die wij spoedig zullen
ontmoeten, en h\\j heeft de uitvoerende macht, wat ook hier
-ocr page 50-
42
weer beteekent, dat wat de Staten besluiten door hem
werkelijk ten uitvoer wordt gelegd of.... niet ten uitvoer
gelegd; want de Koning heeft de bevoegdheid om de
besluiten der Staten, die met de wet of het algemeen belang
strijden, te vernietigen of tijdelijk buiten werking te
stellen. Meent nu de Commissaris dat een dergelyk geval
aanwezig is, dan brengt hij het genomen besluit niet ten
uitvoer en neemt de zaak vervolgens ongeveer denzelfden
loop als ten aanzien van dergelijke besluiten van den ge-
meenteraad, waarop wy vroeger hebben gewezen.
Mag men veilig aaunemeu dat elke provincie hare byzon-
dere, inwendige belangen zal hebben en dat hare bewoners
inzonderheid daarop het oog zullen vestigen, dan is het
ook gewenscht dat elk gewest zijne eigene vertegenwoordi-
ging heeft, evenals dat bij de genieenten wordt aangetroffen;
en zóo is het ook inderdaad. Deze vertegenwoordiging,
welke in betrekking tot haren kring de wetgevende macht
uitoefent, noemt men: de Provinciale Staten. De leden van
dit lichaam worden voor zes jaren door de stemgerechtigde
ingezetenen gekozen, terwijl de helft van hen om de drie
jaren aftreedt. De wet bepaalt waar de Staten vergaderen,
en daar woont ook de voorzitter, daar worden de dagelyk-
sche werkzaamheden door de ambtenaren verricht aan de
zoogenaamde provinciale griffie.
Ook het aantal van hen, die in de Staten-vergadering
zitting nemen, is bepaald, met inachtneming van de sterkte
der bevolking. Zoo worden b. v. in Zuid-Holland tachtig
leden gekozen, waarvan, zooals wy opmerkten, de helft om
de drie jaren aftreedt. Wordt nu dat groot aantal personen
door al de stemgerechtigden gekozen, met andere woorden:
moet elk kiezer veertig personen tegelijk op zyn stembiljet
invullen? Dit zou niet doelmatig wezen en waarschijnlijk
de opkomst der kiezers tegenwerken. Men heeft daarom in
1852, bij eene afzonderlyke wet, elke provincie in districten
verdeeld en uitgemaakt hoevele leden binnen eiken kring
moeten worden aangewezen. Zóo worden nergens meer dan
zeventien leden tegelijk gekozen (te Amsterdam), hetgeen
trouwens meer dan genoeg is en de deelneming aan de
stemmingen zeker niet bevordert. In de andere districten
is het aantal veel minder.
De verdeeling der provinciën in kiesdistricten is tamelyk
-ocr page 51-
43
verouderd eu het is hier en daar noodig geworden, tot
eene betere regeling te komen, want de ongelijkmatige
toeneming der bevolking is oorzaak, dat de vóór veertig
jaren aangenomen getallen in verhouding tot die bevolking
niet meer juist zyn; terwijl de geheel gewyzigde middelen
van verkeer er het hunne toe bydragen om verandering van
de grenzen der districten wenschelyk te doen achten. Het
betreft echter eene kiesche en teedere zaak, daar men zoo
gemakkelijk, door de districten zooals men het noemt te
verknippen, of andere getallen aan te nemen, ten gunste of
ten nadeele van de eene of andere staatkundige partij
werken kan.
Veel van hetgeen bij de bespreking der gemeentebelan-
gen, met betrekking tot de vereischten voor het lidmaatschap,
is opgemerkt, geldt ook voor de Staten. Hetzelfde kan
gezegd worden van de met het lidmaatschap der Staten
onvereenigbare betrekkingen, van de vergaderingen en
stemmingen. Teneinde dus niet in herhalingen te treden,
zullen wij deze punten hier niet in bijzonderheden bespreken.
Er blyven genoeg belangrijke zaken over.
De gewone verkiezingen voor de leden der Staten hebben
plaats op den tweeden Dinsdag in de maand Mei, en
wel in 1895, 1898, enz. Deze verkiezing is, bij de tegen-
woordige regeling van ons Staatsbestuur, in de hoogste mate
belangryk, omdat, zooals wy later meer in bijzonderheden
zullen opmerken, de leden van de Eerste Kamer der Staten-
Generaal door de Provinciale Staten worden afgevaardigd.
Deze laatste oefenen dus middellijk invloed uit op de wet-
geving van het Rijk en op de zaken der Regeering in het
algemeen. Om die reden noemt men dan ook de Provinciale
Staten soms politieke of staatkundige lichamen, en tot op
zekere hoogte zyn ze dat. Toch meenen wij er voor te
moeten waarschuwen om daaraan veel beteekenis te hechten.
Het is stellig zeker dat de Eerste Kamer veel minder dan
de Tweede Kamer een bepaald staatkundig karakter draagt
en dat zy veel minder invloed op den loop der Regeering
uitoefent. By de verkiezingen van leden voor de Geweste-
ly\'ke Staten schynt het daarom verstandig, slechts in de
tweede plaats te letten op kleur of richting, en in de eerste
glaats op algemeene kennis en zin voor het praktische. De
taten der gewesten vormen, aangewezen als ze zyn om
-ocr page 52-
44
vooral de stoffelijke belangen, de welvaart van hun gewest
te bevorderen, een by uitstek praktisch lichaam. Allerlei
nuttige zaken van dadelijk belang te behartigen is hun aller-
eerste plicht. Trouwens, het ontbreekt dan ook in deze
colleges niet aan bekwame en degelijke mannen, en de kiezers
schijnen tot nog toe over het algemeen werkelijk te handelen
in de richting die wij zoo even aanduidden.
XI.
Gedeputeerde Staten. - Huishouding. - Bestuur. —
Ambtenaren.
Evenmin als de raad der gemeente steeds bijeen kan
zyn, evenmin kunnen het de Provinciale Staten. Ook voor
het gewestelijk beheer is daarom noodig een klein college,
dat zich bepaaldelijk met de dagelijksche leiding belast en
met de voorbereiding van hetgeen in de Statenvergadering
wordt behandeld, üe laatste benoemt daarom uit haar mid-
den een zeker aantal leden, namelijk in Drente vier en in
de overige gewesten zes, die den naam dragen van Gedepu-
teerde Staten en als zoodanig een bezoldigd ambt bekleeden.
De Commissaris des Koniugs is van beide Staten voor-
zitter, heeft in de Provinciale Staten een raadgevende stem
en brengt, evenals of hy lid ware, stem uit in de vergade-
ringen van Gedeputeerden, waardoor, en dit is zeer ge-
wenscht, in dit kleine college, het aantal stemmen in den
regel oneven zal zyn.
De eigenlijke werkzaamheden der Provinciale Staten zijn,
hoe gewichtig ook, betrekkelijk eenvoudig. Er worden
jaarlijks twee gewone vergaderingen gehouden, die, met het
oog op den tijd waarin zij vallen, zomer- en najaarsvergade-
ringen worden genoemd. Buitengewone bijeenkomsten hebben
alleen plaats, wanneer de eene of andere keuze, b. v. voor
leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, moet worden
gedaan, of de Koning het om bijzondere redenen noodig
oordeelt.
Al bepalen intusschen de werkzaamheden der Staten zich
hoofdzakelijk tot het by wonen, tweemaal \'sjaars, van ver-
gaderingen, die hoogstens eenige dagen duren, al zyn die
-ocr page 53-
45
werkzaamheden dus over het algemeen zeer eenvoudig, ze
zijn er niet minder gewichtig om. In breede trekken zjjn
ze reeds bij de grondwet omschreven. Daar is beslist, dat
de Staten belast worden met de uitvoering der wetten en
Koninklijke besluiten, waaromtrent hun door de wet of door
den Koning die verplichting is opgelegd. Voorbeelden daar-
van vindt men in de aangelegenheden der gemeentelijke
huishouding, van het onderwijs, van den waterstaat, enz.
De huishouding der provincie vereischt natuurlijk ook
voorziening. De kosten van het bestuur, voor zoover ze
niet wezenlijk het gewest zelf betreffen, komen ten laste
van het Rijk. Zij worden elk jaar begroot, aan den Koning
voorgedragen en vervolgens gebracht op de Staatsbegrooting.
Onder deze kosten rekent men b.v. de traktementen van
den Commissaris des Konings, van de leden der Gedepu- .
teerde Staten, van den griffier en van het onderhoud der
griffie en van de vergaderlokalen, enz. De gebouwen, waarin
de vergaderingen worden gehouden en de bureaus zijn
gevestigd, noemt men gewoonlijk het Gouvernement,
eene benaming die nog dagteekent uit den tijd toen de
Commissaris des Konings in de provincie den titel van
Gouverneur droeg.
Behalve de gemelde provinciale begrooting, wordt er nog
eene opgemaakt en aan de goedkeuring des Konings onder-
worpen, namelijk die van de ontvangsten en uitgaven, welke
meer in de enge beteekenis van het woord het gewest
zelf betreffen. De wet noemt deze: de begrooting dei-
enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven.
De inkomsten van het gewest zijn uit den aard der zaak
niet vele. De wet bepaalt dat de door de Staten voorge-
dragen provinciale belastingen, waartegen bij den Koning
geene bedenking bestaat, bij een ontwerp aan de bekrachtiging
der wetgevende macht moeten worden onderworpen. Die
belastingen bestaan hoofdzakelijk uit opcenten op de hoofd-
som der grondbelasting van gebouwde en ongebouwde eigen-
dominen, en op de hoofdsom der personeele belasting,
sluis- en tolgelden enz., waarbij dan nog de inkomsten uit
eigen bezittingen moeten worden gevoegd, zooals b.v. ver-
huringen van eigendommen.
Bij de belastingheffing ten behoeve der provincie geldt
als algemeene regel, dat accijnzen of belastingen op artikelen
van verbruik niet mogen worden geheven.
Wat de uitgaven betreft, komen op de enkel provinciale
en huishoudelijke begrooting onder anderen voor de kosten
-ocr page 54-
4<i
van het aanleggen en onderhouden van wegen en andere
openbare werken, die ten laste van het gewest zyn, en van
het onderhoud der provinciale eigendommen; verder de
renten en aflossingen van aangegane geldleeningen, die de
provincie, wil zij zich door openbare werken krachtig in
de richting van vooruitgang bewegen, nog al eens moet
aangaan; inzonderheid ook de kosten der verpleging van
arme krankzinnigen. Dit laatste is noodig omdat,
voorzoover niet op andere wn\'ze in de behoefte aan gestich-
ten voorzien is, het bestuur der provincie, hetzij afzonderlijk,
hetzij in vereeniging met de besturen van andere provinciën,
krachtens de wet voor de oprichting en instandhouding van
krankzinnigengestichten is aangewezen.
Ten slotte moeten op de begrooting alle andere uitgaven
voorkomen, die het belang van het gewest vordert of die
tengevolge van byzondere wetten ten laste der provincie komen.
Handel, ny verheid en vertier te bevorderen, behoort tot
de roeping van het gewestelyk bestuur, dat daarom, in
verband met het verbod om accijnzen te heffen, in het
algemeen behoort te zorgen dat de doorvoer en de uitvoer
naar en de invoer uit andere provinciën niet worden be-
lemmerd en het recht heeft om de belangen der provincie
en hare ingezetenen bij den Koning en de Staten-Generaal
voor te staan. Het houdt verder toezicht op alle wateren,
wegen, bruggen, waterwerken en waterschappen en over
alle verveningen, indijkingen, droogmakeryen en mijnwerken,
althans voor zoover niet op andere wijze een wettig toezicht
wordt uitgeoefend. De regeling wordt overgelaten aan den
provincialen wetgever, die b. v. bij zijne reglementen beslist,
welke wegen publieke wegen zijn, wie ze onderhouden
moeten enz., die het aanleggen van tramwegen regelt,
voorschriften maakt voor de ondernemers van verveningen,
enz. Hoever het toezicht zich uitstrekt en op welke wyze
het moet worden uitgeoefend, behoorde in onzen tijd van
veelvuldig en toenemend verkeer, wel bij eene Rijkswet
volgens algemeene beginselen te worden geregeld.
Omtrent al de belangryke aangelegenheden, die wy
boven opnoemden, wordt in de vergaderingen der Provin-
ciale Staten beraadslaagd en beslist, zoo dikwyls het noodig
blykt daaromtrent de eene of andere voorziening te treffen.
Maar het dagelyksch bestuur, het college van Gedeputeerde
-ocr page 55-
47
Staten, dat om zoo te zeggen steeds werkzaam is, bereidt
ze voor, leidt ze en voert ze uit. Op welke wyze dit ge-
schiedt, wordt nader door de Provinciale Staten by eene
zoogenaamde instructie vastgesteld.
En behalve dit, voeren Gedeputeerde Staten beheer over
de inkomsten en eigendommen der provincie, treden voor
het gewest op by het voeren van rechtsgedingen (wat overi-
gens op naam van den Commissaris des Konings geschiedt)
en houden op al wat de provincie aangaat een gedurig toezicht.
Vroeger hebben wij reeds opgemerkt, dat een aantal
besluiten van den gemeenteraad aan de goedkeuring der
Staten onderworpen zyn. Deze bevoegdheid der Staten
wordt werkelyk geheel door Gedeputeerden uitgeoefend.
Behalve dit ontdekt men, reeds bij eene oppervlakkige
inzage van verschillende Staatswetten, dat in een aantal
byzondere gevallen aan Gedeputeerde Staten beheer of
toezicht is opgedragen, zoodat hun werkkring voor een
niet gering deel in betrekking staat tot het Ryksbestuur.
By de wet op het Lager Onderwijs wordt het college telkens
genoemd, en er geschiedt op dit punt bijna niets belangrijks,
zonder dat Gedeputeerden worden gehoord of hun inlich-
tingen worden verstrekt. Bij de wet tot regeling van het
armbestuur wordt hun opgedragen, toe te zien dat de
reglementen der armeninstellingen waarborgen opleveren
voor een regelmatig beheer en dat zij niets bevatten wat
strydig is met de wet of het algemeen belang. Gevangenis-
beheer, belastingwezen, militie en schutter» vorderen om
stryd hunne tusschenkomst, en zij zijn zelfs bekleed met
een bijzonder rechterlijk gezag. Er zijn namelijk gevallen,
zooals in zaken van militie en van belastingen, dat door de
eene of andere autoriteit eene beslissing is genomen, waar-
tegen men, zooals het heet, in hooger beroep eene nadere
uitspraak van Gedeputeerde Staten mag vragen, die dan
soms weer aan de eindbeslissing des Konings onderworpen
is. Deze rechtsmacht, die wij nog wel nader ontmoeten,
• wordt onderscheiden van de gewone, die door werkelijke
rechters wordt uitgeoefend. Hier betreft het een verzet tegen
een daad van een ambtenaar of een wettig college, en het
lichaam, dat daaromtrent uitspraak doet, oefent, zooals men
het noemt, eene administratieve rechtsmacht uit.
Zoo zien wy, dat op het gebied van praktisch bestuur,
-ocr page 56-
48
geeiie andere colleges, wat uitgebreidheid en belangrijkheid
van werkkring betreft, met de Gedeputeerden der gewesten
kunnen worden vergeleken.
Feitelijk worden de meeste werkzaamheden natuurlijk niet
door Gedeputeerde Staten zelven verricht. De ambtenaren
en bedienden der provinciale griffie zijn daarvoor aangewezen.
De eerste ambtenaar is de griffier, wiens betrekking door
de wet zelf in hoofdtrekken is geregeld, doch die voor het
overige zijne instructie van de Provinciale Staten ontvangt.
Hij wordt dan ook door deze op voordracht van Gedepu-
teerdeu benoemd en woont waar de Staten vergaderen. Voor
het overige worden de ambtenaren en bedienden ter griffie
door Gedeputeerde Staten benoemd op voordracht van den
Commissaris, en deze heeft over de geheele provinciale griffie
het oppertoezicht.
XII.
Het Rijk. — De Regeeringsvorm. —
De Troonopvolging.
Tot dusver behandelden wy de wijze waarop de onder-
deelen, waarin de Staat voor het burgerlijk bestuur gesplitst
is, door de wetten is geregeld. Van die onderdeden klimmen
wij op tot het groote geheel en naderen dus tot het Rüks-
bestuur zelf: niet het minst belangrijke gedeelte onzer schetsen.
Het Rijk der Nederlanden, zooals het sinds 1815 bestaat,
is een constitutioneel Koninkrijk, thans onder bestuur
van onze jeugdige Koningin Wilhelmina.
Dat wij, niettegenstaande de Regeering thans berust in
handen eeuer Koningin, voortdurend zullen blijven spreken
van den Koning, teuzy bepaaldelijk de persoon der Koningin
mocht worden bedoeld, is reeds vroeger gezegd. Intusschen •
mogen wij hier wel even opmerken, dat volgens eene daartoe
vastgestelde wet, zoolang eene Koningin regeert, ook het
woord Koningin moet worden gebezigd in alle wettelijk
vastgestelde formulieren, ambtstitels en officiëele (ambte-
lyke) benamingen, waarin het woord Koning voorkomt. Er
-ocr page 57-
41)
•wordt nu b.v. recht gesproken „in naam der Koningin",
de ambtenaren zweren trouw „aan de Koningin", enz.
Dat de regeeringsvorm constitutioneel is, beteekent dat de
Koning regeert als opperbestuurder, maar niet als onbeperkt
gebieder. Waar dit laatste het geval is, spreekt \'men van
eene absolute monarchie, een regeeringsvorm die, vroeger
b\\jna de eenig voorkomende, bij de ontwikkeling der volken
langzamerhand plaats heeft gemaakt voor een stelsel, waarbij
de invloed van den volkswil op de Regeering wordt erkend
en van meer of minder beduidenden invloed is.
Ten onzent ziï\'n zoowel de Koning als de minste burger
aan dezelfde wetten en regelen gebonden, en die welke
meer iu het bijzonder de macht en het gezag van den Koning
bepalen, zijn neergelegd in de door hem plechtig bezworen
grondwet of constitutie. Die grondwet omschrijft de rechten
en verplichtingen van de Kroon en het volk in hunne onder-
linge verhouding en in breede trekken de wijze van bestuur
van het Rijk. Zij vormt den grond waarop het Staatsgebouw
rust en zn" tracht het bestuur zóo in te richten, dat er steeds
evenwicht bestaat tusschen de onderscheidene machten in
het Ruk, dat elke macht zich houdt aan hare eigene be-
voegdheid en de onderlinge verhouding van dien aard is,
dat eene verstoring van den wettigen en regelmatigen gang
van zaken schier onmogelijk moet worden geacht.
Toen, door de persoonlijke tusschenkomst van Koning
Willem II, iu 1848 eene voor dien tijd vry goed ingerichte
grondwet was verkregen, bestond in den eersten tijd aan
verandering geene behoefte. Natuurlijk is eene grondwet
ook bestemd om zoolang mogelijk te werken. Herhaalde en
ongegronde veranderingen, die telkens ook verandering zou-
den meebrengen in andere wetten en instellingen, zouden
schadelijk werken en een toestand van onrust en onzekerheid
veroorzaken. Toch komen steeds langzamerhand andere denk-
beelden en inzichten op den voorgrond en leert bovendien
de praktijk de gebreken van het bestaande. Dat was de
reden, waarom laatstelijk in 1887 de grondwet weer enkele
belangrijke veranderingen heeft ondergaan en opnieuw zoo-
veel mogelijk is gebracht in overeenstemming met duidelijk
geopenbaarde en vry algemeen beleden gevoelens. Die wijzi-
gingen betroffen vooral: eene betere regeling der troonop-
4
-ocr page 58-
50
volging, van de inrichting der Staten-Generaal, van de
kiesbevoegdheid der burgers en van de landsverdediging.
De Koning der Nederlanden is een erfeln\'k Vorst. De
kroon gaat door recht van eerstgeboorte over, maar de man-
nelyke tak heeft in het algemeen steeds boven den vrouwe-
lijken den voorrang.
Nadat in 1887 de bepalingen der grondwet ten opzichte
der troonopvolging z\\jn verduidelijkt, is Koning Willem III
zonder manneln\'ke nakomelingen overleden en is tengevolge
daarvan zijne dochter tot de kroon geroepen. De vraag wie
daarna tot de Regeering zouden komen bij gebreke van
rechtstreeksche nakomelingen, moet nu op de volgende wijze
worden beantwoord:
Van de kinderen van Koning Willem II is er nog éene
overgebleven, nameln\'k Prinses Sophia, Groothertogin van
Saksen-Weimar. Zij is op dit oogenblik de zoogenaamde
vermoedelijke troonopvolgster of Kroonprinses, een titel die
echter volgens de grondwet alleen toekomt aan den oudsten
des Konings zonen of verdere mannelijke nakomelingen, die
de vermoedelijke erfgenaam der kroon is, zoodat wü, indien
deze aanwezig mocht zijn, van een Kroonprins zouden spreken.
In het Huis van Saksen-Weimar, dat dus, na het Huis
van Oranje-Nassau, het eerst zou worden geroepen, zn\'n
mannelijke opvolgers. De zoon der Groothertogin, Prins
Karel August, is overleden, nalatende twee zonen, de
Prinsen Willem Ernest en Bernard Karel.
Ontbreken er mannelijke afstammelingen in het Huis van
Saksen-Weimar, dan zou de regeering kunnen worden over-
gebracht in het Huis van Reuss, want eene der dochters
van genoemde Groothertogin, de oudste, Prinses Maria, die
dan in aanmerking zon komen, is gehuwd met Hendrik VII,
Prins van Reuss-Schleiz-Koestritz, uit welk huwelijk zyn ge-
boren Prins Hendrik XXXII, Prins Hendrik XXXIII, Prinses
Sophia Renée en Prins Hendrik XXXV. Eene andere
dochter, de jongste, Prinses Elisabeth, is gehuwd met Johan
Albert, Hertog van Mecklemburg-Schwerin, zoodat door
deze Vorstin ook in dit Huis later de kroon zou kunnen
worden overgebracht.
Koning Willem II had nog eene zuster, Prinses Marianne,
welker zoon Albert, Prins van Pruisen, uit het geslacht
der Hohenzollern, met z\\jne afstammelingen de kroon in
-ocr page 59-
51
dat Huis zou overbrengen. Hy\' is gehuwd met Maria van
Saksen-Altenburg. Hunne kinderen zyn: Prins Frederik
Hendrik, prins Joaehim Albert en prins Frederik Willem.
Bovendien had Prinses Marianne twee dochters. De oudste,
Prinses Charlotte van Pruisen, huwde met George II, Hertog
van Saksen-Meiningen-Hildburghausen; de jongste, Prinses
Alexandrina, is weduwe van "Wilhelm, Hertog van Mecklem-
burg-Schwerin.
Prinses Charlotte heeft twee kinderen nagelaten: haar
zoon Bernard en hare dochter Maria. Bij ontbreken van
alle andere, zou dus door haar de kroon overgaan in het
Huis van Saksen-Meiningen-Hildburghausen.
En de genoemde jongste dochter van Prinses Marianne,
Prinses Alexandrina, heeft ook eene dochter, Prinses Char-
lotte, die gehuwd is met Hendrik XVIII, Prins van Reuss-
Schleiz-Koestritz, zoodat door deze de kroon in het Huis
van Reuss zou kunnen vererven. Uit het huwelijk zijn ge-
boren de prinsen Hendrik XXXVII, Hendrik XXXVIII en
Hendrik XLII.
Wanneer in het geheel geene afstammelingen van Wil-
lem II meer aanwezig mochten zyn, waarvoor alsnog geen
vrees behoeft te bestaan, dan worden die van wijlen onzen
Prins Frederik geroepen, die zooals bekend is een broeder
was van Willem II. Prins Frederik had eene dochter,
Prinses Louise, die Koningin van Zweden is geweest, en
daarvan is éene dochter in leven, prinses Louisa, die ge-
huwd is met den Kroonprins Frederik van Denemarken.
Uit het huwelijk van deze laatste Vorstin zyn vier zoons en
drie dochters geboren, zoodat door haar het Huis van Deue-
marken zou worden geroepen.
Maar, zooals wy weten, heeft Prins Frederik nog eene
dochter nagelaten, die in vele opzichten nog met Nederland
verbonden is: Prinses Maria, gehuwd met den Prins Von
Wied, en die dus na het Huis van Denemarken tot de kroon
zou worden geroepen, en die zou overbrengen in het Huis
Von Wied, daar zij drie zoons en twee dochters bezit.
Intusschen kunnen nieuwe huwelijken in deze lijst ver-
anderingen brengen, of liever die aanvullen; zoodat voor-
eerst geen vrees behoeft te bestaan voor geschillen of on-
zekerheid, waar inderdaad een troonopvolger mocht noodig
wezen. Natuurlijk is het volstrekt niet onmogelijk, dat
mettertijd de kroon in een der genoemde huizen overga,
terwyl dit toch ook het geval zou kunnen wezen tengevolge
van een huwelijk, door Koningin Wilhelmina te sluiten.
-ocr page 60-
52
Vreemde invloeden zullen dus op den duur niet kunnen
worden geweerd, maar de vrees voor schadelijke invloeden
schijnt bij den tegenwoordigen stand van zaken toch geen
reden van bestaan te hebben. Daarbij heeft de grondwet
aan de mogeln\'kheid van een dergelijk geval gedacht en
het belang des lands met betrekking tot dit punt niet uit
het oog verloren.
Door een huwelijk in het regeerend stamhuis kan geen
persoon invloed op de regeering verkrijgen, aan wieu
de natie geen vertrouwen meent te kunnen schenken. De
grondwet zegt duidelijk dat van de erfopvolging, zoowel
voor zich zelven als voor hunne nakomelingen, alle kinderen
zyn uitgesloten, geboren uit eeu huwelijk dat aangegaan
werd door een Koning of Koningin, buiten gemeen overleg
met de Staten-Generaal, of door een Prins of Prinses van
het regeerend stamhuis, buiten de bij de wet verleende toe-
stemmiug. De Koningin, een huwelijk sluitende buiten de
Volksvertegenwoordiging om, doet door die enkele daad af-
stand van de kroon, en een Koning, die aldus handelde,
zou zijne eigene afstammelingen uitsluiten. Prinsen en
Prinsessen, die niet zoo hoog staan, hebben zelfs van de
Volksvertegenwoordiging bepaalde toestemming noodig.
Op die wijze is de meest mogelijke waarborg verkregen
voor het voortdurend behoud van den in onze toestanden
zoo passenden constitutioneelen regeeringsvorm, onder een
vorst (of eene vorstin), aan wien de natie hare achting,
eerbied en vertrouwen ten volle kan schenken.
XIII.
Minderjarigheid van den Koning. — Aanvaarding
der Regeering.—Koninklijke Macht. - Ministers.
Voor het tegenwoordige wordt door onze Koningin de
regeering natuurlijk nog niet werkelijk gevoerd. Toch kan
die tijd spoedig genoeg aanbreken, want, terwijl alle
andere personen, volgens de regelen van het burgerlyk
wetboek, meerderjarig zh\'n op drie-en-twintigjarigen leeftyd,
is de Koning het volgens de grondwet, die op dezen regel
een uitzondering maakt, reeds op achttienjarigeu leeftyd.
Voor het overige blyft het burgerlijk recht toepasselyk,
-ocr page 61-
53
zoodat, mocht de Koningin b. v. op zestienjarigen leeftijd
huwen, zij toch ook meerderjarig zou wezen en dus de
regeering zou aanvaarden.
Tot zoolang staat de Koningin onder de voogdij harer
moeder, de Koningin-Weduwe. De grondwet wil, dat, zoo
mogelijk nog bij het leven des Kouings (zooals werkelijk is
geschied), in de voogdij zal worden voorzien, en wel door
het maken eener wet. Ook hier zien wij dus eene afwijking
van het gewone burgerlijk recht, daar anders de benoeming
van eenen voogd eenvoudig door den kantonrechter wordt
gedaan. Bovendien kunnen in dit geval twee of meer
voogden worden benoemd, doch er is geen toeziende voogd.
De moeder-voogdes wordt door een raad van voogdij ter
z|jde gestaan, waarin vier door den Koning aangewezen
Nederlanders en vijf der voornaamste staatsambtenaren
zitting nemen. De plaats der eerstgenoemden, die hunne
benoeming aan hunne persoonlijkheid te danken hebben,
wordt, bij ontslag of ontzetting, door eene wet aangevuld.
Wat de laatsten aangaat, hun lidmaatschap van den raad
is aan het ambt dat zij bekleeden en niet aan den persoon
verbonden; wordt dus het ambt door een ander vervuld,
dan neemt deze vanzelf ook zitting in het college van voogden.
Terwijl Koningin Emma werkelijk de voogdij waarneemt,
worden de werkzaamheden, die anders volgens de burgerlijke
wet aan een toezienden voogd zijn opgedragen, door den
raad verricht. Overigens bestaat zijn taak hierin, dat hij
de voogdes, zooals gezegd is, ter zijde staat, dat hij dus raad
geeft en in belangrijke aangelegenheden geraadpleegd wordt.
Intusschen, deze voogdij heeft met de eigenlijke regeering
niets te maken. Namens den minderjarigen Koning wordt
altijd de regeering waargenomen door een Regent. Ditzelfde
heeft plaats wanneer de Koning buiten staat geraakt tot het
waarnemen der regeering.
Tot de aanstelling van een. regent is mede een wet
noodig. Is de Koning niet in staat de regeering waar te
nemen, dan wordt het gezag der kroon tijdelijk en voor-
loopig uitgeoefend door een Staatslichaaui, waarover wij
nader spreken: den Raad van State.
Heeft de Koning zoons, dan treedt de oudste, de
Kroonprins, indien zn\'n vader de regeering niet kan waar-
nemen, vanzelf, zonder by eene wet benoemd te worden,
als regent op.
Wy kennen allen den samenloop van omstandigheden
waardoor thans, namens Koningin Wilhelmina, het Koninklijk
-ocr page 62-
54
gezag door hare moeder als regentes wordt waargenomen.
Den 2 Augustus 1884 is zij by eene wet tot die waardigheid
verheven. Deze aanstelling geldt echter slechts tot het
aangaan van een nieuw huwelijk. Mocht deze gebeurtenis
plaats hebben, dan zou opnieuw in het regentschap moeten
worden voorzien. Immers, het nieuwe huwelyk brengt
vreemde invloeden mede en de zaak behoort dus in dat
geval van een vry standpunt te kunnen worden beoordeeld.
By het overlyden van den Vorst of by zyn afstand van
den troon, treedt zijn opvolger onmiddellyk in zijne rechten
en aanvaardt terstond de regeering. Is de troonopvolger
minderjarig, dan heeft deze aanvaarding natuurlijk eerst
plaats by de meerderjarigwording.
Aan het tydstip der_ aanvaarding van de regeering heeft
de grondwet intusschen eene bijzondere plechtigheid verbon-
den, die niet zonder beteekenis is. De Staten-Generaal
houden zoodra mogelijk eene openbare vergadering binnen
de gemeente Amsterdam, als de voornaamste stad des Rijks,
en daarin wordt de Koning plechtig beëedigd en gehuldigd.
Deze plechtige handeling i3 een zinnebeeld van het wezen
onzer Staatsinrichting, die van het beginsel uitgaat dat kroon
en volk elkander schragen en in evenwicht houden; dat de
Koning macht, het volk rechten, beiden plichten hebben,
die allen ongeschonden en ten volle behooren te worden
gehandhaafd; dat zóo vrijheid en orde de grondzuilen en
hoeksteenen van het Staatsgebouw moeten vormen en dat
dit alles de beste waarborgen voor volksgeluk en volkswei-
vaart biedt.
Er is in de grondwet een hoofdstuk, dat uitsluitend
handelt over de macht des Konings en die, hoewel in al-
gemeene bewoordingen, toch vrij nauwkeurig omschryft.
Wy merkten reeds op, dat de constitutioneel e regeerings-
vorm de macht en het gezag des Konings eenigszins beperkt.
De natie neemt in de regeering om zoo te zeggen een aan-
deel, spreekt zelf ook een woordje meê, en by de meerdere
volksontwikkeling is dit aandeel langzamerhand grooter ge-
worden. Zonder het gezag des Konings wezenlyk in te
krimpen, zonder iets af te doen van het beginsel dat werke-
lyk de Vorst regeert en het opperbestuur heeft, kan de be-
voegdheid van het volk of van zyne vertegenwoordiging op
byzondere punten van tyd tot tyd zonder bezwaar worden
-ocr page 63-
55
uitgebreid, zooals b\\j de laatste grondwetsherziening ook
inderdaad nog heeft plaats gehad.
Toen Nederland, onder Willem I, nog tamelijk wel als
eene absolute monarchie kon worden beschouwd, de wil des
Konings ongeveer in alles als wet gold, was de Koning ook
persoonlek, zooals het heette, voor zijne regeeringsdaden
verantwoordelijk; maar men begrijpt gemakkelijk dat een
dergelijke verantwoordelijkheid in het wezen der zaak geene
beteekenis of gevolg kan hebben.
Een beter beginsel is dan ook in 1848 aangenomen,
namelijk dat de Koning onschendbaar, dat wil zeggen niet
verantwoordelijk is en de verantwoordelijkheid voor de
daden der regeering wordt gedragen door de zoogenaamde
Ministers, de raadslieden der kroon.
De Koning verdeelt namelijk het regeeringsbeleid in
verschillende afdeelingen of departementen en plaatst aan
het hoofd daarvan Ministers, die daarom hoofden der
ministerieel e departementen worden genoemd. Zij hebben
te zorgen voor de uitvoering der wetten, voor zoover die
van de kroon afhangt, zü dienen den Koning van raad, zü
leiden feitelijk de regeering, zü zijn tegenover de natie ver-
antwoordelyk en die verantwoordelijkheid is geen ijdel ver-
toon: de wet regelt haar. De Ministers kunnen voor de
regeeringsdaden in staat van beschuldiging gesteld en straf-
rechtelijk vervolgd worden.
Alleen in de regeling der verantwoordelijkheid voor de
financiëele schade, door de daden der regeering veroorzaakt,
is nog niet voorzien.
De grondwet bepaalt, dat alle besluiten en beschikkingen
des Konings door een der Ministers mede onderteekend moeten
worden; dat wil zeggen: de Koning teekent met minstens
een zijner verantwoordelijke raadslieden. Hierin is natuurlijk
voor de trouwe naleving der constitutie een waarborg ge-
legen; want wanneer de Minister, wien de zaak aangaat,
den maatregel, die in eenig besluit is neergelegd, met de wet
of het landsbelang in strijd acht, dan kan zijne weigering
om te teekenen of, zooals men het noemt, zyne contra-
signatuur te verleenen, dien maatregel verhinderen.
Het besluit zal dan in het geheel niet genomen worden en
er komt feitelijk niets tot stand, zoolang de Koning den
Minister niet ontslaat. Maar ook dit zal niet geschieden,
omdat het geheele Ministerie, al is dit nu geen wettelijk
voorschrift, de verantwoordelijkheid voor alle werkelijke
regeeringsdaden in den regel op zich neemt of, zooals men
\\
-ocr page 64-
56
het noemt, homogeen is, en omdat dus in zoodanig geval
het geheele Ministerie zou moeten aftreden en een ander de
verantwoordelijkheid allicht niet op zich zou durven nemen.
De Ministeriëele departementen, waarin sedert de laatste
wijziging de regeertaak verdeeld is, zijn de volgende:
1°. buitenlandsche zaken, 2°. justitie, 3". binnenlandsche
zaken, 4°. marine, 5°. financiën, 6°. oorlog, 7°. waterstaat,
handel en nijverheid en 8". koloniën. Wat tot elk departe-
ment behoort wordt door de namen genoegzaam aangeduid,
al zijn die namen ook niet alle even juist, want de water-
staat is natuurlijk ook een binnenlandsche zaak, en de zaken
van het krijgswezen staan volstrekt niet alleen in betrekking
tot een mogelijken oorlog, maar betreffen evengoed de in-
wendige veiligheid.
Door den Koning wordt soms aan verdienstelijke af-
§etreden Ministers den titel verleend van Minister van
taat. Niet aan het hoofd van een departement geplaatst,
worden zij toch gerekend tot de raadslieden der kroon,
doch hebben geen gezag of verantwoordelijkheid.
Ofschoon het door de wet niet bevolen is, bespreken
Koning en Ministers de voornaamste staatszaken te zaaien.
Behalve het algemeen regeeriugsbeleid behooren daartoe in
de eerste plaats de ontwerpen der wetten, die de regeering
aan de volksvertegenwoordiging voorstelt of door deze
worden aangeboden, en de besluiten, die de Koning verlangt
te nemen, in de gevallen dat de \'grondwet hem daartoe de
bevoegdheid verleent.
XIV.
Uitvoerende Macht. — Gevolgen van de Macht
des Konings.
De loop onzer schetsen zal ons spoedig brengen tot eene
bespreking van de wetgeving van het Rijk. Daaruit zal
ons binken hoe de wetgevende macht is samengesteld en
ingericht; doch wy moeten er thans, nu de macht des
Konings ons bezighoudt, reeds op wyzen dat alle wetten
feitelijk moeten worden ten uitvoer gelegd en dat daartoe
dikwyls belangrijke maatregelen moeten worden genomen.
-ocr page 65-
57
Dit is aan den Koning opgedragen en de grondwet noemt
het: de uitvoerende macht.
Eens en voor alt\'ud stippen wij hier aan, wat wellicht
uit onze vorige schets reeds voldoende blijkt, dat wat aan
den Koniug opgedragen wordt, door de regeering, dat wil
dan zeggen door den Koning en zijne verantwoordelijke raads-
lieden, wordt verricht en feitelijk grootendeels door de laatsten
of door de uiimsteriëele departementen wordt uitgevoerd.
Dikwijls regelt de wet eenig onderwerp slechts in hoofd-
zaak, in breede trekken, en laat de regeling der onderdeden
aan de uitvoerende macht over, die er beter toe in staat
is. De Koning doet dit door middel van besluiten, door
de grondwet algemeene maatregelen van bestuur
genaamd.
Intusschen is men gewoon iederen maatregel, van de
regeeriug uitgaande, b. v. waar het eene benoeming betreft,
met den naam van besluit aan te duiden.
De algemeene maatregelen van bestuur hebben natuurlijk,
zoo goed als de Rijkswetten, de strekking om, zoo noodig
althans, voor het geheele Rh\'k te gelden. In den regel zal
dat het geval wezen, terwijl de plaatselijke keuren en pro-
vinciale reglementen, ofschoon even goed kracht van wet
hebbende, slechts gelden binnen zekeren kring.
Later zullen wij opmerken hoe de Rijkswetten door
samenwerking van regeering en volk tot stand komen.
Algemeene maatregelen van bestuur worden door de regee-
ring zonder medewerking der volksvertegenwoordiging
uitgevaardigd, zoo dikwijls\'de wet het noodig maakt of de
regeering zelfstandig een maatregel verlangt te nemen. Het
behoeft bh\'na niet gezegd te worden dat dit alleen kan
geschieden in zulke zaken, waaromtrent niet is bepaald dat
zij eene regeling bij de wet vereischen. Anders zou de
Koning feitelijk als onbeperkt gebieder optreden of zou er
strijd kunnen bestaan tusschen zijne besluiten en de wet.
Wij zien alzoo, dat elk op behoorlijke wijze tot stand
gekomen voorschrift van eenige bevoegde macht, kracht
van wet heeft, hetzij in beperkten kring, hetzij alom; hetzij
onder den naam van wet, hetzg onder eenige andere bena-
ming; kracht van wet, dat wil eenvoudig zeggen: ieder is
verplicht het voorschrift na te komen.
Maar nu rijst de vraag: kent ieder dan de wet?
Natuurlijk moet het antwoord ontkennend luiden, doch
men begrn\'pt licht dat men eenvoudig aanneemt dat elk de
wet kent, en hierin is niets willekeurigs gelegen, omdat,
-ocr page 66-
58
zonder dit beginsel, de uitvoering van het recht eene
onmogelijkheid zou z\'y\'n. Toch wordt by de toepassing van
het beginsel de billijkheid zooveel mogelijk in acht genomen.
Elk wettelijk voorschrift wordt door de eene of andere
uitvoerende macht afgekondigd, dat wil zeggen openbaar
gemaakt, en dan neemt men na verloop van zekeren tijd
aan dat het algemeen bekend en daarom verbindend is.
Zoo worden de gemeente-verordeningen afgekondigd door
aanplakking of plaatsing in een nieuwspapier. Is er geen
vroeger of later tijdstip bepaald, dan zijn zn\' verbindend op
den derden dag na dien der afkondiging.
Zoo worden de provinciale reglementen in een provinciaal
blad geplaatst, het orgaan van het gewestelijk bestuur, by
de provinciale wet genoemd. Is niets anders bepaald, dan
treden zij in werking op den achtsten dag na de dagteeke-
ning van het blad waarin zij geplaatst zyn.
Voor de openbaarmaking van Rijkswetten en van alge-
meene maatregelen van bestuur bestaan twee organen: het
Staatsblad, de door de regeering uitgegeven of zoogenaamde
officiëele (ambtelijke) verzameling van wetten en besluiten,
en de Staatscourant, die zesmalen per week verschijnt en
waarin allerlei mededeeliugen worden gedaan, hetzij door
de regeering, hetzij door particulieren, in de gevallen dat
de wet dit vordert of belanghebbenden het verlangen.
De wetten en algemeene maatregelen van bestuur worden
door den Koning afgekondigd. Wanneer de af te kondigen
wet zelve daarvoor geen ander tijdstip aanwijst, dan is zy
verbindend op den twintigsten dag na dien der dagteekening
van het Staatsblad waarin zij geplaatst is. In de Staats-
courant
worden de wetten niet opgenomen.
Ook de algemeene maatregelen van bestuur worden in
het Staatsblad openbaar gemaakt, maar soms ook in de
Staatscourant. Is alleen het eerste het geval, dan werken
zij, evenals de wet, na verloop van twintig dagen. Is
plaatsing in beide organen bevolen, dan zyn ze reeds na
twee dagen verbindend.
De Koning heeft verder het opperbestuur of de hoofd-
leiding der veelvuldige, in den nieuweren tijd steeds meer
belangrijke betrekkingen, die met vreemde mogendheden
worden onderhouden. Op het gebied van recht, handel en
nyverheid, staatkunde en op menig ander bovendien, be-
-ocr page 67-
59
staan tusschen de verschillende volken talrijke punten van
aanknooping, hoofdzakelijk door het toenemend weder-
zijdsch verkeer veroorzaakt. Eenigszins in verband daarmede
staat de bepaling der grondwet, dat de Koning oorlog
verklaart, een beginsel, waarvan het gevaar, dat er altijd
min of meer in gelegen is, in den constitutioneelen Staat
sterk getemperd wordt door de omstandigheid, dat de be-
noodigde gelden tot oorlogvoeren door de volksvertegen-
woordiging moeten worden toegestaan, om van de ministe-
riëele verantwoordelijkheid niet te spreken. Op dezelfde
wy\'ze sluit en bekrachtigt de Koning alle verdragen met
vreemde mogendheden, waarvan hy den inhoud aan de volks-
vertegenwoordiging mededeelt, doch alleen wanneer hij oor-
deelt dat het belang van den Staat dit toelaat. Ook hier is
het gevaar gering voor willekeurige handelingen der regeering
tegen den volkswil, want zoodra er sprake is van afstand
van grondgebied, ruiling of andere wijziging der grenzen,
het op de natie leggen van geldelijke lasten (b.v. het betalen
van oorlogskosten) of andere verplichtingen van dien aard, is
de goedkeuring der Staten-Generaal tot bekrachtiging van het
verdrag noodig, tenzij te voren by eene wet aan den Koning
in dit opzicht reeds volle bevoegdheid mocht verleend zijn.
De grondwet noemt nog verscheidene andere uitvloeisels
der Koninklijke macht op. Zoo berust bij het hoofd van
den Staat het opperbestuur der zee- en landmacht, van onze
bezittingen in andere werelddeelen en van de algemeene
geldmiddelen.
Welke beteekenis heeft het nu eigenlijk, wanneer de
grondwet omtrent zoovele aangelegenheden den Koning het
opperbestuur geeft? Feitelijk komt het hierop neer, dat in
alle zaken, die niet bepaaldelijk by eene wet moeten worden
geregeld, de Koning by\' besluit regelen kanstellen. Eigenlijk
is het omtrent alle onderwerpen zoo gesteld, doch waar het
geldt de buitenlandsche betrekkingen, de zee- en landmacht,
de overzeesche bezittingen en de geldmiddelen, schynt het
de bedoeling der grondwet te zyn geweest om het opperge-
zag der kroon niet te veel door wettelijke bepalingen aan
banden te leggen. Dit neemt niet weg, dat toch veel by
byzondere wet geregeld moet worden en dan ook werkelyk
geregeld is. By de zee- en landmacht benoemt, bevordert
en ontslaat de Koning de officieren en verleent pensioenen
volgens wettelijke regelen. Gunst en willekeur zyn daardoor
-ocr page 68-
60
zooveel mogeln\'k uitgesloten. Wat de overzeesche bezittingen
betreft, voor Oost en West is een soort van grondwet ge-
maakt, een zoogenaamd regeeriugsreglement, waarbij het
algemeen beginsel is vastgesteld, volgens hetwelk die gewes-
ten moeten worden bestuurd. Ook moeten daar het munt-
stelsel, het beheer en de verantwoording der geldmiddelen
geregeld worden naar voorschriften, die hier door de wet
worden gegeven.
Met betrekking tot de geldmiddelen regelt de Koning de
bezoldiging der ambtenaren, die uit \'s lands kas worden be-
taald, niet uitzondering van die der leden van den Raad
van State, van de algemeene Rekenkamer en van de rech-
terlijke macht, waarvoor de grondwet, evenals voor de peu-
sioenen der ambtenaren, namelijk van alle landsambteuaren,
de voorschriften eener wet verlangt.
Het is niet altijd juist te zeggen waarom in het eene
geval den Koning alle regeling is toevertrouwd, in het
andere vaste wettelijke regelen worden verlangd, lu het
eerste geval bestaat meer gevaar voor gedurige verandering
in voorschriften of beginselen; maar de wet is ook dikwijls
een knellende band, en het schijnt aanbevelenswaardig om
vooral algemeene beginselen en regelen bij de wet te stellen
en in de uitvoering veel ruimte te laten aan de regeering, die
telkens in aanraking komt met en feitelijk steun behoeft
van de meerderheid der volksvertegenwoordiging, zonder
welke haar taak op den duur onmogelijk is uit te voeren.
Zoo is ook hier in het samenstel onzer constitutioneele in-
stellingen de beste waarborg gelegen tegen willekeur en
misbruik van macht, waardoor niet alles tot in de minste
bijzonderheden aan vaste wettelyke regelen, die moeilijk
kunnen worden gewijzigd, behoeft te worden gebonden en
veel aan het verlicht oordeel en de goede trouw van kroon
en ministers kan worden overgelaten.
XV.
Koninklijke Macht. - Kabinet. - Raad van
State. — Wetgeving.
Nog in andere opzichten zien wy de grondwet de macht
der kroon ontwikkelen; doch wg zullen later gelegenheid
-ocr page 69-
61
vinden om die punten opzettelijk te bespreken. Wij hebben
bier vooral op het oog: het recht om aan de volksvertegen-
woordiging wetsvoorstellen in te dienen, om voorstellen die
omgekeerd door de volksvertegenwoordiging worden gedaan
te verwerpen, om gratie van straf te verleenen, de Kamers
te ontbinden, enz.
Een paar minder belangrijke aangelegenheden kunnen wij
in het voorbijgaan bier even aanstippen, namelijk: het recht
van den Koning om zijne beeltenis op de muutspeciën te
doen stellen en om adeldom te verleenen. Het zooge-
naamde recht van de munt heeft meer eene geschiedkundige
beteekenis; het is altijd een voorrecht van het hoofd van
den Staat geweest; maar al wat verder de munt betreft wordt
wel degelijk door eene wet geregeld.
Over de waarde van het verleenen van adeldom wordt
zeer verschillend geoordeeld. Zeker is het Staatsbelang bh\'
dergelyke onderscheidingen niet betrokken, maar aan den
adeldom zijn ook geene voorrechten meer verbonden. Onder
de werking der grondwet van 1815 was de adellijke stand
als zoodanig kiesgerechtigd en zond vertegenwoordigers
naar de Staten der provinciën; maar de gewijzigde grondwet
van 1848 heeft hieraan een einde gemaakt.
Tot belooning van bijzondere aan den Staat bewezen
diensten kunnen ridderorden worden ingesteld, doch dit
geschiedt door eene wet. Voor het aannemen en dragen
der versierselen van vreemde orden is het verlof van den
Koning noodig en hg zelf en de Prinsen van zyn huis, de
laatste met zijne toestemming, mogen vreemde orden aaune-
men, wanneer er geene bijzondere verplichtingen aan ver-
bonden zijn, omdat zij allicht anders in eene dubbelzinnige
betrekking zouden geraken.
Op dit oogenblik zijn er drie orden, welke door de kroon
kunnen worden verleend: die der Militaire Willemsorde,
die van den Nederlandschen Leeuw en die van Oranje-
Nassau.
Eene eigenaardigheid is, dat wetsvoorstellen tot het
instellen eener orde niet door de volksvertegenwoordiging
kunnen worden gedaan.
Al wordt ten onzent de eigenlijke regeering door de
verantwoordelijke Ministers gevoerd, de persoonlijke tus-
schenkomst en de persoonlijke arbeid van den Koning (of
-ocr page 70-
62
Tan den Regent) mogen daarom niet gering worden geacht.
Ofschoon de grondwet het niet voorschrijft, heeft het hoofd
van den Staat dan ook een eigen kabinet, waar die werk-
zaamheden worden verricht, welke onmiddelln\'k onder den
Koning plaats hebben. De hoogste hieraan verbonden
ambtenaar draagt den titel van directeur, en in dit kabinet
worden bewaard de oorspronkelijke Staatsstukken, die
vandaar zoo noodig worden uitgegeven aan de verschillende
ministeriëele departementen.
Het kabinet des Konings staat dus niet in direct verband
tot regeering of wetgeving, al kan het niet ontkend worden,
dat de persoonlijkheid van den directeur, allicht een ver-
trouweling des Konings, zeer wel op den loop der zaken
van invloed kan zijn. Het kabinet, geen grondwettig
lichaam zijnde, wordt dan ook niet gerekend onder de
zoogenaamde hooge colleges van Staat, de hoogste lichamen,
die met de belangrijkste aangelegenheden van bestuur zyn
belast en door de grondwet uitdrukkel\\jk worden genoemd,
zooals de Kamers.
Daaronder rekent men echter in de eerste plaats den
Raad van State. Dit lichaam, reeds zoovele eeuwen in
deze gewesten bekend, is een zoogenaamd adviseerend
college, dat wil zeggen, zijn taak bestaat in het geven van
advies of raad, al oefent het nog wel in andere opzichteu
invloed of gezag uit. De Koning zelf is van dezen Raad
voorzitter, wat ten gevolge heeft, dat de voorzittersstoel
feitelijk steeds door den vice-president wordt bekleed. De
Koning benoemt den vice-president en de veertien leden
van den Raad. Is er een Prins, die den titel van Kroon-
prins draagt, dan is deze, wanneer hy achttien jaar oud
is, zonder aanstelling te behoeven of, zooals men het noemt,
van rechtswege, lid van het college.
Alle wetten en algemeene maatregelen van bestuur, die
van de regeerirg uitgaan en door haar zijn ontworpen, en
alle wetten door de Staten-Generaal, op voorstel van een of
meer der leden aangenomen en aan den Koning ter bekrach-
tiging aangeboden, worden eerst onderzocht door den Raad
van State, die een advies uitbrengt vóór de regeering ze bjj
de volksvertegenwoordiging indient, of vóór de Koning
omtrent de bekrachtiging een besluit neemt. Trouwens, de
Raad is verplicht ook in alle andere gevallen den Koning
van advies te dienen, maar directe inmenging in de zaken
der regeering komt dit lichaam niet toe, dan alleen in het
geval dat het de Koninklijke macht uitoefent, nameln\'k
-ocr page 71-
63
tijdelijk en voorloopig, wanneer de Koning buiten staat
geraakt tot het waarnemen der regeering.
Op uitdrukkelijk voorschrift der grondwet zijn de samen-
stelling, de inrichting en de bevoegdheid van den Raad bü
eene bijzondere wet geregeld. Die lid van het college is
draagt den titel van Staatsraad. Er zijn echter ook Staats-
raden in buitengewonen dienst, die door den Koning ten
getale van hoogstens vijftien kunnen worden benoemd. Eigen-
lijk gezegde Staatsambtenaren zijn deze niet; de betrekking
die z\\j bekleeden is een eerepost. De Staatsraden in buiten-
gewonen dienst worden onder anderen door of vanwege den
Koning opgeroepen om deel te nemen aan bepaalde werk-
zaamheden van den Raad en hebben dan gelijke bevoegdheid
als de leden.
Bij de bespreking van het bestuur der provinciën hebben
wy reeds iets medegedeeld omtrent de zoogenaamde admi-
nistratieve rechtsmacht en opgemerkt dat de Gedeputeerde
Staten met eene dergelijke rechtsmacht zijn bekleed. Van
den Raad van State kan men zeggen, dat hij in de admi-
nistratieve rechtsmacht betrokken is; want in de gevallen
dat van eene ambtelijke beslissing (b.v. weigering door Gede-
puteerde Staten om een besluit van een gemeenteraad goed
te keuren) hooger beroep op den Koning is toegelaten, of
de Kouing onmiddellijk beslist (b.v. een geschil tusschen
twee provinciale besturen), wordt de zaak door den Raad
van State onderzocht en dus de beslissing der regeering door
dit lichaam voorbereid.
Zeer zeker bestaat intusschen de voornaamste arbeid van
den Raad van State in het onderzoek der ontworpen wetten
en besluiten en het uitbrengen van zijn gevoelen daaromtrent.
Alvorens de Raad over die ontwerpen beraadslaagt en
besluit, heeft een voorbereidend onderzoek plaats door de
afdeelingen van het college tot welker bevoegdheid de zaak
behoort. In byzondere gevallen kan ook, met machtiging
van den Koning, het voorbereidend onderzoek door den
Raad worden opgedragen aan leden of Staatsraden in buiten-
gewonen dienst, die niet behooren tot de afdeeling die met
het onderzoek zou zy\'n belast.
Wat de wetten betreft voert ons overzicht ons thans
tot eene bespreking van den werkkring der volksvertegen-
woordiging, of, zooals het met eene oude, geschiedkundige
benaming nog alty\'d wordt uitgedrukt, van de Staten-Generaal.
-ocr page 72-
64
Een der hoofdkenmerken toch van onzen constitutioneelen
regeeringsvorm is hierin gelegen, dat niet alle macht herust
bjj den Koning en natuurlijk evenmin b\\\\ het volk, maar
samenwerking tusschen kroon en volk plaats heeft, juist
iu het gewichtigste deel der regeering: de wetgeving van
het Ryk.
De deelneming van het volk aan den wetgevenden arbeid
der regeering geschiedt, zooals bijna van zelf spreekt en aan
ieder bekend is, door vertegenwoordigers, want de natie in
massa zou onmogelijk tot die taak kunnen worden geroepen.
De volksvertegenwoordiging is verdeeld in twee afdeelingen
of zoogenaamde Kamers: een Eerste en een Tweede Kamer.
De wetsontwerpen, welke van de regeering uitgaan, worden
eerst ter behandeling aangeboden aan de Tweede Kamer. De
iudieuing van zulk een ontwerp noemt men eenigszins zon-
derliug: een Koninklijke boodschap.
Van de Tweede Kamer kan men zeggen dat zij meer in
den eigenlijken zin eene vertegenwoordiging van het volk
is, omdat de leden van dit hooge college onmiddellijk door
de stemhebbende burgers gekozen worden.
Bü de Eerste Kamer gaat het anders. De leden van dit
lichaam worden, zooals wij reeds vroeger opmerkten, gekozen
door de Provinciale Staten en de leden van laatstgenoemd
college zn\'n afgevaardigd door de gewone kiesgerechtigde
burgers. Deze laatsten vaardigen de leden der Eerste Kamer
dus niet onmiddellijk maar slechts middellijk af. Men noemt
deze verkiezing daarom eene trapsgewijze.
Bij ons overzicht der gemeentelijke huishouding vonden
wjj reeds gelegenheid om op te merken dat, tot aan de
jongste grondwetsherziening, het aantal kiezers betrekkelijk
gering was. Dit bezwaar gold vooral voor de Tweede Kamer
en voor de Provinciale Staten. Voor de gemeenteraden be-
droeg de census ten minste de helft van dien welke voor
de Tweede Kamer gold. Was men het er sinds lang over
eens, dat de wet verbetering brengen moet, het thans gel-
dende voorloopige kiesreglement heeft slechts gedeeltelijke
verbetering gebracht en behoort dan ook zoo spoedig moge-
lijk door eene afdoende regeling te worden vervangen, die
de volksvertegenwoordiging in waarheid eene vertegenwoor-
diging van de kern van het volk doet zyn.
-ocr page 73-
65
XVI.
Kamers der Staten-Generaal. — Tweede Kamer. -
Verkiezingen.
De grondwet heeft, zooals wij vroeger reeds opmerkten,
voor den wetgever, die zal geroepen worden tot liet ont-
werpen eener kieswet, zekere regelen gesteld, en wil dat
niet alleen het bezit van eenige gegoedheid, die dan wel zal
moeten blyken uit het betalen van belasting, maar ook ge-
schiktheid om het recht van keuze uit te oefenen, aan het
kiesrecht ten grondslag zal liggen. Zij drukt dit uit door
te spreken van welstand en geschiktheid. Nog altijd
zal men het dus zóo moeten beschouwen, dat hij die betaalt
meer belang dan anderen heeft bij den goeden gang van
zaken en in verband daarmede den regei toepassen: hoe
meer belang hoe meer recht. Maar gelukkig zal men, door
ook geschiktheid te eischen, de te betalen som vrij laag
kunnen stellen. Komen er dan vele minder gegoeden onder
het kiezersvolk, dat hindert niet indien zij maar eenige ont-
wikkeling hebben bereikt. Thans is het kiesrecht gegeven
aan duizenden die geenerlei onderricht ontvingen; natuur-
lijk omdat de census laag is, en geene andere vereischten
zyn gesteld.
Het denkbeeld, dat aan den constitutioneelen regeerings-
vorm ten grondslag ligt, brengt ongetwijfeld mede, dat het
kiesrecht aan allen behoort te worden verleend, wien men
het zonder bezwaar geven kan. Uitzonderingen op den regel
zullen er natuurlijk alty\'d wezen. De toekenning van
het stemrecht aan alle meerderjarige mannen of iets dergelijks,
meestal bekend onder den naam van algemeen stemrecht,
wordt voor het tegenwoordige door de eischen der grondwet
vanzelf uitgesloten. Ook door een dergelijk stelsel zouden
weer velen onder het kiezerspersoneel worden opgenomen,
wier verstandelijke ontwikkeling slechts een zeer laag peil heeft
bereikt, zoodat bij hen over het algemeen eenige zelfstandige
opvatting der zaken niet met grond kan worden verwacht.
Zoolang de nieuwe kieswet er niet is, hebben alle ver-
kiezingen van leden voor de Tweede Kamer, de Provinciale
Staten en de Gemeenteraden, volgens zekere tydelyk werkende
regelen plaats, welke opgenomen zijn in de zoogenaamde
additioneele artikelen (het aanhangsel) der grondwet. Deze
5
-ocr page 74-
66
bevatten dus eene tijdelijke kieswet, waarin voorloopig als
vereisclite om kiezer te zyn, alleen de voldoening eener
matige belasting gesteld is, hetzij dan dat men die belasting
zelf betaalt, hetzij dat men een huis of gedeelte daarvan be-
woont, dat niet afzonderlijk in de belasting wordt aan-
geslagen, doch waarvan dan toch een zeker bedrag betaald
wordt. Deze personen storten de vereischte som middellijk,
de anderen onmiddellijk.
De Tweede Kamer is de zoogenaamde Kamer van
honderd; dat wil zeggen: er zijn honderd leden, die om
de vier jaren allen tegelijk aftreden en die gekozen worden
in vaste districten, waarin het laud voor deze keuze is ver-
deeld. Deze districten zijn bijna allen enkelvoudig; dit be-
teekent dat in elk district slechts een persoon gekozen wordt.
Van dezen regel zijn alleen uitgezonderd: het district Amster-
dam, bevattende de gemeenten Amsterdam en Nieuwer-
Amstel, waarin negen leden worden gekozen; Rotterdam
met Oapelle aan den IJsel, waarbinnen de keuze voor
vh\'f leden wordt uitgebracht; \'s-Gravenhage, dat drie leden
afvaardigt; Groningen en Utrecht, beide met eenige om-
liggende gemeenten, welke districten ieder twee leden aan-
wijzen. Dientengevolge zyn er niet honderd maar slechts
vier-en-tachtig districten. Velen wenschen ook de genoemde
meervoudige districten in enkelvoudige te splitsen, omdat
over het algemeen dit stelsel nu eenmaal is aangenomen en
er geene afdoende redenen bestaan om daarin juist voor de
groote gemeenten verandering te brengen of liever, uit-
zonderingen te laten bestaan. Bij de te verwachten nieuwe
kieswet zal in dit punt van zelf worden voorzien.
De verkiezingen voor de leden der Kamer van honderd
hebben plaats op den tweeden Dinsdag der maand Juni.
De aftreding der leden heeft plaats op den darden Dinsdag
in September. Zoowel hier als met betrekking tot alle der-
gelijke lichamen zijn de aftredenden steeds herkiesbaar. De
vereischte ouderdom voor het lidmaatschap is dertig jaar,
terwjjl bij de Provinciale Staten slechts de vijf-en-twintig-
jarige, bij de gemeenteraden slechts de drie-en-twintigjarige
leeftijd verlangd wordt. De Eerste en Tweede Kamer stemmen
in dit opzicht overeen.
-ocr page 75-
67
De grondwet heeft voorgeschreven, dat de Staten-Generaal
ten minste eenmaal per jaar te zamen komen of, zooals men
het noemt, eene zitting houden. Die gewone zitting wordt
geopend op den derden Dinsdag in September, terwijl de
Koning eene buitengewone zitting bijeenroept, zoo dikwyls
hy het noodig acht. De gewone zitting moet volgens de
grondwet minstens twintig dagen duren. De praktyk sluit
zich echter hier niet bij de leer aan, want de gewoonte
brengt mede, dat de zitting voortduurt en niet gesloten
wordt dan zeer kort vóór den derden Dinsdag in September.
De byeenkomst duurt dus een geheel jaar; de Kamer gaat
wel van tyd tot tyd een poos uiteen, doch dit wordt slechts
gerekend voor een tijdelyke rust. Feitelyk zijn er altoos
aanhangige zaken; dikwijls zoovele, dat een gedeelte voort-
durend onafgedaan blijft. Van een toestand als de grondwet
schijnt bedoeld te hebben, van een slechts van tijd tot tyd,
ingeval van gebleken noodzakelijkheid, bijeenroepen der
Kamers, kan geen sprake zijn.
Juist omdat de Kamers slechts eenmaal per jaar worden
geopend, brengt de gewoonte mede, dit eenigszins plechtig
te doen. De Eerste en Tweede Kamer houden dan eene ver-
eenigde zitting en de Koning (thans de Koningin-regentes)
is persoonlijk tegenwoordig en leest eene zoogenaamde troon-
rede voor, waarin de regeering hare plannen voor het
volgend jaar blootlegt omtrent den wetgevenden arbeid.
Groote waarde kan men daaraan niet toekennen, omdat het
natuurlyk geheel van de omstandigheden afhangt of der-
gelyke plannen tot uitvoering komen, en zoo ja, in hoeverre.
Op welke wyze de Tweede Kamer, wier arbeid het voor-
naamste deel van de taak der volksvertegenwoordiging omvat,
dien arbeid regelt, moet zij zelve bepalen bij een zoogenaamd
reglement van orde. De grondwet schryft voor: de be-
eediging der leden en de benoeming van een voorzitter, door
den Koning, op voordracht van de Kamer, telkens voor den
tyd van eene zitting. De grondwet bepaalt verder welke
rechten deze tak der volksvertegenwoordiging uitoefent en
gebiedt dat alle beraadslaging over eenig ontwerp door een
onderzoek moet worden voorafgegaan.
Niet alleen de regeering kan ontwerpen van wet indienen;
elk der leden van de Tweede Kamer heeft daartoe evenzeer
het recht, dat bekend is onder de benaming: recht van
initiatief.
De leden dezer Kamer bezitten ook het zoogenaamde recht
van amendement. Wanneer namelyk de regeering eenig
-ocr page 76-
68
voorstel van wet heeft ingediend, dan kan elk lid verande-
ringen of byvoegingen voorstellen. Het voorstel tot zulk
eene wijziging noemt men een amendement.
Om alle onzuivere beslissingen te keeren, is bepaald dat
niemand van de beide Kamers gelijktijdig lid kan zn\'n. De
Ministers, wier taak het natuurlijk is de volksvertegenwoor-
diging in te lichten en de door de regeering ingediende
wetsontwerpen toe te lichten en te verdedigen, hebben in de
beide Kamers zitting, maar zij stemmen alleen mede wanneer
zij zelf lid eener Kamer zijn. De wet verhindert de vereeni-
ging van beide betrekkingen niet; doch er bestaat veel strijd
over de vraag of zü wel gewenscht is. Het gebruik ten
onzent was tot dusver in den regel, dat de Ministers zich
niet verkiesbaar stellen.
Enkele hooge Staatsambtenaren, zooals de leden van den
Hoogen Raad, die van de Algemeene Rekenkamer en de
Commissarissen des Konings in de Provinciën, kunnen niet
tot lid der Staten-Generaal worden benoemd, en dat wel om
verschillende redenen, b.v. omdat tusschen den werkkring
der beide betrekkingen een nauw verband bestaat, enz.
De volksvertegenwoordigers zjjn als zoodanig vry en on-
schendbaar. Voor hetgeen zij in de vergadering zeggen of
schriftelijk aan de Kamer mededeelen, kunnen zü niet voor
den rechter geroepen worden.
De Kamers vergaderen, zooals byna vanzelf spreekt, in
den regel afzonderlijk, maar de grondwet maakt toch ook
melding van vereenigde zittingen. Bij de opening der
zitting, bn\' de sluiting en bij de inhuldiging van den Koning,
is zulk eene vereenigde zitting voorgeschreven. Bovendien
maakt de grondwet melding van vereenigde zittingen in
dubbelen getale. Voor dat geval zijn, zooals men be-
grypt, bijzondere verkiezingen noodig. De vereenigde zitting
in dubbelen getale is voorgeschreven voor het benoemen van
een troonopvolger, in het haast ondenkbare geval, dat geen
bevoegd opvolger volgens de grondwet mocht bestaan.
-ocr page 77-
69
XVII.
Eerste Kamer. — Werkzaamheden der beide
Kamers.
Het ledental onzer Eerste Kamer bestaat uit vijftig,
die, zooals wij reeds hebben opgemerkt, gekozen worden
door de Staten der provinciën en wel voor den tijd van
negen jaren. Gelijktijdige aftreding heeft hier echter niet
plaats. Een derde gedeelte der leden treedt af om de drie
jaren. In elke provincie wordt een vast getal leden gekozen,
door de grondwet voorgeschreven, natuurlijk in verhouding
tot de bevolking. De verkiezingen hebben plaats op den
tweeden Dinsdag in Juli, in de jaren 1896, 1899, enz. Als-
dan wordt voorzien in de vervulling der plaatsen van dat
gedeelte der leden, hetwelk den derden Dinsdag in September
daaraanvolgende aftreedt.
Wat de vereischten betreft om in dit hooge college zit-
ting te nemen, hebbeu wij hier met een geheel ander stelsel
te doen als bij de Tweede Kamer. Ook bij de gekozenen,
en dus niet alleen bij de kiezers, is hier de belasting van
invloed, want in de eerste plaats komen zy in aanmerking,
die behooren tot de hoogst aangeslageuen in de Rn\'ks directe
belastingen. Het getal der hoogst aangeslagenen wordt in
elke provincie zóo bepaald, dat op iedere drieduizend zielen
een persoon verkiesbaar is. De overige vereischten komen
overeen met die voor de leden der Tweede Kamer; maar bü
de wijziging der grondwet in 1887 heeft men gemeend zich
een weinig van het beginsel, dat alleen betalen recht geeft,
te moeten losmaken. Over het algemeen kwamen alleen
groote grondbezitters in de Kamer en konden velen niet in
aanmerking komen, die een sieraad van het college zouden
zijn geweest. In afwachting ook alweer eener nieuwe kies-
wet, die de zaak nader zal regelen, heeft de gewyzigde grond-
wet bepaald, dat ook z\\j verkiesbaar zullen zijn, die een of
meer hooge en gewichtige openbare betrekkingen bekleeden
of bekleed hebben. Welke betrekkingen dit zn\'n, is bh\' eene
bijzondere wet geregeld.
Het voornaamste gedeelte van den arbeid der Eerste Kamer
bestaat in de behandeling der reeds door de Tweede Kamer
-ocr page 78-
70
aangenomen wetten, die zy in haar geheel aanneemt of
verwerpt, want deze Kamer bezit niet het aan den anderen
tak der volksvertegenwoordiging toegekende recht van
amendement, evenmin als het recht van initiatief. Zij regelt
hare werkzaamheden zelfstandig, evenals de Tweede Kamer,
en vergadert onder leiding van eenen voorzitter1, door den
Koning voor elke zitting aangewezen, zonder dat daartoe
door haar eene voordracht wordt gedaan.
De werkzaamheden der Kamers bestaan intusschen niet
alleen in de beraadslagingen, waarvan wij geregeld de verslagen
in de dagbladen lezen. Het voorloopig onderzoek der wets-
ontwerpen, waartoe de Kamers in afdeelingen worden
gesplitst, is dikwijls veel gewichtiger. De regel is dat de
ingediende ontwerpen, vergezeld van toelichtende stukken
of zoogenaamde memoriè\'n, door de afdeelingen worden onder-
zocht en daarvan een verslag aan de regeering wordt uitge-
reikt. Dit verslag wordt dan weder beantwoord en daarna
is het ontwerp meestal gereed voor de behandeling in de
openbare zitting. In sommige gevallen Jjan echter van den
regel, dat de vergaderingen openbaar zijn, worden afgeweken
en eene geheime zitting worden gehouden. Men noemt dit
de behandeling eener zaak in comité-generaal.
In de verslagen der zittingen zien wij dikwn\'ls melding
gemaakt van eene motie van orde of van eene inter-
pellatie. Dit beteekent het volgende. De leden der Kamers
nebben het recht om over eeuig punt, waarin licht verlangd
wordt, bepaalde vragen aan de regeering te doen. Dit ge-
schiedt na bekomen verlof der Kamer en men noemt het zóo,
dat dan eene interpellatie tot de regeering wordt gericht.
De grondwet bepaalt daaromtrent, dat de Ministers aan de
Kamer alle inlichtingen moeten geven, die zij niet
strijdig oordeelen met het belang van den Staat;
maar het behoeft geen betoog dat een Minister, om het
geven van inlichtingen te ontgaan, zich niet licht hierop
zal beroepen, wanneer inderdaad het belang des lands bn\' de
zaak niet betrokken is.
De interpellaties eindigen meestal met het voorstellen
eener motie van orde, waarbij de Kamer een bepaald ge-
voelen uit of een wensch tot de regeering richt. Soms neemt
de zaak een meer ernstigen vorm aan. Bestaat er tusschen
de regeering en een deel der volksvertegenwoordiging een
verschil over belangrijke punten, dan wordt eene motie van
wantrouwen door die leden voorgesteld of eene motie
van vertrouwen door de vrienden der regeering, en bij
-ocr page 79-
71
aanneming eener motie van wantrouwen kan dit tengevolge
hebben dat de betrokken Minister aftreedt, of wel het ge-
heele kabinet (dat wil zeggen al de Ministers), indien
deze zich te zaaien voor de zaak verantwoordelijk stellen,
of, zooals het heet, homogeen zijn.
Laat ons nu nog opmerken, dat de beide Kamers der
Staten-Generaal het zoogenaamde recht van enquête
bezitten, dat wil zeggen, dat zij kunnen besluiten om zelf-
standig een onderzoek in te stellen naar de eene of andere
gewichtige aangelegenheid, waaromtrent het aan licht ont-
breekt. Zoo gaf b. v. nog in de laatste jaren de toestand
van het fabriekswezen aanleiding tot het instellen eener
enquête van zeer grooten omvang. Men heeft er degelijke
gegevens door verzameld voor de zoogenaamde sociale wet-
geving, dat wil hier zeggen voor wetten in het bijzonder
belang van den werkenden stand en van eene betere verhou-
ding tusschen werkgevers en werklieden.
Het recht van amendement, waarop wy vroeger reeds
hebben gewezen, komt ook toe aan de vereenigde verga-
dering van Eerste en Tweede Kamer, maar niet aan de
Eerste afzonderlijk.
Men heeft dikwijls de vraag gesteld, of de instelling
eener Eerste Kamer, in onzen regeeringsvorm, eigenlijk
geene overtolligheid is, daar immers de Tweede Kamer, die
direct door het volk wordt afgevaardigd, de wetsontwerpen
zeer goed kan beoordeelen, evenals het algemeen beleid en
de handelingen der regeeringspersonen?
Velen beantwoorden deze vraag stellig ontkennend en
zien juist in den werkkring der Eerste Kamer een waarborg
van niet geringe beteekenis voor den behoorlijken gang
der zaken.
Dat de Tweede Kamer onmiddellijk door het volk wordt
gekozen, is natuurlijk een recht dat op hoogen prijs behoort
te worden gesteld; maar het heeft dan toch tengevolge, en
dit kan ook niet anders, dat de partijstrijd bij de ver-
kiezingen hevig is, dat dientengevolge in deze Kamer
velen zitting nemen die zich in den partijstrijd het meest
op den voorgrond stelden en niet altijd de bekwaamsten en
geschiktsten, dat ook in de Kamer de partijen of zoogenaamde
politieke (staatkundige) richtingen scherp tegenover elkander
staan, dat de beraadslagingen of debatten niet altoos op
kalme wijze worden gevoerd, dat men wel eens de partn-
-ocr page 80-
72
schap zwaarder laat wegen dan hefc onbevangen oordeel
over de zaken.
Nu stelt de Eerste Kamer als het ware een tegenwicht
daar. De trapsgewijze verkiezingen voor dit regeerings-
lichaam hebben tengevolge, dat de keuze met meerdere
kalmte plaats heeft; daarom vinden wij ook in deze Kamer
meerdere bezadigdheid, minder partijstrijd; de juistheid
van het oordeel moet daarbij winnen, zoowel waar het de
zaken als de regeeringspersonen geldt. Hierbij komt nog dat,
zooals wij reeds opmerkten, de reeds door de Tweede Kamer
aangenomen ontwerpen door de Eerste in hun geheel worden
aangenomen of verworpen en dat geene veranderingen meer
kunnen worden aangebracht. Volk en regeeriug hebben dus
beiden groot belang bij het behoud van dezen tak der ver-
tegen woordiging: het volk, omdat de Eerste Kamer een waar-
borg oplevert voor het tot stand komen van wetten, die,
om haren inhoud zelven, in het wezenlijk belang der natie
zyn; de regeering, omdat zij meer onpartijdige beoordeeling
en waardeering van de Eerste dan van de Tweede Kamer
kan verwachten en het zoogenaamde Hoogerhuis desnoods
een waarborg kan opleveren tegen aanmatigingen van het
Lagerhuis.
Dit neemt intusschen niet weg, dat wezenlijke verbete-
ringen in de inrichting der Eerste Kamer niet ondenkbaar
zijn; maar het bestaan van het lichaam zelf, schijnt voor
onzen constitutioneelen Staat toch van groot belang.
XVIII.
Ontbinding.—Staatkundige en politieke rechten.—
Kerk en Staat.
Onze beschouwing van den werkkring der Staten-Generaal
moest uit den aard der zaak eenigszins breedvoerig wezen,
doch thans nemen w\'q van dit onderwerp weldra afscheid.
Nog cene zaak blijft te vermelden, die in zeer nauw verband
staat met de macht des Konings. Het hoofd van den Staat
heeft volgens de grondwet het recht om de beide Kamers,
te zamen of afzonderlek, te ontbinden. Wanneer het
blykt dat regeeriug en vertegenwoordiging in zaken van groot
-ocr page 81-
73
gewicht te zeer tegenover elkander staau om op vruchtbare
samenwerking te kunnen hopen, en de regeering meent dat
de vertegenwoordiging niet het gevoelen van het volk
uitdrukt, dan maakt de Koning desnoods van zijn recht tot
ontbinding gebruik, met andere woorden: dan treedt de
vertegenwoordiging buiten tijds af en nieuwe verkiezingen
worden uitgeschreven. De kroon maakt van dit recht, door
welks uitwerking de gemoederen allicht zeer in beweging
worden gebracht, niet licht gebruik. Minder zeldzaam is
het, dat de regeering bukt eu de Ministers aftreden, meestal
om vervangen te worden door raadslieden, die het gevoelen
deelen der zoogenaamde oppositie, dat wil zeggen van
de meerderheid der vertegenwoordiging, die zich tegen de
regeeriug kantte.
In dien partijstrijd en in het algemeen bij de debatten
(beraadslagingen) in het parlement (de Kamers), hoort men
vaak de woorden linkerzijde en rechterzijde.
Van ouds rekende men tot de linkerzijde de vooruitstre-
vende partij , meestal genaamd de liberale en radicale partijen.
Die tot de meer behoudende richting behoorden, werden
geacht de Kroon te steunen eu tot de rechterzijde gerekend.
In onzen tijd zegt men ook, dat de linkerzijde dat deel
der volksvertegenwoordiging is, dat de richting der regeering
niet is toegedaan, terwijl men dan het bevriende gedeelte
tot de rechterzijde rekent.
Het recht van ontbinding, waarvan wy zoo even spraken,
is een zeer bijzonder voorrecht of prerogatief der kroon,
want wanneer de Raad van State het Koninklijk gezag
waarneemt, kan dit lichaam de Kamers niet ontbinden.
Vroeger hebben wij het een eu ander medegedeeld over
burgerln\'ke en burgerschapsrechten. Het recht van den
burger, om deel te nemen aan het werk der verkiezingen,
wordt onder de laatstgemelde gerangschikt. Maar in de
betrekking van den burger tot het Staatsbestuur vinden wy
nog andere rechten door de grondwet toegekend, die men
fewoonln\'k staatkundige of politieke rechten noemt,
n den loop der eeuwen, meestal door staatkundige gebeur-
tenissen, hebben deze rechten zich ontwikkeld, is het begrip
ervan doorgedrongen en is het volk tot het genot ervan
gekomen.
Allen die zich bevinden op het grondgebied van den
-ocr page 82-
74
Staat, hetz\\j dan Nederlanders of vreemdelingen, hebben
vooreerst gelijke aanspraak op bescherming van persoon en
goed, zoolang het belang des lands of dat van bevriende
mogendheden, of wel het belang der maatschappij, niet met
deze vrijheid in strijd is.
Ten aanzien van vreemdelingen moet natuurlijk het
belang van onzen Staat zoowel in acht genomen worden als
dat van volken met welke wij betrekkingen onderhouden.
By eeiie wet van 13 Augustus 1849 zijn dan ook reeds
bepalingen gemaakt tot regeling der toelating en uitzetting
van vreemdelingen; terwijl bij twee wetten, van 6 April
1875 en 15 April 1886, de algemeene voorwaarden zijn
geregeld, op welke, ten aanzien van de uitlevering van
vreemdelingen, die buiten het Rijk misdrijven hebben ge-
pleegd, verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden
gesloten. Met onderscheidene mogendheden zijn inderdaad
dergelijke verdragen of tractaten aangegaan, waardoor na-
tuurlijk de veiligheid der maatschappij in het algemeen moet
toenemen. De verzoeken van dien aard aan onze regeering
gedaan en de behandeling daarvan, die gedeeltelijk behoort
tot den werkkring eener afzonderlijke afdeeling van het
Ministerie van Justitie, noemt men, met een vreemd woord,
rogatoire commissiën.
De wet erkent het recht van eigendom, dat zeker een
van de hoeksteenen der maatschappij mag genoemd wor-
den, omdat zonder hetzelve de beste waarborgen voor
orde en de beste drijfveeren voor het raderwerk der samen-
leving zouden ontbreken. Het recht van eigendom bukt
alleen voor het algemeen belang van den Staat, en niemand
kan van zijn eigendom worden ontzet, dan tengevolge eener
wet, gegrond op het algemeen nut. Slechts in sommige
gevallen behoeft aan die voorwaarde niet voldaan te worden,
b. v. bij oorlog en besmettelijke ziekte. Eene door de wet
met die macht bekleede overheid kan dan de onteigening
bevelen. De regel is voorts dat elke ontzetting van eigen-
dom plaats heeft tegen schadeloosstelling, die vooraf moet
worden betaald of waarvan de betaling althans vooraf moet
worden verzekerd. By twee wetten, van 28 Augustus 1851
en van 14 September 1866, is hetgeen op dit alles betrek-
king heeft in bijzonderheden geregeld.
De veiligheid van personen en goed is alleen voldoende
verzekerd, waar eene onafhankelijke rechterlijke macht be-
staat. In het algemeen is de beslissing over alle geschillen
tusschen de burgers onderling, opgedragen aan rechters, wier
-ocr page 83-
75
taak en bevoegdheid bij de wet zijn geregeld. De straffen,
op misdrijven gesteld, worden eveneens door den rechter
opgelegd krachtens de wet. Willekeurige handelingen der
regeering zijn ten onzent in dit opzicht niet mogelijk. Tegen
zn\'n wil kan niemands zaak worden beslist anders dan door
den rechter die er voor is aangewezen. Ook mag niemand
willekeurig in hechtenis worden genomen, en in geen geval
zonder bevel van den bevoegden rechter, terwijl allen eene
onschendbare woning hebben en niemand daarin mag treden
tegen den wil van den bewoner, dan alleen iu de gevallen
dat de wet dit uitdrukkelijk bepaalt.
De grondwet huldigt de vrije gedachte volkomen. Ieder
kan door de drukpers zijne gedachten of gevoelens uiten.
Voor het gesprokene zelf blijft men natuurlijk verantwoor-
delijk en, waar het de rechten van anderen aanrandt of in
het algemeen eene niet geoorloofde handeling betreft, ook
strafrechtelijk vervolgbaar. Het geheim der aan de post of
andere openbare instellingen van vervoer toevertrouwde
brieven is ook onschendbaar. De regeering mag zich tot
geenerlei doel van dat geheim meester maken. Alleen de
rechter kan last geven tot afwijking van dezen regel, in de
gevallen door de wet uitdrukkelyk geregeld. Ieder belydt
verder zijne godsdienstige overtuiging met volkomen vrn\'-
heid, voor zoover deze de vrijheid en de rechten van anderen
niet aanrandt en dus in de termen der strafwet valt. Alle kerk-
genootschappen zijn gelijk voor de wet. Binnen gebouwen en
afgesloten plaatsen worden alle openbare godsdienstoefeningen
toegelaten, onder voorwaarde dat de overheid desnoods voor
orde en rust kunne waken. Buiten gebouwen en afgesloten
plaatsen, onder welke laatste ook begraafplaatsen worden
verstaan, is openbare godsdienstoefening niet toegelaten,
omdat dit allicht andersdenkenden aanstoot kan geven. A1-
leen zijn in dit opzicht uitzonderingen gemaakt voor die
plaatsen waar dergelijke godsdienstoefeningen (b.v. de pro-
cessiën der Roomsch-katholieken) reeds gebruikelijk waren
vóór de wijziging der grondwet in 1848.
In ons land bestonden sinds eeuwen nauwe betrekkingen
tusschen Kerk en Staat. Onder de republiek der Vereenigde
Nederlanden, die overigens de vrijheid van denken huldigde,
was er eene Gereformeerde Staatskerk. De Hervormde gods-
dienst was gedurende en na den vrijheidsoorlog tegen Spanje
langzamerhand de overheerschende geworden, en in dien tijd
kon men zich nog niet indenken in een toestand, waarbij
de zaken van den Staat geheel of zooveel mogelyk van die
-ocr page 84-
76
der kerk worden afgescheiden, wat toch vooral in een land
als het onze, waar zoovele godsdienstige gezindten naast
elkander bestaan, dringend noodzakelijk is. Onder de repu-
bliek werden de belijders van den Hervormden eeredienst
natuurlijk zeer begunstigd, en die er niet toe behoorden
werden van de ambten en de regeering uitgesloten. Wij
hebben reeds vroeger opgemerkt, dat de Staatsomwenteling
Tan 1798 aan dien toestand, althans op het papier, een einde
maakte. Zeker is het, dat de eigenlijke Staatskerk door de
omwenteling verviel, maar er bleven toch veelvuldige in-
mengingen der regeering in kerkelijke zaken bestaan; zelfs
waren er tot 1868 nog afzonderlijke departementen voor de
regeling vaii kerkelijke zaken, of zoogenaamde ministeriën
van eeredienst.
Maar met de wijziging der grondwet in 1848 brak toch
het beginsel door, dat Kerk en Staat beide hunne eigene
zaken moeten regelen en vrij in en naast elkander moeten
bestaan. Vandaar dan ook dut wat vroeger rechtens was,
later is vervallen, b.v. de goedkeuring der kerkelijke regie-
meuten door den Koning, de benoeming door hem van
president en secretaris van de synode der Hervormde kerk
en de vertegenwoordiging der regeering in de zittingen van
dat lichaam. Ook zn\'n de ministeriën van eeredienst verval-
len. Volkomen afscheiding van Kerk en Staat bestaat nog
niet; er blijven nog vele punten van aanraking, en natuur-
lgk behoudt de regeering het recht van toezicht op de kerk-
genootschappen, in het belang der openbare orde en rust.
XIX.
Kerk en Staat. — Kerkgenootschappen. - Staat-
kundige rechten.
Vooral op geldelijk gebied bln\'ft er tusschen Staat en
kerk nog altn\'d verband bestaan. Tengevolge der kerkher-
vorming in de zestiende eeuw, vervielen de goederen der
Katholieke kerken en godsdienstige of kerkelijke gestichten
meestal aan de nieuwe, Hervormde gemeenten, maar door
de omwenteling in het laatst der vorige eeuw en de daarop
gevolgde Staatsregeling van 1798, werden die bezittingen,
zooals ze toen bestonden, geseculariseerd, dat wil zeggen,
ze vervielen aan de republiek, die op zich nam om nog
-ocr page 85-
\' 77
eenigen tijd de traktementen, enz. der Hervormde leeraren
uit te betalen. Na verloop van zekeren tyd zou de kerk
dan geheel aan zichzelve worden overgelaten. By de grond-
wet van 1815 kwam men weer tot een ander stelsel en nam
op zich, de betaling der traktementen en pensioenen, die
destyds door de onderscheidene kerkgenootschappen werden
genoten, en niet alleen door de Hervormden, want toen
Lodewijk Napoleon Koning van Holland was, werden ook
de Katholieken en andere gezindten gesteld in het genot der
uitkeering, die dus daardoor eene meer algemeene en ook
meer billijke strekking verkreeg. De godsdienstige gezind-
teu, na de grondwet van 1815 opgericht, hebben op de
toelagen echter geen aanspraak.
Het toezicht dat de Staat, in het belang der openbare
orde, op de kerkgenootschappen uitoefent, is geregeld by de
wet van 10 September 1853. Bij die wet is het beginsel,
dat Staat en kerk gescheiden zijn, duidelijk uitgesproken
door de bepaling dat aan alle kerkgenootschappen de vol-
komen vrijheid verzekerd blijft, om alles wat den godsdienst
en de uitoefening daarvan in eigen boezem betreft, te rege-
len, maar de bepalingen omtrent inrichting en bestuur
moeten aan de regeering worden medegedeeld, vreemdelin-
gen mogen geene kerkelijke bedieningen aanvaarden zonder
toestemming des Konings en in het belang der openbare
orde en rust kan die toestemming geweigerd worden. De
bedienaren van den godsdienst mogen hun plechtgewaad
slechts dragen binnen de gebouwen en besloten plaatsen waar
de openbare godsdienstoefening wordt gehouden, tenzij, zoo-
als wij boven hebben gezien, die godsdienstoefening ook
daarbuiten is toegelaten. Het gemeentebestuur moet verlof
geven tot het oprichten van een gebouw tot uitoefening van
den openbaren godsdienst binnen den afstand van twee hon-
derd meters van eene bestaande kerk; terwijl het klokken-
gelui bij den aanvang van den dienst enz., in gemeenten
waar kerken van meer dan een kerkgenootschap zijn, in het
belang van rust en orde door den Commissaris des Konings
kan worden verboden, en, tot andere doeleinden dan het ge-
noemde, voor het luiden der klok steeds de toestemming
der plaatselyke politie noodig is.
De ingezetenen des Ryks hebben voorts het zoogenaamde
recht van petitie (verzoek). Men zou zeggen, het spreekt
-ocr page 86-
78
van zelf dat zy iets kunnen vragen of verzoeken aan de
regeering of aan eenige openbare macht; maar de grondwet,
die dit recht toekent, bedoelt daarmede dat de overheid van
die verzoeken, die echter schriftelijk moeten worden inge-
diend, kennis behoort te nemen en heeft dan ook bepaal-
deln\'k op het oog aangelegenheden van staatkundigen aard
in betrekking tot de regeering van het Rük of zijne onder-
deelen. Bij den aanvang der werkzaamheden van de Kamers
zien wjj gedurig dat een aantal verzoekschriften zijn inge-
komen omtrent de zaken die tot haren werkkring behooren.
8oms worden zij eenvoudig ter griffie gedeponeerd, dat wil
«eggen: er wordt niet verder op gelet dan door bloote kennis-
neming; maar soms worden zij in handen van eene commissie
gesteld, die een onderzoek instelt, verslag uitbrengt en zoo
noodig voorstelt een besluit of conclusie te nemen, waar-
omtrent dan door de vergadering wordt beslist. Niet alleen
voor zichzelven maar ook namens anderen mag men verzoek-
schriften indienen of petitionneeren, mits men, ter voor-
koming van misbruiken, de volmacht overlegt, waarbij die
anderen den last daartoe hebben verstrekt.
Er is nog een ander staatkundig recht, dat tot het in-
dienen van verzoekschriften aan de regeering zeer veel aan-
leiding geeft, namelijk het recht van vereeniging en
vergadering. Vóór de grondwetswijziging van 1848 werd
dit onderwerp beheerscht door de strafwet, die straf be-
dreigde tegen het zonder verlof der overheid houden
van bijeenkomsten van meer dan twintig personen. Hier-
door konden, en dit was ook de bedoeling, geregeld
vergaderingen met een godsdienstig of staatkundig doel
worden geweerd. Meermalen is van die bepaling een ge-
bruik gemaakt, dat met gezonde begrippen van volks-
vrüheid geheel en al in strn\'d was. Bij de grondwet van
1848 werd dan ook het recht van vereeniging en vergadering
uitdrukkelu\'k erkend, met de bnvoeging dat eene bn\'zondere
wet de uitoefening van het recht in het belang der open-
bare orde nader moest regelen en beperken. Dit geschiedde
bh\' de wet van 22 April 1855 en het is niet gewaagd,
te zeggen dat nimmer van eenige wet een ruimer gebruik
is gemaakt, zoo zelfs, dat wij ons nauwlüks meer zouden
kunnen indeuken in den toestand van vóór veertig jaren.
Wy durven hierby gerust de opmerking maken, dat zelden
door eenige wet de natie meer werkelijk is gebaat geworden.
Wy allen kennen de tallooze vereenigingen op staatkundig,
godsdienstig of wetenschappeln\'k gebied, die in vele opzichten
-ocr page 87-
79
gunstig op de algemeene ontwikkeling terugwerken en de
natie inderdaad doen leven het leven van een vrij en ordelyk
volk. Stond daartegenover in de laatste jaren hier en daar
eenig misbruik, dat voor een deel veroorzaakt werd door
minder gewenschte maatschappelijke toestanden, tot eene
beperking van de rechten van het volk zal dit treurig ver-
schijnsel hoogstwaarschijnlijk niet behoeven te leiden. Twee
bijzondere maatregelen zyn er toch het gevolg van geweest.
De vrees, dat de burgerlijke overheid wel eens niet bü
machte zou kunnen wezen om orde en rust te handhaven,
heeft eene nieuwe bepaling gebracht in de gewijzigde grond-
wet van 1887. Daarbij is aan den Koning de bevoegdheid
gegeven om een gedeelte van het Rijk zoogenaamd in staat
van beleg of van oorlog te verklaren, waarvan het feitelijk
gevolg is, dat niet de burgerlijke maar de militaire overheid
heerscht, de drukpersvrijheid tijdelijk wordt opgeheven,
vereenigingen of vergaderingen worden verboden, de on-
schendbaarheid der woning, waarvan wij vroeger spraken,
niet wordt geëerbiedigd, enz. De tweede der bedoelde
maatregelen is de wet van den 9 Mei 1890, die verbiedt om
wapenen bh\' zich te hebben op den openbaren weg of eenige
voor het publiek toegankelijke plaats. De wet heeft voor-
namelyk het oog op vuurwapenen, sabels, dolkmessen en degen-
stokken en bevat natuurlijk de noodige uitzonderingen, opdat
geene verhindering worde toegebracht aan de gewone maat-
schappelijke levensverrichtingen. De bedoeling is, dat men geen
wapen by zich mag hebben, dat voor dadelijk gebruik kan wor-
den aangewend, zonder noodzakelijkheid of zonder vergunning.
De door ons bedoelde vereenigingen van staatkundigen,
godsdienstigen of anderen aard, vereenigingen van personen
dus tot een zoogenaamd zedelyk of onstoffelijk doel, kunnen,
alsof zij een persoon waren, in de samenleving handelend
optreden, en dus ook als een persoon aan het politieke
leven deelnemen, b. v. door het indienen van petitiën als
anderszins. Zij worden daarby door het bestuur vertegen-
woordigd. Echter moeten zij, om zich als zoodanig te kunnen
gedragen; aan zekere voorwaarden voldoen, door de genoemde
wet van 22 April 1855 gesteld. Zy behoeven namelijk de
zoogenaamde erkenning als rechtspersoon, die, ingeval het
doel der vereeniging strijdt met de wet of de openbare orde,
geweigerd wordt. De erkenning, tegenwoordig eene bijna
dagelijks voorkomende zaak, geschiedt door den Koning als
zy\' voor minder dan dertig jaar wordt gevraagd, terwy\'1
anders daarvoor eene bijzondere wet wordt vereischt.
-ocr page 88-
80
Nog enkele bepalingen van evengeuoemde wet trekken
onze aandacht. Wij zeiden reeds dat het recht ook is be-
perkt. Zoo is b. v. bepaald dat vreemdelingen, die hier
geen vast verblijf hebben, geene leden kunnen zijn van
staatkundige vereenigingen. Dergelijke personen, die geen
belang hebben by den binnenlandschen vrede, zullen des te
eerder een noodlottigen invloed op anderen uitoefenen.
Ook zonder het bestaan eener vereeniging, is vergadering
toegelaten. Voor openbare gemeenschappelijke beraadslaging
in de open lucht is vergunning van het hoofd van het
gemeentebestuur noodig. Tot alle openbare vergaderingen
hebben de ambtenaren der politie vrjjen toegang, terwyl
het dragen van wapenen, tenzij door militaire officieren en
onderofficieren in uniform, in beide soorten van bijeenkom-
sten verboden is.
XX.
Rechtswezen. — Rechterlijke Macht.
Bij het overzicht van de samenstelling der Rn\'ksregeering,
hebben wij opgemerkt dat de taak der regeering in hoofd-
zaak feitelyk wordt volbracht onder de leiding van de
Hoofden der ministeriëele departementen: de verantwoorde-
lijke Ministers. Daartoe zijn aan elk ministerie of departement
een groot aantal ambtenaren, hoogere en lagere, wier werk-
zaamheden in verschillende afdeelingen zijn gesplitst.
Wanneer men, meer in bijzonderheden, den werkkring
van regeering en wetgevende macht en de vruchten daarvan
wil beschouwen en het oog vestigen op de voornaamste
instellingen van den Staat, waarover de regeeringszorg zich
uitstrekt, dan is eene kleine wandeling door de departe-
menten van algemeen bestuur daartoe zeer geschikt.
Willen wij daartoe aanvangen met het departement dat
ons de meeste stof tot bespreking oplevert, en dat dan ook
zeker niet de minst gewichtige onderwerpen beheerscht, dan
moeten wij kiezen het Ministerie van Justitie dat, wat ook
de naam aanduidt, het rechtswezen regelt of bestuurt.
Dit is dan ook door de grondwet uitdrukkelijk voor-
geschreven. Van de justitie, zoo luidt het opschrift van
haar vijfde hoofdstuk, en inderdaad is de justitie, het recht
in den Staat, zyn beste bolwerk. Nederland is in vele op-
-ocr page 89-
81
zichten een land van goede justitie, en wy- kunnen ons
beroemen op eene zeer bekwame en onafhankelijke rechter-
lyke macht.
De rechtspraak zelve, die in beginsel aan de kroon toe-
komt, om welke reden het recht dan ook wordt gesproken
en uitgeoefend in naam des Konings, geschiedt op grond
van de bestaande wetten, waaraan de rechter gebonden is,
zonder dat hy- hare innerlijke waarde of billijkheid mag be-
oordeelen. De voornaamste afdeelingen van het recht zyn
geregeld in algemeene wetboeken, terwyl andere onderwerpen
afzonderlek zy\'n behandeld: in dit laatste geval spreekt men
eenvoudig van wetten. Wetboeken bestaan van: 1°. het
burgerlijk recht, dat de rechten en verplichtingen der bur-
gers in de onderlinge samenleving behandelt; 2°. het handels-
recht, dat de bijzondere rechten en verplichtingen in zaken
van koophandel bevat; 3°. het strafrecht; 4°. de manier
van procedeeren, zoowel in burgerlijke als in strafzaken
(de zoogenaamde rechts- en strafvordering), en 5°. de in-
richting der rechterlijke macht of rechterlijke organisatie.
Waar de grondwet het bestaan dezer wetboeken gebiedend
voorschrift, doelt dit alleen op een voortdurend bestaan,
want de meeste zn\'n reeds op 1 October 1838 in werking
getreden. De strafwet, zooals die thans bestaat, beter ge-
zegd het wetboek van strafrecht, kwam op 3 Maart 1881 tot
stand en werd op 1 September 1886 in werking gebracht.
Het militair strafrecht is echter nog niet bü een algemeen
wetboek geregeld.
De zoogenaamde rechterlijke organisatie verdeelt het land
voor de rechtspraak in verschillende districten, bepaalt het
aantal rechterlijke colleges en rechters en wijst ieders werk-
kring aan. Alleen het hoogste college, de Hooge Raad der
Nederlanden, dien wij aanstonds nader zullen ontmoeten, is
ook door de grondwet genoemd en kan dus, welke regeling
de bijzondere wet ook make, niet worden opgeheven.
Het Ryk is in de eerste plaats verdeeld in 106 kan-
ton s, in elk waarvan de kantonrechter de alleen
rechtsprekende rechter is. De bemoeiingen van den
kantonrechter loopen intusschen veelal over zoogenaamde
buitengerechtelijke zaken, die dus niet in betrekking staan
tot eigenlijke twistgedingen, zooals benoemingen van
voogden en curators, het waken voor de belangen van
minderjarigen by boedelscheidingen en andere handelingen,
waarin zy betrokken zyn. Ook het verzegelen en ontzegelen
van boedels heeft door hem plaats.
6
-ocr page 90-
82
In burgerlyke en handelszaken worden sommige ge-
schillen door hem beslist, soms in eersten aanleg, dat wil
zeggen, dat van de beslissing hooger beroep mogelyk is,
soms in het hoogste ressort, als wanneer hooger beroep of
zoogenaamd appèl niet is toegelaten. In strafzaken is de
werkkring van den kantonrechter buitengewoon uitgebreid.
Aan zijne kennisneming zijn vooral onderworpen de over-
tredingen der plaatselijke verordeningen en van een aantal
zoogenaamde Rijkspolitiewetten, b.v. van de drankwet, de
wet op de jacht en visscherij, enz. Of de kantonrechter of
een hoogere rechter moet beslissen, en of er al of niet
hooger beroep bestaat, hangt af van de zwaarte der straf,
welke op de overtreding is gesteld. Het vervolgen der
overtredingen, het eischen van straf en de zorg voor de
uitvoering van het vonnis is opgedragen aan een ambtenaar,
die den titel draagt van ambtenaar van het openbaar
ministerie.
Er zijn drie-en-twintig arrondissementen, elk met
een rechterlijk college, de arrondissements-rechtbank ge-
naamd. Hier en bij de hoogere colleges, wordt niet meer
door een persoon recht gesproken, maar worden de eigenlyke
vonnissen gewezen door een oneven aantal rechters (minstens
drie). De ambtenaar van het openbaar ministerie draagt
hier den titel van Officier van Justitie. Zn\'n werk-
kring is zeer uitgebreid en gewichtig, daar hy vooral belast
is met de handhaving der wetten, de vervolging der straf-
bare feiten en het doen uitvoeren der strafvonnissen. Ook
moet hij in vele gevallen door de rechtbank worden ge-
hoord, alvorens deze een vonnis velt of de eene of andere
buitengerechtelijke beslissing neemt, b.v. in zaken van echt-
scheiding, van scheiding van tafel en bed, van scheiding
van goederen, van boedelscheiding en in het algemeen van
zaken, waarbij minderjarigen of onder curateele gestelden
betrokken zn\'n, van geschillen in betrekking tot den burger-
ln\'ken stand, en vele andere.
Wat betreft het opsporen van strafbare feiten, die bn de
algemeene strafwet zijn opgenoemd, zijn er ook ambtenaren
die als hulp-officieren van justitie dienst doen, namelyk de
officieren en onder-officieren der marechaussee of bereden
Rykspolitie, de commissarissen van politie en de water-
schouten (ambtenaren belast met het opmaken der contracten
van huur van scheepsvolk), in de gemeente waar geen
commissaris is de burgemeester, en eindeln\'k de kantonrechter,
terwyl, behalve deze ambtenaren ook nog met het opsporen dier
-ocr page 91-
83
feiten zyn belast de veld- en boschwachters, de officieren
van justitie en de andere leden van het openbaar
ministerie (behalve die bij de kantongerechten) en verdere
ambtenaren, die daartoe in bijzondere wetten voor bepaalde
gevallen zn\'n aangewezen, zooals, om een voorbeeld te noemen,
de inspecteurs van het geneeskundig staatstoezicht.
De taak der rechtbank zelve bestaat vooral in het be-
slissen, in hooger beroep, van de zaken die reeds door den
kantonrechter zn\'n behandeld, doch waarvan een der partijen of
het openbaar ministerie in hooger beroep kwam, en verder
van andere geschillen omtrent burgerlijk" of handelsrecht,
die aan hare kennisneming onderworpen zijn, hetzij dan
met of zonder hooger beroep.
Wh\' merkten reeds op, dat de rechtbank ook kennis
neemt van geschillen over den burgerlijken staat of stand
der personen en van de procedures omtrent echtscheiding,
enz. Vergeten wij niet hierby te voegen, dat de behandeling
der faillissementen een der voornaamste werkzaamheden van
dat college uitmaakt.
Ook in strafzaken velt de rechtbank vonnis over een
aantal overtredingen en misdrijven, behoudens weder, wat
deze laatste betreft, het appèl bh\' een hooger college.
In het voorbygaan mogen wij, tot recht verstand, hier
wel even opmerken, dat de strafbare feiten verdeeld worden
in misdrijven en overtredingen en dat de straffen,
zooals zij tegenwoordig zn\'n geregeld, bestaan in gevange-
nisstraf, hechtenis en geldboete. Als bijkomende
straffen kunnen nog in sommige gevallen worden opgelegd:
ontzetting van bepaalde rechten (zooals van die om ambten
te bekleeden, te kiezen of verkozen te worden, voogd enz.
over andere dan eigen kinderen te wezen, de vaderlijke
macht en de voogdn\' over eigen kinderen uit te oefenen
enz.); verder verbeurd-verklaring van bepaalde voorwerpen,
plaatsing in een Rijkswerkinrichting en openbaarmaking
van het vonnis.
De doodstraf is sinds eenige jaren afgeschaft. Gevange-
nisstraf kan levenslang zn\'n en, zoo zn voor bepaalden th\'d
is opgelegd, niet meer dan twintig jaren duren. Gevange-
nisstraf van vyf jaren of minder moet geheel in afzondering
(cellulair) worden ondergaan, is zij voor langer opgelegd,
dan moeten de eerste vnf jaren in afzondering ondergaan worden.
Waar de straf ondergaan wordt, is aangewezen bn de
zoogenaamde gestichtenwet van 3 Januari 1884. Dit
hangt natuurlyk af van den aard der straf.
-ocr page 92-
84
De hechtenis wordt opgelegd voor ten minste een dag
en ten hoogste een jaar en vier maanden.
Het minste bedrag der geldboete is vn\'ftig cents. By
gebreke vau betaling binnen twee maanden na den dag
waarop het vonnis kan worden ten uitvoer gelegd, wordt
deze straf door hechtenis vervangen. Men noemt dit, zooals
w\\j vroeger al eens deden opmerken, de subsidiaire straf.
XXI.
Rechterlijke Macht. - Administratieve recht-
spraak. — Politie. — Notariaat.
Het overzicht der rechterln\'ke organisatie vordert, na de
bespreking van den werkkring der arrondissements-recht-
banken, nog eene korte beschouwing van de gerechtshoven
en van den Hoogen Raad der Nederlanden.
Er zyn vjjf gerechtshoven, te \'s-Gravenhage, \'s-Her-
togenbosch, Amsterdam, Arnhem en Leeuwarden, die onder
meer in hooger beroep oordeelen over de daarvoor vatbare
vonnissen der arrondissements-rechtbanken.
De grondwet bepaalt, dat er een opperste gerechtshof zal
zy\'n, onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden.
Dit college wordt geacht min of meer een staatkundig
karakter te hebben, daar de leden der Staten-Generaal, de
Ministers, de Gouverneurs-Generaal der buitenlandsche be-
zittingen, de leden van den Raad van State en de Commis-
sarissen des Konings, wegens ambtsmisdrijven in die
betrekkingen gepleegd, voor den Raad moeten terechtstaan.
Vandaar dat de leden van dit lichaam wel door den Koning
worden benoemd, maar uit eene voordracht van drie perso-
nen, welke door de Tweede Kamer wordt gedaan.
De voornaamste bevoegdheid van den Hoogen Raad bestaat
in het casseeren of vernietigen der vonnissen van lagere
rechters, wanneer deze zn\'n uitgesproken in stryd met de
wet. Men noemt dit lichaam daarom ook wel Hof van
Cassatie.
Bij den Hoogen Raad en de gerechtshoven ontmoeten
wy als ambtenaren van het openbaar ministerie, de procu-
reurs-generaal en de advocaten-generaal.
-ocr page 93-
85
Toen de bespreking van de voorrechten of prerogatieven
der kroon ons bezighield, hebben wy ook melding gemaakt
van het recht van gratie, dat de Koning bezit. De aard
van dit recht wordt veelal geheel verkeerd opgevat. Het
doel der gratie is geenszins om uit medelyden of\' grootmoe-
digheid kwijtschelding van strafte verleenen, maar integendeel
om by te dragen tot eene goede en juiste rechtspleging.
Wij wezen er reeds op, dat de rechter aan de wet is
gebonden en. de inuerlyke waarde of billijkheid ervan niet
beoordeelen mag. Vandaar dat er zich gevallen kunnen
voordoen, dat een vonnis berust op wetsbepalingen, die op
een gegeven oogenblik, of in bepaalde omstandigheden, uit
een oogpunt van billykheid niet konden worden toegepast.
Nu kan de Koning het evenwicht tusschen het recht en de
billijkheid door gratie, dat wil zeggen door kwytscheldiug
of vermindering van straf (want het recht van gratie ziet
natuurln\'k alleen op strafvonnissen), herstellen, na in-
gewonnen bericht van het daartoe door de wet aangewezen
rechterlijk college.
By de onderscheidene rechterlijke colleges ontmoeten wij
nog andere personen dan de rechters en leden van het open-
baar ministerie, namelyk de griffiers, de advocaten
en procureurs en de deurwaarders.
De eerstgenoemden zijn aangewezen tot het administratief
gedeelte der rechterlijke taak; de advocaten treden op als
rechtsgeleerde raadslieden en verdedigers der partijen en
beklaagden; terwijl de procureurs, in burgerlijke en handels-
zaken, bij de rechtbanken en hoogere colleges, namens
partyen, die daar in \'t algemeen niet in persoon verschijnen,
de vormen in acht nemen door de wet by de rechtspleging
voorgeschreven. Voor de kantongerechten verschynen par-
tyen in persoon of door gemachtigden.
De deurwaarders zyn beambten, door wier tusschenkomst
de door de wet vereischte gerechtelijke aanzeggingen plaats
hebben, waarmede elk rechtsgeding of proces aanvangt en
die ook in vele andere gevallen noodig zyn of gewenscht
kunnen wezen.
Bij eene vroegere gelegenheid werd reeds melding ge-
maakt van de zoogenaamde administratieve rechtspraak,
-ocr page 94-
8G
die niet opgedragen is aan de rechterlyke macht. Uit de
rechten en verplichtingen der burgers tegenover den Staat
en zijne onderdeelen, kunnen even goed geschillen ontstaan
als uit die tusschen de burgers onderling, b.v. in zake van
belasting, van militie enz., en ook uit de verhouding tus-
schen verschillende bestuurslichamen onderling. In die ge-
vallen is door de wet aangewezen aan wiens beslissing de
zaak onderworpen is, b.v. aan die van den gemeenteraad of
van Gedeputeerde Staten en met hooger bereep op den
Koning, na ingewonnen advies van den Raad van State.
Het zou intusschen zeer gewenscht wezen dat in die zaken
meer eenheid bestond en dat een bepaald college belast werd
om dergelijke geschillen in het hoogste ressort te beslissen.
De grondwet wil dit ook en heeft eenige regels voor-
geschreven voor de samenstelling van zulk een hof, indien
dit te eeniger tgd werkelijk tot stand mocht komen.
Boven hebben wy opgemerkt, dat de strafwetgeving in
militaire zaken volgens de grondwet in een algemeen
wetboek moet worden vervat. Ook moet de wu\'ze van rechts-
pleging door eeiie wet worden geregeld. De tegenwoordige
regeling is gegrond op eenige wetten, meestal van vroegere
dagteekening, en eischt dringend herziening. Wat het krygs-
volk betreft, dit staat terecht voor krijgsraden en in
hooger beroep voor het Hoog Militair Gerechtshof te
Utrecht, dat ook in eersten aanleg vonnis velt over de straf-
bare feiten door hoofd-officieren begaan.
Bij de schutterij bestaan voor de berechting der strafbare
feiten zoogenaamde schuttersraden, van wier uitspraken
hooger beroep bestaat by Gedeputeerde Staten der provincie.
Er bestaat een zeker verband tusschen de nu door ons
besproken rechterlijke macht en de politie, inzonderheid
de Rijkspolitie, omdat de taak der politie niet alleen be-
staat in het bewaren van rust en orde, maar ook daarin,
dat zy de justitie of rechterlijke macht behulpzaam is, waar
het op de feitelijke uitoefening van het recht aankomt.
Wy onderscheiden de politie in gemeente- en Rn\'ks-
politie. De eerste is die, welke in dienst der gemeente is
en daar hoofdzakeln\'k de orde handhaaft en van de over-
-ocr page 95-
87
tredingeu der plaatselijke verordeningen bij zoogenaamd
proces-verbaal doet blaken. De agenten van politie of, zooals
zü op het platte land heeten, de veldwachters, kunnen tevens
staan in dienst der Rijkspolitie als onbezoldigde Rijks-
veldwachters en hebben dan de bevoegdheid om ook van
overtredingen van Rgkswetteu te doen blijken.
Het opsporen van de overtredingen der algemeene wetten
van het Ruk is natuurlijk de voorname taak der Rijkspolitie.
Hiertoe behooren ook de jachtopzieners, beambten die meer
in het bijzonder z\\jn belast met het toezicht op de nakoming
van de bepalingen der wet tot regeling der jacht en visscherij,
en de zoogenaamde marechaussee (eigenlijk: rydende veld-
wacht of veiligheidswacht te paard), eene op byzondere wüze
ingerichte onderafdeeling, welke aanvankelijk alleen dienst
deed in Limburg, Brabant en Zeeland, doch nu sinds eenigen
tijd ook in Gelderland, Overn\'sel, Drente, Groningen en
Friesland.
Waar bepaalde wetten dit voorschrijven, kunnen ook
bijzondere ambtenaren bevoegd zjjn tot het opmaken van
proces-verbaal wegens overtredingen van wetten, provinciale
besluiten en provinciale verordeningen. Dit geldt b. v. van
de ambtenaren van het geneeskundig staatstoezicht, met
betrekking tot de wettelijke voorschriften in het belang der
volksgezondheid.
Onder het beheer van hel Departement van Justitie be-
hoort ten slotte ook het notariaat.
Geen grooter belang in het burgerlyk leven dan de
zoogenaamde rechtszekerheid. In de onderlinge samenleving
doet zich telkens aan die rechtszekerheid behoefte gevoelen.
Zij bestaat hoofdzakelijk hierin, dat men steeds op afdoende
wn\'ze kunne doen binken van het bestaan van gemaakte
overeenkomsten of gedane beschikkingen en van het ver-
vullen van door de wet opgelegde verplichtingen. Hiertoe
bestaat geen beter middel dan de zoogenaamde authentieke
akte, dat wil zeggen het geschrift, door een bekwaam en
bevoegd persoon in de wettelijke vormen opgemaakt, en nu
zn\'n de notarissen aangewezen om daarvoor te zorgen, zoo
vaak de wet het eischt of de burgers het, ofschoon onver-
plicht, verlangen.
Hoe beter bewijsmiddelen er bestaan, hoe minder ge-
schillen en processen. Vandaar dat men het groote belang
-ocr page 96-
88
der authentieke akte, als waarborg voor recht en goede
trouw, steeds meer inziet, en daarom is het te verwondereu
dat voor vele zeer gewichtige handelingen dit bewijs niet
is voorgeschreven, doch genoegen wordt genomen met een
zoogenaamd onderhandsch stuk, dat de hulp van een
openbaar ambtenaar niet vereischt. Dit heeft dan ook ten-
gevolge dat personen, zonder voldoende kennis, zich bywyze
van bedryf met het opmaken van dergelijke stukken belasten,
waardoor de rechtszekerheid vermindert en dus het publiek
belang schade lijdt.
XXII.
Buiten- en Binnenlandsche Zaken. — Gezanten en
Consuls. - Onderwijs.
Van het Departement van Justitie zetten wy thans de
wandeling naar andere departementen voort.
Onder de zaken, welker behartiging aan de ambtenaren
by het Ministerie van Buitenlandsche Zaken is toevertrouwd,
behooren natuurlijk in de eerste plaats de betrekkingen die
wy met vreemde mogendheden onderhouden, en verder
alles wat de vertegenwoordiging van onzen Staat in het
buitenland betreft.
Bijna overal in de wereld wordt door Nederlanders ge-
reisd of verblijf gehouden; byna overal hebben wy handels-
betrekkingen; bijna overal wordt onze vlag vertoond. Alom
hebben wy dus behoefte aan goede behandeling en bescher-
nring, aan de uitoefening van rechten. Wederkeerig heeft
de Staat er belang by, dat zyne onderdanen overal hunne
verplichtingen nakomen.
Bij vreemde mogendheden worden wij door verschillende
ambtenaren, die verschillende titels dragen, vertegenwoor-
digd: buitengewone gezanten en gevolmachtigde Ministers,
Minister-residenten, gezantschapsraden, kanseliers, gezanten,
attaché» en secretarissen. Deze ambtenaren noemt men
diplomatieke agenten. Zy vertegenwoordigen den Staat
als zoodanig by andere mogendheden en onderhouden de
onderlinge betrekkingen, vooral van staatkundigen aard.
Doch er zyn ook consulaire agenten (consuls en vice-
-ocr page 97-
89
consuls), die meer bepaaldelijk in vreemde havens voor de
belangen van den handel waken en zorgen voor de b u r-
gerlyke rechten van de aldaar tydelyk vertoevende
Nederlanders. Vandaar dat zij, waar het noodig is, dienst
doen als ambtenaar van den burgerlijken stand, notaris en
rechter. De wet regelt dezen belangrijken tak van dienst
in alle bijzonderheden, en zoowel voor de diplomatieke als
voor de consulaire agenten in het algemeen, zyn examens
voorgeschreven, tot waarborg dat onze belangen alleen aan
bekwame handen worden toevertrouwd.
In vele landen kunnen de Nederlanders zich vry bewe-
gen, zonder zoogenaamd paspoort. In andere Staten
wordt nog een paspoort verlangd, een bewijs door de regee-
ring van Nederland afgegeven, waarop men wordt toegelaten
en dat somtijds door ons gezantschap in het vreemde land
(de zoogenaamde legatie) moet worden geteekend. Natuur-
lijk is het voor hem, die zich buiten \'s lands begeeft, altijd
aanbevelenswaardig om papieren bij zich te hebben, waaruit
desnoods zyue identiteit kan blyken; dat wil zeggen dat
hu werkelyk kan aantoonen, dat hy degeen is voor wien
hy zich uitgeeft.
By het Departement van Binnenlandsche Zaken trekken
vooral onze aandacht: het onderwas en in verband daar-
mede de kunsten en wetenschappen.
Het onderwys is een landsbelang, eene Rijkszaak. Immers,
de Staat zelf heeft by de algemeene ontwikkeling het
grootste belang: want goed onderwijs draagt veel by tot
welvaart en ordelievendheid.
In de laatste jaren heeft de wetgeving op het onderwys
een byna algeheele hervorming ondergaan.
De grondwet zelf verlangt dat het openbaar onderwys
een voorwerp zy van de aanhoudende zorg der regeering.
Het woord openbaar duidt aan dat ook byzonder onder-
wy\'s is toegelaten. Het openbare, waarmede de Staat zich
rechtstreeks bemoeit, is toegankelyk voor allen, zonder
onderscheid van godsdienstige overtuiging of staatkundige
richting; het bijzondere, dat alleen onder zeker toezicht van
het Ry\'k staat, brengt uit den aard der zaak te zamen de
kinderen van hen, die geacht worden eene zelfde gods-
dienstige overtuiging te hebben of eene zelfde richting te
volgen.
-ocr page 98-
90
De inrichting van het openbaar onderwijs wordt, met
eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen (waarom
men het neutraal of onzijdig noemt) door de wet geregeld.
Dat onderwijs wordt gegeven van overheidswege, dus door
den Staat zelf of zijne onderdeelen. Overigens is het geven
van onderwijs vrij, doch de Staat houdt toezicht en onder-
zoekt vooral, ten minste wat het lager en middelbaar
onderwas betreft, de bekwaamheid en zedelijkheid van den
onderwijzer.
Wat het openbaar lager onderwijs aangaat, de zorg daar-
voor rust op de gemeentebesturen. Dit onderwerp is ge-
regeld b\\j de wet van 13 Augustus 1857, die echter her-
haaldelijk is gewijzigd en in 1889 zelfs eene zeer ingrijpende
verandering heeft ondergaan.
In elke gemeente moet voldoend openbaar lager onder-
wn\'s gegeven worden in een genoegzaam aantal scholen,
welke voor alle kinderen, zonder onderscheid van gods-
dienstige gezindheid, toegankelijk zijn. Daarom wordt hier
toch niet uitsluitend de voor het leven noodzakelijke kennis,
b.v. van lezen, schreven en rekenen, opgedaan. Het onder-
wn\'s wordt wel degelijk dienstbaar gemaakt aan de ont-
wikkeling van verstand en hart, dus, zooals de wet het
misschien een weinig zonderling uitdrukt, ook aan de op-
leiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden.
Maar het spreekt vanzelf dat de openbare onderwyzer niets
mag leeren, doen of toelaten, wat strijdig is met den eerbied,
dien elk beschaafd mensch aan de godsdienstige begrippen
van andersdenkenden bewust. In de laatste jaren nam het
getal van degenen, die voor hunne kinderen onderwijs ver-
langen, voor een deel ook aan godsdienstige of kerkelijke
opleiding gewijd, zeer toe en de bijzondere scholen van dien
aard verrezen bij menigte. Terwijl het Rijk aan de gemeenten
een deel der kosten van het lager onderwijs teruggeeft,
konden de bijzondere scholen van die uitkeering niet ge-
nieten en z\\j, wier kinderen van de openbare school geen
gebruik maakten, moesten natuurlijk toch het hunne bü-
dragen in de kosten der gemeentelijke huishouding, waartoe
die van het openbaar onderwijs behooren. Daarom heeft de
wet in 1889 bepaald dat aan de besturen der bijzondere
scholen ook eene bijdrage in de kosten van het onderwijs
kan worden verleend, mits die scholen aan zekere voorwaarden
voldoen, die stellig in het belang van het onderwijs zijn.
Overigens is het te betreuren dat het voornaamste gebrek,
hetwelk ons lager onderwijs aankleeft, nog niet is weg-
-ocr page 99-
91
enonien. Het staat namelijk deu ouders volkomeu vry,
unue kindereu geen onderricht te doen genieten. Waar het
genoten wordt, is het toch dikwijls geheel onvoldoende, door
verregaand schoolverzuim of door een zoo kortstondig school-
bezoek, dat hiervan geene vruchten te verwachten zyn. Men
berekent dat nog ongeveer zeventig duizend kinderen van
alle onderwijs verstoken zijn, en het is daarom eene ernstige
vraag, of het belang van deu Staat niet vordert een stelsel
van leerplicht te scheppen, dat geschikt is, aan dezen
treurigeu toestand een einde te maken.
Terwyl het lager onderwijs, zooals wy reeds opmerkteu,
vooral ten doel heeft het aanleeren van die gepaste en
nuttige kundigheden, welke geacht worden aan eiken mensch
eigen te moeten zijn, zal hy in waarheid geschikt wezen
voor de maatschappelijke samenleving, beoogt het middelbaar
onderwijs meer de vorming van bekwame personen in
sommige byzondere vakken, zooals in den landbouw, in
zekere ambachten, in de uy verheid (industrie), enz.
Tot het middelbaar onderwys behoort ook dat aan de
polytechnische school (dat is: school waar vele kunsten
worden geleerd) te Delft. Deze inrichting brengt de zoo-
genaamde ingenieurs voort, zij die eene bijzondere kennis
bezitten van de bouwkunst, de werktuigkunde en het
mynwezen.
Verder ontmoeten wy de Ryks- en gemeentelyke Hoogere
Burgerscholen en de burger dag- en avondscholen, de Rijks-
landbouwschool te Wageningen en de Nederlandsebe tuin-
bouwschool „Amsterdam" te Watergraafsmeer.
Ook op het gebied van bijzonder onderwys moet met
waardeering worden gedacht aan sommige nuttige instellingen,
zooals de\' akademie van beeldende kunsten en technische
wetenschappen te Rotterdam en de ambachtsschool aldaar en
te Leiden.
Het hooger onderwys heeft ten doel: te vormen en voor
te bereiden tot zelfstandige beoefening van wetenschappen
en, wat trouwens ook van het middelbaar onderwys kan ge-
zegd worden, de vorming tot maatschappelijke betrekkingen,
waarvoor eene wetenschappelijke opleiding vereischt wordt.
Tot deze afdeeling behooren de gymnasia, waar men voor-
bereid wordt tot zelfstandige studie, en de hoogescholen,
die, vooral ook door hare ryke bibliotheken en andere ver-
zamel ingen, meer bepaaldelyk tot zelfstandige studie gelegen-
heid aanbieden.
Wat de hoogescholen of universiteiten betreft, hebben
-ocr page 100-
92
die te Leiden, Utrecht en Groningen, van Staatswege op-
gericht, en die te Amsterdam (voorheen het athenaeum
illustre of de doorluchte school), door de gemeente onder-
houden, een openbaar karakter en alleen aan deze kan worden
verkregen de zoogenaamde doctorale graad, die verschillende
rechten geeft, b.v. om benoemd te worden tot lid der rechter-
l\\jke macht of leeraar by verschillende inrichtingen van
onderwys, om zich als advocaat te vestigen, enz. De Vrye
Universiteit te Amsterdam, die geheel een bijzonder karakter
heeft, bezit geene bevoegdheid tot het toekennen van dien
graad, omdat bij het bijzonder onderwys de waarborgen voor
eene werkelyk voldoend wetenschappelijke opleiding niet in
die mate bestaan als bij het openbare; en daar natuurlijk
eenheid in de gestelde eischen moet zyv, kan het recht om
wetenschappelijke graden of titels met bepaalde rechten te
verleenen, ook moeilnk anders dan aan den Staat worden
toegekend.
                             ~*
XXIII.
Onderwijs. — Kunsten en Wetenschappen. —
Armenzorg.
Aan het einde onzer vorige schets doelden wij reeds op
het bijzonder hooger onderwas. In het algemeen is het
geven van onderwijs vry, behoudens echter bij het lager en
middelbaar onderwijs het door de wet geregelde onderzoek
en toezicht omtrent bekwaamheid en zedelykheid der onder-
wijzers, wat wij vroeger reeds deden opmerken.
De oprichting eener school van bhzonder hooger onder-
wys is geheel vrij. Slechts enkele vormen behoeven te
worden nagekomen. Dat van de vryheid in deze slechts
een zeer spaarzaam gebruik zal worden gemaakt, ligt geheel
in den aard der zaak.
Het openbaar hooger onderwys bevat ook de zoo-
genaamde godgeleerdheid, doch alleen het zuiver weten-
schappeljjke der godsdienstleer. Wat noodig is tot opleiding
voor kerkelyke betrekkingen eener bepaalde gezindte, moet
elders of op andere wijze worden eigen gemaakt. De ver-
schillende kerkgenootschappen bezitten daartoe scholen of
-ocr page 101-
93
seminaria, terwijl vanwege de synode der Nederlandsche
Hervormde kerk zoogenaamde kerkelijke hoogleeraren bh\' de
openbare universiteiten worden aangesteld.
Alvorens dit onderwerp te beëindigen, moet nog met een
enkel woord worden herinnerd aan de schoone gemeentelijke
instelling te Delft, voor het onderwijs in de kennis der
landen en volkeu van Nederlandsch-Indië en van de daar ge-
vestigde instellingen en bestaande talen. Aan deze school
worden zn\' opgeleid, die tot ambtenaar bh\' deu burgerlijken
dienst of bh\' de rechterlijke macht in Indië wenschen te
worden benoemd. Wh\' moeten er voor zooveel noodig op
wijzen, dat dit alleen betrekking heeft op Oost-Indië.
Intusschen, niet alleen onderwijs, maar ook in het al-
gemeen kunsten en wetenschappen te bevorderen, is de aan-
gewezen taak der regeering van een verlicht volk, dat naar
meerdere ontwikkeling streeft. Noch gevoel voor kunst,
noch wetenschappelijke zin kunnen aan onze natie worden
ontzegd. Naar vermogen wordt dan ook dit zedelijk doel
door regeering en volk in het oog gehouden. Zelfs is eene
bepaalde afdeeling van het Departement van Binnenlandsche
Zaken met het beheer der instellingen van kunst en nijver-
heid belast en met de behartiging van alle onderwerpen,
welke daarmede verband houden.
In de laatste jaren is zeer veel verzameld, voor verval
behoed, voor praktisch gebruik geschikt gemaakt, inzonder-
heid ook op het gebied van het archiefwezen, dat de ver-
zameling en bewaring van belangrijke oudheden, voornamelijk
boekwerken en geschriften, beoogt.
Onder de belangrijkste instellingen van wetenschap en
kunst, die bh\' de wet of b\\j koninklijk besluit geregeld zijn,
behooren: de Rijks-academie van beeldende kunsten te
Amsterdam, waar hoofdzakelijk onderwijs wordt gegeven in
teeken-, schilder-, graveer- en beeldhouwkunst, en de mede
aldaar gevestigde Koninklijke academie van wetenschappen,
een raadgevend lichaam voor de regeering op het gebied
der wetenschap en eene inrichting tot bevordering van zulke
wetenschappelijke onderzoekingen en ondernemingen, als
slechts door samenwerking van de beoefenaars der weten-
schap en door ondersteuning der regeering kunnen worden
tot stand gebracht.
Van de verdere belangrijke onderwerpen van staatszorg,
-ocr page 102-
94
welke tot het Departement vaii Binnenlandsche Zaken be-
hooren, moeten wy nog in het kort die aanstippen, welke
bepaaldelijk de volksgezondheid betreffen, alsmede het arm-
wezen, dat echter by ons overzicht der gemeentelijke
huishouding reeds in hoofdzaak is behandeld. Nog een
ander onderdeel van binnenlandsche zaken, de schutteryen,
kan beter plaats vinden bij een kort overzicht van het
krygswezen.
Het spreekt wel vanzelf, dat de staatszorg zich aan het
lichamelijk welzijn der ingezetenen veel moet laten gelegen
liggen en daarnevens de stoffelyke welvaart niet vergeten
wordt. Proeven daarvan geeft de wet dan ook bij menigte.
Wij kunnen daartoe reeds volstaan met te herinneren aan
het geneeskundig staatstoezicht en aan dat betreffende de
veeartsenijkunde, meestal aangeduid met de benamingen:
medische en veeartsenijkundige politie; alsmede aan de wet
tot wering van besmettelijke ziekten, aan de bepalingen
betrekkelijk het begraven van lyken en de begraafplaatsen.
Een deel van hetgeen nog hiertoe kan gerekend worden,
behoort tot het beheer van het Departement van Waterstaat,
Handel en Nijverheid.
Den inhoud van al die wettelyke bepalingen te schetsen
kan voor een overzicht als dit minder in ons doel liggen.
In het dagelyksch leven maken wij met dien inhoud meer-
malen op zeer praktische wyze kennis, daar vele van de
genoemde en van andere wetten van dien aard allerlei ver-
E lichtingen opleggen en allerlei maatregelen tengevolge
ebben, die niet nalaten soms een onaangenamen indruk te
maken, omdat zy ons in onze vrije bewegingen min of
meer belemmeren. Wy behoeven dit niet door voorbeelden
op te helderen, want bijna ieder weet het uit eigen ervaring.
Men heeft, in verband daarmede, dan ook wel eens de
klacht geuit, dat het volk zucht onder zijne tallooze wetten,
die maar steeds vermeerderen. Niets is meer overdreven
dan dit. Juist het meer samengesteld karakter der nieuwere
samenleving, met haar druk verkeer, hare vele nieuwe
uitvindingen en ontdekkingen, hare opeenhooping van be-
volking, hebben dringend behoefte doen ontstaan aan byzon-
dere maatregelen in het belang van gezondheid, veiligheid,
welvaart en zekerheid van eigendom. Hoe gunstig vele van
die bepalingen reeds gewerkt hebben kan met cijfers worden
bewezen, en van andere bestaan de beste verwachtingen.
Veel kan nog worden verbeterd, maar zoo heel veel nieuwe
wetten hebben wij op dit gebied niet meer te wachten. En
-ocr page 103-
95
zou men niet met recht als dwaas en onredelijk mogen
beschouwen, die door onwil of tegenwerking die maatregelen
belemmeren, waarvan de geheele maatschappij de voordeelen
ondervindt? De feitelijke kracht der wet is vooral gelegen
in de vrijwillige medewerking van hen, die zich aan de
wet hebben te onderwerpen, en die zich niet onderwerpt
eischt voor zichzelven een voorrecht, dat de samenleving
niemand kan toestaan.
De grondwet zelf noemt het armbestuur een voorwerp
van de aanhoudende zorg der regeering. Reeds de Staats-
regeling van 1798 ging daarin voor, en terecht heeft men
begrepen, dat hier een landsbelang bestaat. Men lette wel
op, dat niet zoozeer van armverzorging sprake is, want
hoewel deze een plicht der menschelijkheid is en er wellicht
geene natie gevonden wordt weldadiger dan de onze, hoewel
kerkelijke besturen, genootschappen en particulieren in de
verzorging en voorkoming van armoede allen ijver betoonen,
de Staat zelf heeft eene andere roeping en moet uitgaan
van het beginsel, dat de armoede altijd gevaren oplevert
voor de beste bestanddeelen der maatschappelijke samen-
leving , b. v. orde, veiligheid, arbeidzaamheid, enz. Dien-
tengevolge moet de Staat tusschenbeide komen waar het
noodzakelijk is en van andere zijde geene hulp wordt ver-
leend; maar het beste wat de Staat in dit opzicht kan doen,
is, tot voorkoming van verval, achteruitgang en armoede,
op stoffelijk gebied zijn taak naar eisch te vervullen en
krachtig te streven naar verhooging van welvaart, door
alt\\jd en overal waar particuliere krachten te kort schieten,
mede te werken tot bevordering en ontwikkeling van n\\jver-
heid, handel eD landbouw en van andere bronnen van bestaan.
Van het straks genoemde beginsel, dat de Staat behoort
in te nemen tegenover de armoede, gaat de wet van 1854
tot regeling van het armbestuur dan ook uit. Volgens deze
rust de armenzorg op de gemeenten, die natuurlijk geen
verschil mogen maken en alleen de vraag stellen, of hulp
inderdaad noodig is. De door de gemeente bedeelden noemt
men algemeene armen, die slechts onderstand genieten,
waar kerkelijke of particuliere verzorging ontbreekt of niet
wordt verleend.
Wordt het armbestuur door den Staat naar eisch en
plicht geregeld, dan heeft hy ook het recht de bedelary
-ocr page 104-
96
en hare gevolgen te weren. Een krachtig optreden daar-
tegen moet echter vooral verwacht worden van de plaatselyke
politie, wier taak, zooals trouwens veelal by het handhaven
der wet het geval is, niet voldoende door de ingezetenen
ondersteund wordt.
Als schuldig aan bedelary wordt hy die in het openbaar
bedelt, en als schuldig aan landloopery wordt hy die
zonder bestaan rondzwerft, met hechtenis gestraft, en zoo
hy tot werken in staat is kan hij bovendien, voor hoogstens
drie jaren, worden geplaatst in een der tot dat einde be-
staande werkinrichtingen.
Onder de byzondere instellingen met een weldadig
doel, behoort vooral de reeds sedert 1818 bestaande maat-
schappij van weldadigheid, die zich tot doel stelt
om in hare koloniën Frederiksoord, Willemsoord en
Wilhelminasoord, mede te werken tot verbetering van den
toestand der lagere volksklasse, door plaatsing van en werk-
verschaffing aan behoeftige personen en huisgezinnen.
XXIV.
Oorlog en Marine. - Geldelijk beheer. - Staats-
begrooting.
Een der hoofdstukken van de grondwet heeft tot op-
schrift „van de defensie" (verdediging). De verdediging van
het grondgebied is dus mede als een Staatsplicht opgevat.
Zy kan trouwens evenzeer eene noodzakelykheid wezen,
en wy voor ons willen ons niet verdiepen in de zeer on-
praktische vraag, of het land inderdaad verdedigbaar is, wat
dan toch altyd wel van byzondere omstandigheden, b.v.
van de sterkte van den vyaud en van onze bondgenooten,
zal afhangen. Verschillende omstandigheden zullen wel
steeds het onderhouden van een leger en eene vloot eischeu,
zooals ons bestaan als zoogenaamde koloniale mogendheid
en de noodzakelykheid om desnoods de binnenlandsche rust
krachtig te handhaven. Zeker is het dat wij thans een
leger en eene oorlogsvloot hebben. De Departementen van
Oorlog en Marine beheeren wat hierop betrekking heeft.
-ocr page 105-
97
In het algemeen zijn alle Nederlanders, daartoe in staat,
verplicht om mede te werken tot handhaving der onafban*
kelijkheid van het Rijk, een plicht die zelfs ook kan worden
opgelegd aan .ingezetenen die geen Nederlanders zijn, maar
die overigens meer moet worden opgevat in zedelijken zin,
als beginsel, zonder dadelijk, feitelijk gevolg.
Er bestaat, zooals dit ook bn\'de grondwet is bevolen, eene
zee- en landmacht, die samengesteld zijn uit vrijwillig die-
nenden en uit dienstplichtigen of zoogenaamde lotelingen.
Deze verplichte krijgsdienst is geregeld by eene wet van
19 Augustus 1861, bekeud ouder den naam van militiewet.
De samenstelling van het leger verkeert thans in een tijd-
perk van overgang. Men heeft het sinds lang wenseheln\'k
geacht, vaste wettelijke regelen te stellen voor de samenstelling
en inrichting onzer strijdkrachten. Wat de doode strijdkrach-
ten betreft (hoofdzakelijk de vestingen of andere versterkin-
gen) is dit ook gelukt; doch ten aanzien der levende
strijdkrachten (het leger zelf) is men zoover nog niet gekomen.
In een land als het onze, waar met het optreden van audere
regeeriugspersonen zoo vaak andere denkbeelden den boven-
toon verkrijgen en waar men met zoo beperkte middelen
rekening moet houden, is zekerheid stellig gewenscht. Het
waren dan ook wijziging of verandering van stelsel, tenge-
volge van het optreden van een ander kabinet, en meerdere
bijzondere omstandigheden bovendien, die het tot stand
komen der zoogenaamde legerwet tot heden hebben belet.
De ondervinding heeft reeds geleerd, en het zal ook wel in
het vervolg blijken, dat groote strijdvragen daarbij zijn te
beslissen. Zeer velen wenschen de invoering van den zoo-
genaauideu algemeenen dienstplicht die, behoudens enkele
strikt noodzakelijke vrijstellingen, alle mannelijke ingezete-
nen, welke aan bepaalde vereischten voldoen, gedurende
zekeren tijd aan den dienst onderwerpt. Anderen verlangen
de afschaffing van de zoogenaamde plaatsvervanging, die het
recht geeft een ander voor zich te doen dienen, waardoor
van de meer gegoede klassen weinigen den dienstplicht
persoonlijk vervullen, wat op het gehalte van het leger niet
gunstig werkt. Weer andereu verlangen zoowel het een als
het ander. Of algemeene en persoonlijke dienstplicht inder-
daad zullen worden ingevoerd, is voor het tegenwoordige niet
met zekerheid te bepalen.
Vóór de laatste wijziging bepaalde de grondwet, dat
schutterijen in de gemeenten zouden worden opgericht, om
in tijd van gevaar en oorlog tot verdediging des lands en
7
-ocr page 106-
08
ten allen tijde tot behoud der inwendige rust te dienen. De
gewijzigde grondwet van 1887 maakt hiervan echter geene
melding meer, en het is te verwachten dat de iustelling der
schutterijen, die onder anderen bij de zeer veronderde wet
van 1827 geregeld is, niet voortdurend zal worden gehand-
haafd. Zij heeft weinig aan de verwachting beantwoord, te
meer daar in de meeste gemeenten volgens de wet slechts
rustende schutterijen gevonden worden. Maar ook de
dienstdoende schutterij is van weinig beteekenis. Z\\j
verleent aan de gemeentebesturen zekere diensten, waarin
ook wel op andere wijze kon worden voorzien. Overigens
is hare waarde zeer gering. De gebrekkige wettelijke rege-
ling en in verband daarmede het ontbreken van voldoende
tucht, is hiervan de voorname oorzaak.
Of eene werkelijk goed ingerichte schutterij niet aan het
volk te zware lasten zou opleggen in verband tot hare be-
trekkelijke waarde voor de landsverdediging, is eene moeilijk
te beantwoorden vraag, die echter door de bovenvermelde
wijziging der grondwet hare waarde voor de praktijk ver-
loren heeft.
Eene beschouwing van mtgeen gerekend kan worden tot
den werkkring van het Departement van Financiën te behoo-
ren, is mede van het uiterste belang.\' Het geldelyk beheer
is voor den Staat al even gewichtig als voor elke gewone
huishouding, of eigenlijk gewichtiger, waar het zooveel meer
omvat, zooveel meer ingewikkeld is.
Dat de grondwet dit belangrijk onderwerp van Staatszorg
niet verzuimt te bespreken, behoeft nauwelijks vermelding.
Toch bevat zy slechts eenige algemeene bepalingen, die vooral
ten doel hebben: de rechten der schuldeischers van den Staat
te waarborgen, te verhinderen dat op het gebied van belasting-
heffing willekeur en begunstiging zij, en een goed toezicht
te verzekeren op de ontvangsten en uitgaven van het
Rijk door de regeering. Al wat daarop betrekking heeft is
bh\' bijzondere wetten uitvoerig geregeld.
Wat wij reeds opmerkten bij de onderdeden, geldt ook
voor het geheel, voor den Staat zelf. Elk jaar worden de
te verwachten uitgaven en de daartegenoverstaande ontvang-
sten of zoogenaamde middelen geraamd of begroot. Die be-
grooting, gesplitst in verschillende hoofdstukken en onder-
afdeelingen voor eiken tak van dienst, moet by de wet.
-ocr page 107-
99
worden vastgesteld, en de verantwoording van de ontvangsten
en uitgaven, over elk afgeloopen dienstjaar, wordt aan de
Staten-Generaal gedaan, onder overlegging van de door de
Rekenkamer goedgekeurde rekening.
Deze rekenkamer, een der zoogenaamde hooge colleges
van Staat, houdt toezicht over het geheele geldelnk Staats-
beheer en levert een afdoenden waarborg op voor een regel-
matig en wettig financieel bestuur. Vandaar dan ook, dat
de leden der Kamer niet geheel willekeurig door de regeering
kunnen worden benoemd en de Tweede Kamer der Staten-
Generaal door het doen eener voordracht daarop invloed
heeft.
Ook de provinciale en gemeentelijke huishouding onder-
houdt betrekkingen niet de rekenkamer ten opzichte van de
verantwoording der geldmiddelen. Immers, de rekenplichtige
provinciale ambtenaren doen van de door hen voor de provincie
gedane ontvangsten en uitgaven rekening en verantwoording
aan de algemeene rekenkamer, en van de enkel provinciale
en huishoudelijke inkomsten en uitgaven wordt door Gedepu-
teerde Staten over elk dienstjaar aan de Staten der provincie
verantwoording gedaan, onder overlegging eener rekening,
welker cijfers door de rekenkamer zjjn deugdelijk verklaard.
Wat de gemeentebesturen betreft, heeft het toezicht der
kamer meer ten doel, na te gaan of de jaarlijksche rekeningen
over het algemeen behoorlijk, overeenkomstig de wet en in
overeenstemming met de begrooting worden afgelegd. Daartoe
worden, met machtiging van den Koning, elk jaar, uit elke
provincie, eenige der gesloten rekeningen, door de kamer
aan te wijzen, door haar nauwkeurig onderzocht, en van dit
onderzoek wordt ook melding gemaakt in het volledig verslag,
dat door haar elk jaar van hare werkzaamheden aan den
Koning wordt gedaan.
Laat ons even de Staatsbegrooting beschouwen en zien
wat daarop voorkomt. De wet op de middelen leert ons de
bronnen en hulpmiddelen van het groote huisgezin kennen.
In de allereerste plaats de overtollige opmerking dat, wat
de Staat behoeft, hoofdzakelijk door de ingezetenen moet
worden opgebracht. Uit dit oogpunt beschouwd zou de be-
lastingheffing zeer eenvoudig kunnen wezen en b. v. ieder
naar mate van zyn inkomen worden aangeslagen voor eene
som, die hü in de schatkist had te storten. Deze heffing, de
*
-ocr page 108-
100
zuivere inkomstenbelasting, als eenige Rijksbelasting,
zal wellicht in den eenen of anderen vorm de belasting dei-
toekomst wezen. Voor het tegenwoordige hebbeu wij alleen
nog maar de zoogenaamde gesplitste inkomstenbelasting,
waarop in de volgende schets wordt gewezen.
De tegenwoordig bestaande belastingen zijn zeer onder-
scheiden, meestal van ouden datum en telkens gewijzigd,
zoodat het stelsel zeer ingewikkeld is en op grondslagen
berust, die voor het meerendeel niet meer in onzen tijd, met
zijne nieuwe instellingen en begrippen, passen.
Erger is het, dat het niet aan het allereerste vereischte
voor een goed belastingstelsel voldoet en te weinig eene zoo
gelükmatig mogelijke verdeeling tusschen de belastiugschul-
digen daarstelt.
XXV.
Belastingen - Muntwezen.
Op de begrooting der inkomsten of, zooals men eigenlijk
behoort te zeggen, in de wet „totaanwijzing van de middelen
tot goedmaking van de uitgaven", komen dan vooreerst voor
de zoogenaamde directe belastingen, die onmiddellijk door de
belastingschuldige ingezetenen in de schatkist worden ge-
stort. Het zijn vooreerst: de grondbelasting, die in
\'t algemeen verschuldigd is door de eigenaars van onroerende
bezittingen, gebouwd of ongebouwd, en door hen die op
dergelijke goederen zekere rechten bezitten; en de perso-
neele belasting, eene heffing van de huurwaarde der wonin-
gen, van deuren, vensters en haardsteden, enz.
Van deze belastingen heft het Rijk (en zooals wij vroeger
zagen ook de provincie en de gemeente) zekere opcenten,
die in tn\'d van nood als tndelijke maatregel zyn opgelegd,
maar voortdurend zijn blijven bestaan. Met de opcenten bren-
gen die middelen ongeveer drie en twintig millioen op.
Verder komt de inkomstenbelasting, gesplitst in
eene vermogens- en eene bedrij fsbelasting, waardoor
te zamen het geheele inkomen wordt getroffen, dat iemand
geniet uit zn\'n ambt of beroep of uit zijn vermogen genieten
kan. De bedrüfsbelasting vervangt de vroegere patentbe-
lasting, die geheven werd wegens de uitoefening van onder-
-ocr page 109-
101
scheidene beroepen of bedrijven. Zij is eerst in 1894 in
werking getreden.
De opbrengst der gezamenlijke inkomstenbelasting kan
gesteld worden op ruim tien millioen.
Daarna volgen de accijnzen of belastingen op voorwer-
pen van verbruik, tot een bedrag van ruim twee-en-veertig
millioen, waarvan niet minder dan zes-en-twintig millioen
wordt opgebracht wegens het verbruik van wijn en ge-
distilleerd.
Dan komen de zoogenaamde indirecte belastingen, die
toch ook dadelijk uit de beurzen der ingezetenen in de
schatkist overgaan en dus slechts oneigenlijk dezen naam
dragen. Het zijn de zegelrechten, die verschuldigd zijn
bij het gebruik van papier of perkement voor onderscheidene
akten en andere geschriften, waaronder ook effecten; het
registratierecht, dat vooral bij overgang van roerend
en onroerend goed van de sommen of waarden geheven wordt
en verder wegens de registratie of inboeking van een groot
aantal burgerlijke en rechterlijke akten en geschriften wordt
betaald; de rechten van successie en overgang, die ten-
gevolge van iemands overlijden van de nalatenschap ver-
schuldigd zijn, en eindelijk de zoogenaamde hypotheek-
rechten, of rechten van over- en inschrijving, die bij
overgang van vast goed, behalve het registratierecht, en bij
vestiging van hypotheek worden geheven.
De laatstbedoelde rechten worden betaald aan de daartoe
bestaande hypotheekkantoren, en het is van belang op te
merken, dat dasir tevens bewaard worden de zoogenaamde
kadastrale leggers. Het kadaster is eene zeer nuttige
instelling, die vooral ten doel heeft elks onroerende bezit-
tingen met nauwkeurigheid te vermelden en de hypotheken
en andere rechten, welke er op rusten, aan te wijzen. De
registers en leggers ten hypotheekkantore zijn dan ook in
het publiek belang openbaar.
Het is wellicht overbodig mede te deelen, dat de kadas-
trale leggers tevens als maatstaf dienen bij de regeling van
de heffing der grondlasten.
De opbrengst der indirecte belastingen, alweer voor het
grootste gedeelte met opcenten, beloopt ongeveer twintig
millioen.
Verder hebben wü eenige rechten op den invoer van
zekere goederen, tot bescherming van binnenlandsche voort-
brengselen, opdat de inlandsche fabrikant de mededinging
van den buitenlander minder zou te vreezen hebben; een
-ocr page 110-
102
vrij slecht stelsel, waarvan de nadeelen in alle werken over
de staathuishoudkunde zn\'n aangetoond. De belasting brengt
echter nog meer dan vijf milïioen in de schatkist en een
goede opbrengst is altijd het zekerste middel om slechte be-
lastingen te behouden.
De domeinen, de eigenlijke bezittingen van den Staat,
die verpacht worden, of bestaan in tienden, tolheffingen,
enz., en waaronder dus begrepen zijn de groote wegen, vaai--
ten en havens, brengen ongeveer twee-en-eeu-half milïioen op.
Voegen \'wij hierbjj nog eeuige bijzondere en kleinere
ontvangsten, zooals de opbrengst der Staatsloterij en het
aandeel van het Rijk in de opbrengst der Staatsspoorwegen,
beuevens verschillende toevallige baten, dan bereiken wij de
eerbiedwaardige som van ruim honderd-acht-eu-twintig mil-
lioen, waarmede de begrooting toch niet is gedekt, waartegen
met andere woorden geene genoegzame baten overstaan. Er
zijn steeds tekorten, die echter, omdat ze tijdelijk door bij-
zondere middelen kunnen worden aangevuld, niet dadelu\'k
tot hoogere belastingheffingen of andere buitengewone maat-
regelen behoeven te leiden.
Wat de uitgaven betreft, deze zijn zoo talrijk, dat wij ze
niet afzonderlijk kunnen opnoemen. Men denke slechts aau
de bezoldiging der talrijke ambtenaren, de kosten der open-
bare werken, die van leger en vloot, de rente der Staats-
schuld, enz. Het onderhoud van leger en vloot kost ons
jaarlijks vijf-en-dertig milïioen en aan renten der Staatsschuld
wordt twee-en-dertig milïioen betaald. De geheele Staats-
schuld bedraagt dan ook nog bijna duizend milïioen gulden,
en die last vermindert slechts zeer langzaam door zooge-
naamde amortisatie of aflossing; terwyl hij allicht door nieuwe
leeningen kan worden verhoogd, indien deze voor buiten-
gewone werken uoodig zh\'n.
Voor een groot deel dagteekent de Staatsschuld uit lang
vervlogen tijden; een zestigtal jaren geleden bedroeg ze bnna
het dubbele. Kunnen wij er in slagen voortdurend den vrede
te bewaren en zoo zuinig mogelijk de Staathuishouding in
te richten, dan zal ook in dit opzicht geen achteruitgang te
duchten wezen, zelfs niet al mocht de schuld nog vermeer-
deren. Leeningen toch, uitsluitend aangegaan voor groote
ondernemingen, die de nationale welvaart kunnen vermeer-
deren, zijn op zichzelf niet te vreezen, want de meerdere
welvaart verhoogt de draagkracht van het volk en kan dat
in veel sterkere mate, dan de rente der Staatsschuld, die door
het volk moet worden opgebracht, door de leening klimt.
-ocr page 111-
103
In de som, welke aan de middelen tot sluiting der be-
grooting ontbreekt, is men gewoon te voorzien door de
uitgifte van zoogenaamde scliatkistbilj etten en schat-
k is t pro mess en. Bij de middelen wet wordt bepaald tot
welk bedrag de regeering hiervan gebruik mag maken. Deze
biljetten en promessen zijn, evenals de muntbiljetten, die
wij nader zullen ontmoeten, niets anders dan tijdelijke
schuldbekentenissen ten laste van den Staat. Juist in het
tijdelijk karakter dezer stukken en in de omstandigheid dat
zij rentegevend zijn, ligt hun eigenaardig kenmerk, dat ze
van de meer bekende muntbiljetten onderscheidt.
Tot de zorg van den Staat behoort zeker ook het verge-
makkelijken van den omloop van het geld (circulatie), in
het algemeen de zorg voor de munt, door te waken tegen
kwade praktijken en misbruiken.
In de nieuwere tijden was en is het geld natuurlijk vol-
strekt onmisbaar. Roerende en onroerende zaken gaan
onophoudelijk van de eene hand in de andere over, en door
de veelheid van behoeften kan niemand geheel zichzelf het
noodige verschaffen. Men kan niet altyd ruilen, niet altyd
zaken tegen zaken afstaan. Men ruilt eigenlyk niet meer,
maar koopt of handelt door middel van het geld, dat men
daarom ruilmiddel noemt.
Men verstaat onder geld zekere stukken, hoofdzakelijk
fijn metaal, van eene bepaalde en duurzame waarde, of
waaraan althans duurzaam zulk een waarde wordt toegekend
in het belang van het maatschappelijk verkeer. De stukken
metaal zijn van een bepaald gewicht en op eene bepaalde
wjjze samengesteld. Zij dragen eenige merken en, zooals
wy reeds vroeger vermeldden, heeft de Koning het recht om
zgne beeltenis op de muntspeciën te doen stellen.
Al wat het toezicht over de muntzaken betreft is opge~
dragen aan een zeker lichaam, het muntcollege genaamd.
De munt zelf, de plaats waar het op wettelijke wijze tot
munt verwerkt metaal, het geld, vervaardigd wordt, is te
Utrecht gevestigd.
De munt wordt onderscheiden in standaardgeld en
pasmunt. Het standaardgeld bevat de meeste werkelijke
waarde aan edel metaal en is het wettig betaalmiddel, zoodat
men niet mag weigeren het in ontvang te nemen. Wjj
bezitten den zoogenaamden dubbelen standaard, dat wil
-ocr page 112-
104
zeggen, wij hebben tweeërlei standaardgeld: goud en zilver;
namelijk: tienguldenstukken, zoogenaamde rijksdaalders,
guldens en halve guldens. • De pasmunt, het kleine zilver-
geld, dat meer met grove bestanddeeleu vermengd is, en
het brons, behoeft slechts tot een zeker bedrag te worden
aangenomen, en wel de zilveren pasmunt tot een bedrag
van tien gulden en de bronzen tot een bedrag van éénen gulden.
Het is natuurlijk niet te zeggen hoeveel geld er in een
land aanwezig is. Die hoeveelheid regelt zich naar gelang
van de bestaande behoefte. Zoowel de handel als de regee-
ring hebben de middelen om die behoefte te ontdekken en
dan wordt nieuw geld aangemnnt. In het algemeen kunnen
ook particulieren dit laten doen. In goud en zilver wordt veel
handel gedreven, en die dus eene groote partij edel metaal
bezit, die hij voor redelijken prijs machtig werd, kan door
aanmnnting eenige winst behalen, wanneer namelijk de
waarde der aan te munten stukken meer bedraagt dan de
gezamenlijke kosten van koop en aanmunting.
XXVI.
Muntwezen. -* Waterstaat, Handel en Nijverheid.
Sinds geruimen tijd kunnen particulieren alleen goudgeld
doen aan munten en is, wat het zilver betreft, de munt voor
hen gesloten. Zilvergeld wordt dus alleen op last der regee-
ring bij gebleken behoefte vervaardigd, omdat de zeer geringe
waarde, die het zilver heeft, anders zooveel aanmnnting
tengevolge zou hebben, dat de voorraad in geene verhouding
zou staan tot de werkelijke behoefte van het verkeer, en de
aanmunting als middel van speculatie zon worden aangegrepen.
De pasmunt, die uitsluitend voorziet in de behoefte van
het klein verkeer, wordt alleen op last der regeering naar
gelang van die behoefte vervaardigd.
Bovendien worden door de regeering muntbiljetten van
tien en vijftig gulden in omloop gebracht, om te voorzien
in het bezwaar van uitsluitend gebruik van metaal. De wet
bepaalt hoeveel van dit papier mag worden uitgegeven. Het
is natuurlijk ook een wettig betaalmiddel. Elk muntbiljet
is een bewijs (renteloos) dat men van den Staat het daarin
uitgedrukte bedrag, in standaardgeld, bh" vertoon te vorde-
ren heeft.
-ocr page 113-
105
Intusschen kunnen de muntbiljetteu in de groote belioefte
aan een papieren ruilmiddel in de verste verte niet voor-
zien. Daaraan voldoet een zeker handelslichaam, de Neder-
landsche Bank te Amsterdam, die ten behoeve van handel en
verkeer papieren geld in omloop brengt, het zoogenaamde
bankpapier van vijf-eu-twintig gulden en hooger. Dit lichaam
heeft daarvoor van de regeering octrooi verkregen, bezit met
andere woorden tot de uitgifte van zoodanig papier het uit-
sluitend recht.
De eigenlijke werkkring der bank, waardoor dit doel
bereikt wordt, bestaat in het verleenen van voorschotten op
koopmansgoederen en effecten en op handelspapier, het zoo-
genaamde beleen en en disconteer en, en zij geeft bij
die gelegenheid haar papier uit, dat niemand verplicht
is aan te nemen en dat dus geen wettig betaalmiddel is,
maar dat door niemand geweigerd wordt, omdat, ook door
de wijze waarop de zaak bij eene bijzondere wet is geregeld,
die ten grondslag ligt aan de akte van oprichting van het
lichaam, genoegzame zekerheid bestaat, dat het papier des-
verlangd altijd voor gemunt geld kan worden ingewisseld.
Een departement, tot welks beheer mede tal van belang-
ryke onderwerpen behooren, is dat van Waterstaat, Handel
en Nijverheid, eerst sedert enkele jaren opgericht, toen de
werkkring van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken
eene te groote uitgebreidheid verkreeg.
De natuurlijke gesteldheid van ons vaderland, een laag
land, voor een groot gedeelte beneden de oppervlakte dei-
zee gelegen, heeft sinds eeuwen de zorg voor waterkeering
en waterloozing noodzakelijk gemaakt. De lichamen, met
deze zorg belast, noemt men met één woord „de waterstaat".
Zóó belangrijk is dit onderwerp, dat de grondwet er een
afzonderlijk hoofdstuk aan wijdt.
Reeds vroeger hebben wij opgemerkt dat de Staten der
provinciën over alle waterstaatswerken, waterschappen, enz.
toezicht uitoefenen, een soort van dagelijksch toezicht, ter-
w\\jl het hoofdtoezicht behoort aan den Koning, en onder
den Minister van Waterstaat feite]\\jk wordt uitgeoefend door
de ingenieurs en verdere ambtenaren, wier arbeid vooral bij
de uitvoering van sommige openbare werken van het grootste
gewicht is.
In \'t algemeen is de inrichting der waterschappen aldus:
-ocr page 114-
106
Eenige landen, door dijken omringd, vormen een polder, die
ten laste der gezamenlijke ingelanden of grondbezitters de
noodige waterkeerende en waterloozende werken onderhoudt.
Eenige van die polders te zamen vormen een waterschap.
De besturen worden op verschillende wijzen, krachtens een
oud reglement, gedeeltelijk ook door den Koning benoemd.
De Staten der provincie hebben de bevoegdheid om water-
schappen te vormen en op te heffen en nieuwe reglementen
vast te stellen, terwijl de besturen zei ven in het huishoudelijk
belang van het lichaam ook verordeningen kunnen maken
en zelfs tegen de overtreding daarvan straf bedreigen.
Op het gebied van den waterstaat is nog veel niet be-
hoorlijk wettelijk geregeld. Er is eene wet van 1855, die
voorloopig in enkele belangen voorziet en eenige bepalingen
bevat omtrent de zooeven genoemde straffen, en verder het
een en ander voorschrijft met betrekking tot de tusschen-
komst van het dagelu\'ksch bestuur der provincie, by gebreke
van beheer en bij weigering of verzuim der besturen, om
werken uit te voeren of hunne schulden te voldoen.
Onder het beheer van dit departement ontmoeten wij
verder de Staatsspoorwegen, de telegrafie, de posterijen, de
zoogenaamde strandvonclerijen, het toezicht op het vervoer
van landverhuizers en op het stoomwezen, benevens de
uitvoering van verschillende wetten in het belang van handel
en landbouw, tot bevordering der veiligheid, enz. Van dien
aard zijn: de wet op de inrichtingen, welke gevaar, schade
en hinder kunnen veroorzaken; die tot bescherming van
nuttige diersoorten; die op het gebruik van stoomtoestellen;
die tot wering van knoeierijen in den boterhandel en die
op de handels- en fabrieksmerken.
Ook hier kunnen wij den hoofdinhoud van al deze wetten
niet weergeven. Wat ze bedoelen toont de naam vry dui-
delijk aan.
Enkele bijzondere instellingen, die betrekking hebben
op den handel als voorwerp van Staatszorg, behoeven echter
eene meer nauwkeurige beschouwing.
In de eerste plaats de betrekkelijk weinig bekende Ka-
mers van Koophandel en Fabrieken, die b\\j ver-
schillende Koninklijke besluiten zijn geregeld. In die
gemeenten, waar handel en fabrieken genoegzame beteekenis
hebben en het gemeentebestuur het verlangt, worden met
-ocr page 115-
107
goedvinden des Konings zulke kamers opgericht, met het
doel ooi aan het Rijks-, provinciaal of gemeentebestuur en
aan de handelaars en fabrikanten mededeelingen of voor-
stellen te doen, en raad te geven omtrent onderwerpen, die
den handel of het fabriekswezen betreffen. Door deze kamers
zyn vaak belangrijke adviezen eu rapporten uitgebracht over
onderwerpen van wetgeving, welke op de maatregelen der
regeering of op de beslissing der Staten-Generaal ook niet
zonder invloed bleven.
Verder ontmoeten wy de voor den groothandel zoo be-
langrijke entrepöts. Aan eenige voorname zeehaiidelssteden
is toegestaan om uit het buitenland komende koopwaren, die
eigenlijk aan invoerrecht onderworpen zijn, in een algemeen
entrepot op te slaan en daarna weder uit te voeren, vry
van rechten. Deze maatregel strekt dus ten gerieve van
den doorvoerhandel. De voornaamste dezer inrichtingen is
het entrepöt-dok te Amsterdam. Ook bestaan particuliere
entrepöts, b. v. vau gedistilleerd en andere aan accijns
onderworpen waren, waarin die goederen door de handelaren
worden opgeslagen, om daarvan telkens bij uitvoer van par-
tijen de verschuldigde belasting te betalen.
In het jaar 1824 werd te Amsterdam het belangryk
handelslichaam opgericht, genaamd de Nederlandsche
Handelmaatschappij, met het doel om de vaart op
Indië te verlevendigen en den handel te bevorderen. Van
het begin af stond deze maatschappij onder bijzondere be-
scherming der regeering, met uitsluiting van andereu, wat
op de belangen van den handel in het algemeen niet gunstig
heeft gewerkt. De maatschappij werd belast met de levering
en verzending van al het door de regeering voor Iudië
bestemde en tot vervoer naar Nederland van alle Indische
producten, voornamelijk koffie. Ook thans nog bestaat dit
contract. De aldus aangevoerde koffie wordt uitsluitend hier
te lande verkocht, met het doel om de markt voortdurend
hier te houden. Intusschen, kon de verkoop ook elders,
b. v. in Indië, plaats hebben en ware vrije mededinging in
alles toegelaten, dan zouden allicht door kooplieden uitvei-re
streken hoogere pryzen kunnen worden besteed en zou men
minder mededinging te duchten hebben van landen, die
zich ook op de koffiecultuur toeleggen; terwijl de kosten
van het Ryk, thans aan de Handelmaatschappij te voldoen,
aanzienlijk lager zouden kunnen wezen.
Alleen vrije mededinging, die begunstiging en bescherming
uitsluit, is in het belang van het algemeen. Gelukkig heb-
-ocr page 116-
108
ben wij in latere tijden groote vorderingen gemaakt op het
gebied van den vrijen handel. De uitgaande rechten zyn
afgeschaft; alle uitvoer is vrij. Ook de invoerrechten zyn
verlaagd, doch zij zullen geheel moeten verdwijnen, want
de winst die er voor sommigen uit voortvloeit, door wering
van buitenlandsche goederen, wordt door het algemeen op
den langen duur dubbel verloren. Uitgebreide beschouwingen
daaromtrent, hoe belangrijk ook, behooreu echter meer tehuis
bij een overzicht der Staathuishoudkunde dan bij eeue schets
van het Staatsbestuur.
Thans rest ons nog eene beschouwing van het Departe-
meut van Koloniën, dat echter aanleiding geeft tot een af-
zonderlijk overzicht van de instellingen onzer schoone Oost-en
West-Indische bezittingen, zoodat wij onze schets der huis-
houding van den Staat zelf, het zoogenaamde Rijk in Europa,
met dit hoofdstuk als voltooid kunnen beschouwen.
XXVII.
Koloniën. - Oost- en West-Indische bezittingen.
Volgens de omschrijving van het eerste artikel dergrond-
wet, bevat het Koninkryk der Nederlanden het grondgebied
in Europa benevens de koloniën en bezittingen in andere
werelddeelen. Die omschrijving was noodig, omdat Neder-
land zelf, het zoogenaamde Rijk in Europa, uit een oogpunt
van wetgeving onmogelijk op ééne lyn kan worden gesteld
met de overzeesche bezittingen, zoodat dan ook zelfs de
grondwet in het algemeen slechts voor het eigenlüke Ko-
ninkrijk kan gelden.
Intusschen zijn de bewoordingen, waarvan de grondwet
zich bedient, niet volkomen juist. Eigenlijk gezegde kolo-
niën hebben wij niet, of althans niet meer. Kolonisatie
bestaat hierin, dat de overvloedige bevolking van het moe-
derland zich neerzet in streken welke daarvoor geschikt zijn,
zich voortplant en oin zoo te zeggen een nieuw moederland
-ocr page 117-
109
vormt, meestal om na verloop van tg il een eigen, zelfstandig
bestaan te verkrijgen. Ouze zoogenaamde koloniën zijn ver-
overde of aan ons afgestane gewesten, die geheel vreemde
en aan ons gezag onderworpen volksstammen bevatten, waar
een verblijf van Nederlanders tengevolge vau het klimaat
slechts tijdel\\jk kan wezen, en waar dus het zoogenaamde
Hollandsche element van geringe beteekenis is tegenover de
inlandsche bevolking. Zoo bevatten b. v. de voornaamste onzer
Oost-Indische bezittingen, de eilanden Java en Madam,
ongeveer twintig millioen inlanders, Maleiers en Javanen,
behalve een groot aantal Chineezen enz., terwijl de daar ge-
vestigde Europeanen slechts ongeveer een veertigduizendtal
bedragen.
Toen, kort vóór het aanbreken der zeventiende eeuw, Koning
Philips III de havens van het door Spanje veroverde Portugal,
waarop tot nog toe door de onzen oogluikend en onder
vreemde vlag een handel van niet geringe beteekenis, in-
zonderheid in Indische producten, gedreven werd, voor ons
sloot, was het geen wonder dat onze kloeke en ondernemende
voorvaders trachtten met Indië zelf handelsbetrekkingen aan
te knoopen, waardoor de voordeden, door den handel af te
werpen, aanzienlijk moesten toenemen. De weg naar het
vreemde gebied, voor velen nog een fabelland, was niet
geheel onbekend, en voor z\\jne tochten naar West-lndië had
de Koning van Spanje na 1580 zelfs bü voorkeur de dien-
sten van Nederlandsche zeelieden gebruikt. De Portugeesche
regeering had echter de vaart op Indië voor andere volken op
zware straffen verboden en onze tochten naar het Oosten, die in
1595 aanvingen met Houtman\'s reize naar Bantam, voor
rekening der pas opgerichte Compagnie van Verre Landen,
kortheidshalve de Compagnie van Verre genaamd, en
die sinds dien tijd geregeld werden voortgezet, hadden dus
van zelf ten gevolge een oorlog tegen de Portugeezen, of,
wat toen op hetzelfde neerkwam, eene uitbreiding, ook in
die verre streken, van den oorlog tegen Spanje.
Onze ondernemingen gelukten wonderwel, ondanks de
tegenwerking der in Indië gevestigde Portugeesche koop-
lieden, ondanks den openlijken strjjd tegen de Spanjaarden
en Portugeezen, die niet tegen de onzen waren opgewassen,
ondanks de moeilijkheden, die dikwyls met de inlanders
zelven rezen. Men opende een ruilhandel met de Oostersche
-ocr page 118-
110
volken of met hunne vorsten, die dan de bevolking tot
leverantiën verplichtten, men stichtte kantoren en magazijnen
of zoogenaamde factorijen, plaatsen bepaaldelijk voor de
handelsverrichtingen \'aangewezen, die van versterkingen wer-
deu voorzien, zoodat de zaak van zelf een geheel blijvend
karakter verkreeg. In 1598 werd het eerste verbond of
tractaat van handel en vriendschap gesloten met den vorst
van Bantam , op wiens aanbeveling de handel met de Mo-
lukken geopend werd. Maar toen de verbazende concurren-
tie weldra dreigde alle voordeden te vernietigen en het bleek
dat de afzonderlijke ondernemingen zich niet dan met moeite
tegen den vyand konden staande houden, werd, hoofdzake-
lijk door toedoen van den grooten staatsman Johan van
Oldenbarneveld, de Oost-Indische Compagnie, eene
samensmelting van de tot dusver bestaande afzonderlijke
ondernemingen, opgericht, die den 29 Maart 1602 van de
Staten het octrooi verkreeg, om met uitsluiting van alle
anderen op de Oost te varen.
Dit machtige lichaam trad geheel als lasthebber van de
republiek op, sloot met Indische vorsten verbonden, bouwde
versterkingen, wierf krijgsvolk aan, voerde oorlog en nam
gansche streken in bezit, waarover dan de republiek de
rechten van opperbestuurder uitoefende.
De alleenhandel van de Oost-Indische Compagnie heeft
vele rijkdommen in Holland gebracht en de aandeelhouders
en ambtenaren hebben groote winsten uit de onderneming
getrokken. In lateren tijd echter verminderden die voor-
deelen, onze zeehandel leed groote verliezen in den oorlog,
het land was door het eenig streven naar winst verwaarloosd
en uitgeput, het geldeln\'k beheer liet veel te wenschen over
en de Compagnie werd met een belangrijken schuldenlast
bezwaard. Het bestuur der koloniën kwam direct aan den
Staat tengevolge der constitutie van 1798. De toen door de
republiek overgenomen schuld van het handelslichaam be-
droeg niet minder dan honderd-vier-en-dertig millioen
gulden.
De door verovering, inbezitneming en afstand verkregen
Oost-Indische gewesten, zooals die langzaniei\'hand in onze
macht zyn geraakt, eerst door het beleid der Compagnie,
later, ook nog in deze eeuw, door de rechtstreekscbe bemoei-
ingen van den Staat, zyn vooral Java en Madnra, Sumatra,
een gedeelte van Borneo, Banka en Billiton, Riouw en
Celebes met eenige kleinere eilanden of aanhoorigheden,.
Ternate en Tidor.
-ocr page 119-
111
Het is van genoegzaam algemeene bekendheid, dat wij
niet kunnen gezegd worden al die onmetelijke landen recht-
streeks en geheel te bezitten. Zoo is b. v. Sumatra wel in
naam geheel aan ons gezag onderworpen, maar in ieder
geval strekt het zich alleen over de kustlanden uit en is
niet overal van even groote beteekenis. Op Java en Madura
daarentegen heerschen wij feitelijk en zoo goed als onbe-
perkt. Alleen zijn op Java de Soesoehoenan van Soerakarta
en de Sultan van Djokjokarta vorsten die nog steeds hun
waardigheid en titel hebben behouden en zekere rechten
uitoefenen, als een gevolg van hunne vroegere vriendschap-
pelyke verhouding tot onze regeering. Hun gezag is echter
in vele opzichten een schijngezag, zij staan onder toezicht
van onze regeering en kunnen eenigerniate als hooge amb-
tenaren van ons gouvernement worden beschouwd, daar zjj
door het Rijk worden gesalarieerd en te zamen een inkomen
van ruim een millioen gulden genieten.
De door ons in Amerika door verovering verkregen zoo-
genaamde West-Indische bezittingen bestaan in de tegen-
woordige kolonie Suriname, eigenlijk Nederlandsch Guyana,
op het vasteland van Znid-Amerika, en eenige eilanden in
de Antillen, die de kolonie Curacao vormen, namelyk
Curacao zelf, Aruba, Bonaire, een gedeelte van St. Martin,.
St. Eustatius en Saba met hunne onderhoorigheden.
De Oost-Indische bezittingen, verreweg de grootsjte en
belangrijkste, zijn vooral gewichtig uit een oogpunt van
verhouding tot het Ryk. Zy zyn steeds uitsluitend als
bezittingen beschouwd en er is geen spoor van zelfregeering,
waarvan misschien ook wel nimmer sprake zal kunnen zijn.
Dit is een uitvloeisel van de bijzondere toestanden en be-
hoeft voor de bezittingen geene minder gewenschte gevolgen
te hebben. Erger is het dat zij, tot voor betrekkelijk korten
tyd, uitsluitend werden beschouwd als wingewesten ten
voordeele van het zoogenaamde moederland, waartoe ze zich
dan ook by uitstek leenden. Zü leverden toch steeds als
het ware onuitputtelijke hulpbronnen op voor een volk als
het onze, dat in vroegere eeuwen een wereldhandel dreef
van verbazenden omvang.
-ocr page 120-
112
Het was de Oost-Indische Compagnie, die dit stelsel het
eerst en het meest in toepassing bracht. Zij was een zuiver
handelslichaani, en naar de begrippen van dien tijd lag het
op haar weg, dat de bloei der koloniën en het lot der be-
volking haar op zich zelven volkomen onverschillig lieteu.
XXVIII.
Het stelsel, dat door de Oost-Indische Compagnie werd
toegepast, bestond voornamelijk hierin, dat men, hetzy voor
de bescherming, welke men den inlanders tegen de door
ons verdreven Portugeezen, die hen zeer hadden verdrukt,
beloofde, hetzij om andere redenen, van de hoofden de
levering bedong van de producten, die men hier met het
meeste voordeel kou omzetten. De hoofden hadden als
souvereinen het recht om van de bevolking een zeker deel
te vorderen van de vruchten van het land of wel persoon-
lijken arbeid, zoogenaamde heerendiensten. Toen de
Compagnie alom in Indië het oppergezag uitoefende, werden
ook door haar zelve verplichte leverantiën en heerendiensten
opgelegd. Dat de uitoefening der door ons verkregen
rechten en de wijze waarop zij geschiedde aan Indië en hare
bevolking niet ten goede kwamen, behoeven wij hier thans
niet te herhalen.
In het laatst der vorige en in het begin van deze eeuw
kostten onze vriendschap met de Fransche republiek en de
latere inlijving bij Frankrijk ons eenen oorlog met Enge-
laudt dat ons de meeste bezittingen tijdelijk izooals Java
en de Mol ukken) of voor goed (zooals Ceylon en de Kaap)
ontnam. Op Java hebben de Engelschen slechts drie jaren
het bestuur gevoerd, doch de wijze waarop zy het deden
stak by de vroegere niet ongunstig af. Hun doel was, de
verplichte levering van producten en heerendiensten te
vervangen door het betalen van eene grondbelasting of
zoogenaamde land ren te, die dan in geld of anders in
voortbrengselen of vruchten moest worden voldaan. Deze
belasting bestaat nog, ofschoon gewyzigd, op byna geheel
Java en op Madura.
Volgeus het Engelsche stelsel zou de beschikking over
de voortbrengselen van den grond aan den inlander worden
overgelaten, maar met de inzichten onzer regeering strookte
-ocr page 121-
113
<lit niet en de Terplichte teelt en de leverantie aan het
Gouvernement begonnen opnieuw. . Later, vooral toen de
oorlog niet België in zijne gevolgen zware geldelijke lasten
op de natie wierp, verkreeg de reeds op de Javaansche
bevolking gelegde druk eene uitbreiding, die in de toekomst
geheel onhoudbaar was. Men bracht een stelsel in toepas-
sing, waarin die bevolking en de voortbrengende kracht
van den bodem, waar en voor zoover het mogelijk v*«
uitsluitend ten bate van het moederland werden aanrj\'^011".
Dit stelsel, in de geschiedenis onderden naam van ~ultuur-
stelsel bekend, kwam in het kort hierop »eêr> dat men
de inlanders verplichtte om op hunne gro«u®n verschillende
producten aan te kweeken en vooral °°k (doch dit wordt
gerekend niet tot het bedoelde ^huurstelsel te behooren)
om op de gronden van het RiU-, of zoogenaamde Gouverne-
mentstuineu, op zeer gr^ce schaal koffie te telen. De
voornaamste nadeelen »*«» het stelsel waren deze: dat de
moeiten en de zorp""ui aan de cultures besteed, uiterst slecht
werden beloond) door de verplichte levering der producten
tegen een «*el te geringen prn\'s; dat de bevolkiug voor
eigen b^ouwing geene genoegzame gronden overhield en
die Wbouwing geheel werd verwaarloosd; dat de zware en
v«jl te gering betaalde arbeid in de koffietuiuen hare
krachten ver te boven ging; dat dus de bevolking zelf leed
en verarmde, terwn\'1 voor hare belangen niets werd gedaan.
Het eenig wezenlijk voordeel, voor Nederland, was het
groot geldelijk gewin. De Staatsrekening sloot met een
belangrijk batig saldo, waarmede een deel der schuld werd
afbetaald en dat ook op andere wijze in het belang van het
moederland werd aangewend, doch niet in het belang
van Indië.
Die geldel\\jk zeer gunstige, doch overigens zeer ongun-
stige toestand behoort reeds grootendeels tot de geschiedenis.
De cultures, b. v. van tabak, thee en indigo, werden gaande-
weg opgeheven, omdat z\\j niet aan de verwachting beant-
woorddeu. Met de suiker was het anders gesteld. doch ook
wat deze betreft wordt thans niet meer beschikt over de
gronden, welke door de Indische bevolking voor eigen
gebruik zn\'n ontgonnen. Hieruit volgt, dat het eigenlijke
cultuurstelsel niet meer bestaat, maar wel de verplichting
om te werken in de koffietuinen, en de op die wijze geteelde
f>roducten tegen eenen vasten prijs aan onze regeering te
everen. Voor verreweg het grootste gedeelte wordt de
koffie, zooals W\\j vroeger al eens opmerkten, door de schepen
8
-ocr page 122-
114
der Nederlandsche handelmaatschappij, met uitsluiting van
alle anderen, naar Nederland overgebracht en bier verkocht.
Een bron van inkomsten voor Nederland is Indië
niet meer. In latere jaren werden krachtige pogingen aan-
gewend om een ander koloniaal stelsel te volgen, de ont-
wikkeling der kolonie te bevorderen en het welzijn der aan
^ns onderworpen volken beter te behartigen. Reeds is dan
ook iT1 ,jien geest het een en ander gedaan en de druk der
bevolki.q. is verminderd; maatregelen worden genomen om
in de toei^mst een goed werkend belastingstelsel, grond-
belasting of lt<"drente, mogelijk te maken, door behoorlijke
opmeting van den ¥eheelen bodem van Java; de heerendien-
sten ten behoeve vah het Gouvernement of de beschikking
over den persoonlijken aiVoid van den inlander zijn vermin-
derd; het rechtswezen is beii^orlijk geregeld; het onderwijs
wordt uitgebreid; spoorwegen e* andere openbare werken
worden aangelegd.
Veel omkeer in de inzichten van het Indisch rtr\',reerings-
beleid merken wij op na de herziening der grondwot in
1848. Tengevolge daarvan verkreeg de volksvertegenwoo*.
diging ook in die zaken directe inmenging, en daardoor
kwam vanzelf verandering in het stelsel om Indië uitsluitend
tot geldelijk voordeel van het moederland aan te wenden.
De grondwet wijdt aan het koloniaal beheer niet eens
een afzonderlijk hoofdstuk. De vroeger door ons besproken
afdeeling, die over de macht des Koniugs handelt, bepaalt
dat de Koning over de bezittingen het opperbestuur heeft,
maar tevens dat de reglementen op het beleid der regeering
in die bezittingen door eene wet moeten worden vastgesteld,
evenals het muntstelsel, en ook andere onderwerpen, indien
daaraan behoefte blijkt te bestaan. Opzettelijk noemt zy als
een onderwerp, dat wettelijke regeling behoeft, de wijze
van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen,
en bepaalt eindelijk dat de regeering jaarlijks aan de Staten-
Generaal een uitvoerig verslag moet doen van haar beheer
en van den staat waarin de bezittingen zich bevinden.
Een regeeringsreglement kan tot op zekere hoogte met
eene grondwet worden gelijk gesteld. Het bevat in breede
trekken de wn\'ze van bestuur, terwyl de onderdeelen of
bijzondere punten b\\j nadere wetten of besluiten worden
geregeld.
-ocr page 123-
115
Het regeeringsreglement voor onze Oost is van 2 Sep-
tember 1854. Volgens deze wet worden de Oost-Indische
bezittingen namens den Koning beheerd door den Gouver-
neur-Generaal, bijgestaan door een raadgevend lichaam,
den Raad van Indië. Deze regeling sluit zich geheel bij
de geschiedenis aan, want de Gouverneur-Generaal en de
Raad van Indië bestaan reeds sedert het begin der zeven-
tiende eeuw.
Wij moeten hier vooral opmerken, dat de eigenlijke
wetgevende macht voor Indië, evenals in Nederland, be-
rust by den Koning en de Staten-Generaal. De Gouverneur-
Generaal stelt wel algemeene verordeningen vast, doch
alleen omtrent zulke onderwerpen, waarin niet op andere
wijze is voorzien of\' voorzien moet worden, door eene wet
of door een Koninklijk besluit.
Intusschen is de Gouverneur-Generaal in dringende
omstandigheden bevoegd om, onder nadere beki-achtigiug
door de wet of goedkeuring van den Koning, algemeene
verordeningen vast te stellen omtrent onderwerpen, die tot
hunne regeling eene wet of een Koninklijk besluit behoeven,
zoolang een of ander nog niet tot stand is gekomen.
XXIX.
Ofschoon het in het algemeen alleen de Gouverneur-
Generaal is, die besluiten neemt, en hij alleen van die
besluiten aan den Raad van Indië kennis behoeft te geven,
bestaat toch voor hem niet alleen de verplichting om de
meeniug van den Raad in te winnen (b.v. waar het geldt
sommige benoemingen van gewicht, begrooting van ont-
vangsten en uitgaven en vooral de verordeningen omtrent
het eigenlijk bestuur), doch het regeeringsreglement eischt
somtijds overeenstemming tusschen den Raad en den Gou-
verneur-Generaal, waaruit volgt dat er zonder medewerking
van het raadgevend lichaam in bepaalde aangelegenheden
niets tot stand kan komen. Dit beginsel is van toepassing
op alle algemeen verbindende verordennigen, wanneer geene
dringende omstandigheden het tegendeel veroorloven, en
verder op de ontzegging, in het belang van rust en orde,
aan bepaalde personen, van een verblyf in Nederlandseh-
Indië of een zeker gedeelte daarvan.
*
-ocr page 124-
116
Vroeger hebben wy reeds het een eu ander medegedeeld
over de zoogenaamde heerendiensten, eigenlijk persoonlijke
diensten, die de inlanders ten behoeve van het Gouvernement
moeten verrichten. Deze diensten, die somtijds zeer druk-
kend waren voor de bevolking, zijn in lateren tijd zeer
verminderd. Zij konden zoowel door de inlandsche hoofden
en dorpsbestuurders (in welk geval men ze pandjèndiensten
noemt) als door ons Gouvernement worden geëischt. Die
ten behoeve der inlandsche hoofden zijn afgeschaft en ver-
vangen door een hoofdelijken omslag. Die ten behoeve der
dorpsbesturen betreffen de algeineene veiligheid en behooren
dus te blijven gehandhaafd; terwijl eindelijk de heeren-
diensten ten behoeve van het Nederlandsch gezag, krachtens
het regeeringsreglement, aan de bijzondere zorg van ons
bestuur zijn opgedragen. Het bepaalt dat in elk gewest de
aard en duur der persoonlijke diensten, waartoe de inboor-
lingen verplicht zijn, de gevallen waarin en de wyze en
voorwaarden waarop zij kunnen worden gevorderd, door den
Gouverneur-Generaal worden geregeld, in overeenstemming
met de bestaande gebruiken, instellingen en behoeften, en
dat de verordeningen, welke op die persoonlijke diensten
betrekking hebben, in elk gewest om de vijf jaren door den
Gouverneur-Generaal moeten worden herzien, met het doel
om daarin langzamerhand en zonder schokkende overgangen
vermindering te brengen. De hier bedoelde heerendiensten
worden somtyds tegen betaling gevorderd, en z\'\\j kunnen
ook worden afgekocht.
Voorts is aan den Gouverneur-Generaal opgedragen, dat
geene belastingen geheven worden dan die b\\j algemeene
verordeningen zyn bepaald.
Het belastingstelsel wykt geheel van het onze af. Voor-
eerst bestaat nog de gewoonte om sommige belastingen niet
door Staatsambtenaren te heffen, maar die heffing te ver-
pachten. Administratie en toezicht worden daardoor zeer
vereenvoudigd, maar daartegenover staan de misbruiken van
smokkelhandel en knoeierij op groote schaal. De voor-
naamste der hier bedoelde belastingen is die op den verkoop
van opium, waaraan de inlandsche bevolking verslaafd is
en die dringend eene verbeterde regeling in het belang der
inlanders eischt. Het opiumverbruik is eene groote maat-
schappelijke ramp, die directe tusschenkomst van den Staat
-ocr page 125-
117
wettigt. Wel mag de opium in onze bezittingen niet
worden geteeld, maar de invoer is verbazend groot, de
sluikhandel wordt door de pachters, die het recht verkrygen
om alleen van den Staat te koopen, en dus ook alleen
mogen verkoopen, op ergerlijke wijze gedreven, en het
onbelaste verbruik is zeer aanzienlijk. Desniettegenstaande
brengt de belasting in den vorm van pacht nog ongeveer
twintig millioen op.
Verder treffen wij aan: belastingen op goederen welke
worden uit- en ingevoerd en op artikelen van verbruik
(accijnzen), eene belasting op het bedryf of patentbelasting,
grondlasten, de reeds genoemde hoofdelijke omslagen in
plaats van de afgeschafte heerendiensten, en verschillende
andere heffingen van minder belang. Van de Europeesche
ingezetenen wordt ook eene personeele belasting geheven.
Wat wij in ons vaderland niet of althans bijna niet meer
aantreffen (alleen bij de markegronden), komt in het oosten
nog veelvuldig voor, namelyk het gemeenschappelyk of zoo-
genaamd communaal bezit van den grond, die dan van
tijd tot tijd door de dorpshoofden ter bebouwing wordt
verdeeld. In andere streken bezit ieder zijn eigen stuk grond
of heerscht het persoonlijk (individueel bezit), dat in
vroegere tyden algemeen schijnt te hebben bestaan. De
grootendeels nog woeste gronden behooren overigens aan het
Gouvernement, met uitzondering dus van die welke door de
inlanders in cultuur zyn gebracht of tot de dorpen behooren.
Hier ligt een zeer ruim gebied tot ontwikkeling en
welvaart. Het regeeringsreglement, waarin door de zooge-
naamde agrarische wet (wet die den toestand van den
grond regelt) van 9 April 1870 eenige wyziging is gebracht,
bevat enkele bepalingen die als een eerste stap in die richting
worden beschouwd. De Gouverneur-Generaal kan namelijk,
zonder inbreuk te maken op de rechten der inlandsche be-
volking, gronden in huur afstaan en ook in erfpacht, doch
dit laatste voor niet langer dan vyf-en-zeventig jaren.
De gronden, welke door de inlanders persoonlek, erfe-
lijk worden bezeten, kunnen voorts aan hen op hun verzoek
in eigendom worden afgestaan. Men merke nierby op, dat
de Souverein, ons Ryk dus, geacht wordt eigenaar van den
bodem te wezen, zoodat het bezit van den inlander slechts
eene beschikking is onder voorwaarde dat geen hoogere
-ocr page 126-
118
macht over den bodem beschikke. Wordt nu het bezit in
eigendom omgezet of zooals men het noemt geconverteerd,
dan ontstaat een toestand die meer met onze westersche be-
grippen overeenstemt en waardoor men hoopt den inlander
nauwer aan zijn grond te verbinden en hem dus aan te
sporen tot meerdere vlijt of\' ontwikkeling. Mocht ooit het
communaal of gemeenschappelijk bezit overal in individueel
of persoonlijk bezit .overgaan, eene verandering of conversie
die sommigen wenschelijk achten, dan zou op die wijze ge-
legenheid bestaan om alom dat persoonlijk bezit in wezen-
lijken eigendom te doen veranderen en alzoo op dit punt tot
onze toestanden te geraken.
De eigenaardige verhoudingen in het oosten, zoo hemels-
breed van de onze verschillend, moeten noodzakelijk een ge-
heel bijzonder stelsel van burgerlijk bestuur tengevolge hebben.
Zooveel de omstandigheden het toelaten, wordt de inland-
sche bevolking daarom gelaten onder de onmiddellijke
leiding van haar eigen hoofden, die door onze regeering
moeten worden aangesteld en erkend, en die natuurlijk onder
hooger toezicht staan. De inlandsche gemeente, meestal
dessa geheeten, kiest dus haar eigen bestuur, dat rechtstreeks
met het Nederlandsche bestuur in betrekking staat en de
huishouding der gemeente regelt,, eensdeels, zooals dat in
het oosten gevonden wordt, in verband met de godsdienstige
gebruiken der bevolking en met de gewoonte (adat), en
overigens in overeenstemming met onze wetten en de voor-
schriften van ons Gouvernement. De dessas vormen districten
en onder-districten en eenige districten te zamen vorrnen
meestal weer een regentschap. De hoofden der regentschap-
pen, regenten genaamd, worden door het Nederlandsch
gezag aangesteld en gesalarieerd, terwijl de hoofden der
districten en onder-districten alleen eenige bezoldigiug van
onze regeering ontvangen.
Voor de uitoefening van het Nederlandsch gezag is het
grondgebied evenzeer verdeeld in afdeelingen, gewesten ge-
naamd, die in naam van den Gouverneur-Generaal worden
bestuurd door gouverneurs of residenten, en die meestal
weder gesplitst zn\'n in onder-afdeelingen, met een adsistent-
resident aan het hoofd. Deze hoofd-ambtenaren worden
bijgestaan door hunne secretarissen; terwijl andere ambte-
naren, controleurs genaamd, meer bepaald belast zün met
-ocr page 127-
119
het toezicht op de teelt der koffie en in het algemeen op
de voortbrenging van hetgeen de bodem onzer bezittingen
aan het Gouvernement oplevert.
Vroeger hebben wij reeds opgemerkt dat zij, die tot
ambtenaar bij het burgerlijk bestuur wenschen te worden
aangesteld, daartoe hunne opleiding ontvangen aan de ge-
meentelu\'ke instelling te Delft, voor onderwijs in de Indische
taal-, land- en volkenkunde. Ook de ambtenaren bij de
rechterlijke macht, die wij nader zullen ontmoeten, worden
voor een deel iiau deze belangrijke inrichting gevormd.
XXX.
Omtrent het Nederlandsch burgerlijk bestuur in Indië
moeten wij ten slotte nog enkele opmerkingen maken.
Evenals wij ten onzent ministeriën of departementen van
algemeen bestuur kennen, bestaan ook in Indië dergelijke
takken van beheer; doch er zün geene ministers of verant-
woordelijke raadslieden, alleen maar directeuren voor elke
afdeeliug, die eenvoudig hoofd-ambtenaren zijn en door den
Gouverneur-Generaal worden benoemd. De directeuren vor-
meu te zamen een i*aad, zoo dikwijls de Gouverneur-Generaal
hunne samenwerking beveelt, natuurlijk met het doel om
hem in gewichtige aangelegenheden tot voorlichting te ver-
strekken.
Alleen deze laatste is voor de bestuursdaden direct ver-
antwoordelijk en wel aan den Koning; maar toch kent de
grondwet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal het
recht toe, om den Gouverneur-Generaal wegens ambtsmis-
drijven te vervolgen. In welke gevallen deze vertegenwoor-
diger van het Koninklijk gezag strafbaar is, wordt door het
regeeringsreglement bepaald.
Evenals ten onzent is eene der voornaamste instellingen
de algemeene rekenkamer, die belast is met het toezicht
over het beheer der koloniale geldmiddelen en over de
verantwoording der rekenplichtigen.
In vroegere tijden was het financieel bestuur der bezit-
tingen aan alle wezenlijk toezicht onttrokken en het was
niet zonder noodzaak dat de grondwet van 1848 voorschreef,
-ocr page 128-
120
dat de wijze van beheer en verantwoording der koloniale
geldmiddelen door eene wet moest worden geregeld en dus
niet aan de willekeur der regeering kon worden overgelaten.
Voor de volledigheid der geschiedkundige zijde onzer
schetsen, stippen wij hier even aan dat de bedoelde wet, de
zoogenaamde Indische comptabiliteitswet, den 23 April
1864, dus lang na de herziening der grondwet, is tot stand
gekomen.
En nu eindelijk nog een enkel woord over de rechter-
ljjke macht.
Voor een groot deel is de bevolking nog gelaten in het
genot van hare eigene rechtspleging. Wat de Europeanen
betreft, berust de rechtspraak, evenals ten onzent, op alge-
meene wetten. De regeering van Indië kan die wetten,
waar het gewenscht en voor zoover het mogelijk is, op de
inlanders toepasselijk verklaren. Voor het overige geldt
voor hen liet Mohammedaansche recht, met inachtneming
der gebruiken of gewoonten van dat land (de adat).
Kortheidshalve kunnen w\\j hier volstaan met de mede-
deeling, dat voor de inlanders verschillende rechterlijke col-
leges of met rechtspraak belaste overheidspersonen bestaan.
Er zijn onder anderen regentschaps- en districtsgerechten
voor eenvoudige zaken, verder landraden voor zaken van
meer gewicht en om te beslissen in geschillen tusschen
inlanders en Europeanen, residentie-gerechten, waarin de
resident de alleen rechtsprekende rechter is (evenals bij ons
de kantonrechter) voor sommige politie-overtredingen, en
eindelijk de rechtbanken van omgang voor zware misdrijven.
By de landraden en bü de rechtbanken van omgang worden
ook Europeesche ambtenaren aangesteld, hetzij alleen om
de pen te voeren, hetzy als rechter of voorzitter.
Wat de Europeanen betreft, voor hen bestaan als gewone
rechtbanken de raden van justitie. Deze hoven beslissen
echter ook in hooger beroep over de uitspraken der land-
raden en vellen tevens vonnis waar het betreft de zaken
der inlanders, die zich daartoe aan de Nederlandsche recht-
spraak hebben verklaard te willen onderwerpen.
Te Batavia bestaat een opperste gerechtshof onder den
naam van Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië. Er is
veel overeenkomst tusschen den werkkring van dit college
en dien van den vroeger door ons besproken Hoogen Raad
der Nederlanden. Verschillende hoog geplaatste ambtenaren
staan wegens ambtsmisdrijven voor het Hof terecht en verder
beslist het in hooger beroep over vonnissen van lagere
-ocr page 129-
121
rechters of treedt, evenals de Hooge Raad, als Hof van
Cassatie op.
Van het oosten richten wy, tot besluit, nog even den
blik naar het westen, naar de koloniën Suriname en Curacao,
die in vele opzichten van minder gewicht en beteekenis
zyn, maar aan den anderen kant nauwer aan het moederland
verbonden.
Immers, hoewel de Europeesche bevolking er zeer gering
is, bestaat geene eigenlyke inlaudsche bevolking. In de
uitgestrekte plantages, waar onder anderen suiker en tabak
worden geteeld, werd voorheen de arbeid uitsluitend ver-
richt door slaven. De opheffing der slavernij, hoe gewenscht
overigens, was zeer gevaarlijk met het oog op de afwezigheid
van andere arbeidskrachten, want voor den slaaf zelf is de
/vrijverklaring eene weldaad die hy niet weet te waardeeren
en die hij misbruikt om toe te geven aan zijne neiging tot
werkeloosheid. Intusschen is die vrij verklaring of zooge-
naamde emancipatie toch in 1862 een feit geworden, een
feit dat het dringend noodzakelijk maakte om in de behoefte
aan werkkrachten te voorzien. Het middel dat men daartoe
aanwendt bestaat in de immigratie of invoer van vrye
arbeiders uit andere landen. Zy, die daartoe hun vaderland
verlaten en zich in de kolonie vestigen, zyn voor het mee-
rendeel uit Britsch-Indië afkomstig.
In zooverre als de West-Indische bezittingen niet evenals
de Oost-Indische eene eigenlyk gezegde inlandsche bevol-
king hebben, kan men, ondanks het gering aantal Europe-
anen , van koloniën spreken en zijn zij dus van de Oost-Indische
onderscheiden, een onderscheid, dat in de wijze van bestuur
nog al sterk uitkomt. Immers, terwyl men in de Oost geen
spoor van zelfregeering ontdekt, is dit hier wel degelyk het
geval, althans zeer zeker wat de kolonie Suriname betreft.
Beide koloniën worden, evenals de Oost-Indische bezit-
tingen, beheerd op grond van een regeeringsreglement, dat
in het jaar 1865 is tot stand gekomen.
Natuurlyk is het in de eerste plaats de Nederlandsche
wetgevende macht, die in de belangen der koloniën voorziet.
Niettemin worden sommige onderwerpen door koloniale
verordeningen geregeld, waaromtrent het uitvoerend gezag
-ocr page 130-
122
berust bij den Gouverneur (en niet Gouverneur-Generaal),
die in naam des Konings regeert.
In Suriname heeft omtrent sommige aangelegenheden
overleg plaats tusschen den Gouverneur en een raad van
bestuur, doch wordt de eigenlijke wetgevende macht uitge-
oef\'end door den Gouverneur met een vertegenwoordigend
lichaam, de Koloniale Staten genaamd, waarvan de leden
gedeeltelijk door den Gouverneur worden benoemd, maar
overigens rechtstreeks door kiesgerechtigde ingezetenen ge-
kozen worden.
In Curacao ontmoeten wy wel dezelfde regeeringslichamen,
maar toch met eenige afwijking. De Staten heeten daar
Raad, maar er zijn geene kiesgerechtigde burgers. De Raad
is samengesteld uit de leden van den raad van bestuur en
eenige andere leden, door den Koning benoemd uit eene
voordracht, die hem daartoe door den Raad wordt aangeboden.
En hiermede kunnen wy ten opzichte onzer Amerikaan-
sche bezittingen volstaan. Daar, zooals wij reeds opmerkten,
van geene vreemde bevolking sprake is, maar onder zekere
voorwaarden allen, ook de vrijgemaakte slaven, ingezetenen
zijn, geldt in het algemeen voor allen dezelfde wet. De
ingezetenen oefenen ook op staatkundig gebied rechten uit,
welke in vele opzichten met die in het moederland over-
eenstemmen. Het burgerlijk bestuur, het rechtswezen en
andere staatsinstellingen, zijn op eenvoudige wijze in beide
koloniën geregeld.
Wij eindigen hiermede onze schetsen en drukken de hoop
uit, dat de vorm waarin zij vervat zijn aan het doel heeft
mogen beantwoorden en dat zij dus aan hen, voor wie de
kennis van eigen geschiedenis en eigen instellingen geene on-
verschillige zaak is, eenige genoeglijke oogenblikken hebben
vei^schaft en eenigszins van blu\'vend nut zullen wezen.
-ocr page 131-
INHOUD.
Bladz.
I. Staatkundige Geschiedenis tot de Omwenteling van 1795.     1,
II. Staatkundige Geschiedenis na de Omwenteling. ...     5.
III.    De Gemeenten. — De Uitvoerende en Wetgevende
Macht. — Burgerlijke- en Burgerschapsrechten. ...
      9.
IV.    Verkiezingen in het algemeen. — Voor den Raad in het
bijzonder. — Lidmaatschap...........
    14.
V. De Burgemeester als Raadslid. — Plaatselijke Eigen-
dommen en Wetgeving. — Huishouding.......    \'18.
VI. De Gemeenteraadsleden en hun mandaat. — Vergade-
ringen van den Raad.............
    22.
VIL Dagelijksch Bestuur. — Ambtenaren. — Administratie. .    26.
VIII. Gemeentelijke Huishouding. — Begrooting.— Belastingen.    30.
IX. Begrooting.—Toezicht der Regeering.— Armwezen. .    35,
X. Provinciën. — Provinciale Staten. — Verkiezingen. . .    40.
XI. Gedeputeerde Staten. — Huishouding. — Bestuur. —
Ambtenaren.................    44.
XII. Het Rijk. — De Regeeringsvorm. — De Troonopvolging.    48.
XIII.    Minderjarigheid van den Koning. — Aanvaarding der
Regeering. — Koninklijke Macht. — Ministers.....
    52.
XIV.    Uitvoerende Macht.—Gevolgen van de Macht des Konings.    56.
XV. Koninklijke Macht. — Kabinet. — Raad van State. —
Wetgeving.................    60.
XVI. Kamers der Staten-Generaal. — Tweede Kamer. — Ver-
kiezingen..................
    65.
XVII. Eerste Kamer. — Werkzaamheden der beide Kamers. .    69.
XVIII. Ontbinding. — Staatkundige en politieke rechten. — Kerk
en Staat..................    72.
XIX. Kerk en Staat. — Kerkgenootschappen. — Staatkundige
rechten..................    76,
-ocr page 132-
424                                                 INHOUD.
Bladz.
XX. Rechtswezen. — llechterlijke Macht........80.
XXI. Rechterlijke Macht.— Administratieve rechtspraak.—
Politie. — Notariaat..............84.
XXII. Buiten- en Binnenlandsche Zaken. — Gezanten en Con-
suls. — Onderwijs...............88.
XXIII.    Onderwijs. — Kunsten en Wetenschappen. —Armenzorg. 92.
XXIV.    Oorlogen Marine. — Geldelijk beheer.—Staatsbe^rooting. 96.
XXV. Belastingen. — Muntwezen............100.
XXVI. Muntwezen.— Waterstaat, Handel en Nijverheid. . . 104.
XXVII—XXX. Koloniën.—Oost- en West-Indische bezittingen.. 108.
ets-Jo