-ocr page 1-
-ocr page 2-
Mn }<Z/?Z
»
/
•
-ocr page 3-
t L\' S
-ocr page 4-
-ocr page 5-
HANDLEIDING BIJ HET ONDERWIJS IN RECEPTUUR.
-ocr page 6-
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000037252966B
3725 2966
-ocr page 7-
HANDLEIDING
lil.l IIKT
ONDERWIJS IN RECEPTUUR
M. .1. SCHRODEK en D". II. (i. DE ZAAIJKH.
EERSTE DEEL.
SCHEIKUNDE, BEWERKT DOOR M. J, SCHHUULR.
TE GRONINGEN BIJ J. B, W01TEH8, 1899.
-ocr page 8-
blOOMDRUKKERW VAN J H WÜLItHb.
-ocr page 9-
VOOR RKDK.
Het doel, dat ons voor oogen stuud bij het schrijven dezer hand-
leiding, was tweeerlei. Allereerst wenschten wij onzen a.s. assistenten
een eenigszins uitvoeriger werkje over Scheikunde in, handen, te geren
dan de tot heden bestaande en daarnaast meenden wij, dat, door
het opnemen van zoowel vele oude als nieuwe geneesmiddelen, het
koikjc geschikt kon, zijn om den receptarius omtrent de eigensehajrpen
dei\' geneesmiddelen, wat betreft oplosbaarheid enz. in te lichten.
Moge in dv praktijk blijken, dat het daarvoor geschikt is.
M. .). SCIIKÖDEI!.
(iiioNiNuKN, April lfS\'.ii).
Dr. II. (i. db ZAAIJEK.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
INHOUD.
i                                                       Bladz.
Cadmium........   11")
Nikkel — Xieeolum                    .11")
Kobalt — Cobaltuni . . . .115
IJzergroep........   115
IJzer — FeiTimi.....   116
Mangaan Manganum . .   125
Chroom — (\'bromium . . .   126
Aluminium........   127
Koper — Cupruiu.....   130
Kdele metalen......   133
Kwik — Ilvdrargvrum . .   133
Zilver — Argentum ....   141
(rond — Aiirum......   145
Platina.........   146
: Osmiiim........   146
Organische «chkikunkk . .   147
Koolwaterstoffen......   151
Verbindingen met open koolstof-
keten .........
   153
; Verzadigde koolwaterstoffen . .   153
, Halogeenderivaten der verzadigde
koolwaterstoffen.....   157
Alcoholen........   160
Aethers.........   165
Bladz.
Inleiding........       1
Zuurstof — < >xygenium                  22
Waterstof — Hydrogenium . •    28
Water — Aqua......    31
Zwavel — Sulfur.....    37
Nomenclatuur.......     Ui
Halogenen........    52
Chloor — Chlorium ....    52
Broom — Bromium ....    58
.lood — Jodiuni......    511
Fluor — Fluorium.....    lil
Stikstof — Xi tronen imu                  (il
Dampkringslucht......    63
1\'hosphor — Phosphorus .              liit
Arsenik — Arsenicum ....    74
Aiitimoniiiiii — Stibium ...    70
Borium.........    77
Koolstof — Carboneum . . .    7!i
Kiezel — Silicium.....    82
Mktalkn........    82
Alkalimetalen.......    80
Kalium.........    86
Natrium........    !)3
Lithium.........    99
Ammonium.......   100
Aardalkalimetalen.....   101
Calcium.........   102
Lood — Plnmbuni.....   107
Magnesium.......   lOil
Zink — /incum.....   112
Aldehyden........166
Organische zuren.....168
Tweebasische organische zuren . 177
Driebasisehe „ „ . 180
Samengestelde aethers . . . .183
Cyaanverbindingen.....18\'J
-ocr page 12-
Bladz.                                                           Bladz.
Koolhydraten.......   192 Balsems.........2:i7
Verbindingen met gesloten kci(il-              Harsen.........2;i8
stofkcten........   198 Gomharseu.......240
Aromatische verbindingen . .   lüS Fossiele harsen......241
koolwaterstoffen. .  Jon       rlarshondciide plantensappen. .241
Phenolen........  202       Pyridineverbindingen .... 242
Tweeatomige phenolen ....  210      Chinolineverbindingen .... 247
Drieatomige          ,.....  213 Alkaloïden........249
Aromatische zuren.....  211       Zuurstofvrije alkaloïden . . .251
Naphtalinereeks......  22:)      Zuiiistofbevattonde alkaloïden . 252
Anthraeeen verbindingen . . .  22") Bitteistoften.......2«1
Aetherisehe oliën.....  227 Glukosiden........262
Kamfersoortcn......  237) I Eiwitstoffen.......2ü"{
VERBETERINGEN.
Pag. 20 regel Mi v. o. moet zijn:
:SH20 2Fe = (ill FejOg.
„ 45 „ 22 v. 1). staat NjSOtj moet zijn NiioSO».
„ .V2 „ 4 v. I.. „ 135,5 „ „ 127.
.V) „ 17 v. I). „ 6HCI „ „ RCI.
,, 7)7 ,, 10 v. o. ,, (!<)._) chloordioxyde moet zijn (\'M^8 chloor-
trioxyde.
„ 7)8 „ 5 v. b. „ 4- II2<) moet zijn • • 3HgO.
„ 121 ,, 3 v. o. „ verschenen „ „ verdwenen.
-ocr page 13-
I X L E I D I N G.
Om nauwkeurig te kunnen recepteeren is liet niet voldoende,
dat men alleen op de hoogte is van de verschillende bewcr-
kingen, welke de geneesmiddelen moeten ondergaan om in
verschillende artsenij vormen te worden afgeleverd, maar eene
uitgebreide kennis van de herkomst, de samenstelling en de
eigenschappen der geneesmiddelen is daarvoor noodig. Het
planten-, dieren- en delfstoffem-ijk leveren alle stoften, die als
geneesmiddelen worden gebruikt. Kennis van deze onderdeden
der natuur wetenschap is dus noodzakelijk.
In fabrieken zoowel als in de laboratoria der apotheken
worden uit deze ruwe natuurproducten langs scheikundigen
weg andere geneesmiddelen bereid, hetzij door de werkzame
bestanddeelen uit die grondstoffen af te zonderen, hetzij door
daaruit geheel nieuwe stoffen samen te stellen. Deze bewerkingen
behooren geheel tot het gebied der scheikunde of chemie,
terwijl voor oen juist begrip van deze wetenschap kennis der
natuurkunde een eerste vereischte is.
We zullen ons in dit deeltje bezighouden met de hoofdzaken
der scheikunde en met die geneesmiddelen welke door schei-
kundige processen worden verkregen. Om na te gaan, wat we
onder een scheikundig proces verstaan, moeten we beginnen
met het gebied der scheikunde zoo eng mogelijk af te bakenen
en het stellen tegenover het gebied der natuurkunde. Beide
wetenschappen houden zich bezig met het bestudceren van ver-
schijnselcn, d. i. met het bestudecren van de veranderingen
die een lichaam kan ondergaan, maar ieder op eene verschil-
lende wijze.
Nemen we bijv. een stuk ongebluschte kalk en slaan daarop
sc\'HKÖder en de ZAAUER, Scheikunde.                                               1
-ocr page 14-
2
met een hamer dan zal het in kleinere deelen verdeeld worden,
houden we een stuk week ijzer in de nabijheid van een mag-
neet dan zal ook dit ijzer magnetisch worden en kleinere
stukjes kunnen aantrekken. De kleinere deeltjes ongebluschte
kalk hebben echter nog alle eigenschappen van deze stof be-
houden, terwijl het ijzer na verwijdering van de magneet zich
in geen enkel opzicht van ander ijzer onderscheidt. In deze
beide gevallen is dus de stoffelijke samenstelling van de stof
niet veranderd, alleen de toestand waarin die stof verkeerde
heeft ecne blijvende of tijdelijke verandering ondergaan. Derge-
lijke verschijnselen waarbij de stof of materie zelf geen veran-
dering ondergaat behooren tot het gebied der natuurkunde.
Brengt men de stukjes ongebluschte kalk in aanraking met
water dan vallen ze onder sterke dampontwikkeling uiteen tot
een poeder, dat geheel andere eigenschappen heeft dan de
ongebluschte kalk. Laat men het ijzer eenigen tijd aan vochtige
lucht blootgesteld liggen, dan wordt liet bedekt met een bruin
laagje ijzerroest, dat men reeds tusschen de vingers tot poeder
kan wrijven en dat, in de nabijheid van een magneet gebracht,
niet meer wordt aangetrokken. De veranderingen, die in deze
beide gevallen plaats gebad hebben, zijn van meer ingrijpenden
aard geweest; want daarbij zijn nieuwe stoffen ontstaan.met
geheel andere eigenschappen dan de oorspronkelijke stoffen
bezaten. Dergelijke verschijnselen waarbij een nieuwe stof ont-
staat met geheel andere eigenschappen worden tot liet gebied
der scheikunde gerekend. We kunnen dus in het kort zeggen:
Bij_een natuurkundig verschijnsel verandert alleen de toestand
waarin een lichaam verkeert, en bij een scheikundig verschijnsel
ontstaat een nieuwe stof met geheel andere cigonschappen.
Het aantal verschijnselen, dat alleen op scheikundige veran-
deringen berust is buitengewoon groot. De verschijnselen die
wij gewoonlijk samenvatten onder den naam verbranding zoowel
als de stofwisseling van planten en dieren, het rotten en tal
van andere processen meer kunnen uitsluitend verklaard worden
op scheikundige gronden. Deze groote uitgebreidheid van de
scheikundige wetenschap heeft eeno verdceling van dit vak
noodig gemaakt, zoodat we onderscheiden: landbouwscheikunde,
physiologische scheikunde, pharmaceutische scheikunde enz.
-ocr page 15-
3
al. naarmate de toepassingen der chemie meer bijzonder een
dezer takken van wetenschap betreft.
De stof of materie, waaruit alle lichamen bestaan, beschouwt
men tegenwoordig algemeen als te zijn samengesteld uit zeer
kleine deeltjes, die niet aan elkaar liggen maar waartusschen
zeer kleine ruimten, de poriën, zich bevinden. Indien dit waar
is zal het dus mogelijk moeten zijn een stukje van een of
andere stof, bijv. ijzerroest in zeer kleine deeltjes te verdeelen.
Dit blijkt ook inderdaad het geval te zijn, wc kunnen daarvan
door stampen en wrijven een onvoelbaar fijn poeder maken,
en dan die verdooling mechanisch nog op andere wijzen voort-
zetten. De vraag doet zich dan echter voor of die verdeeling
tot in het oneindige kan worden voortgezet. Het antwoord op
die vraag is ontkennend — men neemt algemeen aan dat er
een einde komt aan die verdecling. De kleinste deeltjes, die
in natuurkundigen zin niet meer deelbaar zijn noemt men
moleculen (het verkleinwoord van moles = massa). We zagen
reeds, dat ijzerroest ontstaat, wanneer men ijzer aan vochtige
lucht blootstelt, we zullen naderhand zien dat het zich daarbij
heeft verbonden met een der bestanddeelen van de lucht, n.1.
de zuurstof. Wanneer we ons voorstellen, dat we een stukje ijzer-
roest hebben verdeeld in moleculen dan zal elk dezer moleculen
nog alle eigenschappen van de stof zelve hebben, de kleur,
het soortelijk gewicht enz. zijn dezelfde gebleven. Zulk een
molecule bestaat echter uit twee geheel verschillende stoffen,
de vaste stof ijzer en het gas zuurstof, het moet dus nog weer
in die stoffen verdeeld kunnen worden, een molecule moet dus
nog weer deelbaar zijn. Deze verieeling kan echter langs natuur-
kundigen weg niet meer plaats hebben, maar moet langs che-
mischen weg geschieden, en de kleinste deeltjes, die bij deze
verdeeling ontstaan, noemt men atomen.
Men verstaat dus onder een atoom: de kleinste hoeveelheid
stof, die noch door natuurkundige, noch door scheikundige
middelen verder kan worden verdeeld.
In vrijen toestand kunnen deze atomen niet bestaan, zij •
verbinden zich direct met elkaar tot moleculen.
Het doel van de scheikunde is tweeërlei: eenerzijds om na
1*
-ocr page 16-
4
te gaan uit welke atomen de moleculen van verschillende
stoffen bestaan, anderzijds om door het samenbrengen van
verschillende atomen nieuwe moleculen te vormen.
Wanneer we de lichamen waarmede we dagelijks in aanraking
komen eenigszins nader beschouwen, zullen wij bemerken, dat
slechts een klein gedeelte daarvan niet kan verdeeld worden
in ongelijksoortige deelen, bij pul-vis Doveri, vele ertsen enz.
kunnen we zelfs met het bloote oog of met een vergrootglas
reeds zien, dat zij uit 2 of meer verschillende stoffen bestaan.
Hij andere, zooals water, ijzerroest, suiker is de samengesteld-
heid op deze wijze niet te herkennen; wanneer we echter met
scheikundige middelen probeeren, zien we dat de 3 genoemde
stoffen uit geheel verschillende bestanddeelen bestaan. Water
bestaat uit twee gassen, waterstof en zuurstof, ijzerroest uit
ijzer en zuurstof, suiker uit koolstof, waterstof en zuurstof.
Deze laatste stoften echter kunnen tot dusver ook langs che-
mischen weg niet in ongelijksoortige deelen worden verdeeld
en men geeft daaraan den naam van elementen of grondstoffen,
dus: elementen zijn die stoffen welke ook langs
chemisehen weg niet in ongelijksoortige deelen
kunnen worden verdeeld, alle andere stoffen, die in 2
of meer ongelijksoortige deelen verdeeld kunnen worden, noemt
men samengestelde stoffen.
liet aantal elementen, dat men tegenwoordig uit de o vertal-
rijke samengestelde stoffen heeft kunnen afzonderen, bedraagt
ongeveer 70. (Gewoonlijk stelt men ze in de scheikunde voor
door de beginletters van hunne latijnsche namen).
Wanneer we tegenwoordig een stof een element noemen heeft
die uitdrukking slechts betrekkelijke waarde, we geven daar-
mede alleen aan, dat die stof met onze tegenwoordige hulp-
middelen niet verder kan verdeeld worden.
Het is volstrekt niet onmogelijk, dat later, wanneer men
over betere hulpmiddelen kan beschikken enkele van onze
tegenwoordige elementen blijken samengestelde stoffen te zijn.
Wanneer we op de elementen en samengestelde stoffen de leer der
moleculen en atomen toepassen komen we tot deze bepalingen:
1°. Bij een element bestaan de moleculen uit gelijksoortige
atomen.
-ocr page 17-
5
20. Bij een samengestelde stof bestaan de moleculen uit on-
gelijksoortige atomen.
AVe zullen ons dus van een element, bijv. van ijzer wat
betreft de samenstelling uit moleculen en atomen de voorstelling
kunnen maken als in fig. 1, een samengestelde stof als zwaveb
ijzer zal men kunnen voorstellen als in tig. 2.
Fig. 2.
Fi*. 1.
In tig. 1 zijn dus de moleculen onderling èn de atomen on-
derling aan elkaar gelijk, in fig. 2 vindt men gelijke moleculen
maar ongelijksoortige atomen.
Een stof kan op twee wijzen samengesteld zijn. Mengt men
bijv. ijzerpoeder met suiker, dan kan men daarbij zooveel suiker
voegen als men wil en na het vermengen krijgt men toch een,
voor het bloote oog, homogeen mengsel. Brengt men dit mengsel
in de nabijheid van een magneet dan zal al het ijzerpoeder
worden aangetrokken; giet men het mengsel in water en schudt
dan zal alleen de suiker oplossen, dampt men deze oplossing
uit dan houdt men de suiker achter. Hieruit blijkt reeds vol-
doende dat bij deze vermenging het ijzer en de suiker hunne
oorspronkelijke eigenschappen hebben behouden.
Wanneer men ijzerpoeder mengt met jodiuni, onder toevoe-
ging van wat water, dan ziet men geheel andere verschijnselen.
Terwijl bijv. beide stoffen afzonderlijk in water onoplosbaar
zijn ontstaat bij hot vermengen onder toevoeging van water
eene lichtgroene oplossing.
Kon men bij het vermengen van ijzerpoeder niet suiker van
beide willekeurige hoeveelheden nemen en toch een homogeen
mengsel krijgen, hier is dit anders. Alleen in het geval dat
men 5G gram zuiver ijzer vermengt met 2ö4 gram jodium zal
-ocr page 18-
li
men eene volledige lichtgroene oplossing krijgen, neemt men
van een van heide stoffen meer dan zal of het ijzer als een
grijs poeder achterblijven óf het jodium zal met een donker-
hruine kleur in de vloeistof oplossen. Brengt men de licht-
groene oplossing in de nabijheid van een magneet dan zal er
niets uit worden aangetrokken; brengt men haar in aanraking
met een koude stijfseloplossing, dan zal deze niet\' blauw ge-
kleurd worden, wat wel zou geschieden indien er nog jodium
als zoodanig in aanwezig was.
Bij deze vermenging hebben dus beide stoffen hunne oor-
spronkelijke eigenschappen verloren, en een nieuwe stof met
geheel andere eigenschappen is ontstaan. Deze nieuwe stof
noemt men eene scheikundige verbinding.
Vermengt men ijzer en jodium onder toevoeging van wat
water in een dunwandig schaaltje, dan kan men zeer duidelijk
bemerken, dat dit warm wordt; hetzelfde verschijnsel zullen
we telkens waarnemen wanneer een scheikundige verbinding
ontstaat.
Uit het voorgaande komen we tot de volgende bepalingen:
1°. Bij een mengsel behouden de samenstellende deelen
hunne oorspronkelijke eigenschappen;
2J. Een mengsel kan in elke willekeurige gewiehtsverhou-
ding worden gereed gemaakt;
30. Bij eene scheikundige verbinding ontstaat een nieuwe
stof met geheel andere eigenschappen dan de oorspronkelijke
stoffen hadden;
40. Eene scheikundige verbinding heeft slechts plaats in eene
bepaalde gewichtsverhouding ;
50. Wanneer eene scheikundige verbinding tot stand komt
ontstaat warmte.
/ We leeren in de natuurkunde, dat de moleculen van de eene
of andere stof door de cohaesie bijeengehouden worden, dat
van de meerdere of mindere grootte van die cohaesie de aggre-
gaatstoestand der stoffen afhangt en ook, dat bij vaste lichamen
de graad van hardheid door de meerdere of mindere cohaesie
wordt bepaald. De cohaesie is echter een kracht, die uitsluitend
werkt tusschen de moleculen onderling, er moet dus nog een
-ocr page 19-
\' \\
7
andere kracht zijn die de atomen eerst vereenigt tot moleculen
en deze kracht noemt men de scheikundige aantrekkingskracht
verwantschap
of affiniteit. De affiniteit vereenigt zoowel gelijk-
soortige als ongelijksoortige atomen tot moleculen.
Zoo worden dus in deeltjes ijzer en jodium de moleculen
bijeengehouden door de cohaesie; evenzoo geschiedt dit hij het
gevormde joodijzer. De atomen, zoowel van het ijzer en jodium
afzonderlijk als van de verbinding, joodijzer, worden tot mole-
culen vereenigd door de affiniteit.
De affiniteit van de verschillende elementen ten opzichte van
elkaar is niet altijd even groot. Laat men ijzer aan vochtige
lucht liggen dan zal het gaan roesten, zich verhinden met de
zuurstof uit de lucht, stelt men goud of zilver aan vochtige
lucht bloot dan zullen zij niet veranderen.
Bovendien is de grootte van de affiniteit afhankelijk van
verschillende omstandigheden, zoo zelfs, dat stoffen die met
elkaar in aanraking gebracht zijn onder gewone omstandigheden
zich niet met elkaar zullen verbinden, maar dit wel zullen
doen, wanneer die omstandigheden veranderd zijn.
De voornaamste omstandigheden, die de affiniteit tusschen
de elementen bevorderen, zijn de volgende:
1. Innige aanraking. Om tusschen twee stoffen eene schei-
kundige verbinding tot stand te brengen is het noodig dat zij
beide zoo fijn mogelijk verdeeld en zoo innig mogelijk vermengd
zijn, want de afliniteit werkt nooit op een afstand maar steeds
tusschen lichamen die direct met elkaar in aanraking zijn. Een
dergelijk innige vermenging van vaste stoffen is niet te krijgen.
Men kan bijv. zwavel en ijzer zoo fijn mogelijk verdeelen en
onder elkaar mengen, men zal daarbij toch geen scheikundige
verbinding verkrijen. Veel beter gaat dit reeds wanneer één der
stoffen vloeibaar is, de vermenging komt dan veel beter tot
stand — terwijl de omstandigheden nog beter worden wanneer
beide lichamen vloeibaar en vooral wanneer beide lichamen gas-
A-ormig zijn. Wanneer men bijv. ijzerpoeder voegt bij gesmolten
zwavel zal men zeer spoedig scheikundige werking zien optreden.
De omstandigheid, dat door het vloeibaar maken van min-
stens één der stoffen de affiniteit grooter wordt, heeft aanleiding
gegeven tot het oude gezegde: Corpora non agunt, nisi fluida.
-ocr page 20-
8
2.     Verwarming. Daar door verwarming vele stoffen smelten,
zou men deze invloed op de grootte der affiniteit kunnen terug-
brengen tot de vorige. Geheel juist is dit niet, daar onder den
invloed der warmte, de moleculen der stoffen in veel sneller
beweging komen en daardoor juist in inniger aanraking.
3.    Licht. Stoffen, die in het duister geen of bijna geen
affiniteit jegens elkaar toonen kunnen soms heftig op elkaar
inwerken wanneer men ze aan het daglicht of nog beter aan
het zonlicht blootstelt, een voorbeeld daarvan vinden we in
de verbinding van waterstof en chloor, die in het zonlicht
onder ontploffing geschiedt.
4.    Electriciteit. Gassen, die zich onder gewone omstandig-
A heden niet met elkaar verbinden, zooals zuurstof en waterstof
doen dit wel wanneer men door het mengsel een electrische
vonk laat gaan. < ,~
5.    Status nascéns. Wanneer stoffen door de eene of andere
chemische oorzaak uit eene verbinding worden vrijgemaakt,
zien we, dat zij groote neiging hebben om zich op het oogen-
blik van vrij worden, wanneer zij dus in statu nascendi ver-
keeren, direct met andere stoffen te verbinden. Arsenicum en
•^ waterstof, beide afzonderlijk bij elkaar gebracht, zullen in
\'t geheel niet op elkaar inwerken. Wanneer men echter water-
k stof ontwikkelt in eene vloeistof waarin een oplosbare arsenik-
verbinding aanwezig is, zullen beide zich direct vereenigen tot
1 \' arsenikwaterstof. Verwonderen kan ons dit ook niet. Eeno
scheikundige verbinding toch komt tot stand door innige aan-
eenligging der atomen — de moleculen moeten dus eerst in
atomen verdeeld worden eer er sprake kan zijn van seheikun-
-dige werking. Wordt nu een stof uit eene verbinding vrijge-
^ maakt, dan moet zij een ondeelbaar klein oogenblik in den
atoomtoestand verkeeren en op dat oogenblik bezit zij een zeer
^•\\ groote affiniteit. Laat men dit oogenblik voorbijgaan dan ver-
binden zich de vrijgeworden atomen direct weer tot moleculen
en deze moeten eerst ontleed worden in atomen eer er eene
g scheikundige werking kan optreden.
L ^» Dat warmte, licht en electriciteit de affiniteit bevorderen is
slechts in hoofdzaak waar, in enkele gevallen — het zijn echter
uitzonderingen — wordt de affiniteit er door verminderd. Zoo
-ocr page 21-
9
wordt kwikoxyde, eene verbinding van kwik met zuurstof, door
verhitting in deze bestanddeelen ontleed.
Kwikoxyde, chloorzilver en tal van andere stoffen worden
door het licht ontleed, terwijl in enkele gevallen de affiniteit
tnsschen de verschillende atomen zóó gering is, dat zij reeds
zonder bekende oorzaak — we zouden in \'t dagelij ksch leven
zeggen: zonder oorzaak — uiteenvallen. Een voorbeeld hiervan
hebben we in het waterstofperoxyde, eene verbinding van twee
atomen waterstof met twee atomen zuurstof, die reeds bij de
gewone temperatuur uiteenvalt in water en zuurstof.
Behalve met de verbindingen van elementen onderling hebben
we ons in de scheikunde ook bezig te houden met de stoffen
die kunnen ontstaan wanneer een element inwerkt op een
scheikundige verbinding en met die welke ontstaan bij de in-
werking van 2 scheikundige verbindingen op elkaar.
Heeft men eene verbinding van twee elementen, die we dui-
delijkheidshalve A en B zullen noemen, en voegt men daarbij
een derde element C, dan kunnen zich daarbij 2 gevallen
voordoen.
10. Het derde element kan zich met de beide anderen ver-
eenigen tot ééne verbinding; we kunnen dit dus voorstellen
door:
AB H- C = ABC.
2i>. Het derde element kan een der andere elementen uit
de verbinding verdringen en zelf eene verbinding met het over-
gebleven element aangaan; we kunnen dit dus voorstellen door
de vergelijkingen:
AB C = AC B
en AB C = BC -t- A.
In het eerste geval komt dus de verbinding tot stand doordat
de verschillende atomen zich samenvoegen, we drukken dit in
de scheikunde uit door te zeggen, dat de verbinding is ontstaan
door additie.
In het tweede geval heeft het derde element de plaats inge-
nomen van een der beide andere elementen, daarom spreken
we in dit geval van substitutie.
Wanneer twee scheikundige verbindingen AB en CD op
elkaar inwerken kunnen zich de volgende gevallen voordoen:
-ocr page 22-
10
30. de beide stoffen kunnen samen ééne scheikundige ver-
binding vormen, dus dan is:
AB CD = ABCD.
40. de beide stoffen kunnen elkaar wederkeerig ontleden,
wat we kunnen voorstellen door de vergelijkingen:
AB H- CD = AC BD
en AB CD = AD BC.
Het 3Je geval komt overeen met het eerste en ook hierbij
zullen we dus spreken van additie; bij het vierde geval daaren-
tegen ontstaan uit twee scheikundige verbindingen twee geheel
nieuwe verbindingen, in dit geval spreken we van dubbele of
wederkeerige ontleding.
Vroeger werden deze scheikundige werkingen op de volgende
wijze verklaard.
De additie verklaarde men door te zeggen, dat er tusschen
de verschillende elementen, die men samenbracht, eene groote
affiniteit bestond. Bij de substitutie nam men aan dat het derde
element grooter affiniteit bezat tot A of tot B dan er tusschen
deze beide bestond en men sprak daarom van keurverwantschap.
Bij de dubbelontleding was de verwantschap tusschen de ele-
menten, waaruit de verbindingen bestaan, wederkeerig sterker
en men sprak daarom van dubbele keurverwantschap.
Wanneer men twee stoffen, hetzij elementen of scheikundige
verbindingen, bij elkaar brengt, zullen deze niet altijd op elkaar
inwerken, we zagen dit reeds bij het mengen van zwavel en
ijzer. Op de vraag wanneer er wel en wanneer er geen schei-
kundige werking zal plaats vinden, kan men in het algemeen
het volgende antwoord geven. Scheikundige werking zal optreden
wanneer
10. een stof kan ontstaan,, die vluchtiger is, dan de stoffen
die men bij elkaar bracht; (w>
                    . I :,a- . "tyi^ft^
20. een stof kan ontstaan, die minder goed oplosbaar is dan
de samengevoegde stoffen.
Brengt men bijv. soda en azijn bij elkaar, dan zal er schei-
kundige werking optreden omdat door de azijn Uit de soda het
vluchtige koolzuurgas kan worden vrijgemaakt.
Wanneer men eene oplossing van keukenzout (eene verbin-
ding van de elementen natrium en chloor) voegt bij eene op-
-ocr page 23-
11
lossing van zilvernitraat (eenc verbinding van zilver niet sal-
peterzuur) dan zal uit het mengsel van beide waterheldere
oplossingen een kaasachtige, witte stof worden afgescheiden,
n.1. eene verbinding van chloor met zilver, omdat deze stof
onoplosbaar is.
Dat ook hierbij de meer of mindere graad van warmte van
belang is, blijkt uit de volgende voorbeelden:
Kiezelzuur en kaliumsulfaat (eene verbinding van het element
kalium met zwavelzuur) geven bij de gewone temperatuur geene
omzetting; verhit men echter het mengsel dan verbindt zich
het kalium met het kiezelzuur en het zwavelzuur wordt vrij
omdat zwavelzuur bij hoogere temperatuur wel en kiezelzuur
niet vluchtig is. /
u
Het aantal enkelvoudige stoffen of elementen bedraagt, zooals
we reeds zeiden, ongeveer 70; gewoonlijk worden zij met hunnen
latijnschen naam aangeduid. We zullen in liet vervolg zien dat
het dikwijls wenschelijk is eene scheikundige werking door
eene eenvoudige formule voor te stellen, en om dit te kunnen
doen is men overeengekomen de elementen voor te stellen door
de eerste letter .van hunnen latijnschen naam. Zoo stelt men
Zuurstof (Oxygenium) voor door O, Waterstof (Hydrogenium)
door H, Zwavel (Sulfur) door S. Bij de 70 elementen moet
het noodzakelijk eenige malen voorkomen, dat enkele elementen
met denzelfden letter beginnen, om verwarring te voorkomen
voegt men dan bij de eerste letters nog een tweede terwijl dan
alleen de eerste letter als hoofdletter wordt voorgesteld.
Zoo beginnen Bromium, Barium, Bismuthum en Borium
alle met B, men stelt ze daarom in de chemie voor door Br,
Ba, Bi en Bo. Deze teekens, waardoor de elementen worden
voorgesteld, noemt men de scheikundige teekens of symbolen.
Verder is men overeengekomen door deze teekens uitsluitend
1 atoom van het element aan te geven.
Wanneer we dus het teeken H gebruiken geven we daarmede
aan 1 atoom waterstof, willen we 2 of meer atomen waterstof
aangeven dan kunnen we vóór het teeken het aantal atomen,
door een cijfer aangeven of een klein cijfer plaatsen rechts van
het teeken, iets lager dan het teeken zelf.
/ \'
-ocr page 24-
12
/
3 atomen waterstof stelt men dus voor door 3 H of H3.
Bovendien is het nog mogelijk door deze teekens eene be-
paalde gewichtshoeveelheid van een element aan te geven.
Wanneer men zeggen wil, dat kwik 13.57 maal zoo zwaar is
als water, drukt men dit gewoonlijk uit door te zeggen: het
soortelijk gewicht van kwik is 13.57. Daarbij wordt dan ver-
ondersteld, dat we hebben nagegaan hoeveel maal zwaarder
een bepaald volume, bijv. 1 liter kwik, weegt dan een gelijk
volume water. We kunnen op deze wijze natuurlijk ook het
soortelijk gewicht van gassen uitdrukken, maar daar gassen
zooveel lichter zijn dan water zou men op deze wijze zeer kleine
breuken krijgen, waarmede men in het dagelijksch leven niet
vlug kon werken. Men is daarom overeengekomen voor het
soortelijk gewicht van gassen lucht als eenheid aan te nemen
en men heeft daarbij gevonden:
het soortelijk gewicht van waterstof = 0,0693
„
         „ chloor =2,458
„           „              „         „ zuurstof = 1,108
„         „ stikstof =0,969.
Vergelijkt men deze cijfers nauwkeuriger met elkaar, dan
ziet men, dat ze alle in eene betrekkelijk eenvoudige verhou-
ding tot het soortelijk gewicht van waterstof staan. Chloor
toch is 2,458:0,0693 = 35,5, Zuurstof 1,108:0,0693 = 16, Stik-
stof 0,969 : 0,0693 = 14 maal zwaarder dan waterstof.
Nemen we dus het gewicht van 1 liter waterstof als eenheid,
dan wordt het s.g. van chloor uitgedrukt door 35,5, van zuurstof
door 16 en van stikstof door 14. Nu heeft men bij liet schei-
kundig onderzoek der elementen gevonden, dat in 1 liter
waterstof evenveel moleculen voorkomen als in 1 liter van een
ander element in dampvorm gebracht; wanneer dus 1 liter
zuurstof 16 maal zoo zwaar weegt als 1 liter waterstof, dan
zal ook 1 molecule zuurstof 16 maal zooveel moeten wegen
als 1 molecule waterstof. Bij verreweg de meeste elementen
o. a. bij zuurstof bestaat één molecule uit 2 atomen, dus dan
zal ook één atoom zuurstof 16 maal zoo zwaar wegen als één
atoom waterstof. Wanneer men nu aanneemt dat met het teeken
H behalve één atoom ook één gewichtsdeel wordt aangegeven
(men kan zich dat gewichtsdeel geheel willekeurig denken als
-ocr page 25-
13
milligram, gram enz.), dan zal men met liet teeken O ook 1(1
van dergelijke gewichtsdeelen zuurstof aangeven. Zulke getallen,
die aangeven hoeveel maal zoo zwaar één atoom van een ele-
ment weegt als een atoom waterstof noemt men de atoomge-
wichten der elementen.
                                    ~v                          y*^
Wij z:igen reeds, dat eene scheikundige verbinding ontstaat
door innige aaneenlegging der atomen, bij liet bespreken der
verschillende elementen en hunne verbindingen zullen we echter
ook zien dat één atoom van een element zich kan verbinden
met een verschillend aantal atomen van andere elementen.
Zoo verbindt 1 atoom chloor zich met 1 atoom waterstof tot
zoutzuur, maar 1 atoom zuurstof verbindt zich met 2 atomen
waterstof tot water, 1 atoom stikstof verbindt zich met 3
atomen waterstof tot ammonia, enz. De 2 atomen waterstof
die in water voorkomen kan men vervangen door 2 atomen
kalium, maar wanneer men in plaats van kalium het element
calcium neemt, is 1 atoom daarvan voldoende om de 2 atomen
waterstof te vervangen.
Deze voorbeelden leeren ons dus:
10. dat er verschil bestaat in het aantal atomen waterstof
waarmede zich één atoom van een element kan verbinden.
20. dat er verschil bestaat in het aantal atomen waterstof
dat door één atoom van een element kan worden vervangen.
We noemen het cijfer, dat aangeeft met hoeveel atomen
waterstof één atoom van een element zich kan verbinden,
of dat aangeeft hoeveel atomen waterstof één atoom van een
element kan vervangen, de valentie of waardigheid van het
element.
De elementen, die één atoom waterstof kunnen vervangen
of er zich mee kunnen verbinden, noemt men univalent of
éénwaardig, die welke 2 atomen waterstof kunnen vervangen
of er zich mee kunnen verbinden, noemt men bivalent of
tweewaardig. Verder spreekt men van trivalente (driewaardige),
quadrivalente (vierwaardige), pentavalente (vijfwaardige) en sex-
valente
(zeswaardige) elementen.
Hieronder volgt eene lijst van de belangrijkste elementen
met hunne symbolen en hunne atoomgewichten.
-ocr page 26-
14
Univiilento elementen.
Litijnsche naam.
Neder!, naam.
Symbool.
Atoomgewh
Hydrogenium
Waterstof
H
1
Chlorium
Chloor
Cl
35,5
Bromium
Broom
Br
80
Jodium
Jood
J
127
Fluorium
Fluor
Fl
19
Kalium
K
39
Natrium
Xu
23
Lithium
Li
7
Argentum
Zilver
Ag
108
Divalente elementen.
Oxygenium
Zuurstof
0
HL
Sulfur
Zwavel
s
32
Calcium
Ca
4(1
Barium
Ba
137
Strontium
Sr
87,3
Plumbum
Lood
Pb
206,5
Magnesium
Mg
24
Zincum
Zink
Zn
65
Cuprum
Koper
Cu
63,2
Hydrargyrum
Kwik
Hg
200
Trivalente elementen.
Borium
Boor
Ito
11
Bismuthum
Bismuth
Bi
208
Aurum
Goud
Au
196,2
Tri- en pentavalente elementen.
X
14
p
31
As
75
Sb
120
Nitrogenium                  Stikstof
Phosphorus
Arsenicum
Stibium of Antimonium
-ocr page 27-
15
Quadrivalente elementen.
Latijnsche naam.
Neder], naam.
Symbool.
Atoomgewicht.
Carbonium
Koolstof
c
12
Silicium
Kiezel
Si
28
Stannum
Tin
Sn
117,5
Aluminium
Al
27
Ferrum
IJzer
Fe
56
Chromium
Chroom
Cr
52,5
Manganum
Mangaan
Mn
55
Cobaltum
Kobalt
Co
58,7
Niccolum
Nikkel
Ni
58,7
Platinum
Platina
Pt
194,5
Osmium
Os
195
Sexvalente elementen.
240
Uranium
Ir
De valentie der elementen wordt in de scheikunde op 2 wijzen
voorgesteld, of door een Romeinsch cijfer hoven het symbool,
I II III IV
bijv. Cl, O, N, C enz. of door verticale of horizontale streepjes,
die elk ééne valentie aanduiden, bijv.:
^Cl, -0-, -N-, -C-.
I
Om voor te stellen op welke wijze de elementen zich met
elkaar verbinden, kunnen we vooral de laatste schrijfwijze ge-
bruiken. Zoodra 2 elementen zich met elkaar verbonden hebben,
kunnen we ons voorstellen dat de streepjes aan elkaar ^er-
bonden zijn. Wanneer we een mengsel van waterstofgas en
chloorgas voorstellen door H----1----Cl, zullen we. de verbin-
ding, zoutzuur, voorstellen door H-Cl.
Een atoom van een bivalent element zal zich natuurlijk
kunnen verbinden met 2 atomen van een univalent element
H-
H-
=0 =
O
-ocr page 28-
16
of met één atoom van een bivalent element bijv.:
0a= 0= = Ca=0 enz.
Wij merkten reeds op, dat bij de meeste elementen één
molecule bestaat uit 2 atomen, uitzonderingen op dezen regel
zijn: Pbospborus en Arsenicum waarbij het molecule uit 4
atomen bestaat en Kwik en Zink waarbij het molecule uit 1
atoom bestaat. Bij de meeste elementen als O, H, S enz.,
zullen we dus een molecule kunnen voorstellen door 0=0,
H—H, S=S, en het gewicht van een molecule zal dus ook
gelijk zijn aan 2 maal het atoomgewicht. Wanneer twee atomen
van verschillende elementen zich met elkaar verbinden ontstaat
een molecule van een nieuwe stof.
Een dergelijke vereeniging kunnen we ook door het schei-
kundig teekenschrift gemakkelijk voorstellen, wanneer we maar
overeenkomen, dat Ave de stoffen, die zich met elkaar moeten
verbinden, dus de gemengde stoffen, door het teekon -t- aan
elkaar verbinden en dat we, wanneer de scheikundige verbin-
ding tot stand gekomen is de symbolen naast elkaar schrijven.
De vereeniging van waterstof en chloor tot zoutzuur kunnen
we dan voorstellen door de vergelijking
H Cl = HC1.
Nu weegt 1 atoom waterstof 1 gewichtsdeel, 1 atoom chloor
35,5 gewichtsdeelen, het molecule zoutzuur zak dan wegen 1
35,5 = 3(J,5 gewichtsdeelen — dus één molecule zoutzuur weegt
36,5 maal zooveel als 1 atoom waterstof.
Dergelijke cijfers, die aangeven hoeveel maal 1 molecule van
een stof zwaarder is dan één atoom waterstof noemt men de
inoleculairgewichten der stoffen. Men vindt ze door de som te
nemen van de gewichten der atomen waaruit het molecule is
samengesteld. Wanneer we bijv. weten dat een molecule zwa-
velzuur is samengesteld uit 2 atomen waterstof, 1 atoom zwavel
on 4 atomen zuurstof, dan zal daarvan de formule zijn H9SO4
en het moleculairgewicht 2^ 1 32 4 x 16 = 98.
Weten we van een stof eenmaal de formule, dan kunnen we
daaruit zoowel de kwantitatieve als de kwalitatieve samenstel-
ling lezen: Uit de formule van salpeterzuur HN03 kunnen we
lezen:
I
-ocr page 29-
17
10. Dat dit zuur is samengesteld uit waterstof, stikstof en
zuurstof;
20. Dat zicli 1 gewichtsdeel waterstof met 14 gew.deelen
stikstof en 48 gew.deelen zuurstof hebben verbonden, dus dat-^
dit zuur bestaat uit 1,58 0/0 II, 22^2 0/0 X en 76,2 o/0 O.
De scheikundige werking, die twee of meer stoffen op elkaar
uitoefenen, kunnen we gemakkelijk aangeven door scheikundige
vergelijkingen. Vóór liet gelijkteeken plaatsen we dan de stoffen,
die op elkaar inwerken en achter dat teeken de stoffen, die na
de werking zijn ontstaan.
De vereeniging van 1 atoom ijzer met 2 atomen jodium kunnen
we dus voorstellen door:
Fe - - 2J = FeJ2. (1)
Voegt men bij ceno oplossing van jodetnm kalicum weinig
chloorwater dan zal het chloor zich verbinden met het kalium
en jodium zal worden vrijgemaakt; we kunnen dit voorstellen
door:
                  KJ Cl = KC1 -4- J. (2)
Uit deze beide vergelijkingen kunnen we het volgende zien:
1°. Welke elementen of verbindingen op elkaar inwerken; -
20. Hoeveel atomen of moleculen van elk daaraan deelnemen;
3°. Op welke wijze de werking plaats heeft, bij (1) door
additie bij (2) door substitutie;
40. Welke stoffen na de werking zijn ontstaan;
50. Welke gewichtshoeveelheden van de stoffen op elkaar
inwerken en in welke hoeveelheden er nieuwe stoffen ontstaan.
Uit (1) zien we dat 56 gew.deelen ijzer zich verbinden met
2 x 127 gew.deelen jodium tot 310 gew.deelen jodetum ferrosum.
Uit (2) zien we dat 39 127 = 166 gew.deelen jodetum
kalicum worden ontleed door 35,5 gew.deelen chloor en dat
daarbij ontstaan 3!) - - 35,5 = 74,5 gew.deelen chloretum kalicum
en 127 gew.deelen jodium.
Uit deze vergelijkingen zien we tevens nog dat: voor en achter
het gelijkteeken dezelfde atomen in hetzelfde aantal moeten
voorkomen en dat dus ook de soi^der atoomgewichten van de
stoffen vóór het gelijkteeken gelijk moet zijn aan de som der
atoomgewichten achter het goMjkteeken.
Deze beide bepalingen zijn» te leiden uit de, door Lavoisier
gevonden, belangrijke wet Waarop onze geheele scheikunde
schrödek en de ZAAIJER, ScliriSiindc.                                               2
-ocr page 30-
18
berust: geen stof kan uit niets ontdaan, geen stof kan vernietigd
worden.
Om het overzicht over de elementen wat gemakkelijker te
maken verdeelt men deze gewoonlijk in twee groepen: de me-
talen
en de niet-metalen of metalloïden.(Ofschoon het onmogelijk
is een scherpe grens te trekken tusschen deze beide groepen
van elementen en de wetenschappelijke waarde van deze in-
deeling zeer gering is, zullen we haar bij dit leerboek toch
behouden, omdat de chemische eigenschappen, waaruit het
verkeerde van die indeeling zou volgen voor ons doel geen
waarde hebhen. We hebhen dan het voordeel, dat we twee
groepen van elementen hebben, die in pbysische en in chemische
eigenschappen vele punten van onderscheid hebbend
De metalen zijn gekarakteriseerd door hunnen aggregaatstoe-
stand, met uitzondering van kwik zijn ze alle vast, zij hebben
in den regel een hoog soortelijk gewicht en zijn goede geleiders
van warmte en electriciteit.
                   (\\-\\aa :-
De metalloïden missen deze algemeene eigenschappen: enkele
zijn gasvormig (zuurstof, waterstof, stikstof en chloor), enkele
vast (jodium, zwavel, phosphorus, antimonium, arsenicum,
borium, koolstof en silicium) terwijl alleen bromium vloeibaar
is. In den regel is het s.g. kleiner dan dat van de metalen en
geleiden ze de warmte en electriciteit niet goed.
Een voornaam scheikundig onderscheid is: dat de verbin-
dingen der metalloïden met zuurstof zich geheel anders ge-
dragen dan de overeenkomstige verbindingen der metalen.
Verbinden zich de eerste met water dan ontstaan zg. zuren,
terwijl de laatstgenoemde zuurstof verbindingen dan basen vormen.
Om de waarde van dit onderscheid te kunnen schatten moeten •
wij deze heide soorten van verbindingen nader\'beschouwen.
Wanneer wij een mengsel maken van Sirupus rhoeados en wa-
ter, en we verdeden dit in 3 gelijke deelen waarvan we er één
onveranderd laten, bij het tweede eenige druppels verdund zout-
zuur voegen en bij het derde eenige druppels ammonia dan
nemen we direct een duidelijk onderscheid in kleur waar. Door
toevoeging van het zoutzuur is de kleur veel fraaier rood en
door toevoeging van de ammonia vuil blauw geworden. Dit
-ocr page 31-
19
onderscheid is nog duidelijker waar te nemen wanneer men in
plaats van Sir. rhoeados een aftreksel neemt van een andere
plantenkleurstof, het lakmoes, dat voor dergelijke veranderingen
nog veel gevoeliger is. Voegen wij bij dit aftreksel in plaats
van zoutzuur een andere stof, die een zuren smaak heeft, bijv.
zwavelzuur, eitroenzuur of azijnzuur, dan zullen we eenzelfde
kleursverandering zien. Nemen we in plaats van ammonia op-
lossingen van hydras kalicus of hydras natricus of kalkwater,
dan zullen wc do kleur van het lakmoesaftreksel donkerblauw
zien worden. De eerste soort van verbindingen noemt men naar
hunnen smaak zuren, de laatste soort basen, deze hebben een
loogachtigen smaak.
                                                                \'u \'
Sommige zuren en basen, die in water onoplosbaar zijn ver-
kleuren lakmoes niet en zijn grootendeels smakeloos, de boven
aangegeven kenmerken zijn dus niet voldoende om zuren en
basen van elkaar te onderscheiden.
Wanneer men phosphorus aan de lucht verbrandt zal het
zich met de zuurstof uit de lucht verbinden, stelt men deze
verbinding bloot aan den waterdamp van de lucht dan ontstaat
eene oplossing, die een zuren smaak heeft en die behalve
phosphorus ook nog zuurstof en water bevat. Brengt men deze
verbinding in aanraking met een metaal, bijv. met ijzer, dan
ziet men plotseling een gas ontwijken en het ijzer wordt opge-
lost. Het gas, dat ontwijkt is, zooals we naderhand zullen zien,
waterstof, de gedachte ligt dus voor de hand, dat door het
ijzer de waterstof uit de verbinding is verdreven en dat dit
metaal zelf de plaats van die waterstof heeft ingenomen. Dit
nu is een hoofdkenmerk van alle zuren: dat zij waterstof be-
vatten, die door metalen kan worden vervangen. pBrengt men
het calciumoxyde, eene verbinding van het metaal Ca met
zuurstof in aanraking met water dan zal het oxyde, onder ont-
wikkeling van damp in poeder uiteenvallen en dit poeder is
oplosbaar in water tot een loogachtig smakende vloeistof, het
kalkwater. Voegt men hierbij een paar druppels zwavelzuur dan
zal het eerst volkomen heldere kalkwater met het heldere zwavel-
zuur een witte troebeling in de vloeistof geven, er is dan een
nieuwe stof ontstaan, die bij onderzoek blijkt te zijn zwavelzuur
waarin de waterstof is vervangen door het metaal calciumTJ
-ocr page 32-
20
We zullen dus van deze basen kunnen zeggen: dat het zijn
de zuurstofverbindingen van de metalen met water, die een
aftreksel van lakmoes blauw kleuren en die, wanneer zij in
aanraking worden gebracht met een zuur bun metaal omruilen
tegen de waterstof van het zuur.
De verbindingen der elementen met zuurstof noemt men
oxyden, en we kunnen dus in \'t algemeen zeggen: de oxyden
der metalen vormen, wanneer zij zich met water scheikundig
hebben verbonden, bij voorkeur basen, het zijn dus basetor -
mende oxyden.
De oxyden der metalloïden vormen, wanneer zij zich schei-
kundig verllinden met water, bij voorkeur zuren, dit zijn dus
zuurvormende oxyden.
Wanneer in een zuur de waterstof geheel of gedeeltelijk is
vervangen door het metaal van een base ontstaat in het alge-
meen een zout.
Bij het behandelen van de elementen en hunne verbindingen
zullen we nog meermalen gelegenheid hebben uitvoeriger terug
te komen op de eigenschappen van zuren, basen en zouten.
De verbindingen van het element koolstof, wier aantal dat
der verbindingen van alle andere elementen met elkaar verre
overtreft, vormen een afzonderlijke afdeeling der chemie, de
z.g. Organische Scheikunde, terwijl alle andere elementen en
hunne verbindingen tot de zoogenaamde Anorganische Schei-
kunde gerekend worden.
In de Natuurkunde leeren wij; dat de verschillende stoffen
in drie aggregaatstoestanden kunnen voorkomen, n.1. in den
gasvormigen, den vloeibaren en den vasten toestand.
De vaste lichamen worden, wat hunnen vorm betreft, nog
weer onderscheiden in:
10. kristallen;
20. amorphe lichamen;
30. georganiseerde lichamen.
Laat men eene oplossing van salicylzuur 1/200 afkoelen dan
zal het salicylzuur daaruit afzetten in regelmatige lichamen,
die begrensd worden door regelmatige platte vlakken welke
elkaar onder hoeken van bepaalde grootte ontmoeten, dergelijke
-ocr page 33-
21
regelmatige lichamen noemt men kristallen. Alle lichamen,
waarbij een dergelijke regelmatigheid niet voorkomt en die niet
begrensd worden door platte vlakken noemt men amorph.
Onder deze amorphe lichamen zijn er enkele, de organen
van planten en dieren, die wel een bepaalden vorm hebben
maar toch niet begrensd zijn door regelmatige platte vlakken,
deze noemt men georganiseerd.
Bij het bespreken der elementen, die voor de Pharmacie
van belang zijn, zullen we achtereenvolgens nagaan:
1". de vormen waarin zij in de natuur voorkomen, n.1. in
vrijen of in gebonden toestand;
20. de bereidingswijzen of de wijzen van zuiveren;
3°. de natuurkundige en scheikundige eigenschappen;
4°. de belangrijkste verbindingen, die voor de Pharmacie
van belang zijn; met vermelding, zoo noodig van die eigen-
schappen, Maarmede men bij het recepteeren rekening moet
houden.
-ocr page 34-
I. ANORGANISCHE SCHEIKUNDE.
A. METALLOÏDEN.
ZUURSTOF — O X Y G E NI U M.
O = 10.
De naam oxygenium is afgeleid van het grieksch en betee-
kent zuurvormer.
Voorkomen. Zuurstof is het meest verbreide element op aarde.
In vrijen toestand treft men haar aan in de lucht, die in hoofd-
zaak een mengsel is van 21 "/o zuurstof en 7i)°/o stikstof. In
gebonden toestand vindt men haar in water, eene verbinding
van 2 atomen waterstof met 1 atoom zuurstof, die voor 88,89 0/0
uit zuurstof bestaat, verder komt zij voor in vele mineralen,
zand bijv. bestaat voor ongeveer ö30,\'0 en krijt en marmer voor
ongeveer 48 o/0 uit zuurstof, bovendien vormt zij een bestand-
deel van allo planten en dieren. Berekening heeft geleerd, dat
de aarde met de haar omringende dampkring voor 2/3 uit
zuurstof bestaat.
Bereiding. Daar zuurstof in vrijen toestand in de lucht voor-
komt ligt het voor de hand, dat men heeft getracht de daarin
tevens aanwezige stikstof te verwijderen, om dan zuivere zuur-
stof achter te houden. Op grond van de geringe neiging die
stikstof vertoont om zich met andere elementen te verbinden
is deze bereidingswijze tot nu toe niet gelukt.
Gewoonlijk maken wij voor de bereiding van zuurstof ge-
bruik van stoffen, die door eenvoudige verhitting hunne zuurstof
geheel of gedeeltelijk verliezen. Tot deze stoflen behooren o. a.
-ocr page 35-
/u«                      fa\'.                             \'
kwikoxyde (oxjrdum hydrargyricum), chloras kalicus, bruin-
steen (peroxydum manganicum).
Wij brengen bijv. in een reageerbuisje een kleine boeveelheid
kwikoxyde en verhitten dit boven- een gasvlam; wij zien dan
dat zich boven het verhitte deel van het buisje een metaal-
spiegel afzet, de zuurstof zelve kunnen wij niet direct waar-
nemen. Houden we echter in het buisje een smeulende hout-
spaan, dan begint deze weer te branden — dit is een bewijs
voor de aanwezigheid van ongebonden zuurstof.
De ontleding van kwikoxyde, kunnen wij voorstellen door
de vergelijking:
HgO = Hg -f- O
216 =200 16
dus uit 216 gewichtsdeelen kwikoxyde ontstaan 16 deelen zuur-
stof. Voor de bereiding van groote hoeveelheden zuurstof is
kwikoxyde te duur, en naar evenredigheid de opbrengst te
gering, daarom maakt men veel meer gebruik van chloras
kalicus, dat goedkooper is en naar verhouding veel meer zuur-
stof afgeeft. Wij gebruiken bij deze bereiding gewoonlijk een
retort van moeielijk smeltbaar glas (fig. 3), vullen die voor
niet meer dan l/g met chloras kalicus, en verbinden haar met
een glazen buis, die in een bak onder water uitkomt. In deze
z.g. gasbak hangt een metalen plaat met openingen. Boven één
dezer openingen plaatst men een flesch met water met de ope-
-ocr page 36-
24
ning naar beneden, terwijl men de genoemde glazen buis in
de opening van de plaat laat uitkomen.
Zoodra men de chloras kalicus in de retort verhit zal daaruit
de zuurstof vrij worden, deze zal door de buis heen in de flesch
komen, zich boven het water verzamelen en het water weg-
drukken. Zoodra op deze wijze ééne tiesch is gevuld plaatst
men er eene andere boven.
De ontleding van chloras kalicus, bij voldoende verhitting,
wordt voorgesteld door de vergelijking:
KClO.j = KC1 4- 30
39 • 355 - 3 X 16 = 39 355 _j_ 48
1225 = 745 48.
Uit 122,5 gewichtsdeelen chloras kalicus bedraagt dus de op-
brengst 48 gewichtsdeelen zuurstof.
Mengt men de chloras kalicus vooraf met een vierde van
zijn gewicht aan bruinsteen, dan heeft de ontleding van het
zout bij lager temperatuur er meer regelmatig plaats.
Verhit men bruinsteen alleen, dan geeft hij 1/3 van de voor-
handen zuurstof af, deze ontleding heeft dan plaats volgens de
vergelijking:
3Mn02 = Mn304 02
3 X (55 -f- 32) = 3 X 55 4 X 16 2 X 16
261 = 229 -f- 32.
De opbrengst uit chloras kalicus is dus het grootst.
Eigenschappen. Zuurstof is een kleurloos, reukeloos en smake-
loos gas, dat moeielijk oplosbaar is in water, in 100 liter water
lossen nog geen 5 liter zuurstof op. De belangrijkste scheikun-
dige eigenschap van dit gas is dat brandende of smeulende
stoffen er in ontvlammen en veel licht en Avarmte ontwikkelen.
Geen enkel ander gas heeft deze eigenschap met zuurstof gemeen.
Een smeulend stukje hout en de nog gloeiende pit van een
uitgeblazen kaars beginnen in zuurstof direct met een heldere
vlam te branden; houtskool die aan de lucht moeielijk door-
gloeit verbrandt in een flesch met zuurstof met een schitterend
licht. Zwavel, die aan de lucht nog moeielijker verbrandt dan
houtskool, verbrandt met een heldere vlam in zuurstof. Een
horlogeveer, waaraan aan het ondereinde een stukje brandende
zwam is bevestigd, zal in een flesch met zuurstof gebracht
-ocr page 37-
onder hevig spatten van vonken verbranden. Zorgt men niet, dat
de bodem van de rlesch bedekt is met een laagje water, dan
zullen de ijzerdruppels in den bodem van de flesch vastsmelten.
Wij zien uit het voorgaande, dat de verbranding in zuurstof
veel krachtiger gaat dan in lucht; wij weten tevens wel bij
ondervinding, dat zonder lucht geen verbranding kan plaats
vinden. De stoffen, die verbranden veranderen alle vansamen-
stelling, houtskool bijv. verandert in een gas, dat in kalkwater
gebracht, daarin een troebeling veroorzaakt, wegen we de hoe-
veelheid van dit gas, dan zien we dat het zwaarder weegt dan
het stukje verbrande houtskool. Wanneer we een kaars laten
branden en alle gassen, die daarbij ontstaan opvangen zullen
we eveneens zien, dat deze met elkaar meer wegen, dan de
kaars. Er moet zich dus met de houtskool en met de bestand*
deelen waaruit de kaars bestond een andere stof verbonden
hebben, en in verband met het voorgaande besluiten we, dat
die andere stof zuurstof is. Bij de verbranding verbinden de
stoffen zich met zuurstof. Het wezen der verbranding
is dus: het ontstaan van een scheikundige ver-
binding van een of andere stof met zuurstof.
Bij het verbranden van verschillende stoffen in zuurstof kan.
men opmerken, dat sommige als ijzer en koolstof niet en an-
dere, als zwavel en phosphorus wel met vlam verbranden. De
oorzaak hiervan is, dat beide laatstgenoemde stoffen bij de
verbrandingstemperatuur vluchtig zijn, en dat de damp dier
stoffen bij het ontbranden een vlam vormt. Een vlam is n.1.
niets anders dan eene hoeveelheid brandend gas, en alleen die
stoffen zullen met een vlam verbranden, die bij de verbran-
dingstemperatuur vluchtig zijn of vluchtige ontledingsproducten
afgeven, zooals bijv. hout en papier.
Behalve met de verbranding onder licht en vuurvorschijnselen
moeten wij nog kennis maken met de z.g. langzame verbran-
ding. Laat men ijzer aan vochtige lucht liggen dan zal het
bedekt worden met een bruine laag roest, dit ijzerroest is eene
verbinding van ijzer en zuurstof van dezelfde samenstelling als
ontstaan is bij het verbranden van een horlogeveer in zuurstof.
Vuur of lichtverschijnselen zijn bij het roesten echter niet
waar te nemen.
-ocr page 38-
26
De ademhaling van menschen en dieren is eveneens een
langzame verbranding. De zuurstof, die uit de longen in het
bloed wordt opgenomen verbindt zich met een deel van de
koolstof tot koolzuurgas, dat weer door de longen wordt uit-
geademd.
Het rotten van plantaardige en dierlijke stoffen, het broeien
van hooi en talrijke andere processen meer zijn voorbeelden
van langzame verbranding.
De producten, die na de verbranding, hetzij dit eene lang-
zame verbranding of eene onder licht en vuurverschijnselen
was, ontstaan noemt men oxyden, de verbranding zelve heet
oxydatie. Alle elementen met uitzondering van fluoiïum kunnen
zich met zuurstof verbinden, en geven daarbij oxyden, die
echter in scheikundige eigenschappen belangrijke punten van
onderscheid opleveren.
Bij het verbranden van zwavel ontstaat een gas, dat in water
opgelost, daaraan een zuren smaak mededeelt. Voegt men bij
deze oplossing een druppel lakmoestinctuur dan wordt zij helder
rood gekleurd.
Laat men het metaal natrium eenigen tijd met zuurstof in aanra-
king, dan zal ook dit geoxydeerd worden, er ontstaat een wit,
poedervormig oxyde, dat gemakkelijk oplost in water maar dat
daaraan een loogachtigen of alcalischen smaak (als van zeep)
mededeelt. Voegt men hierbij een druppel lakmoestinctuur, dan
wordt zij donker blauw gekleurd. Ten opzichte van lakmoestinc-
tuur vertoonen beide oxyden dus geheel verschillende eigenschap-
pen. Dit onderscheid kunnen we waarnemen bij de oxyden der
meeste metalloïden, die zich gedragen als zwavel, en de oxyden
der meeste metalen, die zich gedragen als natrium.
Daar de oxyden der metalloïden in water opgelost zuren
vormen, noemt men deze oxyden ook zuurvormende oxyden, en
de oxyden der metalen, die opgelost in water basen, vormen
basevormende oxyden.
Bovendien onderscheidt men nog een derde groep van oxyden,
de z.g. indifferente oxyden, die noch zuren, noch basen vormen
wanneer zij met water in aanraking komen, hiertoe behooren
o. a.: water, kooloxyde, stikstofoxyde.
ommige elementen hebben het vermogen om zich in meer
^
-ocr page 39-
27
dan eene verhouding met zuurstof te verbinden zoo kan bijv.
kwik zich in twee verhoudingen daarmede verbinden n.1. tot
stoften van de formules Hg20 en HgO.
De laagste oxydatietrap, dus bij dit voorbeeld Hg20 noemt
men dan oxydule, de hoogere oxyde. Bestaan er nog meer ver-
bindingen van een element met zuurstof, zooals het geval is
bij stikstof dan plaatst men ter onderscheiding ook wel de
Grieksche telwoorden voor het woord oxyde, zoo spreekt men van:
Stikstofmonoxyde N20.
Stikstofdioxyde N202.
Stikstoftrioxyde N203. -
                           , /
Stikstoftetroxyde N204.
Stikstofpentoxyde N2O5. —
                   ...
Bestaan er drie oxyden van element, dan noemt men de
hoogste oxydatietrap peroxyde of superoxyde.
De Latijnsche namen der oxyden worden gevormd door achter
het substantief oxydum een adjectief te plaatsen dat gevormd
is uit den naam van het element waarvan het oxyde afkomstig
is met den uitgang icum. Wanneer er twee oxyden bestaan,
zooals bij kwik, krijgt de verbinding die betrekkelijk de kleinste
hoeveelheid zuurstof bevat, dus bij kwik het kwikoxydule,
den uitgang osum.
                                                       J<7 V •, «•< u
Kwikoxyde, HgO wordt dus oxydum hydrargyricum.
Kwikoxydule, Hg20 „ „
         „ hydrargyrosum. [).x^
i
Enkele stoffen nemen, wanneer zij fijn verdeeld zijn, zóó
begeerig zuurstof op, dat zij door de scheikundige warmte tot
aan de ontbrandingstemperatuur verhit worden en zóó zich zelf
doen ontbranden. Dergelijke stoffen noemt men pyrophoren.
Deze ontbrandingsverschijnselen neemt men soms waar bij de
bereiding van ferrum reductum, zoodra dit praeparaat in aan-
raking komt met lucht, verder bij watten die met olie ge-
drenkt zijn.
Behalve als gewone zuurstof is dit element nog in een andere
modicatie bekend, die wegens hare sterk oxydeerende werking
1 \' (
-ocr page 40-
2S
active zuurstof en naar den reuk Ozon genoemd wordt. Men
vindt Ozon voornamelijk in de zeelucht en in de gewone lucht
na onweders. Terpentijnolie en andere aetherische oliën absor-
beercn zuurstof en voeren deze betrekkelijk gemakkelijk in
Ozon over, dat zij in onveranderden toestand opgelost houden.
Ozonhoudende terpentijnolie wordt gebruikt als tegengift bij
vergiftiging met phosphorus.
De formule van Ozon is O.», het bevat dus drie atomen
zuurstof per molecule, het onderscheidt zich o. a. hierdoor
van gewone zuurstof, dat blank geschuurd zilver, dat aan de
lucht niet verandert, in aanraking met Ozon wordt bedekt
met een zwart laagje oxyde. Hieruit blijkt tevens het grooter
oxy< leerend vermogen.
WATERSTOF — HYDROGENIUM. (^-A
\'      /
H = 1.
De naam hydrogenium beteekent watervormer; bij het ver-
branden van waterstof ontstaat water.
Voorkomen. In vrijen toestand komt dit element slechts in
zeer kleine hoeveelheden voor. In gebonden toestand vindt men
waterstof voornamelijk als water, dat voor l/9 uit dit element
bestaat, terwijl het tevens een bestanddeel vormt van alle in
de natuur voorkomende organische stoffen.
Bereiding. Uit water kan men op verschillende wijzen water-
stof vrijmaken.
10. Door electrolyse van water, dat met ongeveer i/10 van
zijn gewicht aan zwavelzuur gemengd is.
Men verstaat onder electrolyse de ontleding van een samen-
gesteld lichaam door den electrischen stroom.
20. Wanneer men de metalen kalium en natrium in aanra-
king brengt met water, zullen beide daarop ontledend inwerken,
zóó dat de helft van de waterstof van het water door een dezer
metalen wordt vervangen en gasvormig ontwijkt.
We kunnen deze werking als volgt voorstellen:
H20 K = KOH H
H20 Na = NaOH H.
-ocr page 41-
2\'J
De warmte, die bij deze scheikundige werking vrij wordt, is
dikwijls zoo groot, dat de waterstof ontbrandt. - ; K**"\'
Behalve waterstof ontstaan ook nog twee stoffen, die we dus
kunnen beschouwen als water waarin 1 atoom waterstof is ver-
vangen door een metaal, of korter uitgedrukt als verbindingen
van een metaal met OH. Deze groep OH die in de scheikunde
dikwijls een belangrijke rol speelt noemt men hydroxyl. Zij
gedraagt zich in verschillende opzichten geheel als een atoom van
een univalent element. Dergelijke groepen, die zich op deze wijze
gedragen als atomen van elementen, hetzij univalente, bivalente
enz., noemt men radicalen. Vooral bij het organisch gedeelte
der scheikunde zullen we daarmede dikwijls kennis maken.
De verbindingen der metalen met één of meer groepen OH
dragen den naam van basen. Zooals we reeds zagen ontstaan
deze verbindingen ook wanneer men de basenvormende oxyden
met water in aanraking brengt.
30. In plaats van kalium of natrium kan men ook andere
metalen gebruiken, maar de meeste ontleden water eerst bij
verhooging van temperatuur. Het meest geschikt voor deze
ontleding is ijzer. Voert men waterdamp door een gloeiende
ijzeren buis, die met stukjes ijzer is opgevuld dan wordt het
water ontleed volgens de vergelijking:
3411,0 -h28Fe =68H F203.
4°. De gemakkelijkste bereiding van waterstof is die uit
zuren door middel van metalen. Wij hebben (bladz. 19) reeds
gezien, dat zuren verbindingen zijn van zuurvormende oxyden
met water en dat zij lakmoestinctuur rood kleuren.
Blijkens hunne vorming zijn het dus alle waterstofverbin-
dingen, en deze verbindingen hebben alle de eigenschap, dat
zij, in aanraking met metalen, gemakkelijk hunne waterstof
omruilen tegen het metaal, de waterstof ontwijkt dan als gas.
Voor de bereiding van waterstof neemt men gewoonlijk zink
en zwavelzuur, de scheikundige werking, die plaats heeft kan
men clan voorstellen door de vergelijking:
Zn H0SO4 = ZnS04 H2.
Voor de ontwikkeling van waterstof gebruikt men veelal een .
tweehalzige, z.g. Woulfsche flesch, of een wijdmondsch flesch,
die gesloten is met een kurk met twee openingen (fig. 4).
-ocr page 42-
30
In de flesch a brengt men eerst stukjes zink, dan giet men
door de trechterlmis b verdund zwavelzuur, ot\' eerst water en
daarop zwavelzuur in de verhouding van ongeveer 5:1.
De waterstofontwikkeling begint dan direct en men ziet voort-
durend, dat zich kleine gasbellen aan de stukjes zink vormen,
die loslaten en opstijgen. De waterstof, die ontwikkelt wordt
in buis c gedreven, die in een gasbak uitkomt. zoodat men
het gas in fleschen h kan opvangen. De waterstof, die het
eerst in deze fiesschen wordt opgevangen is nog vermengd met
lucht, die zich in de flesch a bevindt, men moet zeer voor-
zichtig zijn met het aansteken van een dergelijk mengsel, daar
het onder een hevige knal kan ontploffen.
Eigenschappen. Waterstof is een kleurloos, reukeloos en
smakeloos gas, zij is het lichtste van alle gassen en wordt
daarom dikwijls gebruikt voor het vullen van luchtballons, in
water is zij slecht oplosbaar.
In scheikundige eigenschappen bestaat een groot onderscheid
tusschen zuurstof en waterstof — het eerste element heeft,
zooals wij zagen eene groote neiging om zich met bijna alle
elementen te verbinden, waterstof verbindt zich slechts gemak-
kelijk met twee elementen n.1. met zuurstof en met chloor.
-ocr page 43-
31
Waterstof is een brandbaar gas, maar onderhoudt do verbran-
ding niet.
Brengen we een brandend voorwerp in een nesch niet water-
stof dan zal dit gas bij de opening van de nesch verder bran-
den, maar liet brandend lichaam dooft uit.
Wanneer men waterstof verbrandt ontstaat een kleine, weinig
licht gevende vlam, die echter zeer veel warmte geeft, een
platina draad begint daarin zeer spoedig te gloeien. Nog veel
meer warmte geeft deze vlam wanneer men baar aanblaast met
zuurstof (knalgasvlam). Houdt men in deze vlam een stuk
krijt dan begint het te gloeien en geeft een sterk wit licht,
dat soms in de natuurkunde wordt gebruikt ter vervanging van
het zonlicht (Drummond\'s kalklicht).
Wanneer men een mengsel van zuurstof, waterstof met een
vlam nadert ontploft het met een knal onder vorming van
waterdamp — een dergelijk gasmengsel is bekend als knalgas.
Bij het nagaan van de eigenschappen van zuurstof zagen wij,
dat dit element zich met vele metalen bij de gewone of bij
verhoogde temperatuur verbindt tot oxyden. Brengt men deze
oxyden bij verhoogde temperatuur in aanraking met waterstof,
dan worden zij weer ontleed, de zuurstof verbindt zich met de
waterstof en het metaal blijft achter. Deze werking van water-
stof noemt men desoxijdeeren of reducceren, men maakt daarvan
somtijds gebruik om metalen in zeer fijn verdeelden toestand
uit de oxj-den te bereiden (zie later bij ferrum reductum).
Van de talrijke verbindingen van waterstof bespreken we
hier slechts water H20 en waterstofperoxyde H202-
WATER. AQUA. H20.
Water is het oxydatieproduct van waterstof, bij verbranding
van waterstof wordt water gevormd. Het is een der meest ver-
breide stofTen op aarde, men vindt het als zeewater, rivier-
water, als wolken en nevels, als sneeuw en ijs, dus in de drie
aggregaatstoestanden; als kristal water vindt men het in vele
mineralen, terwijl het bovendien een bestanddeel uitmaakt van
alle planten en dieren. Daar het in de natuur voorkomende,
meestal onzuivere water, gemakkelijk gezuiverd kan wordenr
-ocr page 44-
32
is natuurlijk ccne bereidingswijze van water onnoodig. Deze
zou anders kunnen bestaan in liet verbranden van waterstof
aan de lucht. Do voreeniging zou dan plaats hebben volgens
de vergelijking: *^~y% ^ vajL^tr\\ ,
2H O = H20.
Wil men zuiver water bereiden, dan gaat men steeds uit
van liet in de natuur voorkomende onzuivere water, dat vaste
storten en gassen in oplossing bevat, en waarvan men het door
destillatie bevrijdt.
Onder destilleeren verstaat men het overvoeren in damp van
een vloeistof, de damp opvangen in buizen die door koud water
omgeven zijn, zoodat de damp weer tot vloeistof wordt verdicht
en als zoodanig kan worden opgevangen.
Het doel bij de destillatie is eene scheiding te bewerkstel-
ligen tusschen vluchtige vloeistoffen on daarin opgeloste niet
vluchtige stoffen. Voor de bereiding van zuiver gedestilleerd
water (aqua destillata) kan men den toestel van fig. 5, ge-
bruiken. Den destilleerketel A vult men ongeveer halverwege
met water en
brengt het daarin
aan het koken. Bij
hot begin van
\'t koken ontwij-
ken eerst de gas-
sen, die in het
water waren op-
gelost, bijv. lucht
en koolzuur, dan
ontwijkt ook wa-
terdamp, die door
den helm B naar
de koelslang C
gedreven wordt.
Deze koelslang
is omgeven door
koud water, dat
lg\' J\'                                 telkens door E
onder in het koelvat D stroomt en door ƒ weer afvloeit.
-ocr page 45-
::;;
Jn deze koelslang wordt het water weer verdicht (geconden-
seerd) en vloeit dan in de flesch. Voor pharmaceutisch gebruik
is een dergelijk aqna destillata, dat gemankt is van betrekkelijk
zuiver water, voldoende zuiver, wanneer men maar het eerst
overgaande vierde deel, dat gassen bevat, weg werpt, en het
laatste vierde gedeelte niet afdestilleert. Voor chemisch zuiver
water is eene herdestillatie noodig.
Eigenschappen. Zuiver water is eene smaak- en reukelooze
vloeistof, in dunne lagen is het kleurloos, maar in dikke lagen
vertoont het een blauwe kleur. Het is een neutrale stof, d. i.
het heeft noch de kenmerken van een zuur noch die van
een base.
Het bevriest bij O3 en kookt bij 100° C onder normale om-
standigheden d. i. hij een barometerstand van 7(>0 millimeter
(zie natuurkunde), door vermindering van de drukking wordt
het kookpunt verlaagd en bij vermeerdering van de damp-
kringsdrnkking verhoogd.
Wanneer water bevriest zet het uit, 1 liter water van 0°
neemt als ijs van 0° eene ruimte in van 1.07 liter, en heeft
dan een s.g. van 0,93. IJs drijft ook, zooals wc weten, op water.
Us en sneeuw zijn beide gekristalliseerde stoffen, vooral bij
sneeuwvlokken is dit gemakkelijk waar te nemen.
Het uitzetten van water bij \'t hevriezen geschiedt met een
enorme kracht — geheele rotsen worden soms losgemaakt door
de kracht waarmede het water, dat tusschen de spleten is ge-
drongen, zich uitzet bij het vast worden.
Water heeft zijne grootste dichtheid bij 4° C., beneden en
boven die temperatuur zal het zich dus uitzetten. Het gewicht
van 1 liter water van 4° C. is als eenheid van gewicht aange-
nomen. Bovendien dient ook water als eenheid bij het bepalen
van het soortelijk gewicht van vaste stoffen en vloeistoffen.
Water, dat zouten opgelost heeft, bevriest bij eene lagere
temperatuur dan 0\', vandaar dat zeewater niet zoo spoedig
bevriest als zoetwater.
Bij de gewone temperatuur verdampt water reeds in merk-
bare hoeveelheid, waterdamp is kleurloos en doorschijnend.
Bij verhooging van temperatuur wordt de verdamping be-
spoedigd en de spankracht van den damp grooter.
sciiröder en de zaaijeu Schcikimde.                                               3
-ocr page 46-
:)i
Zoo heeft waterdamp van 1003 een spankracht van 760 mm.
of 1 atmosfeer.
Zoo heeft watenlamp van 111,7° een spankracht 1,5 atmosfeer.
„ ,,
             „            „ 180,3° „           „         10 atmosfee-
ren enz.
Van deze spankracht wordt, zooals wij weten, gebruik ge-
maakt bij de stoommachines.
Van de wateren, die in de natuur voorkomen is regenwater
(aqua pluvialis),
mits opgevangen buiten bewoonde plaatsen, het
zuiverste. Men kan het, indien het op eene goede wijze opge-
vangen is, gebruiken in de receptuur, wanneer aqua communis
is voorgeschreven. Dit moet n.1. voldoen aan de volgende eischen:
het zij helder, neutraal, kleur- en smakeloos en, ook bij ver-
warming, reukeloos, het mag slechts weinig organische stof
bevatten en moet vrij zijn van ammonia, van zware metalen
enz. Het aangeven der wijzen om de genoemde verontreinigingen
aan te toonen, ligt buiten het bestek van dit leerboek. Door
regenwater op te vangen in looden gooten loopt men gevaar,
dat het met lood verontreinigd wordt, wat aanleiding kan
geven tot vergiftiging.
Het regenwater, dat op den bodem valt en daarin dringt,
ontmoet in de bovenste aardlagen koolzuurgas, afkomstig van
de rotting van organische stoffen, en lost dit gas op, verder
doordringende ontmoet het koolzure kalk, die door de aamvc-
zigheid van koolzuur oplost als dubbelkoolzure kalk, bovendien
wordt in den bodem nog wat magnesiumcarbonaat en calcium-
sulfaat opgelost. Dit water verzamelt zich op zekere diepte in
den bodem, en men maakt daarvan in bewoonde streken als
drinkwater gebruik. Men noemt het zahwater.
Nog dieper in den bodem vindt men soms groote hoevecl-
heden water, die in samenstelling verschillen met het zakwater,
men bestempelt dit met den naam van welwater {aqua fontana).
Wanneer het water veel kalkzouten bevat schuimt zeep daar-
mede niet op, maar wordt ontleed en drijft in kleine vlokjes
boven op, zulk water noemt men hard water, in tegenstelling
van water, dat wel schuimt met zeep (b.v. regenwater) en dat
• men zacht water noemt.
                                                          / /
_K0:trfew                                              I .. (j                                 f , , /
-ocr page 47-
,,:;,/                35 , ,, ..             „, f
Soms zay wanneer men hard water kookt, de opgeloste kalk \'
zich als ketelsteen afzetten, zoodat men dan zaelit water heeft \'
verkregen, dergelijk water noemt men voorbijgaand hard.
Rivierwater (aqua fluviatilis) is dicht bij de bronnen der ri-
vieren in den regel een tamelijk zuiver water, langs bewoonde,*., (/.
streken neemt het echter veelal vuil en afval op en is daardoor .
zonder voldoende zuivering onbruikbaar voor drinkwater en \'
voor aqua communis in de receptuur. Deze zuivering van rivier» . \'ê
en welwater geschiedt in het groot bij de waterleidingen onzer u^ ^
groote steden, en kan in het klein geschieden door filtratie • .
door onverglaasd porcelein. Dit geschiedt gewoonlijk door een
-.
bougie van Pasteur-Chamberland ffig. 6), welke bestaat uiteen
van boven gesloten hollen eylinder, omgeven door een metalen
huls; liet water wordt van buiten af binnen in den eylinder
geperst en vloeit bij « af.
Onder mineraalwateren verstaat men: natuur-
lijk voorkomende wateren, die door bepaalde
stoffen, welke daarin opgelost zijn, of door do
hoogere temperatuur, waarmee zij uit de bronnen
komen, een geneeskrachtige werking hebben.
Men onderscheidt v.n.:
a.    Zv.urwatercn, die door een groot gehalte
vrij koolzuur bij het uitschenken opbruisen;
b.    Alkalische wateren bevatten bovendien nog
natriumbicarbonaat;
                                 "V" \'
c.    Bitterwateren met veel magnesiumzouten;
d.   Zwavelwateren met zwavelwaterstof;
e.    Zoute wateren. (Solen) met keukenzout en
zouten van Broom en Jood;
Fig. (5.
f.    Staalwateren, die ijzerzouten bevatten ;
g.    Thermen met hoogere temperatuur.
Zeewater is zeer onzuiver, het bevat ongeveer 2,7% keuken-
zout benevens tal van andere zouten, zoodat het gehalte aan
vaste stoffen ongeveer 3,5 o/o bedraagt.
Als drinkwater gebruike men slechts water, dat helder, klcur-
en reukeloos is, een frisschen smaak heeft (door opgelost kool-
dioxyde) en dat geen ammoniak of salpeterig zuur en slechts
-ocr page 48-
.\'!(}
sporen chloor-, zwavelzure- of salpeterzure zouten bevat, en dat
vooral zeer weinig organische stof bevat.
Verscheidene zouten bevatten, wanneer zij uit waterige op-
lossingen zijn afgescheiden (uitgekristalliseerd), nog een of meer
moleculen water, die chemisch met die zouten zijn verbonden,
en die zij bij verwarmen, of soms ook reeds bij bet bewaren
in droge lucht, verliezen. Zulk chemisch gebonden water noemt
men kristalwater, daar de kristalvorm van vele zouten door
verlies van dit water verloren gaat en dus bet voorkomen in
kristallijnen toestand bij die zouten afhangt van bet kristal-
water. Verbit men deze zouten zóó sterk dat zij bun kristal-
water verliezen dan vallen zij in poeder uiteen en verliezen
soms tegelijk hunne kleur (sulfas cupricus, sulfas ferrosus).
Stollen, die reeds bij de gewone temperatuur aan droge lucht
hun kristalwater verliezen, verweeren, zooals men dat gewoonlijk
uitdrukt.
                      • .
De hoeveelheid kristalwater van de zouten wordt zóó uitge-
drukt dat men aangeeft hoeveel moleculen water zich met één
molecule van een zout hebben verbonden. Gewoonlijk schrijft
men achter de formule van het zout het aantal moleculen
HoO <>f uq (afkorting van aqua) bijv. FeS04 7 aq. In de
Ed. I onzer Pharmacopee werd door het achtervoegsel cum
aqtin
aangegeven, dat het gekristalliseerde zout werd bedoeld.
Het kristalwatergehalte is bij de verschillende stollen zeer
verschillend, bijv.:
1 molecule bevatten acidum citricum, tartarus stibiatus.
2
moleculen
3
:;
4
»
5
»
—
t
;>
10
))
12
0
2 f
\'5
„            „ oxalicum, chloretum baryticum
phosphas calcicus.
„ acetas phunbicus, ace tas natricus.
„ tartras kalico-natricus.
„ sulfas cupricus, byposulfis natricus.
„ sulfas ferrosus, — zincicus, — magncsicus.
„ biboras natricus, carbonas natricus, phos-
phas natricus, sulfas natricus.
„ chloretum ferricum.
„ sulfas. kalico-aluminicus.
Waterstofperoxyde, H202 Peroxydum Hydrogenii, Hy-
drogenium peroxydatum komt in zeer kleine hocveelbe-
-ocr page 49-
il J S
H
1,
37
den voor in de lucht. Men kan het verkrijgen door Bariumpèr
oxvde HaOo te ontleden met zwavelzuur:
                       f • ^ l-ft
Ba02 HoS()4 = BaS04 H202.U Clu          \\i,\'^
In zuiveren toestand heeft men deze stof nog niet verkregen;
men gebruikt gewoonlijk de waterige oplossingen als bleek-
middel voor haren, veeren, ivoor enz. en voor het schoonmaken
van oude schilderijen. Deze zijn meest donker geworden, doordat
het loodcarbonaat uit de verf is overgegaan in zwart zwavellood.
door hierop H2( )> te laten inwerken wordt dit weer geoxydeerd
tot wit loodsulfaat. -,
~1
ZWAVEL, SULFUR.
S = 32.
t
Dit bi valente element komt in vrijen of gedegen toestand in
groote hoeveelheden voor op Sicilië, in Spanje, Mexico en
Japan in de nabijheid van werkende of uitgewerkte vulkanen.
Aan zuurstof gebonden komt het voor als zwaveldioxyde en met
waterstof gebonden als zwavelwaterstof in vulkanische dampen.
SO.
Fig. 7.
Gebonden aan metalen treft men het aan als sulfiden, die
naar hunne bijzondere eigenschappen weer worden verdeeld in
-ocr page 50-
kiezen, glanzen 01/ blenden; verder als zwavelzure zouten of
sulfaten zooals gips, zwaarspaat enz., ook in het planten- en
dierenrijk vindt men soms zwavel, zooals in knoflook, asa
Joetida en in eiwit. C , *T, Vb < cl/Xi-i 0-
AjW ~"
Verreweg de meeste zwavel komt uit Italië, waar de in de
natuur voorkomende zwavel eerst zeer ruw wordt gezuiverd.
Binnen een metselwerk met schuin afloopenden bodem (fig. 7)
wordt het zwavelbevattende erts los opgestapeld en dan beneden
aangestoken, een deel der zwavel verbrandt daarbij en doef de
rest smelten, die dan bij a in den vergaarbak d vloeit. Deze
zwavel, bekend als ruwe zwavel (sulfur griseurn), is voor phar-
maceutisch gebruik ongeschikt, zij moet verder gezuiverd worden.
Dit geschiedt door destillatie in een toestel als fig. 8. De ruwe
zwavel wordt in den ketel B gesmolten en dan gebracht in den
gietijzeren buis A, die zoo sterk verhit wordt, dat de zwavel
in dam]) overgaat, welke in een gemetselde ruimte wordt op-
gevangen. Wanneer men zorg draagt, dat de temperatuur van
deze kamer laag blijft, beneden het smeltpunt van zwavel, zal
-ocr page 51-
39                                             ru^Aii
de zwavel zich tegen de wanden als een fijn poeder afzetten,
dit poeder is bekend als gesublimeerde zwavel (mlfur subli-
matum)
of zwavelbloemen (flores sulfuris). Wordt de tempera-
tuur van deze ruimte liooger dan het smeltpunt van zwavel,
dan zal de zwavel smelten, en zich op den bodem verzamelen.
Deze gesmolten zwavel vangt men dan bij C op in conisch
toeloopende houten vormen, waaruit men na afkoeling de
zwavel in stangen, als z.g. pijpzwavel (mlfur in baculiti) ver-
krijgt.
<ies»blimecrdr zwavel is rn de I\'harnmeoper opgpn\'ö\'mcïr"öTtcTeï
<k> lij»>t van~ ^tott\'ert- ,-,dio m-^4e^havma<v»pe^ genoemd; mrrrr
tiivi bwhu\'M\'ii grjBT\' Zij doet zich voor als een fijn, eenigszins
kristallijn, citroengeel poeder, dat na bevochtiging met water
blauw lakmoespapier rood kleurt door aanhangend zwavelig-
zuur, dat bij de bereiding is ontstaan. Bovendien bevat, deze z.
zwavel als verontreiniging bijna steeds arsenik. vv^ ^ \'• \'• _J^l—r—~
Sulfur sublimatum vormt een bestanddeel van unguentum ^
sulfuratum compositum. Zij mag daarin niet door het gezui-^ \'
verde praeparaat worden vervangen. ,, (• _ \' ( clA 0tlJ ^
Om de genoemde verontreinigingen uit zwavel te verwijderen,          J
schrijft de Pharmacopce voor, haar te vermengen met water
en ammonia waarin arsenik en zwaveligzuur beide oplossen,
dan met gedestilleerd water af te wasschen, te drogen en
daarna te ziften. Men heeft dan een fijn citroengeel poeder,
dat oplosbaar moet zijn in verwarmde natronloog (oplossing ~,
van hydras natricus) en dat bij verbranding bijna niets mag
achterlaten. Zwavel smelt bij ongeveer 115° en kookt bij 440°.\'
Verhit men zwavel tot 250\' dan ontstaat een taaie donkere
massa, die niet meer uitgegoten kan worden, terwijl bij 3(HP
een donkere vloeistof ontstaat. Zwavel lost niet op in water t^ •
en spiritus, weinig in aether, iets meer in chloroform maar
vooral goed in zwavelkoolstof. Laat men deze oplossing \\ang-^H/^td\'
zaam verdampen, dan ontstaan mooi gevormde kristallen.
             ^i%
Houdt men een pijp zwavel in de warme hand, zoo hoort\'\'
men een knetterend geluid doordat de buitenste laag zwavel
door de warmte wordt uitgezet en wegens het geringe geleiclings-\\
vermogen voor warmte de binnenste niet, zoodat spleten in de^<V
massa ontstaan.
           , .r.                ^~           rr-~ ,••\' v, \' *35v5c2J
-ocr page 52-
40
Behalve de genoemde zwavelsoorten gebruikt men in de
Pharmacie nog de sulfur praecipitatum of lac sulfuris (neerge*
slagen zwavel of zwavelmelk), welke zuiverder is dan de sulfur
depuratum en fijner verdeeld. De bereiding van dit praeparaat
komt op liet volgende neer. Men kookt gesublimeerde zwavel
met geblusebte kalk en water in een ijzeren pot gedurende een
uur. daarbij ontstaat dan onder meer calciumpentasulfide,
eene verbinding van één atoom calcium met 5 atomen zwavel,
dus CaSs, die in bet water oplost; voegt men bij deze oplossing
zoutzuur, dan wordt genoemde verbinding ontleed onder afschei-
ding van zwavel:
CaS3 2HC1 = CaCl2 H2S 4S.
Het neerslag van zwavel, dat in de vloeistof ontstaat, wordt
op een linnendoek met water afgewasseben en dan gedroogd.
Deze zwavel moet gebeel oplossen in zwavelkoolstof.
In de tecbniek gebruikt men ruwe zwavel voor de bereiding
van zwavelzuur, gezuiverde voor de bereiding van buskruit,
lucifers enz.
Met zuurstof vormt zwavel twee verbindingen n.1.:
zwaveldioxyde K02 en zwavel trioxydc SO3.
Zwaveldioxyde ontstaat bij de verbranding van zwavel, bet is
een kleurloos gas met een prikkelende reuk, dat de adeinbaling
eerst belemmert en waarin dieren daarna stikken. In water is
het gemakkelijk oplosbaar onder vorming van een zuur reagee-
rende vloeistof, bet zwaveligzuur H0&O3:
S02 H20 ="H28()a.
Zwaveligzuur, acidum sufurosum, wordt niet als zoodanig in
de receptuur gebruikt, soms gebruikt men enkele zouten, sal-
Jieten,
b.v. sulfis natrieus NaoSOjj, dat gemakkelijk in water
oplost. Voegt men bij eene oplossing van dit zout een zuur
dan wordt bet ontleed onder vrij worden vaü/Jw\'aveldioxyde:
Xa2S()3 2HC1 = 2XaCl H20 Sb*
Men gebruikt zwaveldioxyde tot bet bleeken van gekleurde stof-
fen, als antisepticum, tot het dooden van schimmels en 1 >acterieën
(zwavelen van flesschen) en tot het blusschen van schoorsteen-
branden. Wanneer men n.1. onder den schoorsteen zwavel ver-
brandt dan ontstaat zwaveldioxyde, dat de lucht uitdrijft en zelf
de verbranding niet onderhoudt. Door gebrek aan zuurstof zal de
1 \'^\'W^{cuJ(. .
-ocr page 53-
41
brand dus uitgaan. Onder bepaalde omstandigheden kan zwa-
veldioxyde nog meer zuurstof opnemen en ontstaat zwaveltri-
oxyde S()3. Deze stof komt voor in lange doorschijnende kiïs-
tallen, die in water met een sissend geluid oplossen onder
vorming van zwavelzuur:
S03 H2() = H2SO4.
Zwaveldioxyde en -trioxyde zijn zooals we zagen twee stoffen,
die zich chemisch met water verbinden tot zuren, dergelijke
stoffen noemt men anhydrieden of muranhydrieden, verkeerdelijk
ook wel watervrije zuren. Steeds zijn het oxydatieproducten
der metalloïden. De formules dezer anhydrieden kan men ge-
makkelijk afleiden uit die der (zuurstof bevattende) zuren. Men
onttrekt dan n.1. aan het zuur alle waterstof met zooveel zuur-
stof als noodig is om alle H te oxydeereu tot water, bijv.:
H2S04 - H.,0 = SO..
H2C03 - HgO = C02
Koolzuur
                    Kooldioxyde.
Wanneer het zuur een oneven aantal atomen waterstof bevat
zooals salpeterzuur HNO3, phosphorzuur H3PO4 enz., dan kan
men daarvan geen geheel aantal moleculen water afnemen, men
verdubbelt daarom de formule van het zuur, bijv.:
2HXO3 - H20 = X205
2H3P04 — 3H20 = P206.
Van zuren die geen zuurstof bevatten zooals zoutzuur, HC1,
kunnen geen anhydrieden bestaan.
Zwavelzuur. Acidum sulfuricum H2SO4.
In de natuur vindt men dit zuur in vrijen toestand in de
nabijheid van vulkanen, in gebonden toestand als zwavelzure
zouten of sulfaten. Zooals wij reeds zagen ontstaat het door
oplossen van zwavelzuuranhydried SO3 in water. Voor de ge-
wone bereiding van zwavelzuur volgt men echter een weg, die
wel op hetzelfde neerkomt als de genoemde, maar daarvan in
zooverre verschilt, dat men niet uitgaat van het zuivere anhy-
driede, maar van zwavel, welke men verbrandt tot zwavcldi-
oxyde; dit gas wordt in tegenwoordigheid van water, lucht
en salpeterzuur gemakkelijk geoxyrteerd tot zwaveltrioxyde,
dat daarbij tevens in het water oplost tot zwavelzuur.
De zwavelzuurfabrieken bestaan uit een oven waarin de zwavel
-ocr page 54-
42
wordt verbrand, het daarbij gevormde zwaveklioxyde wordt
gevoerd in een reeks kamers, die alle bekleed zijn met loodcn
wanden, daar dit het eenige metaal is, dat door het gevormde
zwavelzuur niet wordt aangetast, in deze kamers komt het
zwaveldioxyde in aanraking met waterdamp en wordt tevens
geoxydeerd door salpeterzuur, dat men in de kamers laat
vloeien, — zoodat S02 wordt geoxydeerd tot S03, dat dan
oplost in het water tot zwavelzuur. Dit zuur is echter nog zeer
verdund (wanneer de fabrieken goed zijn ingericht bevat dit
zuur geen stikstofverbindingen meer) en wordt vorder hl looden
pannen uitgedampt tot het een s.g. heeft van ongeveer 1,7,
i"\'\' overeenkomende met een gehalte van ongeveer 77 %• De ver-
i dere uitdamping geschiedt in retorten van platina, waarbij
«•n/ men een zuur verkrijgt van ongeveer 95 o/o met een s.g. 1,839.
^Ve
Gaat men uit van zuivere zwavel, dan is het zuur dat men
erkrijgt ook zuiver. Dikwijls echter gaat men uit van pyriet —
ëSo — die echter steeds arsenicum bevat, dat dan ook in het
zuur overgaat. Dit onzuivere zuur is bekend als vitriool, vitri-
, oólolie = oleum vitrioli (glasolie), acidum sulfuricum crudum,
jen mag natuurlijk in de receptuur niet gebruikt wordend-
Het zuivere zuur, in den handel bekend als Engelsch zwaveh
zuur, is een reukelooze, kleurlooze, olieachtige vloeistof. Dik-
wijls is het zuur wat bruin gekleurd, hetgeen wordt veroorzaakt
doordat in het zuivere zuur stukjes stroo of andere organische
stoffen zijn gevallen, aan deze wordt water onttrokken en de
achterblijvende koolstof kleurt het zuur bruin. Sterk zwavelzuur
is zeer hygroscopisch; tarreert men een bekerglas met dit zuur
op do balans en laat dit eenige oogenblikken staan, dan slaat
de balans door naar de kant van het zuur, daar dit door water-
aantrekking zwaarder is gewoiUen. Om deze reden gebruikt men
zwavelzuur in exsiccatoren.
Met alcohol en water is zwavelzuur in elke verhouding meng-
baar, bij dit vermengen ontstaat eene groote hoeveelheid warmte
en vermindering in volume (contractie). Om zooveel mogelijk
springen van het glaswerk, waarin de verdunning plaats heeft,
" of verdamping van de vloeistof (alcohol of water) te voorkomen,
giet men het zwavelzuur in een dunnen straal onder voortdu-
rend omroeren in alcohol of water en koelt het vat bovendien
-ocr page 55-
43
nog telkens af. Op deze wijze worden bereid: sulfas aethylicus
acidus cum spiritu
uit gelijke deelen alcohol en zwavelzuur en
acidum sulfuricum dihitum uit o deelen water en 1 deel zwa-
velzuur. Nooit mag men alcohol of water hij zwavelzuur gieten,
daar dan de vloeistof veel te hoog (tot 110°) verwarmd wordt.
Wanneer zwavelzuur op kleeren valt, bijt het daarin direct
gaten, doordat aan de weefsels water wordt onttrokken en deze
daardoor uit elkaar vallen, het zuur wordt daarbij dus alleen
verdund maar niet vernietigd, zoodat, wanneer het niet direct
wordt uitgewasschen, het wegvretcn verder zal gaan.
Zwavelzuur mag alleen afgeleverd worden in flesschen met
glazen stop, kurk wordt er door aangetast en het zuur zelf
gekleurd. Zooals de naam reeds aangeeft is zwavelzuur een
zuur, het bevat dus waterstof, die door metalen kan worden
vervangen, en wel, zooals \\iit de formule blijkt 2 atomen.
Wordt in een zuur waterstof door een metaal vervangen (hetzij
geheel of gedeeltelijk) dan ontstaat een zout. Worden alle ver-
vangbare waterstofatomen vervangen, dan ontstaat een normaal
zout
, worden één of meer atomen H niet door een metaal ver-
vangen dan ontstaat een zuur zout. Men geeft aan deze verbin-
dingen den naam van zure zouten, omdat zij nog waterstof
bevatten, die door metalen kan worden vervangen, dus omdat
zij gedeeltelijk nog het karakter van een zuur bezitten.
Bepalingen.
10. Een zuur is een waterstofverbinding, waarvan de water-
stof geheel of gedeeltelijk kan worden vervangen door een metaal;
2^. Een zout is een zuur, waarin de waterstof geheel of ge-
deeltelijk is vervangen door een metaal;
3°. Een normaal zout is een zuur, waarin de vervangbare
waterstof geheel is vervangen door een metaal;
é\'K Een zuur zout is een zuur, waarin de vervangbare water-
stof gedeeltelijk is vervangen door een metaal.
Blijkens hetgeen wij bij de valentie (pag. 13) opmerkten,
kan één atoom waterstof slechts worden vervangen door één
atoom van een univalent element. Willen wij dus de formule
vinden van kaliumsulfaat, het normale kalizout van zwaveh
zuur, dan zullen twee atomen kalium de plaats der waterstof"
-ocr page 56-
44
atomen moeten innemen, dus de formule van kaliumsulfaat
wordt K2SO4, zóó vinden wij voor natriumsnlfaat Na^SC^, voor
zilversulfaat A^O^ enz. Eén atoom van een bivalent element
neemt de plaats in van 2 atomen waterstof, dus de formule
van calciumsiüfaat zal zijn CaS<)4, van loodsullaat 1\'bSO., enz.
[Eén__atoom van een trivalent element l>ijv. van Bismuth
neemt de plaats in van 3 atomen waterstof, in zwavelzuur zijn
slechts 2 atomen waterstof aanwezig, dus de formule van Bis-
muthsulfaat zou worden Bi\'-/:1S( )4. [Gedeelten van atomen bestaan
echter niet, daarom ncmeif wij 3 moleculen zwavelzuur en ver-
vangen de daarin voorkomende (> atomen waterstof door 2
atomen__Bismuth, de formule wordt dus Bio(S(>4);j of meer uit-
gewerkt
SSO4
r\\>4
Zoo zal men, om een zout van een quadrivalent element te
vormen, 2 moleculen zwavelzuur moeten nemen en de daarin
aanwezige 4 atomen waterstof door één atoom van dit element
vervangen enz.
Wanneer wij zure zouten van zwavelzuur willen vormen, ver-
vangen wij slechts één atoom waterstof door een metaal, dus
zal de formule van zuur kaliumsulfaat worden
KHSO4 of ït/S04.
Calcium is bivalent en zal dus 2 atomen waterstof vervangen;
om de formule van zuurcalciunisulfaat te vormen zullen we
dus 2 moleculen zwavelzuur moeten nemen, en in elk 1 atoom
waterstof vervangen. De formule wordt dan aldus:
/SOi
Cav
H
>>,
De zouten van zwavelzuur worden sulfaten genoemd, die van
zwaveligzuur, welke op dezelfde wijze worden gevormd als die
der sulfaten, noemt men sulfieten.
-ocr page 57-
45
Behalve het gewone of engelsch zwavelzuur bestaat nog het
rookend of Nordhauser zwavelzuur (acidum sulfuricum fumans)
HoSoOj, dat te beschouwen is als eene verbinding van SO3
met HoSO.,.
Men bereidt het door watervrije ijzervitriool (sulfas ferrosus)
te destilleeren en het daarbij vrijkomende SO3 in zwavelzuur op
te vangen, het ijzeroxyde, dat bij deze destillatie achterblijft
wordt onder den naam doodekop, (caput mortuum, colcothar)
gebruikt als kleurstof en om metalen te polijsten.
Rookend zwavelzuur is een dikke olieachtige vloeistof, meestal
eenigszins bruin gekleurd door organische stoffen, die aan de
lucht witte dampen van zwaveltrioxyde uitstoot, welke zich
met het water uit de lucht weer verbinden tot zwavelzuur.
Men gebruikt rookend zwavelzuur o. a. om indigo op te lossen.
Van de overige zuren, die zwavel in verbinding met waterstof
en zuurstof kan vormen, is nog voor de Pharmacie van belang
het onderzwaveligzuur, acidum hyposulfurosum, II2S2<),>, (^at
niet in vrijen toestand bekend is, maar waarvan het natrium-
zout Xa2S2()3, hyposulfis natricus, voornamelijk wordt gebruikt.
Men verkrijgt dit zout door een oplossing van sultis natricus,
Na2SO;! te koken met /wavel:
N£503 S = XaoSoO;..
Voegt men bij de oplossing van dit zout een zuur, dan
wordt het ontleed onder vorming van zwaveldioxyde, zwavel
en een zout van het toevoegde zuur, met zwavelzuur zal de
ontleding plaats hebben volgens de vergelijking:
Xa2S208 H9SO4 = Xa2S04 H20 S 802.
Een andere, hoogst belangrijke verbinding van zwavel is die
met waterstof, bekend als zwavelwaterstof (acidum hi/drosul/uricum)
H2S. Men vindt deze verbinding in de natuur bij ^Tcen in de
z.g. zwavelwateren, verder ontstaat zij bij de rotting van z\\va-
velbevattende organische stoffen. Voor de bereiding gaat men
gewoonlijk uit van zwavelijzer FeS, dat men ontleedt door
zwavelzuur of zoutzuur:
FeS H2S04 = FeS04 H2S.
FeS 2 HC1 = FeCl2 H2S.
Daar zwavelwaterstof een belangrijk hulpmiddel in de schei-
kunde is, tot het herkennen van vele metalen en enkele
-ocr page 58-
46
metalloïden, heeft men toestellen geconstrueerd, waarmede men
in staat is, dit gas direct uit de verbindingen te kunnen
bereiden, zonder dat men veel hinder heeft van den reuk.
Zwavelwaterstof is een kleurloos, vergiftig gas, dat riekt naar
rottende eieren. Het heeft de eigenschappen van een zwak zuur,
zoodat het met vele metalen zouten vormt, die onder den naam
sulfiden of zwavelmetalen bekend zijn. Vele van deze zouten ont-
staan ook door directe vereeniging van de metalen met zwavel.
Zwavelwaterstof wordt veelvuldig als reagens gebruikt in de
analytische chemie, d. i. dat gedeelte der scheikunde, dat zich
bezig houdt met de ontleding der stoffen en het bepalen van
de elementen, waaruit eene stof bestaat.
Hiertegenover staat de synthetische chemie, die de samenstelling
der stoffen leert kennen door deze uit de elementen op te bouwen.
Reagens noemt men in de scheikunde elke stof. die bij
samenbrengen, verhitten enz. niet een andere duidelijke ver-
schijnselen (neerslag, kleursverandering) te voorschijn brengt,
waaraan de eerstgenoemde stof met zekerheid kan worden
herkend. De bewerking zelve heet reayeeren, de verschijnselen
die men waarneemt reactie.
Een geheele reeks metalen, als goud , tin, zilver, kwik, lood,
koper, bismuth benevens de metalloïden arsenicum en anti-
monium worden uit hunne zure oplossing door zwavelwaterstof
als sulfiden neergeslagen (geprecipiteerd), andere als ijzer,
mangaan, zink enz. worden uit eene alcalische oplossing gepre-
cipiteerd, en nog andere als calcium, barium, strontium,
magnesium, kalium en natrium worden niet neergeslagen.
Sommige van deze sulfiden hebben een karakteristieke kleur, f
zoo is zwavelarsenik geel, zwavelstibium oranje enz.^
In water is zwavelwaterstof tamelijk goed oplosbaar (1 L\'
water lost 3 L. van het gas op) tot \'eene kleurlooze, zwak zuur
reageerende vloeistof, die onder den naam zwavelwaterstofwater
(aqua hydrosulfurata) wordt gebruikt.
QH                       NOMENCLATUUR.            <-W c^u^Wva ,
(\\
Wij hebben thans reeds met verschillende elementen en ver-
bindingen kennis gemaakt en moeten thans in \'t kort nagaan
hoe zij hunne namen hebben verkregen.
-ocr page 59-
47
De namen der elementen zijn willekeurig gekozen. Elementen,
die reeds langen tijd bekend zijn, hebben hunne oude namen
behouden zooals natrium, kalium enz., al werden ook met deze
namen vroeger meer speciale verbindingen dan de elementen
zelve aangeduid. De later ontdekte, als chloor, broom en jood
heeft men genoemd naar duidelijk waarneembare eigenschappen,
zoo beteekent chloor groen, broom stank en jood violet, ter-
wijl aan de nieuwst ontdekte elementen den naam gegeven is
van het vaderland van den ontdekker als Gallium, Germanium
en Austrium.
De namen der binare verbindingen (dat zijn de verbindingen,
die uit twee elementen bestaan) werden vroeger in het Neder-
landsch gevormd door de namen der elementen met elkaar te
verbinden.
Zoo noemde men NaCl: chloornatrium, KBr: broom kalium,
K2S: zwavelkalium. Tegenwoordig noemt men
de chloorverbindingen — chloriden,
V
broom
»
jood
:>
rluor
zwavel
5J
zuurstof
Zoomede dus
NaCl
„           — bromiden,
„           — jodiden,
,,           — fluoriden,
„           — sulfiden,
„           — oxyden.
Na(\'l — natriumchloride,
K15r — kaliumbromide,
KJ — kaliumjodide,
K2S — kaliumsulfide,
KoO — kaliumoxyde.
De latijnsche nomenclatuur dezer verbindingen is ook zeer
eenvoudig: [de naam van het metalloïde met den uitgang um
of etum wordt "als substantief gebruikt en daarop volgt een
adjectief, dat gevormd is uit den naam van het metaal met den
uitgang icum (daar het substantief dat voorafgaat onzijdig is).7
NaCl wordt dus chloretum natricum.
KJ
         „ „ jodetum kalicum.
K2S „ „ sulfuretum „
KoO „ „ oxydum „
Soms komt het voor, dat één element zich met twee verschib
lende hoeveelheden van een ander element verbindt, zoodat
-ocr page 60-
geheel verschillende \'verbindingen onstaan. De .verbindingen,
die dan relatief de tfmikekt hoeveelheid metaal" bevatten noemt
men chloruren, bromuren, joduren, sulfuren.cp oxydulen, en
die welke de
                 hoeveelheid metaal bevatten chloriden,
bromiden enz.
Hij de latijnsche nomenclatuur verschilt de uitgang van het
adjectief, voor de. verbindingen met relatief de gwotete hoe-
veelheid metaar gaat dit uit op osum, bij die met de Weinslu \'
hoeveelheid metaal op icum, bijv.:
ïo^\'h kwikcnloruur. —• Chloretum hydrargyrosum.
HgClo kwikchloride. —•
         „          hydrargyrienm.
HgoJo kwikjoduur. — Jodetum hydrargyrosum.
Hg.J2 kwikjodide. —
         „          hydrargyrienm.
Fe() ijzeroxydule. — Oxydum ferrosum.
Fe^O.-j ijzeroxyde. — „
          ferricum.
De latijnsche namen der zuren worden gevormd uit het sub-
stanticf acidum (zuur) gevolgd door een adjectief, dat gevormd
is uit de zuurvormende stof met den uitgang icum, bijv.;
zwavelzuur, acidum sulfuricum, afgeleid van sulfur,
phosphorzuur, „ phosphoricum, „
         „ phosphorus,
benzoëzuur,           „ benzoïcum,             „         „ benzoë,
azijnzuur,              „ aceticum,               ,,         „ acetum.
Hij de waterstofverbindingen van chloor, broom, jodium en
nuorium welke ook zuren zijn (zie bij de Halogenen) wordt
nog liet woord hydro voor het adjectief geplaatst, dus acidum
hydrochloricum, — hydrobromicum enz.
Wanneer van één element 2 zuren bestaan met verschillend
zuurstofgehalte, dan geeft men die verbinding, welke de minste
zuurstof bevat, den uitgang osum, bijv.:
H0SO3 = acidum sulfurosum,
HoS04 =
)!
sulfuricum,
HXO., =
>!
nitrosum,
HXO3 =
"
nitricum,
IT3AsO:,=
)>
arsenicosum,
H3As04 —
!>
arsenicicum,
H3I\'0, =
JT
phosphorosum,
H3P04 =
))
phosphoricum.
-ocr page 61-
49
Wanneer er bovendien nog zuren bestaan, die relatief nog
minder zuurstof bevatten, dan plaatst men vóór het adjectief
het voorvoegsel hypo, bijv.:
H2S2O3 = acidum hyposulfurosum,
H3PO2 = ,. hypophosphorosuni.
Basen zijn, zooals we op pag. 18 zagen, verbindingen van ba-
senvormendc (metaal-)oxyden met water, of anders uitgedrukt:
verbindingen van metalen met één of meer groepen hydroxyl.
Het aantal hydroxylgroepen, waarmede een metaal zich kan
verbinden, hangt of van de valentie van het element. Daar het
radicaal OH univalent is, zal het metaal zooveel groepen OH
kunnen binden, als het cijfer der valentie aangeeft, dus:
bij een univalent metaal als kalium is de base KOH,
.. bivalent „
        „ calcium ,, .. „ Ca(OH)2,
.. trivalent ,, .. bismuth „ .. ., Bi(OH);!.
Voor een vollediger bepaling van basen moeten wij er nog
bijvoegen, dat het metaal van een base de waterstof van een
zuur geheel of gedeeltelijk kan vervangen, bijv.:
2 KOH H0SO4 = K2S04 2 H20.
Wanneer wij deze vergelijking nader beschouwen, zien wij
o.a., dat het metaal van de base zich heeft verbonden met
SO4, d. i. met het zuur zonder de verplaatsbare waterstof, eene
dergelijke verbinding noemt men een muirest, en dit brengt
ons nog tot deze bepaling: een base is een verbinding van een
metaal met één of meer groepen hydroxyl, welke door zuur-
resten kunnen worden vervangen.
De namen der basen worden samengesteld uit het substantief
hydras (hydraat, hydroxyde), gevolgd door een adjectief, dat
uit den naam van het metaal met den uitgang icvs is ge-
vormd, bijv.:
KOH = hydras kalicus,
Ca(OH)2 = hydras calcicus enz.
Zouten zijn zuren, waarin de waterstof geheel of gedeeltelijk
is vervangen door een metaal.
Wij onderscheiden:
normale zouten, waarbij alle vervangbare waterstof van het
zuur is vervangen door een metaal, bijv.: K2S04;
SciiRÖDER on DE ZAAI.IEK, Scheikunde.                                              4
-ocr page 62-
50
zure zouten, waarbij de vervangbare waterstof van het zuur
slechts gedeeltelijk is vervangen, bijv. KHSO4;
basische zouten, waarbij niet alle hydroxylgroepen der base
door zuurresten vervangen zijn, bijv.: (\'ik l,j ;
dubbclzouten worden gevormd, wanneer de waterstof van één
of meer zuurmoleculen wordt vervangen door meer dan ééfl
K \\        ,                                                acV/*1
metaal, bijv.: .. ^SOj. Kalinnmatriumsultaat, KL)Alo(S()4)4 (cl. i.
K2 SO4 en AU(S( )4);! tot één molecule verbonden), Kaliunialumini-
umsulfaat. Wij zouden dus ook kunnen zeggen: clubbelzouten
zijn t\\vee- of meerbasische zuren, waarin de vervangbare water-
stof door verschillende metalen is vervangen en ook verbindingen
van twee zouten van bet zelfde zuur.
De namen der normale zouten worden gevormd uit die der
zuren en der metalen of der basen.
Van den naam van bet zuur vormt men een substantief door
het woord ncidum weg te laten en van het adjectief den uitgang
icum te veranderen in as, bijv.:
van aciduni sulfuricum komt sulfas = sulfaat,
., nitricum ., nitras = nitraat,
.,         ,, salicylicum ., salicylas =: salievlaat,
,,         ., tartaricum ., tartras = tartraat,
,,         ,, citricum „ citras = citraat.
Bij de namen der zuren, die uitgaan op osum (pag. 48)
vormt men de substantieven door den uitgang is inplaats van
as., bijv.:
van aciduni sulfurosum komt sulfis = sultiet.
., ., nitrosum
          ., nitris =: nitriet,
„ ,, arsenicosum ., arseniis — arseniiet.
Op deze substantieven volgt het adjectief van de base, dus
de naam van het metaal tot adjectief gevormd door den uit-
gang icus.
kaliumsulfaat wordt dus sulfas kalicus,
zilvernitraat
           „ ,, nitras argenticus,
natriumnitriet ., ,, nitris natricus,
kaliumarseniiet ., ., arseniis kalicus enz.
-ocr page 63-
51
De namen «Ier zure zouten worden gevormd:
a. door achter den naam van het normale /.out het woord
acidus te plaatsen.
Koolzuur, HX\'O.j, is in het Latijn acidum carhonicum, de
naam van het normale natriunizout N^COg za\' dus zijn:
carbonas natricus. De naam van het zure zout, NaHCOg, wordt
dan carbonas natricus acidus;
h. door vóór den naam van het normale zout liet woord hl
(dubbel) te plaatsen, dus NalICC). wordt bicarbonas natricus
(dubbelkoolzure natron).
f Men kan deze woordvorming verklaren , indien men bedenkt.
dat in één molecule NaHCOj op 1 atoom natrium één zuurrest
CO3 voorkomt en in XogC\'Og op \'1 atomen natrium eveneens
één zuurrest OO3, dus in de eerste verbinding de dubbele
hoeveelheidTJ
e. doöfvóór den naam van het normale zout liet woord hydro
te plaatsen, bijv.: hydrocarbonas natricus. Deze laatste nomencla-
tuuris de beste, omdat daaruit tevens blijkt, dat in het zout nog ver-
vangbare waterstof (hydro is afgeleid van hydrogenium) voorkomt.
Ook de namen der basische zouten worden op verschillende
wijzen gevormd:
                                       ril-\'-\'--
a. door achter den naam van het neutrale zout het woord
basicus te plaatsen, bijv.: nitras bismuthicus basicus = basisch
bismuth nitraat;
h. door het woord sul» vóór het substantief te plaatsen, bijv.:
subnitras hismuthicus;
c. door basische zouten te beschouwen als verbindingen van
^l-A-C VH* %s(Ji
«rttisak* zouten met basen; dit geschiedde o.a. bij de oudere
nomenclatuur der basische carbonaten, bijv.:
basisch magnesuimcarbonaat = carbonas et hydras magnesicus,
., loodcarhonaat =
                 ..         .. .. plumbicus.
De namen der dubbekouten worden gevormd op de wijze als
die der rwnmnc zouten, maar dan uit de namen der beide
metalen, waarvan de eerste steeds in den ablativus staat, bijv.:
kaliumaluminiumsulfaat = sulfas kalico-aluminicus
of sulfas alummico-kalicus, •
kaliumnatriumtartraat = tartras kalico-natricus. enz. \\ \\
-ocr page 64-
52
DE HALOGENEN.
Tot deze groep brengt men vier univalente elementen:
Fluor atoomgew. li\'. Chloor atoomgew. 35.5, Broom atoomgew.
80 en Jood atoomgew. l\'$Lr>. Zij onderscheiden zich van alle
andere elementen door de volgende eigenschappen:
1° Met waterstof vormen zij direct zuren (halogeenzuren);
20 ,, metalen „ „ „ zouten (halloïdzouten).
Om deze laatste eigenschap noemt men deze groep van
elementen halogenen of zoutvormers.
De A-envantschap van deze elementen tot waterstof en metalen
neemt af met het stijgen van het atoomgewicht. Wanneer men
bij de verbindingen van broonl of jood met waterstof of met
metalen chloor voegt, dan worden broom en jood vrij gemaakt
en afgescheiden, evenzoo maakt br< lom jood uit de verbindingen vrij.
Juist omgekeerd is het ten opzichte van de zuurstof verbin-
dingen, de ailiniteit van jood is dan het grootst, van chloor
het kleinst. Voegt men bijv. jodium bij eene oplossing van
kaliumchloraat, dan ontstaat kaliumjodaat en chloor ontwijkt.
KC\'K);. .1 = KJ03 Cl.
Het atoomgewicht van broom is ongeveer de helft van de
som der atoomgewichten van chloor en jood (127 35,5) : 2 =
81,25. Ook in eigenschappen staat broom tusschen beide
elementen in.
De affiniteit van iiuor jegens waterstof is zoo groot, dat het
hoogst moeielijk is dit element uit verbindingen af te scheiden,
de afliniteit jegens zuurstof is uiterst gering.
CHLORIUM =1 CHLOOR.
Cl = 35,5.
In de natuur komt dit element niet in vrijen toestand voor,
dit kan ook moeielijk, daar het zich reeds bij de gewone tempera-
tuur met zeer vele stoffen verbindt. In verbindingen komt het
in zeer groote hoeveelheden voor, o.a. met natrium verbonden
als chloornatrium of keukenzout, dat _men in groote hoeveel-
heden verkrijgt uit zeewater en zoutmijnen, met waterstof
verbonden als chloorwaterstofzuur of zoutzuur, dat voorkomt
-ocr page 65-
53
^•w^ Ai -
in de dampen van vulkanen en voor ongeveer 0,2 O/o in ons
maagsap.
Bereiding: De verschillende methoden, waarop chloor gewoon-
lijk wordt bereid, berusten op de eigenschap van waterstof om
zich nog gemakkelijker met zuurstof te verbinden, dan met chloor,
feitelijk wordt dus de verbinding van chloor niet waterstof ge-
oxydeerd. De oxydatiemiddelen, die men hiervoor gebruikt.
zijn voornamelijk bruinstcen Mn()2, ehloras kalicus KCIO3 en
bichromas kalicus K2Cr20;. Do werking geschiedt volgens de
vergelijkingen:
Mn(\'), 4 Hete MnCl2 2 Cl 2 H20.
KCIO3 6 HC1 = K(*l" 3 H2() 6 Cl.
KijO^O| *^44 1IC1 = fl K^r <\'t^ Ol^^-Tfett^fcafcfil.
Meestal neemt men niet het vrije zoutzuur, maar chloor-
natrium en zwavelzuur, die door inwerking op elkaar zoutzuur
leveren: XaCl 1I2K()4 = XaHS04 HCl.
Eigenschappen: Chloor is een groengeel gas (de naam beteekent
groengoel) met een verstikkendon reuk. Het is niet brandbaar.
Fig. 9.
In water lost bij de gewone temperatuur ongeveer 2,3 volume
chloor op.
-ocr page 66-
54
(Jewoonlijk bereidt men het chloor uit bruinsteen on zoutzuur.
Men brengt daartoe in een glazen kolt" (lig. \'.*) stukjes bruinsteen
ter grootte van kleine knikkers, zóó, dat de kolf voor niet meer
dan de helft is gevuld en giet door den trechter sterk zoutzuur.
Zoodra wij dit mengsel op een zandbad of hoven een zacht
vuur verhitten, begint de chloorontwikkeling; het gas bevat
nog \\vat zoutzuur, daarom voert men het in een waschfleschje
met weinig water, waarin het zoutzuur oplost.
Met vele elementen gaat chloor direct verbindingen aan
(phosphorus, antimoon, tin), met sommige zelfs onder vuur-
verschijnselen, bijv. met onecht bladgoud, een legeering van
koper met zink. Met waterstof verbindt chloor zich in verstrooid
daglicht langzaam, plaatst men echter een mengsel van die
twee gassen in het directe zonlicht, dan heeft de vereeniging
onder ontploffing plaats. Onder den invloed van het zonlicht
werkt chloor ook ontledend op water, onder afscheiding van
zuurstof:
IL/) Cl2 — 2 IK\'1 O.
Op deze ontleding berust ook de bleekende werking van
chloor, de zuurstof, die hier in statu nascendi vrij wordt, werkt
ontledend op vele organische kleurstoffen.
Om deze eigenschap, dat chloor uit water zuurstof kan vrij
maken, behoort dit element tot de oxydatiemiddejen. Nog
eene andere reden is daarvoor echter aan te voeren. Wij be-
spraken reeds, dat de werking van zuurstof oxydeerend en
die van waterstof reduceerend is, oxydatic en reductie staan
tegenover elkaar.
Wanneer dus het toevoeren van zuurstof
oxydatic is, zal het onttrekken van zuurstof reductie zijn, en
wanneer het toevoeren van waterstof reductie is, zal het ont-
trekken van waterstof oxydatic zijn. Chloor werkt sterk water-
stof onttrekkend en is dus ook daardoor een oxydatiemiddel.
De verbindingen van chloor met metalen noemt men chloriden
on chloruren, die welke relatief het meeste chloor bevatten zijn
de chloriden, de andere de chloruren (zie pag. 48).
In water zijn de chloriden allo oplosbaar mot uitzondering
van zilverchloride AlK \'1, loodchlori\'lii PM \'U (moeilijk oplosbaar
mjvoud water, gemakkelijker in kokend) kwikchloruur (ealomel)
HgoClo en koperchloruur (\'u^CL.
-ocr page 67-
55
Deze stoffen zullen als neerslagen ontstaan, wanneer men bij
oplossingen van nitras argenticus, aeetas plumbicus of nitras
hydrargysosus voegt: chloorwater, zoutzuur of eene oplossing
van een chloride.
Chloorzilver is oplosbaar in ammonia, loodchloride in kokend
water en kwTkcTilorimr wordt zwart, wanneer men bet in aan-
raking brengt met ammonia.
Laat men chloor inwerken op calomel, dan wordt sublimaat
gevormd:
HgoCL CU = 2 HgCU.
Laat men chloor inwerken op bromiden of jodiden, dan worden
broom of jodium daardoor vrijgemaakt:
KBr (\'1 = KC1 . Br.
FeJ2 2(1 — VvCU 2 .\\.
Wanneer men chloor voegt bij ammonia, dan ontstaat ge-
makkelijk de zeer ontplofbare chloorstikstof:
NH3 (i SCI = :: HOI XC13.
In de receptuur gebruikt men chloor bijna uitsluitend nls>—U_
waterige oplossing: chloorwater = solutio chlorii = aqua \\
chlorata
= acidum muriaticum oxygenatum.
Deze o])lossing wordt bereid door 01) een der aangegeven
wijzen chloor te bereiden (meestal uit hruinstcen en zoutzuur),
dit van het aanhangende zoutzuur te bevrijden, door het door
een waschfieschje met weinig water te voeren en het dan te ,
leiden in een flesch, die met zooveel mogelijk luchtvrij, dus*^1?}
het best uitgekookt, aqua destillata voor - :> is gevuld. Zoodra de
ruimte boven het water een intensief geelgroene kleur heeft aaiW/u,
genomen, vervangt men de flesch door eene andere en schudt de
eerste flesch eenige malen krachtig om, teneinde het chloor,
dat boven het water staat nog in oplossing te brengen. Is dit
gas geheel opgelost, dan voert men opnieuw chloor in de vloei-
stof, schudt wederom en herhaalt dit zoo dikwijls, tot geen
chloor meer wordt opgenomen.
Chloorwater is een heldere, zwak geelgroene vloeistof, die
sterk naar chloor riekt, lakmoespapier terstond ontkleurt en
na verdampt te zijn niets achterlaat. Zij tast kurk aan, en
geeft aan de lucht gemakkelijk chloor af, zoodat men haar het
best bewaart in kleine stopllesschen, die men buiten het dag-
-ocr page 68-
56
licht plaatst. Wanneer men de oplossing aan het daglicht
bewaart, wordt zij ontleed volgens de vergelijking:
HoO 2 Cl = 2 1FC1 O.
In het zonlicht heeft deze ontleding nog spoediger plaats.
Het chloorgehalte van de oplossing moet minstens 0,39 o/o
bedragen. Wanneer solutio chlorii in de receptuur wordt A-oor-
geschreven, denke men er aan, dat zij, hoewel in minder
hevige mate, dezelfde chemische werking uitoefent als chloor;
dat zij metalen, o. a. balansen aantast en dat zij zeer vluchtig is.
Met waterstof vormt chloor ééne verbinding: HC1 of chloor-
waterstof, dat o. a. in vulkanische gassen vrij voorkomt.
De gewone bereiding van dit gas geschiedt door een chloor-
metaal, v. n. chloornatrium te ontleden door zwavelzuur, wij
kunnen deze ontleding voorstellen door de vergelijkingen:
NaCl H2SO4 = HC1 NaHS04,
of 2 NaCl ~]I2S<>4 = 2 11(1 NajjSO*.
Alleen bij hooge temperatuur heeft de laatste reactie plaats.
Chloorwaterstof is een kleurloos, zuur smakend gas met een
prikkelenden reuk, het kleurt blauw lakmoespapier rood, is
niet brandbaar en onderhoudt de verbranding niet. Het rookt
aan de lucht, het onttrekt er n.1. water aan en vormt hiermede
een minder vluchtige verbinding, die als damp neerslaat.
In water lost het gas zeer gemakkelijk op (bij lö° (\'. lost
450 L. HC1 o]) in 1 L. water) en vormt daarmede een sterk
zure, aan de lucht dampen afgevende vloeistof, met een s.g.
1,212 en die 43 O/o (gewichtspercenten) HC1 bevat.                    .
W
De waterige oplossing van chloorwaterstof noemt men chloor
waterstofzuur
of zoutzuur (acidum hydrochloricum, acidum
muriaticum).
Verwarmt men deze vloeistof, dan geeft zij zóó
lang chloorwaterstof af tot de rest nog 20o q gas bevat. deze
overblijvende vloeistof destilleert bij 110° zonder ontleding over,
omgekeerd ontwijkt bij meer verdund zoutzuur zóó lang water,
tot de vloeistof 200\'0 Ht\'1 bevat. Verdund zoutzuur (zie later)
behoort dus bij de receptuur tot de nict-vluchtige vloeistoffen.
Zoutzuur lost vele metalen op onder vorming van chloriden;
de edele metalen, zilver, goud, kwikzilver en platina worden
-ocr page 69-
er echter niet door aangetast. Bij de werking van HC1 op
metalen ontstaat tevens waterstof; werkt zoutzuur in op oxyden,
hydroxyden, sulfiden of carbonaten der metalen, dan ontstaan
ook de chloriden dier metalen, maar tevens ontstaan water,
zwavelwaterstof en kooldioxyde. Wij kunnen deze reacties voor-
stellen door de volgende vergelijkingen:
Zn 2 IK\'1 = ZnCl2 2 II.
Zn() 2 IK\'1 = Zn(\'l2 H20.
Zn(()II)2 2 HC1 = ZnCU 2 H20.
ZnS 2 IK\'1 = Zn(\'l2 H2S. wA}
Zn(\'(>3 2 IK\'1 = Zn(\'l2 R^TTT^
5n den handel onderscheidt men:
Acidum hydrochloricum cruduin, ruw zoutzuur, dat als bijpro-
duct bij de sodafabricatie in groote hoeveelheden wordt verkregen;
het is eene veelal gele vloeistof, verontreinigd door chloor, z\\vavel-
zuur, arsenicum en ijzer.
Acidum hydrochloricum, zoutzuur, bet zuivere zuur. dat in
de apotheek voorkomt als een helder, kleurloos vocht s. g.
1,126, en dat 2öo 0 IK\'1 bevat. Het moet o.a vrij zijn van de
genoemde verontreinigingen van het ruwe zuur.
Uit dit zuur wordt bereid: acidum hydrochloricum dilulum
= acidum muriaticum dilutum, verdund zoutzuur, door het
te vermengen met eene gelijke hoeveelheid aqua destillata. Dit
zuur heeft een s. g. 1,0(52 en bevat (12,5o/0 HC1.K•\'<<\'<\'rU-ncn
Tabel XI der pharmacopee geeft de soortelijke gewichten en
bet daarmede overeenkomend gehalte aan zuur of alkali van
verschillende vloeistoffen aan, o.a. ook van zoutzuur. _______>^,
De verbindingen vim chloor met zuurstof, (\'120 chloormon^ , TJ\\
oxyde en t\'Ufo chloorCHoxyde zijn voor ons slechts van belang, i
omdat het anhydrieden zijn. van zuren, (\'hloormonoxyde yovmt,.c^t"
met water onderchloriyzuur, acidum hypochlorosum ÏK\'K):
            ot.Q . t
CU) H2() = 2 IKK).
Dit zuur is niet anders bekend dan in oplossing en in ver-
binding met metalen als zouten, de hypochloriten, die wegens
hunne bleekende werking worden gebruikt. Deze zouten worden
door zuren ontleed, waarbij chloor vrij wordt.
(\'hloorzuur, acidum chloricum is ook alleen in oplossing en
met metalen verbonden tot zouten bekend. De zouten van dit
-ocr page 70-
58
zuur Loeten chloraten, liet meest bekende chloraat is het
kaliumchloraat of chloras kalieus KCIO3, dat ontstaat, wanneer
men chloor leidt in een warme geconcentreerde oplossing van
hydras kalieus :
                                             • j., .\' 1» cU
1; KOH (i (\'1 = K(\'l();, ó KCI 3n2<).
De chloraten hebben alle de eigenschap van hunne zuurstof
gemakkelijk af te geven, wanneer zij in aanraking komen met
brandbare» of gemakkelijk oxydeerbare lichamen als koor, zwa- i.
vel. plmsphorus, suiker, plantenjioeders en organische stoffen.
Men zij dus uiterst voorzichtig bij het vermengen van chloras
kalieus niet een der genoemde stoffen, daar hevige ontploffingen
hierbij kunnen plaats vinden.
Wordt chloras kalieus verhit bij niet te hooge temperatuur
dan ontstaat eerst KCIO4 kaliumperchloraat (een zout van
HClOj, overchloorzuur), dat bij sterkere verwarming ontleedt
in chloretum Uijlicimi en zuurstof. #0
Wij hebben aangaande de verbindingen van liet element
chloor dus het volgende gezien:
1" niet metalen verbindt liet zich tot chloriden of chloruren;
2" met waterstof vormt het chloorwaterstof, een zuur waar-
van de zouten eveneens weder chloriden en chloruren zijn;
30 niet zuurstof vormt het twee weinig belangrijke oxyden;
4fJ met waterstof en zuurstof vormt ]iet de volgende zuren:
HC10 onderchlorigzuur, ü<-%(-)
HCIO2 chlorigzuur (niet van belang), (Je O
HCIO3 chloorzuur, &^Oy
HCIO4 overchloorzuur. ai. c^v4w^\'(.<r v-
BROMIUM = BROOM.
Br = 80.
.
Dit vloeibare element komt niet vrij in de natuur voor, men
vindt liet echter in verbinding niet metalen (kalium, natrium
en vooral magnesium) in zeewater en in zoutmijnen naast
cliloornatrium. Vooral bij Stassfurt komt dit element in groote
-ocr page 71-
59
hoeveelheden als magnesiumbromide naast chloornatrium voor.
Uit deze broomverbinding kan men het element vrij maken
door chloor:
MgBr.j 2 Cl = MgC:i2 2 Br.
Door herhaalde destillatie kan men dit balogeen zuiveren.
Eigenschappen: Broom is een donkerbj;viuirüodc,_ vloeist»>t\'. die
reeds bij de gewone temperatuur zeer onaangenaam riekende
dampen afgeeft, welke de ademhalingsorganen hevig aantasten.
Het lost op in ongeveer 30 deelen water tot een roodbruine
vloeistof, ((qua bromata (broomwater) en is gemakkelijk op-
losbaar in zwavelkoolstof, aether en chloroform. Schudt men
eene waterige oplossing van broom met chloroform in een
reageerbuisje, dan wordt een groot deel van het aanwezige broom
door den chloroform opgenomen, zoodat zich onder in bet
buisje een donkerbruine vloeistof verzamelt. Doet men betzelfde
met eene oplossing van jodium. dan wordt de chloroform violet
gekleurd.
De chemische eigenschappen van broom komen overeen met
die van chloor, maar zijn zwakker. Met metalen vormt bet
bromiden en bromuren, met waterstof broom waterstof, waarvan
een 10°/o oplossing wordt gebruikt onder den naam broomiva-
(erstöjzuur of acidum hydrobromicum
HBr; broom waterstofzuur
moet eene heldere, kleurlooze vloeistof zijn. In aanraking met
de lucht wordt de vloeistof bruin door afgescheiden broom:
2 HBr O = 1LO 2 Br.
Daar broom vluchtig is en metalen gemakkelijk aantast, moet
men dit element niet anders afwegen dan in gesloten stoplles-
schen. Moet men bet in kleine hoeveelheden bij andere stoffen
voegen, bijv. voor de bereiding van brometum ferrosum, dan
geschiedt dit het best uit een scheitrechter.
                      -^^ ^^J^.
JODIl\'M = JOOD.
J = 127.
Jodium komt evenmin als de beide besproken halogenen vrij
in de natuur voor, daarvoor is de affiniteit jegens andere ele-
-ocr page 72-
60
meuten, hoewel minder sterk dan bij chloor en broom, nog te
groot. Men vindt het v. n. gebonden aan metalen in zeeplanten
en zeedieren, en in chilisalpeter. Voor de bereiding van jodium
uit zeeplanten (verschillende soorten Focus en Laminaria) worden
deze verbrand; de asch, welke achterblijft, wordt in Schotland
help en in Normandië varee genoemd en bevat 0,1—0,50 ,, jodium.
.Men maaktjderuit het element vrij door chloor of door bruin-
steen en »wH.veli«wr- ofwel, men ontleedt de joodverbinding met
chloretnm fcrricuni, waardoor ook al het jodium wordt vrij-
gemaakt:
2 NaJ ftFe2(,l0r=^FeC,l/ 2 NaCl 2 J.
Eigenschappen: \'Jood komt voor in kristallijne, grijsachtig-
zwarte, metaalachtig glanzende, eigenaardig riekende plaatjes, ^
die bij eenc zachte warmte in violette dampen overgaan.
.Zij zijn niet een bruine kleur oplosbaar in alcohol en aether
en met een violette kleur in zwavelkoolstof en chloroform.
HoverïdicjWpit dit nalogeen zeer gemakkelijk en snel op in
een geconcentreerde oplossing (1 — 2 bijv.) van jodetum kali-
cum en van andere joodmetalen. Hij verdunnen met water blijft
het element opgelost. In verdunde joodkali-oplossingen lost het
zeer langzaam op.
Jood kleurt stijfsel (anivlum) donkerblauw, de kleur verdwijnt
bij verwarming
, maar komt na afkoeling weer terug; dit is een
zeer karakteristiek kenmerk.
Jodium tast metalen gemakkelijk aan en is vluchtig, daarom
wege men het af tusschen twee horlogeglazen.
Jodium wordt gebruikt in de apotheek voor de bereiding van
solulio jodii spirituosa, eene .S0 0 oplossing van jodium in spiritus\'\'" 3
fortior. Hij de bereiding wordt do kleur der oplossing spoedig»*l0
donkerbruin, zonder dat echter al het jodium is opgelost, daar-
voor moet men langdurig schudden. Veel gemakkelijker ge-
schiedt de oplossing, wanneer men het jodium brengt in een
reageerbuisje zonder bodem, beneden afgesloten door een los
propje zuivere glaswol, en dit boven in de llesch niet spiritus
hangt, zoodat de spiritus met het jodium in aanraking is, de
zwaardere joodoplossing zal dan bezinken en telkens door spiritus
worden vervangen.
-ocr page 73-
(il
Vorder dient jodium voor de bereiding van jodetum ferrosum
(zie aldaar).
Met waterstof vormt jodium joodwaterstof HJ, waarvan ver-
schillende zouten, nl. jodiden en joduren in de Phannacie
worden gebruikt.
Met chloor verbindt jodium zich tot jodium trichloratumj^._
JClg, dat voorkomt in gele, gemakkelijk oplosbare kristallen.
Met broom verbindt jodium zich tot jodium tribroniatum, *^j
een roodbruine, zware vloeistof, die reeds bij gewone tempe-
ratuur broomdampen ontwikkelt.
                                      ,-}tiC*r\'J^J! •
<? u^ffA^^i^r fuoriim = «•«*•
Fl = 19.
In de natuur vindt men dit element voornamelijk als vlo?i-
spaat, calciumflïioride, CaFlo, liet komt verder in kleine
hoeveelheden voor in beenderen en in het email van de tanden.
Het is het sterkste halogeen en verbindt zich direct met alle
metalen, met goud en platina langzaam.
Voor ons is alleen van belang de verbinding mot waterstof
HF1 = Fluorwaterstof, waarvan men gebruik maakt om 01 >
glas te etsen. Men overgiet daartoe Fluorcabum met zwavelzuur
in een looden vat (lood wordt weinig aangetast) en legt daar*
boven een glazen voorwerp bedekt met een laag was waarop
de figuren, die men op het glas wenseht, met een puntig
voorwerp zijn geteekend. De waslaag wordt niet aangetast, op
de ontbloote plaatsen verbindt zich het 1IF1 met bet silicium
van het glas en geeft hierop matte figuren.
/
NITROGEXIl\'M = STIKSTOF.
N = 14.
De naam Yiitrogenium beteekent salpetervormer.
Voorkomen. In vrijen toestand vindt men stikstof in de lucht
die voor ongeveer 79o0 uit dit gas bestaat, gebonden treft men
-ocr page 74-
62
het aan in de salpeterzure zouten (nitraten) waarvan <>.a. na-
triunmitraat in groote lioeveelheden in Zuid-Amerika als z.g.
Chilisalpeter wordt aangetroffen. Stikstof is verder een bestand-
deel van eiwit, bloed, spieren en zenuwen en van fossiele/0 t
planten (steenkolen).
                                                                        ./
Bereiding. In de luclit komt stikstof voor hoofdzakelijk ge-
niengd niet zuurstof— men zal dus, door dit laatste element
aan de lucht te onttrekken, stikstof achter houden.
1° Wanneer men onder een met lucht gevulden glazen klok
die in een vat met water is geplaatst (tig. 10) een schaaltje
met hrandenden phosphorus
brengt, dan zal deze zich met de
zuurstof van de lucht verbinden
en in de klok houdt men stik-
stof achter.
20 Voert men lucht over gloei- \'
end koper, dan verbindt de zuur-
stof zich met het koper tot ko-
peroxyde en stikstof blijft over.
Ook uit sommige stikstofver-
bindingen kan men dit element
vrij maken o.a. uit salpeterigzure
ammoniak (nitris ammonicus)
door eenvoudige verhitting. Het
F<K- 10.
                       ontleedt daarbij in stikstof en
water:
NH,Xü2 = 2H20 N.2.
Eigenschappen: Stikstof is een kleurloos, reukeloos en sma-
keloos gas, het is niet vergiftig, maar in een atmosfeer van
zuivere stikstof sterven dieren door gebrek aan zuurstof. Het
verbindt zich moeielijk met andere elementen, het is, zooals
men dit gewoonlijk uitdrukt, chemisch zeer indifferent, Men
herkent dit gas eigenlijk alleen aan negatieve kenmerken, n.1.:
10 het onderhoudt de verbranding niet (onderscheid met
zuurstof);
20 het is niet brandbaar (onderscheid met waterstof);
MO het geeft, in kalkwater geleid, geen troebeling (onder-
scheid met kooldioxyde);
-ocr page 75-
4° het is ongekleurd en geeft geen neerslag met zilvernitraat
(onderscheid met chloor).
DAMPKRINGSLUCHT.
Zooals wij reeds opmerkten is lucht een mengsel, dat voor-
namelijk hestaat uit zuurstof en stikstof, vroeger, n.1. tot het
einde der vorige eeuw, werd lucht voor een element gehouden;
hij het bestudeeren der verbrandingsverscbijnselen is echter
gebleken, dat het een samengestelde stof is.
Nauwkeurige analysen van lucht hebben geleerd. dat zij
gemiddeld de volgende samenstelling heeft:
77,4ö vol. 0 o stikstof,
•20,77 .. .. zuurstof,
0,9 „ ,, argon i),
0,.s4 .. .. waterdamp,
0,04 ., ., kooldioxvde,
0,0001 ., .. ammoniak.
Het gewicht van 1 liter lucht bedraagt bij 0\' en een damp-
kringsdrukking van 760 m.m. 1,293 gram.
De verhouding tusschen stikstof en zuurstof in de lucht is
op bijna alle plaatsen der aarde dezelfde en onveranderlijk,
dit geeft dus aanleiding om de lucht voor een scheikundige
verbinding te houden. Op grond van de volgende eigenschappen
en verschijnselen blijkt zij echter een mengsel te zijn:
1° In de lucht hebben de zuurstof en de stikstof hare
oorspronkelijke eigenschappen behouden; brandende stoffen
bijv. blijven in de lucht doorbranden, maar door de gïoote
hoeveelheid stikstof langzamer dan in zuivere zuurstof. Was de
lucht een scheikundige verbinding, dan zou zij geheel andere
eigenschappen bezitten dan zuurstof en stikstof, terwijl zij nu
het gemiddelde toont van de eigenschappen dier beide gassen.
20 Mengt men zuurstof en stikstof in de verhouding, waarin
zij in de lucht voorkomen, dan wordt geen warmte ontwikkeld,
1) Argon is een kleurloos en reukelooa gas, dat als nieuw element in
1894 in ile lucht is gevonden.
-ocr page 76-
64
dit zou wel geschieden wanneer een chemische verbinding was
ontstaan. Het aldus gevormde mengsel komt geheel met damp-
kringslucht overeen.
8" De verhouding, waarin zuurstof en stikstof in de lucht
voorkomen, is anders dan de verhouding hunner atoomgewichten
of een eenvoudig veelvoud daarvan.
4\') Wanneer men lucht met water schudt, dan lossen zuurstof
en stikstof in eene andere verhouding daarin op, dan waarin
zij in de lucht voorkomen. Drijft men de in het water opgeloste
lucht door verwarmen weder uit, dan blijkt zij tot samenstelling
te hebben:
34,9 o 0 zuurstof en (15,1 ° o stikstof.
Zooals we reeds opmerkten is de samenstelling van de lucht
ongeveer constant, en dit niettegenstaande er elk oogenblik
groote hoeveelheden zuurstof worden gebruikt voor de adem-
haling van planten en dieren, voor de verbranding van steen-
kolen en andere brandstoffen en voor allerlei andere oxydaties.
Het kooldioxyde echter, dat bij de ademhaling en de verbranding
van brandstoffen ontstaat, wordt over dag (dus onder den
invloed van het zonlicht) door de chlorophylhoudende planten-
deelen opgenomen en ontleed in koolstof, die in de plant ge-
bonden blijft en in zuurstof, die weer in de lucht terugkeert.
Deze ontleding van kooldioxyde, die naast de ademhaling der
planten bestaat, noemt men assimilatie.
De belangrijkste verbinding van stikstof met waterstof is
ammonia NH3, dat in kleine hoeveelheden in de lucht voor-
komt en verder ontstaat bij de rotting van stikstofhoudende
organische stoffen. Voor de bereiding gaat men voornamelijk
uit van de ammoniakzouten, die men als bijproducten verkrijgt
bij de bereiding van lichtgas. Daar ammoniak een base is, zal
men haar uit de zouten vrij kunnen maken door er een sterkere
base. bijv. hydras ealcicus, bij te voegen, bijv.:
2NH4C1 C\'a(OII)2 = CaCl2 2H20 2NH3.
NH3 is een kleurloos gas, met een sterk prikkelenden, ge-
makkelijk herkenbaren reuk. In water lost het zeer gemakkelijk
op (1 L. water lost bij 0° 1050 L. ammoniak op); verwarmt
men de oplossing, dan wordt al het gas weer uitgedreven.
-ocr page 77-
65
Het gas onderhoudt de verbranding niet en is niet brandbaar.
f Zoowel in gasvormigen als in opgelosten toestand heeft hot gas
sterk basische eigenschappen, het verbindt zich met zuren tot
zouten, waarbij niet de waterstof van het zuur wordt vervangen,
maar deze zich verbindt met NH3 tot NH4 ammonium, een
radicaal, dat zich gedraagt als een atoom van een univalent
element, bijv.:
XH3 HC1 =z NH4CI ammoniumchloride,
2NH3 H2SO4 = (NH4)2S04 ammoniumsulfaat.
^ Wij zullen deze ammoniumverbindingen bespreken~ha de
verbindingen van kalium en natrium, waarmede zij in eigen-
schappen veel overeenkomst bezitten.
Voert men NH3 gas in water, dan krijgt men eene oplossing,
die ongeveer 36 0/0 van dit gas bevat en dan een s.g. heeft van
0,884. (Bij het oplossen van ammoniakgas in water wordt het
s.g. van de vloeistof des te lager naarmate meer gas is opgelost).
Deze vloeistof kunnen wij beschouwen als eene oplossing van
de base NH4OH (gevormd uit NH3 H20). Verdunt men haar
met zooveel water dat de oplossing 10 0/0 ammoniakgas bevat,
dan heeft men de ammonia liquida uit de apotheek.
Dit is een heldere, kleurlooze, zeer doordringend riekende
vloeistof, die een daarboven gehouden rood lakmoespapiertje
blauw kleurt. Het s.g. bedraagt 0,960.
Ammonia wordt o.a gebruikt bij de bereiding van linimentumv";;
ammoniae, solutii ammoniao spirituosa anisata en sirupus- er/" J^\\
extractum liquiritiae.
                                                       .<•<:.; (Jb_ /vut
Houdt men een glasstaaf, bevochtigd met zoutzuur, in de
nabijheid van de opening van een flesch met ammonia, dan
ontstaan witte nevels van chlorctum ammonicum.
Uit de oplossingen van vele metaalzouten slaat ammonia de
onoplosbare hydroxyden neer, bijv.:
Fe2ClG 6 NH4OH = Fe2(OH)G 6NH4CI.
Eveneens ontleedt het de zouten der alcaloïden (zie organisch
gedeelte) en slaat de veelal onoplosbare alcaloïden neer.
Wanneer men chloorgas leidt in eene overmate van ammo-
niakgas, dan ontstaat ammoniumchloride en stikstof ontwijkt:
2NH3 6C1 = 6HC1 2 N,
en verder: NH3 HC1 — NH4C1.
Schröder en PE zaaijer, Scheikunde.                                               5
-ocr page 78-
66
Is echter chloor in overmate aanwezig, clan wordt het ge-
vormde ammoniumchloride nog verder ontleed en ontstaan
zoutzuur en chloorstikstof:
NH4CI 6C1 = NCI3 4HC1.
Chloorstikstof is een zware olieachtige vloeistof, die bij zeer
zachte verwarming en dikwijls reeds bij aanraking heftig explo-
deert. Men zij daarom uiterst voorzichtig met het gereedmaken
van combinaties van chloorwater en ammonia.
Op dezelfde wijze ontstaan broomstikstof en joodstikstof, wan-
neer men ammonia voegt bij overmate broom of jodium; ook
deze beide stoffen ontploffen zeer gemakkelijk.
Met zuurstof verbindt stikstof zich in vijf verhoudingen, n.1.:
N20 stikstofoxydule
                  of stikstofmonoxyde,
NO stikstofoxyde                       „ stikstofdioxyde,
N203 salpeterigzuuranhydried „ stikstoftrioxyde,
N02 of X2O4
                                   stikstoftetroxyde,
X205 salpeterzuuranhydried „ stikstofpentoxyde.
Twee dezer verbindingen n.1. N2O3 en X205 zijn anh)-drieden
van zuren:
N203 H20 = 2HN02 salpeterigzuur,
N20-, H20 = 2HN03 salpeterzuur.
Stikstof en zuurstof verbinden zich niet gemakkelijk direct
met elkaar; de genoemde verbindingen worden meestal langs
Fig. 11.
den indirecten weg uit salpeterzuur bereid, zoodat wij deze
verbinding eerst zullen bespreken.
-ocr page 79-
67
Salpeterzuur HNO.i, acidum nitricum. In vrijen toestand
komt dit zuur niet in de natuur voor, wel in gebonden toestand
als nitraten, vooral als natriumnitraat of chilisalpeter. Dit zout
dient ook voor de bereiding; men maakt hierbij gebruik van
de eigenschap, dat salpeterzuur zwakker zuur is dan zwavelzuur
en dus uit de zouten door H2SO4 zal worden vrijgemaakt.
Voor de bereiding mengt men chilisalpeter met zwavelzuur
in een gietijzeren ketel (fig. 11) en verwarmt, daarbij destilleert
het vrijgeworden salpeterzuur over en wordt opgevangen in een
reeks steenen kruiken, waarin zich een weinig water bevindt,
hierin wordt het zuur gecondenseerd. Gewoonlijk krijgt men
op deze wijze een zuur van ± 60°/0. De werking van zwavel-
zuur op salpeter verloopt als volgt:
NaN03 H2S04 = HXO3 NaHS04.
Is er overmate salpeter voorhanden en wordt de temperatuur
bij de bereiding verhoogd, dan heeft ook nog de volgende
reactie plaats:
NaN03 NaHSC)4 = HN03 Na2S()4.
Gewoonlijk wordt hierbij echter de temperatuur zoo hoog,
dat een deel van het salpeterzuur ontleedt en roodbruine
dampen van NC)2 vormt, die in het reeds overgedestilleerde
zuur oplossen, en daarmee een roodgekleurde, aan de lucht
sterk rookende vloeistof vormen: liet rood rookend salpeterzuur
of acidum nitricum fumans.
(iaat men uit van zuivere grondstoffen, dan is het verkregen
salpeterzuur ook zuiver. Zijn zij bovendien watervrij, dan kan
men een zuur van ongeveer 100 0/0 verkrijgen met een s.g. 1.8384.
Het zuur van de pharmacopee is vijftigpercentig en heeft een
s.g. van 1,317. Als middel ter herkenning van dit zuur geeft
de Pharmacopee aan, dat het koper moet oplossen onder
ontwikkeling van een bruinrood gas.
Eigenschappen. Salpeterzuur is een helder, kleurloos vocht.
Het geeft gemakkelijk zuurstof af en is daardoor een oxydatie-
middel, sommige organische kleurstoffen worden er door
verwoest, eiwitstoffen en ook de menschelijke huid worden er
geel door gekleurd. Werkt het^ zuur in^op cellulose, dan kan
schietkatoen ontstaan^, i-iii* W-crJL,l*w>(-.
Salpeterzuur is een sterk éénbasich zuur, de zouten heeten
5*
-ocr page 80-
68
nitraten, zij zijn alle in water oplosbaar met uitzondering van do
basische. xGloeit men <Ië nitraten, dan geven zij zuurstof af, bijv.:
KN03 = O KNO* pM i^J .
Ook deze zouten zijn dus oxydatiemiddelen, vandaar ook dat
men explosie krijgt wanneer men een nitraat met kool of
zwavel verbit of vermengt onder sterk wrijven.
In den handel onderscheidt men:
Acidum nitricum crudum , ruw salpeterzuur en acidum nitricum
purum,
zuiver salpeterzuur, alleen bet laatste mag in de recep-
tuur worden gebruikt.
Bovendien gebruiken wij nog verdund salpeterzuur, acidum
nitricum dilutum,
een mengsel van 2 deelen salpeterzuur en 3
deelen water, dat dus 2000 HXO;i bevat.
Mengt men 1 deel salpeterzuur met 3 dln. zoutzuur dan krijgt
men aqua regia (koningswater), zoo genoemd omdat goud, de
koning der metalen, daarin oplost.
Bij het mengen van beide zuren, voornamelijk onder ver-
warming, ontstaat vrij chloor, dat de metalen omzet in
oplosbare chloriden.
Van de zuurstofverbindingen van stikstof bespreken wij de
volgende:
Stikstofoxydule, NgO, ontstaat bij verhitting van ammonium-
nitraat:
NH4N03 = N20 2H,0.
Het is een kleurloos gas, dat bij inademing een eigenaardig
opwekkende werking uitoefent en daarom vroolijk makend of
lachgas genoemd wordt. In grootere hoeveelheid werkt het ver-
doovend.
Stikstofoxyde, NO, ontstaat bij het oplossen van koper, kwik
of zilver in salpeterzuur:
3Cu 8HNO3 = 3Cu(N03)2 4H20 2X0.
Het is een kleurloos gas, dat zich van alle andere gassen
daardoor onderscheidt, dat het aan de lucht overgaat in rood-
bruine dampen van N02.
Stikstoftrioxyde, N20;{, is liet anhydried van salpeterigzuur
HN02, waarvan enkele zouten, nitrieten, gebruikt worden.
-ocr page 81-
(><)
Voegt men bij deze zouten een zuur, clan wordt weer galpeterig-
zuur
vrijgemaakt, dat uit joodzouten jodium vrij maakt.
Stikstofdioxide, N()2, is een roodbruin, verstikkend riekend gas.
Stikstojpento.ryde, N205, het anhydried van salpeterzuur, komt
voor in kleurlooze kristallen.
piiospiioRrs.
P = 31.
Dit element komt niet vrij in de natuur voor, het oxydeert
zeer gemakkelijk, wanneer het met zuurstof of lucht in aan-
raking komt. Door de eigenschap om in het donker licht te
verspreiden heeft dit element den naam phosphorus (lichtdrager)
gekregen.
Voorkomen: Voornamelijk als phosphorzure kalk, dat men
aantreft als mineraal (phosphoriet) en in beenderen, die voor
een groot deel uit dit zout bestaan; verder vindt men phos-
phorus in de hersenen, in eidooier en in spiervleesch.
Bereiding: Hiervoor gebruikt men tegenwoordig uitsluitend
beenderen. Deze worden eerst van vet bevrijd door ze uit te
trekken met zwavelkoolstof, dan wordt de lijm er uit verwijderd /
door ze te behandelen met waterdamp en om de overige^\',.,,,
organische stoffen te verwijderen brandt men ze in ovens toï
een witte massa. De beenderenasch, die voornamelijk nciilulal
calciumphosphaat bevat, wordt nu behandeld met zwavelzuur,
waarbij een deel van de kalk wordt omgezet in gips en tevens
zuur calciumphosphaat ontstaat: ,,. ^ ^ („£c , ;
Ca3(P04)2 2H,S04 = c4h4(PÓ4)2 2CaS04.^f^,C^
De oplossing van dit zure zout wórdt, nadat de gips afgefil-
treerd is, tot droog verdampt en verhit, waarbij onder afschei-
ding van water calciummetaphosphaat ontstaat:
CaH4(P04)2 = 2H20 Ca(P03)2.
AVanneer dit zout met kool wordt vermengd en in aarden
retorten aan de wit gloeihitte wordt blootgesteld, wordt een
deel van de phosphorus vrijt
3Ca(P03)2 IOC =JP, Ca3(P04)2 10CO.
Deze vrijgeworden phosphorus wordt door aarden buizen in
-ocr page 82-
70
water gevoerd, waarin hij tot eene vloeistof wordt verdicht,
die bij afkoeling vast wordt.
De aldus verkregen phosphorus is nog onzuiver. Tor zuivering
wordt hij gesmolten en dan door zeemleer geperst, of opnieuw
gedestilleerd. Tenslotte wordt hij in glazen huizen opgezogen of
in koperen vormen gegoten, waarin men hem laat afkoelen.
Hij wordt als pijpen in den handel gebracht.
Eigenschappen: Phosphorus komt in drie modificaties voor,
waarvan de eene, de z.g. metallische modificatie voor ons niet
van belang is. De andere zijn de z.g. gewone, vergiftige of gele
phosphorus
en de roode phosphorus.
Gele phosphorus komt voor als glanzende, min of meer door-
schijnende staafjes, wier oppervlakte dikwijls niet een dun wit
laagje is bedekt. In het duister licht hij en verspreidt aan de
lucht een naar knoflook riekenden nevel. In de koude is
phosphorus broos, bij de gewone temperatuur kan men haar
met een mes snijden. Hij is zeer weinig oplosbaar in water (wanneer
men water langen tijd met phosphorus in aanraking laat,
neemt het daarvan wel iets op, tenminste het water neemt den
reuk en smaak van dit element aan), beter in alcohol, aether
en in vette oliën, nog beter in benzol on aetherische oliën,
maar vooral in zwavelkoolstof is phosphorus goed oplosbaar.
Men zij met deze oplossing zeer voorzichtig, want wanneer zij
verdampt blijft de phosphorus in zeer fijn verdeelden toestand
achter en ontbrandt zeer gemakkelijk van zelf.
Verwarmt men phosphorus aan do lucht, dan smelt hij bij
44° en verbrandt bij 60° met een verblindend wit licht onder
vorming van phosphorzuuranhydried.
          **
Phosphorus moet worden bewaard onder water, in een ge-
sloten flesch, die in een metalen bus geplaatst is. Het bewaren
onder water geschiedt om zelfontbranding te voorkomen, terwijl
door afsluiting van licht en lucht wordt voorkomenwdat de phos-
phorus wordt bedekt met een geelwit laagje amorhe phosphorus.
Wanneer phosphorus in de receptuur moet worden gebruikt,
Il dan verwijdert men eerst dit witte laagje door afschrapen; ver-
volgens snijdt men, liefst onder water, een stukje van ongeveer het
verlangde gewicht af, neemt dit met een pincet uit het water,
droogt het door drukken tusschen filtreerpapier en weegt het
-ocr page 83-
71
in een getarreerd horlogeglas of schaaltje met water. Moet de
phosphorus worden opgelost in olie, dan droogt men hem
weer tusschen filtreerpapier, hrengt haar in een fleschje waarin
de olie reeds is afgewogen, voegt een paar druppels aether toe
en plaatst dan liet fleschje, eerst zonder kurk, in warm Avater,
de aether verdampt dan en drijft de lucht uit het fleschje;
zoodra de phosphorus gesmolten is, dus in een druppel op den
bodem van liet fleschje ligt, schudt men krachtig om; blijkt de
phosphorus nog niet geheel opgelost te zijn, dan verwarmt en
schudt men opnieuw.
Wanneer phosphorus onder geheele afsluiting van zuurstof
of lucht in een met koolzuur of stikstof gevulde buis tot 250°
wordt verhit, dan gaat hij over in de derde modificatie, roode of
amorphe phosphorus, die van de vorige voornamelijk in de
volgende opzichten verschilt: hij is niet vergiftigd is geheel
onoplosbaar, zelfs in zwavelkoolstof en ontbrandt eerst bij 2fi(y>.
Behalve de betrekkelijk kleine hoeveelheden phosphorus, die
als geneesmiddel en tot verdelging van ongedierte worden aan-
gewend, worden groote hoeveelheden phosphorus gebruikt voor
de bereiding van lucifers. Bij de ouderwetsche lucifers bevatte
de kop gele phosphorus, hij de z.g. Zweedsche lucifers vindt
men op de strijkvlakte der doosjes amorphe phosphorus.
VEBIXDIXGEX VAX PHOSPHORUS.
Met waterstof vormt phosphorus drie verbindingen, die zelden
elk afzonderlijk voorkomen, maar die, wanneer zij gemengd
met lucht in aanraking komen, ontbranden.
Met zuurstof vormt phosphorus twee oxyden, nl.:
P203 phosphortrioxyde = phosphorigzmiranhydried,
P0O5 phosphorpentoxyde == phosphorzuuranhydried.
De eerste verbinding ontstaat uit phosphorus met weinig
zuurstof, de laatste, wanneer phosphorus in een overmaat van
zuurstof wordt verbrand; phosphorpentoxyde heeft eene zeer
groote verwantschap voor water en wordt daarom dikwijls als
wateronttrekkende stof gebruikt.
-ocr page 84-
72
Met waterstof en zuurstof vormt phosphorus verschillende
zuren, nl.:
Onderphosphorigzuur H3PO2, »• ö
Phosphorigzuur
             H3PO3, <j" 0 f \\ ft,
Orthosphosphorzuur H3PO4, <7 ,,
Metaphosphorzuur HPO3, <y
Pyrophosphorzuur H4P2O7. «"\'«r
Onderphosphorigzuur, acidum hypophosphorosum, wordt in de
pharmacie niet als zoodanig gebruikt. Het is een kleurlooze,
stroopdikke vloeistof, die beneden 0D kristallijn wordt. Het is
een sterk rednctiemiddel, dat o.a uit goud en zilverzouten de
metalen afscheidt, het zuur wordt daarbij zelf geoxydeerd tot
phosphorzuur.
Van de drie atomen waterstof kan maar één door een metaal
worden vervangen, het is dus een éénbasisch zuur, waarvan de
zouten hypophosphiten heeten. Wij gebruiken voornamelijk
hypophosphis calcicus en — natricus, die beide ook reductie-
middelen zijn.
Phosphorigzuur, acidum phosphorosum, ontstaat bij langzame
oxydatie van phosphorus aan vochtige lucht en door oplossen
van het aldus gevormde anhydried in water: . ;
IU).. 3H20 = 2H8P03.
Door opname van zuurstof ontstaat phosphorzuur, het is dus
ook een reductiemiddel. Van de drie atomen waterstof kunnen
slechts twee door een mar "worden vervangen, zoodat dit een
tweebasisch zuur is.
-—"\'Wanneer men phosphorpentoxyde met water in aanraking
brengt, kan het zich verbinden met 3, 2 of 1 moleculen van
deze vloeistof, en daarbij drie verschillende zuren vormen, n.1.:
P2Ü5 3H2Ü = 2H;jP04 = orthophosphorzuur,
P203 -t- 2H20 = H4P2O7 = pyrophosphorzuur,
P205 H20 = 2HPO-J = metaphosphorzuur.
Orthophosphorzuur, acidum phoshoricum (gewoon phos-
phorzuur), komt in de natuur vooral als calciumzout voor. Men
kan het bereiden door beenderenasch niet zwavelzuur te ont-
leden: Ca3(P04)2 3H,S04 = 3CaS04 2H3P04 en de vloei-
stof van liet calciunisulfaat af te gieten, of door amorphe phos-
-ocr page 85-
73
phorus met salpeterzuur te verhitten; de phosphorus lost dan
langzamerhand onder ontwikkeling van roodbruine dampen op:
3HN()3 1\' = H3PO4 2N02 NO.
Bij verhitting zullen het nog aanwezige HNO3 en de gassen
XOo en NO ontwijken en het niet vluchtige phosphorzuur blijft
achter. Verdunt men dit zuur met zooveel water, dat het een
s.g. heeft van 1,153 (overeenkomend met 25% H3PO4), dan
verkrijgt men het acidum phospboricum onzer pharmacopee.
Het is een heldere, kleur- en reuklooze, niet vluchtige vloei-
stof. Met metalen vormt het door vervanging van de waterstof
zouten (de phosphaten), waarvan alleen kalium-, natrium- en
ammoniumphosphaat oplosbaar zijn in water. Daar phosphorzuur
een driebasisch zuur is, kan het drie soorten van zouten vormen,
n.1. iré»4«tle~, zure en overzure zouten. Met natrium en barium.
zullen wij dus zouten kunnen krijgen van de formules:
XaHoPO.}, Ba(H2P<)4)2 overzure zouten of primaire phosphaten,
XaoHPC>4, BaHPO^ zure
           „ „ secundaire         „
Na3P()4, Ba3(P04)2 ncaftArfb*^ „ tertiaire             ,,
Van de zouten gebruiken wij o.a. phosphas calcicus, phosphas
ferricus en phosphas natricus.
Pyrophosphorzuur1) ontstaat, wanneer men orthophosphorzuur
eenigen tijd tot 300° verhit:
2H3PO4 = H4P2O7 H20.
De zouten hiervan heeten pyrophosphaten; officieel is alleen
p\\-rophosphas natricus, deze verbinding lost gemakkelijk ijzer-
zouten op, vandaar gebruikt men haar wel om roestvlekken te
verwijderen.
Pyrophosphorzuur is vierbasisch, de waterstofatomen kunnen
echter slechts 2 aan 2 vervangen worden, zoodat maar twee
soorten van zouten bestaan.
Verhit men pyrophosphorzuur zoo lang als nog water ontAvijkt,
dan gaat het over in metaphosphorzuur:
H4P207 = 2HP()3 H20.
Dit zuur vormt eene glasachtige, doorschijnende massa en is
bekend als acidum phosphoricum glaciale. Aan vochtige lucht
*) Pyro wordt afgeleid van een Griekseh woord, dat vuur beteekent.
-ocr page 86-
74
vervloeit liet en gaat dan langzamerhand weer over in ortho-
phosphorzuur.
Basiciteit der j)hosphor zuren. Zooals we uit het voorgaande
reeds konden zien is de basiciteit dezer zuren niet afhankelijk
van het aantal atomen waterstof, dat er in voorkomt, dan toch
zou H3PO2 driebasisch moeten zijn, terwijl het maar 1 basisch
is. De basiciteit dezer zuren hangt af van het aantal hydroxyb
groepen, dat zij bevatten en dit aantal kan men op de volgende
wijze vinden: Van de zuurstofatomen blijft er steeds één met
den phosphorus verbonden, de overige verbinden zich met de
voorhanden waterstof tot hydroxylgroepen, dus:
H3PO2 = H2PO(OH) éénbasisch,
H3PO3 = h!,0(()H)2 tweebasisch;
H;iP04 = PO(OH)3 driebasisch,
H4P207 = P203(OH)4 vierbasisch,
HPÖ3 = PÖo(OH) éénbasisch.
ARSENICUM.
As = 7ö.
Voorkomen: In de natuur vindt men dit element in vrijen of
gedegen toestand onder den naam schervenkobalt; vertier ver-
bonden met zwavel als realgar AsoS2 en \'operment AS0S3, met
ijzer en zwavel als arsenikkies, met kobalt en zwavel als
glanskobalt en met zuurstof als arsenikbloesem AS2O3. Het
element zelf is voor ons van weinig belang, het is staalgrijs
van kleur en komt in uiterlijk min of meer overeen met de
metalen. De verbinding met waterstof, AsH3 arsenikwaterstof,
is van groot belang voor het opsporen van dit vergiftige element.
Arsenikwaterstof ontstaat n.1. altijd, wanneer waterstof in statu
nascendi in aanraking wordt gebracht met een oplosbare
arsenikverbinding. Prengt men het gas in, aanraking met eenc
geconcentreerde oplossing van zilvernitraat (ile= 2), dan ontstaat
een gele verbinding, die na toevoeging van water wordt. ^g,
ontleed en bruinzwart gekleurd onder vorming van metalliscli^r"
zilver. [De Pharmacopee geeft o.a. deze reactie aan bij het
onderzoek van acidum hydrochloricum op arsenik, da
bij \\
-ocr page 87-
75
de bereiding met behulp van zwavelzuur ingekomen kan zijn.
Men mengt dan 3 cM3 chloorwaterstofzuur met 6 cM3 water,
kleurt dit mengsel met broomwater zwak geel om S02, dat
voorhanden zou kunnen zijn, te oxydeeren tot H2SO4, en bindt
vervolgens de overmaat van broom door toevoeging van een
paar druppels phenoloplossing/Dit mengsel brengt men in een
reageerbuis, waarin eenige stukjes zink zijn gebracht, de opening
der buis sluit men met een losse prop watten en daar over heen
een stukje filtreerpapier, welks midden met een oplossing van
zilvernitraat (1 = 2) bevochtigd wordt. Deze vochtige plek mag
na 15 minuten niet geel en na bevochtigen met water niet ter-
stond zwart worden.
Wanneer men onder de noodige voorzorgen (zie bij waterstof
pag. 30) arsenikwaterstof aansteekt en een koud porceleinen
plaatje in de vlam houdt, zullen zich daarop metaalglanzende
vlekken van amorph arsenicum afzetten.
Met zuurstof vormt arsenicum twee verbindingen, n.1. arse-
nicumtrioxyde As20;i en arsenicumpentoxyde AS2O5, die beide
anhydrieden van zuren zijn.
Arsenicumtrioxyde AS2O3 komt in de natuur voor als arsenik-
bloesem. Men verkrijgt het bij het roosten van arsenik bevattende
ertsen aan de lucht, het gevormde A82O3 wordt door gemetselde
gangen (z.g. giftkanalen) geleid, waarin het zich als wit kristallijn
poeder, giftmeel, afzet. Dit praeparaat is in den regel nog ver-
ontreinigd met fijne ertsdeeltjes en wordt gezuiverd door subli-
matie, waarbij men het als een glasachtige, amorphe massa
verkrijgt, die onder den naam arsenikglas wordt verzameld.
Bij het bewaren wordt het langzamerhand ondoorzichtig, wit
en porceleinachtig, en krijgt daarbij tevens een kristallijne struc-
tuur. Dit is dan het acidum arsenicosum of arsenicum album,
dat wij in de apotheek lüoetun wcbTOiken.\' Gewoonlijk gebruiken
wij het daarvan bereide poeder. In water is het moeieliik_op-
losbaar, teneinde het op te lossen kookt menT^TeenTgen^iJd\'
met water in een reageerbuisje of kookkolfje, de oplosbaarheid
wordt bevorderd door" toevoeging van zoutzuur. Zooals reeds
gezegd is, is deze verbinding geen zuur, zij bevat geen water-
stof, maar is het anhydried van arsenigzuur H.-AsOg, ontstaan
uit As203 3H20 = 2H-jAs03. Van dit zuur worden enkele zouten
-ocr page 88-
gebruikt o. a. arseniis kalicus in o]}lossing nis Solutio arseniitis
kalici composita (Liquor Fowlcri).
Voor de bereiding van deze op-
lossing kookt men in een reageerbuisje of kookkolfje carbonas
kalicus, acidum arsenicosum on aqua van elk één deel met
elkaar tot allo As20;j is opgelost, deze oplossing verdunt men
na toevoeging van 4 doelen Spiritus Lavandulae, töt lOO deelen 1).
Arsenicumpenloxyde, As205, is het anhydried van arsenikzuur
HoAs()4, waarvan enkele zouten, arseniaten, worden gebruikt.
De verbindingen van Arsenicum met zwavel kan men bereiden
door beide elementen in de verhouding hunner atoomgewichten
samen te smelten.
Arsenicumdisulfide, As-yS^, Kealgnr, komt voor in robijnroode
kristallen.
Arsenicumtrisulfide, As^S-j, Operment, Auripigmentum, is geel
van kleur en ontstaat o. a., wanneer men zwavelwaterstof voert
in eene met zoutzuur zuurgemaakte oplossing van As2()3:
AsoOa 3II2S = As2Sj 3I£20.
Deze verbinding, die soms als kleurstof wordt gebruikt, is
alleen dan niet vergiftig, wanneer zij volkomen vrij is van op-
losbare arsenikvevbindingen en dit is met het praeparaat uit
den handel nooit het geval.
Bij vergiftiging met arsonicumverbindingen geve men zoo
spoedig mogelijk liet Antidotum Arsenici, bestaande uit: le een
mengsel van (50 doelen solutio chloreti ferrici met 260 deelen
water, 2e een mengsel van 14 deelen oxydum magncsicum met
200 deelen water. Zoodra het tegengift wordt gevraagd, schudde
men van beide mengsels gelijke volumina dooreen tot een homo-
gene brij; hierbij zijn dan gevormd Hydras ferricus en Chloretum
magncsicum:
Fe2Cl0 3MgO 3II2() = 3MgCl2 Fe2(OH)6,
die beide met de arsenikverbinding onoplosbare stoffen vormen..
ANTIMONIUM OF STIBIIM (SPIESGLAXS). —-""*"
Sb = 119.G.
In de natuur komt dit element zelden gedegen voor, meest
!) Zie ook: Schröder, Receptuur, 2e druk, pag. 84.
-ocr page 89-
77
als (irijs spiesglanserts Sb2S3, als Wit spiesglanserts Sb203 en
als Rood spiesglanserts Sb2()2S.
Het element is blauwachtig wit, metaalglanzend. ^ .,
Van de stibiumverbindingen bespreken wij:\' -., ,--r^\'-^-\'"
Stibiumtrichloride, Chloretum stibiosum,
dat verkregen kan wor-
den door Sb203 of Sb2S3 op te lossen in zoutzuur:
SW^j 6HC1 = 2SbCl3 3H2S.
Het is eene kristallijne, weeke massa, waarvan in de Ed. II
onzer Pharmacopie een oplossing was voorgeschreven. Voegt
men bij deze oplossing veel water, dan wordt zij ontleed en
ontstaat een wit neerslag van Stibiumoxychloride SbOCl.
Chloretum stibiosum is in zooverre nog van belang, als het
kan ontstaan, wanneer Calomel en Sulfidum stibicum in Pul-
A\'eres Plummeri op elkaar inwerken: .,/
3Hg2Cl2 Sb2S5 = 3Hg28 \' S2 2KbCl3.
Kermes minerale, Oxysulfuretum stibicum, is in hoofdzaak een
mengsel van Sb2S3 en Sb203. Een zeer fijn roodbruin poeder,
waarin met een vergrootglas kristallen worden gezien van Sti-
biumtrioxyde. Het is onoplosbaarjn water en onder ontleding
oplosbaar in zoutzuur.
Sulfidum stibicum, Sulfur auratum antimonii, is een zeer fijn,
donker oranjerood poeder, onoplosbaar in water, aether en spi-
ritus, bij verwarming oplosbaar in ammonia, kaliloog en soda-
oplossing. In kokend, geconcentreerd zoutzuur lost het op onder
afscheiding van zwavel en ontwikkeling van zwavelwaterstof.
BORIUM.                                           \'/i------
B = 11.
In de natuur vindt men dit element uitsluitend als Boorzuur
enfzouten daarvan, als Tinkal of Borax (eigenlijk een zout van
tetraboorzuur). Borium komt in uiterlijke eigenschappen véél ^_
overeen mot diamant.
                              CU. \'t*v7ti*v -r - * "" J^**
Van de verbindingen bespreken wij:
Boorzuur, acidum boricum, dat in 1702, door; Homberg
uit Borax werd afgescheiden en als Sal sédativuni Hom-
bergii in de geneeskunde ingevoerd. Boorzuur treft men vooral
-ocr page 90-
78
aan in de waterdampen, die in eenige vulkanische streken
(Toskane) uit den Ijodem stroomen. Deze dampen (Fumaroli
of Suffioni genaamd) voert men in gemetselde met water ge-
vulde bakken, waarin zij condenseeren. De aldus verkregen
waterige oplossingen van boorzuur worden in platte pannen
zoover uitgedampt, dat het boorzuur uitkristalliseert. Als warmte-
bron bij het uitdampen dienen de dampen zelve. Ter zuivering , •
wordt dan het boorzuur omgekristalliseerd. , s : \' •\'.;\'\' \'•;£,\'.0&), t{L
Men kan het zuur ook bereiden door borax te ontleden met
zoutzuur:
            —
(\\a2B407 10aq) 2HC1 = 4H3B03 2NaCl -«üser
Eene warme oplossing van borax 10 = 40 wordt daarvoor
ontleed met 8 doelen zoutzuur, en de afgescheiden kristallen
door omkristalliseeren uit water gezuiverd.
Boorzuur, H3B03, vormt glinsterend witte plaatjes, die op-
losbaar zijn in 25 deelen koud en ?> deelen kokend Mater, in
15 deelen kouden en (i deelen warmen Spiritus fortior. De op-
lossing reageert zwak zuur en onderscheidt zich van alle andere
zuren hierdoor, dat zij curcumapapier roodbruin kleurt. Men
mengt daartoe een boorzuur-oplossing met een paar druppels
zoutzuur, drenkt hiermede een stukje curcumapapier en droogt
dit op eene warme plaats. Verhit men boorzuur eenigen tijd
bij 140° a 1603, dan ontstaat onder verlies van water een glas-
achtige massa van Tctraboorzuur of Pyroboorzuur:
4H;;BO;j = 5H20 HjjBjOy.
Onze gewone Borax is een zout van dit zuur.
KOOLSTOF, CARBOXEUM.
C = 12.
In de natuur vindt men dit element zoowel vrij als gebonden.
In vrijen toestand treft men koolstof aan in drie allotrope1)
1) Onder allotropie verstaat uien de eigenschap van sommige elementen om
in verschillende vormen voor te komen, die vooral in natuurluindiöjeeigen-
v                             11                      1 11                                                                 V*V<*WtA^\\,fr °
schappen van elkaar verschillen.                                                                  J •
Wanneer verbindingen in twee of meer kristalvormen voorkomen, [üie tot
geheel verschillende kristalstelsels hehooren, spreekt men van dimorphic, tri-
-ocr page 91-
79
toestanden, n.1. als diamant, graphiet en amorphe koolstof. In
gebonden toestand vindt men haar als koolzuur in de lucht,
als koolzure zouten of carbonaten b.v. krijt en marmer, boven-
dien is koolstof een der elementen, waaruit dieren en planten
zijn opgebouwd. Talrijke andere koolstofverbindingen, zoowel
kunstmatige als natuurlijke komen voor en worden, zooals wij
reeds zagen, in een afzonderlijk deel der Scheikunde, de Or-
ganische Chemie, besproken.
Behalve het element koolstof bespreken wij in dit anorganisch
gedeelte kooloxyde CO, kooldioxyde COo (koolzuur H0CO3) en
zwavelkoolstof CS2.
Diamant is gekristalliseerde koolstof. De gewone diamant is
kleurloos, slechts bij uitzondering vindt men gele en zwarte
(carbonado). Als vindplaatsen voor diamant noemen wij: Indië,
Brazilië en Zuid-Afrika. Het s. g. is 3.5, het is een slechte ge-
leider voor warmte en electriciteit. Diamant is de hardste van
alle stoffen en krast ze dus alle. De natuurlijk voorkomende
diamanten moeten, vóór zij als sieraden gebruikt kunnen worden,
nog worden geslepen. Groote diamantslijperijen vindt men in
Amsterdam en in Antwerpen. Diamant kan wegens de groote
hardheid slechts in zijn eigen poeder geslepen worden. Door
oxydatiemiddelen wordt het niet aangetast.
In 1893 is diamant kunstmatig gemaakt i) door koolstof op
te lossen in gesmolten ijzer en het daaruit onder zeer hevige
drukking te laten uitkristalliseeren, zonder aanwending van
drukking kristalliseert in plaats van diamant graphiet uit.
Graphiet, Plumbago, Potlood, is eveneens gekristalliseerde
koolstof. Het onderscheidt zich van diamant vooral daardoor,
dat het zeer zacht is (op papier bijv. laat het reeds af) en dat
het een goede geleider is van warmte en electriciteit.
Graphiet is een grijszwarte, glanzende stof, welke voor de
vervaardiging van potlooden dient, het wordt aangetroffen in
Ceylon, Bohemen en Siberië.
morphic, polymorphic, b.v. bij zwavel 011 koolstof. Van isomorphlc spreekt men
wanneer chemisch geheel verschillende stoffen denzelfden kristalvorm hebben,
als Calciumcarbonaat, Magnesiumcarbonant en Zinkcarbouaat.
!) Holleman, Anorganische Chemie, pag. 243.
-ocr page 92-
80
Amorphe koolstof kan men verkrijgen door koolstofbe-
vattende lichamen buiten toetreding van lucht te verhitten,
vooral suiker is hiervoor zeer geschikt. Zij is zwart, ondoor-
ziehtig en onsmeltbaar. Van amorphe koolstof worden verschil-
lende soorten gebruikt o. a.:
Lampenzwart, dat ontstaat bij verbranden van koolstofrijke
stoffen als terpentijnolie en harsen bij beperkte toetreding van
lucht. Deze koolstof is zeer zuiver, men gebruikt haar voor
de bereiding van drukinkt en Oostindische inkt.
Cokes houdt men terug als rest bij de droge destillatie van
steenkolen voor de bereiding van lichtgas.
Beendcrenkool, Carbo ossium, Carbo animalis, wordt ver-
kregen door beenderen buiten toetreding der lucht te verhitten,
daarbij verkoolt de organische stof; de aanwezige Calciumzouten
worden door uittrekken met zoutzuur verwijderd. Men gebruikt
beenderenkool in waterfilters om haar eigenschap riekende gas-
sen, kleurstoffen en loodzoutcn uit water te verwijderen.
Fïg. 12.
Houtskool, Carbo ligni, wordt bereid door stukken hout opeen
te stapelen in zoogenaamde meiiers (fig. 12), te bedekken
met graszoden en dan van onderen aan te steken; door de
geringe toevoer van zuurstof smeult het hout langzaam voort en
verkoolt. Voor pharmaceutisch gebruik neemt men liefst houts-
kool bereid uit lichte houtsoorten bijv. uit lindenhout (Carbo
tiliaé),
deze wordt dan nog eens gegloeid en daarna tot poeder
gebracht. Dit poeder is zwart, zacht, licht en droog, reuk- en
-ocr page 93-
81
smakeloos. Met oxydatiemiddelen, als Chloras kalicus en Nitras
kalions. gewreven ontploft het. Men gebruikt het poeder bij de
fabricatie van buskruit.
Het grootste gebruik, dat van koolstof wordt gemaakt, is als
brandstof. Men gebruikt daarvoor niet het zuivere element, maar
\'de natuurlijk voorkomende z.g. fossiele koolstof (turf, bruin-
kolen . steenkolen , anthraciet), die uit voorwereldlijke planten,
door een langzaam vergaan buiten toetreding der lucht is ontstaan.
Met zuurstof vormt koolstof twee verbindingen n.1. kooloxyde :
CO en kooldioxyde: CO^.
Kooloxyde ontstaat bij onvolledige verbranding van koolstof,
dus bij onvoldoende toevoer van lucht. Het is een kleur- en
reukeloos gas, onoplosbaar in water. Het is brandbaar met een
blauwe vlam. In kleine hoeveelheden ingeademd veroorzaakt
het reeds ernstige vergiftigingsverschijnselen, daar het zich met
de roode kleurstof van het bloed (Haemaglobine) verbindt en de
gevormde verbinding niet meer in staat is zuurstof op te nemen.
Het kooloxyde is het meest vergiftige bestanddeel van kolendamp.
Kooldioxyde ontstaat bij volkomen verbranding van koolstof,
bij de ademhaling, bij rotting van organische stoffen. Het is
het anhydried van koolzuur, dat in den vorm van zouten
(carbonaten) veelvuldig voorkomt. Men bereidt het gewoonlijk
door krijt of marmer te overgieten met zoutzuur^»} l
CaC03 2HC1 = CaCl2 HaO txV*
Het is een kleur- en reukeloos gas met een zwak zuren
smaak, het is niet brandbaar en onderhoudt de verbranding
niet. Bij 0° en een druk van 39 atmospheeren verandert het in
een kleurlooze, bewegelijke vloeistof, die in ijzeren cylinders
in den handel gebracht en voor de bereiding van spuitwater
enz. gebruikt wordt. Kooldioxyde is oplosbaar in water, 1 Liter
water lost bij de gewone temperatuur 1 L. kooldioxyde op, bij
hoogere temperatuur vermindert de oplosbaarheid, bij verwar-
ming ontwijkt het gas dus. Bij vermeerdering van drukking
wordt de oplosbaarheid in water grooter.
De oplossing van COg in water kan men beschouwen als het
niet in vrijen toestand bekende koolzuur:
H2Ü COs = H2C03.
SOHBÖDER en DE ZAAIJER, Scheikunde.                                                      (i
-ocr page 94-
Koolzuur is oen tweebasisch zuur en vormt dus zure zouten
(bicarbonaten) en normale zouten (carbonaten).
Door toevoeging van zuren worden <le/.e zouten onder ont-
wikkeling van kooldioxyde ontleed.
Zwavelkoolstof, koolstofdisulfide, Sulfidum carbonicum,
bereidt men door zwaveldamp over gloeiende kolen te voeren.
Het is een kleurlooze vloeistof, s. g. 1.27, die bij 4(5° kookt en
zeer gemakkelijk ontbrandt. Bij de verbranding ontstaan kool-
dioxyde en zwaveldioxyde:
CS2 <><) = C02 2HO2.
Zuivere zwavelkoolstof\' riekt eigenaardig, niet onaangenaam,
die van den handel riekt meestal zeer onaangenaam. Men ge-
bruikt haar voornamelijk als oplosmiddel voor zwavel. phos-
phorus, broom, joditun, harsen en vetten. Zij is oplosbaar in
aleoliol en aether, niet in water, u .1: \\
         \'• \'~\'.L y\'\'
KIEZEL, SI I.RUM.
Si = 28.3.
Met uitzondering van zuurstof is dit het meest verbreide
element, het komt echter niet vrij, maar vooral gebonden aan
zuurstof als kiezeldioxyde of kiezelaarde SK>2 voor. Kiezeldioxyde
komt gekristalliseerd en amorph voor. Het gekristalliseerde is
bekend onder verschillende namen als Bergkristal. Amethyst
(violet gekleurd door mangaan), Kwarts enz. Het amorphe
kiezeldioxyde is bekend als infusoriënaarde.
Met water en zuurstof vormt Silicium verschillende kiezelzuren
waarvan enkele zouten (Silicaten) in de Pharmacie gebruikt
worden, o. a. Bolus alba en Talcum venetum.
^Ulv^ , ll^rTi-.---- J
\'M, 1 £ c^tA
METALEN.
Wij zagen reeds, dat een scherpe grens tusschen metalen en
metalloïden niet getrokken kan worden, en dat van een chemisch
-ocr page 95-
83
standpunt eene verdeeling der elementen in deze beide groepen
niet geheel doorgevoer.cbfkan Worden.
In hunne physisene oïgpnscftappen vertoonen de metalen
echter veel meer onderlinge punten van overeenkomst dan de
metalloïden. Zoo zijn alle metalen ondoorschijnend, slechts zeer
enkele o. a. Ooud en Zilver laten in dunne lagen eenig licht
door. In lijnverdeoldon toestand vormen de metalen donker
gekleurde poeders, in samenhangenden toestand hebben zij een
eigenaardigen glans (metaalglans). die vooral bij het polijsten
sterk te voorschijn komt. Warmte en electriciteit, «lic door de
metalloïden in \'t algemeen slecht geleid worden, worden door
de metalen goed geleid. Met uitzondering van kwik, dat vloeibaar
is, zijn alle metalen vast, bij de metalloïden troffen wij de drie
aggregaatstoestanden aan. De kleur der metalen wisselt af
tussehen zuiver wit, zooals Zilver en blauwgrijs, zooals Lood.
Koper is rood. Goud, Calcium en Strontium zijn geel.
Het soortelijk gewicht der metalen ligt tussehen zeer wijde
grenzen n.1. tussehen 0.59 (Lithium) en 22.5 (Osmium). Naar
het soortelijk gewicht worden de metalen in twee groepen ver-
deeld, n.1. in lichte metalen, die een s. i>-. kleiner dan ."> hebben
en in zware metalen, die een grooter s. £. hebben.
In \'t algemeen zijn de metalen smeedbaar en pletbuar,/jij
kunnen tot dunne blaadjes geplet (bladzilver, bladgoud ƒ cnwtotvr\'^
dunne draden uitgerekt worden. Bismuth en tin zijn bros en
kunnen tot poeder gestampt worden. Alle metalen kunnen ge-
smolten worden, het laagste smeltpunt heeft kwik (—44°), het
hoogste smeltpunt chroom, verder smelt zink bij 42.\'!:>, platina
bij 1770°. iridium bij 1!)50°. Bij veel hooger temperatuur is het
gelukt om alle metalen in dampvorm over te voeren. De mc-
talen als zoodanig zijn onoplosbaar. Wanneer een metaal in een
zuur ot\' een andere vloeistof is opgelost, is het bij dat oplossen
tevens omgezet tot een zout of base, in elk geval is bet metaal
als zoodanig niet meer voorhanden. Wanneer men verschillende
metalen samensmolt ontstaan legcermgcn, die metaalglans ver-
toonen en in andere physische eigenschappen met de metalen
overeenkomen. Het smeltpunt dezer legeeringen is in den regel
lager dan het smeltpunt der metalen, waaruit zij ontstaan zijn.
Ilose\'s metaal b.v. heeft een smeltpunt van 93\\75 C en bestaat
6*
-ocr page 96-
84
uit 2 doelen bismuth (smeltpunt 2(>4°), 1 deel lood (smeltpunt
325°) t\'ii 1 deel tin (smeltpunt 228°). Op «rond van deze ver-
laging van het smeltpunt beschouwt men de legeeringen meer
als scheikundige verbindingen dan als mengsels van metalen.
Talrijke legeeringen worden in het dagelijksch leven gebruikt,
o. a. Aluminiumbrons (koper en aluminium), Lettermetaal (an-
timonium en lood). Brittanniametaal (antimoninm en tin).
De legeeringen van kwik noemt men amalgama\'s. Die, welke
veel kwik bevatten, zijn vloeibaar, met minder kwik worden
zij week of vast.
Met metalloïden vormen de metalen verbindingen, waarin de
eigenschappen der metalen geheel verdwenen zijn.
De oxyden der metalloïden zijn meest alle z.g. zuurvormende
oxydcn, die der metalen zijn in \'t algemeen basenvormende
oxyden en alleen de hoogere oxyden van enkele metalen (IJzer
en Platina) kunnen zuren vormen.
De verdeeling der metalen in onedele en edele berust op de
meer of mindere gemakkelijkheid, waarmede zij zich verbinden
met zuurstof.
Edele metalen vertoonen weinig verwantschap jegens zuur-
stof, zij veranderen niet aan droge of vochtige lucht, ontleden
water niet bij de gewone of bij verhoogde temperatuur. De
oxyden, die door verhitting der metalen aan de lucht ontstaan,
vallen bij eene weinig hoogere temperatuur weer uiteen in
metaal en zuurstof. Hiertoe behooren: Goud, Zilver, Platina
en Kwik.
Onedele metalen verbinden zich of bij de gewone tempe-
ratuur of bij temperatuursverhooging met zuurstof. Sommige
(o. a. Kalium en Natrium) ontleden water bij de gewone tem-
pcratuur, andere doen dit bij verhitting.
Wegens hunne geringe affiniteit jegens zuurstof gebruikt men
de edele metalen voor het vervaardigen van sieraden. Omtrent
het voorkomen der metalen in de natuur valt het volgende
optemerken:
In vrijen of gedegen toestand zal men voornamelijk die me-
talen aantreffen, welke door zuurstof, water en koolzuur bij de
gewone temperatuur niet of weinig aangetast worden, zooals:
Goud, Platina, Kwik, Zilver, Koper, Bismuth en Lood.
-ocr page 97-
s.-,
De overige zware metalen komen meest voor, verbonden
niet zuurstof, zwavel, arsenicum en antimonium als ertsen. De
liclite metalen, nl. de zoogenaamde alkali- en aardal kalimetalen,
komen eveneens niet gedegen voor, daar zij met zuurstof, water
of koolzuur direct verbindingen vormen: men vindt deze me-
talen gewoonlijk als zouten.
Naar hunne ehemische eigenschappen verdeelt men de me-
talen in verschillende groepen, waarvan de leden onderling
groote overeenkomst met elkaar hebben. De groepen zelve zijn
echter niet door scherpe grenzen van elkaar gescheiden.
In onderstaande groepeering zijn zoowel de gewone als de
zeldzame metalen opgenomen, alleen do cursief gedrukte zullen
in dit werkje nader besproken worden:
I.    Groep der Alkalimetalen: Kalium, Natrium, ()tto-
sium, ltubidiimi, Lithium (Ammoniutn).
II.    (iroep der Aardalkalimetalen: Calcium, Barium,
Strontium.
III.    Magnesiumgroep: 44erv4Hrrni, Magnesium, Zink. Cad-
mium.
IV.    Zilvergroep: Koper, Zilver, Kivikzilver.
V.   (iroep der aardmetalen: Aluminium, (-iollium, Indimn,
Thallium, J=Uauidiuiu, Yttriuui, i«inthaniuni, (\'eriimi,Didy-
awtnt-,- VttorbruTtr;"Hrbittm-,"Terbrum-, Samayium.
VI.    Tingroep: Tin, Titanium,-%frkonium, Thorium , (4er-
monium, Lood.
VII.    Bismuthgroep: Bismuth, Vnnuidinum-> Niobium,
Tantnliom.
VIII.    Chroomgroep: Chroom, MolybrhTFTrmni, \\Volfra-
»iiuni-, öranrtrtn.
IX.    I.Jzergroep: Mangaan, IJzer, Kobalt, Nikkel.
X.   (Iroep van Goud- en Platinametalen: Goud, Platina,
Osmium,
ftiiliiini, Uulheimmt-, Rhodium, Palladium.
In de Pharmacie maken wij, zooals bekend is, minder ge-
bruik van de metalen zelve, dan van hunne zouten. Behalve
enkele bijzondere bereidingswijzen, waarop wij bij de zouten
zelve terugkomen, kan men deze bereiden volgens eenige alge-
nieene methoden. Men laat n.1. het zuur, waarvan men het
-ocr page 98-
86
zout bereiden wil, inwerken op het metaal, op het oxyde, het
hydroxyde, of het earbonaat van het metaal, bijv.:
Zn            IT2S04 = Z11SO4 2H
CuO H2SO4 = CuSCX, H2()
Ca(OH)2 2HC1 = CaCl2 2H20
K2C03 2HN03 = 2KN03 H2() C02.
Welke van de genoemde stoffen men zal kiezen hangt af van
de eigenschappen der metalen, vooral van hunne meer of minder
gemakkelijke oplosbaarheid in zuren. Bovendien moet men
rekening houden met de verbindingen, waarin die metalen het
meest voorkomen. Zoo zal men voor het bereiden van kalizouten
uitgaan van het earbonaat omdat dit de goedkoopste verbinding
is; het metaal zelf is duur en komt weinig voor. Zink en ijzer
komen veelvoudig voor, daarom bereidt men vele hunner zouten
direct uit de metalen.
                                                             >><C
ALKALIMETALKN.
Van deze groep bespreken wij alleen de elementen: kalium,
natrium en lithium. Zij zijn univalent en vertoonen eene groote
verwantschap jegens zuurstof. Zij oxydeeren daardoor gemak-
kelijk aan de lucht en ontleden water reeds bij de gewone
temperatuur onder vorming\',vdn gemakkelijk oplosbare hydro-
xyden, die wegens hunne catisfrseïre\' werking bekend zijn onder
den naam van bijtende alkaliën.\' Deze hydroxyden zijn de sterkste
van de ons bekende basen, zij hebben een bijtenden loogachtigen
smaak en verwoesten de huid. De meeste zouten dezer metalen
lossen zeer gemakkelijk op in water.
                  *-----—
De metalen zelve zijn "week, bij de gewone temperatuur
hebben zij de consistentie van was, zij hebben een sterken
metaalglans, een laag soortelijk gewicht en een laag smeltpunt.
De verbindingen van het radikaal ammonium, NH4, ver-
toonen zulk eene groote overeenkomst met de verbindingen der
alkalimetalen, dat zij direct na deze behandeld zullen worden. .,
KALIUM.                       A^M/L J^>
K=39.                             \\j
Wegens de groote verwantschap jegens zuurstof en water
komt dit element niet in vrijen toestand in de natuur voor.
-ocr page 99-
87
Het chloride en het sulfaat komen voor in zeewater, als?
\' silicaat vindt men het, meestal gecombineerd met aluminium-
silicaat. in den bodem. Deze verbinding verweert in den bodem
en wordt dan door de planten opgenomen, vandaar dat de asch
van landplanten meestal rijk is aan kalizouten. Uit de planten
komen de kalizouten in het dierlijk organisme. De bereiding
van het element geschiedt gewoonlijk door kaliumearbonaat
innig te vermengen met koolstof en dit mengsel bij wit gloei-
hitte te destilleeren:
K2(\'();; 2C = 2K :5(\'0.
Men vangt het element op in petroleum.
Het is een zilverwit, sterk glanzend metaal, dat aan de lucht
en aan zuurstofverbindingen zeer gemakkelijk zuurstof onttrekt
en dat daarom een sterk reductiemiddel is. In aanraking ge-
bracht met water maakt het daaruit de helft der waterstof vrij,
bij deze chemische reactie is de hoeveelheid warmte, die vrij
wordt, zóó groot, dat de waterstof ontbrandt. Men bewaart
daarom het element, dat aan de lucht direct oxydeert, onder
petroleum, eene verbinding van koolstof en waterstof.
De zouten van kalium zijn kleurloos voor zoover de zuren
waarmee liet element de zouten vormt zelve kleurloos zijn, in
water lossen zij meest alle gemakkelijk op. Het zure wijnsteen-
zure zout (tartras kalicus acidus) is nioeïcTTjk oplosbaar, vandaar
dat vele kalizouten door toevoeging van wijnsteenzuur een
korrelig neerslag van dit zure tartraat geven.
Verbindingen van kalium.
Kaliumoxyde, K2<>, is een wit poeder, dat ontstaat, wanneer
kalium aan volkomen droge lucht is blootgesteld; brengt men
het in aanraking met water, dan ontstaat hydras kalicus.
Hydras kalicus, KOH, ontstaat, wanneer men kalium of
kaliumoxyde in aanraking brengt met water. De gewone be-
reiding is echter uit kaliumearbonaat. Men kookt eene oplossing
van dit zout met gebluschte kalk, waarbij oplosbare hydras
kalicus en onoplosbaar calciumearbonaat ontstaan.
K2CO3 Ca(OH)2 = ,CaCü;i f 2KOH.
De oplossing wordt tot droog uitgedampt en dan gewoonlijk
in vormen gegoten, zoodat het meestal in pijpjes in den handel
-ocr page 100-
komt onder de namen: lapis causticus, potassa iusa,
kali caüsticum. "Bewaart men deze aan de lucht, dan nemen
zij gemakkelijk water en koolzuur op en er ontstaat een vloeistof,
die behalve kaliumhydroxyde ook kaliumcarbonaat bevat. In
water en in
^alcohol is hydras kalicus goed oplosbaar, hij het_
oplossen ontstaat_ warmte; in aether lost het slecht op. De
oplossing nwiTcbhöl ontleedt gemakkelijk en kan daarom niet
in voorraad worden gehouden. De waterige oplossing is bekend
als kaliloog. Deze heeft zelfs in zeer verdunden toestand nog
een loogachtigen smaak en kleurt rood lakmoespapier blauw.
Brengt men oplossingen van aardmetalen of zware metalen met
kaliloog in aanraking, dan worden de onoplosbare hydroxyden
dier metalen afgescheiden:
FeS04 2KOH = Fe(OH)2 K2S04.
Voegt men KOU bij oplossingen van ammoniakzouten, dan
wordt ammonia vrij gemaakt:
               flé/nuL ^\'J
NH4(\'1 KOU = KC1 /H^T^ÏÏ3.
Ook alcaloidzouten zullen door deze base ontleed worden,
onder afscheiding van het veelal onoplosbare alcaloide.
Brengt men vetten of oliën mét kaliloog in aanraking, dan
ontstaan, onder scheikundige omzetting, zeepen, die in water
oplosbaar zijn. Gemengd/vfoet oxydum calcicum vormt hydras
kalicus de z.g. Pasta vibrihensis, die, met alcohol tot een
deeg gemengd, als bijtmiddel wordt gebruikt,
Sulfuretum kalicum, K2S, verkrijgt men door kaliumsulfaat
te gloeien met koolstof:
K0SO4 2C = K2S 20O2.
Voegt men bij een oplossing van dit sulfide een zuur, dan
wordt het ontleed onder ontwikkeling van zwavelwaterstof.
Trisulfureturn kalicum, K0S3, wordt volgens depharmacopee
bereid door een mengsel van 4 deelen sulfur depuratum en 7
deelen carbonas kalicus te smelten en in een bedekten kroes,
bij een zachte warmte, zóó lang gesmolten te houden, totdat
het niet meer opbruist, daarbij heeft dan de volgende werking
plaats gehad:
10S 4K2(\'03 = 3Kj&, K2S04 4C02.
Het kaliumtrisulfide onzer pharmacopee, ook zwavellever of
hepar sulfuris genoemd, is dus een mengsel, dat behalve
-ocr page 101-
K2S3 ook nog kaliuinsulfirat bevat. \\\\ anneer de temperatuur
bij do bereiding niet boog genoeg wordt, dan ontstaat inplaats
van dit sulfaat: Koi^O», en wordt dus een kleiner deel van de
zwavel gebruikt voor de vorming van K2S3.
Zwavellever vormt olijfkleurige stukken en riekt naar zwavel-
waterstof. Zij lost op in 2 deelen water, deze oplossing geeft
na met zuren verzadigd te zijn ontwikkeling van HoS en een
neerslag van zwavel:
K2S;. HwSOj = K^304 112S 2S,
ook door liet koolzuur uit de lucht heeft deze ontleding reeds
langzaam plaats. Het preparaat moet dus in goed gesloten
ilessehen worden bewaard.
Het beschreven preparaat is bestemd voor inwendig gebruik,
voor uitwendig gebruik, o. a. voorbaden, laat de l\'harmacopee
een preparaat bereiden uit 2 deelen ruwrf potasch en 1 deel
gesublimeerde zwavel.
                                    J, Ü \'\\
Voegt men eene oplossing van trisulfuretum kalicum bij eene
oplossing van een zout der zware metalen, dan zaleen neerslag
ontstaan van het sulfide van liet metaal.
Chloretum kalicum, KC1, wordt zuiver verkregen door
earbonas kalicus op te lossen in zoutzuur en het zout te doen
uitkristalliseeren:
KgCO., 2HC1 = 2KC1 H20 CO».
In de 1\'harmaeie wordt dit zout weinig gebruikt, het is goed
oplosbaar. Volgens de Duitsche nomenclatuur is de naam
kalium chloratum. wat een verwarring zou kunnen geven
met onze ehloras kalicus (Duitsch: kali chloricum),
daarop zij hier attent gemaakt.
Brometum kalicum, KBr, kan worden bereid door op
kaliumcarbonaat broomwaterstof te laten ijm*e]£erf^
K2CO3 2HBr = 2KBr H2OViW
De gewone bereidingswijze is echter uit kaliloog en broom;
door inwerking van deze beide stoffen ontstaat een mengsel
van kaliumbromide KBr en kaliuiubromaat KBrOg:
6Br 6KOH = 5 KBr KBr08 3H20.
Men dampt dit mengsel uit tot droog, mengt het met koolstof en
verhit, waarbij het kaliumbromaat door kool gereduceerd wordt:
KBr08 3C = KBr 3CO.
U6(D
-ocr page 102-
90
INIoii lost het mengsel op in water en dampt uit tot kristal-
lisatie. Broomkalhim kristalliseert in kleurlooze kuiten, die in
1,5 deel water onder sterke afkoeling oplossen; in alcohol lost
het zont 1 : 200 op. De oplossing in water is kleurloos, heeft
een zouten smaak en geeft met mercurozouten en niet loodzouten
witte neerslagen van hrometum hydrargyrosum en hrometum
plumbicum. Met zilvernitraat ontstaat een geel neerslag van
hrometum argenticum, dat onoploshaar is in zuren, en lang-
zaam oplost in ammonia. Na toevoeging van weinig chloorwater
wordt broom afgescheiden:
KBr Cl = KC1 Br.
dat met een bruine kleur in de vloeistof oplost. Met veel chloor-
water ontstaat de kleurlooze verbinding chloorbroom. (\'hloretum
ferricum geeft geen reactie met KBr, dit is een onderscheid
mét jodetum kalicuni, waaruit jodium wordt vrijgemaakt.
S><r ^ Jodetum kalicum, K.J. wordt op geheel analoge wijze als
hrometum kalicum bereid uit kaliloog en jodium.
Joodkalium komt voor in kuben, die in 0.75 deelen water
en 12 deelen spiritus fortior oplossen. TDe~ waterige oplossing
van KJ lost jodium in groote hoeveelheden op en wel lost 1
deel K.J, opgelost in 2 deelen water, 1.5 deel jodium op, ver-
moedelijk onder vorming van K.J3 (kaliumtrijodide), voegt men
bij deze oplossing meer water dan wordt de helft van het
jodium afgescheiden en ontstaat KJ» (kaliumbijodide). Voor de
praktijk kan men dus rekenen, dat 1 deel joodkalium 0.75
deelen jodium in oplossing kan houden./
Door licht en lucht wordt het zout onder vrijwording van
jodium (geelkleuring) ontleed, men beware het daarom in
flesschen van inactinisch glas, J^/
               /          ty \'xjlMr^J^A^j
Door cldoowyater^hroomw^ter^ vöokcnd s^tpeJ.eiRuuri platina-
chloride, ferriemórioe, ferrisulfanè, cliröomzuur,\'geconcentreerd
zwavelzuur en nitrietcBL in tegenwoordigheid van vrij zuur wordt
jodium uit joodkalium vrijgemaakt.
Tn de waterige oplossing geeft zilvernitraat een kaasachtig
geel neerslag van joodzilver, dat onoplosbaar is in ammonia,
loodacetaat geeft een geel neerslag van loodjodide, sublimaat,
HgClg, geeft een rood neerslag van jodetum hydrargyricum,
dat in overmate joodkalium kleurloos oplost.
-ocr page 103-
m
Jodetum kalicum vormt een bestanddeel van de Unguentum
jodeti kaliei onzer Pharmacopee, welke zalf door afgescheiden
joditim spoedig bruin wordt.
Chloras kalicus, KC103, wordt fabriekmatig o. a. bereid
door chloor te leiden in warme kaliloog:
6KOH 6C1 = 5KC1 KC1C)3 3H20.
Wanneer men de oplossing uitdampt, zal het betrekkelijk
moeilijk oplosbare kalinmchloraat bet eerst uitkristalliseeren.
Chloras kalicus komt meestal voor in glanzende plaatjes, op-
losbaar in Ki ft XI doelen kond water en in 1.7 deel kokend
water.
                 \'rU          •:"•\' v;
Verbit men bet zout, dan geeft bet zuurstof af, ditzelfde
geschiedt bij bet wrijven van zwavel, koolstof, zwavelstibium,
suiker en andere brandbare lichamen met chloras kalicus,
hierbij kan ontploffing optreden.
Met zoutzuur overgoten ontstaat chloorontwikkeling, door
sterk zwavelzuur ontstaat een heftige werking en worden gele
dampen van CloO uitgestooten. Mengt men kaliumchloraat met
suiker en voegt daarbij een enkelen druppel sterk zwavelzuur,
dan ontbrandt het mengsel direct met een schitterend licht.
Men zij dus met het vermengen van chloras kalicus met andpre ,c j
stollen steeds voorzichtig! Chloras kalicus is een bestanddefsj •
van de Trochisci chloratis kaliei. >(i
                         . t\\) Y "
Sulfas kalicus, K2SO4, wordt het eenvoudigst bereid door
neutralisatie van kaliumcarbonaat^niet zwavelzuur:
K2CO3 II9SO4 = K2S()4 C02 H20.
Het zout komt voor in kristallen zonder kristalwater, die
langzaam in 9 a 10 deelen water oplossen, sneller bij ver-
warmen. Uit de warme geconcentreerde oplossing scheidt het
zich bij bekoeling in scherpe kristalnaalden af.
Met oplossingen van loodzouten en van calciumzouten ontstaan
witte neerslagen van loodsulfaat en calciumsulfaat. Het vormt
een bestanddeel van Pulvis opii eompositus en van Hal carolinum
facticium.
Nitras kalicus, KN03, wordt tegenwoordig meestal bereid
door ontleding van het in de natuur voorkomende natrium-
nitraat met chloretum kalicum:
NaN03 KCl = KN03 NaCl.
-ocr page 104-
92
Bij kookhitte zal het chloornatrium, dat oplosbaar is 30 in
100, zich afscheiden en het kaliumnitraat, <lat oplosbaar is
247 in 100, opgelost blijven.
Kaliumnitraat of salpeter vormt zuilvormige kristallen, die
bij de gewone temperatuur oplossen in 4 deelen water, sneller
bij verwarming. Bij verhitting geeft liet zuurstof af en ontstaat
kaliumnitriet KNÜ2- <>p de eigenschap van gemakkelijk zuurstof
af te geven, berusten de sterk oxydeerende eigenschappen van
salpeter. Bij samenwrijven met zwavel, koolstof en organische
. stoffen ontstaat ontploffing.
>\'rC« Salpeter wordt gebruikt hij de bereiding van buskruit, dat
is een innig mengsel van salpeter, zwavel en houtskool. De
werking van kruit berust op de vorming van een groote hoe-
veelheid gassen na liet aansteken, welke gassen door hunne
groote spankracht in staat zijn krachtigen arbeid te verrichten.
1 volunie buskruit levert 2*0 volumina gas bij de explosie In
de Pharmacopee wordt salpeter voorgeschreven bij de bereiding
van Charta antasthniatica.
Arseniis kalicus, K..As<>3, wordt gevormd bij de beigidjiig f: .^
van Solutii arsoniitis kalici composita. J ,
                v^—^-^-.\'^tyviA*^
Carbonas kalicus, K2CO3, wordt op verschillende wijden
verkregen:
a.    l\'it de asch van landplanten. In deze planten komen
kalizouten voor van organische zm-en, welke bij het verbranden
overgaan in kaliumcarbonaat. De asch wordt met water uitge-
trokken. de gefiltreerde oplossing tot droog uitgedampt en de
bruin gekleurde rest in potten wit gebrand. (Van deze berei-
dingswijze is de naam potasch afkomstig).
b.    Bij de bereiding van lanoline uit schapenwol, wordt uit
het waschwater eene groote hoeveelheid K2CO3 verkregen.
c.     Door ontleding van kaliumchloride op dezelfde wijze als
soda wordt verkregen uit chloornatrium (zie later). Bij deze
drie bereidingswijzen verkrijgt men onzuivere potasch, die voor
pharmaceutisch gebruik niet kan dienen. Voor de bereiding
van zuiver kaliumcarbonaat gaat men uit van zuur kalium-
tartraat (tartarus), dat men gloeit en. dat dan overgaat in
kaliumcarbonaat, kooldioxyde en water. Van deze bereidings-
wijze i« de naam Sal tarlari afkomstig. \\
-ocr page 105-
Goedkooper dan< op deze wijze krijgt men dit-Ttout door J,
kaliumbiearbonaat (a verhitten:
2KHC03 = K2C().. 1I2<> C02.
Zuiver kaliumcarbonaat is een wit, grofkorrelig poeder,
moeielijk geheel fijn te wrijven. Aan de lucht trekt het vocht
aan en vervloeit geheel. Het is oplosbaar in eene gelijk gewield
water tot eene alkalisch reageerende vloeistof, die bij toevoeging
van een zuur opbruist. In alcohol is het zout onoplosbaar.
Voegt men eene oplossing van dit zout bij eene oplossing van
een alcaloïdzout, dan wordt het alcaloïde vrijgemaakt; met de
zouten der zware metalen geeft het een neerslag van de carbo-
naten van die metalen.
De Fharmacopee schrijft het voor bij de bereiding van:
Pilulae Blaudi, Solutio arseniitis kalici composita en l\'nguentum
sulfuratum compositum.
Bicarbonas kalicus, KHC< >3, verkrijgt men door in eene gecon-
centreerde oplossing van het carbonaat kooldioxyde te, voeren.
Het scheidt zich dan in kristallen af:
                                        ,!- \'v
K2CO;. C02 H2<) = 2KHCCVW- -V-\'ƒ\\iv_"{
Het zout lost op in 4 deelen water tot een alkalisch reagee- "
rende vloeistof.
De verbindingen der metalen met organische zuren worden
bij het organisch gedeelte besproken.
NATRIUM.
Na=23.
Dit metaal kan ten gevolge van zijn groote verwantschap
voor zuurstof, evenmin als kalium, vrij in de natuur voor-
komen. De zouten, vooral chloornatrium, komen in zeer groote
hoeveelheden in de natuur voor. Men vindt genoemd zout in
zeewater en in zoutmijnen (steenzouf) in kolossale hoeveelheden.
Uit dit zout wordt het natriumcarbonaat bereid en dit dient
weer voor de bereiding van andere natriumzouten.
               ..( ;d
J
Het element natrium wordt op analoge wijze bereid als kalium
en komt daarmede in eigenschappen overeen. De affiniteit jegens
water is echter niet zöö groot als bij kalium, de vrijgeworden
waterstof ontbrandt gewoonlijk niet.
-ocr page 106-
\'.14
Verbindingen van Natrium.
Het oxyde en het hydroxyde van dit element komen in
eigenschappen overeen niet de gelijknamige verbindingen van
kalium.
Chloretum natricum, XaCl, komt. zooals wij reeds zagen,
in groote hoeveelheden in de natuur voor. liet zout dat uit
zeewater en zoutmijnen wordt verkregen is echter voor phar-
maceutisch gebruik veel te onzuiver, het bevat o. a. nog mag- A
nesiumchloride. .Men zuivert bet op de volgende wijze.
Bij de oplossing in water voegt men eene oplossing van car-
bonas natricus, dan ontstaat onoplosbaar magnesiumcarhonaat,
dat men amltreert. Hij de gefiltreerde vloeistof voegt men eenig
zoutzuur, om de overmate toegevoegd earbonaat te ontleden en
om te zetten in chloride en dampt de vloeistof uit tot droog.
Men verkrijgt dan kleurlooze kuben, die veelal eenige moeder-
loog insluiten en daardoor hij verhitten uit elkaar slatten
(decrepiteeren), met een eigenaardig knappend geluid. Voegt
men bij eene oplossing van chloornatrium eene oplossing van
zilvernitraat, dan ontstaat een wit kaasachtig neerslag, dat aan
het licht zwart wordt en gemakkelijk oplost in ammonia, echter
niet in zuren.
Mercurozouten veroorzaken in chloornatriumoplossing een
wit neerslag van calomel, dat door ammonia zwart wordt.
Loodzouten geven met chloornatrium een wit neerslag van •
loodchloride, dat oplost in kokend water..!,,
                               :-\'~\\
Verwarmt men chloornatrium met zwavelzuur dan ontstaat
zoutzuur, met hruinsteen en zwalzaVur ontstaat chloor. Chloor-
natrium is een bestanddeel van Sal carolinum facticium. In de
receptuur gebruikt men NaCl om sublimaat op te lossen en bij
de bereiding van subhmaatpasfijles, die bestaan uit gelijke
deelen chloornatrium en sublimaat, gekleurd met indigocarmijn
of eosine. Sublimaat en chloornatrium vormen samen aen
dubbelzout, (lat jjemakkelijk..apk>st.
                                    -^Cv
Brometum natricum, NaBr, wordt op analoge wijze bereid
als brometum kalicum, waarmede het in de meeste chemische
eigenschappen overeenkomt. Het zout is echter hygroscopisch
en moet in een kalkstopHesch worden bewaard.
-ocr page 107-
95
Jodetum natricum, NaJ, wordt bereid als Jodetum kalicum
on komt daarmede ook in eigenschappen overeen. FFet is echter
hygroscopisch.
Hypochloris natricus, NaCIO, wordt uitsluitend gebruikt in
waterige oplossing, welke men bereidt door hypochloris calcicus
niet water aan te mengen, te filtreeren en te precipiteeren met
eene oplossing van carbonas natricus:
Ca(ClO)2 Xa2(\'<>s = 2Nal\'l<) CaC()3.
Het calciumcarbonaat bezinkt en wordt afgetiltreerd.
De oplossing riekt naar onderchlorigzuur en bruist op met
zuren onder ontwikkeling van chloor. De oplossing wordt veel-
vuldig als bleekmiddel gebruikt onder de namen bleekwater,
eau de Javelle, eau de Labarraque. Deze oplossing bevat
ook nog chloornatrium, doordat men voor de, bereiding uitgaat
van chloorkalk. dat naast hypochloris calcicus ook nogphlore.tum
calcicum bevat.
              . • .                                 - ;--\' l • •
Sulfas natricus, Sal mirabile (ilauberi, NagSl^-f IÖH2U,
wordt in groote hoeveelheden verkregen als uitgangsmateriaal
bij de bereiding van soda, door verhitten van chloornatrium
met zwavelzuur:
2NaCl ]I2S()4 = XaoS()4 2HC1.
Bovendien wordt het bereid door niagnesiumsulfaat, «lat in
groote hoeveelheden voorkomt in de zoutmijnen bij Stassfurth,
te ontleden met chloornatrium:
MgSü4 2NaCl = Na2S<)4 MgCl2.
Het zout vormt neutrale, doorschijnende, kleurlooze, bitter-
smakende kristallen, die aan de lucht verweeren en daarbij
met een wit poeder bedekt worden.
Natriumsulfaat is bij de gewone temperatuur oplosbaar in 3
deelen water, bij 100° in 0.4 deel. De grootste, hoeveelheid lost
op bij 33°, n.1. op 100 deelen water 3\'22.(i deelen van het zout.
Laat men eene dergelijke oplossing zeer rustig afkoelen, dan
blijft al het zout ook bij lagere temperatuur dikwijls nog opge-
lost, men heeft daarbij dan een oververzadigde oplossing
verkregen. Werpt men in deze oplossing een klein kristal sulfas
natricus, dan kristalliseert plotseling eene groote hoeveelheid
van het zout uit. Daar eene bij 33° verzadigde oplossing de
grootst mogelijke hoeveelheid van het zout heeft opgelost, zal
-ocr page 108-
96
èn bij verwarmen èn bij afkoelen een deel van liet zout uit-
kristalliseeren.
Evenals andere sulfaten geeft <lit zout neerslagen niet oplos-
singen van lood-. calcium-, barium- en strontiumzouten. Legt
men de kristallen van sulfas natricus eenigen tijd op een warme
plaats bij 40° a 50°, dan verliezen zij een groot deel van hun
kristalwater en gaan over in sulfas natricus exsiccatus
XaoS()4 aq. 1100 gram sulfas natricus leveren ongeveer 50
gram van het uitgedroogde zout. dat voorkomt als een fijn,
wit poeder. Men gebruikt in poeders dit uitgedroogde zout
veelal in plaats van het gekristalliseerde, maar moet dan
natuurlijk <kbuilt • vt» i—hrt—ToeEgasduaaaaa frmrieht nemen.
Door het kristalwater toch zou het poeder licht vochtig worden,
vooral indien het hygroscopische bestanddeelen bevat. In hooge
mate is dit natuurlijk het geval, waar het tengevolge eener
chemische omzetting vrij gemaakt wordt. bijv. bij het vermengen
van sulfas natricus met brometum kalicum.
NaüSO., lOaq 2KBr = 2NaBr Kg>04 10112().
Sulfas natricus exsiccatus vormt een bestanddeel van Sal
carolinum facticium. Het wordt soms wegens zijn wateront-
trekkende eigenschap gebruikt als droogmiddel, b.v. bij de
bereiding van Traumaticine.
Hyposulfis natricus, Na2S2():i öaq, komt voor in groote
kleurlooze kristallen. die in water gemakkelijk oplossen en
door zuren ontleed worden onder ontwikkeling van zwaveldi-
oxyde en afscheiding van zwavel:
Xa2S2<).s 2HC1 = 2NaCl S()2 S H20.
Xatiïumhypo sulfietof natriumthiosulfaat i) neemt gemakkelijk
chloor op en wordt daarom dikwijls onder den naam antichloor
gebruikt, om de laatste resten chloor te onttrekken aan stoffen,
die hiermede gebleekt zijn:
aNos&Oa I 201 = Na^Üg 2NaGl.-
Jodium wordt in groote hoeveelheid door hyposulfis natricus
opgelost, er ontstaat pene kleurlooze vloeistof, daar bet jodium
!) I )e iiiuim thiosulfant verklaart men, door aan to nemen dat in natrium-
snlfaat 1 atoom O is vervangen iloor 1 atoom S — tliion. XaoS^g is
natrinmtetrathionaat, omdat het 4 atomen S bevat.
-ocr page 109-
\'.»7
omgezet wordt in joodnatrium. Wanneer echter meer dan 254
doelen jodium op 4!>(> doelen hyposulfiet worden toegevoegd,
dan ontstaat bruinkleuring, doordat de overmaat .1 oplost in
het gevormde NaJ.
De halogeenverbindingen van zilver zijn gemakkelijk oplosbaar
in eene oplossing van natriumhyposulfiet, daarom gebruikt men (
dit zout veel bij de pbotogratie, om de niet door het licht___-\\
ontleede zilververbindingen op te lossen.
Nitras natricus, NaN03, chilisalpeter, komt in uitgestrekte^ /
lagen in Chili in den bodem voor; dit onzuivere zout wordt
door omkristalliseeren gezuiverd en komt voor in neutrale^ <~ k_
hygroscopische kristallen. die in vorm veel op kubcn gelijken,\'
om deze reden wordt bet zout ook kubensalpetcr genoemd.
Het is gemakkelijk oplosbaar in koud en in kokend watei4^.
daar het hygroseopisch is, kan het niet worden gebruikt voor-fo,
do bcreuïïng van buskruit.
                                                                   *,
Phosphas natricus, XaaHI\'(>4 12aq. Van de drie natrium-
phosphaten, die men kan verkrijgen door in phosphorzuur,
H3PO4, 1,2 of 3 atomen H door Na te vervangen, wordt het
KogHPOj 12a<j, dus hot dinatriumphosphaat onder den
naam phosphas natricus gebruikt. Dit zout verkrijgt men door
phosphorzuur te neutraliseeren met carbonas natricus:
H3PO4 Xa2(\'<)3 = Nt^HPO* C02 II20.
Het vormt kleurlooze, gemakkelijk verweerendo kristallehyiA\'» •
die in 6 deelcn koud en in 0.5 deel kokend water oplossen. \'
Door verhitting gaat dit zout onder verlies van water over in
natrium pyrophosphaat:
2Xa2HPU4 = Xa4P2<>7 H2(), ./ t
dat voorkomt in kleurlooze kristallen, die in 14 deelen water\'
oplossen. Men gebruikt dit zout voor de bereiding van solutio *
pyrophosphatis natrico-ferrici, solutio Leras, waarvoor men
eene verdunde oplossing van chloretum ferricum voegt bij eene
oplossing van natriumpyrophosphaat.^BiJ het vermengen ont-
staat een neerslag van fernpyrophospnaar, dat langzaam oplost
in de overmate natriumpyrophosphaat, tot het oplosbare dub-
belzout pyropbosphas natrico-ferricus. Behalve dit dubbelzout
bevat de solutio Leras ook nog chloornatrium, dat bij de dubbele
omzetting is ontstaan.
8CHKÖDEB on de ZAAi.iKit, Scheikunde.                                               7
-ocr page 110-
98
Hypophosphis natricus, NaH2P02, is een korrelig, kris-
tallijn, wit en hygroscopisch poeder. Bij verhitting ontstaat
phosphorwaterstofgas, dat aan de lucht ontvlamt,
Biboras natricus, Na^Bc^Oy, borax, wordt verkregen door
neutralisatie van boorzuur met natriumcarbonaat en ook door
zuivering (raffineeren) van de ruwe borax of tinkal. Het zout
komt voor in kristallen, die aan droge lucht slechts zeer opper-
vlakkig verweeren. Door verhitten verliest borax zijn kristal-
water en gaat over in een glasachtige massa. Boorzuur en
salicylzuur lossen in boraxoplossingen beter op (fan in water.
Op de~êigenschap metaaloxyden op te lossen berust het gebruik
van borax bij het soldeeren. Hij zachte verwarming lost borax
op in glycerine ((ilycerinum nim biborato natrico).
Carbonas natricus, Na2C03 10aq., soda. Voor de bereiding-
van dit belangrijke natriumzout gaat men uit van keukenzout,
dat men v. n. op 2 wijzen in het carbonaat omzet:
10, Volgens het proces van Le-Blanc verhit men eerst chloor-
natrium met zwavelzuur:
2NaCl H2S04 = Xa2S04 2HC1.
Het sulfas natricus, dat hierbij wordt gevormd, gloeit men
met een mengsel van koolstof en calciumcarbonaat. Door de
koolstof wordt het natriumsulfaat gereduceerd tot natriumsulfide:
Na2S04 20 = 2C02 H- Na2S
en dit zout wordt door het calciumcarbonaat omgezet in natrium-
carbonaat en calciumsulfide
Na2S CaC03 = Na2C03 CaS.
20. Bij het proces van Solvay voert men onder drukking
ammoniakgas en kooldioxyde in eene verzadigde oplossing van
natriumchloride, waarbij dan bicarbonas natricus, NaHCOa, en
chloorammonium NH4C1 ontstaan:
NaCl NH3 C03 H20 = NaHC03 NH4C1.
Door gloeien gaat liet bicarbonaat over in het carbonaat:
2NaHC03 = Na2C03 C02 H20.
Natriumcarbonaat komt voor in doorschijnende, kleur- en
reukelooze kristallen, die aan de lucht verweeren en gemak-
kelijk oplossen in ongeveer 2 deelen koud water, sneller in
kokend water. De grootste hoeveelheid soda lost op bij 38°, n.L
in 100 deelen water 1142 deelen soda. De oplossing reageert sterk
-ocr page 111-
<)\'.!
alkalisch. Men gebruikt dit zout o. a. 4»tj-du bereiding wm-da.
firtio Uivcri (m^cr-WmrmïïrfrpT^eHbij de bereiding van Sirupus
rhei en Tinctura rhei aquosa, waar het dient om de be-
standdeelen van den wortel v.n. chrvsophaanzuur en eniodine in
natriumverbindingen om te zetten, die goed oplosbaar en donker
roodbruin van kleur zijn. Voegt men bij deze oplossing een
zuur, dan worden de natriumverbindingen ontleed, de donkere
kleur wordt lichtgeel en het chrvsophaanzuur praecipiteert.
Met de zouten der zware metalen geeft soda een neerslag van
de metaalcarbonaton, die onoplosbaar zijn; uit oplossingen van
alcaloïden worden door natriumcarbonaat fik alcaloïaen neer-
geslagen. Laat men natriumcarbonaat aan droge lucht liggen,
dan verliest het spoedig een groot deel van het kristalwater,
zóó dat ongeveer 500/0 carbonas natricus exsiccatus overblijft.
Men gebruikt dit zout in plaats van het gekristalliseerde, wan-
neer het in poeders wordt voorgeschreven.
Bicarbonas natricus, NaHCOs, scheidt zich als een kristallijn
poeder af, wanneer men in eene verzadigde oplossing van
carbonas natricus kooldioxyde voert:
Xa._,(\'o8 IM) (\'<)._» = 2NaHC03.
Het zout heeft een zwak alkalische reactie en is oplosbaar in
11 deelen water. Verwarmt men de oplossing boven 70°, dan
wordt zij ontleed onder vorming van carbonas natricus, ook
door sterk schudden verliest de oplossing CO;>. Het zout is
een bestanddeel van Sal carolinum facticium, van de Trochisci
bicarbonatis natrici en van I\'ulvis aërophorus. Door zuren wordt
het bicarbonaat ontleed onder vrijwording van C©2- ^ïeu ge_
bruikt het zout veel voor de bereiding van saturatïes.
i !         \' * \'t A
LITHIUM.                       /.          J^^^r.i
\'                                  Li = 7.
Van dit element gebruikt men in de Pharmacie:
Carbonas lithicus, LigCOs, een wit poeder, dat onder op-
bruising oplost in zuren (uitgezonderd in phosphorzuur). Het
is oplosbaar in 75 deelen koud water, minder goed in kokend
1 JL* 3*
-ocr page 112-
il
water. Houdt men een weinig van dit zout aan een platinadraad
in een niet lichtgevende vlam, dan wordt deze karmijnrood
gekleurd.
AMMOXU\'M.
XII, = 14 4.
Wanneer ammonia, Nll3, zich verbindt met zuren, dan ge-
sehiedt dit. zooals wij zagen, zonder dat waterstof uittreedt:
Ml.., 11(1 = NH4CI,
2NH3 H2S04 = (NH4)2S04.
De verbindingen, die hierbij ontstaan, zijn zouten, welke in
vele eigenschappen overeenkomen met de kalizouten, daarom
neemt men in deze ammoniakzouten het radicaal NH4, ammo-
nium, aan. dat zich op dezelfde wijze gedraagt als de\'alkali-
metalen.
De ammoniumverbindingen komen in geringe hoeveelheden .jj
in de natuur voor, de meeste worden bereid uit ammonia,/\'
die men verkrijgt uit het ammoniakwater der gasfabrieken
(zie pag. <>4).
Chloretum ammonicum, NH4CI, ontstaat wanneer men
ammoniakgas voert in zoutzuur en ook door ontleding van
ammoniumsulfaat met chloornatrium. Chloorammonium of
salmiak komt in den handel als draderige koeken en als
kristallijnpoedcr. Het lost op in ongeveer 3 deelen water van
de gewone temperatuur. Door sterk alealisch reageerende stoffen
(KOU) wordt ammonia uit dit en uit de andere ammoniak-
zouten vrijgemaakt. De Pharmacopee laat van dit zout trochisci
bereiden, welke elk i"> mgr. chloretum ammonicum bevatten.
Wanneer men 5 deelen chloretum ammonicum mengt met 1
deel solutio chloreti ferrici, het mengsel op een waterbad tot
droog uitdampt en daarna fijnwrijft, verkrijgt men chloretum
ferricum et chloretum ammonicum,
een oranjekleurighygros-
copisch poeder.
Brometum ammonicum, .\\\\II4Br, is een wit, kristallijn zout,
goed oplosbaar in water en dat aan de lucht geel gekleurd wordt.
Jodetum ammonicum, ^XH4J, is hygroscopiseh, goed op-
losbaar in water en alcohol.
-ocr page 113-
101
Hydras ammonicus, N\'H4OH, is niet in vrijen toestand/
bekend, maar komt voor in ammonia liquida (zie pag. <>•">)./.\' Ml,
Sulfas ammonicus, (Mi4X>^()4, komt voor in kleurlooze /
kristallen, die gemakkelijk in water oplossen, maar onoplosbaar
zijn in alcohol.
                                                           /\'"\'\' \' \' ^ \'!
Carbonas ammonicus werd vroeger in onzuivercn toestand
verkregen door stikstofhoudende organische^stonen, bijv. hoorn,
aan droge destillatie te onderwerpen. Het op deze wijze ver-
kregen product, dat verontreinigd was door dierlijke olie (oleum
animale empyreumaticïim), werd vroeger gebruikt onder den
naam sal cornus cervi of carbonas ammonicus pyro-
animalis. .
                                          -                      . . (.
Tegenwoordig bereidt men het anmioniumcarbonaat door
sublimatie van een mengsel van chloorammoniuin en ealcium-
carbonaat. Het komt voor in harde, kristallijne stukken, die
sterk naar ammoniak rieken en door warmte geheel vervluch-
tigen. Het lost op in 5 deelen water (om de vluchtigheid mag
het zout niet in warm water worden opgelost), en bruist op
met zuren. Mengt men 4\'J deelen van dit zout nauwkeurig met
1 deel oleum animale empyreumaticum depuratum, dan ver-
krijgt men ons tegenwoordige sal cornus cervi. Wrijft men
1 deel van dit zout met •"> deelen water, dan krijgt men na
filtratie den spiritus cornus cervi of solutio carbonatis
ammonici pyro anima lis.
Voegt men sal cornus cervi hij eene oplossing van barnsteen-
zuur in water, dan ontstaat de spiritus cornus cervi succi-
natus
of solutio succinatis ammonici pyroanimalis.
I-------f                    P**~
AARDALKALIMETALEN.
Tot deze groep behooren de drie bivalente elementen calcium,
strontium en baryum. Zij verbinden zich reeds bij de gewone \'
temperatuur met zuurstof tot sterk basische oxyden, ontleden
water en vormen daarbij hydroxyden, die veel minder goed in
water oplossen dan de overeenkomstige verl undingen der alkaliën.
He normale phosphaten, sulfaten en carbonaten dezer elementen
zijn in water onoplosbaar.
                                ~\\ .
-ocr page 114-
102
CALCIUM.
Ca = 40.
In <lc natuur vindt men dit clement niet in vrijen toestand,
in gebonden toestand echter is het een der meest verbreide
elementen. Met Huor verbonden komt het voor als fluorcalciuni,
CnFlo of vloeispaat, met koolzuur als ealciumearbonaat, met
zwavelzuur als calciumsulfaat of gips.
Calcium is een geel, sterk glanzend metaal, dat aan vochtige
lucht overgaat in calciumhydroxyde.
Chloretum calcicum, CaCl2 6aq, kan men bereiden door
ealciumearbonaat op te lossen in zoutzuur:
CaC03 211(1 = CaCl2 C02 H20.
baat men het zout uitkristallisecrcn, dan bevat het 6 molec.
kristalwater, en vormt doorschijnende, zeer hygroscopische
kristallen, die onder sterke afkoeling gemakkelijk in water
oplossen. Verwarmt men de kristallen langzamerhand tot 200°,
dan verliezen zij al het kristal water, waarbij zij in een witte
poreuze massa overgaan: deze massa is uitstekend geschikt voor
wateronttrekkende stof in exsiccatoren, waarvoor zij veelvuldig
wordt gebruikt. Daar zij aan de lucht vervloeit, kan zij echter
niet voor de gewone Cornelisflesschen gebruikt worden.
Oxydum calcicum, CaO, calx usta, gebrande kalk,
ongebluschte kalk, komt in de natuur niet vrij voor, maar
wordt bereid door gloeien van ealciumearbonaat onder toetreding
van lucht in z.g. kalkovens:
CaC03 = CaO CO.,.
Daar ealciumearbonaat in zeer verschillende vormen in de
natuur voorkomt, zal het product, dat men verkrijgt, ook
verschillen. In de Pharmacie gebruikt men gewoonlijk oxydum
calcicum e marmore, dat verkregen wordt door gloeien van
zuiver, wit cararisch marmer.
Dit calciumoxyde is een witte, harde, amorphe massa, die
zelfs bij zeer hooge temperatuur nog niet smelt. Het calcium-
oxyde verkregen uit ander materiaal, als schelpen, kalksteen
of krijt, is grijswit van kleur, tengevolge van klei, zand, ijzer-
oxyde enz., welke in die stoffen voorkomen.
-ocr page 115-
108
Laat men calciumoxyde aan de lucht liggen, dan vallen de
stukken eerst tot poeder uiteen, tengevolge van opname van
water:
Ca() 1I20 = Ca(OH)2.
Het gevormde calciumhydroxyde gaat onder opname van
kooldioxyde uit de lucht langzamerhand over in calcium-
carbonaat.
Besprenkelt men de stukken ongebluschte kalk met water,
dan wordt dit eerst opgezogen, maar daarna ontstaat onder
hevige dampontwikkeling een chemische werking, waarbij het
oxyde zich met het water verbindt tot hydroxyde, dit is dan
de z.g. gebluschte kalk, hydras calcicus, waarvan de
verzadigde waterige oplossing wordt gebruikt als kalkwater.
Voor de bereiding van kalkwater, solutio hydratis calcici
aqua calcis volgt men dezen weg: 1 deel oxydum calcicum
wordt in een schaal langzaam besprenkeld met •*> il 4 deelen
koud water of met 1 deel kokend water; daarbij wordt de kalk
gebluseht. Het verkregen poeder brengt men in een flesch,
overgiet het met 20 deelen gewoon water en schudt flink door;
hierbij lossen in het water op de chloriden, de hydraten en de
carbonaten van kalium en natrium, die veelal het calciumoxyde
verontreinigen. Na bezinking schenkt men de bovenstaande
heldere vloeistof af, overgiet de achtergebleven brijachtige massa
met oOO deelen water en schudt herhaalde malen om, zoodat
zooveel mogelijk hydras cal<-icus in het water oplost. Daar 1
deel hydras calcicus oplost in 600 deelen water, zal er hydras
calcicus in overmate zijn. Laat men de vloeistof aan de lucht
blootgesteld staan, dan vormt zich bovenop een laagje calcium-
carbonaat, dat bezinkt en verlies van hydras calcicus tengevolge
heeft. De bedoeling van de Pharmacopee is nu, dat men vóór
het gebruik de flesch met kalkwater zal schudden om op die
wijze weer ander hydras calcicus in oplossing te brengen en
dan de oplossing te filtreéren. Bij deze filtratie heeft men echter
weer verlies aan kalk. Doelmatiger is het daarom — maar niet
in overeenstemming met het voorschrift der Pharmacopee —
om kalkwater met overmaat kalk in goed gesloten flesschen te
bewaren en bij het gebruik de bovenstaande vloeistof helder af
te gieten.
-ocr page 116-
104
Een dergelijk kalkwater wordt bij koken troebel, het gefil-
treerde meestal niet. Dit troebel worden berust op de eigen
schap van hydras calcicus, dat bet in kokend water minder
goed oplosbaar is dan in koud.
\\ / Kalkwater is een heldere, kleurlooze, scherpsmakende vloei-
/^^atof. Men gebruikt haar u,. a. voor de bereiding van aqua
phagadaenica,
waarvonri men 1 deel vooraf fijngewreven
sublimaat voegt bij 250 deelen kalkwater. Er ontstaat dan
een geel neerslag van kwikoxyde:
Ca(OH)2 HgCl2 — CaC:i2 UgO H2<).
Aqua phagadaenica nigra bereidt men door 1 deel calomel
te schudden met 100 deelen aqua caleis: hierbij ontstaat een
zwart neerslag van kwikoxydule:
Ca(OH)2 4- Hg2Cl2 = CaClg Hg2C) H20.
Aqua phagadaenica moet vóór het gebruik omgeschud worden.
Schudt men gelijke deelen kalkwater en lijnolie met elkaar,
dan ontstaat een geelwitte emulsie, die bekend is onder den
naam linimentum caleis.
                                        cc
.Mengt men hydras calcicus met weinig water, dan verkrijgt
men de /..g. kalkbrij, die met zand gemengd de z.g. metselkalk
vormt. Stelt men deze bloot aan de lucht, dan wordt zij vast
onder vorming van calciumcarbonaat en calciumsilicaat.
Een mengsel van 1 deel hydras calicus met 8 deelen water
is bekend als kalkmelk en wordt gebruikt als desinfectie-
middel, ook dit mengsel moet onder afsluiting van de lucht
worden bewaard.
/ Hypochloris calcïcusV OaXÜÏCJ)2, komt niet in zuiveren
toestand in den handel voor, maar als bestanddeel van het
handelsproduct, dat onder de namen chloorkalk, bleek-
poeder of bleekkalk bekend is en bestaat uit een mengsel
van hydras calcicus, ehloretum calcicum en hypochloris calcicus.
Men verkrijgt dit mengsel door chloor te voeren over gebluschte
kalk die op ramen is uitgespreid:
           • \' ,•)^L\':>VV
•2Va(OH)2 4C1 = CaCL, (\'a((\'l())2 2H20.
Chloorkalk is een wit, brokkelig poeder, dat naar chloor riekt.
In water lost het slechts gedeeltelijk op, men bereidt de op-
lossing door choorkalk in een mortier telkens met kleine
hoeveelheden water aan te mengen, de vloeistof vervolgens af
-ocr page 117-
105
te gieten en te fütreeren; de achterblijvende rest bestaat uit
hydras calcicus, terwijl de oplossing alle drie bestanddeelen
bevat. Door toevoeging van zelfs zeer zwakke zuren wordt uit
de verbinding chloor vrijgemaakt, hierop berust het gebruik als
bleekmiddel:
Ca(C10)2 CaCl2 41IC1 = 4(ï -J(*a(\'l2 2H2().
Hypochloris calcicus is een oxydatiemiddel, dat o. a. de
weinig vergiftige mercurozouten oxydeert tot de vergiftige mer-
curizouten. ISij het vermengen van eene oplossing van (\'a((\'l()).>
niet ammonia kan < hloorstikstof ontstaan.
Sulfas calcicus, CaS()4 21I2(.), komt in de natuur in
groote hoeveelheden voor, watervrij als calciumsulfaat of anhy-
driet en kristalwaterhoudend als gips. Kunstmatig kan men
het calciumsulfaat verkrijgen, door verdunde oplossingen van
calciunizouten neer te slaan met zwavelzuur.
In \'water is gips weinig oplosbaar, het best lost het op bij 3ö3.
Wanneer men gips langzaam tot 150° a 160\' verhit, verliest
het zijn kristalwater en gaat over in gebrande gips, gypsum
ustuin, mengt men deze gips met water aan, dan neemt het
het verloren kristalwater weder op en verandert in een steen-
harde massa. Om deze eigenschap gebruikt men gips tot het
maken van afdrukken van voorwerpen, voor gipsverbanden enz.
Wordt gips tot 200° verhit, dan verliest het de eigenschap om
met water een harde massa te vormen, en men spreekt van
doodgebrande gips.
Hypophosphis calcicus, CaCH^PO^, is een korrelig, kris-
tallijn, wit poeder. Bij verhitting ontstaat phosphorwaterstofgas,
dat aan de lucht ontvlamt:
qt               CaCIial\'C^o - CaHP04 l\'H3.
In 6 a 7 deelen water is het zout oplosbaar, de oplossing
mag zwak opalesceerend zijn.
Phosphas calcicus, CaHP()4 2H2Ü, wordt volgens de
Pharmacopee bereid door gebluschte kalk op te lossen in zout-
zuur tot calciumchloride en de oplossing neer te slaan met
eene oplossing van phosphas natricus:
CaCl2 Na2HP()4 = CaHP04 2NaCL
Het neerslag wordt verzameld en met water afgewasschen.
Men verkrijgt op deze wijze een fijn, licht, wit poeder, dat
-ocr page 118-
106
in water bijna geheel onoplosbaar is. In zuren n.1. azijnzuur,
phosphorzuur, zoutzuur en salpeterzuur is het gemakkelijk
oplosbaar. ~ --*~"
Carbonas calcicus, CaCO,., komt in de natuur voor als
kalkspaat, marmer on krijt, die echter voor pharmaceutiscb
gebruik ongeschikt zijn. De bereiding van het calciumcarbonaat.
dat wij in de Pbarmacie gebruiken, berust op eone zuivering
van het in de natuur voorkomende. Het onzuivere calcium-
carbonaat, wit marmer, lost men oji in zoutzuur, waarbij CaCL
ontstaat:
CaC03 2HC1 = CaCl2 C02 H2(),
bij deze oplossing voegt men, na zuivering door chloorkalk,
eene oplossing van natriumcarbonaat, waarbij calciumcarbonaat
neerslaat:
CaCl2 XajCO... = CaC03 \\- 2NaCl.
Carbonas calcicus is een lijn, zeer wit poeder, onoplosbaar
in water, oplosbaar in verdunde zuren (natuurlijk niet in phos-
phorzuur en zwavelzuur).
Het poeder bestaat geheel uit kristallen, dit is een onderscheid
met het poeder van marnier of krijt, dat amorph is. Bovendien
is het langs scheikundigen weg bereide poeder veel zachter dan
krijt of marmerpoeder. Het maakt een bestanddeel uit van
pulvis antacidus. Q,~)
Oaleiumsilicaat vormt een hoofdbestanddeel van ons gewone
glas. #emengd met natriumsilicaat vormt het natronglas, dat
gemakkelijk smeltbaar is: gemengd met kaliumsilicaat vormt
het kaliglas, dat moeielijk smelt. Üfatnonglas wordt gemaakt
door .zuiver zand met soda" en kalk"\' in een oyen zoolang te
verhitten, tot de massa geen dampbelleiï meer "uitstoot. Om
gekleurd glas te bereiden, voegt men aan de glasmassa ver-
schillende metaaloxyden toe, bijv. voor groen glas ijzeroxydule,
voor geelrood glas ijzeroxyde, voor blauw glas kobaltoxyde enz.
Ons gewone glas geeft aan water, dat er langen tijd in staat,
alkali af; dit is de reden dat oplossingen van Apomorphine in
zulk glas bewaard groen worden en oplossingen van Escrine; , <
rood. Door bij de vloeistof wat zuur te voegen, dat het alkali;-\' *
neutraliseert, voorkomt men deze kleursverandering.
. , . .
i/yv "*
-ocr page 119-
107
LOOI) — PLUMBUM.
Pb = 206,5.
In de natuur vindt men lood zelden in vrijen toestand,
meestal treft men het aan als loodglans, zwavellood", PbS.
Uit deze verbinding kan men het lood bereiden, door het
met metallisch ijzer te verhitten:
1\'bS Fe = FeS Pb.
Lood is een blauwgrijs, sterk glanzend, zeer week metaal;
men kan het met een mes snijden en over papier gestreken
laat het een grijze streep achter. Aan vochtige lucht verliest
lood spoedig zijn glans en wordt bedekt met een dun laagje
loodoxydule, l\'b.,0. Smelt men lood onder toetreding van lucht,
dan wordt het bedekt met een geelgrijs poeder, een mengsel
van loodoxydule en loodoxydc.
Lood wordt door zuiver, luchtvrij water niet aangetast. Bevat
het water echter lucht, dan wordt het lood aan de oppervlakte
langzaam in loodhydroxyde Pb(OH)2 omgezet, dat in kleine
hoeveelheden in het water oplost en het daardoor schadelijk
maakt voor de gezondheid. Regenwater, dat in looden dakgoten
wordt opgevangen en door looden buizen wordt gevoerd, zal
dus gemakkelijk loodhoudend worden! Wanneer het water kool-
zuur of sulfaten in oplossing bevat, neemt het geen noemens-
waardige hoeveelheden lood meer op, daar door inwerking van
beide stoffen op het lood de buis van binnen wordt bedekt met
een laagje van basisch loodcarbonaat of van loodsulfaat, dat
het metaal tegen verdere inwerking beschut. Zoutzuur en zwavel-
zuur tasten lood weinig aan, daar het gevormde loodchloride-
en loodsulfaat onoplosbaar zijn en het lood niet een beschuttende
laag bedekken.
Lood is in verdund salpeterzuur en, onder toetreding van
lucht, ook in azijnzuur oplosbaar.
VERBINDINGEN VAN LOOD. •
De halogeenverbingen van lood verkrijgt men door bij eene
oplossing van een loodzout eene oplossing van een halogeen-
vorbinding te voegen: chloorlood, PbC\'L, en broomlood
-ocr page 120-
108
PbBro, krijgt men dan als witte neerslagen, terwijl ioodlojgd
I\'1 >J2 geel is.
Met zuurstof vormt lood verschillende verbindingen, waarvan
wij alleen loodoxyde, PbO, en menie, IMkjOj, zullen bespreken.
Oxydum plumbicum, PbO, wordt in \'t groot verkregen als
bijproduct bij het vrijmaken van zilver uit zilverbevattende
loodertsen. Men krijgt bet dan als zoogenaamd loodglid,
lithargyrum, oxydum plumbicum semivitreum, dat
voor pharniaceutisch gebruik dient. Het loodoxyde, dat ver-
kregen wordt door verhitting van loodcarbonaat of loodnitraat,
wordt onder den naam massi cot als verfstof gebruikt.
Loodoxyde komt voor als geelroode, glanzende schubben of
als een oranjerood poeder, in water is het bijna pnopJpsliaar_,
in ajdjnv<uur en salpeterzuur en in oplossingen van hydras kalicus
en hydras natrieus lost het gemakkelijk op, aan de lucht bloot-
gesteld neemt het kooldioxyde op en gaat ten dcele over in
basisch loodcarbonaat. Daar deze verontreiniging storend werkt
bij de bereiding van solutio acetatis plumbici basici en van
emplastrum oxydi plumbici moet men het oxyde in een goed
gesloten llesch bewaren of het vóór het gebruik door zwak
gloeien van het kooldioxyde bevrijden.
Minium, PbjO^j, menie is een vuurrood, zwaar poeder, dat
verkregen wordt door loodoxyde onder toetreding van lucht
eenigen tijd bij 300a a 400° te verhitten. Menie wordt gebruikt
als verfstof.
Nitras plumbicus, l\'l>( XO;{)L,, wordt verkregen door loodoxyde
op te lossen in een mengsel van salpeterzuur en water, liet
loodnitraat kristalliseert in kleurlooze kristallen, die in 2 doelen
zuiver water helder oplossen. Bevat bet water kooldioxyde,
dan wordt de oplossing troebel, door vorming van loodcar-
bonaat. In "t algemeen gebruikt men voor het oplossen van
loodzouten bet best aipia_dj^stillata, dat door koken van kool-
dioxyde is bevrijd.
Carbonas plumbicus, I\'b(\'()3, wordt niet gebruikt; wat we
in de I\'harmacie onder dezen naam gebruiken is het basisch car-
bonaat of loodwit, cerussa, eeno verbinding van 2 moleculen lood-
carbonaat en 1 molecule loodhydroxyde n.1.: 2PbCOa Pb(OH)jj.
Men kan het praeparaat op verschillende wijzen bereiden.
-ocr page 121-
109
De oudste, hollandsche, bereidingswijze is de volgende. Men
brengt spiraalvormig opgerolde looden platen in potten, die
tendeele met azijn gevuld zijn, sluit ze los met een looden
plant en plaatst ze eenigen tijd in paardenmest. liet lood zal,
daar ook de lucht kan toetreden, eerst omgezet worden in
loodacetaat. en door het koolzuur, dat ontstaat l>ij liet rotten
van den paardenmest, wordt deze verbinding vervolgens omgezet
in Loodcarbonaat.
Een andere, fransche, bereidingswijze bestaat hierin, dat men
zooveel loodoxyde als mogelijk is, oplost in azijnzuur, waarbij
basisch loodacetaat ontstaat, dat men door inleiden van kool-
dioxyde omzet in basisch loodcarbonaat. (\'arbonas plumbicus is
een wit, zwaar, in water onoplosbaar poeder, dat als verfstof
veelvuldig wordt gebruikt.
I)e 1\'harmacopee laat het gebruiken voor de hcreiding van
unguentum carbonatis plumbici, terwijl deze zalf dient
voor de bereiding van unguentum carbonatis plumbici
camphoratum. In salpeterzuur, dat met een gelijk gewicht
water is verdund. en in azijnzuur is loodcarbonaat onder op-
bruisen oplosbaar. In sterk salpeterzuur lost het niet op.
Schilderijen, die met loodcarbonaathoudende verf geschilderd
zijn, worden dikwijls donker door vorming van zwart loodsulfide.
Om de oorspronkelijke kleur weer te herstellen, behandelt men
ze niet eene oplossing van waterstofperoxyde, waardoor het
loodsulfide wordt geoxydeerd tot loodsulfaat. *\'
I)e magnesiumgroep omvat de vier volgende bivalente ele-
menten: Magnesium, Beryllium, Zink en Cadmium. De
oxyden, hydroxyden en carbonaten van deze 4 elementen zijn
onoplosbaar in water, de sulfaten lossen gemakkelijk op.
MAGNESIUM.
Mg =24.
In de natuur komt dit element niet in vrijen toestand voor,
de verbindingen zijn echter zeer verbreid in de natuur. Men
vindt het o. a. als carbonaat in Magnesiet en Dolomiet, als
-ocr page 122-
fv-t/vW
jjv^
l|/W^r
silicaat in speksteen, meerschuim en asbest. Het clement kan
bereid worden door ontleding van magnesiurochloride door den
electrischen stroom.
                                        o/l/iKj X\\
Magesium is een zilverwit, sterk glanzend métaal, dat smelt-
baar is. Verhit men het metaal aan de lucht, dan verbrandt
het met een intensief wit licht, dat rijk is aan chemische stralen
en in de natuurkunde soms gebruikt wordt ter vervanging van
het zonlicht, o. a. om te photografeeren. Tiet metaal lost in
verdund HC1, IL>S04 en HNO3 gemakkelijk op. De zouten van
het element zijn kleurloos of wit, wanneer het zuur waarmede
zij bereid zijn kleurloos is.
VERBINDINGEN VAN MAGNESIUM.
Chloretum magnesicum, MgCl2, vindt men o. a. in zee-
water, het is zeer hygroscopisch; dit is de reden, dat ook het
zeezout (onzuiver chloornatrium), dat steeds wat MgCU bevat,
hygroscopisch is.
Oxydum magnesicum, MgO, wordt bereid door "gloeien
van basisch magnesiumcarbonaat in oen hessischen kroes. Onder
verlies van kooldioxyde en water gaat de verbinding dan in
het oxydc over, de opbrengst bedraagt ongeveer 40u/0. Het
magnesiumoxyde of de gebrande magnesia, magnesia
usta is een zeer fijn, wit, reuk- en smakeloos poeder. In water
isl^tjanoplosbaar; door toevoeging van ammoniumzouten wordt
de oplosbaarheid belangrijk verhoogd. In verdunde zuren lost
het oxyde zeer gemakkelijk op. Bij eene ondoelmatige bewaring
neemt het oxyde water en kooldioxyde op en gaat over. in het ,
carbonaat.
                                                    ri,,l \', f^!" \' * L^l -; \\!\'(o(jL
Magnesiumoxyde dient bij de bereiding van nilulae Dlaudi
en maakt een bestanddeel uit van antidotum _arsenici. In
vroegeren tijd werd het algemeen gebruikt als constituens voorO>, ,
pillen met balsanium copaivae of extractum filicis; men heeft
echter gevonden, dat het zich met de zuren uit deze stoffen
tot onoplosbare zouten verbindt, zoodat men het tegenwoordig
hierbij alleen nog als constituens gebruikt, wanneer het uit-
drukkelijk is voorgeschreven.
Sulfas magnesicus, MgSftj 7aq., is tegen het einde van
-ocr page 123-
111
de 17" eeuw van uit Engeland tot ons gekomen (Sal anglicum),
waar het uit de bronnen bij Epsom is bereid (Sal ebsha-
mense). Men bereidt tegenwoordig dit zout uit magnesium-
carbonaat en zwavelzuur:
MgC03 1I2S04 = MgS04 C02 H20.
Het vrijgeworden kooldioxyde gebruikt men voor de bereiding
van mineraalwater. Magnesiumsulfaat vormt kleurlooze kristallen
met onaangenamen, bitteren smaak (Sal amarum). Het lost
bij de gewone temperatuur op in 2 deelen water, gemakkelijker
in warm water.
Verhit men het zout in een porceleinen schaal op een water-
bad, dan verliest het een groot deel van zijn kristalwater en
er blijft ongeveer Gö% sulfas magnesicus exsiccatus over,
dat men in poeders in plaats van het gekristalliseerde kan
gebruiken.
                                                          - . :y\\ • 6xCi#t.Cjr,\\
i, MgC():!, wordt in de/Pha
rmacie niet I
Carbonas magnesicus
gebruikt: men gebruikt daar het basiseh magnesiumcarbonaat,
magnesia alba, van de formule:, {4MgC03 Mg(OH)2 6aq. J.
Men bereidt het door eene oplossing van magnesiumsulfaat
te praecipiteeren met eene oplossing van natriumcarbonaat, het
neerslag te verzamelen en in vierkante stukken te persen, daar
het op deze wijze goedkooper vervoerd kan worden dan als zeer
licht, volumineus poeder. Van deze stukken bereidt men het
poeder, door ze over een haren zift te wrijven.
Magnesia alba ia een fijn, licht, wit poeder, onoplosbaar, in
water, oplosbaar in verdunde zuren. Mengt men het poeder
met water aan en voert in dit mengsel COo, dan ontstaat eene
oplossing van magnesiumbicarbonaat. { \\\'.., (),[.\'. (0 0, h-
Met chloorammonium vormt carbonas magnesicus basicus een
oplosbaar dubbelzout.
                                          f r ki \'J (lsIamsl,
Het vormt een bestanddeel van pul vis antacidus en van^—,
citras magnesicus effervescens. v \\,:--i-.\' , \' ~t^\'c\\ /^
Nu en dan wordt het voorgeschreven in saturaties met
acidum citricum, waarbij het meer te doen is om de oplossing
van citras magnesicus dan om het vrije CO2. Men mengt daarom
beide stoffen en overgiet ze met warm, water, waarbij dan direct
onder opbruising eene heldere oplossing ontstaat; overgiet men
-ocr page 124-
.112
het- mengsel met koud water, da-o geschiedt de oplossing zeer
langzaam.                                                   ••\'                 ILi         l \\
Tot de magnesi umsilicaten behooren o. a» asbest en
talcum ot\' talcum venetum. Het laatste is] een wit, zeer
fijn, reuk en smakeloos, op liet gevoel vettig poeder, onop-
losbaar in water en sterken spiritus.
In de receptuur dient het als conspergeerpoeder bij pillen
waarvan bet geneesmiddel door organische stoffen wordt ontleend.
•W/
ZINK—ZIXCIM.
:
Zn <>ö.
/
Zink komt niet vrij in de natuur voor, maar alleen als
verbindingen o. a. als carbonaat of galmeisteen Zn(\'0;!, als
sulfide of zinkblende ZnS. Om uit deze verbindingen het element
te bereiden, worden zij eerst omgezet in het oxyde: het carbo-
naat door dit te gloeien (calcineeren) waarbij het (\'()2 verliest,
het sulfide door dit onder toetreding van lucht te roosten. Het
aldus verkregene onzuivere zinkoxyde wordt nu niet kool ge-
mengd en gedestilleerd.
Zink is een blauwachtig wit metaal, sterk glanzend en
bladerig kristallijn op de breuk. Wanneer men het metaal aan
de lucht verhit, verbrandt het met een verblindend licht tot
zinkoxyde, dat zich dan als witte vlokken (lana pbilosophica,
f lor es zin ei) verspreidt, in verdund zoutzuur en zwavelzuur lost
zink op onder ontwikkeling van waterstof. Zuiver zink en zuiver
zuur geven echter bijna geen H ontwikkeling, wel echter, wanneer
men een druppel oplossing van platinachloride toevoegt.
VERBINDINGEN VAN ZINK.
Chloretum zincicum, Zn(\'l2, verkrijgt men door zinkoxyde
niet water aan te mengen. zoutzuur toe te voegen en vervolgens
oj) een waterbad te verwarmen tot het zinkoxyde is opgelost.
De massa wordt daarna tot droog uitgedampt bij niet te hooge
temperatuur, daar anders door gedeeltelijke ontleding basisch
-ocr page 125-
chlóorzink ontstaat. Chlóorzink vormtéén kristalbjne, brokkelige,
sterk bijtende, massa, die zeer hygroscopisch is. In water en
alcohol is het gemakkelijk oplosbaar, de oplossing is dikwijls
ecnigszins troebel door reeds gevormd basisch chlóorzink, maar
wordt dan weer helder door toevoeging van eonige druppels
zoutzuur. Daar men gemakkelijk te veel HC1 toevoegt om het
basische zout op te lossen, is het beter om in de receptuur de
troebele oplossing te uitroeren. Door vermengen van chloretum
zincicum met een gelijk gewicht amylum bereidt men de zeer
hygroscopische pasta chloreti zincici of pasta (\'anijuoini,
een bijtmiddel.
Jodetum zincicum, Zn.J2, kan men gemakkelijk in oplossing
bereiden, door 1 deel fijnverdeeld zink met 10 deelen water en
3 deelen jodium te digereeren en dan van het onopgeloste zink
af te filtreeren. De oplossing dient soms als reagens.
Oxydum zincicum, ZnO, was reeds in de oudheid bekend
als de witte rook, die ontstond bij het verhitten van sommige
zinkl>evattende stoffen, do alchemisten uit de middeleeuwen
noemden het wegens het lichte, wolachtige uiterlijk lana philo-
eophica en wegens de gelijkenis met sneeuwvlokken ook nix
al ba, waaruit naderhand de naam nihilum album is ontstaan.
Voor de bereiding van zuiver zinkoxyde uit zink gaat men
als volgt te werk: uit zuiver zink bereidt men eerst zinksulfaat,
door zink met zwavelzuur in aanraking te 1 irengen en, wanneer
de eerste hevige waterstofontwikkeling voorbij is, zacht te
verwarmen:
Zn H2S04 = ZnS04 H2.
Het gevormde zinksulfaat wordt in water opgelost, de op-
lossing tot kokens verhit en dan gevoegd bij eene kokende
oplossing van natriumcarbonaat. Hierbij ontstaat een neerslag
van basisch zinkcarbonaat:
1 5ZnS04 öXa^COa 3H20 =
j 2ZnC03 3Zn(OH)21 5Na2S04 3CÖ2. /
Dit neerslag wordt gedroogd en vervolgens zacht verhit,
waarbij het onder verlies van kooldioxyde en water overgaat
in zinkoxyde:
•r-"J2ZnCOa 3Zn(OH)2| = 5ZnO 2C02 3H20. \\
schnoDER on de zaaijer, Scheikunde.                                     -—&_J
-ocr page 126-
114
Zinkoxyde is een wit of geelachtig wit, zeer zacht poeder,
dat door hitte een gele kleur aanneemt, welke echter onder het
afkoelen weder verdwijnt. Aan de lucht neemt liet gemakkelijk
kooldioxyde en water op en gaat dun weer over in het basisch
carbonaat. In water is het onoplosbaar, in verdunde zuren (n.1.
in HC1, IT9SO4 en HXO3) en in azijnzuur lost het op, als het
zuiver is zonder opbruisen.
In de receptuur maakt liet een bestanddeel uit van Unguen-
tum Oxydi zin.eici, bestaande uit 10 deelen zinkoxyde en
• \'90 deelen\' reuzel. Een mengsel van 1 deel zinkoxvde, 1 deel
\'
                                          .                                        \'
.i.\\r\' amvluni en 2 deelen vaseline wordt gebruikt onder den naam
van Lassar\'s zinkpasta.
\'\',j<J> Sulfas zincicus, ZnSOj 7aq, kan worden bereid door
zuiver zink op te lossen in verdund zwavelzuur en liet zink-
sulfaat te laten uitkristalliseeren. Neemt men onzuiver zink,
dan moet de oplossing van het sulfaat eerst van mogelijk
opgelost ijzer en andere metalen worden gezuiverd, vóór men
haar laat uitkristalliseeren. Zinksulfaat vormt kristallen, die
geheel in uiterlijk overeenkomen met magnesiumsulfaat, de
oplossing van zinksulfaat reageert echter zuur, die van mag-
nesiumsulfaat niet. In water lost ZnSC>4 zeer gemakkelijk op;
door liet zwavelzuurgelialte zal het o. a. een neerslag geven
met acetas plumbicus. Komt eene dergelijke combinatie in de
receptuur voor, bijv. voor oogwaters, dan voege men heide
stoffen in verdunden toestand hij elkaar, op, deze wijze is hetj
gevormde loodsulfaat het fijnst verdeeld. • , 1 f-U\\C \\ \'J j Xj.
Een hekend synoniem voor sulfas zincicus is vit riolu 111 album \'
(witte vitriool). In vroegeren tijd noemde men vele sulfaten
vitriolen (afgeleid van oleum vitrioli, zwavelzuur), om deze.van
elkaar te onderscheiden voegde men er den naam van de kleur
bij , zoo heeft men :
witte vitriool, zinksulfaat = vitriolum album;
groene vitriool, ferrosulfaat =         „         viride;
blauwe „ , kopersulfaat —         „         eocruleum.
c^-Phosphas zincicus, Zn3(POj)2 4H20, verkrijgt men door
eene oplossing van zinksulfaat neer te slaan met eene oplossing
van natriumphosphaat, het is een wit, kristallijn, onoplosbaar
poeder.
-ocr page 127-
115
Phosphoretum zincicum, phosphidum zincicum, Z113P2,
is oen min.of meer metaalglanzende, zwartgrijze massa, die
verkregen wordt door zinkvijlscl te verhitten in phosphordamp.
Brengt nwyx-ArCf^n\\ aanraking ïnet zuren, dan ontstaat phosphor-
wjiierFtof; het is een zeer vergiftige stof.
CADMIUM.
Cd. = 112.
Van dit element wordt alleen het gemakkelijk oplosbare
sulfas cadmicus, dat voorkomt in kleurlooze kristallen, nu
en dan nog gebruikt.
NIKKEL — XICC\'OLUH.
Ni = 58.7.
Nikkel is een zilverwit, sterk glanzend metaal, dat veel
gebruikt wordt om andere metalen mede te bedekken, die
daardoor voor roesten worden beschut. Nikkel wordt 11.1. aan
de lucht niet veranderd, bij verhitting wordt het bedekt met
een dun oxydlaagje. Nikkel is magnetisch. De zouten, die voor
ons van geen belang zijn, zijn meest alle groen gekleurd.
KOBALT — COBALTÜM.
Co = 58.7. {h^ y. • , : ::
Kobalt is eveneens een zilverwit metaal, dat nikkel nog.in
glans overtreft. De zouten zijn rood, violet of blauw gekleurd.
De kobaltverbindingen worden voornamelijk gebruikt voor do
bereiding van blauwe kleurstoffen, die onder den naam smal-
turn in den handel komen, een voorbeeld daarvan i.s o. a. bet
smaltum of oxydum cobalticum cum terra silicea van de
vorige editie onzer Pharmacopee. In hunne chemische eigen-
schappen staan Ni en Co tusschen de magnesium- en ijzergroop in.
\' i
IJZERCROEP.
Hiertoe behooren de elementen: IJzer Fe, Mangaan Mn,
Chroom Cr en Aluminium Al.
8*
-ocr page 128-
110
Deze elementen zijn quadrivalent, uit de formules van enkele
stoffen zou men echter opmaken, dat zij bivalent zijn l>ijv.
FcClg of trivalcnt bijv. FeCl.j. In deze verbindingen komen
echter twee atomen van het metaal voor, die met 2 of 1
vnlentie aan elkaar zijn verbonden, de formules zullen dus zijn
Fe,(\'lj en FeoClg en zijn op de volgende wijze geconstrueerd:
/Cl                                    Z01
II X( *               ,.„                  I X<\'1
Il /ei           en             I /Cl
Door de helft van deze verbindingen te nemen verkrijgt men
de bovenstaande formules.
Bij de bespreking der zouten zullen we ons aan de gewone
schrijfwijze der formules houden en in de zoogenaamde ferro-
verbindingen één bivalent ijzeratoom aannemen en in de ferri-
verbindingen 2 quadrivalente ijzeratomen, die door ééne valentie
aan elkaar zijn verbonden.
IJZER — FEKBUM.
Fe = 5G.
IJzer is reeds sedert eeuwen hekend, maar werd in den
alleroudsten tijd betrekkelijk weinig gebruikt, vermoedelijk
omdat het slechts in kleine hoeveelheden vrij in de natuur
voorkomt; de bereiding van ijzer uit do ertsen, die zeer veel-
vrüdig voorkomen, is van latere dagteekening. In de natuur
vindt men ijzer vooral als oxyde, carbonaat, silicaat en ver-
bonden met zwavel. Men verkrijgt ijzer uitsluitend uit de
verbindingen met zuurstof, door dit clement daaraan door
"loeien met kool te onttrekken, dit geschiedt in de z.g. hoog-
ovens (fig. 12).
Ken hoogoven is ongeveer 12 M. hoog en bestaat uit eene
ruimte, die van binnen met vuurvaste steen is bekleed en die
van boven en beneden kegelvormig toeloopt. Van onderen bij
n legt men vuur, meestal eerst van hout, in den oven en
blaast dit aan met lucht, die door m wordt toegevoerd. Zoodra
het brandt werpt men voortdurend cokes en steenkolen op dit
-ocr page 129-
vuur, afgewisseld niet lagen ijzererts. Bij liet verbranden bij e
levert <le cokes (\'O2, dat opstijgt en bij het passeeren van de
hooger liggende cokes gereduceerd wordt tot (\'O. Dit kooloxyde
werkt reduceerend op het ijzererts:
Fe,0,j 3CO = 2Fe SCO,,.
Het vrijgeworden
ijzer neemt nu wat
koolstof op, smelt
en vloeit naar he-
neden , waar het in
groeven wordt op-
gevangen. Dit ijzer
is dus steeds kool-
stofhoudend.
Zuiver ijzer is een
bijna zilverwit me-
taal, s. g. 7.84, dat
aan droge lueht en
in lucht- en kool-
zuurvrij water niet
verandert; aan
vochtige lucht en
vooral in aanraking
met luehthoudend
water wordt het zeer
spoedig bedekt met
een laag ijzerhy*
droxyde — het ijzer
roest. Wordt ijzer
aan de lueht ver-
hit , dan wordt het
g-
                                      bedekt met een
zwart laagje ijzeroxyduuloxydc, dat hij het smeden loslaat
(hamerslag). Door een magneet wordt ijzer aangetrokken en wordt
zelf magnetisch. Zuiver ijzer, snieedijzer en gietijzer blijven na
verwijdering van den magneet niet magnetisch, staal echter nog
geruimen tijd. Onder ontwikkeling van waterstof lost ijzer op
in verdund zoutzuur, zwavelzuur, azijnzuur en in vele andere
6fo
(Ui
-ocr page 130-
118
/uren; bevat het ijzer koolstof, dan riekt de ontwikkelende
waterstof zeer onaangenaam naar koolwaterstoffen.
Wij zagen reeds, dat ijzer twee soorten van verbindingen
vormt n.1. die, waarin 2 atomen Fe door 2 valenties mot
elkaar verhouden zijn en waai\' dus elk atoom ijzer zich als
bivalent voordoet, dit zijn de zoogenaamde ferroverbindingen
of ijzeroxyduulverbindingen, en die verbindingen, waarbij twee
ijzeratomen door ééne valentie niet elkaar zijn verbonden en
waarbij dus elk der atomen zich trivalent voordoet, de zooge-
naamde ferriverbindingen of ijzeroxydverbindingen.
Wij kunnen de ferroverbindingen afleiden van ijzeroxydule,
FeO, de ferriverbindingen van ijzeroxyde, Fe.>0,j; lost men deze
oxyden op in zuren, dan ontstaan de ferrozouten en do ferri-
zouten.
De ferrozouten zijn in watervrijen toestand wit van kleur, in
waterhoudenden toestand of in geconcentreerde oplossingen zijn
zij licht of donkergroen; aan de lucht worden zij gemakkelijk
geoxydeerd tot oxydzoivten, die geel of bruin van kleur zijn.
Door de volgende reacties kan men de ferro- en ferrizouten
van elkaar onderscheiden.
1°. Feriïcyankaliuni geeft met oplossingen van ferrozouten
een donkerblauw neerslag van Turnhullblauw. Dit neerslag is
onoplosbaar in zoutzuur, oplosbaar in K01I en NaOH.
20. Ferrocyankalium geeft met oplossingen van ferrizouten
een donkerblauw neerslag van Berlijnschblauw, dat zich in
oplosbaarheid verhoudt als Turnhullblauw.
30. Sulfocyankalium (rhodankalium) geeft mot oplossingen van
ferrizouten oen bloedroode kleur, door vorming van sulfocyanijzer.
4P. Salicylzuur geaft met ferrizouten een violetblauwe vei-
klcuringN^ f .\\T\')y&C ja i i>;/a j {Uw^U. t J
ö0. Tannine,\'dat ferrozouten niet verandert, geeft met ferri-
zouten een blauwzwart noorslagACvp XCK/.v\\\\<\\/} \'•\'. uVtC^vJ,
Metallisch ijzer wordt in twee vormen in de\'pharmacie ge-
bruikt, n.1. als ferrum pulveratum on als ferrum reductum.
Ferrum pulveratum wordt vooral in Tyrol gemaakt door
zuiver ijzer eerst te vijlen en het verkregen vijlsol in stalen
mortieren tot poeder te brengen. Het is een zwaar, reuk- en
smakeloos poeder met motaalglans en heeft een grijze kleur.
-ocr page 131-
119
In water is het onoplosbaar, door zuren wordt het opgelost
onder waterstofontwikkeling, dit geschiedt ook reeds door
zwakke organische zuren. Mengt men bijv. ijzerpoeder met •*•£
/gentiaaiït\'xtract, dan ontstaat reeds, door de in het extract
Sianwezige zuren, H ontwikkeling, welke soms zeer hinderlijk
is, o. a. bij het maken van pillen. Men moet dan eerst alle H
door zachte verwarming uitdrijven of de ontwikkeling er van
geheel voorkomen, door het zuur uit het extract te neutrali-
seeren door toevoeging van sapo medicatus (op 4 deelen extract
1 deel sapo).
Ferrum reductum, ferrum hydrogenio reductum, wordt
bereid door ijzeroxyde door middel van waterstof te reduceeren.
Het ijzeroxyde bereidt men gewoonlijk uit chloretum ferricum.
Voegt men bij eene oplossing hiervan ammonia, dan ontstaat
een neerslag van ijzQrhydxoxyd»>:
Fe201ö (ÖXHJ 6fl^F)= Fe2(.OH)6 6NH4CI.
Door verhitting van het ijzerhydroxyde verliest dit water en
gaat over in ijzeroxyde:
Fe2(OH)6 = Fe20? 3H20.
Dit brengt men in een porceleinen buis en voert er ver-
volgens onder verhitting een stroom gedroogde waterstof over:
Fe2Ös 6H = 2Fe =f- 3H20.
Wanneer de reductie met waterstof bij te lage temperatuur
geschiedt, dan is het verkregen ijzer pyrophorisch, d. i. hetr"^
verbrandt onmiddellijk aan de lucht onder lichtverschijnselen
tot ijzeroxyde. , \' y \'
          \'
Ferrum reductum is een matgrijs, reuk- en smakeloos poeder,
fijner verdeeld dan ferrum pulveratum, waarmede het in de
andere genoemde eigenschappen overeenkomt.
VERBINDINGEN VAN IJZER.
Met chloor verbindt ijzer zich in twee verhoudingen, n.1. tot
ijzerchloruur FeCl2 en ijzerchloi-ide Fe2Cl<3. Lost men ijzer op
in zoutzuur dan ontstaat onder H ontwikkeling chloretum
ferrosum
FeCl2:
"1 Fe 1JHC1 — FeCl* ^H.
Men krijgt eene lichtgroene oplossing. Chloretum ferricum
-ocr page 132-
120
kan op deze wijze niet ontstaan, omdat deze verbinding door
de waterstof weer tot chloretum ferrosum zou worden gere-
duceerd:
Fe2Cl,) 2H = 2HC1 2FeCl2-
Om chloretum ferrosum te oxvdeeren tot chloretum ferricum
voert men door de oplossing zoolang chloor, totdat de vloeistof
met ferrieyankali «reen blauw neerslag meer geeft, dus tot alle
ferrozout in ferrizout is omgezet:
2Fe(\'l2 2C1 = Fe2Cl6.
Dan dampt men de vloeistof zoover uit, tot zij hij afkoelen
kristalliseert. IJzerchloridc vormt gele of bruinachtig gele kris-
tallijne stukken, die zeer hygroseopisch zijn, 12 mol. aq. be-
vatten en gemakkelijk oplossen in water, spiritus cnae£licï (dus
ook in collodium). Door het licht worden zij gereduceerd, zij
moeten dus in het donker worden bewaard. In plaats van deze
zeer hygroscopische stukken gebruikt men in de receptuur veelal
solutio chloreti ferrici, eene oplossing van 3 deelen chloretum\' I
ferricum in 1 deel water, die voorkomt als een zuur reageerende/
heldere, geelhruine vloeistof. Deze oplossing wordt ook door
het licht gemakkelijk gereduceerd tot ijzerchloruur. Eenc zelfde
reductie wordt veroorzaakt door vele metalen als ijzer, koper,
lood, zink en door organische stoffen. Voegt men ammonia,
KOH of NaOH hij de oplossing, dan wordt ijzerhydroxyde
neergcsl agen:
Fe2(\'V, 6KOH = Fe2 (OH)0 6KC1.
Voegt men jodiden hij de vloeistof, dan wordt jodiuni vrij-
gemaakt. Solutio chloreti ferrici wordt o. a. gebruikt hij de
bereiding van tinctura nervina Bestucheffi, solutio ferri
albuminata, antidotum arsenici, solutio pyrophos?
phatis natrico-ferriei.,
•..                                                                       \' - ! \' - - i
Ook met broom vormt ijzer twee verbindingen, brometum
ferrosum, FeBr2 en brometum ferricum, Fe2Brc. Alleen het
eerste wordt in de receptuur gebruikt, en daar het zeer ge-
makkelijk ontleedt, bereidt men het steeds ex tempore. Men
schudt daarvoor in een kolf 8 deelen ferrum pulveratum met
20 deelen water en druppelt daarbij uit een scheitrechter in i
De W y. •       y^ /U
-ocr page 133-
121
kleine hoeveelheden 16 deelen broom. IJzer en broom zullen
zich dan verbinden, volgens de vergelijking:
Fe 2Br = FeBr^
56 2 X 80 216.
Aren verkrijgt dan eene oplossing van bronietum ferrosum,
die men voor bet gebruik in pillen en poeders zeer voorzichtig
moet uitdampen.
l"it de vergelijking volgt dat 16 deelen broom 21.6 deelen
bronietum ferrosum geven en dat biervoor slechts 5.6 deelen
ijzer noodig zijn. De overmate ijzer, die wij bij de bereiding
nemen, dient om oxydatie tegen te gaan; men kan baar a(Hl-
treeren zoodra de verbinding tot stand is gekomen. Het supple-
ment op de Pharmacopee laat op deze wijze uit N deelen ijzer
en 15 deelen broom 40 deelen (gefiltreerde) oplossing van
bronietum ferrosum bereiden, welke 50% van dit zout bevat.
De berekening leert, dat de opbrengst uit 15 deelen broom
bedraagt 20.25 deelen bronietum ferrosum, immers 16 deelen
21.5 X15
broom leveren 21.6 FeBr.», dus leveren 15 deelen : —--tt,----== 20.25
lo
deelen Felïro.
Van de verbindingen van jodium en ijzer is alleen het
jodetum ferrosum goed bekend; het jodetum ferrieum Fe2.J6
wordt zeer gemakkelijk ontleed in jodetum ferrosum en vrij
jodium:
Fe,J(! = 2Fe.L, J2.
Jodetum ferrosum, FeJ2, wordt voor het gebruik in de
receptuur ook steeds ex tempore bereid, aan de lucht wordt
het spoedig ontleed onder afscheiding van jodium en vorming
van basisch oxyde. De bereiding geschiedt gewoonlijk door 2
deelen ijzerpoeder te mengen met weinig water en vervolgens
bij gedeelten 4.1 deel jodium toe te voegen. Vóór men eene
nieuwe boeveelheid jodium toevoegt moet men zorgen, dat al
het reeds toegevoegde jodium gebonden is, dus tot de bruine
kleur, die eerst verschijnt, verschenen is. Uit de vergelijking:
Fe J2 = Fe.J2
56 254 310
-ocr page 134-
122
volgt, dat 254 deelen jodiura olO deelen jodetum ferrosum
1                       •♦ 11 1 1 • V                  1 "                1       3-10 X 41        . K
leveren, uit 4.1 deel jodium verkrijgt men dus-----sfj-----—±iJ
deelen jodetum ferrosum.
Om dezelfde reden nis hij hrometum ferrosum neemt men
hier een overmaat van ijzer.
Jodetum ferrosum vormt liet werkzame hestanddeel van
sirupus jodeti ferrosi en pilulac jodeti ferrosi.
".
Met zuurstof vormt ijzer drie verbindingen, n.1.:
FeO, ijzeroxyduul.
              oxyduni ferrosum;
F(\'i>0;i, ijzeroxyde.                     „ ferricum;
FcgOj, ijzeroxyduuloxyde. ,, ferroso-ferrieiun.
Het ijzeroxyduul, FeO, is in zuiveren toestand niet hekend,
zoodra het met zuurstof in aanraking komt, gaat het over in
de heide andere zuurstofverhindingen. Met water verhindt het
zich tot Fe(OII)2, ijzerbydroxyduul, dat men o. a. verkrijgt
wanneer men sulfas ferrosus praeeipiteert niet kali- of natron-
loog buiten luehttoetreding, daar anders de verhinding direct
weer oxydeert.
Ijzeroxyde, Fe2Oa, vindt men in de natuur in tamelijk
zuiveren toestand als bloedsteen of lapis haematitis. In
onzuiveren toestand verkrijgt men het hij de bereiding van
rookend zwavelzuur uit ijzersulfaat als doodekop, colcothar
of caput mortuum, dat gebruikt wordt als poetsmiddel.
Kunstmatig kan men ijzeroxyde bereiden door hydras ferricus
te verhitten:
Fe2(OH)(i = Fc203 :!H20.
Hydras ferricus, Fe^OH^ vormt oen bestanddeel van anti-
dotum arseniei, het ontstaat wanneer men de beide vloeistoffen,
die ijzerchloride en magncsiumoxyde bevatten, beide met water
verdund, vermengt:
F2C1(! :J»Mg(OH)2 = F2(OH)(i 8Mg(\'l2.
Voor de bereiding van hydras ferricus alleen gaat men uit,
zooals wij bij ferrum reductuni zagen, van solutio chloreti
ferriei en ammonia, Men verkrijgt het dan als een geleiachtig
neerslag. In zeer kleine hoeveelheden chloretum ferricum lost
dit neerslag op, van deze eigenschap maakt men o. a. gebruik
-ocr page 135-
123
bij de bereiding van Ljquor ferri oxydati dialysati (1\'h.
Gerni). Men voegt, om deze vloeistof te bereiden, 1 >ïj solutio
chloreti ferrici zooveel ammonia, dat niet al het ijzerchloridc
ontleed wordt, de eerst troebele vloeistof wordt dan bij staan
Meer helder, omdat het ijzerhvdroxyde in het ijzerchloride
oplost tot ijzeroxychloride. Wanneer men dit mengsel dialvseert
zal een groot deel van het ijzerchloride door de membraan
diffundeeren en er zal slechts zooveel achterblijven, als noodig
is om het hydras ferricus in oplossing te houden. ^
IJzeroxyduuloxyde, FesOj, komt in de natuur voor als
magneetijzersteen of magnetict, het kunstmatige is bekend als
aethiops martialis, ijzermoor. Men kan dit pracparaat be-
reiden door een mengsel van ferro- en ferrisulfaatoplossing te
praecipiteeren met ammonia en vervolgens te verhitten. Men
verkrijgt bet dan als een zwart, reuk- en smakeloos poeder.
Sulfas ferrosus, FeS04 7H20, bereidt men door oplossen
van ijzer in verdund zwavelzuur:
Fe H2S04 = FeS04 H2.
De waterstof, die hierbij ontwikkelt, verhindert de oxydatie.
Men filtreert de oplossing van de overmate ijzer af en laat
kristalliseeren, men verkrijgt dan groote, groene kristallen.
die in de receptuur niet gebruikt mogen worden, daar zij dikwijls
moederloog ingesloten houden. De Pharmacopee verlangt een
groenachtig-lichtblauw, kristallijn poeder, dat men verkrijgt
door de gefiltreerde oplossing van ferrosulfaat in aleohol uit
te gieten, waarbij het zich in den gewenschten vorm afscheidt.
Sulfas ferrosus is oplosbaar in 2 deelen water, onoplosbaar in
aleohol en aether. Men gebruikt het voor de bereiding van
crocus martis en voor de pilulae Blaudi. Bij het vermengen
met natrium* of kaliumbiearbonaat ontstaat ontwikkeling van
kooldioxyde:
FeS04 2NaHC03 = Xa2S04 Fe(\'Q3 H20 C02.
Voor de pilulae Blaudi onzer Pharmacopee gebruikt men
sulfas ferrosus exsiccatus, hetgeen verkregen wordt door
FeS04 7H20 langzaam eerst bij 85°—40° te drogen (bijv.
tussehen filtreerpapier, dat men op een warme plaats legt) en
daarna op een waterbad onder omroeren te verwarmen tot (>ö°/o
is overgebleven; het bevat dan nog ongeveer D/2 molee. kristal-
-ocr page 136-
124
water en is een grijsachtig wit poeder, dat in water langzaam,
maai\' geheel oplost.
                                                     (
Carbonas ferossus, FeC()3, ontstaat als een wit neerslag,
wanneer men oplossingen van ijzersulfaat en kalium- of natrium-
carbonaat bij elkaar voegt:
I-YS<>4 Na2(\'().. = FeC03 Xa2S()j.
Aan de lucht wordt dit neerslag spoedig groen en bruin. Het
komt o. a. voorin mixtura (Jriffithii. Laat men het neerslag
langzaam oxydeeren, dan verkrijgt men crocus martis, een
mengsel van Fe(\'()3 en Fe.>(<)n)|j. De bereiding van dit prae-
peraat is de volgende: men lost ferrosulfaat op in heet water
en voegt daarbij enkele druppels verdund zwavelzuur om
oxydatie, die in <le warmte spoedig plaats heeft, te voorkomen.
Deze oplossing giet men in een heete en heldere oplossing van
zooveel natriunicarbonaat. dat na liet vermengen de vloeistof
alkalisch is. Het neerslag wordt door herhaald overgieten met
kokend water en decantheeren gezuiverd, dan op een doek
gebracht, sterk uitgeperst, in kleine brokken verdeeld, bij
eene zachte warmte gedroogd en tot poeder gebracht. Hij dit
drogen heeft de volgende oxydatie plaats:
2FeC()3 8H20 O = Fe2(OH)0 2C02.
Crocus martis is een rood- tot geelbruin poeder, onoplosbaar
in water, oplosbaar in zoutzuur onder opbruising.
Pyrophosphas ferricus, Fe^lV);^ 9aq., wordt bereid
door eene oplossing van pyrophosphas natricus te praecipiteeren
met eene oplossing van chloretuni ferricum, het neerslag wordt
verzameld, uitgewasschen en gedroogd.
Pyrophosphas ferricus is een wit, amorph poeder, onoplosbaar
in water, oplosbaar in verdund zoutzuur. Het verseh gepraeci*
piteerde zout is oplosbaar in eene oplossing van citras ammo-
nicus. Dampt men deze oplossing uit tot stroopdikte en strijkt
haar dan in dunne lagen op glazen platen, dan verkrijgt men
geelgroene, doorschijnende schubben van pyrophosphas ferri-
cus cum citrate ammonico.
Pyrophosphas natrico-ferricus wordt in de Pharmacopee
in oplossing voorgeschreven als solutio Leras.
Pyrophosphas ferricus lost n.1. op in eene oplossing van
-ocr page 137-
12.")
pyrophosphas natricus onder vorming van een dubbelzout.
Wanneer men hij eenc overinate oplossing van pyrophosphas
natricus eene oplossing van chloretum ferricum voegt, zal
een neerslag ontstaan van pyrophosphas ferrieus, dat bij om-
schudden in de overinate van het natriumzout oplost. Voegt
men bij deze oplossing alcohol, dan wordt het zout als een wit,
aniorph poeder afgescheiden. In water lost het langzaam op.
I >e solutio pyrophosphatis natrico-ferrici laat de l\'harmacopee
bereiden door bij eene oplossing van 17 dcelen pyrophosphas
natricus in ">(H) dcelen water te voegen een mengsel van 8
deelen solutio chlorcti ferrici met 500 deelen water en het
mengsel te laten staan tot het helder geworden is. De solutio
Leras bevat dus behalve pyrophosphas natrico-ferricus ook nog
chloretum natricum, dat bij de dubbele omzetting is ontstaan.
Gebruikt men warm water voor het oplossen, dan heeft men
kans op vorming van phosphaat. dat niet oplost in pyrophos-
phas natricus.
Sulfuretum ferricum, FeS.. verkrijgt men door zwavel en
ijzer met elkaar te smelten als zware, kristallijne, metaal-
glanzende stukken, die onoplosbaar zijn in water en met zuren
ontwikkeling geven van zwavelwaterstof:
FeS - H^SO* = FeS()4 lbS.
MANGAAN.         •              /,
\',-W.^CUc
• . • ^-* .
(J \'i                        f : -rfn*
Mn = .).).
Van de in de natuur voorkomende mangaanverbindingen is [
voor ons uitsluitend van belang het mangaandioxyde, Mn<)2, dat
als mineraal bekend is onder de namen bruinsteen en pyrolusiet.
Uit deze en andere zuurstofverbindingen wordt door reductie rn
met koolstof het voor ons onbelangrijke element verkregen. /
Het mangaandioxyde komt in groote hoeveelheden voor in
de natuur als staalgrijze, metaalglanzende zuilen. Als genees-
middel wordt het niet gebruikt, maar, zooals wij vroeger reeds
zagen, gebruikt men het voor de hcreiding van zuurstof en
van chloor. De waarde van de natuurlijke bruinsteen hangt
geheel van de hoeveelheid Mn02, welke daarin voorkomt. Men
bepaalt deze hoeveelheid door na te gaan hoeveel chloor eene
r. \' - v
t r
-ocr page 138-
121\'.
bekende hoeveelheid bruinsteen met zoutzuur kan ontwikkelen.
Wanneer men bruinsteen verhit met een mengsel van hydras
kalieus on chloras kalicus, dan ontstaat cene brijachtige massa,
die in water niet een groene kleur oplost. Deze oplossing bevat
kaliunmiangana.it, een zout van liet in vrijen toestand niet
bekende mangaanzuur, IWInOj. De reactie kan men voorstellen
door de vergelijking:
Q$Mn02 6KOH #K(\'1<).. = ;!K2Mn()4 r#KC] :!Ho<)Tj
Wordt de oplossing van kaliummanganaat gekookt, dan
wordt zij ontleed onder vorming van kaliunipcrmanganaat
^MngOg. Keno dergelijke ontleding beeft ook plaats, wanneer
men in de verwarmde oplossing (\'Oo voert.
Kaliumpermanganaat, permanganas kalicus, K2Mn.><),s,
vormt naaldvormige, zeer donker violette, glanzende kris-
tallen, die in lö a l(i deelen water van de gewone tempe-
ratuur en in 8 deelen water van KH)\' oplossen tot cene
donkerviolette o])lossing. Verdunt men deze oplossing met water,
dan wordt de kleur min of meer rood, zelfs bij eene verdun-
ning van 1 gram op .">() liter water is de kleur nog duidelijk
zichtbaar. Deze oplossing, welke door desoxydeerende stoffen
als ferrozouten, zwaveldioxyde en organische stollen wordt
ontkleurd onder afscheiding van cene bruine mangaanverbinding
(mangaanperoxde hydraat MnC^HJjO), is bekend als chamaeleon-
oplossing — het permanganaat zelf om die kleursverandering
als rhamaeleon minerale. Verdunde permanganaatoplossingen
worden onder den invloed van bet licht gemakkelijk ontleed,
organische stollen worden er door geoxydeerd en bet perman-
ganaat zelf ontkleurd, uien mag dus de oplossing van dit zout
niet door filtreerj>apier filtroeren. De oplossing moet bewaard
worden in een stopflescb van geel glas. Jodium, zwavel, pbos-
phorus en organische lichamen geven bij bet vermengen met
K2Mn.>Os aanleiding tot explosies. Op bet groote oxydeerend
vermogen jegens organische stoffen berust bet gebruik van de
oplossingen van dit zout als antisepticum.
CHEOMIUM.
Cr = 52.5.
In gedegen toestand vindt men dit element niet in de natuur;
-ocr page 139-
de belangrijkste verbinding, welke tevens dient voor <le be-
reiding van de andere chroomverbindingen, is de chroom-
ijzersteen, Fe()(\'r2()3. Uit deze verbinding bereidt men o. a.
het kaliumbichromaat, bichromas kalicus, KgCrgOy, een
zout van liet diohroomzuïir, li2(\'r2<)7, en niet, zooals de naam
aangeeft (zie nomenclatuur), een zuur zout van chroonizuur,
H2(\'r()4. Kaliumbichromaat kristalliseert in roode zuilen, die
in 10 deelen water van de gewone temperatuur en in 1.25
deelen kokend water oplossen. Voegt men bij de oplossing in
kokend water kaliumearbonaat, dan ontstaat kaliumchromaat:
K2207 K20O
Dit zewtriiomt voor in g
h = 2K£rO, COg.
;ele, goéooplosbare kristallen en
verandert door toevoeging van zuren weer in bet roode kalium-
bichromaat.
Mengt men eenc verzadigde, warme oplossing van bichromas
kalicus niet eene ruime hoeveelheid engelsch zwavelzuur, dan
scheiden zich na bekoeling naaldvormigc kristallen af van
chroomzuuranhydried:
                       • - ^. \' i \'\'\'.
K2(\'r2()7 4- -2H2S()4 = -2Cï6h 2KHS()4 l\\<>.
Dit anhydried, dat gewoonlijk met de minder juiste namen
chroomzuur, acidum chromicum, Cr03 wordt aangeduid, is
hygroscopisch en zeer gemakkelijk oplosbaar in water tot het
eigenlijke zuur H2(\'r()4.
                ? _^. j-j Q^ H i C-\\ 0U .
Het chroomzuuranhydried is een sterk oxydatiemiddel,
zwaveligzuur wordt er door geoxydeerd tot zwavelzuur, orga-
nisehe stoffen worden er door ontleed, zoodat de oplossing
niet door papier kan worden gefiltreerd. Druppelt men sterken
spiritus op de kristallen, dan zal de alcohol ontvlammen en
het anhydried gereduceerd worden tot groen chroomoxvde, Cr.>()3.
ALUMINIUM.
Al = 27.
Dit zilverwit metaal komt niet in gedegen toestand in de
natuur voor, maar in verbindingen treft men het zeer ver-
spreid aan. Sommige edelgesteenten, robijn, saphier en korund,
bestaan hoofdzakelijk uit aluminiumoxyde, AI2O3, gekleurd
door oxvdcn van andere elementen. Bovendien treft men het
-ocr page 140-
.28 \'
i
element aan verbonden met zwavelzuur, phosphorzuur en fluo-
rium. Het meest verbreid zijn echter do aluminiumsilicaten;
glimmer en veldspaat bevatten het als hoofdbestanddeel, terwijl
klei en porcelcinaarde hoofdzakelijk uit waterhotidende alumi-
niumsilieaten bestaan.
De bereiding, welke vroeger geschiedde door ontleding van
aluminiumohloride met natrium, geschiedt tegenwoordig dooi-
aluminiunioxyde te ontleden door den electrischen stroom.
Aluminium is in zuiveren toestand een zilverwit metaal, s.g.
2.5S, dat aan droge lucht niet verandert en door salpotorzuur
on zwavelzuur hij de gewone temperatuur niet wordt aangetast.
Brengt men het metaal in aanraking met zoutzuur, dan ontstaat
aluminiumchloride. Door alkalisch reageerendo stoffen als livdras
Hl l
nkjykalicus, livdras natrieus, zee])cn en ook door azijnzuur wordt
\\. het zuivere metaal gemakkelijk aangetast. Het onzuivere metaal,
dat men gewoonlijk hij de technische bereiding verkrijgt on
dat sporen Fe, Si en X bevat, wordt nog veel gemakkelijker
aangetast. Het onzuivere aluminium bijv. wordt aan do lucht
mot oen dof laagje oxyde bedekt. Deze omstandigheden vooral
staan oeno uitgebreide toepassing van dit element in de techniek
zoor in den weg. Do legeering van aluminium (l()0/0) met koper
(900/q) wordt onder den naam aluminiumhroiis gebruikt voor
vele instrumenten , o. a. om do stevigheid voor do jukken van
balansen.
Mot kwik verbindt aluminium zich zoor gemakkelijk, ook
reeds mot kwikverbindingen, o. a. suhlimaat en calomel. Men
drage dus zorg, dat do milligranigowichtcn van aluminium niet
met kwikverbindingen in aanraking komen.
Van de verbindingen zijn van pharmaceutisch belang: Chlo-
retum aluminicum,
AI>(\'1{!, oen zeer hygroscopisch zout, dat
mot vele slijmstoffen oen geleiachtig noorslag geeft. Do oplossing
van dit zout is door gedeeltelijke ontleding in aluminiunihy-,;!
droxyde niet holder, maar wordt dit eerst na toevoeging van
zoutzuur.
Sulfas aluminicus, Al2(S()4)y 18H20, is voor ons in zoo-
verre van belang, als hot oene groote neiging vertoont om zich
mot de sulfaten dor alkalimetalen to verbinden tot dubbel-
zouten , de aluinen, zoo is:
h S* ^ ^H ^
-ocr page 141-
129
Al2Xa2(H(>4)4 \'^4i,<l- = Al2(S()4)3.Na2S04.24aq.: natronaluin ;
A12K2(S04)4 24aq. = Al2(,S04)3.K2S04.24aq.: kalialuin ;
A12(NH4)2(S04)4 24aq. = Al2(S04)3.(NH4)2S04.24aq.: ammo-
niakaluin.
Bovendien brengt men nog lot de aluinen de verbindingen
van ilc sulfaten <U\'r alkalimetalen met de sulfaten van de
andere elementen der ijzergroep, n.1. mangaan, chroom en ijzer.
Deze verbindingen noemt men dan mangaanaluin, chroomaluin
en ijzeraluin, bijv.:
(\'r2K2(S()4)4 24a<j. =rCr2(S()4)3.K2H()4.24aq.: chroomaluin;
Fe2(NH4)2(S< )4)4 24aq. = Fe2(K< )4)3(NH4)2S( >4.24aq.: ijzeram-
moniakaluin.
Wij kunnen dus in \'t algemeen zeggen, dat aluinen zijn
verbindingen van de sulfaten der alkalimetalen niet de sulfaten
van Al, Fe, Mn en Cr. Nemen wij als type van een aluin aan
het kalium-aluminiumsulfaat, K2Al2(K()4)4.24aq., dan vinden
wij de formules van de overige aluinen , dooi\' daarin kalium te
vervangen door Na of NH4 en aluminium door Fe, Mn en Cr.
Sulfas kalico-aluminicus, alumen , kalium-aluminium-
sulfaat, (kali)aluin, K2A12(S04)4 24aq., kan worden ver-
kregen door bij eene warme geconcentreerde oplossing van
aluminiumsulfaat eene sterke oplossing van kaliumsulfaat te
voegen; na afkoeling scheidt zieh dan aluin als een fijn kristal-
poeder af. Dit poeder wordt uit kokend water omgekristalliseerd.
Men verkrijgt op deze wijze grootc waterhelderc kristallen, die
oplosbaar zijn in 11 deelen koud en 0.3 deelen kokend water.
De smaak der kristallen en van de oplossing is samentrekkend.
In alcohol is aluin niet oplosbaar. Evenals andere oplosbare
sulfaten geeft aluin metlood-, ealcium-, barium- en strontium-
zouten neerslagen van de onoplosbare sulfaten dier metalen.
Eene combinatie van aluin met solutio acetatis plumbiei basici
is bekend als solutio Burowi, waarbij het witte neerslag van
loodsulfaat volgens sommigen wel, volgens anderen niet ver-
wijderd behoeft te worden. \'.\';•..
                                V. .
lu de techniek gebruikt men aluin voornamelijk in de
ververijen van wollen- en katoenenstoffen. Worden deze stoffen
met eene oplossing van aluin gedrenkt, dan heeft de aluin,
die op en in de weefsels blijft zitten, bet vermogen zich met
SCHBÖDER on DK ZAALTEK, Scheikunde.                                                     9
-ocr page 142-
130
verschillende verfstoffen te verbinden tot onoplosbare (dus z.g.
wascheehtc) kleurstoffen.
Wanneer men aluin langzaam, l>ijv. op een zandbad, verhit,
dan smelt het eerst in zijn kristalwater, l>ij voortgezette vor-
hitting bij niet hooger dan 1K0° verdampt dit water en blijft
ongeveer < >< > °/o licht, wit poeder over. dat bekend is als Sulfas
kalico-aluminicus exsiccatus oi\' alumen ustum, gebrande
aluin. Men gebruikt dit zont in plaats van gewone aluin in
poeders. Het is in 20 deelen water van 50\'langzaam oplosbaar.
Van de alumininiumsilicaten gebruiken wij in de Pharmacie
voornamelijk bolus alba of argilla, die men verkrijgt door
porccloinaardc (kaoline) met zoutzuur te behandelen, om
het caleiumcarbonaat, dat daarin gewoonlijk voorkomt op te
lossen. Door slibben wordt liet van liet bijgemengde zand
gescheiden. Bolus alba is een wit, reukeloos en bijna smakeloos
poeder, dat in de receptuur o. a. dient als constituens voor
pillen, welke bestanddeelen bevatten, die door de gewone
organische constituentia ontleed worden. Kenc zeer zuivere
soort bolus alba kwam vroeger in schijfjes in den handel met
\\cen ingedrukt zegel en was hekend als Terra sigillata alba. . .
Roode holus, holus rubra, en armeniaanschc bolus, bolus/
na, Des taan uit aiumnui
\'llieden iizeroxyde.\'j.yWVCi.
msilicaat gemengd met kleine
arnien
hoevee
Verreweg het grootste belang hebben de aluminiumsilicaten
voor de aardewerk-industrie. I )e onzuivere, ijzerhoudende soorten
gebruikt men voor baksteenen, de zeer zuivere soorten dienen
voor de poiveleinhereiding.
                                         l/p JiO\'j
Door samensmelting van een mengsel van klei, soda, zwavel
en houtskool^ onder afsluiting van de lucht ontstaat een zeer
fraaie, blauwe kleurstof, die onder den naam ultramarijn
bekendis.                f              ÏTr,~ r^T"/Y-\'
KOPER. CIU\'RUM. trW /)UW\\*|
Cu = 63.2.
Dit bivalente element is reeds sedert de oudste tijden bekend —
naar alle waarschijnlijkheid is de naam afgeleid van het eiland
Cyprus, waar in vroegere eeuwen de grootste hoeveelheden
koper werden aangetroffen.
-ocr page 143-
131
In gedegen toestand vindt men koper in grootc hoeveelheden
in Noord-Amerika bij het Lake superior, terwijl liet in niet
onbelangrijke hoeveelheden wordt aangetroffen in Chili, Bolivia,
Spanje, Hongarije en in den Ural.
Van de natuurlijk voorkomende verbindingen zijn van belang:
roodkopererts CugQ, zwartkopererts CuO, koj)erglans (\'u^Ö en
koperkies (CuS Fcji:i). \'w / K~fl^vvJ\\t.
          c-\'f^^^i-e
De bereiding uit zuurstofhoudende ertsen geschiedt door
reductie met koolstot\'.
Eigenschappen: Koper is een hard , glanzend, geelrood metaal,
dat tot zeer dunne blaadjes kan worden uitgeslagen. Het s. g.
is 8,i)4, het smeltpunt 1054° (\'. Aan droge lucht verandert koper
niet, aan vochtige lucht wordt het bedekt met een laagje basisch-
carbonaat, dat men dikwijls, echter ten onrechte, groenspaan
noemt, ((iroenspaan is basisch koperacetaat). Buiten toetreding
der lucht wordt koper niet aangetast door verdund zoutzuur,
verdund zwavelzuur en azijnzuur, wanneer echter de lucht kan
toetreden , lost het metaal in deze zuren langzamerhand op.
Door verwarmd, geconcentreerd zwavelzuur wordt koper op-
gelost onder vorming van zwaveldioxyde:
Cu 2H2S04 = CuS04 802 2H20.
Brengt men koper in aanraking met salpeterzuur, dan lost
het op onder ontwikkeling\' van XO, dat aan de lucht roodbruine
dampen vormt van stikstofdioxyde:
3Cu SHNO3 = 3Cu(N03)2 4H20 2N0.
In de techniek wordt koper veelvuldig gebruikt voor de ver-
vaardiging van machinedeelen, destilleerketels enz. — en daar
het metaal een zeer goede geleider is van electriciteit, gebruikt
men ook koperen draden om deze kracht over te brengen.
Ook de legeringen van koper zijn voor de techniek van groot
belang. Het geelkoper of messing is eene legering van 70 dln.
koper niet 30 dln. zink; het is harder dan koper.
Koperbrons bestaat uit koper, tin, lood en zink. phos-
phorbrons uit koper, tin en phosphorus, nieuw zilver uit
H°J2£r_) nikkel en zink.
Koper vormt twee soorten van verbindingen, de koperoxyduul-
of cuproverbindingen en de koperoxyde- of cupriverbindingen.
Van de euproverbindingen zijn voor ons van belang:
-ocr page 144-
132
Jodctum cupromm, koperjoduur, CuoJo, dat o. a. ontstaat
wanneer men bij ccne oplossing van kopersulfaat joodkaliuin
voegt.
Oxydum cupromm, koperoxydulo, CujO, verkrijgt men, wan-
neer men eenc oplossing van kopersulfaat kookt met druiven-
suiker en overmate natronloog. Het koperoxydule is dus ook
hel roodc neerslag, dat men ven-krijgt bij het koken van suiker-
houdende urine met Fehlingsproefvocht.
                              ^^^-"
Van de kopcroxydeverbindingen zijn van belang:
Oxydum cupricum, koperoxyde, CuO, «lat men als zwart-
kopererts in de natuur vindt. Dit natuurlijk voorkomende oxyde
is echter ongeschikt voor pharniaceutiseh gebruik. Gewoonlijk
bereidt men hel. door eerst eenc oplossing van kopersulfaat
neer te slaan met eene oplossing van natriumcarbonaat, waarbij
basisch kopercarbonaat ontstaat:
2(\'uS04 \'ISa.A\'(),., H20 = Cu< \'0;i (!u(< )H)., 2Na2S04 (\'< >2-
Dit neerslag wordt afgeliltreerd, gedroogd en daarna zacht
gegloeid, waarbij het onder al\'gave van kooldioxyde en water
overgaat in koperoxyde:
CuCOa 1- (\'u(01l)2 = 2(\'uO V0.2 1I20.
Op deze wijze verkrijgt men een zacht, zwart, zeer lijn poeder,
dat oplosbaar is in verdunde zuren en in ammonia. In water is
het onoplosbaar. Het <|i(\\nt voor de bereiding van unguentum
oxydi cupriciA1^\' - )
Sulfas cupricus, kopersulfaat, CuS<>4 5aq, kan worden
bereid uit koper en zwavelzuur:
Cu 2H2S04 = (\'uS(>4 S()2 -2H.20,
maar daar deze reactie slechts langzaam plaats heeft, neemt
men gewoonlijk een mengsel van zwavelzuur en salpeterzuur:
3(\'u :\'»H2S()4 2HNC)8 = 3CuS()4 41M) 2X0.
De oplossing wordt dan uitgedampt tot droog, de rest in
water opgelost en door omkristalliseeren gezuiverd.
Het gekristalliseerde kopersulfaat vormt doorschijnende,
donkerblauwe kristallen, die in 2,5 deelen koud en 0,5 deel
kokend water oplossen tot eenc lazuurblauwe vloeistof.
In alcohol is het zout onoplosbaar. Aan de lucht blootgesteld
verliest het een gedeelte van zijn kristalwater en is dan met
een lichtblauw poeder bestoven. Bij 100\' verliezen de kristallen
-ocr page 145-
4 mol. aq. en bij ruim 200\'/ook liot vijfde molecule, hierbij
ontstaat dan sulfas cupricus exsiccatus, dat wit van kleur is.
Dit witte poeder neemt zeer begcerig water op en wordt dan
weder blauw;. Om deze reden gebruikt men liet ook om kleine
hoeveelheden water, bijv. in alcohol absolutus, aan te toonen.
In watervrijen spiritus zal het poeder een wit bezinksel vormen,
in waterhoudenden spiritus is het bezinksel al naar het water-
gehalte meer ot\' minder blauw. Voegt men bij eene oplossing
van kopersulfaat ammonia, dan wordt de vloeistof donkerblauw
gekleurd, voegt men daarna alcohol toe, dan ontstaat een donker-
blauw neerslag van sulfas cuprico-ammonicus basicus.
Kopersulfaat dient verder voor de bereiding van cuprum7,\'
aluminatum of lapis divinus, dat uien .bereidt door koper-
sulfaat, kaliünmitraat\'cn kaliumaluinrmuhisulfaat van elk 16
deelen in een porceleinen schaal op een zacht vuur te smelten,
bij de gesmolten en van het vuur verwijderde massa een mengsel
van 1 deel kamferpoeder en 1 deel aluin te voegen en, na ver-
menging, do massa on een bard uit te gieten.
                          r ^
, \'svfaq cl i/U &> /vAiv^J /\'yi-r-Jpi l? tuutpiLfrA. /^
EDELE METALEN.
Onder deze rubriek van elementen rekent men enkele metalen,
die slechts in betrekkelijk kleine hoeveelheden in de natuur
voorkomen, een hoog soortelijk gewicht hebben en weinig
verwantschap jegens zuurstof vertoonen. Zij oxydeeren niet bij
de gewone temperatuur en worden daarom o. a. gebruikt voor
sieraden. De oxyden, die eerst bij sterke verhitting aan de lucht
gevormd worden, vallen bij een weinig hoogere temperatuur
weer uiteen. Tot deze groep van elementen rekent men: kwik.
zilver, goud, platina, Mnm en o**a**«i*t.
KWIK , HVDHARGYRIUM.
Hg = 201).
Dit element, dat ook bekend is onder de namen argentum
vivum en me reu rins vivus, is het eenige vloeibare metaal.
In de natuur vindt men liet zelden gedegen, waarbij het clan in
kleine of groote druppels tusschen de kwikertsen wordt aange-
lw-              ! J//JA .
-ocr page 146-
vu.
l*\\                ;!/c
troffen, voornamelijk bij Idria en Alnmden in de kwikmijnen.
Veel meer treft men dit element als zwavelverbinding, cinnaber
HgS aan en hieruit wordt ook de grootste hoeveelheid kwik
bereid. Hiertoe wordt de cinnaber geroost, waarbij de zwavel
verbrandt tot zwaveldioxvde en de gevormde kwikdampen in
ff.
            ri ,/v\\ ,) Qii\'-.\\ pondénsatieruimfen worden opge-
vangen. waar zij weer tot kwik
verdichten. Het aldus verkregen
kwik wordt door dichte linnen
zakken gefiltreerd on dan meestal
in ijzeren flesschen in den handel
gebracht. Dit handelsproduct is
gewoonlijk verontreinigd door lood,
koper, tin, zink en bismuth en
heeft dan niet de metaalglanzende
oppervlakte van liet zuivere me-
taal, maar is bedekt met een
grijs huidje, dat bestaat uit de
legeeringen van de genoemde me-
talen met kwik. Brengt men een
druppel van dit verontreinigd kwik
op een stuk wit papier dan beweegt
zich deze niet als een ronde druppel
verder, wanneer men liet papier
aanraakt, maar het kwik „loopt
met een staart", zooals men dit
gewoonlijk uitdrukt. Zulk kwik-
blijft ook in den regel aan de
glazen of porceleinen wanden han-
gen, terwijl zuiver kwik er geheel
aHoopt. Om bet te zuiveren maakt
men het best gebruik van den
toestel in tig. 13 afgebeeld. Uit de
flesch B laat men langzaam kwik-
druppelen in de buis A , die gevuld is met salpeterzuur van 32
a 3.\'»o/0) in dit zuur lossen de verontreinigingen alle op; het
kwik zelf wordt niet noemenswaard aangetast. Door de buis D
vloeit het metaal in den ontvanger (\'. Na het water afgewasschen
-ocr page 147-
UK
te hebben, droogt men liet metaal en destilleert liet zoo noodig nog
eens. In zuiveren toestand is kwik een vloeibaar, sterk glanzend,
zilverwit metaal van een s. g. 18,573 (bij iö0 C). Het metaal be-
vriest l>ij — :»t>,4° (\'. en kookt bij .\'!.">7,2.">° (\'. Reeds bij de gewone
temperatuur verdampt kwik, de damp iskleurloos en zeer vergiftig.
Het zuivere metaal wordt door lucbt of\' zuurstof niet aange-
tast, bevat het vreemde metalen, dan oxydeeren deze gemalo
kelijk en de oxyden vormen o]) het kwik een dof huidje. Schudt
men kwik eenigen tijd met water, terpentijn of aether dan
verandert liet in een grijs poeder; nog fijner kan men liet metaal
verdeelen door liet met vaste stoffen als graphiet, gom of suiker
of met weeke stoffen, als vetten, te wrijven. Het metaal vormt
dan een grijs poeder, dat echter, bij voldoende vergrooting
bezien, 1 dijkt te bestaan uit zeer kleine kwikdruppeltjes. Zulk
fijn verdeeld kwik komt o. a. voor in pulvis hydrargyri gum-
mosus,
een mengsel van kwik met pulvis gummi arabici, in
hydrargyrum cum carbonate calcico, een mengsel van kwik
met carbonaSf calckms en in unguentum hydrargyri, een
mengsel van kwik en reuzel. Kwik wordt door zoutzuur en door
koud zwavelzuur niet aangetast: in salneterzuur lost het op
ondei\' ontwikkeling van roodbruine dampen.^ \'
                     7-fy-i
[ Koningswater \'tast kwik gemakkelijk aan en vormt kwik-
chloride HgOkj. Ook de halogenen, chloor, broom en jood,
tasten liet metaal reeds bij de gewone temperatuur aan en
vormen daarmede verbindingen.
Kwik vormt twee reeksen van verbindingen, de z.g. mercuro-
en de mercuriverbindingen. In de eerste reeks verbindingen
vindt men steeds twee atomen kwik, die door ééne valentie met
elkaar zijn verbonden en dus elk nog ééne vrije valentie hebben:
Hg-
; in de tweede reeks verbindigen komt één bivalent
Hg-
atoom kwik. Hg.              voor.
In \'t algemeen zijn de mercuroverbindingen minder hevige
vergiften dan de mereuriverbindingen, de eerste worden op
grond hiervan ook genoemd: niercurialia nütiora, de laatste
mercurialia fortiora.
-ocr page 148-
J-
tf
13Ö
VERBINDINGEN VAX KWIK
Met ilc halogenen vormt kwik twee reeksen van verbindingen ,
n.1. de mercuroverbindingen van do formule Hg2n2 cn <^e merctm\'-
verbindingen van de formule Hgh2, in welke formules h een
halogeenatoom voorstelt. \\\'an deze verbindingen zijn voor ons
vanbelang: chloretum hydrargyrosum, calomel, kwikchlo-
ruur, mercurochloride, HgoClo, dat reeds in liet begin van
de 17e eeuw in de geneeskunde werd gebruikt.
De Pharmacopee schrijft voor het [traeparaat, dat door subli-
matie is verkregen en daarna is fijngewreven en geslibd. De
bereiding hiervan geschiedt gewoonlijk zóó, dat men uitgaat
van mcrcurisulfaat, IlgSOj, en dit mengt met kwik, onder
toevoeging van weinig water, daarbij ontstaat dan mcrcuro-
sulfaat:
                  ,^-jwam.
HgSOj Hg = Hg-jSOj/*1
Dit mercurosulfaat mengt men met chloornatrium en subli-
meert het:
HgaS04 2XaCl = Ilg^\'U Na^SO*
De verkregen calomel wordt in een mortier uiterst fijnge-
wreven en daarna met water aangemengd. De grovere deelen
calomel zullen hierin direct bezinken en alleen de uiterst fijne
deeltjes blijven in liet water eenigen tijd zweven. De vloeistof
giet men af en laat de fijne calomel bezinken, de rest wordt
weer fijngewreven en op dezelfde wijze met water behandeld.
De bezonken, geslibde calomel wordt afgefiltreerd en gedroogd
buiten het licht.
Behalve deze soort calomel gebruikt men soms in de genees-
kunde ook nog: chloretum hydrargyrosum ope vaporis
aquae paratum, dat men bereidt door in een ruimen ballon
calomeldampen en waterdamp samen te brengen; de calomel-
damp wordt dan tot een zeer fijn poeder verdicht. Dit poeder
is fijner en daardoor meer werkzaam; in de receptuur mogen
we beide niet in eikaars plaats geven.
Calomel vormt een fijn, wit poeder, dat bij wrijven een gele
streep geeft, In water, alcohol, aether en in koude verdunde
zuren lost calomel niet op; verhit men het poeder, dan gaat
het zonder te smelten in damp over. Bewaart men calomel aan
-ocr page 149-
137
liet licht blootgesteld, dan heeft eene gedeeltelijke ontleding
plaats en worden kwik en sublimaat gevormd:
lïg2(\'l2 = Hg HgCL.
Eene dergelijke ontleding heeft ook plaats wanneer men
calomel verdeelt onder (vochtige) suiker, veel minder snel met
melksuiker. Door KC1, NaCl en NH4CI wordt deze ontleding
eveneens zeer bespoedigd.
Door inwerking van chloor (aqua chlorata) wordt sublimaat
gevormd:
llg2(\'l2 vh = -HgCl2.
.Met broom en jood ontstaat eveneens sublimaat, maar daar-
naast de mercuriverbinding van het andere halogeen:
IIg2(\'l2 -].2 — IIg(\'l2 IIgJ2.
Door K()H, XaOH, (\'a(OH)2, de carbonaten dei\'alkaliën en
magnesiumoxyde wordt calomel ontleed onder afscheiding van
kwikoxydule. Dit gesebiedt o. a. bij do bereiding van aqua
phagadaenica nigra (pag. 104). Voegt men ammonia hij calomel,
dan ontstaat eveneens een zwart neerslag, dit is eehter geen
kwikoxydule maar mercuroammoniumchloride, XH2Hg2(\'l,
dat men dus kan beschouwen als chlorctum ammonicum, waarin
2 atomen waterstof zijn vervangen door Hg* De vorming van
deze verbinding hoeft «nlaats volgens de vergelijking:
Hg2Cl2 4Nftr94-P= .\\II2Hg2(\'l NII4(\'1 -3É*5«*-
Chloretum hydrargyricum, sublimaat, mercurichloride,
HgCL>, kan o. a. bereid worden door kwikoxyde op te lossen
in warm zoutzuur:
HgO 2HC1 = Hg(\'l2 1I2(),
of door kwik op te lossen in warm koningswater:
:\',llg mcfy g#$£k = 3HgCl2 2N0 4H2<-).
Fabriekmatig geschiedt de bereiding door mercurisulfaat, dat
men verkrijgt door kwik met zwavelzuur te koken, te subli-
necren niet chloornatrium:
               u**^**"\'
HgS()4 2Na(\'l = HgCl2 Na2S04.
Sublimaat komt voor als zware, kleurlooze naaldvormigéf •
kristallen, z.g. chloretum hydrargyricum resul^imatuin. ave in
1(3 \'deeleii tvater, in •"> deelen \'S&crkeri Spiritus dïïhn 4 doelen
aether oplossen. De waterige oplossing\'reageert zuur en is evenals
de verbinding zelf een zwaar vergift. Voegt men chloornatrium
-ocr page 150-
bij de oplossing, dan verdwijnt do zure reactie. De oplosbaar-
heid van sublimaat wordt door toevoeging van NaCl, NH4CI
en andere chloormetalon /.eer bevorderd, er ontstaat n.1. bij
het oplossen een dubl>elzout, JHgClo \'-Na(\'l |. dat gemakke-
Iijker oplost dan het niercurichloride.
De waterige oplossing van sublimaat wordt aan liet licht
gemakkelijk ontleed onder ontwikkeling van zuurstof en vor-
ming van zoutzuur en calomel:
2Hg(l2 HoO = llg..><\'U 2HC1 o.
Vele metalen, als zink, cadmium, tin, koper, lood, ijzer,
nikkel, zilver, hisnmth, onttrekken chloor aan sublimaat en
geven aanleiding tot de vorming van calomel en kwik. Eene
gelijke reductie wordt veroorzaakt door suiker, aetherisehe oliën
en vele andere organische stoffen.
Door hydras kalicus, —• natricus, — calcicus wordt uit
sublimaat oplossingen geel kwikoxyde afgeselieiden o. a. bij de
bereiding van aqua phagadaenica.
Sublimaatoplossingen praecipiteeren in het algemeen alcaloïden
uit de o]>lossingen hunner zouten, het HgCL vormt er n.1.
onoplosbare verbindingen mee. Verdunde sublimaatoplossing
(1 : 2()<i0j praecipiteert de alcaloïden niet meeren wordt dikwijls
aangewend om alcaloïdoplossingen voor schimmelen te hewaren.
Voegt men bij eenc sublimaatoplossing ammonia, dan ont-
staat een wit neerslag, dat at\'gewasschen en gedroogd onder de
namen chloretum hydrargyro-ammonicum, mercurius prae-
cipitatus albus,
mcrcuriammoniumchloride, in de ge-
neeskunde wordt gebruikt:
HgCl2 2NH3 = NH4CI NH2HgCl.
Mercuriammoniiimehloride is onoplosbaar in water, oplosbaar
in verwarmd, verdund azijnzuurjThij verhitting smelt het niet,
dit is een onderscheid met het praeparaat, dat in de vorige
uitgave «Ier Pharinacopee onder den naam mercurius praecipi-
tatus albus was beschreven. Dit laatste praeparaat werd bereid
door bij eene oplossing van sublimaat en ehloorammoniuni in
water eene oplossing van natriumcarbonaat te voegen, waarbij
een neerslag ontstond van (NH3).i HgC^.
Door kali en natronloog wordt meivuriannnoniunichloride
ontleed onder vorming van een geelrood, basisch zout;/mengt
-ocr page 151-
180
men liet met jodium, dan ontstaat na eenigen tijd explosie,
voegt men bij het mengsel eenig water dan begint de reactie
direct, wat men kan bemerken aan een lang aanhoudend knet-
teren, voegt men er wat alcohol in plaats van water bij, dan
ontstaat dadelijk een heftige explosie. Men mcnge dus nooit
tinctura jqdii met niercurins praecipitatus a.lbus!
Jodetum hydrargyrosum, mercurojodide, HgJfc kan worden
bereid naar het voorschrift der Pharmacopee door 4 deelen kwik
onder toevoeging van sterken spiritus met ï* deelen jodetum
hydrargyricum te mengen, totdat geen metaalbolletjes meer zijn
waar te nemen:
Hg HgJ2 = H.ir,J2.
Om mogelijk aanwezig jodetum hydrargyricum te verwijderen,
mengt men bet met spiritus fortior. waarin laatstgenoemde ver-
binding oplost, en filtreert daarna.
Jodetum hydrargyrosum vormt een groengeel, onoplosbaar
poeder, dat door licht en door de jodiden der alkalimetalen ge-
makkelijk wordt ontleed in kwik en mercurijodide. men beware
het dus van \'t licht afgesloten.
Mengt men Hg2JL» met Jodium, dan ontstaat Jodetum hydrar-
gyricum,
mercurijodide, dat gewoonlijk wordt bereid door
eene sublimaatoplossing te ontleden met jodetum kalicum:
Hg(l2 2KJ = HgJ2 \' 2KC1.
Uit jodide is een scharlakenrood poeder, dat zeer slecht op-
lost in water, maar wel oplosbaar is in spiritus (1 : 1 •\'»()), beter
nog onder verwarming. Ook in aether. chloroform en glycerine
is dit zout oplosbaiU\'. Met kaliumjodide ontstaat liet gemakkelijk
oplosbare dubbclzout, kalhimkwikjodide (HgJ2 2KJ), dat
kleurloos oplost en o. a. met alcaloïden uit zeer verdunde
oplossingen nog neerslagen geeft.
Mengt men eene oplossing van kalhimkwikjodide met hydras
kalicns, dan verkrijgt men bet z.g. Ncssler\'s reagens, dat met
ammonia eene meer of minder intensieve bruinkleuring geeft
en o. a. dient om ammonia in drinkwater op te sporen.
Met zuurstof verbindt kwik zich ook in twee verhoudingen,
n.1. tot Hg20 kwikoxydule en tot HgO, kwikoxyde. Oxydum
hydrargyrosum,
kwikoxydule, komt voor in aqua phaga-
-ocr page 152-
140
(laenica nigra en is een bruinzwart poeder, dat «lour licht zeer
gemakkelijk wordt ontleed, zoodat a<|iia phagadaenica nigra in
Hesschen van inactinisch glas moet worden afgeleverd.
Oxydum hydrargyricum, kwikoxyde, Hg<), wordt in twee
vormen in <le apotheek gebruikt, die in kleur en in grand van
fijnheid verschillen.
Het roode kwikoxyde, oneigenlijk niercnrius praecipi-
tatus ruber geheeten, daar liet niet door praecipitatie wordt
bereid, verkrijgt men door verhitting van mercuronitraat ot\'
mercurinitraat in roode kristallijne stukken:
Hg2(N(:)3)2 = -\'IIg(> N204;
Hg(NC)3>2 = HgO X._,<>4 O.
Deze stukken worden, op de wijze als hij calomel is aange-
gevcn, niet water geslibd en daarbij verkrijgt men een zeer
lijn, mat rood poeder, d.it hij sterke verhitting ontleed! in kwik
en /.uurstot\', onoplosbaar is in water, maar oplosbaar in IK\'1,
HNO3 en HoHOj onder vorming van de mercurizoutcn van die
zuren. Met reuzel vermengd verkrijgt men unguentum oxydi
hydrargyrici (rubri),
deze zalf wordt echter spoedig ontleeid,
daar het kwikoxyde door licht en door organische stoften, als
vetten, suiker, gom, wordt ontleed in kwik en zuurstof.
Behalve dit kwikoxyde gebruikt men ook het oxydum hy-
drargyricum
flavum, mercurius praecipitatus flavus, oxydum
hydrargyricum via humida parata,
dat verkregen word! door
eene oplossing van sublimaat te gieten in eene oplossing van
hydras natricus:
HgCl2 2NaOH = HgO 2Xa(\'l H2<>.
Het gele kwikoxyde is een zeer fijn, zwaar, dofgeel poeder,
dat spoediger dan het roode wordt ontleed door licht en orga-
nische stollen en dat veel spoediger dan het roode met zuren
zouten vormt. Zoo wordt het gele kwikoxyde hij verwarming
op een waterhad met oxaalzuur en water spoedig omgezet in
wit kwikoxalaat. terwijl bet roode op eene dergelijke wijze
behandeld niet merkbaar verandert. Met witte vaseline ver-
mengd, verkrijgt men het unguentum oxydi hydrargyrici
flavi,
dat telkens vóór de aflevering verseh bereid moet worden.
Teneide eene zoo fijn mogelijk verdeeling van het gele k\\vik-
oxyde in zalven te verkrijgen, wordt in den laatsten tijd aan-
-ocr page 153-
141
bevolen het neerslag, verkregen uit sublimaat en hydraa natricus,
nog vochtig onder de vascline te verdeelen.
Met siil|ieterzuur vormt kwik mercuronitraat en mercurinitraat,
met zwavelzuur eveneens twee sulfaten.
Met zwavel vormt kwik liet sulfuretum hydrargyrieum dat
in twee modificaties, als eene roodc kristallijnc en als eene
zwarte amorphe massa voorkomt.
                      •,\\s : >>
De ronde modificatie, sulfuretum hydrargyrieum rubrum,
cinnaber,
HgS, vermiljoen, komt in onzuiveren toestand in
de natuur voor en is als zoodanig niet geschikt voor verfstof\'
of voor pharmaceutisch gebruik. Men bereidt het daarom ge-
woonlijk uit kwik en zwavel, die men eerst vermengt, dan
verhit, waarbij de verbinding tot stand komt en ten slotte
sublimeert. De verkregen massa wordt fijngewreven. Cinnaber
is een seharlakenrood . reuk- en smakeloos poeder, onoplosbaar
in water, in alcohol en in verdunde zuren. Door koningswater
lost het op tot kwikchloride.
Laat men cinnaber langen tijd aan het zonlicht blootgesteld
staan, dan verliest het de rood e kleur en naat langzamerhand
over in zwart kwiksulfide sulfuretum hydrargyrieum nigrum,
aethiops mercurialis,
dat men o. a. kan bereiden door oplos-
singen van mercurizouten te praecipiteeren met zwavelwaterstof.
Het is een amorph, zwart, rcuk- en smakeloos poeder, dat
door sublimatie in de roode moditicatic overgaat.
ZILVER. ARGENTUM.
Ag = 108.
In de natuur vindt men dit univalente clement gedegen en
als ertsen v.n. als zilverglans Ag^S. Uit de ertsen wordt het
zilver op verschillende, voor ons van minder belang zijnde,
wijzen verkregen.
Zilver komt gewoonlijk voor als een wit, glanzend, smeedbaar
metaal met een helderen klank. Het is pletbaar en is tot zeer
dunne plaatjes geplet bekend als argentum foliatum, blad-
zilver,
dat voor het verzilveren van pillen wordt gebruikt en
niet verontreinigd mag zijn met koper. Het s. g. van zilver is
-ocr page 154-
142
10,5, liet smelt bij ongeveer 101 X)° C. Door zoutzuur en zwavel-
zuur wordt het l>ij de gewone temperatuur weinig aangetast,
brengt men liet echter in aanraking niet salpetorzuur, dan lost
het, onder ontwikkeling van roodbruine dampen, daarin o]>
tot zilvernitraat.
Door lucht, door zuurstof en door water wordt zilver noch
bij de gewone temperatuur, noch bij verwarming veranderd.
De halogenen, chloor, broom, jood, werken op metallisch zilver
reeds bij de gewone temperatuur in onder vorming van chloor-,
broom- en joodzilver.
VERWNDIXüKN VAX ZILVER.
Het belangrijkste zilverzout is voor de l\'harmacie het zilver-
nitraat, nitras argenticus, AgXO... dat verkregen kan worden
door zuiver zilver in salpeterzuur op te lossen en uit de verkregen
oplossing het zoutte laten kristalliseeren:
8Ag $1X0;! = 8AgX03 iiU) N\'O.
Zilvernitraat vormt kleurlooze, doorschijnende kristallen. In
zuiveren toestand en in oplossing in zuiver gedestilleerd water
verandert zilvernitraat niet door het licht. De geringste hoeveel-
beid organische stof werkt echter onder den invloed van het
licht reduceerend op het zout en op de oplossing, onder af-
scheiding van zwart, metallisch zilver. Het is daarom altijd
raadzaam oplossingen van zilvernitraat af te leveren in flesschen
van inactinisch glas, gesloten nict(e*n glazen stop M met een
kurk, welke in gesmolten paraffine gedrenkt is. Wordt zilver-
nitraat voorgeschreven in pillen, dan mag men ook de gewoner
organische bindmiddelen niet gebruiken, maar neemt men de
^vroeger reeds gedoemde bolus alba, en brengt het mengsel met
i«i^er-;f^iglixfiw«e "tot een pillenmassa. Oplossingen van zilver-
nitraat worden door tal van andere stoffen ontleed. De oplosbare
carbonaten, phospbaten, arseniatcn bijv. vormen neerslagen van
zilvercarbonaat, -phosphaat, en -arseniaat. De elementen koper,
zink, lood, ijzer, kwik, tin, arsenicum, stibium en bisniuth
scheiden uit oplossingen van zilvernitraat het zilver als een
zwart poeder af, dit laatste geschiedt ook door sulfas ferrosus
en door oplossingen van sulfieten en phosphieten.
Op eene dergelijke wijze werken ook vele organische stoffen als
-ocr page 155-
h
chloralhydraat, mierenzuur, wijnsteenzuur, suiker en melksuiker.
Zijn de oplossingen van zilvernitraat en organische stof voldoende
verdund, dan scheidt zich het zilver in een glanzende laag tegen
den wand der tlesch, als een z.g. zilverspiegcl, af.
Zelfs in zeer verdunde oplossingen van zilvernitraat veroor-
zaken de halogeenzuren en hunne/zouten nog een troebeling.
Zoutzuur en do oplosbare chloriden geven in verdunde oplos-
singen van AgNOg eene witte troebeling, in geconcentreerde
oplossingen een kaasachtig neerslag- van chloorzilver AgCl. Dit
neerslag wordt aan het licht eerst violet en daarna zwart gc-
kleurd. in verdunde zuren is dit neerslag onoplosliaan /Wet lost
echter op in annuonia , in eene nplnssing van cyankali en in ecne
oplossing van natriumhyposui.net. -A\'oegt men bij de oplossing
van chloorzilver in ammonia salpeterzuur, dan wordt chloor-
zilver onveranderd afgescheiden. Hroomwaterstof en oplosbart^
bromiden geven een geelachtig wit neerslag van broomzilver £
AgKr, dat eveneens aan het licht zwart wordt, onoploshaar"
is in verdunde zuren en moeilijk oplosbaar in ammonia. In
oplossingen van hyposulfis natricus en cyanetmn kalicum lost
liet gemakkelijk op.
Door joodwaterstof en oplosbare joodmetalen wordt uit op-
lossingen van zilvernitraat geel joodzilver, AgJ, afgescheiden,
dat onoplosbaar is in verdunde zuren en in ammonia, maar
oplosbaar is in eene oplossing van hyposulfis natricus of cya-
netum kalicum. Aan het licht wordt joodzilver slechts langzaam
veranderd.
Op de eigenschap van chloor- en broomzilver om door het
licht ontleed te worden, berust de photografie. In grove trekken
geschetst, geschiedt hierbij het volgende. Een glasplaat, waarop
een dunne laag broomzilver door middel van collodium of
gelatine is bevestigd, wordt in een camera obscura gebracht.
De camera obscura is een toestel, waarmede door middel van
lenzen verkleinde beelden van voorwerpen, die zich vóór de
camera hevinden op een plaat, welke zich achter in den toestel
bevindt, worden geworpen. Op de gevoelige plaat wordt nu in
de camera een beeld geworpen. Hierdoor ontstaat op het broom-
zilver een voor het oog nog niet waarneembaar begin van ont-
leding. Brengt men de plaat nu in eene reduceerende vloeistof y
-ocr page 156-
144
bijv. in cene oplossing van pyrogallol, dan zal het broomzilver,
dat zich op <le plaatsen van de plaat bevindt, welke aan het licht
blootgesteld zijn geweest, spoedig gereduceerd worden tot zwart
metallisch zilver, terwijl de rest van liet broomzilver niet wordt
aangetast. Bracht men de plaat nu in het daglicht , dan zon
ook het niet ontleede chloorzilver zwart worden. Daarom brengt
men de plaat in cene oplossing van hyposullis natricus, waarin
chloorzilver wel, maar metallisch zilver niet oplost, hierdoor
wordt, zooals men het gewoonlijk noemt, het beeld gefixeerd.
Dit beeld is echter een negatief, d. w. z. de plaatsen, die op
bet origineel verlicht waren, zijn hier donker en omgekeerd.
Om hiermede cene positieve afdruk te vervaardigen, legt men
het negatief op lichtgevoelig papier. De plaatsen, waar op liet
negatief zwart zilver is afgezet, laten geen licht door, dus daar
blijft de zilververbinding onontlced, op de plaatsen waar zich
weinig of geen zilver bevindt, wordt het licht gedeeltelijk of
geheel doorgelaten en wordt de zilververbinding gereduceerd.
Deze afdruk is dus weer gelijk aan bet origineel. Men fixeert
deze afdruk weer door natriumhyposulfict. waaraan men in
den regel eenig goudchloride toevoegt, om de tint van de photo-
grafic te verfraaien.
Gebruikt men bij de vervaardiging van het positief inplaats
van papier, dat met een zilververbinding lichtgevoelig is ge-
maakt, papier dat met een platinaverbinding is lichtgevoelig
gemaakt, dan krijgt men de zwarte platinotypieën.
Behalve de kleurlooze kristallen gebruikt men in de Phor-
macie ook nog nitras argenticus fusus, lapis infernalis, ge-
smolten zilvernitraat, helsche steen, dat verkregen wordt
door zilvernitraat bij ongeveer 2(J0° te smelten en dan in vormen
var. metaal of glas te gieten. Wanneer zij geheel bekoeld zijn,
neemt men de staafjes eruit en verwijdert de bovensteeinden,
die in den regel minder gelijkmatig zijn. Ten einde het samen-
kleven dezer staafjes te voorkomen, bewaart men ze dikwijls in
lijnzaad, natuurlijk ook van het licht afgesloten.
Om de helsche steen minder bros te maken, smelt men er
soms wat nitras kalicus bij; een samengesmolten mengsel van
1 deel AgN03 en 2 declcn KNO3 is bekend onder den naam
lapis infernalis mitigatus.
           ; c^cA"\'
-ocr page 157-
14Ö
GOUD — AURUM.
Aii = 19(i,2.
Dit edele metaal komt voornamelijk in gedegen toestand in
kwartslagen voor. Men vindt liet o. a. in Californië, Australië,
de Transvaal en in den laatsten tijd in betrekkelijk groote
hoeveelheden in Nbord-Amerika (Klondyke). Goud is een rood-
geel metaal, in zuiveren toestand week als lood en zeer goed
rek- en pletbaar. Het dunne bladgoud, au rum foliatum, werd
vroeger wel gebruikt voor het vergulden van pillen. Het meest
wordt goud gebruikt voor het vervaardigen van munten en
weeldeartikelen. Aan de lucht verandert goud niet, door zuren
wordt bet niet aangetast, maar het lost op in koningswater,
in chloorwater en in eene oplossing van cyanetum kalicum.
Goud is. zooals wij zeiden, een weck metaal en is daarom
in onvermengden toestand niet geschikt voor het vervaardigen
van weeldeartikelen enz. Men maakt daarom legecringen van
goud met koper of zilver, waarvan de waarde natuurlijk grooten-
deels afhangt van bet goudgehalte. Tegenwoordig wordt het
goudgehalte dikwijls aangegeven door breuken, men zegt bijv.
dat de oude hollandscbe dueaten een gehalte hebben van 0,9895,
d. w. z. voor dit deel uit zuiver goud bestaan; vroeger word liet
gehalte algemeen uitgedrukt in karaten, waarbij goud van 24
karaat het zuivere metaal was. Sprak men dus van 14 karaats
goud (d. i. het goud, waaruit de meeste sierraden worden ge-
maakt), dan bedoelde men hiermee een alliage van 14 deelen
goud met 10 deelen koper of zilver.
VERBINDINGEN VAN\' GOLD.
Voor ons is van deze verbindingen alleen van belang het
door de Pharmacopee vermelde chloretum aurico-natricum et
chloretum natricum,
een dubbelzout van de formule AuCl3.NaCl
gemengd met chloornatrhun. Men bereidt deze verbinding door
goud op te lossen in koningswater, de oplossing tot stroopdikte
uit te dampen, daarbij eene oplossing van chloornatrium te
voegen en tot droog uit te dampen. Op deze wijze verkrijgt
men een oranjekleurig, kristallijn poeder, dat door het licht
ontleed wordt en dus van het licht afgesloten moet worden
bcrröoer on dk zaaijer, Scheikunde.                                     10
-ocr page 158-
14(1
bewaard. In water lost het gemakkelijk op. Door vele organische
stoften wordt hot gemakkelijk ontleed onder afscheiding van
goud. Kwik, platina, zilver en do meeste onedele metalen
scheiden uit de oplossing eveneens goud af. In de receptuur
behandele men daarom het goudchloride als hij zilvernitraat is
aangegeven.
PLATINA.
Dit edele metaal, dal voornamelijk in Rusland wordt ge-
vonden, dient v.n. voor de vervaardiging van verschillende
utensiliën, als uitdampschalen en spatels voor chemisch gebruik.
Hot smelt eerst hij oene zeer hooge temperatuur (ongeveer hij
2000°) en wordt noch door zuurstof, noch door de sterkste
enkelvoudige zuren aangetast.
OSMIl\'M.
Van dit clement is voor ons uitsluitend van belang het
Osmiumzuur, acidum osmicum, acidum perosmicum,
acidum hyperosmicum, OSO4. Hot komt voor in glanzende,
doorschijnende, gele, hygroscopisehe naaldjes met een ond rage-
lijk prikkelenden reuk. De dampen van osmiumzuur werken
zeer sterk prikkelend op de slijmhuid; vooral gevaarlijk is de
werking op de slijmhuid der oogen. Verschillende gevallen van
storing in het zien zijn hekend, men zij dus uiterst voorzichtig
met dit preparaat.
In den handel komt osmiumzuur voor in toogesmolton glazen
huisjes van 0,0 of 1 gram inhoud. ]\\Ien opent deze het host
door er met een vijl oen streek over te maken en dan in eene
hoeveelheid water van hekend gewicht het huisje door te breken.
Men verkrijgt dan eene oplossing van bekend gehalte, die in
stoptlesschen van inactinisch glas moot bewaard worden.
Inplaats van dit gevaarlijke preparaat wordt thans soms
voorgeschreven het veel minder vluchtige en minder hygros-
copisebe kaliumosmaat, osmias kalicus, KoOsO^ 2H20,
dat in granaatroode kristallen voorkomt, welke gemakkelijk in
water oplossen. Ook deze oplossingen moeten tegen den invloed
van het licht beschut worden.
                                ^^
-ocr page 159-
147
ORGAN1SCHE SCIIEIKUXDE.
Zooals wij reeds in de inleiding zagen, verstaan wij tegen-
woordig onder organische scheikunde de chemie der koolstof-
verbindingen , met uitzondering van het element koolstof en
zijne verbindingen met zuurstof en zwavel, die nog tot de
anorganische scheikunde worden gerekend.
Oorspronkelijk noemde men organische scheikunde de chemie
der organen, d. i. dus de scheikunde van de weefsels, waaruit
planten en dieren zijn opgebouwd. Men hield toen nog vast
aan den regel, dat organische stoffen alleen konden ontstaan
onder den invloed van de z.g. levenskracht. Zoo noemde Ber-
zclius, een der scheikundigen uit het begin dezer eeuw de
organische chemie nog: de scheikunde der plantaardige en
dierlijke stoffen, en van die stoffen, welke onder den invloed
van de levenskracht zijn ontstaan.
In 1828 gelukte het aan Wöhler om ureum, een der stoffen,
die uit het dierlijk organisme :>ls eindproduct der stofwisseling
worden afgescheiden, geheid uit anorganische stoffen op te
houwen, dus geheel zonder den invloed van de levenskracht.
Met deze synthese viel dus de oude bepaling der organische
scheikunde en daarna is men gekomen op de eenvoudige he-
paling: „chemie der koolstofverbindingen."
Feitelijk zouden we dus de organische verbindingen reeds na
het element koolstof moeten behandeld hebben , evenals wij de
verbindingen van de andere elementen hebben behandeld. Het
aantal organische verbindingen is echter zoo ontzaggelijk groot,
veel grooter dan dat der anorganische chemie, dat eene afzonder-
lijke bespreking het overzicht gemakkelijker maakt.
Samenstelling der organische verbindingen. Het aantal elementen,
dat in de organische stoffen voorkomt, is betrekkelijk gering.
Behalve koolstof komt in alle organische verbindingen ook
waterstof voor en in de\'meeste ook nog zuurstof, zoodat men
deze drie elementen tezamen organogenen noemt; bovendien
komen nog tamelijk veelvuldig voor stikstof, zwavel, phos-
phorus en de halogenen.
Om te weten of een of andere stof een organische is, dus of
10*
-ocr page 160-
14*
zij koolstof beval. is het in sommige gevallen reeds voldoende
de stof op een stukje plntinaplnat te verhitten, men ziet dan
eerst verkoling optreden en de afgescheiden koolstof verbrandt,
wanneer men verder verhit. Wanneer in de organische stof
echter genoeg zuurstof voorkomt om alle koolstof te verbranden
of wanneer de organische stof zelf vluchtig is. bemerkt men
geen verkoling, dan moet men de koolstof langs een omweg
aantoonen. Men verhit daartoe de organische stof niet kopcr-
oxyde in een buisje, de koolstof zal zieli dan met de zuurstof
van bet oxyde verbinden en kooldioxyde vormen: voert men
dit gas in kalkwater, dan ontstaat een troebeling van kool-
zure kalk.
Evenals bij de anorganische stoffen wordt de samenstelling
der organische verbindingen ook aangegeven door formules:
deze moeten, om ecnigszins een inzicht te geven in de samen-
stelling der stol\' en vooral om aan te geven niet welke soort
van stof men beeft te doen. anders zijn samengesteld dan de
formules uit de anorganische scheikunde.
Vinden wij bijv. voor een organische stof de formule t \'41Is< >^,
dan zijn er direct 4 stollen, welke in samenstelling aan deze
formule beantwoorden. Welke stof echter van dit viertal wordt
bedoeld, blijkt niet uit de formule. Wij zijn daarom genood-
zaakt de stoffen te ontleden in de atoomgroepen waaruit zij
zijn opgebouwd, en v.n. zijn bet de radicalen, welke wij inde
stollen moeten aantoonen en waarvan wij in de formules een
voorstelling moeten geven. Onder radicalen vefsta/m, wij groepen
van atomen, die in den regel niet isdleerbaar zijn, en die zich
gedragen als atomen van elementen. Bij de chemische verande-
ringen der lichamen gaan zij meestal onveranderd van de eene
stof naar de andere over. Zoo spreekt men van alcoholradicalen,
wanneer het radicaal, verbonden met een of meer hydroxyl
(OH) groepen, een alcohol vormt.
Wij moeten thans trachten een antwoord te geven op de
vraag, hoe het komt, dat het aantal organische stoffen zoo
bijzonder groot is.
In de eerste plaats moeten wij daarvan de reden zoeken in
de «piadrivalentie van het element koolstof. Daardoor is het
mogelijk, dat 1 atoom (\' tegelijkertijd bindt:
-ocr page 161-
149
4 atomen van uni valente elementen:
2 „          „ bivalentc elementen;
1 atoom van een bival. elein. en 2 atomen van een nnival. eleni.;
1 ,, ,, .. trival. ., „ 1 atoom
1 „ „ „ quadrivalent element.
In de tweede plaats zijn de atomen dier elementen betrek-
keiijk gemakkelijk te vervangen, zoowel door andere atomen
als door radicalen.
Nog een derde, niet minder voorname reilen is er, die liet
groote aantal koolstofverbindingen verklaart, de eigenschap
namelijk der koolstofatomen om\' zich met één of meer valenties
met elkaar te verbinden.
Wanneer twee koolstofatomen zich met één valentie met
elkaar verbinden, houdt elk nog drie valenties over om zich
met andere elementen te verbinden: verbinden zich drie kool-
stofatomen met elkaar, dan houden zij nog 8 valenties over
enz. Wij kunnen dit op de volgende wijze voorstellen:
I                                     I                                     I                                     I
—e—          —e—          —e—          — e_
I         J,_       _l_       J,_
I                   I
—e—
I
Telkens dus, wanneer het aantal C-atomen één grooter
wordt, zien wij het aantal valenties met twee toenemen.
Behalve deze verbindingen bestaan er nog andere, waarin de
koolstofatomen door 2 of drie valenties met elkaar verbonden
zijn, b.v.:
I                    i
(\' = C             en            —C C—
I                 I
De verbindingen, waarin de koolstofatomen door 2 of 3
valenties zijn verbonden, hebben de eigenschap om waterstof
en halogeenatomen door additie op te nemen, de dubbele of
drievoudige binding gaat dan in enkele binding over. Dergelijke
verbindingen noemt men onverzadigde, integenstelling met die,
-ocr page 162-
150
waarbij «Ie C-atomen door enkele binding vereenigd zijn en
waar het opnemen van andere atomen slechte door substitutie
kan plaats hebben, deze laatste noemt men verzadigde ver-
bindingen.
Behalve déze koolstofverbindingen, waarbij men telkens
atomen koolstot\' aan de reeks kan toevoegen, zonder dat zij
baar karakter verliest, bestaat er nog een andere reeks, waarin
de koolstofatomen ringvormig, met afwisselend enkele en dubbele
binding zijn gebonden; bet kleinste aantal C-atomen, dat bij
deze verbindingen voorkomt, bedraagt <>, de samenstelling kan
voorgesteld worden door:
I
e
__.(\' V__         Kik atoom koolstof
||                    houdt dus nog 1 vrije
/\'          ^\'\\ valentie over.
(\'
I
Wanneer men zou trachten bij deze verbindingen het aantal
C-atomen in den ring grooter te maken, zou de verbinding
direct uiteenvallen. Deze verbindingen noemt men om die reden:
koohtofcerbindingen met een gesloten koolstofketen, de vorige daar-
entegen waarbij bet aantal C-atomen willekeurig groot gemaakt
kan worden: koolstqfcerbindingen met een open koolstofketen.
Onderstellen wij, dat bij de verzadigde koolstofverbindingen
de vrije valenties telkens worden ingenomen door atomen
waterstof, dan onstaan de verbindingen:
(\'lij. (\'2ll(i, C3H8, C4H10, CsHja enz.
Uit deze formules blijkt, dat ieder volgend lid van de reeks
één groep (\'IL> meer bevat dan het vorige lid. Dergelijke reeksen
die met CH2 opklimmen, komen in de organische scheikunde
veelvuldig voor, men noemt ze homologe reeksen.
De scheiding van vluchtige organische stoffen geschiedt dik-
wijls door z.g. gefractioncerde destillatie. Wanneer men een
mengsel van vloeistoffen heeft. bijv. van aether, spiritus en
:
-ocr page 163-
151
water en men verwarmt dit, dan zal de meest vluchtige vloeistof
(aether) het eerst in damp overgaan , dus uit een geschikt toestel
overdestilleeren; wanneer men dan de temperatuur laat stijgen
zal de spiritus overdestilleeren, on eindelijk ook het water. Men
kan deze bij verschillende temperaturen overdestilleerende ge-
deelten (fracties) elk afzonderlijk opvangen en zoo eene scheiding
verkrijgen van deze vloeistoffen. In de praktijk is deze scheiding
niet zoo volledig, als wij het hier voorstelden, daar ook mengsels
van aether en spiritus en naderhand mengsels van spiritus en
water overdestilleeren.
Een bereidingswijze van organische stollen, die ook dikwijls
wordt toegepast o. a. voor de bereiding van kreosoot is de
droge destillatie, men verstaat daaronder: de ontleding van
niet vluchtige organische stoffen door hitte, buiten toetreding
der lucht.
Bij deze bewerking ontstaan altijd vier producten n.1. gassen,
een waterige vloeistof, teer en koolstof. De waterige vloeistof
reageert alcalisch, wanneer de organische stof stikstof bevat,
maar zuur. wanneer daarin geen N voorkomt. Ken voorbeeld van
rlroge destillatie hebben wij in de bereiding van lichtgas; daarbij
worden steenkolen buiten toetreding van lucht injretorten verhit
en ontstaan lichtgas, ammoniakwater en steenkolentecr, terwijl
cokes in de retorten achterblijft.
a. Koolwaterstoffen.
Meer dan een der andere elementen heeft koolstof de eigen-
schap om waterstof te binden. De storten, welke dan ontstaan
dragen den naam van koolwaterstoffen. Deze verbindingen
ontstaan slechts zeer moeielijk door directe vereeniging der
elementen; voor de bereiding moet men gewoonlijk meer samen-
gestelde verbindingen ontleden.
Men onderscheidt voornamelijk vier soorten van koolwater-
stoffen, naar de binding der koolstofatomen onderling.
1". Moerasgasreeks of koolwaterstoffen der paraffine-
reeks, of verzadigde koolwaterstoffen, waarbij de kool-
stofatomen der verschillende leden slechts door enkele binding
zijn vereenigd, bijv.:
id V\\W \'a fWft/w^ ff"
-ocr page 164-
l.->2
H                               H
I                                                                               I
il—e—il                    il—c—il
ii_c__ii                    il—e—il
i                                                                               I
H                         il—e—il
I
il
Acthan.                        Propan.
!?\'. Aethyleenreeks, waarbij twee der koolstofatomen door
dubbele binding zijn vereenigd, bijv.:
II—< —II                             II
ll_e—ii                  ir— e—il
I
e—il
II
Pd h_c-h
Aethvleen. ! L            Propyleen.
30. Acetyleenreeks, waarin één drievoudige binding of twee
dubbele bindingen tussehen de koolstofatomen voorkomen bijv.:
C—H
                       II                              II
H               11—e—h               it—e—11
C                           0—II
e.4
H—e—H
Acetyleen. L Allyleen.               Crotonyleen.
4*\'. Aromatische koolwaterstoffen, waarbij minstens 6 kool-
stofatomen ringvormig met elkaar zijn verbonden, afwisselend
met enkele en dubbele landing, bijv.:
II—(\'—(\'—II
rA.
H—C             Il-^C = benzol.
H—(\'=(\'—11
Wij zullen ons in hoofdzaak bezig houden met de verbindingen
der le en 4e reeks en de daarvan afgeleide verbindingen.
-ocr page 165-
153
De verbindingen, welke van de le. \'2\' en -\'!e reeks van kool-
waterstoffen worden afgeleid, dragen den naam van
VERBINDINGEN MET OPEN KOOLSTOFKETEN,
omdat men hierbij gemakkelijk groepen (\'IL kan toevoegen
zonder, dat het karakter van de verbinding verloren gaat.
VERZADIGDE KOOLWATERSTOFFEN.
Deze verbindingen worden ook grenskoolwaterstoll\'en genoemd,
in tegenstelling niet de onverzadigde, de laatste kunnen namelijk
nog wel atomen of atoomgroepen opnemen, de eerste niet. In
de koude worden zij zelfs door zeer sterke oxidatiemiddelen,
noch door geconcentreerd salpeterzuur of zwavelzuur aangetast,
zij zijn dus weinig verwant (parum aflinis) en heeten daarnaar
ook koolwaterstoffen van de paraflinereeks. Tot deze reeks
belmoren:
Methan <\'H4                         (\'II., ^211
Aethan C2H0                      1&rfT4 2H
Propan (:3                       ^iiV^ 211
Butan C.,i[10                       "T^HS
Pentan C.,11^                       <\'^1o %&-
Hexan C6HM                       C(iHIsHrr2H
__                          enz.
Uit de tweede reeks formules blijkt, dat elke koolwaterstof
bestaat uit een zeker aantal groepen (\'IL> Ho.
Stellen we dit aantal groepen CHo voor door n, dan wordt
de formule (CfL^n Ho of (\'nH2n »- Deze is de algemeene
formule dezer koolwaterstoffen, waaruit men de formules van
elke afzonderlijke koolwaterstof kan vinden door voor n een
geheel getal te nemen. Wil men bijv. de formule weten van
de koolwaterstof met l(i atomen koolstof, dan is dus n = 16
en de formule wordt (\'k;H_> x ui 2 = (\'loHa* De koolwaterstoffen
tot C5H12 zijn gasvormig, die van (\'.->H].> tot t\'iaHjj vloeibaar,
de overige zijn vast.
Van de vloeibare neemt het kookpunt, van de vaste het
smeltpunt toe met het koolstofgehalte. Tn water zijn zij alle
onoplosbaar, in alcohol lossen alleen de vloeibare goed opT"
-ocr page 166-
1Ö4
Deze koolwaterstoffen verkrijgt men o. a. bij droge destillatie
van turf en steenkolen, zoodat men ze ook vindt in lichtgas.
In de natuur treft men de verzadigde koolwaterstoffen aan
in de Amerikaansche petroleum (in Kaukasische petroleum
vindt men voornamelijk aromatische koolwaterstoffen). Waar-
schijnlijk is petroleum ontstaan, doordien de resten van traan-
houdende visschen aan hooge temperatuur, gepaard met hooge
drukking zijn blootgesteld geweest 1). Door gefract ioneerde
destillatie krijgt men uit de ruwe petroleum, die op sommige
plaatsen uit den aardbodem vloeit, op andere opgepompt moet
worden, voornamelijk vier producten. Allereerst vindt men
daarin gasvormige koolwaterstoffen, die zoodra zij aan de lucht
komen ontwijken, dan krijgt men, destilleerende van 40D—löO3
de vluchtige koolwaterstoffen, die onder de namen petroleum-
aether, benzine, naphta of ligroine veelvuldig worden gebruikt
als oplosmiddel voor vetten en harsen. Boven 100° tot 30fP
destilleert de gewone petroleum over, waaruit dus de vluchtige
koolwaterstoffen zijn verwijderd, om het gevaar voor ontploften
en ontbranden te verminderen. Wanneer men in een plat
schaaltje een laagje petroleum giet ter dikte van ongeveer 1 cM.
en men werpt daarin een brandende lucifer, dan moet deze
uitgaan, begint de petroleum zelf te branden, dan is zij ge-
vaarlijk voor huishoudelijk gebruik.
Wat hij 300° nog in den destilleerketel achterblijft, vormt
de paraffine en vaseline.
Van de genoemde koolwaterstoffen moeten wij nog een enkele
nader bespreken n.1.:
Methan, (\'H4, moerasgas, mijngas, licht koolwaterstof,
dat in Italië, Perzië en Noord-Amerika in groote hoeveelheden
uit den bodem stroomt. In groote hoeveelheden treft men het
aan in de steenkolenmijnen, waar het, gemengd met lucht,
aanleiding geeft tot de zoo gevaarlijke mijnontploffingen.
Aethan, CL>H(i, vormt een bestanddeel van lichtgas, en komt
in opgelosten toestand voor in de ruwe Amerikaansche petroleum.
Petroleumaether, aether petrolei, bevat voornamelijk de
koolwaterstoffen (^Hjo en (\'ulli-i en heeft, zooals wij later zullen
H \'-\' •\' -\' •          1 >y . \'\'; \', t/W «/ H 1.) (i.: .ifM,
1) Holleman, Orfjaniw\'lic (\'lieniio.
-ocr page 167-
1.-.-,
zien. nicU te maken met de stoffen die wij in de organische
chemie aethers noemen. Het is een kleurlooze, licht bewegelijke
vloeistof, die zeer gemakkelijk ontbrandt. Men zij daarom voor-
zichtig met liet óverschonken van deze vloeistof in de nabijheid
van gas of lamplicht. Dit laatste geldt evenzeer voor benzine,
een mengsel van de koolwaterstoffen CqHh en (\'-Hir), dat ook
uit ruwe petroleumaether wordt verkregen, lieide stoften worden
veelvuldig gebruikt als oplosmiddelen voor vetten (vlekken-
wateri.
Paraffinum liquidum wordt verkregen uit de resten van de
petroleum, die l»ij :>(XP nog niet overdestilleeren. Het is een
olieachtige, kleurlooze vloeistof s. g. 0,85, bij verwarmen wordt
zij niet ontleed en is dus gemakkelijk te steriliseeren. Ook kan
men deze vloeistof zeer goed gebruiken om oxyduni hydrar-
gyricuni en andere kwikverbindingen mee af te wrijven voor
liet gebruik in zalven, zij verdient daarbij de voorkeur boven
olie, omdat deze zich met kwikoxyde gemakkelijk verbindt.
Vaselinum flavum wordt voornamelijk verkregen uit Amo-
rikaansche petroleum (Cheseborough vaseline). De half-
vloeibare resten der petroleumdestillatie worden zóó lang verhit,
tot zij reukeloos zijn geworden.en vormen dan een woeke, gele,
vette massa, die in dunne lagen doorschijnend is en die boven
4-4° vloeibaar wordt. Dit product wordt in de Pharmacie gebruikt
voor de bereiding van zalven en vindt verder veelvuldige
aanwending voor het invetten van metalen voorwerpen om hen
voor oxydatie (roesten) te beschutten. Zij verdient hiervoor de
voorkeur boven vetten, daar deze aan de lucht zuur worden
en dan vele metalen aantasten, terwijl vaseline door de lacht
niet wordt veranderd.
Vaselinum album is gezuiverde gele vaseline, zij is bijna
kleurloos en half doorschijnend. Daar de Pharmacopee van dit
praeparaat als synoniem vaselinum heeft aangegeven moet men
de witte en niet de gele vaseline geven*wanneer vaselinum
wordt voorgeschreven. Ook deze stof wordt veel gebruikt in
zalven o. a. in unguentum oxydi hydrargyrici flavi, dfWHige
-i\',alf wani\'bij du l\'luuuiaiopee hetgolmiik vmn uiscliuu muiniheijft.
Vaseline (gele en witte) is goed mengbaar met vetten en met
^olièn, niet met spiritus en moeielijk met water en glycerine.
-ocr page 168-
156
Wanneer men voel water of glycerine onder vaselinc moet
verdeelen gelukt dit meestal, wanneer men eenige druppels
oleuni ricini toevoegt.
Paraffinum solidum wordt voornamelijk aangetroffen in de
Java-petroleum, niet in de Amerikaansche. In Gallicië o. a.
vindt men bijna zuivere paralline in den bodem, deze is hekend
als ceresinum of ozokeriet en daaruit wordt de paraffinum
solidum verkregen. Het is een vaste, witte, reukelooze, rijn
kristallijne stof, die bij 7ö°—80° smelt. Zij is onoplosbaar in
water en spiritus, oplosbaar in aethcr, cjiloroform en vette
oliën en vooral in petroleumaether. Ook deze stof gebruikt
men veel in zalven, zij moet daarvoor echter altijd worden
gesmolten.
Van ile onverzadigde koolwaterstoffen bespreken wij alleen:
Acetyleen, (\'2H9. een kleurloos gas met onaangenainen reuk.
.Men bereidt het gas tegenwoordig in \'t groot door calcium-
carbunr te ontleden met water.
Calciumcarbuur is eene verbinding van koolstof met calcium,
die wordt verkregen door koolstof\' met ealciumoxyde bij zeer
hooge temperatuur (in den electrischen oven) te verhitten,
daarbij ontstaat de verbinding C/\'a. Brengt men deze in aan-
raking met water, dan heeft de volgende ontleding plaats:
(\'at\'., 211/) = (\'n(OH), (\'2H2.
Acetyleen brandt met een sterk lichtgevende vlam en wordt
daarom wel in plaats van gas ot\' electricitcit tot verlichting
gebruikt. Men kan daarbij echter geen koperen gasbuizen ge-
bruiken, anders zou acetyleenkoper ontstaan, dat zeer gemak-
kelijk ontploft. Een ander gevaar hij het gebruik van acetyleen
is, dat het met lucht een gasmengsel vormt, dat, wanneer het
met een vlam in aanraking komt, nog veel heviger ontploft
dan een mengsel van lichtgas met lucht.
Onder den naam vasogenum of vaseünum oxygenatum
brengt men een dikke, zwak alkalische vloeistof in den handel,
die heet te bestaan uit geoxydeerde vaseline. Met water vormt
het eene emulsie. Behalve vasogenum purum komen nog in
den handel vasogenen waarin geneesmiddelen als creoline,
-ocr page 169-
157
ichthyol, jodium, jodoform, kreosotum enz. zijn opgelost, welke
nionJ.iln joodvasogeon, jodoformvasogecn enz. noemt.
[YNjiiineer men de onverzadigde kool waterstof ten, die ook in
betrekkelijk kleine hoeveelheden in ruwe petroleum voorkomen
met zwavel kookt, ontstaan zwavelhoudende producten, die
onder den naam thiolum in den handel komen. Thiol is een
reukelooze, bruinzwarte, dikke vloeistof, thiolum liquidum,
of een bruinzwart poeder, thiolum siccum, dat goed oplost
in water, maar uit de oplossing door anorganische zuren weer
wordt afgescheidene 7
[Jhiolum wordl fn de geneeskunde wel gebruikt in plaats
vaTTJjfchthyolum of sulfo-ichthyolas ammonicus, eene zeer
onaangenaam riekende vloeistof, welke wordt verkregen bij de
droge destillatie van bepaalde gesteenten welke de overblijfselen
bevatten van voorwereldlijke visschen en zeedieren: men vindt
ze bij Seefeld in Tirol.
Ichtyol is een donkerbruine, heldere, stroopdikke onaango-
naam riekende vloeistof, oplosbaar in water, in glycerine en
in een mengsel van aetber en alcohol.
Mehandelt men de hoogere koolwaterstoffen met rookend
zwavelzuur bij SCP, dan ontstaat, na zuivering, eene bruine,
taaie, toeraehtige massa, die oplosbaar is in water en onder
den tumenolum bekend is.
                                                         _^
HAMKIEKXDEBIVATEN DEK VKHZADIODK KOOLWATERSTOFFEN.
cdu
Wanneer wij op methari chloor laten inwerken, kunnen wij
ons voorstellen, dat daarbij achtereenvolgens 1, 2, M en 4
atomen II worden vervangen door chloor:
CH4 CU = HC1 CH3CI, monochloormethan;
(\'1I4 2C12 = 211(1 CH2CL>, dichloormethan;
iliLdr §CJa = :J.HC1 (\'H(\'!,.", trichloorinethan;
(\'1I4 4(\'12 = 4HC1 (\'(%, tetrachloormethan
(tetrachloorkoolstof).
Van deze vier verbindingen zijn voor ons van belang: trichloor-
methan, chloroform. De bereiding van dit belangrijke genees-
middel geschiedt uitsluitend in fabrieken door destillatie van
alcohol met ehloorkalk. Zeer zuiveren chloroform verkrijgt men
-ocr page 170-
ook door destillatie van chloral niet hydras kalicus. Chloroform
is een kleurlooze, heldere vloeistof, s. g. 1,490, kookpunt
(il°—<>2\'\', met een eigenaardigen, zoetachtigen reuk. liij langere
inademing veroorzaakt hij bewusteloosheid, hierop berust het
gebruik in de chirurgie.
In water lost chloroform weinig op; de waterige oplossing
wordt onder den naam aqua chloroformi soms gebruikt. Men
hereidt haar door 1 deel chloroform en 24\'.l deelen water ge-
ruimen tijd niet elkaar te schudden, daarna volkomen te laten
bezinken en ten slotte de bovenstaande vloeistof belder af te
gieten. \'In sterken spiritus, in aethcr en in vette en aetherisebe
oliën is chloroform goed oplosbaar. Vele harsen en alcaloïden
(niet de zouten der alcaloïden) zijn in chloroform oplosbaar. In
de receptuur denke men er aan, dat chloroform, om de vluch-
tigheid, niet niet warme vloeistoffen in aanraking mag komen
en niet met andere stoffen in den mortier mag worden ver-
mengd.
Blootgesteld aan licht en lucht wordt chloroform gemakkelijk
ontleed; gedeeltelijk kan men deze ontleding voorkomen door
1 °/0 alcohol toe te voegen en hem te bewaren in tlcsschen van
inactinisch glas.
Onder de namen traumaticinum en solutio gutta-percha
chloroformosa
gebruikt men eene oplossing van 2 deelen ge-
zuiverd gutta-percha, dat tot kleine stukjes is gebracht en
tusschen filtreerpapier gedroogd, in 18 deelen chloroform , waar-
aan men, om het water, dat aan het gutta-percha kleeft, geheel
weg te nemen vóór het oplossen nog 8 deelen sulfas natricus
cxsiccatus toevoegt, en daarna filtreert. Strijkt men deze vloeistof
uit op de huid, dan laat zij na het verdampen van den chloro-
forni een dun vliesje achter, evenals collodium. Verschillende
geneesmiddelen, o. a. cbrvsarobine, kunnen gemakkelijk niet
traumaticine gemengd worden, andere, waaronder tinctura jodii,
vormen daarmede eene vaste massa.
Tetrachloormethah, tetrachloorkoolstof, C\'(\'l4, wordt tegen-
woordig dikwijls inplaats van benzine gebruikt als oplosmiddel
voor vetten. Het voordeel boven benzine is, dat het niet
brandbaar is.
Wanneer in OH4 de atomen waterstof worden vervangen door
-ocr page 171-
159
atomen broom, dan ontstaan eveneens 4 broomderivaten, waar-
van voor ons alleen van belang is het tribroommethan, bro-
moform
, (\'HBr3, een kleurlooze, naar chloroform riekende
vloeistof, kookpunt 1öl°, ojjiloslmar_in alcohol en aether en bij
krachtig schudden of mengen in den mortier ook oplosbaar in
olie. Deze olie kan dan, zonder dat de bromoform uitzakt, met
water en gom worden geëmulgeerd.
Van de vier joodderivaten, die uit methan door vervanging
van waterstof door jodium ontstaan, bespreken wij alleen het
trijoodmethan, jodoform, C\'HJ3, dat voorkomt in kleine
glanzende kristallen, die vetachtig op het gevoel zijn of ook
als kristallijn poeder (jodoformum farinosum). De reuk is
aromatisch, doordringend, min of meer naar saffraan. In water,
zuren en alkaliën en in glycerine is jodoform niet oplosbaar.
In óO deelen kouden, "7n 10 doelen warmen spiritus en in \'T>
doelen aether is jodoform oplosbaar, deze oplossingen worden
aan het licht spoedig ontleed; ditzelfde geschiedt met de op-
lossingen van jodoform in chloroform en in vette en aetherische
oliën. Bij de gewone temperatuur lost 2"/o jodoform op in
oleuin olivarum, bij 100° ongeveer 20 o 0- Onder den naam
jodoformcollodium <>f collodium cum jodoformo gebruikt
men oene versch bereide oplossing van 1 doel jodoform in 14
doelon collodium clasticum.
Op velerlei wijzen heeft men getracht den voor velen onaan-
genamen reuk van jodoform te bedekken. Bergamotolie, sas-
safrasolio on talrijke andere aetherische oliën zijn hiervoor
aanbevolen. Beter dan met deze gaat hot met tonkaboonen.
Voor z.g. jodoformum faba toncae desodoratum geldt
het volgende voorschrift (van Mosetig). Twee gehalveerde
toncaboonen brengt men met 100 gram jodoform in een wijd-
mondsch fiescb van 1">0 gram, sluit dezo luchtdicht en laat 4
dagen staan: de jodoform riekt dan naar weichselhout. Eenvou-
diger is het volgende voorschrift voor jodoformum desodo-
ratum:
men mengt 197 deelen jodoform met 1 deel phenol en
2 deelen pepermuntolie. Ook met lijn koffiepoeder kan men
jodoform nagenoeg reukeloos maken.
Vervangt men in aetban, C^Hg, één atoom H door Cl, dan
ontstaat monochloracthan, (\'olb/\'l, dat onder de namen JMÜtW
-ocr page 172-
Kilt
frchlooraethyl, jMÉHP, in de geneeskunde wordt ge-
bruikt. lïij de gewone temperatuur is liet gasvormig, het kan
echter gemakkelijk gecondenseerd worden en is dan een kleur-
looze, licht bewegelijke vloeistof, die meest in toegesmolten
buizen in den handel komt. Men breekt de punt van het
capillairhuisje, waarin deze huizen eindigen, ai\', en door de
warmte van de hand verdampt dan het chlooraethyl en stroomt
als gas uit de opening. Daar het gas zeer gemakkelijk brandbaar
is. drage men zorg. de huizen niet in de nabijheid van vuur
te openen.
Wanneer men in aethan één atoom II vervangt door Br, dan
ontstaat monobroomaethan, (\'.dl.-Jir, dat alsarthoi\' bi\'imatua,
broomaethyl, in de geneeskunde wordt aangewend. Het is een
kleurlooze. vluchtige, aangenaam riekende vloeistof, die bij
inademing verdooving veroorzaakt. Door het licht wordt het _
zeer gemakkelijk ontleed onder bruinkleuring.
                     f _JJ-
.U.COIlol.KN.
Met dezen naam duidt men in de organische scheikunde een
groep van lichamen aan. die van de koolwaterstoffen kunnen
worden afgeleid, door daarin een of meer atomen waterstof te
vervangen door hydroxj lgroepen. Alcoholen zijn dus de
h ydroxylderivaten der koolwaterstoffen. Naar het aantal
hydroxvlgroepcn onderscheidt men de alcoholen in één-, twec-,
drie- of meeratomige, l>ijv.:
CH3OH, methylalcohol, is éénatomig;
(\'oH^fOH)^, aethyleenglycol, „ tweeatomig;
(\',jH-,(()H),j, glycerine,
             „ drieatomig;
<\'jlf(i(()ll)j, ervthriet,             „ vieratomig;
(\',jlIs(OII).-,, querciet,               „ vijfatomig;
_-— C(jII,s(()H)(i, manniet,              „ zesatomig.
^Wanneer men van de formules der alcoholen de groepen OH
afneemt, blijven groepen over, die men alcoliolradicalen noemt;
wanneer deze zich kunnen verhinden met 1 groep OH zijn zij
univalent, niet 2 groepen OH bivalent enzTT
De namen der éénatomige alcoholen~wordên afgeleid van die
der koolwaterstoffen,
-ocr page 173-
161
de alcohol afgeleid van metlian wordt genoemd methylalcohol,
„ aethan „           „ aethylalcohol,
r* „ propan „           „ propylalcohol enz. i).
/_De eenatomige alcoholen kunnen worden afgeleid van de
verzadigde koolwaterstoffen, door daarin 1 atoom waterstof te
vervangen door een hydroxylgroep; de algemeene formule dezer
verbindingen zal dus zijn CnH2n iOH (zie pag. 153), waarin
n door elk geheel getal kan worden vervangen. Voor ons zijn
van belang \\l —*—"-----""^————
          ~~
MethyTatcohol, CH3OH, afgeleid van den koolwaterstof CH4.
Methylalcohol wordt verkregen bij de droge destillatie van
hout, daarbij ontstaat naast andere producten de zoogenaamde
houtazijn, waarin voor ongeveer 10/0 methylalcohol voorkomt.
Door destillatie bij lage temperatuur kan hieruit de methyl-
alcohol worden afgescheiden. Men verkrijgt hem dan als een
kleurlooze, licht bewegelijke vloeistof, die bij (iCS C. kookt en
gemakkelijk brandt met een blauwe vlam. De onzuivere methyl-
alcohol, n.1. dat gedeelte van den houtazijn, dat beneden 100°
overdestilleert, wordt gebruikt voor het methyleeren of dena- /
turecren van aethylalcohol.
Aethylalcohol, ("\'2H5OH, wordt afgeleid van de koolwaterstof
aethan, C2Hfi. De tegenwoordige grondstoffen voor de bereiding
van dezen alcohol zijn voornamelijk zetmeelboudende stoffen,
als granen en aardappelen. Vóór het zetmeel hieruit in alcohol
kan worden omgezet, moet het eerst worden omgezet in suiker-
soorten, die voor gisting vatbaar zijn. Deze omzetting ge-
schiedt door een aftreksel van mout, d. i. gekiemde gerst.
Dit aftreksel bevat een ferment, diastase genaamd, dat de
omzetting van zetmeel in voor gisting vatbare suikersoorten
veroorzaakt. Bij de suikerhoudende vloeistof voegt men nu gist
(saccharomyces eereviaae), een uit kleine cellen bestaande stof,
die alleen door zijne tegenwoordigheid den suiker omzet in
alcohol en kooldioxyde, zonder daarbij zelf chemisch veranderd
1) Volgens eene nieuwere nomenclatuur vormt men de namen «Ier alco-
liolen uit die der koolwaterstoffen door den uitgang nl te plaatsen achter den
naam der koolwaterstoffen, zoo vormt men van methan: methanol,
„ aethan: aethanol enz.
schröder en de zaai.ier , Scheikunde.                                             11
-ocr page 174-
162
te worden. Men verkrijgt dan een vloeistof, die naast hoogstens
140/0 alcohol .nog glycerine, barnsteenzuur en andere alcoholen
bevat, welke verontreinigingen tezamen onder den naam foeseb\'
olie bekend zijn. Door gefractioneerde destillatie verkrijgt men
hieruit een alcohol van 900/0, die nog niet zuiver is. Deze
onzuivere; spiritus wordt opnieuw gedestilleerd en daarbij ver-
krijgt men een alcohol van ongeveer 960/q. Watervrijen alcohol
kan men door gefractioneerde destillatie niet bereiden, steeds
gaan kleine hoeveelheden water mede over. Voor de bereiding
van watervrijen alcohol, alcohol absolutus, voegt men bij
stukken ongebluschte kalk, zooveel spiritus van 96O/o, dat de
kalk nog boven den spiritus uitsteekt en laat dit mengsel dan
eenige dagen staan. Het water van den spiritus bluscht dan
de kalk en wordt zelf chemisch gebonden, destilleert men nu,
dan verkrijgt men alcohol absolutus. Om na te gaan of nog
water in spiritus voorkomt, voegt men er wat sulfas cuprieus
exsiccatus bij, dit zal, wanneer er nog water aanwezig is, onder
opname van kristal water, blauw worden. Absolute alcohol is
een kleurloozc, gemakkelijk brandbare vloeistof, die kookt bij
78° en een s. gew. heeft van 0,7941 bij 15°. Bij de verbranding
ontstaan CO2 en H20. Bij het vermengen met water ontstaat
volumevermindering (contractie) en temperatuursverhooging.
Mengt men 52 volumina alcohol met 48 volumina water dan
verkrijgt men 96,2 volumina mengsel.
                            ^
In de pharmacie gebruikt men v.n. alcohol van 98)0/0 z.g.
spiritus fortior en alcohol van 70o/0 z.g. spiritus dilutus. De
sterkte van spiritus wordt aangegeven in volume percenten,
waarbij men dus aangeeft hoeveel volumina absolute alcohol
voorkomen in 100 volumina spiritus. Bij andore vloeistoffen, o.
a. zoutzuur, ammonia, zwavelvuur, wordt de sterkte aangegeven
in gewichtspercenten.
In groote hoeveelheden gebruikt men alcohol in de apotheek
als oplosmiddel en extractiemiddel bij do bereiding van tinc-
turen, spiritueuse oplossing van jodium en kamfer, voor spiritus
aromatieus, spiritus nitri dulcis en talrijke andere praeparaten.
Daar men gewoonlijk sterkeren spiritus (van 96 0/0) inslaat,
moet deze voor het bereiden van verschillende praeparaten
worden verdund. Bij het verdunnen van spiritus maakt men
-ocr page 175-
163
gebruik van tabel -¥iII van de Pharmacopee, aanwijzend de
verhouding tusschen het s. gew. en het gehalte aan aleoliol in
spiritus van 1">°. Wij zullen deze spiritusverdunning door een
voorbeeld toelichten. Stel, wij moeten 1 kilo spiritus dilutus be-
reiden en hebben spiritus van 9(1 o/0. Het soortelijk gewicht van
spiritus van 700/0 is 0,88(.)7 (afgerond 0,89), dus het volume
van 1 KG. van dien spiritus 1000 : 0,89 CC =r 1124 CC. Deze
1 levatten ^7c- X 70 CC ahsoluten aleoliol = 78(3,S CC. Deze
hoeveelheid absolute alcohol is aanwezig in —,,\'—- X 100 C(\'r=
820 CC spiritus van 960/0. Het s. g. van dezen spiritus is 0,8120,
dus het gewicht van 820 CC zal bedragen 820X0,812 — 6()Ö,84
gram. Ter bereiding van 1 kilo spiritus van 70% hebhen we
dus noodig fi(>5,.S4 gram spiritus van • H5 °/o en 334,16 gram
aqua destillata.
Verreweg de grootste hoeveelheid alcohol wordt gebruikt voor
de bereiding van alcoholische dranken. •
                   : .vïal?..
Van de koolwaterstof propan, (\'sllg, wordt afgeleid propyl-
alcohol, C3H7OH; van butan, (\'4II10, wordt afgeleid, butyl-
alcohol, C4H9OH; van pentan, C5H12, wordt afgeleid amyl-
alcohol, (\'jIIijOH, enz.
De tweeatomige alcoholen dragen den algemeen en naam van
glycolen, zij zijn voor ons niet van belang.
Van de drieatomige alcoholen is voor ons van belang de
glycerine, C;.H,-,(()H);., welke in chemisch opzicht afgeleid kan
worden van propan, C3H8, door daarin 3 atomen H door
hydroxylgroepen te vervangen. In de natuur komt glycerine
niet in vrijen toestand voor, in gebonden toestand vindt men
haar in groote hoeveelheden in de meeste onzer vetten en vette
oliën, gebonden aan vetzuren tot z.g. samengestelde aethers
(zie later). Glycerine werd in 1799 ontdekt door Scheele bij de
bereiding van loodpleister, als een zoetsmakende vloeistof, en
werd door hem oliezoet genoemd; van dezen naam is het
oude synoniem principiuïn dulce oleorum Scheelii af-
komstig.
11*
-ocr page 176-
164
Do bereiding van glycerine geschiedt uitsluitend uit plant-
aardige en dierlijke vetten, die door middel van kalk, over-
verhitten stoom of zwavelzuur worden ontleed. Gebruikt men
voor de bereiding ruw arseenhoudend zwavelzuur, dan is ook
de glycerine arseenhoudend.
Glycerine is een heldere, kleurlooze, stroopachtige vloeistof,
s. g. ongeveer 1,25, zij kookt hij 290°, maar verdampt reeds
in merkbare hoeveelheid heneden 100°. Watervrije glycerine
ontvlamt hij 150° en verbrandt met een blauwe, weinig licht-
gevende vlam. Is de luchttoevoer hij de verbranding onvoldoende,
dan ontstaat het zeer onaangenaam riekende acroleïne.
Glycerine is in elke verhouding mengbaar met water en met
spiritus, maar onoplosbaar in acther en chloroform en moeielijk
mengbaar met "vetten en oliën. Sommige stoffen als borax,
tannine, soda, aluin enz. lossen in glycerine, vooral onder
zachte verwarming, gemakkelijk op. Door X deelen amylum
solani en 92 deelen glycerine te mengen en even op te
koken verkrijgt men glycerinum cum amylo, unguentum
glycerini.
Vermengt men 10 deelen tragacanthpoeder met 90 deelen
glycerine en laat het mengsel 24 uur bij de gewone temperatuur
staan, dan ontstaat eene geleiachtige massa, die onder den
naam glycerinum cum tragacantha wordt gebruikt.
Als conservatieniiddel laat de Pharnracopee aan sommige
extracten, (extractum calumba, — liquiritiae, — physostig-
matis, en — secalis cornuti) 5 °/o glycerine toevoegen.!
Tot de zesatomige alcoholen behoort o. a. het manniet,
mannasuiker, dat voor ongeveer 50°/o in manna voorkomt.
Manniet komt in fijne, witte kristallen voor, die gemakkelijkin
water oplossen. liet smaakt zoet en wordt o. a. soms gebruikt
als constituens voor saccharine tabletten.
Van de verbindingen, die chemisch van de alcoholen zijn
af te leiden, noemen wij:
Sulfonalum, dat voorkomt in kleurlooze kristallen, die aan
de lucht niet veranderen. Het lost op in 500 deelen koud, 15
deelen kokend water, in 65 deelen kouden en in 2 deelen
kokenden spiritus. Men gebruikt het gewoonlijk als poeders.
-ocr page 177-
165
Hot moet dan, wegens de onoplosbaarheid zeer fijn gewreven
worden.
Trionalum komt voor in kleurlooze, glanzende kristallen,
die in 320 deelen koud water oplosbaar zijn, heter in kokend
water en tamelijk gemakkelijk in alcohol en aether. Het moet,
als sulfonal, voor poeders zeer fijn gewreven worden.
Tetronalum vormt eveneens glanzende, kleurlooze kristallen,
die in 450 deelen koud water oplossen, heter in kokend water
en in alcohol en aether. Het wordt in de receptuur behandeld
als sulfonal.
AETHERS.
Met dezen naam duidt men eene groep van organische stoffen
aan, welke van de eenatomige alcoholen kan worden afgeleid,
door daarin het "waterstofatoom van de hydroxylgroep te ver-
vangén door een alcoholradicaal. Vervangt men bijv. in C\'HjOH
\'het laatste H atoom door "het radicaal CH3, dan verkrijgt men
CH3OCH3, methylaether, vervangt men op deze wijze in
(\'2H5OH dit waterstofatoom door het radicaal (\'2H5, dan ontstaat
(\'2H-,0(\'2H-,, aethylaether. Deze aethers, die dus 2 gelijke
alcoholradicalen bevatten, noemt men enkelvoudige. Zijn de
alcoholradicalen ongelijk, bijv. wanneer men in CH3OH hot
waterstofatoom van de hydroxylgroep vervangt door C2H5,
waarbij dus CH3OC2H5, methylaetliylaether ontstaat, dan
spreekt men van gemengde aethers.
Van deze reeks van verbindingen is voor ons alleen van he-f
langde aethylaether, aether, aethersulfuricus, CUhiOCVHs,
dit is, zooals de formule aanduidt, eene verbinding van 2
groepen C2H5 mot 1 atoom zuurstof, door deze samenstelling
is men aan het synoniem oxydum aothylicum gekomen. De
bereiding van aether geschiedt door destillatie van een mengsel
van spiritus van 96 O/o en zwavelzuur. De vorming van aether
heeft dan plaats naar do volgende vergelijkingen:^
/TCH5OH H2S04 - C2H5HSO4 H2Ö, / :MC(^
aethylzwavelzuur,
C2H5HS04 CH5OH = C2H5OCII5 H2S(XT) ^1
Uit deze vergelijkingen blijkt dus, dat het zwavelzuur bij de
-ocr page 178-
166
bereiding teruggcAvonnen wordt, maar dat dit zuur door het
water, dat wordt afgesplitst, verdund wordt. Het zwavelzuur dient
hier dus feitelijk als wateronttrekkende stof. De verkregen aether
moet nog gezuiverd worden. Aether is een kleurlooze, licht be-
wegelijke vloeistof niet een doordringenden reuk en hrandenden
smaak. Zuivere aether kookt hij :>ö° C. en verdampt reeds snel
bij de gewone temperatuur onder sterke afkoeling.
Aetherdanip en de vloeistof zelve zijn gemakkelijk brandbaar,
een mengsel van aetherdanip en lucht explodeert, wanneer het
met een brandend voorwerp in aanraking komt. Met het over-
schenken van aether zij men dus bij kunstlicht zeer voorzichtig.
In alcohol en chloroform is aether in elke verhouding op-
losbaar, in 10 deelen water lost 1 deel aether op. Verschillende
stoffen worden door aether gemakkelijk opgelost, o. a. jodium,
broom, sublimaat en ferrichloride, verder talrijke organische
stoffen als harsen, vetten, vette oliën en vele alcaloïden.
Behalve de aether, die aan de eischen van zuiverheid der
Pharmacopee voldoet, gebruikt men tegenwoordig ook een
zuiverder aether, de z.g. aether pro narcosi. Ken mengsel
van gelijke gewichtsdeelen aether en spiritus fortior wordt ge-
bruikt onder den naam aether cum spiritu, liquor anodynus
Hoffmanni.
ALDEHVDEX.
Wanneer men de eenatomige alcoholen oxydeert, ontstaat
eerst een reeks van lichamen, die men aldehyden noemt, wordt
de oxydatié verder voortgezet dan ontstaan de organische zuren:
a.    C2HriOH O = (TLjCOH H20,
acetaldehyde.
b.     CH;iCOIl O = CIL.COOH,
azijnzuur.
Bij de eerste oxydatié zijn dus door één atoom zuurstof twee
atomen waterstof aan één molecule alcohol onttrokken, en van
deze reactie is de naam aldehyde (samengetrokken uit alcohol
dchydroyenahit)
afgeleid. Voor de formules der aldehyden is
karakteristiek, dat deze alle een groep COH bevatten.
Van deze reeks organische verbindingen zijn voor ons van
-ocr page 179-
167
belang: Formaldehyde, 1ICOH, dat verkregen wordt door
oxydatie van methylalcohol. Het is een gas, dat in water ge-
makkelijk oplost. De waterige oplossing is onder de namen
formol en formaline bekend en bevat 400/0 van het gas. Men
zij ook niet deze vloeistof voorzichtig, daar zij zeer prikkelend
werkt op de slijmvliezen van neus en oogen en de huid aantast.
Door voorzichtige oxydatie van aethylalcohol ontstaat acetab
dehyde, CH-COH, een kleurlooze, licht bewegelijke vloeistof,
die in elke verhouding mengbaar is met water, alcohol en
aether. Onder bepaalde omstandigheden verbinden 3 moleculen
acetaldehyde zich met elkaar onder vorming van z.g. paralde-
hyde,
een kleurlooze vloeistof, die in 10 deelen koud water
oplosbaar is, bij verwarming lost het minder goed op.
Vervangt men in acetaldehyde de ?> atomen waterstof van de
groep CH3 door chlooratomen, dan ontstaat chloral, CCI3COH,
eene kleurlooze, bewegelijke, prikkelend riekende vloeistof, welke
wordt bereidt uit alcohol en chloor. Brengt men deze vloeistof
in aanraking met water, dan ontstaan kristallen van hydras
chlorali.
Deze kristallen zijn droog, maar worden bij het be-
waren aan het licht, en vooral bij vorbooging van temperatuur,
ontleed in chloral en water, de vaste stof wordt dan onder
verlies van water weer vloeibaar. Bewaart men chloralhydraat
in kalkstopflesschen, dan wordt er eveneens water aan ont-
trokken en het wordt A\'loeibaar. De kristallen zijn oplosbaar in
minder dan een gelijk gewicht water, aether en spiritus. Door
verwarming wordt de oplossing ontleed, men losse dus chlorah
hydraat steeds op in koude vloeistoffen.
pEnke Ie nieuwere geneesmiddelen, die in chemisch verband
staan met chloral zijn de volgende:
Chloralformamid, formamidas chlorali, dat voorkomt in
kleur- en reukelooze kristallen, die oplosbaar zijn in water,
beter in alcohol, aether en glycerine. Door verwarming, bijv.
bij het oplossen in warm water, wordt de stof ontleed. Als
maximaaldoscs worden aangegeven 4 en 8 gram.
Chloralamid een kristallijn poeder, moeiehjk\'oplosbaar in
water, gemakkelijk in alcohol en aether. Door anorganische
zuren wordt het ontleed. Als maximaaldoses worden aange-
geven 3 en 6 gram.
-ocr page 180-
168
Chloralose vormt kleine kristallen, die slecht oplossen in
koud water, beter in warm water en in alcohol.
Worden in acetaklehyde de 3 atomen II van de groep CH3
vervangen door hroom dan ontstaat bromal, dat zich met water
verbindt tot bromalhydraat, hydras bromali, dat voorkomt
in kleurlooze kristallen, die oplosbaar zijn in water. |
Door destillatie van alcohol met een mengsel van chloor-
natrium, liruinsteen en zwavelzuur liet de Ed. II onze Phar-
macopee een praeparaat bereiden, dat door de werking van
r. \' het chloor op den alcohol ook chloral bevat en dat bekend is
onder de namen aether muriaticus alcoholicus, spiritus
salis du leis.
Het is een kleurlooze vloeistof met een aange-
namen, aetherachtigen reuk, mengbaar met water. Het versch
bereide praoperaat geeft echter met water een melkachtige
troebeling.
7"~Eene verbinding, die in samenstelling niet chloralhydraat
/overeenkomt, is hydras butylchlorali of hydras crotonchlorali,
een kristallijne stof\', die moeielijk oplost in koud water, maar
in kokend water zonder ontleding oplosbaar is.
Wanneer men in acetaklehyde de waterstof van de groep
COH vervangt door het radicaal CHj, ontstaat CH3COCH3,
een vloeistof, die onder den naam aceton in de geneeskunde
nu en dan wordt gebruikt. Aceton is mengbaar met water,
alcohol en aether en is gemakkelijk brandbaar."?
\\
ORGANISCHE ZUREN.
De leden van deze belangrijke reeks van organische verbin-
dingen kan men afleiden van de koolwaterstoffen, door daarin
1 of meer atomen waterstof te vervangen door univalente
groepen COOH of — C                Het radicaal COOH draagt den
X(>—H.
naam van carboxyl. De basiciteit der organische zuren hangt
af van het aantal carboxylgroepen. Een organisch zuur.is n.1.
zooveel basisch, als het carboxylgroepen bevat. De zouten van
deze zuren worden gevormd door de waterstof van de groepen
-ocr page 181-
16!)
carboxyl te vervangen door metalen, de waterstof van de andere
radicalen, waaruit deze zuren bestaan, wordt niet door metalen
vervangen.
De formule van azijnzuur bijv. is: CH3COOH,
„ azijnzure kali: CH3COOK,
„ azijnzuur lood: (CH3COO)2Pb,
„ fwïjnsteenzuur: C2H402(COOH)2,
,, wijnsteenznre kali: C2H4O2(C00K).>.
„
              „            kalk: C2H4O~2(C00)2Cin
Het eerste lid van de reeks der eenbasische organische
zuren is mierenzuur, HCOOH, bet daaropvolgende: azijnzuur,
CH^COOH, dan volgen propionzuur, C2H5COOH, boterzuur,
C3H7COOH, enz. Uit deze formulus blijkt, dat ook de leden
dezer reeks met de groep CH2 opklimmen. l)it is dus een
bomologe reeks, ƒ waarvan de termen HCOOH, CH3COOH,
C2H5COOH enz., dus alle 0, 1, 2 of meermalen de groep CH2
en 1 atoom II, verbonden met de carboxylgroep, bevatten, de
algemeene fornnüe wordt dan Cnll2n iCOOH. Om de formule
van mierenzuur te vinden stelt men n = 0, dan wordt de
formule: HCOOH, voor de volgende leden der reeks is n — 1,
2, 3, enzTJ                   ,^\\ ,.\'/.\'•\'. -                °^Wi Xj-\' \' • .
De eenbasische organische_zurcn, welke wij eerst zullen be-
spreken, komen in gebonden toestand vooral voor in de meeste
onzer vetten, daarnaar wordt de geheele reeks van zuren ook
wel vetzuurreeks genoemd. In vrijen toestand vindt men ze
weinig in de natuur.
De eerste leden dezer reeks zijn vloeistoffen, die, welke 10
en meer atomen koolstof bevatten, zijn vast. De oplosbaarheid
dezer zuren in water en alcohol neemt af met het stijgen van
het koolstofgehalte.
Acidum formicicum, mierenzuur, HCOOH, komt in vrijen
toestand voor in mieren (Formica rufa), in brandnetels (Urtica
urens
en U. dioica), in terpentijn, in honig en in talrijke andere
plantaardige en dierlijke producten. Het zuivere zuur is een
kleurlooze vloeistof, welke op de huid gebracht blaren trekt.
Met water en alcohol is het in alle verhoudingen mengbaar. In
de pharmacie gebruikt men onder den naam acidum_formicicum
een zuur, dat 25 o/0 HCOOH bevat; dit zuur dient voornamelijk
-ocr page 182-
170
voor de bereiding van spiritus formicarum, een mengsel van
4 deelen mierenzuur van 250/0 met 2G deelen water en 7<> deelen
spiritus fortior. Vroeger werd dit praeparaat bereid door mieren
met water en spiritus te macereeren en daarna te destilleeren.
Acidum aceticum, azijnzuur, CH3COOH, is een oxydatie-
product van aethylalcohol:
C2H5OH 02 = CH3COOH 11,0.
Vooral onzuivere alcohol, bier of wijn, gaat gemakkelijk in
azijnzuur over. Laat men bier of wijn eenigen tijd aan de lucht
staan, dan verliezen zij hun aangenamen smaak en worden
zuur. Voor de bereiding van azijn, d. i. verdund azijnzuur,
ging men vroeger algemeen uit van wijn of bier en stelde dit
in een eikenhouten vat aan de lucht bloot. Door bepaalde
bacteriën {Mijcoderma acctï) wordt de zuurstof der lucht op de
alcoholische vloeistof overgedragen en deze oxydeert tot azijn-
zuur. De aldus verkregen zure vloeistoffen bestempelt men met
den naam wijnazijn, acetum vini.
Daar de bereiding van azijn dus een oxydatieproces is, ligt
het voor de hand, dat men in plaats van wijn zuiveren spiritus
heeft genomen. Daar echter wijnen met een hoog alcoholgehalte
(n.1. meer dan 10 0/q) niet gemakkelijk gisten, verdunt men
voor de azijnbereiding ook den spiritus zoover, tot hij ongeveer
10 0/0 alcohol bevat. Laat men dezen spiritus, evenals wijn,
eenvoudig aan de lucht staan, dan gaat het proces uiterst *.
langzaam. Om de oxydatie te bespoedigen handelt men thans,,
als volgt: in een kuip brengt men op eenigen afstand van den\'
bodem een doorboorden valschen bodem en legt daarop spaan-.
ders van beukenhout, die met azijn gedrenkt zijn. Hierop
druppelt men nu alcohol van hoogstens 10 0/0, die door het
grootere oppervlak van de spaanders gemakkelijker met zuurstof
in aanraking komt en dus sneller geoxydcerd wordt. Onder den
valschen bodem wordt nu de geoxydeerde spiritus verzameld
en het proces ter volledige oxydatie nog 2 a 3 maal herhaald.
Deze methode van azijnbereiding is bekend als de snelazijn-
methodc. De verkregen azijn is bijna kleurloos en wordt
kunstmatig gekleurd.
De op een der beschreven wijzen verkregen azijn is voor het
gebruik in de pharmacie te verdund. Het sterkere azijnzuur,
-ocr page 183-
/.. \'• \' ,•
171
dat wij daar gebruiken, wordt verkregen uit de waterige vloei-
stof. die ontstaat bij droge destillatie van hout en waaruit,
zooals wij zagen, ook methylalcohol wordt bereid. Bij de
waterige vloeistof voegt men kalk, waardoor dan azijnzure kalk
ontstaat, die van de vloeistof geseheiden en niet zoutzuur ont-
leed wordt, waarbij calciumchloride en azijnzuur ontstaan:
(CH3COO)2Ca 2HC1 = CaCl2 2CPI3CO()H.
Het azijnzuur wordt dan afgcdestilleerd.
Voor de bereiding van watervrij azijnzuur gaat men gewoonlijk
uit van natriumacetaat, dat door verwarming van het kristal-
water is beroofd en ontleedt dit met geconcentreerd zwavelzuur.
Het watervrije zuur is beneden lü\' C. een kristallijne massa,
bekend onder de namen ijsazijn, acidum aceticum glaciale.
Mengt men dit zuur met water, dan heeft verwarming en
volumevcrmindering plaats. Het azijnzuur van de Pharmacopee
is zoover verdund, dat het .\'iOo/0 (\'H;i(\'OOII bevat. Het is eene
heldere, kleurlooze, zuur reageerende en prikkelend riekeiide
vloeistof van een s. g. 1,041.
Een mengsel van "20 deelen van dit zuur met 80 doelen water
is bekend als acidum aceticum dilutum, acetum, verdund
azijnzuur, azijn. Dit zuur wordt o. a. gebruikt voor de bs-
, reiding van acetum digitalis en acetum scillae. De verbin-
\'idingen van azijnzuur met metalen, dus de azijnzure zouten of
acetaten zijn alle in water oplosbaar. Men bereidt deze gewoonlijk
door de oxydelï^of hydroxyden der metalen met het zuur in
aanraking te brengen. Voor de bereiding van kalium* en
natriumacetaat gaat men uit van de carbonaten dezer metalen.
Eenige belangrijke acetaten zijn de volgende:
Acetas kalicus, CH3COOK, eenbladerig, glanzend of korrelig,
hygroscopisch poeder, dat zeer gemakkelijk oplost in water.
Acetas natricus, CH3COOXa 3H20, komt voor in kris-
tallen, dié in ilroge lucht verweeren en in 1 deel water van de
gewone temperatuur gemakkelijk oplossen.
Acetas ammonicus, CH3COONH4, wordt v.n. in oplossing
gebruikt als solutio acetatis ammonici, veelal naar den ont-
dekker Minderer, spiritus Mindereri genoemd. Men bereidt
deze oplossing door azijnzuur met ammonia te neutraliseeren,
en daarna op te koken. Bij dit koken vervluchtigt een deel
-ocr page 184-
172
van de ammonia, daarom voegt men naderhand weer zooveel
ammonia toe, tot de vloeistof zwak zuur reageert en verdunt
haar dan met zooveel water tot zij 1") o/q ammoniumacetaat
bevat.
Acetas plumbicus, (CH3COO)2Pb 3H20, wordt voor-
namelijk verkregen door loodoxyde op te lossen in azijnzuur
en het loodacetaat te laten uitkristalliseeren. Dit zout komt
voor in doorschijnende of eenigszins verweerde kristallen, die
naar azijnzuur rieken en in 2,ó deel water oplossen. Voor het
oplossen van dit zout neemt men bij voorkeur door voorafgaand
koken van (\'0L> bevrijd aqua destillata, daar door het kool-
dioxyde onoplosbaar loodcarbonaat gevormd zou worden. Lost
men het zout op in aqua communis, dan ontstaat al naar de
verontreinigingen van dit water een neerslag van loodcarbonaat,
loodchloride of lood sulfaat.
Brengt men loodacetaat in aanraking met loodoxyde, dan
ontstaan gemakkelijk basische zouten , één van deze verbindingen
wordt in oplossing in de pharmacie gebruikt als solutio acetatis
plumbici basici.
Men bereidt deze oplossing door 80 deelen
acetas plumbicus met 10 deelen oxydum plumbicum semivi-
treum en ö deelen water te verwarmen onder voortdurend
om voeren , tot het mengsel wit of bijna wit geworden is, daarbij
heeft de volgende werking plaats:
2[(CH3COO)2Pb 8H20] Pl)() = [2((:HaC()())2Pb]IJbü iiH20.
Het gevormde basisch loodacetaat wordt dan met 9ö deelen
water geschud en na bezinking gefllteerd.
Eén deel van deze oplossing met 20 deelen gedestilleerd water
verdund, geeft het aqua plumbi of aqua Goulardi.
Acetas zincicus, (CH3COO)2Zn 2H2(), vormt gemakkelijk
oplosbare kristallen, de oplossing reageert zuur.
Acetas ferricus, (CH3COO)6Fe2, wordt v.n. in oplossing als
tinctura acetatis ferrici aetherea gebruikt. Men bereidt deze
tinctuur door eerst ferrihydroxyde te praecipiteeren uit solutio
chloreti ferrici door ammonia en het neerslag op te lossen in
azijnzuur, met water te verdunnen en bij deze oplossing spiritus
fortior en aether aceticus te voegen.
Acetas aluminicus, (CH;JCOO)6A12, wordt niet gebruikt in
de pharmacie, wel echter do oplossing van het basisch alumi-
-ocr page 185-
ro
niumacetaat als antiseptieum onder den naam liquor Burowi.
Eén der vele voorschriften is voor deze vloeistof het volgende:
bij eene oplossing van 1 deel kaliumaluminiumsulfaat in 50 deelen
water voegt men •"> deelen oplossing van basisch loodacetaat,
verdund met 44 deelen water. Bij het vermengen ontstaat een
neerslag van loodsulfaat, dat volgens sommigen icel, volgens
anderen niet afgefiltrecrd moet worden.
Behalve het zuivere azijnzuur gebruikt men in de pharmacie
ook soms nog de ruwe houtazijn acetum pyrolignosum cru-
dum,
welke bij de droge destillata van hout is ontstaan en als
een bruine naar teer en azijnzuur riekende vloeistof voorkomt.
Wordt deze vloeistof gedestilleerd, dan verkrijgt men een weinig
of geen teer bevattend product, dat als acetum pyrolignosum
rectificatum
wordt gebruikt.
Van de volgende leden der vetzuurreeks zijn propionzuur en
boterzuur voor ons niet van belang. Wel ia dit het geval met
het daaropvolgende lid het acidum valerianicum, ( \'jILjCOOH 4-
H20, valeriaanzuur, dat o. a. voorkomt in radix valerianae
en daaruit door destillatie wordt verkregen. Het is een heldere,
olieachtige, kleurlooze vloeistof met een eigenaardigen reuk
naar rottende kaas. YarT dit zuur worden de volgende zouten
geneeskundig aangewend: valerianas bismuthicus, een wit,
naar valeriaanzuur riekend poeder, dat onoplosbaar is in water
en valerianas zincicus, dat voorkomt in glanzende, kleurlooze
plaatjes, die naar valeriaanzuur rieken en moeielijk oplosbaar
zijn in water en in sterken spiritus.
Van de hoogere leden dezer reeks noemen wij nog:
Laurinezuur, dat, gebonden aan glycerine, voorkomt in
oleum lauri; myristinezuur, dat in vrijen toestand voorkomt
in muskaatnooten; palmitinezuur en stearinezuur, welke met
oliezuur (dat tot een andere reeks van organische zuren be-
hoort) in alle dierlijke en plantaardige vetten, gebonden aan
glycerine, voorkomen. Een mengsel van palmitinezuur en stearine-
zuur dient voor de bereiding der stearinekaarsen.
Zeepen. In de scheikunde verstaan wij hieronder gewoonlijk
een mengsel van de alkalizouten van stearinezuur, palmitine-
-ocr page 186-
174
zuur en oliezuur. Zeepen ontstaan in\'t algemeen, wanneer men
hydras kalicus of hydras natrious laat inwerken op vetten,
«lat zijn mengsels van de drie genoemde zuren gebonden aan
glycerine. Bij deze reactie wordt glycerine vrijgemaakt. De
zeepen, die met hydras kalicus worden bereid, de zoogenaamde
kaliz_ee_pen, zijn week, die, welke met hydras natricus worden
bereid, de natronzecpen, zijn vast. In de Pharmacopee wordt
de bereiding van twee zeepen genoemd n.1. die van sapo kalinus
en van sapo medicatus.
_§a_po kalinus [wordt bereid door <>•"> deelen olijfolie op een
waterbad te verwarmen met eene oplossing van hydras kalicus
•=. 100, tot het mengsel in eene homogene, zeepachtige
massa is overgegaan. De verzeeping wordt veel bespoedigd door
toevoeging van ongeveer 8 deelen spiritus fortior. De verkregen
zeep wordt in 100 deelen water opgelost en weer tot het oor-
spronkelijk gewicht uitgedampt. De afgescheiden glycerine blijft
dus onder deze zeep gemengd. Sapo kalinus is een geelachtig
witte, bijna renkelooze zeep, die in water en in spiritus goed
oplosbaar is. Eene oplossing van deze zeep in een mengsel van
spiritus lavandulae, spiritus fortior en water wordt onder den
naam spiritus saponatus gebruikTTJ \'l~iX r"-
Ook onze gewone groene zeep, sapo viridis, is eenkalizeep,
die uit verschillende soorten van olie, als lijnolie en raapolie
met kaliloog wordt gemaakt en door vermenging met een weinig
indigo groen wordt gekleurd.
Sapo medicatustyordt bereid door olijfolie, ook liefst onder
toevoeging van wat spiritus fortior, met eene 2(to/0 oplossing
van hydras natricus te verzeepen. Zoodra de olie geheel ver-
zeept is, lost men het mengsel op in water, voegt daarbij eene
geconcentreerde oplossing van chloornatrium in water en kookt
de vloeistof. De zeep, die in zoutoplossing onoplosbaar is, scheidt
zich af; deze bewerking draagt den naam van uitzoutea. Na
afkoeling verzamelt men de zeep en perst haar uit. De perskoek
verdeelt men daarna weer, mengt er een weinig water door en
perst weer sterk uit, ten einde op deze wijze de resten glycerine
en natriumchloride te verwijderen. Na droging wrijft men de
zeep tot poeder. Dit poeder is wit en reageert zwak alkalisch,
het is oplosbaar in spiritus. Eene oplossing van sapo medicatus
-ocr page 187-
175
en kamfer in .spiritus, waaraan spiritus rosmarini en ammonia
zijn toegevoegd, wordt gebruikt onder den naam van] jsajao^
aromaticus.
Zeepen Hebben een groot emulgeerend vermogen, daarop
berust ook de reinigende werking. Brengt men n.1. een vet in
aanraking met eene alkalisch reageerende vloeistof, dan wordt
een deel van het vet verzeept en de rest door de gevormde
zeep geëmulgeerd, op deze wijze worden dan ook de vetaehtige
verontreinigingen van de huid en van de kleeren door zeep
weggenomen. Het hiervoor benoodigde alkali wordt door de
zeep zelve geleverd; want, wanneer men zeep in aanraking brengt
met water, wordt zij gedeeltelijk ontleed in vrij „alkali en vrij
vetzuur. Het alkali neemt de verontreinigingen door verzeeping
en emulsievorming weg, terwijl het vetzuur met onontleede
zeep een onoplosbare, sterk opsehuimende stof vormt.
Zeepen ontstaan door scheikundige ontleding van een vet
door een alkali, eene bepaalde hoeveelheid van dit laatste zal
dus eene aequivalente hoeveelheid vet kunnen ontleden en
daarmede zeep vormen.
Neemt men eene grootere hoeveelheid vet, dan zal een deel
van dit laatste onverzeept achterblijven en met de zeep een
homogene emulsie vormen. Een dergelijk mengsel van zeep en
vet wordt onder den naam^sapo superadipatus, overvette Ut4 -\'
grondzeep, gebruikt. De zeep, die onder dezen naam in het xA*
supplement op de Pharmacopee wordt beschreven, bevat onge-
veer 40/0 onverzeept vet en bestaat verder uit een mengsel van
kali- en natronzeep. Met verschillende geneesmiddelen, als
sublimaat, ichthyol, naphtol, enz. gemengd, verkrijgt men de
geneeskrachtige zeepen, sapones medicinales.
Schudt men olijfolie met ammonia, dan ontstaat vermoedelijk
een weinig ammoniakzeep, die de overige olie emulgeert en dus
aanleiding geeft tot de vorming van een homogeen mengsel van „
beide vloeistoffen. Een dergelijk mengsel van 80 deelen olijfolic
en 20 deelen ammonia wordt onder den naam linimentum
ammoniae
geneeskundig aangewend.
Wanneer men vetten verzeept met loodoxyde en water,
inplaats van met kali- of natronloog, ontstaat em pi ast rum
oxydi plumbici,
loodpleister, [dat dus een loodzout w- van
-ocr page 188-
176
de bovengenoemde zuren. Ter bereiding van dezen pleister
worden gelijke deelen loodglid, olijfolie, reuzel en water onder
aanhoudend roeren gekookt, en het daarbij verdampende water
vervangen, tot het mengsel wit is geworden en na afkoeling
niet meer aan de vingers blijft kleven. Het loodoxyde is dan
geheel omgezet in een mengsel van palmitinezuurlood, stearine-
zuurlood en oliezuurlood onder vrijwording van glyeerine. Door
herhaald uitkneden met water wordt de glycerine uit de massa
verwijderd.
Loodpleistcr vormt een witte, taaie massa, die langzamerhand
geelachtig en hard wordt. I
Eene reeks van zuren, welke met do behandelde in nauw
chemisch verband staat, is de melkzuurreeks. Vervangt men n.1.
in de vetzuren één waterstofatoom door een hydroxylgroep,
dan verkrijgt men de zuren der melkzuurreeks of de z.g. oxy-
zuren, aldus genoemd, omdat zij één atoom zuurstof meer
bevatten dan de vetzuren.
Van deze zuren bespreken wij alleen het acidum lacticum,
/OH
melkzuur, C2H4                  dat afgeleid kan worden van pro-
\\COOH,
pionzuur, C9H0COOH, door daarin 1 atoom H van de groep
C2H5 door OH te vervangen; het heet naar deze afleiding ook
oxypropionzuur.
Melkzuur komt voor in zure melk en is een splitsingsproduct
van de melksuiker, welke bij het gistingsproces wordt ontleed.
In volkomen watervrijen en zuiveren toestand is melkzuur ge-
kristalliseerd, in de pharmacie gebruikt men echter dit zuivere
zuur niet, maar een waterhoudend.
Dit waterbevattende zuur is een kleurlooze, stroopachtige
vloeistof, s. g. 1,21—1,22 hetgeen overeenkomt met een gehalte
van 75 °/o watervrij zuur. Melkzuur is in elke verhouding meng-
baar mèTTwater, sterken spiritus en aether.
Van de melkzure zouten zijn van pharmaceutisch belang*:
Lactas magnesicus, dat voorkomt in kleine kristallen,
welke oplossen in 28 deelen koud en in 8 deelen kokend water.
Lactas zincicus, dat oplost in 00 deelen koud en in u\' deelen
-ocr page 189-
177
kokend water. Het zinklactaat vormt gemakkelijk goedgevormde
kristallen met 3 molec. kristalwater.
Lactas ferrosus komt in de apotheek voor als groengele
kristalkorsten of poeder daarvan. Het lost op in 40 deelen koud
en in 12 deelen kokend water tot eene groengele, eenigszins
troebele vloeistof. In spiritus fortior is het onoplosbaar. De
oplossing in water wordt bij staan aan de lucht spoedig bruin,
door vorming van ferrizout.
                                             . i ««< : - \'
Lactas bismuthicus is een wit poeder, onoplosbaar in water
en spiritus.
TWEEBA8I8CHE ZUREN.
Deze zuren bevatten, zooals wij reeds opmerkten, twee car-
boxylgroepen, waarvan de waterstof door metalen kan worden
vervangen. Van deze reeks zijn voor ons van belang:
COOH
Acidum oxalicum, |
          2HoO, zuringzuur, dat,gebonden
COOH
aan metalen tot zouten, zeer verbreid is in het plantenrijk. Het
zuur kristalliseert in kleurlooze zuilen, die bij de gewone
temperatuur aan de lucht niet veranderen, maar bij 1(K)° hun
kristalwater geheel verliezen en tot poeder uiteenvallen. In 10
deelen water en in 2,5 deelen spiritus fortior lost dit zuur bij
de gewone temperatuur op. Het zuur is, evenals de zouten,
een vergift. Voegt men eene oplossing van een kalkzout bij
eene oxaalzuuroplossing, dan ontstaat direct, of bij sterke ver-
dunning na eenigen tijd, een fijn kristallijn neerslag van cal-
ciumoxalaat.
Van de oxalaten bespreken wij alleen het zure kalizout: •
Oxaias kalicus acidus, sal acetosellae, bioxalas kahcus,
dat onder den naam van zuringzout veelvuldig wordt aange-
wend om roestvlekken te verwijderen. De verbinding van ijzer-
oxyde met kaliumoxalaat lost n.1. gemakkelijk op in water.
Men denke bij liet afleveren van dit zout er aan, dat het een
sterk werkend vergift is!
- Acidum succinicum, f^ID/OOOH^, barnsteenzuur, ont-
staat bij verhitting van barnsteen als een kristallijn sublimaat.
Het zuur komt voor in grijsgele, prismatische kristallen, die
\'.DE R en DE zaaijer, Scheikunde.                                             12
-ocr page 190-
178
naar barsteenolie rieken. Zij zijn goed oplosbaar in warm water
en in sterken spiritus, moeielijk in actber en in terpentijnolie.
Men gebruikt dit zuur o. a. bij de bereiding van solutio
succinatis ammonici pyroanimalis (zie bij Ammonia).
Acidum malicum, 6óH,(tOifXCOOII)^, appeIzuur,JTsTilijkens
de formule af te leidon van barsteenzuur door in de groep C2H4
één atoom H door bydroxyl te vervangenj Het zuur zelf is voor
ons niet van belang, wel ecbter de beide ijzerzouten, ferro- en
ferrimalaat, welke voorkomen in tinctura ferri cydoniata. Deze
vloeistof bereidt men, door sap van versche kweeën 14 dagen
met ijzerpoeder te digereeren; daarbij wordt door bet appelzuur,
dat in bet sap voorkomt, ferromalaat gevormd; de vloeistof
wordt gecolcerd en tot een bepaalde hoeveelbeid uitgedampt,
door de temperatuursverbooging en de toetreding van lucht
heeft hier tevens vorming plaats van ferrimalaat. Is deze vloeistof
op het door de Pbarmacopee aangegeven ijzergehalte gebra/ht,
dan aromatiseert men haar met kaneelspiritus. Deze tinctuur
is eene heldere, zwartbruine vloeistof, die naar kaneel riekten
ijzerachtig smaakt.
Op analoge wijze wordt uit het sap van versche zure appelen
tinctura ferri pomata bereid; dampt men deze vloeistof uit
tot de consistentie van een dik extract, dan verkrijgt men het
extractum ferri pomatum.
                     1
In chemisch nauw verband tot de behandelde zuren staat
het acidum agaricinicum, agaricinum, dat voorkomt in P0I1/-
porus officinalis.
Het is een wit, kristallijn, harsachtig, nagenoeg
reukeloos poeder, onoplosbaar in/koud water; in heet water
zwelt het op. Het is een vergift, waarvan de maximaaldoses
volgens het Supplement bedragen 1U0 en 800 milligram.
Acidum tartaricum, -62Hg(OH)2(OOQH)T-, wijnsteenzuur,
komt in het plantenrijk zeer verbreid voor, voornamelijk vindt
men bet in vruchten. Men bereidt het zuur gewoonlijk uit den
wijnsteen, zuur kaliumtartraat, dat zich bij de nagisting van
druivensap in de vaten afzet. Het zuur komt voor in kleurlooze,
reukelooze, doorschijnende kristallen, die zeer zuur smaken. Het
is oplosbaar in 0,8 deelen water en in 2,5 deelen spiritus fortior.
Dit zuur is een bestanddeel van pulvis aërophorus, bruis-
poeder, een mengsel van 30 deelen bicarbonas natricus, 27
-ocr page 191-
179
deelen acidum tartaricum en 43 deelen suiker, die elk afzon-
derlijk Itij eene zachte warmte zijn gedroogd en daarna met
elkaar gemengd. Het natriumhydrocarbonaat droge men, om
verlies aan CO2 te voorkomen, bij niet hooger temperatuur dan
0O3. Brengt men bruispoeder in aanraking met water, dan ont-
staat eene ruime ontwikkeling van kooldioxyde en een oplossing
van nat riumtart raat:
2NaHC03 C2H2(OH)2(COOH)2 = C2H2(OH)2(COONa)2
2CO2 2H20.
Van de zouten van wijnsteenzuur bespreken wij:
Tartras kalicus acidus, tartarus depuratus, cremor tar-
tari, wijnsteen,
X\'OüK
\\COOH,
een wit, kristallijn, zuursmakend poeder, dat in ongeveer 200
deelen koud en in 15 deelen kokend water oplost. In alkalisch,j,*..
reageerende vloeistoffen is het onder vorming van neutrale
tartraten gemakkelijk oplosbaar. Verhit men het zout, dan
ontstaat kaliumcarbonaat, dat naar deze bereidingswijze den
naam Sal tart ar i heeft verkregen.
Zuur kaliumtartraat komt voor in species laxantes en
dient voor de bereiding van verschillende andere tartraten o. a.
Il                               XOOK
voor: tartras\'/kalicus, (\'2Ho(()H>2/             , dat men verkrijgt
],                                    \\COOK
door tartras kalicus acidus in aanraking te brengen met kalium-
carbonaat, het zout ontstaat dan onder ontwikkeling van kool-
dioxyde. Daar het zout ontstaan is uit de vereeniging van
tartarus niet sal tartari, draagt het in de oudere nomen-
clatuur den naam tartarus tartarisatus, naar deze beide
bestanddeelei^. Het neutrale kaliumtartraat vormt gemakkelijk
oplosbare kristallen; voegt men bij de oplossing een zuur, dan
wordt het zure tartraat weder afgescheiden.
Door zuur kaliumtartraat te neutraliseeren met carbonas na-
tricus ontstaat tartras kalico-natricus, dat naar deze vorming
ook bekend is als tartarus natronatus; het zout vormt door-
schijnende, kleurlooze kristallen, die oplosbaar zijn in 1,7 deelen
12*
-ocr page 192-
ISO
water, beter in warm water. Voegt men bij de waterige oplossing
van dit zout een zuur, dan wordt zuur kaliumtartraat afgescheiden.
Het kaliunmatriumtartraat komt voor in infusum sennae
compositum.
Behandelt men eene warme oplossing van zuur kaliumtartraat
met stibiumoxydo, dan ontstaat tartras kalico-stibicus, naar
de bereiding ook tartarus stibiatus en naar de braak verwek-
kende werking tartarus emeticus geheetcn. Het komt voor als
een zwaar, wit, reukeloos poeder, dat oplost in ló declen koud
on in 2 doelen warm water en onoplosbaar is in spiritus. Eene
oplossing van dit zout (2 = öOO) in wijn wordt onder den
naam vinum stibiatum aangewend.
Wanneer men 2 doelen borax mengt met 5 deelen zuur
kaliumtartraat, het mengsel onder zachte verwarming oplost in
lö deelen water en daarna tot droogwordens uitdampt, ver-
krijgt men tartarus boraxatus, dat voorkomt als een wit,
zeer hygroscopisch poeder, dat in water gemakkelijk oplost.
Bij het oplossen is het altijd raadzaam het zout bij het water
te voegen en niet omgekeerd. Brengt men n.1. het zout eerst in
de rlesch, dan trekt bet een weinig vocht aan en vormt eene
slechts zeer langzaam oplossende taaie massa. Door het zout
dadelijk met veel water in aanraking te brengen, ontstaat
spoedig eene eerst troebele oplossing, die bij \'t bewaren weldra
helder wordt.
                                               _
Door ijzerpoeder en zuur kaliumtartraat te mengen en het
mengsel herhaald mét water te mengen en tot droog uit te
dampen, verkrijgt men tartarus ferratus; eene oplossing van
10 deelen van dit zout in 50 deelen water en vermengd met
50 deelen wijn is vinum tartratis kalici ferrati.
Wat de nomenclatuur der tartraten betreft, zij hier nog op-
gemerkt, dat uit het voorgaande voldoende blijkt, dat alleen
die tartraten het synoniem tartarus kunnen hebben, welke
door de vereeniging van tartras kalicus acidus met een andere
verbinding zijn ontstaan.
Van de driebasische organische zuren bespreken wij alleen
hetacidum citricum, citroenzuur, %H4(OH)((iQQH)g H2()
dat in verschillende vruchten wordt gevonden, maar in groote
-ocr page 193-
1S1
hoeveelheid vooral in de vruchten van Citrua medica, C. timonum
en C. bergamia. Men bereidt het voornamelijk uit het sap van
citroenen, die ongeschikt zijn om verzonden te kunnen worden.
Het zuur komt dan in den handel als kleur- en reukelooze
kristallen, die zeer zuur smaken en in ongeveer 0,(i deel water
en in 1 deel spiritus oplossen. Het zuur komt o. a. voor in de
potio Riveri der Pharmaeopee, /waar het met het daarin aan-
wezige natriumcarbonaat ontwikkeling geeft van kooldioxyde
en vorming van natriumcitraat:
:5Xa2C();j 2[C3H4(OH)((\'()üH).. H20] =
2C3H4(OH)(COONa)3 3C02 öHgO^
Van de zouten van het citroenzuur, de citrafén, wordt het
magnesiumzout gebruikt in citras magnesicus effesvescens,
welk mengsel wordt bereid dooi\' eerst citroenzuur niet weinig
water te wrijven en daaronder te mengen magnesiumearbonaat;
hierbij ontstaat niagnesiumcitraat, terwijl kooldioxyde vrij wordt.
Dit mengsel wordt, nadat het eene vaste massa geworden is,
fijngewreven, gedroogd en daarna vermengd met bicarbonas na-
tricus, acidum citricum en saccharum, die elk afzonderlijk zijn
fijngewreven en bij lage temperatuur gedroogd. Dit droge mengsel
wordt met alcohol absolutus bevochtigd en daarna door een
gaatjeszift (A3) gewreven, waaixloor men een grofkorrelig poeder
verkrijgt, dat bij ten hoogste 40° wordt gedroogd. Brengt men
dit mengsel met water in aanraking, dan lost het reeds ge-
vormde magnesiumcitraat op, terwijl het natriunibicarbonaat
en het citroenzuur ontwikkeling geven van kooldioxyde.
Citras ferricus bereidt men door eerst uit solutio chloreti
ferrici met ammonia hydras ferricus te praecipiteeren, dit neer-
slag door afwasschen te zuiveren en daarna op te lossen in eene
citroenzuur-solutie. Deze oplossing wordt uitgedampt en de zeer
geconcentreerde vloeistof uitgestreken op glazen of porceleinen
platen en daarna bij eene zachte warmte gedroogd. Als het zout
droog is, laat het als granaatroode schubben van de platen los.
In water lossen zij langzaam maar volledig op. Voegt men bij de
geconcentreerde oplossing van citras ferricus nog citras chinini,
dan zal deze daarin onder verwarming oplossen en men ver-
krijgt na het uitstrijken op platen en drogen doorschijnende
roode schubben van citras ferricus et citras chinini, die ook
-ocr page 194-
182
langzaam maar volledig in water oplossen. Wordt bij de ge-
concentreerdc oplossing van citras ferricus ammonia gevoegd en
de vloeistof op de beschreven wijze behandeld, dan verkrijgt
men citras ammonico-ferricus, een dubbel-verbinding, die
voorkomt in hruinroodgele schubben, zeer hygroscopisch is en
in water goed oplost. De bereiding van dit laatste zout leert
ons tevens, dat de metalen in verbinding niet organische zuren
zich anders gedragen dan in verbinding met anorganische. Voegt.
men tocli ammonia bij eenc oplossing van een anorganisch ferri-,
zout, dan ontstaat ontleding en een neerslag van hydras ferricus, •<
terwijl hier. bij een organisch ferrizout een dubbel-verbinding\'\' \\
ontstaat, die oplosbaar is.
Voor de bereiding van pyrophosphas ferricus cum citrate
ammonico wordt eerst uit eene oplossing van chloretum ferri-
cum door middel van pyrophosphas natricus ferripyrophosphaat
neergeslagen, dit neerslag verzameld, afgewasschen en daarna
opgelost in eene oplossing van citras ammonicus, welke men
verkrijgt door citroenzuur met ammonia te neutraliseeren. Ver-
volgens bereidt men van het mengsel eene geconcentreerde
oplossing en strijkt die uit op glasplaten, waarop men haar
bij ten hoogste 50° laat drogen. Men verkrijgt tic verbinding
dan als geelgroene, doorschijnende plaatjes, die in 2 deelen
water oplossen.
Dit zout is het werkzame bestanddeel van de staalkoekjes,
trochisci ferrati.
SAMENGESTELDE AKTHERS.
Wij zagen in de anorganische scheikunde, dat, wanneer men
een zuur in aanraking brengt met eene base, de vervangbare
waterstof van het zuur geheel of gedeeltelijk wordt vervangen
door het metaal van de base. Brengt men alcoholen in aan-
raking met zuren, dan kan, onder bepaalde omstandigheden,
de waterstof van de zuren vervangen worden door de alcohol-
radicalen. De verbindingen, die hierbij ontstaan noemt men
samengestelde aethers of esters. Wordt de waterstof van
het zuur slechts gedeeltelijk vervangen, bijv.:
-ocr page 195-
183
C2H5OH H0SO4 = 2 N3O4 HoO,
IK
dan spreekt men van zure esters of aetherzuren, wordt daaren-
tegen alle waterstof vervangen, bijv.:
2C2H5OH H2S04 =         5S>S04 2H9Q,
C2HjT
dan noemt men de verbinding een ester.
Tot deze groep bebooren er vele, die van pbarmaceutiscb
belang zijn. Als algemeen kenmerk van alle licbamen dezer
groep geldt, dat zij door koken met oplossingen van bydras
kalicus of bydras natrieus worden ontleed in den alcohol en het
kali- of natronzout van het zuur. Dit proces beet verzeepen.
Voegt men bij spiritus fortior langzamerhand en onder af-
koeling een gelijk gewicht zwavelzuur, dan ontstaat zuur
aethylsulfaat of aethylzwavelzuur:
G2H-,OH H2SC)4 = " SN>S()4 II20,
terwijl een deel van het zuur en een deel van den spiritus
ongebonden blijven. Dit mengsel is bekend onder de namen
sulfas aethylicus acidus cum spiritu en Elixir acidum Hal-
leri. Het is een kleurlooze of bijna kleurlooze vloeistof, die
sterk zuur reageert. Voegt men bij de bereiding de bestand-
deelen te snel bij elkaar, dan ontstaat een hevige ontwikkeling
van warmte en vervluchtigt veel alcohol.
Wanneer men een mengsel van spiritus fortior en acidum
nitricum destilleert, verkrijgt men de samengestelde aether van
het salpeterigzuur. Het salpeterzuur werkt n.1. eerst oxydeerend
op een deel van den alcohol en wordt daarbij zelf tot HN02,
dat met den niet geoxydeerden alcohol (\'2H5N02, aethylnitriet,
vormt. Daar bij de destillatie ook onveranderde alcohol o ver-
gaat, geeft men dit mengsel den naam nitris aethylicus cum
spiritu, terwijl het om de aangename reuk ook spiritus nitri
dulcis wordt genoemd, ter onderscheiding van spiritus nitri
acidus, waarmede salpeterzuur wordt aangeduid. Nitris aethy-
licus cum spiritu is eene heldere, zeer lichtgele, aangenaam
riekende vloeistof, die volkomen vluchtig is en slechts zeer
-ocr page 196-
184
zwak zuur mag reageeren. Door schudden met magnesiumoxyde
kan de zure reactie worden weggenomen. Met amylalcohol vormt
salpeterigzuur liet amylnitriet, nitris amylicus, eene lichtgele,
neutrale vloeistof met een reuk naar vruchten. Bij het inademen
veroorzaakt dit preparaat sterke congestie.
Druppelt men glycerine in een afgekoeld mengsel van sal-
peterzuur en zwavelzuur, dan ontstaat de salpeterzure ester
van glycerine, (\';;H5(XO;.))3, die bekend is onder den naam
nitroglycerine. Eene oplossing hiervan in spiritus (1 = 100)
wordt onder den naam solutio nitroglycerini in de gcnees-
kunde aangewend. Verdunt men deze oplossing met water, dan
scheidt de nitroglycerine, die in water en glycerine onoplosbaar
is. zich als olieachtige druppels af. Laat men een druppel van
deze olieachtige vloeistof door filtreerpapier opzuigen, en slaat
daarop met een hamer dan ontstaat eene ontplolling. < )ok in
olie is nitroglycerine oplosbaar. |\'j £.
Zuivere nitroglycerine ontploft zeer gemakkelijk; ten einde
het gevaar voor ontplolling, bij transport, enz. te verminderen,
mengt men het met infusoriënaarde. Dit mengsel is bekend als
dynamiet en bevat ongeveer 7">°/0 nitroglycerine. De ester, die
gevormd wordt door in azijnzuur het vervangbare Il-atoom te
vervangen door aethyl, CVID,, is, bekend als acetas aethylicus,
een zeer vluchtige, gemakkelijk brandbare, heldere, kleurlooze,
aangenaam riekende vloeistof, oplosbaar in l(i doelen water,
gemakkelijk in aether en in spiritus. Het vormt een bestanddeel
van tinctura acetatis ferriei aetherea.
Van de verbindingen van vetzuren met univalente alcohol-
radicalen bespreken wij nog:
Cetaceum, spermaceti, walschot, dat verkregen wordt
uit den kop van den potvisch, Ph/seter rnacroaphalus, waar
het zich in onderhuidsche holten bevindt als eene lichtgele
vloeistof, die na afgetapt te zijn zich scheidt in twee lagen,
eene olieachtige en eene vaste, het cetaceum. Cetaceum vormt
eene witte, glanzende massa, die bijna doorschijnend is en op
het gevoel eenigszins vetachtig. liet smeltpunt ligt tusschen 45°
en 50\\ Men gebruikt deze stof in zalven, o. a. in unguentum
leniens, voor de bereiding waarvan zij steeds moet worden
gesmolten.
-ocr page 197-
185
Cera flava, geel was, wordt als een gele massa verkregen
uit de lionigraten. Geel was is in de koude korrelig en dof op
de breuk, door warmte smelt het bij 63°—<>4° (\'. tot een heldere,
gele vloeistof. In chloroform is geel was onder zachte verwarming
oplosbaar. Geel was is een bestanddeel van talrijke zalven en
pleisters.
Wanneer men geel was met water smelt onder toevoeging
van aluin en daarna de bekoelde massa een geruimen tijd aan
het zonlicht blootstelt. wordt het ontkleurd en verkrijgt men
cera alba, wit was.
                                           • • --,
Van de verbindingen van de vetzuren met het trivalente
alcoholradicaal van glycerine de z.g. glyceriden, zijn voor
ons v.n. van belang de vetten en vette oliën. Zooals wij bij
het bespreken der zeepen reeds zagen, bestaan de vetten in
hoofdzaak uit de samengestelde aethers van palmitinezuur,
stearinezuur en olieznur. waaraan men de namen tripal-
mi t i n e, tristearine en trio 1 eïne heeft gegeven, omdat
telkens •\'! moleculen van het zuur met 1 molecule glycerine
deze vetten vormen. De consistentie van de vetten hangt in
hoofdzaak af van de verhouding waarin deze bestanddeelen er
in voorkomen. Het smeltpunt van tristearine is Jl.5" C., van
tripalmitine (il a <523 (\'., terwijl trioleïne eerst bij —(>° C. vast
wordt en dus bij de gewone temperatuur eene vloeistof is. Hen
vet zal dus des te steviger consistentie hebben, naarmate het
meer tristearine bevat.
Behandelt men de vetten en vette oliën met KOH of XaOH,
dan ontstaan zeepen en wordt glycerine vrij. Brengt men de
vetten in vloeibaren toestand op papier, dan laten zij een
blijvende vetvlek achter, wat, zooals we naderhand zullen zien,
bij aetherische oliën niet het geval is.
Laat men de vetten eenigen tijd in aanraking met lucht of
zuurstof, dan worden zij ontleed, beginnen onaangenaam te
rieken en reageeren zuur, zij worden, gelijk men dat gewoonlijk
noemt, rans. Sluit men de lucht volkomen af, dan geschiedt
eene dergelijke verandering niet.
Van de vette oliën nemen sommige zeer langzaam zuurstof
op, en veranderen daarbij in een kleverige, vuile massa, dit
zijn de z.g. niet opdrogende vette oliën. Andere vette oliën
-ocr page 198-
186
daarentegen veranderen door de opname van zuurstof spoedig
in eene vaste, vernisachtige massa, dit zijn de z.g. opdrogende
vette oliën.
Het s. g. van alle vetten is kleiner dan dat van water. In
water en alcohol zijn zij niet. oplosbaar, alleen oleum ricini lost
in alcohol op. In aether, chloroform, z\\vavelkoolstoienpetro-
leumsetner zijn de vetten en vette oliën gemakkelijk oplosbaar.
Naar hunne afkomst verdeelen wij de vetten en vette oliën
in dierlijke en plantaardige.
a. Dierlijke vetten.
Sebum bovinum, rundervet, eene vaste, witte massa met
een eigenaardigen reuk, die bij ongeveer 48° smelt.
Sebum ovillum, schapen vet, is gewoonlijk harder dan
rundervet, het smeltpunt ligt bij ongeveer 50°. Dit vet wordt
in groote hoeveelheden gebruikt voor de fabrikatie van stcarine-
kaarsen.
Medulla bovina, medulla ossium bovis, rundermerg,
verkrijgt men door het merg uit de pijpbeenderen van het
rund uit te smelten. Het is een geelachtig wit vet, dat bij 45°
smelt en niet gemakkelijk rans wordt.
Butyrum, boter, verkrijgt men, zooals bekend is, uit melk,
waarin het botervet door de caseïne is geëmulgeerd. In de
receptuur wordt soms voorgeschreven butyrum insulsum, on-
gezouten boter, die men uit het gezouten handelsproduct maakt
door dit in een hoog glas eenigen tijd gesmolten te houden,
dan bezinken het zout en het water. Het bovenstaande heldere,
gele vet wordt nu voorzichtig afgegoten of nog beter door een
verwarmd droog filter gefiltreerd.
Adeps suillus, axungia, reuzel, wordt verkregen door
verschen varkensreuzel te zuiveren van vliezen en bloed, op
een waterbad te smelten en het gesmolten vet te coleeren door
een wollen doek. Beter nog zuivert men het vet door het met
behulj) van een warmwatertrechter te filtreeren. Om rans worden
te voorkomen beware men het vet in stopflesschcn van inac-
tinisch glas op een koele plaats.
Reuzel behoort tot de weeke vetten, is wit en smelt bij
ongeveer 40° O Reuzel is het belangrijkste constituens van de
zalven onzer Pharmacopee.
-ocr page 199-
187
Adeps colli equi, manevet, is een half vloeibaar, lichtgeel
vet, dat verkregen wordt uit de hals van het paard.
Oleum pedum tauri, klauwenvet, verkrijgt men door
versche runder- of schapenklauwen met water uit te koken en
het bovendrijvende vet af te scheppen. Het klauwenvet is een
lichtgele olie, die als zalfconstitucns soms wordt gebruikt, daar
zij niet gemakkelijk rans wordt.
Oleum jecoris aselli, levertraan, is het vloeibare vet, dat
verkregen wordt uit de versche lever van Gadus morrh.ua (kabel-
jauw). De levers der visschen worden uitgezocht en de niet
deugdelijke verwijderd, dan stapelt men ze op in vaten, die
op verschillende hoogten voorzien zijn van kranen. Deze vaten
plaatst men in de zon. teneinde door de warmte de afscheiding
der olie te bevorderen. Is de olie voldoende afgescheiden, dan
tapt men eerst de olie uit de bovenste kranen; deze olie is
weinig gekleurd en wordt onder de namen blanke of gele
levertraan in den handel gebracht. Lager komende tapt men
de b ruinblank e, dus wat donkerder gekleurde traan af. Deze
beide worden in de geneeskunde gebruikt. De rest van de levers,
die nog achterblijft, wordt met water uitgekookt, en daarbij
verkrijgt men een troebele, onaangenaam riekende en voor ge-
necskundig doel ongeschikte bruine traan.
Door de levers met stoom van 80° te behandelen en de
bovendrijvende olie te verzamelen, verkrijgt men de z.g. stoon>-
levertraan.
                                                                                 •" MAh^
Door in levertraan benzoas ferricus op te lossen, verkrijgt
men oleum jecoris aselli cum benzoate ferrico, staallever-
traan. Wanneer men jodium door schudden oplost in lever-
traan en daarna ijzerpocder toevoegt, zal bij omschudden
jodetum ferrosuni worden gevormd, dat opgelost blijft. Op deze
wijze bereidt men: oleum jecoris aselli cum jodeto ferroso.
b. Plantaardige vetten.
Oleum cacao wordt tegenwoordig uitsluitend verkregen als bij-
product bij de cacaofabrikatie. De cacaoboonen worden eerst bij
ongeveer 120 k 140° geroost, dan fijngemaakt en sterk uitgeperst.
De atloopende olie wordt gefiltreerd. Oleum cacao is een geelachtig
wit vet met een aangenamen reuk, smeltpunt 30°. Men gebruikt
oleum cacao als bestanddeel van zalven en van suppositoria.
-ocr page 200-
188
Oleum myristicae, oleum nucistae, muskaatboter, wordt
bereid uit de muskaatnoten, die voor verzending ongeschikt
zijn. Men perst de olie tusschen verwarmde platen uit de zaad-
kernen. Het is een vaste olie, geelachtig van kleur, hier en
daar wit of bruinachtig. Reuk en smaak zijn als die van mus-
kaatnoot, waaruit het ook een deel van de vluchtige olie I >evat.
Het smeltpunt ligt tusschen 40° en 45°.
Oleum lauri wordt als een groen, korrelig vet verkregen bij
het uitpersen der verwarmde vruchten van Laurus nobilis. Het
is zalfachtig van consistentie.
Zooals we reeds zagen verdeelt men de vette oliën in op-
drogende en niet opdrogende.
a.    Niet opdrogende vette oliën.
Oleum amygdalarum, amandelolie, kan uit zoete zoowel
als uit bittere amandelen door uitpersing worden bereid. Neemt
men bittere amandelen, dan is het raadzaam de amandelen eerst
te drogen, daar door de inwerking van water ontleding zou
kunnen optreden en het vergiftige blauwzuur zou kunnen
ontstaan.
Amandelolie is helder, bleekgeel en bij —10\' C. nog vloeibaar.
Oleum olivarum, olijfolie, is een heldere, lichtgele olie, die
wordt bereid door uitpersing van rijpe olijven, de vruchten
van Olea europea. Bij afkoeling zetten zich vaste deeltjes af
en bij 0° stolt zij tot een korrelige massa. Vóór het gebruik
moet de korrelige olio door zachte verwarming geheel vloeibaar
gemaakt zijn.
Van de overige niet opdrogende oliën noemen wij nog:
Oleum rapae, raapolie, verkregen uit de zaden van Bras-
sica rapa.
Oleum arachis, aardnotenolie, uit de zaden van Arachis
hypogaea.
b.     Opdrogende vette oliën.
Oleum lini, lijnolie, wordt door uitpersing uit lijnzaad
bereid in de oliemolens en olieslagerijen. Het is een heldere,
geelachtig bruine olie, die bij —20° nog vloeibaar is. Aan de
lucht blootgesteld droogt lijnolie tot een vernisachtige laag. Het
lijnoliezuur, dat in deze olie voorkomt en dat eene andere
-ocr page 201-
189
samenstelling heeft dan het oliezuur, wordt hierbij geoxydeerd.
Schudt men lijnolie met een gelijk gewicht kalkwater, dan
heeft enmlsievorming plaats; dit mengsel is bekend als Iini—
ment urn calcis.
Oleum ricini, wonderolie, een heldere, bijna kleurlooze
dikvloeil >are olie, die door uitpersing van de zaden van Ricinus
communis
wordt bereid. Bij lage temperatuur wordt zij dikker
en bij —18° wordt zij vast. In drie volumina spiritus lost de
olie helder op.
Oleum crotonis, crotonolie, staat in eigenschappen tusschen
de opdrogende en niet opdrogende oliën in. Zij wordt bereid
door de zaden van Croton tiglium uit te persen en is in elke
verhouding mengbaar met alcohol absolutus. Het is een vergift
van lijst A; maximaaldoses 50 en 100 mgr.
Adeps lanaean hydricus, lanolinum anhydricum, wolvet,
wijkt in samenstelling van de behandelde vetten in zooverre af,
dat het in hoofdzaak bestaat uit de samengestelde aethers van
cholesterine, een alcohol, niet de vetzuren. Men verkrijgt dit
vet in de wasscherijen van schapenwol als bijproduct. Het
is een geelachtig, witte, zalfachtige massa, die bij 38°—40°
smelt, en met een gelijk gewicht water vermengd kan worden
zonder zeepachtig glad te worden. Ken mengsel van lanolinum
anhydricum met 2o,r»~«3€M1fo water is onder de namen adeps
lanae
en lanolinum in gebruik.
• \' 7 i / \'
/ V CYAANVERBINDTNGEN.
Onder dezen naam vat men een aantal verbindingen samen,
die alle het univalente radicaal cyaan, CN, ook wel voorgesteld
door Gy, bevatten. De structuur van dit radicaal is —C N. In
eigenschappen komt het eenigszins overeen met de halogenen,
met metalen vormt het zouten, met waterstof vormt het een
zuur, terwijl het cyaanzilver, evenals het chloorzilver, onop-
losbaar is.
Het cyangas, C2N2 of N=sC—C=N, is voor ons niet van
belang, wel is dit echter het geval met de waterstofverbinding:
acidum hydrocyanicum, cyanwaterstofzuur, blauwzuur,
-ocr page 202-
14)0
HCN, dat niet als zoodanig in de natuur voorkomt, maar dat
o. a. gemakkelijk ontstaat, wanneer bittere amandelen of laurier-
kersbladen met water in aanraking komen. De waterige oplos-
singen, die men op deze wijze van het zuur verkrijgt, zijn echter
zeer verdund. Wil men sterkere oplossingen hebben, dan ont-
leedt men cyaankalium, KCN, met zoutzuur of destilleert ferro-
cyanetum kalicum (zie later) met verdund zwavelzuur. Op een
dezer wijzen wordt bereid het eyanwaterstofzuur van het Sup-
plement, dat 2°() HCN moet bevatten. Deze vloeistof is helder,
kleurloos, en riekt sterk naar aqua laurocerasi. zij is zeer
vergiftig, de maximaaldoses bedraagt 200 mgr. per keer en 800
mgr. per dag. Uit deze maximaaldosis voor het 20/0 zuur volgt,
dat het watervrije zuur een buitengewoon hevig vergift moet
zijn. Meestal gebruikt men in de receptuur dit zuur in den
vorm van aqua laurocerasi, laurierkerswater, dat bereid
wordt door 1000 deelen folia lauroccri te destillecren met water
tot ongeveer 1000 deelen zijn overgegaan. In deze vloeistof
bepaalt men het blauwzuurgehalte en verdunt haar dan met
zooveel water, tot 1000 deelen 1 deel HCN bevatten. Wanneer
men folia laurocerasi met water verwarmt, wordt het daarin
aanwezige glücöside amygdaline, CooH^NOn, onder den invloed
van het ferment emulsine, onder opname van water, ontleed
in blauwzuur, benzaldehyde en glucose:
(•20H27NO11 " m2U = HCN C(iH5COH 2C6H1206.
blauwzuur benzaldehyde glucose.
Bij deze destillatie ontstaat tevens nog een eigenaardig riekende
stof. Destilleert men bittere amandelen, van de vette olie be-
vrijd, op dezelfde wijze met water, dan verkrijgt men: aqua
amygdalarum amararum, bittere amandelwater; bij deze
bereiding heeft dezelfde ontleding plaats van het amygdaline,
alleen ontstaat hierbij niet die eigenaardige reuk, waaraan a<[iia
laurocerasi te herkennen is. Volgens de Pharmacopee mag men
aqua laurocerasi geven, wanneer aqua amygdalarum amararum
is voorgeschreven.
Van de zouten van dit zuur zijn voor ons van belang:
Cyanetum kalicum, KCN, een kleurloos, zeer vergiftig zout,
dat door inwerking van het koolzuur van de lucht reeds blauw-
zuur afgeeft en daarnaar riekt. In water lost het zeer gemakkelijk
) E
-ocr page 203-
191
op. De cyaanverbindingen der zware metalen zijn onoplosbaar
in water, maar vormen met cyaankalium gemakkelijk oplosbare
dubbelzouten.
            r;.             - t
Cyanetum zincicüm, Zn(CX)2, vormt een wit, amorph, zeer
vergiftig poeder, onoplosbaar in water en in alcohol.
Cyanetum argenticum, AgCN, ontstaat als een kaasachtig,
wit neerslag, wanneer men bij eene oplossing van zilvernitraat
HCN of een oplossing van een zout van dit zuur voegt. In
water lost het niet op, wel in ammonia en in eene oplossing
van cyaankali. Het wordt door het licht niet, y^reohiooerd: dit
is een onderscheid met chloorzilver.
Behalve deze enkelvoudige cyaniden bespreken wij nog een
paar eigenaardige dubbelverbindingen: ferrocyaankalium en
ferricyaankalium.
Ferrocyanetum kalicum, K4FeCy(i MH20, werd vroeger
bereid door verhitten van bloed met potasch, vandaar den
naam geel bloedloogzout. De opvatting, dat het is een
verbinding van 4KCy met FeCy2 is niet juist, hot moet in
chemischen zin worden opgevat als het kalizout van het 4-
basische ferrocyaanwaterstofzuur, HjFeCy6. Voegt men n.1. bij
het kalizout een sterk mineraalzuur, dan wordt geen HCy afge-
scheiden maar het ferrocyaanwaterstofzuur.
(ieel bloedloogzout komt voor in groote, citroengele kristallen,
die aan de lucht niet veranderen. Bij de gewone temperatuur
lossen zij op in 4 deelen water, beter onder verwarming. Het
zout is niet vergiftig. Zeer karakteristiek voor deze verbinding
is de reactie, die zij geeft mot ferrizouten, daarmede ontstaat
n.1. een intensief blauw neerslag van berlijnsch blauw, coe-
ruleum berolinense, ferrocyanetum ferricum,
dat onoplosbaar
is in water, alcohol, aether en verdunde zuren, maar dat door
alkaliën wordt ontleed.
Ferricyanetum kalicum, roodbloedloogzout, K6F2^yi2>
vormt groote, robijnroode kristallen, die niet vergiftig zijn en
oplossen in 2,5 deelen koud en 1,5 deelen kokend water. De
oplossing wordt spoedig door het licht ontleed.
Brengt men dit zout in aanraking met ferrozouten, dan
ontstaat een donkerblauw neerslag van turn buil blauw.
-ocr page 204-
192
Wanneer men cyankali samensmelt met zwavel, ontstaat
de verbinding KCXS, sulfocyanetum kalicum, rhodanetum
kalicum, een zout, dat in waterheldere kristallen voorkomt,
hygroscopisch is en in water zeer gemakkelijk oplost. Voegt
men bij eene oplossing van dit zout een anorganisch ferrizout,
dan ontstaat een intensief roode kleur van sulfocyaanijzer.
Fcrrozouten geven deze roodkleuring niet.
In chemisch verband met de laatst besproken verbindingen
staat de aetherische mosterdolie, oleum sinapis. Deze
olie komt niet vrij voor in zwart mosterdzaad, maar wordt bij
de destillatie niet water uit de myronzure kali. oen in
mosterdzaad voorkomend glucoside, gevormd.
Mosterdolie is helder, dunvloeibaar, kleurloos of lichtgeel;
de reuk is scherp prikkelend, zeer onaangenaam.
Eene oplossing van 1 deel mosterdolie in 49 deelen sterken
spiritus wordt onder den naam spiritus sinapis, mosterd-
spiritus, gebruikt.
/OXH4
Wanneer men aan ammoniunicarbonaat, CU
                . twee
\\ONH4
moleculen water onttrekt, verkrijgt men een stof van de formule
/XH2
CO
            . ureum. Deze stof vindt men in de urine van alle
\\NH,
zoogdieren; in dezen vorm wordt door het dierlijk lichaam de
grootste hoeveelheid stikstof afgescheiden. Zooals we bij het
begin der organische scheikunde zagen, is dit de eerste organische
stof geweest, die uit anorganische stoffen is opgebouwd. Ureum
vormt kleur- en reukelooze kristallen met een smaak naar sal-
peter. In water lossen zij gemakkelijk op.
Door ureum met aethylalcohol te behandelen, kan ontstaan
urethanum, aethylurethan, een stof\'die voorkomt in kleur-
looze, zuilvormige kristallen; oplosbaar in 1 deel water, in 0,6
deelen alcohol, in 1 deel aether en in 1,5 deel chloroform, en
die soms als hypnoticuni wordt aangewend.
KOOLHYDRATEN.
Onder dezen naam vat men in de scheikunde een groep van
verbindingen samen, waarvan de leden 6 atomen koolstof of
-ocr page 205-
193
een veelvoud daarvan bevatten, verbonden met waterstof en
zuurstof, in de verhouding waarin deze water vormen. Men treft
de koolhydraten voornamelijk aan in bet plantenrijk; bet zijn
vaste kristallijne of arhorphe stoften, die bij verhitting ontleed
worden onder afscheiding van kool. Tot deze reeks behooren:
Cellulose, CgHioOj, het belangrijkste bestanddeel van den
cel wand der planten. In tamelijk zuiveren toestand treft men
het aan in jonge plantendeelen, in watten en in Zweedsch filtreer-
papier. De zuivere cellulose wordt gewoonlijk bereid uit watten,
door deze eerst uit te trekken met verschillende zuren en alka-
licn en daarna met water, alcohol en actlier. Op deze wijze
verkrijgt men een witte, amorphe, min of meer doorschijnende
massa, waarin de structuur van het plantenweefsel, waaruit
zij is bereid, meestal nog is waar te nemen. In water, alcohol
en aether is zij onoplosbaar. Brengt men cellulose samen met
koud, geconcentreerd zwavelzuur, dan zwelt het op onder vorming
van een zetmeelachtige stof. Dompelt men papier gedurende
korten tijd (15—20 seconden) in een afgekoeld mengsel van 4
deelen geconcentreerd zwavelzuur en 1 \'deel water en wascht
het daarna met water af, clan verkrijgt men perkamentpapier.
Hierbij is alleen de oppervlakte van hot papier in een zetmcel-
achtige stof (amyloïd) veranderd; de kleine openingen in het
papier worden hierbij dichtgemaakt, terwijl het papier steviger
geworden is. Brengt men bet in water, dan wordt bet week en r•
doorschijnend, maar zwelt niet op.
                                         <wct
Laat men cellulose, in den vorm van gezuiverde boom wol,
24 uur in aanraking met een afgekoeld mengsel van geconcen-
treerd zwavelzuur en salpcterzuur, dan ontstaat een mengsel
van veol dinitrocellulose met weinig trinitrocellose, /lat
dat onder den naam collodiumwol bekend is. \'u\' • \'^ % :
(Neemt men eene andere verhouding voor de zuren dan in
de Pharmacopce wordt voorgeschreven, dan ontstaat in hoofd-
zaak trinitrocellulose, dat onder de namen schiet katoen,
pyroxilinum,
als explosiefstof wordt gebruikt). De collodium-
wol wordt ter bereiding van collodium met water uitgewasschen,
om het aanhangende zuur te verwijderen, uitgeplozen, gedroogd
en daarna opgelost in een mengsel van spiritus fortior en aether.
Deze oplossing, die ongeveer 30/0 collodiumwol bevat, is een
BCHBÖdeb en de ZAAUKK, Scheikunde,                                             13
-ocr page 206-
I«t4
heldere, kleurloozo, sterk naar aether riekende vloeistof. Strijkt
men haar uit, dan verdampon de beide vloeistoffen en blijft de
collodiumwol als een dun, doorschijnend vliesjc achter. Ten
einde dit vliesje meer veerkrachtig te maken , mengt men de
collodium iiiet^^/i) oleum ricini, dit mengsel is bekend als
collodium elasticum. Verschillende medicamenten alsjodofprnró\'
en sublimaat lossen in collodium op onde.r.on,]sellmddcn . andere
.•iIsT\'/ïnkoxyde en loodacetaat zijn daarin onoplosbaar. Men mag
echter dergelijke onoplosbare stoffen niet met collodium in den
mortier vermengen, daar dan de aether en de spiritus zouden
verdampen; men moet, indien die stoffen onder collodium
verdeeld moeten worden, biervan een zeer fijn, liefst gezift.
poeder bereiden en dit niet bet collodium- door omschudden
vermengen.
Een mengsel van collodiumwol met kamfer wordt, al of niet
voorzien van kleurstoffen, onder den naam celluloid gebruikt
ter vervaarding van verschillende sieraden.
Amylum, zetmeel, komt in het plantenrijk zeer verspreid
voor, men vindt het in alle Phanerogamen. Sommige planten
,<ty en plantendeelen zijn zeer rijk aan deze stof en worden daarom
voor de bereiding gebruikt. In onze Pharmacopceis thans
alleen vermeld bet aardappelzetmeel, amylum solani,
afkomstig uit de knollen van Solanum tuberosum. Om hieruit
het zetmeel te verkrijgen, worden de aardappelen. na eerst
gereinigd te zijn, tot moes gebracht, met water aangemengd
en dan door zeeften gegoten. De grovere deelen blijven hierop
achter, terwijl het zetmeel met het water doorloopt. Laat
men deze vloeistof eenigen tijd staan, dan bezinkt het amy-
lum; door dit herhaalde malen met water te mengen en te
laten bezinken wordt het gezuiverd en ten slotte gedroogd
bij eene niet hooge temperatuur. Amylum solani is een wit,
bijna reuk- en smaakloos, tusschen de vingers knisterend
poeder, onoplosbaar in koud water; mengt men het met
kokend water of nog beter: kookt men amylum even met
water op dan ontstaat een geleiachtige massa. Voegt men bij
deze vloeistof een weinig joodoplossing, dan ontstaat een blauwe
kleur, die bij verwarming verdwijnt en na afkoeling terugkeert.
Kookt men amylum met glycerine in de verhouding van 8 92,
-ocr page 207-
195               Jf Z 1/
dan verkrijgt men glycerinum cum amylo; oen opgekookt
mengsel van 1 deel amylum met 4!) deelen water is bekend
onder de namen decoctum amyli, mucilago amyli, solutio
amyli. Onder den naam amylum jodatum, joodamylum,
- wordt een blauwgekleurd mengsel gebruikt van jodium en
, amylum. Voor de bereiding hiervan kan men jodium oplossen
1 in aether of in alcohol en onder deze oplossing het amylum
verdeden: men verkrijgt dan een bruin poeder, dat bij het
drogen aan de lucht langzamerhand blauw wordt. Mengt men
het fijngewreven jodium met water aan en voegt dan bij ge-
deelten het amylum toe, dan is bet mengsel spoediger blauw.
Behalve amylum solani zijn nog van belang:
Amylum tritici, tarwezetmeel;
Amylum secalis, roggezetmeel;
Amylum oryzae, ïijstzetmeel;
Arrowroot, waarbij men verschillende soorten onderscheidt,
n.1. het zetmeel van Mnranta arundinacea, of\' West-Indisch
arrowroot, het zetmeel van Curcumasoortcn of Oost-Indisch
arrowroot en het zetmeel van Manihot-sonrten of Brazili-
aanseli arrowroot.
De verschillende amylumsoorten zijn alleen mikroscopisch
van__eikaar te onderscheiden.
Wanneer men amylum behandelt met rookend salpcterzuur,
Verkrijgt men xyloidine, een stof, die evenals trinitrocelluloso
wordt gebruikt als explosiefsto£j
Eenc chemische verbinding van amylum met formaldehyde
is onder den naam amyloform in gebruik, als een reukeloos,
wit poeder, onoplosbaar in alle gebruikelijke oplosmiddelen.
Het wordt gebruikt als strooipoeder op.wonden, waarbij het
formaldehyde afgeeft." > ; \\ . .
        > i \' ,>>>1 •
Gummi arabicum is het gomhoudend sap van Acacia senr-
gal,
dat in min of meer afgeronde, geelachtig witte stukken
voorkomt, die uitwendig gespleten zijn. In de receptuur
gebruikt men v.n. het poeder, dat men verkrijgt door de
stukken bij hoogstens 80\' te drogen en daarna tot poeder te
brengen. Gom bestaat in hoofdzaak uit arabinezuur, gebonden
aan calcium, kalium en magnesium. Verhit men gom te sterk,
dan gaat het arabinwHmp oy^-nr-orroploslmft^mstaralMnezuur.
-ocr page 208-
19fi
Kiene oplossing van 40 dooien gompoeder in 60 deelcn water
wordt onder den naam mucilago gummi arabici gebruikt;
eene oplossing van •"! doelen gonipoeder in \'M deelcn water
wordt door het Supplement aqua mucilaginosa genoemd. Be-
halve voor enkele soorten van trochisci schrijft de Pharmacopee
gompoeder nog voor bij de bereiding van pulvis gummosus,
een mengsel van gelijke doelen gompoeder, tragacanthpoeder
en suikerpoeder.
Tragacantha is het slijm van verschillende Astragalussoorten,
dat. uit verwonde stammetjes is gevloeid en aan de lucht is
hard geworden. Het komt voor in platte, sikkelvorraige stukjes,
die hoornachtig taai zijn: om deze tot poeder te brengen worden
zij eerst bij ten hoogste 50° gedroogd, waardoor de stukjes hard
en bros worden. In water lost tragaeanth niet op, maar het
zwelt zeer sterk op tot een dik, glibberig slijm. Ken mengsel
van 1 doel tragaeanth poeder, met 41) doelen water is bekend als
mucilago tragacanthae. \'
            -\' \'t o i                ""\'\'
Tubera saleb bestaan voor ongeveer de helft uit plantenslijm,
dat tot de koolhydraten behoort. Salebknollen zijn afkomstig
van Orchis iniMlttri*. zij worden terstond na den bloei ver-
zamcld, eenigen tijd in kokend water gehouden, ten einde
de kiem te dooden en daarna aan de lucht gedroogd. Men
gebruikt in de receptuur het poeder voor de bereiding van
mucilago s. dilatatio saleb, welke bereid wordt door 1 deel
salebpoeder ui et 9(t aeclen kokend water,te schudden tot een
dik slijm\', waaruit zich\' geen bezinksel mag.afseheiden. Tot deze
rubriek van plantenslijmen rekent men verder: het slijm uit
semen cydoniae, waaruit men, door 1 deel met 50 deelen water
gedurende een half uur te schudden en daarna te coleeren, de
mucilago cydoniae bereidt:
het slijm uit semen lini, carrageen, radix althaeae en
agar-agar.
Wanneer men amylum met Salpeterzuur of met oxaalzuur
verhit, wordt de eerste stof chemisch veranderd en omgezet in
dextrinum, een stof, die dikwijls in plaats van arabische gom
als kleefmiddel wordt gebruikt. Dextrinum komt in den handel
voor als op gom gelijkende stukkon, die gewoonlijk bruiner
-ocr page 209-
197
van kleur zijn dan orabische gom en aan de oppervlakte niet
gespleten zijn.
Eene belangrijke afdeeling der koolhydraten wordt gevormd
door de suikersoorten; hieronder verstaat men een aantal
zoetsmakende, in water en alcohol oplosbare, meestal kristallijne
koolhydraten. Hiertoe behooren: glucose, dextrose, druiven-
suiker,
welke in het planteniïjk meestal naast vruchtensuiker,
voorkomt in vele zoetsmakende vruchten, v.n. in druiven\',
vijgen, honig en manna. Drtiivensuiker komt voor in harde,
kristallijne stukken en als een lijn bijna wit poeder, dat op-
losbaar is in een gelijk gewicht water, en vooral bij verwarming
snel oplost. Kookt men eene oplossing van druivensuiker met
eene alkalische oplossing van kopersulfaat, z.g. Fehling\'s
proefvocht, dan wordt rood koperoxydulc afgeseheidon. Kookt
men de oplossing van druivensniker niet eene alkalische on-
lossing van bismuthnitrnat, z.g, Xijlander\'s proefvocht, dan
wordt do vloeistof bruin of zwart. Deze beide methoden worden
o. a. gebruikt om glucose aantetoonen in urine.
Laevulose, vruchtensuiker, komt in het sap van vele zoet-
smakende vruchten voor: in den handel komt laevulose voor
als een dikke, zoetsmakende stroop, die gemakkelijk oplost in
water.
Saccharum, suiker, wordt bereid uit het stengelsap van
Saccharum officinarum (rietsuiker) en uit het wortelsap van
Bèta vulgarh (beetwortelsuiker). Suiker komt voor als kris-
tallijn poeder en als kristallijne stukken; in water lost het
gemakkelijk op, vooral in warm water, minder goed in spiritus.
Van de talrijke praeparaten, waarvoor saccharum wordt gebruikt,
noemen wij hier alleen de vele sirupi, die voor het meerendeel
GQpio suiker bevatten. Verhit men suiker tot 200 a 220° C., dan
gaat het onder ontwikkeling van prikkelende dampen en onder
afgave van water over in eene bruine, hygroscopisehe massa,
die onder den naam caramel als eene niet vergiftige, bruine
kleurstof voor likeuren enz. wordt gebruikt.
Saccharum lactis, melksuiker, wordt bereidt uit de wei
van koemelk. Wanneer uit de melk de kaasstof en het botervet
zijn verwijderd, dampt men de overblijvende wei uit tot stroop-
-ocr page 210-
198
dikte en laat afkoelen. Hierbij zet zich de melksuiker als een
zanderige massa af. Men verzamelt dit ruwe product, lost het
o}) in kokend water, zuivert de oplossing, en laat daaruit de
melksuiker als kristallijne korsten langs de wanden van het
vat kristalliseeren of men hangt stokjes in de vloeistof, waar-
omheen zicli dan de melksuiker als een trosvormige massa
afzet. In de receptuur gebruikt men het hiervan bereide witte
poeder, dat gemakkelijk oplost in warm water en, na afkoeling,
in 7 deelen water opgelost blijft.
\' Een mengsel van melksuiker met •"> % formaldehyde wordt
gebruikt onder den naam steriform, terwijl een mengsel van
formaldehyde mei eene oplossing van melksuiker als sterisoi
bekend isT7
                                                                               v
VERBINDINGEN MET GESLOTEN KOOIJ3TOFKETEN.
AKOMATI8CIIK VEHIJI.NDINGEX.
Zooals wij bij de reeds besproken koolstofverbindingen meer-
malen zagen, konden deze chemisch gemakkelijk worden afgeleid
van metban, (\'H4, dooi\' daarin één of meer waterstofatomen te
vervangen dooi\' andere elementen of door radicalen. Op dezelfde
wijze ongeveer kunnen de aromatische verbindingen worden
afgeleid van benzol, (\'olie, vandaar dat de aromatische ver-
bindingen ook onder den naam bcnzolderivaten bekend zijn.
Wij zagen reeds (pag. 152), dat in deze verbindingen een ge-
sloten koolstofketen voorkomt, waarin de (\'-atomen afwisselend
door enkele en dubbele binding zijn verbonden, n.1.:
II                H
\\ /
0—G
U—V                C— II = CfiH,j = benzol.
u\' x.i
-ocr page 211-
199
Behalve deze uitgewerkte formule van Kékulé bestaan er nog
verschillende andere, die een inzicht trachten te geven van de
inwendige structuur der aromatisch*.\' verbindingen; wij gaan die
hier echter met stilzwijgen voorbij, daar voor ons doel hoven-
staande formule de meest doelmatige is.
Wordt in benzol 1 atoom waterstof vervangen door een uni-
valcnt atoom of een univalent radicaal, dan is het onverschillig
welk waterstofatoom vervangen is, steeds zal de verbinding
dezelfde eigenschappen hebben.
Wanneer twee atomen II in benzol worden vervangen kunnen
zich drie verschillende gevallen voordoen.
10. De H-atomen van twee naast elkaar gelegen C-atomen
worden gesubstitueerd, dergelijke verbindingen noemt men
orthoverbindingen. Vervangt men b.v. de beide H-atomen
door hydroxylgroejien , dan verkrijgt men de formule CfjHgOg =
dioxybenzol of uitgewerkt:
II                II
/
0=0
/
         \\
II—C                O—OH — orthodioxbenzol.
21 Tusschen de beide vervangen atomen waterstof ligt nog
eene groep CH. Deze verbindingen noemt men metaverbin-
dingen, bijv.:
II                II
c=c
II—C                C—OH = metadioxybenzol.
/        N
HO                II
3°. Tusschen de beide vervangen atomen waterstof liggen
twee groepen CH; deze verbindingen dragen den naam van
paraverbindingen bijv.:
-ocr page 212-
200
H              OH
\\        /
c=c
V                C—H = paradioxybenzol.
X\'—C\'"
In de scheikunde noemt men dergelijke verbindingen, die in
samenstelling overeenkomen, maar in structuur en ook in
eigenschappen verschillen, isomeren.
Worden \'ó atomen waterstof in henzol vervangen , dan is het
aantal isomeren nog grooter.
Ook >ȕj de aromatische verbindingen onderscheidt men kool-
waterstoffen, alcoholen, aldehyden, zuren enz. Zeer vele aroma-
tise.he verbindingen worden verkregen uit steenkolenteer, die
ontstaat als bijproduct bij de bereiding van lichtgas. Deze,
door fijne kooldeeltjes zwart gekleurde vloeistof, die eigenaardig
naar carbol en kreosoot riekt, wordt, om de verschillende
stoffen er uit te verkrijgen, gefraetioneerd gedestilleerd, waarbij
achtereenvolgens overgaan: de lichte teerolie, de carhololie, de
kreosootolie en de anthraceenolio, terwijl de pik in don destil-
leerketel achterblijft.
Benzolum, benzol, ((jWii, wordt verkregen uit de lichte
tèeroüe; \'het is een klcurlooze, licht bewegelijke vloeistof, die
eigenaardig riekt en niet een veel roctgevende vlam verbrandt.
Het is onoplosbaar in water, maar oplosbaar in acther, in
absoluten alcohol wiw iwwtoH, .hDdimn, vetten en harsen lossen
gemakkelijk in benzol op. Men gebruikt benzol evenals benzine
wel als oplosmiddel voor vetten, !>eidc stoffen zijn echter vol-
strekt niet identisch (zie pag. löö).
Toluolum, toluol, C0HSCH3 of C;H8, is methylhenzol, <lus
benzol, waarin 1 atoom II is vervangen door het radicaal CHg.
Toluol komt naast benzol in steenkolenteer voor, het ontstaat
ook bij droge destillatie van tolubalsum. Hét is een klcurlooze
vloeistof, die bij 110° kookt,
XytotïnTT; "xy-ro-r^-QsHjo, wordt wel gohrutk-t-ttfet-oplosmiddül
-ocr page 213-
201
veor phcnol, het—re—ccrr-klcurlooso vloeistof, die bij ongovccr
HO\'-keokt,
Nitrobenzolum, oleum mirbani, C(iH5N02, ontstaat <>. a.
bij do inwerking van benzol op zeer sterk salpeterzuur:
;
                   C6H6 HN03 = C6H5N02 H20.
Nitrobenzol is een lichtgeel gekleurde, vergiftige vloeistof
met den reuk naar bittere amandelolie. In water lost nitrobenzol
niet op, wel in alcohol en aether. Men gebruikt deze vloeistof
zeer veel in de parfumerie en voor de bereiding van aniline.
(Onder den naam tonquinol of kunstmatige muskus komt
een nitroproduct van een andere aromatische koolwaterstof in
den handel. Het vormt geelachtige naaldjes, die bij 963—97° 0.
smelten en die een sterken muskusreuk hebben. .Men gebruikt
ze in de parfumerie inplaats van echte muskus. /
Laat men op nitrobenzol waterstof inwerken, dan wordt het
gereduceerd:
C6rI5N02 m - C6H5NH2 2H2<);
en ontstaat aniline, als een kleurlooze/olieachtige vloeistof met
een zwakken, niet onaangenamen reuKT^Wordt aniline aan de
lucht blootgesteld, dan wordt het geel of bruin. In water is
het weinig oplosbaar, beter in alcohol, aether en oliën. De
waterige oplossing wordt als jyjjlinej&atgr soms gebruikt als
oplosmiddel voor kleurstoffen in de bacteriologie. Men bereidt
haar door aniline geruinien tijd met water te schudden en
daarna door een met water bevochtigd filter te filtreeren. De
onopgeloste aniline blijft dan op hot filter achter. Anilinewater
reageert uiterst zwak alkalisch. Met zuren verbindt aniline zich
tot goed kristalliseerbare zouten. I
AcetaniIidum , antifebrinum, ontstaat door aniline en azijn-
zuur geruimen tijd met elkaar te koken, als kleurlooze, reuke-
looze, glanzende .kristallen, die bij 112° a 113\' C. smelten. Zij
lossen in b\'ngeveér 200 doelen koud water op, beter in chloroform,
aether en alcohol. In de receptuur wordt het meest in poeder-
vorm aangewend; ook om de onoplosbaarheid wrijve men de
kristallen tot een zeer fijn poeder. De Duitsehe Pharmacopee
geeft als maximaaldoses aan: 500 mgr. per keer en ^Pgram
per dag.
\\ Antifebrine komt in talrijke mengsels voor, die als z.g. nieuwe
-ocr page 214-
202
gemscsmiddelen in den handel worden gebracht, wij noemen
daamm: anticolum, een mengsel bestaande uit 75% antife-
hrine, 17,5 % bicarbonas natricus en 7,5 o/0 acidum tartaricum;
antinervinum een mengsel van 25% acidum salicylicum en
25% bromotuni anmionieum met 50% antifebrinum; exodinum,
een mengsel van 9&% antifebrinum mei 5% salicylas natricus
en •">",,, earbonas natricus.
Onder den naam antifebrinum jodatum brengt men een stof
in den handel. die verkregen is, door in antifebrine 1 atoom
11 door jodiuni te vervangen. De kristallen van joodantifebrine
zijn moeielijk oplosbaar in koud water, heter in kokend water
en in alcohol. men gebruikt ze als antiseptieum. Wordt in deze
verbinding hot jodium vervangen door broom, dan ontstaat
antifebrinum bromatum, een stof\', die ook onder den naam
antisepsinum bekend is. liet vormt onoplosbare kristallen.
Methylacetanilidum, exalginum, komt voor in witte, reuke-
looze kristalnaalden. die bij 100° smelten; zij zijn onoplosbaar
in water, goed oplosbaar in alcohol.
Sulfaminolum is een geel. reukeloos en smakeloos poeder
onoplosbaar in water, oplosbaar in alcohol en azijnzuur, ge-
makkelijk oplosbaar in alkaliën. Het wordt gebruikt als anti-
septicum , in plaats van jodot\'orm. ]
Onder iU^n algemeenen naam phenolen verstaat men in de
organische chemie, de verbindingen, die uit aromatische kool-
waterstoffen , benzol en homologen, gevormd worden door één
of meer atomen waterstof in den benzolkern te vervangen door
hydroxylgroepen. Zoo is dus
>
OH .^J^
-ocr page 215-
203
een phenol, daar een atoom II aan den kern vervangen is
door OH, maar
II
, Jc^-b
n—v, e—ii
1 II
II—C C—CH2OH
\' \'l
V
\' \'- / , ;.\' L*
II
is geen phenol, maar een alcohol, daar de hydroxylgroep niet
direct aan den kern gebonden is.
Naar het aantal atomen H, dat door hydroxylgroepen is
vervangen, onderscheiden wij: een-, t\\vee-, drie- en meeratomige
phcnolen.
              ,
Wordt in benzol, (\'(jH(i, één atoom waterstof vervangen door
een hydroxylgroep, dan ontstaat C6H5OH, phenolum, acidum
phenylicum, acidum carbolicum.
Men bereidt deze stof ge-
woonlijk uit de zware teerolic of carbololie.
Phenol komt voor in kleurlooze, niet samenhangende kris-
tallen, die eigenaardig rieken en bij HO0—42° C. smelten. In
spiritus, in aether, in chloroform en in natronloog lost het
gemakkelijk op, in olie lost het op onder zachte verwarming.
Met 15 deelen water van de gewone temperatuur moet het eene
heldere oplossing geven. De smaak van phenol is brandend en
scherp, op de huid gebracht veroorzaakt het eerst witte vlekken,
die later roodbruin worden en pijnlijk zijn, men voorkomt deze
vlokken het best, door de aangetaste plaatsen dadelijk met
spiritus te wasschen; de opperhuid wordt echter na verloop
van eenige dagen toch afgestooten.
Als antisepticum wordt phenol veelvuldig gebruikt, men zij
echter voorzichtig met het afleveren van het onverdunde prae-
paraat, daar, door verwisseling of door onbekendheid met de
giftige werking, reeds talrijke vergiftigingen hebben plaats gehad.
JVIet ijxerchloridc geeft phenol eene violette verkleuring. Uelialve
phënöT noemt de l\'harmaeopee ook nog phenolum liquefao
-ocr page 216-
tum, vloeibaar plicnol; men bereidt dit pracparaat door de
flesch, waarin zich het phenol bevindt, langzaam te verwarmen
(op een waterbad) tot het gesmolten is, dan voegt men voor
elke 100 doelen phenol 20 deelen uitgekookt aqua destillata
toe. Dit mengsel blijft bij do gewone temperatuur vloeibaar en
kan inplaats van phenol worden gebruikt, wanneer dit laatste
in waterige oplossing is voorgeschreven. Is het in spiritueuse
of olieachtige oplossing vooi\'geschreven, dan moet men het ge-
kristalliseerde phenol nemen. Bij de bereiding neemt men bij
voorkeur uitgekookt gedestilleerd water, daar het praeparaat
dan niet zoo spoedig rood wordt. Bij het vermengen van phenol
met de voorgeschreven hoeveelheid water ontstaat eene schei-
kundige; verbinding, voegt men meer dan 380/o water toe, dan
ontstaat geene verbinding meer en wordt het phenol troebel,
tot men op één doel phonolum liquefactum 12,o doel water
beeft toegevoegd, dan ontstaat eene heldere, waterige oplossing.
Uit do formule van phenol, (\'ulT-,011, blijkt, dat het geen
earboxylgroep bevat, dus geen organisch zuur is. De waterstof
van de hydroxylgroep kan echter vervangen worden door me-
talen, de verbindingen, dio daarbij ontstaan, noemt men pheny-
laten;
zoo kent men: kaliumphenylaat, 0((HsOH, dat voorkomt
in witte, gemakkelijk oplosbare kristalnaaldem j
Calciumphenylaat wordt onder den naam carbolkalk soms
gebruikt voor desinfectie, men bereidt hot dan uit ruw phenol
en kalkmofI<r>
Wanneer men salpetorzuur op phenol laat inwerken, ontstaan
drie verschillende producten, naarmate 1, 2 of .\'! atomen H
van den kern door NO2 groepen worden vervangen, men noemt
ze: mono-, di- en trinitrophenol. Van deze producten is voor
ons alleen van belang het trinitrophenol of pikrinezuur, aci-
d u rn p i c r i 11 i c u m , o o i d um-pin r o n i 111 w»u m, (\'CH2(N( )L»).{OH,
dat voorkomt in glanzende, gele plaatjes, die in S6 dln. koud
water oplossen tot een sterk geel gekleurde, zuur reageorende
vloeistof. De oplossing smaakt bitter en is vergiftig. In kokend
water, in alcohol en in aethor lost pikrinezuur gemakkelijk op;
vermelding verdient, dat de oplossingen van deze stofinpetro-
leumaether en in chloroform bijna kleurloos zijn, terwijl de gele
kleur van de waterige oplossing bij eene verdunning 1 : 10000
-ocr page 217-
2a">
nog waarneembaar is. Stoffen van dierlijken oorsprong, als.wol,
zijde en de huid worden door pikrinezuur intensief en blijvend
geel gekleurd, terwijl de gele kleur, die stoffen van plantaar-
digen oorsprong in eene oplossing aannemen, door water ge-
makkelijk weggewasschen kan worden.
Phenacetinum staat chemisch in verband met nitrophonol,
door verschillendo reacties wordt daaruit het para-phenetidine,
CnH^              , bereid, waarvan het acetylderivaat,
NH2
CCH4C
\'" \\NII(CH-.CO)                               \' \'/^ Ofr
de phenaeetine vormt. Het komt voor in kleurlooze, glanzende
kristallen of als wit, kristallijn poeder. Het lost op in 1500
doelen water van de gewone temperatuur, in 80 doelen kokend
water, in 1(5 doelen kouden en in 2 doelen kokenden alcohol.
Gewoonlijk gebruikt men het praeparaat in poedervonn, het
dient dan vooraf te worden fijngewreven, daar dit de oplos-
baarheid bevordert. De maximaaldoses van dit praeparaat zijn
1 grnm per, keej^ea -"1 ;;nini pur <in~. (Pharmac german). \'/^ <t\\ - 2.#j
f\\Andcre verbindingen van phenetidine, die als geneesmiddelen \\
wordert^gebriiikt. zijn:
HolocaintKTi, dat ontstaat door vereeniging van phenaeetine
met para-phenetvline als eene onoplosbare verbinding. De ver-
binding met zoutzirur, hydrochloras holocaïni kristalliseert in
naaldjes die voor 2,5o/oiH^vater oplossen, de oydossing wordt soms
gebruikt in plaats van cocnineoplossing voor .lokale anaesthesie.
Metacetinum vormt ldeurraoze, reuk- en bijna smakelooze"
kristallen, die oplossen in 520 "deelen water van de gewone
temperatuur en in 12 deelen kokend Tscater. De maximaaldosis
van dit praeparaat heet de helft te zijn vun phenaeetine, dus
0,5 gram per keer en 2,5 gram per dag.
Onder den naam Sedatinum komt eene met<.behulp van
valeriaanzuur bereide verbinding in den handel, die chemisch
in verband staat met phenaeetine. Het vormt kristalleti, die
oplosbaar zijn in water.
                                                           N.
Malakinum komt voor als kleine, lichtgele kristalnaaldjesJs
-ocr page 218-
206
die onoplosbaar zijn in water, nioeielijk oplosbaar in kouden,
boter in kokenden alcohol. Door mineraalzuren, reeds door
verdunde en zwakke, wordt de verbinding ontleed.
Lactopheninum is een kleur en reukeloos poeder met een
zwak bitteren smaak, oplosbaar in 500 declen water en in !(
fleelcn alcohol. Als maximaaldoscs van dit praeparaat worden
aangegeven: 1 gram per keer en 0 gram per dag.
Apolysinum komt voor als geelachtig wit, kristallijn poeder
met een zuren smaak, oplosbaar in 55 deelén koud water, beter
in warm water.
Citrophenum is een wit. naar citroénzuur smakend poeder,
dat in 40 deeïen koud water oplost,, beter in warm water.
Jodopheninum is een chocolanebruin, kristallijn poeder,
bijna onoplosbaar in water, maar oplosbaar in ijsazijn. Men
gebruikt het uitwendig soms als reukeloos jodoformsurrogaat,
opgelost in collodium.
Phenocollum wordt voornamelijk gebonden aan zoutzuur als
hydrochloras phenocolli gebruikt, liet kristalliseert in klcurloozc
naaldjes, die in Ui deelen water oplossen. Door toevoeging van
ammonia of carbonaten der alkaliën wordt uit de oplossing van
dit zout het phenocol\'afgescheiden. De verbinding van phenoco!
met salicylzuur wordt onder den naam salocolum als een wit,
zoetachtig smakend, in water nioeielijk oplosbaar poeder in de
geneeskunde gebruikt.
Malarinum is een geelachtig wit poeder, dat onoplosbaar is
in koud water en door natriumcarbonaat in oplossing wordt
gebracht. Het schijnt een vergiftig phenetidinederivaat te zijn.
Phenosalum, is een witte, kristallijnephenetidineverbinding,
die gemakkelijk oplost in warmen spiritus.
Tripheninum ontstaat bij verhitting van para-phenetidine
mot
propionzuur als kleurloqze, onoplosbare kristallen, die als
pyreticum worden gebruikt. !
ti
a/ti
Laat men op plienol, onder afkoeling, zwavelzuur inwerken,
dan ontstaat orthophenolsulfonzuur,
-ocr page 219-
207
II—(\'
/ \\
II—V,              CSO3H
II—(\'             (OH
\\ /
V
h
dat onder do namen aseptolum, acidum sozolicum, sozol-
zvjur, als 331/s percentsoplossing in de geneeskunde als antisep-
ticum wordt aangewend. Dit is een heldere, zwak naar plienol
riekende vloeistof, die zuur reageert en gewoonlijk in 100/o
waterige oplossing als antisepticum wordt aangewend. ff)ö~6p-
Lmsin<rpn von de7f»_ stof. in glycerine., olie of alcohol zijn on-
werkzaam, liet moet-, tegen liet licht beschut, worden U«waa«h\\
haat men phenol en zwavelzuur hij verhooging van temperatuur
op elkaar inwerken, dan ontstaat paraphenolstilfbnzuur.
C—S(
// \\
f \\
1
I (
D,.H
:-H
-
\\ /
V
o\'h
H—<:
1I-
waarvan het zinkzout onderde namen sulfophenylas zincicus,
sulfocarbolas zincicus in de geneeskunde wordt gebruikt. Dit
zout komt voor in doorschijnende, klour- en reukelooze kris-
tallen, die oplosbaar zijn in 2 deelen water en in 2 dcelen
sterken spiritus tot een zuur reageerende vloeistof.
Wanneer men in paraphenolsulfonzuur nog twee atomen
waterstof van de overige groepen CH door joodatomen vervangt,
ontstaat dijoodparaphenolsulfonzuur, dat onder den naam
-ocr page 220-
208
acid urn sozojodolicum bekend is. Men gebruikt van deze
verbinding de volgende zouten:
Sozojodolkalium, kleurlooze, moeielijk in water (1,8 = 100)
oplosbare kristallen.
Sozojodolnatrium , kleurlooze naaldjes, in water voor 6,2o 0
oplosbaar.
Sozojodolkwik, een lijn, geel poeder, in water bijna onop-
losbaar. maar oplosbaar in cbloornatriumoplossingen.
Sozodolzink, dat voor 5,20/0 in water oplost.
Wanneer men in ]>licnol 1 atoom waterstof van een groep
VU vervangt door CH3, ontstaan verbindingen van de formule
()1I
(:f,H(:
          . die onder den naam (ortho-, meta-, enpara-) kresoi
<\'H:
bekend zijn, deze verbindingen zijn minder vergiftig dan pbenol,
maar werken sterker antiscptisch; in water zijn zij moeielijk
oplosbaar, beter in glycerine. Ken onzuiver mengsel van de drie
kresolen is in den handel bekend als acidum carbolicum
crudum, phenolum crudum, ruw carbolzuur, hoewel er
slechts weinig pbenol in voorkomt. Ruw carbolzuur is een geel-
achtige, tot geelbruine, heldere, min of meer brandig riekende
vloeistof, die niet volkomen oplost in water, gemakkelijk in
alcohol en in aether.
Ruw carbolzuur veroorzaakt op de huid dezelfde onaangename,
brandvlekken als pbenol, ook deze voorkomt men bet best door
de aangetaste plaatsen zoo spoedig mogelijk met spiritus te
"wasschen.
Behalve deze onzuivere kresolen komen thans ook zuivere
producten in den handel o. a. bet z.g. trikresolum, een
mengel van de drie isomerc stoffen en cresolum purum
liquefactum, d. i. orthokresol, op dezelfde wijze verdund
als phenolum liquefactum. De kresolen benevens naphtaline
en andere producten uit de zware steenkolenteerolie komen
ook voor in de creolinum, een donkerbruine, alkalische
vloeistof, die verkregen wordt door teer, die zooveel mogelijk
vrij is van pbenol, maar veel homologen daarvan bevat, te
verzeepen. Ken ander soort creolinum, n.1. de Duitsche, wordt
-ocr page 221-
201)
verkregen door hot z.g. ruwe carholzuur eerst met zwavelzuur
te behandelen, het product, dat daarbij ontstaat, te zuiveren en
te mengen met kleine hoeveelheden teerkoolwaterstoffen. Creo-
linuni riekt naar teer en geeft na verdunning met water eene
witte emulsie.
Lysolum is een mengsel der drie onzuivere kresolen, die
door zeep in oplossing zijn gebracht. [Gewoonlijk bereidt men
het door teerolie met lijnolie te mengen en het mengsel te
koken met een oplossing van kaliumcarbonaat, onder toevoeging
van wat alcohol, tot het verzeept is en eene olieachtige vloeistof
is ontstaand/Deze vloeistof geeft met water heldere oplossingen,
die geel of lichtbruin van kleur zijn. Lysol moet in goed
sluitende Hesschen worden bewaard, daar het aan de lucht
overgaat in een bruine massa.
f Van de andere, nieuwere desinfectiemiddelen, die in hoofd-
zaak niet lysol in samenstelling overeenkomen, noemen wij nog:
Saprolum, eene donkerbruine, in water slechts gedeeltelijk
oplosbare vloeistof, die ongeveer 40o/0 kresolen bevat. Giet men
saprol op water, dan wordt de oppervlakte van deze vloeistof
gelijkmatig met een laag saprol bedekt, waaruit de oplosbare
gedeelten langzamerhand in oplossing gaan.
Desinfectolum of izalum is eene donkerbruine vloeistof,
die met water een melkachtige emulsie geeft.
Solveolum is een heldere en neutrale, bruine vloeistof, die
ongeveer 20% kresolen bevat en met Mater een helder mengsel
geeft.
Solutoium is eene donkerbruine vloeistof, die sterk alkalisch
reageert en met water eene heldere oplossing gecTt.)
Van de verdere homologen van phenol bespreken wij nog:
Thymolum, acidum thymicum, dat o. a. voorkomt in de
aetheiïsche olie van Thymu» vulgaria en Thymus serpyllum. Het
komt voor in groote, doorschijnende, kleurlooze kristallen, die
eigenaardig, aromatisch rieken en brandend smaken. In water
lossen zij moeielijk op, n.1. in ongeveer HOOdeelen, men moet
voor het oplossen warm water gebruiken. Brengt men thymol
in koud water, dan zinken de kristallen, verwarmt men het
water, dan drijft de gesmolten thymol als eene olieachtige
vloeistof boven. In spiritus, aether en chloroform en in vette
sciiködki: en ar. ZAAIJKU, Scheikunde.                                             14
-ocr page 222-
210
en aetherische oliën is thymol goed oplosbaar. Wordt thymol
voor inwendig gebruik in sterker concentratie dan 1 op 110)
water voorgeschreven, dan emulgeert men het, evenals kamfer,
met de 10-voudige hoeveellieid arabische gom: is liet bestemd
TTïöFüihvendig gebruik , dan emulgeert men niet. Wordt thymol.
bijv. voor mondwater, tegelijk met eenc spiritueuse vloeistof en
met water voorgeschreven, dan lost men het in de spiritueuse
vloeistof op en verdunt deze met water, het thymol zal dan
uit de oplossing zeer fijn worden afgescheiden, veel fijner dan
men_Jiet anders bij vermengen met water kan verkrijgen.
JVan de verbindingen van thymol, die in de geneeskunde
worden gebruikt, noemen wij alleen: thymol-kwikacetaat, dat
voorkomt in kleurlooze kristallen of als kristallijn poeder, on-
oplosbaar in water en in kouden spiritus. .Men gebruikt het,
vermengd met glycerine of vloeibare para Mine, als injectie. Het
moet buiten het licht bewaard wordend
Wanneer in benzo] 2 atomen waterstof door hydroxylgroepen
worden vervangen, ontstaan de tweeatomige phenolen of
OH
dioxybenzolen,
C0K£ • Wij zagen reeds (pag. 199), dat
door eenc verschillende plaatsing der hydroxylgroepen drie
tweeatomige phenolen kunnen ontstaan.
Het orthodioxybenzol is meer bekend onder den naam pyro-
catechine
of pyrocatechuzuur, het ontstaat o. a. bij droge
\'destillatie van catechu en komt voor in kristallen. die gemak-
kei ijk oplosbaar zijn in water, spiritus en aether. Wanneer men
in pyrocateehino een waterstofatoom van een der hydroxyl-
OCH,
groepen vervangt door (\'Ii3, ontstaat t\'«lT4r
             , guajaco-
N)H         ii
lum, een hoofdbestanddeel van kreosoot. rHet geheel zuivere
guajacol is een kleurlooze, kristallijne massuNxpplosbaar in
alcohol, aether en water. Het gewone guajacol vaneden handel
is eene olieachtige vloeistof, zwaarder dan water en\\daarin
weinig oplosbaar, oplosbaar in alcohol, aether, azijnzuur en, in
vette en aetherische oliën. Wordt guajacol met waterige vloei-
-ocr page 223-
•211
£oorgcschreA*en voor inwendig gebruik. dan emulgeert
men het metsjen gelijk gewicht gom. Is tegelijk eene vette olie
voorgeschreven, <h*nJost men daarin hetgunjacol op en emulgeert
de olie. De volgende verbindingen van guajacol zijn in gebruik :
Benzosolum, guajacoTb-eiizoaat, een kleur-, rouk- en
smakeloos poeder, onoplosbaar in\'water, gemakkelijk oplosbaar
in aether, chloroform en in wannen spintnsT/
Carbonas guajacolj, duotalum, guajacolcarbpnant, dat.
in eigenschappen met benzosol overeenkomt. < \' \'ï\'\'> -/,--~-«"-
r^Styrakolum, guajncolcinnamylaat, kleurlooze naaldjes,\'
oplosbaar in nlcohol, niet in water.
Phosphas guajacoli, guajaeolphosphaat. een wit. onop-
losbaar kristallijn poeder, dat oplost in alcohol en in chloroform.
Salicylas guajacoli, een reuk- en smakeloos poeder, oplos*
haar in aleohol,,aether en chloroform, niet oplosbaar in water.
Valerianas guajacoli, geosotum, een lichtgele, olieachtige
vloeistof, die oplost in alcohol en in aether en een zoetachtige,
niet brandende smaak beeft.
Onder den naam guajacolum jodoformi wordt eene oplossing
gebruikt van 1 deel jodoibrni in 5 deelen guajacol.
Door inwerking van zwavelzuur op guajacol ontstaat guajacol-
snlfozuur, waarvan bet kalizout onder den naam thiocolum als
een guajacolsurrogaat in den handel wordt gebracht. In water
en in verdunden spiritus is het gemakkelijk oplosbaar. Eene
100/q oplossing van dit praeparaat in sirupus aurantiorum wordt
onder den naam sirolinum geneeskundig aangewend.
Het ealciumzout van guajacolsulfozuur is een grijswit, in
water en alcohol zeer gemakkelijk oplosbaar poeder, dat als
guajacyl in den handel komt.
Wanneer men in guajacol de methylgroep, <\'H.j, vervangt
door aetbvl, CH-,. ontstaat V^lS            . guaetholum of
xOH
ajakolum, als eene olieachtige vloeistof, die bij afkoeling
kristallijn wordt. De kristallen smelten bij 2fi—2<S° C. envzijn
oplosbaar in alcohol en aether.
Door Merck zijn van deze stof verschillende esters gemaakt,
o. a. benzoas guaetholi, phosphas guaetholi en salicylas
14*
-ocr page 224-
212
guaetholi, welke in kicurlooze kristallen voorkomen, die in
alcohol eu aether oplosbaar zijn; butyras guaetholi en vale-
rianas guaetholi,
welke kleurlooze vloeistoffen zijn, mengbaar
met acthcr en alcohol.
Metadioxybcnzol wordt in de pharmacic gebruikt en door de
Pharmacopce beschreven als metadioxybenzolum, resorcinum.
Het vormt kleur- en reukclooze kristallen, die l>ij verhitting
een kleurloos sublimaat geven. Zij zijn oplosbaar in water, in
spiritus en in aethcr.H3&l men de kristallen bloot aan lucht en
Hebt, dan worden zij roodgekleurd; dit roodgeworden resorcine
mag in «Ie pharmacic niet gebruikt worden.
Van de geneesmiddelen, die meFTxhulp van resorcine worden
bereid, noemen wij:
                               ^^
Resorcinolum, dat als amorph, bruin, naar jodium riekend
poeder wordt verkregen uit resorcine en jodoforffK
Thioresorcinum, een geelachtig wit, onoplosbaar poeder,
dat verkregen wordt door resorcine met zwavel te verhïïlbten
l\'aradioxybenzol wordt o. a. in de pbotografie gebruikt onder
den naam hydrochinon. Het komt voor in primatische kleur-
looze kristallen, die in I" deelen water oplossen, gemakkelijker
in aether en in alcohol.
Kreosol of homoguajacol vindt men in kreosot, het is een
/OCH»
methvlverbinding van guajacol n.1. (\'(iII t((\'113)
\\oir
Kreosotum wordt verkregen uit de teer, die bij droge des-
tillatic van beukenbout ontstaat. De kreosoot uit steenkolen-
teer of uit andere teersoorten mag in de pharmacic niet gebruikt
worden. Het ü een heldere, neutrale, meestal lichtgele vloeistof,
die volkomen vluchtig is, met een eigenaardigen, rookerigen
reuk. Kreosoot is zwaarder dan water en lost daarin weinig op;
de gefiltreerde waterige oplossing wordt als aqua kreosoti soms
gebruikt. In aether, spiritus en chloroform is kreosoot goed
oplosbaar. In hoofdzaak bestaat kreosoot uit guajacol en kreosol.
Volgen? de Ed. 11 der 1\'harmacopee mocht men inplaats van
kreosoot phcnol afleveren, volgens de Ed. III mag dit niet
-ocr page 225-
213
me>s^l)e pliarmacopee laat op deze verwisseling o. a. onder-
zoeken7*<to*>thet kreosoot te schudden met collodium, waarbij
een gelijkmatig^vittgibaar mengsel moet ontstaan. Had men te
doen met phenol of meTkreQsoot, die met phenol was vermengd,
dan zou men een geleiachtig mÖBgsel verkrijgen, door afscheiding
van nitrocellulose.
Daar kreosoot in water slecht oplosbaar is, wordt het in
mixturen met een gelijk gewicht gom geeniulgeerctT\'\'!
Van de kreosootverbindingen zijn voor ons van belang:
Carbonas kreosoti, kreosotalum, een gele, taaie, bijna
reifkelooze vloeistof, waaruit zich bij afkoeling kristallen at-
zetten. Kreosotal is onoplosbaar in water, mengbaar met aether
en alcohol en oplosbaar in vette oliën, de smaak is weinig bitter.
) "Phosphas kreosoti is eveneens een stroopachtige vloeistof,
alleen opkisbaar in alcohol en in een mengsel van alcohol en
aether. Dit preparaat bevat 7"><V0 kreosoot.
Valerianas kreosoti, eosotum, is eene licht bewegelijke
vloeistof ? oplosbaar in aicohol en aether.
Kreosoot-magnesol is een poeder, dat S<>0/0 kreosoot bevat
en verkregen wordt door met 20"\'-gcani KOU opgelost in 10
gram water 800 gram kreosot te emulgeeren en 17<> gram-
oxydum magnesicum aan de emulsie toe te vö>g«u,^ na eenig
staan is liet mengsel zoo vast geworden, dat men het tot-poeder
kan wrijven/?
Wanneer men in benzol drie waterstof atomen vervangt door
hydroxylgroepen, ontstaan de drieatomige phenolen oftrioxy-
benzolen,
CgH^OH^ n.1. pyrogallol, phloroglucine en oxyhy-
drochinon. Wij bespreken van deze drie stoffen alleen: het
pyrogallolum, acidum pyrogallicum.jfot verkregen wordtdoefr
verhitting van galluszuur, C(!lL(()H).>(X)(ThL hetwelk daarbij
kooldioxyde afgeeft. Pyrogallol vormt neutrale\\k1eur- en reuk-
looze, bittere, vergiftige kristallen. Zij lossen oW in 2 deelen
water, in 2 deelen spiritus en in-"2?> deel aether. DV oplossing
in water reageert neutraalflaat men haar aan de lucni staan,
dan wordt zij geel of bruingekleurd en reageert spoedig^xuur.
Eene door KÖH of XaOH alkalisch gemaakte pyrogalT
OpkfSsmg neemt uit de lucht gemakkelijk zuurstof op: he€
-ocr page 226-
•214
pyrogallol wordt daarbij ontleed. Voegt men pyrogallol bij
oplossisgen van gond-, zilver- of kwikzouten, dan worden
hieruit dexmetalen afgescheiden. Men beware pyrogallol in
inactinisch gla&N^
In plaats van pyrogallol wordt door Merck liet gebruik van
het monoacetaat, het Triacetaat en liet salicylaat van dezen
phenol aanbevolen, welke hij aanwending op de huid langzaam
pyrogallol afsplitsen. Hij geeftMeze stoffen de volgende namen:
pyrogallol monacetaof c= eugallolum;
„         triacetaat =*kmgallohim;
„         salicylaat — saM<ja[lolum.
Gallacetophenonum, C6Ho(CH,!!CO)(OH)37Nig een lichtgeel
poeder, weinig oplosbaar in water, beter na toevoeging van
natriumacetaat. In warm water, in alcohol, in aether en in
glycerine is bet goed oplosbaar. Deze stof wordt in de ge«ecs-
kunde soms inplaats van pyrogallol gebruiRfr-!
Wanneer men in toluol, (\'(JH5CH3, één atoom waterstof van
de groef» <\'TI;-, dus in den zijketen, vervangt door OH," ontstaat
CfiH5CH2OH, een aromatische alcohol n.1.: benzylalcohol;
.oxydeert men deze stof, dan ontstaat, evenals bij de vroeger
besproken alcoholen, eerst een aldehyde:
C(iH5CH2OH O = (\'nH-.COII H20
bcnzaldehydc
en bij verdere oxydatie een zuur:
C6H5COH 0 = Cf)IIöCOOH,
benzoëzuur.
Benzaldehyde, CfiII,-,0OH, vormt het hoofdbestanddeel van
bittere amandelolie, oleum amygdalarum amararum s. ae-
thereum,
die in hoofdzaak bestaat uit dit aldehyde en blauw-
zuur. welke grootendeels chemisch met elkaar zijn verbonden
tot benzaldehydcyanwaterftof. De bittere amandelolie is in
ongeveer 300 deelen wateroplosbaar, in alcohol, in aether en
in vette en aetherische oliën gemakkelijk. Door het blauwzuur-
gehaltc is deze olie een vergift.
Zooals wij reeds zagen, ontstaan door verdere oxydatie der
aromatische aldehyden de aromatische zuren. Wij kunnen deze
ook beschouwen als afgeleid van benzol, waarin één of meer
-ocr page 227-
215
atomen waterstof door carboxylgroeperi zijn vervangen. Van
deze zuren hespreken wij:
Acidum benzoïcum, flores benzoës, C6H5COOH, benzoë-
zuur, dat bereid kan worden uit benzoë, waarin liet voorkomt,
uit toluol, urt—naphtidino en uit liippuui\'HUUi». Volgens onze
Pharmacopee mag men alleen het benzoëzuur gebruiken, dat
uit benzoë door sublimatie is bereid. Dit zuur komt voor iri
plaatvormige, glanzige kristallen, die naar benzoë rieken, eerst
kleurloos zijn, maar bij het bewaren geel worden. In koud
water lost het moeielijk op, ongeveer 1 = 400, in kokend
water beter, en gemakkelijk in 2,5 deel spiritus en in \'•> deelen
aether. Ook in vetten en oliën is benzoëzuur oplosbaar, men
maakt hiervan o. a. gebruik bij de bereiding van adeps ben-
zoatus,
duwt" men kan bcreid^r door-1 o/o l>enzoëzunr-©nder
vewarming in gesmolten reuzel op te lossen, of door een
mengsel van 1 deel benzoë, tot grof poeder gebracht, en \'.)!)
deelen reuzel gedurende \'1 uur onder voortdurend omroeren oj>
een waterbad te verwarmen, te laten bezinken en te coleeren.
Adeps benzoatus wordt niet spoedig ranzig.
Van de zouten van dit zuur zijn voor ons van belang:
Benzoas natricus, C(iTIgCOO\\a, een wit, korrelig, meestal
zwak naar benzoëzuur riekend poeder, dat bij verwarming eerst
smelt en daarna verkoolt. Het lost in i,N deelen water o])y"\'-\'\'
moeielijker in sterken spiritus. Voegt men bij de oplossing "<
een zuur, bijv. verdund HC1, dan zal benzoëzuur worden afge-
scheiden.
Coffeïne is in eene oplossing van benzoas natricus goed op-
losbaar; wanneer men gelijke deelen coffeïne en benzoas natricus
onder verwarming in water oplost en de oplossing tot droog
uitdampt, verkrijgt men benzoas natricus cum coffeïno, een
wit poeder, dat gemakkelijk"oplosbaar is in water.
Benzoas ferricus is een vleeschkleurig, reuk- en smakeloos
poeder, dat~vërkregen wordt door bij eene oplossing van ben-
zoas natricus eene verdunde oplossing van chloretum ferricum
te voegen; er ontstaat dan een neerslag van benzoas ferricus: TV1^
6C6H5COONa Fe2C\\c, — (C0H5COO)6Fe2; ONaOl.
Dit neerslag wordt afgefiltreerd en door afwassclien met water.
yan het chloornatrium gezuiverd.
-ocr page 228-
21(i
Het poeder is onoplosbaar in water, oplosbaar in azijnzuur
en in vette oliën. Eene oplossing van 1 deel benzoas ferricus
in !)!> deelen levertraan wordt als staallevertraan, oleum
jecoris aselli cum benzoate ferrico, oleum jecoris aselti
ferratum
.geneeskundig aangewend»
              }W.CX/l/isyi \\
/^ïferr2anHid^mJ__eeru: verbinding analoog aan acetanilide,
komt voor in klenrlooze, glanzende blaadjes, die onoplosbaar
zijn in water. Als grootste gift per dag wordt 3 granTiüTlTgcgevenT]
Een andere belangrijke stof, die chemisch niet benzoëzuur in
verband staat, is saccharinum, ook bekend—»mder-de namen
gli]sjdi]rii, pjarrbarinol) saooharinose en agueartna. Het
is een wit poeder, dat ongeveer óOO maal zoo zoet^is als gewone
suiker. Het lost in ongeveer 400 deelen water op, beter lost
het o[> in alcohol en in aether. Met alkaliën verbindt het zich
tot gemakkelijker oplosbare zouten. Het natruiiiizout komt onder
de namen crystallose en sacchariiïuni ieiclTt löslich inden
handel.
Wanneer men in phenol een atoom waterstof van den kern
vervangt door COOH, kan men, al naar de onderlinge plaatsing
der hydroxyl" en carboxylgroep drie verschillende verbindingen
verkrijgen, van deze drie bes])reken wij de orthoverbinding,
die onder den naam salicylzuur, acidum salicylicum,
COOH
(W-K
             > veelvuldig wordt gebruikt. Het zuur vormt kleur-
X()II
looze, zeer lichte, glanzige kristallen. Wrijft men ze lijn, en
verstuift een deel van het poeder, dan veroorzaakt dit niezen.
In ongeveer (>00 deelen koud water, in 14 deelen kokend water,
in 2,ö deelen sterken spiritus en 2,1 deelen aether lost het zuur
op. Ook in glycerine en in vette en aetherische (dien is het
oplosbaar. De waterige oplossing wordt als antisepticum gebruikt
en, ter onderscheiding van andere kleurlooze vloeistoffen, soms
door toevoeging van een spoor chloretum ferricum violet ge-
kleurd. Door toevoeging vanjimnioniumacetaat, natriumacetaat,
natriuniphosjihaat of borax wordt de _oplosbaarheid~van salicyl-
zuur sterk bevorderd onder vorming van salicylzure zouten.
Salicylzuur wordt tegenwoordig dikwijls aangewend als con-
servatiemiddcl voor bier, vruchtensappen enz.; daar niet is
-ocr page 229-
bewezen, dat het voortdurend gebruik van kleine hoeveei-
heden saücylzuur onschadelijk in. achten wij het beter, inplaats
van dit conservatiemiddel meer gebruik te maken van steri-
liseeren i).
r Iïr~rkHiJiandel komen verschillende soorten sulicylzuur voor:
van deze \\i~T\\vf~~rmduuii mlicylicum sublimatum minder geschikt
voor geneeskundig doel. ~iTilTrr~-Jit\'t bij \'t bewaren gemakkelijk
wordt ontleed in phenol en kooldioxvdcT]
Van de verbindingen van saücylzuur bespreken wij:
Salicylas natricus, dat voorkomt in kleurlooze kristalschub-
ben , die gemakkelijk oplossen in 0,9 deelen water en in <> deelen
spiritus, de smaak is onaangenaam zoet. Voegt men bij de
oplossingen in water een mineraal/uur, dan wordt bet zwakkere
saücylzuur afgescheiden, dat, zooals wij zagen, zeer moeielijk
oplost in water. Zelfs in zeer verdunde oplossingen (1 = 1000\')
wordt dit zout door ijzerchloride nog violet gekleurd.
Wanneer men bij eene geconcentreerde oplossing van salicylas
natricus een gelijk gewicht coffeïne brengt, lost dit daarin op;
dampt men de oplossing onder ommeren uit tot droog, dan
vormt de rest een amorph, neutraal poeder, dat in \'1 deelen
water oplosbaar is: voegt men bij deze oplossing een mineraal-
zuur, dan wordt ook saücylzuur afgescheiden. Dit mengsel of
misschien zeer losse scheikundige verbinding is in gebruik onder
den naam: salicylas natricus cum coffeïno.
Brengt men theobromine in aanraking met natronloog, dan
ontstaat theobrominenatrium, dat met salicylas natricus gemengd
en tot droog uitgedampt eveneens een losse scheikundige ver-
binding (of mengsel) vormt, die onder den naam diuretinum
gebruikt wordt.
                                                                       ^J •"
Diuretine is gemakkelijk oplosbaar in water, vooral onder
zachte verwarming. Door verdunde zuren, zelfs reeds door kool-
zuur, wordt theobromine afgescheiden. Voor dit praeparaat
worden als maximaaldoses aangegeven: 1 gram per keer en S
gram per dag.
Salicylas lithicus is een wit, kristallijn poeder, dat in water
gemakkelijk oplost.
1) Sohröder, Receptuur yng. 2."i2.
-ocr page 230-
218
Salicylas aluminicus, saluminum insolubile, is een wit;
onoplosbaar poeder, «lat gewoonlijk als strooipoeder wordt aan-
gewend. Behandelt men dezii-verlonding niet ammonia, dan
ontstaat al uminium-ammoniuinsalicylaat, dat in water
oplosbaax-4«^én onder den naam saluminum solubile in ge-
Salicylas bismuthicus basicus, een wit, reuk- en smakeloos,
onoplosbaar poeder.
Van de verbindingen van salicylzuur niet organische stollen
noemen wij hier:
Salicylas phenylicus, salolum, een wit, kristallijn poeder,
dat zwak aromatisch (min of meer naar vanille) riekt en bijna
smakeloos is. In water lost het niet op, wel echter in sterken
spiritus (ld deelen), in aether en in chloroform.^ \'\' j .•\'
/"Nqj\'i\' in salol \'-\'> atomen H te vervangen door broom ontstaat
tribroomsalol, cordolum, als een wit, reuk- en smakeloos
poeder, mi oplosbaar in aether en in alcohol, oplosbaar in
chloroform sn in ijsazijn.
SalosantalChn is eene !»30(\'0 oplossing van salol in oleum ligni
santali. waaraan "«enige druppels pepermuntolie zijn toegevoegd.
Salophenum komt voor in kleurlooze kristallen, die onoplos-
baar zijn in water, gemakkelijk oplosbaar in alcohol en aether.
Salacetolum, salantolum, kristalliseert in lange naalden, die
moeielijk oplossen in koud eq in warmwater, beter in warmen
spiritus en in aether. Door ammonia en verdunde oplossingen
van hydras kalicus of hydras natricus wordt het gemakkelijk
ontleed.
Salactolum is eene oplossing van salicylas natricus en lactas
natricus in eene verdunde oplossing vanN waterstofperoxide.
Men gebruikt deze vloeistof als antisepticum, x-.
Salifebrinum is een mengsel van salicylzuur envantifebrine,
liet is een wit kristallijn poeder.
                                  N.
Saliforminum, salicylas urotropini, is een in watten in
spiritus gemakkelijk oplosbaar, kristallijn poeder.
Wanneer men in salicylzuur 1 atoom H vervangt door zwavel,
dan ontstaat thiosalicylzuur. Van dit zuur gebruikt men in de
geneeskunde het natriumzout onder den naam dithionum. eerr—
grijswit, oplosbaar poeder.
-ocr page 231-
\'2111
lïet bismuthzout van dit zuur wordt onder den naam thioform
als antisegticum gebruikt. Het is een geelachtig grijs, reukeloos,
onoplosbaarvpqeder.
Wanneer menra^salicylzuur van de groep CgH^ nog twee
atomen waterstof vervïtajrt door jodium, ontstaat dijoodsalicyl-
zuur, acidum dijodosalicylicum, een wit, klein-kristallijn
poeder, dat oplost in 1"><K) deeletiovater, gemakkelijk in alcohol
en in aether.
                                    ^-v
In verband met oxybenzoëzuur bespreken wij orthoformum,
een wit, licht, volumineus, niet hygros\'copiseh, in water
moeiclijk oplosbaar, kristallijn poeder, zonder reuk en smaak.
Hiervan wordt chemisch weer afgeleid nirvaninum, eenc goed
oplosbare verbinding, die in plaats van orthoform wortk^ge
bruikt, vooral voor injecties.
Acidum gallicum, galluszinij-, CflHj^OH^COOH, komt
naast tannine voor in galnoten en kan uit tannine worden
bereid, door deze stof eenigen tijd te koken met verdunde
zuren. Het zuur komt voor in kleur- en reuklooze naaldjes,
die samentrekkend en zuur smaken. In kokend water lost dit
zuur gemakkelijk op, minder goed in koud water. In alcohol
en in aether is het zuur gemakkelijk oplosbaar.
[Van de verbindingen van dit zuur noemen wij :
Gallobromolum, dibroomgalluszuur, dat in kleurlooze
naalden voorkomt, die voor 1\'20j0 oplosbaar zijn in water en
gemakkelijk oplossen in aether en in alcohol.
Gallalum, basisch aluminiumgallaat, verkrijgt men als een
amorph, bruin, onoplosbaar poeder, wanneer men bij een op-
lossing van natriumgallaat eene oplossing voegt van een alumi-
niumzout. Men gebruikt liet als desinriciejisj
Dermatolum, gallas bismuthicus basicus, is een zwaveb
geel, reuk- en bijna smakeloos poeder, onoplosbaar in water,
alcohol, aether en verdunde gyirgn.
                    _____», ..>.,,-w
Aïrolum ontstaat als een grijsgroen, fijn volumineus poeder,
wanneer men galluszuur behandelt met bisniuthoxyjodido. In
water, alcohol\'en aetner lost het niet op, wel echter in natron-
loog. Schudt men het poeder langen tijd met water, dan gaat
het over in een roode stof, die minder jood bevat dan Aïrol.
-ocr page 232-
220
Tanninurn, acidum tannicum, looizuur, ontstaat uit
galluszuur, door aan 2 moleculen van dit zuur één molecule
water te onttrekken. Het wordt bereiil uit galnoten en komt
voor als lichte, glanzende schubjes of een geelachtigwit poeder,
dat sterk samentrekkend smaakt. Tannine is gemakkelijk op-
losbaar in water, in spiritus en in glycerine, moeielijk oplosbaar
in aether en onoplosbaar in chloroform." J^\'
           /^ .^ft Vt^.\'fl
Door chloor, broom, chroomzuur en kaliumpermangannat 2
wordt tannine ontleed onder ontwikkeling van kooldioxyde; 1/
voegt men jodiuni bij eene geconcentreerde tannincoplossing,
dan wordt dit halogeen opgenomen en ontstaat eene roodbruine
vloeistof, waarin door amylum geen vrij joduim meer kan
worden aangetoond. Lost uien hierin suiker op, dan verkrijgt
men sirupus jodo-tannicus. Voegt men bij eene looizuurop-
lossing eene oplossing van een ferrizout, dan ontstaat een
blauwzwai\'t neerslag van tnnnas ferricus. Ook met de zouten
der andere zware metalen geeft tannine ecu neerslag van de
tannaten dier metalen.
        w -r \'Ss\'sl 1 •
Oplossingen van zetmeel, eiwit, lijm, gom en sa leb worden
door tannine neergeslagen. Oplossingen van alcaloïden en hunne
zouten vormen met tannine onoplosbare verbindingen. Mor-
phine wordt door tannine niet ncergeslagen.[_Vocgt men
tannine hij oplossingen van kalium- of natriumcarbonnat,
dan wordt de tannine ontleed, en ontstaat een groene kleur;
met kalkwatcr ontstaat een blauwe kleur en met eene oplossing
viMi toflryumhydroxydc een blauwgroene klcurT^
behalve dit looizuur komen in het plantenrijk nog talrijke
andere stoffen voor, die samentrekkend smaken en met ferri-
zouten een blauw of zwart neerslag geven, men noemt ze looi-
stoffen.
Zij slaan lij moplossingen neer en vormen met dierlijke
huid onoplosbare verbindingen, die niet meer rotten; hierop
berust de bereiding • van leder. Naar de afkomst onderscheidt
men: koffielooizuur, kinalooizuur, eikcnlooizuur, ratanhialooi-
zuur, catechulooizuur enz.
Tannine wordt o. a. gebruikt voor de bereiding van col-
lodium stypticum,
eene oplossing van tannine in spiritus
fortior, aether en collodium; tannas plumbicus, bereiil door
tannine eenigen tijd te wrijven met solutio acetatis plumbici
-ocr page 233-
2*1
tiasici, wordt gebruikt in unguentum tannatis plumbici.
Tannas bismuthicus, rai bruingeel, in water onoplosbaar
poeder, wordt verkregen door basisch bismuthnitraat met
ammonin en water om te zetten in bismuthhydroxyde en dit
met een tannineoplossing te behandelen.
Tannas hydrargyrosus, een grauwgroen, reuk* en smakeloos
poeder, wordt verkregen door poeder van mercuronitraat onder
eene waterige tannineoplossing te roeren. Maximaalcloses 100 mgr.
per keer en 300 mgr. per dag.
r"\\\\ aiifippv-men eene tannineoplossing praecipiteert met eene
oplossing van aluminiumsulfaat, ontstaat een bruingeel, onop-
losbaar poeder, basisch aluminiumtannaat., dat als tannalum
insolubile in de geneeskunde wordt gebruikt. Behandelt men
dit poeder niet wijnsteenzuur. dan ontstaat een bruingeel, op-
losbaar poeder, dat als tannalum solubile wordt aangewend.\\
Tannalbinum wordt verkregen door eene eiwitoplossing met
tannine neer te slaan en liet neerslag cenigen tijd op 1103—120\'C.
te verhitten. Het is een bruinachtig geel poeder, geheel smake-
loos en onoplosbaar. Het bevat ongeveer W/o tannine.
Tannoform wordt verkregen uit tannine en formaldehyde als
een Licht rosé gekleurd poeder, dat oplosbaar is in alcohol .fin"
ammonia lost het op niet eene jrele en in natronloog met eene
bruinroode kleur. /
                                           \' \' - )
Tannigenum, diacetyltannine. fis-een geelgrijs, reuk-\'en
smakeloos poeder, dat onder water reeds bij W tot een taait!
massa samenvloeit, maar iu water en verdunde zuren niet op-
lost. Het is oplosbaar in alcohol en in verdunde oplossingen
*¥fHrborax, phosphas natricus en carbonas natricus.J
TatWQnum is een condensatieproduct van tannine en urotro-
pinc, dat Ongeveer S7 l),\'o tannine bevat, liet is een lichtbruin
reuk- en smakeloos poeder, onoplosbaar in water, alcohol, aether
en in verdunde zuren, nïïtauoplosbaar in verdunde sodaoplossingen.
Tannocasum noemt Dr. "Rumeyn een door verhitting jre-
hard caseïnctannaat. Hij bereidt IïeWloor caseïne niet behulp
van natriunicarbonaat in oplossing te brengen, aan deze op-
lossing toe te voegen tannineoplossing en formaldehyde, en
het natriunicarbonaat met 1£(\'1 te verwijderen. Het neerslag
wordt verzameld en door verhitting gehard.
-ocr page 234-
222
Onder den naam etyrolverbindingen vat men in de schei*
kunde een groep organische stoften samen, die in de zijketen
2 atomen^ 11 minder bevatten dan de benzolderivaten, bijv.:
Aethylbeozol, (,((II.-)(,H2<,H;i; styrol, C0H5CH = 0H2.
Ook uit deze formule blijkt reeds, dat in de zijketen eene
dubbele binding voorkomt. Van de verbindingen dezer reeks
noemen wij : \\
Styrol, (\'(ilI5(iÏN= (\'ir., eene kleurlooze, aangenaam riekende
vloeistof, die voor 1 ;i \'2 O/o in styron voorkomt.
Styron, kaneelalcohol, CflHs — (\'II = CH — CH2OH,
komt voor in kleurlooze naaldjes, die bij :>:!° (\'. smelten
aangenaam naar hyacinthen rieken en oplosbaar zijn in alcohol
en in benzine. Behalve dit praeparaat komt onder den naam
styronum liquidum een gele. olieachtige vloeistof in den
handel, die aromatisch riekt en oplosbaar is in alcohol en
aetlier. Beide stoffen worden als antisepticum gebruikt.
Bij voorzichtige oxydatie van dezen alcohol ontstaat het
k a n e e 1 z u u r a 1 d e 11 y d e, c i n n a m y 1 a 1 d e h y d e,
C6H5 — (\'Il = CH — COH,
een stof, die voor "<• a 7~> "/o voorkomt in kancclolic, oleum
cinnamomi,
de vluchtige olie uit de bast der takken van
(\'innamomum Zeylanicum door destillatie bereid.
Kaneelolie is een gels, neutrale, vluchtige olie, zwaarder dan
water, zij is in elke verhouding oplosbaar in alcohol en aether.
Deze olie is ook een bestanddeel van kaneelwater, aqua cin-
namomi,
dat door destillatie van kaneel met water moet
zijn bereid.
                                                            \\
Door verdere oxydatie van dit aldehydc ontstaat kaneel*
zuur, acidum cinnamylicum, (\'(;H5 — (\'II = (\'H — COÓH,
dat ten deele vrij , ten deele als samengestelde aethers, voorkomt
in styrax en in perubalsem. Kaneclzuur komt voor in kleurlooze
of lichtgele, min of meer glanzende plaatvormige kristallen,
die niet oplosbaar zijn in koud water, wel in kokendNwater
en alcohol. Onder verwarming is het zuur ook oplosbaaï in
vette olie.
                                                                                   \\
Cumarinum, het welriekende bestanddeel der tonkaboonen\\
komt voor in kleurlooze, glanzende kristallen, die gemakkelijk
oplossen in alcohol en in aether. Men gebruikt het voornamelijk
-ocr page 235-
22:t
als dèSodorans voor jodofnrm en andere doordringend riekende
stoften.
De tot nog toe bcsproKfcs^aromatische verbindingen konden
allo worden afgeleid van benzöt>,CflH(;, door daarin zijketens
aan te brengen. Eene andere reeks yan aromatische stollen
wordt afgeleid van naphtaline, (\'iqIIs, een. koolwaterstof, die
bestaat uit twee aan elkaar gebonden benzolkèr-uen, waarbij zij
2 atomen (\' gemeen hebben; door deze binding zïjrv .2 atomen
koolstof en 4 atomen waterstof van (\'ulij» = 2CqHq vervullen.
De structuurformule wordt dan:
II         II
I                     I
(\'          (\'
/\' \\ / \\
H—C (\' (\'—TI
I II I
H—C        C         (\'—II
\\ / N -*
V C
I I
II II
Naphtalinum wordt verkregen uit de zware steonkolen-
teerolie, waaruit het zich als gekleurde, plaatvormige kris-
tallen afzet. Na zuivering vormt het kleurlooze kristalhlaadjes,
die bij S0D smelten, onoplosbaar .zijn in water., maar goed op-
lossen in aetlier en chloroform, iets minuei^gocd in spiritus
en in vette en vluchtige oliën, ^üërharmacopee geeft als maxi-
maaldoses aan :i<)0 nigr. per keer en 1 gram per dag. Xaplitaline
heeft een doordringenden reuk eu een brandende» smaak. Onder
den naam therminum wordt een naphtalinederivaat in de
geneeskunde gebruikt, dat voorkomt als een kleurlooze, eigen-
aardig riekende, waterhjjletere vloeistof; do verbinding hiervan
met zoutzuur, hydrochloras thermini, welke meer wordt aan-
gewend^Jiorrït voor in kleurlooze kristallen, die gemakkelijk
^ipkrggén in water en in alcohol. 7
Eene der salicylzure naphtymethers wordt onder de namen
betolurrt, naphtalolum, naphtosalolum, inplaats van salol
in de geneeskunde aangewend. Het is een wit, glanzend, reuk-
en smakeloos, kristallijn poeder,ITIaï\'bij 95° smelt, onoplosbaar
-ocr page 236-
224
is in water; maar oplosbaar in aether, in chloroform, in warmen
alcohol en in warme lijnolie?]
We zagen, dat we door in benzol 1 atoom II te vervangen
door OII, daarvan phenol konden afleiden en daar alle H-atomen
van (\'lillu op dezelfde wijze gebonden zijn, bleek hot slechts
mogelijk éénc stof van de formule (\'(iH-,()ir van benzol af te
leiden. Wanneer men in naphtaline één atoom H vervangt
door OH ontstaat naphtol, maar ten opzichte der verbindings-
plaats der beide bcnzolkernen nemen niet alle waterstofatomen
dezelfde |>laats in.
Zooals uit de op pag. 221 gegeven formule blijkt, nemen zij
4 aan 4 eenzelfde plaats in ten opzichte van de verbindings-
plaats. Hieruit volgt dus ook. dat er twee isomere naphtolen
kunnen gevormd worden, al naar men van bet eene of van
het andere viertal waterstofatomen er één vervangt door OII.
De verbinding, die ontstaat, wanneer men één der 4 atomen
II, die het dichtst bij de verbindingsplaats zijn gelegen, ver-
vangt door OH. noemt men o-naphtol, de andere /j-naphtol.
11 \\jn
1
II H
Hf\'
i
1
c e
// \\ / %
."\'\' \\ / \\
(\' CH
i i
1 1
0 C
/" \\ / \\
H-C/\' V
1
0—OH
1
HV
1 1
(\' (\'II
\\\\ / \\ •/
V V
«•Jyaphtol.
H-% A
• \\ / \\ //
ii H
/J-Xaphtol.
,C— II
a-Naphtolum komt voor in kleurlooze naaldjes, die oplosbaar
zijn in alcohol en in aether, zeer moeielijk oplosbaar in water.
Het smelt bij 94\'—°«*>0\'"C7, dit is een belangrijk onderscheid
met het^-nnpïïtol, dat hij 12o° smelt en minder giftig is dan
«"Tïïtpntol.
jï-Naphtolum wordt in de Pharmacopee, onder de namen
-ocr page 237-
225
naphtolum en iso-naphtolum, beschreven als oen wit kris-
tallijn poeder oi\' als kleurlooze, plaatvormige kristallen die
zwak naar phenol rieken. Het is oplosbaar in 7"> deelen kokend,
water, moeielijk in kond water; in alcohol, in aetber, in
chloroform en in vette oliën is het gemakkelijk oplosbaar. Ook
in alkalische vloeistoffen lost het gemakkelijk op; neutraliseert
men echter deze vloeistoffen door een zuur, dan wordt de
naphtol weder afgescheiden.
Qv%rdt in /?-naphtol de 11 van de hydroxylgroep vervangen
door natrium, dan ontstaat /?-naphtolnatrium, een wit poeder,
dat in :> deelen water oplost en onder den naam microcidinum
als antiseptictvm wordt gebruikt.
De verbinding, van /ï-naphtol met benzoëzuur wordt onder
don naam benzonaphtolum geneeskundig aangewend. Het is
een kristallijn poeder of het komt voor in lange, kleurlooze
naalden, die in water niet, maar in alcohol on chloroform
gemakkelijk oplossen.
Door inwerking van zwavelzuur op /J-naphtol ontstaat
/>\'-naphtolsulfonzuur, waarvan het calciunizout onder de namen
asaprolum en abrastolum wordt gebruikt. Asaprol is een wit
of weinig rood gekleurd poeder, waarvan 1(>7 deelen in 100
deelen water van 15° V. oplossen ;• in 100 doelen alcohol lossen
00 deelen asaprol op, in aether is het onoplosbaar.
Het aluminiumzout van /J-naphtolsulfonzuur is een wit, niet
hygroscopisch poeder, dat goed oplost in koud water en in
glycerine, moeielijk oplosbaar is in alcohol en onoplosbaar in
aether. Onder den naam alumnolum wordt het o. a. als anti-
septieum gebruiktTT\'
Behalve de genoemde producten vindt men in de steenkolen-
teer nog andere, die, ofschoon op zich zelf voor de pharmacie
van weinig belang, direct of indirect dienen voor de bereiding
van geneesmiddelen. Hiertoe behoort o. a. anthraceen, t^JJj)
/CHN
of~t*6H4 1 f\'i;H4 een koolwaterstof, die tusschen 3103 en
of)0° overdestilleert. Door oxydatie van deze verbinding.ontstaat
SCHRÖDER (\'Il DE ZAAIJER, Scheikunde.                                                   15
-ocr page 238-
220
antrachinon, CHH802, waarvan enkele oxydatieproducteü hier
besproken worden.
Alizarinum, C]4H6(OH)202, dioxyantrachinon, komt als
zoodanig alleen voor in de oude wortel van liubui tinctorum
(meekrap), de jonge wortel bevat een glueoside: ruberythrin-
zuur, dat door behandeling met zuren, alkaliën of fermenten
als splitsingsproduct liet alizarine vormt. Kunstmatig wordt
deze kleurstof gemaakt uit antrachinon. Zuiver alizarine komt
voor in roodgele naaldjes, die moeielijk oplossen in water,
maar in alcohol en in aether met een gele kleur oplossen, in
alkaliën lost het met een purperrood© kleur op.
Voegt men bij de oplossing aluminiumzouten oftinzouten,
dan ontstaan onoplosbare roode verbindingen, met ferrizouten
ontstaan violette verbindingen, deze verbindingen dragen den
naam van lakken. Wanneer men geweven goederen met op-
lossingen van de metaaloxyden drenkt en daarna met alizarine
behandelt, ontstaat de kleur direct op den vezel en is daardoor
niet meer uit te wasschen.
Wanneer alizarinodoor waterstof wordt gereduceerd, ontstaat
anthrarobinum als een geelachtig wit poeder, dat bijna onop-
losbaar is in water en in verdunde zuren, maar dat gemakkelijk
oplost in verdunde alkaliën. De alkalische oplossing wordt door
opname van zuurstof uit de lucht eerst groen, daarna blauw
gekleurd, onder vorming van alizarine. Anthrarobine wordt
aangewend in alcoholische oplossing of, onder vetten verdeeld,
m zalfvorm.
In holten in den stam van Andira araroba vindt men een
poedervormige massa, die onder den naam goapoeder bekend is,
door zuivering van dit poeder verkrijgt men het chrysarobinum
als een geel, licht, kristallijn poeder, dat bijna onoplosbaar is
in water en moeielijk oplost in alcohol, aether en zwavelkool-
stof. In oplossingen van hydras kalicus of hydras natricus lost
het met een gele kleur op. Schudt men deze alkalische oplossing
met lucht, dan wordt zij rood gekleurd onder vorming van
acidum chrysophanicum, chrysophaanzuur, d-ioxyme-
<t-h-y-l-anth ra-e-h4no-B. Dit zuur vindt men in verschillende
Rumex- en Rheumsoorten en wordt uit chrvsarobine bereid,
door de door zuurstof roodgekleurde oplossing met een zuur
-ocr page 239-
227
neer te slaan. Het komt voor in gele, naaldvormige kristallen,
die onoplosbaar zijn in water en alcohol, maar oplosbaar in
chloroform en benzol. In alkalische vloeistoffen lost het zunr
met een donkerroode kleur op. Volgens onze Pharmacopee Btft
men, indien acidum chrysophanicum wordt voorgcr
schreven, daarvoor chrysarobinum geven; uit het boven
aangevoerde blijkt dat eerstgenoemde stof het oxydatieproduct
is van het chrysarobinum. /in plaats van chrysarobinum wordt
tegenwoordig soms gebruik gemaakt van het triacetaat. euro-
binum en het tetraacetaat, lenirobinum, daarvan. In aan-
raking met de huid geven beide stoffen ehiysarobine ai. J
In aansluiting aan de aromatische koolwaterstolfen bespreken
we thans de aetherische oliën, waarvan verschillende repre-
sentanten hoofdzakelijk bestaan uit koolwaterstoffen van de
formule n((\'i()Hi(;). Men verstaat onder aetherische oliën: sterk
riekende mengsels, die voornamelijk in het plantenrijk voor-
komen. In chemisch, opzicht verschillen zij dikwijls veel van
elkaar, in physische kenmerken daarentegen bestaat er meer
overeenkomst tusschen de verschillende oliën. De meeste ae-
therische oliën komen reeds gevoiTnd in de planten, in afzon-
derlij ke olieklieren, voor, slechts enkele, niet name bittere
amandelolie en mostcrdolie, ontstaan eerst bij het behandelen
van het plantendeel met water.
De meeste aetherische oliën worden verkregen door het
plantendeel met water te destillecren; want, ofschoon deze
oliën in \'t algemeen een hoog kookpunt hebben, vervluch-
tigen zij gemakkelijk met waterdamp. De olie verzamelt zich
dan al naar haar soortelijk gewicht onder of boven het water
en wordt afgescheiden. Bestaat er gevaar, dat de olie door de
destillatie zou ontleden of minder aangenaam van geur zou
worden, dan bereidt men haar uit die simplicia, welke veel
aetherische olie bevatten, door uitpersen, en uit die, welke
weinig olie bevatten, door uittrekken met vette olie. Door uit-
persen wordt o. a. bereid citroenolie en bergamotolie, door
uittrekken met vette olie verkrijgt men de olie uit jasmijn,
reseda en viooltjes.
Bij de gewone temperatuur zijn de meeste aetherische oliën
15*
-ocr page 240-
•22S
heldere, weinig gekleurde vloeistoften, die in hooge mate den
reuk der simplicia, waaruit zij zijn bereid, bezitten. Het smelt-
punt van oleuni anisi en van oleura rosarum ligt boven 0°,
vandaar dat deze beide oliën dikwijls in vasten toestand in de
apotheek worden aangetroffen. Bij sterke afkoeling wordt uit
de zuurstofhoudende aetherische oliën een vaste, kristallijne
stof— stearopt of kamfer — afgescheiden; het overblijvende
vloeibare deel noemt men eleopt.
Hij de meeste zuurstofvrije aetherische oliën ligt het soortelijk
gewicht tussclien 0,K5 en 0,95; deze zijn dus lichter dan water;
de zuurstofhoudende aetherische oliën zijn soms zwaarder dan
water o. a. oleuni caryophyllornni. Van de aetherische oliën
zijn slechts enkele van nature gekleurd, n.1. oleuni absinthii
en oleuni chamomillae, de eerste is groen, de tweede blauw
van kleur. De groene kleur van oleum cajuputi en oleuni
bergamottae wordt veroorzaakt door opgelost chlorophyl, bij
de eerstgenoemde olie soms ook door koperverbindingen. Stelt
men aetherische oliën bloot aan de inwerking van licht en
lucht, dan worden zij dikvloeibaar en taai, zij verharsen,
zooals men dit noemt. Men beware aetherische oliën in kleine,
zooveel mogelijk gevulde lleschjes, van hot licht afgesloten.
In water zijn aetherische oliën weinig oplosbaar, vandaar ook,
dat de meeste onzer aromatische wateren troebele vloeistoften
zijn. die vóór het gebruik geschud moeten worden, ten einde
de olie, die is afgescheiden, zooveel mogelijk te verdeden,
(ioede oplosmiddelen voor aetherische oliën zijn: alcohol,
aether. chloroform, zwavelkoolstof en vette oliën. Druppelt
men aetherische oliën op papier, dan geven zij een door-
schijnende vetvlek, die hij staan of bij zachte verwarming weer
verdwijnt. Zijn de oliën verharst, dan blijft een ondoorschijnende
vlek achter, zijn zij vermengd met vette oliën, dan blijft de
vlek doorschijnend.
Naar hare samenstelling worden de aetherische oliën onder-
scheiden in:
1.    Zuurstofvrije oliën, terpenen of camphenen.
2.    Zuurstof bevattende aetherische oliën,
3.    Stikstofbevattende           „              „ ,
4.    Zwavelbevattende            „              ., .
-ocr page 241-
221)
1. Onder terpenen verstaat men een aantal aetherische
oliën, die tot algemeene formule n(Cr,lIs) hebben. Hun /kook-
punt ligt tusschen 150° en 2ö0°, hun soortelijk gewicht tiTsscnen
0,840 en 0,890. Q^rengt men de terpenen in aanraking met
jodium, dan wordt er waterstof aan onttrokken tm ontstaan,
onder ontploffing, joodwaterstof en paracymol:
C10H16 2.J = 2H.T C10H14.
Lost men jodium op in een aromatisch water, met behulp
van KJ bijv., dan heeft deze inwerking langzaam onder ont-
klejwrrfg plaatsT7
                                                                       , \' t/&
Tot deze reeks van aetherische oliën hehooren: \'j i/Vt**\' $ cr?l
Oleum terebinthinae, welke wordt bereid door destillatie
van TIe terpentijn," welke bij insnijding uit de stammen van
verschillende J\'inussoorten wordt verkregen. Bij deze destillatie
vervluchtigen het water en de terpentijnolie, terwijl de colo-
phonium achterblijft. De aldus verkregen olie is de gewone
terpentijnolie. Dit is een heldere, licht bewegelijke vloeistof,
met een eigenaardigen reuk. Stelt men de olie bloot aan licht
en lucht, dan verharst zij onder opname van veel zuurstof, die
daarbij in ozon wordt overgevoerd. Dergelijke ozonhoudende
terpentijnolie dient als tegengift bij vergiftingen met phosphorus.
Uit deze gewone terpentijnolie laat de Pharmacopee oleum
terebinthinae depuratum
bereiden, door 100 deelen olie met
400 deelen water te vermengen en daarna voorzichtig te des-
tilleeren tot ongeveer 3/^ van de olie is overgegaan. Men ver-
krijgt dan een heldere, kleurlooze, neutrale olie, die met 4
vplumina spiritus eene heldere oplossing geeft.
MVanneer men terpentijnolie langzaam mengt met 5-*/o sterk
zwavelzuur, het mengsel gernimen tijd laat staan en daarna
destilleert en van mogelijk aanhangende zure producten zuivert,
verkrijgt men terebenum, C^Hk;, een lichtgele, naar thijm
riekende vloeistof, die weinig oplost in water, iets beter in
alcohol en zeer gemakkelijk in aether. Dit praeparaat wordt
soms gebruikt inplaats van oleum terebinthinae, daar het niet
onaangenaam riekt en minder brandend smaakt.]
"Wanneer men terpentijnolie, met weinig water vermengd,
geruimen tijd aan zich zelven overlaat, scheiden zich daarin
somtijds kristallen af van terpinhydraat, hydras terpini,
-ocr page 242-
230
G10ll1(j 3H20.[Spoediger en gemakkelijker ontstaat deze vér-
binding, wanneer men 4 deelen oleum terebinthinae depuratum
mengt met 3 deelen alcohol en 1 deel salpetemiur en het
mengsel op platte borden eenige dagen laat staan. J)c verkregen
kristallen worden dan verzameld, tusschen filtreerpapicr geperst
en uit alcohol omgekristalliseerd. Ten einde al het zuur te
verwijderen, voegt men aan den alcohol wat alkali toe. Terpin-
hydraat vormt groote, kleurlooze en reukelooze kristallen, die
oplossen in 250 deelen water van de gewone temperatuur, in 10
deelen alcohol, in 100 deelen acther en in 200 deelen chloroform.
Destilleert men terpinhydrrfat met verdund zwavelzuur, dan
verkrijgt men terpinolum, een aangenaam naar hyacinthen
riekende olie, die gemakkelijk oplost in alcohol en aether.
Behalve als geneesmiddel wordt deze stof soms ook aanbevolen
als reukcorrigens voor jodoform.
Laat men joodwaterstofzuur inwerken op terpinhydraat, dan
ontstaat terpinjoodhydraat. (\'i()H]0.2HJ, dat onder den naam
chroatolum in de geneeskunde wordt gebruikt. Deze stof komt
voor in groenachtig gele, aromatisch riekende kristallen, die
onoplosbaar zijn in water en gemakkelijk oplossen in alcohol,
atffher en glycerine^
                 / , ^ c ,,, //;( r c*Q
Oleum citri is een dun vloeibare, lichtgele olie, die uit de
versehe vruehtschil van Citrus limonum door uitpersing wordt
bereid. De olie riekt aangenaam en lost in minder dan 0
volumina sterken spiritus op. De olie welke door destillatie
met water van de uitgeperste citroenschillen wordt verkregen,
is van mindere kwaliteit. JsiA,\\C i-i tl\'la \' °&.
Oleum bergamottae wórdt verkregen door uitpersing van
de versehe vruehtschil der z.g. bergamotappels, de vruchten
van Citrus bergamia. In zuiveren toestand is het een bleekgele
olie, meestal echter is de kleur geelgroen door opgelost chloro-
phyl. De reuk is aangenaam, de smaak"bitter-aromatisch.
Oleum aurantiorum, oleum corticum aurantiorum,
wordt eveneens door uitpersing bereid van de versehe oranje-
schil, de vruehtschil van £i^s_vulgariti. Do olie is neutraal,
lichtgeel, aangenaam van reuk, zwak bitter van smaak en
oplosbaar in ongeveer 7 deelen spiritus fortior. Ui/^-cv^^4i^c^0
Behalve in de vruehtschil bevat Citrus vulgaris nog een zeer
-ocr page 243-
231 , , *^,:b^^(^
•welriekende olie in de bloemen; deze olie is bekend onder de
namen oleum f lorum aufantii, oleum naphae, oleum neroli
en wordt voornamelijk in de parfumerie gebruikt. In de phar-
macie gebruikt men nu en dan nog aqua florum aurantii,
aqua naphae,
verkregen door destillatie van de versche
bloemen met water. Voegt men bij aqua naphae salpetemvur.
dan ontstaat eene roode kleur.
          &ei$- \'r {/{ci/l** •)
Oleum rosmarini wordt door destillatie bereid uitliet bloeiend
kruid van Rosmarinus officinalis. De olie riekt naar kamfer, is
kleurloos of lichtgeel en oplosbaar in een half volumen sterken
spiritus. De olie vormt een bestanddeel van sapo aromaticus.
Oleum lavandulae is een heldere, lichtgele olie, die door.\'\'
^^destillatie bereid wordt uit de bloemen van Lavandula vera:_ Zij ^ ./^
e*1 as. in elke verhouding oplosbaar in spiritus. Eene oplossing van~. /o.
„•/ v-1 deel olie in 99 deelen spiritus dilutus is de spiritus lavan-
. dulae, welke wordt gebruikt bij de bereiding van sojutio,
arseniitis kiiliei coiuposita en van spiritus saponatusrt *.• •\' \' -\'-fc<i
Oleum eucalypti wordt yerkreggn uit lblia eucalypti, de,
bladeren van Euralyptus globuhisf het is eene lichtgele olie, die
sterk aromatisch, min of meer naar kamfer riekt. In hoofdzaak
bevat deze olie eucalyptol, C10HlsO, eene kleurloo/.e vloeistof,
die bij 17<>°—177° kookt en onoplosbaar is in watei\\ ITet lost
goed op in absoluten alcohol, in aether, chloroform en vette
oliën. [Laat men op eucalyptol zoutziuugas inwerken, dan
ontstaat eucalypteol, C10Hlr,2HCl, als klcurlooze, parelmoer-
glanzende plaatjes, die onoplosbaar- zijn in water, maar goed
oplossen in alcohol, aether en chloroform.
Brengt men eucalyptol en resorcine in de warmte bij elkaar,
dan ontstaaf^eücalyptoresorcinum als wit, kristallijn poeder,
dat oplost in alcohol, aether en chloroform en nu en dan als
aatïsepticum wordt aanbevolehTJ
Tot deze groep van terpenen behooren verder:               -£-i[n^^
Oleum spicae, welke verkregen wordt uit Lavaridula spkih,
Oleum cubebae, uit de vruchten van Cubeba ojfir.inarum.
Oleum balsami copaivae, de aetherische olie, die naast
hars in copaivabalsem voorkomt.
Oleum macidis, foelieolie, verkregen door destillatie van
foelie, den zaadniantel van Myristica fraqrans. - t • >.; \\-LC-\'(C~<£
-ocr page 244-
232
O \' /
Oleum majoranae, uit bloeiende Origanum majoraria,
Oleum calami, uit den gedroogden wortelstok van Acorus
calatnu». ( -,
i "i.."
                                                                   • y . . ,r
Oleum juniperi, uit de vruchten van Juniperus communis,
Oleum sabinae, uit de jonge toppen van Sabma offirinalw,
eene vergiftige aetherische olie.
                                        /r-
Oleum myrti wordt verkregen door destillatie van de bladeren
van Myrtus communis met waterdamp. Door rectificatie van
deze olie verkrijgt men oleum myrti rectificatum, myrtolum,
eene kleurlooze, aromatisch riekende vloeistof\'.
2. De zuurstofhoudende aetherische oliën bestaan uit
een mengsel van terpenen en een zuurstofbevattend bestand-
deel, van het laatste komt de grootste hoeveelheid voor. Is dit
O-houdend bestanddeel vast, dan scheidt zich uit de olie bij
afkoeling een stearopt af, is dit vloeibaar, dan blijft de olie,
ook bij zeer sterke afkoeling, nog vloeibaar. Het s.g. van deze
oliën is liooger dan dat der terpenen.
           •• j         \' ."! ;;.C
Oleum anisi, anijsolie, wordt verkregen uit anijsvruchten,
de vruchten van Pimpinella anymm; de olie is kleurloos of
lichtgeel, zoetachtig en eigenaardig aromatisch van smaak. Rij
W stolt zij tot een kristallijne massa, die eerst bij lö° weder
begint te vofvloejea. De olie bestaat n.1. voor ongeveer 1)0 o 0
uit anethol, CiJH^O, dat voorkomt in witte, glinsterende
kristallen, die rieken en smaken naar anijsvruchten, zij smelten
bij 21°—22\'. Anijsolie is een bestanddeel van solutio am-
moniae spirituosa anisata,
welke men bereidt door 4 deelen
anijsolie op te lossen in 7<> deelen spiritus fortior en bij deze
oplossing 20 deelen ammonia te voegen. Lost de olie in het
koude jaargetijde niet volkomen in den spiritus op, dan ver-
warmt men zacht.
Door destillatie van de vruchten van Illicium anisatum ver-
krijgt men oleum anisi stellatum, eene kleurlooze of lichtgele
olie, die in hoofdzaak dezelfde bestanddeelen bevat als oleum
anisi, in den regel echter minder anethol, waardoor zij niet
zoo spoedig vast wordt.
Oleum foeniculi wordt door destillatie van de vruchten van
Foeniculum capillaceum met water verkregen. Het is eene kleur- •
ïööze of lichtgele olie, die ongeveer <>000 anethol bevat, naast
-ocr page 245-
2*!
fenchon, C10H1(jO, dat, met anethol gemengd, aan de olie den
eigenaanTigen reuk geeft. De olie lost in een balt\' volumen
spiritus fortior op. .
Oleum caryophyllorum wordt verkregen door destillatie van j-
de gedroogde bloemknoppen van Evgcnia cnri/ojthi/llath.\' Jri
verschen toestand is de olie bijna kleurloos, maar langzamerhand
wordt zij geel en eindelijk roodbruin. Met spiritus fortior geeft
zij in elke verhouding een belder mengsel. De olie bestaat voor
ongeveer 90<>/0 uit eugenolfTioHiaOo, een kleurlooze vloeistof,
4ie—h«4—natronloog ~e4m--gclc>- krLstttllijne- massa, vomit. [ 31 et
jodium verbindt eugenol zich tot joodeugenol, een gele. reuke-
looze stof, die onoplosbaar is in water. De verbinding van euge-
nol met benzoëzuur, benzoas eugenoli, benzoyleugenol,
komt in kleurlooze bittersmakende naaldjes voor. die in alcohol,
aether, chloroform en aceton oplossen; dezelfde eigenschappen
heeftp.olr\'de verbinding van eugenol met kaneelzuur vcinna^\',,
mylas eugenoli, cinnainyleugend1r7\';\'\'/,"lAr;{& t•\',- .**.\':\',. f#
Oleum cajuputi is eene geelachtige of lichtgroen gekleurde
olie, welke/Wordt bereid door destillatie van de versclie binden
van Melaleiilat\'mmor. De reuk is eigenaardig, doordringend naar
rosmarijn en kamfer. In elke verhouding geeft zij met sterken
spiritus een helder mengsel. De groene kleur van deze olio"v>s^
wordt voornamelijk, zooals wij reeds opmerkten, veroorzaakt
door de aanwezigheid van koperverbindingen. Ten einde de
olie hiervan te bevrijden, destilleert men haar met water, men
verkrijgt dan een heldere, kleurlooze of lichtgele olie. die onder
den naam oleum cajuputi depuratum in de l\'harmacopee
wordt beschreven.
Oleum menthae piperitae wordt o. a. in Engeland, Duitsh-
land en Xmêl\'ïklï"\'door destillatie met water bereid uit het
peperniuntkruid, de bladen en stengels van Mentlia piperita.
Het is een kleurlooze of lichtgele olie, die eigenaardig riekten
smaakt en bij inademing op de tong een gewaarwording van
koude veroorzaakt. In spiritus fortior moet de olie in elke
verhouding oplossen, liet hoofdbestanddeel van deze olie is
mentbol, mentholum, C^H]./)!!, dat o. a. bij sterke af koeling
van de olie uitkristalliseert. Het komt voor in kleurlooze,
glanzende, prismatische kristallen, die naar pepermuntolie
-ocr page 246-
234
rieken en smaken. Zij smelten bij 48\', zijn gemakkelijk op-
losbaar in alcohol en aether, moeielijk in water. Wanneer men
menthol op een waterbad smelt en in conische vormen uitgiet
verkrijgt men de z.g. stili mentholi, mentholstiften van het
Supplement, die onder don naam van migrninesiiften worden
aangewend. t^H^^ /W**th*M- f\'^ • ^^iM^."^*«4
/""Door samensmelten van 1 deel phenol en 3 deelen menthol
Verkrijgt men eene kleurlooze vloeistof, die als antisepticum
onder den naam menthophenolum wordt gebruikt.
Validoium is eene verbinding van menthol met valeriaanzuur,
waaraan nog ongeveer 30 °/o vrij menthol is toegevoegd. Validol
is eene kleurlooze; stroopachtige vloeistof met aangenamen reuk
en verkoelrrhdcn smaak, welke nog grootere hoeveelheden mcn-
ttKrfkan oplossênTT
Oleum rosarum is de zeer aangenaam riekende, vluchtige
olie, welke door destillatie van de versche bloembladen van
inr,r»*Rosa damascena.wordt verkregen. De olie is kleurloos, iets be-
neden de gewone temperatuur scheiden zich naald- of plaat-
vormige. reukclooze kristallen af van vaste koolwaterstoffen
der vetzuurreeks; wordt de temperatuur nog iets lager dan
vormt de olie eene brijachtigo massa, die echter dooi\' zeer zachte
verwarming weder smelt. Het bestanddeel van de olie, dat
bij afkoeling vloeibaar blijft, is rhodinol, CjoHigC), en dit
bezit in hooge mate de geur van de olie. De olie geeft met
sterken spiritus een troebel mengsel, voornamelijk doordat de
koolwaterstoffen in alcohol niet oplossen. Om deze reden laat
de Pharmacopee voor de bereiding van aqua rosarum het
mengsel van olie en spiritus filtreeren; het filtraat bevat dan
het rhodinol en dit wordt door omschudden onder water verdeeld.
t - Tot de minder belangrijke oliën^van deze groep behooren:, •
W^vC 0leum4hymi, verkregen uit TKymus vuÜjaris. \'y\'-"\',:f/(\'\'/i\'(/>
Oleum menthae crispae, verkregen uit Jïenlha aquafha,.
Oleum chamomillae, eene blauw gekleurde olie, verkregen
door destillatie van de versche bloemen van Matrkariachamomilla.
Oleum absynthii, eene groene olie uit Artemisia absinthium^;/
Oleum valerianae uit den wortel van Valeriana officinalw^,. ,
8. De stikstofhoudende aetherisehe oliën zijn voor ons niet
van belang.
-ocr page 247-
2%
4. Van de zwavelhoudende vluchtige oliën is voor óns alleen
van belang oleum sinapis, welke reeds pair. 192 besproken is.
KAMFERSOORTEX.                                               /
In de scheikunde verstaat men onder kamfers eenige uit C,
II en 0 bestaande, eigenaardig riekende kristallijne stoffen.
die zich bij afkoeling van zuurstofhoudende aetherische oliën
afscheiden. Behalve onze gewone kamfer behoort tot deze groep
o. a. het reeds besproken menthol.
^amphora. CwHir.O. kamfer, komt in alle deelen vanden
kamferboom, Cinnamomum ram/thora, voor, maar wordt voor-
namelijk uit het hout verkregen. In oudere hoornen komt de
kamfer in kristallijnen toestand voor, in jongere vindt men
kamferolic. oleum camphorae, waarin de kamfer door een
terpeen in oplossing wordt gehouden. Men verkrijgt de kamfer
door het hout met waterdamp te destilleeren en den damp af
te koelen, waarbij zich de kamfer afzet. Deze ruwe kamfer laat
men afdruipen en brengt haar van China en Japan uit in den
handel. In Europa wordt zij door sublimatie gezuiverd (geraffi-
neerd) in ronde kolven van glas of ijzer, waar zij zich boven tegen
de wanden afzet. Wanneer men deze kamfer uit de kolven ver-
wijdert, verkrijgt men haar in ronde brooden met ecne ronde
opening in het midden, welke opening correspondeert met den
hals van do kolf. Kamfer komt voor in kleurlooze, doorschijnende
stukken, die eigenaardig aromatisch rieken en een brandenden
smaak hebben. De flesschen, waarin kamfer bewaard wordt, zijn
in den regel aan de binnenzijde bedekt met glanzende kristallen,
door vervluchtiging van den kamfer ontstaan. In water is kamfer
niet oplosbaar, wordt het voor inwendig gebruik met waterige
vloeistoffen voorgeschreven, dan emulgeert men het met zijn
tienvoudig gewicht aan gompoeder. Wanneer men stukjes kamfer
op water brengt, blijven zij voortdurend in eene draaiende bewe-
ging, die ophoudt, zoodra het oppervlak van het water een spoor
vet bevat. In aether, chloroform, spiritus en olie is kamfer goed
oplosbaar. Eene 10% oplossing van kamfer in spiritus dilutus
wordt gebruikt als solutio camphorae spirituosa; men he-
reidt haar door omschudden of door den kamfer, in een stukje
muil gewikkeld, in de flesch met spiritus te hangen, zóó, dat
-ocr page 248-
236
de kamfer zich oven onder het oppervlak van den spiritus
bevindt. De oplossing van kamfer in olijfolie is bekend als oleum
camphoratum
, men bereidt haar het best door de kamfer en
de olie tot 70\' te verwarmen in een gesloten flesch en de op-
lossing door sterk schudden te bewerkstelligen. Na afkoeling
filtreert men de olie door een gedroogd filter.
Wanneer men stukken kamfer tot poeder wil brengen, ge-
schiedt dit het gemakkelijkst onder toevoeging van enkele
druppels aether of spiritus. Wrijft men de kamfer zonder die
toevoeging, dan vormt zij weer klonters.
Eene oplossing van 1 deel collodiumwol in 4(1 doelen eener
alcoholische kamferoplossing is bekend onder den naam cam-
phoïd
, het wordt inplaats van collodium gebruikt. Voegt men
broom bij fijngewreven kamfer en verwarmt op een waterbad,
dan ontstaat onder ontwikkeling van HBr camphora mono-
bromata,
CioH^BrO, broomkamfer. Deze stof komt voor in
doorschijnende, glanzende, naaldvormige kristallen, die kamfer-
achtig rieken en onoplosbaar zijn in water. In alcohol, aether,
chloroform, vette olie en benzol lost broomkamfer gemakkelijk
op. Het s. g. van de kristallen bedraagt ± 1,44. Zij zinken dus
in water, terwijl kamfer op water drijft.
Kookt men kamfer geruimen tijd met salpeterzuur, dan ont-
staat kamferzuur, acidum camphoricum, Ci0H14(COOH)2.
Dit zuur komt voor in kleine^^grhTsterende kristallen, die in
140 deelen water, in. W\'deelen aether en in 1 deel sterken
spiritus oplossen; ook in vette oliën lossen zij op. De waterige
oplossing reageert sterk zuur.
Door oxydatie van kamfer verkrijgt men oxycamphora, oxa-
phor,
in kleurlooze, goed oplosbare kristallen, die echter ge-
makkelijk ontleden. Tegenwoordig komt deze stof alleen in 500/n
alcoholische oplossing in den handel als solutio oxycamphorae.
De borneokamfer, borneol, C10H17OH, welke gevonden
wordt in holten van oude stammen van Dryobalanops camphora,
köflït met de gewone kamfer in eigenschappen zeer veel overeen.
IIAHSEN.
Onder den algemeenen naam harsen, resinae, vat men in
de chemie eene groep van nog slechts weinig bekende stoffen
-ocr page 249-
^37
samen. Zij komen voornamelijk in het plantenrijk naast ae-
therische oliën voor. In het dierenrijk vindt men als harsen
castoreum en moschus. In vele planten komen de harsen in
afzonderlijke kanalen voor, in andere gemengd mot gom en
plantenslijm. In enkele gevallen vloeit de hars gemengd met
aetherische olie van zeil\' naar buiten, in de meeste gevallen
echter is het noodig, dat men de planten insnijdt. Aan de lucht
blootgesteld, worden zij hard. .Soms is het noodig ter verkrijging
van de harsen het plantendeel met alcohol uit te trekken en
den alcohol af te destilleeren.
Naar hunne uitwendige kenmerken onderscheidt men de
harsen in balsems, harsen, gom harsen en fossiele
harsen 1).
Balsems, balsama, zijn mengsels van hars en aetherische
olie: gewoonlijk verkrijgt men ze door stammen of takken in
te snijden, de balsem vloeit dan uit.
Tot deze groep van stollen behooren:
Balsamum copaivae, copaivabalsem, eone heldere dun-
of dikvloeibare, geclbruinachtige vloeistof, gevloeid uit verwonde
stammen van Copaifera officinalis en andere Copaiferasoorten.
Balsamum peruvianum, perubalsem, wordt verkregen
door den gedeeltelijk geschilden stam van Toluifcra jiercira te
roosten. Het is eene zwartbruine, zalfachtige, niet kleverige
vloeistof, die aangenaam naar vanielje of benzoë riekt.
Balsamum tolutanum, tolubalsem, is het hard geworden
sap, gevloeid uit den verwonden stam van Toluifera balsamum.
Het is een bruinroode massa, die reeds bij zachte warmte week
wordt en bij de gewone temperatuur tot een geelachtig poeder
kan worden gewreven.
Styrax liquidum, storax, is een dikvloeibare, kleverige,
bruingrijze balsem, die bereid wordt uit den bast van Liqui-
dambar oriëntale.
De reuk is aangenaam, aromatisch.
Terebinthina, terebinthina veneta, is de balsem, welke
vloeit uit den verwonden stam van Larix decidua. Het is eene
!) Voor eene uitvoerige beschrijving dezer stoffen verwijzen wij naar het
2e deel van dit werkje.
-ocr page 250-
238
dikke, geelachtige, doorschijnende vloeistof, die naar terpen-
tijnolie riekt en bitter smaakt.
Harsen in engeren zin, resinae, zijn broze, amorphe
lichamen, die schelpvormig, doch niet kristallijn op de breuk
zijn. Zij zijn gemakkelijk tot poeder te wrijven; bij verwarming
smelten zij en verspreiden vooral dan een eigenaardigen reuk,
die voornamelijk moet worden toegeschreven aan bijgemengde
aetherischc olie. In water lossen zij niet op, wel in alcohol,
aether, aetherische olie, chloroform, zwavelkoolstof en benzol.
Tot de harsen behooren :
Resina pini, een gewoonlijk onzuivere hars, die verzameld
wordt van Pinv» ahies, wanneer de terpentijn er uitgevloeid
is. Zij komt voor in onregelmatige gele of roode stukken, die
eerst kleverig zijn, maar langzamerhand hard worden. Kookt
men deze hars met water uit, ter verwijdering van onzuiver-
lieden, dan vormt de rest, die achterblijft, eene witte of geel-
achtige massa, welke als pixalba, resina al ba, in den handel
komt.
Colophonium, hars. vioolhars, blijft over na de destillatie
van terpentijnolie» uit terebinthina. Het komt voor in geelachtige
tot hclderbruine stukken, die doorschijnend zijn en tot poeder
kunnen worden gewreven. In verwarmden spiritus dilutus lost
de hars geheel op; bij verwarming op een waterbad moet zij
smelten.
Benzoë verkrijgt men door uitvloeiing uit den verwonden
stam van Stijrar benzoin als eene grijs- of roodhruinachtige, ge-
makkelijk fijn te wrijven massa, waarin men veelal melkwitte
korrels of klompjes aantreft. Benzoë riekt aangenaam naar
vanielje.
Sanguis draconis, drakenbloed, is een bruinroode, dik-
wijls in stangen voorkomende hars, die vrijwillig vloeit uit de
vruchten van Calamus dram of Daemonorops draco.
Resina guajaci, guajakhars, wordt v.n. in West-Indië
verkregen door pokhout, d. i. het kernhout van Guajacum
qflicinale
met water uit te koken. Het is een donkergroene tot
bruinzwarte massa. Lost men de hars op in spiritus en voegt
daarbij een oxydatiemiddel, clan wordt de kleur van de bruine
spiritueuze oplossing blauw.
-ocr page 251-
23!)
Mastix wordt verkregen door den bast van Pistadn lentiscus
in te snijden. Het komt voor in ronde, kleine, gele, van buiten
bestoven korrels, die bij bet kauwen week worden.
Sandaracca vloeit vrijwillig uit den stam van Callitris quadri
valvis
en komt voor in langwerpig ronde, gele, bestoven korrels,
die bij liet kauwen niet week worden.
Resina dammarae komt van Dam ma ra orientalis en vormt
groote, kleurlooze, doorschijnende, roode stukken, die gemak-
kelijk lijn te wrijven zijn.
Elemi is het harshoudend sap van verschillende planten
behoorende tot de familie der Bumeraceae. Van de verschillende
handelssoorten van deze bars (West-Indisch, Braziliaansch,
Afrikaanscb, Manila), wordt tegenwoordig bij ons bijna
uitsluitend de Manila-Elemi gebruikt. Oorspronkelijk is de
hars week, wit, gelijkend op honig; aan de lucht wordt zij
vast en geel van kleur. Het elemi komt voor in onregelmatige
stukken, die reeds bij de lichaamstemperatuur week en kleverig
worden. De reuk is naar citroen en venkel.
Lacca, schellak, ontstaat op de takken van verschillende
Oostindische planten (Croton laccifera, Butea /rondom e. o,.) door
den steek van den schildluis, Coccus lacca, als een bruin roode
bars, welke de dieren zelve en hunne eieren omhult en tenge-
volge daarvan de oppervlakte der takken omgeeft met een
wratachtige korst. Deze takken komen in den handel als lacca
in baculis;
de hars, die hiervan wordt afgeklopt, komt alleen in
den handel als lacca in granis. Deze hars wordt door afwasschen
met verdunden loog van een groot deel der kleurstof bevrijd
en komt dan in dunne platen, als lacca in tabulis in den
handel.
Resina jalapae, jalappehars, wordt uit poeder van jalap-
pewortel door deplaceeren mot alcohol en uitwassehen van de
hars, die na verdamping van den spiritus achterblijft, met water
bereid. Het is een geelbruine hars, glanzig op de breuk en
gemakkelijk tot poeder te wrijven.
Resina scammoniae wordt op dezelfde wijze als jalappehars
bereid uit den wortel van Convolvului scammoniae, deze hars is
bruingroen van kleur.
Resina podophylli, podophyllinum wordt op ongeveer
-ocr page 252-
\'240
dezelfde wijze als resina jalapae bereid uit den wortelstok van
Podophyllum peltatum. Het is een licht, geelachtig grijs of bruin-
achtig poeder.
Gummi-resinae, gomharsen, zijn mengsels van hars.
plantenslijm en aetherische olie. Mengt men ze met water,
dan ontstaat eene troebele, melkachtige vloeistof (gomhars-
enmlsie), waarin de hars door het plantenslijm is verdeeld.
In alcohol lost de hars op en het plantenslijm niet.
Ammoniacum, ammoniakgom, is het gomharshoudend
sap uit den stengel van Dorema ammoniacum gevloeid en aan
de lucht hard geworden. Het vormt geel- of bruinachtige stukkon
en korrels, die in de warme hand week en door koude broos
worden. In de receptuur gebruikt men ammoniacum depu-
ratum, dat men verkrijgt door ammoniacum boven ongebluschte
kalk te drogen, of in de koude te laten hard werden, te stampen
en te ziften. De onzuiverheden blijven dan achter.
Asa foetida, duivelsdrek, is bet gomharshoudend sap van
Ferula worodosma en F. narthex; het komt voor in korrels of
grootere stukken, die geelbruin zijn, op de versehe breuk wit-
achtig, naderhand purperachtig en eindelijk bruinachtig. De
reuk is knoflookachtig, niet aangenaam.
Galbanum, moederhars, afkomstig van Ferula galbaniflua
en F. rubricaulis, komt voor in afzonderlijke of saniongekleefde
korrels, die geelachtig of groenachtig van kleur zijn.
Ook asa foetida en galbanum worden in de receptuur uit-
sluitend in gezuiverden toestand gebruikt.
Olibanum, wierook, is afkomstig van Boxwcllia carieri en
komt voor in geelachtigwitte of roode korrels, die wasachtig
op de breuk zijn. De reuk is eigenaardig, vooral bij \'t verbranden.
Myrrha, myrrhe, is bet gomharshoudend sap van Balsamea
myrrha,
dat uit den stam en de takken gevloeid on aan de
lucht hard geworden is. Het komt voor in gele of roodbruine
stukken met een bestoven oppervlakte. De reuk is aromatisch,
de smaak scherp en bitter. Met water aangewreven geeft myrrha
een lichtgele emulsie en lost daarbij voor ongeveer twee derden
op. In spiritus fortior is ongeveer 1/3 oplosbaar.
Euphorbium is liet verbarste melksap van Euphorbiaresinifera
on komt voor in onregelmatige, reukelooze stukjes, die meestal
-ocr page 253-
241
zijn voorzien van 2 of 3 gaten. Euphorbium is vergiftig; bij
het pulveriseeren denke men er aan, dat Let stof, behalve
vergiftigingsverschijnselen, ook heftig niezen veroorzaakt.
Gutti, guttegom, komt in den handel voor in cilinders, die
2—6 cM. dik zijn, van buiten een groengele kleur hebben en
oj» de breukvlakte bruingeel zijn. Met water aangewreven krijgt
men een gele, brandend smakende emulsie.
Fossiele harsen zijn tendeele te beschouwen als resten van
voorwereldlijke planten, tendeele als verharsingsproducten van
petroleum.
Succinum, barnsteen, is de fossiele hars, uitg scheiden
door Pinites sttccinifer. Het komt voor in stukjes van verschillen-
den vorm, die geel of geelrood zijn, broos en glanzend op de
breuk. Legt men ze op een gloeiend voorwerp, dan verspreiden
zij een eigenanrdigcn geur.
Asphaltum is een hars, die vermoedelijk ontstaan is door
verharsing van petroleum ; in zuiveren toestand komt het weinig
voor, in onzuiveren toestand dient het voor verschillende tech-
nische doeleinden.
HARSIIOrBENDE PLANTENSAPPEN.
Tot deze groep van organische stoffen brengt men mengsels
van harsen met in water oplosbare extractiefstoffen, enz. Zij
worden verkregen door plantensappen uit te dampen.
Aloë is het uitgedampte sap, afkomstig uit de bladen van
verschillende soorten van kaapsche aloëplanten (Aloë ajricana,
ferox,
enz.). Het is een donkerbruine, bijna zwarte massa met
een eigenaardigen reuk en een onaangenaam bitteren smaak.
Bij fijnwrijven verkrijgt men een geel poeder. Jn verdunden en
in sterken, warmen spiritus lost aloë geheel op.
Catechu, cachou, is het tot droog uitgedampte exf act van
Acacia catechu en Acacia suma. Het komt voor in baksteen-
vormige, zwartbruine, in bladen gewikkelde en met bladen
doorsneden massa\'s. De smaak is samentrekkend, eenigszins
bitter.
Lactucarium is het melksap van Lacluca virosa, dat men
verkrijgt door van de plant, zoodra zij bloeit, den bloempluim
schröder en DE zaaijkb, Srlieihmde.                                             16
-ocr page 254-
242
af te snijden en liet uitvloeiende melksap in nappen of kommen
op te vangen. Den volgenden dag wordt van den stengel weer
een schijfje afgesneden en het melksap verzameld; dit wordt
eiken dag herhaald, ongeveer van Mei tot September. Het
melksap droogt in de vormen en wordt er naderhand, in 4 of
<S stukken gesneden, uitgenomen, welke stukken dan den vorm
hebhen van holsegmenten. Zij zijn geelbruin van kleur, vergiftig;
de maximaaldoses zijn: .\'500 mgr. en 1 gram.
PYBIDINEVERBINDINGEN.
De verbindingen van deze reeks kunnen worden afgeleid van
pyridine, C5H5N, eene stof, die opgevat kan worden als benzol,
CfiHg, waarin ééne groep (\'H is vervangen door N. De struc-
tuurformulc zal dus worden :
H
i
H—C C—H
I                      II
H—C         C—H
^ /
X
Deze verbindingen zijn in zoover voor ons belang, dat met
pyridine en chinoline (zie later) de meeste alkaloïden in chemisch
nauw verband staan. In deze reeks van verbindingen hebben
we achtereenvolgens:
Pyridine, C5H5N;
Picoline, (\'6H7X;
Lutidine, C7H9N;
Collidine, C8HnX enz.
Van pharmaceutisch belang zijn de volgende verbindingen:
Pyridinum, ontstaat bij de droge destillatie van vele stikstof-
bevafFëndc organische stoffen en is o. a. een bestanddeel van
oleum animale. Het is een kleurlooze, eigenaardig onaange-
naariï riekende vloeistof, die in elke verhouding mengbaar is
met water en alcohol. Met zuren vormt pyridine zouten, waar-
van o. a. gebruikt worden:
pNitras pyridini, kleurlooze, oplosbare kristallen en sulfas
-ocr page 255-
243
pyndini, dat ook goed oplosbaar is in water en alcohol. Wan-
neer ruen pyridine reduceert met waterstof in statu nascendi,
wordt dX dubbele binding opgeheven en ontstaat piperidinum:
H2
II
(\'
/ N
H,=C        (\'=H,
"I                  I
ir.,=c c=h,
\\ /
NH
als een sterk alkalisch reageerende, naar peper riekende vloei-
stof, die met alcohol en water mengbaar is.
Met guajacol verbindt het piperidine zich tot piperidine*
guajacolaat, guajaperolum, dat voorkomt in kleurlooze kiïs-
tallen, die in ongeveer 3 doelen, water oplossen en door zuren
en alkaliën ontleed worden.
Wanneer men in pyridine nog eene groep CH vervangt door
N, kan o. a. ontstaan pyrazinum:
N
// \\
HC
          CH
I                          II
HC          CH
S /
N
Door reductie van deze verbinding wordt de, dubbele binding
NH
y
\\
H2C
CH2
H2C
CH2
\\
/
NH
opgeheven en ontstaat het piperazinum, dat voorkomt in goed
oplosbare plaatvormige kristallen, die hygroscopisch zijn.\\
Aan piperazinum wordt het vermogen toegeschreven, gröote
hoeveelheden piszuur te kunnen oplossen.
                              \\
10*
s
-ocr page 256-
244
Door in piperazine 2 atomen H te vervangen door methyb
groepen en de verkregen stof aan wijnsteenzuur te ^binden,
ontstaat: lycetolum als wit, goed oplosbaar, kristallijn poeder,
dat inplaats van piperazine soms wordt aangewend.
Sulfaminolum (thiooxydiphenyl-amine) is een geel, reukeloos
en smakeloos poeder, onoplosbaar in water, oplosbaar in alcohol
en azijnzuur, gemakkelijk oplosbaar in alkaliën. Het wordt als
antisepticum, inplaats-van jodoform aanbevolen.
Bovendien is bet gelukt uit piperidine het piperinum, dat
voorkomt in " de vruchten van Piper nigrum, kunstmatig te
bereid_en. Piperine is een kleurlooze, kristallijne stof, die
rooéïelijk oplost in water, beter in alcohol.
Zooals wij reeds opmerkten komt pyridine o. a. voor in de
oleum animale, dierlijke olie. Dit preparaat wordt als bij-
product verkregen bij de droge destillatie van dierlijke stoffen,
bij de bereiding van ferrocyankalium, van dierlijke kool enz.
Het is eene dikachtige, zwartbruine, troebele vloeistof met een
eigenaardigen, zeer onaangenamen reuk (oleum animale
foetidum). Wanneer men deze olie zoolang destilleert als nog
een dunne, niet gekleurde vloeistof overgaat, is het destillaat
bekend als oleum animale empyreumaticum depuratum,
oleum comuscervi rectificatum, oleum Dippeliï, gezuiverde
brandig-dierlijke olie. Men gebruikt deze olie o. a. bij de
bereiding van sal cornus cervi (pag. ).
Behalve pyridine vindt men in de dierlijke olie, naast een
aantal andere producten, ook het pyrrol, C4H4N =
II
H
i
=
A
^:NH
(\'
=
C
Pyrrol is een kleurlooze, naar chloroform riekende vloeistof.
Vervangt men in deze verbinding de 4 atomen H, die aan de
C-atomen gebonden zijn door jood, dan ontstaat tetrajood-
uyrrol of jodolum, een g^eel, kristallijn reuk- en smakeloos
-ocr page 257-
245
-
poeder, dat in 5000 deelen water, in 3 deelen alcohol, in"15
deelen aether en in 50 deelen chloroform oplost.
Het wordt o. a. gebruikt inplaats van jodojbrm en bevat
bijna 89 0/0 jodium.
                                          ^
Door substitutie worden van pyrrol verschillende meest
nieuwere geneesmiddelen afgeleid, o.- \'a.:
Lisidinum, een sterk alkajiscli reageerende kristallijne stof,
die zeer hygroscopisch fe-én gemakkelijk oplost in water. Het
wordt als oplosmiddeT voor pisznur gebruikt. Injdaats van de
zuivere stof komt tegenwoordig eene 50 0/0 oplossing in den
handel. Ippïaats van deze verbinding gebruikt men thans het
zure jtetftraat van lysidine, dat een niet hygroscopisch, kris-
fijn poeder vormt.
Antipyrinum, (phenyldimethylpyrazolon) komt voor in
kleine, kleurlóóze kristallen, die in minder dan één deel
water, in 1 deel alcohol, in 1 deel chloroform en in 50
deelen aether oplosbaar zijn. Mot zuren verbindt het zich tot
zouten, als zoodanig verhoudt het zich dus als eene base,
het kleurt echter lakmoespapier niet. Door ijzerchloride wordt
zelfs eene zeer verdunde antipyrineoplossing nog roodgekleurd,
terwijl salpeterigzuur met eene verdunde antipyrineoplossing
eene blauwgroene verkleuring geeft en in eene geconcentreerde
oplossing eene afscheiding geeft van groene kristallen van z.g.
isonitrosoantipyrine, dat door sommigen een vergift wordt
genoemd. In elk geval is het raadzaam combinaties van anti-
pyrine met stoffen die salpeterigzuur kunnen afgeven, als nitris
amylicus en nitris aethylicus cum spiritu, niet gereed te maken.
Mengt men antipyrine met calomel, dan ontstaat eene zeer
vergiftige organische kwikverbinding.
Bij het vermengen van antipyrine met salicylas natricus
ontstaat na eenigen tijd eene olieachtige vloeistof.
Chloralhydraat en /?-naphtol geven eveneens bij het vermengen
met antipyrine olieachtige vloeistoffen.
Phenol geeft in antipyrineoplossingen een neerslag, evenzoo
tannine.
_De oplosbaarheid ^aji_coff\'eing en van kininezouten wordt
jlpor antipyrine verhoogd.
Van de antipyrine-verbindingen noemen wij:
-ocr page 258-
246
Salipyrinum, salicylas antipyrini, welke ontstaat door sali-
cylzuur (42,3 deelen) en antipyrine (57,7 deelen) op een waterbad,
onder toevoeging van eenig water te verwarmen, tot eene olie-
achtige vloeistof is gevormd. Dan verwarmt men verder tot het
water verdampt is, en laat afkoelen. De olieachtige vloeistof
wordt daarbij vast; ten einde de stof in kristallen te ver-
krijgen, lost men haar op in alcohol en laat langzaam kris-
talliseeren.
• Salipyrine is in 200 deelen water oplosbaar, beter in alcohol
en aether en gemakkelijk in chloroform.
Hypnalum, chloralantipyrine, ontstaat bij de vereeniging
van chloralhydraat met antipyrine als kleurlooze, gemakkelijk
smeltende kristallen, die in warm water gemakkelijk oplossen.
Tolypirinum wordt ook als antipyreticum gebruikt; het komt
voor in kleurlooze kristallen met een zeer bitteren smaak, deze
lossen in 14 deelen water op, gemakkelijk in alcohol en chlo-
roform, maar zeer moeielijk in aether. De verbinding van deze
stof met salicylzuur is bekend als tolysalum en komt voor in
kleurlooze kristallen, die moeielijk in water oplossen.
De verbinding van antipyrine met amandelzuur is bekend
onder den naam tussolum; t^ok deze verbinding is in water
en alcohol oplosbaar. Zooals de. naam reeds aangeeft, wordt
deze stof gebruikt tegen kinkhoest^ men mag haar echter niet
in melk geven of spoedig na de m)ialtijden, daar dan de ver-
binding wordt ontleed.
                        \\
Laat men chloorjood op antipyrine inwerken, dan ontstaat
jodopyrinum als kleurlooze, glanzende, jjrismatische naaldjes,
die moeielijk oplosbaar zijn in koud water\\en in alcohol.
Resopyrinum ontstaat als neerslag bij het vermengen van
waterige antipyrineoplossingen met waterige resbrcineoplossingen.
Het komt voor in kleurlooze, reukelooze kristallen met een
scherpen smaak, zij zijn onoplosbaar in water\\ oplosbaar in
alcohol, aether en chloroform.
                                 \\
Anilipyrinum ontstaat bij het samensmelten van \\ deel anti
febrinum en 2 deelen antipyrine als een wit, goed oplosbaar
kristalpoeder.
                                                                      \\
Tan nas antipyrini is een geel, parelmoerglanzend poeder,
dat onoplosbaar is in water, oplosbaar in alcohol en dat cloor
-ocr page 259-
247
zuren gemakkelijk ontleedt. Het is smakeloos en bevat 37%
antipyrine.
Pyrosalum is eene verbinding van antipyrine, welke ö00/0
antipyrine bevat, moeielijk oplosbaar is in water, alcohol en
aether.
Pyramidon, dimethylamidophenyldimethylpyrazolon,
wordt bereid uit isonitsosoantipyrine en vormt een geelacbtigwit
kristallijn poeder, dat bijna smakeloos is en in ongeveer 9 deelen
water oplost.
CHIXOLINEVERBINDINGEX.
Wanneer men in napbtaline één groep CH vervangt door N\',
ontstaat chinoline,. waarvan dus de struetuurlbrmule is:
T/j\'s) y\'-\'tt " j i f \' \' \' -;>
^ ^ hc ch
/\' \\ / S
HC C CH
I                      II                     I
HC C        CH
\\ / \\ S
C N
H
iJeae stof ontstaat o. a., wanneer men cinchonine ontleedt
door alkaliën en is eene lichtgele vloeistof met een aromatischen
reuk, welke op den duur onaangenaam wordt. In water lost
het moeielijk op, gemakkelijk in alcohol, aether, chloroform
en benzine. Chinoline wordt gebruikt als antisepticum.
Chinoline verbindt zich, evenals ammoniak en pyridine door
directe additie met,zuren tot zouten. Van deze zijn van belang:
Tartras chinolinf;x dat voorkomt in witte, min of meer
glinsterende kristallen, die zeer zwak naar benzaldehyde rieken
en weinig bitter smakenN^n 70 a 80 deelen water van de ge-
wone temperatuur lost het op, gemakkelijker in warm water,
verder lost het op in 150 deelehxalcohol en nog moeielijker in
aether.
                                               n.
Salicylas chinolini is een wit, kristallijn poeder, dat in
ongeveer NO deelen water oplost, maar gemakkelijk oplost in
alcohol, aether, glycerine, vaseline. vetten en vette oliën.
-ocr page 260-
24S
Hydrochloras chinoiini is zeer hygroscopisch, vervloeit aan
de l\\cht en smaakt zeer onaangenaam, daarom wordt deze
verbinaing niet gebruikt.
Laat inen op chinoline rookend zwavelzuur inwerken, dan
ontstaat chinolinesulfonzuur, C.ilLjX.SO^H; smelt men deze
verbinding \\met hydras kalicus. dan ontstaat oxychinoline,
(:„H6N.OH. \\
Van chinolirie worden o. a. de volgende geneesmiddelen
afgeleid:
             \\
Diaphterinum (oxychinaseptol), een antisepticum, dat
voorkomt in barnsteengele, doorschijnende kristallen, die ge-
makkelijk oplossen in water en in verdunden spiritus. Het
wordt gewoonlijk in 1/2 a 1 °/0 oplossing gebruikt, waarbij valt
op te merken, dat niet vernikkelde instrumenten door diaph-
terineoplossing met een £wart aanslaag bedekt worden.
Diaphtolum (chinaseptol) ontstaat bij inwerking van
rookend zwavelzuur op oxychinoline, het is dus een sulfonzuur
van oxychinoline en komt Voor in geelachtig witte kristallen,
die moeielijk oplossen in watfer. Diaphtolum wordt soms ge-
bruikt inplaats van salol.
           \\
Chinosolum is het kalizoutXyan oxychinolinesulfonzuur,
CuH5X(OH)(S03K)N en vormt eveneens gele kristallen, die in
water oplossen tot een adstringeerenct.smakende vloeistof, welke
als antisepticum wordt aangewend. In\\ spiritus en aether is het
onoplosbaar.
                                            \\
Argentolum is het zilverzout van oxychinolinesulfonzuur,
C9H5N(OH)SO;5Ag, en vormt een geelachtig, reukeloos poeder,
dat moeielijk oplost in water, alcohol en, aether. Het bevat
31,7 % zilver en wordt inplaats van zilvornitraat als antisepticum
aanbevolen. Men beware argentol van het liobt afgesloten.
Loretinum is chemisch op te vatten als oivchinolinesulfon-
zuur, waarin 1 atoom H is vervangen door J:\\
Ci)H4J.X(OH)S03H.
          \\
Het vormt een geel, kristallijn poeder, dat op jodoform ge-
lijkt maar reukeloos is. In water en spiritus van de gewone
temperatiu. lost ongeveer 0,5 o^ lorentine op. Het wordt in-
plaats van jodoform o. a. als strooipoeder gebruikt. \\
-ocr page 261-
24! I
Therrriifuginum, het natriumzout van methyltrihydro-
oxychinbHnecarbonzuur, wordt als antipyreticum gebruikt;
het komt voor in bijna kleurlooze kristallen, die gemakkelijk
in water oplossen. De waterige oplossing wordt spoedig bruin.
Kaïrinum (aethyl-kaïrinum, de chloor waterstof vrij e ver-
binding van oxychHiioleaethylhydruur) is een kleur- en
reukeloos kristalpoederS dat in 6 deelen water en in 20 deelen
alcohol oplost. Het wordt als antipyreticum aanbevolen.
Sulfas thallini, de zwavelzure verbinding van tetrahydro1
parachinanisol, is een geêlachtig-wit, kristallijn poeder, dat
in 7 deelen koud water, in 0,5 deel kokend water en in 100
deelen alcohol oplosbaar is. Als\' maximaaldoses van dit anti-
pyreticum worden aangegeven 0,5 gram per keer en 1,5 gram
per dag. De oplossing wordt door ijzerchloride groen gekleurd.
Het moet van het licht afgesloten worden bewaard.
Tartras thallini komt in eigenschappen met het voorgaande
zout overeen, het lost echter op in 10 deelen water.
Analgenum is een wit, smakeloos poeder, oplosbaar in
warmen alcohol en onoplosbaar in water.
         \\
Orexinum, phenyldihydrochinazoline, komt voor in
kleurlooze, bittersmakende, nioeielijk oplosbare kristallen, die
niet de onaangenaam prikkelende werking hebben vïrn hydro-
chloras orexini, dat voorkomt in kleurlooze, onopiosbare
kristallen.
Tannas orexini is een geelachtigwit, bijna smakeloos poedè"*
onoplosbaar in water, oplosbaar in verdunde zuren. Wegens denN
onaangenamen smaak van de beide vorige praeparaten wordt
dit tegenwoordig, wegens de smakeloosheid, meer aanbevolen.
ALKALOÏDEN.
Onder dezen algemeenen naam vat men in de scheikunde
een aantal organische stikstof houdende basen samen, waarvan
de nauwkeurige samenstelling grootendeels onbekend is. Toen
men ontdekt had, dat in vele planten organische basen voor-
komen, die in eigenschappen met de anorganische basen eene
groote overeenkomst vertoonen, noemde men elke alkalisch rea-
geerende stof, die uit planten was afgezonderd, een alkaloïde.
Van dit begrip is men echter langzamerhand teruggekomen, en
-ocr page 262-
250
tegenwoordig verstaat men onder alkaloïden in hoofdzaak de
plantenl »asen, die in chemisch nauw verhand staan met pyridine
en chinoline. Wij zullen ons bij de bespreking der verschillende
alkaloïden niet streng aan deze indeeling houden, maar ook
stoffen als coffeinum en theobrominum, ofschoon geen pyridine-
of chinolinederivaten, onder de alkaloïden bespreken, zij toch
komen in vele eigenschappen daarmede overeen.
De ontdekking der alkaloïden dateert van het begin dezer
eeuw, toen Serturner in 1805 uit opium het alkaloïde mor-
pliine isoleerde en daarvan de basische eigenschappen ontdekte,
doordat hij zag, dat het met zuren zouten vormde. Deze in
1M7 gepubliceerde ontdekking gaf aanleiding tot het onderzoek
naar alkaloïden in verschillende planten. Zoo ontdekte Robiquet
in 1817 naast morphine nog het narcotine in opium, Caventou
en Pelletier vonden in 1818 strychnine en in 1810 brucine
in seinen strychini, dezelfde onderzoekers vonden in 1X20 chi-
nine en cinchonine in kinabast. Sedert de ontdekking van het
morphine is er geen jaar verloopen of men heeft in verschillende
planten alkaloïden gevonden.
Voor de geneeskunde zijn deze ontdekkingen van overwegend
belang geweest. Immers men kon op grond hiervan inplaats
van de simplicia met hun wisselend gehalte aan werkzame
bestanddeelen, de alkaloïden als geneesmiddelen gebruiken,
zoodra was vastgesteld, dat deze in hoofdzaak, zoo niet alleen,
de therapeutisch werkzame bestanddeelen der simplicia waren.
Niet alle planten, die eene sterke physiologische werking ver-
oorzaken bevatten echter alkaloïden. In de uitgebreide planten-
faniilies der gramineae, labiatae en compositae treft men geen
alkaloïden aan. Hiertegenover echter staan de families der
solaneae en papaveraceae, bij welke men in elke plantensoort
een alkaloïde heeft gevonden. Zelden treft men dezelfde alka-
loïden aan in verschillende plantenfamilics, zooals berberinc;
meestal heeft elke planten familie hare eigen alkaloïden. Meestal
komen de alkaloïden in planten voor gebonden aan organische
zuren, als appelzuur en looizuur, in enkele gevallen echter aan
bijzondere zuren, zooals de opiumalkaloïden, die gebonden aan
meconiumzuur voorkomen, de kinaalkaloïden, die gebonden
aan kinazuur voorkomen. Zooals wij reeds opmerkten, is het
-ocr page 263-
251
alcaloïdgehalte der simplicia onstandvastig; eerst in de laatste
jaren is men er in de verschillende pharmacopeën toe gekomen
voor enkele belangrijke simplicia een bepaald gehalte aan
werkzame bestandtleelen voor te schrijven, in onze l\'harmacopee
is dit o. a. het geval bij opium, cortex chinae, cortex granati
en semen strychni, 4 -
                                 \'\' \' ^\'J •
De wijze, waarop alkoloïden uit de planten worden verkregen,
is afhankelijk van de eigenschappen der alkaloïden. De vluchtige
alcaloïden, als coniine en nicotine kunnen verkregen worden
door destillatie van het alkalisch gemaakte simplex. De niet
vluchtige alcaloïden worden gewoonlijk bereid door het extract
alkalisch te maken en met aether of chloroform uit te schudden.
De alkaloïden komen slechts in enkele eigenschappen met
elkander overeen, in vele eigenschappen verschillen zij aan-
merkelijk van elkaar. In \'t algemeen zijn de zuurstofvrije
alcaloïden vloeibaar en vluchtig, de zuurstof houdende vast,
kristallijn en zonder ontleding niet te vervluchtigen, fffet basisch
karakter der alkaloïden neemt af met het toenemen van het
zuurstofgehalte; de zuurstofvrije alkaloïden zijn de sterkste
onder deze zwakke basenT]
In deze eigenschap komen alle alkaloïden met elkaar over-
een, dat zij met zuren, door directe* vereeniging, zouten vormen,
dus zonder dat waterstof uittreedt. Deze zouten zijn meest kris-
tallijn, ook die der vloeibare alkaloïden, en goed oplosbaar in
water. De alkaloïden zelve lossen, -©p eene enkele uitzondering
na, moeielijk in water op. Deze laatste eigenschap is van belang
voor de receptuur. Immers het kan voorkomen, dat een oplossing
van een alkaloïdzout gecombineerd wordt met eene alkalisch
reageerende stof. Daarbij zal dan in den regel dit toegevoegde
alkali zich verbinden met het zuur van het alkaloïdzout en het
moeielijk oplosbare alkaloïde zal neerslaan. Daar nu het
grootste deel der alkaloïden vergiften zijn, kunnen deze com-
binaties aanleiding geven tot vergiftiging.
Bovendien vormen alkaloïden onoplosbare neerslagen met:
tannine, platinachloride, goudchloride, pikrinezuur, kalium-
kAvikjodide, jood-joodkalium en ook met kwikchloride, wanneer
de oplossingen niet al te zeer verdund zijn.
Van de alkaloïden bespreken wij:
-ocr page 264-
OM
V
I. zrURSTOB\'VRIJE ALKALOÏDEN.
\\l(t r ... ->f ^
Coniinum, C8H17N, eene kleurlooze, olieachtige vloeistoi,
die voorkomt in Conium mandatum. De reuk is verdoovend, in
verdunden toestand herinnerend aan muizenurine. De smaak is
onaangenaam. scherp, naar tabak. Het alkaloïde is oplosbaar
in 90 deelen water, /"Bij verwarming wordt de verzadigde
oplossing troebel, daar oplosbaarheid in warm water geringer
is dan in koud water. De maximaaldoses van dit vergift zijn
1 mgr. en 3 mgr.7
Van de zouïen van dit alcaloïde gebruikt men voornamelijk,
hydrobromas coniini, C8H17NHBr, dat voorkomt in naald-
\' vormige, kleurlooze prisma\'s, die in 2 deelen water en ook in
5 v_3 deelen alcohol oplossen. Dit zout bevat 60 o/0 Coniine.
Nicotinum, C10H14N, wordt aangetroffen in de verschillende
tabaksplanten, Nicotiana tabacum, — ruslica enz. Het is eene
~ kleurlooze, zeer vergiftige vloeistof, die sterk naar tabak riekt
en zeer onaangenaam scherp smaakt. Het is in alle verhou-
dingen mengbaar met water, en gemakkelijk oplosbaar in
alcohol, aether en vette oliën. De oplossingen reageeren sterk
alkalisch.
De maximaaldoses zijn 1.5 mgr. en 5 mgr.
e
         Inplaats van het vrije alkaloïde gebruikt men tegenwoordig
wel het zure tactraat, bitartras nicotini, dat 32.5 0/0 alka-
VJ
loïde bevat,                K^U^
Sparteïnum, C^Hoel^) komt in kleine hoeveelheden voor
in Spartium scoparium als eene kleurlooze, naar aniline riekende,
olieachtige vloeistof, die moeielijk in water oplost. In de genees-
kunde gebruikt men nu en dan nog sulfas sparteïni, dat
voorkomt in kleur- en reuklooze doorschijnende kristallen, die
gemakkelijk oplossen in water en in alcohol. De maximaal-
doses van dit zout zijn: 200 mgr. en 800 mgr.
hCobeli inum is het vloeibare alkaloïde uit Lobelia injiata. In
de geneeskunde gebruikt men soms sulfas lobeliini, eene
kruimelige, hygroscopische massa, die niet in poedervorm kan
worden afgelevercTl
-ocr page 265-
253
IL\' ZUUBSTOgltEVATTENDE ALKALOÏDEN.
/\'     ^      J \'
Slrychninum, CaHjoN^Pg) komt voor ongeveer 0.5o/o voor
in semen strychni, het zaad van Strychnos nux voniica, naast
brucinum. Het alkaloïde kristalliseert gemakkelijk in lange
naaldjes. (4ewoonlijk gebruikt men in de geneeskunde nitras
strychnini, C21H22N0O2HNO1J, dat voorkomt in neutrale, zijde-
achtig glanzende, naaldvormige kristallen, die zeer bitter smaken,
oplossen in 90 deelen koud water, in 3 deelen warm water en
in 70 deelen spiritus. Door ammonia, hydras kalicus, hydras
natricus en de carbonaten dezer alkaliën wordt het zout ontleed
onder afscheiding van het vrije alkaloïde. De maximaaldoses
zijn 5 mgr. en 20 mgr.
Brucinum, C23IL20N2O4, komt naast Strychnine voor in semen
strychni "en vormt kleurlooze doorschijnende plaatjes. Men ge-
bruikt dit alkaloïde o. a. om salpeterzuur in drinkwater aan
te toonen. Hiertoe voegt men bij 1 cM.8 water in een porceleinen
schaaltje eenige korreltjes brucine en daarna ongeveer 1 CC
zuiver, geconcentreerd zwavelzuur. Is salpeterzuur aanwezig,
dan_wordt de vloeistof rood gekleurd.
LCurarinum is het werkzame bestanddeel van curare, een
extract, verkregen uit den bast van verschillende Strychnos-
. soprten,
dat door de Indianen als pijlgift wordt gebruikj^J
Vërafrinum. C32H4()XOr,, wordt bereid uit Semen snbadillae
en komt in de pharmacie voor als een wit, samenhangend,
gemakkelijk smeltbaar poeder, dat hevig niezen veroorzaakt.
Het is zeer slecht oplosbaar in water, gemakkelijk in chloro-
fprm. in 2 deelen alcohol en moeilijker in aether. TeiT~clTicte"~
T5ët verstuiven van de veratrine bij het vermengen te voorkomen,
voegt men er voor zalven enkele druppels olie of vloeibare
paraffine bij, voor pillen verdeelt men het eerst onder eenig water.
Maximaal doses: 5 mgr. en 20 mgr.
Acomtiruim, C33H43XO12, is het alkaloïde uit Aconitnm napellus
en andere aconitum-soorten. De stof, die onder den naam aco-
nitine in den handel komt, is veelal niet het zuivere alkaloïde,
maar een mengsel van zeer wisselende samenstelling, waarvan
het gebruik meermalen aanleiding heeft gegeven tot vergifti-
-ocr page 266-
254
gingen. Alleen de werking van het chemisch zuivere
alkaloïde is betrouwbaar, die van mengsels van
aconitine met bij de bereiding ontstane ontledings-
produoten is steeds onbetrouwbaar. r~net zuivere
alkaloïde kristalliseert in waterheldere kristallen, die moeielijk
oplosbaar zijn in water. Meestal gebruikt men het nitras
aconitini, dat wel oplost in water. Voor deze stof geldt na-
tuurlijk ook het boven gezegde. De maximaaldoses van het
zuivere zout zijn 0,1 mgr. per keer en 0,5 mgr. per dag. I
Berberinum, C2&H17NO4, is een geel gekleurd alkaloidê7~3at
in de geTieeskunde weinig als zoodanig wordt aangewend, maar
dat een bestanddeel vormt van verschillende planten, waarvan
deelen als simpicia gebruikt worden, n.1. van Berberis vulgaris,
Geoffroi/a jnmaicensi\'s
, Cocculus palmatus, Hijdrastis canadensis.
Men bereidt het gewoonlijk uit rhizoma hydrastis, waarin
ongeveer 4% van het alkaloide voorkomt.
Atropinum is het werkzame bestanddeel van Atropa hellndonn
en van Datura slramonivm. Het alkaloide uit de laatstgenoemde
plant werd eerst onder den naam Daturinum beschreven, later
bleek de identiteit van beide stoften. De alkaloiden hyoscya-
mine, hyoscine en scopolamine staan chemisch in nauw ver-
band tot atropine.
Atropine wordt gewoonlijk bereid uit versche herba l>ella-
donnae of uit den wortel of uit de zaden van dezelfde plant. Het
alkaloide kristalliseert in naaldjes, welke in ongeveer 600 deelen
water oplossen, in alcohol en chloroform lossen zij gemakkelijk
op. In de geneeskunde gebruikt men voornamelijk sulfas
atropini, dat voorkomt als fijne, naaldvonnige kristallen of
een wit, kristallijn ])oeder. In water lost dit zout zeer gemak-
kelijk op, eveneens in spiritus, moeielijk echter in aether en
chloroform. Het zout wordt voor licht en lucht gemakkelijk
ontleed en worde daarom in goedsluitende Messenen van inaeti-
nisch glas bewaard. De maximaaldoses van sulfas atropini zijn:
1 mgr. en 3 mgr. Atropine en zijne zouten werken o. a. sterk
pupil-verwijdend. Ben-zeifdejverking wordt o. a. ook uitgeoefend
door homatropine, een kunstmaïig~-bereid alcaloïde. Wanneer
men n.1. atropine eenigen tijd met een^basej bijv Ba(OH)2
verhit, wordt dit alkaloide onder opname van water gesplitgt
-ocr page 267-
•2Ö.-,
ïn twee stoffen: Tropazuur en Tropine, welke door wateront-
trekking weer over knnnen gaan in Atropine. Wanneer men
nu het Tropine afzondert en dit eenige dagen verwarmt met
amandelzuur, ontstaat eerst amandelzure tropine, dat onder
verlies van water overgaat in homatropiné. In de geneeskunde
gebruikt men voornamelijk hydrobromas homatropini, dat een
reukeloos, kristallijn, kleurloos poeder vormt, oplosbaar is in
10 deelen koud wat.er in 1 deel warm water en in 28 deelen
spiritus. Do oploSsing reageert neutraal en geeft geen neerslag
met tannine\'. Het neerslag, dat sublimaat in eene oplossing
vanjtttf alkaloidzout veroorzaakt, lost door toevoeging van meer
SÖblimaat en ook in water op.
Hyoscyaminum, (\'17H23XO.., komt in samenstelling met atro-
pine overeen, het kristalliseert in naaldjes, die alkalisch rea-
geeren en oplosbaar zijn in alcohol, aether en chloroform. De
maximaaldoses van dit alcaloïde zijn 2 mgr. en •"> mgr. .Meestal
gebruikt men echter inplaats van de vrije base de zouten: hy-
drojodas hyoscyamini en sulfas hyoscyamini, die in water
oplosbaar zijn en waarvan de maximaaldosis gelijk is aan die
van het alkaloïde.
Naast hyoscyamine vindt men in Hyoscyamue niger nog het
alkaloïde hyoscinum, (\'17H21XO4, dat identisch is met__scopo-
laminum7~hêT alkaloïde uit Scopolia atropoïdes. Men gebruikt
van dit alkaloïde voornamelijk de verbinding met HBr als hy-
drobromas scopolamini, dat voorkomt in kleurlooze kristab
len, die oplosbaar zijn in water en in alcohol. De maximaal
doses van dit zout zijn 0.5 mgr. en 3 mgr.
Pjiysostigminum, eserinum, (\'i.vH:>i-\\3(\\>> is het alkaloïde uit
de zaden van Phym&iigma venenosum, de zoogenaamde calabar-
boonen. In de geneeskunde gebruikt men meestal nrtliaylm
physostigmini, dat in kleurlooze of lichtgele kristallen voor-
komt, oplosbaar is in 150 deelen water en in 12 deelen spi-
ritus. De oplossing in water is eerst kleurloos, maar wordt
onder den invloed van licht en lucht en vooral door de alka-
lische reactie van het glas spoedig rood gekleurd. De maxi-
maaldoses zijn: 1 mgr. en 3 mgr.
^"95^\'!P\'Jiy-r,?> t\'iiHio^Oo, is het alkaloïde uit jaborandb
blaHen, de bladen van Pilocarpus pennatifolius. Het is tot nu
-ocr page 268-
256
toe alleen bekend als eene siroopachtige vloeistof, die oplos-
baar is in water en alcohol. In de geneeskunde gebruikt men
hydrochloras pilocarpini, een kristallijn, kleurloos, hygros-
copisch poeder, dat in weinig water en eveneens in spiritus
gemakkelijk oplost. De maximaaldoses van dit zout zijn 30
mgr. en 60 mgr.
^Cocaïnum, (\'itHoiNO^, is het alkaloïde, dat voor ongeveer
0,5 0(|j in cöcabladen, de bladeren van Erythroxylon coca, voor-
komt. De bereiding van het onzuivere alkaloïde geschiedt reeds
in Amerika; uit dit product worden dan in Europa de vrije
base en het hydrochloraat bereid. Het alkaloïde zelf vormt
groote, klcurlooze, sterk alkalisch reageerende kristallen, die
bitter smaken. Het is oplosbaar in spiritus, in aether en in
vette olie. Gewoonlijk gebruikt men hydrochloras cocaïni,
dat kleurlooze kristallen vormt, die gemakkelijk oplossen in
water en in alcohol. De oplossing van dit zout wordt door
koken ontleed en kan dus op deze wijze niet gesteriliseerd
worden.
De maximaal doses van dit zout zijn: 50 mgr. en 200 mgr.
In plaats van dit alkaloidzout wordt in den laatsten tijd het
gebruik van hydrochloras tropacocaïni sterk aanbevolen, daar
het, hij gelijke anaestheseerende werking, veel minder vergiftig
is dan hydrochloras cocaïni. Dit alkaloïde komt naast cocaïne
voor in de Javaansche cocal daderen en is ook synthetisch bereid
uit tropazuur en ecgonine, ëen der bestanddeelen van cocaïne.
De oplossingen van hydrochloras tropacocaïni worden nog niet
ontleed, wanneer men ze een uur kookt en zijn dus gemakke-
lijk te steriliseeren.
Hehalve het tropacocaïne zijn er in den laatsten tijd nog
andere anaesthetica in den handel gebracht, teneinde het ver-
giftige cocaïne te vervangen. Van deze noemen wij het ei\\ca.ïnii.oxt_
waarvan twee praeparaten, n.1. hydrochloras eucaïni A en
hj^rochlo^as eucaïnj B gebruikt worden. Het eerstgenoemde
is oplosbaar in 10 en het tweede in 27—28 deelen water. Door
koken wordt de waterige oplossing ontleed.
Opiumalkaloïden.
Onder opium verstaat de pharmacopee het melksap, dat aan
de onrijpe zaaddoozen van Papaver somniferum is onttrokken
-ocr page 269-
257
en in de lucht dik geworden en gedroogd is. Men gebruikt in
de apotheek het poeder van opium, dat 100/q morphine moet
bevatten. De alkaloïden, die in opium voorkomen en van
pharmaceutisch belang zijn, zijn de volgende:
1°. Morphinum, O^HüiXOjj, dat in kleurlooze naalden
ki-istalliseert, die doorschijnend zijn, zeer bitter smaken en
alkalisch reageeren. Morphine is oplosbaar in 5000 deelcn water.
Mede om deze reden wordt de vrije base weinig gebruikt, maar
in plaats daarvan de zouten, waarvan het belangrijkste is:
jrydrochloras morphini, C^HujNOsHCI; dit alkaloidzout kristab
liseert in naaldvormige kristallen, welke \'meestal tot dobbelsteen-
vormige stukjes zijn samengeperst. Het zout lost op in 25 deelen
water van de gewone temperatuur, veel gemakkelijker in warm Jj^tfi
water, maar het gebruik hiervan verdient afkeuring, daar alle (fi
morphinezouten door warmte gemakkelijker ontleed worden
onder brninkleuring en vorming van oxydimorphine. Ook in "Kui
spiritus is het oplosbaar. Voegt men bij eene oplossing van
hydrochloras morphini ammonia, dan ontstaat een neerslag,
dat door een overmate ammonia niet oplost. liet neerslag, dat
in deze oplossing door kali- of natronloog ontstaat, lost in eene
overmate dezer vloeistoffen weer op. Met tannine ontstaat geen
neerslag.
Acetas morpJlUu werd vroeger meer gebruikt dan tegen-
woordig. Het zout wordt n.1. gemakkelijk ontleend, zoodat
het gedeeltelijk vrije morphine bevat. Zeer dikwijls zal het dus
voorkomen, dat het morphineacetaat van den handel niet in
water oplost; soms voegt men dan een enkele druppel verdund
azijnzuur toe om de vrije base weer in het acetaat om te zetten.
Is eene dergelijke oplossing echter bestemd voor inspuiting,
dan mag geen zuur worden toegevoegd. In zulk een geval maakt
men geb
ruik van de door de I\'ha\'rmacopee toegestane vervanging
van het acetaat door het hvdrochloraat. Natuurlijk zal men
het hvdrochloraat niet geven in die gevallen, waar het zoutzuur
ontledend kan werken op de andere voorgeschreven geneesmid-
delen, bijv.: zilvernitraat.
De maximaaldoses van beide zouten zijn: 30 milligram en
100 miligram.
Van de Morphinederivaten die in den laatsten tijd in den
BCHRÖDEB on de ZAAl.lKR, Scheikunde.                                              17
-ocr page 270-
258
handel zijn gebracht en die, naar het heet, een deel der onaan-
gename werkingen van morphine missen, noemen wij:
Peroniiuum, het hydrochloraat van benzylmorphine, dat
voorkomt in kleurlooze, naaldvormige kristallen, die moeielijk
oplossen in alcohol en in water.
Dioninum, het hydrochloraat van aethylmorphine, is een
wit, reukeloos, bitter smakend poeder.
Van deze verbinding lost in water 14 0/0 en in alcohol 78 o/o
op. In aether en chloroform is het moeilijk oplosbaar, in sirupus
simplex echter lost ö o/0 dionine op.
Heroinum, diacetylmorphine, is een wit kristallijn poeder,
da\'t weinig oplosbaar is in water, maar goed oplost in alco-
hol. Toevoeging van azijnzuur bevordert de oplosbaarheid in
water.
Wanneer men aan morphine één molecule water onttrekt,
ontstaat apomorphinum^ waarvan de verbinding niet zoutzuur
tot hydrocffToras~apomorphirTi, C|7HnN02Ht,l, in de genees-
kunde wordt gebruikt. Het is een kristallijn, kleurloos of
lichtgrijs poeder, dat door het licht groenachtig wordt~gê£leurd.
HëTis oplosbaar in 30 deelen water en in 40 deelen spiritus.
De oplossing moet buiten het licht worden bewaard, daar zij
anders spoedig groen wordt. Ook oplossingen, die van het
licht zijn afgesloten worden meestal groen, door het alkaligehalte
van het glas; wordt eene dergelijke oplossing door zoutzuur
zwak zuur gemaakt, dan treedt de groenkleuring niet op.
20. _Codjeïnum, jncthylmorphine, Ci8H2iN03, vormt kleur-
looze "kristallen die in 80 deelen koud water, in 18 deelen
warm water en zeer gemakkelijk in spiritus oplossen. De
waterige oplossing reageert alkalisch en is zeer bitter van smaak.
Codeïne is eene vrij sterke base en maakt o. a. ammonia vrij
uit ammoniakzouten.
Van de codeïnezouten gebruikt men hydrochloras codeïni
en jahqsphas codeïni, die beide goedljpTosTJaar zijn. Minder"
belangrijk opiumalóaloïden zijn: thebaïnum, papaverinum,
narceïnum en narcotinum.
„Bij oxydatie van narcotinum met salpeterzuur ontstaat o. a.
c^tarninum, waarvan het hydrochloraat onder den naam styp-
ticinum wordt gebruikt. Het vormt kleurlooze, oplosbare kris-
-ocr page 271-
259
tallen, die in enkele gevallen als» bloedstelpend middel worden
aangewend.
Kina-alkaloïden.
Deze komen voor in de bast van verschillende (\'inchona-
soortcn.
Het belangrijkste dezer alkaloïden is chininum,
^2oH24^2*\\>> een amorph, zeer bitter alkaloïde, dat zeer moeie-
lijk oplost in water. .Met zuren vormt chinine twee soorten van
zouten, n.1. normale, die mneielijk oplosbaar zijn en zure, die
gemakkelijk oplossen. Het vrije alkaloïde wordt niet gebruikt,
wel echter sommige zouten, n.1.: hydrochloras chinini, mu-
. rjas chinini, dat voorkomt in naaldvormige kristallen, die in
ongeveer 30 deelen koud water oplosbaar zijn; men bereidt de
oplossing gewoonlijk met warm water, daar het hierin veel
sneller oplost. Moet de oplossing meer geconcentreerd zijn, dan
voegt men wat verdund zoutzuur toe. Dit zout bevat 81,7 %
kinine. Onder den naam chinopyrinum komt eene gemakkelijk
oplosbare verbinding van antipyrine met hydrochloras chinini
in den handel, die o. a. voor inspuitingen wordt gebruikt. Het
is oplosbaar in 2 deelen water.
De kristallen van hydrobromas chinini zijn oplosbaar in 60
deelen water, gemakkelijker in kokend water en in spiritus.
Zij bevatten 7<>,(> o/0 kinine.
Het meest gebruikte kininezout is sulfas chinini, dat voor-
komt in glanzende, kleurlooze, naaldvormige, Ilittere kristallen,
- die in 750 deelen water oplossen. Voegt men aan het water
eenig zuur, zoutzuur, zwavelzuur toe, dan lost het kininesulfaat
gemakkelijk op. De oplossing, bereid met zuurstof houdende zu-
ren, fluoresceert. Ook suiker bevordert de oplosbaarheid van
kininesulfaat in water; 1 gram sulfas chinini geeft een helder-
blijvende oplossing met 200 deelen kokend water en 20 gram
sirupus simplex Dit zout bevat 73 a 74 °/o kinine.
In den laatsten tijd is als nieuw geneesmiddel in gebruik
genomen, de aethylkoolzure ester van kinine,
/OCjjHg
ccr
^OCaoHasNgO
onder den naam _euchininum, dat voorkomt in kleurlooze,
zeer lichte, smakelooze kristallen, die bijna onoplosbaar zijn
17*
-ocr page 272-
260
in water, goed oplosbaar in alcohol, aether en.chloroform. Dit
praeparaat wordt inplaats van kinine aangewend.
Isomeer met chinine is jchinic(inujn , dat ook in zeer bitter
smakende kristallen voorkomt. De oplossing hiervan in verdund
zwavelzuur is ook fluoresceerend. In water lost het zeer
moeielijk op.
Cinchoninum, CxdH^NoO, is nog mocielijker oplosbaar in
water, wel oplosbaar in verdund zwavelzuur, maar de oplossing
fluoresceert niet. Men gebruikt van dit alkaloïde de verbinding-
met zwavelzuur n.1. sulfas cinchonini, dat voorkomt in harde,
glanzende, witte kristallen, die oplosbaar zijn in 12 deelen
alcohol, moeielijk in water en onoplosbaar in aether.
Met dit laatste alkaloïde is isomeer cinchonidinum, dat
ook nog tot de belangrijke kinaalkaloïden behoort Een mengsel
van de belangrijke en minder belangrijke kinaalkaloïden komt
als chinetlijn in den handel en vormt een wit of geelachtigwit,
reukoloos poeder, dat zeer bitter smaakt, oplosbaar is in heeten,
sterken spiritus en in verdunde zuren. Onder den naam Ch\\z
noïdinum
komt in den handel een licht bruingele, harsach-
tTge massa, die verkregen wordt uit de moederloog, waaruit de
kinaalkaloïden zijn afgescheiden en die grootendeels bestaat
uit een mengsel van amorphe kinaalkaloïden. Beneden 18° is
het steenhard en kan gemakkelijk tot poeder worden gewreven.
Boven 18° is chinoïdine eene taaie massa. In spiritus fortior
en in verdunde zuren lost het volkomen op, in water is het
onoplosbaar. —
Theobrpminum, C7H8N402, is het alkaloïde uit cacaoboonen,
de zaden van Theobroma cacao. Het is een wit, kristallijn
poeder, weinig oplosbaar in water, maar dat met hydras
natricus, met ammonia en met verdunde zuren kleurlooze
oplossingen geeft. Lost men Theobromine op in natronloog,
voegt aan de oplossing salicylas natricus toe en dampt uit,
dan verkrijgt men salicylas natricus cum theobromino of
diuretinum als een wit, amorph poeder, dat goed oplosbaar is
in warm water; door toevoeging van zuren wordt de verbin-
ding ontleed.
Coffeinum (= Theïne), C8H10N4O2, komt voor in koffieboonen,
-ocr page 273-
261
de zaden van Cojfea arnbica, in thee, de bladen van Thea
chinenm,
in kolanoten, de zaden van Cola acuminata, in pasta
guarana, de gerooste zaden van Pauliinia sorbilis. Het vormt
lange, naaldvormige kristallen, die zeer licht zijn en bitter
smaken. Zij lossen op in 2 deelen kokend water, bij afkoeling
kristalliseert het alkaloïde echter weer uit. Met zwavelzuur en
met salpeterzuur geeft coffeine kleurlooze oplossingen. In op-
lossingen van benzoas natricus en van salicylas natricus lost
coffeine gemakkelijk op. Het citras coffeini van den handel
is meestal slechts een mengsel "van Coffeine en citroenzuur.
BITTKHSÏOFFEX.
In de pharmaceutische scheikunde rekent men tot de bitter-
stoffen een aantal stikstofvrije, uit C, H en O bestaande ver-
bindingen, die in planten voorkomen en veelal de werkzame
bestanddeelen dier planten vormen. Hare samenstelling is weinig
bekend — vermoedelijk zullen echter verschillende stoffen, die
thans onder deze afdeeling worden thuis gebracht, blijken tot
geheel andere reeksen van organische verbindingen te behooren,
wanneer hunne samenstelling beter bekend is.
Van de voor ons minder belangrijke stoffen dezer groep
noemen wij:
                                                                         / g -if
Absinthiinum, uit Artemisia, absinthmmyJ• - -11 {"••» -\':
Aloïnum, uit Aldêplantm.</$K yiJ\'Jcïcj • \' "\' \' "Cvl v*U
Arnicinum, uit Arnica montanum.(fl{:ó>iHW.öLlii{frc((ï
Picrotoxinum, de zeer vergiftige bitterstof uit fructus cocculi,
de vruchten van Menispermum cocculus.
                                         y
Belangrijke bitterstoffen zijn:                               J.A*.<^fi£MC<w*
Cantharidinum, C10Hi2O4, is het blaartrekkeride\', zeer ver-
giftige bestanddeel van Spaansche vliegen. Het vormt kleur-
en reukelooze, glanzende, kristallijne blaadjes of naalden, die
onoplosbaar zijn in water, oplosbaar in kokenden alcohol en
gemakkelijk oplosbaar in aether en chloroform. Het cantharidine
X\'OOH
is het anhydriede van cantharidinezuur, OgHjoO               ,
^COOH
waarvan het normale kalizout cantharidinas kalicus, in de
-ocr page 274-
262
geneeskunde wordt gebruikt. Dit zout is oplosbaar in 25 deelcn
frater.
                                                                                             v,. {\'/\' "L
Santoninum, C^HisOy, is eveneens het anhydriede van een
zuur, het santoninezuur. Santonine wordt bereid uit tiores
cinae, de nog ongeopende bloemkorfjes van Artemisia cina, welke
ongeveer 2 0/0 van deze bitterstof bevatten. Het vormt glanzende,
kleurlooze kristallen, die aan het licht geel worden en daarom
van het licht afgesloten moeten worden bewaard. In water is
het onoplosbaar, bij verwarming lost het op in sterken spiritus.
\' Brengt men santonine in aanraking met alkaliën, dan ontstaan
gemakkelijk oplosbare zouten, santonaten, waaruit, natoevoeging
van een zuur de santonine weer wordt afgescheiden.
GLUKOSIDEN.
Met dezen naam duidt men in de chemie eene groep van
stoften aan, die bij koken met verdunde zuren of alkaliën, of
door inwerking van fermenten worden ontleed, zóó, dat daarbij
steeds glucose ontstaat en één of meer andere stoffen. Tot deze
rubriek van stoffen behooren o. a.:
Amygdalinum, dat naast het ferment emulsine in bittere
amandelen voorkomt; brengt men deze beide stoffen met water
in aanraking, dan ontstaan: glucose, blauwzuur en benzaldehyde.
Myronzuur, dat als kalizout in mosterdzaad voorkomt en
dat door inwerking van het ferment myrosine,wordt ontleed,
o. a. onder vorming van oleum sinapis.
Onder den naam digitalinum komt in den handel een mengsel
van wisselende samenstelling bevattende de glucosiden: digita-
line, digitaleïne en digitonine benevens digitoxine, dat geen
glucoside is. Naar de bereiding verschilt de samenstelling en
de werking, zoodat het handels-digitaline tot de onbetrouwbare
geneesmiddelen moet worden gerekend. Het meest werkzame
van deze stollen is digitoxinum, een kristallijne stof, die
onoplosbaar is in water, en dus in infusum digitalis niet
voorkomt, dit is de reden, dat de maximaal dosis van folia
digitalis in inftuo zooveel hooger is dan die van folia digitalis
in pulvere.
Om de wisselende samenstelling en daardoor wisselende
-ocr page 275-
26:>,
werkzaamheid van digitalinum schrijft het supplement voor:
Digitalinum niet te dispenseeren, tenzij de ge-
neeskundige duidelijk uitdrukt, welke soort be-
doeld wordt.
Tot de voor ons minder belangrijke glucosiden behooren:
arbutinum , uit de bladeren van Arrtostaphylos uva ursi, kathar-
tinezuur uit folia sennae en cortex Frangnlae, salicinum, uit
cortex Salicis.
Strophantinum uit semen Strophanti.
EIWITSTOFEEN.
Als eiwitstoffen of proteinstoffen duidt men in de organische
chemie een aantal zeer samengestelde verbindingen aan, welke
bestaan uit koolstof, waterstof, zuurstof, stikstof en zwavel.
Men vindt ze in het planten- en dierenrijk. De vorming van
eiwitstoffen heeft echter alleen in de planten plaats onder den
invloed van het zonlicht, bij de opname van voedsel komen
zij in het dierlijk lichaam, ondergaan hierin omzetting en
vormen zoo een groot aantal chemisch nog weinig bekende stoffen.
De meexte eiwitstoffen komen in twee modificaties voor,
waarvan de eene wel, de andere niet in water oplost. De
oplosbare modificatie gaat dikwijls door verwarming (75°) in
de onoplosbare over, dit verschijnsel noemt men coagulatie,
bijv. bij kippeneiwit.
Talrijke eiwitstoffen zijn in lateren tijd als geneesmiddelen
aanbevolen. Wij noemen hiervan slechts: somatose, dat de
eiwitstoffen uit vleesch bevat; haematogeen, uit bloed bereid,
tropon, een mengsel van plantaardig en dierlijk eiwit. Als
eiwitpraeparaat wordt in de pharmacic veelvuldig gebruikt:
Solutio ferri albuminata. \\
Tot de groep der eiwitstoffen rekent men ook de fermenten,
als emulsine, pankreatine, pepsine. Deze stoffen zijn alle op-
losbaar in water, bij koken verliezen zij hunne werkzaamheid,
welke overigens bestaat in het ontleden van organische stoffen,
zonder dat zij zelve veranderd worden.
Van deze fermenten is voor ons vooral van belang:
Pepsinum, een grijsachtig wit poeder, dat bereid wordt uit
-ocr page 276-
264
het slijmvlies van varkens-, schapen- of kalvermagen. Met water
geeft het een troebele vloeistof, die door toevoeging van eenige
druppels zoutzuur helder wordt. Door toevoeging van alcohol
of door verhitting wordt pepsine onwerkzaam.
De belangrijkste eigenschap van pepsine is, dat het onder
toevoeging van zuren, vooral van zoutzuur, eiwit omzet in
peptonen, dat zijn in water oplosbare stoffen, welke gemak-
kelijk door het dierlijk lichaam worden opgenomen en weer
in eiwitstoffen kunnen worden omgezet. In den handel komen
verschillende soorten van pepsine voor, welke gewoonlijk meng-
sels zijn van pepsinum absolutum met melksuiker, dextrine,
zetmeel enz. in verschillende verhoudingen. Pepsine dient voor
de bereiding van yinum pepsini; als pepton-praeparaten komen
in de pharmacie voor verschillende handelssoorten van pepto
num, peptonas ferri, solutio ferri peptonati,
enz.
-ocr page 277-
B E G I S T E R.
101
1111
ar>
188
225
2<>1
107
2(H
IS t
172
171
172
171
257
172
172
168
171
171
17)1
1715
171
170
156
152
170
171
171
178
Acidiun arsenieosnm.
» benzoicum .
» boricum . .
camphoricum
» carbolicum .
carbolicum crudum
chloricum
chromicam .
» chrvsophanicuni
» cinnamvlicinn .
» eitricurn .
» dijodosalicylicuni
» foriuirii\'iiiii .
» gallicum .
» hydrobroniicum
hydroehloricum
hydrochlor. dil.
hydrochlor. crud.
» hydrocyanicum.
j> hydrosulfuricuin
» hyperosuiicum .
hypochloroenm.
» hyposulfurosuni
» lacticum . .
» malicum . .
» muriaticuiii .
»           iniinai. dil. .
» muriat. oxygenatum
\' nitricum ....
Aardalkalimetalen
Aardappelzetmeel
Aardmetalen .
Aardnotenolie . .
Abrostolum . .
Absinthiinum .
Acetaldehyde . .
Acetanilidum .
Acetas aethylicus.
> aluminicus
» ammonicus
» ferricus
kalicus. .
morphini .
» pbmibieus.
» zineie . .
Aceton ....
Acetum ....
85,
i.)
215
77
276
203
208
:.7
127
226
222
180
21!)
169
219
59
7)7
7)7
57
IS!)
45
140
57
45
17(i
178
56
57
:».-)
(17
56,
» digital ....
» pyrolignosuin crud
pyrolignosum reetif.
» scillae ....
» vini .....
Acetyleen......
Acetyleenreeks ....
Acidiim ncetieum . . .
Acid. acet. dil.....
» acet. glaciale . . .
> agaricinicum
-ocr page 278-
•2fi6
Aciduin nitricum crudun
nitricum dilut. .
>         nitricum fuinans
osinicuiii .
oxalicum.
perosiiiicuiu.
phenylicum .
phosphoricum
phosphoricum gla<
picrinicum .
picroDitricum
pyrogallicura
salicylicum .
sozolicum
succinicum .
sulfuricum
» sulfur. crud.
>         sulfur. dilut.
sulfuric. fumans
»         sulfurosum .
tannicum
tartaricum .
thymicutu
valerianicuiu
AconitinUDi
Actieve zuurstof .
Adeps benzoatus
colli equi .
lanae . . .
lanae anhydric.
» suillus . . .
Additie.....
Aethan.....
Aethanol ....
Aethcr.....
Aethers.....
Aethcr bromatus. .
chloratus .
cura spiritu .
Aetherische oliën
Aetherische mosterdolie
Aethcr muriat. alcoholic
08 Aclhcr petrolei......15-1
08           >\' pro narcosi.....100
07                   sulfuricus.....165
140 Aetherzuren.......181!
177 Aelhiops martialis.....121-5
140                      mercurialis . . .141
20:! Aethylaether.......165
72 Aethylalcohol.......161
7:i Aethyleenreeks......152
204 Acthylkaïrinum......24!)
204 Aethylurethan.......192
2Jli Affiniteit........7
21(i      Afwegen van phosphorus . . . 70
208       Agaricinum.......178
177       Agncarina........216
41        Aïroluui.........219
42       Ajakolum........211
43       Alcohol absolutus.....102
4.")           » dehydrogenatus . . 166
40 Alcoholen........160
220      Alcoholradicalen . . . . 148, 160
178       Aldchydcn........166
209       Algemeene formules van organ.
171!          reeksen........153
253      Algemeene formule der org. zuren 10!)
28 Alizariimm........226
215 Alkalimetalen.....85, 80
187 Alkalische wateren.....35
18!» Alkaloïden........24!)
189 AUotropie........78
180 Aloïnuin........201
!) Aluin.........129
154 Aluinen.........12!)
161 Aluinen.........12!)
105 Aluinen iistuin......130
105 Aluminium........127
160 Aluminiumbrons......84
160 i Aluinnolum.......225
100 i Amalgama........84
227 ] Amandelolie.......188
192 Amethyst........82
168 i Ammonia........04
ial
.\'UT
-ocr page 279-
267
Aqua bromata.......59
calcis........103
chlorata.......55
chlorolorini......158
>      cinnamomi......222
>      f lorum aurantii .... 231
» fluviatilis......35
fontana.......34
» goulardi.......173
>      hydrosulfurata.....4(i
kreosoti.......212
» lauwcerari......190
mucilaginosa.....196
naphae.......231
phagadaenica.....104
phagadaenica nigra . . .104
plumbi.......172
pluvialis......34
regia........08
>      rosarum.......234
Arbutine........203
Argentolum.......248
Argentum........141
Argentum foliatum.....141
Argentum vivum......133
Argilla.........130
Argon.........63
Arnieinum........201
Aromatische koolwaterstoffen . . 152
»            verbindingen . . . 108
Arrowroot........205
Arseenpentoxyde......70
Arsenicum........74
»         album......7")
Arsenicumtrioxyde.....75
Arseniis kalieus......92
Arsenikglas.......75
Arsenikkies........74
Arsenikwaterstof......74
Asa foetida.......240
Asaprolum........225
Asbest.........111
Aniinoniacum.......240 j
depuratum . . 240 ;
Ammoiiiakaluin......120 i
Ainmoniakgom......240
Ammonia liqnida.....65
Animonium.....85, 100
Amorphe koolstot.....80
lichamen.....20
Amygdalinum.......263
Ainylnlcohol.......163
Amylnitriet.......184
Ainyloïd........193
Amyloform........195
Amyluin........104
jodatuin......195
» oryzae......105
secalis......195
» solani.......104
tritici.......105
Anethol.........232
Anhydrieden.......41
Aoiline.........201
Anilinewaier.......201
Anilipyrinum.......246
Anorganische scheikunde . 20, 22
Anthraceen........225
Anthrachinon.......22(5
Anthraciet........81
Authrarobinum......226
Anticolnni........202
Antidotum arseniei.....70
Antilebrinum.......201
Antifebrinum bromatum . . . 202
Antilebrinum jodatum .... 202
Antimonium.......7(3
Antinervinum.......202
Antisepsinum.......202
Antipyrinum.......245
Anijsolie........232
Apolysinum.......206
Aqna.........31
» amygdal. amar.....100
-ocr page 280-
268
207
241
(i4
Bereiding van broom ....    59
» » chloor ....    53
-> » jood.....    tiO
» > kalium . . . .    S7
» kooldioxyde . .    SI
» » phosphorus . . .    69
» salpeterzuur . .07
» stikstof ....    02
» » waterstof. . 28,    29
» » zouten ....    80
» > zwavelzuur ...    41
> zuurstof ....    23
Bergkristal........    82
Berlijnsch blauw......   191
Betolum.........  223
Biboras natricus......    98
Bicarbonas kalicus.....    93
Bicarbonas natricus.....    99
Biearbonaten.......    82
Bicliromas kalicus.....   127
Bioxalas kalicus......   177
Bismuthgroep.......    85
Bitartras nicotini......  252
Bitter amandelwater.....   190
Bitterstoffen.......  261
Bitterwateren.......    35
Bivalent.........     13
Bivalente elementen.....    14
Bladzilver........   141
Blauwzuur........   189
Bleekkalk \'........  104
Bleekpoeder.......   104
Bleekwater........    95
Blenden.........    38
Bloedsteen........   122
Bolus alba......82,  130
Bolus arniena.......  130
Bolus rubra.......   130
Borneokamfer.......  236
Borneol.........  236
Boorzuur........    77
Borax.......77,    98
Aseptolum .
Asphaltum .
Assimilatie .
Atomen.........3
Atoomgewicht.......13
Atropinum........254
Auripigmentum......Tti
Aurum.........145
» foliatiim......145
Balsama......
Balsamum eopaivae . .
peruvianum .
tolutanuin
Balsems.......
Barnsteen........
Barnsleenzuur.......
Basen.........
Baseuvorniende oxyden. . 20,
Basiciteit der phosphorzuren .
Basische zouten......
Beenderenkool.......
Beetwortelsuiker......
Benzaldeh.vde.......
Benzanilidum.......
Benzine.........
Benzoas eugenoli......
» ferrieus......
guaetholi......
237
237
237
241
177
18
22
71
50
80
197
214
216
155
233
215
211
215
215
238
215
200
» natncus ....
» natrie c. eoffeino .
Benzoë.......
Benzoëzuur......
BpiizoIuiu......
Benzonaphtolum ....
Benzosoluni.....
Benzoyleugenol ....
Benzylalcohol......
Berberinuui.....
Bereiding van ammonia .
»            » aqua destill.
•»            » boorzuur
211
233
214
254
04
32
78
-ocr page 281-
269
Carbonas caleic.......106
» ferrosus.....124
» guajacoli.....211
kalicus......92
kreosoti......213
litbicus......99
magnesic......111
natriens.....98
> exsiccat . . . 99
plumbicus.....108
Carbo animalis......80
ligni.......80
Carbonaten........82
Carboneum........78
Carbo ossium.......80
Carbo tiliao.......80
Carboxyl.........168
Catechu........241
Celluloid........194
Cellulose........193
Cera alba........185
» flava........185
Ceresinum........156
Cerussa.........108
Cetaceum........184
Chamaeleon minerale .... 127
Cliemie der koolstofverbindingen 147
Chinetum........260
Chinidinuni.......259
Chininum ......... 258
Chinoïdinum.......200
Chinoline........247
Chinolinsulfonzuur.....248
Chinopyrinum.......259
Cliinosolum.......248
Chloral.........167
Chloralamid........167
Chloralantipyrine......246
Chloralformamid......167
Chloralosc........168
Chloras kalicus . . . . 89, 91
Chloraten........58
Borium.........77
Boter..........180
Brittaniametaal......84
Bromet. ammonie......100
Brometiun kalicum.....8!)
Eerricum.....120
ferroeuDi.....120
natrieum.....94
Bromium........58
Bromoform........15!)
Broom.........58
Broomaethyl.......16(1
Broomlood........107
Broomwater.......5!)
Broomwaterstofzuur.....5!)
Broomzilver.......143
Bruciuum........253
Bruinkolen........81
Butylaleohol.......Kil!
Butyras guaetholi.....212
Butyrum........186
» insulsum.....186
Cachou.........  241
Cadmium........   115
Calcium.........  102
Caloiumphenylaat.....  204
Calciumsilicaat......   100
Calomol.........   136
Calx usta........   102
Camphora........  235
» monobromata . . .  236
Camphoïd........  236
Cantharidinas kalicus ....  262
Cantharidinezuur......  261
Cantharidinum......  261
Caput mortuuni......   122
Caput mortuuni......    45
Caramel.........   197
Carbonado........     79
Carbonas amroonicus .... 101
:>        annnon. pyroanim. . . 101
-ocr page 282-
270
Chloretum aluminicum .... 128
»
         iiinnioiiicum .... 100
»         aurico natric. et ohlor.
natr..........145
Chloretum ealeie.......102
ferricnm.....120
»                > et chloretum
ainTiionicum.......100
Chloretum ferrosum.....119
»         hydrargyricum . . .137
hydrargyrosum . . . 13(1
hydrargyros "p vap.
parat.........130
Chloretum hydrargyro-ainnion. . 138
kalk\'um.....8!)
»          magnesie.....110
»          natricum .... 04
»          stibiosiiin .... 77
»          zincic......111
Chloor.........52
Chlooraethyl.......160
Chloorkalk........104
(\'hloorlood........107
C\'hloorstikstof.....55, 66
Uhloorwater.......55
Chloorwateretofzuur.....56
Chloorzilver.......143
(\'hloor/.uur........57
Chlorium........52
Chroatolmu.......230
Chroniitim........127
Chroomaluin.......12!)
Chrooingroep.......85
Chroomzuur.......127
Chryaarobinum......226
Chrysophaanzuur......226
Cinchonidinum......260
Cinchouinum.......259
Cinnaber........141
Cinnainylaldehyde.....222
(\'innainylas eugenoli .... 233
Citras ainmon. fc^rric.....182 i
Citra.s eoffe\'ini.......261
» ferricus......181
» ferrie. et eitr. chinin. . . 181
magnes. effervesc. . 111, 181
Citraten.........181
Citroenzuur.......180
Citrophenum.......206
(\'obaltum........115
(\'ocaïnuin........255
Codeïnum........258
Coeruleum berolinense .... 191
Coffeïnum........260
(\'ohaesie........6
Cokes.........80
Colcothar......45, 122
Collodium........193
c. jodof......150
elastictuu.....104
stypticuni.....220
Collodiumwol.......193
Colophonium.......238
Coniinuin........251
(\'opaivabalsem......237
Cordolum........218
Cremor tartari......179
Creolinum........208
Cresolum purum liquefact.         . 208
Croeus inartis.......124
Crotonolie........189
Crystallose........216
Cumarinum.......222
Cuproverbindingen.....131
Cupri verbindingen.....131
Cuprum.........130
Cuprum aluminatum .... 233
Cyaan.........189
Cyaangas........189
Cyaanverbindingen.....189
Cyaanwaterstofzuur.....189
Cyanet. argenticuai.....191
kalicum......190
> zincicum.....191
-ocr page 283-
271
Duivelsdrek.......240
Duotaluni........211
Dynamiet........184
Eau de Javelle......95
» > Labarraque.....95
Kdele metalen.....84, 133
Kenatomige alcoholen . . . .101
Eiwitstoften.......2(13
Elementen........4
Eleiui.........239
Eleopt.........228
Elixir acid. Halleri.....183
Einplastruni oxyd. plunib. . . 175
Enkelvoudige aethers .... 1(15
Eosotum........213
Eserinum........255
Esters.........182
Etsen op glas.......(il
Eucalypteol........231
Eucalyptol........231
Eucalyptoresoreinum .... 231
Euchininum.......259
Eugalloliim........214
Eugenol.........233
Euphorbiuin.......240
Eurobinum........227
Exalginum........202
Exodinum........202
Extractum ferri pomat.          . . 178
Extract liquiritiae.....05
Fehlings proefvocht.....197
Fermenten........  203
Ferricyanet kalicum . . . .191
Eerri verbindingen          . . 110,   118
Ferroeyanet ferric.....   191
kalic......   191
Ferroverbindingen . . . 116,   118
Ferruin hydrogenio rednctum .  Hit
» pulveratum.....   118
reduetuiu.....   11!)
Flores benzoës......  215
Danipkringslueht......03
Daturinum........254
Decoctuni amyli......1!)")
Dcrmatoluui.......21!)
Desinfectoluin.......209
Desoxydeeren.......31
DestUleerketel......32
Dextrinum........190
Dextrose........1117
Diacetyltannine......221
Diamant........T!l
Diaphtcrinum.......248
Diaphtolum.......248
Diastasc.........Kil
Dibroomgallusznnr.....21!)
Dierlijke olie.......244
Dierlijke vetten......180
Digitalinuin.......263
Digitoxinuui.......203
Dijoodparaphenolsulfonzuur . . 207
Dilatatio saleh......196
Diniorphie........79
Dinatriiiniphosphaat.....94
Dinitroeellulose......193
Dioninnin........257
Dioxyantraehinon.....220
Dioxy benzolen.......210
Dioxymethylanthraclünon . . . 22ti
Dithionuin........218
Diiiretinuin.....217, 2(i0
Dolomiet........109
Doodekop......45, 122
Drakenbloed.......238
Drieatoinige phenolen .         . .213
Drinkwater........35
Droge destillatie......151
Drnivensuiker.......197
Drukinkt........80
Drnmiuond\'s kalklicht . .         . 31
Dubbele keurverwantschap . . 10
ontleding.....10
Dubbelzouten.......50
-ocr page 284-
272
Glusidum........216
Glyceriden........185
Glycerine........163
Glycerinum cuni amylo . 164, 195
Glycerinum c. bibor. natric. . . 98
Glycerin e. tragac......164
Goapoeder........226
(iombarsen........240
Goud..........145
Goudmetalen.......85
Graphiet........79
Groene zeep.......174
Grondstoffen.......4
Guaetbolum.......211
Guajaeolbenzoaat......211
Guajacolcarbonaat.....211
Guajakoicinnamylaat . . . .211
Guajacolum jodoformi .... 211
Guajacolphosphaat.....211
Guajacolsulfozuur.....211
Guajacolum.......210
Guajacyl........211
Guajaperolum.......243
Guajakhars........238
Gummi arabicum.....195
Gumnii-resinae......240
Guttegom........241
Gutti..........241
Gypsum ustuni......105
Haematogeen.......263
Halogeenderiv. der Koolwaterst. 157
Halogenen........52
Hard water.......34
Harsen.......236, 238
Harshoudende plantensappen. . 241
Helsche steen.......144
Hepar sulfuris.......88
Hcroïnum........258
Holocainum.......205
Homatropine.......254
Homoguajacol....... 212
Flores sulfuris......3!)
zinci.......111
Formaldehyde.......167
Formaline........167
Formatnidas chlorali.....167
Formol.........167
Fossiele harsen......241
koolstof......81
Fluor..........61
Fluorium........61
Fluorwaterstof.......61
Fumaroli........78
Galbanuni........21
Gallacetophenonuiu.....214
Gallaluni........219
(lallas bisniuthic basic.....219
Gallobromolum......219
Gebluschte kalk......103
Gebrande aluin . . . . . .130
Gebrande kalk......102
Gebrande magnesia.....110
Geel bloedloogzout.....101
Geelkoper........131
Geelwas.........185
Gefractioneerde destillatie . . . 150
Gele phosphorus......70
Gemengde aethers.....16")
Geneeskrachtige zeepen. . . . 175
Georganiseerde lichamen . . .20
Geosotum........211
Gesmolten zilvernitraat. . . . 144
Gesublimeerde zwavel .... 39
Giftmeel........75
Gips..........105
Gist..........161
Glanzen.........38
Glas..........106
Glasetsen........61
Glasolie.........42
Glucose.........197
Glukosiden........263
-ocr page 285-
273
96
240
Hyposulfis natricus
Hypnalum . . .
150
80
133
135
101
IliS
168
in:!
107
IliS
122
ST
229
25!)
252
254
255
212
258
2511
217
25Ö
258
250
205
257
200
255
249
223
256
28
;sii
255
211
255
255
104
115
57.
105
1)8
Homologe reeksen .
Houtskool.....
Hydrargyrum ....
Hydrarg. e. carbon calc.
Hydras ammonicus .
» bromali
» butylchlorali .
» caleicus
» cblorali . . .
» crotonchlorali .
» ferricns
» kalicns
» terpini
Hydrobroinas chinini .
»
             coniini
»             honiatropiui
scopolamini
Hydrochinon ....
Hydrochloras apomorphin
»
            chinini .
»            chinoline.
»            cocaïni .
»            eodeïni .
»            eucaïni .
»            holocaïni.
»            morphini
»            phenocolli
»             pilocarpini
»             orexini .
»            therinini .
»             tropacocaïni
Hydrogeniuni ....
»            peroxydatum
Hydrojodas hyoscyamini
Hydroxylgroep
Hyoscinum.....
Hyoscyaininum .
Hypochloris caleicus
»
           natricus
Hypochlorieten . . .
Hypophosphis caleicus .
»
             natricus .
SCHRÖDER en DE ZAAIJER,
Ichthyolum. . . .
IJsazijn.....
IJzerammoniakaluin
IJzergroe2> . . . .
Ijzermoor . . . .
rjzeroxydule .
IJzeroxyduloxyde
I.Jzeroxyde. . . .
Indifferente oxyden .
Infus. sennae comp .
Jsomeren . . . .
Isomorphie. .
157
171
121)
115
L23
122
123
122
26
ISO
200
7!)
225
245
209
85,
Isonaphtolum .
Isonitrosoantipyrine
Izalum ....
Jalappehars ....
Jodetum annuonic .
cuprosum . .
» ferrosum .
hydrargyricum
>         hydrargyrosum
>         kalicum
natricum .
» zincicum .
239
100
132
121
139
139
90
95
113
51)
(il
01
159
159
159
159
159
245
206
246
59
195
233
Jodium
»       tribromatum
»      triehloratum
Jodoform.......
» collodium ....
» desodoratum . .
» faba toncae desodorat
» farinos.....
Jodplum
J\'.Jopheninum
Jodopyrinum .
Jood ....
Joodamylum .
Joodeugenol .
Scheikunde.
18
-ocr page 286-
274
Joodlood . . .
. 108
Joodwaterstof .
. UI
Joodzilver .
143
Kal riumii . .
249
Kalialuin .
129
Kali causticuin
88
Kalium chloratum
89
Kalt chloricutu
89
Kalizeepen .
174
Kalkmelk .
104
Kalkwater .
103
Kalium ....
80
Kaliumbiehromaat
127
Kaliummanganaat
126
Kaliumosmaat
140
Kaliutuoxyde . .
87
Kalittmperchloraat
58
Kaliumpermanganaa
120
Kaliumphenylaat.
204
Kaneelolie .
222
Kaneelzuur. .
222
Kaneelzuuraldehvde
222
Kamfer ....
235
Karafersoorten.
235
Kaïnfer/.uur . .
230
Kathartinezuur
203
Kelen ....
100
Kolp. . . \'. .
00
Kermes minerale.
77
Keurverwantschap
10
Kiezel ....
82
Kiezeldioxyde. .
82
Kiezen ....
38
Kina-alkaloïden .
258
Klauwcnvet . .
187
Knalgasvlam .
. 31
Kobalt ....
Jl5
Kolendanip. .
81
Koningswater .
08
Kooldioxyde . .
81
Koolhvdraten . . .
102
Kooloxyde........81
Koolstof.........78
Koolstofdisulfidc......82
Koolstofverl). met gesloten kool-
stof keten.....150, 198
Koolstofverl). met open koolstof-
keten.......150, 153
Koolwaterstoffen......151
Koper.........130
Koperbrons. . ,.....131
Koperoxyde.......132
Koperoxydeverbind......131
Koperoxydule.......132
Koperoxydnulverbindingen . . 131
Kopersulfaat.......132
Korund.........127
Kreosol.........212
Kreosataluni.......213
Kreosotuni........212
Kreosoot magnesol.....213
Kristallen........20
Kristalwater.......35
Kristalwatergehalte.....35
Kunstmatige diamant .... 79
Kwarts.........82
Kwik..........133
Kwikehloruur.......130
Kwikoxyde........140
Kwikoxydule.......139
Lae sulfuris.......    40
Lacca.........  239
in baeulis......  239
> in granis......  239
. in tabulis......  239
Lachgas.........    08
Lactaa bisniuthicus.....   177
ferrosus......   177
magnesieus.....   170
zincicus......   176
Lactopheninun)......  200
Lactucarium.......  241
-ocr page 287-
275
Magnesia albo
Magnesia usta
Magnesiet .
.Magnesium.
.Magnesiumgroep .
Magnesiumsilicaten
Malakinum.
Malarinum .
Manevet . . .
Mangaan
Mangaandioxyde .
Mannasuiker .
Manniet. .
Massieot.
Masti:
Laevuloee........J!)7
Lakken.........220
Lana philosophica.....111
Langzame verbranding . .         25
Lanolimiin.......18!)
Lanolin. anhydrie......189
Lampenzwart.......80
Lapis eaustieus......88
divinus.......133
> haeinatitis......122
inferno-lis......14-1
infernalis mitigatus . . 144
Lassar\'s zinkpasta.....114
Laurierkerswater......1!I0
Laurinezuur.......173
Legeeringen.......83
Lenigalloluin.......214
Lenirobinnin.......227
Lettermetaal.......84
Levertraan........187
Lichte metalen......83
Liehtkoohvatcrstof.....1.">4
Liniinentum ammoniae . • . 175
Lininient caleis......48\'J
Liqnor anodyu Hoffman . . . KiG
Burowi......173
ferr. oxyd. dialys . . . 123
Fowleri......7(i
Lisidinum........245
Lithium.........99
Lycetoluni........244
Lysolum........209
Lobeliinum.......252
Lood.........107
Loodglid........108
Loodpleister.......175
Loodwit.........108
Looistoffen . •........ 220
Looizuur........220
Loretinum........248
Lucht.........63
Lijnolie.........188
Medulla bovina .
ossium bovis
Meekrap ....
Melksuiker....
Melkzuur ....
Melkzuurreeks.
Mengsel.....
Menie......
Mentholum.
Mentholstiften . . .
Menthophenolum.
Mercurialia fortiora .
mitiora .
Mereurianimon. chlorid
Mercurichloride .
Mercurijodide .
Mercuriverbindingen.
Mercuroammoniumchlor
Mereuroehloride .
Mercurojodide.
Mercuroverbindingen
Mereurius praee. albus
praecip. flav
» rube
»
         vivus .
Messing ....
Metaalglans . .
ide
18*
-ocr page 288-
276
Naphtolum........225
a-Naphtolum.......224
/Ï-Naphtolum.......224
Naphtosalolum......223
Narceïnum........258
Narcotinum.......258
Natronaluin.......129
Natrium........93
Natriumpyrophosphaat .... 97
Natronzeepen.......174
Natuurkundig verschijnsel... 2
Neergeslagen zwavel .... 40
Negatief.........144
Nessiers reagens......139
Nieeoluni........115
Nieotinum........252
Niet-metalen.......18
Niet opdrogende vette oliën . . 188
Nieuw zilver.......131
Nihilum album......113
Nikkel.........115
Nirvaninuni.......219
Nitras aeonitini......253
>       argentieus......142
argentie. fus.....144
» kalieus.......91
>       natricus......97
» plumbicus......180
» pyridini......242
» stryehnini......253
Nitris amylicus......184
» aethyl e spirit.....183
Nix alba........113
Nitrobenzolum......201
Nitrogenium.......61
Nitroglycerine.......184
Nomenclatuur.......46
»            der basen ... 49
»              » binaire verb. 47
»              » elementen. . 47
»              » oxyden . 27, 48
«               » oxydulen . . 48
Metacetinum.......205
Metadioxybenzol .... 100, 212
Mctalloïden.....18, 22
Metalen......18, 82
Metaphosphorzuur.....73
Metaverbindingen.....19!)
Methan.......154, 157
Methanol........161
Methylacetanilidiim.....202
Methylaether.......165
Methylaleohol.......Uil
Microcidinum.......225
Mierenzuur........161)
Migrainestiften......234
Mineraalwater......35
MijDgas.........154
Miniuni.........108
Moederhars.......240
Moerasgas........154
Moerasgasreeks......151
Molecnlairfonnules.....](i
Moleeulairgewichten.....16
Moleeulen......... 3
Morpliiiuun.......256
Mosterdspiritns......102
Mout..........161
Mucilago amyli......105
» eydoniae.....106
» gummi arabici . . . 106
» salel)......196
»         tragaeanthae .... 106
Murias eliinini......250
Muskaatboter.......188
Muskus (kunstmatige) .... 201
Myristinczuur.......173
Myron/.ure kali......102
Myronzuur........263
Myrrhe.........240
Myrtolum........232
Naphtaliiium.......223
Naphtalolnm.......223
-ocr page 289-
277
Nomenclatuur dor zouteu . . 50,  51
»               » zuren ...    48
Nordhiiuser zwavelzuur . . .    45
Normale zouten.....43,  50
Oleum absynthii......234
animale......244
anisi.......232
ii11i-i sic\'1 Int.....232
amygdalar.....188
»          aether . . .214
»             »          amar. . . .214
>       arachis.......188
>       auraiitiorum.....230
» balsam. copaiv.....231
» bergamottae.....230
» cacao.......187
» calami.......232
camphoratum .... 235
» cajuputi......233
»            » depur.....233
;> earyophyllorum .... 233
>       chammomillae .... 234
» cinnamomi.....222
criti........230
»      corticum aurantior . . . 230
» cornus cervi.....244
» crotonis......189
» cubebae......231
» Dippelii......244
>       eucalypti......231
»      florum aurantii .... 231
s foeniculi......232
» jecor aselli.....187
»         » » cbenz.ferric. 187,210
»         » » e jodet ferros . 187
»         » » ferrat . . . .210
» juniperi......232
» lauri.......188
>       lavandulae.....231
>       lini........188
• inacis.......231
Oleum majoranae.....232
» inenthac crispae . . .  234
» » piperit . . .  233
» niirbani......  201
myristicae.....   188
inyrti rectificat ....  232
>       napbae.......  231
» neroli.......  231
nucistae......   188
>       olivarum......   188
>       pedum tauri.....   187
» rapae.......   188
» ricini.......   18!)
» rosarum......  234
rosmarini......  231
>       sabinae......  232
>       sinapis.......   102
» »picae.......  231
» terebinthina.....  229
terebinth dep ....  229
tbymi.......  234
» valerianae. . . , . .  234
-> vitrioli ......    42
Olibanum ........  240
Oliezoet.........   163
Oliezunr........   173
Olijfolie.........   188
Onedele metalen......    84
Onderchlorigzuur.....    57
Onderphosphorigzuur ....    72
Onderzwaveligzuur.....    45
Ongebluschte kalk.....   103
Ongezouten boter.....   180
Onverzadigde verbindingen . .   149
Oost-Indische inkt.....    80
Opdrogende vette oliën . . .   188
Operment......74,    76
Opiumalkaloïden......  256
Oplosbaarheid der chloriden . .    54
Oplossen van phosphorus ...    70
Orexinum........  249
Organische scheikunde . . 20,  147
-ocr page 290-
278
Paraffin. liquid......155
> solid.......156
Paraldehyde.......107
Paradioxybenzol......200
Paraphenetidinum.....205
Paraverbindingen.....1!)9
Pasta Canquoini......112
» chloreti zincic . . . . 112
» viennensis......88
Perkamentpapier......193
Permangan kalie......120
Pentavalent.......13
Peroxinum........257
Peroxydum Hydrogenii . . . 30
Peroxyde........27
Pepsinum........203
Pepton.........203
Perubalsem.......237
Petroleum........154
Petroleumaether......154
Phenacetinum.......205
Phenoeollmn.......200
Phenolen........202
Plienolum........203
erudum.....208
»         liquefactum .... 203
Phenosolum.......200
Plienylaten.......204
Pbosplias calcie.......105
» codeïni.....258
guaetboli.....211
guajaeoli.....211
kreosoti.....213
» natrieus.....97
zincicus.....114
Phosphidum zincic......115
Phosphorigzuur......72
Phosphorigzuuranhydried -. . . 71
Pbospliorbrong......131
Phospliorpentoxyde.....71
Pliosphortrioxyde.....71
Phosphorus.......09
Organische zuren
Organogenen ....
Orthodioxybenzol
Orthoformum ....
Ortbopbenolsulfonzuur .
OrthophoBphorzuor .
Orthoverbindingen
Osraias kalieus
Osinium.....
Osmiumzuur ....
Oxalas kalicus acidus .
Oxaphor.....
Oxycamphora ....
Oxychinolinc ....
Oxydatie .....
Oxyden......
» (nomenclatuur).
Oxydule.....
Oxyduin aethylicum.
calcic
» e. marmot\'
» cohalt c. tcrr sili<
KIS
I 17
109
219
206
72
199
1 Ui
14(i
140
177
236
230
248
54
27
105
102
1 (Q
1 15
132
132
140
L39
140
140
110
108
108
cupriciim . .
» cuprosum
hydrargyric.
hydrargyrosum
» hydrarg. flav .
» via hun
da par
magnesic.
» pliunbicum .
»
               »           semiv
Oxygenium ....
Oxysulfuretum Btibicum
Overchloorzuur .
Ovorvette grondzeep
Ozokeriet.....
Ozon......
Ozonhoudende terpentijnolie
58
17."!
150
28
28
173
258
151
Palmitinezuur.
1\'apaverinuni .
Paraffinereeks.
-ocr page 291-
279
213
27
124
182
97
124
7.!1
217
193
244
13
15
Pyrogalloluin......
Pyrophoren......
Pyrophosph. ferric ....
» ceitrainm. 124
natricus . . .
natrioo-ferricus il
1\'yrophosphorziuir ....
Pyrosalnm.......
Pyroxilinuni......
Pvrrol........
Phosphorzuur.......72
Phosphorzuuranhydried . . .71
Pliosiihiiretum zincic
          . . .115
Photografie.......14.\'!
Pbvsostigminiun......255
Picrotoxinum.......201
Pijpzwavel........39
Pikrinezuur.......204
Pilocarpinum.......255
Pilul blaudi.......03
Piperazinum.......24!>
Piperidineguajacolaat .... 241!
Pipcridinuiu.......243
PipenDum........244
Pix alba........238
Plantaardige vetten.....1S7
Platina.........14(>
Platinatnetalen......85
Platiootypieën......144
Plumbago........7i)
Podophyllinum......239
Polymorphie.......7ii
Potaach.........92
Potassa fusa.......88
Potlood.........79
Potio Kiveri.......181
Primaire pbosphaten .... 73
Princip dtile. oleor. Sebeelii . . 163
Propylalcohol.......lii:i
Pulveren Plutmneri.....77
Pulvis aërophorus . . . 99, 178
antaeid .... 106, 1 ! 1
gummosus.....196
hydrarg. gnninios . . . 135
opii coruposit . . . . 91
Pyrainidon........247
Pyrazinum........243
Pyridinvtrbiiidingen .... 242
Pyridininn........242
Pyroboorzuur.......78
Pyrocatechine.......210
Pyrocatechnzour......210
Quadrivalent.....
Quadrivalente eleniententen
Raapolie
Radicalen . .
Reactie .
Reageeren .
Reagens.
Realgar .
Redueeeren
Regenwater
Resinae . .
Reaina alba
dammarae
guajaci
jalapae
pini
» podophylli
scaiTiinoTiiat
Resopyrinura .
Resoreinolum .
Resorcinura
Reuzel .
Rietsuiker . .
Rivierwater
Rhodanet kalic.
Robijn .
Roggezetnieel .
Roodbloedloogzout
Roode phospborns
Rookend salpeterzuur
-ocr page 292-
280
Saligallolum.......214
Salipyrinum.......246
Salolum.........218
Salophenum.......218
Salosantalum.......218
Salpeter ........ 92
Salpeterzuur.......67
Saluminum insolubile . . . .218
solubile.....218
Samengestelde aethers .... 182
»             stoffen .... 4
Samenstelling der lucht ... 63
Sandaracca........239
Sanguis draconis......238
Santonine........262
Santoninezuur......262
Saphier.........127
Sapo aromatieus......175
kalinus.......174
» medicatus......174
Sapones medieinales .... 175
» superadipatns . . . .175
viridis......174
Saprolum........209
Sehapenvet........186
Scheikundige aantrekkingskracht 7
»            teekens .... 11
»             verbinding ... 6
vergelijkingen . . 17
Scheikundig verschijnsel ... 2
Schellak........239
Schervenkobalt......74
Schietkatoen.......193
Seopolaminum......255
Sebum bovinum......186
ovillum......186
Secundaire phosphaten ... 73
Sedatinum....... . 205
Sexvalent........13
Sexvalente elementen .... 15
Silicaten........82
Silicium........82
Kookend zwavelzuur ....    45
Ruberythrinezuur.....  226
Bundermerg.......   186
Rundervet........   180
Ruw carbolzuur......  208
RiJ8tzetmeel.......  195
Saccharin leicht löslich. .
Saecharinol.......
Saccharinose.......
Saceliarinum.......
Saccharum........
>>           lactis......
Salacetolum.......
Salactolum........
Salantolum........
Salebknollen.......
Salicylas aluminicus.....
antipyrine.....
bisrauth. basic. .
chinolini.....
guaetholi.....
guajacoli.....
lithicus......
natrieus.....
uatric. cum coffeino
natric. c. theobromin .
phenylicus.....
physostigmini....
urotropini.....
Salicylzuur........
Sal acctosellae......
> amarum.......
anglicum.......
carolin. fact......
cornus cervi .....
ebshamense......
» sedativ. Homberg . . . .
» tartari.....92,
Salieinum........
Salifebrlnum...... .
Saliformfinum.......
216
216
216
216
197
197
218
218
218
L96
218
246
218
217
212
211
217
217
217
260
218
255
218
216
177
111
111
91
101
111
77
179
263
218
218
-ocr page 293-
281
211
220
65
115
170
98
98
\'.IS
171
172
232
195
93
12!)
235
101
120
55
263
158
103
60
125
184
230
125
17S
209
209
203
12
83
208
208
208
208
207
34
252
184
70
Spiritus corn. cerv. . .
>         corn. cerv. suecin.
dilutus .
forniicarum
fortior
lavendulae.
Minderen
nitri dulc.
>         salis dulc.
Spiritus saponatus
sinapis
Staalkoekjes
S taailevertraan
Staalwateren
Stearinekaarsen
Stearinezuur .
Stearopt
Steenkolen .
Steenzout .
Steriform .
Sterisol .
Stibiuui .
Stibiuintrichloride
Stili mentholi.
Stikstof . . .
Stikstofdioxide
Stikstofoxyde .
Stikstofoxydnle
Stikstofpentoxyde
Stikstoftrioxyde
Stikstof-zuurstofverbindingen
Storax .
Strophantinum
Strychninum .
Styrakolum
Styrol . . .
Styron . . .
Styronuni liquid.
Styrax liquidum
Sublimaat . .
Subliniaatpastilles
Substitutie . . .
Sirolinuni........
Sirupus jodo tannicus .
» li(|uiritiae.....
Smaltam........
Snelazijn bereiding.....
Soda..........
Soda bereiding Le Blanc .
» Solvay . . .
Solutio acet. ainmon.....
acet. plumb. bas . .
animoii. spir. anis. (55,
amyli.......
arsen. kalic. comp. 7(i,
Burowi......
camphor spirit.
carb. amruou. pyroanim
chloreti ferriei .
> clilorü......
ferri albuminata .
guttaperch. ehlorof. .
hydrat. calc.....
jod. spirituos.....
Leras.....97,
nitroglyeerin.....
oxycamphorae ....
pyroph. natric, ferrie. .
suecin. aininoniei pyro-
aniin.......101,
Solutoluiu........
Solveolum........
Somatose........
Soort. gew. van gassen . . .
» gewicht van metalen . .
Sozojodolkaliom......
Sozojodolkwik.......
Sozojodolnatrium......
Sozojodolzink.......
Sozolzuur........
Spankracht van waterdamp .
Sparteinuni.......
Spermaceti........
Spiesglans........
-ocr page 294-
2S2
241
78
197
244
183
128
Uil
254
Siiceinum........
Suffioni.........
Suikersoorten.......
Sulfaminoluin .... 202,
Sulfas aetbyl. acid. <•. spirit.. .
aluminic.......
ainnioiiiiiis.....
atropini......
eadiuieus......
ealeieus].......
ehinini.......
» cinchonini......
eupric. amm. bas
euprieus......
» exsiee.....
ferros.......
ferros exsiee......
bvosevamini.....
» kalie. aluin......
»         » exsiee. . . ,
» kalieus.......
lobeliini......
» magnesieus.....
;>          exsiee. .
» natricus......
»         exsiee.....
pyridini......
sparteini......
thallini.......
zincicus......
Sulfiden......37,
Siilfiduni earbonieuin ....
» stibicura.....
Sulfiden........
Sulfoearbolas zincieus ....
Sulfocyanet kalie......
Sulfoicbthyolas animonie. .
Sulfonaluin.......
Sulfophenylas zinnieus ....
Sulfuretum ferrieiun ....
hydrargyr nigrum. .
»
              »         rubr. .
Sulfuretum kalicum.....    88
Sulfur.........    37
aurat. antiinon.....    77
depuratum......    39
s griseum.......    38
in baeulig......    39
praecipitatum.....    40
subliinatuni.....    39
Superoxyde.......    27
Symbolen........     11
Talciini.........  111
» vcnetum .... 82,  111
Tannalbinum.......  221
Tannalnin insolubile ....  221
solubile.....  221
Tannas antipyrini.....  24(i
i bisiiiutliieus.....  221
bydrargyrosus ....  221
ore.xini......  249
plumbieus.....  220
Tannigenuni.......  221
Tauninum........  220
Tannoeasiini.......  221
Tannoform........  221
Tannomim........  221
Tartarus........   180
boraxatus.....  180
depurat.....   179
emeticus.....   180
;> ferratus.....   180
natronatus.....   17!)
stibiatus.....  180
tartarisatus . . . .179
Tartras cliinolini.....  247
kalieo natrie.....   179
» stibie.....   180
» kalieus......   179
» aeidus ....   179
» thallini......  249
Tarwezetmeel.......   195
Tegengift voor phospliorus . .    28
117)
105
27)9
2li0
133
132
133
123
II\':!
12!)
130
\'.il
2.52
110
lil
95
90
243
252
24!)
114
40
82
t 7
40
207
192
17.7
Kil
207
125
111
111
-ocr page 295-
283
Tribroonimethan......159
Trichloormethan......157
Trijoodmethan......159
Trikresolum.......208
Trimorphie.......79
Tiinitrocellnlose......193
Trinitrophenol......204
Trionalum........105
Trioleïne........185
Trioxybenzolum......213
Tiipalinitine.......185
Tripheninnm.......200
Tristearine........185
Tiisulfuretuiii kalicum .... 88
Trivalent........13
Trivalente elementen . .         . 14
Trochisci chlor. kalie.....91
ferrati......182
Tropon.........263
Tubera saleb.......196
Tnmenolnm.......157
Turfolum........240
Tnrf..........81
Turnbull blauw......191
Twee atomige phenolen . . . 210
» basische organ. zuren . .177
Uitzoutea van zeepen . . . .174
Ultramarijn.......130
Ungtient carbon plumb. . . . 109
»
            » camph. . 10!)
glycerin......104
jodet kaliei .... 91
leniens......184
oxyd. cupri .... 132
hydrarg. . 135, 140
flav. . . 140
» zinc.....114
sulfur. eomp. . . 39, 93
tannat. pluinbic. . . .221
Univalent........13
Univalente elementen .... 14
Terebenum.......229
Terebinthina.......237
veneta.....237
Terpenen........228
Terpinhydraat......22!)
Terpinolum.......230
Terpinjoodhydraat.....230
Terra slgillata......130
Tertiaire phosphaten .... 73
Tetraboorzuur......78
Tetrachloorkoolstof.....158
Tetrachloormethan.....158 I
Tetrajoodpyrrol......244
Tetronalum.......165
Thebaïnum.......258
Theïnum........200 !
Theobrominuui......200
Thermen........35
Theniiiniun.......223 .
Thermofuginum......248 |
Thiocolum........211
Thioliiin........157 I
liquidum.....157
sicenni......157 j
Thioresorcinum......212
Thiosulfaat....... . 96
Thyraolkwikacetaat.....210
Thymoluni........209
Tinet neet ferr. aether . . 172, 184
» ferri cydon.....178
» » pomat .... 178
Tingroej.........85
Tinkal.........77
Tolypirinum.......240
Tolysalum........240
Tolubalnem.......237
Toluolnm........200
Tonquinol........201
Tragaeantha.......196
Trauiiiaticinuiii......158
Tri- en pentavalente elemen-
ten.........14
-ocr page 296-
284
Urethnmwi.......  192
Ureum.........  102
Valentie.........     13
» van ijzer.....   116
Valerian bismuth.....   173
Valerianas guaetholi ....  212
guajacoli.....  211
kreosoti.....  213
Valerian. zincic.......   173
Validolum........  234
Varee........ .    (j()
Vasclinum........   155
all).......   155
flav.......   155
oxygenatum . . .   15(5
Va&ogenum.......   156
Veratrinum.......  253
Verbindingen van kalium ...    87
Verbranding.......    25
Verdund azijnzuur.....   171
Verdund zoutzuur.....    57
Vergelijkingen (scheikundige) .     17
Vermiljoen........  141
Verschijnselen.......      1
Verwantschap.......      7
Verweeren........    35
Verzadigde kool waterstof fon 151,  153
Verzeepen van esters ....   183
Vetzuurreeks.......  1G9
Vinuni stibiatuni......   180
tartr kalic. ferrat. . .180
Vioolhars........  238
Vitriolum album......  114
» coeruleum . . . .114
» viride......   114
Vitriool.........    42
Vitrioololie........    42
Vlam.........    25
Vlekkenwater.......  155
Vloeibaar phenol......  204
Vloeispaat......61,  102
Volumepercenten......   I(j2
Voorbijgaand hard water ...    35
Voorkomen der metalen ...    84
Vruchtensuiker......   197
Waardigheid der elementen . .     13
Walschot........   184
Water.........    31
Waterstof........    28
Waterstofperoxide.....    35
Wederkeerige ontleding ...     10
Welwater........    34
Wet van Lavoisicr.....     17
Wierook........  240
Wit was........   185
Wolvet.........   189
Wonderolie........   189
Wijnazijn........   170
Wijnsteen......• .   179
Xyloidine........   195
Xylolum........  200
Zacht water.......    34
Zakwater........    34
Zeepen.........   173
Zeewater........    35
Zetmeel.........   194
Zilver.........   141
Zilvergroep.......    85
Zilvernitraat.......   142
Zincum.........   111
Zouten.........    43
Zoute wateren......    35
Zoutzuur........    56
Zuiveren van kwik.....   134
Zure esters.......   183
Zuren.........     18
Zure zouten.....43,    50
Zuriugzout........   177
Zuringzuur.......   177
Zuuranhydrieden......    41
-ocr page 297-
28.")
Zuurresten........49 I Zwaveligzuur.......    40
Zuurstof........22 Zwavelkoolstof......    82
Zmirstofbevattende alkaloïden . 252 Zwavellever.......    88
Zuurstofvrije alkaloïden . . . 251 | Zwavelmelk.......    40
Zuurvormende oxyden . . 20, 2(i Zwaveltrioxyde......    41
Zuurwateren.......35 I Zwavelwateren......    35
Zware metalen......83 Zwavelwaterstof......    45
Zwavel.........•\'"   ! Zwavelwaterstofwater ....    46
Zwavelbloeinen......;50 ! Zwavelzuur.......    41
Zwaveldioxyde......40
-ocr page 298-
UITGAVEN VAN ,). 1). WOLTERS TE GRONINGEN.
Dr. II. .1. van AiiKiini. Standpunt der dierkunde........  /\' ".en
Dr. II. J. v.-iii Aiikmii. De wetenschappeiyke beteekenis van de
studie iler diepzeefauna...................     0,60
9
J. F. Iti\'ins. Het koolzuur en zijne eigenschappen.........     0,00
J. II. van urn lSrru\'. Beknopte Handleiding bij liet onderwijs in de
beginselen van de kennis der natuur..............     0,73
Dr. JU Itorg\'Hiiia, ónze Kamerplanten..............     0,00
Dr. II. Hos, Beknopt Leerboek der Plantkunde. Met 24 gekleurde
platen en vele zwarte figuren, gebonden............     2,25
Dr. II. ISon. Leerboek der Plantkunde, niet ruim 300 houtsneden en 40
gekleurde platen, 2de druk, 2 deelen, gebonden........a     2,25
Dr. J. Itii/iin.- lï<»s en Dr. II. Bom, Leerboek der Dierkunde,
5de druk, ingenaaid /\' 2,50, gebonden..............     3,00
Dr, J. Kit/.eiii.-t Kon, De Vogels, Leesboek voor school en huis, (be-
kroond door de Maatschappij van Nijverheid)...........     0,30
Dr. J. Ititzomii Hos. Schetsen uit het dierenrijk.....2de druk     0,30
F. C Delfos, Beginselen der Scheikunde, niet figuren . . . 2de druk     1,25
F. C IH\'llos. Kennis der Natuur, 2 stukjes..........a     0,30
II. W. l>ijkoii. Natuurkennis, vragen en opgaven........     0,30
Dr. «f. E. Enklaar, Eerste beginselen der Scheikunde.......     0,75
Dr. J. F. Fnklaar, Handleiding hij de beginselen do.v Scheikunde . .     0,40
Dr, F. <». <-i-on« in;in. Natuurkundige vraagstukken .... 5de druk     1,25
Dr. F. <». <;i(niiiii;iii. 100 Vraagstukken met antwoorden totherhaling
van de natuurkunde.................2de druk     0,50
P. II. llcijiivn. Leerboek der natuurkunde voor onderwijzers, aan-
staande onderwijzers en leerlingen van hoogere burgerseholen eu gyin-
nasii\'-n, ingenaaid ƒ1,00, gebonden...............     1,90
Dr. A. F. lindeman. Twee richtingen der scheikunde met elkander
vergeleken. Inwijdingsrede..................     0,60
Dr. A. F. Iloltomaii, Leerboek der organische chemie, gebonden . .     8,0:)
Dr. A. F. SloiUniaii, Leerboek der anorganische chemie, gebonden          8,00
Dr. A. F. Ilollemaii, Practisch-chemische oefeningen, gebonden. . .     1,90
J. U. Jeen, Verwarming en Ventilatie..............     1,25
-ocr page 299-
1
UITGAVEN VAN J. 1). WOLTERS TE GRONINGEN.
Dr. I*. .1. van licrckliotr, De tegenwoordige toestand der scheikunde  f 0,60
Dr. R. A. Mees, Nieuwe denkbeelden op natuurkundig gebied ....     0,60
Dr. B. van «Ier Dleitlen en .1. Donnés. Het kompas, wegwijzer bij
tiet onderwijs in de natuurkunde................     0,90
Dr. .1. W. Muii. De invloed van Darwins afstammingsleer op de Britunie     0.65
Dr. P. C Plugde, Ontwikkeling der Pharmncotherapie.......     0,60
Dr. .1. .1. I<e Itoy, til......Ibegrippen en grondstellingen der natuurkunde     1,25
Dr. .1. .1. l*e Itoy. Natuurkennis van t[cn gezonden Mensch.....     1,25
Dr. J. .1. IiC Itoy, De menschelijke bewegingstoestel........     1,25
Dr. J. .1. I<e Itoy. Natuurkundige Lessen I, met 118 figuren ....     1,25
Dr. .1. .1. Ii«\' Itoy. Natuurkundige Lossen II, niet 102 figuren ....     1,50
Dr. .ï. .1. I<e Itoy. Natuurkundige Lessen, III, niet 192 figuren . . .     1,75
Dr. M. Snlverda — Le Itoy. Handleiding liij liet onderwijs in de be-
ginselen der Plant- en Dierkunde...........Ode druk     3,75
Dr. M. Snlver«la-I.e Itoy. Handleiding bij de beoefening van de
kennis der natuur, 2e goedkoope uitgave, 2 deelen........     3,90
Dr. M. Malvcrda, Ken en ander van dieren en planten . . Me druk     0,30
H. Selieepstra en W. Walstra, Natuurkennis voor de Volkseliool
1. Planten en Dieren, niet 8 gekleurde plaatjes en vele hout-
sneden ..................4de druk
     0,35
Il A., Planten en Dieren, met 7 gekleurde plaatjes en vele bout-
sneden ..................3de druk
     0,35
III A., Planten en dieren, met K gekleurde plaatjes en vele hout-
sneden ..................2de druk
     0,35
II II., Natuurkunde................\'Me druk     0,35
III B., Natuurkunde....................     0,35
II. Seheepstra eu W. Walstra, Handleiding bij de natuurkennis voor
de Volksscliool..........•............      1,25
M. J. Schröder, Handleiding bij de Receptuur, geïllustreerd, ge-
bonden ......................Me druk
     3,00
II. J. Seliroder en Dr. II. 4». <!<• Xaaljer, Handleiding bij het
onderwijs in de Receptuur. Deel I: Scheikunde, gebonden.....     2,50
Dr. C B. Sprnyt, Leiddraad bij het onderwijs in do kennis der leven-
looze natuur....................Me druk     1,25
H. Witte, Plantkunde voor school en huis, le stukje. . . . Ode druk     0,30
M. Witte, Plantkunde voor school en huis, 2e stukje. . . . 1de druk     0,30
II. Witte, Plantkunde voor school en huis, 3e stukje. . . . Me druk     0,30
II. Witte, Wandelingen in de Natuur, I: Lente..........     0,30