-ocr page 1-
Nog eeiiige voorden over üe Bertliouts.
11 don eersten bundel van dit jaarboekje gaven wij op blz. 199
de jaren 1227 of 1228 aan als die, waarin het overlijden
zoude hebben plaatsgehad van Egidius Berthout niet den
Baard. Eu wij deden dit op goede gronden. In het jaar 1227 toch
had Egidius aan de door hem gestichte abdij Roosendael te Waelhem
zijne tienden onder Berlaer en Glieel afgestaan (\'), terwijl in eene
oorkonde van Maart des volgenden jaars zijne vrouw (2) K(atharina
van Belle) gemeenschappelijk met haar zoon Egidius (of Gillis) aan
Robert, voogd van Atrecht en heer van Bethune, eene borgtocht stelt
en zich daarbij weduwe noemt.
Volgens Butkens (Trophées) zoude Egidius, de vader, tegen het
einde van zijn leven in de eommanderie Pitzenborg te Mechelen, eene
filiale van het Duitsche Huis, getreden zijn en werkelijk hebben wij
in oorkonden van 1232 en 1235 eenen Egidius Berthout als frater
domus Teutonicorum aangetroffen (3).
Dat wij, met het oog op de oorkonde van 1228, dezen Egidius
voor eenen anderen dan Egidius met den Baard hebben aangezien,
zal zeker wel niemand verwonderen. En evenwel hebben wij hier
met denzelfden persoon te doen en een charter van 123G. Junii,
(\') Miraeus, Opera Diplomatica. I. 74-i.
(2) Departementaal archief te Rijssol: Rekenkamer. De gedrukte inventaris
duidt de weduwe Egidius met de aanvangsletter R aan, wat evenwel eene
vergissing is: in de oorspronkelijke oorkonde staat K.
(*; Butkens. I. Preuves, blz. 73 en Miraeus, oji. cit. I, 751.
-ocr page 2-
2                                                         DE BERTHOUTS.
in vigilia Barnabe apostoli, levert ons daartoe het bewijs. In die
akte toch noemt Catharina van Belle zich relicta fratris Egidii,
quondam domini de Oudemborch, nunc fratris ordinis theu-
tonicornm, — zij betitelt zich dus reeds bij het leven van haren
echtgenoot met den naam van weduwe, omdat hij, door zijne
opname in eene geestelijke orde, voor haar zoo goed als overleden was.
Egidius met den Baard is dus niet in 1227 of in \'t begin 1228
gestorven, maar alstoen ridder der Duitsche orde geworden (\').
*  *
*
Op blz. 200 van bedoelden eersten bundel hebben wij van Lode-
wijk I, zoon van Egidius met den Baard, drie zonen genoemd en wel
Jan I, Lodewjjk II, heer van Keerbergen en Rasse, cantor der O. L.
Yrouwenkerk te Antwerpen. Uit het onlangs door ons ontdekte tes-
tament van Lodewjjk I, de dato Juni 1266 blijkt, dat hij bovendien
bij zijne bijzit Gine twee bastaarden had, namelijk Gozewijn en Jan,
die bij dat testament, evenals hunne moeder, legaten ontvingen. Uit
deze bijzonder gewichtige oorkonde (het behoeft niet gezegd te worden
hoe zeldzaam testamenten uit de 13de eeuw zijn), waaraan de echt-
genoote des testateurs, Sophie (van Gavere), zijn bloedverwant en
leenheer, Walter Berthout, heer van Mechelen, en de abt van Sint
Bernard te Hemixem hunne zegels hingen, blijkt o. a., dat de beide
laatsten en de prior van evengenoemd klooster tot uitvoerders van
diens uitersten wil waren benoemd en dat Lodewijk aan gemelde
abdij van Sint Bernard zijn paard en zijne wapenen had vermaakt,
<juia ibidem eliyi et eligo meam sepulturam (\').
*  *
*
De uitmuntende Codex diplomaticus: Oorkonden betreffende
Helmond,
uitgegeven door de heeren mr. C. C. N. Krom en Aug.
Sassen (3), houdt onder andere voor de geschiedenis van Noord-Brabani,
zeer belangrijke charters, ook in het op 12 Juli 1425 gemaakte
(\') Zie J. Th. de Raadt. Egide Berthout ƒ«»•, dit a-la-Barbe (Annales de lu
Société d\'Archéologie de Bruxelles,
II, p. 3-46—367.)
(2)    Oorkonden der abdij van Sint Bernard, n°. 978. Algemeene archieven
van het koninkrijk te Brussel.
(3)     Werken van hef Provinciaal Genootschap van Kunsten en Weten-
schappen in Noord-Braoant, 1884.
.
-ocr page 3-
DE BERTHOUTS.                                                         3
testament van Jan (IV Berthout genaamd) van Berlaer, heer van
Helmond en Keerbergen. Daaruit blijkt, dat de testateur verlangde
in de kerk te Helmond begraven te worden en dat hij daarbij zielmissen
heelt gesticht in de kerken van Helmond, Keerbergen, Binderen,
Roosendael en Dinther voor zich zelf, zijnen grootvader Lodewijk, de
echtgenoote van dezen, Johanna, zijnen vader, Walraven, de broeders
en zusters van dezen laatste, zijne moeder Elisabeth l\'tenhove en den
vader van deze, Jan. Behalve legaten voor een groot aantal vrome
stichtingen, bestemde hij een kapitaal tot den opbouw eener nieuwe
kerk ter eere der Heilige Jonkvrouwe binnen de muren van Helmond.
(De bestaande kerk lag in het gehucht de Haag.) Ook bedacht hij
zijne natuurlijke dochters, Maria en Diderika, conventualen van het
klooster Roosendael en welke hij bij domicella Germaua de Osse ver-
wekt had, evenals zijne uit Catharina Stokelmans geboren bastaard-
dochter, Elisabeth. Voorts vermaakte hij renten aan zijne dochter
Catharina, Catlierinae filiae suae qnam genuit de Margwnta filia cuiusdain
Hubfrti.
Den dienaren van den testateur werden legaten toegedacht.
Verder bepaalde hij, dat het erfdeel van hem, die zijnen uitersten wil
zoude betwisten, zoude vervallen voor de eene helft aan den hertog
van Brabant en voor de wederhelft aan den Bisschop van Luik.
Eindelijk benoemde hij vijf uitvoerders van zijn testament en bepaalde,
dat elk dezer eene zilveren schaal zoude ontvangen terwijl de oorkonde,
eindigt: acta fuerunt Ine in oppido de Hel mout in domo Margaritae
jiliue ruiwidam Huberti.
Zooals men ziet, spreekt Jan van Berlaer bij dit testament niet
over zijne landerijen en heerlijkheden; wellicht alzoo heeft hij daarover
op eene andere wijze — niet onmogelijk bij schenking inter vieoa —
beschikt. De verheffing der leengoederen had ondertusschen na zijn
dood plaats.
In het bedoelde testament noemt Jan van Berlaer zijne dochters
Diderike en Elisabeth uitdrukkelijk filiae naturalex. Hij legateert haar
renten pure in eletnox\'.nam et simpliciter propter Deum. Daarentegen
noemt hij zijne dochter Catharina kortweg zijne dochter, zonder opgave
dat zij uit wettelijken echt zoude zijn gesproten, gelijk men tocli in
tegenstelling met zijne natuurlijke dochters hier had mogen verwachten.
Ook noemt hij de moeder van Catharina nimmer als zijne echtgenoote.
En was hij werkelijk op den dag van het testeeren met die ^^ar^
garela fdia cuiimdam Huberti
gehuwd geweest, dan zoude toch zeker
-ocr page 4-
4
DE BERTHO0TS.
het testament niet van uit het aan haar toebehoorende huis
maar van uit de echtelijke woning zijn gedagtcekend geweest.
In zijn werkje De />eeren nut Helmond vermeldt de heer Aug.
Sassen o]) een na liet afdrukken ingevoegd blad, dat ttertrude Cotrel,
de eerste vrouw van Jan van Berlaer, op 23 September 1418 over-
leden is en deze opgave stemt met den door Butkens opgegeven
sterfdag overeen.
Stel, dat Jan zoo spoedig mogelijk na den dood zijner eerste vrouw
hertrouwd is en dat Catharina dadelijk na verloop van drie kwart
jaars daarna ter wereld is gekomen, zoo zonde zij bij haar huwelijk
met Jan van Cortenbach in 1433 (Sassen, op. eit.) eerst den leeftijd
van 14 of 15 jaren bereikt hebben en op il Juni 1436, ten welken
dage zij met haren man hij oorkonde (\') verschijnt, ongeveer 17 jaren
oud geweest zijn.
Wij weten nu evenwel, dat Jan van Berlaer met Margaretha Uyten-
veehuse verschillende bastaarden verwekt heeft en gelooven, dat (\'atharina
eveneens eene natuurlijke dochter was en vóór 1419 het levenslicht
had gezien. Om de positie van Catharina, die wellicht zijne lievelings-
dochter was. te verbeteren, zal Jan van Berlaer wellicht hare moeder
i>, e.rtrt\'Hiix gehuwd helmen. Want er zijn verschillende oorkonden
voorhanden, die bewijzen dat er werkelijk een huwelijk voltrokken is.
En als nu de bastaard Lodewijk van Helmond in een zoenbrief van
142\'i (\'•) Catharina zijne tcittior mater noemt, bedoelt hij daarmede,
naar onze meening, niet de leiiiliutc (in den echt geborene), maar wel
de ter gelegenheid van hun huwelijk gelegitimeerde dochter zijner ouders.
Wij hopen, dat weldra oorkonden zullen worden ontdekt, welke zullen
aantoonen in hoeverre onze veronderstellingen juist zijn geweest (:I).
Brussel.                                                                 J. Th. de RAADT.
(\') Krom en Sassen, op. eit. nc. 107.
(-) Krom en Sassen, op. eit. n". 97.
("t Zie J. Th. de Raadt, Les Seigneuries du Pays <h> Malines-Keerbergen cl
ses seigneurs (Messager des sciences hisloriques.
Gand, 1889) waar men talrijke
nadere aanwijzingen, betreffende de genoemde personen, kan vinden.