-ocr page 1-
vi^
ïoX§>5
VERZAMELING VAN VRAAGSTUKKEN
OP HET GEBIED VAN DE
ANALYTISCHE MEETKUNDE DER
DOOK
Dr. P. J. HOLLMAN.
EERSTE GEDEELTE
(de regte lijn, het platte vlak, de bol.)
■■•...
Ü                                         ALKMAAR,
-
1
HBRMS. CO
m i■
ÏL^ \'.
|
1886.                                        J&
%,
f
-ocr page 2-
P. oct,
1035
-ocr page 3-
fl\'/\'Mf       .        fatntJT.y»
U\'Vr)
VERZAMELING VAN VRAAGSTUKKEN
OP HET GEBIED VAN DE
ANALYTISCHE MEETKUNDE DER RUIMTE
DOOR
Dr. P. J. HOLLMAN.
EERSTE GEDEELTE
(de regte lijn, het platte vlak, de bol.)
ALKMAAR,
HER MS. COSTER & ZOON.
1886.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
VOORBERIGT.
Nu en dan was de schrijver dezer regelen jonge lieden behulp-
zaam bij hunne wiskundige studiën; strekten deze zich zoo ver
uit, dat er sprake was van het beoefenen der analytische meetkunde
der ruimte, dan deed zich de behoefte aan geschikte voorbeelden
gevoelen.
Het is toch maar al te waar wat reeds Newton zegt in zijne
arithmetica universalis: „in scientiis addiscendis prosunt exempla
magis quam praecepta".
— Op velerlei ander gebied der wiskunde
bestaan verzamelingen van voorbeelden of vraagstukken, maar naar
die op het gebied der analytische meetkunde der ruimte zocht de
schrijver te vergeefs; hij vond er geene, noch in de hollandsche
taal, noch in werken in het buitenland uitgegeven. Gaande weg
rijpte daarom bij hem het denkbeeld aanteekening te houden van
vraagstukken, die het meest geschikt zijn om het geleerde op dit
gebied te onderhouden; het is toch niet voldoende dat men een
zeker aantal formules in het hoofd heeft, men moet die ook op
geschikte wijze weten te gebruiken, want van den weg, dien men
inslaat om een vraagstuk op te lossen, hangt veel, ja meestal alles
af. Naarmate het aantal vraagstukken toenam, werd ook de drang
grooter anderen in het voordeel te laten deelen. Eindelijk besloot
de 8. tot de uitgave, daarin welwillend de hand geboden door
de heeren Coster alhier. Op hun aanraden zijn vraagstukken en
oplossingen afzonderlijk gedrukt; het is toch maar al te waar
dat gemakzucht den mensch drijft om het oog te slaan in de op-
lossing, nog voordat hij zjjne krachten beproefd heeft, waardoor
veel van het voordeel, dat het uitwerken van vraagstukken anders
in den regel heeft, te loor gaat.
Is de S. overtuigd dat het boekje zijne nuttige zijde kan hebben
voor den leerling, hij hoopt dat het de goedkeuring moge weg-
dragen van den leermeester, dat het dienen kan om hem van eene
lastige taak te ontheffen.
Voorloopig ziet het eerste gedeelte het licht dat, met het oog
-ocr page 6-
VOORREDE.
IV
op het examen voor middelbaar onderwijs, de leer behandelt van
de regte lijn en het platte vlak, en waaraan eenige voorstellen t
betreffende den bol, zijn toegevoegd.
Maakt men de opmerking dat sommige vraagstukken als voor-
beelden reeds in de meeste leerboeken gevonden worden, die handel-
wijze laat zich verdedigen met de opmerking dat bij de oplossing
de leer der determinanten is te hulp geroepen, eene leer die,
hoe vruchtbaar in de gevolgen, op dit gebied in hollandsche boe-
ken, voor zooverre den S. bekend is, nog te weinig toepassing
heeft gevonden.
De laatste vraagstukken zijn zonder de oplossingen vermeld. Voor
den leermeester is dit niet van belang ontbloot, wijl hij nu zonder
eenige moeite in staat is gesteld zich rekenschap te geven van de
vorderingen zijner leerlingen, die, is het voorafgaande goed begrepen
en degelijk verwerkt, met eenige inspanning de oplossingen zullen
vinden. Van belang ook is het voor hem, die zonder leermeester
zich dit schoone gedeelte der wiskunde tracht eigen te maken.
Slaagt hij niet in het oplossen der hier gegeven vraagstukken, het
is een bewijs dat hij nog niet genoeg bedreven is in de leerwijze
der coördinaten, dat hem sommige zaken nog duister zijn, of dat
hij niet naar willekeur de formules kan vinden of gebruiken die hij
voor het bepaalde doel noodig heeft.
Moge de uitgave iets bijdragen om den lust voor wiskundige
studiën in het land van Huijgens te onderhouden en te vermeer-
deren.
-ocr page 7-
VRAAGSTUKKEN.
1.   Wanneer drie onderling regthoekige assen 01, OY
en OZ door een plat vlak respectievelijk in de punten Q,
B
en S gesneden worden, zoodat de lijnen QB, BS en SQ
respectievelijk de doorgangen zijn van dit platte vlak met
de vlakken der xy, der yz en der xz, dan hebben de hoe-
ken QBO, BSO en SQO, of ook de hoeken BQO, SBO
en QSO, de eigenschap dat het gedurig product hunner
tangenten gelijk is aan de eenheid. Men vraagt het bewijs.
2.   Bij een regthoekig coördinaten stelsel heeft tusschen
de hoeken, die eene regte lijn met de assen maakt, de vol-
gende betrekking plaats: cos*x -\\- cos2(2 -\\- cosiy — 1. Wat
wordt er van die uitdrukking als het coördinaten stelsel
scheef hoekig is?
3.   Eene regte lijn in de ruimte is gegeven door de ver-
gelijkingen :
z = ay -f- bx c,
z = axy-\\- blx
-f- c1 ;
hoe berekent men uit deze hare projectien op elk der coor-
dinaatvlakken?
i. Onder welke voorwaarden zullen twee in de ruimte
gegeven regte lijnen elkander snijden?
5. Bepaal de vergelijking eener regte lijn, die door twee
gegeven punten xly1z1 en x2y2st gaat.
. 6. Onder welke voorwaarden gaat eene lijn door drie ge-
geven punten x1y1zv x^y^z^ xsyizi?
7.   Bepaal de vergelijkingen der regte lijn, die door een
gegeven punt xlylz1 gaat en met twee der coordinaatassen
de hoeken x en (3 maakt.
8.   Twee lijnen, die loodregt op elkander staan, zijn ge-
-ocr page 8-
6
geven. In haar snijpunt wordt eene derde lijn getrokken,
die loodregt staat op de eene en een gegeven hoek maakt
met de andere; men vraagt naar de vergelijkingen dezer lijn.
9.   Op eene regte lijn is een punt x1ytel gegeven; men
vraagt op dezelfde lijn het punt x1p2zi te bepalen, dat op
een gegeven afstand van het eerste is gelegen.
10.   Op eene gegevene regte lijn wordt het gedeelte AB
door het punt C gedeeld in verhouding van m : n; hoe drukt
men de coördinaten van C uit in die van A en B?
11.   De vergelijkingen van twee regte lijnen en de coör-
dinaten van een punt zijn gegeven; men vraagt naar de
vergelijking der regte lijn, die door het gegeven punt gaat
en met de gegeven regte lijnen gelijke hoeken maakt.
12.   Drie gegeven lijnen kruissen elkander twee aan twee
in de ruimte; men vraagt eene vierde lijn te bepalen, die
twee der gegevene snijdt en evenwijdig loopt aan de derde.
13.   Drie gegeven lijnen kruissen elkander twee aan twee
in de ruimte; men vraagt de hoeken te bepalen, welke een
vierde lijn, die twee der gegevene snijdt en evenwijdig loopt
met de derde, met de gegevene lijnen maakt, en den afstand
te berekenen, waarop zij van de derde verwijderd is.
14.   De hellingen eener regte lijn op de assen van gegeven
scheef hoekige coördinaten zijn gelijk; men vraagt den hoek
te bepalen, dien gezegde lijn met de assen maakt.
15.   Hoe weet men dat een gegeven lijn in een gegeven
vlak ligt?
16.   Men begeert de voorwaarde te vinden, waaraan vol-
daan moet worden, zal eene lijn loodregt op een vlak staan.
17.   Wanneer gegeven zijn de lengte der loodlijn, welke
uit den oorsprong van regthoekige coördinaten op een vlak
is nedergelaten, benevens de hoeken door die lijn met de
assen gevormd, vraagt men naar de vergelijking van het vlak.
18.   Geef nog de vergelijkingen der regte lijn aan, die door
een gegeven punt gaat en loodregt staat op eene gegevene
regte lijn.
19.   De vergelijking en de lengte te vinden der lijn, die
loodregt op twee gegeven lijnen staat.
-ocr page 9-
7
20.   Men vraagt de voorwaarden te bepalen, waaraan de
rigtingshoeken van drie lijnen ten opzigte van onderling
loodregte assen moeten voldoen, zullen die drie lijnen even-
wijdig zijn aan een zelfde plat vlak.
21.   Bepaal het snijpunt van drie gegeven vlakken in den
vorm van een determinant.
22.   Bepaal het vlak dat gaat door drie gegeven punten,
die niet in dezelfde regte lijn liggen, hierbij gebruik makend
van de leer der determinanten.
23.   Zoek de vergelijking van een vlak dat door twee
evenwijdige lijnen gaat.
24.   En hoe* wordt de vergelijking van het vlak, wanneer
de lijnen elkander snijden?
25.   Zoek in den vorm van een determinant de vergelij-
king van het vlak, dat door twee gegeven punten gaat en
loodregt staat op een gegeven vlak.
26.   Welke betrekkingen moeten er plaats vinden tusschen
de constanten in de vergelijkingen van drie vlakken, opdat
deze elkander langs het beloop eener regte lijn snijden? En
hoe wordt de voorwaardensvergelijking, opdat de snijding
volgens evenwijdige lijnen geschiede?
27.   Zoek de vergelijking van een vlak, dat door een ge-
geven punt en eene gegevene regte lijn gaat.
28.   Welke is de vergelijking van het vlak, dat door twee
gegeven punten gaat en evenwijdig loopt aan eene gegevene lijn?
29.   Zoek den determinant, waardoor het vlak bepaald
wordt, dat door een gegeven regte lijn gaat en loodregt
staat op een gegeven vlak.
80. Welke wordt de determinant in het vorig vraagstuk
bedoeld, wanneer het vlak evenwijdig zal loopen aan twee
gegeven lijnen:
x = mz-\\-p,        y = ns -f- q;
x = m1s-{-pi, y = n1s-\\-q1;
en door een gegeven punt x1yis1 gaan?
31. Men vraagt naar de vergelijking der regte lijn,
welke evenwijdig loopt met twee gegeven vlakken en door
een gegeven punt gaat.
-ocr page 10-
8
32.   Bepaal het vlak dat loodregt staat op eene gegevene lijn
x = mz - - P, V = m-\\-q;
en door het punt x1y1zl gaat.
33.   De vergelijkingen eener regte lijn en de coördinaten
van een punt zijn gegeven. Men vraagt naar de plaats aller
regte lijnen, die door dat punt gaan en loodregt staan op
de gegeven lijn. Hoe vindt men de vergelijkingen der regte
lijn, welke door het gegeven punt gaande de eerstgenoemde
lijn loodregt snijdt? Eindelijk verlangt men de lengte dier
loodlijn te kennen.
34.   Hoe bepaalt men den afstand van een punt tot een
vlak, wanneer de coordinaatassen niet regthoekig op elk-
ander staan?
35.   De vergelijking te vinden der regte lijn, welker pun-
ten alle op gelijke afstanden van de coordinaatvlakken zijn.
36.   Men vraagt naar de vergelijking van een vlak, waar-
van elk punt de eigenschap heeft dat zijne afstanden tot
twee gegeven vlakken eene standvastige verhouding hebben.
37.   Bereken den afstand van twee gegeven evenwijdige
vlakken.
38.   Wanneer S en S1 de inhouden zijn van twee figuren
in hetzelfde platte vlak gelegen, en S,, S1,; Sy, S\\; S,, S\\
de projectien harer inhouden .op drie onderling regthoekige
vlakken voorstellen, dan heeft men
SS1 = S.S1. S,S\\ S,S\\;
men vraagt naar het betoog.
39.   Van een driehoek zijn de coördinaten der hoekpunten
gegeven; men vraagt den inhoud van dien driehoek in den
vorm van een determinant uit te drukken.
40.   Wanneer x, (3 en y de hoeken zijn, welke een regte
lijn L met hare projectien op drie onderling regthoekige
vlakken maakt, 5 de afstand van den oorsprong der coördi-
naten tot de lijn i, S,, 5j en 53 de afstanden van den oor-
sprong tot de projectien van L op de coordinaatvlakken,
dan is
52 = 5» Cos*« -f- S£ Cos* (3 5* Cos* y;
men vraagt het betoog.
-ocr page 11-
9
41.   Wanneer twee vlakken A en B benevens een punt
p gegeven zijn, en men brengt door p twee vlakken C en D,
zoodat de lijn van doorsnede dezer laatsten de doorsnede van
A en B snijdt, en voorts door de lijn van doorsnede van A
en O en die van B en D een vlak F, benevens door de
doorsnede van A en D en van B en C een vlak G, dan
vraagt men naar de plaats der doorsneden van de vlakken
F en G.
42.   Er zijn gegeven drie lijnen a, & en c, die elkander in
een punt snijden, benevens eene vierde lijn, die geen der
anderen ontmoet. Door de lijn d worden twee vlakken D en
D1 gebragt; zij snijden elk voor zich de lijnen a, b en c in
drie veranderlijke punten p„, pt, pc en p\\, p\\, p\\. Als men
nu een vlak F brengt door de punten pa, pb en p\\; een
ander vlak G door de punten pa, p\\ en pe; een derde vlak
H eindelijk door p\\, ph en p„ dan vraagt men de punten
van doorsnede der vlakken F, G en H te bepalen.
43.   Zet men op de stralen, die uit een punt 0 naar ver-
schillende punten van een gegeven vlak loopen, stukken uit
omgekeerd evenredig met de lengten dier stralen, dan zullen
de vlakken , loodregt op de uiteinden dier stukken gebragt,
allen door een punt gaan. Men vraagt het betoog.
44.   Bij een zeshoek, wiens zijden niet allen in hetzelfde
vlak liggen, maar welks overstaande zijden twee aan twee
gelijk zijn en evenwijdig loopen, liggen de punten, waarin de
zijden midden door gedeeld worden in een plat vlak. Men
vraagt het betoog.
45.   Wanneer de overstaande zijden van een zesvlak ver-
lengd wordende, elkander snijden volgens regte lijnen, die
in een vlak liggen, dan ontmoeten de diagonalen van dat
zesvlak elkander in een punt. Men vraagt het betoog.
46.   Er zijn gegeven drie evenwijdige lijnen, die niet allen
in hetzelfde vlak liggen; men zet op een dezer lijnen eene
gegevene lengte AB uit, en neemt vervolgens op de tweede
een willekeurig punt C, op de derde eindelijk een ander
willekeurig punt D; hoe bewijst men dat de inhoud der pi-
ramide ABCD immer dezelfde of constant zal zijn, welke
-ocr page 12-
10
ook de ligging der punten G en D moge wezen, onverschillig
ook op welke lijn men AB heeft genomen?
47.   Wanneer men door het midden van de ribben eener
driehoekige piramide vlakken brengt, die loodregt staan op
de overstaande ribben, dan snijden die zes vlakken elkander
in een punt. Men vraagt naar het betoog.
48.   Men vraagt te bewijzen dat, wanneer twee paren
overstaande ribben van een tetraeder loodregt op elkander
staan, zulks ook het geval met het derde paar is.
49.   Wanneer de overstaande ribben van een tetraeder
loodregt op elkander staan, snijden de vier hoogtelijnen
elkander in een punt. Men vraagt wederom het betoog.
50.   Wanneer de hoogtelijnen van een tetraeder elkander
in een punt snijden, dan ontmoeten de gemeenschappelijke
loodlijnen op de overstaande ribben elkander in datzelfde
punt. Men vraagt het bewijs.
51.   Te bewijzen dat, wanneer men in een tetraeder het
midden der overstaande ribben door regte lijnen vereenigt,
die lijnen elkander in een punt snijden, en in dat punt tevens
midden door worden gedeeld.
52.   Bewijs dat het zwaartepunt eener driehoekige pira-
mide, het ontmoetingspunt harer hoogtelijnen en het punt,
waarin de loodlijnen, die door de zwaartepunten der zijvlak-
ken gaan, elkander snijden, in eene regte lijn liggen.
53.   Wanneer de hoogtelijnen van een tetraeder elkander
in een punt snijden, en men laat uit dat punt loodlijnen
neder op de zes ribben, dan is voor dat punt de som dier
loodlijnen een minimum. Waarom?
54.   Wanneer de hoogtelijnen van een tetraeder elkander
in een punt ontmoeten, liggen de uiteinden der gemeen-
schappelijke loodlijnen op twee overstaande ribben nederge-
laten, en het midden der ribben — in het geheel twaalf
punten — op het oppervlak van een bol, welks middelpunt
zamenvalt met het zwaartepunt van de driehoekige piramide.
Men vraagt het betoog.
55.   Van eene driehoekige piramide zijn de coördinaten der
toppunten gegeven. Men vraagt hieruit den inhoud te bepalen.
-ocr page 13-
11
56.   Wanneer men in een tetraeder ABCD door de ribben
AB, AC en AD] die elkander in het hoekpunt A ontmoe-
ten, en de punten B1, C1 en D1, die de overstaande ribben
midden door deelen, vlakken brengt, dan snijden deze elkander
volgens eene regte lijn x, gaande door het hoekpunt A.
Herhaalt men de bewerking met de andere hoekpunten
B, C en D, dan verkrijgt men op die wijze nog drie andere
lijnen /3, y en S. Deze vier lijnen, benevens de lijnen p, q
en r, welke het midden D1 en D11, C1 en C11, B1 en B11
der overstaande ribben verbinden, snijden elkander in een punt O.
De drie vlakken, welke door het midden van drie aan
elkander grenzende ribben, loodregt op de overstaande ribben
gebragt worden, snijden elkander volgens het beloop eener
regte lijn; en wijl men de bewerking voor elk der drie ove-
rige hoekpunten kan herhalen, verkrijgt men vier regte
lijnen, die elkander in een punt O1 ontmoeten.
De drie vlakken, welke door het midden van drie in het-
zelfde vlak liggende ribben loodregt op de laatsten gebragt
worden, snijden elkander volgens eene regte lijn; herhaalt
men de bewerking voor de andere zijvlakken, dan verkrijgt
men drie andere snijlijnen, welke allen door hetzelfde punt
O11 gaan.
Eindelijk liggen de punten O, O1 en O11 in eene regte lijn,
en deelt het punt O de lijn O1011 middendoor. Men vraagt
het betoog.
57.   Beproef de lijnen x, (3, y en 5 benevens de lijnen p,
q en r in het vorig vraagstuk vermeld, uit te drukken in
eene functie der zes ribben van de driehoekige piramide.
58.   Men kent de som der kwadraten van de afstanden
van eenig punt p tot n gegeven punten. Hoe berekent men
hieruit de meetkunstige plaats van het punt p?
59.   De vergelijking van een bol en de coördinaten van
een punt op zijn oppervlak zijn gegeven; bepaal de verge-
lijking van het raakvlak aan dien bol in het gegeven punt,
60.   Door eene gegevene lijn wordt een raakvlak aan een
gegeven bol gebragt; men vraagt naar de coördinaten van
het raakpunt.
-ocr page 14-
12
61.   Aan een gegeven bol is een raakvlak gebragt, dat
evenwijdig loopt met een gegeven vlak. Hoe bepaalt men de
vergelijking van dat raakvlak?
62.   Zoek een determinant, welke de vergelijking vanden
bol uitdrukt, en waarbij gebruik gemaakt wordt van de ge-
deeltelijke eerst afgeleide functien en den straal.
63.   Zoek de vergelijking van den bol, die door vier ge-
geven punten gaat.
64.   Zoek de betrekking tusschen de afstanden van vijf
punten: M{xyz), M1(xlyls1), M2(x2y2s2), M3(x3y3s~),
-^4(^42/424) > alle op de oppervlakte van denzelfden bol ge-
legen.
65.   Men vraagt de punten te bepalen uit welke men
gelijke raaklijnen kan trekken aan twee gegeven bollen,
die elkander snijden.
66.   Men vraagt de vergelijking te bepalen van den bol,
die door drie gegeven punten gaat en een gegeven vlak
aanraakt.
67.   Men vraagt het vlak te bepalen, dat door een ge-
geven lijn gaat en een gegeven bol volgens een gegeven
cirkel snijdt.
68.   De vergelijkingen van drie bollen zijn gegeven; men
vraagt naar de meetkunstige plaats van het middelpunt eens
vierden bols, die de drie gegevene aanraakt, benevens de
meetkunstige plaats van elk der drie aanrakingspunten.
69.   Twee gegeven punten A en B liggen buiten een ge-
geven bol; hoe bepaalt men het punt G op den bol zoo,
dat A0-\\-BC een minimum is?
70.   Indien gegeven zijn de vergelijkingen van een bol en
van eene regte lijn in de ruimte, begeert men de coördina-
ten van een op die lijn gelegen punt te vinden, dat een
gegeven afstand van het oppervlak des bols heeft.
71.   Welk punt van een gegeven lijn heeft den kortsten
afstand tot het oppervlak van een gegeven bol, en hoe groot
is die afstand?
72.   De vergelijkingen van de drie vlakken eens drievlak-
kigen hoeks zijn gegeven; men vraagt naar de coördinaten
-ocr page 15-
13
van het middelpunt eens daarin sluitenden bols van gegeven
straal.
73.   Zoek een determinant, die den straal van den bol om
een tetraeder beschreven uitdrukt in functie van drie aan
elkander grenzende ribben en de hoeken, die deze met elk-
ander maken.
74.   Hetzelfde als in het vorig vraagstuk wordt gevraagd
voor den straal van den ingeschreven bol.
75.   Twee platte vlakken en een bol snijden elkander in
dier voege, dat een gedeelte van de gemeene doorsnede der
vlakken, als koorde, binnen den bol valt. Indien men nu de
lengte dier koorde kent, en ook nog gegeven zijn de verge-
lijkingen der beide vlakken, ten opzigte van onderling regt-
hoekige coordinaatassen, wier oorsprong in het middelpunt
van den bol is genomen, begeert men daaruit den straal van
den bol te vinden.
76.   Wanneer de vierkanten a,, a2, a3, a4, a5 en a6
der onderlinge afstanden van vier punten voldoen aan
0 11 11
1        0        a3        a%      a4
1         a8       0          a,       a5
1        a2      aj        0        a6
1         a4       a5        a6       0
= 0,
Men vraagt het
dan liggen die punten in een plat vla!
betoog.
77.   Van een driehoek zijn gegeven de inhouden der pro-
jectien op elk der regthoekige coordinaatvlakken, uitgedrukt
in de coördinaten der hoekpunten. Men vraagt den inhoud
van dien driehoek te bepalen, en de vergelijking op te
maken van het vlak, waarin hij gelegen is.
78.   Hoe lost men het vorig vraagstuk op, bijaldien van
den driehoek gegeven zijn de vergelijkingen van de projec-
tien der zijden?
79.   De vergelijkingen te bepalen van de zijvlakken en
ribben van het regelmatige viervlak.
80.   Hetzelfde voor het regelmatig achtvlak.
81.   De vlakken, die door de ribben van een drievlakkigen
-ocr page 16-
14
hoek gaan, en loodregt staan op de overliggende zijden,
snijden elkander in eene regte lijn. Men vraagt hiervan het
betoog, gebruik makend van de vergelijkingen der zijvlakken
in den normaalvorm.
82.   De zes vlakken, die de standhoeken der zijvlakken
van een tetraeder of viervlak midden door deelen, snijden
elkander in een punt. Bij het bewijs gebruik te maken van
de vergelijkingen der zijvlakken in den normaalvorm.
83.   De vergelijking van het vlak, dat den tweevlakkigen
hoek, waarin de oorsprong van het coördinaten-stelsel ligt,
midden door deelt, is Et — E2=0, wanneer .£,=0 en
E2 = 0 de vergelijkingen zijn der vlakken in den normaal-
vorm genomen. Het vlak dat den supplementshoek midden
door deelt, wordt aangewezen door Ex E% = 0. Men vraagt
het betoog.
84.  Welke beteekenis mag men hechten aan de vergelijkingen
— .E, E1 E3=0
E, - Et Ea — 0
Ei Ei — Es=0,
wanneer E1=0, E2=0 en E3 = 0 de vergelijkingen van
drie vlakken in den normaalvorm voorstellen\'?
85.   Bewijs dat
0
1
1
1
1
1
0
di2
^13
d
1
d2t
0
^2 3
d
1
<*»j
d3i
0
d
1
rf4i
di2
<*4 3
0
waarin I de inhoud is van het viervlak of den tetraeder
Mt M2 M3 üf4, en d het vierkant van de lengte der ribbe
uitdrukt, zoodat men in het algemeen heeft:
df, = {x, — xq)* {y, — yty -f- (*, — s,)K
86.   De hellingen eener regte lijn op gegeven scheefhoekige
«oordinaatvlakken zijn gelijk; men vraagt den hoek te be-
palen, dien de lijn met de coordinaatvlakken maakt.
87.   Trekt men door een punt 0, gelegen in de zijde
ABC van een viervlak ABCD, lijnen O., 0» en Oc, even-
-ocr page 17-
i
15
wijdig aan de ribben AD, BD en CD, tot zij de zijden
DBC, DAG en DAB ontmoeten, dan is
DA^ BB ~^ DC
men vraagt naar het betoog.
88.  Neemt men een punt 0 binnen een viervlak ABCD,
en verlengt men de lijnen AO, BO, CO en DO tot zij in
a, b, c en d de overstaande zijden ontmoeten, dan heeft
men de betrekking
Oa Ob ] _0c_ 0d^_ __
Aa Bb Cc Dd
        \'
men vraagt wederom het betoog.
89.   Bewijs dat elk vlak, gaande door het midden van
twee overstaande ribben van een viervlak, dit laatste in
twee gelijke deelen verdeelt.
90.   Men vraagt een gegeven viervlak door een plat vlak
zoodanig in twee segmenten te verdeelen, dat de zwaarte-
punten dezer laatsten gelegen zijn op eene regte lijn, lood-
regt op dat vlak.
91.   Binnen een drievlakkigen hoek is een punt gegeven;
men vraagt een plat vlak zoodanig door dat punt te brengen
dat het gedeelte door den drievlakkigen hoek afgesneden
gelijkvormig zij met een gegeven driehoek.
92.   In de ruimte ligt eene regte lijn AB en buiten deze
twee punten P en Q. Men begeert uit het punt P in eene
regte lijn PC naar een punt C van de gegeven lijn te
gaan, en uit dit punt C tot het ander gegeven punt Q,
insgelijks in eene regte lijn, terug te keeren, zoodanig dat
men den kortsten weg aflegt; bepaal het punt C.
93.   Men begeert op eene regte lijn in de ruimte het punt
te vinden, uit hetwelk twee punten in de ruimte onder den
grootsten hoek gezien worden.
94.   Bewijs dat het vierkant van het zijvlak tegenover
den regten drievlakkigen hoek eener regthoekige driehoekige
piramide gelijk is aan de som van de vierkanten der drie
zijvlakken, welke om den regten drievlakkigen hoek staan.
95.   Aantoonen dat het vierkant van een der zijvlakken
-ocr page 18-
I
16
eener driehoekige piramide gelijk is aan de som van de
vierkanten der drie andere zijvlakken, verminderd met de
som der producten dezer drie andere zijvlakken, op alle
mogelijke wijzen twee aan twee genomen, en elk dezer
producten vermenigvuldigd met de cosinus van den stand-
hoek der twee zijvlakken, die in dit product voorkomen.
96.   Wanneer in de ruimte uit eenig punt P vier lijnen
zoodanig getrokken zijn, dat geen drie dezer lijnen in het-
zelfde vlak liggen, dan begeert men eene vergelijking op de
zes onderscheidene hoeken te vinden, welke deze lijnen,
twee aan twee genomen, met elkander maken.
97.   Indien men door een willekeurig punt drie onderling
loodregte vlakken brengt, die ieder in het bijzonder een
gegeven bol snijden, zal de som der drie doorsneden eene
standvastige grootheid zijn, hoe men overigens de rigting
der vlakken gekozen hebbe. Men vraagt hiervan het bewijs.
98.    Betoog dat in een tetraeder, welks hoogtelijnen
elkander in hetzelfde punt ontmoeten, dit punt, het zwaarte-
punt van den tetraeder en het middelpunt van den ingeschre-
ven bol in eene regte lijn liggen.
99.   Toon aan dat in den tetraeder in het voorgaand
vraagstuk omschreven: 1°. de zwaartepunten der zijvlakken,
2°. de voetpunten der hoogtelijnen, 3°. de punten gelegen
op die hoogtelijnen, op twee derden van den afstand tus-
schen de toppen en het snijpunt der hoogtelijnen, in het
geheel derhalve 12 punten, allen liggen op het oppervlak
van denzelfden bol.
100.   Zoek ook het bewijs dat het middelpunt van den
bol in het laatste vraagstuk aangegeven ligt op het midden
der lijn, die het snijpunt der hoogtelijnen vereenigt met het
snijpunt der loodlijnen, op elk zijvlak uit het zwaartepunt
dier zijvlakken opgerigt. De straal van dezen bol en de straal
van dien om den tetraeder beschreven staan tot elkander
als een tot drie.
-ocr page 19-
OPLOSSINGEN DER VRAAGSTUKKEN.
1. Uit de regthoekige driehoeken OQB, ORS en OSQ
volgt terstond
OR
tang RSO = -^-; tang SRO =
" "
tang SQO = -2
OQ \' ö T             OS
daar nu blijkbaar
OQ Qi? OS , OR OS OQ
Oü! ~ OS ~ 00         OQ ^ OR ^ OS
is, volgt uit de bovenstaande waarden onmiddelijk dat men
ook heeft:
tang QR O X tangRSOX tang SQ 0=1,
en tangRQOX tang SROX tang <?£O = 1.
2. Wij noemen de hoeken, diede coordinaatassen OX, OF
en OJ? met elkander maken a, a* en v, zoodat
hoek YOZ=x, ZOX=n, XOY=v,
is.
Uit den oorsprong trekken wij de lijn OD en stellen
hoek DOX=x, DOY=@, DOZ=y.
Op de lijn OD nemen wij, van den oorsprong af, eene
lengte OM gelijk aan de eenheid, en noemen de coördinaten
van het punt M x, y en z. Trekt men voorts uit M de lijn
MP evenwijdig met de as der Z, totdat zij in P het vlak
der XY ontmoet, en in dat laatste vlak de lijn PQ even-
wijdig aan de as der Y, totdat zij in Q de as der X ont-
moet, dan is
OQ = x, QP = y en PM = z.
2
-ocr page 20-
18
Projicieert men achtereenvolgens de regte lijn OM en de
gebroken lijn OQPM op de regte lijn OD en de assen OX,
OY
en OZ, dan heeft men de volgende vier vergelij-
kingen :
— 1 x Cos x 4- y Cos (3 -f- z Cos y = 0,
— Cos x -\\- x -\\- y Cos v 4- z Cos (j. = 0,
— Cos (3 4- x Cos v-\\-y -\\- z Cos A = 0,
— Cos y 4- x Cos y. 4- 2/ Cos >.-\\-z =0.
Elimineert men nu de veranderlijken x, ?/ en 0, dan vindt
men voor de verhouding, die bestaat tusschen de hoeken
>., (/,. v. x, (3 en y
1 Cos x Cos |@ Cos y
Cos# 1 Cosv Cos [j.
= 0.
Cos (3 Cos v 1 Cos A
(7os y Cos /« Cos A 1
Men kan dien determinant ontwikkelen en zal dan vinden
/ Cos*x Sin** 4- 2Cos (3 Cos y (Cos pCosv— Cos A) 4-
) 4- Cos*(3 Sin*t* 4- 2 Cos y Cos x (Cos v Cos * - Cos ft) 4-
( 4- Cos*y Sin* v 2Cos x Cos (3 (Cos A Cosv - Cos v) = A2,
waarin
A2 = 1 - Cos* A - Cos* n — Cos* v 4- 2 Cos A Cos fiCosv,
of
1 Cos v Cos a*
A2 = Cos v 1 Cos A
Cos jt* Cos A 1
3. Daar de vergelijking der projectie blijkbaar ook de verge-
lijking van het projicierend vlak is, zoo komt het er slechts
op aan om de vergelijkingen der projicierende vlakken te
vinden. En daar deze steeds evenwijdig loopen met een der
coordinaatassen, zoo worden zij door eene vergelijking tus-
schen twee coördinaten uitgedrukt. Elimineert men derhalve
achtereenvolgens z, y en x tusschen de vergelijkingen der
gegevene lijn, dan verkrijgt men voor de vergelijking der
projectie
OphetvlakJET: (a-a*)y (b-b^x c-c* =0;
Op het vlak XZ: (a—a1) z -f (a*b-abl)x 4- alc-aci= 0;
Ophetvlak YZ: (b—b1)x-\\-(ab1—alb)y-{-b^c—bci=0.
-ocr page 21-
19
4. Stellen wij de gegeven lijnen voor door
Ax By Cz D =0,1
Alx Bly-\\-C1z-^T)i =0;j "
Alx Bhj Clz Z)i = 0, |
(1)
(2)
A\\x B\\y C\\z D\\=0;\\ \'
dan zullen zij elkander snijden, wanneer de coördinaten van
het snijpunt voldoen aan (1) en (2). Elimineert men derhalve
x, y en z tusschen (1) en (2), dan erlangt men de voor-
waardensvergelijking:
A
B
C
D
*t
B,
c,
»,
At
5\'
C\'
D\'
^1
B\\
c\\
D\\
= 0.
Zijn echter de lijnen gegeven door de vergelijkingen:
x = az p\\                  x^atg p1 \\ .
y = bz q)(ö)             y^Vz q^^\'1
dan brengt men dit geval tot het voorgaande terug, door de
vergelijkingen aldus te schrijven:
— x -\\- O.y az -f- p = 0,
0.x y -\\- bz q =0,
— x O.y alz p1 = 0,
0.*— y -j- blz qi =0;
en elimineert men nu a
densvergelijking
— 1 0 a p
0—1 b q
— 1 0 a1 pl
0-1 1\' a1
y en z, dan wordt de voorwaar-
a
1  ö
0  a1
1  ö»
P
Q
= 0.
P1
q1
de beide laatsten
Trekken wij do twee eerste regels van-
af, dan verkrijgen wij
10a
         p
0 1 ft         q
0 0 al — a p1 —p
0
0 bl — b ql q
wat overeenkomt met
P1 —P
ax
a
p* —p
qt —q
— a
— b
= 0,
bl
ql — q
bl —b
-ocr page 22-
20
dat tevens de coördinaat z van het snijpunt is. Brengt men
die waarde in (3) of (4) over, dan worden ook x en y bekend.
5. AVanneer men de vergelijking der te zoeken lijn voor-
stelt door
(1). . x = az p,          (2). . y = bz-\\-q,
dan zijn a en p, b en q de onbekenden, welke men moet
bepalen uit de voorwaarde dat de lijn door de beide gegeven
punten gaat. Substitueert men achtereenvolgens de coördi-
naten der gegeven punten in (1) en (2), dan verkrijgt men
de voorwaardensvergelijkingen
(3) x1=azi p, (4) y1=bz1 q;
(5)
i bs2 q-
= az2 p,
(6)
y
x.
Uit deze kan men a en p, b en q bepalen en in (1) en
(2) overbrengen. Geschikter is het a en p tusschen (1), (3)
en (5), en b en q tusschen (2), (4) en (6) te elimineren,
wat geschieden kan door de determinanten
—    1
—    1
—   1
—   1
—    1
—    1
—   z
—   z.
—   z
—   *!
—   z~
U
= 0.
(7)
= 0, (8)
Trekt men den tweeden regel van den eersten,
derden van den tweeden af, dan heeft men
x x. z, z 0
den
z
z,
.\'•
0
1
x,
tC A
2                   *2
= (x — x1) (z2 —z1) — (x1—xi)(z1—z) = 0,
of
x,
\' X m
(9)
O, — *)
•AS           vC| ^^
op overeenkomstige wijze vindt men uit (8)
y-Vi= y*—y*{Zi — *), • • (10)
z2 zt
door welke vergelijkingen (9) en (10) de lijn geheel be-
paald is.
6. Bij de voorwaardensvergelijkingen (3), (4), (5) en (6) van
het vorig vraagstuk komen nog de volgende
x3 =az3 p, y3 =bz3 q,
zoodat a en p, b en q tusschen deze en (3), (4), (5) en (6)
moeten worden geëlimineerd, waartoe men heeft:
-ocr page 23-
21
xx zx — 1
Vi — *i — 1
•"j %2 1
= 0,
?/2 — «2 — 1
waaruit de voorwaarden
2/3 — «3 — 1
X2 X3 2S
*i en 2/1 — _ ^2—^1
^2 2/2 y% z» zi
= 0,
7. Noemen wij de vergelijkingen der regte lijn
x = as -\\- p, en y = bs -\\- q,
dan zijn a en p, b en g de onbekenden, welke wij uit de
gegevens van het vraagstuk moeten trachten te bepalen.
Daar de lijn door het punt xl yt st gaat, kunnen wij hare
vergelijkingen onder den volgenden vorm brengen:
(1) . . x — *, = a(z — zt), (2) . . y — yl — 6(« — et),
waarin nog slechts de onbekenden u en i voorkomen.
Zijn a, en (3 de hoeken, welke de lijn met twee der coordi-
naatassen maakt, dan wordt de derde hoek y uitgedrukt door
Cos y = ± V (1 — Cos* x — Cos* (3).
Maar de drie hoeken x, (3 en y voldoen aan de vergelij-
kingen
Cos x = —,.?,., =» , Cos (3 =
1
Cosy =
Ha» ö1 1) \'
waaruit door deeling
Cosx__               Cos (3__
Cosy \' Cosy
Deze waarden voor a en b overbrengende in (1) en (2),
komt er voor de vergelijkingen der gezochte lijn
Cos cc,.             .                                 Cos (3,            .
of meer symmetrisch
x — xt _ 2/ — 2/t _ g — gt
Cos x Cos (3         Cosy.\'
Wil men, ten slotte, p en q bepalen, dan moet men ge-
bruik maken van de vergelijkingen
Cosx ,                     Cos (3 .
xi = CosTSi p en *-Bff7#» *
-ocr page 24-
22
8. Noemen wij de vergelijkingen der lijnen, die loodregt
op elkander staan,
(1) x=az-\\-p, (2) y = bz q;
(3) x = a1z-\\-p1 , (4) y^Wz q1;
dan zijn a en p, b en q, a1 en p1, bx en ql niet wille-
keurig gegeven. Eerstens toch moeten zij voldoen aan de
voorwaarde dat de lijnen elkander snijden; elimineert men
x, y en z tusschen (1), (2), (3) en (4), dan verkrijgt men
de daartoe noodige betrekking
„_ pl —p _ql — q             ,,,
o> —o ~~ 61b\' \' • K?>
welke dienen kan om een der grootheden a, o1, b, bl, p1,
p, 21 of g in functie der overigen uit te drukken.
Maar de lijnen (1), (2) en (3), (4) moeten loodregt op
elkander staan, hetwelk nog aanleiding geeft tot de verge-
lijking
aa1 bbl 1=0, . . (6)
waardoor wederom een der grootheden, stel ö1, in functie
van a, a1 en b kan worden uitgedrukt.
Heeft men q1 uit (5) en bl uit (6) overgebragt in (4),
dan bevatten (1), (2), (3) en (4) nog 6 van elkander onaf-
hankelijke grootheden.
Noemt men het snijpunt der gegeven lijnen xl yl zi dan
heeft men ter bepaling van zx uit (5)
_ p!—p                     pj—q
1 a1 — a\'         \' b1 b
Uit (1) of (3) kan men vervolgens x1, en uit (2) of (4) «/,
berekenen, nadat men de gevonden waarde van zt in die
vergelijkingen heeft overgebragt.
De lijn, welke gezocht wordt, moet gaan door het snijpunt
der gegeven lijnen; hare vergelijkingen zijn derhalve van
den vorm
x — x1=a11(z — zï), y — iJl=ib11(z — z1),
met de onbekenden a11 en 611. Het komt er dus op aan
die onbekenden in de verdere gegevens van het vraagstuk
uit te drukken. De lijn, welke door het snijpunt xt y1 zi
gaat, moet loodregt staan op eene der gegevene lijnen, op
-ocr page 25-
23
de eerste bijvoorbeeld, en dit geeft, zoo ais wij weten, aan-
leiding tot de vergelijking:
aa1*4 66" 1 = 0.          (7).
Maar zij moet een gegeven hoek maken met de andere, in
casu de tweede lijn. Noem dien hoek x, dan wordt zijne
waarde bepaald door
Cos x =-----------------j-----±----------t----------t------ (8).
V (a1 ft\' l)j/(a11 öJ1 1)
Brengt men nu a11 of 611 uit (7) over in (8), dan erlangt
men eene vierkants-vergelijking ter bepaling van 611 ofa11;
heeft men zoo a11 of 611 gevonden, dan volgt de andere
b11 of a11 onmiddellijk uit (7), waarmede het vraagstuk
opgelost is.
De vierkantsvergelijking geeft aanleiding tot twee ver-
schillende waarden, wat met den aard der zaak overeen-
komt, want men kan de lijn zelve of haar verlengde be-
schouwen; of ook de gegeven hoek kan scherp of stomp
zijn; het nulpunt zijner telling ligt regts of links.
9. Wanneer de vergelijkingen der gegeven lijn worden voor-
gesteld door
x = az P en y = bz -{- q,
dan moeten, wijl xlyiz% op die lijn ligt, ook gelden de
vergelijkingen
(1) xi = az1 p en y2=bz2 q. (2)
Laat de gegeven afstand der punten xt yx zx en x2 y2 z2
gelijk aan B gesteld worden, dan heeft men, volgens een
bekenden regel
(*, —«i)1 (ttt -Viï1 (*, —z%)^=R\\
en hierin voor x2 en y2 de boven gevonden waarden over-
brengende
(x1—az1 —p)i (y1—bziqy 4- (*, — #,)» —3»,
uit welke vierkantsvergelijking z2 gemakkelijk gevonden
wordt. Ter bepaling van j>2 en y% dienen vervolgens (1) en
(2). Dat men voor z2 en bijgevolg voor <t% en y2 twee
waarden vindt, is zeer natuurlijk, want het punt ie2yiz2
kan regts of links, wil men, hooger of lager dan xl yx zx
liggen.
-ocr page 26-
24
10. Noem de coördinaten van A xx yx zx, die van B xt
y2 s2,
dan vindt men voor de coördinaten xy% van C:
__mxJ nx1 _ _ my2 -f- nyt _         mx2 ?»,
ffl-f«                m -\\-n \' = m-\\-n
Men verkrijgt deze waarden, bijvoorbeeld de laatste, uit
het trapezium, welks evenwijdige zijden de coördinaten *,
en %% zijn, en waarin derhalve % een aan die zijden even-
wijdige lijn is, die door het punt C gaat.
Heeft men op eene regte lijn drie punten At, At en A3
welker coördinaten respectievelijk zijn x1y1xi, xiyizi en
a;3 «/, *3, en wordt door B de afstand Ax A2 zoodanig ver-
deeld dat men heeft At B: B A2 = m:n, en door C de af-
stand A3 B in verhouding van A% C: CB = p:q, dan kan
men de coördinaten x y z van het punt C door die van A x,
A2 en A3 uitdrukken.
Door herhaalde aanwending dezer formules vindt men dat de
regte lijnen, welke het midden der tegenoverliggende ribben van
een tetraeder verbinden, elkander in hetzelfde punt midden door
deelen. De x coördinaat toch van het middelpunt der ribben
x1ytxi1 xiy1x1 is Vs (*j »j). die der tegenoverliggende
ribben x3 ys x3, xk yk %K is Vs (x3 ^4); bij gevolg is Aex
coördinaat van het midden der lijn, welke beide punten ver-
bindt, y4 (xt -\\-x2 -\\-x3 #4). Overeenkomstige waarden
verkrijgt men ook voor het midden van elke andere derge-
lijke regte lijn.
Is At A2 A3 Ak een viervlak, en deelt Ct de lijn At Ar
en C2 de lijn A3 Ai in verhouding van
At C1: C, A2= A3 Ci: C2 Ai = m:n,
en evenzoo D1 en Z>2 de lijnen Ax A3 en A% Ak in verhou-
ding van
AlD1:D1A3=A1Di:D1Ai=p:q,
dan snijden de lijnen C1 C% en BXD2 elkander.
Zijn nu de x coördinaten van de punten C,, C2, Dt en
Dt achtereenvolgens £,, S2, £{ en %\\, dan vindt men
p-\\- q              m-\\-n \'
-ocr page 27-
25
gevolgelijk snijden elkander de lijnen C, C2 en Dv D2 in
het punt, welks coördinaten x, y en z, zijn:
__mpx^ -f- npx3 mqx^ nqx_x .
(m 4- «) (p q)
_ wP?/4 ^j mqy2 ?tg,yt
(m n) (j? ?)
__wpa, -f- wp^g -j- mqxj -f- wg^j
(m n) (jj (?)
11.   Laat ons de gegevene lijnen op regthoekige coördinaten
voorstellen door
\\Cosy(x—xl) = Cosx(z—x1)|_ jCosy1^—a;1)=Cosi«1(*—«2)|.
{Cosrly-yt)=Cosf3(z-Xi)\\\' \\Cosyl(y-yi)*=>Go8(3i(z-z1)V
en noemen wij xl, yx en Jt1 de coördinaten van het ge-
geven punt.
Yoor de vergelijkingen der gezochte lijn schrijven wij
Cosyx x(x—xx)=Cosxx\' (x~zl); Cosy1 x(y-yx) = Cos(3\' x(»-zx),
- waarin «u, (31\' en y11 zoodanig bepaald moeten worden
dat voldaan wordt aan
Cos y Cos y11 -f- Cos /3 Cos /311 -f- Cos x Cos xxx =
± (Cosy1 Cosyx > -f Cos /3l Cos/31\' Cosxx Cos xx«).
Elimineert men nu Cos xxx en Cos (3XX tusschen deze drie
vergelijkingen, dan komt er
Cos v (* — z1) Cos (3 (y — yx) -f- Cos x (x xx) =
± i Cos y1 (* — **) -f- Cos /31 (y — yx) Cos a1 (ar — z1) | ,
als gezochte meetkundige plaats der lijn. Die vergelijking
stelt twee vlakken voor, namelijk:
{Cos y Cos yl) (z zx) (Cos /3 — Cos (Sx) (y — y1)
(Cos * — Cos x1) (x xx) = l),
(Cosy-|- Cosy1) (* — zx) -f-(Cos/3-f- cos 0l) (y — yx)
(Cos x
-f- Cosxx) (x — xx) = 0,
welke loodregt op elkander staan.
12.   De drie gegeven lijnen drukken wij uit door de vergelij-
kingen.
y = ax b . * = cx f2 I    • • • •    1)
y = axx -\\-bx , z = cxx -\\-dx;    ....    2)
y = axxx-\\-bxx, z = cxxx-\\-dxx;   . . . .    3)
en de gezochte lijn door
y = ax -f- B en * = ex -f- D,         . . . .    4)
K
-ocr page 28-
26
waardoor wij reeds te kennen geven, dat zij evenwijdig zal
loopen aan 1), zoodat het er alleen op aan komt om B en
D te bepalen uit de voorwaarde dat zij 2) en 3) zal snijden.
Zullen 2) en 4) elkander werkelijk snijden, dan wordt dit,
zooals bekend is, uitgedrukt door de voorwaarde
B — b1 D — d1                  rs
----------i = ----------ï~ >                    5)
a a1 c — c1
gelijkerwijze vinden wij als voorwaarde dat 3) en 4) elkan-
der snijden
B — b11 D — d11               6v
a— a11         c — c11\'              \'
Berekenen wij nu B en D uit 5) en 6), en brengen wij de
zoo gevonden waarden over in 4), dan is daarmede het
vraagstuk opgelost.
Het kost nu ook weinig moeite om den afstand der snij-
punten te bepalen; noemen wij de coördinaten van het snij-
punt, waarin 2) en 4) elkander ontmoeten p, q en r; even
zoo voor 3) en 4) p1, q1 en r1, dan is
B — b1        D — d1              B — b11 D—d11
*~~ a a1         c c1 \'         ~aa11 c — c11
q qi = a(p p1) en r r1 =c (p p1).
Deze waarde in de bekende formule
R=v\\(P-Piy (q-q1)i (r-riy\\
overbrengende, komt er ten slotte
P«-6ii)(ei-Ci»)-(qi-gM)(di-dii)
" — {a -a»)(c -c11)-(a -o»»)(c -c1) K^ a c h
13. Om de drie gegevene en de vierde te zoeken lijn aan te
duiden, maken wij gebruik van de vergelijkingen in het vorig
vraagstuk voorop gezet. De hoeken waaronder de lijnen (2)
en (3) door de lijn (4) gesneden worden, kan men onmidde-
lijk berekenen uit de bekende formules
ru *                   1-\\-aa1 -\\-cc1
Cos <p =--------------------!----------!--------------j---------j-,
V (1 o1 c»; V (1 a1 -f c1 )
n ^ _______1 gg\' | cc1
en Cos ip1 =--------------!-------------------j---------r-
V (1 a2 cJ) V (1 -f- a1« -f c«» )
Om den afstand te vinden, waarop de lijn (4) van de lijn
-ocr page 29-
27
(1) verwijderd is, brengen wij door den oorsprong een vlak
loodregt op die beide lijnen; de vergelijking van dat vlak
is dan
x -f- ay -\\- es = 0.
En noemen wij de coördinaten van de punten, waarin dit
vlak door de lijnen (1) en (4) gesneden wordt, achtereen-
volgens Imn en l1 m1 n1, dan hebben wij, ter bepaling dier
coördinaten, de volgende zes vergelijkingen:
I    am -\\- en = 0; m = al -\\- b; n =cl -{- d;
II  -\\-ctm1 -f en1 = 0; m1=al1JrB; nJ=cli D.
Uit deze vindt men door aftrekking en herleiding de
waarden van l P , m — m1 en n — n1, en brengt men
die over in de bekende formule
r= y\\{i — i»)i (m_wi)ï 4-(w_wi)2()
dan komt er, ten slotte
p .,(l c») (B-b)>-2ac (B-b) (fl-rf)-Ki q») (Z?-d)«
B- ^--------------------i a> c»--------------------
in welke uitdrukking men de waarden van 5 en D, vroeger
gevonden, nog moet overbrengen.
14. Noemt men den onbekenden hoek <p, dan worden in den
determinant van het tweede vraagstuk a, fi en y door <p
vervangen, dat is x = /3 = y = <p, zoodat men heeft
1 Cos Q Cos cp Cos cp
Cos <p 1 Cos v Cos ft ___
Cos <p Cos v 1 Cos a
COS <p COS fi COS A          1
Om den hoek <p mt deze vergelijking af te zonderen,
deelen wij den eersten regel en de eerste kolom door Cos (p,
waardoor de determinant, lettende op Gosiq = tang %p-{-\\ y
wordt
tang 2<p 4- 1 1 1 1
O -j- 1 1 Cos v Cos ia __0
O 1 Cos v 1 Cos A ~
O -f- 1 Cos p Cos A 1
of
-ocr page 30-
28
tang *<?>     1 1 1
O        1 Cos v Cos ft
O     Cos f 1 Cos*
O     Cos ft Cos A 1
1111
1 1 Cos v Cos ft
1 Cos v 1 Cos A
1 Cos ft Cos A 1
= 0.
De eerste term dezer vergelijking is A2tang,<p, de
tweede — 16 Sin »Vi A <8£»*V»A* Sin*l/av; want wanneer
men den eersten regel van elk der drie volgende aftrekt,
komt er
1111
O C COSv-1 G08(l-1
OCosv-1
O Cos A-l
O Cosv—l Cos ft —1
Cosv—1
O Cos A—l
Cos ft-1 Cos A-l , O
O Cos,c*-1 Cos A-l O
= 2 (Cos A — 1) (Cos ft—l) (Cos v — 1) = — 2 (1 — Cos A)X
(1 — Cos ft) (1 — Cos v)= — 16 Sin 2 Vs * Sin a1/» /* Sin «Vs " >
omdat in het algemeen 1 — Cos \\p — 2 Sin »7» #.
ïer bepaling van den hoek <p heeft men derhalve
tang <p =
4 Sm Vs A $fo Vs A*<Sïh l/s "
A
15. Noemt men de vergelijkingen der regte lijn
Alx-\\-B1y C1z D1=0,
A2x-\\-Biy Ciz-\\-D2=0,
dan heeft elk vlak, dat door die lijn gaat, in het algemeen
den vorm
AiU1s 51y CI* i)1) A>U1a> .B1y C1* D1) —0;
opdat nu echter de lijn in het gegeven vlak
Ax-\\-By Cz D = 0
ligge, moet men a, en a2 zoodanig bepalen, dat voldaan
worde aan de vergelijking
A, (Atx Bxy Ctz D) A2 (A2x B2y C2z Dt)
= Ax By Cz D;
en daar deze vergelijking voor alle waarden van x, y en z
moet plaats vinden, heeft men ter bepaling van A, en A2
de volgende vergelijkingen:
A, A{ - - A2 A2 — A = O
s,
*J
£,
B
=
0
c,
*2
c,
C
=
0
7>.
A2
D*
D
=
0
-ocr page 31-
29
Bepaalt men nu a, en A2 uit twee dezer vergelijkingen,
dan moeten de gevonden waarden tevens aan de andere
vergelijkingen voldoen. Hieruit volgt reeds dat men voor-
waardensvergelijkingen moet kunnen vinden. En daartoe
komt men, als men den determinant van telkens drie der
vier vergelijkingen gelijk nul stelt.
De voorwaarde dat eene regte lijn in een vlak ligt, wordt
derhalve door de vier volgende vergelijkingen uitgedrukt:
4,
.4, 4
Bi
i?2 B
IK
I)i D
Bt
B2 B
c,
c2 c
*>i
B2 D
A
A2 A
#1
B2 B
c,
C2 C
^1
A2 A
c,
C2 C
D>
D* D
= o,
= 0,
= 0,
= 0;
in het geheel derhalve door twee van elkander onafhanke-
lijke vergelijkingen, daar de beide anderen in de eersten
liggen opgesloten.
16. Veronderstellen wij dat de lijn
xp y q _ s r . . . . (1)
a ~~ b
              c
loodregt staat op het vlak
Ax By-\\-Cs D=*0. .... (2)
Wanneer wij uit den oorsprong der coördinaten eene lijn
evenwijdig met (1) trekken, dan zijn blijkbaar hare verge-
lijkingen
x        y __ z
a        b        c
En wanneer wij door het punt I dezer laatste lijn, welks
coördinaten door a, & en c worden aangegeven, een vlak
brengen evenwijdig met (2), dan is de vergelijking van
dat vlak
Ax By Cz = Aa-\\-Bb Cc = I)K . . . (3)
Stellen wij 01 = u, en laat *, (3 en y de hellingen zijn
der lijn 01 op de drie assen der coördinaten. Noemen wij
nog de afstanden der punten L, M en N, waarin het vlak
(3) de coordinaatassen snijdt, tot den oorsprong l, m en n>
dan is
-ocr page 32-
30
l:
\' A =
m
Daar nu
n :
D1
C ~
u
=
l Cos a, =
is
, heeft men
Aa Bb Cc
A            \'
Aa Bb Cc
4a .Bè -f Cc
4w _ n Bu                  Cu                      ,A.
Cosotz= — , cos [3 = -pT, Cos r = p-, • • • • W
Projecteren wij voorts de lijn u achtereenvolgens op de
-drie coordinaatassen, en doen wij hetzelfde met den omtrek
gevormd door de coördinaten a, b en c van haar uiteinde It
dan verkrijgen wij de drie vergelijkingen
u Cosx = a-\\-b Cosv c Cosp,
u Cos /3 = a Cos v -\\- b c Cos A ,
u Cosy = a Gosyt. b Cos >.-\\- c;
welke, op (4) lettende, worden
Au2
-jyT =a-\\-bCosv-\\-c Cos &,
Bu2
-=—- = a\'Cos v -\\- b -f- c Cos A , . . . (5)
■jü = a Cos [/. -\\- b Cos A, 4- c.
Vermenigvuldigen wij deze drie gelijkheden respectievelijk
met a, b en c, en nemen wij de som, dan komt er voor de
gevraagde voorwaarde
«» _ q\' 4- o* 4- c2 4- 26c Cos A 4- 2ac Cos n 2ab Cos v
ï»
                                Aa Bb 4- Cc
_ a 6 Cos i/-f o Cos ft
~         I
a Cos v -\\-b-\\- c Cos A.
a Cos (t 4" ó Cos A 4" c
                C
17. Noem de lengte der loodlijn P, en de gegeven hoeken»,
-ocr page 33-
31
/S en y; deze vier grootheden kan men beschouwen als de
poolcoördinaten van het voetpunt der loodljin, zoodat de
regthoekige coördinaten voor dat punt worden
xl=PCosx, y1=PCosfi, zl=PC)sy;
en de vergelijkingen der loodlijn
x Cos y = z Cos x; y Cos y = z Cos /3.
Maar de vergelijking van het vlak, dat loodregt staat op
de laatstgenoemde lijn en tevens gaat door het punt»,?/ lzl, is
x Cos x -f- y Cos (2 -\\- z Cos y = xt Cos x-\\-yx Cos /3 -}- zi Cos y;
brengt men hierin de waarden van x1, yl en 2, over, in
het oog houdende dat Cos2 x -\\- Cos2 (3 -}■■ Cos2 y=\\ is, dan
komt er voor de vergelijking van het vlak
.r Cos x -\\-y Cos fi -{- z Cos y = P.
18.   Om het vraagstuk op te lossen, zoekt men de vergelij-
kingen van twee vlakken, waarin de regte lijn moet liggen.
Zij bevindt zich toch zoo wel in het vlak, hetwelk door de
gegevene lijn en het gegeven punt gelegd wordt, als in het
vlak dat loodregt staat op de gegevene lijn en door dit punt gaat.
Zijn nu
m = mz -{-p en y = nz 3
de vergelijkingen der gegevene regte lijn en xiyizl de coör-
dinaten van het punt, dan heeft men voor de vergelijkingen
der regte lijn
m {x — xj n (y — yt) (z — zl) = 0
en
x y z 1
X* Vl Zl 1 =0
m » l 0
p q 0 1
19.   Wij stellen voor de vergelijkingen der gegeven lijnen
x = m z-\\-p,          y = n z-\\-q;         1)
x = miz-\\-p1,        y = n1z-\\-q1. 2)
De gezochte lijn moet loodregt staan op het vlak, waar-
aan de beide gegeven lijnen evenwijdig loopen, en uit die
voorwaarde vindt men onmiddelijk de hoeken met de coor-
dinaatassen. Want de vergelijking van het vlak, dat de
-ocr page 34-
32
eerste der
andere, is
beide j
ijnen
bevat en evenwi
jdig loopt met de
X
P
m
y z 1
q 0 1
n 1 0
= 0,
welken determinant
m1
, mer
n1 1 0
i ook aldus
kan schrijven
x y z
m n 1
__^
p q 0
m n 1
= 0.
m1 n1
1
m1 w1 1
Noemt men de hoeken, welke de gezochte lijn met de
X-, Y- en Z-as maakt, x, @ en y, dan worden zij bepaald
door de vergelijkingen
Cos x
n — n1
y \\(m m1)2 (n — ^1)ï (wmïj —1»\'«)!|
m — w1
j/ )(m — m1)2 -f- (w — n1)2 -f- (wjü1m1n)2\\
Cos (3 =
3)
»%
m\'w
Cosy =
K \\(m — m1)2 (n — m1)2 -f- (mn1 — m1^)2!
De gevonden formulen laten nog eenige herleidingen toe,
want men kan m en m1, » en n1 uitdrukken in de hoeken,
welke beide gegeven lijnen met de assen maken. Noemen
wij a, ft, v de hoeken, welke de eerste, A1, ^ en v1 die,
welke de andere lijn met de X-, Y- en Z-as insluiten,
dan is
__Cos n .
Cos v \'
Cos p\'
CosA
Cos7 !
COS AJ
m =
m1 =
n1 =
i »
Cos?\'
Cosv
en dus ook
V )(m — m1)2 (n — n1)2 (»«»\' — w\'w)2) =
- V j(Cosa CoS/t*1 — CosA1 Cos/t*)2 (Cos/t* Cosv1
Cos v Cosv1
Cosv Cosp1)1 (CosA Cosv* — CosA1 Cosv)2j
De uitdrukking onder het wortelteeken is gelijk aan de
sinus van den hoek, dien de gegeven lijnen met elkander
-ocr page 35-
33
maken. Noemen wij dien hoek (g, g1), dan worden de for-
mulen voor x, (3 en y:
CoshCosv1Cos^Cosv „ CospCosv*CosvCosp1;
Cosx=----------
Sin(g, gl)
Cos A Cos p1
Cos y
=------
s 13= -
Sinig, g*}
Cos V Cos ft
Sin (g, g1)
Alen is nu in staat gesteld de vergelijkingen der beide
vlakken te bepalen, welke elk door een der gegevene lijnen
gaat en de gezochte lijn bevat. Die vergelijkingen te zamen
genomen geven dan de gezochte lijn aan. Het stuk dezer
laatste, dat tusschen de gegevene lijnen begrepen is en lood-
regt op beiden staat, of de afstand der gegeven lijnen, is
blijkbaar gelijk aan den afstand van eenig punt der eene
regte lijn en het vlak, dat door de andere, evenwijdig aan
de eerste gelegd is. Noemt men den afstand der beide lijnen
d en de coördinaten van een punt der tweede x, y en z,
dan is
X
!/
s
m
n
1
m1
n1
1
P
8
0
m
u
1
mx
nl
1
d =
V \\{m m1)2 (n n1)2 -\\- (mn1 min)i\\\'
waarbij men oplette aan den wortel het teeken te geven,
dat cl positief maakt.
Daar voorts x = m1s-\\-pi en y = nïz-\\-ql is, wordt
de waarde van d
m1 z-\\-pi
i1 e q1
n
n1
V
m
q
n
m
m1
ml n\'
V \\{m m1)2 -j- (n — «1)2 (mn1m1n)2\\\'
Maar de eerste der beide determinanten van den teller
kan men splitsen in
p* qi
0
m n
1
m1 n1
1
m1 z n1 z z
m
m1
n
De eerste dezer determinanten wordt gelijk nul, wijl de
eerste en derde regel, op den factor z na, aan elkander
gelijk zijn. De waarde van d wordt ten slotte uitgedrukt door
3
-ocr page 36-
34
p1 q1 0
m n 1
m1 n1 1
p q 0
m n 1
w1 n1 1
V \\ (m— w1)2 (n ni)2 (mn1 m1n)i\\
of
^ {p — p1) (n — n1) — (g — g\') (ro — w\') _
1/ j(>n — m1)2 -f- (m — n1)2 (mn1 mln)% j\'
In de gevondene uitdrukking geeft men aan den wortel
het teeken, waardoor cl, als absolute grootheid, positief wordt.
De gevonden afstand cl is ook de kortste weg om van de
eene naar de andere lijn te gaan. Om dit aan te toonen,
noemen wij de coördinaten van eenig punt der eerste lijn
x y z, die van eenig punt der tweede x1y1si, en dan
hebben wij, lettende op 1) en 2),
p = x m z;           q —y n z;
p1=x1m1z1 ;         q1 =«/,—n1z1.
waardoor de waarde van cl wordt
__(x—xl)(n — n1) — (y—yl)(m — m1)-\\-(mn1 — m1n)(s—zl)
V | {m — m1)2 (n — n1)1 (mn1— mhi)1 j
of, wegens 3),
cl = (x xt) Cos x -f- (y yt) Cos /3 (e — z,) Cosy.
Duidt men nu door r den afstand aan der punten x y z
en xt yl zl) voorts door u, Cp en \\p de hoeken, welke r
respectivelijk met de X-, Y- en ^-assen maakt, dan is
x xt =r Cos cc; y yt =r Cos p; z zx = r Cos tp;
en brengt men deze waarden in de uitdrukking voor cl over,
dan heeft men
cl = r (Cos x Cos u -\\- Cos (3 Cos <p -\\- Cos y Cos ^).
De factor van r in deze uitdrukking kan men Cos 6 noe-
men, wanneer met 6 de hoek bedoeld wordt, dien r en cl
insluiten; bij gevolg is
d = r Cosd,
en derhalve cl altijd kleiner dan r, wijl r met eene echte
breuk, Cos ê, moet vermenigvuldigd worden, om gelijk aan
cl te worden.
20. Indien A, p, v de rigtingshoeken van het vlak zijn, dat
is de hoeken van de normaal op het vlak met de assen,
-ocr page 37-
35
*i i #1, yt die der eerste, xi, (3t, y2 die der tweede en
*s>\'03, ys die der derde lijn, zoo zal de voorwaardens-
vergelijking worden verkregen door eliminatie van A, ,c* en v
uit de drie vergelijkingen
Cos a Cos <*, -f Cos (K. Cos /3, -f- Cos v Cos r i =0,
Cos A Cos *2 -f- Cs jtt Cos /32 -f- "Cos v Cos y2 = O,
Cos A Cos x3 -f" C°s l* C°s 0s C^ v Cos ys = 0.
Men ziet onmiddelijk dat de voorwaarde is
Cos xl Cos /3, Cos y,
Cos «j Cos /32 Cos y2 = 0.
Cos ix3 Cos /33 Cos y%
21. Noem de gegeven vlakken:
Ax By Cz D = 0,
A*x B*y -\\-Clz -i-D1 = 0,
          1)
A"x J51 *y C\' »s 4- -D1 > = 0.
Snijden de vlakken elkander in een punt, dan voldoen de
coördinaten van dat punt aan elk der vergelijkingen 1); het
komt er dus slechts op aan om x, y en z te bepalen uit
1). Elimineert men y en z, dan erlangt men de volgende
vergelijking in x
Ax -\\-D B C \\
A*x
-i-D1 B* C\' =0.
A"x\\-D" B11 C11 I
Het eerste lid dezer vergelijking is de som van twee de-
terminanten; bijgevolg laat zij zich herleiden tot
Ax
B
C
D
B
C
Alx
J?i
c1
Dl
B>
c1
A"x
J31»
c11
D"
B"
c11
= 0,
of tot x (A Bi C1») (D Bl C1»);
de coördinaten van het punt van doorsnede zijn derhalve
z = -
x
//
(^SïC11)\' \'"
(AB^C11)\' ~~ (^^iC11)
Snijden de vlakken elkander volgens evenwijdige lijnen,
dan zijn x, y en z oneindig en bijgevolg (AB1C11) = 01
terwijl de andere determinanten (DBlc11), (AD1Cil) en
(AB1D11) eene eindige van nul verschillende waarde be-
houden. Heeft echter de snijding volgens eene enkele lijn
-ocr page 38-
36
plaats, dan blijven de coördinaten van het snijpunt onbe-
paald en zijn de vier determinanten {ABlC11), {DB^C11),
(AD^C1*)
en (AB^D") gelijk aan nul.
22. Zij de vergelijking van het vlak
1)            ax-\\-by-\\-cs l = Q;
noem de gegeven punten x1y1zl, xiyizi en xsyizi , dan
moeten zij voldoen aan de vergelijkingen
aa>i -\\-bfti C2, 1 = 0,
2)            ax2 -\\-by2 cz2 1 = 0,
bys cz3 l = 0.
ax.
Uit deze vergelijkingen kan men o, b en c bepalen, en
in 1) overbrengen, waardoor de vergelijking van het
gevraagde vlak gevonden is. Maar men kan ook a, b en c
tusschen 1) en 2) elimineren. Zullen die vier vergelijkingen
met elkander bestaanbaar zijn, dan moet de determinant
verdwijnen; men heeft alzoo
X
y
z
1
*1
Vi
ar,
1
x2
U-i
~2
1
xa
ya
~3
1
3)
= 0.
Deze vergelijking geeft het verband aan, dat tusschen de
coördinaten x, y en z van eenig punt van het vlak bestaat,
is derhalve de vergelijking van het gezochte vlak.
Men kan den determinant volgens de elementen van den
eersten regel ontwikkelen, waardoor de vergelijking van het
vlak den volgenden algemeenen vorm verkrijgt:
xiUi 1
X1 Ui 1
«3 Ui 1
1
1
1
I Ui zi
xlyi zl
*
=0.
V
x
!h
Voor de waarden van a, b en c vinden wij de volgende
uitdrukkingen
xi U\\ z\\
xx zx
1
XiUi2,
X1 Ui Z1
; b =
x2z% 1
XiUizi
Xa .Va 23
x3z3 1
xiUiz7i
i Ui 1
*i i/i z\\
x2 y2 1
*
®1 Ui Z1
Xi !h !
X$
U3z3
Ui si !
Vizi l
z, 1
!h
-ocr page 39-
37
In de vergelijking 3) ligt ook de voorwaarde opgesloten,
waaraan vier gegeven punten xyz, x1ylz1, x2y2z2, xsy3z3
moeten voldoen, zullen zij allen in hetzelfde vlak liggen.
23.  Laat ons aannemen dat de evenwijdige lijnen, van welke
de eerste door een punt M1 of xx yi s1, de tweede door
een punt Mi of x2 ?/2 z% gaat, met de assen der coördinaten
de hoeken x, (3 en y maken.
Zijn de assen regthoekig, dan wordt een tweede punt M1
van de eerste evenwijdige lijn bepaald door de coördinaten
x1 = xt -\\- p Cosx,
V1 —Vi P Cos (3,
z1 =zt -{- p Cosy,
als men den afstand Mt M1 der punten Ml en M1 door p
aanduidt.
De vergelijking van het vlak, dat gaat door de drie punten
M!, i¥2 en M1, is
lx                    y                   2
1          •,                  \\h                  »,             =0.
1          x^                  y2                 z^
1 xt -\\- p Cos x yx-\\-p Cos (2 zt -\\- p Cos y
men kan haar nog vereenvoudigen, wanneer men den tweeden
regel van den vierden aftrekt en door p deelt; daardoor
komt er voor de vergelijking van het gevraagde vlak:
1 x
          y          z
1 *i         V-t          zx         =0<
1 x2          yt          z2
0 Cos x Cos (3 C 7
24.    Noem x0, y0 en z0 de coördinaten van het snijpunt M0
der beide lijnen, en laten x, /3, y; *>, /31, y1 de hoeken
voorstellen, welke de lijnen met regthoekige coordinaatassen
maken. De coördinaten
x0 -\\- p Cosx, yQ -\\- p Cos/S, z° -\\- p Cosy
zijn die van een ander punt M der eerste regte lijn, waarbij
de afstand M
0 M == p is; evenzoo vindt men voor een ander
punt Ml der tweede lijn de coördinaten
xQ p1 Cos x1 ; y0 /31 Cos/31; z0 p1 Cosy1;
wanneer men den afstand M0 M1 door pl uitdrukt.
-ocr page 40-
38
Het vlak dat door de punten M0, M en Ml gaat, heeft
tot vergelijking
1                x
1                    Xo_
1     x0 -)- P GOS x
1    x0 -\\- p1 Cosx1
y
ito
=0.
z0 -f p COS y
s0 p1 Cosyl
y0 -\\-p Cos (3
v/o P» Cos/31
Door eene gelijksoortige herleiding als in het vorig vraag-
stuk vindt men voor het gezochte vlak:
1 x
             y              z
1 xo           Ho            zo            __q
O Cos» Cos (3 Cos y
O Cos x* Cos /31 Cos y1 .
25. Wij noemen de coördinaten der gegeven punten xl yt zt
en x2 y2 z2,
en
Ax -{-Bij Cz-\\-D = 0
de vergelijking van het gegeven vlak.
Is nu             A*x Bly C\'s D1 =0
2)
de vergelijking van het gezochte vlak, dan heeft men ter
bepaling van de onbekenden A1, B1, C1 de drie volgende
vergelijkingen
A*xx -\\-BHjx -f- C1zi -fZ>\' =0,
Ai*t B*ya C*za D* — 0, 3)
A^A B*B &C
            = 0.
De vergelijkingen 2) en 3) kunnen alleen dan te zamen
bestaan, als hare determinant gelijk nul wordt; dientenge-
volge is de vergelijking van het gezochte vlak:
x y z 1
x, y, z, 1
0.
xi V% z% 1
A B C 0
26. Laat de vlakken voorgesteld worden door de vergelij-
kingen
»,* &! ^ c1«4-i-=o,
a2z-\\-b2y-\\-c%x l = 0,
«3 * &s V c, « 1 = 0.
1)
Daar elk vlak, dat de lijn van doorsnede van het eerste
-ocr page 41-
39
en tweede vlak bevat, teruggebragt kan worden tot den
vorm
«i * *i V-\\-cl a: l A(a, z b2y-\\-c2x l) = Q, 2)
moet ook het derde vlak zulk een vorm kunnen hebben,
omdat de snijlijn ook in dit vlak gelegen is; met andere
woorden, men moet A zoodanig kunnen bepalen, dat de
komende vergelijking met 2) identiek wordt. Brengen wij
2) tot den vorm
dan komt er
ai «iV ., . &i &a A_ft . c, c2*_ , .
waaruit
(a,—aa)A=(a,—«,); (ö,—ft,)A=»(è,— ft,); (c8—ca)A«=(c,—c,)
of a eliminerende
(a3a2)(b3&,) — (a3— a,)(&s— &a).= 0,
(a3—a2) (e,—c,)— (a, — a,) (c3 — c2) = O,
aan welke beide vergelijkingen voldaan moet worden, zullen
de drie vlakken elkander langs dezelfde lijn snijden.
De vergelijkingen van de lijnen van doorsnede der drie
vlakken vindt men, bijaldien men achtereenvolgens y en x
tusschen de vergelijkingen der vlakken elimineert; zij zijn
| (a, b2—a2 &,)« (c, b2 —c2 bt)x-\\-(b2 —b1) = 0;\'i
l (a, c2—a2c1)z (c1 b2 —c2 bt)y (c2 —ct) = 0. J
i (a, c8 — a3 e,) z (c, &3c3 &,) ^ (ci — c,) = 0. ƒ
l (a2 b, — a3 b2) z -f (c2 b3 c3 b2) x (b3 — b2) = 0;}
i («2 c3a3 c2) z (c, 6, — c3 6a) ?/ (c, — c,) = 0. J
De voorwaarde dat deze drie lijnen evenwijdig loopen,
wordt uitgedrukt door
cxb2
— c2 ö, _ c, b3
— c3 ftj _ Cj &3— c3 62
a1bi
—a2bl \' a, b3
— a3 &, ~ aa b3 — a3b2\'
c, b2
— c2 &, _ e, ö3
— C3&1 C2 Ös — C3 Ö2
alCi
— «jC, «,C,
— a3c1 a2b3—a3b2
of, na herleiding,
Cl (&1«3 — M») — CJ (Ms — &««!> C3 (Ml — Ml) = O»
-ocr page 42-
40
Deze voorwaarde, determinant zoo men wil, moet vervuld
zijn, zullen de vlakken elkander langs het beloop van even-
wijdige lijnen snijden.
27.    Noem xx, yx en zx de coördinaten van het gegeven
punt en laat
x = mzJrp, y = nz-\\-q
de vergelijkingen der gegeven lijn voorstellen.
Wordt nu
Ax By-\\- Cz D = 0          1)
als de vergelijking van het gezochte vlak aangenomen, dan
erlangt men ter bepaling van A, B, C en D de volgende
vergelijkingen
A*l Byl Cal D — 0,
Am Bn -f C            =0,
Ap Bq             -f Z> = 0;
en daar zij te gelijker tijd met 1) moeten bestaan, zoo is
de vergelijking van het gezochte vlak
x y z 1
xi Vi *i 1 =0
m n 1 0
p q 0 1
Men kan dit vraagstuk ook aldus oplossen:
stel dat de vergelijkingen der regte lijn zijn
ax-\\-by cz-\\-d = 0, a1 x b1 y c1 z d*=0, 1)
en de coördinaten van het gegeven punt xxyx zx.
Elk vlak, dat de lijn 1) bevat, laat zich voorstellen door
ax-\\-by c« r?-f A(ffl\'j bl y c1 z d1) =0. 2)
Daar dit vlak ook door het punt xx yx s, moet gaan,
moeten de coördinaten van dat punt aan 2) voldoen, zoodat
axx -\\-byx czx -f- d-\\- A(a\' xx -\\-b1yx -4-c1 zx -\\-d1) = 0;
elimineert men nu den factor A, dan komt er voor het ge-
vraagde vlak
ax -\\-by -\\-cz -j- d _ a1 x -\\-bx y -j- c\' z -\\- dl
axx-\\-byx-\\-czx-\\-d ~ al xx -f- &1 yx -\\- c1 zx -\\- d1
28.   Noem de coördinaten der gegeven punten xx yx zx en
®2 Vi S1 en laat
-ocr page 43-
41
x = mz -\\-p en y = n z -f- q
de gegeven lijn voorstellen.
Is nu
Ax By Cz D = 0              1)
de vergelijking van het gezochte vlak, dan hangen de con-
stanten A, B, G en D af van de volgende vergelijkingen:
Ax, By1 Czi D = 0,
Axi By1 Cz2 D = 0,
           2)
A m B n C            = 0;
en men heeft uit 1) en 2) voor de vergelijking van het ge-
zochte vlak
x y z 1
xi Vi 2. ! =0
oo% y2 z% 1
m n 1 0
29. Zij
Ax By Cz D = 0
de vergelijking van het gegeven vlak, en laat ons door
x = m z -\\- p,          y = n z -\\- q
de gegeven lijn aanduiden.
Noemt men de vergelijking van het te zoeken vlak
A*x Bly C* s D1 =0, • (1)
dan bestaan, krachtens de voorwaarden van het vraagstuk,
tusschen de constanten Al, B1, Cx en Dl, de volgende
vergelijkingen:
Aim Bln Ci            =0,
4\'|) fl\' q            Z>1 =0,
4\' A-\\-B*B Cl C        —0,
waaruit men Al, Bl en Cl in D\' en de bekenden kan uit-
drukken; brengt men die waarden in (1) over, dan vervalt
ook D1, waardoor het vraagstuk is opgelost. Men verkrijgt
dus voor de vergelijking van het gezochte vlak:
x y z 1
m n 1 0
p q 0 1 ~~U*
A B C 0
-ocr page 44-
42
30.   Is wederom
Ax-\\-By-\\- Cz-\\-D = Q                 1)
de vergelijking van het te zoeken vlak, dan worden de
constanten A, 3, C en D gevonden uit
■4*1 Byt Cz1 D = 0,
A m
-f- B n C
            = 0,
Aml-\\-Bnl C            = 0,
waaruit in verbinding met 1) voor het gezochte vlak
voortvloeit
x y z 1
•i ^i *i ! =0.
m «10
m1 n1 1 0
31.  Zij         Ax By Cz D=0
de vergelijking van het eene,
A1 z B\' y C« 2 -D1 =0,
die van het andere vlak, en laten de coördinaten van het
gegeven punt worden voorgesteld door xt yt zv
Daar nu de regte lijn door dat punt gaat, zoo hebben
hare vergelijkingen den vorm
x — x1=m(z — zi)) y — y1=n(z — zl);
terwijl ter\'bepaling van m en n de vergelijkingen
Am-\\-Bn C=0 en A1 m B1 n C1 = 0
dienen.
En daar de gezochte lijn evenwijdig moet loopen aan de
doorsnede der vlakken, is tevens het volgend vraagstuk
opgelost:
de vergelijking te vinden eener regte lijn, welke door
een gegeven punt gaat en evenwijdig loopt aan eene ge-
gevene lijn.
Want elke der beide vergelijkingen der gegevene lijn stelt
een vlak voor, waarmede de gezochte lijn evenwijdig moet
loopen.
Eene andere wijze van oplossen bestaat hierin dat men
de lijn, welke door het gegeven punt gaat, voorstelt door
x x1=^m(z — 2j) en y yx=n(z z^,
-ocr page 45-
43
en opmerkt dat de rigtingscoefficienten m en n gelijk moeten.
*Ün aan die der gegevene lijn.
32. Zal het vlak door het gegeven punt gaan, dan kan
men het voorstellen door
A(x — x1)-\\-B(y — y1) C(z — z1) = 0;
en daar dit vlak loodregt op de gegeven lijn moet staan,
heeft men de voorwaarden
A:B: C= m:n:l;
derhalve is
m(x — x1) n{y — yi)-\\-(z — s1)=Q
de vergelijking van het gezochte vlak.
33. Laat de gegevene lijn bepaald worden door de vergelijkingen
c(x — xi) = a(z — s1), c(y — y*) = b(z — z1), . . (1)
en noem de coördinaten van het punt #, yx z1, dan zal de
lijn die door dat punt gaat zijn van den vorm
c»(«—*,) —a»(«—«1)1 e\'fr —y,) — »"1 (*—*i);. (2)
en wijl zij loodregt op (1) moet staan heeft men, de hoeken
der coordinatenassen A, ^ en v noemende, de voorwaar-
densvergelijking
aa1 -4-&&1 -f cc1 (cft> c»&) Cos* {cax c»a) Cosp
(6o> Va) Cos v = 0.
                   (3)
Elimineert men nu de quotiënten a1 : c1 en 6\' : c1 tus-
schen (2) en (3), dan komt er
(a -4- c Cos jtt b Cos v) (x x,) (b c Cos A -4- a Cos v)
(y — y1) (c bCos>. aCos(*)(z — z1)=0,
(4)
welke vergelijking de gezochte plaats aanwijst en, van den
eersten graad zijnde, een plat vlak te kennen geeft.
Bij regthoekige coördinaten gaat de gevonden vergelijking
over in
a{x — xi) b(2i — yl)-\\-c(z — z,) = 0.            5)
Voor het tweede gedeelte van het vraagstuk merken wij
op dat de lijn, die door het punt xx yx si gaat en de ge-
geven lijn loodregt snijdt, noodwendig in het vlak (4) of(5)
moet liggen; het punt waar die beide lijnen elkander ont-
moeten is dus ook het punt van doorsnede van (1) en (5).
Noemen wij, bij regthoekige coördinaten, dit punt x2 y% z2t
dan hebben wij de vergelijkingen
-ocr page 46-
44
c(ar, — xl) = a(zi —e1), c(y2 — yl) = b(z2 — z1);
a{x2—xl) b{y2
y,)-f c(«, —2,) = O,
waaruit gemakkelijk gevonden wordt
_ ac (zl —s1)-\\-ab(y1—y1) — {b* c») (ar,— a>»)
6C (g, —Z*) ab (X, — Xt) — (Ql Cl) (y, — yl)
_ . ,6c (y, — y1) «c («i — «\') —(«2 &\') (gt — *\')
Brengt men, ten slotte, deze waarden over in
(8, —*,)(* — »,) = (ar, — *,)(* — 2,);
(*« — *i)(y—2/i)=(y2— *i)(*—«i),
dat is in de vergelijkingen der lijn, die door de punten
xlyl zl en x2y2z2 gaat, dan erlangt men de vergelijkingen
der lijn, die aan de voorwaarden in het vraagstuk vermeld
voldoet.
Men zou ook op deze wijze kunnen redeneren: daar de
gevraagde lijn zoowel in het vlak (5) ligt als in het vlak
dat de gegevene lijn en het gegeven punt bevat, is zij de
doorsnede beider vlakken en bijgevolg worden hare verge-
lijkingen
a{x — «,) b (y —y,) c(s — zt) =0;
a(z zl) — c(x —xl) b(z —zl) — c(y —yl) _ _
a (zt — zl) — c (ar, — «i) b (*, — zl) — c (y, — yl) \'
De lengte eindelijk der loodlijn, dat is de afstand der
punten xt yt zt en ar, y2 z2 wordt uitgedrukt door
V I (*, — *,)» (y2 — y,)1 (#, — s,)1!;
brengt men hierin de boven gevonden waarden voor ar,—a?,,
«/,—y, en z2zt over, dan komt er, na eenige herleiding,
stellende ter bekorting
\\a(zl —zi) — c(xl — xi) J* =A,
\\b(z1—zi)-c(yi—yi)^=B,
\\a{yl-yi)-b{xi-x^)^ = C,
voor de lengte der loodlijn
I /jl b c
-ocr page 47-
45
34. Noem de coördinaten van het gegeven punt P x1jf1z1;z^
Ax By Cz D = 0
               1)
de vergelijking van het vlak; laat p de loodlijn voorstellen
uit het punt P op het vlak nedergelaten. Die loodlijn maakt
met de coordinaatassen hoeken, aangegeven door x, (3 en y.
Brengt men door het punt P een vlak, evenwijdig aan 1),
dan is zijne vergelijking
Ax By Cz = Jxl Byi Cz1.          2).
De vlakken 1) en 2) snijden de assen der coördinaten op
afstanden, die respectievelijk worden aangewezen door
D
& = —
D                  D
a =
B
Ax* -fgy»-|- CS\',
Ax* 4-By* Cz*
en a1 =
B
A
Ax* fly\' Cz1
C
c\' =
Hierna is het duidelijk dat men heeft:
^ = («i — o) Cbs« =-------!-----
-j—!-------!Cos x, of
_Ax* gy, Cs\' -4-.D
Cos (3, en
p = (b1 —b) Oos(S =
B
_Axi By* C*1 -P
Cos-/,
2> = (c1c) Cosy =
waaruit
C
Bp
Cosj3 =
Cosx
Ax\'^-By1-^ W D\'
Cp
Axi Byi Cz^D\'
C0S 7 — Axi fiyi Oct D\'
Zooals men weet en zooals wij vroeger hebben aangetoond,
bestaat er tusschen de hoeken der coordinaatassen en die
eener willekeurige lijn de volgende betrekking:
1 Cos x Cos /3 Cos y
Cos x j Cos -j Cos y.
= 0.
Cos (3 Cos v 1 Cos \'a
Cos y Cos /x. Cos
A 1
Brengen wij hierin de waarden van Cosx, Cosj3en Cosy,
boven gevonden over,, dan komt er
-ocr page 48-
46
Cp
Bp
Ap
1
Ap
Ax* Byi CxA D Axl Byi Cz* D Axi Byl Cxl D
1                                Cos v                               Cos p
Axi Byi Cx-i D
_______Bp
Cos v
Cos (t
Cosï*
Axl Byl Cx,i D
Gp
1
Cos*.
Axi-\\-Byl-{-Czi D
Vermenigvuldigen wij den eersten regel en de eerste ko-
Ax1 Byl Czl D
dan wordt de determi-
lom met
V
nant eenvoudiger; men heeft
11
(Ax1 Byi C21 Dy
P1
A
B
c
A
1
Cosv
COS |64
= 0,
Cos v Cos ,«-
1         COsA
cosa l
0 A B C
A
1 Cosv Cos/a
B Cosv
1 Cosh
C Cosfi
CosA 1
of
(A xl B yl Czl -f D)* Aa = _
P*
.3)
zijnde
A
of
Cos %t* Cos iv - - 2 Cos A Cos pCosv,
1 Cos v Cos &
Cos v
         1 Cos A
Cos ft Cos A 1
De vergelijking 3) geeft ten slotte voor de waarde van p
(Ax1 Byi Cs\' -P) A
4)
P =
j AJ Sin JA 2 B C {Cos p Cos v
Cos>)
(- B* Sin *[i 2AC(Cos vCosx— Cosp)
-}- C2 Sin H 2AB(Cos A Cos ia— Cos v)\\
Wil men den afstand van den oorsprong O tot het vlak
1) kennen, dan moet men x1 =yl = zl =0 stellen; men
verkrijgt daardoor
DA
-ocr page 49-
47
wanneer men ter bekorting de uitdrukking onder het
wortelteeken in 4) gelijk H stelt.
35. Het vlak 1) van het vorig vraagstuk wordt het vlak y z,
dat als vergelijking heeft x = 0, wanneer B = C = D = 0
zijn. In dat geval herleidt zich de formule 3) aldaar tot
2
A oc{
waaruit p = %*—
1 Sm ^
De afstanden p, q, r van het punt xl yl z1 tot de drie
coordinaatvlakken x = 0, y = 0 en z = 0, worden derhalve
uitgedrukt door
1. „ Ayl . „ . A*
P jou» » > 2 cv», „ ! r
Sin a          Sin &\'         Sin v
En daar die afstanden, volgens de gegevens van het vraag-
stuk aan elkander gelijk moeten zijn, heeft men de ver-
houdingen
xx           y1            z1
Sin A Sin ft Sin v
Die vergelijkingen geven de plaats aan van alle punten,
die op gelijke afstanden van de coordinaatvlakken gelegen
zijn. Uit haren vorm besluit men dat zij eene regte lijn
daarstellen. Zij gelden voor alle kwadranten of ook voor
de drievlakkige hoeken OX\'YZ, OXYlZ, OXYZ1,
wanneer men behoorlijk acht geeft op de teekens der
sinussen.
36. Schrijft men de vergelijking van een vlak in den
normaalvorm
x Cos x -4- y Cos $ -4- 8. Cosy d = 0,
dan wordt zijn afstand A. tot eenig punt cc1 yl zl uitge-
drukt door
/\\ = ±(xl Cosx-\\-yt Cos (3 -4-3, Cosy d),
onder dien verstande dat men het onderste of — teeken
gebruikt, als het punt xt yi zt met het aanvangspunt der
coördinaten aan dezelfde zijde van het vlak liggen.
-ocr page 50-
48
Wij noemen de coördinaten van een willekeurig punt in
het te zoeken vlak xyz, en E1 =0, E2 — 0 de vergelij-
kingen der gegeven vlakken in den normaalvorm. Substi-
tueert men de coördinaten xyz in Ex, dan verkrijgt men
den negatieven afstand —at van het punt xyz tot het
vlak Ei = 0; en brengt men die coördinaten in het vlak E2
over, dan wordt daardoor de negatieve afstand — a2 van
het punt xyz tot het vlak E2=0 bekend. Maar de ver-
houding at : a2 moet voor alle punten constant gelijk m
zijn; van daar moeten de coördinaten van elk punt van het
gezochte vlak voldoen aan de vergelijking:
derhalve is Et m E2 = 0 de vergelijking van het ge-
zochte vlak.
Zijn de vergelijkingen der bekende vlakken niet in den
normaalvorm gegeven, maar voorgesteld door
E^A^ B^ C^ D^
en              E2 == A 2 x -f- B2 y C2 z D2,
dan is
a* "" y(A\\ B\\ c\\); a> *= Füf %TqT,
wanneer wij aan de wortelgrootheid het teeken geven, dat
— ■Di                                                     —-Dj
V(J\\ B\\ Cl)             V{A\\ B\\ C\\)
positief maakt.
Men komt dan tot de vergelijking:
-t*L *l_mf
a2 \' E2 V A\\ B\\ G\\
of Ey m pE2=0, wanneer men de grootheid onder het
wortelteeken kortheidshalve = 1/p neemt.
Het gevonden vlak Ex mE2 — 0 gaat, zooals de ver-
gelijking leert, door de snijlijn der vlakken Et = 0 en
E2 = 0 en deelt den hellingshoek zoo, dat
-ocr page 51-
49
Sin$ , a,
~-----= —•— = m
Sm e — a%
is, wanneer door t en e de hoeken worden aangeduid, die
het gevonden vlak met de vlakken Ei en i?2 vormt, waarbij
men het teeken moet nemen dat at :a2 positief maakt.
Is m = 1, dan deelt het vlak Et E2 = 0 den hoek der
vlakken El = 0 en Et = 0 midden door. En deelen vlakken
de hoeken, welke de vlakken van een drievlakkigen hoek
met elkander maken, de standhoeken, midden door, dan
snijden die vlakken elkander in een regte lijn.
37. Laat bij regthoekige coördinaten de vergelijkingen der
evenwijdige vlakken worden voorgesteld door
ax-\\-by-\\-cz-\\-d = Q; a x -f- b y o z dl = 0;
nemen wij vervolgens een punt xxy1 zx in het eerste vlak
en trekken uit dat punt de loodlijn k op het tweede vlak,
dan is
7, =a xi bUi c^i cl\\
V {ai o2 c*) \'
maar xlylzi ligt in het eerste vlak en bijgevolg is
axt -\\-byx -f- c zt = — d, en derhalve
d\' — d
(a2 o1 c2)\'
Men verkrijgt dezelfde uitdrukking, wanneer men bedenkt
dat de loodlijn k1, uit den oorsprong op het eerste vlak
nedergelaten, gevonden wordt uit
.,_______ d_______
V (a2 ö2 c2) \'
die op het tweede vlak nedergelaten uit
k" =
j/(a2 è2 c2)
en blijkbaar het verschil of k1\'—k\', dat is
d1d
j/(a2 o» c2)
den afstand k der vlakken beteekent.
Hebben de gegeven vergelijkingen den vorm
{x — xt) Cos et - - (y yt) Cos (3 {z — 2,) Cos y — 0,
(a; — aja) Cos * («/ —«/,,) Cos 0 -f (s — 2,) Cos y = 0,
4
-ocr page 52-
50
waarbij xx yx zx een punt in het eerste, x2y2z2 een punt
in het tweede vlak verbeelden, dan vinden wij, daar
Cos2* 4- Cos2p Cos2? = 1 is,
k== ±\\ (x2 — #j) Cos x -f- («/2 — ?/i) Cos (3 4- (2a — «J Cosy |.
Nu zijn x2xx, 2/2—?/, en «, — 2, de projectien op
de assen van de lijn, die de beide punten verbindt, en
(x2 xt) Cos et, (y2 yt) Cos P en (z2 — z,) Cosy zijn
blijkbaar de projectien dezer projectien op eenige lijn, lood-
regt op beide vlakken; neemt men derhalve in elk der beide
evenwijdige vlakken een willekeurig punt p*,p, projec
teert men de lijn p1 p1\' op drie willekeurige loodregt op
elkander staande lijnen, en projecteert men andermaal de
verkregen projectien al, a2, a3 op eenige loodlijn op de
vlakken, dan is de som dezer laatste projectien standvastig
en gelijk aan den afstand der vlakken, waar overigens de
punten p1 enj)11 in de evenwijdige vlakken ook genomen
zijn.
38. Laat het platte vlak met de drie onderling regthoekige
projectievlakken de hoeken »., u, en u, maken, dan is vol-
gens eene bekende stelling S, = SCosa,, Sv = SCosuv, S,=
S Cosu,, S1.^S1C08am, S\\=S1Cosu,
en S\\ = S1Cosa,.
Nemen wij de som van de producten dezer gelijkheden,
dan komt er
S.S1,4- S,S\\ 4- S.SK = SS1 (Cos2u, Cos2a>„ 4- Cos2u,),
maar
Cos2!», Cos2uy -f Cos2u, = 1,
derhalve
s. s\\ 4- s, s\\ s.si, = ssi,
zoodat hierdoor de stelling bewezen is. Stelt men S = Sl
dan heeft men
Zij nog A de regthoekige projectie van een vlakken veel-
hoek *S op eenig vlak E; voorts Al, A11 en A1 >" de regt-
hoekige projectien van S op drie onderling regthoekige
vlakken en J5\', B11, Blil de regthoekige projectien van
A%, Ali en A111 op het vlak E, dan is
A=Bi -f511 .B1".
-ocr page 53-
51
Laat u de hoek zijn, dien het vlak van den veelhoek S
met het vlak E maakt, voorts «,, xt en xs de hoeken,
die het vlak van den veelhoek en fiu p2, /33 de hoeken, die
het vlak E met de drie onderling loodregte vlakken maakt,
dan is
A = SCosiï; A* = SCosx1; A"=S Cosx2; Alil =S Cos«3;
ook is
B1 = SCosxl CosPl; B11 = SCosxi Cos^i;
B111 = SCosxs OosPa,
en bijgevolg
fi1 B1\' B1»» = (tas*! Cos/3, Cos«2 Cos/S2
Cos«3 Cos/3 3) S,
maar Cos», Cos/3, -j- Cos«2 Cos(32 -\\- Cosx3 Cos(3x =Cosu,
bijgevolg
B1 B1 > B\'«« — S Cosu = A.
39. Veronderstellen wij in de eerste plaats dat het hoekpunt
A van den driehoek A B C in den oorsprong der coördinaten
ligt, en laten xx, yx, zt; x2, y2, z2 de coördinaten der
beide andere hoekpunten B en C zijn. Wanneer wij het
oppervlak van den driehoek S noemen en door o en c de
zijden AC en AB tegenover de hoekpunten B en C aan-
duiden, dan hebben wij terstond
4S\'=6S c2 Sin2 A=b% c2 — o2 c2 Cos2^ ,
of              4S2 =
c2             6c Cos.4
6 c Cos^ ö2
Wij gaan bovendien uit van de veronderstelling dat de coor-
dinaatassen regthoekig op elkander staan, en noemen wij
de hoeken, welke de zijden AB en AC met die assen
maken «, , /3,, y, en x2, (3ti en yT, dan hebben wij
x1=cCosx1, 2/,=cCos/3,, 2j=cCosr, ;
xi=bCosx1, yi=bCos@i, z^^^bCosy^]
en daar
Cos -4 = Cos <«, Cos x2 -\\- Cos /3, Cos /32 ^os ^i ^os ^2
is, komt er, wanneer men met b c vermenigvuldigt en de
boven gevonden waarden substitueert,
o c Cos A = xxxi-\\-y1yi-\\- zx zt.
-ocr page 54-
52
Blijkbaar is bovendien
c* = x\\ -f y\\ z\\ en 62 = «f -f y\\ 22;
brengt men deze waarden in den boven gevonden determi-
nant over, dan heeft men
4s*= x\\ y\\ z\\ x1x2 y1y2-{-z1z2 ,^
x1w1-\\rylyi-{-z1z1         x\\ y\\ z\\
In het voorbijgaan zij hier opgemerkt dat deze determi-
nant de som is van de vierkanten der drie determinanten
begrepen in den determinant
xx y1 zx
i
X^ 2/j £j
welke de dubbele projectien van den inhoud des driehoeks
op de coordinatenvlakken voorstellen.
Laat ons, in de tweede plaats, den oorsprong der coör-
dinaten overbrengen naar een willekeurig punt der ruimte
met de coördinaten — x, y en — %>, en stellen wij de
nieuwe coördinaten der hoekpunten B en C door x1,yl,z1;
x11, y11
en z11 voor. De coördinaten van het punt A zijn
ten opzigte van den nieuwen oorsprong x, y en z.
Als wij dit doen, hebben wij de betrekkingen
xx=xl —x; y1=y1 —y, z1=-zi z;
x2=x11 —x; y2=zy" —y; zi=zli—z,
waaruit wij verder afleiden
^\\ y\\ z\\={x\'-x)^-\\-{y1-yy {^-^=
=(x* y* z*) (xi2 y>2-}-zi2)-2(xxi yyi zzt);
x\\ y\\ zl=[xi
>— xy-\\-(yi i— yy-\\-(z^ *—£)* =
={xi-\\-yi s1) {^11 * yl
\' i z1«2)—2(xxll^-yyll zz1 »);
#i*ï y12/i 2i22=(-\'*;1 -*) (xl ■ -aH-Cy1y) (y\'\'— y)
(zi-z)(z11-z) =
— (a;2-|-2/s 22) (*1a!11 y1y11 21^1!)-
  (aw1 * -4—2/2/* 1-\\-zz1\')—(aM^ yy1-}-.?,?1).
Stellen wij kortheidshalve
«a ^2 s2 =l> x1z11 y1y11 z1sll—\'p,
**\' 2/1* «l2 =w, xxil-\\-yylt zzlt *mq,
xii* yii*^.zit* ma,n, xx1-\\-yy1-{-zz1 =r,
-ocr page 55-
53
dan hebben wij
x\\Jr1A z\\ l m—2 r,
X\\X% yxyi-\\rZxZ%=l V — ci — r-
Brengen wij deze waarden in (1) over, dan komt er
4 5* =
l -\\-m 2r l-\\-p q T
l P1f l-\\-n — 2 q
1             r                     q
0 l-\\- m 2r l-\\- pqr
O l pqT l -\\-n — 2 q
of, wanneer men den eersten regel bij de beide volgende
voegt,
1         r
4 S1 — 1 l m — r
1 l p-q
q
l-\\-p r
l-\\-n
q
10 0                  0
l 1 r                  q
r 1    l-\\-m r    l -f- p — f
5 1    J p — <?     ï ■ • n — #
Vermenigvuldigen wij, in dezen laatsten determinant, de
tweede kolom met —l, en voegen wij vervolgens de som
der beide eerste kolommen bij elke der beide volgende,
dan hebben wij
10 11
l 1 r q
, , . _
r 1 m p
q 1 p n
0 1 1
1
1 l r
Q.
1 r in
P
1 q p
n
4S» =
Wanneer men ten slotte l, m, n, p, q en r door hare
waarden vervangt, verkrijgt men
0                1                                    1                                       1
1        cci-r-y1 ^ï              xxl-{-yyl-\\-zzl
2               2               2
1 xx1-\\-yy1-\\-zz1          x1 -\\-yl -\\-zx
xxXi-\\-yy\'11-\\-zs11
x1xil-\\-y1 yll-\\-z*
*»»
2                  11
11 2/11 *11
1 xx11-\\-yy11-\\-zz11 »* «" //1 yil z1 ztl
-ocr page 56-
54
Men kan gemakkelijk aantoonen dat deze determinant
het product is van
1 U U       U        U
0 lx     y      z
Oh\'     ?/i      z1
0 1 a11  y*1   z11
0  10 0 0
A =
,10a; y z
, A = -
1  0 xl y1 *>
1 0 x^y^g"
40. Om deze stelling te betoogen veronderstellen wij dat de
regte lijn L gegeven is door de vergelijkingen
x = az -\\-p; y = bz-\\-q.                      (1)
De afstand van eenig punt x1 yx zx tot die lijn wordt op
de volgende wijze bepaald. Wij brengen door dat punt
xx yx zx een vlak loodregt op de lijn (1), en bekomen voor
de vergelijking van dat vlak
a(x — o;,) -\\-b(y- yt) B — st =0.             (2)
Om den afstand van xx yxzx tot de lijn (1) te vinden,
moet men de coördinaten can het punt van doorsnede van
het vlak (2) en de lijn (1) opzoeken, en die overbrengen in
de algemeene vergelijking
Afstand = y({x-xx) (y- yx)2 (*— zx)2); (3)
men vindt dan, na eenige herleiding, voor het vierkant
van dien afstand de uitdrukking:
(xx—azx—p)2 (yx — bzx — q)2 {a(yx —q)—b(xx —p)\\%
as &2 -f- 1                                          \'
Stellen wij in deze uitdrukking xx =0,«/, =0en,s, =0,
dat is, met andere woorden, veronderstellen wij dat het
punt xx y1 zt in den oorsprong ligt, dan bekomen wij
S* =P2 Q2 (bP — "g)\'
a* ft1 1
Het kost weinig moeite om de andere afstanden 5,, 5a
en S3 op soortgelijke wijze te bepalen. De vergelijking x =
az-\\-p van de lijn (1) geeft hare projectie op het xz vlak
te kennen, en de lijn, die loodregt staat op die projectie,
wordt aangewezen door x = ~a z, wanneer zij door den
oorsprong gaat. Bepaalt men uit de laatste vergelijkingen de
waarden van x en z, dan heeft men
-ocr page 57-
55
_ p         __—ap
X ~~ a» l ; *"ÖM^T\'
waaruit voor S2 de waarde voortvloeit van
Op het yz vlak is de projectie der lijn (1) y = bz-\\-q,
en de lijn, die door den oorsprong loodregt op deze laatste
staat y = — ys, zoodat wij voor S3 vinden
De projectie op het"a;«/ vlak, of
ö . «a—öü
a a \'
        a
wordt gevonden door s te elimineren tusschen de vergelij-
kingen (1); gaat men op soortgelijke wijze als boven te
werk, dan vindt men
* 2 — (aq — bp)2
Noemen wij de hoeken, die de lijn L met de coördinaat-
assen maakt, xi , (3t en yl, dan is
O»\'"!-«. £ !? Oto\'^-at y. iï
maar <*, =90 — y; /3, = 90 — 0 en y, =90 — *, derhalve
Cos >«t=&n »y— 0> ^, 1;ofook i -^ V—i-^rpï r
dat is                  Oto\'y-fl. jiln\'
Op soortgelijke wijze vindt men
Vermenigvuldigt men ten slotte $j2 met Cos 2x, dan komt er
a(? 7>6 i; voor Vmaai Cos ^ vindt men ^\'» zpp
en het product van S32 en Cos^y geeft a , * , ; maakt
-ocr page 58-
56
men de sommen dezer producten op, dan heeft men
P2 g2 («g — M2
a* é» l
welke de waarde is boven voor S2 gevonden.
Voor de vergelijking der lijn L had men ook kunnen
schrijven
or—x0 _ y— y0 = z — £0-
Cos Ut \' Cos /3, ~\' Cosy1 \'
dan zou men voor den afstand S van een punt x1y1s1 tot
de lijn gevonden hebben
^=[Cos(31(z-z0)-Cos\'yl<y-y0)^ [Cosyt(xi-x0)-
-Cosxiz^z^ iCosxfyi-yJ-Cosp^Xt-x,)]*,
of ook
S\' =(x0-Xly (y0-y^ {Zf>-Ziy-
-[(x0-x1)Cosx1^r(y0-yl)Cos(31-\\-(20-zi)Cos^1}i,
waaruit wederom het overige gemakkelijk voortvloeit, als
men maar de betrekkingen tusschen «, /3, y, en *,, (3l en
7j niet uit het oog verliest.
41. Om hiertoe te geraken nemen wij het vlak A als vlak
der icz, het vlak B als vlak der yz en een willekeurig
vlak voor dat der x y • de doorsnede der vlakken A en B
wordt hierdoor de as der z. Voorts stellen wij de coördi-
naten van het gegeven punt met betrekking tot het aange-
nomen coördinatenstelsel gelijk x1yïxi. Noemen wij nu de
veranderlijke punten, waarin de vlakken C en D de assen
snijden, respectievelijk p\\, p\\, p\\ en p1} px}, p1} en stel-
len wij, O het aanvangspunt der coördinaten verbeeldende,
Op\\ = xx; Op\\ =//i; Op\\ »«\';
Op*l=x"; Ojp1,1—y",
dan wordt de vergelijking
van het vlak C: — 4- £- _}_ _1 = i
van het vlak D: — ^— -I------= 1;
maar wijl deze vlakken door het punt p moeten gaan,
heeft men tevens
-ocr page 59-
57
if p ïf=...(D;|h ^ 5=1(2)-
De vergelijking van het vlak F, gaande door de punten
p\\, p1} en p\\ en die van het vlak G, waarin zich de pun-
ten p1.1, p\\ en p\\ bevinden, zijn
p jir K-i-WiJr Jr ïi-1 <4>\'
Trekken wij nu de vergelijkingen (2) en (4) respectievelijk
van (1) en (3) af, dan komt er
waaruit door het elimineren van---------gevonden wordt
x1 xx\'
■£■ y- -o,
welke vergelijking de gezochte plaats aangeeft en een
vlak voorstelt, dat de as der z of de doorsnede van A en B
bevat. Dat vlak blijft onveranderd, wanneer het punt p
andere plaatsen inneemt, onder voorwaarde dat de verhou-
ding van yl tot xx dezelfde blijft, dat is, met andere woor"
den, onder voorwaarde dat het punt p zich beweegt in het
vlak dat de as der s bevat.
42. Wij nemen als coordinatenassen de gegeven lijnen a, b en
c, en hare doorsnede O als oorsprong van telling; voorts
stellen wij de veranderlijke grootheden Opa = x1, Oph — yx,
Ope = sl; Opl^x11, Opl=yil, Op)
=«»i. Op de ge-
geven regte lijn nemen wij twee willekeurige punten xt y1s1
en xt y2 «j; dan wordt de vergelijking
van het vlak D fr §T "fr = 1,
van het vlak D» ~ V— _|_ * = i.
x11 \' y1i \' s
Maar wijl de lijn d, derhalve ook de punten x1 yt s, en
asj yt z2 in deze vlakken liggen, hebben wij nog de ver-
gelijkingen
-ocr page 60-
58
»> ?/\' 2\' 1 • • (1) P Yx «» ~~ \' " ( }
Nog is de vergelijking
van het vlak F ^ -f 2- 1- = 1 . . . (5)
x1 y1 \' z11                 v \'
van het vlak 0 -^ ^— 4- ^ = 1 . . . (6)
van het vlak iï °L- IL £-=]... (7)
x11 \' y1 \' z1
                 w
Trekken wij nu de vergelijkingen (3) van (1), (4) van (2),
en (6) en (7) van (5) af, dan komt er
(^-^H ^-^^ Gi -^)*2=o\' •(9)
^-^>=(^-^>(io);(^-^>=(^-^>ai)
Elimineren wij, ten slotte, (±-^ en (^ --L)
tusschen (8), (9) en (10) en tusschen (8), (9) en (11), dan
verdwijnt ook ( —-----—) i en WÜ verkrijgen
(2/i zi — Vi zi) * 02 Vi — «i V») * -»0;
(*! e2 — «j s,) y («, «/2 — .r2 «/j) « = 0,
als vergelijkingen der gezochte plaats. Uit haar blijkt dat
zij eene regte lijn is, die door den oorsprong gaat; deze
lijn blijft onveranderd, al brengt men ook verandering in de
ligging der lijn d, altijd onder voorwaarde dat de verhoudingen
xi z\\ — ^1 zi Vx z% ~Vi z\\
xi Vt — xi y2
\' *%V\\ — «ï^a
dezelfde blijven. Geschiedt dit laatste, dan liggen de punten
x1 yt z1 en #2 y2 z2 in een bepaald vlak, dat door den oor-
sprong gaat; van daar ondergaat de gevonden plaats ook
geene verandering, wanneer de lijn d zich beweegt op een
vlak, dat door den oorsprong der coördinaten gaat.
-ocr page 61-
59
43. Om het betoog dier stelling te leveren beginnen wij met
de lengten der stralen op te maken. "Wij nemen aan dat
het punt 0 het nulpunt is van onderling regthoekige coör-
dinaten, en schrijven in die veronderstelling voor de verge-
lijking van het gegeven vlak
Aa By Cz=l,
voor de vergelijkingen van een der stralen x = az; y = bz,
In het punt, waar de straal het vlak snijdt, moeten in
de gestelde vergelijkingen x, y en z dezelfde waarden be-
komen ; brengt men x = a z en y = bz in de eerste over,
dan vindt men reeds terstond
1
z =
Aa-\\- Bb C\'
en verder * = -.----._,,,„ ; y = -;----, p , , -=,,
Aa-\\-Bb-{-C,u Aa-\\-Bb-\\-0
waaruit voor den afstand van O tot het vlak volgt
k v* -r v t * ) AajrBbjrc
De lengte van het stuk op den aangenomen straal uitge-
zet, wordt derhalve uitgedrukt door
p Aa Bb C
\' V
(<*» i2 1)\'
waarin P een willekeurig getal beduidt.
Door het uiteinde van het stuk moet nu een vlak lood-
regt op den straal gebragt worden; dit vereischt de kennis
der coördinaten m1, y1 en z1 van dat punt. Men vindt x1
uit de vergelijking
K(a2 &2 l) , Aa Bb C =            a              ,
Aa Bb C         j/(a2 ö2 l) Aa Bb c\'\'* \'
waaruit
P
a (A a -f B b C) .
a2 62 l
op soortgelijke wijze bekomt men voor y1 en x1 de uit-
drukkingen
i(ifl 56 C),            P(Aa Bb C)
\'             a* b* l \'               a» -f è2 1 \'
-ocr page 62-
60
De vergelijking van het vlak loodregt op * = oj;; y = bz,
dat tevens gaat door het punt *\' y1 *\', is
ax by v =P(^a 56 0.
Maar voor elk ander vlak, dat loodregt staat op een
willekeurigen straal x=alx; y = bxz of x=a11x; y=b11x,
en aan de voorwaarde in het vraagstuk vermeld voldoet,
vindt men, denzelfden weg bewandelende, de vergelijkingen
aix _j_jiy z = P(Aa1 J9&1 -f G)
a"x b"y -z = P(Aail Bb"
C)
enz.
                              enz.
Maakt men het snijpunt dezer vlakken op, dan vindt men
X==PA; y = PB; s = PC,
onafhankelijk van de waarden a, b, o1, b\\ enz., welke den
eenen straal van den anderen onderscheiden; derhalve, enz.
44. Wij duiden den zeshoek aan door de letters Ml,Mi) M3,
MK, M5
en M6 respectievelijk bij elk der hoeken geplaatst,
denken ons dat het punt Mt ligt in den oorsprong van
onderling regthoekige coördinaten en dat het punt M% in
de as der x valt. Dan zijn de coördinaten van
het punt itf, 0; 0; 0.
» M3 x3; yt; xs;
„ „ M
4 xi ; y4 ; xi;
» » ^S «u — xï ; ?/4; *«
» » -^e ^4 — «»; 2/4 — 2/3; ^4 — **•
Voorts zijn de coördinaten van
het midden van Mt M2 lft cet; 0; O;
» ., » ^ Mt y, (*, «,); Vi y»; V> x3-
» » „ M3MiVü(a:3 a:4);ViCr.-hu);Vi(*» »4);
»              »              » -^4 -^5 *4 — Vl ^2 5 2/4 > ^4-
» » n ^rMexi—1/2(x2 a:3);2/4-Vï2/3;^4-V2*s;
»         h         » ^e^i Va (a,4-*3);1/2 (2/4-J/3); Va (*4 -*«)•
Zoo als men weet, liggen vier punten in een plat vlak,
wanneer de determinant hunner coördinaten gelijk nul is.
Laat ons zien of dit met de vier eerste punten het geval
is; schrijven wij den determinant op:
-ocr page 63-
61
V,                      o                    01
V, (*, *,) Va y»             Va *, i
V» (•• *.)   7» (* *«)   7. (*. *•) i \'
^ — V, \' 2             y*                  *t            i
en trekken wij den eersten regel van den tweeden af, dan
komt er
Va »,                 O                    0            1
Va *3              Va 2/3             Va *s O
VaK *4) Va(ya y4) \'/«(*• *J * \'
"t —V>«j                  y*                          -4             1
of in dezen nogmaals den tweeden regel van den derden
aftrekkende, heeft men
Va «=2 0           0       1
V, *3 7, 2/3    Va *a    O ,
Va y«    Va **    1
*« —Va*a Vt         *4 !
en eindelijk, van twee malen den derden regel den vierden
aftrekkende,
Va x2        O           0 1
li xi li 11% Il *a
V2 «4 Va J/4 Va *« 1
Va »,        O           0 1
In den laatsten determinant zijn de eerste en de vierde
regel aan elkander gelijk; de determinant is derhalve = Or
en de vier genoemde punten liggen in een plat vlak.
Maar in datzelfde vlak liggen ook de punten, die wij tot
heden buiten rekening lieten. Stelt men toch de coördinaten
van een dezer laatsten in de plaats van eenig ander punt,
dan zal men op dezelfde wijze betoogen dat de determinant
gelijk nul wordt, derhalve, enz.
45. Om die stelling op de gemakkelijkste wijze aan te toonen,
maken wij gebruik van een scheef hoekig coördinatenstelsel;
wij denken ons een der hoeken van het zesvlak in den
oorsprong, en nemen aan dat drie der zijvlakken zamen-
vallen met de coordinaatvlakken. Het grondvlak van het
zesvlak valt dan zamen met het xy vlak en kan aange.
wezen worden door de letters OP QR; duiden wij het
-ocr page 64-
62
bovenvlak nog aan door de letters O1 Pl Ql Bl, dan zijn
de diagonalen O Q1 en O1 Q, PR1 en P1 R. Dezes vlakken,
waaronder het zesvlak is zamengesteld, zijn dan
l,te vlak
          X = Q,
2de            y = 0,
3d\' „            *-0,                                       (1)
4de „ a* 6y c* l=0,             \'
5de „ o, x i, y c, s 1 = 0,
6d\' „ a2 * è2 y -f c2 * 1 = 0.
De doorsnede van het eerste en vierde vlak heeft tot
vergelijkingen
x = 0 ; by ex 1 = 0 ;......(2)
voor de doorsnede van het tweede en vijfde vlak vindt men
y = o ; o, x -f- c, * 1 = 0 , .... (3)
voor die van het derde en zesde vlak
* = 0; aa* 6ay l = 0......(4)
Maar die doorsneden of regte lijnen moeten volgens de
opgave van het vraagstuk in een en hetzelfde platte vlak
gelegen zijn. Noemen wij de vergelijking van dit vlak
Ax-\\-By C* 1 = 0,......(5)
dan volgt uit de voorwaarde dat (2) in dit vlak ligt
C=c en B = b,
dat (3) in (5) ligt
C= c, en A = a,,
dat (4) in (5) ligt, eindelijk,
B = bt ; A = at,
en de vergelijking (5) wordt, door het overbrengen dezer
waarden,
alx-\\-by-\\-cx-\\-1 = 0,
terwijl bovendien a2=a1; b2 = b en cl =c is,
waardoor de vergelijkingen van het vierde, vijfde en zesde
vlak worden
a x-\\-b y -\\- c x-|-l=.0,
alx-\\-b1y c «-j-1 — 0,
atx-\\-b «/ Cj* 1=0.
Het komt er nu nog slechts op aan om de vergelijkingen
■der diagonalen op te maken en de snijpunten te bepalen.
-ocr page 65-
63
De diagonaal O Ql gaat door den oorsprong en het punt Qi
of het snijpunt der vlakken 4, 5 en 6, welks coördinaten zh\'n
a
b
1
«i
&i
1
«j
b
1
a
b
c
al
&,
c
a1
b
c»
a
1
c
0,
1
c
a,
1
ci
a
b
c
ai
b,
c
ai
b
e*
1
b
c
1
&,
c
1
b
°1
a
b
c
at
K
c
«i
h
cl
z =
y =
de vergelijkingen van O Ql worden derhalve
(6)
z; y =
bt —b
a a
Het punt O1 ontstaat door de snijding van het eerste,
tweede en zesde vlak, waardoor de coördinaten van dat
punt worden
x = O; y = 0; s =
voor de coördinaten van het punt Q, geboren uit de snijding
van het derde, vierde en vijfde vlak, vindt men
b — b,
0.
y =
ab1 — at b :
abt
alb
lijn, die door de punten O1 en Q
De vergelijkingen der
gaat, zijn derhalve
cJb — &,)          b—b.
ci(a1-a)x a.—a (?)
abtatb \' abïatb
atb\'
abtatb aö,
Om die vergelijkingen van PR* op te maken, bedenke
men dat P gevormd wordt door de snijding van het eerste-,
derde en vijfde vlak, zoo dat de coördinaten van P worden
x = 0; y = — y; z = 0,
terwijl die van B1, ontstaan door de snijding van het tweede,
vierde en zesde vlak, zijn
c — c,
y = 0; z =
Voor PB1 vindt men derhalve
-ocr page 66-
64
Er blijft over de vergelijkingen van P1 E op te sporen ;
deze diagonaal gaat door het punt P1, waarin de vlakken
een, vijf en zes elkander snijden, zoodat de coördinaten van
dat punt worden
_ „ _ c c2           __ bbt
* — u; y— biCi_bc; sbiC2bc\'<
maar de diagonaal gaat ook door het punt B, ontstaan uit
de snijding der vlakken twee, drie en vier; de coördinaten
van dat punt zijn derhalve
x = — — ; y = 0; z = 0,
Cv
waardoor de vergelijkingen van P1 R worden
b. c„ —bc         1             c — c.
x = -hr—r^r z------\\ V = r----r1 • • . (9)
a(& — öj)           a\' " b—bi
Zoekt men nu de coördinaten van het snijpunt van twee
diagonalen, uit (6), (7), (8) en (9) willekeurig genomen, dan
zal men immer dezelfde waarden bekomen, zoo dat het aan
geen twijfel meer onderhevig is of de vier genoemde diago-
nalen snijden elkander in een punt.
46. Het bewijs dezer stelling vloeit voort uit de volgende
overwegingen. Door de lijn, waarop de lengte A B is uit-
gezet en de tweede der drie evenwijdige lijnen kan men
een vlak brengen. In dat vlak ligt de driehoek ABC,
welks inhoud gelijk is aan AB vermenigvuldigd met den
halven afstand der evenwijdige lijnen. En die afstand ver-
andert niet, waar men het punt C ook neme, juist wijl de
lijnen evenwijdig loopen. De inhoud van den driehoek is
derhalve standvastig. Maar de inhoud der piramide is even-
zeer constant, omdat hij gevonden wordt door het verme-
nigvuldigen van den inhoud des driehoeks ABC met een
derde der hoogte, en die hoogte is de afstand der derde
evenwijdige lijn tot het vlak, waarin de beide andere liggen.
Waar zich het punt D in die derde lijn ook moge bevin-
den, het zal steeds op den zelfden afstand van het vlak der
beide andere lijnen gelegen zijn. En deze redenering blijft
dezelfde, al verwisselt men ook de eene der evenwijdige
lijnen met eene der overigen. In plaats van de derde lijn
-ocr page 67-
65
kan men ook een vlak nemen, waarop zich het punt C of
D of de lijn AB bevindt, mits dit evenwijdig loopt met
het vlak, waarin zich de beide andere evenwijdige lijnen
bevinden.
47. Wij beschouwen de piramide in verband met een regt-
hoekig coördinatenstelsel, denken ons dat een harer hoek-
punten in den oorsprong ligt en nemen aan dat haar grond-
vlak zamenvalt met het x y vlak, terwijl een der\' ribben
langs de x as gelegen is. Noemen wij de piramide O ABC
dan bevindt zich het punt 0 in den oorsprong en de ribbe
OA valt zamen met de x as. De coördinaten van het punt
A zijn dan x = xt, y = 0, z = 0. De coördinaten van het
punt B, dat in het xy vlak ligt, noemen wij x = x2,
y = y2, s = 0.
Eindelijk mogen x = x3, y = y3 en z = z8
de coördinaten van het punt C voorstellen.
Het vlak, dat door 1l20A of door het punt gaat, welks
coördinaten zijn x=1/ix1, y = 0, z = 0 en loodregt staat
op de overstaande ribbe B C, wordt voorgesteld door
(x3 — x2) (x—i/2 xt) {y3 — y2)y-\\-zz3 = 0.
Voor het vlak dat gaat door \' /,B C en loodregt staat op
OA vindt men
Voor het vlak door Va 0 B gaande, loodregt op AC, heeft
men
(*3- *i)(«— 1Uxi)-\\-Vz (y— Vï^ ^s =°-
Gaat het vlak door 1/2AC, loodregt op OB, dan wordt
zijne vergelijking
y y-, — V» 2/a *2 (* — V» (xt *»))—0.
Staat het vlak loodregt op AB en gaat het tevens door
1/2OC, dan herleidt zich zijne vergelijking tot
V Vt — Va y» V» (x2 — *i) (*— Va xs) = 0-
En gaat het door 1/2AB, loodregt op OC, dan heeft men
«s («— V»(«i *i)) ys(y— 1/i2/j) «23 = °-
Eenmaal de vergelijkingen der zes vlakken gevonden,
kan men het snijpunt van drie hunner bepalen; daartoe
heeft men de waarden van x, y en z te zoeken uit drie
dier vergelijkingen. Men zal vinden
5
-ocr page 68-
66
x= Vi (ajj a?3);
y = *l%y» rt (*i —»«);
s = ^3y%(xi — xt) ViUi(y* —y3x2(a>i — ga))
2z3
Brengt men deze waarden van x, y en z over in eene
der andere drie vergelijkingen, dan zal men bevinden dat
zij telkens identiek worden. Hieruit vloeit voort dat de zes
vlakken elkander snijden in het punt, welks coördinaten
uitgedrukt worden door de zoo even gevonden waarden van
x, y en z.
48. Laat ons den tetraeder aanduiden door de letters A, B,
C
en D, met dien verstande dat ABD het grondvlak en C
den top aanwijst. Stellen wij nog DA = a, DB = b,
DC = c, BC=al, AC=b1, AB = c1,
den hoek, waar-
onder de lijnen DA en B C elkander snijden gelijk x, den
hoek (DB, CA) = (Z en den hoek (D C, AB) = y. Projec-
teren wij voorts de gebroken lijn CDAB op de ribbe CB,
dan verkrijgen wij de vergelijking
CDCosDCB DA Cosx ABCosABC=BC,
of
cCosDCB a Cosx c1 Cos A B C=al,
of ook a Cosx = al —cCosDCB — c1 Cos ABC,
welke met 2 a1 vermenigvuldigd geeft
2aa1Cosx = 2a,i1—2ca1CosDCB — 2c1aiCosABC. . (1)
Maar uit de driehoeken D B C en ABC volgt
b*=ci a1 —2ca1CosDCB,
b^ =c>ï 01* — 2 c1 alCos ABC,
en bijgevolg
2 —2caxCosDCB = b\'i — c\\
a1 * — 2 c\'o1 Cos ^ J? C = &i * — c1 \\
Brengt men deze waarden in (1) over, dan komt er
2aa» Cos« = ö1 -j-o»2 — c2 — c1*.
-ocr page 69-
67
Op gelijksoortige wijze of ook door besluit uit analogie
heeft men nog
2 &&■ Cos(3 = c2 c,J — a2 — a1*,
2cc1Cosr = ai «<* —ö2 — &>2.
Trekt men de drie laatst gevonden vergelijkingen bij elk-
ander, dan volgt er
aa1 Cosx-j-bb1 Cosfi cc1 Cosy = 0,
waaruit wij besluiten dat van de drie hoeken x, (3 en y
minstens eene scherp en eene stomp is, en dat, zijn twee
hoeken regt, noodwendig ook de derde regt zal zijn.
49. Wijl, volgens de voorwaarde van het vraagstuk, de over-
staande ribben loodregt op elkander staan, kan men door
de opstaande ribben der piramide vlakken brengen loodregt
op de overstaande ribben. Die vlakken snijden elkander
noodwendig volgens de hoogtelijn. En omdat elk der zij-
vlakken van de driehoekige piramide als grondvlak kan
worden aangenomen, verkrijgt men in het geheel, doof
dezelfde bewerking te herhalen, vier hoogt/ lijnen A1, B1,
C*
en D1. Duiden wij de piramide aan door de letters A,
#, C en D, dan zal de hoogtelijn A1, uit A op het grond-
vlak BCD nedergelaten, in hetzelfde vlak liggen als de
hoogtelijn D1 uit D op ABC gevallen. Die lijnen, welke
natuurlijk niet evenwijdig loopen, snijden derhalve elkander
in een punt. Wat wij hier aantoonden voor de hoogtelijnen
A1 en D1 geldt ook voor de hoogtelijnen A1 en Cl, Al en
B1, B1 en C1, Cl en D1; maar de hoogtelijn A* kan de
lijnen B1, C1 en D1, die niet in hetzelfde vlak liggen, niet
tegelijkertijd snijden, tenzij dit plaats vinde in het eene
punt, dat de vlakken met elkander gemeen hebben; der-
halve, enz. Het omgekeerde dezer stelling, of: de over-
staande ribben der driehoekige piramide staan loodregt op
elkander, wanneer de hoogtelijnen elkander in een punt
ontmoeten, is even gemakkelijk aan te toonen.
Men kan de eerste stelling nog langs een anderen, zuiver
analytischen weg betoogen. Daartoe beschouwen wij de drie-
hoekige piramide in verband met een regthoekig coördinaten-
-ocr page 70-
68
stelsel, en duiden de hoekpunten aan door de letters M1
Jij, M3 en Mx. Het hoekpunt ifj plaatsen wij in den
oorsprong, het hoekpunt M% in de as der x, het hoekpunt
M3 in het vlak der xy; de coördinaten van het punt Jf,
zijn dan allen nul, die van M2 zijn xi, 0 en 0; die van
Ma zijn x3, y3 en 0, van Jf4 zijn x3, yA en z4. Natuurlijk
heeft M3 met lf4 dezelfde x, wijl de ribbe Jf3 Jf4 loodregt
staat op de ribbe M1 Jf2. De vergelijking van het vlak,
dat gaat door de punten if,, if2 en Jf3, of van het vlak
J0 7, is z = 0, terwijl de loodlijn of hoogtelijn, uit Mx
nedergelaten op Mt M^ Ms tot vergelijkingen heeft
x = x3; y=yK.
Maken wij de vergelijking voor het vlak M1MiMi op,
dan vinden wij
s4 y — y*z = °;
en voor de vergelijkingen der loodlijn, uit M3 op Mt ilf2 Mx
nedergelaten
* = *3; y—yz = — z-iz-
y*
Het vlak Mt M3 MA geeft aanleiding tot de vergelijking
y% z* * — xz zk v -I- x% (2/4 — ys) z = o;
voor de loodlijn uit M2 op M1 M3 M4 nedergelaten hebben wij
z; y = —
2 x3(y*—y3)                         2/4—2/3
Het vlak M2M3 MA, eindelijk, wordt bepaald door
** * K z*—xszd y (x3xi) (2/4—2/3) * -^2/324= o>
en de loodlijn uit M1 op dat vlak nedergelaten door
2/l #4                                                    ^i
x ==----------^—*--------r- z: y =----------*— z.
K — xiHVi — 2/3)                      Vi—Vi
Maar volgens de veronderstelling staan de overstaande
ribben loodregt op elkander. Van de ribbe M1 M3 bijvoorb-
is de vergelijking
y = ls-x;
x»
de ribbe over Mt M3, of Mt Mi, wordt bepaald door
«, —xa                   IJk
-ocr page 71-
69
en, omdat die ribben loodregt op elkander staan, vloeijen
uit genoemde vergelijkingen voort:
£? _ _JL±_.
y3 xi xi
Dezelfde betrekking vindt men uit de voorwaarde dat
Mx M3 en M1 Jf4 loodregt op elkander staan. Neemt men
deze betrekking in aanmerking en zoekt men het snijpunt
van twee willekeurige hoogtelijnen, dan zal men, welke
dezer lijnen men ook beschouwe, voor x, y en z steeds
dezelfde waarden vinden, ten blijke dat die hoogtelijnen
elkander in een en hetzelfde punt ontmoeten. De coördi-
naten van dat punt zijn
«4
50. Uit een vorig vraagstuk hebben wij gezien dat de over-
staande ribben van een tetraeder regthoekig op elkander
staan, wanneer de hoogtelijnen allen hetzelfde snijpunt
gemeen hebben. Dientengevolge kunnen wij door elk der
ribben een vlak, loodregt op de overstaande ribbe brengen.
Wij nemen hier weder onze toevlugt tot een regthoekig
coördinatenstelsel en wijzen de driehoekige piramide op
dezelfde wijze aan als in het vorig vraagstuk. Brengen wij
nu een vlak loodregt op de ribbe Mt M%, zoo dat het tevens
door de overstaande ribbe M3 Mx gaat, dan ligt de gemeen-
schappelijke loodlijn op de ribben if, M2 en M3 M.k in dat
vlak. De vergelijking van dat vlak, dat hier evenwijdig
loopt met het y z vlak is x = xs. Brengen wij nog een vlak
loodregt op de ribbe M3 Jf4, onder voorwaarde dat het
tevens door de ribbe M, Mi zal gaan, dan bevat ook dit
vlak de gemeenschappelijke loodlijn. De vergelijking van dit
laatste vlak, dat de x as bevat en loodregt staat op M3Mi
is (l/i V3) V si z = 0. De gemeenschappelijke loodlijn
wordt derhalve aangewezen door de vergelijkingen
*==a;3; (y* — 2/3) v *4 * — °- • • • • 0)
Op soortgelijke wijze berekent men de gemeenschappelijke
loodlijn van elk paar overstaande ribben. De ribbe M^ M3
bijv. heeft tot vergelijking
-ocr page 72-
70
en de overstaande ribbe M2 Mk wordt aangewezen door
Voor de vergelijking derhalve van het vlak, dat de lijn
M1 M3 bevat en loodregt staat op M2 MA vindt men:
«»(»* — x,)x *»yi9 !eiZt* xt(xix»)—^42/3=0» • (2)
en voor de vergelijking van het vlak dat if2 Mx bevat en
loodregt staat op M, M3
zlxix-^zlysy^-(xa(x2—xt)—yiyt)z—xixtzi = 0. . . (3)
Beide laatste vergelijkingen te zamen genomen wijzen de
gemeenschappelijke loodlijn op Mt M3 en Mi Mt aan.
Lossen wij x, y en z uit de vergelijkingen (1), (2) en (3)
op, dan vinden wij
• -•a;y-y4; Bmmtd˱=ïAt......(4)
zi
benevens de voorwaardensvergelijking x3 (x2x3) = y4 y3.
De waarden dezer coördinaten zijn dezelfde als die voor
het snijpunt der hoogtelijnen in het vorig vraagstuk gevon-
den, en de voorwaardensvergelijking geeft te kennen dat de
ribben M, M3 en M2 Mt loodregt op elkander staan, zooals
het behoort volgens de veronderstelling, waarvan wij uit-
gingen.
Berekent men eindelijk nog de derde gemeenschappelijke
loodlijn op de ribben M2 M3 en Ml Jf4 en zoekt men het
snijpunt met de overigen, dan vindt men voor x, y en z
de waarden (4) terug, waardoor de stelling bewezen is.
51. Wij beschouwen den tetraeder in verband met een regt-
hoekig coördinatenstelsel, plaatsen een zijner hoeken in den
oorsprong en laten een der ribben langs de as der x vallen.
Dan zijn de coördinaten van
het punt M0 0, 0, 0,
„ „ Mt xt , 0, 0,
,,       » Mi X2, Vl, 0>
)> i) -™3 x3 > y%> *f
-ocr page 73-
71
De coördinaten van het midden der ribbe M0 M1 zijn
•"-Vi*if 2/ = (); 2 = 0;
die van het midden der overstaande ribbe M% M3
en de vergelijkingen der lijn, welke deze punten vereenigt,
^2 ^3
— V,*i-
(1)
//
_y»
?-«.
De coördinaten van het midden der ribbe M1 M2 zijn
* — Va (xi *j);y=Vi^;«aB0;
die van het midden der overstaande ribbe ilf0 M3
*— Vi*»; y — 1/»y»\'> z = */%*».
en de vergelijkingen der lijn, welke deze punten vereenigt r
(«■
),
* - 7»*i—:
/ï ^3
(2)
* - Va y,-*Vr-*»<* -\'/,*,)•
De coördinaten van het midden der ribbe 3f0 -M"2
zijn
die van liet midden der overstaande ribbe II, Jf,
en de vergelijkingen der lijn, welke deze punten vereenigt,
*i «3 —
/* *« —
2,
(8)
_V*—Vi
z.
\'/» 2/i =
Lossen wij *, y en z uit (1) en (2) op, dan vinden wij
voor de coördinaten van het snijpunt van (1) en (2)
~___ x\\-\\-xl-T x3
« _ Vi
z =
Maar die coördinaten voldoen ook aan de vergelijking (3),
waardoor het niet twijfelachtig is of zij drukken het snij-
-ocr page 74-
72
punt uit der lijnen (1), (2) en (3), zoodat het eerste ge-
deelte der stelling betoogd is.
Dat door het gevonden punt elk der gegeven lijnen in
twee gelijke deelen verdeeld wordt, blijkt terstond, wanneer
men volgens de bekende formule
v\\{x-xi) (;y_z/i)2 (^_2i)2|
den afstand bepaalt van dat punt tot het midden der ribbe.
Voor den afstand van het gevonden piïnt tot het midden
der ribbe M0 Mt, welks coördinaten zijn x=l/1xl; y = 0,
z = 0, komt er
en berekent men den afstand van dat punt tot het midden
der overstaande ribbe M2 Ma, welks coördinaten zijn
oo= 7» (*» *$). y=1/i(yi y»)> **-x\\%«i> dan er-
langt men
v [ (=fe ^^\'^=^±My (=i,y},
welke uitdrukkingen in volstrekte waarde overeenkomen;
zij leveren een verschil in teeken op, maar dat is zooals
het behoort, wanneer men de lengte der lijnen van het
gevonden punt afrekent. Is de eene positief, dan moet de
andere, wijl zij in tegenovergestelde rigting loopt, negatief
zijn. Past men die rekening op de andere lijnen toe, dan
komt men tot gelijksoortige uitkomst.
Maakt men gebruik van scheef hoekige coördinaten, dan
wordt de oplossing nog iets eenvoudiger. Wij plaatsen in
dit geval wederom een der hoeken van den tetraeder in den
oorsprong van het coördinatenstelsel, en laten drie ribben
zamenvallen met de assen der x, der y en der z. Dan
worden de coördinaten van
het punt M0 x = 0 ; y = 0 ; z = 0 ;
Ml x = xt ; y = 0; 2=0;
„ „ M% x = 0; y = y%; s = 0;
„ „ M3 s = 0; y = 0; *«.*,.
-ocr page 75-
73
Voor de coördinaten van het midden van M^ M, vinden wij
x=l/ixl; y = 0; 2 = 0;
voor die van het midden van M2 M3
x = 0; y=1/iyi; *— Vj»s,
zoodat de vergelijkingen (1) in dat geval worden
voor de vergelijkingen (2), die de lijn uitdrukken, welke de
punten vereenigt, aangewezen door de coördinaten
x = 7i*i ! ?/= 72.</2; 2 = ü;
.t = ü;
          y = 0;         z=i/2z3;
vinden wij
?y-\'/2//2= **-«■
*3
De lijn, welke het midden der beide nog overige ribben
vereenigt, wordt uitgedrukt door de vergelijkingen
^3
*3
want zij gaat door de punten, welker coördinaten zijn
x = 0; y = »/, Ui ; ^=0 ;
Berekent men de snijpunten der gevonden lijnen, dan
vindt men, hoe men die ook twee aan twee vereenige,
telkens voor de coördinaten van het snijpunt
*—7**1; y = 1/iyi; «—74**,
ten blijke dat bedoelde lijnen elkander in dat punt snijden.
Dat het punt de lijnen in twee gelijke deelen verdeelt,
zal blijken, wanneer men de rekening opmaakt, zooais wij
boven voor regthoekige coördinaten deden; alleen zij men
indachtig dat de algemeene formule voor den afstand van
twee punten, bij scheef hoekige coördinaten eenige verande-
-ocr page 76-
74
ring ondergaat. Zij wordt in dit laatste geval, wanneer wij
den afstand \'S noemen
*»=*= (*, —e)* (?y, —y)* (2, —z)* 2(//, — y) («, —0) Cos y z
2(«, —x) (z j —z) Cos xz-\\-2(xl x) (g, —y) Cos xy.
52. Op dezelfde wijze als in een vorig vraagstuk, beschouwen
wij wederom de driehoekige piramide in verband met een
regthoekig coördinatenstelsel, en duiden, gelijk daar, de
hoekpunten aan door de letters M1, M2, M3 en M^, Het
hoekpunt Mx plaatsen wij wederom in den oorsprong, het
hoekpunt M% in de as der x, het hoekpunt M3 in het vlak
der xy, zoodat de coördinaten van Mt alle nul zijn; die
van M2 worden x = x2; y = 0; z = 0; voor M% is x — x3;
V — V»)
^ = 0; voor M4 eindelijk is x = x3; y^=y^\',
z = zi.
Zullen de hoogtelijnen elkander in een punt ont-
moeten , dan moeten de overstaande ribben loodregt op
elkander staan; dit is natuurlijk ook het geval met M3 Mk,
die loodregt staat op Mt M% en van daar hebben M3 en Mx
dezelfde x.
Uit bovengenoemd vraagstuk is reeds gebleken dat de
coördinaten van het snijpunt der hoogtelijnen worden uitge-
drukt door
x = x3; y —y4; *=,?« fr» ~ gij.
Het zwaartepunt eener driehoekige piramide is gelegen op
de lijn, die het zwaartepunt van het grondvlak met den
top vereenigt. Wij moeten derhalve in de eerste plaats het
zwaartepunt van het grondvlak of van den driehoek
Mt M2 M3 bepalen. Gelijk men weet vindt men het zwaar-
tepunt van een driehoek, bijaldien men twee zijner hoek-
punten met het midden der overstaande zijden vereenigt;
die vereenigingslijnen ontmoeten elkander in het zwaarte-
punt van den driehoek. De vergelijking der lijn, die van
M2 naar het midden van Mt M3 loopt, is
!/vy» (*—*»).
voor de vergelijking der lijn uit M3 naar het midden van
Mi M2 getrokken, heeft men
-ocr page 77-
75
= Vz (x Va xi>
x3 /j x2
Lost men uit deze vergelijkingen de waarden van x en y
op, dan vindt men voor de coördinaten van het zwaarte-
punt der basis Mt M2 Ma
• —\'/»(*! *s); 2/=V3«/s; * —o-
De lijn, die dit zwaartepunt met den top M^ vereenigt,
en waarop het zwaartepunt der driehoekige piramide ligt,
heeft tot vergelijkingen
(* — *4)
(1)
y-yi==Ul----lIlll(Z-z^).
Om het zwaartepunt zelf te vinden, moeten wij eene
tweede lijn, waarop het ligt, zoeken; het snijpunt dier
lijnen zal het ons aan de hand doen. In de driehoekige
piramide mogen wij ook het zijvlak Ml Ma l/4 als basis en
M2 als top beschouwen. Om het zwaartepunt van M, M3 iW4
op te maken, trekken wij uit Mx eene lijn naar het mid-
den van M1 Ms en vinden voor bare vergelijkingen
x* — lU x* t         \\
x — x~= -3-------^—-5. (z — «.);
desgelijks trekken wij eene lijn uit M3 naar het midden
van M, ilf4, waarvoor wij vinden
/j «4
\'S ^4
Lossen wij uit deze vergelijkingen x, y en s op, dan
vinden wij voor de coördinaten van het zwaartepunt van
Ml Ms M,
x=*/3x3; y — v, (y» vd; «=1/3^4;
de lijn, welke dit punt met den top M2 vereenigt, wordt
voorgesteld door
-ocr page 78-
76
_ ___ la xa_____®a />___ 1 / ? \\ ■
x3 = ———----- [? — I, zt) , ■ ■
2/
(2)
y-»/, Cv. yt)- ^-±^-(*- \'/, *«)•
/j s4
Ook op deze lijn ligt het zwaartepunt der piramide. Be-
paalt men x, y en z uit (1) en (2), dan komt er voor de
coördinaten van het zwaartepunt
x=tU{xi 2xt)\\ ?/=1/4 (2/3 2/4): «-1\'***-
De loodlijn uit het zwaartepunt van den driehoek M1M2M3
op diens vlak, het xy vlak, opgerigt, heeft tot vergelij-
kingen
»■- \'\'s (*j ^3); Z/= V3 2/a-
De vergelijking van het zijvlak if, M3 Jf4 is
2/s2^-^2i2/ ;,;3 (2/4 — 2/.i) * = ° >
en de loodlijn, uit het zwaartepunt van den driehoek MlM3Mi
op dat vlak, geeft aanleiding tot de vergelijkingen
3 3 ^3 (2/4—2/3)
y~V,(y, if4)-ir-V(ir~,,»l,«)\'
#4         #3
De coördinaten van de snijpunten der laatstgenoemde
loodlijnen zijn
x= «/, (•, -,); y= \'la va; *- V, *4 --4-^=^-)- (3)
Hadden wij het derde zijvlak M2 M3 Mk in onze rekening
betrokken, dan waren wij tot dezelfde uitkomsten geraakt.
Het valt nu gemakkelijk aan te toonen dat de drie ge-
vonden punten in eene regte lijn liggen. De lijn, die door
het zwaartepunt en het snijpunt der hoogtelijnen, beiden
boven gevonden, gaat, heeft tot vergelijkingen
44             z
u _ 9* \\9a___? \\L
\'4 "4
^4
brengt men in deze vergelijkingen de waarden (3) over,
-ocr page 79-
77
dan worden zij identiek, met andere woorden, de waarden
(3) voldoen aan deze vergelijkingen, ten blijke dat ook het
punt (3) zich op de gevonden regte lijn bevindt, waarmede
het bewijs geleverd is.
53.  Wanneer de hoogtelijnen van een tetraeder elkander in
een punt snijden, staan de overstaande ribben loodregt op
elkander. De lijn, welke loodregt staat op twee oyerstaande
ribben, gaat in dit geval door het punt, waar de hoogte-
lijnen elkander snijden, zooals in een vorig vraagstuk ge-
bleken is. Maar die lijn is de kortste weg om van eene
ribbe tot de overstaande te gaan; de som dier drie lijnen
zal derhalve een minimum zijn. Maar de som dier lijnen is
tevens de dubbele som der loodlijnen, uit het punt, waarde
hoogtelijnen elkander snijden, op elk der ribben neder-
gelaten, derhalve, enz.
54.  Om het bewijs voor deze stelling op te maken duiden wij
de piramide wederom aan door de letters M, , M2, M3 en
Mi. Het hoekpunt Ml komt in den oorsprong der regthoe-
kige coördinaten te liggen, het hoekpunt M% valt in de as
der x, zoodat zijne coördinaten zijn x2, O, 0. Het hoek-
punt M3 ligt in het vlak der xy, met de coördinaten
x3, y3, 0. Bij het hoekpunt Mi eindelijk behooren de coör-
dinaten x3,. yk en 04.
Wij beginnen met. het zwaartepunt der piramide te be-
palen. Daartoe is het in de eerste plaats noodig het zwaar-
tepunt van het grondvlak te berekenen. En aangezien het
grondvlak een driehoek Mt M2 M3 is, ligt het zwaartepunt
in het punt, waarin de lijnen, die uit de hoekpunten naar
het midden der overstaande zijden getrokken worden, elk-
ander ontmoeten. De lijn, die uit Mt naar het midden van
M2 M3 getrokken wordt, heeft tot vergelijkingen
y = —^2_ x ; s = 0.
2 I         3
De lijn, welke uit M3 naar het midden van M1 M2 gaat,
wordt voorgesteld door
y (2*-*,) ^=()
2*,— »a
-ocr page 80-
78
Voor de lijn uit M2 naar het midden van Mx M3 getrokken
komt er
y. (x— #„)               t.
y _ »3_V---------21 . z = 0.
x3 — * x2
Uit deze vergelijkingen vindt men voor de coördinaten
xx, «/, en ^j van het zwaartepunt
«i38*1/» (*» *»); ?y] = 1,3 2/3; «i—o.
Trekt men uit het zwaartepunt x1y1z1 van het grond-
vlak eene lijn naar den top Mi van den tetraeder, dan ligt
het zwaartepunt der piramide op een vierde dier lijn van
het grondvlak gerekend. De coördinaten van het zwaartepunt
der piramide x0 y0 ,\\0 zijn derhalve
_2x3 x2, _y4 y3. # «.i/ -
gelijk men vindt door eene bekende rekening, waarvan wij
in een ander vraagstuk het voorbeeld gegeven hebben.
Nu de coördinaten van het zwaartepunt gevonden zijn,
valt het gemakkelijk de afstanden in het vraagstuk genoemd
te berekenen, volgens de bekende formule,
afstand = V ( (», — xtf (y„ Vi) {za zb) ) .
Doen wij dit voor den afstand van het zwaartepunt der
piramide tot het midden der ribben M2 M3 en Mt M2, dan
vinden wij respectievelijk
[/{{**?*)\' (*!*)\' ft,
Die uitdrukkingen zijn volkomen gelijk aan elkander
wanneer men in aanmerking neemt dat de overstaande
ribben der piramide loodregt op elkander staan, waaruit de
voorwaardensvergelij king
Vk 9» = x3 (*» — *,)
voortvloeit.
Berekent men den afstand van het zwaartepunt tot het
midden van een der opstaande ribben, bijvoorbeeld Ml M4,
-ocr page 81-
79
dan erlangt men, in aanmerking nemende dat de coördi-
naten van dat midden zijn 1/ix3, 1liyi en 1li z4 ,
K)76 -----T6----- Iel\' ■
welke uitdrukking met de vorige overeenkomt.
Voor de afstanden van het zwaartepunt tot het midden
der overige ribben zal men gelijke formules vinden. Even
zoo voor de afstanden van het zwaartepunt tot den voet der
loodlijnen in het vraagstuk genoemd. Wij willen dit althans
voor eene loodlijn aantoonen.
De lijn, die loodregt staat op de ribben M^ M2 en M3 3f4 f
wordt aangewezen door de vergelijkingen
«-■*»; (yi—y3)y-\\-2i% = o,
de ribbe M, M2 of de x as door de vergelijkingen
y«0, * —0,
zoodat het snijpunt dezer lijnen wordt uitgedrukt door
x = x3, y=»0, * = °>
en de afstand van dit punt tot het zwaartepunt der pira-
mide is
((*a-2*3)2 0/4 y3)2 21
V \\                          16                          j \'
welke uitdrukking van de vroeger gevondene in geen enkel
opzigt afwijkt.
55. Noem de toppunten der piramide M1 (xltyn xt), Mt
(xï. y». *»), Mt (*3, y3, zt) en Mt (*4, yt, *4); zij I de
inhoud, £ de inhoud van het zijvlak of den driehoek
M2 M3 Mx en Ml H de hoogte of de lengte der loodlijn uit
Mj op het zijvlak M% M3 Mk nedergelaten, dan heeft men,
zooals uit de lagere meetkunde bekend is
3I=SXMiH.
Zoeken wij, in de eerste plaats, den inhoud S van den
driehoek M2 M3 Mt. De vergelijking van het vlak dat door
de punten M2, M3 en Mi van het zijvlak gaat is begrepen
in den determinant
-ocr page 82-
80
1
X
y
z
1
x2
Vi
z
1
*3
z
1
*4
y*
*
Ontwikkelt men dezen, dan komt er
1 y% %2
X Jün -4-ft
1 x2 y2
1 zs
y
1 xs %z
*
1 «3 2/3
-
1 2/4 «4
1 xk *4
1 a?4 2/4
■"ï Z/2 *J
«j y% *3
X, W. *.
= 0,
x
waarvoor wij kortheidshalve schrijven
Ax By Cz D = 0..........(1)
In deze vergelijking zijn A, B, C op het teeken nagelijk
aan den dubbelen inhoud der projectien van den driehoek
M% MsMi op elk der coördinaten vlakken YOZ, XOZ en
XOY. Tweemaal den inhoud van M2 Ms Mi of 2 8 zal
derhalve — zoo als reeds in een vorig vraagstuk geleerd
is — gelijk zijn aan V {A* -\\-B2 -}- C2)- Maar de afstand
Mj H van het punt M1 tot (1) is
Mt H =
en
Axl By, Cgt JP _ Axt Byl Cel J>
K (^» £2 C»)
                        2 8
Mt HX2S = 6I=Ax1 Byt Cst D,
dat is
x,
x3
Vi
v-i
Va
= 6 1.
Als assen der coördinaten nemen wij de ribben AB,
AC en AD
en stellen de lengte AB = a, AO=b,AD=cy
dan zijn de coördinaten der punten B11, C11 en D11, die
deze ribben midden door deelen,
«1 = V«o» V\\ =°. zi =0; x2 = 0, «/2 —7,6, 22 = 0;
*3=°» ^8=0, *, —V&,
en de coördinaten van B1, C1 en D1, die de ribben C Dr
BD
en BC midden door deelen
%i — 0, #4 — V»6> *4 = 7»CJ *5 = 7*«» 2/5=0, «5 — \'Aft
«. — Vi«i y* = lIJ>> «e = o.
-ocr page 83-
81
Maken wij nu de vergelijkingen op der vlakken, die dooi-
de coordinaatassen en de punten B1, C1 en D1 gaan, dan
vinden wij
^__j/_. _£___£_. J(__£_              /,\\
a          b \' a          c \' b          c
Daar nu elk dezer vergelijkingen uit de beide anderen
kan worden afgeleid, zullen de waarden der coördinaten uit
twee harer bepaald, ook aan de derde voldoen. Hieruit
volgt dat de doorsnede van twee der vlakken in het derde
ligt en derhalve de drie vlakken elkander volgens dezelfde
lijn ontmoeten. Die lijn is geheel bepaald door twee der
vergelijkingen (1).
De vergelijkingen der drie vlakken, welke respectievelijk
door de punten B, C, D1 •; B, D, C>" en C, D, B* > gaan, zijn
7 T T"1\' rT 7"1\'7 rt-1\'»
en aan haar wordt voldaan, wanneer men x = \'/4a, y=!/4è
en z= 1/tc neemt. Maar die waarden voldoen ook aan de
vergelijkingen (1); van daar snijden de vlakken ABB1,
ACC1, ADD*, BCD11, BDC1* en CDB" elkander
in het punt O, welks coördinaten zijn x= \'/4a, y = V46?
£=i/4e, waardoor aan het tweede gedeelte der vraag
voldaan is.
Noemt men, gelijk wij vroeger deden, de hoeken die de
coordinatenassen met elkander maken, A, & en v, dan zijn
de vergelijkingen der zes vlakken, die door het midden der
ribben gaan en loodregt op de overstaande ribben staan
(x — »l\\a) Cosp -f (y — ytb) Cos>. 4- s = 0 ,
(* — V2a) Co&v • - y (* — »/»c) CosA = 0 ,
oo (y — Vjft) Cosv (z - >/»c) öw/a = o,
[bCosv a) x-\\-(b — aCosv) y (bCosKaCosp) (z—</2c) = 0,
(cCospa)x-\\- (cCosXaCosv) (/y— 1/ib) (c — aCosft) z = 0,
(cCow
bCo&v) (x — »/4a) 4" (cCosï.— b)y-\\-(c — bCos*)z = 0.
Door geringe omvorming worden deze vergelijkingen
x Cos (t-\\-y Cos *-\\-% = 11 z {b Cos *-\\-a Cos ia) . ... (3)
x Cosv -|-y 4"* Cosh= Vï (cCjsa4-« Cosv) .... (4)
a; 4"2/Coj v4-* Cosjtt= V» (cCo-SjCt-j-o Cosv) .\' . (5)
6
-ocr page 84-
82
b(xCosv y-\\-zCos*.)-a(x-\\-yCosv-\\-zCosft)=\' / ^(bCos^-aCosfi) (6)
c(xCosit-\\-yCos)-\\-x)-a(x-\\-yCosv zCosp)=llib(cCos).-aCosv)(7)
c(xCosi* yCos).-{-z)-b(xCosv-{-y zCos).)= \'-l^c Cos p-b Cosv)
(8)
Nu is het gemakkelijk in te zien dat vergelijking (6) het
gevolg is van de vergelijkingen (4) en (5); (7) het gevolg
van (3) en (5); (8) het gevolg van (3) en (4) en ook van
(6) en (7). Van daar snijden de vlakken (4), (5) en (6);
(3), (5) en (7); (3), (4) en (8); en (6), (7), (8) elkander
volgens eene regte lijn, terwijl alle zes vlakken door het
punt gaan, waarin drie, bijvoorb. de vlakken (3), (4) en (5)
elkander snijden. Door dit punt O1 gaan derhalve ook de
vier genoemde regte lijnen, zoodat aan het derde gedeelte
der vraag voldaan is. De coördinaten van het punt O1 kan
men afleiden uit de vergelijkingen (3), (4) en (5); men zal
vinden
c (Cos/* CoshCosv) -\\- b(CosvCos)Cosp)-\\-a(2Cos)CospCosvCos*/*—C
2 (1 —Cosi\\ — Cos1 iji. — Cosiv -4- 2 Cos*. CÓsjtCosu
c (Cos*
CosfiCosv) ft \'2CosA CospCosvCos1).Cos2v)-\\- a (CosvCosM
2 (] — Cos1) Cos1!*, — Cos*v 2 Cos* Cosp Cosv) "
c (2 CoskCosf* Cosv — Cos
U — Cos2 g) ft( Cos-A — CospCosv) -\\-a(Cos[t— Cos).
2 (1 — Ow»A — Cos2p — ~Cos*v 2CosXCosfi Cosv) "
Om het vierde gedeelte der vraag te beantwoorden, merken
wij op dat de vergelijkingen der zes vlakken, welke door
het midden der ribben gaan en loodregt op haar staan, den
vorm hebben van
x Cost*,-\\-y Cosh-\\-z= •/jC .... (9)
x Cosv-\\-y-\\-z Cos) = >/,ö .... (10)
x-\\-y Cosv -\\-z Cosp = ll2a .... (11)
b(xCosv-\\-y-^-zCos).)—a(x-\\-yCosv-{-zCosp)=1/i(bi-a2), (12)
c(xCos(i-\\-yCos& z) — a(x-\\-yCosv zCos(*)=1/2(ci—a2), (13)
c{xCosfi -\\-yCosX-f- z)—b(xCosv-\\-y zCos))=1/2(c2—ft2). (14)
Uit de inzage dezer vergelijkingen blijkt dat (12) het ge-
volg is van (10) en (11); (13) het gevolg van (9) en (11);
(14) het gevolg van (9) en (IC) als ook van (12) en (13).
Hieruit vloeit voort dat de vlakken (10), (11) en (12); (9),
-ocr page 85-
83
(11) en (13); (9), (10) en (14); eindelijk (12), (13) en (14)
elkander volgens eene regte lijn snijden, en dat alle zes
vlakken door het punt gaan, waarin drie hunner, bijvoorb.
(9), (10) en (11) elkander snijden. Maar in dat punt O11
snijden elkander ook de vier genoemde lijnen, derhalve enz.
Lost men x, y en * uit de vergelijkingen (9), (10) en (11)
op, dan vindt men
_ c(Cos-ACosv— Cos-p)-\\-b(Cie^C08fiCosv)-\\-a{l—Coó-2a)
^2 " 2 (1 — Cos2A — Cos*(t Cos*v -f 2CosWos-fiCosv) \'
_ c(Cos(iCosvCosX) -\\- b(1 —Cosi(i)-\\-a(Cos>.CosfiCosv)
Vi
~ 2(1 — CÓ8lK C08*fi — C08*V 2 C0S^C06flC0iv) \'
_ c(l — Cos * v) -\\- b(Cos/i Cosv—CosAJ-f-a(Cos>.CosvGosft)
%i~ 2 (\\ — Cos**,
Cös*ti — Cos*v -j- 2 Co8hCo8nCosv)~
Vergelijkt men de uitdrukkingen, die wij voor de coördi-
naten *j yt *, en xif/2z2 gevonden hebben, dan blijkt dat
ar, a?2 = i/,aj yx -\\- yi = »/»&; z1 z3 = \'/2c
zijn, en wijl, naar het vroeger berekende, x=1/ia, y=*l,fi
en *= J/4C zijn, zoo volgt hieruit dat ook »= i/i(x1-\\-xi);
11=
7 2 (ll\\ ü/2); *ssa V» (*i «2) zijn, waaruit wij mogen
besluiten dat O het punt is, waarin de lijn Ol Oti midden
door gedeeld wordt.
57. Behouden wij de coördinaten van het vorig vraagstuk, en
duiden wij dezelfde lijnen door dezelfde letters aan, dan
hebben wij voor de vierkanten der ribben
A in = n»; A C* = b1; A Z>2=ca; BC* =a2 6* -2abCosv;
£D*= cï2 c> — 2acCosfi
; CD2 = b* -f e* — 2 bc Cosh. (15)
Voor de lijn x vonden wij de vergelijkingen
y             2,0-2
b          c \' a          c
terwijl het zijvlak tegenover hoek A wordt uitgedrukt door
abc
Lost men uit deze vergelijkingen x, y en % op, dan vindt
men voor de coördinaten van het punt, waarin de lijn «
het zijvlak snijdt,
-ocr page 86-
84
x=1/ia; y=ll3b; x=*/3c;
wijl nu de lijn x door den oorsprong gaat, wordt het vier-
kant harer lengte uitgedrukt door
x* = i/9 (a* b* c* 2 ab Co&v -\\-2ac Cos/t 2 bc Cos*.),
dat is, lettende op (15),
x* = i/0 | 3 (JB2 -f- ^C* AD*) — (BC» -BD2 CD*) j.
Verwisselen wij nu het punt A achtereenvolgend met
B, C en B, dan komt er
(3* = 1/9 J3(.4B2 BC2 BD*)-(AC* AD* CD*)\\ ,
^2 = >/9 J3(BC24-^C2 CZ>2)-(^B2 4-BZ»2 4-./B2) | ,
52 = >/, j 3 (BB2 CD* -f- JB2)-(BC2 -j- A B2 ^ C2) j.
Door deze formules zijn de lijnen «, /3, y en £ in functie
der ribben uitgedrukt; tellen wij haar by elkander, dan
komt de betrekking
x* P y> W=*l9\\AB* AC* AD°~ BC* BD* CD*\\. (16)
Schrijven wij voor de coördinaten der punten B\' •, C1 >,
B11, B1, C1 en B1 de waarden in het vorig vraagstuk
gevonden, dan is
BiBi^=p*=llk{a*-\\-b*-\\-c*-2abCo8v-2acCo^-\\-2bcC>s>.)>
C» C\' »2=(/2=1/4(aï è2 c2-2tóCo6v42acCo6lt4-26cO;s>.),
B»BIl2=r2=V4(«2 62 c2 2a6Co6v-2ac6\'ac/CA_2écC^A),
waaruit, lettende op (15), volgt
pt = i/4 (^4C2 4- ^LB2 4- BC2 4 BB2 — ^1B2CD*),
qt
= »/4 (^17i2 ^-D2 #<?2 C^2 - ^\'2 - BB2),
r2 = >/4 (^B2 4 AC* -f BB24- CB2 - ^B2 - BC2),
zoodat nu ook de lijnen p, q en r in functie der ribben zijn
uitgedrukt; door optelling vindt men de betrekking
pi 4 2»4. ri _ i/4 (^flï -|_ AC* -4B2 4- BC* BD* CD*)y
of in verband met (16)
9 (x* 4 (3* y2 4 S2) = 16 (p2 r/2 4 r*).
58. Wij bepalen ons tot de aanname van drie gegeven punten
omdat dezelfde rekening voor elk willekeurig aantal door-
gaat. Laat dan xl yl zl, x2 y2 z2 en x3 y3 z3 de bekende
coördinaten dezer punten voorstellen; noem de som van de
kwadraten der drie afstanden van deze punten tot het punt
-ocr page 87-
85
p q2, en de coördinaten van dit punt x, yenz, dan hebben wij
(*-^)2 (2/-«/s)2 («-^)2 \'
waaruit door ontwikkeling volgt
O                                          O                                          ö
V, I*? y? *ï A vl *2 ■*! 2/2 ^2-?2l=o,
als meetkunstige plaats van het gezochte punt; zij is de
oppervlakte van een bol.
59.  Noem de coördinaten van het gegeven punt x1 yl s1,
en zij de vergelijking van den bol
(x — *y {y — 0)* (* — y)» = r».....(1)
De vergelijkingen van de regte lijn, die het middelpunt
van den bol met het gegeven punt x1 y1 zx vereenigt,
worden
(xi—*) (tf—yj^i—y) {t—x); (yt—(3) {c-y)=(zi -y) (u-0),
wanneer men de loopende coördinaten door t, u en v aan-
wijst. Hieruit vindt men voor de vergelijking van het vlak,
dat door het punt a;» y1 z1 gaat, en op de laatste lijn lood-
regt staat,
(*\' — *) (t—x1) -f (y1 -(3) (u—y1) (z17) (v -*») = 0. (2)
Maar het punt x1 yl z1 ligt op den bol en van daar
heeft men krachtens (1)
(x1 — *y -4-0/1 — /3)2 (2\' — y)ï = r2. (3)
Telt men (2) en (3) bij elkander, dan komt er
(Xi _«)(*_«) 4. (yi —(3) (u—(3) (*\'— y) (v—y) = r\\ (4)
als vergelijking van het gezochte raakvlak.
Ligt het middelpunt van den bol in den oorsprong der
coördinaten, dan is x = (3 = ? = 0, waardoor (1) over-
gaat in
xi _|_y» -4-22 ==/•»,
en (4) in
x1 t -f- yx « gl v = r2.
60.  Veronderstellen wij dat het middelpunt van den gegeven
bol in den oorsprong van een regthoekig coördinatenstelsel
ligt, dan is zijne vergelijking
-ocr page 88-
86
x1 2/2 s2 = r*.......(J)
terwijl, krachtens het vorig vraagstuk, het raakvlak van
het te zoeken punt l in n wordt uitgedrukt door
lx -f- my -4- nz = r2.......(2)
Noemen wij de vergelijkingen der gegeven lijn
x = a x P en V = b&-\\- q, . . . . (3)
dan wordt de voorwaarde dat die lijn ligt in het raakvlak
(2) gevonden in de vergelijkingen
la m .& n =» O,......(4)
lp -\\-mq — rl = U; . ... . . (5)
maar het punt Imn ligt op den bol, daarom moet
l* m* 4-n2 =r2......(6)
wezen.
Uit (4) en (5) vindt men gemakkelijk
pn-4-ar2 ,         nq-\\-br*                  ,-v
m = — £-r-■-------; l = — --—,— f • • • (0
po a q               qa b p
en deze waarden in (6) overbrengende, komt er
(nq briy /pn ar*\\* n».rl> . (8)
\\qabp }         \\pb aq /
uit welke vierkantsvergelijking n gemakkelijk\'bepaald wordt;
die waarde in (7) overbrengende worden ook l en m bekend.
Uit (8) ziet men dat er in het algemeen twee waarden
voor n en derhalve ook voor m en l gevonden worden.
Er liggen dus op het oppervlak van den bol twee punten,
die aan het vraagstuk voldoen. De verklaring hiervan ligt
voor de hand; brengt men toch een willekeurig vlak door
de gegeven lijn en laat men het om die lijn wentelen, tot
dat het den bol raakt, dan kan die wenteling regtsom en
linksom geschieden, hetwelk twee verschillende raakpunten
oplevert. Mogt echter het raakpunt zelf een punt zijn der
gegeven lijn, dan levert de vergelijking (8) voor n slechts
eene waarde, zoodat de beide punten zamenvallen.
61. Is R de straal van den bol, en zijn x, y en * de loopende
coördinaten, dan wordt bij regthoekige assen de vergelij-
king van een vlak, dat den bol in het punt xlylz1 aan-
raakt
xxt yyl-\\-zz1—R1 =0.......(1)
-ocr page 89-
87
Laat de vergelijking van het gegeven vlak, waarmede
het raakvlak evenwijdig zal loopen, in den normaalvorm
worden voorgesteld door
x Cosx -\\- y Cos(3 -f- z Cosy p = 0,
dan drukt men uit dat dit vlak een raakvlak wordt aan
den bol, wanneer men het vereenzelvigt met (1), zoo dat
men verkrijgt
_£i_ ^ _^i_ = z\\ =.- êl
Cosx ~\' Cos(3 ~ \' Cosy p \'
neemt men hieruit de waarden van xx, yx en zt, die men
overbrengt in
x\\ y\\ z\\-R*=Q,
te kennen gevende dat het punt xxyxzx op den bol ligt,
dan ziet men dat p2 = R1 of p = R is, en de vergelij-
king van het raakvlak aan den bol, evenwijdig met een
gegeven vlak wordt
x Cosx -\\- y Cos/3 z Cosy ± R = 0,
waaruit tevens blijkt dat er twee raakvlakken evenwijdig
aan een gegeven vlak bestaan.
62. Wij noemen de coördinaten van het middelpunt van den
bol a, b en c, zijn straal R, en x, y, z de coördinaten van
een willekeurig punt van het oppervlak; dan zal de verge-
lijking van dien bol op scheef hoekige coördinaten uitgedrukt
worden door
f(x, y, z)=(x a>i (y - b) * (z—c) * -\\-2(y-b) (z—c)Cos*
2 {z—c) (x—a) Cosft 2(z—a) (y—b) Cosv — E* = 0,
waaruit men voor de gedeeltelijke eerst afgeleide functien
vindt
f\\ = 2 (x—a) 2(y—b) Cosv 2(z—c) Cosp,
f\\=2 (x—a) Cosv
2 (y—b) 2 (z—c) Cos*.,
f\\ = 2 (x—a) Cos/i
2 (y—b) Cos*. 2 (z—c),
en waardoor de vergelijking van den bol den volgenden
vorm aanneemt
(x- a)f \\ (y- b)f\\ (z- c)f\\ — 2 R* = 0.
-ocr page 90-
88
Dientengevolge hebben wij tusschen de veranderlijken
2 (a x), 2(by) en 2 (c— z) de volgende vier vergelij-
kingen
4 B* 2 (a-x)f\\ 2 (b—y)f\\ 2 (c—*)ƒ». —0,
/• \\ -f 2 (a—z) 2 (&—?/) Cosv 2 (c—-s) Ö»a» =0,
/•\'„ 2(a—x)Cosv 2(b—«/) 2 (c—2)CosA = 0,
• ƒ■. 2 f«—x) Cosfi-\\- 2 (b—y) CosA -f- 2 (c—2) = 0.
Elimineert men die veranderlijken, dan komt de deter-
minant
4£*   f\\      f\\      f\\
f\\        1       Cosv    Cos/i         0
f\\       Cosv 1       CosA " \'
f\\       Cos/i    Cos*. 1
waarmede aan de vraag voldaan is.
63. Bij regthoekige coördinaten zal de vergelijking van den
bol kunnen worden voorgesteld door
z2 2/2-f-22 2az 2ty-f 2cz-fd = 0. . . . 1)
De vier gegeven punten zullen op het oppervlak van
dien bol liggen, als hunne coördinaten xti/i en xiV» z%>
xs y3 z3
en x4 yk z4 aan de vergelijking 1) voldoen. Men
heeft bijgevolg de vier vergelijkingen
V\\ 2axt 2by, 2c», d = 0,
xl y\\ z\\ 2axi 2by1 2czi cl = 0,         2)
xl y\\ z\\ 4- Sa^s <%3 4- 2czs -f d = o,            \'
8,2 y\\ *i 2«x4 2by\\ 2cs4 d = 0 ;
uit deze kan men de waarden van a, b, c en d bepalen
en die overbrengen in 1), waardoor het vraagstuk opge-
lost is.
In de vergelijkingen 1) en 2) klimmen de onbekenden
2a, 2b, 2c en d slechts tot den eersten graad op; geen
dier vergelijkingen kan derhalve met eenige andere in strijd
zijn, en men kan 2a, 2b, 2c en d tusschen 1) en 2) on-
-ocr page 91-
89
middelijk elimineren, door in aanmerking te nemen dat de
determinant gelijk nul moet wezen. Daardoor wordt 1)
y
Vt

y*
z
X
A y\\ z\\
*l yl *l
3)
= 0
64. De coördinaten der vijf punten moeten voldoen aan de
vergelijking 1) van het vorig vraagstuk; zij geven derhalve
aanleiding tot den determinant 3), welken men onder de
beide volgende vormen kan daarstellen:
-ocr page 92-
a
03
JL
H
M
«
N
e
^v
/-*.
^-.
«
■*
*
©
s
1
l
13
^V
^-v
-~s
d
II
a
03
1
*
f
f
f*
6JD
«
Si
^,
5^
J3
*3
M
o
m
•<
m fcT
M
M
«Ni
>
60
\'S
o
r
t
"5
?
-1
s
1
s> a>
M
*5
5^
«f
S
—<
^
X
i
A.
—H
M
co
■#
rt
s s
H
H
8
03
C
03
\'l\'
Is*
f
ï
••—■
t(
i f
c
M
?.
ï.
^.
es <M —
mm
MM
M*f
:^3
w
X
ï\'l *ï
<\\>
<>>
<M
1—\'
1
f
7\'
o f
13
T3
1
1
= 1
Si
M MfN MM MM «•*
=S* 5S* S5 53> 5&>
:n met
"f

8
X
8
M M"-
mm
MM
M«f
|
|
|
8 S
\'-.
8
8
—»
a
r—t
3,
i
8
H 4*
03
O
o
M
tv
1
1\'
1 1
n *
O
n
II
a
o
1
1
1
1
5fe
1 1
S
o
_
•^ N-------
_
M
-.-.
•^
4
0J M
CM CO
CM
Cl
<-<
CM
M
^.h
1 1
1
1
1
a
C3
-i->
a
T
,8,
8
IL
8 8
*-<
M
M
«t
c8
^>^ X^\'
Ö> 5^
^
ÏT;
Ss
a
W
n
N N
<N Cl
i
"Tl*
1
CM
1
1
B
03
f
ï
M
^ "5
1 1
n *
8 H*
M
fcf
•f
H
Ti
CM CM
Cm
^l
Cl
N3
f*
^
~~
1 i
1
|
i
sS
>.
r ?
1 1
1
1
\'
O
T3
i
o
1
L L
ts.
.9
el «—
MM
MM
M*f"
>.
ïl
» st
i*j iNj tv( !-( h}
O
3
\'S
M M M
f~*- ^~^ *^v
43
o
^1
M M^
MM
C^«
M*f
p
-■
s"
8 8
03
S* 5^
ï".
£>
•*5
Q^
f
1
1 1
JO
4- -1
03
bc
3,
s s
03
4-J
« «^
MM
MM
M*f
f
O
M
M
M M
s s
s
H
H
!3
1
|
| |
33
\'Sé
03
3
1
>*, N
O
I
u.
03
O
03
.O
H N «t M
*^S ^-~N ^*S i"^
:sj
1
03
O
o
5*
f
r
M
a
-|3
s
M
«
M H
:rp
£
T
3,
T
H
JL
TT
CQ
-ocr page 93-
91
(»-*,)« (y-yxY (*—*,)» — JTÏ, = a2,
(•i-».>*-Kr,-r.), (*, -*.)•— JMr*-c>,
(«, _.ri)= (2/l_2/4)2 (^ _ .4)ï= j^ = rfï|
(x,-x )* (y4-y )> (*4-* ^Jf^\'-e»;
vervolgens
(•^2—^)2 (2/2-2/4)2 (^--%)2 - ^! = *2>
(XS—X Y (y*-y y iZt—Z Y=MJl — 0»,
Uu—^,)2 (y4-//1)ï (-%--,)2 = ^, = ?-2,
(0
,)» (* -y,)2 (* -z^ = M Mï=s\\
(x1-\'i)1 (yi-!/3)i (zl-zsy=M1M:i=s^;
en brengen wij deze waarden in de voorgaande vergelijking
over, dan hebben wij voor de gezochte betrekking
0
S*
/32
eJ
o1
0
52
72
s*
0
c2
**
0*
c2
0
cP
t*
r2
«ï
tf2
0
= 0.
65. Laat de vergelijkingen der gegeven bollen worden
voorgesteld door
S = x2 ,y2 x2 2 ax 2 6y 2 e» d = 0 ;
(1)
S, =x2 y2 :r2 2a,a> 26,y 2c1* d1 =0.
Trekt men die vergelijkingen van elkander af, dan komt er
2 (a — a^ x 2 (b — bj y 2 (c — ct) x -\\- d — dt =0, (2)
welke vergelijking voldoet aan alle punten, die de bollen
met elkander gemeen hebben. In het voorbijgaan zij hier
opgemerkt dat het vlak (2) loodregt staat op de lijn, die
de middelpunten der bollen of de punten (a, b, c) en
(otj, bt, c,) met elkander vereenigt; die lijn toch heeft tot
vergelijkingen
x ö V b x -j- c
&, —b
c. — c
-ocr page 94-
92
waaruit terstond blijkt dat zij loodicgt staat op (2).
Elk punt in het vlak (2) voldoet nu aan de eigenschap
in het vraagstuk bedoeld. Laat, om dit aan te toonen,
3,2 2/2 22 2yz Cosyz -\\- 2xz Cosxz -f- 2xy Cosxy -f-
-f 2ax -f- 2by 2cz d = ü
de algemeene vergelijking van den bol zijn; het eerste lid
kan men ook brengen onder den vorm
{x-»y (y-(2>* (z-y)* 2 (y-fr (*-y) Cost/z
-f- 2 (*-«) (s-y) (7osa;5r 2 0-«) (j/-/3) Cosxy-B2. . . (3)
Als nu a, y, z de coördinaten zijn van een •willekeurig
punt M in de ruimte, MT een tangens of raaklijn uit het
punt M aan den bol getrokken, en C het middelpunt van
den bol met de coördinaten x. (3 en y, dan stelt de uit-
drukking (3) de grootheid CM1R* voor, welke laatste
gelijk is aan M T2, wijl de driehoek CMT regthoekig is.
Hieruit volgt dat het eerste lid der vergelijking van den bol,
waarin x, y en z de coördinaten van een willekeurig punt
M der ruimte aanduiden, gelijk is aan het vierkant der
raaklijn, uit het punt M aan den bol getrokken, onder
voorwaarde echter dat de coëfficiënten van de tweede
magten der veranderlijken tot de eenheid herleid zijn.
Trekken wij nu uit een willekeurig punt A der ruimte
raaklijnen aan de bollen (1), dan worden de vierkanten dier
raaklijnen voorgesteld door
maar volgens de gegevens van het vraagstuk moet AT =
A
Tj zijn, waaruit S=S1 of S S1=0, zijnde juist de
vergelijking van het vlak (2); derhalve, enz.
De vergelijking (2) of <S — St = 0 wordt de vergelijking
van het radicale vlak of het grondvlak genaamd. Men kan
het vraagstuk algemeener maken en vragen wat er gebeurt
bijaldien drie of vier bollen elkander snijden. Laat hiertoe
S, St, S2 en S3 de eerste leden voorstellen der vergelij-
kingen van vier bollen O, Ot, 02 en 03, laat ons aan-
nemen dat de, coëfficiënten van de vierkanten der verander-
lijken tot de eenheid herleid zijn, en beschouwen wij in de
eerste plaats drie der bollen:
-ocr page 95-
93
De bollen 0t en 02 hebben het grondvlak: »?2—<S, =0;
O, en O „ „
                  S — S2 = O;
» n O en O, „ „                  Sl — S = 0.
Elk dezer vergelijkingen is het gevolg der beide anderen;
derhalve snijden de grondvlakken van drie bollen elkander
volgens de lijn, welker vergelijking is
O Ma Oj ^= o2.
Men kan deze lijn de radicale as der drie bollen noemen;
zij staat loodregt op het vlak dat door de middelpunten
der bollen gaat en is de meetkunstige plaats der punten
uit welke men gelijke raaklijnen aan de drie Dollen kan
trekken.
Beschouwen wij, ten slotte, de vier bollen S, St, S2 en
S3, dan zijn de radicale assen dezer bollen, drie aan drie
genomen
voor (Slt S2, S3) : S1=S1=S3;
(S2, S3, S ) : S2 = S3 = S ;
(S3, S , £,) : S3 = S = 5, ;
jj (o » o j i «2) \'S = o, = o2.
Deze vier regte lijnen gaan blijkbaar door het punt
O = Oj ^= 02 =^ O3 •
Die assen der vier bollen ontmoeten elkander derhalve in
een punt; de raaklijnen uit dat punt aan de vier bollen
getrokken zijn gelijk.
66. Voor de vergelijking van den bol op regthoekige coör-
dinaten kan men schrijven
(x -a)2 (z/ — b)* (z — c)2 = r4;.....1)
de coördinaten van het middelpunt a, b en c benevens de
straal r van den bol zijn de onbekenden, die moeten
worden gevonden uit de voorwaarde dat de bol gaat door
drie gegeven punten p qr, p1 q1 r1 en pli q11 r11, en een
gegeven vlak Ax-\\-By-{-Cz-\\-l=Q aanraakt.
Daar nu de gegeven punten op het oppervlak van den
bol moeten liggen, zullen hunne coördinaten aan 1) voldoen,
waardoor men de volgende drie vergelijkingen erlangt
-ocr page 96-
94
(P — «)2 (? — by (r —c)a=r*, ... 2)
(p* — a)2 (V — ö)2-i-(r\' — c)ï=rri, ... 3)
(p11 — a)2 -Hg11— ö)a -j-O"11 — c)2=r2. ... 4)
Trekt men 2) van 3), daarop 2) van 4) en eindelijk 3)
van 4) af, dan erlangt men drie vergelijkingen, waarin de
onbekenden a, b en c slechts in de eerste magt voorkomen.
Door het invoeren van hulpgrootheden laten zich die ver-
gelijkingen gemakkelijk herleiden tot den vorm
ace -\\-b(3 -\\-cy 5 =0,
a«, -j-6/3, -\\-cr, -j-S\'
= 0,
«=0,
a<*2 6/32 -\\-cyi
waaruit voor de onbekenden a, b en c gevonden wordt
5
/3 r
3\'
0i y.
3\'
ft y,
# 5
y
*, S\'
?1
*, §>\'
?%
* /3
7
«1 ft
?i
*2 0,
y-i
(«3\'r»)
>ftrs)
(«ftrïj
/3 y
ft Yx
ft y2
5;
/3 S
. ft 3\'
1 ft 5>1
/3 7
t ft y,
I ft Pi
= («/3,?11) _
" («ft y,)
Om den straal r te bepalen hebben wij, volgens eene
bekende formule,
Aa Bb Cc 1 .
r =
5)
V U2 B* C2)
want het achterste lid dezer vergelijking drukt de lengte
uit der loodlijn, die uit het middelpunt abc van den bol
op het gegeven vlak kan worden nedergelaten, en die lood-
lijn is blijkbaar de straal van den bol. Brengt men der-
halve in 5) de gevondene waarden van a, b en c over,
dan is ook de straal in gegeven grootheden uitgedrukt.
67. Zij de vergelijking van den gegeven bol op regthoekige
coördinaten
-ocr page 97-
95
(ar» — a)2 (y1 b)2 (z1 c)2 = r2 :.......1)
laat de gegeven lijn met de as der x zamenvallen, dan
wordt de vergelijking van het gevraagde vlak
Ay Zmm O,..............2)
waarin alleen A de onbekende is, die wij moeten trachten
te vinden.
Het vlak 2) moet den bol 1) volgens een gegeven cirkel
snijden; het komt er dus op aan de vergelijking van dien
cirkel in het vlak 2) te bepalen. Daartoe hebben wij, vol-
gens bekende regels
x\' = x Cos <p y Cos 6 Sin <p,
y*
= x Sin (p y Cos è Cos (p, . . . 3)
z\' =■ y Sin $,
waarin <p de hoek is, welken het spoor van het snijdend
vlak op het x y vlak met 0 X maakt, en de hoek ê de
helling aangeeft van het snijdend vlak op het X Y vlak.
De eerste of de hoek <p is nul, want het vlak gaat door
de X as; de hoek ê wordt bepaald door
1                                       A
Cos 6 = —n-Ti , ,n of Sin 6 =
Brengen wij de waarden 3) in 1) over, dan komt er, na
eenige vervorming en in acht nemend dat <p = 0 is,
(x — a)2 (y {b Cos 6 c Sin 6) )* = r2 — c2 — 6*
ö2 Cos2 6 2bcSinêCosd c* Sin2 ê.
Deze is de vergelijking van een cirkel, terwijl blijkbaar
het tweede lid den straal diens cirkels voorstelt. Maar het
vlak moet den bol volgens een gegeven cirkel snijden;
noemen wij den straal van dezen laatsten R, dan heeft
men, ter bepaling van 6, de vergelijking
r% — c2 — b2 b2 Cos2 6 2 b c Sin ê Cos ê c2Sin26 = E2.
In deze laatste de boven gevonden waarden van Cos ó en
Sm6 overbrengende, komt er, na eenige verdere herleiding
A I
        2bc       A I r2-R2-c2_
waaruit A gemakkelijk bepaald en zoo het vlak 2) geheel
bekend wordt.
Snijdt een vlak den bol volgens een gegeven cirkel, dan
-ocr page 98-
96
is de afstand van het middelpunt des bols tot het cirkel-
vlak gelijk aan V (R2 r2), wanneer R den straal van
den bol, r dien van den cirkel voorstelt. Beschrijft men nu
met den straal V (R2r2) een bol, concentrisch met den
gegevenen, dan zal elk vlak, dat raakvlak is aan dezen
kleineren bol, den grooteren volgens het beloop van een
cirkel met den straal r snijden. Hierdoor wordt het vraag-
stuk terug gebragt tot een vorig, het opzoeken namelijk
van de coördinaten van het raakpunt als door een gegeven
lijn een raakvlak aan een gegeven bol (hier met den straal
V(R2r2)) gebragt wordt.
68. Wij nemen het middelpunt van een der gegeven bollen
als oorsprong van een regthoekig coördinatenstelsel en het
vlak, dat door de middelpunten der bollen gaat, als vlak der
xy aan; dan zijn de vergelijkingen der gegeven bollen
x* -|_ 2/* _|_ gi =r\\ :
(x - *,)» (?/ - (31) -f z* = r2; ......1)
(x-xty (y-(33)i S2=rl;
voor den te zoeken bol schrijven wij
(* - *)2 (y - P)2 (z -r)2 = r2.....2)
zoo dat a2, /32, «3, /33, rx, r2 en r3 bekende, x. |3, y
en r onbekende grootheden aanduiden.
Voorts nemen wij aan dat 2) de gegeven bollen uit-
wendig aanraakt; dit geeft aanleiding tot de volgende ver-
gelijkingen
«2 02 72 = (r r.y,...........3)
(*_*2)2 (/3-/32>* ^ = (r r2)>, ... 4)
(«-*3)a (/3-/33)M-y2 = (r r3)i- ... 5)
Trekken wij 4) en 5) van 3) af, dan verkrijgen wij
2/3J/3 2«J* = /3« «» r}— r§ 2 (r, — ra)r; . . 6)
2/3,/3 2*J* = /3» «t r} — r\\ 2{rt—rt)r; . . 7)
tusschen 6) en 7) kunnen wij dan r elimineren, hetwelk
aanleiding geeft tot de uitdrukking
2^^^2xix-(3l-xl-r2 r2^J 2xix-^2-x\\-r\\ r2 g)
rl—ri
                          ri—r3
-ocr page 99-
97
Deze vergelijking is ten opzigte van x en (3 van den
eersten graad; zij wijst derhalve een plat vlak aan, dat op
het vlak der xy regthoekig staat. En daar aan 8) voldaan
wordt door
2/320 2«2« — (3\\ — xi—r\\ r\\=Q,
en door 2 (3S(3 2 x3x — /3| — x\\ — r\\ r\\ = 0, \' " \';
stelt 8) de lijn van doorsnede der beide vlakken 9) daar.
Elimineren wij vervolgens r tusschen een der vergelij-
kingen 3), 4) en 5), en tusschen 6) of 7), dan bekomen wij
eene vergelijking in x, (3 en y, welke van den tweeden
graad is; elimineren wij daarop /3 tusschen de laatst be-
paalde en 8), dan komt er eene vergelijking tusschen x en
y, welke eveneens van den tweeden graad is. Deze laatste
vergelijking tusschen x en y is die eener cilindervlakte van
den tweeden graad, en alle middelpunten x /3 y van den
bol 2) liggen op die cilindervlakte en op het vlak 8); de
meetkunstige plaats van al die middelpunten is derhalve de
lijn van doorsnede van dat cilindervlak en het platte vlak
8), bijgevolg is die meetkunstige plaats eene lijn van
eenerlei kromming, behoorende tot de kegelsneden.
Noemen wij, ten anderen, het aanrakingspunt van bol 2)
en het eerste der kogelvlakten 1) tuv, dan hebben wij
t* M* t\'2 —r\\,.............10)
en (t — »)* (u — j3)2 -f (v y)2 = rJ . . . 11)
Tellen wij nu 3) en 10) bij elkander, en verminderen die
som met 11), dan komt er
x t /3 u -f- y v = rx {r -f rt),.......12)
en brengen wij in deze vergelijking de waarden van ri en
r rt uit 3) en 10) over, dan hebben wij, na eene ligte
herleiding
\\xu — (3t)* (xv — yty -f (/3v — yu)* = 0,
welke vergelijking alleen mogelijk is in geval men heeft
xu (3t = 0; xv — yt = 0 en (3v — yu = Q, . . 13)
waaruit blijkt dat het aanrakingspunt tuv met de middel-
punten der beide bollen in eene regte lijn ligt, waaraan
trouwens niet te twijfelen viel. Uit 12) en 13) verkrijgen
wij, met behulp van 10)
7
-ocr page 100-
98
r, ;             r,                     r,
Brengen wij deze waarden in 6) en 7) over, en elimi-
neren daarop r, dan komt er
1*2 &l - (r, - r,)>j j /32w *,* - r, (r, - r,) J =
= K /3l-(?-i-^)2! l/M «i< —M»-» — r.)l • 14)
In deze vergelijking ontbreekt v, en zij is ten opzigte
van t en u van den eersten graad; zij geeft derhalve een
plat vlak aan, dat loodregt staat op het vlak t u of het
centraal vlak der gegeven bollen. De doorsnede van 14) met
de eerste der vergelijkingen 1) is de meetkunstige plaats
der punten van aanraking; zij stelt een cirkel voor. Voor
de aanrakingspunten van 2) met den tweeden en derden
der gegeven bollen 1) vindt men soortgelijke uitdrukkingen.
69. Gebruik makende van regthoekige coördinaten zij de
vergelijking van den bol
«2 </2 ^2 =Bi,........1)
als wanneer de oorsprong met het middelpunt van den bol
zamenvalt. Noem de gegeven punten x1y1z1, x2yizi.
Het is aan geen twijfel onderhevig dat het te zoeken punt
C moet liggen in het vlak dat door de punten xt ylz1 en
x2y2z2 en door den oorsprong gaat. Zij de vergelijking
van dat vlak
Ax By Cz=*0,.......2)
waardoor reeds te kennen gegeven wordt dat het door den
oorsprong gaat; maar het moet tevens de gegeven punten
in zich opnemen, dat aanleiding geeft tot de vergelijkingen
AxA Byi -\\-Cz1 =0,........3)
AXi By2 Cz2=0........4)
Elimineert men A, B en C tusschen 2), 3) en 4), dan
heeft men
V
X
z
= o,
of
Ui
*
- o,
ï
z2
— y
X
*2 Vi
-ocr page 101-
99
waarvoor wij ook schrijven kunnen
«(ïi^-y^i^ ^^iJil-0.....5)
Maar het punt ligt in de doorsnede van den bol 1) en
het vlak 5); die doorsnede is natuurlijk een cirkel. Om dien
cirkel in ware ligging te kennen, moeten wij zijne vergelij-
king opzoeken ten opzigte van regthoekige assen in het
vlak van doorsnede 2) of 5); hiertoe zijn twee dingen
noodig, eerstens de hoek <J>, welken het spoor van het
snijdend vlak op het vlak X Y met O X maakt; ten
anderen de hoek 6, welke de helling aangeeft van het
snijdend vlak op hetzelfde vlak X Y.
De vergelijking van het spoor is
Ax-\\-By = 0 of x(yxz^ — y{xlzJwmQ,
waaruit tang 0 = — _- = ¥~*— v >
B
            (x, z2)
terwijl volgens bekende regels 6 bepaald wordt uit
fw =________9._______=______(*i Vt]_________
_ V\' (A* B* &) y\\(y~yz^ -(*1*2)i (*i^),l\'
Na <p en 6 gevonden te hebben, maakt men gebruik van
de gewone formulen voor het veranderen van coördinaten:
x = x\' Cos <p y > Cox ê Sin (p,
y = xi Sin <p
-f- yl Cos 6 Cos <p,
z = yi Sinó.
Brengt men deze waarden voor x, y en z over in 1),
dan erlangt men de vergelijking van den cirkel, ten opzigte
van regthoekige coördinaten in het vlak van doorsnede. In
dat vlak liggen ook de punten A en B, welker coördinaten
men vindt door gebruik te maken van de laatst gegevene
herleidingsformule. Het voorstel is hierdoor herleid tot het
volgende: twee gegeven punten A en B liggen beide buiten
een gegeven cirkel; men vraagt het punt C aan den omtrek
zoo te bepalen dat A C-\\- B C een minimum wordt.
Uit de lagere meetkunde weet men dat tot het minimum
zijn van A C-\\- B C vereischt wordt dat de lijnen A CenBC
met de raaklijn in C gelijke hoeken maken. Dan toch zullen
zij den kortsten weg opleveren van A door een punt dier
raaklijn naar B; en daar de cirkel slechts dit punt C met
-ocr page 102-
100
de lijn gemeen heeft, en overigens uit den aard van het
vraagstuk aan gene zijde daarvan ligt ten aanzien van
A en B, is dit dan tevens de gevraagde kortste weg.
Laat dan, bij onderling regthoekige coördinaten het mid-
delpunt van den cirkel in den oorsprong vallen, dan is
zijne vergelijking
x* y* =RK
Noemen wij de coördinaten van het punt A x =p, y = q,
die van het punt B x = r, y = 0, waarmede aan de alge-
meenheid niet te kort wordt gedaan; voor de coördinaten
van het te zoeken punt C mogen xl en yx gelden. Dan is
de vergelijking der raaklijn aan den cirkel in het punta:,^
xxi UVi =Ri;
de vergelijking der lijn A C, welke gaat door het punt pq
en het raakpunt ar, yt is
die der lijn BC, gaande door rO en xlyl,
y — —^— (xr).
•\' xt r
De lijn A C maakt derhalve met de raaklijn een hoek r
welks tangens is
I ±i_
want x*-\\-y\\=R*.
1 _ Ut ~g X -1          ~~PVi JrqXi\'
*\\ — P Vi
Evenzoo maakt de lijn B C met de raaklijn een hoek,
waarvan de tangens wordt uitgedrukt door
x\\ r V\\         _ -B* — r x .
>
xt r A yx
en daar die hoeken aan elkander gelijk moeten zijn,
heeft men
.R2qyx pxt _ B2 rx
— mix 2*i "~ —ry~
waaruit, na herleiding,
-ocr page 103-
101
(P — r) yx — q *, q r = 0 ;
maar uit de vergelijking van den cirkel volgt xl = V(R2y\\);
brengt men deze waarde in de vorige vergelijking over,
dan heeft men, na herleiding,
2qr(p-r)            (r2 - &)
"T(p-r)2 22 »» ^ (j> — r)2 £2        \'
"waaruit yt gemakkelijk wordt afgeleid. Men vindt daarop
xy uit de gelijkheid x\\ -\\-y2 = R2.
70. Nemen wij den oorsprong der onderling regthoekige
coördinaten in het middelpunt van den bol, die alzoo tot
vergelijking heeft
x2 y2-\\-z2 = R2;.......1)
laten voorts, ten opzigte van dezelfde coordinatenassen
x = az -\\-b en y = cz d . . . . 2)
de gegevene vergelijkingen der lijn in de ruimte zijn; indien
dan de coördinaten van het gevraagde punt door p, q en r
voorgesteld worden, is, daar dit punt op de lijn 2) ligt,
p = ar -\\- b en q = cr-j- d.....3)
Laten wij nu eene lijn door het middelpunt van den bol,
dat is door den oorsprong, en het punt pqr gaan, dan zijn
de vergelijkingen dezer lijn
x= — z eny=—z, ......4)
r                   r
maar deze lijn snijdt het oppervlak van den bol, en, zoo
wij de coördinaten van dat snijpunt p1 q1 r1 noemen,
hebben wij, volgens 1) en 4)
P1* q1% r1* = R2-, ^1=r1 en g» = -£r1,
uit welke vergelijkingen gemakkelijk gevonden wordt:
i =
         ff-R ____. , _ ,______qR          .
rx = ------------------........ö)
- f(p2 q2 r2)
De afstand der punten pqr en p1 q* rl is tevens de
afstand tusschen het eerstgenoemde punt en het oppervlak
van den bol; dien gegeven afstand D noemende, is derhalve
D= yïip—p^ iq-q^ ir — r^H,
-ocr page 104-
102
of, na substitutie der waarden -5) en behoorlijke herleiding,
Uit deze vergelijking hebben wij dadelijk
p2 qi ri = (D±B)*;
door hierin voor p en q de waarden 3) te stellen, komt er
verder
(ar ö)2 (er d)* -f r2 = (D ± iï)2,
of na herleiding en oplossing der vierkantsvergelijking
_—.{al)Jrcd)±V\\(a^ ci \\) (D R^ad-bc^-W d*) |
Brengt men de waarden van r in de vergelijkingen 3) over,
dan wordt
bci b-acd±a ^j(a2 c2 l) (Z)±^)2-(ad-&c)2-(&2 d2)(
P~
                                a2 c2 l
en
= da* d-acb±c ^j(q2-{-c2 l) (D±Ry-(ad-bc)*-(b* d>)\\
q
                                    a2 c2 1
zoodat nu de coördinaten van het begeerde punt gevonden
zijn. Gaat de gegeven lijn door het middelpunt van den
bol, dat is, door den oorsprong, dan wordt 6 = 0 en d = 0,
waardoor de coördinaten van het gezochte punt zijn
_ a(D±E) _ c(D±B) _        D R
P~~ V(a* c* Y)\' q ±V(a°- c* iy r~ ±j/(rt2 c2 l)\'
71. Trekt men uit het middelpunt van den bol eene lijn
loodregt op de gegeven lijn, dan is de afstand van het
middelpunt des bols tot het punt, waar de loodlijn de ge-
geven lijn snijdt, korter dan eenige andere lijn uit het mid-
delpunt van den bol tot eenig ander punt der gegevene lijn
getrokken. En is de loodlijn de kortste, dan is het verschil
tusschen de loodlijn en den straal van den bol kleiner dan
dat tusschen dezen laatsten en eenige andere lijn uit het
middelpunt van den bol tot de gegeven lijn getrokken; het
komt er dus in de eerste plaats op aan dat snijpunt te
vinden. Zij daartoe
x = a z -f- b en y ^ c z -\\- d . . . 1)
de vergelijking der gegevene lijn, en laat het middelpunt
-ocr page 105-
103
van den bol tot oorsprong der onderling regthoekige coördi-
naten aangenomen zijn, zoodat
& y3 z* = &......2)
de vergelijking van den bol is.
Brengen wij door den oorsprong een vlak, loodregt op 1),
zoo heeft dit vlak, volgens bekende regels, tot vergelijking
z-\\- ax-\\-cy = 0......3)
Is voorts pqr het snijpunt van 1) en 3), dan hebben wij
p = ar-\\-b; q = cr-\\-d; r-\\-ap-\\-cq = 0,
waaruit voor p, q en r gevonden wordt
(<? !) b-acd            (qg l)d—acb , _(ab-\\-cd)
P~ «2-fc2 l \' q~ a2 c2-f] \' r=~ «3 c2 l
De afstand van het punt pqr tot den oorsprong wordt
uitgedrukt door V (p* q3 >\'2) > in welke uitdrukking de
gevondene waarden voor p, q en r moeten worden overge-
bragt. Voor de som van de vierkanten der tellers van
p, q en r vinden wij
(c2 -f l)2 b* — 2 a c (c2 1) b d «2 c2 cl*
-f a2 c2 ö2 — 2 a c (a2 1) b d -f- («2 l)2 rf2
a2 b2 2 a c b d
                    c2 d2
of optellende
(c2 l)ö2(a2-(-c2 l)—2aöcd(a2 c2 l) (a2 l)d2(a2 c2 l).
De som van de vierkanten der tellers is derhalve deel-
baar door a2 c2 -f- 1; den afstand van het punt pqr tot
den oorsprong D noemende, hebben wij
= (c2 -f 1) 62 — 2 abcd -f- (a2 1) d2
a2 e» -f 1
Om den afstand van het gevonden punt tot het opper-
vlak van den bol te vinden, hebben wij de gevondene
waarde van D slechts te verminderen met den straal R
van den bol. Stilzwijgend wordt verondersteld dat de ge-
geven lijn buiten den bol ligt, snijdt zij hem, dan vervalt
het vraagstuk.
72. Zijn de vergelijkingen der vlakken in den normaalvorm
gegeven, bijvoorbeeld Ex = 0, E2 = 0 en E3 = 0, en valt
het oorsprongspunt der coördinaten binnen den drievlakkigen
hoek, dan is de vergelijking van het vlak, dat den hoek
-ocr page 106-
104
der vlakken ^=0 en E% =0 midden door deelt, E1—Ei=0;
in dit laatste vlak bevindt zich het middelpunt van den
bol, maar het ligt ook in het vlak Ei E3 = 0 en in het
vlak E2E3=0, bijgevolg in de lijn, welke de door-
snede dier vlakken is. En deze lijn bevat de middelpunten
van alle bollen, welke in den drievlakkigen hoek sluiten.
Is de straal van een dezer bollen =iü gegeven, dan heeft
men in die lijn slechts het punt op te zoeken, dat op den
afstand R van een der vlakken des drievlakkigen hoeks
gelegen is.
Wij zullen een anderen weg inslaan; da gegevene verge-
lijkingen der vlakken noemen wij
A x B y C z-\\-D =0,
Jlx B1y-[-Clz-\\-Dl=0, .... 1)
A2x B2y Ciz-\\-D2 = 0>
en schrijven voor de te vinden vergelijking van den bol
(x—pY (y qy (z — r)» = R*,
waarin R gegeven is en p, q en r de onbekenden zijn.
Maar het punt p q r ligt op den afstand R van elk der
vlakken 1), zoodat
Ap Bq Cr D         4lg gl£ gl?±gl = jf Pn
éi£±JLd±S!>L±J>i „r
V{A\\ B\\ C\\)
is, uit welke vergelijkingen de onbekenden p, q en r ge-
makkelijk bepaald worden. Om dit op de geschiktste wijze
te verrigten, stellen wij ter bekorting:
A                                   B                 m. *              D
V(A» B»-\\-C») \' V{A* B* C*)           VW & CF)
A
PfAf gffC*) — «n enz-
en verkrijgen zoo doende de drie vergelijkingen
ft y-\\-b q-\\-c r-\\-d R = 0,
ai P-\\-^i Q 4"ci r ^i —i? = 0,
^t P -\\- bt q -{- ct r -\\- d2 R = 0,
waaruit
-ocr page 107-
105
R — d
R — dt
R — d,
b
h
_((R-d)blci)
P =
ö
«
(aft, e,)
a
a,
c
c,
R
d O c»)
(a(R
GU il —
b
&2
q — -
(«Mi)
«
# —d
R — d%
«1
Cl
b
a
ff»
r = («&i (R-d,))
(a o, c2)
a
c
Cl
c2
Voor ieder der drie wortelgrootheden kan het dubbele
teeken gesteld worden; door deze teekens naar welgevallen
te combineren, komen er dus acht verschillende vergelij-
kingen voor den begeerden bol. Deze vergelijkingen be-
hooren blijkbaar tot de acht verschillende bollen, die, allen
denzelfden straal hebbende, kunnen geplaatst worden in de
acht drievlakkige hoeken, waarin de drie gegeven vlakken
de onbepaalde ruimte verdeelen.
73. Neem den top der driehoekige piramide als oorsprong en
de aan elkander grenzende ribben a, b en c als assen van
het coördinatenstelsel. Noem voorts den straal van den om-
geschreven bol R, en de hoeken tusschen de coördinaat-
assen A, fi en v. Een der stralen van den bol loopt uit het
middelpunt van dezen naar den top der piramide of den
oorsprong van het aangenomen coördinatenstelsel. Maakt die
straal met de assen de hoeken «, (3 en y, dan vindt men
voor zijne projectien op de assen
-J.-i M Cos*; -j B Cos/3; -j = R Cosy.
-ocr page 108-
106
Brengt men nu in den determinant in het tweede vraag-
stuk gevonden de waarden van Cosx, Cos /3 en Cosy, uit
bovenstaande gelijkheden voortvloeiende, over, dan wordt
die betrekking
c
2R
COS/A
Cos*.
a
2R
1
1
a
2R
2R
Cosv
1
= O,
-— Cosv
2R
c
2R
lijn
Cos/i Cosx 1
en de eerste kolom elk met 2R verme-
of, de eerste
nigvuldigende,
a
b
c
1
Cos v
Cos/i
Cos v
1
Cosx
Cos/i
Cosx
]
4J?2
a
b
e
- o,
waaruit gemakkelijk afgeleid wordt
b
Cos v
1
CosX
0
a
1
Cos v
Cos/i
c
Cos/i
Cosx
1
4iü4 Ai =
a
b
c
zooals men weet is
A* = 1 — COS*X — Ö9-sV
of
Cos*v -f- 2 CosX Cosii Cosv,
1
Cos v
Cosp
Cos v
1
Cosx
Cosfi
Cosx
1
A2 =
dat is
^ J = #msA* Sin*v — (Cosp Cosv Cosx)*
= {Sin ft Sin v -\\- Cos/a Cosv CosX) X
X {CosX Cos/i Cosv -\\- Sin/i Sinv)
= [Cos (fi
v) Cosx] [Cosx Cos {f* -}- v) ];
maar Cos {iav) CosX = 2 Sin±J^ZZLsin v -L \'
-ocr page 109-
107
Cos), — Cos (u, v) = 2 Sin A ft ±-v ftn g --
en
derhalve
v A—p
«Sm:
a*
A2 — 4 Sm A~r^~1"" «n ^~ry~A Sin
A                               u                            u                           16
Nog heeft men de betrekking
wanneer V het volumen of den inhoud voorstelt van den
tetraeder, welks drie aan elkander grenzende ribben gelijk
aan de eenheid genomen worden. De reden hiervan op te
sporen mogen wij aan den lezer overlaten.
74. Behouden wij het coördinatenstelsel van het vorig vraag-
stuk , en noemen wij de coördinaten van het middelpunt des
ingeschreven bols x1 y1 z1, dan moeten de afstanden van
dit middelpunt tot aan de coordinaatvlakken allen gelijk
aan r, den straal van den bol, zijn. Wij hebben derhalve
naar aanleiding van het 34"e vraagstuk
r = A_«l = Ajfl = A*1
Sin). Sin ia          Sinv
Bovendien wordt het vierde zijvlak
uitgedrukt door
... (1)
van den tetraeder
. . . (S)
z
] = 0.
a ^ b
c
Er is dus niets anders noodig dan in form. (3) van het
33** vraagstuk A, B, 0 en D te vervangen door——_,-----
Cv O C
1, p door r, en x1
y* en z1 door hare waarden
en
r Sin). rSinfi rSinv
,                     \\ \' uit W genomen\' om terston<i te ge-
1_
raken tot de vergelijking
0 -T
a
J_
a
J_
b
1
1\' Cosv Cos[a
)■-
f Sin X , Sinfi
_A
r
Sinv
c
(2)
■ Cosv 1 Cos).
Cos(a Cos). 1
-ocr page 110-
108
die de waarde van den straal des ingeschreven bols op-
levert.
Het tweede lid van den verkregen determinant kan nog
vereenvoudigd worden; daartoe vermenigvuldigt men de
drie laatste kolommen en de drie laatste regels respectie-
velijk met a, b en c, en buiten de lijnen met
1 w 1
X;
a.b.c \'^a.b.c\'
op dat de waarde dezelfde zal blijven. Hierdoor neemt de
determinant den volgenden vorm aan:
0           1                1
ac Cosfi
bc Cos *.
c2
i a2 ab Cobv
a* !>*,■■>- 1 abCosv b2
1     ac Cosf4, bc Cos*.
waardoor blijkbaar wordt dat het tweede lid van (2) gelijk
is aan het vierkant van den dubbelen inhoud van het vierde
zijvlak S, gedeeld door a2 b1 c2. Dien ten gevolge heeft men
Sin*
a
Sin At
b
A
r
=
Sin *
a
_AV_
r
4S2
Sin v
a^b^c*
of
2S
Sin [*.
Sin v
abc
b
Deze formule geeft de stralen van twee bollen, die de
vier zijvlakken van den tetraeder aanraken; hunne middel-
punten bevinden zich op de lijn
x              y               z
Sin*. Sin (i
Maar bovendien zijn er nog
het vraagstuk voldoen, dat is
Sin v
zes andere bollen, die aan
de vier zijvlakken van de
driehoekige piramide aanraken; men vindt hunne stralen
door achtereenvolgens het teeken van Sin*., Sinp en Sinv
te veranderen:
2S
abc1
2S
abc\'
2S
abc\'
A =i. Sin ft, . Sin v Sin*.
c
Sin*.
a
Sin ft
a
Sin p
A\'Sinv .
r11
           c "1"
A __ Sin*. ,
~ ~~b~ ~
Sin v
• ï 11
-ocr page 111-
109
Deze bollen hebben twee aan twee hunne middelpunten
op de lijnen:
_ g = y = f
Sin A sin f&
        Sin v
x                y            z
Sin x           Sin i* Sinv\'
x             y __        z
Sinh Sin fi            Sin v
75. Laat het oppervlak van den bol, tot vergelijking
hebbende
»* 4- y2 s2 — -B2,.......1)
gesneden worden door eene regte lijn, welker vergelij-
kingen zijn
x = a z-\\-b en y = cz-\\-d; . . . . 2)
noemen wij dan de coördinaten van het eene snijpunt p q r,
die van het andere p1 q1 r1, en laat k de lengte voorstellen
van het deel dier lijn, dat als koorde binnen den bol valt,
zoo hebben wij dadelijk
k* = (p—p1)2 -i-iq — q1)2 -{-(r — r1)2. • • 3)
Dewijl nu de punten pqr en p1q1r1 op de lijn 2) liggen, is
p =ar -\\-b en q — cr -\\-d . . . 4)
p^=ar1-\\-b en q1=cr1-\\-d . . . 5)
waaruit door aftrekking volgt
(ppi) = ct(r r1); (qqi) = c(r— r1),
door substitutie van welke waarden 3) overgaat in
fc* = (aa 4-C2-f l)(r — r*y.....6)
Maar de punten pqr en p1 q1 r1 liggen op het oppervlak
van den bol 1); dus hebben wij mede
P2 <?2 ^2 =i?S
2               2               2          „
p1 51 4-r1 = E2,
of door substitutie der waarden 4) en 5)
(ar &)> (cr -\\-d)2 r2 = B2,
(ar1 &)ï (cr1 d)2 ri2 «=J2»,
dat is, na herleiding,
-ocr page 112-
110
2(ab cd)          b* d*-R> =
"ra1 c2 l    "r a2 c5-t-l \'
i 2(a6 cd)          ft» d»-.g»
^a2 c* l     ^ a2 c2 l
hieruit blijkt dat r en r1 de wortels eener zelfde vier kants -
vergelijking zijn, en dat dus, volgens de eigenschappen der
vierkantsvergeliikingen
o2 , e2 1
en.
fel _!_ rfi __ 7?2
zal zijn. Daar nu altijd
Ojf y ï \\ 2 ^— /y j_ ^1)2___4. y y *
is, vinden wij door substitutie en herleiding
(r - rn* =4 lg> (ffl> g\' l)-(«rf-/;c)2 -(62 rf»)j
v
          ;                              (a2 c2 l)2
en dus volgens 6)
__ 4 j-B2 (q2 c» -4- 1) — (q d — &c)2—(&* d2) j
~                       o» c» 1                       \'
zonderen wij hieruit eindelijk Ri af, dan vinden wij
aiMvéjfc» Mz±fll±Jl±g, .... 7)
/4 ^         qi cI l         \'                     V
door welke formule de straal van den bol 1) gevonden
wordt uit de wetenschap dat zijn oppervlak uit de lijn 2)
eene koorde ter lengte k afsnijdt.
Ter oplossing van het voorgestelde vraagstuk, behoeven
wij dus blijkbaar niets anders te doen dan de formule 7)
toe te passen op het geval dat de lijn 2) de doorsnede der
beide gegevene vlakken is. Laat hunne vergelijkingen zijn
A x B y C z-\\-D = 0
en
                  A\' x B^y C1 z D1 = 0,
dan vinden wij, door beurtelings y en x tusschen deze
vergelijkingen te elimineren, voor de vergelijkingen van de
projectien hunner gemeene doorsnede
{AB1 —A1B)x — {BCi—Bi C)z — {BDl — BlD) = 0,
UB1 — AlB)y
—(CAl — C1 A)z (A Dl — Al D) = 0;
-ocr page 113-
111
stellen wij dus ter bekorting
BC1 — B1C = x; CAi — ClA=(3; AB<- A^B = y^ 8)
dan worden de vergelijkingen van de genoemde doorsnede
x , ff1
                    ff        #1
7           7                       7          7
zoodat wij slechts in 7) zullen moeten substitueren
<* *, k1           ff „ ,          «i
a = — ; o = — ; c = J_ en a = — —
7               7              7                          7
om ter oplossing van ons vraagstuk te vinden
- f** • /*_y /ff_y j
nemen wij echter in aanmerking dat volgens 8)
xxl -f ff ff1 7 71 =0
is, waaruit volgt
as*1 4- ff/31 _ y>
----------5---------                         \'
dan verkrijgen wij, ter bepaling van den gevraagden straal,
de zeer regelmatige formule
i?i — i/ Ml *l £\' 71                 o^
* - /«* -^5q:-^ y. • • • 9)
Uit 9) volgt nu ook nog dat
2                  2                2
x1 /31 H-y1
«ï -}-ff2 _|_y2
het vierkant voorstelt van de loodlijn, uit den oorsprong op
de gemeene doorsnede der gegeven vlakken vallende.
-ocr page 114-
/                                                                                                                                                                                                   ....-.■•                                                                                                                            ■
-
Bij deselfde Uitgevers is,verschenen:
■■■•,..
- ■
.. ...
i -.■:.\'■■■■ ■■
BOEKE, (Dr. J. D.), Stoechiometrische Vraagstukken,

ten gebruike bij het onderwijs in de scheikunde,
3C druk...............f 0.75
-------, Gids bij het aanleeren der Scheikunde.1 . - 0.35
HOLLMAN, (Dr. P. J.), Wiskundige schets der Levens-
verzekering .............- 3.—
-—-------—, Levensverzekering, eens ieders pligt! . - 0.10
LACROIX, (S. F.), Beginselen der Meetkunde. Dl. I.
Meetkunde van het platte vlak. Eigenschappen
der lijnen en vlakken, 7° druk, bewerkt door
Dr. D. Biebens de Haan. ... ./. ... - 3.—
--------------, Idem. Dl. II. Meetkunde van de ruimte.
Eigenschappen der vlakken en lichamen, 6C druk,
bewerkt door Dr. D. Bierens de Haan.....- 2.—
SPEIJER, (J. S.), Tafel van de gewone.of briggiaansche
logarithmen van 1 tot 101000, met eene ver-
klaring van het gebruik der logarithmen bij het
koopmansrekenen, 2C druk ........ - 1.—
••                                     \'\\
.:•■■-■
\'                                                                                                                                                                                                                                            .\'.■■-
- .                                                                           \'
-
■ \' ■ .                                                                                                                                                                                  . .                                                                                                                     ■ k ■                                                                                                                                                                                                                                                                                                                   \'.
_____
|
r
\':