-ocr page 1-
a
L
I
1 HU» II,
I
1 \\
VERDERE BLTDRAÜEN
TOT DE
DWAALLEER VAN Prop. Dr. R. KOCH
IN ZAKE
DE OORZAAK DER TUBERCULOSE
,• .
«•
EN TOT DE         y
ONWAARDE VAX DIENS GENEESMIDDEL
O P E N B H I E F
AAN DEN
il ls,° klasse
Heer Dr. M. STRAUB, oicier m
DOOK
Dr. H. W. MIDDENDORP,
PROFESSOR DER AUil\'.MEENK KN ONTI.EEOKI\'NOIOE ÜIKKTRKUNDB,
.
TE GRONINGEN BIJ J. B. WÜLTERS, 1893.
•         \'
.
-ocr page 2-
O. oct.
3748
GESCHENK VAN
MEVR. DE WED.
DR. G. P VAN
TIENHOVEN=
NINCK BLOK.
-ocr page 3-
Pi>°3fa0*
IMILMCIUII BESTAAN»
,r
rr
OPEN BRIEF
AAN DEN
Heer I. STEAÜB, officier van sezonJlieii l8te klasse
IN ANTWOORD
OI>
ZIJNE TEGENWERPINGEN BETREFFENDE HET OPSTEL:
DE BACILLAIRE OORZAAK DER TUBERCULOSE
DOOR
9
Dr. H. W. MIDDENDORP,
l\'ROFESSOR DKR AI.ORMEENK F.N ONTI.EEIIKINDKiE ÜIEKTEKI\'NDE.
\'
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1892.
<T
-ocr page 4-
Stoomdrukkerij van J. B. Wolters.
»
.
-ocr page 5-
VOORREDE.
Met het oog daarop, dat in de nieuwste leerboeken over
ontleedkundige ziektekunde en over het onderzoek van zieke
weefsels van
Zieglek, Weichselbaum en von Kahlden de-
leer van prof.
ROBËRTKOCH nog volkomen wordt gehuldigd,
volgens welke kleine staafjesvormige wezens, de
zooyen. tuberkelbacUlen, de oorsaak aijn van de tuber-
culose, achtte ik mij verplicht mijne meening omtrent dit
vraagstuk nogmaals in het kort uit een te zetten.
De redactie van de Geneeskundige Courant ivas zoo be-
leefd met zeer gewaardeerde bereidwilligheid plaats te ver-
leenen aan mijne beschouwingen, welke door den Heer
Stkaub ,
Officier van Gezondheid l»te klasse, aan eene kritiek werden
onderworpen. Deze gaf mij aanleiding tot een antwoord,
waarvoor de Geneeskundige Courant, op mijn verzoek, op
nieuw hare ruimte welwillend beschikbaar stelde, welk
antwoord waarschijnlijk ook bij de geneeskundigen, die niet
tot de lezers van deze courant behooren, belangstelling zal
wekken. Van daar deze afzonderlijke uitgaaf.
Uit dien hoofde ook heb ik ter verduidelijking zoowel het
overzicht van mijne meening als de kritiek van den Heer
Stkaub als bijlagen hierachter laten plaatsen.
M.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Groningen 25 Februari 1893.
Weledele Zeer Geleerde Heer !
In den aanhef van mijn Isten Open brief aan U heb
ik U mijne erkentelijkheid betuigd voor de eer, die U mij
aandeedt met Uwe tegenwerpingen tegen mijn opstel „De
bacillaire oorzaak der tuberculose" 1).
Ook in mijn antwoord a) op Uw slotwoord s) heb ik U
daarvan de verzekering gegeven en tevens mijn leedwezen
uitgedrukt, dat U mij, voordat wij aan de beslissing in
onzen wetenschappelijken wedstrijd waren gekomen, reeds
voor de tweede maal wildet gaan verlaten; doch, zooals ik
heb gezegd, kon van afscheid nemen toen nog geen sprake
zijn, waarom U mij zult veroorloven nog ditmaal het woord
tot U te richten.
Na het zwijgen van Uwe vier voorgangers Fokker, Nolen,
Mac Gillavry en Siegenbeek van Heukelom was het mij aan-
genaam , dat ten minste van deskundige zijde nog weder
eenige attentie werd geschonken aan de uitkomsten mijner
\') Geneesk. Courant no. 31 van 34 Juli 1892.
*) Idem no. 1 y. 1893.
») Idem no. 52 t. 1892.
1
-ocr page 8-
2
nasporingen en op nieuw iemand zich verwaardigde zijne
tegenwerpingen daartegen openbaar te maken.
Het doet mij leed, dat U slechts ten halve op mijn
voorstel betreffende ons wetenschappelijk duel zijt inge-
gaan, omdat U niet de jury van deskundigen naar Uwe
keuze hebt bijeengebracht en in plaats daarvan van mij
afscheid hebt genomen met een slotwoord vol hatelijkheden
en beleedigingen.
Niemand zal zeker deze als bewijzen voor het bestaan
van Koch\'s tuberkelbacillen of als eene weerlegging van
mijne bezwaren tegen diens leer kunnen aanmerken en
Uwe houding kunnen verdedigen in het belang van de op-
lossing van een dergelijk gewichtig vraagstuk.
Indien ik dat alles ook vooruit geweten had, had ik
geen Hden brief aan U gericht. Maar beloften maken schuld
en ik heb U die belofte reeds gedaan in mijn I8ten brief,
toen ik nog niet wist, hoe U zich verder zoudt gedragen.
Ik wil U echter thans wel de verzekering geven, dat ik
nimmer weer een brief zoo min over de tuberculose als
over een ander onderwerp aan U zal richten, want met
raenschen, die mij geen gezelschap blijven houden en bij
slot van rekening mij ook nog uitdrukkingen toedichten,
die ik niet heb gebezigd, kan ik mij toch bezwaarlijk ver-
der inlaten.
Bovendien is het mij, naar hetgeen U in den loop van
het debat ter tafel hebt gebracht, niet duidelijker gewor-
den, waarom juist U over dit onderwerp de pen hebt
opgevat, terwijl ik ook a priori eerder van de zijde van
anderen de oppositie had verwacht.
In die laatste meening sta ik, zooals mij is gebleken,
-ocr page 9-
3
niet alleen. Vele met mij zijn van oordeel, dat het meer
op den weg gelegen had en nog ligt van anderen en wel
van hen, die dit onderwerp meer van nabij betreft, n.1.
de bacteriologen en patholoog-anatomen ex professo ook
in ons land, om zich omtrent dit vraagstuk eens te doen
hooren.
Ook heb ik U vroeger gezegd, dat ik niet goed begrijp,
waarom U niet minstens een jaar vroeger Uwe tegenwer-
pingen hebt openbaar gemaakt.
Datgene toch, wat U in uwe feiten poseert, biedt geene
nieuwe gezichtspunten aan en vereischt geen langdurige
studie of voorbereiding, daar men dit van iederen aanhan-
ger van Koch\'s leer reeds lang heeft kunnen hooren en
nog hoort, en bovendien waren uwe tegenwerpingen dan
meer op het juiste oogenblik gekomen en hadden zich als
een waardig pendant in vorm en inhoud onmiddellijk aan-
gesloten bij de kritiek van Nolen.
Uit Uwe tegenwerpingen is mij gebleken, dat mijne be-
zwaren tegen deze leer nog niet ten volle door U zijn be-
grepen, hetgeen ik alleen daaraan mag toeschrijven, dat
U met de feiten, waarop Koch deze baseert, nog niet goed
op de hoogte zijt.
Mijne opvatting omtrent Koch\'s geneesmiddel was het
gevolg van langdurige onderzoekingen omtrent de tubercu-
lose, die mij zijne poging om langs den door hem voor-
geslagen weg genezing aan te brengen, sedert zijne eerste
mededeeling in November 1890 als niet wetenschappelijk
gegrond en vruchteloos deden beschouwen, terwijl mij bij
zijne nadere onthulling medio Januari \'91 onbetwistbaar
bleek, dat zijn middel ook gevaarlijk was.
i*
-ocr page 10-
4
Dat nu geneeskundigen, die in vele jaren geene obductie
van phthisis pulmonum, phthisis renalis of phth. meseraïca
hebben bijgewoond, zich veel voorstelden van Koch\'s mid-
del, wie zal dat verwonderen bij al den ophef, waarmede
het van de zijde van de geneeskundige autoriteiten in en
buiten Duitschland werd begroet; maar dat klinische hoog-
leeraren, die toch bijna dagelijks in de gelegenheid zijn
de orgaanveranderingen bij uitgebreide tuberculose van Ion-
gen , nieren en andere organen te kunnen zien, zich nog
eenigen invloed van Koch\'s tuberculine daarop konden voor-
stellen , blijft zeker voor alle tijden een raadsel, en nog
grooter raadsel, hoe sommigen daarmede en met de door
Klebs uitgevonden variatie, de tuberculocidine konden voort-
gaan, nadat wij door Koch omtrent de zamenstelling van
zijn middel eenigermate waren ingelicht geworden door
zijne mededeeling van medio Januari 1891.
Niet uit zucht om ook maar eens mee te praten heb
ik den strijd aanvaard tegen Koch\'s leer, die sedert een
tiental jaren zóó ingeworteld is in het denken van de
geneeskundige wereld over dit vraagstuk, dat alleen de
twijfel aan hare juistheid reeds heel wat verbazing heeft
teweeggebracht, laat staan dan den storm van verontwaar-
diging, die de ontkenning van hare waarheid bij sommige
aanhangers dezer leer te voorschijn heeft geroepen.
Toen Koch echter medio Januari 1891 iets naders mede-
deelde omtrent de zamenstelling van zijn nieuw middel, de
vrucht van zijne leer, de tuberculine en wel daaraan de
merkwaardige onthulling toevoegde, dat het eene zekere
hoeveelheid afstervende tuberkelsubstantie bevatte, was ik
van meening, dat zwijgen niet langer was geoorloofd tegen»
-ocr page 11-
5
over een middel, dat met allen mogelijken ophef aan de ge-
neeskundigen werd aangeboden en maar zoo alleen op
Koch\'s gezag zooveel opgang nam, terwijl het volgens mijne
meening hoegenaamd niet de minste geneeskrachtige waarde
bezat en bovendien voor de lijders nog gevaarlijk kon zijn.
Van daar ook, dat ik mijne bezwaren blijf ontwikkelen
tegen zijne leer, die in gezaghebbende geneeskundige krin-
gen blijkens de nieuwste handboeken nog steeds volkomen
wordt gehuldigd.
Niet alleen omdat, zoolang de leer van Koch vaststaat,
volgens welke kleine staafjesvormige wezens in den zin van
zijne bacillen in de tuberkels voorkomen en als de oorzaak
daarvan moeten beschouwd worden, misschien eerlang deze
of een zijner aanhangers opnieuw een dergelijk op de
biologische eigenschappen van deze denkbeeldige micro-
organismen gegrond geneesmiddel of eene variatie daarop
uitvindt, maar vooral ook omdat het in wetenschappelijk
opzicht van belang is te weten, of de geneeskundigen sedert
meer dan tien jaren recht hebben op deugdelijke gronden
het bestaan van tuberkelbacillen en daarmede de bacillaire
oorzaak van de tuberculose op gezag van Koch aan te nemen.
Uit dien hoofde dient voor alles uitgemaakt te worden,
of Koch\'s leer omtrent de oorzaak der tuberculose juist is,
dan of die op eene dwaling berust.
Met het oog hierop is mij ook niet recht duidelijk,
waarom van der Hegge Zijnen de polemiek over dit onderwerp
met een onvruchtbaar vraagstuk kan vergelijken, dat maar
onnoodigen en onverkwikkelijken strijd uitlokt *). Onge-
\') No. 44 van de Geneeskundige Courant 1892.
-ocr page 12-
6
twijfeld zal het geachte medelid der redactie van de Gen.
Courant, aan wiens oordeel de lezers gaarne waarde hech-
ten, voor deze verklaring wel zijne goede gronden hebben,
die het ook mij aangenaam zal zijn te vernemen.
Evenmin kan ik begrijpen, waarom juist ik, die mij
evenals Tillemin en Waldenburg op een zeer groot aantal
experimenten betreffende de specifieke besmettelijkheid der
tuberculose kan beroepen, waarvan de uitkomsten mij recht
gaven mij te scharen aan de zijde van Tillemin, — zoo-
als ik vroeger heb gezegd komt dezen de eer toe het eerst
duidelijk te hebben aangetoond, dat aan de tuberculose
eene specifieke smetstof ten grondslag ligt, hetgeen Wal-
denbnrg ontkende, — en die honderde praeparaten van
tuberkels in verschillende stadiën en uit verschillende or-
ganen heb onderzocht, mijne meening omtrent de oorzaken
der tuberculose niet openbaar mag maken, terwijl toch zoo
vele anderen, die met alle deftigheid een hoog woord er
over voeren en beweren, dat mijne tegenwerpingen van
nul en geene waarde zijn, ongetwijfeld niet eens zullen
kunnen zeggen, welk soort van tuberkel zij voor zich heb-
ben en waarschijnlijk de zoogen. tuberkelbacillen nooit heb-
ben gezien — en evenmin, waarom juist mijne meening,
ik herhaal het, zooveel animositeit moet verwekken.
Van den beginne af stelde ik mij wel niet veel aange-
naams voor van mijn optreden tegen Koch\'s geneesmiddel
en tegen zijne leer, maar ik had niet verwacht, dat zij, die
deze leer zijn toegedaan, met andere dan wetenschappelijke
wapenen tegen mijne meening zouden zijn te velde ge-
trokken.
"Wat heeft het toch gebaat aan Koch\'s middel en wat
-ocr page 13-
7
zal het tot de waarde van diens leer afdoen, of „mijne
opvatting eene geheel private is en niet overeenstemt met
het algemeen aangenomen wetenschappelijk standpunt alhier
in deze kwestie," zooals Fokker alras na het verschijnen
van mijne eerste brochure zich gehaast heeft aan onze
Duitsche naburen mede te deelen in de vroeger *) vermelde
waarschuwende en geruststellende verklaring in de Deutsche
Medic. Wochenschrift van 2 April 1891?
Wat heeft de zonder zaakkennis geschreven kritiek van
Nolen ons vooruit geholpen, wiens onkunde betreffende de
tuberculose, ondanks zijn bewonderend opzien tot Koch,
slechts geëvenaard werd door zijne holle phrasen, zijne
groote mate van eigenwaan en volslagen gemis aan decorum ?
Welke bewijskrachtige waarde hebben de nietsbcteeke-
nende protesten gehad van Mac Gtillavry en Siegenbeek van
Heukelom, die hun belachlijk quos ego tegen mijne mee-
ning lieten hooren?
In hoeverre kunnen als bewijzen voor de onjuistheid
van mijne meening al die hatelijkheden en beleedigingen
gelden, waarin U van den beginne af tot aan Uw slot-
woord toe Uw hart lucht hebt gegeven?
Ik zal deze als iemand van Uw stand onwaardig een-
voudig onbeantwoord laten. U zult mij echter moeten ver-
oorloven U met Uwe tegenwerpingen hier achter aan te
plaatsen (Bijlage A). Zij vormen in elk geval een niet
onbelangrijk document betreffende de wijze, waarop een we-
tenschappelijk vraagstuk door U is bediscussieerd.
U zult daar trouwens goed gezelschap vinden, want,
\') Geneesk. Courant van 9 Oct. 1892 no. 41.
-ocr page 14-
8
voorzoover mijne meening in Duitschland is besproken,
geschiedde dit van den kant van eenige adepten in Koch\'s
leer ook al ongeveer op dezelfde wijze als door U en Uwe
voorgangers.
Zoo werden mij na het verschijnen van mijne eerste
brochure hatelijkheden en beleedigingen, die voor de Uwe
niet onderdoen, toegevoegd door zekeren Dr. Bakker in
Emden en wel in een gewoon dagblad (Bijlage B), en toen
ik hem opriep om deze tegenwerpingen in een geneeskun-
dig blad te plaatsen, hield hij zich verder stil. Met beter
en niet anders maakte het een zekere Dr. Lorenz in de
Reichs-Medicinal-Anzeiger van 22 Mei 1891, wiens kritiek
ik ook hierachter als bijlage C zal opnemen.
Iets meer in den vorm liet zich Dr. Abelmann in de St.
Peterb. Medic. "Wochenschrift van 21 Sept. 1891 no. 38
uit. (Bijlage D.)
Onwillekeurig denk ik bij deze uitvallen van U en de
anderen aan „la foule des adeptes et des adherents, qui,
zooals een bevriend buitenlandsch geleerde mij schreef in
April 1891, „devorés par trop de zèle, s\'impatientent,
s\'agitent et font un scandale affreux en se décochant des
aménités, qui ne sont pas toujours taillées au coin de la
courtoisie et de la calmc réflexion".
De redacteur van de Deutsche Med. Wochenschrift,
Dr. S. Guttmann schreef mij in het laatst van Mei 1891
op mijn verzoek om van mijne onderzoekingen eene kritiek
te geven „dat hij zich geheel en al aansloot bij de kritiek
van Prof. Fokker en daarom een nadere bespreking over
het onderwerp in zijn blad voor niet noodzakelijk hield."
Omtrent mijne tweede brochure, die evenals de eerste
-ocr page 15-
9
ook in het fransch en in het duitsch is verschenen, is in
Duitschland geen woord gezegd.
Na eenigen tijd verzocht ik aan de redactie van de
Allgem. Med. Centr. Zeitung, waarvan ik meer dan t\\vin-
tig jaren abonné was, van mijne „Nadere mededeelingen"
eenige kritiek te willen geven.
Nadat de redacteur Dr. Lohnstein mij eenige maanden
onder allerlei voorwendsels had laten wachten, berichtte
hij mij eindelijk 20 Aug. 1892, dat het hem niet mogelijk
was mijne polemiek tegen Koch in zijn blad op te nemen,
doch gaarne bereid was een ander opstel over welk onder-
werp dan ook van mij te plaatsen, als het maar niet was over
de „verdrietige tubevculose-kwestie"; te meer, „omdat ik
iets bestreed, wat door de overgroote meerderheid der on-
derzoekers, niet alleen in Duitschland, als juist erkend was
en dagelijks door tallooze microscopische praeparaten op-
nieuw werd bevestigd."
Het hielp niet, of ik hem schreef, dat mijne tegenwer-
pingen tegen Koch\'s leer nog door geene competente autori-
teit in de pathologische anatomie of bacteriologie ten zijnent
waren besproken of weerlegd; hij zond mij in September
d. a. v. mijn manuscript terug met de bijvoeging, dat hij
het niet wenschte te plaatsen, „omdat het reeds vroeger
in de Franco Médicale had gestaan en het zijne gewoonte
niet was om origineele stukken, die reeds elders waren ge-
publiceerd, in denzelfden vorm in zijn blad op te nemen."
Bij het inzien van bijna elk nummer van de Allgem. Med.
Centr. Zeitung kan ieder zich echter overtuigen, dat daarin
steeds uit verschillende bladen stukken woordelijk worden
overgenomen.
-ocr page 16-
10
Ongetwijfeld ware het eene betere houding geweest van
U en Uwe medestanders te trachten mij van dwaling te
overtuigen op andere gronden dan een beroep op Koch\'s
gezag.
Laten wij nu eens nagaan, of KOCH zelf de bewijzen
levert, dat zijne tuberkelbacillen werkelijk bestaan en dat
zij als de oorzaak en wel als de eenige oorzaak van de tu-
berculose moeten beschouwd worden.
Een van beiden is toch maar mogelijk: zij bestaan en in
dat geval kunnen zij ook wel de oorzaak der tuberculose
zijn op do wijze als Koch die leert, — of zij bestaan niet,
m. a. w. in tuberkels komen volstrekt geene microorganismen
voor in den zin van de Kochsche bacillen en dan is zijne
leer eenvoudig eene dwaalleer.
Ik zal daarbij onwillekeurig nu en dan in herhalingen
moeten treden, van punten, die reeds vroeger door mij
zijn besproken, maar aan de duidelijkheid zal dit niet schaden.
Indien ik voor U in mijne uitdrukkingen misschien hier
en daar wat al te eenvoudig ben, gelieve U zulks daar-
aan toe te schrijven, dat mijne tegenwerpingen tegen
Koch\'s leer ook door geneeskundigen worden gelezen, die
niet zoo dagelijks met het onderwerp in kwestie in aan-
raking komen.
I.
De ontwikkeling van den tuberkel in verband met
de tuberkelbacillen en de reascellen.
Een grijjze of crude tuberkel, die op de hoogte van zijne ont-
wikkeling ter nauwernood 1 m.m. in doorsnede heeft, bestaat
-ocr page 17-
11
geheel en alleen uit cellen, de tuberkelcellen, die zoo vast
ineengesloten liggen, dat afzondering van enkele onge-
schonden cellen daaruit moeilijk gaat. Vandaar ook, dat
die onderzoekers, welke zich zelf met de bestudeering van
de structuur van deze knobbeltjes hebben bezig gehouden,
van die cellen ook niet alle dezelfde teekening geven.
Vroeger hield men de eigenaardige groote kernen van
de tuberkelcellen voor de elementaire bestanddeelen zelf
van den tuberkel; zij heetten destijds tuberkellichaampjes
en het is nog maar weinige jaren geleden, dat de patho-
loog-anatomen ten opzichte van den celachtigen aard van
deze kernen het eens zijn geworden, d. w. z., dat zij de
tuberkellichaampjes van vroeger als cellen hebben leeren
kennen. Virchow was de eerste, die zulks aantoonde 1).
Wegens die dichte cellenstructuur bij het gemis aan
bloedvaten in den tuberkel sterven de binnenste cellen het
eerst af.
Dit afsterven geschiedt des te spoediger, naarmate de
knobbeltjes dichter op elkander liggen en kleine of groo-
tere opeenhoopingen of conglomeraten vormen.
Vandaar, dat men zoo zelden in kleine conglomeraten,
zelfs al bestaan zij maar uit 5 of 6 knobbeltjes, zuiver
grijze of crude tuberkels aantreft, m. a. w. zulke knob-
beltjes, die overal en dus ook in het binnenste nog uit
gave cellen bestaan.
Nog spoediger gaan de binnenste cellen te gronde, waar
grootere gedeelten van organen zoo dicht bezet zijn met
knobbeltjes, dat er van het oorspronkelijke vaathoudende
>) Lehre der krankhaften Geschwülste II S. 637,
-ocr page 18-
12
weefsel maar heel weinig meer tusschen is gelegen en der-
halve een geheel orgaan, b.v. eene lymphklier, of een ge-
deelte van een orgaan, b.v. de longtop daarmede geinfil-
treerd is.
Bij dat afsterven ontstaat eene niet meer doorzichtige,
met het bloote oog gezien, min of meer geel gekleurde
uiterst fijn korrelige massa, de kaasachtige detritus (van
delerere: fijnwrijven), die uit te gronde gegaan tuberkelcel-
weefsel bestaat en waarin de kernen van de tuberkel-
cellen, die langer aan het versterf weerstand bieden, voor
dat ook zij uiteenvallen, nog een tijdlang zichtbaar blijven.
In den grijzen tuberkel zien wij dan een dof geel punt
optreden, dat spoedig grooter wordt en allengs het geheele
knobbeltje tot op een dikkere of dunnere gave of bijna
gave randlaag inneemt.
In dit kaasachtig binnenste nu van dergelijke gele tu-
berkels of conglomeraten daarvan of van geheel verweekte
of verkaasde conglomeraten, die alzoo als het ware kleine
geheel en al met dien kaasachtigen detritus der afgestor-
ven tuberkelcellen opgevulde holten zijn geworden, welke
echter nog in geen communicatie met luchtpijpstakken staan,
heb ik nimmer microorganismen in den zin van de Koch\'sche
bacillen kunnen vinden.
"Wanneer die kaasachtige massa binnen een paar uur
buiten de zon aan de lucht gedroogd wordt en in een
fleschje wordt bewaard, behoudt zij langen tijd haar be-
smettend vermogen. Zoo werd in serie 47 door mij zulke
massa ingespoten, die 59 dagen, in serie 77 zulke, die
109 dagen was bewaard en zelfs in latere voor kort ge-
nomen proeven tuberkelsubstantie, die bij een temperatuur,
-ocr page 19-
13
afwisselend tusschen 8° en 20° C. 184 dagen in een fleschje
in mijne studeerkamer was bewaard.
Eenige milligram (10 in Serie 47) van dit poeder wordt
met gedistilleerd water aangewreven tot eene fijne emul-
sie, die door uiterst dicht gaas wordt gefiltreerd en bij
honden in het bloed of in de pleuraholte ingespoten.
Wanneer de dieren niet na verloop van 4, 5, 6 of
10 weken, uitgeput en vermagerd aan miliairtuberculose
van verschillende organen te gronde gaan, vertoonen zij
na 60 of 80 dagen, ook wel langer, gedood, een meer of
minder uitgebreide miliairtuberculose.
Aan deze proeven zal men zeker met het oog op de
tenaciteit van het tuberkelvirus geene praktische waarde
kunnen ontzeggen.
Op rekening van ingespoten tuberkelbacillen kan ik die
uitkomsten nu toch bezwaarlijk brengen, want vooraf heb
ik er deze niet in kunnen ontdekken.
Op rekening van de kiemen of sporen van de tuberkel-
bacillen dus?
Koch laat zijne bacillen in de gele kaasachtige massa
op het laatst afsterven of sporen vormen.
Hij zegt dienaangaande *): „Eindelijk beginnen ook
de kernen van de tuberkelcellen uiteen te vallen en
gaan over in onregelmatig gevormde korreltjes van zeer
afwisselende grootte. Allengs worden ook deze spaarzamer
en er blijft ten leste eene gelijkmatige massa over, welke
geene kernkleuring meer aanneemt, de detritus of kaas-
achtige substantie, welke in den regel aan tuberkelbacillen
zeer arm is en alleen, wanneer het afstervingsproces zeer
\') Mitiheilungen aus dem Kuise il. Gesundheitsamte II, S. 17.
-ocr page 20-
14
snel verloopt, zijn de bacillen nog een tijd lang in grootere
massa\'s zichtbaar. Maar zeer spoedig ondergaan ook de
bacillen verder veranderingen, of zij sterven eveneens af,
of zij gaan over in den toestand der sporen- of kiemvor-
ming, waarbij zij allengs de eigenschap verliezen om ge-
kleurd te kunnen worden. In het laatste geval blijven
slechts hunne sporen in de kaasachtige massa over en daar
er tot nu toe geen middel bestaat om de sporen der tu-
berkelbacillen op de eene of andere wijze te kleuren, zoo
verraadt zich hunne aanwezigheid na het verdwijnen der
bacillen slechts door de besmettende eigenschappen der
kaasachtige zelfstandigheid, waarin zij ingesloten liggen."
Deze mogelijkheid is, indien werkelijk dergelijke bacillen
bestaan, zeker volstrekt niet te ontkennen.
Maar daarom te meer moet ik er op aandringen, dat
Koch ons in de eerste plaats in zich ontwikkelende tuberkels
de bacillen dient te laten zien.
Want volgens hem ontwikkelen zich uit deze in de kaas-
achtige afgestorven tuberkelcellenmassa voorkomende niet
door kleuring aan te toonen kiemen de wel door kleuring
aan te toonen bacillen,
wanneer deze massa in het bloed
wordt ingespoten en gaat het optreden van de tuberkel-
bacillen vooraf aan het ontstaan der jonge knobbeltjes,
zoodat de eerste dus den aanstoot geven tot de ontwikke-
ling van de laatste.
Hij zegt dienaangaande x): „Nogmaals moet met allen
nadruk op het feit gewezen worden, dat bij alle tuber-
cnleuse aandoeningen het eerst de bacillen
verschijnen"
>) ibidem S. 48.
-ocr page 21-
15
en nog weer later l): „Een tweede belangrijk resultaat is het,
dat het verschijnen van de tuherkelbacillen het begin van
het tuberculeus proces aangeeft; zij treden dan reeds op,
wanneer pas de eerste veranderingen van de celachtige
elementen in de weefsels zijn te bespeuren. Eerst wanneer
de tuherkelbacillen voorhanden zijn, ontstaan de opeenhoo-
pingen van epitheloide cellen en begint de vorming der
reuscellen, enz."
Nog duidelijker zet Koch dit uiteen, waar hij de ontwik-
keling van den tuberkel meer in bijzonderheden schetst.
Wanneer of tengevolge van resorptie uit een kaasachtigen
verweekten tuberculeusen haard of bij directe inspuiting in
het bloed van kaasachtige massa of van zoogen. reincul-
turen van tuherkelbacillen, d. w. z. van een e massa, die
volgens Koch en de hem napratende bacteriologen uit
niets anders dan gekweekte tuherkelbacillen zoude bestaan,
zulke bacillen in het bloed geraken, kunnen deze micro-
ben , waaraan hij geene eigene beweging toekent, zich zelf
nergens heen begeven en zijn dus voor verplaatsing aan-
gewezen op de hulp van andere zich verplaatsende ele-
menten.
Deze rol nu laat Koch door de wandelende cellen,
d. w. z. door de witte bloedcellen of door de lymphcellen
vervullen.
Deze cellen nemen de tuherkelbacillen op 9) en dragen
hen met zich voort. Onder den noodlottigen invloed, welke
Koch aan de tuherkelbacillen toekent, treden veranderingen
in de wandelende cel op, welke haar tot stilstand brengen.
•) ibidem S 46.
8) ibidem S. 20.
-ocr page 22-
16
Daardoor gaat of de wandelende cel te gronde en an-
dere cellen nemen den tuberkelbacil van haar over, welke
onder den invloed van dezen in epitheloide cellen, d. i. in
de jonge tuberkelcellen overgaan of, wat hem veel aanne-
melijker voorkomt,
de wandelende cel zelf gaat in eene
jonge tuberkelcel over en daarop in
eene reuscel, d. i. eene
cel, die volgens de teekeningen bij Koch en bij anderen,
5, 6, 10 maal grooter is dan een tuberkelcel en in een
horizontaal vlak 10, 20 en 30 kernen te zien geeft.
Zoo heel noodlottig voor die den bacil vervoerende wan-
delende cel kan ik dien invloed met Koch nu nog niet
vinden, want uit die wandelende cel wordt volgens hem
zoodoende eene reuscel \').
Het aantal bacillen in zulk eene reuscel verschilt volgens
Koch zeer. Nu eens vinden wij bij hem één bacil of twee in
ééne reuscel afgetoekend, fig. 5, 24, 25, 27 en 29, dan
weer 50 bacillen, zooals in fig. 9, zelfs ten naastenbij
200, zooals in fig. 33, terwijl fig. 22 op een plekje niet
grooter dan eene reuscel bij dezelfde vergrooting vooral
geen geringer aantal bacillen te zien geeft.
Deze laatste figuur schijnt wel eene voorstelling te moe-
ten geven van hetgeen Koch iets later zegt *), dat n.1.
soms in eene reuscel de bacillen zoo snel zich vermeerde-
ren, dat zij deze doen uiteenspringen.
Zeker alzoo geen gering aantal bacillen op een uiterst
klein plekje — de gemiddelde grootte van eene reus-
cel op Vi6 m.m. gerekend, — welk getal nog minstens
\')• ibidem S. 21.
2) » S. 22.
-ocr page 23-
17
vijf maal grooter is in fig. 11, 12 en 13 op plekjes van
ongeveer dezelfde afmeting.
Bij de beschouwing daarvan denk ik steeds aan de niet
beteugelde fantasie van Koch\'s teekenaar en is het mij ook
onbegrijpelijk, zooals ik vroeger heb opgemerkt, waarom
op plekjes van gelijke grootte en op dezelfde punten nu eens
een zoo ontzaggelijk aantal bacillen zouden voorkomen en
dan weer maar een enkele, daar bij geene andere door
parasieten veroorzaakte ziekte eene zoo vreemde verdeeling
wordt aangetroffen.
De ziektemakende invloed van dien de eigene beweging
missenden bacil strekt zich volgens Koch nu ook uit tot de
cellen in de naaste omgeving, hetzij deze op dat punt ten
gevolge van den prikkel, dien de bacil zelf of veeleer de door
hem geproduceerde en door diffusie in de omgeving ge-
raakte stoffen uitoefent, zijn ontstaan of eveneens als wan-
delende cellen daar heen gekomen zijn.
Zooals men ziet is dit eene zeer eenvoudige verklaring
van de bacillaire oorzaak bij de ontwikkeling van een tu-
berkel, op de juistheid waarvan ik echter nog al wat heb
af te dingen.
Nooit of te nimmer heb ik reuscellen d. w. z. cellen
5, 6 of 10 maal grooter dan tuberkelcellen met vele,
nu eens 10, dan weer 15 of 20, ja 30 kernen in het bin-
nenste van jonge tuberkels en evenmin in geheel ontwik-
kelde grijze gave tuberkels gezien en ik moet het bestaan
daarvan op die plaatsen ten sterkste ontkennen.
Nu zullen de aanhangers van Koch\'s leer waarschijnlijk
niet nalaten te zeggen, dat ik die reuscellen ook al weer
2
-ocr page 24-
18
niet zien kan, evenals zij beweren, dat ik de kunst om
tuberkelbacillen te herkennen niet versta.
Dat is inderdaad eene gemakkelijke wijze om van de
tegenpartij af te komen, maar laten zij zelf mij dan eens
zulk eene reuscel in een jongen of ontwikkelden gaven
grijzen tuberkel
vertoonen.
Cellen van Vis m.m. grootte ongeveer zijn anders nog
al behoorlijke brokstukken, vergeleken met de grootte van
de zoogen. tuberkelbacillen, die volgens Koch en anderen
gemiddeld 2Va micra d. i. V400 m.m. lang zijn.
Omtrent de grootte van de tuberkelbacillen een enkel
woord; de opgaven daaromtrent bij de verschillende schrij-
vers zijn niet gelijk en bovendien bij denzelfden schrij-
ver niet altijd overeenkomstig met zijne teekeningen.
Volgens Koch bedraagt de lengte lVa tot 3Va micra, dat
is ten naastenbij 1U tot de Va van de doorsnede van eene
roode bloedcel, die gemiddeld 7Va micra meet.
Zoo heel nauwkeurig echter schijnt Koch het met de
lengte niet te nemen, want in vele figuren bij hem zijn
zij grooter voorgesteld dan de kleinste doorsnede van de
kern van eene tuberkelcel of van de kernen van een zoogen.
reuscel, die beide grooter zijn dan de doorsnede van een
roode bloedcel.
Evenzoo lang staan ze afgeteekend bij Flügge, l) die
Koch\'s figuren, zooals trouwens vele andere schrijvers doen,
eenvoudig overneemt, doch de lengte van de tuberkel-
bacillen als lVa tot 3Va micra aangeeft.
!) Die Micro-organismen. Mit besonderer Berücksichtigung der Aetiologie
der [nfectionskrankheiten. Leipzig 1886, S. 211 u. A.
-ocr page 25-
19
Cornil en Babes*) geven hun eene lengte van 3 a 5 tot
8 micra bij eene dikte van 0.4 tot 0.7 micra of V2000 mm.
Volgens fig. 143 bij hen bereiken zij ter nauwernood
de helft van den diameter van eene roode bloedcel. In fig.
150 echter treffen wij enkele grooter aan, die bijna de
doorsnede van eene dergelijke bloedcel bereiken. Op
plaat I is hare lengte gelijk aan den diameter van de roode
bloedcel en eindelijk worden zij op plaat XXI voorgesteld
als langer dan de diameter van deze cellen.
Ziegler 2) geeft pag. 515 hare lengte aan als lVa tot 3V2
micra, doch teekent ze op pag. 517 in fig. 250 weder
even zoo groot af als Koen, n.1. grooter dan de kleinste
doorsnede van de kernen van de zoogen. reuscel.
Maar niet alleen, dat ik de reuscellen nooit heb ge-
zien in jonge tuberkels en in grijze, gave tuberkels, ook
Koch zelf geeft ze ons daar niet te zien ondanks de ge-
wichtige rol, die hij haar op de besprokene wijze bij de
ontwikkeling van den tuberkel laat spelen.
Met het oog hierop heb ik vroeger gezegd, dat Koch
geene kennis heeft van de histologische structuur van den
tuberkel in gaven toestand, toen ik er tevens op wees,
welke zonderlinge voorstelling hij geeft van den groei van
den tuberkel.
Van het begin der phthisis sprekende, vergelijkt hij deze
met den groei van den tuberkel. Hij zegt n.1. 8): „Het
\') Les bactéries et leur röle dans 1\'anatomie et 1\'histologie pathologiques des
maladies infectieuses. Paris 1885.
2) Lehrbuch der allgem. u. spec. pathologische Anatomie. Vil te Auflage, Jena
1892.
") ibidem, S. 29.
-ocr page 26-
20
eerste begin eener longtering zoude, indien het ooit gelukte
dit te zien, volkomen op een miliairtuberkel gelijken.
Allengs neemt het knobbeltje grootere afmetingen aan en
begint hoe langer hoe minder op een miliairtuberkel te
gelijken\'\'. Ja hij laat het zelfs uitgroeien tot de erwt- en
hazelnootgroote zoogen. solitairtuberkels.
De grootte van een miliairtuberkel nu is wel niet altijd
gelijk, maar bedraagt gemiddeld toch nog niet 1 m.m.
Miliairtuberkels van lVa m.m. in diameter heb ik maar
zelden aangetroffen.
In conglomeraten en infiltraties blijven zij meestal be-
neden 1 m.m.; de kleinere heeten submiliair d. i. klei-
ner dan een gierstekorrel.
Indien men die zoogen. groote solitairtuberkels nauw-
keurig beschouwt, zelfs zonder ze nog uit te penseelen,
kan iedereen zeer gemakkelijk zien, dat zij opeenhoopingen
of conglomeraten van een verschillend aantal gedeeltelijk of
geheel verkaasde miliairtuberkels zijn, die juist daarom
zoo spoedig afsterven, omdat de tuberkel eene nieuw-
vorming is zonder bloedvaten en derhalve, wanneer een
groot aantal dergelijke knobbetjes dicht opeen gedrongen
in een conglomeraat of zoogen. solitairen tuberkel voor-
komt , deze in eene des te ongunstiger voedingsverhouding
verkeeren.
Deze onjuiste voorstelling van Koch is zonder twijfel
alleen daaraan toe te schrijven, dat hij volgens zijne
eigene woorden *), „slechts de helft van het vraagstuk n.1.
de oorzakelijke verhouding van de tuberculose heeft bewerkt,
•) ibidem S. 18.
-ocr page 27-
21
doch de anatomische details, v. n. wanneer zij van de kennis
dier oorzaken zoo ver af liggen als het kaasachtig worden
van tuberculeuse weefsels, aan de patholoog-anatomen moot
overlaten."
Ook alle andere hem napratende patholoog-anatomen en
bacteriologen geven ons deze reuscellen in jonge en in grijze
ontwikkelde tuberkels niet te zien, tenzij in eene schema-
tische of halfschematische voorstelling.
Bij Ziegler e. a. kan men zich daarvan overtuigen.
Zelfs geene beelden, die op eene reuscel eenigermate
gelijken, doen zich voor in doorsnede van jonge of grijze
gave tuberkels.
Alleen in kaasachtig veranderde tuberkels v. n. in zulke,
waarin het versterf nog niet lang geleden begonnen is,
zoodat de kernen nog duidelijk zichtbaar zijn, doen zich
beelden voor, die aan reuscellen zouden kunnen doen denken
en die ook tot het aannemen van dergelijke cellen in den
tuberkel hebben geleid.
Wanneer n.1. de binnenste cellen afsterven, bieden de
kernen het langst weerstand. Deze liggen dan te midden
van de fijnkorrelige detritusmassa, welke uit een grooter
of kleiner aantal afgestorven tuberkelcellen is ontstaan.
De tuberkel schrompelt daarbij tevens meer of minder en
nu kan het binnenste daarvan wel eenigszins gelijken op
eene groote cel met weinig duidelijke omtrekken en veel
kernen. Yan daar ook, dat de verschillende onderzoekers
deze cellen in verschillende grootte en gedaante en ook
het aantal kernen verschillend afteekenen.
Tegen dat voordragen van bacillen uit een kaasachtigen
-ocr page 28-
22
haard, zooals Koch dat leert, bestaat overigens nog dit
bezwaar.
Wij hebben gezien, dat de tuberkel geheel en al uit
cellen bestaat.
Bij de ontwikkeling dringt zij het weefsel van het or-
gaan, waarin zij ligt, niet uit elkander, maar woekert
tusschen alle bestanddeelen daarvan in, neemt deze tus-
schen zich op en verstikt ze, zoodat het geheele weefsel
van het orgaan on daarmede ook de bloed- en lymphvaten
daarin te gronde gaan.
Den langsten weerstand bieden daarbij de meest resis-
tente weefselbestanddeelen, b.v. in de longen de elastieke
vezelen van de longblaasjes en wanneer men verkaasde
kleinere conglomeraten van de long voorzichtig uitpenseelt,
treedt het geraamte der blaasjes, voor zoover het door de
elastieke vezelen wordt gevormd, weder zeer duidelijk voor
den dag.
Zoolang alle cellen van den tuberkel nog niet zijn af-
gostorven, zijn volgens Koch er nog bacillen in aanwezig,
doch op het laatst, wanneer het verstervingsproces op het
hoogst is en dus het geheele knobbeltje in fijn korrelige
kaasachtige massa is overgegaan, zijn er geen bacillen
meer. Zoolang dit echter niet het geval is, is de uit gave
en nog vrij gave cellen bestaande randlaag ook nog aan-
wezig en vormt een vast aaneengesloten, dichte cellen-
muur rondom dat kaasachtig centrum, in welke randlaag
eveneens de bloed- en lymphvaten ontbreken. Hoe nu,
zoolang het afstervingsproces nog niet zijne volle hoogte
heeft bereikt en dus nog bacillen er in zijn, de wandelende
cellen door dien muur van gave tuberkelcellen heen zullen
-ocr page 29-
23
kunnen dringen om die bacillen er uit te dragen, is toch
zeker niet recht duidelijk.
Ik herhaal nog eens, dat ik het voorkomen van reuscellen,
die Koch zulk een belangrijke rol toekent bij de ontwik-
keling van den tuberkel, in jonge tuberkels en in gave
grijze geheel ontwikkelde tuberkels even zoowel als in gele
afstervende tuberkels ten eenemale moet ontkennen.
II.
De biologische eigenschappen van Koch\'s tuberkelbacillen.
Uit bewijs, dat wij werkelijk tuberkelbacillen en geene
andere in gedaante en grootte daarop gelijkende bacillen
voor ons hebben, is volgens Koch de karakteristieke kleu-
ring.
„Wel is waar deelen zij, zooals hij zegt1), deze kleur-
„ reactie met de leprabacillen en leert ons dit voorbeeld
„reeds, dat de tuberkelbacillen geenszins eene geheel ex-
„ceptioneele plaats innemen met betrekking tot hunne ver-
„ houding tegenover kleurstoffen en is het daarom ook niet
„onwaarschijnlijk, dat in het verloop van tijd nog andere
„bacteriesoorten gevonden worden, welke dezelfde of derge-
„lijke kleuringseigenschappen bezitten als de tuberkelba-
„ rillen.
„Eenigen invoed op de opvatting van de oorzakelijke be-
„teekenis der tuberkelbacillen zoude een zoodanige ontdek-
„king intusschen ook niet uitoefenen. Want de bijzondere
\') ibidem S. 13.
-ocr page 30-
24
„reactie tegenover kleurstoffen is toch niet de eenige speci-
„fleke eigenschap der tuherkelhacillen; zij bezitten integen-
„deel, zooals wij later zien zullen, ook in biologisch op-
„zicht een rij van andere eigenaardigheden, welke veel
„krachtiger gronden opleveren, om hen als eene speci-
„fieke soort van de overige bekende bacteriën te schei-
„den."
Wij willen ons hier aan de oorspronkelijke door Koch
aangegeven kleuring houden, waarop later vele alteraties
zijn geleverd.
Of die alteraties van Koch\'s navolgers nu altijd emen-
daties van de oorspronkelijke methode van den meester
mogen heeten, willen wij voor het oogenblik daarlaten.
Hij kleurt zijne tuberkelbacillen zonder kweeking d.w.z.
zooals zij volgens hem in den natuurlijken staat in de af-
gescheiden stof van tuberculeuse organen, b.v. in opgehoeste
slijmmassa\'s of sputum en zooals zij in de weefsels voorkomen
en dan in doorsneepraeparaten van zulke organen, en hij
kleurt ze na kweeking, in de zoogen. reinculturen, nadat
uit kiemen of bacillen, die op de zoo even genoemde plaat-
sen voorkomen, een grooter aantal in de broedstoof zijn
gekweekt.
Uit opgehoeste slijmmassa wordt een tuberculeus vlokje
uitgezocht en op een dekglaasje zoo fijn mogelijk verdeeld;
nadat die stof daarop opgedroogd is, wordt dit nog eens
tot 110° C. verhit, hetzij dat men het 10 min. lang in
een tot dien graad verhitte droogkast plaatst, hetzij dat
men het driemaal door een gas- of spiritusvlam langzaam
heen en weer beweegt.
Beide praeparaten, zoowel die op het dekglaasje als
-ocr page 31-
25
de doorsnecpraeparaten die alleen genomen worden uit
organen, welke in absoluten alcohol goed gehard zijn,
komen nu eerst korter of langer met de kleurstof, die
eene alcoholische oplossing is, — 100 cM3 anilinewater,
11 cM8 alcoholische methylvioletoplossing (of fuchsine) en
10 cM3 absolute alcohol, — in innig contact. De kleur-
ing van de dekglaspraeparaten kan bekort worden door
deze met de vlakte, waarop de massa zoo dun mogelijk
is uitgestreken, op de kleurstofoplossing te leggen en ze
dan tot kokens toe 10 min. te verhitten, of men handelt
er mee als met de doorsneepraeparaten, die niet verhit
worden, maar minstens 12 uur in de kleurstofoplossing
blijven.
Om nu de omgevende elementen of weefsels, die de
kleurstof niet zoo vasthouden als de zoogen. tuberkelbacil-
len te ontkleuren, worden de praeparaten in een mengsel
van 1 dl. salpeterzuur op 3 a 4 dl. water eenige seconden
heen en weer bewogen en daarop gedurende 10 a 15 min.
afgewasschen met alcohol van 60 %. Dan vindt de tweede
kleuring plaats, n.1. van de ontkleurde omgevende elemen-
ten of weefsels met eene andere kleurstof als de eerst ge-
bruikte, welke de tuberkelbacillen hebben vastgehouden,
en wel met eene waterige oplossing van vesuvine of me-
thyleenblauw, al naar de kleur, die aan de bacillen bij
de eerste kleuring is gegeven, zoodat men de bacillen
rood gekleurd in een blauw of geel weefsel ziet of om-
gekeerd.
Nu worden de praeparaten nog eens met alcohol van
60 % afgespoeld en eindelijk om het water er aan te ont-
trekken in absoluten alcohol gelegd, daarna met cederolie
-ocr page 32-
26
opgehelderd en in canadabalsem ingesloten, wanneer men
ze bewaren wil.
Ik heb deze kleuring alleen vermeld om te doen zien,
dat uiterst fijne organismen bij eene dergelijke procedure
het leven en daarmede de beweging plotseling moeten ver-
liezen en zich dus daarna als verstijfde rechte, gebogen,
min of meer geknikte of ietwat spiraalvormig gedraaide
staafjes voordoen, wanneer zij het leven en de beweging
reeds niet vroeger hebben verloren, hetgeen natuurlijk met
diegene het geval is, die in weefsels voorkomen, welke
in absoluten alcohol zijn gehard.
Daaruit nu besluit Koch, dat zijne tuberkelbacillen geene
cigene beweging hebben.
Gesteld echter, dat zijne bacillen werkelijk bestonden,
dan heeft Koch toch geen recht om naar het voorkomen
van op deze wijze gedoode en gekleurde bacillen te beslui-
ten, dat zij ook, zonder die procedure ondergaan te hebben,
in hunnen natuurlijken staat zulke verstijfde, rechte, ligt ge-
knikte, gebogene of ietwat spiraalvormig gedraaide en eigene
beweging missende microben zijn en hun verschillende bio-
logische eigenschappen toe te schrijven met betrekking tot
secretie of productie van ziektemakende stoffen, waardoor zij
de oorzaak zouden zijn van de ontwikkeling der tuberkels.
Wel is waar, zegt hij *), dat hij in versche, grijze tu-
berkelknobbeltjes uit de longen van genueesche biggetjes
zijne bacillen zonder de aanwending van het een of ander
kleurmiddel heeft gezien en dat zij ook daarin geene eigene
beweging vertoonden.
\') ibidem S. 14 en 15.
-ocr page 33-
27
Met dat versche en grijze laat zich echter moeilijk ver-
eenigen, wat hij er bij vermeldt, n.1. „Om praeparaten
voor die wijze van waarneming te verkrijgen zijn slechts
zulke tuberculeuse stoffen te gebruiken, welke aanzienlijke
massa\'s bacillen bevatten, omdat enkele bacillen in de
detritusmassa zonder behulp van de kleurreactie niet met
zekerheid zijn te onderscheiden".
Die detritusmassa, d. i. afgestorven tuberkelcellenmassa
wordt nu toch niet in versche grijze tuberkels aangetrof-
fen, zoodat ik aan deze bewering van Koch volstrekt geene
waarde kan toekennen.
Hoe rijmt zich deze bovendien toch met zijne vroegere
verklaring1), dat hij noch in grijze tuberkels, die hij
als dekglaspraeparaten met naalden uit elkander praepa-
reerde, noch in doorsneden van versche grijze miliairtu-
berkels
ooit microörganismen aantrof en dat hem het aan-
toonen van zijne bacillen in tuberkeimassa eerst ge-
lukte , nadat hij zijne verbeterde kleurreactie uitvond.
Zooals ik vroeger heb gezegd, toen ik Nolen op dit
punt terecht wees, doch waarop ik duidelijkheidshalve be-
neden nog even zal terugkomen, is tuberkeimassa ge-
heel iets anders dan een grijze gave tuberkel.
Nergens nu geeft Koch, zooals ik nogmaals herhaal, in
jonge tuberkels zijne bacillen
te zien.
Ondanks talloozo onderzoekingen heb ik zelf noch in on-
gekleurde of in op zijne of andere wijze gekleurde jonge
tuberkels
afkomstig van experimenteele tuberculose, noch
in de kleinste grijze, crude, puntvormige en sub-miliaire
\') ibidem S. 5.
-ocr page 34-
28
knobbeltjes bij acute miliair-tuberculose van den mensch
uit verschillende organen of, als deze naast uitgebreide
tuberculeuse aandoeningen in hetzelfde orgaan worden
aangetroffen, hetzij in met naalden uiteengepraepareerde
fragmenten, hetzij in doorsneden daarvan, zijne bacillen
ooit kunnen vinden.
Nergens ook geeft Koch in volkomen ontwikkelde gave
crude grijze
tuberkels zijne bacillen te zien.
Wel beweert hij dit van den in fig. 1 bij a op plaat I
voorgestelden tuberkel, maar iedereen kan zich bij de be-
schouwing van deze fig. 1 overtuigen, dat al de daarin
afgebeelde knobbeltjes een meer of minder verkaasd bin-
nenste
hebben en eveneens bij die van fig. 2, waar een
gedeelte van dien tuberkel bij 700malige vergrooting is
afgeteekend, dat dat het geval is.
Men ziet hier geene tuberkelcellen, alleen de overge-
bleven kernen te midden van eene fijn korrelige massa.
Die tuberkel is dus reeds in den toestand van versterf.
Bovendien noemt hij het binnenste van de bij c en d
fig. 1 aangegeven tuberkels verkaast en kernloos, doch
geeft in fig. 4 van c en in fig. 5 van d reuscellen te
zien omgeven door fijnkorrelige detritusmassa met vele
kernen
en enkele cellen, wat met dat kernloos bezwaarlijk
zich laat vereenigen.
Evenmin zien wij in fig. 7 en 8, die volgens Koch grijze
knobbeltjes
voorstellen, tuberkelcellen, maar ook weer de
bekende kernen te midden van een uiterst fijnen detritus.
Hetzelfde geldt van fig. 22, waar eveneens bij 700malige
vergrooting eene doorsnede van een tuberkel uit de om-
geving van eene tuberculeuse darmzweer te zien is. Ook
-ocr page 35-
29
van deze zegt hij, dat het versche grgze knobbeltjes
zijn, hoewel hij geene tuberkelcellen er in te zien geeft,
maar alleen kernen te midden van den fijnkorreligen detri-
tus der te gronde gegane tuberkelcellen.
"Wel beweert hij, zooals wij zoo juist gezien hebben, dat
hij ze ongekleurd heeft gezien in grijze knobbeltjes bij
genueesche biggetjes, maar dat grijze en crude is ja niet
te rijmen met den detritus, dien hij daarin vermeldt.
Ik moet daarom volhouden, dat Koch zijne tuberkelba-
cillen niet in jonge en evenmin in geheel ontwikkelde nog
grijze tuberkels laat zien, en derhalve niet daar, waar hij
beweert, dat hij ze vertoont, en ook niet daar, waar hij
ze moet laten zien, indien wij een oorzakelijk verband van
dergelijke microben met de tuberculose zullen kunnen aan-
nemen.
Bij het aantoonen nu door kleuring van gekweekte
tuberkelbacillen wordt of een weinig tuberculeuse massa
afgezonderd uit opgehoeste slijm van lijders aan longtuber-
culose met verweeking en opvolgende vorming van holten,
die met luchtpijpstakken in opene verbinding staan, of iets
van diezelfde massa na den dood uit dergelijke holten ge-
nomen en in de broedstoof geplaatst, d. i. in een toestel,
waarin de warmtegraad voordurend op dezelfde hoogte
wordt gehouden.
In de van de eerste plaats genomen massa zijn nu eens
weinige, dan eens vele, soms zeer vele mondslijmbacillen
en natuurlijk ook hare sporen of kiemen aanwezig, die
daarmede gemengd zijn geworden op de passage van het
sputum langs de grootere luchtwegen, de keel- en de mond-
holte. Ook in den inhoud en aan den wand van zulke
-ocr page 36-
30
holten in de longen komen mondslijmbacillen of hunne kie-
men voor, die bij de inademing en het hoesten in de fijnere
luchtwegen en daarlangs in de cavernen geraken.
"Welnu, die microben leven voort en hare kiemen of spo-
ren ontwikkelen zich in de gelijkmatige atmospheer van
de broedstoof.
Na verloop van eenige dagen worden deze er uit ge-
nomen en gekleurd.
Ik wil hier nog even opmerken, dat Koch zich ten op-
zichte van den duur der ontwikkeling zijner tuberkelbacillen
wel wat tegenstrijdig uitlaat. „De groei der tuberkel-
bacillen, lezen wij *), gaat slechts zeer langzaam en de
cultuurpraeparaten moeten daarom weken lang in den
broedtoestel blijven," maar iets later zegt hij2), „dat
in zulke culturen, waarin door geene vreemde ingedron-
gen bacteriën de ontwikkeling der tuberkelbacillen wordt
vernietigd, zich met 10 a 15 dagen de eerste teekenen der
groeiende koloniën van tuberkelbacillen vertoonen," en even
daarna, dat reeds met 5 a 6 dagen jonge koloniën zich voor-
doen , terwijl hij eindelijk in fig. 44 eene dergelijke kolo-
nie afteekent met vrij duidelijke tuberkelbacillen, welke
zich in het verloop van 14 dagen ontwikkeld hebben, zoo-
dat daaruit toch niet volgt, dat die ontwikkeling weken
lang duurt.
Diezelfde procedure wordt nu gevolgd voor de kleuring
van de gekweekte bacillen als bij de eerstgenoemde praepa-
raten. Ook hier droogen, verhitten, kleuren met een al-
coholische kleurstofoplossing, het gebruik van salpeterzuur
\') ibidem S. 50.
») ibidem S. 51.
-ocr page 37-
31
voor de ontkleuring, afspoelen met alcohol van 6ö°/o,
aanwending van alcohol om het water er aan te onttrek-
ken enz.
Dat er dan geen leven en beweging meer overblijft in
deze subtiele wezens zal, zooals ik reeds opmerkte, wel
niemand verwonderen, die de gewone mondslijmbacillen te
midden van hun levendig spel heeft gadegeslagen en hen,
zoo pas nog in velerlei bochten zich bewegende, plotseling
heeft zien verstijven bij het toevoegen van een droppel
alcohol, tengevolge waarvan sommige als rechte, andere als
ligt geknikte of gebogene en weer andere als min of meer
spiraalvormig gedraaide staafjes zich na den dood voordoen.
Zij zijn het, die naar mijne meening Koch hebben be-
wogen de bacillaire oorzaak der tuberculose aan te nemen.
Deze vinden de Clinici in de sputa, wanneer zij naar
tuberkelbacillen zoeken.
Ik wil daarmede echter geenszins de mogelijkheid ont-
kennen, dat anderen bij hun onderzoek naar tuberkelba-
cillen in verschillende organen ook wel andere bacteriën
daarvoor houden.
Wanneer verder grijze miliairtuberkels, waarin nog geen
spoor van versterf is waar te nemen en waarin ik geene
reuscellen of Koch\'sche bacillen kan ontdekken, worden
fijn gewreven, met gedestilleerd water aangemengd en deze
vloeistof na behoorlijke filtratie wordt ingespoten bij die-
ren, zien wij eene miliairtuberculose zich ontwikkelen.
Ook deze brengt Koch natuurlijk op rekening van zijne
tuberkelbacillen, die, zooals hij leert, reeds terstond bij de
ontwikkeling er in gekomen zijn en eerst bij het volledig
-ocr page 38-
32
afsterven van den tuberkel er uit verdwijnen en die der-
halve in die grijze knobbeltjes rijkelijk aanwezig
moeten zijn.
Niet alleen echter, dat Koch ze; zooals wij gezien heb-
ben , in dergelijke grijze knobbeltjes nergens te zien geeft,
maar hij zegt, zooals wij vroeger eveneens vermeld heb-
ben, ook zelf, dat hij in den beginne ondanks alle moeite
geene microorganismen in versch ontwikkelde grijze knob-
beltjes uit de longen van dieren kon vinden, maar dat
hij voor het eerst met zijn verbeterd kleurmiddel deze ont-
dekte in de tub er kei massa
en dat hem zulks ook daarna,
ofschoon met veel meer moeite, gelukt is in doorsneeprae-
paraten.
Ik behoef betreffende deze verklaring van Koch zeker
niet uitvoerig er op terug te komen, dat deze feiten voor
den oorzakelijken zamenhang van de door hem op beide
plaatsen door kleuring aangetoonde bacillen met de tuber-
culose volstrekt niets beteekenen.
Tuberkeimassa is gelijk aan afstervend en afgestorven
tuberkelcellenweefsel;
dergelijke fijnkorrelige detritusmassa
met meer of minder kernen vinden wij niet in grijze tn-
berkels,
maar wel in gele afstervende tuberkels, in dito
conglomeraten en daaruit ontstane verweekte haarden en
kleine of grootere holten.
Tuberkeimassa is dus geheel iets anders dan versche
grijze tuberkels.
Zulke massa wordt in de opgehoeste
slijm en
in den inhoud en aan den wand van door ver-
woesting van het longweefsel ontstane holten of cavernen
gevonden en zoolang Koch nu niet zegt, van waar hij
die tuberkelmassa neemt, bewijst dit dus niets.
Bovendien deelt Koch omtrent zijne doorsneepraeparaten
-ocr page 39-
33
mede, dat daarin het aantoonen van de bacillen veel meer
moeite veroorzaakte tusschen de dicht opeengedrongen ker-
nen en de detritusmassa.
Deze toelichting is toch wel zeker een afdoend be-
wijs, dat zijne doorsneepraeparaten niet van versche pas
ontstane of grijze tubei\'kels afkomstig waren, want daarin
wordt geene detritusmassa, d. i. afstervend tuberkelcellen-
weefsel aangetroffen.
Ofschoon ik er volstrekt niets op tegen heb om een
bacillaire oorzaak der tuberculose aan te nemen, wanneer
afdoende bewijzen voor het bestaan der Kochsche bacillen
worden geleverd, is het toch zeker te veel gevergd om
het bestaan daarvan te erkennen, wanneer bij den ont-
dekker dezer microorganismen de bewijzen daarvoor niet
worden aangetroffen en ik zelf ze niet kan vinden op de
plaatsen, waar zij toch in de eerste plaats moeten kunnen
worden waargenomen, indien zij bestaan.
Ik kan daarom deze feiten niet als bewijzen beschouwen
voor het bestaan der Kochsche bacillen in gave grijze tu-
berkels en moet nogmaals op den voorgrond stellen, dat
Koch zijne tuberkelbacillen niet daar laat zien, waar hij
beweert, dat hij hen laat zien, en waar hij hen toch moet
laten zien, indien wij een oorzakelijk verband van dergelijke
microben met de tuberculose zullen kunnen aannemen.
Wenden wij ons thans tot de bespreking der waarde van
den toetsteen voor het bestaan van specifieke ziektemakende
tuberkelbacillen.
-ocr page 40-
34
III.
De beteekenis van de zoogen. reinculturen
der tuberkelbacillen.
Volgens KOCH *) komen zijne tuberkelbacillen bij alle
tuberculeuse ziekteprocessen en wel uitsluitend bij deze voor
en zijn alleen tuberkelbacillen bevattende stoffen in staat
tuberculose te weeg te brengen.
„In beide gevallen zijn echter deze bacillen, zegt hij, aan
bestanddeelen van het lichaam gebonden en daarom be-
stond grond voor het vermoeden, dat naast de bacillen
nog de eene of andere stof van beteekenis was, ja dat
deze misschien zelfs de eigenlijke smetstof kon zijn en de
bacillen slechts een secundaire rol bij de besmetting ver-
vulden."
„Die vraag kon alleen daardoor beslist worden, dat de
bacillen geheel zuiver en afgescheiden van alle bestanddeelen
van liet lichaam werden ingeënt of ingespoten."
„Wanneer zij ook dan nog tuberculose veroorzaakten, dan
moesten zij de eenige en onbetwistbare infectiestof der tu-
berculose zijn."
Van daar zijn infectieproeven met de zoogen. reincultu-
ren zijner tuberkelbacillen, d. w. z. met inenting of inspui-
ting van gekweekte tuberkelbacillen, die, zooals hij be-
weert, niet alleen vrij zijn van verontreiniging met andere
bacillen, maar bovendien geheel en al vrij zijn van alle be-
standdeelen van het lichaam.
In de meest dezer proeven waren die bacillen meerma-
len omgekweekt, m. a. w. van de eerste cultuur werd een
\') ibidem S. 65.
-ocr page 41-
35
gedeelte genomen en daarmede een tweede cultuur aange-
legd; door uit die tweede weer iets te nemen werd een
derde cultuur aangelegd en zoo werd vervolgens 5, 10,
15, 20, ja zelfs eens 26 maal een cultuur van zijne tu-
berkelbacillen voortgekweekt gedurende 2, 3, 4, 6, en
zelfs 12 maanden.
De positieve uitkomsten dezer proeven zijn voor Koch en
zijne aanhangers onloochenbare bewijzen, dat de tuberkel-
bacillen de eenige oorzaak zijn der tuberculose.
Oogenschijnlijk zijn dit hoogst belangrijke proeven, waar-
van de uitkomsten wel in staat schijnen allen twijfel, die
omtrent het bestaan der tuberkelbacillen en haar oorzakelijk
verband met de tuberculose bij het bestudeeren van Koch\'s
verhandeling mocht opgekomen zijn, weg te nemen, in-
dien ten minste deze reinculturen ook inderdaad rein
zijn,
dat is niet alleen vrij zijn van de verontreiniging met
andere bacteriën, maar en juist hierop komt het in dit
geval aan, ook vrij van alle tuberculeuse substantie zyn.
Met betrekking tot deze zijde van het vraagstuk echter
heeft Koch bij zijne nadere onthulling medio Januari 1891
eene merkwaardige mededeeling gedaan.
Hij heeft toen n.1. niet alleen verklaard, dat de tuber*
culine een glycerine-extract is uit reinculturen van tuber-
kelbacillen,
maar tevens, dat deze tuberculine eene zekere
hoeveelheid afstervende tnberkelsnbstantie bevat.
De bijvoeging van die zekere hoeveelheid afstervende tu-
berkelsubstantie ontneemt
nu naar mijne meening in tegen-
stelling met die van Nolen, volgens welke Koch in zake
de tuberculose voor de reincultnur van bacteriën het Colnm-
bus-ei vond, aan deze reinculturen al hare reinheid.
3*
-ocr page 42-
36
Ik ben daarom zeer benieuwd, hoe U met Uwe voor-
gangers het zult maken om aan te toonen, dat die quasi
reincnlturen wel degelijk rein d. i. ook vrij van alle be-
standdeelen van het lichaam zijn en nog wel van zulke
besmettende bestanddeelen als de afstervende en afgestor-
ven tuberkelsubstantie is.
De afstervende tuberkelsubstantie behoudt, zooals wij
gezien hebben, onder gewone omstandigheden droog of
vochtig bewaard, — weken en maanden lang hare viru-
lentie. In serie 47 mijner experimenten was dat in ge-
droogden toestand 59 dagen, in serie 77 109 dagen en
bij latere in de laatste maanden van het vorige jaar ge-
nomen proeven 184 dagen het geval.
Daarmede is echter, zooals ook uit de proeven van
Koch blijkt, de termijn voor het vasthouden der virulen-
tie of den duur der tenaciteit nog niet bereikt.
Deze laatste door mij genomen proeven waren ook de
reden, waarom ik den termijn voor mijn Uden brief aan
U wat ruimer nam dan voor de door U te leveren bewij-
zen strikt noodig was, terwijl zij mij tevens de gelegenheid
aanboden om bij pas ontwikkelde experimenteele tubercu-
lose de jonge knobbeltjes nogmaals op tuberkelbacillen te
onderzoeken.
Ik vond het n.1. niet van belang ontbloot de vroegere
proeven met gedroogde tuberculeuse massa, welke toen
59 en 109 dagen bewaard was, nog eens te herhalen en
zoo mogelijk uit te breiden met het oog op de tenaciteit
van de smetstof der tuberculose. De uitkomsten van deze
laatste proeven zijn positief; ook bij de daarvoor gebruikte
honden ontwikkelde zich eene miliairtuberculose van meer
-ocr page 43-
37
of minder uitgebreidheid in de lever behoudens enkele
knobbeltjes in de longen en nieren.
Nolen kan thans gerust zijn, dat de voor deze laatste
proeven gebezigde tuberculeuse massa geen andere eigen-
schappen vertoont dan die, welke door mij bij mijne in
den goeden ouden tijd genomen proeven werd gebruikt.
Er bestaat nu volstrekt geen reden om aan te nemen,
dat de afstervende en afgestorven tuberkelsubstantie in de
gelijkmatige atmospheer van de broedstoof bij een warmte-
graad van ongeveer 37° C. hare virulentie niet even zoo
lang zal behouden, als wanneer zij droog of vochtig in
een gesloten fleschje in het laboratorium of in de studeer-
kamer wordt bewaard, waar gedurende eenige maanden
de temperatuur afwisselt tusschen 8° C. en 20° C.
Zooals bekend is, was het reeds aan Virchow en Fürbringer
opgevallen, dat bij met tuberculine behandelde lijders in
het oog vallend veel miliairtuberculose voorkwam.
Mijne experimenten bij de vier honden, bij wie tuber-
culinc werd ingespoten, hebben onbetwistbaar aangetoond,
dat — ondanks het verblijf in de zoogen. reinculturen,
ondanks het omkweeken en ondanks het uittrekken met gly-
cerine, en wat er dan door Koch nog meer werd gedaan
bij de bereiding van zijn middel, doch wat hij ons nog steeds
schuldig is gebleven mede te deelen, om uit die specifiek
gevaarlijke tuberculeuse substantie een heilzaam genees-
middel te fabriceeren, — de daarin bevatte en aan die rein-
cultui\'en ontleende tuberculeuse detritusmassa hare virnlen-
tie nog niet had verloren.
Uitdienhoofde moet ik staande houden, dat de uit-
komst, welke Koch en zoo vele onderzoekers op zijn gc-
-ocr page 44-
38
zag op rekening stellen van de inenting of inspuiting der
zoogen. reinculturen hunner denkbeeldige tuberkelbacillen,
n.1. het ontstaan eener miliairtuberculoso bij de proefdie-
ren , alleen veroorzaakt wordt door de aan die. zoogen. reincul-
turcn nog klevende zekere hoeveelheid afstervende tuber-
kelsuhstantie, welke Koch ja zelf erkent, dat het glycerine
extract uit de reinculturen zijner bacillen nog bevat en
die hij met glycerine uit de reinculturen toch niet kan
uittrekken, als zij daarin niet aanwezig is, en welke hoe-
veelheid, hoe gering dan ook, in elk geval nog voldoende
is om, wanneer die quasi-reinculturen bij konijnen, genueescbe
biggetjes en veldmuizen worden ingeënt of ingespoten, eene
meer of mindere uitgebreide tuberculose teweeg to brengen.\'
Wel is waar wordt slechts een met het blootc oog even
zichtbaar gedeelte van een rcincultuur van bacteriën ver-
eischt om eene tweede cultuur en zoo vervolgens aan te
leggen, maar daarom moet men zich nog niet voorstellen,
dat ook maar even zoo weinig massa uit zulk eene rein-
cultuur door Koch bij zijne proefdieren werd ingespoten
met de bedoeling om miliairtuberculose op te wekken.
In een gedeelte van een reincultuur van bacteriën ter
grootte van een kleinen speldeknop kan men gerust het
aantal bacillen op een half millioen stellen, zooals uit de
teekening bij Koch in fig. 44 blijkt.
Wanneer men dus met een platinadraad maar een spoor
uit zulk eene cultuur neemt. brengt men ongerekend de
kiemen zeker een voldoend aantal jonge bacillen over
om daarmede op geschikt voedingsmateriaal eene tweede
cultuur aan te leggen.
Maar ondanks die enorme hoeveelheid bacillen in een
-ocr page 45-
39
zoo uiterst gering gedeelte van eene cultuur en ondanks
de verzekering van Koch, dat zijne bacillen de cenige dra-
gers van de smetstof bij de tuberculose zijn, zag hij hon-
den, ratten en witte muizen tengevolge van zeer rijkelijke
bacillen-inspuitingen eerst na verloop van eenige maanden
te gronde gaan i).
Daarom noemt Koch deze dieren minder vatbaar voor
het tuberkelvirus.
Dit staat echter in lijnrechte tegenstelling met de
resultaten van mijne proeven, waarbij slechts eenige milli-
grammen gedroogde tuberculeuse massa, waarin ik, hoe
dan ook onderzocht, geen enkelen Kochschen bacil kan
ontdekken, voldoende zijn om bij honden eene meer of
minder uitgebreide, ja zelfs doodelijko miliairtuberculose
te veroorzaken.
Aan de tegelijk met deze specifiek besmettelijke afster-
vende tuberkelsubstantie ingespoten zoogenaamde i*eincultu-
ren van bacteriën, n.1. van mondslijmbacillen, wanneer de
massa voor den aanleg der cultuur uit sputum of caverne-
inhoud, en van andere bacteriën, wanneer zij van elders
genomen is, kan ik daarom niet de minste waarde toeken-
nen voor het ontstaan der tuberculose.
Dit alles in aanmerking genomen zal men bezwaarlijk
kunnen beweren, dat ik mij op losse schroeven tegen de
juistheid van Koch\'s leer verklaar, maar daarom ook meen
ik, zonder eenigzins te kort te doen aan de waardeering
van de verdiensten van Koch omtrent onze kennis van het
vraagstuk der tuberculose, waarbij Uwe pogingen en die
\') ibidem S. 71.
-ocr page 46-
40
Uwer voorgangers in de kritiek van hoegenaamd geene
waarde moeten geacht worden, recht te hebben om te
vorderen, dat volstrekt afdoende bewijzen geleverd worden
voor de meening, die Koch aangaande de oorzaak der tu-
berculose als waar verkondigt.
IV.
Uwe tegenwerpingen.
Hebt Gij nu door Uw betoog en door de mij ter be-
zichtiging gezonden 4 praeparaten, welke Uwe ambtgenoo-
ten, die onder Uwe leiding een bacteriologischen cursus
meemaakten, U geleend hebben, de bewijzen geleverd,
dat door Koch wel degelijk datgene is opgehelderd, wat
ik beweer, dat niet het geval is en dat gewichtig genoeg
is voor mij om zijne leer vooralsnog als niet op weten-
schappelijke feiten gegrond en als onbewezen te beschouwen.
Vooraf een enkel woord omtrent uwe houding in dezen.
Daar uit Uw eerste opstel in no. 33 der Geneeskundige
Courant niet duidelijk bleek, dat Uwe tegenwerpingen op
eigen onderzoek berusten, gaf ik in mijn I8ten Open brief
daaromtrent twijfel te kennen.
Daarop antwoorddet U in no. 40 met de verzekering,
„dat U zelf in tuberculeuse organen vele malen de tuberkel-
bacillen hebt gekleurd en dus volstrekt niet alleen op ge-
zag van anderen zulks hebt beweerd en dat U hoopt in
de maanden October en November in de gelegenheid te
zijn praeparaten van tuberculose in het hospitaallaborato-
rium te doen vervaardigen en mij er eenige te doen toe-
komen."
-ocr page 47-
41
U waart alzoo destijds, zooals uit dit d o e n blijkt, reeds
voornemens zulks aan anderen over te laten, hetgeen wel
wat vreemd was met het oog op bovenstaande verzekering.
Ondanks die belofte laat U deze maanden verloopen.
Om U daaraan te herinneren, zond ik 1 Dec. aan de
HH. uitgevers van de G. Crt. een briefje met ver-
zoek om plaatsing in het nummer van 4 Dec. Daarop
ontving ik de vier praeparaten, die Uwe ambtgenooten U
leenden, den 3 Dec. in den voormiddag, terwijl U bij de
toelichting daarvan in no. 50 der Geneeskundige Courant
Uwe vreugde te kennen geeft, „dat een gelukkig gesternte
U juist deze praeparaten heeft in handen gegeven.
Moet ik daaruit nu opmaken, dat U het beneden Uwe
waardigheid hebt geacht om U zelf met het vervaardigen
van die praeparaten in te laten, of dat Uwe ambtgenooten,
die onder Uwe leiding een bacteriologischen cursus mee-
maakten, U deze in dank voor die leiding volstrekt heb-
ben willen afstaan?
In elk geval dan is dat gelukkig gesternte Uwe ambt-
genooten, die onder Uwe leiding dien cursus meemaakten,
gunstig geweest en niet U.
In dezelfde toelichting doet U, hetgeen nog vreem-
der is, het voorkomen, dat ik wel in oude maar niet in
jonge tuberkels de tuberkelbacillen heb gevonden.
Ik heb U daarop gevraagd in no. 51, waar of zulks
door mij gezegd of geschreven was, omdat het toch geene
waarheidsliefde verraadt iemand iets toe te dichten, wat
hy volstrekt niet heeft gezegd en wat ook niet in het minst
door mij gezegd kon worden; en waarom, indien U in
ernst zulks bedoelt, — hetgeen toch onmogelijk te rijmen
-ocr page 48-
42
is met deze op pag. 11 van mijn I8ten Open brief ge-
schreven woorden. „Integendeel ik moet in tegenstelling
met Uwe verklaring, de tuberkelbacillen bestaan ongetwij-
feld, volhouden, dat er volstrekt geene Kochsche tuberkel-
bacillen bestaan," — dan door U no. 3 en 4 van het viertal
praeparaten mij werden toegezonden. U hadt deze in dat
geval toch wel gerust achterwege kunnen laten.
Op die vragen hebt U mij geen antwoord gegeven en
met het bekende slotwoord van mij afscheid genomen.
In den beginne heb ik niet kunnen nalaten U te prij-
zen, omdat U in tegenstelling van anderen ridderlijk met
Uwen naam voor den dag kwaamt. Ik had daarom ook
verwacht, dat U zoudt geantwoord hebben: „Ik bemerk
tot mijn leedwezen, dat ik nergens die woorden van U
gelezen heb en ik heb dus Uwe bedoeling verkeerd op-
gevat."
Maar dat doet U niet. Zonder dit te rectificeeren, en
ook zonder mijn raad op te volgen betreffende het bijeen-
brengen van de wetenschappelijke jury, gaat U heen en
voegt mij bovendien nog eenige amoeniteiten toe. Ik vind
deze handelwijze al heel onridderlijk.
In dit opzicht maken dan ook mijns inziens Uwe voor-
gangers Fokker met zijne gewichtige machtspreuk, Nolen
met zijn Columbus-ei en bewonderend opzien tot Koch\'s
ontdekking en Mac Gillavry en Siegenbeek van Heukelom
met hun dreigend den vinger opsteken nog wel zulk een
aangename figuur als U met Uwe onbepaald te kennen
gegeven meening, Uwe drie feiten, Uwe verzekering en
belofte, Uw geleende praeparaten, Uwe onridderlijke toe-
dichting en even onridderlijk afscheid.
-ocr page 49-
43
"Wat nu in de eerste plaats Uw betoog betreft, ik heb in
mijn Isten Open brief (pag. 10 e. v.) duidelijk uiteengezet,
dat de door U gestelde drie feiten hoegenaamd niets be-
wijzen voor het bestaan van de zoogen. Kochsche bacillen
en hun oorzakelijk verband met de tuberculose en juist deze
feiten voldoende Uwe onkunde omtrent het vraagstuk aan-
toonen, waarom ik zulks hier niet zal herhalen.
Ik vertrouw, dat U dit met betrekking tot het IIIde
door U gestelde feit n.1. „dat met deze gekweekte bacte-
rien bij proefdieren tuberculose kan worden opgewekt,
terwijl in de kunstmatig tuberculeus gemaakte organen al-
weder dezelfde staafjes zijn aangetoond", later nog nader
door U toegelicht, wanneer U zegt \'): „Koch heeft zijne
culturen vele malen van buisje op buisje overgeënt, alvo-
rens entingen bij proefdieren te doen. Daardoor zuiverde
hij ze van de tuberculeuse massa, die in het eerste buisje
als uitgangspunt van de culturen had gediend. De tuber-
culose, die werd opgewekt door deze culturen, is dus wel
degelijk door de bacillen zelven veroorzaakt," — door
hetgeen ik zoo juist heb medegedeeld omtrent de waarde,
die aan de reinheid der zoogen. reinculturen te hechten
is, nog duidelijker zal zijn.
"Wat verder de mij gezonden 4 praeparaten aangaat, deze
zijn vervaardigd zonder eenige controle van de zijde van
de gewenschte jury en voldoen dus niet aan de regels bij
ons wetenschappelijk duel gesteld, n.1. dat U zelf — of
een Uwer ambtgenooten onder Uwe leiding, waartegen ik
ook volstrekt geen bezwaar heb — vooraf de praeparaten
\') Geneesk. Courant no. 40, sub 4°.
-ocr page 50-
44
zoudt vervaardigen en laten afteekonen of zelf afteekenen,
opdat de jury deze met de praeparaten zou kunnen ver-
gelijken , terwijl U onder hare oogen nogmaals uit dezelfde
organen dergelijke praeparaten met dezelfde bacillen zoudt
maken.
Dat was toch anders wel een eenvoudig en aannemelijk
voorstel.
Aangezien U, evenals Uwe medestanders in het geloof
aan Koch\'s leer, geene waarde zult hechten aan mijne
verklaring omtrent Uwe praeparaten, wil ik slechts een
enkel woord daaromtrent zeggen.
Ik vind het eerstens wel jammer, dat U overeenkom-
stig mijn voorstel de jury niet bijeen hebt gebracht, om-
dat deze had kunnen beslissen, in hoeverre Uwe praopa-
raten 1 en 2, waarin van tuberkelstructuur hoegenaamd
niets te zien is, als bewijs kunnen dienen, dat de Kochsche
tuberkelbacillen in jonge tuberkels voorkomen. Misschien
zou zij dan ook wel tot de gevolgtrekking gekomen zijn,
dat Uwe ambtgenooten U in dank voor Uwe leiding bij
dien cursus wel geschiktere praeparaten hadden mogen
leenen.
Dan hadt U, indien U gebruik hadt willen maken van
mijn aanbod, veel duidelijker gekenmerkte jonge tuberkels
van experimentele tuberculose van mij kunnen krijgen.
Blijkens Uwe toelichting zijn deze beide vervaardigd
uit het omentum van een konijn, dat den 3en Oct. was
ingeënt met sputa, waarin tuberkelbacillen voorkwamen,
en was het dier drie weken na de inenting gedood.
Waarom hebt U echter dat konijn met sputa geënt en niet
met tufoerculeuse massa
uit de tuberkels van de lever of
-ocr page 51-
45
van andere organen, waaruit U reeds vele malen de tu-
berkelbacillen hebt gekleurd? Dan hadt U toch zeker al-
leen tuberculeuse massa en niet tuberculeuse massa ver-
mengd met levende mondslijmbacillen of hunne kiemen in-
gespoten.
Dat U met opgehoeste slijmmassa van een lijder aan tu-
oerculose met holtevorming in de longen, in welke sputa
afgestorven tuberkelsubstantie voorkomt,
tuberculose kunt
opwekken, bestrijd ik volstrekt niet, doch moet omtrent de
rol, die U aan de daarin voorkomende zoogen. tuberkel-
bacillen, alias mondslijmbacillen toekent, mij aan het boven
pag. 29 en pag. 38 uiteengezette houden.
Met het oog hierop heb ik U in mijn I8ten Open brief
ook voorgesteld bacillen te kweeken uit tuberkelsubstantie,
die met alle voorzorgsmaatregelen.genomen wordt uit gele
miliairtuberkels met verkaasd binnenste of uit kleinere of
grootere conglomeraten daarvan, uit welke organen dan
ook, of uit den inhoud van kleine tuberculeuse holten in
de longen, welke holten nog niet met luchtpijpstakken in
opene verbinding staan. Wij hadden dan kunnen zien, of
er zich bacillen ontwikkeld zouden hebben, en zoo ja, of
die met de Kochsche tuberkelbacillen indentisch waren.
No. 3 en 4 verder der U geleende praeparaten, die U
toch, zooals ik herhaal, indien U werkelijk van meening
waart, dat ik het bestaan van tuberkelbacillen in oude
tuberkels
wel aanneem, als bewijzen achterwege had moe-
ten laten, zijn van oude tuberkels afkomstig.
No. 3 is volgens Uwe toelichting gemaakt uit tuberculose
van eene schapenlong (op het praeparaat staat runderlong)
en bevat groote geïnfiltreerde verkaasdo gedeelten.
-ocr page 52-
46
U had het duidelijker gekenmerkt door te zeggen: be-
vat groote geïnfiltreerde gedeelten, waarin kaasachtig ver-
anderde tuberkels niet meer te zien zijn, doch alleen nog
zeer kleine verkaasde plekjes, die te midden van geïndu-
reerd longweefsel liggen, als de residuen van de te gronde
gegane tuberkels aanwezig zijn.
Nog ouder is de tuberculeuse aandoening in no. 4 Uwer
praeparaten. dat van tuberculose van de nier van een
rund is genomen.
Met alleen verkaasde, maar zelfs verkalkte tuberkels
bevat dit, waarvan de kalk door zuur is uitgetrokken.
Het geeft dus een nog later stadium in het afstervings-
proces van den tuberkel te zien, want eerst, wanneer alle
versterf heeft opgehouden, komt de verkalking.
Aan deze praeparaten, no. 3 met die kleine kaasachtige
plekjes, de residuen van lang te voren te gronde gegane
tuberkels, ingesloten tusschen geindureerd longweefsel, en
no. 4 met die oude reeds verkalkte tuberkels zou zelfs
Koch, geloof ik, op grond van zijne verklaringen hierboven
pag. 13, 14 en 22 aangehaald, geen bewijskrachtige waarde
toekennen.
Niet onaardig is het zeker, dat U wenscht, dat ik
het bestaan van Kochsche
tuberkelbacillen in jonge tuber-
kels
op grond van Uwe praeparaten No. 1 en 2 zal er-
kennen,
doch desalniettemin mij vrijheid geeft om slechts
gedeeltelijk geloof
te schenken aan Koch\'s leer.
U zegt n.1. in diezelfde toelichting, „Ik wil hier dade-
lijk aan toevoegen, dat Uwe erkenning van het bestaan der
tuberkelbacillen door my geenszins zal worden geacht in
-ocr page 53-
47
te sluiten, dat door U de geheele bacteriologische doctrine
der tuberculose wordt omhelsd."
Ik wil U gaarne verzekeren , dat ik, indien ik de Kochsche
bacillen in jonge en geheel ontwikkelde gave, grijze tuber-
kels vind, of deze mij door anderen getoond worden, vol-
strekt geen bezwaar zal hebben met hun bestaan de ge-
heele bacteriologische doctrine der tuberculose te omhelzen,
maar ik verklaar u nogmaals, dat ik de bacteriologische
doctrine
der tuberculose tot dusverre heelemaal niet omhels
en deze niet kan en mag omhelzen,
zoolang, indien Koch
zelf zulks niet doet, doch voortgaat met een geheimzinnig
stilzwijgen in acht te nemen, U en Uws gelijken onder
zijne aanhangers, die daartoe over de middelen tot onder-
zoek beschikken, 1° do zoogen. tuberkelbacillen niet daar
laten zien, waar Koch ze niet laat zien, waar ik ze
niet kan vinden en waar zij moeten voorkomen, indien
zij werkelijk bestaan en geacht zullen kunnen worden
met de tuberculose in oorzakelijk verband te staan;
2° mij niet bewijzen, dat mijne bewering omtrent het niet
bestaan der bacillen en der reuscellen en de beteekenis
dezer laatste voor de ontwikkeling der tuberculose onjuist
is en 3° dat de reinculturen der tuberkelbacillen werkelijk
rein, d. i. vrij van afstervende tuberculeuse substantie zijn.
V.
De bereiding en zamenstelling der tnberculine.
Nog enkele opmerkingen omtrent Koch\'s z.g. genees-
middel.
Op de beweerde biologische eigenschappen van die mijns
-ocr page 54-
48
inziens alleen in de verbeelding bestaande microben had
Koch zijn nieuw geneesmiddel gebaseerd.
Hij bereidt dit middel uit de reinculturen zijner bacil-
len, welke culturen echter, zooals wij zien, ondanks het
reinigingsproces, dat de zekere hoeveelheid afstervende spo-
ciflek besmettelijke tuberkelsubstantie in de broedstoof tij-
dens de verschillende culturen heeft ondergaan, daarmede
bij slot van rekening nog steeds verontreinigd zijn.
Hij erkent immers zelf bij zijne nadere mededeeling
medio Januari 1891, „dat het middel, waarmede de nieuwe
geneesmethode tegen de tuberculose wordt uitgeoefend, een
glycerine-extract is uit de reinculturen der tuberkelbacillen
en dat het eene zekere hoeveelheid afstervende tuberkel-
substantie bevat"
Het middel was dus een op geheimzinnige wijze bereid
glycerine-extract uit de niet reine reinculturen, die niet
rein zijn, omdat zij verontreinigd zijn met afsteiwende èn
specifiek besmettelijke èn septische tuberkelsubstantie, en
wij mogen toch zeker wel gerust aannemen, dat Koch
die zekere hoeveelheid afstervende tuberkelsubstantie niet
extra er nog heeft bijgevoegd, maar dat deze met den
eersten aanleg der cultuur in de broedstoof was gebracht
en omgekweekt, — d. w. z. overgebracht in kleinere hoe-
veelheid in een andere cultuur en zoo vervolgens nog
eenige malen omgekweekt, — in de gelijkmatige atmos-
pheer van de broedstoof hare besmettelijkheid had be-
houden.
De lijkopeningen van "Virchow en Fürbringer hebben
immers met groote zekerheid reeds doen vermoeden, wat
mijne inspuiting van Koch\'s middel in het bloed bij de
-ocr page 55-
49
vier honden onloochenbaar heeft aangetoond —, zeker zul-
len ook wel anderen later het middel in dit opzicht bij
dieren beproefd hebben, — dat zijn middel nog specifiek
besmettelijk kan zijn.
Afstervende tuberkelsubstantie komt nu overal voor,
waar tuberkels te gronde gaan. Op grootc schaal geschiedt
dit bij het ontstaan van holten in de longen en in de nie-
ren, bij de verwoesting van wervellichamen en andere
korte beenderen en in vele andere organen.
Van de eerstgenoemde plaats n.1. uit cavernen in de
longen was zeker de massa voor het kweeken van de
zoogen. reinculturen ter bereiding van het middel het ge-
makkelijkst te verkrijgen.
Koch meende alzoo door op de eene of andere wijze de
quasi reinculturen van die denkbeeldige kleine wezens met
glycerine uit te trekken, deziektemakende eigenschappen, die
hij zijne bacillen bij het leven toeschrijft en die op de hen
vervoerende wandelende cellen en ook op de cellen in de
omgeving van het punt, waar deze haar gevaarlijken last,
de bacillen heenbrengen, een zoo noodlottigen invloed uit-
oefenen, dat zich aldaar tuberkels ontwikkelen, — door de
behandeling op die ons niet nader door hem onthulde wijze
in gezondmakende eigenschappen voor den lijder aan tuber-
culose om te zetten.
Inderdaad eene zonderlinge leer en eene nog zonderlinger
vrucht daarvan, het nieuw middel, de tuberculine, zooals
ik, toen Koch slechts even den geheimzinnigen sluier daar-
omtrent had opgelicht, beslist heb aangetoond en zooals,
wat het middel betreft, de uitkomst aan iedereen voldoende
heeft bewezen.
4
-ocr page 56-
50
Waarom U mij het recht hebt willen betwisten dit reeds
duidelijk te hebben aangetoond, toen verreweg de meeste
geneeskundigen daarvan nog groote verwachtingen koester-
den , is door U nog niet opgehelderd geworden.
Aan mij heeft het trouwens niet gelegen, dat mijne
eerste brochure niet minstens drie weken vroeger is ver-
schenen. De boekhandelaar in Leipzig, tot wien ik mij
voor de Duitschen uitgave gewend had, had mij eerst be-
loofd deze te zullen uitgeven, doch zond mij deze na eenige
dagen terug met de opmerking, dat hij met de uitgaaf
van mijn geschrift volstrekt niets te maken wilde hebben,
omdat het zulk een heftigen aanval tegen Koch\'s leer in-
hield. Daarop moest ik een anderen uitgever opzoeken,
waarmede nog weer eenige dagen gemoeid waren.
Was het nu zoo verkeerd van mij gehandeld om de ge-
neeskundigen na medio Januari 1891 openlijk daartegen
te waarschuwen, nadat ik reeds in November en December
1890 op mijne colleges en in particuliere gesprekken, toen
Koch\'s middel nog geheel en al een geheimmiddel was,
er op gewezen had, dat men mijns inziens vooreerst om-
trent eene dergelijke geneesmethode, hoezeer dan ook met
bewondering begroet door de hoogste geneeskundige auto-
riteiten, geene overdrevene verwachtingen moest koesteren?
Was het dan zoo afkeurenswaardig, dat ik bij die over-
tuiging omtrent het nieuwe middel mij verplicht achtte
het mijne bij te dragen om een einde te maken aan de aan-
wending van die tuberculine, of moesten er noch meer lij—
ders worden ingespoten met het nieuwe middel, waarvan
de geneeskrachtige onwaarde eene grille tegenstelling aan-
bood met de enorme waarde, welke eene ongemotiveerde
-ocr page 57-
51
en onzinnige geestdrift daaraan schonk in de laatste weken
van 1890, toen honderden van geneeskundigen uit alle oor-
den der wereld naar Berlijn togen om de werking van het
wondermiddel op de plaats zelve onder de leiding van
Libbertz, Cornet, Pfuhl en anderen uit Koch\'s omgeving
te bestudeeren?
Indien Koch rondweg de bereiding van zijn middel had mede-
gedeeld , zouden de geneeskundigen zich zeker wel tweemaal
bedacht hebben alvorens het bij hunne patiënten aan te wenden.
Nog staan mij levendig voor den geest de ongerijmde
explicaties, welke Pfuhl mij op den bewusten avond van
den 3 Febr. \'91 gaf omtrent de werking van dat middel
en steeds zal mij de alles behalve wetenschappelijke in-
druk onvergetelijk blijven, dien ik ontving bij het bezoek
aan het laboratorium van Koch, waar onder Libbertz lei-
ding de geheimzinnige bereiding plaats vond.
Vrij zeker zullen wij, nu Koch eenige maanden geleden
zijn middel aan eene handelsfirma in kleurstoffen te HÖchst
heeft overgedragen, wel nimmer gewaar worden , op welke
wijze precies bij die bereiding werd gehandeld, maar zooveel
weten wij toch in elk geval, dat het met glycerine werd
uitgetrokken uit de quasi reinculturen van denkbeeldige
tuberkelbacillen, welke culturen verontreinigd waren met
afstervende tuberkelsubstantie, die niet alleen in hooge
mate specifiek besmettelijk is, maar ook nog andere kwaad-
aardige eigenschappen bezit.
Wij hebben boven uiteengezet, hoe de tuberkels het
weefsel van de organen met al hunne bestanddeelen in
zich opnemen, verstikken en met hun eigen versterf ook
dit te gronde doen gaan.
4*
-ocr page 58-
52
Ontledingsprodukten van verschillenden aard der eiwit-
stoffen, vetten etc. van de afstervende weefselbestanddeelen
mengen zich dan met den detritus der tuberkelcellen.
Den septischen aard van de tuberculeuse massa kennen
wij uit de proeven van Vlllemin en van ons zelven.
Plaatselijk hevige, zelfs binnen weinige dagen levens-
gevaarlijke ontstekingsprocessen ontwikkelen zich bij de
proefdieren, wanneer een weinig van de inspuitingsmassa
toevallig in de omgeving van de wonde zich verspreidt en
ook zonder locale verschijnselen kan eene kwaadaardige
septische infectie met doodelijken uitgang weinige dagen
na de inspuiting optreden, voordat nog in eenig orgaan
het begin van eene tuberkelontwikkeling is waar te nemen.
Uit dergelijk materiaal vond de bereiding plaats van
Koch\'s middel, dat de wereld in beroering bracht van de
hutten der armen tot de paleizen der vorsten en waarvan
de boven aangehaalde geleerde zeker niet te veel zeide,
toen hij zich aldus uitliet: „Voila Ie triomphe de la nou-
veile découverte que les journaux lancent par voie élec-
trique dans les cinq parties du Monde, de sorte qu\'en
vingt quatre heures tout rUnivers est informé de cette
bonne nouvelle; la politique s\'en mêle, les empires sont sens
dessus dessous, les souverains s\'en émeuvent et les hommes
üe Tart en sont ébahis."
Vatten wij nu nog even de hoofdpunten van onze be-
denkingen tegen Koch\'s leer zamen.
1. Koch houdt wel geleerde betoogen over de oorzaak
en de ontwikkeling van den tuberkel, over het uitsluitend
-ocr page 59-
53
aandeel, dat zijne bacillen daaraan hebben, over de gewich-
tige rol, welke de reuscellen daarbij vervullen, over de
verdere verhouding van die bacillen in grijze en afster-
vende gele tuberkels, maar toont deze microben niet in den
tuberkel zelven evenmin als de rcuscellen en geeft boven-
dien eene onjuiste voorstelling van de structuur van een
grijzen tuberkel en van den groei van den tuberkel in het
algemeen.
2.     Uit het voorkomen van zijne gedoode en gekleurde
bacillen besluit Koch mijns inziens zonder eenig recht tot
verschillende eigenschappen, welke hij aan zijne bacillen
bij het leven toekent, en zijne bewering, dat hij ze ook
ongekleurd als staafjes zonder eigene beweging in grijze
tuberkels gezien heeft, verdient geen geloof.
3.     Ofschoon volgens hem één bacil in staat is om de
ontwikkeling van een tuberkel te veroorzaken, zegt hij *),
dat eerst zeer rijkelijke bacillen-injecties honden, ratten en
witte muizen na verloop van maanden aan miliairtubercu-
lose doen bezwijken, terwijl uit mijne proeven blijkt, dat
slechts weinige milligrammen tuberculeuse massa, waarin
ik met of zonder kleuring geene microorganis-
men in den zin zijner bacillen kan ontdekken,
voldoende zijn om bij honden eene meer of minder uitge-
breide, zelfs doodelijke tuberculose te weeg te brengen.
4.    Koch erkent zelf, dat zijn middel een glycerine»
extract is uit de zoogen. reinculturen van zijne tuberkel-
bacillen, doch tevens, dat het eene zekere hoeveelheid af-
stervende tuberkelsubstantie bevat, waaruit alzoo volfft.
\') ibidem S. 75.
-ocr page 60-
54
dat die afstervende tuberkelsubstantie ook nog aan die rein-
enltnren is gebonden en deze in die mate verontreinigt,
dat aan die quasi reinculturen hoegenaamd geene beteekenis
is te hechten voor het bestaan van specifieke tnberkelbacillen.
5.     Wanneer van afgestorvene tuberkelsubstantie ge-
nomen van den wand of uit den inhoud van eene met een
luchtpijpstak in opene verbinding staande caverne of van
dito tuberculeuse vlokjes uit opgehoeste slijmmassa eene
cultuur wordt aangelegd, en, terwijl die tuberkelsubstantie
hare specifieke besmettelijkheid in de broedstoof niet ver-
liest, zich uit nog levende mondslijmbacillen of hare kie-
men, die zich in die substantie bevinden, een broedsel
van jonge dito bacillen ontwikkelt, kan aan deze geen oor-
zakelijk verband met de tuberculose worden toegekend.
6.    Diagnostische waarde voor het bestaan van tuber-
culose der longen kan niet worden gehecht aan het feit,
dat in vele gevallen enkele, in andere gevallen meerdere
bij de kleuringsmethode gedoode mondslijmbacillen worden
gevonden in dekglaspraeparaten vervaardigd uit sputa af-
komstig uit tuberculeuse holten, die met luchtpijpstakken
in opene communicatie staan, terwijl deze ook in menig
ander geval te vergeefs worden gezocht.
Op grond van het door mij aangevoerde zult U het mij
ten goede moeten houden, dat ik vooreerst in afwachting
van de gewenschte afdoende bewijzen bij mijne meening
blijf volharden, dat de juistheid van Koch\'s leer, volgens
welke dergelijke microorganismen bestaan en de eenige ooz\'-
zaak der tuberculose zijn, zoodat er zonder tuberkelbacillen
geene tuberculose voorkomt, onbewezen is, — en dat in tegen-
-ocr page 61-
55
stelling daarvan aan de tuberculose eene specifieke smetstof
van nog onbekenden chemischen aard en van groote tena-
citeit ten grondslag ligt, die zoowel aan den grijzen en
den afstervenden gelen tuberkel als aan den uit dezen
laatsten ontstanen kaasachtigen detritus gebonden is.
Ten slotte veroorloof ik mij nog een wensch uit te spro-
ken, dien ik evenwel niet aan U richt.
Aangezien, nu U niet hebt voldaan aan mijn voorstel,
de geneeskundigen, die zelf niet in de gelegenheid zijn om
door eigen onderzoek aan de oplossing van dit vraagstuk
mede te werken, alzoo nog steeds evenals voor een half
jaar de keuze hebben tusschen Koch\'s gezag en mijne be-
denkingen tegen zijne leer, wensch ik, dat het aan de
Hooge Regeering moge behagen om het onderzoek omtrent
het al of niet bestaan der tuberkel bacillen op te dragen
aan eene Commissie bestaande uit alle hoogleeraren in de
bacteriologie en pathologische anatomie in ons land, —
met uitzondering van mij, omdat ik mijne meening reeds
voldoende heb uiteengezet, — welke de uitkomsten van
haar onderzoek, met overlegging der gevorderde praepara-
ten, de toelichting omtrent hunne vervaardiging en de ver-
eischte teekeningen ter opheldering, binnen drie maanden
aan de overweging der Koninklijke Academie van "Weten-
schappen , Afd. Natuurkunde onderwerpt, die haar oordeel
daarover in een door den druk openbaar te maken ver-
slag eene maand later uitspreekt.
De brief is wel wat lang geworden, maar aan duide-
lijkheid zal hij daardoor niet verloren hebben, zonder te-
vens, zooals ik meen, aan de hoffelijkheid tekort te doen.
-ocr page 62-
56
Veroorloof mij nu van U afscheid te nemen met de
woorden van een vroegeren beroemden Hollandschen go-
neesheer:
„His vale et si quid novisti rectius istis,
Candidus imperti; si non, his utere mecum."
Met verschuldigde gevoelens heb ik de eer te zijn
Uw Dienstw. Dienaar:
H. W. MIDDENDORP.
-ocr page 63-
B IJ L A (J E A »).
Antwoord aan Prof. Middendorp.
Hoog Geleerde Heer!
Tot mijn spijt heb ik niet eerder gelegenheid kunnen vindon tot
beantwoording van uw open brief in het nummer dor Geneeskundige
Courant van 28 Augustus j.1.
Ik had naar aanleiding van een referaat van uwe hand onder meer
laten doorschemeren (zoo het al schemeren mocht heeten) de beschul-
diging, (want het is eene beschuldiging voor iemand in uwe betrek-
king), dat ge de toch niet moeiehjke kunst om tuberkel-bacillen op
te sporen niet verstaat. Uit uw open brief zoude ik regel op regel
kunnen aanhalen, die deze beschuldiging op nieuw rechtvaardigt.
Ik zoude er bij kunnen voegen, dat het geheele bacteriologische
onderzoek u volkomen vreemd is gebleven. Daarom stelde ik uwe
veroudering op 15 jaren, rekenende van den tijd, dat met de miltvuur-
culturen van Koch en Pasteur de bacteriologie voor het eerst vasten
voet kreeg in de ziektekunde.
Ook hiervan levert uw open brief zoo volslagen het bewijs, dat
het mij niet mogelijk is uw uit valsche opvattingen van half gelezen
en door gebrekkige propaedeusis onbegrepen artikelen voortgevloeiden
open brief, punt voor punt te bespreken. Het geheel toont aan, dat
gij van de bacteriologie de elementen niet verstaat. Gij schrijft over
de bacteriologie als de Schoolmeester over de natuurlijke historie,
behalve dat het niet rijmt en niet aardig is.
\') Geneeskundige Courant, 2 October 1892, No. 40.
-
-ocr page 64-
58
Ik wil echter trachten uw gedachtengang te volgen en de hoofd-
punten te bespreken.
lo. verzeker ik u, dat ik zelf in tuberculense nieren, le-
ver en long, vele malen met de kleurings-methode van Koch (gewij-
zigd door Ziehl) tuberkel-bacillen gekleurd heb, en dat ik dus volstrekt
niet alleen op gezag van anderen heb beweerd, dat door kleur-reacties
goed gekarakteriseerde staafjes in deze organen voorkomen. Ik hoop
in de maanden October en November in de gelegenheid te zijn prae-
paraten van tuberculose in het hospitaallaboratorium te doen ver-
vaardigen
en zal u er eenige doen toekomen.
2o. dat de kleurings-methode alle verwisseling met »mondslijm-
bacillen" uitsluit, zoodat het onderzoek der sputa evenveel waarde
heeft als dat der nieren en lever, waarheen geen mondslijm-bacillen
kunnen afzakken.
Het is waar, dat verwisseling met leprabacillen zou kunnen plaats
grijpen; doch dit is een schrijftafel-bezwaar, daar nu eenmaal de ge-
vallen van lepra niet dik gezaaid zijn.
3o. doe ik opmerken, dat Koch zijn culturen meerendeels uit or-
ganen verkreeg, die tegen de mondslijm-bacillen behoorlijk beschut zijn
en niet uit open cavernen, zooals u schijnt te meenen. Zulks staat
in het dikwijls door u besproken artikel, waarvan u alleen de plaat-
jes schijnt gekeken te hebben, te lezen. Daar wordt medegedeeld,
dat culturen werden vervaardigd van:
Chineesch biggetje, lymphklieren  21   maal
»               »          longen              2      »
»               »           milt                  i       »
rund,                          long                 3      »
»                              middenrif         i       »
»                              pericardium     i       »
zwijn,                         long                 1       r>
mensch,                      long                  7      »
»                             klieren              4      »
»                             testis                 1      »
»                             gewricht           1       x>
»                             huid                  i       »
4o. Koch heeft zijne culturen vele malen van buisje op buisje
overgeënt, alsvorens entingen bij proefdieren te doen. Daardoor
zuiverde hij ze van de tuberculeuse massa, die in het eerste
buisje als uitgangspunt van de culturen had gediend. De tubercu*
-ocr page 65-
59
lose, die werd opgewekt door deze culturen, is dus wel de-
gelijk door de bacillen zelven veroorzaakt.
Uwe hier besproken bedenking is door Koch zelf in het boven be-
doelde artikel geopperd en door de reeksen van overentingen weerlegd
De culturen waarmede proefdieren werden geënt, waren:
5   maal overgeënt in 2 gevallen.
6       »            »           » 1 geval.
7       »            »           » 2 gevallen.
8       »             »           » 3          »
9       »             »           » 2          »
10 »
             d           » 1 geval.
41»
             »           » 1 »
12 »
             »           » 1 »
•15»
             »           » 1 »
16»
             »           » 1 »
26 »
             »           » 1 »
Wat uw wetenschappelijk duel betreft, dat kan ik niet aannemen,
omdat duidelijk is gebleken, dat gij de wapenen, waarmede zoude
moeten worden gestreden, niet kunt voeren.
Zoo ik u in een artikel, dat mijn onkunde op het gebied van den
bouw van het gehoororgaan of van de zogklieren aantoonde, op zulk
een duel uitdaagde, zoudt ge zeggen: «dank je wel; als ge geen rots-
been kunt openbeitelen! leer het dan; als ge geen melkwegen kunt
opspuiten, oefen u in die kunst. Kom mij niet aan boord, voor ge
het geleerd hebt."
Gij bezit een reeks praeparaten, waarin gij geen tuberkelbacillen
kunt aantoonen. Dit kan aan de praeparaten liggen Af en toe ont-
moet men zulke cruces der patholoog-anatomen.
Veronderstel nu, dat gij door een noodlottig toeval in het bezit van
een heel museum van moeilijk te kleuren praeparaten zijt geraakt, is
het dan niet eerder uw taak dan de mjjne om die moeilijkheid te over-
winnen? Iemand, die zoo voortreffelijk het gehoororgaan heeft weten
te praepareeren en die onovertroffen injectie\'s van de melkbuizen heeft
gemaakt, zal toch de werkelijk niet moeilijke bacteriologische techniek
zich wel kunnen eigen maken, en waar deze onverwachte bezwaren
aanbiedt, wel te boven komen!
Wanneer gij er toe kondet besluiten met dit doel de pen voorloo-
pig neer te leggen en het boek en het miscroscoop ter hand te ne-
men, dan zouden daarbij tevens uwe leerlingen gebaat zijn. Want
-ocr page 66-
60
zooals nu de zaken liggen, moet men aannemen, dat het met het on-
derzoek op tuberkel-bacillen te Groningen niet druk gaat en dat do
leerlingen der Groningsche universiteit hunne diagnoses zonder dit hulp-
middel zullen moeten maken.
Hoogachtend,
Uw dienstvaardige
M. STRAUB.
BÜLAGE A* !).
Hooggeleerde Heer!
In no. 40 der Gen. Gourant zeide ik toe u eenige praeparaten te
zenden van tuberculeuse organen, gekleurd volgens de methode
Koch-Ziehl. Daaraan geef ik thans gevolg. Ik wensch in dit be-
geleidend schrijven u eenige toelichting van die praeparaten te geven.
De praeparaten zijn mij afgestaan door eenige collega\'s, die in de
maanden October en November oen bacteriologischen cursus onder
mijne leiding mede maakten en die voor hunne oefening dergelijke
praeparaten vervaardigden. Zij zijn genomen uit het materiaal, dat
zich toevallig in dit tijdsverloop voordeed, met uitzondering van een
der objecten, afkomstig van experimenteele tuberculose bij oen konijn,
welke met het oog op onze polemiek werd teweeggebracht.
De praeparaten van dit laatste object zijn door mij gedemonstreerd
in eene vergadering van den Geneeskundigen kring alhier.
De praeparaten, die ik u toezond, zijn de volgende:
A. Erpertimenteele tuberculose bij een konijn.
Dit dier werd op 3 October j.1. in de buikholte geënt met sputa,
waarin tuberkelbacillen. Vroeger heb ik met sputa van denzelfden
patiënt meermalen eene progrediente, met den dood eindigende tuber-
culose veroorzaakt. Thans werd het proces juist drie weken na de
enting onderbroken.
Bjj de obductie werden met het bloote oog tuberkels uitsluitend in
het omentum aangetroffen en wel zeer fijne, even zichtbare knopjes
in matige hoeveelheid.
Voor het microscopisch onderzoek werden stukjes van het omentum
op dekglaasjes uitgespannen, door gedeeltelijke uitdrooging er aan vast
\') Geneeskundige Courant, il December 1892, No. 50.
-ocr page 67-
61
gekleefd en nu verder gekleurd op de wijze als men doorsneden van
organen pleegt te behandelen.
Er werden in de lege artis gekleurde praeparaten tallooze tuberkel-
bacillen (uitsluitend in de tuberkels), gevonden, zoowel in de groote,
voor het bloote oog zichtbare (nog niet verkaasde) tuberkels als in de
kleine, daar tusschen gelegene, die soms uit niet meer dan zes cellen
bestonden.
A. i. De dubbelkleuring met methyleenblauw is zóó sterk, dat de
groote tuberkels alleen aan den rand doorschijnend zijn.
A.   2. bevat in de groote niet verkaasde tuberkels eene ontzaglijke
hoeveelheid roodgekleurde tuberkelbacillen. De dubbelkleuring is hier
opzettelijk zeer zwak genomen, teneinde de dikke tuberkels doorschij-
nend te houden.
Met deze twee praeparaten wordt aan uw verlangen voldaan, om
in zeer jonge en geheel ontwikkelde, niet verkaasde tuberkels tu-
berkel-bacillen gekleurd te zien
B.     Tuberkulose van een schapenlong.
De long in quaestie werd bij de gemeentelijke keuring van geslacht
vee gevonden. Zij bevatte groote, geïnfiltreerde, gedeelteljjk verkaasdo
gedeelten, waarvan praeparaat B afkomstig is.
C.     Tuberkulose van de nier van een rund.
Deze nier bevat groote verkaasde en verkalkte tuberkels van 1 a
1.5 m.m. diameter. In de doorsnede C zult gij vinden, dat do tu-
berkel-bacillen voorkomen in den randzoom dezer knobbeltjes, deels
in het reeds verkaasde gedeelte, deels in het meer naar buiten ge-
legen geïnfiltreerde gedeelte, waarvan de kernen nog goed gekleurd
zijn, doch dat vermoedelijk het eerst aan de beurt ligt om in verkazing
over te gaan. De kalk is door zuur uitgetrokken.
Zooals gij ziet, heeft een gelukkig gesternte mjj juist do prae-
paraten in handen gegeven, die door u worden verlangd.
Ik vertrouw, dat de kennismaking met deze serie van praeparaten
u aanleiding zal geven om te verklaren, dat uwe bezwaren uit den
weg zijn geruimd.
Ik wil hier dadelijk aan toevoegen, dat uwe erkenning van het be-
staan der tubelkel-bacillen door mij geenszins zal worden geacht in te
sluiten, dat door u de geheele bacteriologische doctrine der
tuberculose wordt omhelsd.
Klaarblijkelijk werd door u tot dusverre aan het bestaan der tu-
berkel-bacillen getwijfeld, omdat gij ze alleen in oude tuberkels
hadt gevonden. Billijk was uw verlangen om ze ook in jonge, zich
-ocr page 68-
62
ontwikkelende tuberkels te zien. Gij liet doorschemeren, dat, zoo ze
u in deze objecten werden vertoond, gij geen bezwaar meer zoudt
hebben om het bestaan der tuberkel-bacillen te erkennen.
Met belangstelling zie ik deze erkenning tegemoet.
Hoogachtend,
Uw dienstvaardige,
M. STRAUB.
B IJ L A G E A" *).
Slotwoord aan Prof. Middendorp.
Hooggeleerde Heer!
U hebt de bacillen niet gezien!
Hoeveel andere zaken u ook aanroert in uw brief van 15 Decem-
ber (Gen. Courant no 51), één enkele verklaring wordt er gemist,
die zou moeten bewijzen, dat gij mijne praeparaten met kennis van
zaken onderzocht hebt. U hebt de bacillen niet gezien, professor!
Het is eindelijk met zekerheid gebleken, dat gij niet alleen de tu-
berkel-bacillen niet kleuren kunt (noch in oude, noch in jonge tuber-
kels!) maar ze zelfs in de door een ander voor u gekleurde praepa-
raten niet vinden kunt.
Quod erat demonstrandum
Daarmede is onze polemiek afgeloopen.
Ik wil echter niet eindigen zonder duidelijk te hebben uitgesproken,
wat ik denk van uwe schrijverij in zake de tuberculose. Het spijt mij,
dat de hoffelijkheid onder de duidelijkheid zal moeten ljjden
Er komen in goed gekleurde praeparaten van tuberculeuse organen,
naar de gelijkluidende ervaring van honderden zelfstandige onderzoe-
kers, staafjes voor, die men, zelfs zonder iets te praejudicieeren,
tuberkel-bacillen kan noemen. Over de interpretatie van dit feit
kan verschil van meening zijn. De doctrinaire bacteriologen
noemen ze levende planten, parasieten, de oorzaak van
tuberculose; uw collega Fokker acht ze te zijn in een an-
deren levensvorm overgegane celdeelen of weefselsap-
\') Geneeskundige Courant, 25 December 1892, No. 52.
-ocr page 69-
63
pen, gevolg van tuberculose. Als u ze zult hebben leeren op-
sporen, zult u ze waarschijnlijk op één lijn stellen met den bacil,
waarmede iemand zich wapent, die een hond wil slaan.
Maar tot deze of eene andere uitlegging zult gij pas kunnen over-
gaan, als gij het feit zelf zult hebben geconstateerd, als gij zult heb-
ben geleerd de weefsels bacteriologisch te onderzoeken en uw micros-
coop zóó te gebruiken, dat onze kleine objecten zichtbaar worden en
als gij eindelijk een langen leertijd zult hebben doorgemaakt, om in
te halen, wat gij, hoogleeraar, sedert minstens vijftien jaren op on-
verantwoordelijke wijze hebt verzuimd.
Tot zoo lang zij u geraden door geen letter druks uwe onkunde te ver-
raden , opdat niet de eene of andere autoriteit, die moet toezien op
de opleiding van geneeskundigen aan de Gron. hoogeschool, ontdekke,
dat de hoogleeraar in de pathologische anatomie zoo vreemd is geworden
aan de ontwikkeling zijner wetenschap, dat hij haar taal niet meer
verstaat en haar belangrijkste hulpmiddel van onderzoek, het micros-
coop, niet gebruiken kan.
Hoogachtend,
Uw dienstvaardige
M. STRAUB.
B IJ L A G E B1).
An die Adresse des Herrn Prof. Middendorp
in Groningen.
Aus arztlichen Kreisen erhalten wir folgende Zuschrift:
Es hiesze, einem Machwerk, wie es die auch in dieser Zeitung
angekündigte Broschüre des Groninger Professors Middendorp ist (Der
Werth des Koch\'schen Heilverfahrens gegen Tuberculose von Prof.
Dr. Middendorp in Groningen.), zu viel Ehre erweisen, wenn sich
jemand zu einer fachwissenschaftlichen Erörterung eines solchen Wirr-
warrs von persönlichen Verdachtigungen und theils unrichtigen, theils
unbewiesenen Behauptungen über Kochs Lehre von der Tuberkulose
herbeiliesze. In der wissenschaftlichen Welt wird es keinen Schaden
anrichten, Dazu scheint es auch gar nicht gemacht zu sein, sondern
nur dazu, dem Laienpublicum Sand in die Augen zu streuen. Mit
>) Emder Zeitung, 19. Marz 1891, No. 66.
-ocr page 70-
<U
dem in ihrem Titel genannten Gegenstande hat die Arbeit eigentlich
nichts zu thun. Denn mit dem Tuberkulin hat der Autor erst ganz
kürzlich sich zu befassen angefangen, und zwar in der Weise, dasz
er sehr starke Dosen desselben vier, sage vier Hunden einspritzte.
Das ist alles, was er bis jetzt damit anzufangen wuszte, und die vor-
liegende Schrift, welche doch von dem therapeutischen Werth des
Tuberkulins handeln soll, hat er verfaszt, ohne die Resultate jener
vier Einspritzungen abzuwarten! Seine Abneigung gegen die Koch\'sche
Methode beruht also auf irgend etwas anderem, als auf einer wissen-
schaftlichen Grundlage.
In den angeführten vier Versuchen glaubte Professor Middendorp
der Wissenschaft etwas bieten zu mussen, was Koch in striiftlichem
Leichtsinn unterlassen haben soll, nümlich die Wirkungsweise des
Mittels beim gesunden Thieren zu studiron. Dagegen hat Koch be-
kanntlich an gesunden Kaninchen und Meerschweinchen angefangen,
das Mittel zu versuchen, hat es dann sich selbst und anderen gesun-
den Menschen eingespritzt, ohne bekanntlich nachtheilige Folgen da-
von zu sehen.
Die von Prof. Middendorp mit einer Aufschwemmung von Zerfalls-
massen tuberkulös erkrankter Gewebe in Wasser angestellten Ver-
suche — und nur von den Ergebnissen solcher Versuche handeln seine
Mittheilungen — beweisen weiter nichts, als was seit Jahren bekannt
ist, dasz namlich der Tuberkulose ein specifischer Krankheitserreger
zu Grunde liegt. Dies heutzutage noch weitliiufig — zumal durch
nicht einwandsfreie Versuche — an Thieren beweisen zu wollen, ist
ganz müssig. Auch die Thatsache, dasz dieses Gift sich durch aller-
hand Beimischungen und bestimmte Methoden der Vorbehandlung af-
schwachen lüszt, ist langst bekannt und seit Pasteur in viel feinerer
und exacterer Weise bewiesen als durch M\'s ziemlich rohe Experimente.
Was soll man dazu sagen, wenn sich ein Mann, welcher noch
nicht von der specifischen Bedeutung des Tuberkel-Bacillus überzeugt
ist, sondern dieselben für identisch halt mit den groszen, beweglichen
Bacteriën, die regelmaszig in der Mundhöhle vorkommen, — welcher
ganz verschiedene pathologische Begriffe ^Coagulationsnecrose und
Verkiisung) nicht zu unterscheiden weisz, erdreistet, Koch eine »to-
tale Unwissenheit bezüglich des histologischen Baues des Tuberkels"
vorzuwerfen, oder zu sagen: Auch von dem Wachsthum des Tuber-
kels hat Koch eine sonderbare Vorstellung"! (S. 12) Wenn Herr
M. abweichende "Vorstellungen darüber hat, so sollte er schweigen oder
sich bescheiden bei Koch nach dem wirklichen Sachverhalt erkundigen!
-ocr page 71-
65
Aber Bescheidenheit ist nicht Hernn M\'s Sacho. Das hat er durch
sein Auftreten in Berlin, dessen naive Schilderung einen groszen Theil
seiner Schrift bildet, bewiesen. Wenn dieses Auftreten nicht geradezu
zudringlich gewesen wiire, so hutten die von Koch mit der HersteL
lung seines Mittels betrauten Herren ihn veilleicht mit mehr Geduld
anhören und belehren kunnen. Aber was wollte Herr M. denn eigent-
lich mit dem immer wiederholten Wunsche, das Laboratorium des
Herrn Dr. Libbertz zu sehen? Dies alleine konnte doch zu nichts als
zur Befriedigung seiner Neugierde dienen. Wenn dann jemand in
einer für Prof. Pfuhl mit Geschaften überfüllten Zeit an diesen das
merkwürdige Ansinnen stellt, ihm doch einen einzelnen TuberkeL
Bacillus zu zeigen, denselben eine volle Stunde — wie Middendorp
selbst sagt — mit solch schülerhaften Dingen beliistigt und schlieszlich
den Preis des Mittels auffallend hoch findet, so ist es unserer Meinung
nach fast höflich, ihm, wie es geschah, zu antworten: Sie sind kein
Bacteriologe und verstenen das nicht!
Damit begnügt sich aber Herr Professor Middendorp noch nicht,
sondern er wagt es, am Schlusz nochmals zu sagen: die hypothetischen
Tuberkel-Bacillen übertreffen in der Kunst der Goldmacherei selbst die
Alchemisten des Mittelalters.
Hoffentlich kènnzeichnet diese Denkart Herrn Professor Middendorps
Spiegelfechtereien in den Augen des deutschen Losers, welcher Zcuge
von der groszherzigen Handlungsweise unseres Koch gewesen ist, als
das was sie sind, als ein Product, geboren aus gekriinkter Eitelkeit
und der Sucht, von sich reden zu machen, sei es auch auf Kosten
der wirklichen Verdienste und des ehrlichen Namens eines anderen.
B IJ L A G E C1).
Der Werth des Koch\'schen Heilverfahrens gegen Tu-
berculose. Von Dr. H. W. Middendorp, ordentl. Prof. der
allgemeinen und anatomischen Pathologie an der Universitat zu Gro-
ningen (Niederlande). Emden & Borkum. Verlag von W. Haynel,
1891. Preis 2 M.
Der Verf., welcher seine 54 Seiten vergeudende Schrift auch noch
in französischer und hollandischer Sprache veröffentlicht hat, langweilt
\') Reiohs-Medicinal-Anzeiger, 22. Mai 1891, No. 11.
-ocr page 72-
66
den Leser gleich anfangs durch seine niclits weniger als wissenschaft -
lichen Kundgebungen. Dann aber — si tacuisses et in Groningen man-
sisse8! Verf. beklagt, dass Koch sein Mittel nicht zuerst an gesun-
den Thieren versucht hat mit Bezug auf event. Schadlichkeit und nennt
dies »oinen Fehler, den gewiss Niemand ihm verzeihen wird". —
Sachte, sachte! Herr ordentlicher Professor von Groningen! Sie ha-
ben da einen der schwersten Vorwürfe erhoben und — brauchten doch
blos Koch\'s eigene Reden studiren, um das Falsche solcher Ihrer —
Behauptung einzusehen! —
Der Verf. lasst sich von Prof Pfuhl sagen, das er (Middendorp) keine
Kenntniss von Bacteriologie habe und nichts davon begriffe und ver-
traut dann der Druckerschwarze Folgendes an:
»Mir ist nümlich dieser Bacillus tuberculosus Koch\'s in
seinem Naturzustande, d. h. in Durchschnitten von Tuberceln bis jetzt
noch niemals bei mikroskopischer Untersuchung so unter die Augen
gekommen, das ich ihn in Mitte seiner kleiner Stammverwandten\' wie-
der erkennen könnte, ebensowenig wie ich die Biesenzellen j e m a 1 s
angetroffen habe".
Es widerstrebt uns, auf das Machwerk des Verf., dem nach seinem
eigenen Gestündniss sogar die eigenen Assistenten nicht glauben (! S.
24), naher einzugehen, den es ist eine Schmahschrift der gewöhn-
lichtsten Sorte, welche sich nicht scheut, Forschern, welche unendlich er-
haben über dem bisher noch Nichts von Bedeutung leistenden ordent-
lichen Professor zu Groningen stehen, «totale Unwissenheit bezüglich
des histologischen Baus des Tubercels" und «sonderbare Vorstellung
von dem Wachsthum des Tubercels" vorzuwerfen.
Wen Verf. sein Gift weiter ausspritzt und sagt, »das die hypothe-
tischen Tuberkelbacillen Koch\'s in der Kunst der Goldmacherei selbst
die Alchimisten des Mittelalters übertreffen, — so wünschen wir dem
Verf. eine angenehme Ruhe, denn ein gut Gewissen, ein sanftes
Ruhekissen!
Wenn aber dereinst aus der Schule von Groningen ernste Forscher
und tüchtige, gewissenhafte Gelehrte hervorgehen sollten, dann wer-
den sie stets das Andenken ihres unvergesslichen Lehrers segnen, wel-
chem sie Alles verdanken, weil — sie ihm nicht geglaubt haben! —
Lorenz, Metz.
-ocr page 73-
67
B IJ L A G E D »)•
Prof. H. W. Middendorp (Groningen). Der Werth des
Koch\'schen Heilverfahrens gegen Tuberkulose Emden
& Borkum. Verlag von W. Haynel 1891.
Es hat zu jeder Zeit Autoren gegeben, die gegen allgemein ver-
breitete Ansichten Front zu machen, die gegen den Strom zu schwim-
men versuchten; gewiss finden sich solche aueh jetzt. Schaden kann
ein Kampf gegen die herrschenden Ansichten nicht; denn sind diese
fest begründet, so werden sie jeden Widerspruch vertragen, können
sie das aber nicht, nun dann mussen sie entweder fester begründet
oder aufgegeben werden Allein in dein Sinne und in der Verfassung,
wie Prof. Middendorp die Opposition in der uns vorliegenden Ab-
handlung führt, mussen wir dieselbe verwerfen. Vor allen Dingen sind
wir im wissenschaftlichen Verkehr an urbanere Umgangsformen ge-
wöhnt und eine gehassige Tonart ziemt sich einem Lehrer der Uni-
vecsitat schon ganz und gar nicht. Einen ganz eigenthümlichen Ein-
druck macht die Einleitung des Verfassers, die genaue Beschreibung
seines Aufenthaltes in Berlin, seiner erfolglosen Bemühungen Dr. Lib-
bertz zu sprechen. seiner Unterredung mit Professor Pfuhl, der so
hartherzig war, dass er die Bitte Middendorp\'s ihn doch nur einen
einzigen Tuberkelbacillus sehen lassen zu wollen, nicht erfüllte. Nachdem
nun Verf. seinen Zorn über die schnöde Behandlung seiner Person in
Berlin Ausdruck gegeben hat, koramt er auf das eigentliche Thema
seiner Abhandlung zu sprechen. Wir erfahren da, dass es weder
Riesenzellen noch Tuberkelbacillen giebt! »Mir ist, sagt Middendorp,
dieser Bacillus tuberculosus Koch\'s in seinem Naturzustande d. h. im
Durchschnitte von Tuberkeln, sowohl cruder, wie solcher mit kiisigem
Centrum, bis jetzt noch niemals so unter die Augen gekommen, dass
ich ihn in Mitte seiner kleinen «Stammverwandten» wieder erkennen
könnte; ebensowenig wie ich, beilaufig gesagt, die Riesenzellen im
Centrum des Tuberkels jemals aangetroffen habe." Die Riesenzellen
sind nach der Meinnng des Prof. Phantasiebilder, entstanden durch
eine falsche Beurtheilung der regressiven Metamorphose der Zeilen im
Centrum des Tuberkels. Die Tuberkelbacillen, «dieses geheimnissvolle
Mikrobenvolk" sind identisch mit den gewöhnlichen, im Mundschleim
vorkommenden Bacillen: sie haben absolutkeinespeoifische
Bedeutung für die Tuberculose! Diese seine Anschauung tragt
>) St. Petersburger Medicinisohe Wochensohrift, 21 Sept. 1891, no. 38.
-ocr page 74-
68
Verf. seinen Schülern und Assistenten seit Anno. 1883 vor, aber leider
so klagt der Autor aolbst, hat er in diesem Punkte nicbt Glauben ge-
tanden.
Fürwahr ein starkes Testimonium paupertatis für den Lehrer!
Die zalhreichen Versuche, welche Middendorp in seiner Abhandlung
uns vorführt, beweisen eigentlich nur, das die tuberkulösen Massen
eine starke Virulenz bezitzen, welche durch verscheidene Substanzen
(Alkohol, Aqua picea, Aqua Chlori u and) abgeschwacht werden
kan. Hunde denen Tuberkelmassen in die Vena jugularis eingespritzt
wurden, gingen an Miliartuberculose zu Grunde. Dass die jiingste
Koe h\'sche Entdeckung durch diese Versuche erschüttert werden kan,
glaubt wohl Middendorp ganz allein.
                       Abelmann.