-ocr page 1-
-ocr page 2-
S. oct.
6271
__________________:______i___________________!________________.                                                                 .                         _
-ocr page 3-
••■■>\'                                                           • - .■■                                                                                                                                                                                                                                                                                                                  .                                                                                                                                                                     
-ocr page 4-
-ocr page 5-
I
DE RUN.
•
-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-
fy\'éïft.
De Rijn
VAN
ARNHEM TOT ZIJN OORSPRONG.
MET GRAVUREN.
-■^3@)^»»-
f
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
ARNHEM. — J. VOLTELEN.
-ocr page 10-
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
A06000024480539B
2448 053 9
SHfXP\'F.nsniIITK VAN II. C. A. THIEUE TE NI.IMEOEN.
-ocr page 11-
DE R IJ NL
HOOFDSTUK I.
Inleiding. — Emmerik. — Kleef. — Xanten. — Wezel — Ruhrort. —
I)e fabriek van Krupp te Essen. — Dnisbnrg. — Krefeld.
Hoezeer de Nederlander van den echten stempel zijn ge-
boortegrond ook moge liefhebben en hoe wars hij ook — om
met z\\jn volkslied te spreken — van vreemde smetten zij, zoo
verhinderen die gehechtheid en dat exclusivisme hem echter
niet om het schoone, wat natuur en kunst in den vreemde
bieden, gewoonlijk hooger te schatten dan hetgeen zijn eigen
toch zoo rijk gezegende landouwen opleveren.
Of hieraan soms schuld zijn de guurheid en vochtigheid van
ons klimaat, die aan De Génestet zijn vermakelijk protest in
de psn gaven tegen de mogelijke onderstelling, als zoude de
„gewijde grond der vaderen" op zijn verzoek aan de zee ont-
woekerd zijn?
Aan de beantwoording dier vraag willen wy ons niet wagen,
maar wèl weten wij, dat, wanneer een Hollander het toover-
woord Rijn hoort noemen, onmiddellijk voor zijn verrukten
blik een echt uitheemsch landschap verrijst, gestoffeerd met
hemelhooge rotsen, half in puin gestorte middeleeuwsche burg-
ten, wijngaarden en vreedzame dorpjes, te midden waarvan de
trotsche bergstroom zijn machtige golven voortstuwt.
1
-ocr page 12-
2
Van zijn eigen Ryn en de zooal niet overweldigend schoone
dan toch zeer fraaie gezichtspunten, welke deze hier en daar
aanbiedt, herinnert hij zich enkel met eenig ongenoegen nog
van de schoolbanken den ouden dreun, hoe de rivier by Lobith
in ons vaderland komt, om, na een moeitevollen ouden dag,
verarmd en berooid, eindelijk bij Katwijk in de golven dei-
Noordzee zijn graf te vinden. Bovendien draagt Borger\'s treur-
zang, die ieder Hollandsche jongen van buiten kent, er zeker
niet toe bij om van den diep gevallen „grootvorst van Europa\'s
stroomen", en van bovengenoemd visschorsdorp in het bijzon-
der, een bltfmoedigen indruk bij hem achter te laten.
Na deze kleine voorafgaande beschouwing noodigen wij
onze lezers uit om met ons het stoomjacht der verbeelding
te bestijgen en daarmede den Rijn tot aan z\\jn oorsprong
op te varen. Deze wijze van reizen biedt ontzaglijk veel voor-
deelen aan. In de eerste plaats kunnen wü overal, waar het
bijzonder aangenaam of gemiithlich is, naar hartelust vertoe-
ven en daarentegen, — al gaat de reis ook stroomopwaarts —
waar ons dit wenschehjk voorkomt, een snelheid aannemen,
waarbij die van den beruchtsten sneltrein slechts een slakken-
gang is. Bovendien behoeven wü watervallen noch klippen
te ontzien en zetten we ons vaartuigje met het grootste ge-
mak over alle onbevaarbare riviervakken heen.
Wanneer wü dus, na in het voorbijgaan slechts een
vluchtigen blik op het bekoorlijke Arnhem geworpen te
hebben, getrouw aan de echt Hollandsche gewoonte, ons
haasten om over de grenzen te komen, is Emmerik het eerste
stadje, dat zich op Duitsch grondgebied aan ons vertoont,
en dan ook nog een echt Hollandsch karakter bezit. Evenals
de meeste Rijnsteden beeft Emmerik een geschiedenis achter
zich, want in de middeleeuwen telde het een groote bevolking,
en was het een gewichtig lid van het Hanze-verbond.
Meer de aandacht verdient het aan de overzijde van Emme-
rik doch verder landwaarts in gelegen Kleef, waaraan voor
-ocr page 13-
3
tal van Hollanders, die aldaar van het natuurschoon, zoo ge-
heel afwijkend van hetgeen onze vlakke beemden te aanschou-
wen geven, hebben genoten, alleraangenaamste herinneringen
verbonden zijn. De nabijheid van onze grenzen, waardoor,
vooral in het heete jaargetijde, het onaangename van een reis
tot een minimum wordt gereduceerd, en ook het rustige
en goedkoope leven lokken vanzelf tot een bezoek aan de
bekoorlijke Kleefsche bergen met hunne lommerrijke bosschen
■en fraaie dalen uit. Hier speelt de geheimzinnig schoone legende
van den ridder Lohengrin, door dichter en componist — men
■denke slechts aan Wagner\'s opera van dien naam — om strijd
vereeuwigd.
Te Nijmegen — zoo luidt de overlevering — hield Karel de
■Groote eens rechtspraak in een allerneteligste quaestie tusschen
■de hertogin-weduwe van Brabant en haren zwager, den hertog
van Saksen, waarbij al de bezittingen der hertogin op het
spel stonden. Toen nu de juridische argumenten van weers-
zijden uitgeput waren, en de groote vorst nog steeds in zijn
oordeel weifelde, bood de hertog aan zijn goed recht met het
zwaard tegen wien ook te verdedigen. Geen kampvechter
kwam echter opdagen om het tegen den reusachtigen Sakser
op te nemen, en reeds huilden de hertogin en hare lieftallige
dochter Beatrix heur oogen rood, in de meening, dat alles ver-
loren was, toen een sneeuwwitte zwaan, een sierlijk bootje,
met een slapenden ridder er in, achter zich aanvoerend, de
Waal kwam afzwemmen en zijn last aan den oever deponeerde.
De ridder, een jongeling van buitengewone schoonheid, die
hierop ontwaakte, betrad onmiddellijk het strijdperk, en door-
stak, na de gewone formaliteiten vervuld te hebben, den her-
tog met zijn zwaard, zoodat deze dood ter aarde stortte. Het
pleit was dus beslist; de Zwanenridder begeleidde de beide
vrouwen naar het slot te Kleef, hare gewone residentie, en
werd weldra de gelukkige echtgenoot der lieftallige Beatrix,
die hem echter vooraf had moeten beloven nooit of nimmer naar
-ocr page 14-
4
zijn herkomst te zullen vragen. Jaren vloden henen en twee
bloeiende knapen, het evenbeeld van hun edelen vader, waren
de vrucht van een allergelukkigst huwelijk, toen ten slotte
de vrouw haar Eva\'s natuur niet langer kon verloochenen en
in het nachtelijk uur de verboden vraag van haar lippen liet
gleden. Den volgenden morgen reeds vertoonde zich de zwaan
met het ranke vaartuigje, en de ongelukkige ridder, door een
geheimzinnige kracht gedreven, voer, na voor het laatst zyn
gade en kroost omhelsd te hebben, op dezelfde wijze als hü
zich voor het eerst vertoond had, den Rijn af en keerde nim-
mer weder. Na weinige maanden ontfermde zich de dood over
de troostelooze Beatrix.
Geheel in overeenstemming met al de wonderlijke sagen
en sprookjes, waaraan de omstreken van Kleef zoo rijk zijn,
is ook de natuur, die hier een voorpost van bergen en wouden
geplaatst heeft, om, als het ware, een voorsmaak te leveren
van het paradijs, dat zich eerst boven Bonn voor den toerist
ontsluiten zal.
De stad zelf is in Hollandschen trant net en zindelijk ge-
bouwd. In de Stifts-kerk, een in gothischen stijl uit baksteen
opgetrokken gevaarte van kolossale afmetingen, treft men
eenige grafmonumenten aan van graven en hertogen, die een-
maal over Kleef heerschappij voerden. Midden in de stad ver-
heft zich op een steile hoogte het werkelijk schilderachtige
Residentie-slot der voormalige hertogen met den 56 meter hoo-
gen Zwanentoren, op last van hertog Adolf I in 1439 gebouwd,
op de plek, waar zich vroeger een door Caesar zelf opge-
richte toren verhief, naar althans een oude inscriptie in den
Zwanentoren vermeldt. Van dien toren omvat de blik den
geheelen omtrek met zijne boschrijke heuvelen, vruchtbare
dalen en frissche weilanden. Zuid- en westwaarts ziet men
plantsoenen, die zich uren vor uitstrekken, met fonteinen, wa-
tervallen en vijvers, alsmede een gedenkteeken uit metaal voor
den aanlegger er van, Johannes Maurits van Nassau-Siegen,
-ocr page 15-
Residentie-slot.
die van 1650 tot 1679 stad-
houder van het hertogdom
Kleef was. Vóór het slot is
in 1861, ter gedachtenis aan
de inlyving van Kleef by
Brandenburg, een standbeeld
voor den Brandenburgschen
keurvorst Johannes Sigis-
mund
(1619 gest.) opgericht.
De werkelijk nobele figuur
is door den beroemden beeld-
Johannes tsigismund.
-ocr page 16-
6
houwer Bayerle gemodelleerd. Als een oudheidkundige Inzonder-
heid verdient nog vermelding dat zich eertijds nabij Kleef de door
keizer Trajanus gestichte legerplaats Colonia Trajana bevond.
Aan plaatsen, die ons de dagen van het grijs verleden in
het geheugen terugroepen, ontbreekt het trouwens op dat ge-
deelte van den Rijn, waarlangs wij thans onze reis voortzetten,,
allerminst. Vooreerst toch ontmoeten w\\j Xanten, eens Gastra
Vetera
en Gastra Ulpia, de beroemde legerplaatsen, die aan de
Romeinsche veldheeren als uitgangspunten dienden voor hunne
krh\'gstochten tegen de woeste maar dappere Germaansche
volksstammen. Hier was het dat Varus, aan het hoofd zijner
schitterende legioenen, den Rijn overstak, op zijn rampzaligen
tocht naar het Teutoburgerwoud. Van even ouden datum is het
aan den overkant gelegen Wezel, een sterke vesting en tevens
eene aanzienlijke fabriekstad. Ook hier hadden de Romeinen
een versterkt kamp en tevens een burgt, waaruit in de negende
eeuw het dorp Lippismunde ontstond, aldus genaamd naar
de Lippe, die hier in den Ryn uitmondt. Een merkwaardig monu-
ment van oude bouwkunst is de Wezelsche Willébrordus-kerk,
een fraai gothisch gebouw, dat in 1181 ingewijd, doch eerst ruim
drie eeuwen later voltooid werd. Het stadhuis is eveneens in
gothischen stijl opgetrokken en dagteekent reeds van 1396.
Beide plaatsen, doch vooral het oude Xanten, zjjn uit een ar-
chaeologisch oogpunt van onschatbare waarde; het aantal
aldaar opgegraven Romeinsche oudheden is dan ook legio.
Een geheel ander karakter draagt het hooger op aan de
samenvloeiing van Rijn en Ruhr gelegen Ruhrort, de stapel-
plaats van den kolenopbrengst uit het rijke Ruhr-bekken en
tevens de grootste rivierhavenplaats van het vasteland van
Europa. Zijn gezamenlijke havens hebben een lengte van 7%
kilometer en bieden aan ongeveer 1200 vaartuigen gelegen-
heid om er de winterkwartieren te betrekken. Jaarlijks bezoeken
13- a 14000 schepen deze plaats, hoofdzakelijk om steenkolen
in te laden.
-ocr page 17-
7
Wanneer wij ons thans een klein uitstapje langs de Ruhr
veroorloven, dan geschiedt dit niet om ons van de kolen-
industrie in deze streken op de hoogte te gaan stellen, hoe
belangrijk die industrie op zich zelf moge zijn. Ons eenige
doel is een bezoek aan Essen en wel meer speciaal aan de
wereldberoemde gietstaalfabriek van Krupp, die de mogend-
heden van grof geschut, van pantserplaten, vuurmonden en
granaten, de spoorwegen van rails en andere uit staal ver-
vaardigde benoodigdheden voorziet. Wanneer wy hier spreken
van een „bezoek brengen" is dit echter wel eenigszins euphe-
mistisch, want de toegang tot de fabriek is aan vreemdelingen
streng verboden. Zonder bijzondere vergunning moet men
zich dan ook tevredenstellen met een blik op de tallooze
schoorsteenen, waaronder een, die den vorm en de afmetingen
van een kolossalen vuurtoren heeft en bij den 1000 centenaars
zwaren reuzenstoomhamer behoort.
In 1810 richtte Friedrich Krupp met 9 arbeiders een giet-
staal-fabriek op. De eerste jaren zouden hieraan nog geene
groote uitbreiding brengen; in 1832 toch was het aantal ar-
beiders slechts met één vermeerderd. Friedrich was toen reeds
gestorven na een leven vol zorg en moeite; zijne uitvindingen
hadden hem geen schatten doen verwerven, want het geluk
was zijn ondernemingen niet gunstig geweest; zijn vermogen
was achteruitgegaan, en het aantal concurrenten, dat lang-
zamerhand kwam opdagen, toen de ijzer- en kolen-industrie
zich uitbreidde, was zeer aanzienlijk.
Onder ongunstige omstandigheden dus nam zijn zoon Alfred,
in 1826, de leiding der zaken op zich. Van dien tijd af breidde
zich de werkzaamheid der fabriek meer en meer uit, nieuwe
takken van nijverheid ontwikkelden zich en Alfred Krupp, die
eenen scherpen blik in de toekomst had, wist telkens nieuwe
verbeteringen aan te brengen, die zijne fabrikaten verkieslijk
maakten boven die zijner concurrenten. Steeds breidde zijne
fabriek zich uit, het eene gebouw verhief zich naast het andere.
-ocr page 18-
8
Mijnen in den omtrek werden in huur genomen of aangekocht,
de deelen der fabriek werden door spoorwegen met smaller
spoor en met gewoon spoor verbonden, waterwerken, op groo-
ten afstand aan de Ruhr aangelegd, moesten de fabriek en de
werktuigen van water voorzien, door middel van water werd
de beweging van machines vereenvoudigd en werden allerlei
besparingen van kracht aangebracht.
Thans is eene ruimte van omstreeks 500 hectaren ingenomen
door verschillende fabrieksgebouwen, bureau\'s en magazijnen.
Zooals wü gezien hebben, bedroeg het getal fabriekarbeiders
in 1832 nog niet meer dan 10; sedert nam het echter sterk
toe en in 1862 was het reeds tot 2512 gestegen, welk cijfer in
1872 tot 10,394 en in 1887 tot nagenoeg 20,000 klom. In 1863
werd een aanvang gemaakt met het bouwen van 140 woningen
voor arbeiders, en allengs groeide dit aantal aan; in 1871
werden twee nieuwe kolonies bijgebouwd, alle aan de grenzen
van Essen gelegen. Het getal woningen was daarmede tot
500 gestegen, toen in 1872 en 1873 de toeneming van het
aantal arbeiders nieuwe uitbreiding noodig maakte, en de
kolonies Cronenberg met 1250 en Schederhof met 772 wonin-
gen gebouwd werden. Al deze woningen werden van water-
leiding voorzien, waren ruim en luchtig, net geverfd, en het
was eene eerste verplichting der bewoners voor reinheid en
goed onderhoud van huis en hof te zorgen. In ongeveer 3200
woningen van verschillende grootte woont nu eene bevolking
van omstreeks 16,000 zielen en overal waar men komt in de
huizen is het rein en frisch, waaraan trouwens vanwege de
directie der fabriek met groote zorg de hand gehouden wordt.
Voor zieken is een ziekenhuis en een huis voor besmettelijke
zieken ingericht; de zieken kunnen daar of te huis verpleegd
worden. Door een ziekenfonds blijven zy een gedeelte van hun
loon trokken, ook zelfs bij ziekten van langoren duur, wanneerniet
de arbeider zelf, maar leden van zijn gezin aan langdurige ziekte
lijden, kunnen z\\j uit het in 1879 gestichte fonds hulp krijgen.
-ocr page 19-
9
Door het oprichten van winkels, waar alle dagelijksche be-
hoeften ongeveer tegen kostenden prijs verkrijgbaar zijn, van
spaarkassen, enz., heeft vooral de in Juli 1887 overleden chef
Alfred Krupp, aan wiens kloek beleid en helder doorzicht trou-
wens de fabriek hare Europeesche vermaardheid te danken
heeft, al het mogelijke gedaan om den werkman een beter lot
en uitzicht op een betere toekomst te geven.
Boven allen lof verheven is echter hetgeen deze eminente
man voor het onderwijs der kinderen van zijne beambten en
werklieden gedaan heeft. In 1877 stichtte hu\' te Essen een
school, die ook uit een hygiënisch oogpunt aan alle mogelijke
vereischten voldoet en tegenwoordig door omstreeks 1300 kin-
deren bezocht wordt. Ook hier is alles op grootsche schaal
aangelegd. Een tuin van 45 aren is beplant met lindeboomen
en grenst aan een schooltuin van 18 aren ten behoeve van \'t
onderwijs in de botanie, horticultuur, boomkweekerü, land- en
akkerbouw. De onderwijzers hebben vrije woning een ruim
inkomen en recht op pensioen.
Voor het onderwijs der toekomstige arbeidsvrouwen heeft
Krupp mede gezorgd. Onder de leiding van eene directrice
geven acht onderwijzeressen aan de meisjes les in alle mogelijke
handwerken, alsmede in de behandeling der wasch. Slechts
een kook-cursus ontbreekt nog.
In andere plaatsen, waar de firma Krupp hare metaalfabrie-
ken heeft gevestigd, heeft zij aan de gemeenten kosteloos
schoollokalen met onderwijzerswoningen verschaft. Zoo telt
Altendorf vijf scholen met dertig klassen; Schederhof drie
schoollokalen en Kronenberg twee.
Aan al deze inrichtingen van onderwijs legt de firma nog
jaarlijks een som van meer dan ƒ60,000 ten koste.
Van Euhrort naar Duisburg is slechts een stap. Eens was
Duishnrg- een vrne rnksstad, waar de Duitsche Keizers tal
van rijksdagen en conciliën hielden, en die door hen met vele
privilegiën begiftigd werd. Door een zonderlinge gril der na-
-ocr page 20-
10
tuur trok echter ten tnde van den dertigjarigen oorlog de Rijn
zich op eens een half uur van de muren der stad westelijk
terug, hetwelk zeer ten goede kwam aan den handel en scheep-
vaart van Euhrort, dat tot nog toe slechts een onbeteekenend
stadje was geweest.
Verder zuidwaarts ligt Krefeld, dat in 1831 slechts 13,000
en 35 jaren later reeds 90,000 inwoners telde, en de grootste
Pruisische fabrieksplaats voor zijde en fluweel is. Deze produc-
ten, die, naar men beweert, in fijnheid en degelijkheid met de
stoffen van Lyon wedijveren, worden grootendeels naar Amerika
verzonden. Wollen en katoenen stoffen en wasdoek zijn ook
belangrijke artikelen van fabricatie, en daarbij drijft men een
belangrijken handel in koloniale waren. In de zeventiende en
achttiende eeuwen werd de bevolking aanzienlijk vermeerderd
door remonstranten en mennonieten, die wegens de geloofs-
vervolgingen uit Holland de wijk moesten nemen. In een der
wandelparken vindt men een monument voor C. Wilhelm, den
componist van de „Wacht am Rhein."
*
-ocr page 21-
HOOFDSTUK II.
Dusseldorp. — Neuss. — Aken. — Keulen.
Terwijl w\\j nog steeds de Rijnoevers, wier vlakke eentonig-
heid slechts hier en daar door een rü populieren aan den ho-
rizont afgebroken wordt, zoo snel mogelijk stroomopwaarts
volgen, verrijst voor ons oog hét schijnbaar ouderwetsch som-
bere en toch zoo by uitstek levenslustige Dusseldorp, met
zh\'n grauwe kaaimuren, zijne naargeestige gebouwen aan den
oever en zijn nauwe, allesbehalve schilderachtige Rijnpoort.
Zijn wij echter eenmaal die poort en een daarachter gelegen
stil straatje doorgegaan, dan zien wij ons tot onze groote ver-
rassing eensklaps verplaatst te midden van de woelige drukte
op een der meest karakteristieke en schilderachtige markt-
pleinen aan den Benoden-Rijn. Een twijfelachtige versiering
van dit plein, dat overigens op een prachtig raadhuis mag
bogen, is in deze omgeving het meer dan levensgroote, mas-
sieve ruiterstandbeeld van den kunstlievenden keurvorst Johann
Wilhelm.
Volgens een inscriptie op het voetstuk is het beeld
in 1711 nog tijdens het leven van den vorst, die zooveel tot
verfraaiing der stad heeft gedaan, door do burgerij opgericht,
doch in werkelijkheid moet Johann Wilhelm zelf verreweg het
meest in de kosten van zijne vereeuwiging hebben bijgedragen.
Aan de onthulling van dit standbeeld knoopt zich een leer-
rijke anecdote vast. Toen namelijk by die plechtige gelegen-
heid de diepgetroffen keurvorst aan den vervaardiger, den
-ocr page 22-
12
beroemden Gruppello, coram populo, de hand drukte, wekte
dit openlijk bewijs van toegenegenheid den naijver der hove-
lingen niet weinig op. Zij waren wel zoo voorzichtig te erken-
nen dat het beeld van den vorst voortreffelijk was uitgevallen,
hoewel volstrekt niet geflatteerd, maar het „peerd" had, fluis-
terde men, groote gebreken. De één wist iets op den hals,
een ander op de pooten, een derde op de houding van den
staart aan te merken. Het gevolg was dat de vorst, die op
het stuk van kunst niet erg vast in zijn schoenen bleek te
staan, in zijn eerste gunstige meening begon te wankelen en
eindelijk aan den kunstenaar ronduit vertelde, wat men, na-
tuurlijk achter diens rug, zooal te bedillen had. Gruppello
wist raad; het beeld verdween weder onder zyn omhulsel, en
eerst een maand later werd het andermaal ontbloot. Nu von-
den allen het, in koor, even prachtig, doch Gruppello sprak,
toen de vorst hem over zijn werk een compliment maakte:
„Aan een gegoten standbeeld valt onmogelijk iets meer te ver-
beteren, zoodat er dan ook inderdaad niet het minste aan
veranderd is. Zij, die het eerst berispten, vinden het nu over-
heerlijk; gn\' kunt hieruit afmeten, Vorst, hoeveel vertrouwen
zulke raadgevers verdienen." De hovelingen dropen hierop met
beschaamde kaken af. Authentiek is het verhaal niet, maar:
si non e vero e bene trovato!
Dusseldorp is heinde en ver het meest bekend als een hoofd-
zetel der kunsten. De reeds in 1767 door Karel Theodorus,
keurvorst van de Palts, opgerichte schilder-academie, kwam in
1822 onder de leiding van Peter von Cornelius, in 1826 onder
die van Wilhelm von Schadow en is sedert dien th\'d steeds
hooger gestegen, zoodat tegenwoordig jongelieden uit alle
oorden der wereld er hunne kunstopleiding komen zoeken.
Nadat het slot, waarin vroeger de academie gevestigd was,
door brand werd verwoest, bij welke ramp gelukkig de een-
maal zoo beroemde galerij van oude meesters gespaard bleef,
werd in 1879 een nieuw academie-gebouw in renaissance-stn\'l
-ocr page 23-
10
opgericht, dat zoowel om zijn schoone lijnen als door zijn
kolossale afmetingen bijzonder de aandacht verdient.
De Ho/tuin, een heerlijk park, dat de plaats der in 1802 ge-
sloopte vestingwerken inneemt, mag met recht op den naam
van lustoord aanspraak maken. Door de samenwerking van
een aantal wakkere kunstenaars voor totalen ondergang be-
hoed, toen de onverbiddelijke industrie in het begin dezer eeuw
haar begeerige blikken zoowel op het allergunstigst gelegen
terrein aan de Dussel als op de, een aanzienlijke handelswaarde
vertegenwoordigende, overoude boomstammen ging vestigen,
is diezelfde hoftuin in den loop der jaren steeds meer en meer
de geliefkoosde plek van bijeenkomst voor Duitsche schilders
en dichters geworden. Zoo vestigde zich aldaar in 1860 de
Dusseldorpsche kunstenaarsvereeniging „Malkasten" op breeden
grondslag. Zn\' geeft er schitterende feesten, waarbij het artis-
tieke element steeds op den voorgrond staat. Het getal open-
bare plaatsen van uitspanning is trouwens zeer groot, want
de goede Dusseldorpers staan reeds sedert jaar en dag bekend
als vroohjke, gezellige luitjes, die zich tot leus hadden aange-
nomen : „Geniet vandaag wat gij genieten kunt, en laat den
hemel voor den dag van morgen zorgen." De omstreken dsr
stad kunnen overigens als een groote tuin van moeskruiden
en boomvruchten beschouwd worden; aan romantische punten
ontbreekt het daarbij, doch van den top van den Orafenberg
heeft men in ieder geval een aangenaam vergezicht over Dus -
seldorp, Neuss en het geheele landschap.
De stad zelf vormt, wat haar ouderdom betreft, een opmer-
kenswaardig contrast met de andere steden van den Beneden-
R\\jn, daar zü eerst van de veertiende of vijftiende eeuw da-
teert, en zich dan ook op geen grootsch verleden kan beroemen.
Zij is echter de bakermat van vele mannen van beteekenis.
Wy noemen slechts Peter von Gornelius, den eminenten schil-
der, voor wien in 1870 aan den ingang van den Hoftuin een
prachtig monument is verrezen en Heinrich Heine, den dich-
-ocr page 24-
e^?D«^
»%■\'
£k
\'3
De Hoftuin.
-ocr page 25-
15
ter van het „Buch der Lied er", die in een onaanzienlijk huis
nabij de markt het eerste levenslicht aanschouwde. Ook voor
dezen grooten Duitschen zanger is thans een standbeeld in
de maak, dat weldra den Napoleonsberg in den Hoftuin zal
versieren.
Ten slotte zh\' nog aangestipt, dat Dusseldorp in den laatsten
tn\'d op het gebied van handel en nijverheid met reuzenschreden
is vooruitgegaan en ruim 105,000 inwoners telt.
Wanneer wij thans voor een oogenblik den Kijnstroom ver-
laten om een uitstapje naar Aken te maken, treffen wn" reeds
dadelijk op onzen weg Neuss aan, in tegenoverstelling met
Dusseldorp, een der oudste steden van Duitschland, doch die
hare historische vermaardheid ontzettend duur heeft moeten
betalen. Zy schijnt de kiem van haar ontstaan aan de Ubiërs
te danken gehad te hebben, in het jaar 35 vóór Christus. Dru-
sus bouwde er een burgt, die door de Batavieren verwoest
werd. Na hare herbouwing ontving zij den naam van Novum
Castrum of Novesium, waaruit allengs Neuss is afgeleid. Als
men hier op de wallen staat en de omringende landstreek
overziet, kan men zich een belangrijk gedeelte der geschiedenis
voor den geest roepen. Hier zwermden de krijgsbenden van
Markomannen, Alemannen en Franken rond en brachten dik-
wijls verwoesting over het plaatsje, dat altijd weder herbouwd
werd. Tijdens de groote volksverhuizingen verdween de naam
geheel en kwam eerst in 825 bij de oprichting van het stift
St. Quirinus opnieuw te voorschijn. Aanhoudend bleef er bloed
stroomen. In de nabijheid werd in 1206 door Philips van
Zwaben de nederlaag toegebracht aan Otto IV, den zoon van
Hendrik den Leeuw. Karel de Stoute, hertog van Bourgondië,
belegerde de stad in 1474 48 weken lang, liet de wallen 56
malen tevergeefs bestormen en verloor daarbij 12,000 a 15,000
man. In 1586 nam Alexander Farnese, hertog van Parma, de
stad in, en zijne Spaansche en Italiaansche soldaten joegen ieder-
een over de kling, dien zij konden machtig worden; 300 man
-ocr page 26-
16
der bezetting die zich op genade of ongenade hadden overge-
geven, werden zonder erbarming nedergesabeld; 2000 lijken van
inwoners bedekten de straten, en te midden dier ellende brak
een brand uit, die een groot gedeelte der plaats in de asch
legde.
Ondanks al die rampen is Neuss toch nog Neuss gebleven,
en telt het thans reeds meer dan 20,000 inwoners. Ook de St.
Quirinuskerk,
een prachtige basiliek, waarvan de bouw in 1209
begonnen werd, heeft aan alle stormen weerstand geboden
en is thans nog een der heerlijkste monumenten van gothischen
bouwstijl.
Aken was, naar de historie meldt, reeds ten tijde van Pepijn
bekend en later de geliefkoosde verblijfplaats van Karel den
Groote, die hier in 814 stierf. Hy vestigde er eene hoogere
school en eene bibliotheek onder toezicht van Alcuinus, en
bouwde een paleis, eene hofkapel en eene badinrichting;deze
gebouwen vormden gezamenlijk een geheel en waren door
een muur omsloten. Het bad werd voorzien uit de warme
Keizersbron, die krachtig uit diepe rotskloven te voorschijn
komt en alle dergelijke bronnen van Europa in zwavelgehalte
overtreft. Het paleis, dat de plaats der tegenwoordige markt
met raadhuis omvatte, werd met vele kunstwerken van mar-
mer en mozaïek opgeluisterd. Ook de hofkapel werd zoo prach-
tig mogelijk gemaakt en met metalen hekwerken en deuren
voorzien; men spaarde er geen goud of zilver aan en het mar-
mer kwam uit Rome en Ravenna. Zy werd de kern van de
tegenwoordige domkerk en is het eenige bouwwerk, dat uit
dien tn\'d is overgebleven.
Nadat de Groote Keizer, wiens naam ook nog in sommige
van onze landstreken voortleeft, in 814 gestorven was, werd
zijn Hjk, met het keizerlijk ornaat getooid, in een gewelf op
een marmeren zetel geplaatst, waar het rustig zitten bleef,
totdat eerst in 1001 door Otto III en vervolgens in 1165 op-
nieuw door Frederik I het grafgewelf geopend werd. De laatste
-ocr page 27-
17
liet het vorstelijk gebeente wegvoeren en thans duidt alleen
een steen met het opschrift Carolo Magno de plaats aan, waar
eenmaal Karel de Groote begraven is geweest. Wel vertoont
men daarentegen nog den marmeren zetel, die later bij kronin-
gen gebruikt werd. Het graf toch met zijne machtige herin-
neringen was oorzaak, dat Aken tot kroningsplaats der Duit-
sche vorsten werd gekozen, zoodat dan ook van Lodewijk den
Vrome tot Ferdinand I (814—1531) niet minder dan 37 vorsten
in den ouden dom gezalfd zn\'n. Aan de periode van bloei,
die hiervan het gevolg was, werd op eens een einde gemaakt
door de verplaatsing der keizerskroningen naar Frankfort, ter-
wijl, tot overmaat van ramp, Aken in 1656 door een hevigen
brand, die 4000 huizen in de asch legde, geteisterd werd. Sedert
dien tijd voerde de stad een kwijnend leven, terend op haar
oude grootheid, totdat zij na het einde der Fransche overheer-
sching als met een tooverslag tot nieuwen bloei ontwaakte.
De hooge muren, diepe grachten en gewelfde poorten, waar-
binnen zij bekneld was geweest, maakten plaats voor prachtige
strateni\'ü\'en met schitterende winkels en overheerlijke wande-
lingen.
Behalve aan de ontwikkeling van zijn handel en industrie
heeft Aken voor verreweg het grootste gedeelte den bloei,
waarin het zich thans verheugen mag, te danken aan zijn
beroemde geneeskrachtige swavelbronnen. De voornaamste zijn:
de Keizersbron (44* R.); de Quirinusbron (39,7° E.) en de
Rosen- en Gornelius-bron (37,6* R.), waardoor verscheidene bad-
bassins van water voorzien worden. Aan de Elisa-bron, aldus
genoemd naar de gemalin van Frederik Wilhelm IV, laven
zich tal van lijders, die door een dronk van het geneeskrachtige
water heil trachten te vinden voor hunne wezenlijke of
denkbeeldige kwalen. Het getal badgasten bedraagt dan ook
.jaarlijks niet minder dan om en bij de 8000.
Onmiddellijk aan Aken grenst het bekoorlijk gelegen Burt-
scheid,
vroeger een echt landelijk dorpje en thans ongeveer
2
-ocr page 28-
18
in dezelfde conditiën verkeerende als Nieuweramstel ten op-
zichte van Amsterdam. Het lagere gedeelte dier buitenge-
meente is zoo rijk met warme bronnen gezegend, dat niet alleen
nagenoeg iedere woning haar eigen bron bezit, maar er zich
zelfs een beek van warm water gevormd heeft, bij uitnemend-
heid geschikt om er eieren in te koken. De geheele omtrek is
overigens ryk zoowel aan natuurschoon als aan zink-, lood-,
ijzer- en steenkolenmijnen en daarom een bezoek overwaard.
Zeer aan te bevelen is bovendien een wandeling naar Fran-
kenberg, eenmaal het slot van Karel den Groote, waaruit deze,
omstuwd van zijne paladijnen, ter jacht toog, en waaraan de
volgende onbeschrijfelijk weemoedige sage verbonden is: Na
den dood van zijn derde gemalin, de lieftallige Fastrada, was
het den Keizer onmogelijk van heur l\\jk te scheiden. Eerst
toen een tooverring van de schoone doode verwijderd en in
het meer nabij het slot geworpen was, hield die geheimzin-
nige invloed op. Doch thans voelde de Keizer zich met on-
weerstaanbaar geweld tot het meer aangetrokken. Hij liet dan
ook aan den oever een burcht bouwen en placht daar dikwijls
uren lang, In droefgeestige mijmering verzonken, aan het ge-
opende venster op den stillen waterspiegel te staren.
Wanneer wij ons thans rechtstreeks naar Keulen wenden
en het riviervak tusschen die stad en Dusseldorp onbesproken
laten, dan geschiedt dit om de eenvoudige reden, die reeds
eenmaal gegolden heeft, dat de oevers daar namelijk al zeer
weinig opmerkenswaardigs bezitten.
Evenals Aken, is ook Keulen vooral merkwaardig om de
rol, die het in de wereldgeschiedenis vervuld heeft. De stad
dagteekent reeds van de heerschappij der Romeinen; ztf is
namelijk omstreeks het jaar 37 vóór Christus, op aansporing
van Marcus Agrippa, door de Ubiërs gesticht, waarnaar zij
Ubiorum Oppidum werd genoemd. Ongeveer in het jaar 50 na
Christus onderging de bevolking eene groote vermeerdering
door eene kolonie die hier werd geplaatst en ter eere van de
-ocr page 29-
19
•gemalin van keizer Claudius den naam van Colonia Agrippina
•ontving. De stad behield dien naam \'en werd de hoofdstad
van Beneden-Germanië. Op de plaats van het tegenwoordige
stadhuis heeft, naar men zegt, het huis der Eomeinsche pre-
fecten gestaan. Btf de verdeeling van het Frankische Ru\'k kwam
de stad in 870 btj Duitschland. In het begin der dertiende eeuw
werd zü in het Hanze-verbond en omtrent 50 jaar later in het
Rn\'nsche Steden-verbond opgenomen. In 1212 ontving zü den
rang van vrije ryksstad en handhaafde als zoodanig hai-e rech-
ten tegen hare aartsbisschoppen, die daarom in 1262 na velerlei
onlusten hunne residentie naar Brühl en nog later naar Bonn
verlegden. "Woest ging het er in die dagen op los, en menige
bladzijde uit de geschiedenis van het toenmalige Keulen is
volgeschreven met moord en doodslag. In de 14de eeuw ont-
brandde er ook de niet minder felle strn\'d tusschen de voor-
name geslachten en de „gaffels" of gilden uit de burgers, tot
het den laatsten eindelijk gelukte zich een aandeel in het
stadsbestuur te veroveren. Ook de godsdienst speelde te Keulen
altyd eene groote rol. In 1349 brak er eene zware vervolging
tegen de joden los en velen van hen kwamen op den brandstapel,
waarna de overigen in 1424 verbannen werden. In 1618 werden
al de protestanten uit de stad gedreven, zoodat 1400 huizen ledig
stonden; de vervolgden begaven zich naar Mühlheim, Krefeld
en Elberfeld. Sedert dien tyd verviel Keulen van de schitterende
hoogte, die het gedurende de middeleeuwen had ingenomen,
toen het een middelpunt voor den handel tusschen het Oosten
en de kusten der Noordzee was. Augsburg was de transito-
stad tusschen Keulen en Venetië en regelde zyne munt naai-
de Keulsche. Keulen telde ten t;jde van z\\jn bloei 150,000
inwoners en kon 30,000 weerbare mannen in het veld brengen.
Er waren 80,000 weefgetouwen; men had koopvaardijvloten
in zee, hief hooge tollen op den Rijn en maakte aanspraak op
het voorrecht dat alle goederen van buitenslands op Keulsche
schepen verder moesten vervoerd worden. De groote kooplieden
-ocr page 30-
20
stonden in een zoodanig aanzien, dat, als zij aan het keizerlijk
hof verschenen, de edellieden plaats voor hen maakten met de
woorden: „Daar komen de heeren van Keulen!"
Er was een tijd, dat de stad den naam van het Heilige
Keulen verdiende, wegens het kolossaal groot aantal kerken^
altaren, kapellen en kloosters, waarmede de stad als ware het
bezaaid was. Men placht zelfs vroeger te zeggen, dat hier
zoovele kerktorens waren als dagen in het jaar. De Franselien,
die by den vrede van Campo Formio in 1797 Keulen geheel in
hunne macht kregen, hieven echter in 1802 al de kloosters en
geestelijke gestichten op, zoodat er tegenwoordig slechts een
26-tal kerken en kapellen overig z^jn. Nadat de stad onder
Pruisisch gezag was gekomen, verhief zn\'zich weder en tegelijk
steeg de bevolking, zoodat zij het nu tot ruim 160,000 inwo-
ners gebracht heeft, zonder de bezetting, want Keulen is een
vesting van den eersten rang en de voorstad Deutz, aan de
overzijde van den Rn\'n gelegen, moet haar tot bruggehoofd
dienen.
"Wanneer men na het gebruikelijke tochtje langs den Ryn
gemaakt te hebben, waarop ieder beschaafd Nederlander prijs,
stelt, zijn reisherinneringen raadpleegt, is het onmogelijk Keu-
len af te scheiden van den Dom, dat grootsch e monument van
gothischen bouwstijl, waarvan do weergade nergens ter wereld
te vinden is. Eeuwen aan eeuwen zu\'n dan ook noodig geweest
om het heerlijke bouwwerk, dat zulk een sprekend getuigenis
aflegt van hetgeen menschelijke energie en volharding ver-
mogen, tot stand te brengen. Uiterst merkwaardig is de stich-
tingsgeschiedenis, die wü in korte trekken zullen trachten weer
te geven. Vóór 1248 bezat Keulen reeds een domkerk, die,
vooral nadat Frederik Barbarossa in 1162 de bij de inneming
van Milaan verkregene gebeenten der Drie Koningen aan den
hem vergezellenden aartsbisschop van Keulen had geschonken,
tal van bedevaartgangers was gaan trekken. In het begin der
dertiende eeuw begon de kerk te vervallen en in 1248 werd
-ocr page 31-
21
zy grootendeels door brand verwoest. Dientengevolge kwam
het bereids door aartsbisschop Engelbert (t 1225) opgevatte
voornemen om eene grootsche en prachtige domkerk te bou-
wen, die aan de macht en den rijkdom van het aartsbisdom
zon beantwoorden, onder den aartsbisschop Koenraad van
De Dom te Keulen.
Hochstaden in het genoemde jaar 1248 tot uitvoering. Daar een
gedeelte van den ouden dom nog lang bleef staan, bepaalde
men zich bg den nieuwen bouw aanvankelijk tot het koor,
dat echter eerst in 1322 werd ingewijd en toen eene reeks
prachtig geschilderde glazen ontving. In 1347 begon men aan
den voorgevel en aan het groote schip. De oorspronkelijke
teekeningen van deze meest indrukwekkende gedeelten van
-ocr page 32-
22
het geheel werden in 1814 op den zolder van een logement te
Darmstadt teruggevonden, waar zy sedert 1803 bij de verplaat-
sing van het archief van den dom waren blijven liggen. In
1437 werd de vestibule van den zuidelijken toren voltooid en
de toren zelf tot eene hoogte van 170 voet gebracht, zoodat
men er de klokken in kon ophangen. Sedert dien th\'d bleef
echter de bovenop geplaatste kraan, tot het ophy\'schen van
bouwsteenen, vier eeuwen achtereen werkeloos. De noordelijke
toren kwam slechts tot het 27 voet hooge onderstel der pij-
lers. Na 1509, toen het laatste groote geschilderde venster werd
ingezet, bleef de bouw geheel steken. In 1796 en 1797 diende
de kerk tot een fourrage-magazijn voor de Franschen en snelde
zy haar ondergang met snelle schreden te gemoet, want, daar
er niets voor het onderhoud gedaan werd, begon de steen te
verweeren en het yzer te verroesten en los te laten. Voor de
Pruisische koningen Frederik Wilhelm III en IV was de eer
weggelegd het meesterwerk voor een volledigen ondergang te
behoeden. De eerste liet in 1816, het gebouw onderzoeken en
beval, naar aanleiding van dat onderzoek, het bestaande te con-
serveer en.
Zeven jaren later maakte men een aanvang met de
restauratie, die, eerst onder leiding van Ahlert en, na 1833,
onder die van den energieken en in de kennis der gothiek
doorkneeden Zwirner geschiedde. Zwirner was ook de eerste,
die het denkbeeld opperde om het plan in zijn geheel te doen
uitvoeren; zyne grootsche gedachte werd in geheel Duitsch-
land met geestdrift begroet, zoodat dan ook den 4den Sep-
tember 1842 de eerste steen voor den verderen bouw kon wor-
den gelegd. Sedert werd jaarlyks daaraan gemiddeld ruim
ƒ 180,000 besteed, waarvan de grootste helft door ryks-subsidie
en het overige uit bydragen van vereenigingen en particulieren,
alsmede sedert 1863 uit de bekende „Dombouw-loterü" gevon-
den werd. Het totaal bedrag der van 1842—1880 verwerkte
gelden beloopt ruim 11 millioen gulden, waarvoor echter ook het
schitterende resultaat verkregen is, dat den 15 October 1880-
-ocr page 33-
23
de voltooiing van den Dom kon gevierd worden, hetgeen met
groote plechtigheid in tegenwoordigheid van keizer Wilhelm
en bijna alle Duitsche rijksvorsten geschiedde.
Wat den plattegrond aangaat, is de Keulsche dom een
kruisvormige basiliek, waarvan de lengte 135,6 M., de breedte
61 M. bedraagt, terwijl het dwarsschip 86,25 M. lang is. De
beide 156 M. hooge torens aan het westerfront zijn de hoogste
van Europa. Het massief eentonige van het gebouw wordt
door tal van ornamenten, als torentjes, zuilen, galerijen, dak-
raampjes, enz. gebroken. In een der torens hangt een klok
van 500 centenaars zwaarte, de zoogenaamde „Keizersklok,"
die in 1874 uit veroverd Fransch geschut vervaardigd werd.
Het zuiderportaal van het dwarsschip is bijzonder rijkversierd;
de prachtige beelden, door Schwanthaler geprojecteerd, zijn
een geschenk van den tegenwoordigen Keizer. Het koor, dat
reeds in 1322 voltooid werd, is reeds op zich zelf een merk-
waardig monument van gothischen bouwstijl.
Het inwendige van den dom brengt op den toeschouwer
een overweldigenden indruk teweeg, die zich met geen moge-
lijkheid laat beschrijven. Vooral het koor, dat door zeven ka-
pellen omlijst wordt, treft wegens zijn grootschen eenvoud.
De schatkamer bevat merkwaardige reliquieën, waaronderuit-
munten die der Drie Koningen, welke in eene kostbare, met
gouden en verguld zilveren platen bekleede kast bewaard
worden. Behalve de reliquieën vindt men er prachtige misge-
waden, monstransen, en kruisen van goud of zilver en met
edelgesteenten bezaaid, en eindelijk het zoogenaamde „Zwaard
der gerechtigheid,"
dat de aartsbisschoppen van Keulen, bij
plechtige gelegenheden, in hunne hoedanigheid van keurvorst
gewoon waren te dragen.
Het zou ons te ver voeren, wanneer wij al de wonderen,
die de Keulsche dom in zich sluit, zooals de kunstige antieke
en moderne glasschilderingen, de majestueuze beelden, de
oude praalgraven, enz. enz., de revue wilden laten passeeren.
-ocr page 34-
24
Heeft men van dit alles naar hartelust genoten, zoo is de be-
klimming van een der torens ten zeerste aan te bevelen. Dan
toch kan men zich eerst een eenigszins juist denkbeeld vormen
van de grootschheid van dit eenige bouwwerk en geniet men
tevens een verrukkelijk vergezicht over de stad met hare om-
geving.
Hoewel het „heilige Keulen" nog tal van kerken bevat, die
om de een of andere reden bezienswaardig zijn, worden zij
echter zoodanig door den dom in de schaduw gesteld, dat w$)
er slechts enkelen van zullen aanstippen.
In de eerste plaats noemen wij de St. Ursula-kerk met een
praalgesticht van wit en zwart marmer voor de H. Ursula,
dat eerst uit 1659 dagteekent. Volgens de legende was Ursula
eene schoone Britsche koningsdochter, die met 11,000 maagden,
hare gezellinnen, op elf drieriems galeien den Rijn tot Bazel
opvoer en van daar den pelgrimstocht te voet naar Rome
voortzette. Op den terugkeer landde de heilige schare b\\j
Keulen, doch werd daar onverhoeds door eene bende heiden-
sche barbaren overvallen en uitgemoord. Dit droevige verhaal
wordt hier in eene reeks van oude schilderwerken aanschou-
welijk voorgesteld. — De St.-Gereons-kerk is een merkwaardige
staalkaart der verschillende bouwstijlen, die elkander van de
vierde tot de dertiende eeuw opgevolgd hebben. Bovendien
staat zü, altijd weer volgens de legende, precies op de plaats,
waar in het jaar 286, gedurende eene heftige vervolging der
Christenen onder keizer Diocletianus, 468 Christelijke soldaten
met hunne hoofdlieden Gereon en Gregorius den marteldood
stierven.
Het grootste en indrukwekkendste der niet kerkelijke ge-
bouwen is ongetwijfeld de tot zeer wereldsche doeleinden
omstreeks de helft der 15de eeuw gestichte Gürzenich, waarvan
namelijk de bestemming was om, als „der Heeren Danshuis,"
tot pracht- en feestzaal te dienen, wanneer de Raad het noodig
oordeelde, ter eere van beminde gasten, een aan de waar-
-ocr page 35-
25
digheid der stad passenden luister te vertoonen. Verschillende
Duitsche Keizers werden hier gerecipieerd, doch in den loop
der 17de eeuw geraakte de prachtige feestzaal langzamerhand
in verval, zoodat zij eindelijk tot den rang van rommelkamer
afdaalde. Eerst in 1857 werd zij, na eerst gerestaureerd te zyn,
aan hare oorspronkelijke bestemming teruggegeven.
Het nabij den Gürzenich gelegen raadhuis is eveneens uit
een architectonisch oogpunt zeer merkwaardig. De vermaarde
bas-reliefs, waarmede het op 16 marmeren kolommen rustende
portaal versierd is, hebben betrekking op de bekende sage van
den burgemeester Grijn, die, door list in een leeuwenkuil gelokt,
het roofdier met zijn goed zwaard doodde en heelhuids de
gevaarlijke plek verliet.
Naast de Minor iten-Kerk staat het nieuwe museum, dat in
1861 voltooid is en doorgaans Wallraf-Richarts-Museum wordt
genoemd. De heer Richartz, een burger van Keulen, bestreed de
kosten van den bouw, die omtrent 200,000 thaler bedragen heb-
ben. Men heeft hier de kunstnalatenschap van den in 1824 ge-
storven professor "VVallraf geplaatst, voornamelijk bestaande
uit Romeinsche en middeleeuwsche oudheden, benevens schil-
derijen uit de Keulsche school en van Cranach, Holbein,
Rubens en anderen.
Een aantrekkelijkheid van vrüwat jongeren datum is de in
1859 aangelegde botanische tuin van het genootschap „Flora,"
met wintertuin en aquarium, een geliefkoosde plaats van
bijeenkomst voor de Keulsche „beau-monde." Van de belvé-
dère heeft men een prachtig gezicht op Keulen en het Ze-
vengebergte.
-ocr page 36-
De ruïne de Drachenfels.
-ocr page 37-
HOOFDSTUK III.
Bonn. — Drachenfels. — Godesberg. — Rolandseck. — Nonnenwerth. ■—
Remagen. — Het Ahr-dal. — Heppingen. — Apollinaris-bron.— Neuenahr.—
Abrweiler. — Walporzheim. — Altenahr. — de Hohe Acht. —Andernach/—
Nenwied. — Coblenz. — Ehrenbreitstein.
Geen wonder, dat wn\', in het vooruitzicht van de pracht
en heerlijkheid, welke ons, volgens allen die over den Rn\'n
geschreven hebben aan gindsche zn\'de van Bonn wachten,
slechts luttel aandacht over hebben voor de weinig schilder-
achtige streek, die ons nog van genoemde stad scheidt.
Met welgevallen rust ons oog echter op het liefelijke Bonn,
de Duitsche Muzenstad bh\' uitnemendheid. Hoe sterk ook ons
verlangen moge zü\'n om kennis te maken met de wonderen,
die wij reeds aan den verren horizont, in een geheimzinnig
blauwachtig waas gehuld, meenen waar te nemen, toch toeven
wij gaarne in de stad, waar de kernachtige, echt Germaansche-
zanger Ernst Moritz Arndt, de vermaarde oudheidvorscher
Simrock, A. "W. Von Schlegel, Niebuhr en zoovele sommiteiten
meer op het gebied des geestes een leerstoel innamen, en waar
eenmaal do wieg stond van den onsterfeiyken Beethoven.
De zuidzijde van de oude stad wordt bijna geheel ingenomen
door het voormalige keurvorstelijk slot, waarin sedert 1818,
het jaar harer oprichting, de universiteit gevestigd is. Zij bevat,
behalve de gehoorzalen, een bibliotheek van meer dan 250,000
boekdeelen, een physisch kabinet, alsmede een museum van
-ocr page 38-
28
vaderlandsche oudheden. Bezienswaardig vooral is de Aula
met hare vier groote fresco-beelden, de faculteiten voorstel-
lende, een heerlijk kunstwerk, dat onder de leiding van den
beroemden Cornelius begonnen en door zijne beste leerlingen
voltooid werd.
Tal van wijdvermaarde professoren verhoogden steeds den
luister der bloeiende universiteit; tegenwoordig doen niet
minder dan 100 hooggeleerden hun licht schijnen voor om-
streeks 1300 studenten. Tot laatstgenoemden behoorde ook
éénmaal de tegenwoordige Duitsche Keizer, en onder de „spes
patriae" doet nog menig verhaaltje de ronde, waaruit blijkt,
dat „Unser Fritz", in zijn tijd een kreuz-fideel studioos ge-
weest is.
Van de wijze, waarop de Bonner studenten getracht hebben
een hunner hoogleeraren van het leelijke gebrek der ijdelheid te
genezen, levert de Bhein. Antiquar. een alleraardigst verhaaltje:
Prof. Aug. Wilh. Von Schlegel, de bekende hoogleeraar in de
aesthetica, had de gewoonte zijn optreden in de college-zaal te
doen voorafgaan door de driemaal herhaalde verschijning vaneen
schitterenden livrei-bediende, die eerst de brandende waskaar-
sen, vervolgens een glas suikerwater en ten slotte, met een
onbeschrijfelijk air van gewicht, de papieren van zijn heer en
meester op den katheder deponeerde. Was het levenslustige
auditorium zoodoende genoegzaam voorbereid, dan kwam ein-
delijk de groote man zelf voor den dag en besteeg met onna-
volgbare gratie en waardigheid het spreekgestoelte, terwijl
zijn onafscheidelijke bediende achter hem postvatte. Toen nu
op een goeden keer baron Von Schlegel op de gewone arro-
gante wijze zijn entree gemaakt had en juist bezig was zijn
fraaie glacé-handschoenen met veel vertooning uit te trekken,
werd de zaal eensklaps overstroomd door een geheel leger
van studentenoppassers die in statigen optocht al de toehoor-
ders van kaarsen voorzagen en onmiddellijk weder aftrokken.
Eenige oogenblikken later kwam de geheele bent echter op-
-ocr page 39-
29
nieuw, met denzelfden komischen ernst, naar binnen om thans
den heeren studiosi hunne college-portefeuilles toe te reiken,
achter wier zitplaatsen zij zich vervolgens eerbiedig in gelid
schaarden. „Der Herr Professor" keek wel eenigszins vreemd
op, maar bezat aplomb genoeg om met onverstoorbare kalmte
zijn dictaat te gaan voorlezen.
Mag Keulen zich met recht verheffen op zijn onvergelh\'ke-
ïyk schoonen dom, zoo bezit toch Bonn eveneens in zijn Mun-
sterkerk
een merkwaardig kunstgewrocht, dat in de twaalfde
en dertiende eeuw moet zijn gesticht. Zij is, evenals de Keul-
sche dom, een kruisvormige basiliek, doch heeft vier kleine
torens benevens een 94 M. hoogen toren in het kruispunt, die
van een prachtig carillon voorzien is. Ook het inwendige dei-
kerk, dat, helaas, in de talrijke oorlogen der vorige eeuwen,
zeer veel van zijn oorspronkelflken glans verloren heeft, is nog
altijd zeer belangwekkend. Voor het orgel verheft zich een
standbeeld van de H. Helena, de moeder van Constanten den
Groote, die, volgens de traditie, op dezelfde plek een christen-
kerk zou hebben gesticht. Het plein voor de kerk is versierd
met een prachtig metalen standbeeld voor Beethoven, dooi-
den beroemden beeldhouwer Hanel uit Dresden ontworpen.
Een der grootste aantrekkelijkheden van Bonn is de Pop-
pelsdorfer-allee, een heerlijk schoone kastanjelaan, die ons,
langs de met zeven torens gekroonde sterrenwacht, naar het
Poppeldorfer slot voert, vroeger keurvorstehjke residentie,
thans eigendom der universiteit. Het bevat een museum voor
natuurlijke historie, een zoölogisch kabinet en een zeer rijken
plantentuin.
Noordelijk van het slot verheft zich op den 400 voet hoogen
Kruisberg een door keurvorst Ferdinand in 1627 gestichte
kerk met een klooster daarnevens. In 1761 voegde zijn op-
volger Clemens Augustus er de „heilige trap" uit Italiaansch
marmer aan toe, een voorwerp van godvruchtige vereering,
vooral in de stille week voor Paschen. Zy heeft 28 treden, die
-ocr page 40-
30
alleen met de knieën aangeroerd mogen worden, en is eene
nabootsing van de „Scala santa" bij het Lateraan te Rome.
Volgens de overlevering werd deze opgebouwd uit de 28 mar-
mertrappen, die naar het voorportaal van het praetorium te
Jeruzalem voerden, en door Christus bestegen werden toen
hij voor Pilatus verscheen.
Op een hoogte, nabij de Coblenzer poort, de „alte Zoll" ge-
naamd, die reeds om het uitzicht dat men van daar geniet,
met recht beroemd is, vindt men het bronzen standbeeld van
Duitschlands grooten patriot Ernst Moritz Arndt.
Hoe ryk overigens Bonn aan groote geesten op allerlei ge-
bied geweest is, blijkt wel het best bn\' een bezoek aan het
„oude kerkhof." Wh\' noemen onder vele slechts de namen
van Niebuhr, Robert Schumann, Dahlmann, Karl Simrock,
Ernst Moritz Arndt, allen sterren van de eerste grootte. Dat
het dankbaar nakroost hunne graven ruk getooid heeft, zal
wel nauwelijks behoeven gezegd te worden. Indrukwekkend
is op deze gewijde plek het gedenkteeken voor de strijders
van 1870/1871, een prachtig uitgevoerde Minerva, die met zwaard
•en schild een stervenden krijgsman beschermt.
Ook uit een historisch oogpunt is Bonn een zeer merkwaar-
dige stad. Naar men wil, zou zij door de Ubiërs gesticht zijn.
Drusus bouwde hier een Romeinsche legerplaats, waarvan men
bh\' Tacitus meermalen onder de benaming „Castra Bonnensia"
melding gemaakt vindt. Het christendom vond er reeds spoe-
dig ingang, met het natuurlijke gevolg dat onder Diocletianus
en Maximianus tal van christenen te Bonn den marteldood
stierven. Onder die martelaars bevond zich ook de H. Cassius,
de latere schutspatroon van het beroemde Bonner stift. In
954 kwam Bonn aan het aartsbisdom Keulen. Bisschop Kon-
rad von Hochstaden, de stichter van den Keulschen dom,
voorzag de stad van muren en wallen, waarna zijn opvolgers
beurtelings te Keulen en te Bonn resideerden. In den 80-jarigen,
den 30-jarigen en in den Spaanschen successie-oorlog werd
-ocr page 41-
31
de veste verscheidene malen belegerd, totdat in 1717, bij den
vrede van Rastadt, de fortiflcatiën geslecht werden.
Ten slotte zij nog aangestipt, dat Bonn ruim 36,000 inwoners
telt en een geliefkoosde verblijfplaats van Engelsche familiën
is. Bovendien zorgt, evenals in alle mogelijke academiesteden,
de „spes patriae" steeds voor meerdere levendigheid en afwis-
seling op de straten. Zelfs voor de blonde „misses", die hier
in gansche scharen rondzwermen, hebben echter deze uitingen
van jeugdige dartelheid zelden „something shocking."
"Wanneer wy thans aan het liefelijke Bonn den rug toekeeren.
dan kost ons dit afscheid minder moeite, dan anders wel het
geval zou zijn, nu wij in het verschiet de toppen van het Ze-
vengebergte zien verrijzen, om ons als ware het een voorsmaak
te geven van de verrukkelijke panorama\'s, die wij thans tege-
moet snellen.
Voorwaar, geen rivier ter wereld heeft van de natuur zooveel
bekoorlijkheden ontvangen als de Rijn. Wel vindt men grootere
«n breedere stroomen, maar geen van hen, die hem nabjjkomt
in edele symetrie of wier oevers zulk een overvloed van be-
vallig afwisselende panorama\'s aanbieden. Nu eens voert ons
de vaart door oude steden met monumentale kerkgebouwen
of langs eerwaardige ruïnen, wier schoon gevormde boogven-
sters zoo dikwijls een voortreffelijke omlijsting verschaffen
voor de heerlijkste vergezichten, - dan weder voorbij de vrien-
delijke, fraaie of wel deftige woonplaatsen van rijken of mach-
tigen van vrij wat jongeren datum. Als een scherp contrast
met deze laatste grijnzen ons een oogenblik daarna weder de
treurige overblijfselen der koen gebouwde roofnesten tegen,
waarin, eeuwen geleden, trotsche en vermetele ridders huis-
vestten, of glijden ons de indrukwekkende ruïnes van trotsche
burchten, die eenmaal tot verblijf dienden van edele geslachten
en machtige vorsten, in stille majesteit voorbij.
Verrukkelijk schoon en grootsch is vooral het panorama,
dat zich van den Drachenfels, een der zeven bergtoppen van
-ocr page 42-
32
het Zevengebergte, voor het verbaasde oog van den toeschou-
wer ontrolt. De burcht, wier ruïnen den top van den Drachen-
fels bekronen, werd in de twaalfde eeuw door een aartsbisschop
van Keulen gebouwd, die er het Cassius-stift te Bonn mede
beleende, hetwelk er burchtgraven plaatste. Hun laatste afstam-
meling stierf in 1580, waarop de bezitting door een huwelh\'k
in het geslacht der graven van Bassenheim kwam. In den
Dertigjarigen Oorlog werd het kasteel geheel verwoest, zoodat
alleen de toren van 70 voet hoogte bleef staan. In den loop
dezer eeuw kocht het gilde der steenhouwers te Königswinter
den berg en begon er met zulk een ijver steenen uit te graven
dat een gedeelte van den ondermijnden ouden burchtmuur reeds
in den afgrond gestort was, toen de regeering het oor leende
aan de van alle zn\'den aangeheven klachten over deze vernie-
ling van een sieraad der Rijnoevers en maatregelen tot behoud
van de ruïne nam.
Waarheen men van den Drachenfels den blik ook wendt, aller-
wegen ontmoet men de gewone stoffeering der Rijnstreken: ber-
gen en wijngaarden, velden en weiden, steden, dorpen en boerde-
rijen, buitenplaatsen en burchtruïnen, die in onafgebroken reek-
sen op elkander volgen. Men ziet Remagen en den Apollinaris-
berg, Rolandseck en Godesberg, Bonn en zelfs de spitsen dei-
torens van Keulen. In \'t zuidwesten wordt de horizon door het
Eifelgebergte met de ruïnen Olbrück en Tomberg afgesloten. Ten
zuidoosten doet zich onder de andere toppen van het Zeven-
gebergte de Hemmerich het meest voor, die eenmaal, evenals
de meer oostwaarts gelegene Rosenau, met een burcht ge-
kroond was. Beneden aan den rand van het Zevengebergte
liggen de plaatsjes Rhöndorf, Honnef en Rheinbreitbach, die
allen gelegenheid geven tot de aangenaamste uitstapjes.
Dat wy ons hier op het gebied der mythen en legenden,
bevinden, geheel in overeenstemming met de majestueuze
natuur, die ons omringt, blijkt wel het best hieruit, dat aan
den Drachenfels, of liever aan het zich daarop bevindende
-ocr page 43-
33
drakenhol, een sage verbonden is, waarvan twee verschillende
lezingen bestaan. Volgens de eerste namen de heidenen, die
hier toen nog woonden, in den oorlog een schoon Christen-
meisje gevangen, dat op raad der priesters tot voedsel voor
den in het hol resideerenden draak bestemd werd. Zy was reeds
aan een boom gebonden en het monster ylde op haar los,
toen zü een kruisje van hare borst nam en het den draak voor-
De tandrad-spoorweg naar den Drachenfels.                     ln ueI1 "
grond stort-
te en daarna niet meer gezien werd. Het volk, over dit wonder
ontzet, ging tot het christendom over en liet zich doopen.
Luidens de andere lezing was het een ridder Siegfried, die
den draak doodde. Hü bestreek zich het geheele lichaam met
„drakenbloed", niet te verwarren met de wjjnsoort van dien
3
-ocr page 44-
34
naam, die op de helling van den Drachenfels wast. Dit bloed
maakte hem onkwetsbaar, behalve onder de oksels, waar hg
vergeten had zich in te wrijven. Toen hij zich later bij een
put nederbukte, maakte een vijand gebruik van deze nalatig-
heid, om eene speer onder den arm van den held te werpen,
die daardoor doodehjk gekwetst werd.
Geheel in de diepte, aan den voet van den berg, kronkelt
de Rijn voort, die met vaartuigen bezaaid is en twee bekoor-
lijke eilandjes omvat, door wier groen de witte kleur van
een paar kloosters heen schemert, hier Nonnenwerth, daar
Grafenwerth.
Een aantrekkelijkheid van lateren tijd is het grootsche,
met tal van torens prijkende kasteel van baron Von Sar-
ter, dat in 1883 voltooid werd. Het is in gothischen stijl,
grootendeels van roode zandsteen, opgetrokken en inwen-
dig door Duitsche artisten van grooten naam met muur- en
glasschilderingen prachtig versierd.
Geen wonder dat een zoo rijk gezegende plek jaarlijks
scharen van vreemdelingen trekt. De meesten maken voor de
bestijging van den Drachenfels gebruik van de tandrad-spoor-
baan, die in een bijna rechte ljjn bergopwaarts gaat, en, de
vlakke rijweg naar het station Köningswinter medegerekend,
ongeveer 1520 M. lang is.
Wij nemen thans, hoewel ongaarne, afscheid van den Drachen-
fels en steken den stroom over, om den naburigen Godesberg
te bezoeken. De burcht, die den top kroonde, is in de oorlogen
verwoest, zoodat alleen de van gehouwen steenen opgetrokken
toren is blijven staan. Van diens trans gezien heeft men links
op den voorgrond het liefelijke Bonn en op den anderen oever
den Finkenberg en den Ennert. Op den achtergrond verliest
zich de Rn\'n als een dunne blauwe draad, die naar den
dom van Keulen is getrokken. In \'t zuiden en zuidoosten
ziet men de toppen van het Zeven gebergte en de ruïnen van
Rolandseck, en daartusschen slingert zich de schoone stroom,
-ocr page 45-
35
■wiens oevers overal met menscheln\'ke woningen als bezaaid zün.
Aan den voet van den berg ligt het welvarende dorpje
Godesberg, het geliefkoosde zomerverblijf der geld-aristocratie
uit Keulen, Kre-
feld, Elberfeld
enz., die hier
prachtige villa\'s
metheerhjketui-
nen aangelegd
heeft. Voor haar
is de Godesberg
hetzelfde wat
Haarlem en zu\'n
omstreken voor
de welgestelde
Amsterdammers
                                 Godesberg.
z\\jn. Ook houdt het plaatsje er een koudwaterinrichting op
na, die druk bezocht wordt.
Onze weg voert ons nu naar Rolandseck en Remagen.
Rolandseck, eene hooge bazaltrots, heeft dit voordeel boven de
andere bergtoppen, dat z\\j juist het middelpunt van het tafereel
van Kemagen tot Godesberg inneemt. De voormalige burcht, waar-
van thans nog slechts een enkele boog is overgebleven, bestond
reeds in de elfde eeuw en schijnt in de vijftiende verwoest te zyn.
Aan den voet der rots ziet men in den Run het zooeven reeds
genoemde eiland Nonnenwertli liggen, welks voormalig vrou-
wenklooster tegenwoordig een opvoedingsgesticht is. De sage
heeft dit klooster en de burcht Rolandseck met elkander in
verband gebracht. Toen Roland, de palad\\jn, met Karel den
Groote naar Spanje was getrokken, kwam het gerucht in om-
loop dat hü in den slag bü Roncevaux gesneuveld was, en ztfne
ontroostbare gemalin Hillegonde nam den sluier aan en liet
zich in het klooster Nonnenwerth opnemen. Roland herstelde
echter van de zware wonden, die mj ontvangen had, en keerde
-ocr page 46-
36
huiswaarts; maar wie schetst zijne smart, toen hh\' zijne ge-
liefde vrouw miste en den stap vernam, dien zn\' gedaan had f
Hij bouwde nu den burcht Kolandseck, om uit zijne cel altijd op
den Rijn en het klooster neder te zien en naar het gezang
der nonnen te luisteren; doch weldra stierf hn\' aan hartzeer.
Men begrijpt dat ook van deze schoone legende tal van an-
dere meer of minder uiteenloopende lezingen bestaan. Wij her-
inneren slechts aan Schiller\'s allerongelukkigsten „Ritter Tog-
genburg", den versmaden minnaar met zijn ongeneeslijke ver-
liefdheid. Natuurlijk heeft echter de afbrekende critiek, die in
de laatste jaren mode is geworden, reeds lang met onomstoo-
teln\'ke historische argumenten uitgemaakt dat Toggenburg
nooit op Rolandseck voor eenig venster heeft gezeten. Wij
zullen er ons echter het weemoedig genot, dat de lezing dier
schoone ballade aan alle gevoelige harten schenkt, niet door
laten bederven.
Bemageu, een stadje van ruim 3,000 inwoners, dat als in
een krans van boomgaarden en wijnbergen omsloten ligt, was
reeds in de tweede eeuw onzer jaartelling eene Romeinsche
nederzetting. In de onmiddellijke nabijheid verrijst de Apol-
linaris-berg, op wiens top in 1839 door Zwirner eene kerk in
gothisch-romaanschen stijl gebouwd is, een waar kunstjuweel.
Zij is uit tufsteen in kruisvorm opgetrokken, terwijl het bo-
venste gedeelte der beide westelijke torens van gietijzer ver-
vaardigd is. De bezoeker staat verbaasd over de pracht der
fresco\'s; de met sterren bezaaide donkerblauwe zoldering
bootst het hemelgewelf na; kansel en orgel zijn fraai gebeeld-
houwd en beschilderde vensters verspreiden een tooverachtig
licht door de ruimte.
Het kleine gebouw verheft zich op een druk door bedevaart-
gangers bezochte plek. Door tusschenkomst van Barbarossa —
aldus vermeldt namelijk de legende - was het hoofd van
den H. Apollinaris, den zeer beminden bisschop van Ravenna
in het bezit gekomen van den Keulschen aartsbisschop Reinald
-ocr page 47-
37
von Dassele, die in 1164 deze reliquie, tegelijk met. de beende-
ren der Drie Koningen naar Keulen wilde overvoeren. Bij
Remagen bleef echter het vaartuig, door een geheimzinnige
macht tegengehouden, midden in de diepe vaargeul onbe-
weeglijk stilliggen en kon niet eer in beweging gebracht wor-
den vóórdat het heilige hoofd in de pas te Remagen gestichte
kapel een rustplaats had gevonden.
De Apollinaris-kerk.
Bij Remagen opent zich het hoogst romantische dal, waar-
door de Ahr stroomt, een riviertje dat op den Eifel ontspringt
-en door een enge bedding den Rijn tegemoet snelt om zich
ten slotte in de watermassa\'s van dien geduchten stroom te
verliezen. Wy zouden inderdaad een grof verzuim plegen, dat
wij bjj onze tehuiskomst moeilijk konden verantwoorden, wan-
neer wij niet, op het voorbeeld van vele toeristen langs den
Rn\'n, dit hoogst interessante zijriviertje althans tot Altenahr
stroomopwaarts volgden. Van Remagen uit, ontmoeten wij dan
het eerst het badplaatsje Heppingen, in welks nabijheid de
Landskroon ligt, eene hooge bazaltrots met burchtruïnen tus-
schen wijngaarden. Van dezen top heeft men een onmetelijk
-ocr page 48-
38
vergezicht, dat bijna al de reeds genoemde schilderachtige
punten langs den Ryn omvat.
Aan den voet van de rots ontspringen de om hun aange-
name mineralen vermaarde Heppinger- en Landskroner bron-
nen. Iets verder het dal in vindt men de Apollinaris-bron,
wier wateren, door de zorgen van een Engelsche maatschappij
(the Apollinaris Company limited) in werkelijkheid eencosmo-
p\'olitische drank zijn geworden, die tot naar Amerika en
Australië wordt verzonden. Niet minder dan 50,000 flesschen
worden per dag gevuld, waarvan maandelijks 750,000 haar weg
naar Amerika vinden. Het vervoer tot Londen geschiedt met
eigen schepen. De bron is het eigendom van de familie Kreuz-
berg, die aan genoemde maatschappij het monopolie voor lange
jaren heeft overgedragen.
Gelijk de Landskroon op den linkeroever der Ahr ligt, was
de daartegenover op den rechteroever gelegene nog hoogere
berg eenmaal met de burcht Neuenahr (Nieuwen-aar) gekroond.
Zij strekte tot residentie der graven van der Are of van Hoch-
staden, die in de twaalfde en dertiende eeuwen op de beide
Ahr-oevers uitgestrekte bezittingen tot voorbijnet Laachermeer
hadden. De warme bronnen van het plaatsje Neuenahr werden
eerst in 1855 ontdekt.
Ook het stadje Ahrweiler is zeer liefelijk gelegen. Hier, en.
bij de dorpen "Walporzheim en Bodendorf in den omtrek,
groeit het gewas van den donkerrooden Ahr-wijn (Ahr-bleichertï
het best en de oogst er van is dikwijls zeer aanzienlijk.
Was het tooneel tot nog toe alleen lieflijk en romantisch,,
voorby Walporzheim begint het een verheven en indrukwek-
kend karakter aan te nemen. Daar toch opent zich een soort
van rotspoort, die slechts op enkele plaatsen meer dan een
kwartieruurs breed is, aan beide zijden donkere ruwe rots-
wanden van omtrent 200 voet hoogte heeft en weder naar
verscheidene dorpjes en ruïnen leidt.
Van een hooge rotspunt, bij Reimerzhoven, ziet men Alten-
-ocr page 49-
39
alir, waarboven de bouwvallen van een oud slot uitsteken.
Dit was de Altenahr, doorgaans kortweg de burcht Are genoemd,
eenmaal ook het verbiyf der reeds genoemde graven van der
Are en van Hochstaden. Hy werd in 1715 op bevel van den
keurvorst van Keulen verwoest, opdat vijandelnke benden in
dien oorlogzuchtigen tyd er zich niet in zouden nestelen.
Hoewel de mode nu eenmaal wil, dat de geciviliseerde reiziger
bij Altenahr zyn tocht door de romantische bergstreek zal
afbreken, neemt dit niet weg dat het Ahr-gebied hoogerop
nog menig bekoorlijk gezichtspunt oplevert. Wy noemen o. m.
by Adenau den ..Honen Acht" het hoogste punt van het
Eifel-gebergte, van waar men by helder weer zelfs den Keul-
schen dom onderscheiden kan.
Van ons uitstapje leruggekeerd, zetten wy thans recht-
streeks onzen tocht langs den Ryn over Andernach in zuid-
oosteiyke richting naar Coblenz voort. Andernach, het oude
Amtunnacum der Romeinen, was eens een door Drusus ge-
bouwd kasteel, de residentie van een praefect. De Frankische
koningen hielden hier een koningshof, dat in 998 door keizer
Otto III aan de Maria-kapel te Aken geschonken werd. In
1167 droeg keizer Frederik I het bewind over de stad aan den
Keulschen aartsbisschop Reinald von Dassele op. Overigens is
Andernach, dat tegenwoordig byna 6,000 inwoners telt, een
eng gebouwd stadje, dat zich schilderachtig langs den Rynoever
uitstrekt en nog grootendeels binnen middeleeuwsche muren
opgesloten ligt.
Nog ontmoeten wy vóór Coblenz het nyvere, regelmatig
gebouwde Neuwied. Het stadje, dat thans ruim 10,000 zielen
huisvest, heeft zyn ontstaan te danken aan graaf Frederik van
Wied-Neuwied, die in 1653 de talryke zwervers ten gevolge van
den 30-jarigen oorlog, zonder onderscheid van religie, uitnoo-
digde zich te Neuwied te komen vestigen. Aan het beneden-
einde der stad verheft zich het statige paleis der vorsten van
Wied, terwyi het op eenigen afstand verwyderde vorsteiyk
-ocr page 50-
40
lustslot „Monrepos", met zijne schoone parken en heerlijk
uitzicht, alleszins een bezoek waardig is. In 1806 kwam Neu-
wied als heerlijkheid onder Nassau, waardoor het in 1815 aan
Pruisen verviel. Onder de vorsten uit het Huis van Wied ver-
dienen vooral melding prins Victor, die in 1812 den heldendood
op het slagveld stierf, en prins Maximiliaan, die zich als natuur-
vorscher in de geleerde wereld een goeden naam verwierf. De
natuurschatten, door hem op zijn verre reizen verzameld, wor-
den nog in het vorstelijk paleis bewaard.
Wij zijn thans tot Coblenz genaderd, een stad met ruim
30,000 inwoners, incluso 5000 man bezetting, aan de samen-
vloeiing van Rijn en Moezel gelegen en hoofdplaats der Prui-
sische Rijnprovincie. Hoewel ook de geschiedenis van Coblenz
tot den tijd der Romeinen teruggevoerd wordt, krijgt de stad
echter eerst in de veertiende eeuw beteekenis, als medelid
van het Ru\'nsche Steden-verbond. In 1688 werd zij door een
bombardement van de Franschen bijna geheel in de asch gelegd.
Sedert 1786resideerde er de keurvorst van Trier,dochin 1794ruk-
ten er de Franschen binnen en bleven er tot 1814. Toen kwam
de stad onder Pruisen, dat de fortificatiën in zoodanige mate
versterkte en uitbreidde, dat Coblenz thans een zeer sterke plaats
is, die echter door de oprichting der geweldige werken van
Mainz en Keulen, Straatsburg en Metz, tot de tweede linie
werd teruggebracht.
Het schoonste gedeelte der stad is ongetwijfeld de kade aan
den Rijn, van het slot tot den zoogenaamden „Duitschen
Hoek," met de schipbrug naar Ehrenbreitstein. Hier vindt men
ook het St.Castor-plein en de St.Castor-kerk, een merkwaar-
dig voorbeeld van den laat-Romaanschen styi, in 1208 ingewijd.
Tegenover haar staat de Castors-fontein, in 1812 door den
Franschen prefect ter gedachtenis aan den intocht van zijn
keizer in Moskou opgericht en met het opschrift voorzien:
An 1812, me\'morable par la campagne contre les Russes. Sous
Ie préfecturat de Jules Doazan.
Toen later de Russische gene-
-ocr page 51-
-ocr page 52-
42
raal St. Priest de stad in bezit nam, liet h\\j er onder zetten:
Vu et approuvé par nous, commandant russe de la ville de
Coblenz. Le 1 janvier 1814.
Het aan dit plein gelegene gebouw
van het generaal-kommando werd in 1791 bewoond door de
uitgewekene Fransche prinsen en de latere koningen Lodewijk
XVIII en Karel X. De voormalige aartsbisschoppelijke burcht
is thans afgedaald tot een fabriek van verlakte blikwaren.
Nabij dit gebouw vindt men de in 1344 door den keur-
vorst Boudewvjn gebouwde, in 1440 vernieuwde en in 1884
verbreede Moezel-brug. Zij heeft 14 bogen en verdient vooral
een bezoek om het schoone uitzicht. Hoewel Coblenz tot in
de 18de eeuw in werkelijkheid een stad aan de Moezel was,
en de nauwe kromme straten uit dat tijdvak bewaard heeft,
biedt dit stadsgedeelte overigens weinig bezienswaardigs aan.
Het koninklijk paleis, een lang gebouw, werd 1778—1786
gebouwd voor den laatsten keurvorst van Trier, Clemens "Wen-
ceslaus. In den Franschen tu\'d deed het dienst als hospitaal,
kazerne enz. De Pruisische regeering liet het gebouw weder
restaureeren en in 1845 tot een koninklijk verblijf inrichten.
In het gedeelte gelijkvloers woont thans de opper-president
der Rijnprovincie, terwijl de bovenvertrekken tot voorjaars-
en herfstverblnf van keizerin Augusta dienen. Aan deze vorstin
heeft Coblenz zn\'n heerlijk schoon aangelegd plantsoen langs
den Rijn te danken, dat door den vreemdeling niet onbezocht
mag blijven.
Behalve de oude schipbrug, leidt thans een slank gebouwde
ook voor voetgangers toegankelijke spoorwegbrug naar de
steile rots, die, 365 voet boven den spiegel der rivier ver-
heven, de vesting Ehrenbreitstein draagt. Reeds in \'t
midden der twaalfde eeuw liet Herman, bisschop van Trier,
hier vestingwerken aanleggen, waarnaar de rots vroeger den
naam van Hermans-steen droeg. Voor en na werden die wer-
ken vermeerderd en groef men een put van 280 voet diepte
in de rots. In 1799 kregen de Franschen de vesting door uit-
-ocr page 53-
43
hongering in hun bezit en toen zy die in 1801 ten gevolge
van den vrede van Luneville moesten ontruimen, lieten zU
eerst al de fortiflcatiën in de lucht springen, die daarop van
1816 tot 1826 ten koste van millioenen hersteld zu\'n. Het
hoofdfort bestaat uit drie gewelfde batterijen boven elkander.
Er is ruimte voor 14,000 man en de groote magazijnen kunnen
proviand voor 8000 man voor den tyd van tien jaren op-
nemen. Naar zich begrijpen laat, is het gezicht, dat men van
Ehrenbreitstein op de omstreken heeft, zeer schoon.
-ocr page 54-
HOOFDSTUK IV.
Het Moezel-dal. — Trier. — Niederlahnstein. — Ems. — Nassau. —
Langenau en Arnstein. — Laaremburg. Balduinstein. — Schanm-
burg. — Fachingen. — Diez. — Ardeck. — Limburg.
Eenmaal te Coblenz zijnde, kunnen wij geen weerstand
bieden aan de verzoeking om, door het romaneske en aan
historische herinneringen en sagen zoo rijke Moezel-dal, een
uitstapje te maken naar het eeuwenoude Trier. Het zou ons
te ver voeren, wanneer wy al het schoone en merkwaardige,
dat ons oog voorbn\'glijdt, terwijl wij in snelle vaart de boch-
ten van den Moezel-stroom volgen, ook maar eenigszins naar
waarde wilden beschrijven; wü meenen dan ook met enkele
korte aanteekeningen te mogen volstaan.
Bij het dorp Alken liggen op een berg de ruïnen van den burcht
Thurant, die van 1246 tot 1248 door de bisschoppen van Keulen
en Trier gezamenlijk belegerd en ingenomen werd. In dien tyd
hadden de belegeraars 72,000 ankers wijn leeggedronken, die
in kelders aan den voet van den berg bewaard lagen.
Niet ver van Karden, waar de H. Castor in de vierde eeuw
het Evangelie predikte, ziet men de Zwanenkerk, gebouwd
door een ridder, die gedurende de kruistochten in de macht der
Saracenen viel en toen, na een vurig gebed aan de H. Maagd,
in zü\'n slaap door een zwaan over land en zee naar deze plek
werd gedragen.
Aan de ruïne der "Wïnneburg, die op eene steile rots ligt,
is de sage verbonden, dat de stichter van den burcht, een ui het
-ocr page 55-
45
H. Land teruggekeerde kruisridder, den hoogen wachttoren
niet tot stand kon brengen én in zijne ergernis den vorst der
duisternis aanriep, die hem ook hulp toezeide, indien hjj zijne
eenige dochter levend in de fundamenten van den toren met-
selde. Na een langen tweestrijd bracht de ridder dit zware
offer en de duivel beloofde hem nu, dat de toren zoo lang
zou blijven staan als de aarde in stand bleef. Voor\'t oogenblik
staat hij dan ook nog. Maar----! In het middernachtelijk uur
vertoont zich dikwijls de slanke gestalte eener in het wit ge-
kleede jonkvrouw op de tinnen en breidt op spookachtige
wijze de handen over het schoone doch woeste dal uit.
Op een uur afstands ongeveer van deze sombere plek ligt
het stadje Kochem, wier inwoners eenmaal ongeveer dezelfde
reputatie genoten als de oude Abderieten en onze Kampenaars.
Menig ooiijk stukje wordt van hen verhaald: zoo zouden zy
den zonnewijzer in de schaduw van het dak der kerk aange-
bracht hebben! Als merkwaardigheid op spoorweggebied ver-
melden wij de in 1877 voltooide Kaiser-Wilhelm-tunnel door
den Kochemer-berg, de langste van geheel Duitschland. Zij
bezit namelijk een lengte van 4200 M. en heeft 2\'/» millioen
gulden van aanleg gekost.
Bij Traarbach neemt dat gedeelte van het stroomgebied een
aanvang, waar de liefelijke Moezelwijnen met hun aangenaam,
zacht bouquet wassen. Namen als „Zeltinger Schlossberg",
„Graacher", „Josephshöfer", „Buncasteler Doctor", „Brauneber-
ger", „Pisporter", „Ohligsberger", „Grünhauser, hebben wijd
en zijd een goeden klank. Jammer maar dat van hun naam
zoo dikwijls misbruik gemaakt wordt, om bij wijze van vlag
die de lading dekt, alle mindere landwijnen uit den omtrek
in den handel te brengen. De wijnbouw is natuurlijk het
voornaamste bedrijf voor de dalbewoners; doch \'tgeheelejaar
is het werk zeer bezwaarlijk, want de berghellingen zijn veel
hooger dan aan eenige andere Duitsche rivier; het eene terras
verheft zich boven het andere en zelfs nog op de hoogste top-
-ocr page 56-
46
pen bloeien de ranken. De bergpaden, die naar deze hooge
terrassen leiden, vereischen soms een uur vermoeiend klim-
men ; de aarde waarin de wijnstokken geplant zullen worden
en de mest benoodigd om die aarde vruchtbaar te maken,
moeten naar boven gebracht worden, zoodat men den moed
en de werkzaamheid dezer w\\jngaardeniers niet genoeg kan
bewonderen.
Wu\' bereiken thans het einddoel van ons uitstapje, Trier,
vermoedelijk de oudste stad van Duitschland, met een bevol-
king van 26,000 zielen en gelegen in een dal tusschen twee
met wijnstokken beplante bergreeksen op den achteroever der
Moezel. Het was eenmaal de hoofdstad der Treviren, een Kel-
tischen volksstam, die zich door zijne ruiterij onderscheidde
en in het jaar 56 vóór Christus door Caesar onderworpen
werd. De Romeinen maakten er een wapenplaats van tegen
de Germanen en verscheidene Romeinsche keizers vestigden
er hun verblijf. Na de invoering van het christendom was
Agricius van Antiochië in 328 de eerste bisschop van Trier.
Bijna 1500 jaren lang bleef Trier de zetel der bisschoppen,
aartsbisschoppen en keurvorsten, totdat de laatste keurvorst,
Clemens Wenceslaus, een Saksische prins, in 1786 zijne residen-
tie naar Coblenz overbracht. Den 10a<™ Augustus 1794 rukten
de Franschen de stad binnen en in 1815 kwam zö aan Pruisen.
Evenals alle oude steden, die in de laatste jaren aanmerkelijk
zijn vooruitgegaan, geeft ook Trier een mengelmoes van regel-
matige, breede straten en nauwe, kromme steegjes te aanschou-
wen. Verscheidene in gothischen stijl opgetrokken woonhuizen
dragen nog volkomen het stempel der middeleeuwen. Het
merkwaardigste gebouw van dien aard is ongetwijfeld het
„Boode Huis", thans een hotel, doch vroeger de vergaderplaats
van Trier\'s beschreven vaderen, toen het nog „de Steip" heette.
In 1450 gesticht, werd er in de 17de eeuw een gedeelte in re-
naissancestijl bij aangebouwd, waarop een latijnsche inscriptie
vermeldt, dat Trier nog 1300 jaren ouder is dan Rome Men
-ocr page 57-
47
moet het echter met de historische juistheid dier trotsche
bewering niet zoo heel nauw nemen, daar zn\' enkel steunt op
een in de middeleeuwen uitgevonden sage, volgens welke
Trebeta, de zoon van den Assyrischen koning Ninus, Trier
zou gesticht hebben.
De dom van Trier is, naar men beweert, het oudste kerkelijk
gebouw aan deze zijde der Alpen en uit een architectonisch
oogpunt vooral daarom zoo merkwaardig, omdat men er bijna
elke bouworde tot aan de 18de eeuw in vertegenwoordigd vindt.
Naast den dom en daarmede door een schoone kruisgang ver-
bonden, verheft zich de kerk van O. L. V., de oudste gothische
kerk in Duitschland, van 1227 tot 1244 gebouwd; merkwaardig
zijn vooral de beeldhouwwerken aan de portalen. Niet ver van
daar staat de uit Romeinsche baksteenen gebouwde basiliek,
die in 1856 voor de protestantsche godsdienstoefeningen be-
stemd werd en waarschijnlijk door de Romeinen als gerechts-
hof werd gebruikt.
In het gebouw van het gymnasium, dat in de plaats der in
1472 gestichte en in 1797 opgeheven universiteit is gekomen,
wordt de stedelijke bibliotheek van 96,000 deelen met hand-
schriften en incunabelen bewaard. Een waar prachtstuk is de
zoogenoemde Gouden Codex met miniaturen, een exemplaar der
Evangeliën met gouden letters op perkament geschreven. Het-
zelfde gebouw bevat een provinciaal museum van oudheden
en munten en van voorwerpen op het gebied der natuurlijke
historie.
Als het gewichtigste onder de monumenten van ouden
bouwstijl, waarmede de oude stad Trier zoo rijk gezegend is,
wordt door kenners algemeen de Porta Nigra of Zwarte poort
beschouwd, een steenen kolossus, die eenig is in geheel Duitsch-
land. Zn\' is waarschijnlijk in het begin der zesde eeuw naar
het model eener Romeinsche poort gebouwd, doch heeft overigens
weinig artistieke waarde. Voor de samenstelling zijn groote
steenblokken gebezigd, die niet met kalk maar door ijzeren
-ocr page 58-
48
klampen inwendig verbonden zijn, terwijl het eenige sieraad
bestaat in de bloemen en kruiden, die, door de natuur in het
wild gezaaid, uit de voegen spruiten.
Bijzonder schilderachtig daarentegen is het Bomeinsche Kei-
zerspaleis,
dat in de middeleeuwen beurtelings als kerk en als
vesting fungeerde, doch waarvan thans nog slechts een vrij
goed bewaard gebleven ruïne overig is. Zn\' is aan het zuid-
oostelijk uiteinde der stad gelegen, op ongeveer 500 schreden
van het amphitheater, dat eene diepte tusschen den Marx- en
Markusberg inneemt en grootendeels door struikgewassen en
aardstortingen onkenbaar is geworden. Het maakt een ovaal
van 225 voet lengte en 156 voet breedte uit en is door een
hoogen en uiterst hecht gebouwden ringmuur van kalksteen
omgeven. Daaraan grenzen gewelven, die tot bewaring van
de wilde dieren strekten, door welke Konstanth\'n de Groote
in 306 duizenden Franken en in 313 duizenden Bructeren,.
allen krijgsgevangenen, liet verscheuren. De rondom het strijd-
perk oploopende zitplaatsen konden, naar men berekent, 30,000
toeschouwers bevatten.
De brug, die Trier met de overzijde van de Moezel verbindt,
is ruim 190 M. lang en rust op acht bogen. De pijlers zijn
gedeeltelijk nog van Romeinschen oorsprong. In de nabijheid
vindt men eveneens de zeer interessante overblijfselen van een
Bomeinsche badinrichliag op groote schaal. Al deze bouw-
vallen spreken van een grootsch verleden, toen Trier, onder
Constantijn den Groote tot keizerlijke residentie verheven,,
vele jaren lang door zijn luister aan het oude Rome den
voorrang betwistte.
Wij keeren thans van ons uitstapje langs de Moezel naar
Coblenz, door Hans Wachenhusen met het oog op zijn kolossale
vestingwerken, zeer eigenaardig, een wat al te zwaar gevatte-
diamant in de kroon van het Rijnland genoemd, terug, om.
-ocr page 59-
49
met nieuwen moed de reis langs den machtigen Rijnstroom
voort te zetten. Nauwelijks echter hebben vrij, voorbij het
eilandje Oberwerth met zijn voormalig klooster voor adel-
lijke jonge dames, door een hoogst vruchtbare streek het plaatsje
Niederlahnstein bereikt, of een nieuwe sirene verlokt ons
om, ditmaal ter linkerzijde, af te wijken. Het is de Lahn, een
zijrivier van den Rijn, langs wier stroom, die zich als een kron-
kelend zilveren lint in de verte verliest, \\vü weldra de ver-
maarde badplaats Ems naderen.
Ofschoon Eins eerst in de twaalfde eeuw als badplaats ge-
noemd wordt, was het toch reeds aan de Romeinen bekend,
zooals uit tal van opgegraven antiquiteiten: wapens, urnen,
munten, enz., voldoende blijkt, terwijl bovendien nog spo-
ren van een Romeinsch bad en een wachttoren aanwezig
zn\'n. Ten overvloede vermelden enkele steenen in den Ro-
meinschen wal, dat er het twee-en-twintigsto legioen gelegen
heeft. Eeuwen lang stond het stadje onder de gezamenlijke
opperheerschappij van Hessen-Darmstadt en Nassau, totdat
het in 1803 aan de oudere Nassausche linie en eindelijk in
1866 aan Pruisen verviel. Een merkwaardig staaltje der ver-
brokkeling van het oude Duitsche Rijk kon men vroeger op
de Lahn-brug aldaar genieten, waar, niettegenstaande den vrij
beperkten horizont, het oog weidde over acht vorstendommen en
heerlijkheden, waaronder ook Nassau-"Weilburg en Oranje. De
omstandigheid dat verscheidene gekroonde hoofden in de
laatste dertig jaren voor kort of lang te Ems hun verblijf
hielden, hetzij voor politieke samenkomsten dan wel louter
om gezondheidsredenen, heeft natuurlijk ontzaglijk veel tot
de opkomst en den bloei van het plaatsje bijgedragen. Zoo
was het ook hier, dat Benedetti, de Fransche ambassadeur,
in den zomer van 1870, op last van Napoleon III, den keizer
van Duitschland op tamelijk onwelvoeglijke wijze naderde
om de bekende waarborgen tegen de candidatuur der Hohen-
zollerns voor den Spaanschen troon te vorderen. Een marmeren
4
-ocr page 60-
50
plaat in den tuin van liet Kurhuis met het eenvoudige op-
schrift: „13 Juli 1870, 9 u. 10 m. \'s morgens," herinnert aan
dit historische moment, dat het uitgangspunt werd van den
Fransch-Duitschen oorlog.
De kleine stad, met hare fraaie omstreken, die thans nage-
noeg 7000 inwoners telt, ligt aan beide oevers van de Lahn,
nauw ingesloten door met wouden bedekte rotsachtige hoogten.
Zy bestaat uit een lange rü huizen, die steeds door de grooten
en rijken dezer aarde bewoond worden, „Bad Ems" genaamd; ver-
der het zoogenaamde „dorp Ems," dat zich op den rechteroever
aan de laatste huizen aansluit, en eindelijk uit de wijk, „Spiess-
Ems" op den linkeroever, met zijn vriendelijke villa\'s aan den
voet van den Malberg. De gemeenschap tusschen de beide
oevers wordt door vier bruggen onderhouden.
Het Koninklijk Kurhuis, het middelpunt van gezellig ver-
keer der schitterende wereld, die zich hier in het badseizoen
ophoudt, werd reeds in het laatst der vorige eeuw gebouwd
doch sedert aanmerkelijk vergroot. Men vindt er ongeveer 60
baden en de beste geneeskrachtige Emser bronnen, waarvan
de in 1878 geopende Keizersbron wegens haar sterk koolzuur-
gehalte het aangenaamste water oplevert. De zuidelijke vleu-
gel van het kolossale gebouw, dat bovendien fraaie winkels,
appartementen voor badgasten enz. enz., bevat, was vroeger tot
verblijf van Keizer Wilhelm ingericht. Overdekte gangen, de zoo-
genaamde „Kolonnaden," waarin zich magazijnen van luxe-arti-
kelen genesteld hebben, voeren naar de „Kurzaal" eigenlijk
gezegd een reeks van schitterende zalen, tot allerlei doeleinden
ingericht. Ook de tuin van het Kurhuis, hoewel in vergelijking
met de fraai aangelegde parken van Wiesbaden en Homburg
vrij beperkt, heeft prachtig opgaand geboomte, dat in den zomer
een heerlijk lommer verschaft. Op Ems is trouwens het „klein
maar rein," het eerste natuurlijk altijd eenigszins in relatieven
zin, ten volle toepasselijk. Alles, zoowel hotels als particuliere
woningen en villa\'s, draagt den stempel van voor aanzienlijke
-ocr page 61-
51
gasten te zijn ingericht. Hun aantal bedraagt jaarlijks gemid-
deld 12,000.
De bestanddeelen van het Emser bronwater bestaan hoofd-
zakelijk uit dubbelkoolzure natron en chloor-natrium. Wij
wagen ons niet aan een opsomming van al de kwalen, die
door het gebruik van dit water zooal genezen kunnen worden,
doch relateeren alleen het feit dat er jaarlijks niet minder dan
Kuvhuis te Eins.
2,000,000 kruiken van verzonden worden, gezwegen nog van
de tallooze doozen, gevuld met de bekende Emser pastilles,
waarvan het debiet ook in ons land verre van gering is.
In het naburige dorpje Frücht vindt men den grafkelder der
familie vom Stein, waarin ook het stoffelijk overschot rust
van den Pruisischen staatsminister, den man, aan wien Duitsch-
land, in moeilijke dagen zooveel te danken had en die in zoo
groote mate tot de wedergeboorte van zijn vaderland na de
Fransche overheersching heeft medegewerkt.
-ocr page 62-
52
Onzen tocht thans stroomopwaarts voortzettende, komen
wij langs schoone dalen, voorbij het middeleeuwsche dorp
Dansenau, te Nassau aan, waar een kettingbrug de Lahn over-
spant. Tegenover het stadje, aan den anderen oever, verheffen
zich op de met woud bekranste hoogten de bouwvallen van
den burcht Stein, de bakermat der baronnen von und zum Stein.
Aan den laatsten en vermaardsten afstammeling van dit een-
maal zoo trotsche geslacht, den zooeven genoemden staats-
man, herinnert diens prachtig marmeren standbeeld, door het
dankbare nageslacht, anno 1871, het voor de Duitsche natie
zoo gedenkwaardige jaar, opgericht. In het plaatsje zelf vindt
men de woning, waar von Stein, na zich van het staatstoo-
neel teruggetrokken te hebben, zijn laatste levensdagen aan
de wetenschap wijdde. Ter gedachtenis aan den bevrijdingskrijg
liet Stein in 1815 daaraan een gothischen toren bijbouwen,
waarin hij een schat van herinneringen uit die dagen van
woeling en strijd, voornamelijk bestaande in busten, portretten
en schrifturen, bijeengaarde. In 1871 werd deze merkwaardige
verzameling vermeerderd met tal van dergelijke voorwerpen,
betrekking hebbende op den oorlog met Frankrijk en de we-
deropkomst van het Duitsche Rijk.
Hoogerop ligt het slot Nassau, de bakermat der koninklijke
en hertogelijke familie van dien naam. Naar de traditie luidt,
zou de naam van Nassau afkomstig zijn van Nasua, den aan-
voerder der Zwaben of wel van twee broeders uit de Lepar-
tiërs, aan wier hoede Caesar indertijd de bij Coblenz gebouwde
brug met de omliggende streek had toevertrouwd. Hoe dit
echter zij, zeker is het, dat het geslacht, waaraan de burcht
zijne stichting te danken heeft, zich oorspronkelijk van Lau-
remburg noemde. De Lauremburgers, die herwaarts gekomen
waren wegens hun beheer over de kerk van Weilberg, geraak-
ten al dadelijk in strijd met Worms, dat sedert 915 zijn rech-
ten op de Nassau genoemde landstreek met de kerk van Weil-
berg deed gelden. De strijd duurde lang en eindigde met een
-ocr page 63-
53
overeenkomst, waarbij "Worms zijn eigendom bij ruil aan Trier
afstond, met uitzondering van het stamslot zelf, dat aan het huis
van Nassau verbleef. Ook deze burcht is sedert eeuwen bouw-
vallig. Alleen de wachttoren is weder opgebouwd en wordt
door liefhebbers van natuurschoon veel bezocht om het heer-
lijke uitzicht dat van daar over de lachende dalen te genieten
valt.
Ook\'verderop behoudt de Lahn, die in dat opzicht gerust
met den Rijn kan wedijveren, haar romanesk karakter door
de talrnke kasteelen en ruïnes waarmede hare oevers bezaaid
zijn. Zoo ziet men bij Obernhof het vervallen ridderslot Lan-
genan
en de statige kloosterburcht Arnstein, beide, te midden
van dicht begroeide rotsen, zeer schilderachtig gelegen. In
•1139 werd Arnstein (of Arnoldstein) door den laatsten der
gaugraven in een praemonstratenser-abdü veranderd. Volgens
de overlevering was graaf Ludwig een zeer godvruchtig man,
die, toen hij bemerkte dat de kans op vermeerdering van zijn
geslacht voor hem verloren was, met zes zijner ridders het
harnas voor de monnikspij ruilde. Ook zijn gemalin Guda sleet
hare verdere levensdagen in een kloostercel. De graven van
Isenburg erfden het graafschap, dat later door koop op de
graven van Nassau en Katzenellenbogen overging. Het kloos-
ter verwierf in den loop der eeuwen aanzienlijke schatten en
mocht zich steeds in grooten bloei verheugen, totdat het in
1803 opgeheven werd.
Langs de treurige overblijfselen van het eenmaal zoo bloei-
ende nonnenklooster Brunnenberg voert de Lahn ons thans
naar de ruïne van Lauremburg, dat als stamburcht der Nassau-
ers de aandacht trekt. Veel schilderachtiger zijn echter de
trotsche bouwvallen van het slot Balduinstein, in de eerste
helft der 14de eeuw door den krijgshaftigen aartsbisschop Balduin
of Boudewijn van Trier, wiens naam in de oorlogen aan den Rijn
zoo veelvuldig voorkomt, gesticht. Hoog boven deze puinhoo-
pen, op een bazaltrots, verheft zich, door wouden omringd, de
-ocr page 64-
54
Schaumburg, met recht als het grootste sieraad van het Lahn-
dal geroemd. In de grijze oudheid zetelden hier de heeren van
Isenburg en tot 1812 de vorsten van Anhalt-Schaumburg,
wier geslacht in genoemd jaar uitgestorven is. Later behoorde
de Schaumburg
den aartshertog
Stephan van
Oostenrh\'k, die
er tot z\\jn dood
in 1867 verblijf
hield en de
schoone bezit-
ting bü testa-
ment naliet aan
den tegenwoor-
digen bewoner,
hertog George
Lodewijk van
Oldenburg.
Maakt het ma-
jestueuse goed
onderhouden
slot met z\\jn
sierlijk aange-
legde parken,
te midden van
al de in puin
gestorte over-
De Schaumburg.
blijfselen van
vroegere groot-
heid reeds een verrassenden indruk, ook het inwendige, dat
men over een middeleeuwsch plein bereikt, is zeer beziens-
waardig. Het bevat o. a. een oranjerie, een kabinet van mine-
ralen, schabrakken en wapens, alsmede schilderijen van groote
-ocr page 65-
55
waarde. Van de torens geniet men een bijna onbegrensd en
wonderschoon uitzicht.
Voorbij Fachingen, dat jaarlijks ongeveer 90,000 kruiken van
zu\'n mineraalwater verzendt, bereiken wjj het ouderwetsche
stadje Diez, dat geheel bestreken wordt door het hooggelegene
voormalige slot der graven van Nassau-Dillenburg, sedert
1874 een tuchthuis, welks gevangenen in de marmergroeven
moeten werken. Merkwaardig is ook de oude marmeren brug
over de Lahn, waarvan in 1552 twee pijlers door de kracht van
den stroom werden omvergehaald. Sedert vormden deze op
de bedding der rivier een vaste massa, die later als fundeering
voor nieuwe pijlers diende. Op ruim een kwartier afstands van
Diez en daarmede door een prachtige lindenlaan verbonden,
vindt men het zoo bijzonder romanesk gelegen slot Oraniën-
stein, waaraan in 1866 de prozaïsche bestemming van kadet-
ten-school is ten deel gevallen.
Wederom een ruïne, die wij, als waarschuwing hoe alle
aardsche grootheid vervalt, op onzen weg ontmoeten, namelijk
de burcht Ardeck, aan de monding van het Aar-dal. Wanneer
wij van dit hooggelegen punt een blik slaan op het inderdaad
onbeschrijfelijk schoone panorama, dat zich aan onze voeten ont-
rolt, trekt het pittoreske stadje Limburg met zu\'n majestueusen,
op een rots gebouwden dom onmiddellijk onze aandacht.
Van Limburg zelf valt weinig anders te zeggen dan dat het
een zeer antiek stadje, aan de Lahn, is en met de overzijde
der rivier door een in 1315 gebouwde brug verbonden wordt.
In de middeleeuwen had Limburg eenige beteekenis, die het
echter langzamerhand geheel verloren heeft. Naar de Limburg-
sche kroniekschrijver Johann Gensbien vermeldt, werd de stad
in 1342 door een zwaren brand en later herhaaldelijk door
pest geteisterd. Bovendien hebben eerst de Zweden en daarna
de Franschen er ontzettend huisgehouden. Overal in het plaatsje
ontdekt men dan ook de sporen van hun gruwelijk vandalisme.
Ondanks al de rampen, die in den loop der eeuwen over
-ocr page 66-
56
Limburg gevaren zijn, heeft de overheerlijk schoone St.-George-
dom met zijn zeven torens zich toch staande gehouden, en is
thans nog een der merkwaardigste monumenten uit het over-
gangstijdperk van den romaanschen tot den gothischen bouw-
stijl. De eigenlijke grondlegger van den dom was de machtige
gau-graaf van het Lahn-dal Kuno of Konrad Kurzbold, wiens
burcht aan het kerkgebouw grenst. De legende beschrijft den
graaf als een soort David, klein en zelfs ietwat mismaakt van
gestalte, doch overigens als een held, uitmuntende door gaven
van geest en hart, wiens daden nog in den volkszang voort-
leven. Zoo voerde hy tallooze malen met veel succes strijd te-
gen reuzen en wilde dieren. Toen Giselbert van Lotharingen
en Eberhard van Franken tegen den keizer opstonden, en met
hun vereenigde legermacht den Rijn wilden oversteken, wer-
den zij door Kuno overvallen, die bij deze gelegenheid zijn
speer met zooveel kracht in het vaartuig der oproerlingen stiet,
dat het onmiddellijk in de diepte wegzonk. De Lotharinger
vond zijn graf in de golven van den Rijnstroom en de Fran-
ken-hertog werd door Kurzbold aan den oever neergehouwen.
Mag men de overlevering gelooven, dan had de anders zoo
schrandere en dappere gau-graaf een onoverwinnelijke vrees voor
vrouwen en ... appels, zoodat hy dan ook ongehuwd overleed.
Hoewel de geleerden het over den oorsprong van het trot-
sche kerkgebouw natuurlijk lang niet eens zijn, bewijst toch
een muurschrift boven het westelijk voorportaal, dat de bouw
anno 909 aangevangen is. De inwijding der kerk had eerst
in 1235 plaats, waarna zij blijkens andere inscriptiën in 1766
en in 1840 vernieuwd werd. De laatste belangrijke restauratie
geschiedde in de jaren 1872—1878.
Het zou ons te ver van den weg brengen, wanneer wij ons
lieten verleiden het Lahn-dal nog verder te volgen, hoeveel
schoons en merkwaardigs het ook nog moge bevatten, zoodat
wij hiermede ons uitvluchtje door het romantische Lahn-dal
als afgeloopen zullen beschouwen.
-ocr page 67-
HOOFDSTUK V.
Oberlabnstein. — Stolzenfels. — Do Koningsstoel. — Kbense. — Braubach
en de Marksburg. — lioppard. — Sint-Marienberg. — Camp. — Lieben-
stein en Steinberg. — Bornbofen — Salzig. — St.-Goar. ~- St.-Goar-
hauson. — Het Schweizerthiil.
Tegenover Niederlahnstein, het uitgangspunt van ons tochtje
door de Lahn-streek, ligt, hoogeröp, het eerbiedwaardige stadje
Oberlahnstein. dat, niettegenstaande de vele werken voor den
aanleg van spoorwegen, zijn middeleeuwsche muren, torens en
grachten nog vrijwel behouden heeft. Meer landwaarts in ver-
rijst op een steile rots de burcht Lahneck, eenmaal de resi-
dentie der keurvorsten van Mainz, en in 1689 door de Franschen
verwoest. Sedert 1860 is men begonnen met de restauratie
van het kasteel in den oorspronkeln\'ken bouwstijl, waarbij van
de oude overblijfselen een oordeelkundig gebruik is gemaakt.
Wèl heeft het daardoor zijn oude gedaante, doch voorshands
nog niet zijn oud karakter teruggekregen.
Een tweede niet minder sterk bewijs van „der Franschen
overmoed", die, naar een muurschrift in onze Geldersche ge-
meente Hattem vertelt, „alles heeft omgewroet:"
„En huis en hof en schuur
Met swevelachtig vuur!"
levert ongetwijfeld het slot Stolzenfels aan den linker Rijn-
oever, dat omstreeks 1250 door den aartsbisschop van Trier,
Arnold von Isenburg, gebouwd werd. Ook dit eenmaal zoo
-ocr page 68-
[V~?fmHB9C§rTï - l \'TBBB
#{ i : •- ■ \'
... >i\' ■".■\'\'
$«HP*^.\\:3
,■ f\'0; \'""* ". i
A\'A
"■; ^j^TSBl
\'.:
EK*?*"
1 é\\
: ■ ■ "i
ü
i^
®ÈÈÈ
f r
wmmw
\'
Gö! ïËL ilL\'*i
d.- /i^\'lPSs^^fè\'s"
t •\' ■ \' .müa
■ , :\'-.■-
r \'i • ■ ■\'-;aisH«*Tu\'
\'tShF\' \'\'; \'\'\'■\' SmÊ
EPtefMET
^i i
K \'V - «aap \' -%\'i
Wm*Ë
Hl^s
"«Br
1
ïft -
I
- m? ■■ ■ 1
mÊm
\'*■* J J
^#5
glKffi
Ëï:\'\'\'
■•\' \'é \'
.\'■\' * ... \'V-\':\' . \';v \'\\ï
^ÖÊT\'.-\'
L"\'\'\'.\'>j:
4rii
tór^ v ■
i
5\'C
?.-»\' \' \' *A" - \'^A
^^.^1
^^^^".Jiïw
i
fe
. :^A !«■
f*
.. " $»$ M,
■ ^wti^atr ;i ^_ v*^K
f, \' \'>-S^,-.^- \'A
v af «fSïïX/ ^hsg
0<flKSr-; W-.W?
\' <**"
\\.-^/ ■\'-r-i-Jprmr^.
^■?fliif&
m/\\"\': ^
•^38» \'*v 1?
^^-•\' ?.\'v,
/ ;H*k":-f AA
\' 1*\' ; > . \'■*\'■/:
j \'-^yS^-A.\'
F
k \'-\' .ylH
■\'*<*!?=■ -
"*"■\'■\'\'^ ■-■ ia s
«Kr
^ a
^\'■A;;:l
WSQtW \' *\'
\'•\' ■ ,vfH
HhB^%
mus^YM\'\'\'
..\'A A7$bBHBI
. .
wS&Z^yÊr\'
/e*»
* ?*-w
^BafiN&p-fi,\'"\'
jfijfiji
[rji
r \';\'■ •
• ■\'il
P^^tn
Efï?\'
■. ■ :
1
BrJpaEïïr"\'\'
I\';
il
^ \'*$ÊI~\'L\' ■ \':\',;
3^\'\'\',
V^i \' Va
■ ^EUT\'ïsHbK
»*: \'
\'
i " .\'• ; ii\' \'.\'
T
\\
\' \' \' \' \' jÉ ■ \'->\'-\'".
riRv<«\'l
| , ^p
r.T\' -•%.
Vj4 j
■■
1k9
jj|-^/. W^ï-\'%
\' ^
\'f^-\'\' \'■ fflf\'\'1\'^\'\'"\'"\' ■ «3
.
i
*"\'■\'\'. "\'. >^J \\rtM:ï -Wk
•
&gsaB3m.?!**0iBmmi
-: _*\'■>■\' i
-ocr page 69-
59
machtige kasteel, waar de opvolgers van den stichter menig-
maal hun verblijf hielden, werd, tegelijk met Lahneck, door
de Franschen in de asch gelegd. Sedert dien tijd bleef Stol-
zenfels een ruïne, totdat de kroonprins Frederik Wilhelm IV
van Pruisen, die de bouwvallen in 1823 van do stad Coblenz
ten geschenke had ontvangen, het huidige gebouw met een
34- meter hoogen, vh\'fhoekigen hoofdtoren en een van twee
torens voorziene slotkapel liet verrijzen.
Van den toren, die zich 370 voet boven den Rn\'n verheft,
overziet de blik een der bekoorlijkste tafereelen van dit stroom-
gebied. Hier de groene bergen, waarboven de toren van den
Marksburcht uitsteekt; ginds in den schoot der blauwe wateren
het lange eiland Oberwerth, en verderop Ehrenbreitstein en
de vestingwerken van Coblenz. Voor ons liggen ter rechter-
zijde de grijze torens en muren der oude stad Oberlahnstein,
en hoog daarboven de burcht Lahneck; ter linkerzijde Nieder-
lahmstein, waar de Lahn uitmondt, wier loop wn\' uren ver dooi-
de ons bekende heerlijke dreven kunnen volgen.
Ook een bezoek aan het inwendige, dat hoogst smaakvol
uit een vorstelijke beurs gerestaureerd is, mag ten zeerste wor-
den aanbevolen. De ridderzaal is versierd met uitstekende
fresco\'s, die, zoowel door historische tafereelen als door alle-
gorieën, de ridderlijke deugden aanschouwelijk voorstellen. De
kapel heeft fresco\'s met bijbelsche onderwerpen. Verder bevinden
zich hier kostbare bekers en wapenrustingen van historische
personen, terwijl de geschilderde vensterglazen medewerken om
den geest in het romantisch verleden terug te voeren.
Meer dan op eenige andere plaats worden w\\j er echter hier
aan herinnerd, dat de edele ridders, wier ongenaakbare, meestal
half in puin gestorte burchten van alle zijden voor ons oog
verrijzen, bij slot van rekening toch slechts zeer ordinaire
straatroovers waren, die tollen hieven, waartoe zij niet bevoegd
waren en zich, wat nog erger is, niet ontzagen weerlooze koop-
lieden uit te plunderen. Loodzwaar drukte hun ijzeren hand
-ocr page 70-
dan ook, niet het minst bij de samenvloeiing van Rn\'n en Lahn,
op handel en vertier. Somtijds echter werden de adellijke spits-
boeven door hunne keizerlijke meesters op zeer onaangename
wijze in hun winstgevend bedrijf gestoord. Zoo hield indertijd
Rudolf von Habsburg een ware razia onder deze Heeren
van den grooten weg. „De ware ridder - aldus redeneerde,
deze keizer — is trouw en vroom. Wie zijn eer schendt, mag
zelfs niet door het zwaard sterven." En de waardige Habs-
burger voegde de daad b\\j het woord, want hü liet verscheidene
roofridders voor Ue poort van hun kasteel ophangen!
Even beneden het
■•:fi ■.
echt antieke stadje
Rhense ontmoeten
wü een merkwaardig
historisch monument
in den Koninysstoel,
waar de zeven keur-
vorsten samenkwamen
om over de aangele-
genheden van het Rijk
te beraadslagen, en
waar ook Hendrik VII,
Karel IV en Ruprecht
Koinngsstoel.
III tot keizer werden
verkozen. Het gestoelte, dat op last van Karel IV door de
Rhensenaren tegen het genot van tolvrh\'heid werd opgericht,
was, naar de beschrijving luidt, van kwartssteenen gebouwd
in den vorm van een toren met zeven bogen, waarvan echter
de hoogte niet meer dan 6 Meter bedroeg. De verheven zetels
in het rond waren voor de keurvorsten bestemd, die door een
gewelf boven hun hoofd tegen het weder beschut waren, ter-
wijl overigens de lucht van alle zijden vrije doorstrooming had.
Natuurlijk heeft de vernielzucht der Franschen in het laatst der
vorige eeuw dit interessante bouwwerk niet kunnen sparen,
-ocr page 71-
01
dat echter in 1843 door een te Coblenz zetelende vereeniging
van kunstlievende mannen zoogoed mogelijk gerestaureerd is.
Op deze aan historische herinneringen zoo rijke plek vaar-
digden de zes keurvorsten (Koning Johan van Bohemen had
zich laten verontschuldigen) de merkwaardige resolutie uit,
dat htj, die tot keizer of koning gekozen was, moest beschouwd
worden als door God zelf tot die hooge waardigheid geroepen
te zijn, zoodat het geen zin had, die keuze nog eens door den
Paus te doen bekrachtigen. De omstandigheid, dat vlak tegen-
over den Koningsstoel in het midden van den Rijnstroom de
landen van vier keurvorsten (De Paltz, Keulen, Trier en Mainz)
samenkwamen, droeg er veel toe bij om deze lommerrijke plek
tot een geliefkoosd rendez-vous voor vorsten te maken.
Schertsenderwijze placht Keizer Maximiliaan I wel eens te be-
weren, dat het geheele Rnndal van de Alpen tot de Nederlanden
eigenln\'k gezegd niet anders dan ééne lange Papeustraat was,
vanwege de menigte bisdommen, die zich in een bijna on-
afgebroken reeks langs de oevers uitstrekten. Zoo waren daar:
Chur (het hoogst gelegene), Constanz (het grootste), Bazel (het
vroolijkste) Straatsburg (het edelste), Spiers (het ijverigste),
Worms (het armste), Mainz (het waardigste), Trier (het oudste)
en eindelijk Keulen (het rijkste). De keurvorst van de Paltz
was dan ook de eenige wereldlijke heer aan den Rn\'n wiens
gezag eenige beteekenis had.
Bij den lagen waterstand van 1857 vond men in den Rn\'n,
aan den voet van den Koningsstoel, de Rhenser mineraalbron
terug. Deze bron was reeds in de vorige eeuw ontdekt, doch
later spoorloos verdwenen. De verloren dochter werd natuurlijk
met open armen ontvangen en met zorg naar den oever terug-
geleid, van waar het Rhenser-water thans, in kruiken getapt,
de wereld ingezonden wordt.
De overzijde van de rivier is op dit punt eveneens bijzonder
rijk aan vruchtboomen. Den 20 Augustus 1400 verhief zich te
midden daarvan het opzettelijk tot dat doel gebouwde richt-
-ocr page 72-
02
gestoelte, waarop de Rijnlandsche keurvorsten, in tegen-
woordigheid van een ontzaglijke volksmenigte, over koning
"Wencelaus van Boheraen het vonnis uitspraken, waarbij deze
van troon en rh\'k vervallen werd verklaard. Den volgenden
dag werd in plaats van Wencelaus, die de staatszorgen wat
al te overvloedig door het edele druivensap placht weg te spoe-
len, de Palzgraaf Ruprecht tot koning van Bohemen uitge-
roepen.
De Marksburcht mot Bnmbach.
Ook aan dezen oever treft men minerale bronnen aan, name-
lijk de bekende Victoria- en Minerva-bronnen, wier frissche
wateren in de laatste jaren hier te lande een welverdiende
reputatie hebben verworven.
Hoogerop, eveneens aan den rechteroever, verrijst boven
grootsche, ontzagwekkende rotsblokken do Marksburcht,
wiens trotsche tinnen, reeds van den Stolzenfelz af gezien, onze
aandacht trokken. Het is de eenige veste aan den fiyn, die
-ocr page 73-
63
onverwoest is gebleven, en uit dat oogpunt reeds merkwaar-
dig. Oorspronkelijk het eigendom der graven van Katzenellen-
bogen, kwam de statige burcht in 1651 aan Hessen-Darmstadt.
Sedert 1866 was het een Nassausche staatsgevangenis en thans
is in de nauwe, sombere localiteiten een restaurant gevestigd.
Sic transit...!
Aan den voet van den Marksburcht, meer naar den Ru\'nkant,
ligt het stedeken Braubach, eveneens een oud nest, waarvan
overigens niets bijzonders te vertellen valt.
Wij varen thans den Run verderop naar Boppard, welke zeer
oude en hoogst merkwaardige stad wij langs een scherpe
kromming in de rivier bereiken. De plaats, wier middeleeuw-
sche vestingwerken nog gedeeltelijk in goeden staat zijn, werd
reeds door de Kelten gesticht, terwijl de Romeinen er latei-
een artillerie-perk (balistarii Bodobricae) vestigden. Boppard
was in de twaalfde eeuw reeds een Ryksstad, en werd in
1312, tegelijk met Oberwesel, door Hendrik VII aan diens
broeder, den aartsbisschop Balduin van Trier, in leen gegeven.
Hoe weinig deze echter bij de burgers van Boppard een per-
sona grata
was, bewijst wel het feit, dat het den oorlogzuch-
tigen kerkvorst eerst zes jaren later gelukte binnen de stad
te komen. Toen stichtte hij echter onmiddellijk een sterken
burcht om de bevolking in bedwang te houden en alle pogin-
gen later door de burgers aangewend om hun oude zelfstan-
digheid te herwinnen, bleven vruchteloos. Het gebouw bestaat
nog en doet thans dienst als rechtsgebouw en als meisjes-
school. Bovendien bezit Boppard, zooals alle Rn\'nsteden, zeer
bezienswaardige kerken, terwijl het middeleeuwsch karakter
van de stad zeer verhoogd wordt door de vele woonhuizen
met spitse gevels uit den tijd van het leenstelsel.
Ongetwijfeld heeft Boppard zijn welvaart voor een goed deel
te danken aan het voormalige Benedictijner vrouwenklooster
Sint-Mariënberg (Mons Beatae Mariae Virginis), thans een
druk bezochte koudwaterinrichting, waarvoor de reeds sedert
-ocr page 74-
64
eeuwen om hare zuiverheid en bestendige temperatuur vermaar-
de Orgelbron het water levert. Het etablissement is zeer schoon,
midden in een woud van vruchtboomen, gelegen.
Omtrent den oorsprong van het klooster weet de legende
het volgende te verhalen: Ridder Konrad van Boppard had,
gelyk zoovele trouwelooze minnaars vóór en na hem gedaan
hebben, zyne bruid Maria, ondanks de plechtigtste eeden,
.schandelijk verlaten. Toen nu Konrad eenigen tijd later door
een eenzaam woud reed, trad hem een geharnaste ridder met
gesloten vizier in den weg. Verwonderd vroeg hij den onbe-
kende naar z\\jn verlangen, waarop deze antwoordde: „Lafaard,
ik ben Maria\'s broeder en keerde opzettelijk uit Palestina
terug om de eer mijner zuster te wreken." Nu begon natuur-
lijk een strijd op leven en dood, doch reeds bn\' den eersten
uitval viel de jongeling doodelijk getroffen neder. Wie be-
schrijft nu de ontzetting van den trouweloozen Konrad.
toen hü, zyn slachtoffer den helm van het hoofd nemende,
de eens zoo vurig beminde maagd herkende, wier brekende
oogen hem nog vol liefde aanstaarden. Het vreeselijk schouw-
spel greep hem zelfs zoozeer aan, dat h;j besloot van dat
oogenblik af de wereldsche genietingen voorgoed vaarwel te
zeggen en als tempelridder in het Heilige Land den helden-
dood te zoeken. Vooraf echter liet hij op de plek, waar het
overschot zijner vroegere geliefde door hem ter ruste was
gebracht, een klooster bouwen, schooner dan een der overige
kloosters aan den Rijn, waaraan hü den naam Sint-Marien-
berg gaf.
De omstreken van Boppard leveren tal van verrukkelijk
schoone gezichtspunten op. Zoover het oog reikt, zijn de hel-
lingen van de zoogenaamde „Bopparder Hamm," die ten ge-
volge van de kromming der rivier zeer beschut en op het
zuiden gelegen zijn, met wijn gaardranken beplant, hetgeen
een zeer aangenaam schouwspel oplevert.
Nauwelijks zijn wij, langs het zoo bevallig tusschen note-
-ocr page 75-
65
boomen en wijngaarden half verscholen dorpje Camp, het ge-
wone station der kolossale houtvlotten, een eindweegs den
Eün opgestevend, of w\\j zien op twee rotsen, die zich fier
naast elkander verheffen, de ruïnes der trotsche burchten Lie-
benstein
en Sternberg, waarover de bloedige legende der „vij-
andige broeders" zulk een somberen sluier geweven heeft.
Natuurlijk dat ook van deze droevige overlevering verschillende
lezingen bestaan, waarvan ons de volgende — de quaestie van
authenticiteit geheel daargelaten - het aantrekkelijkst voor-
komt: Op den burcht Liebenstein leefde rustig en kalm de
oude ridder Beijer van Boppard met zijne beide zoons Hendrik
en Koenraad, benevens een jonge aanverwante Hildegard
Bromser, uit het geslacht van Rüdesheim, die al de jonkvrou-
wen uit den omtrek in schoonheid en goedheid verre overtrof.
De jongelieden waren samen opgevoed en het kon niet anders
of de beide broeders moesten wel, zoodra zij den kinderschoe-
nen ontwassen waren, op hunne zoo beminnelijke huisgenoote
tot over de ooren verliefd worden. Nu was Hendrik, de oudste,
hoewel minder innemend van voorkomen, begaafd met een
edele inborst en een vast karakter, terwijl het daarentegen
den levendigen en vurigen Koenraad, die door zijn vriende-
lijke voorkomendheid onmiddelliik een gunstigen indruk maakte,
zooals wij in den loop van het verhaal zien zullen, aan
standvastigheid ten eenenmale ontbrak. De keuze van het
jonge meisje laat zich gemakkelijk raden: Koenraad werd de
uitverkorene en Hendrik, die zich met een goede dosis „Schwes-
terliebe" tevreden moest stellen, trok, misschien op het nog
versche voorbeeld van den ridder Toggenburg, ten kruistocht
op naar het Heilige Land. Weldra kwam er tijding van Hen-
drik en diens heldenfeiten uit het verre oosten, en nu kon
Koenraad, die zich altijd door den eersten indruk liet medesie-
pen, niettegenstaande de tranen zijner bruid en ofschoon de
trouwdag reeds bepaald was, het niet van zich verkrijgen in
roemlooze werkeloosheid achter te blijven, waar de edele afstam
5
-ocr page 76-
66
melingen der naburige burchten, waar zelfs zijn eigen broeder
lauweren plukten in den heiligsten strijd. Ook hij vertrok en
de arme Hildegard bleef, na den dood van den ouden ridder,
maanden en maanden lang, eenzaam en verlaten op Liebenstein
achter. Eindelijk keerde niet de zoo vurig verlangde bruidegom
maar wel diens broeder Hendrik op den eenzamen burcht terug,
waar zij van nu af, evenals in de dagen van weleer, als broe-
der en zuster leefden. Van Koenraad kwamen nog steeds zeer
onvoldoende berichten; slechts zooveel kon Hildegard vernemen,
dat Koenraad, die intusschen door den dood van zijn vader
heer van Sternberg was geworden, zich in de Grieksche kei-
zerstad bevond. Geen oogenblik wankelde echter haar ver-
trouwen op de liefde van haren verloofde en verpletterend was
dan ook de slag, toen zn\' hem, vergezeld van een gade uit
Grieksch bloed gesproten en begeleid door een prachtigen stoet,
het pad, dat naar den burcht Sternberg voert, zag oprijden. Hen-
drik, die van zijn eigen levensgeluk grootmoedig afstand had
gedaan, ontstak thans zoodanig in toorn, dat hij zijn broeder
een uitdaging op leven en dood zond. Den volgenden morgen
stonden de broeders vijandig tegen elkander over; reeds kruis-
ten zich hunne zwaarden, toen Hildegard zich tusschen beiden
wierp en door kracht van redenen aan den onnatuurlyken
tweekamp een einde wist te maken. De arme ontvlood reeds
den volgenden morgen binnen de muren van het klooster Sint-
Marienburg een wereld, die haar geen geluk had kunnen aan-
bieden. — Koenraad bleef niet van de straf voor zijn trouwe-
loosheid verschoond. Een jaar later ging namehjk de schoone,
doch weinig deugdzame Griekin met een jongen ridder heimelijk
door, om nimmer terug te keeren. Van dit oogenblik stond Stern-
berg verlaten daar en de beide broeders sleten op den stamburcht
Liebenstein eendrachtig en stil hun laatste levensjaren.
Wtj mogen echter niet verzwijgen, dat bij de bewoners van
de streek het vaste geloof heerscht, dat de beide broeders,
door minnenijd gedreven, werkelijk elkander hebben gedood en
-ocr page 77-
67
dat nog thans, nadat eeuwen over het gru welfeit z\\jn heengegaan,
bijwijlen te middernacht hun wapengekletter door het stille dal
weergalmt. De onschuldige oorzaak van al dit wee, door Heinrich
Heine in zijne bekende romance gravin Laura genoemd, stichtte
op de onzalige plek het klooster Bornhofen, dat nog ten hui-
digen dage, vooral in de herfstmaand, tal van pelgrims trekt.
Bornhofen.
Doch verlaten wh\' thans dit onheilspellende oord, welks som-
bere schoonheid door de traditie in zulk een geheimzinnig kleed
is gehuld, en wenden wij thans liever den blik naar den anderen
oever. Met welgevallen rust nu ons oog op een heerlijk woud
van kerseboomen, waarvoor het gebergte, dat overal in den
omtrek den stroom nauw omlijst houdt, opzettelijk plaats ge-
maakt schijnt te hebben. Midden tusschen het geboomte en
daardoor half verscholen komt de kerktoren van het dorpje
Salzig. terwijl wij langs den vruchtbaren oeverkant voortglijden,
slechts nu en dan even te voorschijn. Wij bevinden ons hier
-ocr page 78-
68
in hetkersenlandbü uitnemendheid. Geheele scheepsladingen van
deze smakelijke boomvrucht worden van uit Salzig en omstreken
naar den Beneden-Rn\'n, Nederland en Engeland verzonden.
Langs de dorpjes Hirzenach, waar de Rijnstroom zich weder
sterk naar het oosten buigt, en Ehrenthal, met zn\'n lood-, koper-
en zilvermn\'nen, bereiken wü weldra St.-Goar, het statigste
en indrukwekkendste van al de kleinere Rijnsteden.fHet stadje
ontleent zn\'n naam aan den evangelie-prediker, die ten tyde
van Siegbert, koning
van Austrasië, zich te
midden van de nn\'vere
visschersbevolking
vestigde en zoowel
wegens zn\'n minza-
men omgang als om
de wonderdaden,door
hem verricht, in groot
aanzien stond. De le-
gende verhaalt van
St.-Goar, dat hü, een-
maal voor koning
Siegbert geroepen, bjj
gebrek aan een an-
deren geschikten kap-
Rheinfels.
stok, zijn mantel in
\'t midden der zaal
aan een zonnestraal ophing. Zjjn kluis op de rotsen werd dan
ook steeds door bedevaartgangers bestormd. Nog na den dood
van den uitnemenden man werkte diens wonderdadige kracht
voort, want toen eens de keldermeester verzuimd had een door
Karel den Groote aan de te zn\'ner eere gestichte abdü geschon-
ken vat wyn te sluiten, weefde, op last van den heilige, die daar
vereerd werd, een spin haar web in een ommezien voor de
opening, zoodat geen druppel van het edele vocht verspild werd.
-ocr page 79-
69
Hoog boven het stadje verheffen zich de ontzaglijke over-
blijfselen van de vesting Rheinfels, in de 13de eeuw door
Diether III von Katzenellenbogen gesticht, met welke stich-
ting de heffing van een nieuwe Rijn-tol gepaard ging. Tien
jaren later vereenigden zich 26 koopsteden aan den Rijn om
de sterkte te vernietigen, en daardoor van de nieuwe druk-
kende tolheffing bevrijd te worden, doch na een beleg van 15
maanden waren de uitgezonden troepen gedwongen onver-
richter zake huiswaarts te keeren. In 1797 werd de Rheinfels
door de Franschen verwoest, de overgebleven puinhoop be-
hoort thans in eigendom aan den Duitschen keizer.
St. Goarshausen aan de overzijde van den Rijn, bestaat bijna
geheel uit een rij tamelijk nieuwe huizen, die zich vlak langs
den oever uitstrekt en heeft overigens weinig bijzonders.
Zeer merkwaardig daarentegen is de burcht Neu-Katzenellenbo-
gen, die halverwege op de rots, in de onmiddellijke nabijheid
van het dorp gelegen is, en in de wandeling de Kat genoemd
wordt. Deze naam heeft een historischen oorsprong. Toen
namelijk de aartsbisschop van Tri er, Kuno van Falkenstein,
in 1363 het naburige kasteel Thnrnberg of Deurenberg
voltooid had, liet graaf Johan III, de toenmalige burchtheer
van Neu-Katzenellenbogen, wien de nieuwe stichting een doorn
in het oog was, bisschop Kuno gelukwenschen, doch voegde
bij zijne felicitatie tevens de waarschuwing, om toch vooral
goed op zijn Muis te passen, daar anders de Kat het arme
diertje wel eens bij gelegenheid kon oppeuzelen. Nog thans
heeten de beide burchten de Kat en de Muis, hoewel er weinig
meer dan de geraamten van overgebleven zijn.
Een uitstapje van St.-Goarhausen uit naar het rotsachtige
Schweizerthal, waardoor de Hasebach stroomt en waar de
ruïne Reichenberg verrijst, is zeker wel de moeite waard. Reichen-
berg was ook eenmaal een burcht, behoorende aan het trotsche
geslacht der Katzenellenbogen, wier leden het zeer ver gebracht
hadden in de edele kunst om door hooge tolheffingen de Rijn-
-ocr page 80-
70
schippers uit te plunderen. Daarin was dan ook. de oorzaak
gelegen dat Reichenberg, oorspronkelijk in moorschen stijl
gebouwd, met een sierlnke zuilengang en hooge karakteres-
tieke torens, in 1302 door keizer Albrecht verwoest werd. Het
is thans nog een der best geconserveerde ruïnes aan den Kjjn.
Thurnberg.
Verrassend vooral is bjj het binnentreden de aanblik van het
ruime slotplein, waarvan de hoofdingang, door granietzuilen
ingesloten, nog zeer goed bewaard is gebleven. Ook de slot-
kapel, met haar romaansche kolommen en spitsbogen-gewelf
is zeer indrukwekkend.
-ocr page 81-
HOOFDSTUK VI.
Dn Loreley. — Oberwezel. — Schfinburg. — Caub. — De Gntenfels. —
Pfaltzgravenstein. — Bacharach. — Stahleck. — Fürstenberg. —
Lorch. — De Nollich. — De Heimburg. — Sooneck. — Falkenburg. —
Rheinstein. — De Clemenskapel.
Steeds stroomopwaarts volgen wij den Rijn, die zich, van
het Zevengebergte af, onophoudelijk door een reeks van rotsen
wringt. Nooit verzadigd is ons oog van het aanschouwen der
grootsche, hier en daar eenigszins somber getinte natuurta-
fereelen en der steenen overblijfselen uit het grijs verleden,
de half in puin gestorte burchten van lang vergane geslach-
ten. Zoo naderen wij thans een der schoonste punten aan den
Rijn, de door de poëzie gewijde Loreley, een bijna loodrecht
oprijzende rots van 420 voet hoogte, die de bedding van den
stroom zoodanig vernauwt, dat er gevaarlijke draaikolken ont-
staan. Vandaar waarschijnlijk de legende, volgens welke op
den top van dit rotsgevaarte een even gevaarlijke als lieftal-
lige toovernimf huisde. Door haar sirenengezang wist zij den
voorbij varenden schipper dermate te boeien, dat hn\' niet meer
lette op de gevaarlijke rotspunten, maar alleen oog en oor had
voor de beeldschoone vrouw, die daar boven, onder het zingen
van een geweldig aangrijpend lied, heur gouden haren kamde.
Geen wonder dan ook dat onder zulke omstandigheden schipper
en vaartuig in den regel door de golven verzwolgen werden:
„Das hat mit ihrem Singen
Die Loreley gethan,"
-ocr page 82-
72
verklaart Heinrich Heine aan het slot van zh\'n bekende romance.
Maar de gevaarlijke schoone werd ten slotte zelve verliefd op
den jeugdigen Paltsgraaf, een kloek en kracht vol jongeling,
en stortte zich, toen zij haar liefde niet beantwoord zag, door
minneph\'n gedreven, in den stroom, waaruit zy nimmer weder
te voorschijn kwam.
Er bestaan tal van hartroerende liederen, alle betrekking
hebbende op de even bekoorlijke als ongelukkige Loreley.
Doch de lust om daarmede nader kennis te maken, wordt ons
alweder eenigszins bedorven, nu de onmeedoogende wetenschap
uitgemaakt heeft dat er nooit of te nimmer een jonkvrouw van
dien naam bestaan heeft. Loreley - verklaren de geleerden —
is eenvoudig een samengesteld woord, uit lore (louter) en ley
(lei), en wil dus zeggen dat men overal in het rond niets
anders dan leien ziet.
Weg is dus de illusie, waaraan trouwens de spoorbaan, die
zich midden door het hart van de Loreley een weg baant, reeds
duchtig afbreuk doet. Van veel meer belang is echter nog de
schade, die door de invoering van den stoom aan de zalmvangst
wordt toegebracht, voor welke edele vischsoort onze oostelijke
naburen — getuige de geschiedenis van het jongste zalm-trac-
taat — een bijzondere voorliefde schijnen te gevoelen. In vroe-
gere jaren werd namelijk zoo kolossaal veel zalm in de inham-
men tusschen de rotsen gevangen, dat het aanbod de vraag
ver overtrof en (tout comme ckes nous) indertijd de dienstboden
te St.-Goar en te St.-Goarshausen in de huurovereenkomst
uitdrukkelijk stipuleerden, dat hun slechts driemaal \'s weeks
aan tafel zalm mocht voorgezet worden! Door het gedreun
der onophoudelijk voorbijvarende stoombooten en door den
aanleg van spoorwegwerken aan den oever is de visch echter
bijna geheel verjaagd.
Nog een merkwaardigheid van deze verheven schoone plek,
waaraan eveneens het drukke spoorweg-en stoombootverkeer
op en langs den rechter-Runoever ook al geen goed "gedaan
-ocr page 83-
Q
-ocr page 84-
74
heeft, is een bijzonder duidelijke echo, die men thans nog
slechts naar waarde genieten kan, door in den vroegen morgen
of in het stille avonduur met een bootje langs de rotsen te
varen.
Is de gevaarlijke Loreley ook al naar het land der mythen
verbannen, de rotspunten, waarop zoo menig schipper, door
hare wegsleepende melodie betooverd, zijn rank vaartuigje liet
stranden, zijn nog wel degelijk aanwezig. Half onder het water
verborgen, verraden zij echter hunne tegenwoordigheid duide-
lijk genoeg door een vrij sterken val in de rivier, waaraan het
zoogenaamde „Gewirr" zijn oorsprong te danken heeft.
WÜ laten ons thans niet langer in de tooverstrikken van de
bekoorlijke Loreley gevangen houden, maar vervolgen onzen weg
door de fantastisch gevormde, hemelhoog zich verheffende leirot-
sen, slechts aan den rechteroever hier en daar afgewisseld door
boschrijke dalen. Verscheidene steil uit den stroom opstekende
klippen herinneren hier aan de legende der zeven jonkvrouwen,
die tot straf voor de hardvochtige koelheid waarmede z\\j zoo
menig naar wederliefde smachtend jongeling behandelden, ten
slotte in rotsblokken veranderd werden. Men verzuimt dan ook
zelden om aan de jeugdige Galathéa\'s „bij veel harders wel
bemint, maar tot geene noch gesint," zooals vader Cats ze
noemt, bü het passeeren der klippen, deze leerrijke geschie-
denis te verhalen. Alleraardigst is een gedicht van Simrock,
waarin het treffende verhaal aan eenige jonkvrouwen ter waar-
schuwing wordt gedaan. Zeer naïef erkent bü die gelegenheid
een 12-jarig meisje, dat zij stilletjes aan buurmans „Gottfried-
chen" een kus gegeven heeft, om daardoor voor een ramp-
zalig uiteinde gespaard te blijven!
Eensklaps verwijdt zich nu het Rn\'ndal en worden wjj in de
verte het oude Oberwezel met zijn schilderachtige wachttorens
en ringmuren gewaar. Evenals Boppard, was ook Oberwezel eens
een vrije rijksstad, hetgeen echter ook al niet beletten kon, dat
Hendrik VII er zn\'n broeder, den meergenoemden aartsbisschop,
-ocr page 85-
75
Boudewijn van Trier, mede begiftigde. Ook hier was de bis-
schop genoodzaakt de burgerij met ijzeren vuist te bedwingen.
Een der grootste merkwaardigheden van Oberwezel is onge-
twijfeld de Vrouwen- of Stichtskerk die, geheel van roode
zandsteen opgetrokken, reeds van verre de aandacht trekt.
Zy bevat bovendien een rijk geornamenteerd koorhek, koor-
stoelen en een altaar van ge-
sneden hout, alsmede een groot
schilderstuk, voorstellende de
11,000 maagden, waarmede wij
reeds te Keulen kennis maakten.
Verder noemen wij nog het
Raadhuis, dat in 1849 in middel-
eeuwschen stijl voltooid is, de
St.-Martyjns-kerk en den Ossen-
toren.
Evenals al de andere kleine
Rn\'nsteden, heeft ook Oberwe-
zel zijn ruïne. Het is de trotsche
Schönburg, die zich hoog bo-
ven het stadje op de rotsen
Vrouwen- of Stichtskerk.
verheft, en ongetwijfeld een der
schoonste gezichtspunten aan den Rijn oplevert. Hier zetelde een-
maal het machtige geslacht, waartoe ook de beroemde graaf
Friedrich Hermann von Schönburg behoorde, die eerst in Neder-
landschen dienst stond en later in Frankrijk den maarschalks-
staf verwierf. Door de herroeping van het edict van Nantes
uit zijn nieuw vaderland verdreven, stak hn\' later met Willem
van Oranje naar Engeland over, verdreef daar de Stuarts en
vond eindelijk den heldendood in den slag aan de Boyne. De
lotgevallen van den Schönburg eindigen met het welbekende
refrein: „Het kasteel werd in het laatst der 17de eeuw door
de Franschon verwoest."
Na nog een laatsten blik op het zoo romantisch gelegen
-ocr page 86-
76
Oberwezel geworpen te hebben, vervolgen wfl weder onze
heerlijke vaart den R(jn op, die ons, telkens door zijne grillige
bochten verrassende, de een na de andere al zijn schatten
blootlegt. Somtijds overvalt ons een gevoel van duizeligheid
■en beklemming bij den aanblik der ontzaglijke leirotsen, die
zich hier en daar bijna loodrecht ten hemel verheffen. Het
stadje Caub, dat wij weldra bereiken, is dan ook de stapel-
plaats voor Rn\'nsche dakleien, die van daar dagelijks in enorme
hoeveelheden verscheept worden. In 1876 werden door een
rotsverschuiving 25 huizen in puin verkeerd, bij welke ramp
25 menschen het leven verloren. Twee jaren later herhaalde
zich het natuurverschijnsel, zonder echter ongelukken te ver-
oorzaken. Sedert zijn doeltreffende maatregelen genomen om
voor het vervolg dergelijke onheilen voorgoed af te wenden.
Van het plaatsje zelf valt overigens weinig bijzonders te
vermelden, dan alleen dat het zich verbeeldt van Romeinschen
oorsprong te zijn, een kleine ijdelheid, die aan de Rijnsteden
nu eenmaal eigen is. Volgens de traditie echter is de Christen-
zendeling Theonestes in een cupa (kuip) — vandaar de naam
€aub — den Rijn komen afzakken, in welke geïmproviseerde
woning hij, evenals indertijd Diogenes de Wijze, te midden
•der toenmaals nog in den nacht van het heidendom verzonken
visschersbevolking, zijn domicilie vestigde. Theonestes bleek
een bij uitstek practisch man te zijn, want hu\' leerde den vis-
schers, behalve het Christendom, ook den wijnbouw. Caub moet
overigens in de twaalfde eeuw reeds bij de schippers in een
zeer kwaden reuk hebben gestaan wegens den hoogen Rijn-
tol, waaraan natuurlijk de statige burcht, die eenmaal gelijk een
adelaar zijn machtigen klauw over het stadje en den stroom
uitstrekte, niet vreemd was.
Van dit eens zoo machtige slot, de Gutenfels genaamd, is
thans weinig meer overgebleven dan eenige reusachtige muren
en romaansche vensters, die evenwel nog een sprekend getui genis
van vroegere kracht en grootheid afleggen. Indertijd huisvestte
-ocr page 87-
77
hier Gustaaf Adolf en men wijst nog het venster aan, waaruit
de Zweedsche koning gewoon was zijn blik over het schoone
dal te laten weiden. Ook moet op deze romantische plek Ri-
chard van Cornwallis (1257 Duitsch Koning) met de lieftallige
gravin Beatrix van Falkenstein hebben kennis gemaakt, die
hy dan ook na den dood van zijne eerste gemalin, in 1269,
Gutenfels, Caub en Pfalzgravenstein.
huwde. In het begin dezer eeuw werd dit grootsche monu-
ment van ouden bouwstijl voor afbraak verkocht.
Niet minder merkwaardig is, een eindweegs meer stroom-
opwaarts, de Pfalzgravenstein, een eiland-burcht, die zich op
een rots midden in den Rijn verheft. Het nog zeer goed onder-
houden gebouw met zijn talrijke torens, kanteelen, en schietga-
ten, heeft slechts één ingang aan de oostzijde, die bovendien
-ocr page 88-
78
alleen door middel van een ladder te bereiken is. De scherp
toeloopende zuidelijke zijde doet dienst als ijsbreker en is ge-
tooid met den Pfalzen-leeuw. Waarschijnlijk heeft het gebouw
in oude tijden geene andere bestemming gehad dan die van
tolhuis, doch de legende weet er natuurlijk wel iets minder
prozaïsch van te vertellen. Volgens haar werden alle Paltz-
gravinnen, zoodra z\\j in gezegende omstandigheden verkeer-
den, derwaarts overgebracht, om in een klein kamertje, dat
nog getoond wordt, hare bevalling af te wachten. Deze zonder-
linge maatregel zou gediend moeten hebben om onderschui-
ving van kinderen te voorkomen. Zeer geloofwaardig is deze
legende niet, hetgeen van eene legende dan ook moeilijk kan
gevergd worden. Meer vertrouwen verdient het verhaal, dat
hier eenmaal het bekoorlijke dochtertje Agnes van den Palts-
graaf Conrad geconsigneerd werd, toen maar al te duidelijk
bleek, dat het meisje zich in de netten van Hendrik van Bruns-
wijk, bijgenaamd „den Schoone", had laten verstrikken. De om-
standigheid dat tusschen de wederzijdsch familiën der jonge-
lieden een ernstige veete bestond, maakte de zaak niet beter.
Met medewerking der moeder van Agnes wist Hendrik echter
binnen den watertoren te komen, vergezeld van een geestelijke,
die de innige betrekking der beide gelieven door zijn zegen
sanctionneerde. Toen de Paltsgraaf hiervan kennis kreeg, was
hij natuurlijk eerst dol kwaadaardig, doch ten slotte liet de
oude heer zich door de tranen van moeder en dochter verbid-
den, waarna hij het echtpaar te Stahleck, zijn residentieslot,
in genade opnam. Intusschen had de schoone Agnes op den
Waterburcht een spruit ter wereld gebracht, aan welk feit de sage
later gelijke verplichting voor alle Paltzgravinnen vastknoopte.
Een eenvoudige gedenksteen, in het muurwerk van den
burcht aangebracht, voert ons op eenmaal uit het rijk der le-
gende naar de streng historische werkelijkheid terug. WJi
vinden daarop namelhk de gedenkwaardige gebeurtenis vermeld,
dat in den nieuwjaarsnacht van 1813 op 1814 maarschalk
-ocr page 89-
79
Blucher hier zijne Pruisen over den Rijn voerde op den zege-
vierenden tocht naar het hartje van Frankrijk.
Langs de verborgen klippen van het eiland Worth, recht
tegen den bruisenden stroom in, stevenen wij thans het vrien-
delijke stadje Bacharach te gemoet, eenmaal de hoofdstapel-
plaats van al de edele wn\'nsoorten uit den gansenen Rheingau.
Vandaar de kolossale reputatie der Bacharacher wijnen, hoewel
ook de druif, die er in den onmiddellijken omtrek groeit, werke-
lijk niet te versmaden
is. Volgens sommige
oudheidvorschers zou
de naam der plaats
zyn oorsprong te dan-
ken hebben aan Bac-
chus, in eigen persoon,
en moet hier zelfs in
den Romeinschen tijd
een altaar voor den
wijngod (ara Bacchi)
gestaan hebben. Wer-
kelijk heeft men ook
De Werner-kapel.
midden in den Rijn een
vierkanten steenblok met raadselachtige inscripties gevonden,
die volgens het gevoelen der geleerden niet anders dan een
altaarsteen kan geweest zijn. De geschiedenis vermeldt, dat
paus Pius II (Aeneas Sylvius) ieder jaar een okshoofd Bacha-
racher wijn naar Rome liet komen en dat Keizer Wenzel voor
vier aamen van dit heerlijke druivensap de stad Neurenberg
van al hare verplichtingen jegens het Duitsche Rijk ontsloeg.
Na 1700 verloor Bacharach langzamerhand de schitterende
positie, die het eenmaal in den wijnhandel bekleedde, waarmede
natuurlijk een belangrijke achteruitgang in bloei en welvaart
gepaard ging.
Een der prachtigste monumenten van zuiver gothischen
-ocr page 90-
80
bouwstijl is ongetwijfeld de Werner-kapel te Bacharach, die
door zijn edele vormen en schoone lijnen zeer sterk aan
den Keulschen dom herinnert. Jammer genoeg, is het gebouw
nooit geheel voltooid geworden, en verkeert het bovendien, bh\'ge-
brek aan het noodige onderhoud, in bouwvalligen toestand. De
inwendige ruimte wordt voor begraafplaats gebruikt. Aan den
oorsprong der kapel is een sombere legende verbonden, waarin
zich de fanatieke geest der middeleeuwen afspiegelt. Volgens
de overlevering zouden namelijk de joden een knaapje, Werner ge-
naamd, hebben doodgemarteld. Het lijkje nu, dat door hen in den
Rijn was geworpen, dreef tegen den stroom op naar Bacharach,
waar het met groote plechtigheid werd ter aarde besteld. Het
wonder gaf natuurlijk aanleiding tot een heiligverklaring en
tot de stichting van een kapel.
Ook de in Romeinschen stn\'1 gebouwde Peterskerk, uit de
twaalfde eeuw, met haar prachtige booggewelven en koorgan-
gen, is zeer bezienswaardig.
Als een dreigende onweerswolk verheft zich boven Bacha-
rach de fiere burcht Stahleck, waarvan de overblijfselen zich diep
in het dal uitstrekken. Van 1620-1640 werd de sterke veste,
vroeger het residentie-slot der Paltsgraven, door de Franschen
acht malen belegerd en genomen, en eindelijk, in 1689 geheel
verwoest. Op de berghellingen in den omtrek wast een voor-
treffelijke wn\'nsoort, die onder den populairen naam van
„Stahlchen" zeer gunstig bekend is.
Ook het kasteel Pürstenberg, aan denzelfden oever hooger-
op gelegen, werd in 1689 door de Franschen, onder Mélac, in
puin gelegd, zoodat er thans weinig meer van overig is dan
een kolossale ronde toren met eenige bouwvallen. In 1243
kwam Fürstenberg aan de Palts en toen, ruim 50 jaren later,
koning Adolf daarlangs den Rijn afvoer om zich te Aken als
keizer te laten kronen, werd hij door de bezetting brutaalweg
aangehouden en gedwongen den gebruikeln\'ken tol te betalen.
Lodewn\'k de Beier veroverde het roofnest en schonk het aan
-ocr page 91-
81
zijne gemalin Margaretha van Holland. In 1847 kwam de in-
drukwekkende ruïne in het bezit van prinses Frederik der
Nederlanden.
Wy steken thans over naar lorch, het oude Laureacum der
Romeinen, een lievelingsplek voor de toeristen aan den Mid-
del-RiJn.
In de middeleeuwen strekte het stadje tot verblijfplaats aan
tal van adellijke heeren, die, naar een oude oorkonde vermeldt,
een leventje leidden als in het paradijs. Zy vormden aldaar
een streng afgesloten club en hielden er een eigen school op
na, waarin hunne zoons tot alle ridderlijke deugden opgekweekt
werden. Tal van statige burchthuizen, waaruit ons bij iedere
schrede de geest van het feodalisme tegenwaait, herinneren
thans nog aan de schoone dagen, die Lorch weleer beleefde.
Bijzonder merkwaardig is bovendien het Hilgenhaus, de
vroegere woning van den veldmaarschalk Hilgen von Lorch,
een wapenbroeder van Frans van Sickingen, die omstreeks het
midden der 16de eeuw manmoedig tegen de Turken en de
Franschen kampte. Het is een schoon gebouw van vijf verdiepin-
gen, in renaissance-stnl opgetrokken. Bovendien mag het kleine
Lorch bogen op een prachtig gothisch kerkgebouw, de St.-Mar-
tinus-kerk,
die in 1876 en volgende jaren geheel gerestaureerd
werd. Zij prijkt met het schoonste klokkenspel van den geheelen
Rheingau. Het inwendige der kerk, met zijn merkwaardig go-
thisch houtsnijwerk, zijn talrijke grafmonumenten van meestal
uitgestorven adellijke geslachten, is een bezoek overwaard.
Aan den voet van den burcht Nollich, die zich ver boven Lorch
verheft, is de uitmonding van de Wisper. Zeer interessant is een
tochtje door het met gnomen en kobolden overbevolkte
Wisper-dal, waaruit meestal een zeer scherpe en onaangename
wind blaast. Volgens de schippers is het met dien wind niet
pluis en heeft men hier eenvoudig te doen met een windspook
dat, uit plaaglust, onverwachts en met zooveel kracht in de
zeilen blaast, dat de masten er van kraken.
6
-ocr page 92-
82
Naar den Nollich voert een in de rotsen uitgahouwen trap,
de „duivels ladder" genaamd, waaraan de volgende legende
verbonden is: De vader van eenjonkvrouw van Nollich schonk
de hand zijner dochter aan een minnend jongeling, doch onder
uitdrukkelijk voorbehoud dat deze, als een bewijs van zijn
moed en van de kracht zijner liefde, te paard het gevaarlijke
pad zou oprijden Werkelijk onderwierp zich de minnaar met
goed gevolg aan deze halsbrekende proef en haalde op die
w;jzo zh\'n bruid.
Lorchsche grappenmakers veroorloven zich meermalen de
onschuldige scherts om goedgeloovige vreemdelingen naar het
Raadhuis te zenden, ten einde het zadel van den stoutmoedi-
gen ruiter te gaan bekijken. Het merkwaardige harnachements-
stuk is aldaar echter volstrekt niet aanwezig; men zn\'dus voor
deze locale aardigheid op zijn hoede.
Voorbij Lorch ontmoeten wij aan den tegenovergestelden
oever weder een geheele reeks van meestal geheel of gedeel-
telijk in puin gestorte kasteelen, echte roofnesten, die langen
tijd den geheelen omtrek en vooral den Rijnstroom zelfs onvei-
lig maakten. Men kan het dan ook den wakkeren keizer Rudolf
van Habsburg bijna vergeven, dat hij de adellijke roovers, die
al zijn pogingen om rust en voorspoed aan het land te schen-
ken, op hun sterke burchten bespotten, waar hij hen maar
machtig kon worden, zonder vorm van proces liet opknoopen.
Tot de zooeven beschreven categorie van burchten mag niet
gerekend worden het slot Heimtmrg, dat eerst uit de 14de en
15d° eeuw dateert, al moge ook oudtijds op diezelfde plek
een Romeinsch kasteel gestaan hebben. In 1689 trof den Heim-
burg het gewone lot van door de Franschen vernield te wor-
den. Voor enkele jaren herrees echter het statige gebouw, dat
thans aan een Dusseldorfsche dame toebehoort, als een phoenix
uit zijn asch.
Minder onschuldig is de hoogerop gelegen burcht Sooneck,
in 1015 door den aartsbisschop Willigis gesticht en een paar
-ocr page 93-
eeuwen later door keizer Rudolf op de hem eigen krachtige
wijze afgestraft. Na nogmaals opgebouwd en weder vernield
te zijn, onderging het kasteel in 1834 een volledige restauratie.
Sooneck behoort thans tot het particulier domein van den
Duitschen keizer.
Volgens de overlevering, door een van Duitschlands groot-
ste zangers in een romance vereeuwigd, was zekere heer van
Sooneck even lafhar-
tig als wreed. Den
graaf van Fiïrsten-
eck, een der beste
boogschutters aan
den Rijn, die door
verraad in zijn handen
was gevallen, liet hij
namelijk de beide
oogen uitsteken,
waarna hij zijn slacht-
offer nog op den koop
toe bespotte. De on-
gelukkige wistechter
pijl en boog machtig
te worden en schoot,
op het stemgeluid af
Sooneck.
mikkende, densnoe-
venden Soonecker midden door den mond, die daardoor voor-
goed gesloten werd.
De burcht ontleent zijn naam aan het Soonwald, een der rijk-
ste jachtstreken van Duitschland. In het dichte woud wemelt
het van groot en klein wild; zelfs wolven en everz wijnen zijn
er niet schaarsch.
Steeds hoogerop, aan den ingang van het bekoorlilke Mor-
genbachsthal, treffen wij alweder een adellijk roofnest aan,
den statigen Falkenburg, die in een tijdsverloop van enkele
-ocr page 94-
84
jaren tweemalen verwoest werd, eens door het bond der Rijn-
steden en vervolgens door Keizer Rudolf van Habsburg, toen
deze zijn bekenden grooten schoonmaak hield. "Wel werd het
kasteel door Lodewijk, keurvorst van de Palts, weder opge-
bouwd, doch in het beruchte jaar 1689 brachten de Franschen
het weder in zti\'n vorigen toestand terug. Generaal von Reh-
fuss, de tegenwoordige eigenaar, liet de ruïne weder gedeel-
telijk opknappen.
Na in het voorbijgaan een blik geworpen te hebben naar de
overzijde, waar aan den voet van den „Teufelskadrich" de geu-
rige Bodenthaler wast, bereiken
wij den Rheinstein, die, dunkt
ons, terecht het kleinood der
burchten aan den Rijn genoemd
wordt. Doch hoe bevallig de met
klimop bedekte ruïne ook tegen
de donkergrauwe rotsen mogen
uitkomen, zoo is zij toch slechts
het overblijfsel van een roofnest
van de ergste soort, een voort-
durende bedreiging voor den
stroom aan zijn voet, zoodat het
dan ook, evenals Falkenburg, door
het stedenverbond verwoest werd.
Bheinstein.
Aan de straffende hand van Rudolf
van Habsburg — zoo meldt de kroniek — wist de slimme heer
van Rheinstein te ontkomen, door nog tijdig de poorten voor
den keizer te openen. Sedert 1348 resideerden de Triersche keur-
vorsten dikwijls op den Rheinstein; later wordt de naam niet
meer genoemd. Prins Frederik van Pruisen, die in 1825 het
slot naar een nieuw plan liet restaureeren, ligt in de kapel
begraven. Een rijke verzameling wapens en antiquiteiten ver-
hoogt de aantrekkelijkheid van een bezoek aan deze roman-
tische plek.
-ocr page 95-
85
In de nabijheid staat de Clemens-kapel een gebouwtje in ro-
maanschen stijl, waarvan de oorsprong niet met zekerheid is
na te gaan. Veel pleit echter voor de meening, dat zij opge-
richt is door de familiën der roofridders, die door keizer Ru-
dolf van kant gemaakt waren.
De oever aan onze linkerhand biedt, van Lorch af, voor het
oog weinig meer dan een aaneenschakeling van steile met
dennenloof gekroonde rotsen, wier hellingen met wijnranken
beplant zijn. Zoo naderen wij het tegenover den Rheinstein
gelegen statige Assmanshausen, den sleutel tot het verrukke-
lijk schoone Niederwald, het land van belofte voor zoo menigen
bezoeker van den Middel-Rijn.
-ocr page 96-
HOOFDSTUK VIL
Assmanshausen. — Het Niederwald. — Het Jachtslot. — DeRossel. — Het
Nationaldenkmal. — Bingerloch. — Ehrenfels. — De Muuentoren. —
Bingen. — De Rochus-kapel. — Het Nahe-dal — Bingerbrück. —
Kreuznach. — Münster-am*Stein. — Rheingrafenstein. — De Gans. —
De Ebernburg. — De Lemberg. — Bökelheim. — DUibodenberg. —
Monzingen. — Kim. — Dhaun. — Oberstein. — De ldaibaoh en
Idar. — Neukirchen.
Na ons vaartuig aan den wal vastgemeerd te hebben, ver-
toeven wij te Assmansliausen niet langer dan noodig is
om behoorlijk kennis te maken met den vurigen rooden
wijn, die in de nabijheid van het plaatsje gewonnen wordt,
een uitstekend gewas, dat als Bourgonjer in het glas fonkelt.
Verfrischt en gesterkt, aanvaarden wh\' thans den tocht naar
het Niederwald, een met wouden bedekte hoogte, aan
wier zuidelijke hellingen de edelste wh\'nsoorten groeien.
Aan den voet van het Niederwald maakt de stroom eens-
klaps een scherpen bocht naar het oosten en eindigt tegelijk
het engere Kyndal, dat bij het Zevengebergte een aanvang
heeft genomen.
Van Assmanshausen voert de tandradbaan bergopwaarts. Wij
laten echter dit vervoermiddel aan vermoeide of gemakzieke
reizigers over en geven de voorkeur aan een overheerlijke
wandeling langs het bekoorlijke en niet al te steile bergpad,
waarop wij van tijd tot tijd blijven stilstaan, om een blik
achter ons te werpen op den stroom en het aan de overzijde
i
-ocr page 97-
87
zoo romanesk gelegen slot Rheinstein. Zoo bereiken wij, on-
gemerkt, het Jachtslot, waar men zeker kan zijn, des zo-
mers bij mooi weer, een bont gewemel van vroolijke en
levenslustige bezoekers en bezoeksters aan te treffen. Dit is
echter nog niets, vergeleken bij de drukte en het gewoel,
die hier met Pinksteren plegen te heerschen, wanneer, naar
oud Rijnsch gebruik, duizenden en duizenden uit alle oorden
van Duitschland op deze geliefkoosde plek bijeenkomen. Met
loof bekransd, beweegt zich reeds den avond voor Pinksteren
de feestelijk gestemde menigte, mannen, vrouwen en kinderen,
onder de tonen van een niet altijd even onberispelijke mu-
ziek door het bosch, om, wanneer de nacht niet te koud is,
er te bivakeeren en den anderen morgen de zon in al hare
majesteit over een der schoonste oorden van onze aarde te
zien opgaan.
Van het Jachtslot voert een prachtige weg, midden door
eiken- en beukenboschjes, ons in weinige minuten naar de
zoogenaamde Toovergrot, een lange donkere gang, aan het
einde waarvan drie vensteropeningen ons eensklaps de verras-
sendste vergezichten voor oogen tooveren. Kunst en natuur
hebben hier samengewerkt om een der verrukkelijkste diora-
ma\'s te leveren, die men zich denken kan.
Een eindweegs verder ontmoeten wij een curiositeit, die
men hier in het land der ruïnes bij uitnemendheid niet
erg gemist zou hebben, namelijk een klomp bijeengegaarde
steenen, een vervallen burchttoren moetende voorstellen. Des
Guten kann man auch suviel haben !
Dit neemt echter niet
weg, dat men van dezen geïmproviseerden toren, in de wan-
deling de Hossel genaamd, een bijzonder schoon vergezicht
heeft, hetgeen dan ook wel tot de oprichting ervan aanleiding
zal gegeven hebben. De blik omvat hier toch niet minder
dan 160 buurtschappen, terwijl aan den verren gezichteinder het
Soonwald en de Hunsrück, de Donnersberg alsmede de hoogten
van het Nahe- en het Saar-dal het prachtige panorama begrenzen.
-ocr page 98-
88
Nog een korte wandeling langs den zoom van het woud,
waarbij het allerminst aan schoone gezichtspunten ontbreekt,
en w|j bevinden ons aan den voet van het Nationaldenkmal,
dat, ter gedachtenis aan den luisterrijken krijg van 1870/71,
naar het ontwerp van prof. Johannes Schilling te Dresden
opgericht werd. Het grootsche monument, dat zich 225 M. bo-
ven den waterspiegel van den Rijn verheft en uren ver
zichtbaar is, werd den 288t«" September 1883, in tegenwoordig-
heid van keizer Wilhelm, de meeste Duitsche Rijksvorsten en
tal van oud-strijders, met groote plechtigheid onthuld. Het
kolossale voetstuk, een arbeid van den architect Karl Weissbach
te Dresden, heeft een hoogte van 25 M., het beeld zelf, Ger-
mania voorstellende, met de keizerskroon en het gelauwerde
zwaard, als emblemata van de eenheid en de kracht van
het Rijk, is 10,5 M. hoog.
Merkwaardig vooral is, wat het voetstuk betreft, het hoofd-
relief aan de voorzijde, dat den grooten keizer, omstuwd van
zijn generaals en van strijders uit alle oorden van Duitschland,
te zamen omstreeks tweehonderd levensgroote figuren, meest
alle welgelijkende portretten, te aanschouwen geeft. Aan de
beide zijkanten zijn eveneens meesterlijk: uitgevoerde reliëfs
aangebracht, waarvan het motief zeer gelukkig gekozen is.
Zü geven namelijk een allegorische voorstelling van des krij-
gers afscheid en tehuiskomst.
Verder weet men werkelijk niet wat meer te bewonderen,
de majestueuze en toch zoo bevallige hoofdfiguur met haar
edel gelaat en golvende lokken of de bronzen groepen, die
het voetstuk versieren. Een daarvan stelt den Rijn voor.
die de westelijke grenswacht aan de Moezel overdraagt; ook
de allegorische figuren van den Oorlog, die, het vlammende
zwaard in de vuist voerende, de krügstrompet steekt, en van
de liefelijke Vredesgodin, met den olijftak en den hoorn van
overvloed, zijn indrukwekkend schoon.
Het geheel is een treffende verpersoonlijking van de „ Wacht
-ocr page 99-
m
i- _. —,^,
,\'t3
Niitiorialilelikm.il.
-ocr page 100-
90
am Rheiri\', het beroemde lied, waarvan de tekst voluit op het
voetstuk gegriffeld staat. Zes jaren lang is door de grootste
kunstenaars aan dit grootsche monument, dat ruim 7J- ton
gouds gekost heeft, gearbeid. Van het vooruitspringende terras
heeft men weder een verrukkelijk vergezicht over den gehee-
len Rheingau, met het Taunus-gebergte, den Melibocus en den
Donnersberg aan den schemerachtigen horizont.
Niet zonder eenige moeite bieden wij weerstand aan de ver-
zoeking om reeds nu den fonkelenden, gulden Rüdesheimer
op de plaats zelf te gaan proeven, een verleiding des te sterkerr
nu de tandrad-spoortrein zoo uitnoodigend gereed staat om
ons binnen weinige minuten naar dit wijn-paradijsje af te
voeren, en het is nog geheel onder den indruk van al wat
het Niederwald ons te bewonderen heeft gegeven, dat wij ons
te Assmanshausen weder inschepen om langs den bekoorlij-
ken Rijn nieuwe schoonheden te gaan genieten. Wij passeeren
daarbij gelukkig de kolken van het bekende Binger-loch,
waar vroeger tusschen de dicht opeengepakte, hooge rotsmas-
sa\'s een geweldige stroom liep. Reeds de Romeinen hebben hier
aan het verwijden der bedding gewerkt, hetgeen bij de ge-
brekkige hulpmiddelen van die dagen met recht een reuzen-
arbeid mocht heeten. In de jaren 1830—1832 werden van re-
geeringswege, voor het laatst een aantal rotsblokken door mid-
del van dynamiet uit den weg geruimd, zoodat de vaart
door het Binger-loch enkel voor groote houtvlotten onder
zekere omstandigheden nog gevaar kan opleveren.
Met een zeer verklaarbaar welgevallen rust ons oog nog eens
op de zuidelijke helling van het Niederwald, waar de kostbare
druif wast, die volgens de traditie aldaar het eerst doorKarel
den Groote werd geplant. Dezo beroemde vorst, die tevens
een uitstekend wijnproever was, zou namelijk van uit zijn
burcht Ingelheim hebben opgemerkt, dat in het voorjaar op
die hoogte de sneeuw altijd het eerst wegsmolt. Hij liet toen
druivenranken uit Hongarije komen en beplantte daarmede
-ocr page 101-
91
de warme plek. Halverwegen den berg merken w\\i de erg
verweerde ruïne van het kasteel Ehrenfels op, waarvan
niet veel meer te vertellen valt dan dat het in de 15de eeuw
meermalen door de bisschoppen van Mainz bewoond werd.
Dat ook deze burcht, anno zooveel, door de Franschen verwoest
werd, spreekt haast vanzelf.
Wü varen thans langs den Muizentoren, die zich midden in
den Rgn op een rotsbank verheft, en waaraan de legendeden
naam van den Mainzer bisschop Hatto op zulk een afschuwe-
Muiztmtoren.
ln\'ke wijze verbonden heeft. Bh\' gelegenheid van een hongers-
nood zou de bisschop een aantal arme lieden, die hem om
brood kwamen vragen, in een schuur opgesloten en met
dat gebouw zelf verbrand hebben. Toen nu de angstkreten
der ongelukkigen weergalmden, riep de onbarmhartige man
lachend uit: „Hoor, hoe de muizen in de tarwe piepen!" Van
dat oogenblik af werd Hatto echter door myriaden muizen
vervolgd, en zelfs in den toren, waarheen hü ten einde raad
gevlucht was, kon h\\j geen schuilplaats tegen het ongedierte
vinden, dat in breede scharen den Rijnstroom kwam over-
zwemmen en hem ten slotte levend oppeuzelde. Er bestaat
-ocr page 102-
92
echter zeer veel grond voor de meening, dat wh\' hier te doen
hebben met een toepassing van het bekende: „Calomniez
toujours", al was de spreuk zelf in die dagen nog niet uitge-
vonden. Volgens de kronieken toch had de bisschop zeer veel
vijanden onder de monniken, die hij meer dan eens op de
vingers tikte. Hoe dit echter ook zij, blijkens de ligging is de
toren hoogstwaarschijnlijk met geen ander doel opgericht, dan
om den Rijn, ter wille van de tolheffing, op dat punt te kun-
nen afsluiten. Bovendien hebben de geleerden uitgemaakt, dat
het gebouw eigenlijk Mauththurm, d. w. z. Tol-toren heet, of,
naar de stukkon, die er op geplaatst waren, Muserie, zoodat
de tegenwoordige naam enkel het gevolg van een klankver-
warring is. Ditmaal zün wy den heeren dankbaar, dat zü, door
hun schrille licht over een allernaargeestigst sprookje te wer-
pen, de reputatie hersteld hebben van een man, wien men
tijdens znn leven niets kwaads ten laste heeft kunnen leggen.
Na Coblenz is Bingen het eerste stadje van eenige beteeke-
nis, dat wn\' op onzen tocht mogen ontmoeten, dank zü den
talrijken roofburchten, die handel en nijverheid aan den Rijn
jarenlang op de gruwelijkste wijze belemmerden. Het telt thans
ruim 7000 inwoners en drijft een aanzienlijken wijnhandel. De
Romeinen kenden het plaatsje reeds en bouwden hier, aan het
kruispunt van hunne heirwegen naar Trier en Keulen, een
versterkt kasteel. In de middeleeuwen was Bingen een vrije
rh\'ksstad en een der oudste leden van het Rijnsche steden-
bond. Gedurende den 30-jarigen oorlog werd het echter her-
haalde malen veroverd en eindelijk in 1689 door de Franschen
verwoest. Hetzelfde lot trof den burcht Klopp, die zich boven
het stadje verheft en waaraan een belangrijke historische her-
innering verbonden is. Hier werd namelijk in den Kerstnacht
van het jaar 1105 koizer Hendrik IV door znn trouweloozen
zoon, later Hendrik V, gevangengenomen en van daar naar het
slot Waldböckelheim overgevoerd. De ongelukkige vader, dien
men te Klopp de keizerlijke insignes van het lijf gereten en
-ocr page 103-
93
later op Ingelheim gedwongen had zijn troonsafstand te on-
derteekenen, stierf niet lang daarna van verdriet.
Het beste middel om de onaangename herinnering aan deze
sombere episode uit de geschiedenis van een lang verleden
te verdrijven, is wel een bezoek aan de Rochus-kapel, van
waar men tevens een prachtig panorama, dat den geheelen
Rheingau omvat, genieten kan. Deze merkwaardige kapel
werd in het midden der 17de eeuw gesticht, in 1795 door
de Franschen verwoest en in 1814 gerestaureerd. Zij is nog
thans het middelpunt voor het Rochus-feest, dat den Zondag
na den 16den Augustus, den dag der herstelling van de kapel,
door duizenden uit den omtrek, ter eere van Rochus, den
schutspatroon der druiven, op de allervroolijkste wijze gevierd
wordt. Het feest draagt ontegenzeggelijk een echt kerkelijk
karakter, want in lange scharen komen de bedevaartsgangers,
gewijde liederen zingende, van alle zijden opdagen, hetgeen
echter niet belet dat door de dartelende menigte, tot laat in
den nacht, ontzaglijk veel gedronken en pret gemaakt wordt.
Bn\' Bingen ontvangt de Rijn in zijn schoot het water van
de Nahe, langs wier oevers de edele Scharlachberger, de Lau-
benheimer, de Ebernburger, de Rosenheimer en zoovele andere
uitstekende wijnsoorten wassen. Daarenboven heeft het Nahe-
dal
ook dit met het gedeelte van den Rijn, waarop w\\j ons
thans bevinden, gemeen, dat het overrijk is aan burcht-ruïnes,
die een treffende getuigenis afleggen van de broosheid van al
het ondermaansche. Van Bingerbruck uit, dat door middel
van een brug over de Nahe met Bingen verbonden is, het Nahe-
dal ingaande, bereiken w\\j weldra de stad Kreuznach, het
oude Cruciniacum der Romeinen, thans een bloeiende badplaats,
die jaarlijks gemiddeld door 6,000 kurgasten bezocht wordt.
De sool-baden, wier heilzame werking, vooral b;j scrofuleuze
ziekten, zeer geroemd wordt, bevinden zich bijna uitsluitend
op een eilandje, Bade-Insel geheeten, dat midden uit de
Nahe oprijst, en door een antieke, hoogst schilderachtige brug
-ocr page 104-
94
met de oude en de nieuwe stad aan de beide oevers verbon-
den is. Zoo ontspringt ook de beroemde, jodium- en bromium-
houdende Elisabeth-bron uit een porfyrrots van het eiland,
waarop ook het Kurhaus, dat van 1840 dateert, en het eerst in
1872 opgerichte Badhuis gebouwd zn\'n.
Ook Kreuznach heeft moeilijke tyden te doorworstelen ge-
had. Na reeds in den Dertigjarigen Oorlog veel geleden te
hebben, werd de stad in 1689 door de Franschen vreeselflk
mishandeld. Zü verwoestten er kerken en paleizen en verniel-
den verscheidene burchten in den omtrek, zooals den Rih\'n-
grafenstein, de verblijfplaats der bekende Wild- en Rüngra-
ven, de Altenbaumburcht, den Moschellandsberg, den Guten-
berg, Böckelheim, Fustenburg, Goldenfels, Sobernheim, Dhaum,
Kisburg, Steinkattenfels, Wartenstein, en Sponheim, Te midden
-ocr page 105-
95
der overblijfselen van laatstgenoemden burcht herinnert een
in steen gehouwen leeuw aan de moedige daad van den slager
Michel Mort, die in den slag van Sprendlingen zijn heer, den
graaf van Sponheim, het leven redde en bij die gelegenheid
zelf den dood vond.
In het belang der lijdende menschheid - men verdenke
ons hier niet van zucht tot reclame — maken wij melding
van het ongeveer drie kwartier hoogerop gelegen Münster-
am-Stein,
een allerliefst gelegen plaatsje, waar men zich,
tegen lager tarief dan te Kreuznach, naar hartelust aan chloor-
natrium —, kalcium —, magnesia —, jodium —, bromium —,
en wat niet al meer houdende bronwateren kan te goed
doen.
Vlak tegenover Munster, aan den rechteroever der Nahe, ver-
heft zich, 132 M. boven den stroom, de Rheingrafenstein,
een steil oprijzende porfyr-rots, die door de ruïne van het
kasteel van dien naam, eenmaal het verblijf der machtige
Rijngraven, gekroond wordt. Ook deze stoute burcht, die met
bewonderenswaardige koenheid als een reusachtig arendsnest
tegen den rots gebouwd is, werd in 1689 door de Franschen
verwoest. Aan de vroolijke drinkgelagen, die in den goeden
ouden tijd op Rheingrafenstein gehouden werden, herinnert
de legende van Boos van Waldeck, die ten gevolge van een
weddenschap met den Eungraaf, zijn gastheer, een ruiterslaars
vol wijn in éénen adem leegdronk, met welk meesterstuk hij
het dorp Hüffelsheim verdiende.
Van den Gans, een nog hoogeren porfyr-rots, geniet men
•een prachtig vergezicht over het Nahe-dal tot Bingen en over
een gedeelte van den Rheingau.
Een zeer gezocht punt voor de toeristen door het Nahe-dal
is natuurlijk de Ebernburg, de burcht van Frans von Sickingen,
eenmaal het palladium der geloofs-en gewetensvrijheid, waar
mannen als Ulrich von Hutten, Melanchton enz, een gastvrije
ontvangst genoten. Na den dood van Sickingen werd de Ebern-
-ocr page 106-
9fi
burg door de verbondene vorsten van Hessen, van de Palts
en van Trier bezet. In 1598 werd het slot, dat door de Fran-
schen in het verwoestingsjaar 1689 niet vernield maar integen-
deel duchtig versterkt was, volgens de bepalingen van den
vrede van Kn\'swn\'k ontmanteld. Tot 1750 bleef de ruïne het
eigendom der Sickingen, wier laatste afstammeling, omtrent
50 jaren geleden, in het Sauerthal, bh\' Lorch, van honger en
gebrek stierf. Volgens de overlevering heeft het kasteel zijn
naam te danken aan een krygslist van een der edele burcht-
heeren. Toen het namelijk eens door een machtig leger inge-
sloten werd en de honger de benauwde veste tot overgave
begon te dwingen, werd een groot everzwijn, de laatste hoop
en toeverlaat der bezetting, met groot vertoon, in het gezicht
van den vijand, neergeworpen als om geslacht te worden. Tot
de daad kwam het echter niet; het beest werd stilletjes weer
op stal gebracht, om nog ettelijke malen daarna voor dezelfde
schünvertooning gebezigd te worden. De vijand liet zich door
dien „truc" ten slotte vangen en trok onverrichter zake af. In
de onmiddellijke nabijheid der ruïne verrast thans een hotel in
antieken bouwstijl, dat tegelijk dienst doet als museum van
oudheden, uitsluitend betrekking hebbende op den Ebernburg.
Steeds voert onze weg door een hoogst fantastische streek,
waar de roodgekleurde rotsen in de grilligste gestalten elkan-
der bijna onafgebroken opvolgen. In de spleten vandenlem-
berg, een indrukwekkende rotsmassa, leefde eens de beruchte
rooverhoofdman Schinderhannes, wiens naam in den volks-
mond nog steeds blijft voortleven, terwh\'1 een eindweegs verder
de ruïnen van het slot Böckelheim, waar de ongelukkige
keizer Hendrik IV (zie blz. 94) zulke treurige dagen sleet, ons
aan het vergankelijke van alle aardsche grootheid herinneren.
Zeer merkwaardig zijn de overblijfselen van het eens zoo
beroemde klooster Disibodenberg, in 590 door den Ierschen
bisschop Disibod, die in deze streken het christendom kwam
verkondigen, gesticht. Tallooze malen werd het klooster in
-ocr page 107-
97
de asch gelegd en moesten de vrome bewoners, van have en
goed beroofd, naar elders de vlucht nemen, zoodat van de
pracht en grootheid van weleer dan ook niet veel meer dan
een steenhoop bewaard is gebleven.
Voorbij Monzingen, dat een der beste Nahe-wijnen produ-
ceert, nemen de woestere oorden van het Bovendal een aanvang.
De rotsen dringen zich dichter aan den oever samen en van
wijnbergen ontdekt men geen spoor meer. Zoo bereiken w|j het
nijvere dorpje Kim, vroeger de residentie der vorsten uit de
linie Salm-Kirburg, wier laatste afstammeling in 1794 te Pa-
rijs onder de guillotine het leven liet. Het stamslot, waarvan
de ruïnes zich nog boven het plaatsje verheffen, werd ge-
bruikeiykerwijs door de Franschen vernield.
Van meer belang nog is de indrukwekkende ruïne van het
trotsche slot Dhaun, ook vroeger een residentie der Wild- en
Eyngraven, dat echter ten gevolge van het strijdlustig karakter
z\\jner heeren menigmaal duchtig te lijden had. In 1729 werd
het door den Ru\'ngraaf Karel op grootsche schaal gerestaureerd,
doch het geraakte al spoedig weder in een erbarmelijken toe-
stand, totdat het in \'t begin dezer eeuw door de Fransche
regeering voor afbraak verkocht werd. Gelukkig kwam de
ruïne echter in goede handen, zoodat zn\' voor den sloopers-
hamer gespaard bleef. Volgens de overlevering heerschte eens
op den burcht groote consternatie, daar een Rijngraaf in spe,
die pas enkele maanden geleden het levenslicht aanschouwd
had, spoorloos was verdwenen. Na lang zoeken vond men den
jeugdigen spruit in het woud behouden terug, en wel in de
armen van een reusachtigen aap, die den kleine uit het slot
weggekaapt had. Een basrelief in de voormalige ridderzaal,
een aap voorstellende, die een kind met een appel voedt, her-
innert aan deze curieuze roofgeschiedenis.
Het ligt ver buiten ons bestek om een getrouw relaas te
leveren van al het merkwaardige, dat aan de talrijke burchten
in deze zoo bij uitnemendheid romantische streek verbonden
7
-ocr page 108-
os
is. Wü zetten daarom onzen tocht voort te midden van in-
drukwekkende rotspartn\'en, die steeds hooger en hooger wor-
den, totdat wn\' eindelijk Oberstein, met recht het glanspunt
van het Nahe-dal genoemd, bereiken. Als een bewijs van het-
geen menscheln\'ke energie vermag, verdient echter eerst met
een enkel woord de aandacht gevestigd op den aanleg van de
spoorln\'n Bingerbrück- Saarbrücken, waarvoor boven Sulzbach,
over een afstand van enkele kilometers, 20 bruggen over de
Nahe en 10 tunnels door de rotswanden vereischt werden.
Verrukkelijk schoon is de aanblik van Oberstein, en de woeste
romantische natuur, die hef. omringt. Boven de donkere rots-
gevaarten, waardoor het plaatsje a!s het ware ingekluisterd
wordt, verijzen de ruïnes van de beide burchten der heeren van
Oberstein, wier laatste afstammeling reeds meer dan twee
eeuwen geleden zijn tol aan de natuur betaalde. Merkwaardig
is vooral de ligging van het kerkje der evangelische gemeente,
dat op een aanzienlijke hoogte tusscbon gedeeltelijk uitge-
houwen rotsen ingebouwd ligt. Volgens de traditie is het kerkje
door een der heeren van Oberstein, die in een aanval van drift op
die plek zijn jongeren broeder van de rotsen geslingerd had,
b\\j wn\'ze van boetedoening gebouwd. Omtrent de aanleiding
tot deze bloedige daad loopen de lezingen zeer uiteen. Som-
mige schrijvers meenen dat hier minnenijd in het spel is ge-
weest, anderen daarentegen beweren, dat een plagerij oorzaak
was van den dood des jongeren broeders. Deze, Emich ge-
heeten, zou namelijk Weyrich, die een geweldige afkeer van
katten had, een mannelijk exemplaar van deze diersoort in den
stevel gestopt hebben, waarop Weyrich zich zoodanig door-
gramschap liet vervoeren, dat bij den sarrenden Emich in den
afgrond wierp. Hoe dit echter ook zij, allen komen hierin over-
een, dat. het gruwelfeit werkelijk gepleegd is, en eveneens dat
het bouwen der kerk aan den misdadiger, te Rome, als boete
werd opgelegd.
Het plaatsje zelf heeft ruim 5000 inwoners en geniet een
-ocr page 109-
99
zekere mate van welvaart door de agaat industrie. Met het
graven dier steen uit de rotsen in den omtrek houdt men zich
echter niet meer bezig, sedert de grondstof uit Montevideo en
Brazilië tot veel lagere prijzen en in grootere stukken geïmpor-
teerd wordt. Het slijpen der steenen geeft echter nog aan vele
handen werk en door het dal van den Idarbach, die bn\' Ober-
stein in de Nahe valt, liggen meer dan 50 slijpmolens verspreid.
Te Idar zelf, waar de geslepen steenen tegen officieel vastge-
stelde prijzen verhandeld worden, evenals te Oberstein, houden
ruim 100 zoogenaamde goudsmeden zich met het incrusteeren
der afgewerkte agaten bezig. Door een nieuw procédé is men
er in geslaagd kleurstoffen in de agaat te brengen, waardoor
de onaanzienlijkste steenen het uiterlijk voorkomen van car-
neolen, onyxen, sardonyxen en meer dergelijke edeler steen-
soorten aannemen.
Altu\'d hooger stijgen de rotsen, en steeds verhevener maar
tevens ook somberder wordt de natuur. Een gevoel van heim-
wee maakt zich ten slotte van ons meester en wij zetten
daarom onzen tocht stroomopwaarts niet verder voort dan
tot Neukirchen, van waar men het uitzicht heeft op het
gansche kolendistrict van Saarbrücken en op de Spicherer-hoog-
ten, die in den Fransch-Duitschen oorlog zulk een bloedige
vermaardheid hebben verkregen.
-ocr page 110-
HOOFDSTUK VIII.
De Rheingau. — Rüdesheim.\'— De Brömserburg. — De Boosenburg. —
Geisenheim. — Johannesberg. — Ingelheim. — Hattenbeim. — Eber-
bach. — De Steinberg. — Marcobrnnnen. — Erbach. — Keinbardshau-
sen. — Eltville. — Kederich. — De Scharfenstein. — Bauenthal. —
Scblangenbad. — Schwalbach. — Wiesbaden. — Sonnenberg. — De
Neroberg. — De Grieksche kapel. — De Platte. — Nieder-Wallruff.—
Schierstein. — Biebrich.
Recht aangenaam is het ons te moede, nu wij, van onzen
tocht langs de schilderachtige rotspartijen, waaraan hetNahe-
dal zoo ry\'k is, teruggekeerd, weer den voet zetten temidden
der gastvrije, recht „gemüthliche" bevolking van Bingen, die
zoo gaarne het zoogenaamde „Bingener Bleistift," d. w. z.
den kurkentrekker, hanteert en daarbij Kobell\'s volkslied laat
weerklinken:
Be heerlijkste streek aan heel den Rijn, dat is de streek van Binge,
Baar groeit de allerbeste wijn, de Scharlach groeit bij Binge!
Be knapste stuurlui, die men vindt, dat zijn de schippers van Binge,
En ziet men te Mainz een lief, mooi kind — waar komt zij vandaan ?
Van Binge!
Geen wonder dat de Bingenaar het leven vrooln\'k inziet,
waar hij toch altijd aan de overzijde van den stroom den heer-
lijken Rheingau voor oogen heeft, die aan den voet van het
pas door ons bezochte Niederwald kan geacht worden een aan-
vang te nemen en zich tot Eltville uitstrekt. Door het gebergte
-ocr page 111-
101
tegen de gure, hoogere winden beschut, in gloed gezet door
den brandenden kus van de middagzon, door den lei-enkalk-
bodem, die eens een meerbekken vormde, gevoed, rijen zich
de wyngaarden in schilderachtige afwisseling tusschen bergen
en dalen, burchten en kerken, steden en dorpen, langs den
Rijnoever aaneen. Hier begint de ru"k gezegende pronktuin der
schepping en klinkt den beminnaars van het edele druivensap
het heerlijkst „Welkom!" tegemoet.
Volgens waarnemingen, die sedert twee eeuwen gedaan
zijn, komen er in de Rheingau in elk tijdperk van 20 jaren
gemiddeld 11 geringe wijnoogsten voor, hetgeen dan niet alleen
voor de kleine, maar ook voor de groote verbouwers jaren van
druk en zorg zijn. Een goede oogst levert meer dan 7imillioen
flesschen op, meerendeels van voortreffelijke hoedanigheid.
Voor slechten of ontaarden wijn heeft men slechts woorden
van spot en afkeuring, die dikwijls van veel humor getuigen.
Zoo heet een zekere geringe soort in de Rheingau „Driemans-
wijn", omdat, naar men wil, twee man noodig zijn om den drinker
vast te houden en een derde om hem het lekkere vocht in de
keel te gieten. Een broertje van den Driemanswijn is de „Kou-
sen-wijn", aldus genoemd, omdat h\\j zoo zuur is, dat volgens
de verzekering van de Rheingauers de grootste gaten in de
kousen bij zijne nadering vanzelf samentrekken en toegaan.
Overigens geeft de dichter een, naar men zegt, probaat middel
aan de hand om bij de nadering van eene plaats reeds te we-
ten welke wn\'nsoort men daar zal aantreffen. Klinkt u name-
lijk uit den klokketoren een plechtig geluid tegen: „Bonum
vinum! - Vinum bonum!" dan groeit daar ook een heerlijke
druif. Waar daarentegen de wijn van minder allooi is, tjinge-
len de klokken schroomvallig: Aeppelpappel! Aeppelpftppel!\'
Wij verlaten thans het liefelijke Bingen en vervolgen onzen
tocht Rijn-opwaarts, waar wö het eerst aan den rijk gezegenden
oever aan onze linkerhand het welbekende Rüdesheim aantref-
fen. Van alle wijnen uit den Rheingau toch heeft de Rüdes-
-ocr page 112-
10-2
heimer, al moge h\\] in aroma en bouquet door zeer enkelen van
zijn broeders overtroffen worden, ongetwijfeld de oudste brie-
ven. Tot de merkwaardigheden van Rüdesheim, dat natuurlijk
geheel in den wijnbouw en alles, wat daarmede betrekking
heeft, opgaat, behoort de zoogenaamde Bröniserburg, die echter
met de Brömsers niets te
maken heeft en het stamslot
der ridders van Rüdesheim
is. In 1282 werden genoemde
ridders wegens hunne roof-
zuchtige neigingen leenplich-
tig aan de aartsbisschoppen
van Mainz, die later meer-
malen op het kasteel resi-
deerden. Een gravin van In-
gelheim, aan wier geslacht de
Brömserburg in 1812 ten deel viel, had de origineele gedachte
om den ouden, melancholischen steenklomp inwendig zeer fraai
en bevallig in te richten. Van den voormaligen burcht der
Brömsers, den echten namelijk, heeft slechts een stomp van
den toren de eeuwen getrotseerd, terwijl het latere woonver-
blijf van dit eens zoo machtige geslacht, een massief gebouw
met een spitsen toren, dat uit het begin der XVIia» eeuw da-
teert, tegenwoordig voor armhuis en kinderbewaarplaats is in-
gericht. De Boosenburg, waar eenmaal ook de „ehrentfeste"
graaf Boos resideerde, wiens kunstvaardigheid in het drinken
wij op Rheingrafenstein bewonderden, heeft thans de eigen-
aardige bestemming van wijnpakhuis verkregen.
Langs Geisenheim, dat om zijn geurigen, zachton wijn een
eervolle vermelding verdient, en welks gothische kerk, met
hare beide hooge torens, de reiziger, die eenige wijnkennis
bezit, uit de afbeelding op de etiquetten ongetwijfeld direct
zal herkennen, bereiken wn\' thans den Johannesberg, met
recht de kroon van den Rheingau genoemd.
-ocr page 113-
103
Verrukkelijk schoon is het panorama, dat men van hier
geniet over den stroom met zn\'n weelderig groene oevers,
de toppen van het Eifel-gebergte en Mainz met den Donners-
berg in het blauwe verschiet. Aartsbisschop Ruthard bouwde
op deze gezegende plek, waar de goddelijke Johannesberger
druif wast, een klooster, dat na vele lotswisselingen ten slotte
door de Zweden in puin gelegd werd. Van het lustige leventje,
Johannesberg.
dat de monniken in dit wün-klooster leidden, weet de legende
het volgende staaltje te verhalen: Eens kwam de abt van Fnlda
op eene inspectie-reis onverwachts den Johannisberg met een
bezoek vereeren. By die gelegenheid nu bleek geen der mon-
niken zijn brevier by de hand te hebben. Toen men zich ech-
ter later aan tafel zette en de wakkere abt vroeg of ook
iemand oen kurkentrekker by de hand had, kwam als met een too-
verslag van onder iedere py een pracht-exemplaar tevoorschijn !
-ocr page 114-
104
Op de puinhoopen van het klooster bouwde Adelbert van
Walderdorf, vorst-abt van Fulda, een slot, dat, na de seculari-
satie der abdij in 1803, aan prins Willem van Oranje, latei-
koning Willem I, overging. Een paar jaren later gaf Napoleon
den Johannesberg aan z^\'n maarschalk Kellerman ten ge-
schenke, die in het beroemde wn\'njaar 1811 den geheelennog
te veld staanden oogst aan den Keulschen wn\'nkooper Mumm
tegen den civielen prijs van ƒ32,000 verkocht. Deze oogstte
er 65 groote vaten, die minstens 11,000 gulden het stuk op-
brachten.
Hoe later de inzameling der druiven geschiedt, des te be-
ter is het gewas, hetgeen men toevallig ontdekte toen de
abt van Fulda, bn\' zekere gelegenheid, het verlof tot de inza-
meling pas veel later dan gewoonlijk had gegeven.
De Keizer van Oostenrijk beleende in 1816 vorst Clemens van
Metternich met deze schoone possessie, die ongeveer 60 mor-
gen van het onvergelijkelijk schoone wn\'nland, benevens 1000
morgens bosch- en weiland omvat, en behield zich als leenhulde
de tienden van den beroemden wijn voor. In goede jaren levert
de oogst daarvan nagenoeg een ton gouds op. Later kwam
het goed aan vorst Richard van Metternich, den vroegeren
Oostenrykschen gezant te Parijs.
Het inwendige van het slot is niet voor het publiek toegan-
kelijk, doch levert trouwens niets bijzonders op. In de aan-
grenzende kapel bevindt zich het praalgraf van den in 1836
overledenen geschiedschrijver Niklas Vogt, wiens hart, op
uitdrukkelijk verlangen van den overledene zelf, in den kwarts-
rots van den Rijn, bn\' Bingen, in een zilveren doos is bij-
gezet.
Wy werpen thans een blik op de overzijde, naar de dorpjes
Oben- en Nieder-Ingelheim, waar eenmaal het op 100 marmeren
zuilen rustende paleis van Karel den Groote, het trotsche
Ingelheim, stond. Van dit prachtige bouwwerk, dat in de jaren
768-784 voltooid werd, en waarvoor Paus Hadrianus I de
-ocr page 115-
105
mozaïeken en het marmer overzond, is thans nagenoeg geen
spoor meer overgebleven. In 1270 werd het slot een prooi der
vlammen, doch in 1354 bouwde Karel IV het weder op. Op
Ingelheim werden groote rijks- en kerkvergaderingen gehou-
den, o. a. in 789, toen aldaar aan Tassilo van Beieren, nadat
eerst het doodvonnis over hem was uitgesproken, gratie werd
verleend, terwijl in 1105 de bisschoppen van Mainz, van Keulen
en van Worms er vergaderden en den ongelukkigen Hendrik IV
de teekenen zijner keizerlijke waardigheid van het lyf rukten.
Op Ingelheim speelt ook de bekende liefdesgeschiedenis van
de schoone keizersdochter Emma en dengeheimschrijverEgin-
hard. Keeds vader Cats verhaalt in zn\'n eigenaardigen trant, hoe
de bekoorlijke Emma den geliefde, toen deze haar bezocht had,
tot buiten de slotpoort droeg, opdat de versch gevallen sneeuw
zijn voetsporen op de binnenplaats niet zou verraden.
Hier wijdde zich de groote Keizer bn\' voorkeur aan den wijn-
bouw. Hü bepaalde zich daarbij niet tot de tuinen, waarin de
donkere druif van Ingelheim wast, maar de geheele Rheingau
heeft, zooals wn\' reeds op het Niederwald zagen, ontzaglijk
veel aan dien vorst te danken. Volgens het volksverhaal verlaat
de Keizer dan ook nog ieder jaar het-graf te Aken om zijne drui-
ven te komen zegenen. Op de bergen kan men dan zijn reus-
achtige schim, met zwaard en purpermantel, en gouden kroon
zien rondwaren.
Het eerst wordt thans onze aandacht getrokken door Hat-
tenheim,
niet om het plaatsje zelf, dat, evenals zoovele andere
die wij met stilzwijgen voorbijgaan, slechts een onbeduidende
schakel is in de keten van lachende dorpjes, welke zich on-
afgebroken langs den oever uitstrekt. Van oneindig meer be-
lang is het klooster Eberbach, in het idyllisch groene dal,
door begroeide heuvels omsloten, dat in zn\'ne donkere kelders
den heerlijken Steinberger-kabinet verbergt. Toen Bernhard
van Olarvaux — zoo wil het althans de legende — in 1131
hier een geschikte plaats voor de oprichting van een ordens-
-ocr page 116-
106
huis zocht, kwam een everzwijn uit de struiken te voorschijn
en teekende den heilige door middel van zn\'n snuit een plat-
tegrond van het te bouwen klooster met de grootste nauw-
keurigheid voor.
Vele stormen zagen de monniken van Eberbach over hunne
hoofden gaan, en het gebeurde zelfs in 1525, tijdens den boe-
renkrijg, dat de in opstand gekomen Rheingauers het beroemde,
meer dan 400 aam inhoudende vat, waarin de geheele oogst van
dat jaar opgeborgen lag, tot op den bodem ledigden. Ook het
inwendige van het gebouw werd bü die gelegenheid grooten-
deels vernield. Nauwelijks was de ontzaglijke schade door de
vlijtige bewoners weder eenigszins hersteld, of Albrecht van
Brandenburg kwam met een niet geringer aantal dorstigen op-
dagen en bracht aan de eenmaal zoo rijke en bloeiende stich-
ting van de abdij Fulda den genadeslag toe. In het begin dezer
eeuw werden de abdijgoederen gebruikelijkerwijze geseculari-
seerd, waarna Eberbach eerst voor krankzinnigengesticht werd
ingericht, terwijl het thans nog dienst doet als gevangenis.
Alleen de kelders hebben hun oorspronkelijke bestemming
behouden; de edelste merken, als Sternberger, Markobrunner,
Grafenberger, Hattenheimer en Rüdesheimer liggen er opgesla-
gen. Boven deze kostelijke bewaarplaats welft zich het vroe-
gere refectorium, thans keltershuis, met veertien zuilen, wier
interessante kapiteelen aan den tijd herinneren, toen de vlijtige
en met uitgelezen vakkennis toegeruste monniken hier nog
het gezag voerden. Jaarlijks, in de lente, wordt op Eberbach
vanwege het domein een wijnverkooping gehouden, die door
alle groote wijnhandelaars wordt bezocht en waarbij door koo-
pers en kijkers kolossaal druk geproefd wordt.
In de onmiddellijke nabijheid van het klooster ligt de be-
roemde Sternberg, die niet meer dan 25 hectaren in omtrek
heeft en geheel door een hoogen muur omringd is. Wanneer men
van den Bos, een dichtbegroeiden heuvel in de nabijheid, die
kleine oppervlakte overziet, springt het onmiddellijk in het
-ocr page 117-
107
oog, dat daarop in de verste verte niet al de wijn kan gewas-
sen zijn, die onder den trotschen naam Sternberger in den
handel gebracht wordt. Ook hier is het etiket maar al te vaak
de vlag, die een tamelijk verdachte lading moet dekken.
Even bescheiden als de Sternberger, wast ook op den Strahl-
berg de wereldberoemde Marcobrunner, een vurige wijn, die
in kracht en geur den Johannesberger op zijde streeft. Te-
vergeefs zoekt de reiziger echter een gelegenheid om op de
plaats zelf een beker van het gouden vocht te ledigen; hij
vindt tot zyne groote teleurstelling slechts een waterfontein
van roode zandsteen, die den naam van Mark-brunnen voert.
Waarschijnlijk diende zij vroeger tot mark (grens)-steen.
Ook thans nog zgn de verschillende wijnbergen door gekleurde
palen afgeperkt; de witte paaltjes wijzen het staatseigendom aan.
Te Erhach, dat half verscholen ligt achter het lommerrijk©
eilandje Rheinau, leeft de naam van prinses Marianne der
Nederlanden, de vroegere bewoonster van het slot Beinhards-
hamen,
nog steeds in dankbare herinnering voort. Onbeschrijfe-
lijk veel heeft het plaatsje dan ook aan dezo milddadige vorstin
te danken; wij noemen slechts de gothische kerk, wier spitse
torens zich zoo scherp tegen het blauwe luchtgewelf afteeke-
kenen, met daarbij behoorende pastorie en schoolgebouw. Het
slot, dat thans aan prins Albert van Pruisen toebehoort, bevat
een zeer bezienswaardige collectie schilderijen en munten.
Terwijl de oever aan onze rechterzijde nog steeds niets be-
langrijks oplevert, ontrollen zich daarentegen aan onze linker-
hand de heerlijkste panorama\'s, een voortdurende reeks van
tuinen, tilla\'s, kapellen en wingerthuisjes, slechts nu en dan
afgebroken door lieflijke stadjes, die hun voet in den helderen
Rijnstroom baden. Zoo verrijst thans voor ons Eltville, het
Alta villa der Romeinen, eenmaal de hoofdplaats van den ge-
heelen Rheingau. In 1349 deed G-ünther von Schwarzburg, door
zh\'n tegenstander Karel IV nauw ingesloten, hier afstand van
den Duitschen troon. Ook was Eltville in de 14de en 15d« eeuw
-ocr page 118-
108
een zeer gezocht toevluchtsoord voor de aartsbisschoppen van
Mainz, wanneer de burgers in hun eigenlijke residentie wat al
te lastig werden. De krijgshaftige bisschop Boudewn\'n stichtte
daarom hier een sterken burcht, waarvan alleen nog de statige
wachttoren met zijn gulden spitsen en het wapen van den
stichter, alsmede een gedeelte muur bewaard zijn gebleven.
Ongeveer een half uur meer landwaarts in ligt, tusschen wijn-
bergen verscholen, het dorpje Kidericli, een oud bedevaarts-
oord met twee merkwaardige gothische kerken. Daarboven
verheft zich de ruïne van den burcht Scharfenstein, indertijd
een onneembare veste, waartegen zelfs bisschop Boudewn\'n en
Albrecht de Brandenburger het hoofd stieten. Teg6n het veld-
geschut der Zweden bleken echter de trotsche muren niet
bestand te zn\'n, terwn\'1 de Franschen later natuurlijk het ver-
nielingswerk voltooiden.
Nabij Kederich wast de beroemde Bauenthaler, die door de
jury van de laatste Parn\'sche wereldtentoonstelling tot koning
der Rjjn-wtjnen geproclameerd werd, hetgeen natuurlijk niet
geschied is zonder protest van de zijde der machtige heeren,
die hun rechten op de kroon reeds uit den tijd van Karel den
Groote zouden kunnen dagteekenen. Wij noemen slechts den
ridder von Stein, den prins-abt van Johannesberg, den jonker van
Eüdesheim, die allen van hun nieuwbakken koning niets willen
weten. Hoe dit echter ook zn\', de druif van het Rauenthal levert
een kostelijk sap en wy kunnen onzen lezers in gemoede aan-
raden het op de plaats zelf te gaan proeven en beoordeelen.
Bovendien geniet men van het prachtig plateau een overheer-
lijk vergezicht over den geheelen Rheingau, van Joh&nnesberg
af tot Mainz toe.
Van Rauenthal voert een lommerrijke weg den wandelaar in
drie kwartier naar de beroemde badplaats Schlangenbad. Het
bronwater aldaar bevat, behalve oen tamelijk geringe dosis
rtatron, geenerlei vaste bestanddeelen en wordt voornamelijk
tegen huidziekten, krampen, zenuwzwakten en dergelijke kwa-
-ocr page 119-
109
len gebezigd; vooral vrouwen vinden er baat bü. Voor 25 ja-
ren werd Schlangenbad dan ook bh\'na uitsluitend door dames
bezocht; nog vroeger was het een badplaats van eenigszins
verdachte zeden, die niettemin door zeer aanzienlijke hoeren
bezocht werd. Overigens is het plaatsje, dat niet meer dan ruim
50 huizen telt, allerbekoorl\\jkst in een boschrh\'k dal gelegen.
Nog noordelijker lokt ons Schwalbach, voor eeuwen een
luxe-badplaats van den eersten rang. Wh\' mogen ons echter
niet verder van onzen weg laten afvoeren en wenden ons
daarom in oostelijke richting naar Wiesbaden, de vroegere
hoofdplaats van het hertogdom Nassau, doch thans goed-Prui-
sisch en ontegenzeggelijk een der bekoorlijkste en meest be-
zochte badplaatsen van Duitschland.
De stad is allergunstigst aan een der zuidwestelijke hellin-
gen van den Taunus, 90 voeten boven den Kn\'n-spiegel, gele-
gen. Zij telt tegenwoordig omstreeks 56,000 inwoners en wordt
jaarlijks door ver over de 60,000 vreemdelingen bezocht, waar-
van echter bijna de helft uit passanten bestaat.
Zijn beschutte ligging en altijd met de geurige dampen der
heete bronnen bezwangerde atmosfeer doen Wiesbaden steeds
meer en meer als winterverblh\'f voor do grooten en rijken de-
zer aarde in aanmerking komen. Alles, wat het oog hier aan-
schouwt, ademt dan ook rijkdom en vrede; wh\' zijn hier in
het land van belofte voor allen, die den strijd om het bestaan
slechts bh" naam kennen en rustig van hunne rijkdommen wil-
len genieten. Dat de hotels over het algemeen weelderig in-
gericht en bijgevolg peperduur z\\jn, is in deze omgeving niet
vreemd; vandaar dan ook het vrn\' algemeene denkbeeld, dat men
te Wiesbaden niet anders dan zeer kostbaar leven kan. Voor
toeristen, die met de kaart van het land bekend zijn of de
benijdenswaardige gave bezitten van zich overal spoedig te kun-
nen oriënteeren, geldt deze regel echter volstrekt niet. Zy vin-
den, vooral in de buitenwijken, gemakkelijk een goeden goed-
koop onderkomen bij particulieren en ook aan restaurants
-ocr page 120-
110
waar men tegen billijken prh\'s den inwendigen mensch behoor-
lijk kan versterken, ontbreekt het niet.
In de laatste 40 a 50 jaren heeft de stad zich met geheele
regelmatig gebouwde stratenrüen kolossaal uitgebreid, terwijl
door de opheffing der eenmaal zoo druk bezochte speelbank
niet alleen het gehalte harer bezoekers en bezoeksters, maar ook
het aantal er van ontzaglijk is toegenomen. Dit neemt echter
niet weg, dat Wiesbaden aan die zeer onzuivere bron zn\'n eerste
opkomst voor een goed deel te danken heeft.
Kurzaal.
De heete bronnen van Mattiacum, zooals de stad eens
heette, waren reeds aan de Romeinen bekend, zooals uit een
plaats bü Plinius (His tori a Naturalis) duidelijk blijkt.
Deze geleerde schrijver beweert, dat het water zoo heet is, dat
het drie dagen, na uit de bron geschept te zn"n, bluft doorkoken.
Het aantal bronnen, behalve nog de Kochbrunnen, die bijna
uitsluitend tot drinken gebezigd wordt, bedraagt niet minder
-ocr page 121-
111
dan 28, zoodat de meeste badhuizen zich de weelde van een
eigen bron kunnen veroorloven. De baden worden vooral ge-
bruikt door lidenden aan rhumatiek, jicht, neuralgie, enz. enz.,
terwijl de drinkkuur heilzaam werkt bn\' chronische maag- en
darm-catarrhen, verstoppingen, zwaarlijvigheid en dergelijke
kwalen, waaraan, zooals men weet, vooral zn\' laboureeren, die
van het vette der aarde wat al te veel genoten hebben.
Het middelpunt van de schitterende werebd, die hier „leeft",
vormt de Kurzaal, een prachtig gebouw in oud-Griekschen
stijl, volgens de plannen van Zais in 1810 voltooid. De hoofdzaal
is 40 M. lang, 19 M, breed en 15 M. hoog, terwijl de muziek-
galerijen, aan de beide einden der zaal, gedragen worden door
prachtige korinthische zuilen van roodgrijs Nassausch mar-
mer. Aan den noordelijken kant van het gebouw vindt men
restaurants en café\'s, terwijl de zuidelijke vleugel ingenomen
wordt door de dans- en gezelschapszalen en de leeskamer.
Achter de Kurzaal strekt zich een prachtig wandelpark uit,
vol van de heerlijkste bloemen en met een ruke verscheiden-
heid van groen. Een sierlijke fontein, midden in den grooten
vn\'ver, zendt hare waterstralen 30 M. omhoog In het vroege
morgenuur kan men de kurgasten reeds in groote scharen
door de lange ijzeren drinkhal, die den vorm van een veranda
heeft, naar den zooeven reeds genoemden Kochbrunnen zien
paradeeren, om aldaar, onder de opwekkende tonen der mu-
ziek, den beker, gevuld met het onvermengde heulsap, te ledi-
gen. Muziek schijnt er overigens een groote aantrekkingskracht
op het publiek uit te oefenen, want avond aan avond vereenigt
zich een bonte menigte onder de dichte kastanjeboomen achter
de Kurzaal, wanneer zich op die schoone plek de verdienstelijke
harmonie-kapel laat hooren. Levendig en opwekkend is vooral
het tooneel op Zon- een feestdagen, wanneer de naburige steden
een ontzaglijk contingent bezoekers leveren. Het groote vier-
kante voorplein aan de stadszn\'de, dat met twee fonteinen prijkt,
heeft, aan beide kanten, lange, ruime gaanderijen in dorischen
-ocr page 122-
112
bouwstijl, waarin de bazaar van Wiesbaden gevestigd is.
Niet ver van de Kurzaal, meer stadwaarts, staat de schouw-
burg, waarvan het voorplein met een buste van Schiller, te
midden van een rozenpark, versierd is.
Het grootste gebouw van de stad is de gothische kerk der
evangelische gemeente, met vijf hooge torens. Ook de roomsch-
katholieke kerk, waarvoor zich op een met bloemen versierd
plein de Waterloo-zuil verheft, is een merkwaardig bouwwerk
in rondbogensthl. Beide kerken dagteekenen pas uit omstreeks
de helft van deze eeuw. Verder verdienen nog genoemd te
worden: het koninklijk paleis op de markt, het moorscheslot
van prins Nicolaus, op de hoogte bn\' de Kurzaal, het in floren-
tünschen stijl opgetrokken regeeringsgebouw en eindelijk de
israëlietische synagoge op den Michielsberg.
Ook het museum in de Wilhelmsstrasse verdient ongetwij:
feld bezocht te worden. Men vindt daar een rijke verzameling
oudheden, een schilderijen-zaal, waaraan een permanente ten-
toonstelling is verbonden, en last not least een zeer belang-
rijke en uitgebreide bibliotheek, waartoe ook kostbare manu-
scripten behooren.
Onbeschrijfelijk schoon zijn de omstreken van Wiesbaden,
met hare tallooze villa\'s en landhuizen en haar overvloed van
de fraaiste en zeldzaanste bloemgewassen en planten. Ver-
rukkelijk is dan ook een wandeling door de betooverende lanen
van het Kur-park naar de ruïne van het in 1689 verwoeste
kasteel Sonnenberg, vroeger het eigendom der graven van
Nassau.
Aan de noordzijde van de stad verheft zich de met woud
gekroonde Nerobergr, waarlangs zich een aan weerszijden
met half onder het lommer verscholen villa\'s bezaaide weg
naar boven slingert. Een tooverachtig effect maakt, halverwege
den top, de in 1855 voltooide Grieksche kapel, door hertog
Adolf van Nassau ter nagedachtenis aan zijne in 1845 overle-
dene gemalin, de Russische prinses Elisabeth Michailowna, ge-
-ocr page 123-
113
sticht. Het is een grootsch gebouw, geheel in byzantjjnschen
styi opgetrokken, dat door z\\jn vijf zwaar vergulde koepels in
het zonlicht met oogverblindende pracht schittert, en bü som-
ber weder zelf als een zon het geheele dal bestraalt. Aangrij-
pend schoon is ook het graf-monument, dat in het koor der
Grieksche kapel.
kapel prijkt, en bovenal indrukwekkend de edele gestalte
der gravin zelve, uit vlekkeloos wit marmer gehouwen. Het
geheel is een navolging van het gedenkteeken voor de Pruisische
koningin Louise te Charlottenburg.
8
-ocr page 124-
lid
Door do heerlijke lanen van een reusachtig beukenwoud
bereikt men het plateau van den berg, waar een tempel-
vormige belvédère een prachtig uitzicht aanbiedt op den Rijn-
stroom, met Biebrich, Mainz, enz. en over een reeks van
bergen en dalen, die aan den verren gezichteinder ineen-
smelten. Nog onbegrensder is het panorama, dat men van de
Platte, een hertogelijk jachtslot, geniet, waaraan dan ook
een druk bezoek, vooral uit Wiesbaden, ten deel valt.
BU Eltville verlieten wn\' den Rijnstroom voor ons uit-
stapje naar Wiesbaden. Het eerste plaatsje dat wn\' thans
weder, hoogorop, aan denzelfden oever ontmoeten isNieder-
Walluff,
aan de Waldava. Hier was in de middeleeuwen de
eigenlijke grens van den Rheingau, liet zoogemaande Gebuck,
een verschansing van levende boomstammen, ter breedte van
50 passen, die mettertijd tot een ondoordringbaar woud in-
eengroeiden. Deze natuurlijke verdedigingslinie, die zich tot
Lorch uitstrekte, werd nog versterkt door wachttorens en
grachten. Op deze wijze wisten de Rijngauers hunne heerlijke
bezittingen tegen roofvogels van allerlei „pluimage" te be-
schermen. Het stadje zelf heeft nog een echt middeleeuwsch
en tegeln\'k zeer vriendelijk aanzien. In den lommerrijken tuin
van burgemeester Hofmann is het zeer goed zitten onder het
genot van een glas heerlijken, onvermengden Walruffer en
met het gezicht op den onvergelijkelijk schoonen Rijnstroom,
die op dit punt zeer druk bevaren wordt.
Altijd hoogerop, langs Schierstein, dat halfin een woud van
vruchtboomen verscholen ligt, en zich in het bezit van een
groote winterhaven verheugen mag, langs tal van bekoorlijke
villa\'s en rookende fabrieken, naderen wij thans Biebrich,
welks uit roode zand- en baksteen opgetrokken kadettenschool
reeds op verren afstand de aandacht trekt.
Tot 1866 was Biebrich de residentie van hertog Adolf van
Nassau, die echter de ongelukkige ingeving had om in den
oorlog tusschon Pruisen en Oostenrijk voor laatstgenoemd ruk
-ocr page 125-
115
partij te kiezen en het noodige „aplomb" miste, om, toen hij
daartoe nog na den slag b\\j Königgratz in de gelegenheid
werd gesteld, van party te veranderen.
Het residentie-slot is, vooral door zijn ligging, een der schoon-
Biebricb.
ste kasteelen op aarde. Moeilijk kan men zich een liefelijker,
vroolyker beeld denken dan het door het oog nauwelijks te
omvatten panorama, dat men uit de vensters van het slot
over den prachtigen Rheingau, tot voorbij Bingen en den
Muizentoren, geniet. Achter het schoone gebouw, dat in het
begin der vorige eeuw uit roode zandsteen werd opgetrokken,
strekt zich het heerlijke park uit, waaraan de hertog de groot-
ste zorg en schatten van geld besteedde. Toen echter zijn
landje, het bekoorlijkste van geheel Duitschland, na den ongeluk-
kigen „coup" van 1866 aan Pruisen verviel, werd de vorst danig
„gemassregelt". Zoo dwong men hem om door het park, zijn
privaat eigendom, een publieken weg te onderhouden. Deze en
-ocr page 126-
116
dergelijke plagerijen meer deden bij hertog Adolf, die intus-
schen zijn voorvaderlijk kasteel reeds metterwoon verlaten had,
de belangstelling voor dit aardsche paradijs zoodanig verflau-
wen, dat hij zelfs in 1868 zjjn geheele oranjerie, met hare zeld-
zaam schoone collectie planten, aan de stad Frankfort verkocht.
Nog is het park een waar lustoord en een bezoek overwaard,
doch het draagt, evenals het kasteel zelf, het droevige cachet
van verlatenheid en verdwenen luister. Ook het plaatsje zelf is, na
het vertrek der eenmaal zoo schitterende hofhouding, er niet
op vooruitgegaan, al heeft de Staat, door het oprichten van
een kadettenschool in de voormalige kazerne, de welvaart
trachten te verhoogen. Thans zijn het drukke verkeer en de
bloei van weleer geweken naar de overzijde, naar het „gouden"
Mainz, dat ons uit de verte reeds zoo uitlokkend tegenlacht.
-ocr page 127-
HOOFDSTUK IX.
Mainz. — Castel.
Het „gouden" Mainz (Aureum Moguntiacum) is niet alleen
een der schoonste steden van het Rijn-paradijs, maar wegens
zijn rijk historisch verleden ongetwijfeld ook oen der merk-
waardigste plaatsen van geheel Duitschland. Hare ligging is
vrij ©n liefeiyk, juist tegenover de plek, waar de Main hare
gele golfjes in den donkergroonen Rijnstroom stuwt, waardoor
een kleurenmengeling ontstaat, die het oog alleraangenaamst
aandoet. Verrukkelijk schoon, vooral bij helder weer, is het
gezicht op de toppen van den Taunus, waar deze aan den
deinzenden horizont met het blauwe luchtruim ineensmelten.
Met wolgevallen rust het oog op de gouden koepels van de
Grieksche kapel te Wiesbaden en, hooger nog, op het ver-
blindend witte jachtslot ,de Platte", waarvan de wel wat sterke
schittering door den afstand aanmerkelijk getemperd wordt.
Al neemt men ook de vrijheid weinig waarde te hechten
aan de overlevering, volgens welke een zwervende Trojaan,
Moguntus genaamd, na den val van het heilige Ilium, de stich-
ter van het naar hem genoemde Moguntiacum zou zijn, zoo
valt toch niet te ontkennen, dat de stad op een eerbiedwaar-
digen ouderdom mag bogen. Reeds bij Tacitus toch vinden
wij van Moguntiacum, alias Mainz, als een Romeinsche leger-
plaats, ten tijde van Claudius Civilis (69 n. C), gewag gemaakt,
hetgeen trouwens, met het oog op zh\'n ligging aan desamen-
-ocr page 128-
118
vloeiing van twee machtige stroomen, niet alleen uit een stra-
tegisch oogpunt, maar ook als middelpunt van verkeer naar
alle hemelstreken, zeer begrijpelijk is. Mainz past dan ook
volkomen in het net van heirbanen en vestingen, dat keizer
Augustus, van Italië uit, ter bedwinging der vrijheidlievende
Germanen, onder toezicht van zijn stiefzonen Drusus en Ger-
manicus, liet aanleggen.
Aan Drusus, den eigenlijken grondlegger van Mainz, die, op
een zijner expedities in het hartje van Germanië, tengevolge
van een val van het paard overleed, herinneren op de citadel
nog de overblijfselen van een gedenkteeken, door de Eomein-
sche legioenen ter eere van den jeugdigen held opgericht. Het
is thans niet meer dan een 15 meter hooge steenklomp,
waaraan men in de middeleeuwen, waarschijnlijk wegens de
gedaante, den naam van Eichelstein gegeven heeft. In 1698
werd van binnen een wenteltrap van 75 treden uitgebroken,
waarlangs men het bovenvlak bereikt, dat door een hekwerk
omgeven is, en van waar men een prachtig uitzicht over den
geheelen omtrek heeft. Op een kwartier afstands van Mainz
worden bovendien nog 60 pijlers gevonden van een indertijd
door de Romeinen aangelegde waterleiding.
Evenals te Keulen en te Trier, werd ook te Mainz in de
vierde eeuw het christendom ingevoerd. De eerste aartsbisschop
was Bonifacius, de apostel der Duitschers, die in 751 door Paus
Zacharias in deze hooge waardigheid bevestigd werd, en drie
jaren later te Dokkum door de Friesche heidenen werd ver-
moord ; de beroemdste "Willigis, die den dom en de Stephanus-
kerk stichtte. Willigis was, volgens de overlevering, een wa-
genmakerszoon en ging, toen men hem om zijn nederige
afkomst bespotte, een wiel in zijn wapen voeren, waaraan h\\j,
om zich steeds zn\'n oorsprong te herinneren en daardoor vr\\j
te blijven van hoogmoed, het schoone devies toevoegde:
„Willigis, Willigis, denk woher du kommen sis!"
-ocr page 129-
119
Of men hier al dan niet met een sprookje te doen heeft, is
natuurlijk niet met zekerheid uit te maken, doch er bestaat
ongelukkig maar al te veel grond voor de meening, dat het tref-
fend verhaal enkel verzonnen is met het doel om een gangbare
verklaring te leveren voor het geheimzinnige dubbelrad in het
stedelijk wapen.
Reeds dadelijk oefende het aartsbisdom Mainz een groot
overwicht in de geheele geestelijke wereld uit. Paus Zacharias
toch had bepaald, dat alle volksstammen van Germanië, die tot
het christendom bekeerd mochten worden, aan het geestelijk
gezag van Mainz onderworpen zouden zijn. Zoo werd de
stad Mainz tegelijk de geestelijke moeder van de Germaansche
natie, terwijl zich van uit haar, tegelijk met het christendom,
beschaving en zedelijkheid over geheel Duitschland verspreid-
den. De aartsbisschop van Mainz was dan ook een hoogge-
plaatste, invloedrijke persoonlijkheid, de primaat derDuitsche
kerk en de kanselier van het heilige Roomsche rn\'k aan deze
zijde der Alpen. Aan deze beide weidsche titels werd later nog
die van keurvorst toegevoegd.
Tal van beroemde kerkvergaderingen zijn te Mainz ge-
houden. Wij noemen slechts die van 1075, tot invoering van
het coelibaat, en 10 jaren later, toen paus Gregorius VII we-
gens den door hem over keizer Hendrik IV uitgesproken ban-
vloek werd afgezet. Ook zag Mainz vele gewichtige Rijksdagen
binnen zijne muren.
Toen in het jaar 1163 b(j een tumult in de straten van Mainz
de aartsbisschop Arnold doodgeslagen was, beval keizer Bar-
barossa dat de muren der stad zouden neergehaald worden
en verklaarde hy, in ééne moeite, de gezamenlijke inwoners
voor eerloos en vervallen van al hunne privileges. Het gruw-
zame bevel kwam echter slechts tot een begin van uitvoering,
want de keizer zag spoedig in wat al te haastig en streng
gehandeld te hebben, door de geheele burgerij zoo zwaar te
doen boeten voor de schuld van enkelen.
-ocr page 130-
120
Om züne hardheid weder goed te maken, schreef de gestrenge
vorst tegen Pinksteren van het jaar 1184 een schitterenden
Rijksdag te Mainz uit, bij welke gelegenheid zijn beide zonen
den ridderslag zouden ontvangen. Ontzaglijke toebereidselen
moesten voor dat feest, waaraan meer dan 70,000 ridders en
geesteln\'ke heeren uit alle deelen van het Duitsche rn\'k deel-
namen, gemaakt worden. In de heerlijke vlakte, tegenover
Mainz, verrees een formeele tentenstad, te midden waarvan
zich een houten keizerspaleis en een statig kerkgebouw ver-
hieven. Een geheele vloot van vaartuigen ontscheepte, reeds
dagen te voren, onuitputtelijke voorraden wijn, gevogelte,
brood, vee, enz. enz., terwijl twee kolossale van latwerk opge-
timmerde schuren * met hoenders tot barstens toe volgepropt
waren.
Op den eersten Pinksterdag (20 Mei) bewoog zich een luis-
terrijke processie, met den Keizer, de Keizerin en hun beide
mannelijke zonen aan het hoofd, naar de geïmproviseerde, doch
niettemin prachtig opgetooide kerk. Verder volgden schit-
terende gastmalen, waaraan de tafeldienst bij de keizerlijke
familie door hertogen en rijksvorsten werd waargenomen.
Liefelijk snarenspel en vroolijk gezang weerklonken onder den
lachenden lentehemel en met verrukking luisterde men naai-
de heldensagen van Karel den Groote en zijne paladijnen, van
ridder Koland\'s dood te Ronceval, van koning Arthur en zijne
Tafelronde, of naar de oude volksoverleveringen van Siegfried,
den drakendooder, en Dietrich van Bern. Aanminnige jonk-
vrouwen beloonden de zangers met gouden of zilveren ketenen,
en niet onverdiend, want de dichtkunst bloeide toen in
grooten luister.
Den volgenden dag bereikte het feest echter eerst zijn
glanspunt, toen ter eere van de beide Keizerszonen rid-
derspelen plaats hadden, waarbij 20,000 van de edelste rid-
ders zich op hunne fiere rossen in het strijdperk vertoon-
den. Zangers, pelgrims, goochelaars en bedelaars werden
-ocr page 131-
121
ten slotte als ware het met goud overstelpt, en duizenden
verkondigden heinde en verre den roem en de heerlijkheid des
Keizers en van zn\'n hofstaat. Allen stemden daarin overeen,
dat sedert menschenheugenis een zoo heerlijk feest niet ge-
vierd was geworden en de herinnering er aan is vele eeuwen
lang blijven voortleven in het volksgezang. Het was een
grootsche, nationale feestviering, zooals Duitschland er nooit
weer een gekend heeft, en waarvan zelfs het onthullingsfeest
op den Niederwald slechts een zwakke schaduw is.
De schitterendste periode der geschiedenis van Mainz vangt
echter eerst in de 13de eeuw aan, toen de handelsbloei aldaar
zijn toppunt had bereikt. Om deze teedere plant te be-
schermen tegen de overmoedige ridders, die, zooals wij reeds
al te veel in de gelegenheid waren op onzen Rijn-tocht waar te
nemen, van uit hunne sterke roofnesten de voorbijtrekkende
kooplieden plunderden, stichtte een Mainzer patriciër, Arnold
von Walpoden, het machtige „Rü\'nsche Stedenbond," waarbij
zich, behalve eenige hoeren, meer dan honderd steden, zoo-
als Keulen, Straatsburg, Bazel, Worms, Oppenheim, Bingen, enz.
aansloten. Daardoor werd Mainz het middelpunt en de hoofd-
plaats van den geheelen Rijnhandel. Het was ook in die dagen
dat men, met het oog op de steeds toenemende rijkdommen
der stad, begon te spreken van het „gouden" Mainz.
Mainz werd nu het geliefkoosde verblijf van den rijken adel,
het middelpunt van alle feestelijkheden en kampstrijden van
velerlei aard, terwijl kunsten en wetenschappen aldaar in hooge
eer stonden. De gothische bouwkunst had in dien tijd haar
hoogsten graad van volmaaktheid bereikt, waarvan tal, nu
helaas verdwenen, bouwwerken, getuigden. Bovendien bloeide
in de stad een school voor minnezangers. Aan het hoofd dezer
inrichting stond Heinrich zur Meise, gen. „Frauenlob," de
liefelijke zanger van het vrouwelijk geslacht in het algemeen
en van de Heilige Maagd meer in het bijzonder. Wegens zijne
verheerlijking der schoone sekse viel zn\'n ln\'k de niet alledaagsche
-ocr page 132-
122
eer te beurt van door vrouwen en jonge maagden in plechtigen
optocht grafwaarts gedragen te worden. „Zü hebben hem," zoo
luidt het oude verhaal, „daarna zooveel w(jn in en op zü\'n graf
nagegoten, dat het rondom het graf gedreven heeft, gelijk zü
hem dan ook dikwijls bü z\\jn leven wp vereerden." *)
Op de roemrijke dagen, die wü zooeven geschetst hebben,
volgde een tyd van langzaam maar zeker verval, waaraan
vooral de bloedige veeten tusschen burgery en geestelijkheid
en tusschen patriciërs en plebejers niet vreemd waren. In
1642 verloor de stad het grootste gedeelte van hare uitgestrekte
rechten en vrijheden, ten gevolge van de verraderlijke inne-
ming door den aartsbisschop Adolf van Nassau, by welke
gelegenheid 500 burgers het leven verloren en een aantal der
aanzienln\'ksten verjaagd werden. De stad zelf werd voor het
grootste gedeelte in de asch gelegd.
Bijna zonder slag of stoot werd het eens zoo trotsche Mainz
in 1792 door de Fransche republikeinen, onder Custine, geno-
men, doch den 25sten Juli van het volgend jaar door den
Pruisischen generaal Kalkreuth heroverd. Bü dit laatste be-
leg werden de schoonste gebouwen en kerken grootendeels
platgeschoten. Nadat zy hierop weder korten tu\'d in de
macht van den verdreven keurvorst was geweest, werd de
stad in 1797, bij den vrede van Campo-Formio, aan Frankrijk
toegewezen. Ten gevolge van den rampspoedigen terugtocht
van Napoleon uit Rusland, werd Mainz door de jammerlijke
overblijfselen der „grande armee" in een reusachtig hospitaal
veranderd en ten slotte door de geallieerden ingesloten (1814).
De vrede van Parijs bracht de stad aan Duitschland terug,
waarop zü den 3den November 1815 tot een Duitsche bonds-
vesting verklaard, en in die hoedanigheid bh\' het groothertog-
dom Hessen ingelijfd werd. In 1866 werd zü Pruisisch totdat
*) Zie verder over Frauenlob\'s graf en het in 1848 voor den dichter opgerichte
monument blz. 125.
-ocr page 133-
123
de wedergeboorte van het Duitsche Rijk in 1871 haar tot eene
Duitsche rn\'ksvesting maakte.
Niettegenstaande al deze lotswisselingen is Mainz thans een
bloeiende handelsplaats met nagenoeg 70,000 inwoners en
tevens een sterke vesting. Wel heeft het in laatstgenoemde
hoedanigheid, door het vooruitschuiven der verdedigingslinie
naar de zijde van Frankrijk, evenals Coblentz, veel van zh\'n
belang verloren, maar het blijft niettemin door zn\'ne ligging
nog een gewichtig strategisch punt, waarom het dan ook een
garnizoen van ongeveer 8,000 man herbergt. Met de kleine
bijstad Castel, aan de overzijde van den Rijn, is het sedert
1885 door een vaste brug verbonden.
Voor de verfraaiing der oorspronkelijk nauw en onregelmatig
gebouwde stad is in de laatste jaren heel wat gedaan. Boven-
dien heeft men door het uitleggen der vestingwerken ruimte
gewonnen voor het bouwen van een nieuwe stad, die de oude
nagenoeg driemaal in grootte overtreft, en tevens voor het
aanleggen van grootsche havenwerken.
"Wanneer wjj, na deze algemeene beschouwing, de merkwaar-
digheden van Mainz de revue laten passeeren, dan worden wij
allereerst getroffen door talrijke prachtige kerken, wat trou-
wens, het historisch verleden der stad in aanmerking genomen,
niet te verwonderen is.
Het schoonste en oudste gebouw van dien aard is ongetwij-
feld de Bom, een der merkwaardigste monumenten voor de
geschiedenis der bouwkunst, dat zich op de Markt, juist in het
middelpunt van het oude Mainz, zoo majestueus verheft. Reeds
in het jaar 745 wordt op diezelfde plek van een godshuis ge-
wag gemaakt, doch de eerste opbouw der tegenwoordige kerk
dateert uit den tijd van den grooten aartsbisschop Willigis
(975—1011). Reeds dadelijk bn\' de inwijding (1009) geraakte het
gebouw in brand. Na hersteld te zijn werd het weinige jaren
later en in de beide volgende eeuwen ettelijke malen een prooi
der vlammen, enkel met het gevolg dat het telkens, schooner
-ocr page 134-
124
en volkomener, als een phoenix uit zijn asch verrees, terwijl
er later nog zijvleugels in gothischen bouwstijl aan werden
toegevoegd. In 1767 werd de statige dom door het hemel vuur
en in 1793 door de Pruisische bommen en granaten duchtig toe-
getakeld. Gedurende de Fransche overheersching deed het ge-
bouw dienst als fourage-magazyn enz., waardoor het inwendige
met zn\'ne merkwaardige en kostbare sieraden natuurlijk ont-
zaglijk te lijden had.
Nadat dan ook in 1814 de Dom aan zn\'ne oorspronkelijke be-
stemming was teruggegeven, viel er, zoowel van buiten als
van binnen, heel wat aan op te knappen. Jarenlang is daarover
gewerkt, doch de omvangrijkste restauratie had plaats van
1868—1878, onder leiding van onzen beroemden landgenoot,
den Dombaumeister Cuypers, zooals hij in Duitschland genoemd
wordt, wiens buitengewone verdiensten op het gebied van kerk-
bouw dus ook blijkbaar ver buiten onze grenzen erkenning
vinden. Men mag er dan ook den grooten meester op een zoo
eigenaardig gebied, of zijn volgelingen, inderdaad geen verwijt
van maken, wanneer de door hen gestichte wereldsche gebou-
wen een ernstig, zelfs eenigszins somber karakter dragen,
somtijds weinig strookende met de bestemming, waarvoor zg
zn\'n opgericht. Naturam expellas furca___/
Bovenal merkwaardig zn\'n echter de grafteekens, wier aan-
tal grooter is dan in eenigen anderen dom. Behalve de mo-
numenten toch, gewijd aan de nagedachtenis van 22 aarts-
bisschoppen en keurvorsten, waarbij men ware meesterstukken
van beeldhouwkunst en smidswerk aantreft, bevat de entree
tot de kruisgang een steenen plaat met inscriptie ter herinne-
ring aan Fastrada, de derde gemalin van Karel den Groote,
die eertijds in de anno 1552 verwoeste St.-Albanuskerk te
Weisenau begraven lag. Naar men wil, zou dezelfde steen
eens het graf der bekoorlijke vorstin gedekt hebben.
In de kruisgang zelf wordt het oog onmiddellijk aangetrok-
ken door het prachtige marmeren monument van Schwantha-
-ocr page 135-
125
Ier, een vrouwenfiguur voorstellende, die een krans op de lijk-
kist van den onvergetelijken Frauenlob, den vromen zanger
der Heilige Maagd, het ideaal van alle vrouwelijke deugden, neer-
legt. Het kostbare gesteente werd in 1843 door Mainzer vrouwen
en jonkvrouwen ter eere van den voor reeds meer dan vijf eeuwen
overleden meistreel (zie blz. 122) opgericht. Wie dus nog mocht
beweren, dat de dochteren Eva\'s ondankbaar zijn tegenover
hare vurigste bewonderaars, kan te Mainz op werkelijk afdoende
w\\jze van zijne dwaling genezen worden. Bovendien treft men
in dezelfde kruisgang nog een uit roode zandsteen vervaar-
digde grafzerk van Frauenlob aan, een getrouwe reproductie
van de oorspronkelijke, die in 1313 op diezelfde plek opgericht
werd, doch door werklieden bij het verrichten van een repa-
ratie werd gebroken.
Het zou ons ver buiten ons bestek voeren, wanneer wij al
de merkwaardigheden, die de Mainzer Dom in zijn schoot bergt,
wilden beschrijven. Wy kunnen echter niet nalaten ten slotte
de aandacht te vestigen op een half achter een pilaar verscho-
len grafsteen, voorstellende een nar met een zotskap op den
rug, waaronder dé curieuze inscriptie: „In den jare 1467 op
Vrijdag na Zondag Oculi, is Henne Neffe, genaamd Witzehenne,
gestorven. God zy hern genadig. Amen!" Op deze plaats, te
midden van zoovele ernstige en plechtige herinneringen aan
het vergankelijke van alle aardsche grootheid, maakt dit proefje
van den bekenden Mainzer humor een allerzonderlingsten in-
druk.
Van de overige kerken bezoeken wn\' alleen de St.-Stepha-
nus-kerk,
door den aartsbisschop Willigis op het hoogste punt
der stad gebouwd. Op den daaraan verbonden, 210 voet hoo-
gen, toren geniet men dan ook een overheerlijk uitzicht. Het
inwendige der kerk is na de kruitramp, die de stad in 1857
teisterde, (") op uiterst smaakvolle wijze hersteld. Tegen de
(*) Der, 18 November 1857, des namiddags te 3 uren, sprong te Mainz een der
-ocr page 136-
126
kerk aangebouwd, ligt het klooster „de goede Herder," dat in
1853 door gravin Ida Hahn-Hahn is gesticht.
Hoeveel genot ons ook het doorsnuffelen van zoovele kunst-
schatten en merkwaardige overblijfselen van het grijs verleden
verschaft moge hebben, is toch de heerlijke vrh\'e lucht, die wij,
Standbeeld van Ghitenberg
na het verlaten der kerkgewelven, met volle teugen inademen,
lang niet onwelkom. Ons eerste bezoek geldt daarom thans
kruitmagazUnen, dat 208 centenaars kruit, een millioen slaghoedjes, 600 vunrkogels
en 700 granaten bevatte. Deze ramp, die waarschijnlijk het gevolg van boos opzet
is geweest, vernielde een gedeelte der stad en kostte een aantal menschen het le-
ven ; zij had nog veel ontzettender kannen zijn, doch de vunrkogels en granaten
ontploften bijna niet, en twee andere knütmaga/.ijnen vatten gelukkig geen vuur.
-ocr page 137-
127
don trots enden oogappel derMainzerburgerij, het standbeeld
van Gutenberg,
denman, die volgens onze oostelijke naburen
de boekdrukkunst in 1450 heeft uitgevonden, doch dien wil
zoo gaarne, ter wille van onzen Haarlemschen Costermetden
titel van „verbeteraar" dier kunst afschepen. Wij gevoelen
echter op deze plek allerminst lust om ons over deze netelige
prioriteitsquaestie warm te maken en bewonderen gaarne het
Scliiller-ploin.
heerlijke bronzen beeld, dat in 1835 te Parijs naar een model van
den beroemden beeldhouwer Thorwaldsen gegoten en den 14
Augustus 1837 plechtig onthuld werd.
Ook de onsterfelijke Schiller heeft te Mainz zijn standbeeld,
dat zich op de voormalige Beestenmarkt, thans Schiller-plein,
verheft. Het is eveneens uit brons vervaardigd, en doet zijn
ontwerper, den Darmstadter beeldhouwer Scholl, alle eer aan.
Als een zeer merkwaardig monument in de open lucht, zoo-
-ocr page 138-
128
wel uit een oogpunt van historie als van kunst, noemen wij
ten slotte de r;jk gebeeldhouwde Marktbron, die aan het leven-
dige marktplein met zijn statigen dom en antieke gebouwen
zulk een eigenaardig cachet geeft. Zy werd, blijkens de laty\'n-
sche inscriptie, in 1526 door den aartsbisschop Albertus in hare
tegenwoordige gedaante opgericht, uit blijdschap over de zege-
pralen door keizer Karel V in verschillende oorlogen behaald.
Schittert Mainz, zooals wn\' reeds gezien hebben, door zijne
prachtige kerken boven de meeste steden van de in dat op-
zicht toch reeds zoo rijk gezegende Rijnstreek uit, ook enkele
zijner wereldsche openbare gebouwen mogen niet onvermeld
blijven. In de eerste plaats geldt dit van het prachtige Keur-
vorstelijk slot,
dat zich zoo statig langs den Rijnoever uitstrekt.
Zooals de naam reeds aanduidt, was het slot voorheen de
residentie der keurvorsten. In 1807 werd het echter door kei-
zer Napoleon aan de gemeente geschonken en sedert 1848 bevat
het tal van rijke verzamelingen op allerlei gebied. Zco vindt
men daar de stedelijke bibliotheek, de schilderijen-galerij, een
museum van echte en een van nagebootste romeinsche enger-
maansche oudheden, een dito voor natuurlijke historie, een
astronomisch uurwerk, in de middeleeuwen door een augus-
tijner monnik vervaardigd, dat o. a. den loop van alle toen
bekende planeten aanwijst, enz. enz.
De bibliotheek bevat omstreeks 150,000 nummers, waaronder
1200 handschriften en 4500 incunabelen, van welke laatste
bijzonder de aandacht verdienen: de 2ie uitgave van het „Psal-
terium" van Fust en Schöffer (1459), het „Katholikon" van
Uutenberg (1460) en de bijbel van Pust en Schöffer (1462).
Tegenover de bibliotheek vindt men het grootste sieraad
van het slot, namelijk de zoogenaamde Academie-saai, in 1775
door den laatsten keurvorst, Karl von Erthal, op even prach-
tige als kostbare wijze ingericht. Tweeëndertig zuilen van
schitterend marmer torsen de galerijen; ook de zolderschilde-
ringen zh\'n bijzonder fraai. In deze zaal werd in 1792 de Jaco-
-ocr page 139-
129
bijnen-club gehouden en in 1803 over den beruchten roover-
hoofdman Schinderhannes (\') het doodvonnis uitgesproken. Te-
genwoordig dient de zaal voor vergaderingen, concerten, enz.
De schilderyen-galerij is een der rükste van geheel Duitsch-
land en bevat de werken van beroemde kunstenaars van alle
tijden en richtingen. Ook de oude Nederlandsche schilderschool
is er op waardige wijze vertegenwoordigd.
De oorspronkelijke Romeinsche en Germaansche oudheden, die
in het slot gevonden worden, zijn grootendeels uit Mainz zelf
of uit de naaste omstreken afkomstig. Inderdaad verrassend
is de aanblik der groote menigte voorwerpen van Romeinsche
afkomst, die hier is samengebracht. Ook de collectie naboot-
singen van oudheden uit de eeuwen vóór Christus is bepaald
eenig in haar soort.
Boven de schilderijen-galerjj is de natuurkundige verzameling
van het Rhijnsche genootschap voor natuurlijke historie ge-
herbergd. Zij bevat een rijke verzameling vogels, waaronder
zeer fraaie en tal van uitheemsche exemplaren. Bijzonder inte-
ressant is ook de biologische kast, waarin op vernuftige wijze
alle voor het gewas schadelijke insecten zijn geclassificeerd.
Schuin tegenover het slot ligt het „Duitsche Huis, dat in
de vorige eeuw voor de Duitsche Orde gebouwd werd en thans
dienst doet als paleis van den groothertog. Napoleon I nam
hier altijd zijn intrek, wanneer hy Mainz bezocht, en verschei-
dene van zijne meubelen zijn nog in het gebouw aanwezig.
Aan de oorspronkelijke bestemming herinneren nog prachtige
fresco\'s in de hoofdzaal.
Zooals wn\' reeds kortelijk aanstipten, is Mainz sedert 1885 •
door een vaste brug met het aan de overzijde gelegen Castel
verbonden. Deze brug is niet alleen uit een technisch maar
ook uit aesthetisch oogpunt een echt meesterstuk. Bijzonder
indrukwekkend zijn de aan beide uiteinden geplaatste torens
(•) Zie blz. 97.
9
-ocr page 140-
130
en niet minder smaakvol de daarop aangebrachte emblemata
van oorlogskunst en nijverheid. Treffend schoon is hier boven-
dien, te midden van het bonte gewemel op de brug, het gezicht
over de levendige rivier, het statige Mainz en den heerlijken
Rheingau, zoodat het werkelijk niet te verwonderen is, dat de
Rijnbrug, vooral op schoone zomeravonden, een der meest ge-
liefde wandelplaatsen van de Mainzer high-live is.
A.ls wandelplaats spant echter ongetwijfeld de Neue Anlage
in de onmiddellijke nabijheid der stad de kroon. Jammer slechts,
dat de ingang tot dit heerlijke park, met zijn rijkdom van
bloemen, door den aanleg van spoorlijnen zeer geleden heeft.
Aan het einde er van is een terras met rondeel, van waar men
een onvergelijkelijk schoon uitzicht geniet. De concerten, die
hier des zomers gegeven worden, zn\'n met recht beroemd en
met evenveel genoegen luistert het levenslustige Mainzer pu-
bliek naar de nieuwste operetten-melodie als naar de strenge
Wagneriaansche muziek, want beiden vallen gelijkelijk in den
smaak.
Evenals wij slechts ongaarne Bingen verlieten, zoo kost het
ons ook moeite van Mainz te scheiden, waar wn\' zoo gaarne
te midden der vroolyke, levenslustige bevolking vertoefden. De
Mainzers toch vertoonen denzelfden karaktertrek als de bewo-
ners van al de plaatsen, waar god Bacchus den met wijnloof
bekransden scepter voert, en wel dezen, dat zij uiterst gezel-
lig en joviaal in den omgang zijn. Mainzer volkshumor en de
gerenommeerde Mainzer zuurkool hebben dan ook, ondanks
de gemeenschappelijke afkomst, niets met elkander gemeen;
de eerste toch is een licht verteerbaar kostje, uit onversne-
den druivensap geteeld.
Wie den Mainzer in zijn element wil zien, verzuime niet een
vergadering van de carnavals-vereeniging in de feestelijk ge-
tooide stadszaal aan den Rijnkant bij te wonen. Hu\' zal daar
minstens 2 a 3 duizend personen van allerlei rang en stand,
jong en oud (zuigelingen natuurlijk uitgezonderd), allen met
-ocr page 141-
131
de narrenkap getooid, byeenvinden. Beurtelings worden lie-
deren gezongen en voordrachten gehouden, waarbij het niet
aan politieke en dikwijls „haast al te pikante" toespelingen
ontbreekt. Maakt de zanger of spreker het op die wijze te bont
of vallen zijne aardigheden om andere redenen niet in den
smaak van het publiek, dan doet een opzettelijk daarvoor aan-
gebracht mechanisme hem als met een tooverslag verdwijnen.
In het tegenovergestelde geval mag hij zich ongetwijfeld ver-
heugen in daverende toejuichingen, vermengd met homerische
lachbuien.
Voor den nuchteren toeschouwer is het werkelijk onbegrij-
pelijk hoe de algemeene vrooiykheid zich allengs op de ern-
stigste en deftigste lieden overplant. Zelfs officieren in politiek
geraken uit de plooi, en brengen, op commando van den
eersten den besten liedjeszanger, allerlei menscheUjke of dier-
lijke geluiden voort. Kortom, er heerscht bü deze buitenge-
wone gelegenheid de meest mogelijke gelijkheid en broeder-
schap; zoo ergens, dan komt hier de spreuk: „Gelijkemonni-
ken, gelijke kappen," tot haar volle recht.
Steeds doller en luidruchtiger worden deze vergaderingen
naarmate de vasten naderen. Intusschen maakt alles zich ge-
reed voor den grooten dag, waarop Prins Carnaval zijn blijden
intocht binnen de grijze doch niettemin uiterst jolige veste
zal houden en tegelijk de opgewondenheid haar climax zal
hebben bereikt. Men moet het Mainzer carnaval dan ook met
eigen oogen aanschouwd hebben, om zich een denkbeeld te
kunnen vormen van den luister en den algemeenen jubel,
waarmede dit volksfeest in den waren zin van het woord, door
i-yk en arm, oud en jong, in de volmaaktste harmonie gevierd
wordt. Hoe diep de carnavals-pret in den volksgeest is door-
gedrongen, leert het volgende karakteristieke verhaaltje, waar-
van ieder Mainzer u gaarne de authenticiteit „auf Ehre" zal
waarborgen: Een pas getrouwd echtpaar uit de laagste volks-
klasse, slachtoffers van een onberaden huwelijk, viel de „struggle
-ocr page 142-
132
for live" zeer zwaar. Dit verhinderde echter niet dat beiden,
zonder het elkander te willen bekennen, dag en nacht over
middelen peinsden om naar hartelust op een der vele in aan-
tocht zijnde carnaval-bals te kunnen meedansen. Het resultaat
was, dat man en vrouw elkander werkelijk tot wederzgdsche
verbazing op een gemaskerd bal ontmoetten. Nu bleek, dat, om
aan de ingeboren neiging voor carnavals-pret bot te vieren,
de man het dekbed, de vrouw het onderbed verpand had !
„Dekbed" en „onderbed" dansten, zonder elkander met verwij-
ten lastig te vallen, samen den gehoelen nacht door en lieten
viooltjes voor de toekomst zorgen.
-ocr page 143-
HOOFDSTUK X.
De Taunus. — Hochlieira. — Soden. — Cronberg. — Königstein. —
Do Feldberg. — De Altkönig. — Homburg. — Frankfort.
Hoewel wij te Mainz eigenlijk veel langer vertoefd hebben,
dan ons reisplan voorschreef — hetgeen trouwens den besten
toerist wel eens overkomen kan — gevoelen wh\' nog niet de
minste geneigdheid om onzen tocht tot opsporing der Run-
bronnen reeds dadelijk rechtstreeks voort te zetten. Wie toch
kan ernstig weerstand bieden aan de geheimzinnige aantrek-
kingskracht, die van het in de blauwe verte wegsmeltende
Taunus-gebergte uitgaat. Bovendien zou het al van een vrij
bekrompen opvatting van onze taak getuigen, indien wü\'Hom-
burg en Frankfort-am-Main zijdelings lieten liggen.
Onder den naam Taunus verstaat men in het algemeen het
geheele bergland tusschen Rijn, Main en Lahn, doch meer
speciaal den zuidelijken bergrand, met zijn dikwijls ruwe en steile,
doch veelal liefelijke met wingerd en ooftboomen beplante hel-
lingen, naar de zijde van Main en Rijn. De hoogste punten zijn:
de groote Feldberg (880 M.), de kleine Feldberg (827 M.) en de
Altkönig (798 M.). Aan de Lahn-zyde z\\jn de hellingen zeer rijk
aan ertsen, wier ontginning aldaar het hoofdbestaan der be-
woners uitmaakt. Bovendien zijn op den woudryken Taunus
meer dan 150 minerale bronnen en wellen bekend, waarvan
er verscheidene tot de geneeskrachtigste van geheel Duitsch-
land behooren, zooals trouwens uit de talrijke, druk bezochte
-ocr page 144-
134
badplaatsen blijkt. De Taunus is inderdaad de schoonste parel
in de kroon van het door de natuur met romantische schoon-
heid en groote vruchtbaarheid gezegende Nassau. Van zijne
veelal met burcht-ruïnes gekroonde toppen geniet men dan ook
de heerlijkste vergezichten. De aanzienlijke overblijfselen van
Romeinsche versterkingen bewijzen, dat de Taunus een klas-
sieke bodem is en meermalen het tooneel was der bloedige
worstelingen tusschen de vrijheidlievende Germanen en de
Soden.
Romeinsche kohorten, terwijl de talrijke hunnebedden van een
nog vroegere periode getuigen.
Zoodra wij de sombere vestingwerken van Castel achter den
rug hebben, wordt ons oog aangenaam verrast door de wijn-
gaardbergen van Hochheim, waarop een edel en vurig gewas ge-
wonnen wordt, door alle wn\'nkenners op hoogen prijs gesteld. In
het stadje zelf fabriceert men den fameuzen Sparkling Hok,
de Hochheimer champagne, die aan de overzijde van het Kanaal
en bij de Yankees bijzonder „getapt" is, doch waarvan een
Duitscher, namelijk Hans Wachenhusen, zelf verklaart, dat zij
-ocr page 145-
135
meer speciaal voor de harde Britsche gehemelten bereid schijnt
te zijn.
Aan de meest zuidelijke helling van den Taunus ligt in een
alleraangenaamst klimaat en rijkelijk voorzien van genees-
krachtige bronnen, de badplaats Soden, een waar toevluchts-
oord voor wezenlijke zieken en tegelijk het uitgangspunt der
bergbeklimmers. Gelukkig belet ons niets om de laatsten op
hun wel wat vermoeienden maar niettemin alleraangenaamsten
tocht te volgen naar Cronberg, een snoepig stadje, met liefelijke
omstreken, die by uitnemendheid geschikt zijn, zoowel voor
de hout-cultuur als voor den teelt van vruchten en bloemen.
Het oude slot Cronberg, welks heeren reeds in het begin der
vorige eeuw uitgestorven zijn, bevat een kapel met merkwaar-
dige grafsteenen; van den top van den wachttoren, die langs
132 vrij lastige trappen wordt bereikt, geniet men een prach-
tig vergezicht.
Een der meest bezochte punten van den Taunus is ongetwij-
feld het bijzonder schilderachtig gelegen stedeke Königstein,
waar zij, die het Taunus-gebergte in alle richtingen wenschen
te doorkruisen, gewoonlijk hun hoofdkwartier vestigen. De aan-
trekkelijkheid van het vriendelijke plaatsje wordt nog verhoogd
door de talrijke villa\'s en landhuizen, die het aan alle zijden
omringen. Hoog boven Königstein verheft zich de bergvesting
van denzelfden naam, eens een geduchte sterkte, doch thans
niet veel meer dan een puinhoop. De geschiedenis van hare
grootheid en verval toont een zoo treffende overeenkomst met
die van alle andere ons reeds bekende burchten in de Kin-
streek, dat wü er niet bü zullen blijven stilstaan.
In het voorbijgaan werpen wij nog een blik op de ruïne van
het kasteel Falkenstein, waardoor de met woud begroeide
bergkegel, ten noordoosten van den Königstein, zoo sierlijk ge-
kroond wordt. Zoo bereiken wij al spoedig den koning van
de Taunus-toppen, den straks reeds genoemden Felberg, die,
behalve aan de kruin, geheel met woud bedekt is. Van die
-ocr page 146-
136
kruin echter heeft men een onbelemmerd vergezicht over de
geheele streek tot den Thuringschen Inselberg, den Hunsrück
en den Wasgau. Een kwartsblok van bijna 4 Meters hoogte,
aan de noordelijke helling, draagt reeds in een oorkonde van
het jaar 812 den naam van Brunehilde-bed. Van hier name-
l\\jk placht, naar de overlevering vermeldt, koningin Brune-
hilde, wanneer zij b\\j zonsopgang ontwaakte, haar verrukkelijk
schoon rijk te overzien. Een andere traditie brengt de plek
met de H. Hildegard in verband, die eenmaal op den harden
steen haar moede hoofd ter ruste zou hebben gelegd. Ook zond
zy van hier, evenals voor eeuwen Mozes op den berg Horeb,
hare gebeden ten hemel voor het heilige werk van Bernhard
van Clairvaux, toen deze te Frankfort door zijne vurige wel-
sprekendheid het volk voor den tweeden kruistocht in geest-
drift deed ontvlammen. Eindelijk nog laat de sage Herman
den Cherusker de Duitsche helden op den top van den Feld-
berg tot het eedverbond tegen het Romeinsche,juk bijeenroepen.
Ten zuiden van den Feldberg verheft zich de Altkönig\', de
tweede in rang onder de Taunus-toppen, doch lastig te be-
klimmen. Merkwaardig zijn de reusachtige ringmuren, die de
kruin omgeven, en waarvan de buitenste 1389.M., de binnenste
982 M. in omtrek heeft. Zij worden door het volk Hunnen-
ringen, ook wel Heiden- of Duivelsmuren genoemd en zijn
ongetwijfeld, lang voor den tyd der Eomeinen, aangelegd om
aan de bewoners uit den omtrek in tjjd van oorlog een veilig
toevluchtsoord te verschaffen. Wanneer men aan het volks-
verhaal geloof wil hechten, dan huist binnen de verbrokkelde
muren een oud mannetje, dat de schatten van den Altkönig
bewaakt en voor tijdverdrijf zijn altijd doorgroeienden baard
om een haspel windt. Uit dezelfde geloofwaardige bron zü nog
vermeld, dat hier ook ergens een heuschelijke Turksche sultan
in zjjn graf moet rusten, doch op welke vreemde wijze het
stoffelijk overschot van dezen beheerscher der geloovigen zoo-
ver verzeild is geraakt, vermeldt de historie, helaas, niet. Wel
-ocr page 147-
137
wordt er b\\j verteld, dat de Turken, wanneer zjj eens aan
den Rijn komen, het vorstelijk gebeente mede huiswaarts
zullen voeren!
Wij verlaten thans noode het heerlijke Taunus-gebergte met
Elisabeth-bron.
zijn onuitputteiyken rijkdom aan legenden en volkssprookjes,
om in het door de natuur zoo ruk gezegende Homburg van
onze wel wat vermoeienden zwerftocht „durch Gebirg und
Thai" uit te rusten. Eenzaamheid moeten wii er daarbij echter
-ocr page 148-
138
niet zoeken, want in het reisseizoen wordt het overigens vrij
stille plaatsje van nog geen 9000 inwoners jaarlijks door ge-
middeld 11,000 badgasten, ongerekend nog een minstens even-
groot aantal menschelijke trekvogels, die zich met een vluchtig
kykje vergenoegen, bezocht. Homburg „vor der Höhe", zooals
het wegens zijn aangename, beschutte ligging aan den voet
van den Taunus wordt genoemd, is namelijk een der meest
in trek zijnde badplaatsen aan den Middel-Rü\'n. Vermaard vooral
om haar zoutgehalte is de Elisabeth-bron, wier water ook wordt
verzonden en wier aantrekkelijkheid verhoogd wordt dooreen
schoone „Trinkhalle", met palmenhuis en oranjerie daarnevens.
De Louisa-bron bevat minder zout, maar meer ijzer, hetgeen
in nog hoogere mate met de Staal-bron het geval is. De Kei-
zers-
en Ludwigs-bron worden meest voor baden gebruikt.
Het Kurhaus bevat een reeks van prachtige vertrekken,
een rn\'k voorzien leeskabinet, een museum van op den nabu-
rigen Saalberg uitgegraven oudheden, in één woord alles wat
men met redelijkheid van een dergelijke inrichting van den
eersten rang mag verlangen. Op het terras, dat gedeeltelijk
met glas is gedekt — want ook te Homburg kan Mei wel eens
November zn\'n — geniet men het schoonste gezicht over de
stad. Naastaan ligt het Badhuis, terwn\'1 zich achter het Kur-
haus de wereldberoemde parken heinde en ver uitstrekken.
Vermelding verdient nog het slot der voormalige landgraven,
dat voor eenige jaren geheel nieuw ingericht werd tot zomer-
verblijf voor den vorigen Keizer — toen nog Kroonprins —
en diens gezin.
Evenmin als Wiesbaden mag Homburg op een vlekkeloos
verleden bogen. Ook te midden dezer heerlijke natuur heerschte
eenmaal de duivel van het spel met zn\'n gevolg van bande-
loosheid en verregaande immoraliteit. Het was dan ook inder-
daad een goed werk van de Pruisische regeering, dat zij over
den pachter der speelzalen Blanc, den eigenlijken landgraaf,
het banvonnis uitsprak. Bekend is het devies, dat indertijd een
-ocr page 149-
139
spotvogel in het wapen van dezen trouwen stedehouder uit
het rijk der duisternis schreef: lei ne gagne ni rouge ni noir,
mais toujours Blanc.
Een alleraangenaamste wandeling brengt ons in minder dan
een half uur tn\'ds van Homburg naar de aloude hoofdplaats
van het heilige romeinsche rijk der Duitschers, de eenmaal
vrije Rhksstad Frankfort. Uit haar ryk historisch verleden
stippen wt) slechts het volgende aan: Voor het eerst wordt
van Frankfort melding gemaakt in het jaar 794, toen Karel
de Groote aldaar een concilie belegde, terwijl er in hetzelfde
jaar \'s Keizers gemalin, de schoone Pastrada, overleed. Lodewn\'k
de Vrome bouwde er in 822 het keizerlijk paleis, ook de kei-
zerlijke palts genoemd. In 843 werd Frankfort de hoofdstad
van het Oost-Frankische Rijk en was sedert 1152 de stad waar
de verkiezing van den Roomschen koning plaats had. In 1329
werd zü eene vrn\'e rijksstad en in 1531 begon men er de Duitsche
keizers te kronen, hetgeen door den aartsbisschop-keurvorst
van Mainz verricht werd en vroeger altijd te Aken plaats had. Na
in den Franschen tn\'d in de macht van Napoleon gevallen te zn\'n
werd Frankfort in 1815 als eene vrije stad hersteld, waar de
Duitsche Bondsvergadering zich vestigde. Toen deze in 1866
uiteenging, maakte Pruisen zich van de stad en haar gebied
meester en lijfde beiden in, waarbij Frankfort natuurlijk tege-
lijkertijd wederom ophield een vrije Rijksstad te zijn. Terloops
zij hier nog herinnerd aan den vrede van Frankfort, die den
10 Mei 1871, tusschen Bismarck en Jules \'Favre gesloten werd.
Heeft, zooals wij pas gezien hebben, de stad sedert 1866
ontzaglijk veel van hare politieke beteekenis verloren, dan
staat tegenover het verlies der eerbiedwaardige privileges het
feit, dat zij gedurende de laatste jaren met reuzenschreden op
allerlei gebied is vooruitgegaan. Frankfort telt thans, met de
beide voorsteden Sachsenhausen (aan den linker Main-oever)
en Bornheim, nagenoeg 150,000 inwoners. De beide Main-oevers
zn\'n door 7 bruggen met elkander verbonden, waarvan er 3
-ocr page 150-
140
voor het spoorwegverkeer dienen. Dat Frankfort zich in zulk
een bloeienden transito-handel mag verheugen, dankt het vooral
aan zijne gunstige geographische ligging, als middel- en door-
gangspunt tusschen Noord- en Zuid-Duitschland. Ter eereder
stad mag nog gezegd worden, dat zij, niettegenstaande haar
sterk sprekend mercantieel-karakter, in liefde voor kunsten
en wetenschappen wellicht door geene andere Duitsche stad
overtroffen wordt.
Wanneer wij thans, als rechtgeaarde toeristen, onzen pel-
grimstocht door de stad aanvangen, worden wij reeds dadelijk
door ons piëteitsgevoel machtig aangetrokken naar de woning
van den onsterfelijken Goethe, die hier in 1749 het eerste levens-
licht aanschouwde. Het huis werd in 1863 dooreenige vereer-
ders van den grooten dichter aangekocht en met de uiterste
zorg in den toestand teruggebracht, waarin het in diens jonge
jaren verkeerde. Dezelfde vrij onaanzienlijke woning was een-
maal het tooneel van Goethe\'s jeugdige avonturen, zooals men
die in zijne „Dichtung und Wahrheit" met zoovoel gloed be-
schreven vindt. Natuurlijk zy\'n de Frankforters niet in gebreke
gebleven een standbeeld voor hun wereldberoemden medebur-
ger op te richten; het prachtige monument is door Schwan-
thaler ontworpen en bevat op zn\'n voetstuk, behalve eenige
allegorische figuren, de voornaamste gestalten uit Goethe\'s
werken.
Ook Gutenberg heeft hier, evengoed als te Mainz, zijn
gedenkteeken, dat in 1858 ter eere van de uitvinding der boek-
drukkunst werd opgericht. Het bestaat uit een fontein, om-
ringd van door galvanoplastiek vervaardigde groepen. Zoo ziet
men er Gutenberg zelf, de traditioneele letter in de hand
houdende, met Fust en Schöffer aan zijne zijde. Verder aan de
fries 14 medaillon-portretten van verdienstelijke boekdrukkers,
benevens de wapens van Mainz, Frankfort, Straatsburg en
Venetië, waar de boekdrukkunst reeds vroeg werd uitgeoefend.
Het voetstuk bevat allegorische voorstellingen van de theologie»
-ocr page 151-
•
141
de poëzie, de natuurwetenschappen en de nijverheid. — Nog
kan men op het Schiller-plein het standbeeld van Schiller be-
wonderen.
Het merkwaardigste van alle wereldlijke gebouwen, zoowel
uit een architectonisch als uit een historisch oogpunt, is on-
getwijfeld de Romer, het oude Raadhuis, in de schitterende
dagen, toen Frankfort nog een vrije Ryksstad was, waar de
Romer.
Duitsche Keizers gekozen werden. Belangwekkend vooral is
de Keizerzaal, waar de nieuw gekozen Keizer met de keur-
vorsten na de verkiezing het middagmaal gebruikte en van
welks balkon hy zich aan het op den Rómerberg verzamelde
volk vertoonde. In 1843 werd het zoldergewelf op voortreffe-
lijke wijze gerestaureerd en ontvingen de wanden de in olie-
verf geschilderde levensgroote portretten van meer dan 50
Duitsche Keizers, waaronder dat van Barbarossa het meest
-ocr page 152-
142
voldoet. Op het plein voor den Romer, den zooeven reeds ge-
noemden Römerberg, hadden bij elke Keizerskroning de ge-
bruikelijke volksfeesten plaats.
Evenals alle andere steden van eenige beteekenis, die wij op
onzen tocht ontmoet hebben, mag ook Frankfort trotsch zn\'n
op het bezit van een eeuwenouden Dom in gothlschen styi,
waarvan vooral het inwendige zeer de aandacht verdient. Niet
het minst merkwaardig is het hoofdaltaar, waarvoor in de
dagen van weleer de Duitsche Keizers door den keuvorst van
Mainz gekroond werden. In de onmiddellijke nabijheid van
het kerkgebouw vindt men (Domplein N°. 4) het huis van
Luther,
met een steenen beeld van den reformator in den
voorgevel, waaruit deze, volgens de overlevering, op zijn reis
naar den Rijksdag te Worms het volk zou hebben toegesproken.
Tot de oudste en merkwaardigste monumenten behoort ook
ongetwijfeld de oude Main-brug, die van 1342 dateert en in
1844 met een standbeeld van Karel den Groote uit roode
zandsteen versierd werd. Het indrukwekkende beeld draagt in
de linkerhand den rijksappel, hetgeen vele eenvoudige zie-
len op de gedachte heeft gebracht, dat men hier een hulde
wilde brengen aan den uitvinder van den appelwijn, een zeer
geliefden Trankfortschen volksdrank. Daarnaast staat op een
zeer oud ijzeren kruis, met een nog ouder Christus-beeld,
een vergulde haan, als herinnering aan een legende, die in
nagenoeg denzelfden vorm, aan de meeste oude bouwwerken
verbonden is. Om namelijk den duivel die met den bouw dei-
brug geen vrede had en in die dagen zeer veel macht bezat, tot
vriend te houden, beloofde de bouwmeester hem het eerste
levende wezen, dat over de brug zou gaan. Men joeg nu een
mageren haan over het pas voltooide bouwwerk, tot groote
teleurstelling van zijne helsche majesteit, die op een exemplaar
van de edelste dierensoort gerekend had.
Een merkwaardigheid van jongeren datum, doch zeker niet
minder bezienswaardig, is het museum-Bethmann, dat zn\'n
-ocr page 153-
143
grootsten naam te danken heeft aan de daar geëxposeerde we-
reldberoemde „Ariadne" van Dannecker.
Niet minder belangrijk is de zoogenoemde Stadelsche kunst-
inrichting,
gesticht door den in 1816 overleden burger van
Frankfort, J. F. Stadel, die aan de stad niet alleen zjjne rh\'ke
verzameling schilderden en prenten vermaakte, maar bovendien
nog eene som van 1,200,000 gulden schonk om eene kunstschool
op te richten, die in 1828 tot stand kwam en gemiddeld 200
leerlingen telt.
-ocr page 154-
144
Ook het historisch museum in het archief op den Romer
bevat zeer veel belangrijks. Zoo vindt men daar o. a. de ver-
maarde gouden bul van Keizer Karel IV uit het jaar 1356,
aldus genoemd naar de gouden doos, waarin het daaraan vast-
gehechte rükszegel vervat is. Het merkwaardige document
houdt bepalingen in omtrent de verkiezing der keizers door
de keurvorsten.
Het joodsche element is te Frankfort in de handelswereld
bijzonder sterk vertegenwoordigd; men denke slechts aan de
Rothschild\'s, de Bethmann\'s en zooveel andere geldvorsten,
die in de onzindelijke „Judengasse" het eerste levenslicht aan-
schouwden en thans door hun enorme rn\'kdommen de wereld
beheerschen. Overigens mag men veilig aannemen, dat de
effectenhandel, die te Frankfort nog zeer aanzienlijk is, min-
stens voor een derde gedeelte door joden gedreven wordt. Te
merkwaardiger zijn deze feiten, wanneer men bedenkt, dat
nog in 1806 de poort, die naar het jodenkwartier leidde, eiken
avond en op Zon- en feestdagen den geheelen dag gesloten
werd, terwn\'1 ieder jood, die in een ander gedeelte van de stad
gezien werd, zware boete beliep. Ook was de Römerberg, het
plein voor den Romer, waar bü keizerskroningen de traditio-
neele volksfeesten gegeven werden, voor hen een streng ver-
boden terrein.
-ocr page 155-
HOOFDSTUK XI.
Landskron. — Oppenbeim. — Worms. — Mannheiro. — Ludwigshaven. —
Heidelberg. — Het Odenwald. — De Bergweg. — Melibocas.
Wederom verrijst, op eenigen afstand vóór ons, in al zijn
pracht en heerlijkheid het „gouden Mainz", terwijl ons vaar-
tuig, na het gedeelte van den Main, beneden Frankfort, snel te
zijn afgegleden, wederom op de golven van den machtigen Rijn-
stroom wiegelt. Nog een dankbaren blik werpen wij op de oude
Koningsstad, wier Dom zich zoo statig boven de breede daken
verheft en voort gaat het stroomopwaarts langs de weelderige
boorden, waar de heerlijke godendrank wast, die onder de wel-
bekende namen van Niersteiner, Laubenheimer, Bodenheimer enz.
reeds sedert menschenheugenis een kosmopolitische vermaard-
heid bezat. Wij vullen daarom den beker tot aan den rand met
het gulden vocht, terwijl wij eerbiedig staren naar de trotsche
overblijfselen van de eens zoo machtige rü\'ksvesting Landskron.
Heerlijk schoon is ook het uitzicht, dat men van dit hoog-
gelegen punt over de Rn\'n-vlakte, met de blauwe bergen aan
den verren gezichteinder, genieten kan. Onder aan den berg,
waarop de sterke veste indertijd door keizer Lotharius gebouwd
werd, ligt het nog veel oudere stadje Oppenheim, dat reeds
uit den tijd der Romeinen dagteekent. Bovendien mag dit bogen
op het bezit van een der schoonste monumenten van gothische
bouwkunst, de beroemde Katharina-kerk. In den Paltz-oorlog
werd dit meesterstuk, waaraan sedert 1262 eeuwen lang door
10
-ocr page 156-
146
verschillende generaties gewerkt werd, minstens voor de helft
vernield. Thans echter is men druk bezig de kerk weder zoo-
veel mogelijk in haar oorspronkelijken toestand te herstellen.
Even merkwaardig als schoon is ook het inwendige van het
gebouw, waar men op verschillende plaatsen de wapens der
edelste en beroemdste geslachten uit de 15de eeuw, in steen
gebeiteld of op glas geschilderd, aantreft.
Zoo bereiken wjj, na tal van dorpen voorbijgevaren te zijn,
het beroemde Worms, oorspronkelijk een Romeinsche burcht
en in de middeleeuwen een der aanzienlijkste rijkssteden. De
omstreken van "Worms zijn niet bepaald schoon ; het landschap
is vlak en eentonig; tusschen laag gelegen en met zwaar wilgen-
hout begroeide landerijen stuwt hier de Rijn zijn somber ge-
tinte golven voort.
Geen plaats ter wereld echter, die om zu\'n historisch verleden
zulk een overweldigenden indruk maakt. „Men kan - zegt
Karl Stieler dan ook volkomen terecht — te Worms wel on-
verschillig voorbijgaan hetgeen is, maar niemand kan zich
onttrekken aan de overweldigende gedachte van hetgeen was.
Hier toch is de plek, waar eens de groote Caesar stond,
waar Attila, de sombere held der verwoesting, zijn ros over
den Run dreef, waar het oude sprookje van den Rozentuin
speelt, en de strijd der beide koninginnen, Brunhild en Chriem-
hilde, is ontstaan. Vóór den dom te Worms en over den dom
steeg die sombere wolk, waarvan de bliksemstraal krachtig
blijft lichten in het Nibelungen-lied."
Het ligt ver buiten ons bestek ook maar in \'t kort de ge-
schiedenis van deze merkwaardige stad te schrijven; wij her-
inneren slechts aan de vele, voor het machtige Duitsche ruk
niet alleen, maar voor de geheele wereld uiterst gewichtige
conciliën en rijksdagen, die binnen de muren van Worms zijn
gehouden. Men denke slechts aan den rijksdag van April 1521,
waar Luther, voor keizer Karel V en zes keurvorsten, ten aan-
hoore van adel en geestelijkheid, zijne theses verdedigde en
-ocr page 157-
147
besloot met de woorden: „Hier sta ik, ik kan niet anders,
God helpe mn\'. Amen."
Vreeseiyk was de verwoesting in 1689 door de Franschen,
onder Melac en den jongen hertog van Créqui, aangericht. De
geheele stad werd door deze woestelingen geplunderd en ver-
brand; slechts de dom, de Lievevrouwenkerk, de synagoge en
enkele andere gebouwen bleven gespaard. Sedert leidde Worms,
terend op zijn grootsch verleden, slechts een kwijnend bestaan,
totdat in de laatste jaren de ontwikkeling van handel en in-
dustrie eenige meerdere levendigheid binnen de vroeger zoo
stille en sombere muren bracht. De stad telt thans nog
slechts een bevolking van 22 a 23,000 zielen, die in den wijn-
bouw haar voornaamste bron van bestaan vindt. Beroemd
vooral is de Liebfrauenmilch, waarvan het echte merk in de
tuinen van het voormalige Liebfrauenstift gewonnen wordt.
Het merkwaardigste der openbare gebouwen is, zooals
trouwens van een stad als Worms bijna vanzelf spreekt, de
Dom, een der schoonste romaansche kerken van Duitschland, die
in het begin der 12a" eeuw werd gebouwd. Aan de torens zijn
zonderlinge dieren gestal ten aangebracht, en boven het zuidelijke
portaal ziet men eene voorstelling van de triomfeerende kerk:
«ene vrouw met eene muurkroon op het hoofd, gezeten op een
dier met de koppen van een stier, een leeuw, een adelaar en
«en engel. Inwendig is de kerk met oude basreliefs en schil-
derwerken versierd.
De joodsche synagoge, die bij den brand van 1689 gespaard
bleef, dagteekent reeds, naar men wil, uit dezelfde eeuw.
"Waarschijnlijk is dan ook de joodsche gemeente van "Worms
de oudste in Duitschland. Op gezag van eene overoude kroniek
wordt zelfs beweerd, dat zn" zich aldaar reeds gevestigd heeft
in het jaar 588 vóór Christus, toen Nebucadnezar de laatste
joden in de Babylonische gevangenschap voerde. Door alle
tijden heen heeft zij overigens in den besten roep gestaan,
vandaar het spreekwoord: „Wormser joden, brave joden."
-ocr page 158-
148
-ocr page 159-
140
Hun rabbijn had vroeger den titel van bisschop en zij stonden
gezamenlijk onder de bescherming van het machtige geslacht
Kammerer von Worms, genaamd Dalberg, waarvan de prachtige
grafgesteenten nog in de pas door ons bezochte Katharina-kerk
te Oppenheim gevonden worden.
Hoewel van vrn\'wat jongeren datum dan de monumenten
uit het grijs verleden, hierboven vermeld, verdient toch het
grootsche Luther-gedenkteeken, dat den 258ten Juni 1868 werd
onthuld, bijzonder de aandacht. Het bestaat in zijn geheel uit
niet minder dan 12 standbeelden, 8 portret-medaillons, 34
wapens en 22 reliëfs, op de voetstukken aangebracht. In het
midden verheft zich het uit brons gegoten standbeeld van
Luther zelf, een indrukwekkende gestalte, in houding en
gebaren ongetwijfeld de meest karakteristieke plastische
voorstelling, die men ooit van den grooten hervormer gegeven
heeft. De overige figuren zijn: Wiclef, Huss, Savonarola, Petrus
Waldus (de vier voorbereiders der reformatie), Philips de
Grootmoedige, Frederik de Wijze, Melanchton en Reuchlin,
benevens symbolische voorstellingen der steden Maagdenburg,
Augsburg en Spiers. De beroemde beeldhouwer Rietschel, dio
het plan voor het monument ontwierp, modelleerde ook de
hoofdfiguren.
Aan de overzijde van den Ryn en door een vaste brug met
de stad verbonden, ligt de Rosengarten, vroeger een door
den stroom omspoelde vlakte, en het tooneel van tallooze
sagen en heldendichten uit de grijze oudheid. Rozen bloeien
er echter thans niet meer, slechts gras en onkruid tieren op
deze door de poëzie geheiligde plek.
Van Worms tot Mannheim, waar Rijn en Neckar samen-
vloeien, biedt de oever aan onze linkerzijde, onder het opvaren,
de verrukkelijkste boschgezichten aan. Mannheim zelf is,
na Keulen, de aanzienlijkste koopstad aan den Rijn en heeft
een bevolking van ruim 62,000 zielen. Daarenboven is het,
met Neuwied, de regelmatigst gebouwde stad van Duitsch-
-ocr page 160-
150
land, daar zijne 20 hoofdstraten allen van gelijke breedte zijn
en evenwn\'dig van Noord naar Zuid en van Oost naar West
loopen. De meeste straten voeren dan ook geen namen, maar
men onderscheidt slechts de 135 blokken huizen, waarvan er
gemiddeld 7 door een zelfde letter aangewezen en wederom
door cijfers van elkander onderscheiden worden. Zoo heet
het bu\'v. Al, Q2, T5, enz., evenals in Amerika, waarde
gemeentebesturen geen kostbaren tijd zoekmaken met het uit-
denken van allerlei lastige namen voor nieuwe straten. Uit
deze eigenaardigheid valt tevens gemakkelijk af te leiden, dat
Mannheim in zeker opzicht een parvenu onder de Rijnsteden
is. De stad werd dan ook eerst in het begin der 17dc eeuw
door Keurvorst Frederik IV van den Palts gesticht en heeft
uitsluitend aan hare levendige handel en scheepvaart den
bloeienden toestand, waarin z\\j thans verkeert, te danken.
In 1875 werden de nieuwe grootsche havenwerken voltooid,
wier aanblik zelfs voor ons, Nederlanders, die anders op dat punt
nogal verwend zijn, hoogst interessant is.
Het merkwaardigste, wat Mannheim voor den vreemdeling
bevat, is echter ongetwijfeld het Slot, dat Keurvorst Karel Filips
van 1720—1731 voor zich liet bouwen. Het is geheel uit roode
zandsteen opgetrokken en neemt, bü een lengte van 530 M.,
bijna het geheele zuidwestelijke gedeelte van de stad in. Men
telt er niet minder dan 5 hoofdingangen, 4 binnenpleinen en
ruim 2000 vensters. In zu\'n ruime zalen vindt men thans rn\'ke
verzamelingen oudheden, schilderijen en naturaliën. Ook de
slottuin, met zijn schoone wandelingen, is een bezoek over-
waard.
Bijzondere melding verdienen verder nog de Schouwburg,
waar de onsterfelijke Schiller, voor wien ook te Mannheim een
standbeeld opgericht is, zijne eerste lauweren als tooneelschrij-
ver behaalde, alsmede de standbeelden van Iffland, den waar-
digen vertolker van Schiller\'s meesterwerken, die hier zijne
kunstenaarsloopbaan aanving, en van Von Dalberg, den be-
-ocr page 161-
151
kenden schouwburg-intendant uit die dagen. Beide laatstge-
noemde beelden zn\'n door den kunstminnenden koning Lode-
w}jk I van Beieren aan de stad geschonken.
Een toonbeeld van snel toenemenden bloei is ongetwijfeld
het tegenover Mannheim gelegen en daarmede door een vaste
ijzeren brug verbonden Ludwigshaven, vroeger slechts een
versterkt bruggehoofd, waar in de onstuimige jaren van het
laatst der vorige eeuw menige bloedige kamp is gestreden.
Eerst in 1843 werd met den bouw dier stad begonnen, en thans
is zij reeds een zeer aanzienlijke handels- en fabrieksplaats.
Wij varen thans een eindweegs den Neckar op, door vrucht-
bare streken, waar vooral de hopteelt bloeit, naar het beroemde
Heidelberg, met zijn wijdvermaarde universiteit en zijn won-
derschoon slot. Licht en vroolnk strekt het stadje zich langs de
rivier uit, beschut door de blauwe bergen, die zich hoog boven
de plaats verheffen en ook aan de overzijde den Neckar-stroom
nauw omlijsten.
Hoe ongeëvenaard schoon echter de ligging van Heidel-
berg moge zijn, ontleent het toch zijn grootsten roem en
luister aan zijne hoogeschool, die in 1386 door den Palts-graaf
Ruprecht werd gesticht, en, na die van Praag en Weenen, de
oudste van geheel Duitschland is. In de laatste helft der 16de
en in het begin der 17de eeuw, toen zij het toppunt van haren
bloei bereikt had, was de Heidelbergsche hoogeschool de hoofd-
zetel van het humanisme en het palladium van den hervormden
godsdienst. De stormen van den dertigjarigen oorlog deden
échter weldra dien luister tanen, terwijl later de verwoes-
ting van den Ryn-Palts door de Franschen haar aan den rand
van den afgrond bracht. Na dien tijd leidde de eens zoo
bloeiende Alma-Mater een allertreurigst bestaan, totdat Karel
Frederik van Baden, onder wiens bewind Heidelberg in het
begin dezer eeuw gekomen was, haar uit den doodslaap opwekte
en als ware het een nieuw leven uit de puinhoopen te voorschijn
wist te tooveren. Deze wijze vorst slaagde er in geleerden van
-ocr page 162-
152
naam naar Heidelberg te lokken en gaf aan de wetenschap-
pelijke inrichtingen en verzamelingen een ontzaglijke uitbrei-
ding. Tegelijk kwam ook de stad zelf tot nieuwen bloei, even-
als trouwens de „fata" van Heidelberg en van zijne univer-
siteit, door de eeuwen heen, ten nauwste zijn saamgeweven.
Eigenaardig is het feit, dat het aantal studiosi, in het gure
jaargetijde omstreeks 700 bedragende, des zomers, wanneer in
de verrukkelijke omstreken van die „feine an Ehren reiche
Stadt,"
zoo onnoemelijk veel te genieten valt, tot circa 1000
stygt.
De Heidelbergsche universiteit mag zich verheugen in het be-
zit van een bibliotheek, harer waardig. Zü is in een afzonderlijk
gebouw gehuisvest en bevat niet minder dan 300,000 boeken,
over de 3000 handschriften en 1500 oorkonden. Na de verove-
ring van Heidelberg door Tilly, in 1623, veroorloofde Maximi-
liaan van Beieren zich de vrijheid om de beroemde „bibliotheca
palatina" aan den Paus ten geschenke te zenden. Later werd
deze onschatbare verzameling wel weder uit Rome naar Heidel-
berg teruggezonden, maar bij het heen en weer zenden waren
ongelukkigerwijs niet minder dan twee derden der handschrif-
ten zoek geraakt of blijven hangen.
Wh\' laten het aan geleerden en vakmannen over om de zeer
merk waardige anatomische en andere wetenschappelijke ver-
zamelingen, klinieken, enz. te bezoeken en haasten ons op weg
naar het Slot, het voornaamste aantrekkingspunt voor alle
vreemdelingen. En geen wonder! Het Heidelbergsche slot toch
is — of liever was — niets meer of minder dan een samen-
voeging van grootsche paleizen, door vele opvolgende geslachten
gebouwd, een kleine stad van burchten, torens, zalen en tuinen.
Het oudste gedeelte van het slot werd door keurvorst Ru-
dolf I in 130S gesticht, die er zijn residentie vestigde. Het
verder bijgebouwde dateert uit de jaren 1400, 1556 en 1601. Al
die pracht en heerlijkheid waren, niettegenstaande de inneming
der stad door Tilly, vrijwel in stand gebleven, totdat de Fran-
-ocr page 163-
153
Hot Heidelbcrger slot (Noordeijde).
-ocr page 164-
154
schen onder Mélac en De Lorge, toen z\\] het ongelukkige
Heidelberg verwoestten, hun afschuwelijk vandalisme aan dit
meesterwerk van vele eeuwen botvierden. Mocht het den woes-
telingen al niet gelukken de trotsche muren neer te halen,
het inwendige werd door hen zooveel mogelijk uitgebi-and en
vernield. Wèl poogde de kunstlievende keurvorst Karel Theo-
door het slot in zijn vorige grootheid te herstellen, doch anno
1764 vernielde het hemelvuur weder alles, wat reeds met zoo-
veel moeite en zorg was tot stand gebracht. Sedert is het
schoone bouwwerk een ruïne gebleven, die echter, wat rijkdom
van architectuur aangaat, door geen kasteel van den nieuweren
tijd op zijde wordt gestreefd. Ook zijn omvang en ligging
stempelen het tot een der merkwaardigste monumenten uit
lang vervlogen eeuwen. Welsprekender memento aan de broos-
heid van alle menschenwerk en aan de oneindigheid der eeuwig
zich verjongende natuur, kan men zich moeilijk denken, dan
dit doolhof van paleizen, vol van grootsche herinneringen aan
lang verdwenen geslachten, omringd door zonnige paden, waar-
op duizenden viooltjes hunne welriekende geuren opwaarts
zenden.
Wh\' wagen ons niet aan een gedetailleerde beschrijving van al
deze bouwwerken, die, elk voor zich, hun eigen schoonheid en
hun eigen rijk verleden hebben. Het belangwekkendste en uit
een architectonisch oogpunt tevens schoonste gedeelte van het
slot is echter buiten kijf het paleis, door den keurvorst Otto
Hendrik, anno 1556, in prachtigen Italiaanschen renaissance-
stijl gebouwd. Aan den ruk getooiden voorgevel ziet men, in
bonte mengeling dooreen, in steen gehouwen goden van den
Olympus, helden uit het oude testament en symbolische voor-
stellingen der bekende drie christelijke deugden: hoop, geloof
en liefde. En toch heeft deze schijnbaar wel eenigszins zonder-
linge samenkoppeling van David met Hercules, Venus Aphro-
dite met Josua, volgens officieele bescheiden wel degelijk een
symbolische beteekenis, en wel de volgende: „Op de kracht
-ocr page 165-
155
der persoonlijkheid, op de heldhaftigheid van het volk rust
veilig de macht des vorsten. De laatste heeft haar steunpunt
in de beoefening der christelijke deugden, vereenigd met
sterkte en gerechtigheid; zij staat,eindelijk,onderden invloed
van eene hemelsche leiding, die zich in den loop van het ge-
sternte openbaart." Men moet het maar weten !
Geen toerist zal het slot verlaten zonder een bezoek gebracht
te hebben aan het wereldbekende Heidelberger vat, het ideaal
Heidelberger vat.
van alle drinkebroers, dat in 1751 op last van vorst Karel
Theodoor vervaardigd werd en ruim 283,000 flesschèn wjjn kan
bevatten. Ongelukkig ligt het reeds sedert jaren leeg. Tegenover
dit merkwaardig staaltje van kuipwerk staat het houten stand-
beeld van Clemens Perkeo, den hofnar van Karel Philips. Vol-
gens de traditie nuttigde het kleine, schrale ventje dagelijks
zijn 15 flosschen wijn, hetgeen toen ter tn\'d voor een zeer ver-
dienstelijk werk werd gehouden.
Van de schoone gezichtspunten, die men in de nabijheid
-ocr page 166-
156
van het slot aantreft, noemen wij in de eerste plaats het groote
terras, in den slottuin, in 1616 door Salomon de Caus gebouwd.
Het rust op 30 M. hooge booggewelven en heeft een prachtig
uitzicht op de stad en het Neckar-dal. Van daar bereikt men
langs een heerlijk belommerden boschweg den Konivgsstoel
later ook ,,Keizersstoel" genoemd, nadat Keizer Frans van
Oostenrijk en Keizer Alexander I van Rusland dit hooggelegen
punt in 1815 bestegen hadden.
Verder komt men, na een verrukkelijke wandeling van een
half uur, aan de Wolfsbron, waar vroeger een keurvorstelyk
jachthuis stond, eenmaal het lievelingsverblijf van Frederik V
en zijne gemalin Elisabeth Stuart. Hier is ook de plek, waar
de sage speelt van de gravin Jetta, die, van uit haar toover-
paleis op den Jettenbühl, \'s nachts de hutten der arme visschers
placht te bezoeken, waar zij dan de ledige kasten vanspn\'sen
drank en de even ledige kisten van geld en linnen voorzag.
Bij een dier gelegenheden werd de weldadige toovenaarster
echter aan deze bron door een wolvin overvallen en verscheurd ;
vandaar de naam „Wolfsbron".
Ook de Kansel, en in nog ruimere mate het Bondeel, ver-
schaffen de heerlijkste vergezichten vol afwisseling over bergen
en dalen.
\' Van Heidelberg naar Darmstadt, over eene lengte van meer
dan veertig mijlen, strekt zich het Odenwald uit, welks heerlijk
lommer ons reeds op den tocht van Worms naar Mannbeim
zoo uitnoodigend tegenlonkte en waaraan wü, helaas, slechts
een vluchtig bezoek kunnen brengen. Wij volgen daartoe de heir-
baan, die zich langs den zoom van hot heerlijke woud uitstrekt en
reeds ten tijde der Romeinen den naam van Bergweg (platea
montana) droeg. Zoo bereiken wü, langs schilderachtige stadjes
en liefelijke dorpen van eigenaardigen bouwtrant, den bergtop
Uelibocns, van waar zich een onvergelijkelijk schoon panorama
voor het verbaasde oog ontrolt. In lange golven breiden zich
-ocr page 167-
157
bergen en heuvelen over het land uit: het bekoorlijke Taunus-
gebergte, de woeste Spessart, dan het somber getinte Schwarz-
wald en eindelijk, aan den verren horizont, de in azuren sche-
mering gehulde Vogezen. Boven alle beschrijving schoon en
liefeiyk is echter de breede RUn-vlakte, die zich aan onze
voeten in een langen zoom langs het Odenwald ontrolt, en
waaruit hier en daar de hooge torens en koepeldaken dor
oude Rn\'n-steden Spiers, Worms en het gouden Mainz verrijzen.
-ocr page 168-
HOOFDSTUK XII.
Spiers. — De Beiersche Palts. — Het rotsland van Dahn. — De Ma-
denburg. — De Trifels. — De Wegelburg. — Baden-Baden. — Het
Schwarzwald. — Het Mummelmeer. — De Bfittensteiner watervallen. —
Klooster Allerheiligen.
Hoe gaarne wij ook het Odenwald, nog zoo rijk aan ongerept
natuurschoon, op ons gemak zouden willen doorkruisen, moch-
ten wij, met het oog op den verren weg die nog voor ons ligt,
aan die verzoeking niet toegeven. Dankbaar — zy het dan ook
niet geheel voldaan — namen wij dus reeds op den Melibocus
afscheid van het reusachtige woud, dat ons juist door zijne
geheimzinnigheid zoozeer aantrok, om, na den Neckar weder
afgestevend te zijn, van uit Mannheim den tocht Rijn-opwaarts
p/lichtgetreu voort te zetten.
Ook hier ontmoeten wij weder een stad met een belangrijk
historisch verleden, namelijk de oude en zeer vermaarde Rijks-
stad Spiers, meer nog bekend als begraafplaats dan als resi-
dentie der Duitsche Keizers. Wanneer dezen levensmoede
waren of hun einde voelden naderen, was hun laatste ge-
dachte : Spiers. Toen Keizer Rudolf, gebogen door de jaren
«n uitgeput door zü\'n veelbewogen leven, eindelijk naar rust
verlangde, liet hij voor het laatst zn\'n paard zadelen en reed
hij naar Spiers om daar op den drempel van zijn graf te ster-
ven. Dit graf was de vermaarde Dom met zijne reusachtige
muren en torens, door Koenraad III in 1030 als laatste rust-
plaats voor zich en zijne opvolgers opgericht en waarin de
-ocr page 169-
159
lijken van geheele reeksen Duitsche Keizers en Keizerinnen
werden bijgezet.
Meer dan zes eeuwen lang, niettegenstaande de rampen,
waarin ook Spiera gedurende den dertigjarigen oorlog ruim-
schoots deelde en de ruwheid dier tijden, strekte zich geen
beiligschennende hand naar deze gewijde rustplaats uit. Eerst
de Franschen, die zich zoo gaarne het beschaafdste volk ter
wereld hooren noomen, durfden dit gruwelfeit bestaan, waar-
voor zelfs de ruwste Zweedsche krijgsknecht was terugge-
deinsd. Het was den 31sten Mei 1689, dat de Fransche generaal
Montclair, toen hij de stad zelf in een puinhoop herschiep en
al de vestingwerken in de lucht deed springen, de keizerlijke
grafsteden in den dom door zijne soldaten liet vernielen en
gedoogde dat met de hoofden der Duitsche keizers werd ge-
kegeld ! Deze euveldaad werd nog eens herhaald op 12 October
1693 onder bevel van een Franschen intendant met name Henz
en — merkwaardig genoeg! — den 12 October 1793 werden
ook de koninklijke graven te St. Denis onder bevel van zekoren
volksvertegenwoordiger Hentz geschonden, waarbij men niet
het stoffelijk overschot van Lodewijk XIV, den beul van den
Palts, het begin maakte.
Na de verwoesting van 16S9 bleef de kerk, die drie torens
verloren had, evenals de geheele stad, tien jaar lang een beeld
van ellende opleveren. Toen begon men de puinhoopen weg
te ruimen, doch eerst van 1772 tot 1784 werd de dom weder
zooveel mogelijk hersteld.
In 1794 hielden de Franschen — ditmaal zijn het de roode
republikeinen - te Spiers weder duchtig huis. Zij haalden al
wat brandbaar was, zooals kruisen, altaren, misboeken enz. uit
den dom, wierpen die op een hoop en maakten er onder woeste
dansen een vreugdevuur van. Sedert werd het oude eerwaardige
gebouw door hen als hooimagazijn gebruikt, en reeds zou de
afbraak voor eenige duizende francs verkocht worden, toen de
loop der gebeurtenissen de sansculottes over den Rijn terugdreef.
-ocr page 170-
160
Onder den Beierschen koning Maximiliaan I werd in 1820
de herbouw krachtig ter hand genomen, waarop van 1846 tot
1858, onder koning Lodewijk, de versiering met prachtige
fresco\'s volgde. In de jaren 1854 tot 1858 had eene ver-
nieuwing plaats van het westfront met torens van 225 voet
hoogte en eene voorhal van 100 voet lengte en 30 voet breedte,
die de keizerzaal genoemd wordt en met de beelden der acht
keizers, die in het koningskoor begraven waren, versierd is.
Evenals te Worms en te Mainz, werden ook te Spiers meer-
malen rijksdagen gehouden. Voor de geschiedenis der hervor-
ming is zeker wol de belangrijkste die van 1529, toen zes
Luthersche vorsten en dertien rijksstanden een protest indien-
den tegen de vijandige besluiten der meerderheid ten opzichte
der reformatie. Vandaar hun naam protestanten, die ook later
aan de belijders der nieuwe leer in het algemeen ten deel viel.
Had reeds de „kneuzende oorlogsvracht" in den dertigjarigen
krn\'g loodzwaar op Spiers gerust, de alles verwoestende hand
der Franschen bracht aan de aloude stad den genadeslag toe.
Eerst in de laatste jaren is het haar gelukt zich weder eenigs-
zins uit haren staat van „ville morte" op te heffen.
Vervuld van weemoedige gedachten, nemen wfl afscheid van
het eens zoo machtige en wijdvermaarde Spiers, waar alles
zoozeer getuigt van vervallen grootheid en verdwenen luister.
Om aan deze gedrukte stemming, die vooral op reis niet deugt,
te ontkomen, staat ons thans geen beter middel ten dienste
dan een zwerftochtje langs de met wijnranken begroeide ber-
gen en dalen van den Beierschen Palts. Weldadig doet ons
daarbij de kracht en energie aan, die diep in het volkskarakter
zn\'n geworteld en waarvan zoo menig door noesten arbeid
ontgonnen stuk woeste grond, zoo menige met wijnloof om-
slingerde hut getuigt. Zelfs de armoedigste woning draagt
hier het stempel van inspanning en vlijt; zoo ergens dan
geldt hier de oude gulden spreuk: Labor omnia vincit (Arbeid
komt alle hinderpalen te boven). Het is dan ook een waar
-ocr page 171-
1(51
genoegen om er van de frissche berglucht en de heerlijke
natuur te genieten, te midden dezer brave, nijvere lieden, wien
de arbeid, meer nog dan de heerlijke Palts-wijn, het bloed snel-
ler door de aderen doet jagen.
Maar de Palts heeft ook zijn maagdelijke, ongerepte natuur,
zijn donkere pijnbosschen, afgewisseld door grillig gevormde
rotsen, van wier steile toppen de ruïnes van eeuwenoude burcht-
kasteelen in het stille dal neerblikken. Om die natuur in hare
volle schoonheid te kunnen bewonderen, brengen wij een kort
bezoek aan het rotsland van Dahn. Wij kiezen daarvoor als
uitgangspunt het oude stadje Landau, dat reeds vroeg het
ongeluk had een versterkte plaats te zijn en dan ook in den
dertigjarigen oorlog zevenmaal belegerd en ingenomen werd.
Daarna kwamen de Franschen, die het plaatsje tot 1815 in hun
bezit hielden, en de vestingwerken nog aanzienlijk versterkten,
totdat deze eindelijk, nu 20 jaren geleden, onder den moker
vielen om voor nieuwe stadswijken plaats te maken.
Van Landau voert onze weg, langs tal van lachende, vrien-
delijke dorpjes, naar Annweiler, een ouderwetsch stadje van
weinig beteekenis, dat door een lang en lommerrijk pad ver-
bonden is met de Trifels, thans slechts een bouwval, rijk aan
grootsche herinneringen, maar eenmaal een keizerlijk slot, vol
luister en praal. Zoo vertoefde hier indertijd de ongelukkige
keizer Hendrik IV, toen de Duitsche vorsten hem de trouw had-
den opgezegd, zoo hij niet binnen zes maanden van den banvloek,
door paus Gregorius VII over hem uitgesproken, ontslagen was.
Niet minder droevige dagen sleet binnen deze hechte muren
de Engelsche koning Richard Leeuwenhart, totdat hij, volgens
de overlevering, door zijn trouwen zanger Blondel uit de ge-
vangenschap werd verlost. Aan dit alles herinneren thans nog
slechts enkele steenklompen en een 10 Meter hooge toren, die
op den duur met zooveel vlijt en talent gerestaureerd is, dat
van het oorspronkelijke bedroefd weinig is overgebleven.
Een overheerlijke wandeling, waarbij w\\j gelegenheid hebben
11
-ocr page 172-
162
nog eenige burcht-ruïnes, zooals de Anebos en de Scharfen-
berg,
de revue te laten passeeren, brengt ons, dwars door geu-
rige beuken- en dennenbosschen naar den Madenburg, thans
ook al niet meer dan een indrukwekkende puinhoop, die echter,
met het oog op haren omvang, een der merkwaardigste van
den Rijn-Palts mag genoemd worden. In de 13de eeuw be-
hoorde de Madenburg aan het vermaarde geslacht Leiningen.
Na herhaalde malen verwoest en weder opgebouwd te zijn,
werd eindelijk door de allesvernielende hand der Franschen in
1680 aan de trotsche veste de genadeslag toegebracht. Het
panorama, dat men van de hoogte, waarop de Madenburg ver-
rijst, geniet, is bijzonder schoon. Het oog omvat van daar Straats-
burg, Karlsruhe, Spiers. Mannheim, Worms, de hoogten van het
Odenwald en van het Schwarzwald. In het verre westen verrij-
zen de talrijke toppen der Vogezen, die door hunne eigenaardige
vorming het voorkomen hebben alsof zij allen door burchten
gekroond zijn.
Het glanspunt van deze romantische streek vormt echter
ongetwijfeld de Wegelburg, met de spaarzame overblijfselen
der rijksvesting van denzelfden naam, die, zooals trouwens
bijna alle monumenten uit het grijs verleden in deze streken,
door de krijgsbenden van den „allerchristelijksten koning"
Lodewijk XIV verwoest werd. Schier onbegrensd is het uit-
zicht, dat men van het hoogste punt van den Wegelburg naar
alle hemelstreken geniet.
Nog slechts enkele minuten behoeven wn\' thans onzen zwerf-
tocht door dit heerlijke bergland voort te zetten, of wn\'staan
op het grondgebied van den Elzas, het „Rijksland", zooals de
Duitscher het met zekeren trots noemt, dat zich, niettegen-
staande de eer en het genoegen daaraan verbonden, als onderdeel
van „des Deutschen grosses Vaterland" nog maar steeds niet
volkomen gelukkig schijnt te gevoelen. Wij overschrijden hier
echter de grens niet, maar laten ons met de snelheid der ge-
dachte naar het lieflijke Baden-Baden voeren, dat een bewon-
-ocr page 173-
163
■derend reisbeschrijver eenmaal vermoedde een fragment van
den paradijstuin te zijn. Volgens de legende zouden namelijk
indertijd de engelen op last der vertoornde godheid het Eden
weder van de aarde naar den hemel terugbrengen, doch lieten
bu die gelegenheid op sommige plaatsen, zooals o. a. te Napels
en hier, een stuk neervallen.
Nu moge men dien lof ook al een weinig te sterk gekruid
achten, ontegenzeglijk is toch Baden-Baden een der rijkst ge-
zegende plekken van onze schoone aarde. Alles, wat het oog
■door zijn bekoorlijkheid streelen kan, vindt men hier in aan-
gename afwisseling bijeen. Groene, bloeiende dalen, die met
statige paleizen en lieflijke villa\'s bezaaid zijn, weelderige win-
gerden, geurige, bloemrijke weiden, eiken- en kastanjelanen,
murmelende beekjes, ja, zelfs aan kleine watervallen en roman-
tische rotspartijen ontbreekt het niet. Voeg hierbij als achter-
grond nog de tallooze met groen gebladerte en donker dennen-
loof getooide kruinen van het Schwarzwald, en gij zult u nog
slechts een flauw denkbeeld kunnen vormen van de verrukke-
lijke schoonheid van het plaatsje.
Baden-Baden heeft zoogoed als geen handel, terwijl zijn
industrie zich bijna uitsluitend bepaalt tot het snijden van
voorwerpen uit hout en ivoor, waarin de bewoners derbosch-
rijke omstreken het tot een groote hoogte gebracht hebben.
Als badplaats daarentegen dingt Baden-Baden met Wies-
baden om den voorrang. Niet alleen de uitstekende genees-
kracht van zijn bronwater en zijn heerlijke, gezonde ligging,
maar ook de voorbeeldige inrichting en de klassieke schoonheid
z\\jner talrijke bad-etablissementen stempelen het tot een luxe-
badplaats van den allereersten rang. Onverdiend is daarbij zijne
reputatie van uiterst duur te zijn. Dit gold wel jaren geleden,
toen ook Baden-Baden nog een speelhol was; maar, wanneer
men het eenigszins practisch weet aan te leggen en daarbij
natuurlijk den weg kent, kan men er zelfs, zonder zich te
•bekrimpen, goedkoop leven. Wij lazen zelfs in een Duitschen
-ocr page 174-
164
reisgids, dat een éénloopend persoon met / 120 per maand,
kur-tax enz. medegerekend, te Baden-Baden uitstekend kan
rondkomen, zonder dat hy zich eenige ontbering behoeft te
getroosten. Tegen deze algemeene uitspraak willen wij allerminst
protest aanteekenen, want w\\j weten eenvoudig niet hoe hoog de
eischen zu\'n, die de Durchschnitt-toerist in quaestie geacht
wordt aan het leven te stellen.
Wat de geschiedenis der stad betreft, meenen wij met een
kort chronologisch overzicht te kunnen volstaan. Reeds 600
jaren vóór Christus trof men hier een Keltische volksplanting
aan. Onder Julius Caesar bouwden de Romeinen er een stad,
die zü Givitas Aurelia Aquensis noemden, en in 234 door de
Allemanen verwoest werd. Keizer Frederik I beleende den
markgraaf Herman III met slot (den burcht Hohenbaden) en
stad, waarna diens opvolgers zich markgraven van Baden
noemden. Reeds toentertijd begon de stad om hare genees-
krachtige wateren vele bezoekers te trekken. Ongelukkig had
ook Baden-Baden in de treurige jaren 1688 en 1689 zoo ont-
zaglijk veel van de Fransche legerbenden te Inden, dat het
niet gevoeglijk meer dienst kon doen als residentie der
markgraven, wier laatste afstammeling, Karl August, in 1791
overleed.
Eerst in deze eeuw verhief zich Baden-Baden tot den rang
van luxe-badplaats, waartoe ongetwijfeld de stichting van het
nieuwe, schoone conversatie-gebouw, de weelderige inrich-
ting der logementen, het voortreffelijke kur-orkest en tal van
andere amusementen van allerlei aard veel hebben bijgedragen.
Aan den anderen kant valt echter, helaas, evenmin te ontken-
nen, dat een vermakelijkheid van alles behalve onschuldigen
aard, namelijk de in 1808 opgerichte speelbank, eigenlijk de mag-
neetnaald is geweest, waardoor jarenlang de elegante wereld
met haar wuften nasleep, als bonte vlinders door het kaars-
licht, aangelokt werd, zoodat dan ook de warme bronnen, dat
heerlijke geschenk der natuur, vrijwel werden verwaarloosd.
-ocr page 175-
166
Toen dan ook in 1872 de speelbank onder het gewicht der
openbare meening bezweek, meenden velen, dat het met den
glans en luister der badplaats voorgoed gedaan zou zn\'n. De
uitkomst heeft echter die pessimistische wereldbeschouwing
schitterend gelogenstraft, getuige het steeds aangroeiend getal
bezoekers, dat in den laatsten tijd veilig op meer dan 50,000
\'sjaars geschat mag worden. Na het wegnemen van de speel-
bank kent Baden-Baden zelfs den winterslaap niet meer,
die door hare ligging minder begunstigde badplaatsen in het
barre jaargetijde tot een sombere woestenij pleegt te maken.
De winter heeft trouwens in dit aardsche paradgsje niets ver-
schrikkelijks, zoodat dan ook geen enkele inrichting gesloten
is, maar men daarentegen door voor het seizoen meer gepaste
amusementen, als: tooneelvoorstellingen, bals, concerten en
zelfs wetenschappelijke voordrachten, voor de aanzienlijke be-
zoekers, die er de winterkwartieren komen betrekken, het
leven zoo aangenaam mogelijk tracht te maken.
Het middelpunt van het gezellig verkeer is ook hier het
prachtige Konversationshaus, dat te midden van heerlijke
wandelparken en fraaie plantsoenen gelegen is. Men vindt er
een geheele reeks van zalen, tot allerlei doeleinden bestemd,
en door de eerste Parijsche kunstenaars en vakmannen op de
weelderigste wijze gedecoreerd en gemeubeld.
Omringd door hoog geboomte en geurige bloembedden, strekt
zich de lange TrinkhaMe uit, met hare hooge, opene zuilen-
gang, die met schoone, hoewel door de jaren eenigszins ver-
bleekte fresco\'s, waarvan de motieven aan Schwarzwald-legen-
den ontleend zijn, versierd is.
Het schitterendste en tegelijk nuttigste bouwwerk van
Baden is echter ongetwijfeld het Friedrichsbad, dat\'ver over
de twee millioen marken gekost heeft, maar dan ook volko-
men aan het doel, waarmede het gesticht werd, beant-
woordt. De inrichting voldoet bovendien aan de strengste
eischen der moderne geneesleer, daar de hooge temperatuur
-ocr page 176-
166
van het heilzame bronwater (40"--56oR) de meest verschil-
lende methoden van behandeling mogelijk maakt. Het statige
vierkante gebouw, dat uit roode en witte zandsteen is opge-
trokken en waaraan het denkbeeld van een Komeinsche bad-
inrichting ten grondslag ligt, wordt door een sierlijken koepel
gekroond, die tot omlijsting dient van het geheel met wit
marmer bekleede zwem-bassin. Wy wagen ons niet aan een
gedetailleerde beschrijving van de sierlijke, zelfs weelderige en
tegelijk hoog practische inrichting, die zeer zeker door geene
andere ter wereld op zijde wordt gestreefd.
Op het hoogste punt der stad verheft zich het nieuwe slot,
dat in de 15de eeuw op fundamenten van Romeinschen oor-
sprong gebouwd werd. Het is inwendig zeer smaakvol inge-
richt en bevat een zeer bezienswaardige verzameling schilde-
rijen en andere kunstvoorwerpen. Merkwaardig vooral zijn de
geheimzinnige onderaardsche gewelven, met hunne ijzeren en
steenen deuren, waar, volgens vroegere geleerden eenmaal het
veemgericht zetelde, hetgeen natuurlijk door latere onderzoe-
kers voor een sprookje verklaard is. Een gedeelte van het slot
dient thans tot tijdelijke verblijfplaats der groothertogelijke
Badensche familie.
Hoog boven de stad ligt de ruïne van het oude slot, dat,
met zijn reusachtige muren en half verscholen in een ur-woud
van eeuwenoude eiken en beuken, een machtigen indruk teweeg-
brengt. Onbeschrijflijk schoon is het vergezicht dat men van
daar op het donkerbruin getinte Schwarzwald, en over het
Rijn-dal heen op de hemelsblauwe toppen der Vogezen geniet,
terwijl verder stroomafwaarts de bergen van den Rheingau en
van het Odenthal zich aan den schemerigen horizont in damp
en nevel oplossen.
Ook de Ebersteinburg, het kasteel Eberstein, de Yburg en
zooveel andere romantische punten in de door moeder Natuur
zoo heerln\'k begiftigde omstreken van Baden-Baden zjjn de
gezonde inspanning van een bergbeklimming overwaard.
-ocr page 177-
-ocr page 178-
168
Last not least vestigen wij de aandacht onzer lezers op de
werkelijk overschoone Lichtenthaler Allee, die niet alleen om
hare eigen bekoorlijkheid, maar misschien meer nog om de
weelde en den glans, die er door de beau-monde worden
tentoongespreid, op een Europeesche vermaardheid mag bogen.
Vooral op schoone zomernamiddagen kan men onder het dichte
loof der eiken en linden tallooze elegante equipages, omstuwd
door sierlijke ruiters, op fiere rossen gezeten, bewonderen, ter-
wijl zich langs de zijpaden drommen van onberispelijk gekleede
wandelaars voortbewegen. De bekoorlijkheid van deze zeldzaam
schoone „promenade" wordt niet weinig verhoogd door de
prachtige villa\'s en smaakvol aangelegde tuinen, die den weg
aan beide zijden omzoomen.
Wanneer wij thans de vele genoegens, waarmede het leven
in deze verleidelijke badplaats ons, langer dan nuttig of noodig
is, dreigt te boeien, ontvlieden, om met nieuwen moed de reis
naar het zuiden voort te zetten, geven wy de voorkeur aan den
weg door het romantische Schwarzwald, boven de in dit sta-
dium weinig interessante vaart Eh\'n-opwaarts. Onze afdwalin-
gen zijn trouwens reeds zoovele, dat wjj niet twijfelen of de
lezer, die ons totnogtoe zoo trouw gevolgd heeft, zal ons
deze wel het minst zwaar aanrekenen. Geen woudgebergto
toch van Duitschland komt het Schwarzwald nabij in afwis-
selende landschappen, nu eens grootsch en verheven dan we-
der lieflijk en vreedzaam, doch altijd onbeschrijflijk schoon,
of biedt zulk een overvloed van in ons beschaafd we-
relddeel steeds schaarscher wordende „Waldeinsamkeit" aan.
Donkergroene dennenbosschen, die aan het gebergte zijn naam
gegeven hebben, omkransen de lager gelegen hellingen, terwijl
de hoogere toppen met een mollig grastapijt bekleed zijn. De
romantische en tegelijk vruchtbare dalen leveren overvloed van
ooft, whn en koren; bovendien geven de minerale bronnen
het aanzijn aan tal van kleine doch alleraangenaamste bad-
plaatsen.
-ocr page 179-
109
De bevolking van het Schwarzwald, die haar eenvoudig na-
tionaal karakter ook in de kleeding nog vrijwel bewaard heeft,
is zeer nijver. De groote rijkdom aan geboomte bracht reeds
vroeg een aanzienlijken houthandel, vooral op ons land, teweeg
en leverde de grondstof voor het vervaardigen van gesneden
voorwerpen uit hout, bezems, enz., alsmede voor het bereiden
van houtskool en harts. Ook vindt men er aanzienlijke glas-
blazerijen en stroohoedenfabrieken. Alom bekend zijn boven-
dien de Schwarzwald-klokken, die door hare rustieke vormen
en fraai snijwerk zulk een aangenaam, gezellig voorkomen
hebben. (\')
De hoogste top van het noordelijk Schwarzwald, de Kornis-
grinde,
met een prachtig vergezicht, althans bij helder weer,
over de Rijn-vlakte tot Straatsburg toe, biedt, onder dezelfde
gunstige omstandigheden, een uitmuntende gelegenheid aan
om het geheele gebergte in al zijn pracht en majesteit met
het oog te omvatten. Dicht in de nabijheid ligt het Mnmmel-
meer,
vooral bekend om het sombere, neerslachtige zijner om-
geving, geheel passende bij de droevige legenden, waaraan dit
eenzame oord zoo rijk is. Geen enkele visch, die in deze spook-
achtige kom ronddartelt, en nauw hoorbaar suist de wind door
de zware dennenbosschen, die den oeverrand aan alle zijden nauw
omlijsten. Het eenige spoor van de nabijheid der menschen is
(1) Het middelpunt der uurwerk-fabricatie ia het stadje Triberg, welks bewoners
zich bijna uitsluitend niet het vervaardigen van en den handel in klokken bezig-
houden. Sedert 1700, toen men de eerste houten klokken begon te maken, is deze
industrie aanhoudend vooruitgegaan en heeft zij in de klokken met gecompliceerd
speelwerk haar toppunt bereikt. Omstreeks 1770 was de handel met deze uurwerken
reeds over geheel Europa uitgebreid en zelfs tot Egypte en Noord-Amerika doorge-
drongen. Een der handelaars verwierf in 1779 een tirman van den sultan om zijne
klokken door geheel Turkije te verkoopen en dit debiet wist hU zelfs tot de bin-
nenlanden van Azië uit te strekken.
De speelwerken maken weder een b\\jzonderen tak van industrie uit, en de groote
muzikale speelwerken, die de tonen van fluit, fagot, hobo, trompet enz. nabootsen,
vereischen groote kennis van werktuigkunde en muziek.
-ocr page 180-
170
een ruwe, onbewoonde hut, door medelijdende handen reeds
voor jaren in deze woestenij gebouwd tot schuilplaats voor
den verdoolden zwerver. Tegenwoordig echter — o tempora,
o mores.\'
— wordt zij, netjes opgeknapt,in denzomer geëxploi-
teerd als ververschingslokaal, ten dienste van vermoeide
toeristen.
Even grootscb en schoon, doch oneindig minder somber en
droefgeestig, is de aanblik der Büttensteiner watervallen,
die zich door een spleet in de rotsen van een aanzienlijke hoogte
in het dal storten. Eeuwen lang was dit heerlijk tafereel
door het ondoordringbaar woud voor elks oog bedekt, totdat
de natuurvorscher van den lateren tijd zich door geboomte en
struikgewas een weg baande, om natuurlijk door scharen van
toeristen op den voet gevolgd te worden. Thans voert een
goed onderhouden voetpad in menigvuldige kronkelingen langs
de klaterende waterstroomen omhoog, steeds dieper het ma-
jestueuze woud in, naar de bouwvallen van het oude, eer-
waardige klooster „Allerheiligen", dat, nu nagenoeg zeven
eeuwen geleden, door de vrome hertogin Uta von Schauburg
gesticht werd. In 1802 werd het, evenals zoovele andere kloos-
ters, geseculariseerd, en een jaar later ongeveer legde het he-
melvuur de geheele inrichting in de asch.
Het wordt thans tijd, dat wij de boorden van den Rijnstroom,
wier beschrijving wjj ons meer speciaal ten doel gesteld hebben,
weder gaan opzoeken, ofschoon ons ook het afscheid van het
schoonste van Germanjes bergwouden, met zijn rijke afwisseling
van grootsche en lieflijke landschappen wel eenigszins pijnlijk
aandoet. Wy kunnen ons echter te eerder met onslot verzoenen,
nu de wereldberoemde dom van Straatsburg ons reeds uit
de verte tegenblinkt, al voert onze weg ook door een weinig
romanesk oord, een lage, moerassige, met riet en wier be-
groeide landstreek, die door de Kinzig, vóórdat deze bij Kehl
in den Rijn valt, onophoudelijk onder water gezet wordt.
-ocr page 181-
HOOFDSTUK XIII.
Kehl. — Straatsburg. — Odilienberg. — Schlettstadt. — Hohkönigs-
bnrg. — Eappoltsweiler. — Kaisersberg. ~ Het Witte en het Zwarte
Meer. — Colmar. — De drie Exen. — Nieuw-Breisach. — Mülhausen.
By Kehl, oorspronkelijk een versterkt bruggehoofd der ves-
ting Straatsburg, thans een vrij welvarend stadje, dat echter
in September 1870 bg het bombardement door de Duitschers
zwaar geleden heeft, trekken wij, over den Rijn, het land der
Vogezen, het schoone Rijksland, binnen.
Ongeveer twee eeuwen lang was hier de Rn\'n de klove, die twee
geduchte vijandige naburen gescheiden hield en thans moet
juist diezelfde stroom dienen tot samenvoeging van twee ver-
wante stammen, die elkander in zoo lange jaren niet slechts
vreemd zijn geworden, maar zelfs hebben leeren haten met groote
innigheid. Reeds sedert 1871, toen het zn\'n vrijwel verjaarde
rechten door kracht van wapenen geldig maakte, tracht het
groote Duitsche rijk met zacht geweld de zoo vurig gewenschte
eenheid tot stand te brengen; toch wijzen alle teekenen er op,
dat nog geslachten zullen moeten heenkwijnen, eer de Elzas
zijne hoop op hereeniging met „la belle France" voorgoed zal
hebben laten varen.
Op een klein uur afstands van den Rn\'n ligt Straatsburg,
de hoofdplaats van het ryksland Elzas-Lotharingen, in een
vruchtbare vlakte aan de 111, waarvan twee bevaarbare tak-
ken midden door de stad stroomen. Als middelpunt van het
verkeer tusschen Duitschland, Frankrijk en Zwitserland was
-ocr page 182-
172
Straatsburg van oudsher een aanzienlijke koopstad, met
uitgebreide relatiën, terwijl in de laatste jaren de industrie
(bierbrouwerijen, looienjen, enz.) er een groote vlucht heeft
genomen. Ondanks nagenoeg twee eeuwen van vreemde over-
heersching bleef het karakter der stad essentieel Duitsch....
zeggen de Duitschers.
Bovendien is Straatsburg tegenwoordig een vesting van den
eersten rang en heeft, als zoodanig, een garnizoen van niet
minder dan 9,000 man. Na 1871 werd de stad door een gordel
van forten, 14 in getal, omringd, waarvan sommige tot op een
afstand van 8 kilometer vooruitgeschoven zijn. Tegelijk werden
de wallen naar de noord- en westzijde zoover uitgezet, dat
daardoor een bouwterrein, grooter dan de geheele oude stad
zelf, gewonnen werd. Doch reeds Lodewijk XIV had Straats-
burg in een geduchten staat van tegenweer gebracht, waartoe
de door Vauban gebouwde citadel niet weinig bijdroeg. Van-
daar dat de Fransche bezetting in 1870, onder generaal Uhrich,
aan den overmachtigen Duitschen vijand een hardnekkigen
tegenstand bood, waardoor de stad aan een belegering en
bombardement van 46 dagen werd blootgesteld, gedurende wel-
ken tijd niet minder dan 194,722 projectielen binnen de muren
vielen. Ruim 500 huizen werden geheel vernield, 8000 inwoners
van huisvesting beroofd, vele burgers werden gedood on ge-
kwetst, terwijl van de soldaten 700 sneuvelden en 1300 gewond
werden. Den 27sten September 1870 gaf de stad zich over, en
werd daardoor nog juist tijdig voor een bestorming gevrijwaard.
De geschiedenis van Straatsburg is even oud als belangrijk.
Oorspronkelijk een volksplanting der Kelten, werd het latei-
door de Romeinen veroverd, onder wier gezag het bleef, totdat
de Allemanen aan de Romeinsche heerschappij een einde
maakten. Koning Clovis (496) won de stad voor de Franken,
en bracht er tegelijk het christendom, terwijl Karel de Groote
haar gewichtige privileges verleende. In de middeleeuwen ving
ook hier de strijd der vrijheidlievende burgers tegen adel en
-ocr page 183-
173
geestelijkheid aan, die met een volkomen zegepraal van eerst-
genoemden eindigde. Dit blijkt wel het best uit de constitutie
van 1482, die in hoofdzaak tot 1780 toe is blijven gelden, volgens
welke de stedelijke raad samengesteld was uit 11 edellieden,
17 burgers en 28 afgevaardigden uit de gilden. Het jaar 1348
staat met een zwarte kool in de geschiedenis der stad aange-
teekend. Toen heerschte er namelijk op vreeselijke wijze de pest,
en doodde het volk in zijn woede en vertwijfeling meer dan
2000 joden. Volgens het geloof dier tijden toch kon bij een
dergelijke ramp slechts van een straffe des hemels sprake zijn,
en geen wonder dan ook dat men de algemeen gehate en ver-
foeide joden tot zoenoffer bestemde. Dat bh\' het nagenoeg vol-
komen republikeinsch karakter der bestuursinrichting de re-
formatie in de eerste helft der 16de eeuw hier een vruchtbaren
bodem vond, zal wel nauwelijks behoeven gezegd te worden.
In den dertigjarigen oorlog had Straatsburg niet weinig te
lijden; het bleef niettemin een vrije Ru\'ksstad, wat echter
Lodewn\'k XIV niet verhinderde, om in 1681, zonder al te angst-
vallig te letten op streng doctrinaire begrippen van interna-
tionaal recht, haar eenvoudig bij Frankrijk in te lijven. In
dien toestand is zy bijkans een eeuw lang gebleven, totdat de
nog kersversch in het geheugen liggende gebeurtenissen van
1870 en 1871 de arme geplaagde in de armen van het naar haar
bezit smachtende Duitschland terugvoerden. Sedert dien tijd is
hare bevolking van ruim 85,000 tot bijna 115,000 zielen gestegen.
De edelste schat, die Straatsburg bezit, is ongetwijfeld zh\'n
wereldberoemde kathedraal, wier verheven majesteit door Long-
fellow in den proloog op zijn „Golden Legend" zoo heerlijk
schoon geschilderd wordt. Waar men zich ook in de stad bevin-
den mag, bijna overal rijst haar toren tot een duizelingwekkende
hoogte boven de daken en deelt aan de verschillende pleinen
een eigenaardig grootsch en indrukwekkend karakter mede.
Evenals de meeste bouwwerken van zoo reusachtigen om-
vang, is ook de kathedraal van Straatsburg het werk van vele
-ocr page 184-
174
eeuwen en geslachten, waarvan zü dan ook in vele harer onder-
deelen het onmiskenbare stempel draagt. Het leeuwendeel in den
Kathedraal.
bouw neemt echtef ongetwijfeld de beroemde meester Erwin
-ocr page 185-
175
van Steinbach, na wiens dood in 1318, zijn zoon Johann het
werk voortzette. Eerst in 1439 werd de noordelijke toren door
Johann Hültz, van Keulen, voltooid, terwijl de bouw van den
zuidelijken toren nooit verder dan tot het platform is voortgezet.
Eeuwenlang hebben de vijandige elementen en de euvelmoed
der menschen tevergeefs gepoogd het ontzaglijk kunstgewrocht
te vernielen. Vijftig malen werd enkel het zuidelijk platform
door den bliksem getroffen; een aardbeving deed het gebouw
op zijn grondvesten trillen en wierp het in de reusachtige
reservoirs vergaderde regenwater meters ver omhoog. Ook te
midden van de woeste baren der omwenteling bleef het oude
heiligdom onwrikbaar pal staan. Het feu sacré der vrijheids-
mannen uit het laatst der vorige eeuw bleef beperkt tot de
even schoone als kostbare standbeelden van heiligen en konin-
gen, waarvan er 200 door hen uit de nissen gehaald en ver-
brijzeld werden. Ook het bombardement van 1870 bracht vele
schade toe, die echter weder hersteld is.
De beknoptheid van ons bestek gedoogt niet, dat wij een
beschrijving leveren van al de wonderbare schoonheden die de
kathedraal van Straatsburg omvat, hoe dankbaar en aange-
naam die taak ook moge zijn. Wij wijzen slechts op den
verrukkelijk schoonen voorgevel, met zijn drie portalen en
zn\'n rijkdom aan ornamentatie. Van het inwendige stippen
wij enkel aan : de muurbeschildering van Steinle, de geschil-
derde ramen, die uit de 13de en 14de eeuw dateeren, en ein-
delijk het beroemde astronomische uurwerk, met volledig
planetarium en tal van beweegbare figuren, in de eerste helft
onzer eeuw door den Straatsburgschen werktuigkundige Schwil-
gué vervaardigd. Verrassend vooral is de aanblik van dit vrn\'
moderne kunstwerk met klokslag van twaalven, op welk
tüdstip al de figuren in werking komen.
Eveneens een sieraad der stad is buiten kijf de Academie,
die in 1872 geopend werd, en dan ook duidelijk genoeg opge-
richt is met het doel, om de ontwikkeling van het Duitsche
-ocr page 186-
176
intellect en van den Duitschen geest in het Eu\'ksland te be-
vorderen. De verschillende neveninrichtingen, die aan een goed
geconditioneerde hoogeschool niet mogen ontbreken, getuigen
voor de onbekrompen wijze, waarop de Duitsche regeering in
den goeden trjd der milliarden haar taak heeft opgevat. Zoo
is de universiteits-sterrenwacht eenig in haar soort en overtreft
zij zelfs in grootschheid van aanleg het beroemde observato-
rium van Greenwich. Zy bezit o. a. een kolossalen telescoop,
die ƒ60,000 gekost heeft.
Wanneer wij ten slotte een wandeling door de stad maken,
ontmoeten wü ook hier een standbeeld voor Gutenberg, die
eenige jaren te Straatsburg gewoond heeft. Zooals bekend is,
betwisten, van de Duitsche steden, Mainz en Straatsburg elkan-
der de eer zich de bakermat der boekdrukkunst te mogen
noemen. Hoewel nu uit niets blijkt, dat Gutenberg ooit te
Straatsburg de edele kunst in practijk gebracht heeft, laat
zich een rechtgeaard Straatsburger daardoor toch allerminst,
uit het veld slaan. — „Wat er elders ook moge gebeurd
zijn" — zal hy u met het vuur eener innige overtuiging te
gemoet voeren — „binnen deze muren is de geniale ge-
dachte in het brein van den grooten wereldhervormer gerijpt."
Tegen een dergelijk stuk geloofsbelijdenis valt natuurlijk wei-
nig in te brengen, al gevoelde men ook lust den enthousiast
zijne onschuldige illusie te ontnemen.
Evenals trouwens alle overige oude Duitsche rijkssteden,
heeft ook Straatsburg een overvloed van merkwaardige ouder-
wetsche particuliere huizen en bij het doorkruisen der enge
straten van de oude stad, en zelfs van de schilderachtige ach-
terbuurten, ontmoet men dikwijls onverwachts de prachtigste
woningen met breede en uit massief eikenhout gesneden
trappen van groote kunstwaarde en met deuren, voorzien van
werkelijk bewonderenswaardig smeedwerk. In dit opzicht spant
echter ongetwijfeld de kroon het zoogenaamde Balde\'sche Huis
aan het Domplein, met zijn hoogen gevel en bruine binten,
-ocr page 187-
177
waarschijnlijk dan ook wel het schoonste hoekhuis, dat eenige
Duitsche stad kan aanwezen.
Het centrum der schitterende Straatsburgsche samenleving
is het Broglie-plein, door den maarschalk van dien naam aan-
gelegd en daarom naar hem genoemd. Vooral wanneer de
militaire muziek er zijne opwekkende tonen laat ruischen,
pleegt al, wat tot de beau-monde meent te behooren, onder
de prachtige boomen van dit plein te wandelen en zijn de
beide prachtige, echt Parijsche café\'s aldaar overvuld met
vroohjk babbelende bezoekers.
Voor hen die daarentegen eenzaamheid en natuurgenot
wenschen te smaken, is een tochtje naar Odiliënberg als
geknipt. Van Ober-Ehnheim, dat gemakkelijk per spoor te be-
reiken is, voeren drie verschillende wegen, die met elkander
in schoonheid wedijveren, naar het klooster van St. Odilia, de
schutsvrouw van den Elzas, die aan bezoekers tegen billijke
vergoeding eene uitmuntende herbergzaamheid verleent. Vol-
gens de legende was Odilia het blindgeboren dochtertje van
een hertog van den Elzas, Atticho of Etich genaamd, dat bij
den doop ziende werd en daarom reeds op zeer jeugdigen
leeftijd zich aan den dienst des Heeren wijdde. Toen de vader
het meisje niettemin later tegen haar zin tot een aardsch
huwelijk wilde dwingen, werd zij voor dit treurig lot op won-
derdadige wijze beschermd, waarna zij het klooster stichtte en,
tot in hoogen ouderdom, een heilig leven leidde. Vele genezingen
werden door haar verricht en ook de Odiliënbron moet op het
gebed der vrome abdis te voorschijn z\\jn getreden en aan een
blind kind het ooglicht hebben teruggegeven. Vandaar dat
nog altyd, op Pinkstermaandag en in de eerste helft der maand
Juli, de berg door talrijke bedevaartgangers bezocht wordt.
Rondom den berg strekken zich, over een lengte van drie a
vier uren, de overblijfselen van een reusachtigen muur van
met klimop omslingerde kwartsblokken uit, over wier afkomst
slechts gissingen zijn te maken. Waarschijnlijk heeft men
12
-ocr page 188-
178
hier te doen met een van die steenen omheiningen, waar-
binnen in ty\'d van oorlog gansche volksstammen een toevlucht
vonden. Is die gissing juist, dan dagteekent de oprichting
ongetwijfeld uit den tijd der Romeinen, en zijn zij evenals de
daarmede in verband staande thans verdwenen kasteelen, op
last van keizer Valentianus gebouwd, die, naar de historie
vermeldt, langs den geheelen Rijn versterkingen aanlegde.
Het uitzicht, dat de kloostertuin aanbiedt, is ongetwijfeld zeer
schoon, doch wordt eenigszins in de schaduw gesteld door het
verrukkelijke panorama, dat op den Mennelstein, het hoogst-
gelegen punt van den bergrug, te genieten valt. Van dit eenigs-
zins vooruitspringend rotsgevaarte overziet men b{] helder weer
den geheelen Elzas, de Vogezen, den Breisgau, het Schwarz-
wald, tot zelfs de Zwitsersche Hoogalpen. Geen wonder dan
ook, dat het niet uitsluitend vrome pelgrims zn\'n, wier hart
met een zoet verlangen getrokken wordt naar dit lieflijke
vreedzame oord, dat men met recht de idylle van Straatsburg
zou kunnen noemen.
Wanneer w\\j thans, den loop van den Rijn stroomopwaarts
volgende, ons al verder en verder in het heerlijke land der
Vogezen verdiepen, ontmoeten wij op dien weg het eerst
Schlettstadt, eens een vrije Duitsche Ryksstad, later een Fran-
sche vesting en thans een vrij onbeteekenend provinciestadje,
met ongeveer 9000 inwoners. In de middeleeuwen bloeide de
stad zeer, niet alleen door handel en nijverheid, maar ook op
het gebied van kunsten en wetenschappen. De hoogeschool,
in 1450 door den magistraat gesticht, genoot weldra een Euro-
peesche vermaardheid en lokte honderden studenten uit alle
oorden van ons werelddeel tot zich, zoodat dan ook de grootste
geleerden uit dien tijd aldaar gevormd zijn. Van dit alles is
echter, behalve de schoone herinnering, niets meer overgeble-
ven dan een prachtige gemeente-bibliotheek.
Zeer belangrijk zijn de beide kerken : St.-Georges, een der
schoonste uit den Elzas, van de 13de eeuw, een kruisvormige
-ocr page 189-
179
basiliek, gekroond door een sierlijken, achtkanten toren, en
St.-Fides, waarvan de grondslagen reeds in het laatst der
lld0 eeuw door de hertogin Hildegard van Zwaben werden
gelegd.
De trots en het kleinood der stad, die zij als haar oogappel
bewaart, is de op eenigen afstand gelegen ruïne van den Hoh-
köningsburg-,
ongetwijfeld dan ook de prachtigste van alle
burchten in den Elzas. Door hoogte en omvang, door hunne
indrukwekkende torens en kolossale muren van roode steen-
blokken, zijn deze goed bewaarde overblijfselen uit een grijs
verleden, bijzonder merkwaardig. Tal van adellijke geslachten,
waarvan sommige met uitstekend gevolg het roovershandwerk
uitoefenden, hebben binnen deze trotsche muren gehuisd. Sedert-
1864 is de burcht het eigendom der gemeente Schlettstadt, die
op alleszins voldoende wijze voor het onderhoud er van zorg
draagt.
Na Schlettstadt, verder het zuiden in, Rappoltsweiler, een
der levendigste stadjes van den Elzas, met ongeveer 6000
inwoners. In een schilderachtige streek gelegen, te midden
van rijke wijngaarden en aan den voet van hooge bergen, die
door de drie sloten van het adellijk geslacht Eappoltstein
worden bekroond, maakt het met zijne antieke muren een
alleraangenaamsten indruk. In de middeleeuwen was de graaf
van Eappoltstein qua talis koning van alle speellieden en
muzikanten, die in den vrooiyken Elzas rondzwierven. Zij
genoten, tegen een matige jaarlu\'ksche contributie de in
die dagen voorzeker niet te versmaden bescherming van den
machtigen graaf. Eens in het jaar, den 8steI1 September, kwam
het jolige kunstenaarsvolkje te Eappoltsweiler bijeen, om de
goede harmonie tusschen de broeders te bevorderen, en nog op
den huidigen dag is het op dien datum in het stadje kermis,
waar het dan lustig pleegt toe te gaan. Patrones van het lus-
tige gild was O. L. Vrouwe van Dusenbach, die in de naar
haar genoemde abdij vereerd werd. Op de wonderschoone heer-
-ocr page 190-
180
baan, die van Markieh naar Rappoltsweiler leidt, vindt men
nog ter zijde van den weg, in een lommerrijk dal, de ruïnes
van deze eeuwenoude stichting.
Een wandeling van twee uren, gedeeltelijk door lieflijke
wijngaarden, brengt ons te Kaisersberg, tenzij wij de voorkeur
geven aan den weg, door de Vogezen-club aangelegd, die wel
heerlijke gezichtspunten oplevert, maar dan ook een stevigen
marsch van minstens 31/» uur, over een zeer geaccidenteerd
terrein vordert. Kaisersberg, waarboven de in den dertigjarigen
oorlog vernielde Keizersburcht zich zoo trotsch verheft, is zeer
pittoresk aan den ingang van het Urbeiser-dal gelegen. Overi-
gens teert het geheel op zijn grootsch historisch verleden,
waarvan nog allerwegen in het plaatsje belangrijke sporen te
vinden zijn.
Liefhebbers van een ruwe, woeste bergnatuur plegen van
Kanserberg uit een tochtje te maken naar het Witte Meer en
het Zwarte Meer. Het eerste ontleent zijn naam aan den kleur
der kale, bleeke, bh\'na loodrecht oprijzende rotsen, diehet<van
twee zhden omgeven, en waaruit ook zijn bodem gevormd is.
Het Zwarte Meer beantwoordde jaren geleden aan zn\'n naam,
toen het nog omgeven was door donkere, krachtige pijnboo-
men. Thans echter zijn deze woudreuzen reeds lang geveld ten
behoeve der onverzadiglijke industrie, zoodat beide meren wei-
nig meer in karakter met elkander verschillen.
Alweder ontmoeten wn\' een van die steden, gelijk er zoovele
langs den Run liggen, wier belangrijkheid meer in het verleden
dan in het heden gezocht moet worden. Het is Colmar, de
fiere Rijksstad uit de luisterrijke dagen der Staufen, die later
aan een Karel den Stoute met goed gevolg weerstand bood.
Met den moed der wanhoop, doch vruchteloos verzette zü zich
tegen Lodewijk XVI, toen deze den Elzas aan Frankrijk hechtte.
Ook op het gebied des geestes nam Colmar in de dagen van
weleer een hoog standpunt in. Mannen van beteekenis zagen
er het eerste levenslicht. Wij noemen slechts de schilder en etser
-ocr page 191-
181
Martin Schongauer (1420—1488), wiens atelier te Colmar met
recht de hoogeschool der Duitsche schilderkunst mag genoemd
worden. Hij was ongetwijfeld verreweg de grootste meester
der 15de eeuw en zijne kopergravures genoten zelfs de eer van
door Michel Angelo gecopieord te worden. Met zulk een ver-
leden is het niet te verwonderen, dat ook Colmar, behalve op
zijn eeuwenouden dom, nog mag bogen op tal van antieke
burgerwoningen, die wel in staat zijn de bouwmeesters der mo-
derne villa\'s en heerenhuizen in de nieuwe wjjken van schaamte
te doen blozen.
Wy brengen daarom slechts een zeer vluchtig bezoek aan
het „nieuwe" gedeelte van Colmar, meer bijzonder met het
doel om een bewonderenden blik te werpen op de standbeel-
den van twee beroemde krijgsoversten van den grooten Napo-
leon, beiden te Colmar geboren, en ook beiden door den Col-
marsenen beeldhouwer Bartholdy in brons vereeuwigd. Het
eerste, dat voor den admiraal Bruat, is vooral merkwaardig
om zijn imposant voetstuk, waarop in allegorische figuren de
vier werelddeelen prijken, waarin deze zeeheld gestreden heeft;
het tweede stelt den maarschalk Rapp in een zeer schoone,
zh\' het dan ook wel ietwat theatrale houding voor.
Liever dan ons dus langer te ergeren aan de scherpe tegen-
stelling tusschen den kunstzin der vaderen en den modernen
wansmaak, willen wij ons nog een kort uitstapje in de be-
koorlijke omstreken der stad veroorloven, en wel naar de zoo-
genaamde Drie Exen, drie torens, die zich, niet ver van het
vlek Egisheim, op een dichtbegroeide hoogte verheffen, en,
hoewel zij afzonderlijke namen voeren, alle drie tot dezelfde
ruïne behooren, namelijk die van het trotsche kasteel Ho hen-
of Dreien-Egisheim, waarop ook een der graven van Egis-
heim, die later paus Leo XI werd, het eerste levenslicht aan-
schouwde. Een heerlijk belommerd, doch vrij steil bergpad
voert van genoemd vlek naar de ruïne, wier drie torens uren
ver in den omtrek zichtbaar zijn.
-ocr page 192-
182
Volgens ons wel overwogen reisplan, zouden wij bij Neu-
Breisach,
een kleine vesting, die in 1703 door Vauban aange-
legd en in 1870, na een beleg van acht dagen, door de Duit-
schers genomen werd, den Rijn oversteken. Wij kunnen
echter moeilijk aan de verzoeking weerstand bieden, om, na
de vele historische plaatsen, waaraan de totnogtoe door ons
gevolgde weg zoo rijk was, alvorens den Elzas te verlaten,
nog een kort kijkje te gaan nemen in een stad, die hare be-
teekenis niet ontleent aan hetgeen zij eenmaal was, maar wel
aan hetgeen zij thans is. W\\) bedoelen Mülhausen, aan de 111
en aan het Rhone-Rn\'n-kanaal, de aanzienlijkste fabriekstad
van het geheele Rijksland, met om en bij de 70,000inwoners.
Bijzonder merkwaardig, vooral in onze dagen, nu de zoo-
genaamde sociale quaestie meer en meer de hoofden in plaats
van de harten dreigt te gaan verwarmen, is een wandeling
door de arbeiderswijk, die sedert 1853 door de op initiatief van den
maire Jean Dollfus gestichte „Société des cités ouvrières" in
het leven werd geroepen. Zij bestaat thans reeds uit meer dan
1000 woningen van één of twee verdiepingen, met genoeg-
zame ruimte voor een gansch gezin en alle voorzien van kleine
tuinen. Bovendien vindt men in die wn\'k groote wasch- en
badinrichtingen, bewaarplaatsen voor kleine kinderen enz. enz.,
zooals wy dit ook bij Krupp te Essen aangetroffen hebben.
Daar was het echter de machtige wil van éénen man, die
al dit schoone tot stand bracht; hier daarentegen hebben
wij te doen met eene coöperatie in de goede richting. De
woningen worden voor weinig meer dan de bouwkosten, d. i.
voor ƒ1500 tot ƒ1800 aan de fabrieksarbeiders verkocht. Boven-
dien wordt de aankoop door in 15 tot 20 jaren afloopende
betalingstermijnen den werkman zeer licht gemaakt.
Ontzaglijk veel heeft Mülhausen bovendien te danken aan
de in 1825 opgerichte „Société industrielle," tot bevordering
van industrieele en wetenschappelijke belangen van eiken aard,
wier uitgestrekt gebouw in het „nieuwe kwartier" schoone
-ocr page 193-
183
verzamelingen op het gebied der natuurlijke historie, benevens
een fraaie bibliotheek, bevat. In het sinds 1882 bestaande
museum dierzelfde vereeniging vindt men, behalve afdeelingen
voor romeinsch-keltische, meest in den Elzas zelf opgegraven
oudheden, een zeer aantrekkelijke collectie schilderyen uit de
nieuwere Fransche school.
Aangezien noch de stad noch hare omstreken overigens
eenige bijzondere bekoorlijkheid bezitten, nemen wjj thans
voorgoed afscheid van het land der Vogezen, om, aan de over-
zijde van den Rijnstroom, den Breisgau te bezoeken.
-ocr page 194-
HOOFDSTUK XIV
De Breisgaa. — Alt-Breisach. — Freiburg. — Bazel.
Wanneer wjj thans, tot den R\\jn teruggekeerd, den blik om
ons heen slaan, op den plek waar Alt- en Neu-Breisach zich
zoo dreigend uit de verte tegenover elkander verheffen, als ver-
keerden ook zij nog maar al te zeer onder den indruk van
eeuwenlang gekoesterde haat en wrok, ontwaren wij een oord,
dat weinig lieflijks heeft, maar ons daarentegen treft door zijn
ernstig, bijna droefgeestig karakter. De schuld daarvan ligt
ongetwijfeld voor een goed deel b\\j de beide bergketenen, de
Vogezen en het Schwarzwald, daar deze, van hier gezien, on-
willekeurig doen denken aan twee geweldige onweders, die
zich het één aan den westelijken, het andere aan den ooste-
lijken horizont, ten strijde tegen elkander toerusten. Te midden
van dit landschap jaagt de Rijnstroom — wiens boorden wy
maar al te vaak ontweken om uren ver landwaarts in berg
en dal te doorkruisen — in sombere majesteit z\\jne donkere
golven voort.
Fier en statig verheft zich op een steilen rots, aan den
oever van den Rijn, Alt-Breisach, de Mom Brisiacus der Ro-
meinen, en imponeert reeds in de verte, niet alleen door zijn
ligging, maar ook door zijn oude bolwerken, zyn donkere leien
daken en nog het meest door zijn domtoren, die, evenals te
Straatsburg, op de geheele omgeving als ware het zn\'n eigen-
aardigen stempel drukt.
-ocr page 195-
185
Eens was Alt-Breisach, dat vroeger op zes heuvels moet
hebben gelegen, die door den Rtfn werden omspoeld, een
der gewichtigste Duitsche vestingen, „het hoofdkussen van
het Heilige Roomsche Rijk, de sleutel van Duitschland", zoo-
als men in die dagen zeide. Men achtte zich door dit, naar
men meende, onneembare bolwerk zelfs veilig voor den erfvyand
totdat in 1703 tegenover het oude Breisach, op Fransen grond-
gebied, de groote vestingbouwkundige Vauban een nieuw Brei-
sach uit den grond deed verrijzen en men zoodoende uit den
zoeten waan gewekt werd. Zoo eenige stad, dan heeft voor-
zeker Alt-Breisach de wisselingen van het lot ondervonden.
In 1331 onder Oostenrijk gekomen zijnde, werd het in 1638, na
een langdurig beleg, door de Zweden onder Berhard van Wei-
mar ingenomen, na wiens dood in 1639 de Franschen het tot
1697 bezet hielden. In 1700 legde Oostenrijk weder de hand
op de vesting, doch drie jaren daarna werd zy reeds weder
door Tallard en Vauban herwonnen, om in 1714 nogmaals aan
Oostenrijk teruggegeven te worden. Een overstrooming van
den Rijn bracht hierop in 1740 aan de vesting werken zoo aan-
zienlijke schade toe, dat de Oostenrü\'ksche regeering voor de
aanzienlijke kosten van herstelling terugdeinsde en de meest
beschadigde werken eenvoudig in de lucht liet springen. Water
nog van overgebleven was, werd in 1793 door de Fransche batte-
rijen aan de overzijde van den Rijn, en het vuur uit het fort
Mortier totaal vernield, waarna de moordlustige en roofgierige
sansculottes zich als een ware sprinkhanenplaag over het
rampzalige land uitstortten. Welk een zee van rampen in deze
korte opsomming van jaartallen verborgen ligt, valt moeielijk in
woorden weer te geven. En toch was hiermede de lijdensge-
schiedenis der stad niet geëindigd, want zes dagen lang ver-
spreidden de projectielen van het in dien ongelijken strijd wor-
stelende Neu-Breisach er in de Novembermaand van 1870 dood
en verderf.
Te midden van al de stormen, die in den loop der eeuwen
-ocr page 196-
186
het stadje hebben geteisterd, heeft de aan den Heiligen Ste-
phanus gewyde Dom het eerwaardig hoofd omhoog gehouden,
zoodat hn\' ook thans, na een zorgvuldige restauratie, nog met
eere zijn plaats op het hoogste punt der stad inneemt. De
geschiedenis van zijn bouw loopt over verscheidene eeuwen,
zoodat men daarin dan ook verschillende bouwstijlen vereenigd
vindt. Het inwendige is eveneens zeer merkwaardig, niet het
minst om de vele kunstschatten, die er in den loop der tijden
saamvergaderd zijn. Merkwaardig vooral zijn het buitengemeen
kunstig uit hout gesneden hoogaltaar, uit de vijftiende eeuw,
alsmede de prachtige kansel, de reliquienkast van massief
zilver, en eindelijk de gouden beker, door Lodewn\'k XIV aan
de kerk geschonken.
De rots, waarop de Dom gegrondvest is, maakt een voorpost
uit van het Kaiserstuhl-gebergte, dat, bij een breedte van
2 a 3 uren, 6 uren lang is. Zijn voornaamste toppen zijn, be-
halve den eigenlijken Keizersstoel, de Negen Linden en de
St.-Katharine-kapel, welke beide laatste punten van Breisach
uit druk bezocht worden. Het klimaat is in dit gebergte veel
zachter dan in de omliggende streek, zoodat de wijnoogst
er veel eerder geschiedt, dan ergens in den omtrek. De plan-
tengroei is rijk en weelderig; behalve bloeiende wijngaarden,
vindt men er rijk beladen vruchtboomen. Dat een tochtje door
dit vruchtbare gebergte, dat bovendien zoo ruk is aan de heer-
lijkste gezichtspunten, alleszins aanbeveling verdient, zal wel
nauwelijks behoeven gezegd te worden. De naam heeft, naar
men aanneemt, zijn oorsprong te danken aan het feit, dat
Rudolf van Habsburg hier meermalen naar oud-germaansch
gebruik recht gesproken heeft.
Nog mogen niet onvermeld blijven de 2V» uur noordelijk
van Breisach aaii den Run en aan den voet van het Kaiser-
stuhl-gebergte gelegen ruïne van den burg Spooneck, en
nog een half uur hooger op, eveneens aan den Run, de ruïne
van het slot Limburg, waar Rudolf van Habsburg in 1218
-ocr page 197-
1S7
geboren werd. Op beide plaatsen heeft men een heerlijk ver-
gezicht over den Elzas, met den dom van Straatsburg en de
donkerblauwe toppen der Vogezen op den achtergrond.
Zeer schoon is ook de weg, over den Kaiserstuhl, langs de
hellingen van den Tunïberg en door het Mooswald naar Frei-
burg, waar wij niet mogen nalaten, zij het dan ook voor kor-
ten tu\'d, ons anker neer te werpen. De geheimzinnige bekoorlijk-
heid van het Schwarzwald, met zijne donkere dennenbosschen,
waarvan de voorhoede zich tot de poorten der stad uitstrekt;
de omringende lachende, weelderige landouwen, het tooverwaas
der middeleeuwen dat over haar uitgespreid ligt, zonder ech-
ter aan hare frischheid te schaden, dit alles werkt er toe sa-
men, om deze plaats niet alleen tot den parel van den
Breisgau, maar ook tot een der bekoorlijkste steden van
geheel Duitschland te stempelen.
De oorsprong der stad dagteekent van het jaar 1091, toen
hertog Berthold II van Zahringen op de fundamenten van
oude romeinsche werken een burcht bouwde, onder wiens
stevige muren zich weldra een kleine volkplanting neerliet.
Deze breidde zich meer en meer uit en verkreeg van
hertog Konrad stedelijke rechten. Sedert 136S kwam de stad
onder Oostenrijk en vormde de geheele Breisgau een deel der
Oostenrijksche erflanden. Ook aan Freiburg bleven, evenmin
als aan hare zustersteden, de rampen des oorlogs gespaard,
totdat het in 1806, b(j den vrede van Pressburg, aan Baden
werd toegewezen. Onder dat bestuur nam haar bloei en wel-
vaart ontzaglijk toe, zoodat de bevolking thans reeds tot ver
over de 40,000 zielen gestegen is.
Als hoofdstapelplaats der producten van het Schwarzwald
drijft Freiburg een aanzienlijken handel. Ook het aantal fabrie-
ken is in de omstreken steeds klimmende, doch doet gelukkig
aan het natuurschoon nog geen ernstigen afbreuk. De uni-
versiteit,
die door aartshertog Albrecht van Oostenrijk in
1456 gesticht en door den groothertog Lodewük van Baden
-ocr page 198-
188
in het begin dezer eeuw gereorganiseerd werd, telt in de laatste
jaren 900—1200 studenten.
Eigenaardig te Freiburg zyn de beekjes kristalhelder water,
die, uit het riviertje de Dreisam afgeleid, door alle straten
vloeien en waarvan men er in den laatsten tn\'d vele heeft
overdekt. Daar overigens het klimaat zacht, de lucht zuiver
is, en de bewoners van oudsher bekend hebben gestaan om
hun aangenamen, vriendelijken aard, is het zeker niet te ver-
wonderen, dat zich hier tal van bemiddelde vreemdelingen
met hunne gezinnen zyn komen vestigen. De stad wordt dan
ook door een gordel van villa\'s en bloemtuinen omgeven.
Ons eerste bezoek geldt natuurlijk het merkwaardigste wat
Freiburg den bezoeker kan aanbieden, en dit is ook hier al-
weder de Domkerk, wier reusachtigen toren, met zijne sierlijke
spitsen en lofwerk, zich hoog boven de daken der stad en zelfs
boven de bergtoppen op den achtergrond verheft, zy is de eenige
gothische kerk in geheel Duitschland, die in den bloeitijd van
het gothiek zelf voltooid werd. Zn\' staat aan alle zijden voor
het oog vrij en is van roode zandsteen opgetrokken. Van den
oorspronkelijk Romaanschen bouw, die vermoedelijk in het
begin der 12de eeuw aangevangen werd, zijn nog slechts wei-
nige sporen overgebleven, al het andere is in zuiver gothischen
bouwstijl uitgevoerd en dagteekent van het midden der 13de
eeuw, behalve het koor, dat ongeveer een eeuw jonger is. Wie
de ontwerper van het heerlijk schoone bouwplan geweest is,
valt niet uit te maken, doch vermoedelijk was het Erwin von
Steinbach, de geniale schepper van den Straatburgschen dom.
Een eenig kunstwerk van buitengewone schoonheid is de
niet minder dan 121 M. hooge toren, wiens rh\'ke, stoute en
edele vormen niet genoeg bewonderd kunnen worden. De mas-
sieve vierkante onderbouw, het hooge achthoekige klokkenhuis,
gekroond door den sierlijk opengewerkten pyramidalen spits,
dit alles vormt een bij uitnemendheid harmonisch geheel,
waarvan het oog nooit verzadigd wordt. Verrassend is ook de
-ocr page 199-
189
aanblik van het grootsche kerkportaal, dat door het onderste
gedeelte van den toren wordt gevormd; met z;jn rijkdom aan
beeldgroepen, waarvan de meeste op de lijdensgeschiedenis
van Christus betrekking hebben.
Niet minder verheven schoon is het inwendige der kerk, met
zh\'n gothisch hoogaltaar, zijn uit één steen gehouwen kansel,
zijn lange reeks prachtig bewerkte bisschopszetels, en last not
least
de glasschilderingen uit verschillende tijdperken, waar-
door de majestueuze ruimte in zulk een tooverachtig licht ge-
huld wordt. Het is hier de plaats niet om een beschrijving te
geven van al de grafsteenen, sarcophagen en monumenten,
gewyd aan de nagedachtenis van vorsten en ridders, die in den
loop der eeuwen het eerwaardig kerkgebouw beschermd of
begiftigd hebben. Merkwaardig vooral zijn de kapellen, waar-
door het koor omgeven is, wier rijke inhoud zoowel voorden
geschiedschrijver als voor den kunstkenner van onschatbare
waarde is. Zoo vindt men: de universiteits-kapel, met de
grafsteenen der grootste geleerden, die in Freiburg hun licht
hebben doen stralen en een meesterlijk gepenseeld altaarstuk
van Hans Holbein, de aanbidding der wijzen uit het Oosten
voorstellende; de Bóchlings-kapel, met de beroemde Byzan-
tijnsche crucifix, uit massief zilver gedreven en door een ridder
uit de kruistochten herwaarts gebracht; de beide Keizers-
kapellen,
met hare kostbare glasschilderingen, en zoovele meer.
Wanneer wij thans de Domkerk aan de zuidzijde verlaton,
wordt onze aandacht onmiddellijk getrokken door het Koop-
huis,
een sierlijk hoewel niet hoog gebouw van roode zand-
steen, met een bogengaanderij, daarboven een bij uitstek fraai
balkon, en met bevallige hoektorens. Tusschen de breede, gril-
lig gevormde vensters prijken vier standbeelden, die waarschijn-
lijk even oud zijn als het gebouw zelf, voorstellende: Keizer
Maximiliaan en zijn zoon, koning Philips van Spanje, benevens
de keizers Karel V en Ferdinand I. Langs een statige wentel-
trap bereikt men de groote of Keizerszaal, die nog heden ten
-ocr page 200-
190
dage bij openbare feestelijkheden dienst doet. Menige antieke
trapgevel houdt bovendien, te midden van modern ingerichte
woonhuizen met kolossale spiegelruiten, de herinnering leven-
dig aan de roemrijke dagen van weleer.
Merkwaardig groot is bovendien het aantal monumentale,
wezenlijk springende fonteinen, die men bij een wandeling
door de straten van Freiburg ontmoet. Bijzonder rijk bedeeld
is in dat opzicht de Keizerstraat, waardoor de stad van het
noorden naar het zuiden doorsneden wordt. Als middelstuk
prijkt daar een eeuwenoude fontein in gothieken stijl, met
negen kleine standbeelden : meer naar het zuiden klatert de
fontein, die in 1807 ter eere van den groothertog Karel Fre-
derik van Baden opgericht werd, en, behalve het standbeeld
van Bcrthold III, nog tal van inscripties te zien geeft; eindelijk
nog een moderne fontein, met het standbeeld van aartshertog
Albrecht. In dezelfde straat verheft zich ook het indruk-
wekkende overwinnings-monument, dat in 1876 ter eeuwige
gedachtenis aan de heldendaden van het Badensche leger in
den Fransch—Duitschen oorlog opgericht werd. Prachtig ge-
modelleerd is de vijf meter hooge Victoria, die het monument
kroont, en niet minder schoon zijn de vier strijders van ver-
schillende wapenen, waarmede het granieten voetstuk ver-
sierd is.
Ook Barthold Schwarz, die de wereld door de uitvinding
van het buskruit gelukkig maakte, heeft te Freiburg zijn stand-
beeld en natuurlijk te gelijk ook zijn fontein. Vroolijk plast
het water in de breede bekkens, en daarboven rijst de forsche
monniksgestalte, met den bijbel in de linkerhand, terwijl hy
de linker peinzend tegen de kin gedrukt houdt. Een diepzin-
nige doch tegelijk droefgeestige gedachte staat duidelijk op
het breede, gewelfde voorhoofd van den genialen uitvinder te
lezen.
Met een bezoek aan het Raadhuis, dat uit de ontluikings-
periode der renaissance dagteekent en voor eenige jaren met
-ocr page 201-
191
smaakvolle fresco\'s, de fata der stad voorstellende, versierd
werd, besluiten wij onzen „ommegang."
Zooals wij reeds in de gelegenheid waren op te merken, zijn
ook de omstreken van Freiburg wonderschoon en vol afwis-
seling. Reeds de onmiddellijke omgeving is rijk aan prachtig
hout, dat door talrijke paden doorsneden wordt, en daarachter
breidt zich het Schwarzwald in al zijn pracht en heerlijkheid
uit. Tot de aangenaamste uitstapjes behoort zeker wel een
tocht naar het kasteel Zahringen, het stamslot van het be-
roemde geslacht der Zahringers, dat reeds in 1215 met graaf
Berthold V uitstierf.
Het ontstaan van dezen eenmaal zoo machtigen burcht,
waaraan Freiburg zijn eerste ontwikkeling voor een goed deel
te danken heeft, en waarvan thans behalve den hoogen
wachttoren nog slechts weinig meer dan een puinhoop overig
is, wordt door de legende in dier voege verhaald: „In het
woudrijke dal van Zahringen, aan den voet van den Ross-
kopf O
leefde in overoude tijden een jeugdige kolenbrander.
Vader en moeder waren gestorven en zoo bleef hij alleen, te
midden dier ernstige natuur, bij zijne kolenvuren achter. Ge-
ruimen tijd ging alles goed, doch nauwelijks had onze jonk-
man, in het belang zijner primitieve industrie, voor het eerst
de groote stad betreden en daar ridderspelen en tornooien aan-
schouwd, of het ging hem als de bekende Lisette uit het ouder-
wetsche volksliedje, wier hart en zin, na een dergelijke aan-
raking met de geciviliseerde maatschappij, ganschelijk van de
kudde waren afgeweken. De „Waldeinsamkeit" had al hare
bekoorlijkheid voor hem verloren, want zijn gemoedsrust was
weg. Hij droomde nog slechts van het genot, om met het
ridderzwaard omgord, den Keizer, die toen juist van alle zijden
(1) Een 740 meter hooge bergtop vin het Schwarzwald, op l*/t uur afstand van
Freiburg, met een verrukkelijk uitzicht.
-ocr page 202-
192
door zijne vijanden in het nauw gebracht werd, te kunnen die-
nen en door znn heldenmoed als de dapperste onder de dap-
peren uit te blinken. Een buurman-kluizenaar, die veel van
de wereld gezien had, werd in het vertrouwen genomen, doch
kon in de gegeven omstandigheden al niet meer doen, dan
den jongeling met al de kracht zijner welsprekendheid aan
te manen om de dingen, die komen zouden, met geduld af te
wachten, in het vertrouwen, dat een wonder hem nader aan
het zoo vurig gewenschte doel zou brengen. Het wonder
bleef werkelijk niet uit; telkens, wanneer hü zijn oven ledigde,
vond hij onder het houtskool een zwaren goudklomp, en hoewel
men in die dagen nog veel te achterlijk was om te begrijpen, dat
een ruim bezit van dit edele metaal voldoende is om iemand op
alle mogelijke wijzen te adelen en ridderen, werd de steeds was-
sende goudvoorraad door den ridder „in spe" toch zorgvuldig
verborgen. Nu gebeurde het op een stormachtigen nacht, terwijl
de wind door de toppen der boomen gierde en de echo der
bergen het geratel der donderslagen duizendvoudig weerkaat-
ste, dat de jongeling door een luid geklop aan de deur zijner
hut uit zijne eerzuchtige droomen werd gewekt. Hij haastte
zich te openen en binnen trad een hooge gestalte in een mon-
nikspij gewikkeld, waarin hü terstond zijn Keizer herkende,
wiens beeld diep in zijn ziel gegrift stond, sedert hij hem
schitterend uitgedost en hoog te paard gezeten by het rid-
derlijk tornooi bewonderd had. Het was werkelijk de onge-
lukkige vorst, die, van land en kroon beroofd, als een stuk
wild achterna gejaagd, van zn\'n laatste hoopje getrouwen
afgedwaald, in de eenzame kolenbrandershut een schuilplaats
was komen zoeken. Voor den intelligenten lezer zal het vervolg
thans wel licht genoeg te raden zijn. De Keizer, die in de
laatste maanden maar al te zeer de waarheid van het: point
d\'argent, point de Suisses
ondervonden had, werd door den
kolenbrander in staat gesteld een talrijk leger aan te werven,
waarmee h\\j zijn vijanden gemakkelijk versloeg. Het duurde
-ocr page 203-
193
dan ook niet lang, of het land was bevrijd en Keizer en Rh\'k
waren gered. De kolenbrander, die natuurlijk onmiddellijk na
het zooeven geschetste nachtelijk tooneel tot ridder geslagen
was en ook als een goed ridder naast zijn Keizer had gestre-
den, stak niet dan ongaarne het zwaard op, dat hij met zooveel
lust en ijver voor de goede zaak getrokken had. Maar de Keizer
lachte hem vriendelijk toe en zeide: „Mijn jonge vriend, ook in
den vrede zijn er bloemen van roem en eer te plukken, zoeter
en geuriger dan die, welke op het slagveld zijn verworven. Uit
het dal van Zahringen werdt gij mij als een reddende engel
gezonden; aan u behoore dan ook voortaan het dal van Zah-
ringen en zijn naam. Bouw een ridderburg op den Roszkopf,
regeer over land en lieden, zoover uw oog van daar reikt en
plant uw deugd en ridderzin tot in het verste nageslacht over."
En, zooals de Keizer gesproken had, is geschied. Het dal van
Zahringen werd des ridders eigendom, en tot op den huidigen
dag bewaart zijn nakroost de deugden van den stamvader,
onwrikbaar pal staande in gehechtheid aan Keizer en Rijk.
Van Alt-Breisach, waar ons vaartuigje weder even trouw
ligt te wachten, als bh\' reeds zoovele van onze excursiën,
zetten wij den tocht stroomopwaarts voort naar Bazei. Een-
zaam en majestueus rolt op dit gedeelte van onzen weg
de Rijnstroom voort, te midden van het vlakke land met zh\'n
rijkdom van gouden korenvelden en groene wijngaarden, ter-
wijl in de verte de glinsterende toppen van Schwarzwald, Jura
en Vogezen het vruchtbare dal omlijsten.
Bazel, de hoofdstad van het Zwitsersche kanton van den-
zelfden naam, met ruim 61,000 inwoners, maakt reeds bh\' den
eersten aanblik een grootschen, overstelpenden indruk. De
stad strekt zich langs de beide oevers van den Rh\'n uit: Groot-
Bazel
aan de rechter-, Klein-Bazel aan de linkerzijde, waar-
tusschen de gemeenschap door drie bruggen onderhouden wordt.
De oorsprong van Bazel dagteekent reeds uit den tnd der
13
-ocr page 204-
194
Romeinen, die hier een kolonie stichtten, hetgeen met het oog
op de hooge strategische waarde der stad voor de heer-
schappij over den Boven-Rijn, voorzeker niet te verwonderen
is. Tevergeefs poogden echter de latere Romeinsche keizers
van hieruit de volksmassa\'s, die zich langzaam maar zeker
in beweging zetten en zich over de Romeinsche landen
uitstortten, tegen te houden; de uitgeputte en afgeleefde
kolossus was tegen den steeds wassenden stroom niet be-
stand en een tijdlang voerden de blondgelokte Alemanen in
deze streken een onbeperkte heerschappij. Evengoed als eenige
andere stad aan den Rijn, heeft ook Bazel in de middel-
eeuwen stormachtige tijden doorleefd. Machtige rijken en
vorsten streden om zijn bezit, terwijl de worsteling tusschen
de geestelijkheid en de naar vrijheid smachtende burgerij, als-
mede burgertwisten van allerlei aard, menigmaal de stad op
hare grondvesten deden trillen. Daarbij kwamen nog de ver-
woestingen, in 1336 door een aardbeving en in 1348 door de
pest aangericht.
De ontwikkelingsgeschiedenis van Bazel staat overigens vry
wel gelijk met die van de meeste Duitsche rijkssteden. Eerst
waren de bisschoppen, wier macht bovendien door hunne fami-
liebetrekkingen met de aanzienlijkste geslachten gewoonlijk
nog bevorderd werd, er de eigenlijke vorsten. Zij hielden meestal
trouw aan den Keizer. Wij noemen slechts: Haito, den ver-
trouwden raadsman van Karel den Groote, Burchard van Ha-
senburg, die Hendrik IV, den smeekeling van Canossa, met
groote toewijding ter zijde stond, Ortlieb, den metgezel van
Konrad III op diens tocht naar het Heilige Land, en eindelijk
den krijgshaftigen bisschop Heinrich, die met Rudolf van
Habsburg in dezelfde gelederen streed.
Na deze periode komt de tijd, dat het burger-element na
harden strh\'d gezegevierd heeft en de stad dus niet meer aan
den bisschop maar aan de burgerij behoort. In die dagen trad
Bazel ongetwijfeld het sterkst op het wereldtooneel op den
-ocr page 205-
195
voorgrond, een roem die het echter dikwijls maar al te duur
betalen moest. Langzamerhand werd echter zijn politieke be-
teekenis geringer, toen het zich door zijn aanraking met de
«edgenooten in beperkter politieken kring ging bewegen, waar-
van het einde was, dat de stad in 1501 officieel in het Zwit-
sersche bondgenootschap werd opgenomen.
Voorgoed verdwenen waren nu de glans en luister van weleer.
Men donke slechts aan de roemrijke dagen, toen Bernhard van
Clairvaux met znne vurige welsprekendheid hier den kruistocht
predikte, of het concilie zeventien jaren lang (1431—1448) in
den Dom vergaderde en de geheele wereld den blik op Bazel
gevestigd hield. Maar daarvoor kwamen een bloei en eenwel-
vaart in de plaats, zooals weinig steden die gekend hebben.
Het was hoofdzakelijk aan de bij uitnemendheid gunstige lig-
ging, dat de stad hare reusachtige ontwikkeling te danken
had. Reeds in de 16de eeuw bestond er een geregeld scheep-
vaartsverkeer met Straatsburg en voerde de Rijnstroom dui-
zenden vreemdelingen en de producten van alle deelen der
aarde door Bazel.
Een paar eeuwen geleden noemde men Bazel de „eerwaardige"
stad, wat zn om de vroomheid van hare bevolking toen dan
ook wel verdiende. Jammer slechts dat die godsdienstzin der
Bazelaars allengs in een verregaande bekrompenheid ontaardde,
waarvan tal van dwaze wetten tegen opschik en weelde, en
geheele stapels officieele voorschriften met betrekking tot het
vervullen van godsdienstplichten het uitvloeisel waren. Zoo
werden reeds in de 17de eeuw de gewone godsdienstoefenin-
gen aangevuld met een menigte buitengewone bidstonden, en
sloot men op Zon- en feestdagen de stadspoorten potdicht voor
de burgers, die de zondige neiging hadden om zich buiten in
de vrn\'e natuur te gaan ontspannen. Daarentegen hield men de
boeren uit de omliggende dorpen op die dagen van den vroe-
gen morgen tot den laten avond met predikatiën, afgewisseld
door bijbellezingen, nuttig en aangenaam bezig. De soldaten
-ocr page 206-
196
moesten, wanneer zn\' op wacht trokken of afgelost werden,
op commando, ellenlange gebeden opzeggen. In 1758 gaf de
Raad, wiens leden recht hadden op den titel van „uwe wijs-
heid", als zijn gevoelen te kennen, dat het kappen van vrou-
wen door mannen als „hoogst onvoegzaam en oneerbaar"
moest beschouwd worden, wat dan ook ten strengste verbo-
den werd. Dat bij een dergeln\'ken dwang, onder het masker
van vroomheid, des te sterker in het geheim gezondigd werd,
ligt voor de hand.
Hoewel de reactie, volgens den natuurlijken loop van zaken,
niet kon uitblijven, bleef te Bazel alles langer b\\j het oude dan
in eenige andere stad, die zoo uitgebreid verkeer had met de
buitenwereld. In 1829, toen men te Hanover reeds gas brandde,
was hier een straatlantaarn nog een onbekende weelde, en aan
het aanleggen van kaden, de „question bruiante" voor alle
koopsteden, werd een goede veertig jaren geleden zelfs nog
niet gedacht.
Een sprekend bewijs, hoe diep de behoudzucht in den volks-
geest was doorgedrongen, kan men vinden in het zonderlinge
gebruik, dat eeuwenlang heeft stand gehouden, om de Bazel-
sche stadsklokken altijd één uur te laten voorgaan op alle
andere klokken ter wereld. Want toen de hoogwjjze Raad,
door den tijdgeest medegesleept, indertijd bepaalde, dat met
ingang van 1 Januari 1779 de klokken voortaan stipt naar den
middelbaren tijd zouden geregeld worden, ontstonden er zulke
hevige tumulten, dat het achtbaar college het reeds veertien
dagen later geraden vond om op zijn besluit terug te komen.
Wat deze beweging noch belachelijker maakt, is de omstan-
digheid dat de gewoonte eiken historischen grondslag mist.
Enkel zou volgens een zeer vage traditie een torenwachter in
overoude tijden aanleiding geweest zijn, dat zoovele geslach-
ten in de goede stad Bazel hun tijd vooruit zijn geweest. Het
waren toen donkere dagen voor Bazel; de vijand hield de ves-
ting nauw ingesloten en daarbinnen loerde het verraad. In
-ocr page 207-
197
het middernachtelijk uur, wanneer de zware torenklok zijn
twaalf slagen door den geheelen omtrek zou doen weergalmen,
moest de vijand in alle stilte tegen de stad oprukken, waar het
verraad hem de poorten wilde openen. Door een gelukkig toe-
val ontdekte echter de torenwachter, een slimme vos, het
booze plan, juist eenige minuten voordat het tot uitvoering
zou komen. Hü bedacht zich geen oogenblik, maar liet het
uurwerk stilstaan, schoof den wijzer een uur vooruit, regelde
dienovereenkomstig het slagwerk en bracht den slinger weder
in beweging. Het natuurlijke gevolg was, dat de klok al spoe-
dig den nieuwen dag met slechts één slag aankondigde, het-
geen in het vijandelijk legerkamp zoodanige verwarring ver-
oorzaakte, dat er ten slotte van de overrompeling werd afgezien.
Bazel was gered en ter gedachtenis aan de merkwaardige
wijze, waarop dit geschiedde, besloot men, dat ten eeuwigen
dage de stadsklokken een uur zouden vóórgaan.
Onze eerste weg voert ook hier weder naar de Domkerk
die, evenals te Freiburg, op een hoogte ligt en uit roode zand-
steen gebouwd is. Zn\' bezit daarentegen twee schoone, slanke
torens ter hoogte van ruim 200 voet. De geweldige aardbeving
van 1356, die mijlen ver in den omtrek burchten en kerken
in puin deed storten, vernielde den oorspronkelijk romaan-
schen bouw, uit het begin der elfde eeuw. Slechts het koor
en het middelgedeelte van het schip bleven gespaard; al het
overige werd tot in de 16de eeuw bijgebouwd, en levert dan ook
een staalkaart van verschillende bouwstijlen, waarbij echter
het gothische element domineert. Niet minder merkwaardig
is het inwendige met zu\'n prachtig orgel en zijn gothischen
kansel, die den vorm van een bloemkelk heeft en uit één steen
is gehouwen. Van groote historische waarde zn\'n bovendien
het schoone grafmonument van Keizerin Anna, de fiere ge-
malin van Rudolf van Habsburg, en de eenvoudige zerk, waar-
onder de beroemde Desiderius Erasmus, van Rotterdam, rust,
die hier in 1536 begraven werd. De vredelievende geleerde en
r
-ocr page 208-
198
humane strijder voor het goede en schoone, op wien zijn va-
derstad nog altijd met recht trotsch is, heeft te Bazel vele van
zh\'n werken, o. a. zijn vermaard boek: „De libero arbitrio"
dat tegen Luther gericht was, geschreven. Tot de Domkerk
behoort ook de zaal, waarin van 1431 tot 1449 het groote con-
cilie vergaderde, met fragmenten van de beroemde fresco\'s,
bekend onder den naam van den Bazelschen doodendans.
Zeer bezienswaardig is ook het museum, dat pas 40 jaren
geleden werd opgericht, met bestemming om alles, wat strek-
ken kon ter bevordering van de studie der kunsten en weten-
schappen, in eene waardige ruimte op te nemen. Van onschat-
bare kunstwaarde is vooral de verzameling schilderyen) en
teekeningen van Hans Holbein, die in 1497 te Augsburg ge-
boren werd en te Bazel de beste jaren van zijn leven door-
bracht. Bovendien bevat het museum eene boekerij, die, niet-
tegenstaande den betrekkelijk korten duur van haar bestaan,
reeds zeer aanzienlek is.
Aan den zooeven genoemden grooten meester herinneren
bovendien de Holbein-bron met den boerendarts, waarvan de
figuren door Holbein werden ontworpen. Onder de openbare
gebouwen verdienen nog bijzondere aandacht: het Raadhuis,
met zijn prachtig standbeeld van Munatius Plancus, de Uni-
versiteit,
die in 1460 door een bul van paus Pius II gesticht
werd, en eindelijk de inderdaad monumentale Spahlen-poort
met hare massieve ronde zijtorens en het hooge,^spitse, veel-
kleurig leiendak, waardoor zij zoo schilderachtig? gekroond
wordt.
-ocr page 209-
HOOFDSTUK XV.
Rheinfelden. — Sackingen. — Lauffliburg. — De waterval van Schuif.
hauBen. — Hohentwiel. — Stein a. d. Rgn. — Arenenberg. —
Gottlieben. — Keichenau. — Constanz.
Wanneer wh\' ons met de stad Bazel en haar bh\' uitstek merk-
waardige verleden langer bozighielden dan de veelheid der nog
te behandelen stof, in verband met onze zeer beperkte ruimte,
eigenlijk wel veroorloofde, mag als verzachtende omstan-
digheid in aanmerking worden genomen, dat z\\) dan ook de
laatste inderdaad groote en machtige stad is, die wy op onzen
Rtjn-tocht ontmoeten. De stroom maakt hier eensklaps een
scherpen bocht, zoodat de stroom naar Constanz, die thans voor
ons ligt, niet meer in de richting van het zonnige zuiden, maar pal
naar het oosten loopt. Ook het karakter der rivier ondergaat hier
plotseling een geheele verandering; niet meer met kalme
majesteit rolt de Rijn hier zijne breede golven voort, maar
bruischend schiet de stroom over den met scherpe rots-
punten bezaaiden bodem, waardoor de scheepvaart zeer be-
moeielükt wordt. Niet minder lastig zn\'n de draaikolken, die
zich van tijd tot th\'d in de rivier vormen, en zelfs bh\' Rhein-
felden,
waar zjj den eigenaardigen naam van Höllenhaken
voeren, een zeer gevaarlijk karakter aannemen. Wh\' laten ons
hierdoor echter allerminst vrees aanjagen en genieten met
volle teugen van den heerlijken aanblik, dien de oevers aan
weerszijden aanbieden: links van ons het lieflijke Run-dal, waar
-ocr page 210-
200
de voortreffelijke „Machgriiferln" wast, rechts, op Zwitsersch
gebied, de romantische met woud bedekte hoogten.
Het zooeven reeds genoemde Zwitsersche stadje Rheinfelden
was eenmaal een sterke vesting, en een der voorposten van
het heilige Roomsche rijk. Op een rots, midden in de
rivier, verhief zich de trotsche burg Stein, die den Rgn en
den geheelen omtrek beheerschte. Van al die glorie, welke de
Keizerlijken, de Zweden, de Zwitsers en de Fransche leger-
benden het duur genoeg hebben laten betalen, is thans niets
meer overgebleven; het eenmaal zoo gevreesde burchtkasteel
is reeds lang in puin gestort en de vestingwerken werden na
de inneming door de Franschen, onder maarschalk Bellisle, in
1744 gesloopt. Daar nu Rheinfelden prachtige omstreken en,
door zijn beschutte ligging aan de noordzijde, een uitmuntend
klimaat heeft, terwijl zijn krachtige soolbaden een welverdiende
reputatie genieten, is het vreemdelingen bezoek er in de laatste
twintig jaren ontzaglijk gestegen. Het aantal badgasten kan
tegenwoordig veilig op meer dan 1500 jaarlijks geschat worden.
Het eerste stadje van eenige beteekenis, dat wij thans
hoogerop aan den Badenschen oever ontmoeten, is Sackingen,
dat zijn groote vermaardheid voor een goed deel verschuldigd
is aan den alom bekenden „Trompeter," die zulke melodieuse,
wegslepende tonen aan zijn heerlijk speeltuig weet te ontlok-
ken. Volgens de legende heeft Sackingen zijn ontstaan te
danken aan den heiligen Fridolin, die hier een klooster stichtte
en zich bovendien verdienstelijk maakte door den duivel uit
het groothertogdom Baden te verdrijven. In de oude stiftskerk
worden nog eenige reliquien van den heilige, die met eenige
volgelingen uit Ierland was overgekomen om in deze streken
het evangelie te verkondigen, bewaard. Voor het tegenwoordige
is Sackingen een echt provinciestadje, met een vrij bloeiende
industrie.
Bij Laufenburg krijgen wij reeds een voorproefje van den
salto mortale, waaraan de Rijn, dien wij steeds een jeugdiger
-ocr page 211-
201
karakter zien aannemen, zich straks bij Schaffhausen in dar-
telen overmoed zal te buiten gaan. Even boven de brug, die
hier over den vloed gespannen is, wordt deze namelijk door
hooge steile rotsen in een enge bedding gewrongen. Bruischend
en schuimend schiet hu vervolgens onder de brug weg, midden
door een reeks van geweldige rotsgevaarten, die tevergeefs
trachten den woest voorthollenden knaap in zijn snellen loop
te stuiten. Over een lengte van ongeveer acht minuten houdt
dit inderdaad overweldigend schoone schouwspel aan; dan
neemt de rivier weder hare normale breedte en stroomsnelheid
aan. Een rotsblok, geheel in de diepte, heet Laufenstein, en
het komt slechts by buitengewoon lage waterstanden te voor-
schijn. Het laatst was dit het geval in 1858, toen men er in
slaagde een ijzeren herinneringsplaat aan het gevaarte vast
te hechten, dat reeds met tal van dergelijke kenteekenen voor-
zien is. Beneden den maalstroom wordt veel visch, vooral
zalm, gevangen, die in den paaitijd van onze zeegaten tot
Zwitserland tegen den stroom komt opzwemmen en gewoon
is in dezen omtrek hare eieren te deponeeren. In het gunstig
seizoen treft men dan ook op plekken waar het water ondiep
en helder is, meermalen zoovele jeugdige zalmpjes aan, dat
de bodem er geheel onzichtbaar door wordt.
Midden op de brug ligt de grens, die niet alleen twee landen
van elkander scheidt, maar ook Laufenburg in twee deelen
splitst: Klein-Laufenburg op Badensch en Groot-Laufenburg
op Zwitsersch territoir. Beide waren tot in het begin dezer
eeuw goed-Oostenrijksch. Hoogst schilderachtig, hoewel eenigs-
zins aan den somberen kant, is het gezicht op Groot-Laufen-
burg, met zijne hooge, oude huizen, die aan den oeverkant,
uit de rotsspleten schijnen voort te spruiten. Hoog boven het
stadje troont het oude, reeds lang vervallen slot, waarvan
alleen de toren nog even fier naar beneden blikt als in de
roemrnke dagen van weleer.
Steeds stroomopwaarts gaat onze tocht, door een wilder-
-ocr page 212-
202
nis van beuken- en dennenbosschen, te midden waarvan de
RUn z\\jne hemelsblauwe, doorschijnende golven voortstuwt.
Wij bevinden\'ons dan ook op het gebied der vier woudsteden
(Waldshut, Laufenburg, Sackingen en Rheinfelden), en wel in
dat gedeelte waar alles nog herinnert aan den tijd, toen Walds-
hut,
een stadje met ongeveer 2700 inwoners, dat wij juist pas-
soeren, nog custodia sylvae heette, en hier, het zal nu trou-
wens zoowat duizend jaar geleden zijn, nog slechts een enkel
houtvestershuis stond.
Zoo zijn wh\' thans tot een der schoonste en merkwaardigste
punten van onzenjreis genaderd, den beroemden waterval van
Scliaffhausen.
Een reusachtig rotsblok verspert hier ten eenen-
male den weg aan den met jeugdig vuur voorthollenden stroom,
en dwingt dien zich van een hoogte van ongeveer 30 meter
naar beneden te storten. Verrukkelijk schoon is de aanblik
van dit natuurverschijnsel, dat ook wat grootschheid betreft,
eenig in Europa is, zoowel des morgens, wanneer de stralen
der zon het in alle kleuren van den regenboog doen schitte-
ren, als wanneer het des avonds door een fantastisch maan-
licht met zilvertinten overgoten wordt. De beste gelegenheid
om den val in al z;jn pracht en majesteit van nabij te aan"
schouwen, biedt ongetwijfeld de tuin van het slot Laufen,
aan de Zwitsersche zijde, waar een ijzeren terras bijna tegen
de schuimende wateren aangebouwd is. Bijzonder interessant
is van hieruit een tochtje per boot, die hier steeds gereed ligt,
naar de overzijde, vooral indien men zich zoo dicht mogelijk
langs den val laat roeien. "Wanneer het water niet te hoog is,
kan men ook naar den rots varen, waarover het water zich
met een stouten boog naar beneden stort, een genot dat ech-
ter aan menschen, die wat zenuwachtig zijn of last van dui-
zeligheid hebben, ten sterkste moet worden ontraden. Zelfs de
gewone overtocht, waarbij het vaartuigje natuurlijk altijd vry
sterk schommelt, levert voor dames, die bang op het water
zijn, geen onvermengd genoegen op. Heeft men echter den
-ocr page 213-
De waterval van Schaffhausen.
-ocr page 214-
204
moed ook den rots zelf te beklimmen, dan wordt men daar-
voor beloond door een schouwspel, dat inderdaad onbeschrijflijk
grootsch en schoon mag genoemd worden. Te midden van de
schuimende watermassa\'s die zich met donderend geweld vlak
boven zh\'n hoofd in de diepte storton, meent de verbaasde
toeschouwer het beven van den rots te gevoelen, jlie dan ook
ongetwijfeld in den loop der eeuwen zal moeten gehoorzamen
aan de eeuwige natuurwet, dat zelfs een druppel den steen
uitholt.
Wanneer wjj, de algemeene gewoonte volgende, spreken van
den waterval van Schaffhausen, is dit eigenlijk niet zoo geheel
juist. Schaffhausen toch ligt wel bijna een uur hooger op. Het
is een zeer lieflijk gelegen, en zeer ouderwetsch stadje aan
den Ru\'n. Eens was het een vrije Rn\'ksstad, en als zoodanig
heeft het beproevingen van allerlei aard doorstaan, doch ook
dagen van grooten roem gekend. Aan dien t\\jd herinneren nog
de Domkerk met zn\'ne grauwe torens, die in het laatst
der 11de eeuw voltooid werd, alsmede het hooggelegen slot
Munoth, dat ongeveer vier eeuwen jonger is en de plaats
geheel bestrijkt. Voor het tegenwoordige is Schaffhausen een
door handel en industrie vrij welvarend Zwitsersch stadje met
omstreeks 12,000 inwoners.
„Alle wegen voeren naar Rome!" zegt een zeer oud spreek-
woord, dat wij met een kleinen variant, ten volle kunnen toe-
passen, nu wij gereed staan om onze reis naar Constanz, het
eindpunt voor verreweg de meeste toeristen langs den Rijn,
te vervolgen. Maar, op de keuze van den weg komt het hier
juist aan, en dan vinden wij ons voor het alternatief gesteld,
om öf de Höhegau door en het Unter-meer om te wandelen,
of de reis te water voort te zetten. Zooals meest altijd, is ook
hier een transactie de beste wijze om uit de moeilijkheid te
geraken: wij geven dus de voorkeur aan het watertochtje,
al bewaart ook de onsterfelijke Baedeker over dit gedeelte
van den Rijn, dat toch werkelijk interessant genoeg is, in zijne
-ocr page 215-
2U5
„Rheinlande" een volslagen stilzwijgen, maar brengen vooraf
een kort bezoek aan Hohentwiel, een der oudste en indruk-
wekkendste kasteelen van Duitschland. De roemrijkste periode
van Hohentwiel valt in den dertigjarigen oorlog, toen het in
negen jaren tijds (1635—1644) niet minder dan vijfmaal door
de Beiersche en de keizerlijke troepen belegerd werd. Alle
pogingen, om de veste tot overgaaf te dwingen, stieten echter
af op het beleid en de onverschrokkenheid van den comman-
dant Konrad Wiederhold. Hohentwiel behoorde reeds toen aan
Wurtembergenisookthans nog een Wurtembergsche enclave op
Badensch grondgebied. In 1800 werd de eens onneembaar geach-
te burcht door de Franschen bijna zonder slag of stoot gewonnen
waarna de vestingwerken werden geslecht. Verrukkelijker ver-
gezicht dan men bij gunstige weersgesteldheid van den toren van
Hohentwiel tot aan de Berner Alpen geniet, is moeilijk denkbaar.
Onzen weg thans stroomopwaarts vervolgende, ontmoeten
wn\' al zeer spoedig het stadje Stein, waar de Kyn zich van
het Unter-meer losmaakt, om voortaan, tot waar hy zich in
de baren der Noordzee verliest, vrij en onbeperkt, binnen zn\'n
eigen boorden te heerschen. Stein is voor den vreemdeling
vooral merkwaardig om zijn echt middeleeuwsch karakter. Bü
iedere schrede door de stille straten ontmoet men oude hui-
zen met fraaie vensteruitstekjes, wapenschilden, fresco\'s, zin-
rijke spreuken en tal van andere versieringen, alles afkomstig
uit den goeden ouden tjjd, toen Stein a/d Rijn met eere onder
de rijkssteden genoemd werd.
Es\'eneens historisch merkwaardig is het zoo bekoorlijk aan
het Unter-meer gelegen slot Arenenberg, dat wü thans voor-
bijglijden. Het was eenmaal het eigendom van koningin Hor-
tense, aan wie het zijne heerlijke parken te danken heeft, en
strekte later tot woning van den derden Napoleon, die van
hier, als president der republiek, naar Parijs trok, om het stille,
romantische Arenenberg voor de schitterende Tuilerieën te ver-
ruilen. En thans is ditzelfde stille buitenverblijf, met zijne
-ocr page 216-
206
lommerrijke lanen, nog altijd de plaats waar de ongelukkige
ex-keizerin Eugenie het liefst vertoeft.
Ook het sombere slot met zijne droefgeestige, hoekige torens,
dat wij verderop in het oog krijgen, behoorde aan den laatsten
Franschen keizer. Het is Gottlieben, dat in de dertiende eeuw
door Eberhard van "Waldburg werd gesticht. Binnen deze muren
werd Johannes Huss gevangen gehouden, voor men hem op
den brandstapel bracht en vond paus Alexander, na z;jn mis-
lukten vlucht uit Constanz, gelegenheid om over z\\jn verloren
luister te mijmeren.
Maar liever dan ons langer te verdiepen in treurige herinne-
ringen uit lang vervlogen eeuwen, vestigen wij den blik links
op het verrukkelijk schoone eiland Reichenau met zn\'ne zon-
nige wijnbergen en weelderige boomgaarden, dat door de golven
van het blauwe meer zoo lieflijk bespoeld wordt. Hoogst schil-
derachtig verrijzen, te midden van groene weilanden drie be-
koorlijke dorpjes: Ober-, Uitten- en Unterzell, waarvan de
beide eerste kunnen bogen op kerkgebouwen, die voor de ge-
schiedenis der bouwkunst van onnoemelijke waarde zijn.
Het wereldberoemde Benedictijner klooster, dat in 724 op
het toenmaals nog onbewoonde eiland werd gesticht, heeft in
den loop der eeuwen een grootheid en aanzien bereikt, die
inderdaad eenig in de geschiedenis zijn. Vier aartshertogen en
bijna tachtig graven noemden zich leenmannen van Reichenau,
{Augia dives, zooals het middeleeuwsch latijn heette). De abt
van Reichenau was vorst van het Heilige Roomsche Rh\'k, en,
wanneer keizers en vorsten zh\'n gasten waren, stelden de
edelste ridders uit den omtrek er een eer in het gewichtige ambt
van opper-voorsnijder en opper-schenker bn\' hem te vervullen.
Ging daarentegen de abt naar Rome, op bezoek b\\j den paus,
dan placht hy er zich op te beroemen gedurende de reis eiken
nacht op eigen grondgebied geslapen te hebben. Juist die luis-
ter en dat aanzien brachten echter, zooals het meest altijd
gaat, weelderigheid en zedebederf voort, waarvaneen langzaam,
-ocr page 217-
207
maar zeker verval wel het gevolg moest zyn. De abdij, die in
de middeleeuwen een brandpunt van verlichting en beschaving
was geweest, werd ten slotte een verzamelplaats van vadsige,
onwetende monniken, die de eenmaal zoo rijke kloosterbezit-
tingen in ledigheid verbrasten. Het einde was, dat Reichenau
door zijn laatsten abt voor een luttele geldsom den bisschop
van Constanz in handen werd. gespeeld, die de inrichting
ophief.
Al zeer spoedig bereiken wij thans het punt, waar de Rijn
het meer van Constanz verlaat, om zich in het Unter-meer te
werpen, en Constanz zelf in al zijn pracht en heerlijkheid te
voorschijn treedt. Wie denkt niet onmiddellijk bij het hooren
van dien naam aan het concilie van Constanz, dat van 1414—
1418 vergaderde en welks voornaamste handelingen bestonden
in de verkiezing van Martinus V tot paus en de veroordeeling
van Huss tot den brandstapel, welk vonnis inderdaad in 1415
door den wereldlijken rechter ten uitvoer werd gelegd. Het is
hier allerminst de plaats om over het concilie en wat daar-
mede in verband staat, uitgebreide beschouwingen te leveren.
Ten einde, zy het dan ook nog maar een flauw denkbeeld, te
geven van deze gebeurtenis, die inderdaad eenig in de annalen
der wereldgeschiedenis mag genoemd worden, willen wij enkel
aanstippen, dat in die dagen te Constanz bijeengekomen waren:
behalve paus Johannes XXIII en keizer Sigismund, 26 logee-
rende vorsten, 140 graven, meer dan 20 kardinalen, 7 patriar-
chen, 20 aartsbisschoppen, 91 bisschoppen, 600 prelaten en
omstreeks 4000 geestelijken van minderen rang.
Onder de weinige overblijfselen uit die dagen van luister
en glans verdient in de eerste plaats genoemd te worden het
Koophuis, of liever de groote bovenzaal van dit overigens
niet zeer schoone gebouw, waarin destijds het conclave van
kardinalen vergaderde, dat Martinus V, ten koste van den on-
gelukkigen titularis Johannes XXIII, tot paus verhief. De ko-
lossale, hoewol eenigszins lage zaal, wier zoldering door 10
-ocr page 218-
208
pylers van massief eikenhout wordt gestut, is in de laatste
jaren met zorg gerestaureerd en heeft een nieuwe aantrek-
kelijkheid verkregen door prachtige fresco\'s, tafereelen voor-
stellende uit de geschiedenis der stad.
Blijft nog ter vermelding over de Domkerk, oorspronkelijk
een kruisvormige basiliek in romaanschen stijl, waarvan de
stichting uit het begin der elfde eeuw dateert. Later bracht
een hevige brand, waarbij zelf de klokken smolten, een zoo
geduchte schade teweeg, dat, eigenlijk gezegd, de bouw der
kerk in hare tegenwoordige gestalte eerst in het begin der
16e eeuw is aangevangen. De fraaie gothische toren, met zijn
ranken d jour gewerkten spits van grijze zandsteen, is zelfs
nog pas 30 jaren oud.
\' Constanz is in de laatste jaren zeer vooruitgegaan, ook in
bevolking. Het telt thans nagenoeg 15,000 inwoners, terwijl
in het reis-seizoen het vreemdelingenverkeer er zeer aanzien-
lijk is. Bovendien brengen de tallooze stoombooten, die van
Constanz uit de Boden-zee bevaren, vooral aan den havenkant
groote levendigheid teweeg.
-ocr page 219-
HOOFDSTUK XVL
Het meer van Conatanz. — Mainau. — Meersburg. — Frederiksha-
ven. — Lindau. — Bregenz. — Kheineck. — Het Rjjndal. — Sar-
gans. — Bagaz. — Pfafers. — Maienfeld. — Chur. — Daros. —
Ems. — Keicbenuu. — Flims. — Ilanz. — Trans. — Disentis. —
Het Toma-meer. — Rhazüns. — Thusi9. — Het Lüscher-meer. —
De Via Mala met het „Verloren gat" — Splügen — Het Rbein-
wald-dal.
Onlangs trachtte mij een volbloed Arnhemmer, overigens
een zeer ontwikkeld man, aan het verstand te brengen, dat de
omstreken zijner vaderstad het in bekoorlijkheid en afwisseling
winnen van welk punt ook aan den DuitschenofZwitserschen
Ryn en dat de omgeving van het vorstelijk \'s-Gravenhage,
waarmee men zoo hoog wegloopt, in werkelijkheid eentonig
en onbeduidend is. Toen ik daarop de schuchtere opmerking
waagde, dat toch geen stad ter wereld in hare onmiddellijke
nabijheid op zulk een rn\'ke afwisseling van bosch-, veld-, duin-
en zee-gezichten kan bogen, als onze residentie, de „zich eeuwig
verjongende bruid," gelijk een even talentvol als enthousias-
tisch journalist haar nog onlangs genoemd heeft, ontving ik
ten antwoord, dat onze „blonde" duinen eigenlijk maar dorre,
vervelende zandhoopen zijn, en dat al het overige door mü op-
gesomde nog veel fraaier in zijn Geldersche dreven wordt
gevonden.
Hetzelfde verschijnsel valt ook waar te nemen ten opzichte
van het meer van Constanz, dat thans in al zijne eigen-
14
-ocr page 220-
210
aardige schoonheid vóór ons ligt. Spreekt men een der oever-
bewoners, danzalhijuzeggen.dat zp meer het bekoorlijkste
van alle is, en de schouders ophalen voor de vrij algemeene
bewering, dat het met de beroemde Zwitsersche meren onmo-
gelijk op één lijn kan gesteld worden. Hoe dit echter ook zh\',
zooveel is zeker, dat de onafzienbare waterspiegel, met zh\'n
tooverachtige kleurenmengeling, waarbij een helder smaragd
en een diep blauw de hoofdtinten vormen, de vroolijke steden,
waarmede de oevers bezaaid zijn, de groene bergen en de met
sneeuw bedekte toppen der Zwitsersche Alpen wel in staat zijn
den nog niet door het genot van al te veel natuurschoon ge-
blaseerden reiziger met bewondering voor het meer van Con-
stanz te vervullen.
Om een denkbeeld te geven van de ontzettende watermassa,
die wjj hier voor ons zien, laten wij de officieele cijfers spreken.
En dan blijkt, dat het enorme bekken, dat men meer van Con-
stanz of op zijn Duitsch Bodensee noemt, 150 kilometers in
omvang is, en bij een breedte van 12 kim., een lengte van 64-
kim. heeft, terwijl de diepte, die overal zeer groot is, tusschen
Fredrikshaven en Utweil zelfs het respectable cijfer van 255
Meter bereikt. Bh\' Kheineek werpt zich de jeugdige Rijn met
dartelen overmoed in de armen van dit reusachtige meer, om
daarin geheel verzwolgen te worden, tot hij bh\' Constanz weder
te voorschijn treedt en zh\'n zelfstandig bestaan herneemt.
"Wanneer wh\' thans, van Constanz uit, een bezoek brengen
aan de steden, die den oever van het meer omzoomen, wenden
wij eerst de boeg naar het liefelijke eilandje Mainau, tot
1806 een bezitting van de Duitsche orde. De trotsche klooster-
burcht, die de hooge heuvelvlakte van het eiland beheerscht,
werd in 1853 het eigendom van den groothertog van Baden
en toen geheel tot vorstelijk woonverblijf ingericht. Een ijze-
ren brug, van 650 schreden lengte, verbindt thans het eilandje,
dat een half uur in omtrek heeft, met den vasten wal.
Van daar bereiken wij al zeer spoedig het schilderachtig
-ocr page 221-
211
gelegen stadje Meersburg1, dat, met zijne beide kasteelen,
die ver boven de ouderwetsche huizen uitsteken, een echt
krijgshaftig voorkomen heeft.
Al verder schommelt ons vaartuigje over de groene baren —
die somtijds zoo duchtig kunnen spoken, dat gevallen van zee-
of liever meerziekte volstrekt niet tot de zeldzaamheden be-
lmoren -- naar de fraaie landingsplaats van Frederikshaven,
een stadje op Wurtembergsch grondgebied, dat des zomers
door tal van badgasten, vooral uit Zwaben, bezocht wordt.
Men vindt er een kurhalle, met aangenaam plantsoen aan den
oever van het meer, en een koninklijk paleis, dat een schoone
collectie schilderyen van hedendaagsche Wurtembergsche mees-
ters bevat. Het slot zelf is een imposant gebouw met lange
vensterryen en breede terrassen, die door hooge linden over-
schaduwd worden; vanuit het paviljoen in den slottuin, met
zh\'n ryken bloemenschat, heeft men een heerlijk schoon ver-
gezicht over het wijde meer met de Alpen in het verschiet.
Voor den wetenschappelijken reiziger eindelijk heeft de Boden-
see-Verein
gezorgd door historische, voor-historische en op de
natuurlijke historie betrekking hebbende verzamelingen.
Meer nog dan voor ieder ander sterveling geldt echter voor
den toerist de eeuwig ware spreuk, dat er, behalve een tyd van
komen, ook een tijd van gaan is, zoodat wij er allerminst
aan mogen denken ons in historische studiën,\'van welken aard
ook, te verdiepen. Weldra heeft ons ranke scheepje zich
dan ook door de talrijke stoombooten, die in sierlijke kringen
voor de aanlegplaats zwaaien, heengewerkt, en smaken wij
weer het onwaardeerbaar genot, dat een kruistocht over het
verrukkelijke meer aanbiedt. Daar rijst uit de verte een eilandje,
dat met zijne prachtige zware lindeboomen, waarmede het over-
dekt is, het oog alleraangenaamst aandoet. Het is Lind.au, dat
vroeger door de blauwe golven van alle zijden bespoeld werd,
doch thans, èn door een spoorwegdam èn docr een 325 M.
lange houten brug, aan den vasten wal verbonden is. De stad
-ocr page 222-
212
zelf behoort aan Beieren en kan van uit München met den
koeriertrein in ö\'/s uur bereikt worden.
Reeds bij het naderen van de haven wordt de aandacht ge-
trokken door een prachtigen, uit marmer gemodelleerden leeuw,
die niet minder dan 51/» M. hoog is en zich in zittende hou-
ding op een kolossaal voetstuk van graniet verheft. Daar-
tegenover, aan de noordelijke\' havenpunt, rijst de statige
vuurtoren, van wiens geknotte spits men een prachtig uitzicht
geniet. Beide werkelijk schoone monumenten overheerschen
den geheelen omtrek.
Nog verdienen een eervolle vermelding: het standbeeld van
koning Max,
dat nog bij het leven van den vorst, die veel voor
de stad heeft gedaan, door de dankbare burgerij werd opge-
richt, en „last not least" de Bvjksbron op de marktplaats, met
een fraai beeld van „Lindania" en andere allegorische figuren
in brons.
Lindau was reeds vroeg een rijksstad, die zich in de middel-
eeuwen in een bloeienden handel verheugde. Bovendien maakte
vooral zijn gunstige ligging het tot een zeer sterke plaats, zoo-
dat het in den dertigjarigen oorlog door de keizerlijken met
succes tegen de Zweden verdedigd werd, hoewel de vertoornde
vijand duizenden bommen in de stad wierp. Sedert dat beleg
was het evenwel met den bloei en de welvaart van voorheen
gedaan en in het begin dezer eeuw verkeerde Lindau al in den-
zelfden deerniswekkenden toestand, als de meeste oude Duitsche
rijkssteden uit die periode. Onder Beiersch bestuur herstelde het
zich echter langzamerhand uit zijn staat van diep verval, hetgeen
vooral aan de enorme uitbreiding van het verkeer te danken is.
Voor visschers was Lindau van oudsher het land van be-
lofte. Het meer wemelde er in vroegere jaren van zalmen en
forellen, en ook thans nog is de vangst er niet gering. In den
goeden ouden tijd mochten alleen de burgers der Rijksstad in
den omtrek van het eiland het vischrecht uitoefenen, een recht
dat tegenwoordig door hen, op uiterst onbekrompen wijze, met
-ocr page 223-
213
vreemdelingen van de meest uiteenloopende nationaliteiten
gedeeld wordt. Dat die prijzenswaardige vrijgevigheid hun
menig gouden vischje oplevert, laat zich begrijpen.
Zuidelijk van Lindau, in den meest oosteln\'ken hoek der
Bodensee, ligt het oude, doch niet minder bekoorlijke Oosten-
rijksche stadje Bregenz, het Brigantium der Romeinen. Bo-
ven op den heuvel, die zacht glooiend naar het strand af-
daalt, strekt zich de oude stad uit en was ook het Ro-
meinsche castrum gelegen, zooals uit talrijke opgravingen,
waarbij belangrijke oudheden aan het licht zn\'n gekomen, is be-
wezen. Daarentegen verrijzen aan den havenkant voortdurend
nieuwe wijken, waar dan ook de meeste levendigheid heerscht.
Het stadje, zooals het daar ligt aan den liefelijken oever van
het blauwe meer, op een glooiend terras, omringd door beu-
ken- en dennenbosschen, kan niet nalaten op den bezoeker
een alleraangenaamsten indruk te maken.
Zoo naderen wij thans het einde van ons verrukkelijk tochtje
over het nu eens spiegelgladde dan weer heftig bewogen, maar
altijd in de heerlijkste kleurenpracht schitterende meer, waar,
zooals wij reeds hebben gezien, de grenzen van vjjf groote
landen: Baden, Wurtemberg, Beieren, Oostenrijk en Zwitser-
land, samenkomen. Zij allen schijnen gewedijverd te hebben
om dit edelgesteente van het zuiverste water, dat geen van
hen het zijne kan noemen, op waardige wijze met gouden
korenakkers en prachtig houtgewas te omlijsten.
Ook Seineck, beneden welk plaatsje de Rn\'n zich in het
meer van Constanz stort, is, evenals Bregenz, Oostenr\\jksch
territoir. Het is zeer aangenaam aan den voet van groene
wijnbergen gelegen, terwh\'1 de handel, vooral in hout, dat in
groote vlotton van boven komt, er zeer levendig is. Hier
wordt de Rijn voor schepen onbevaarbaar, een omstandigheid
echter, die, zooals wy reeds bn\' den aanvang van onzen tocht
op den voorgrond sielden, voor ons uitstekend gebouwd vaar-
tuigje geen bezwaar hoegenaamd kan opleveren.
-ocr page 224-
214
De gelieele streek, waardoor de Rijn van SarganztotRhein-
eek loopt, draagt zeer terecht den naam van Rijndal. Het
is een der vruchtbaarste plekken van onzen aardbodem, waar
jaarlijks ontzaglijke hoeveelheden wn\'n en koren gewonnen
worden. Mag men den Romeinschen geschiedschrijver Strabo
gelooven, dan was in diens dagen het geheele Rijndal één
groot moeras, waardoor de buitengewone vruchtbaarheid van
den bodem zich dan ook gereedelü\'k zou laten verklaren. Het
behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat onder de bevolking
van dit zoo ruk door de natuur gezegend land een welwaart
heerscht, die sterk afsteekt bij hetgeen men gewoonlijk in
het zuiden op liet platteland waarneemt. En toch —het klinkt
vreemd — heeft ook dit aardsche paradijs tijden van groote
duurte en zelfs van hongersnood gekend, niet door misgewas,
maar ten gevolge van de boosheid dermenschen, die er steeds
op uit schijnen te zijn elkander het leven tot een hel te maken.
Vooral in de dagen der hervorming heeft het liefelijk Rijndal
ontzettend veel geleden; de boorden van den Rijn lagen me-
nigmalen bezaaid met de lijken der om hun geloof vervolgden,
die de stroom op den oever wiep.
Sarganz, een schilderachtig stadje aan den voet van den
Gonzen, ligt reeds op het grondgebied van Zwitserland, de ba-
kermat van den Rijn. Volgens het oordeel van vele geologen —
andere geleerden zijn het natuurlijk weer niet eens — lag
hier in de antidiluviaansche periode het keerpunt van den Rijn,
die toen niet naar het meer van Constanz liep, maar links
den weg naar Zürich insloeg. Hetspreekt wel vanzelf, dat wy,
als volslagen leeken op dat gebied, ons in deze gewichtige
voorhistorische quaestie geen party mogen stellen.
Terwijl het landschap, nu wh\' het vruchtbare, doch eenigs-
zins eentonige Rijndal ten einde zijn, steeds schilderachtiger
wordt en in grootschheid van karakter wint, bevinden w\\j
ons eensklaps te midden van het eigenaardige leven en vertier
eener moderne badplaats, in optima forma.
-ocr page 225-
215
Het is Ragaz, dat jaarlijks een stroom van minstens 50,000
bezoekers trekt. De groote bloei van het overigens onbetee-
kenende stadje dateert eerst van het jaar 1840, toen een weg
gelegd werd naar het 162 M. hoogere Pfiifers (waarover zoo
straks nader), en het Pfiifersche bronwater door middel van
een 4 kilometer lange buizenleiding naar Ragaz gevoerd werd.
Van de moderne gebouwen, die natuurlijk in de laatste tien ja-
ren als paddestoelen, doch nog niet altijd even sierln\'k, uit den
grond oprezen, verdienen de beide badinrichtingen: Qitellenhof
en Hof Ragaz een afzonderlijke vermelding. Men vindt er
alles bijeen, wat noodig is, om aan de vele en uiteenloopende
behoeften van bemiddelde badbezoekers te voldoen. Ook wat
schoonheid van ligging betreft, is Ragaz met kwistige hand
door de natuur gezegend.
In bruisende vaart, doorsnijdt de Ryn het dal, waarboven
zich de woudrijke Flascherberg en de besneeuwde top van den
Falknis zoo majestueus verheffen, terwijl de half in het kreu-
pelhout verscholen ruïnes der beide burchten: de Freudenburg
en Nidberg, aan het tooneel een romanesk karakter bezetten.
Eenmaal - zoo luidt de sage — leefde op het door zyne
ligging onneembare Nidberg een ridder, die door het geheele
land gevreesd was en voor inderdaad onoverwinnelijk werd
gehouden. Alle pogingen om met groote macht van troepen
en werpgeschut zijn slot te nemen, waren jammerlijk mis-
lukt. Doch voor het verraad was ook de ridder van Nidberg
niet veilig. Een verstooten minnares voerde, door haat gedre-
ven, langs onbekende bergpaden een sluipmoordenaar naar
een rotsblok, juist tegenover het slaapvertrek van den ridder,
doch daarvan door een onpeilbaren afgrond gescheiden. B\\]
het licht der volle maan, dat vlak op de fiere gestalte van den
slapenden ridder viel, was het echter den ervaren schutter een
lichte taak zijn slachtoffer met een pn\'1 midden in het hart te
treffen. Men kan hieruit de leering putten, dat met in haat
verkeerde liefde niet te spotten valt.
-ocr page 226-
216
Een der merkwaardigste punten van geheel Zwitserland is
ongetwijfeld de weg, die tusschen donkere, loodrecht opstijgende
rotswanden, in een klein uur, van Ragaz naarPfafers voert.
Ter linkerzijde van het smalle, dooh niet ongemakkelijke pad
stroomt met onstuimig geweld de Tamina, die bij Ragaz in den
RUn valt. Ook het badhuis zelf is niet geschikt om den som-
beren indruk, onderweg opgedaan, te verdrijven en vormt een
zeer scherpe tegenstelling met het vroolijke, levenlustige Ragaz.
Het bestaat uit eenige kloosterachtige gebouwen, die als het
ware tusschen de 200 M. hooge rotsen ingeklemd liggen, zoo-
dat, zelfs in het hartje van den zomer, de zon er niet langer
dan van des morgens 10 tot des namiddags 4 uren zijn leven-
wekkend licht doet schijnen. Van de welgestelde badgasten
komen er dan ook slechts de weinigen, die in de meening
verkeeren, dat het water hier krachtiger en zuiverder is dan
meer benedenwaarts.
De bron zelf, wier water in zijne scheikundige samenstel-
ling veel overeenkomst met dat van Gastein en Wildbad moet
hebben, ontspringt, op eenige minuten afstands van het bad-
huis in een donkere grot, waardoor de woeste bergstroom, de
Tamina, bruisend heenschiet. Wy verzuimen niet aan deze
geheimzinnige werkplaats der natuur een bezoek te brengen,
waarin het daglicht slechts schaars tusschen de spleten der
rotsen doordringt, en die, wat majesteit van karakter be-
treft, in de Alpen slechts door ééne voor den mensch toegan-
kelijke grot, de „Gorge du Trient" op zijde wordt gestreefd.
Trouwens een gemakkelijke en volstrekt niet gevaarlijke weg,
van 660 schreden lengte, voert ons, 9 tot 14 meter boven het
schuimende water der Tamina, naar de binnenste ingewanden
der aarde, waar de kokende damp van het weldadige bron-
water ons van alle zijden toestroomt.
Tegenover Ragaz, aan den rechter-RiJnoever, ligt Maienfeld,
een klein maar vrij welvarend plaatsje, met een zeer ouden
toren, die waarschijnlijk door Keizer Constantius in de vierde
-ocr page 227-
217
eeuw n. C. is gebouwd, als grootste merkwaardigheid. Verder
leidt onze weg door een streek, die rijk met geheel of gedeel-
telijk in puin gestorte burchten bezaaid is, als zoovele her-
inneringen aan den tijd, toen ruwheid en adeltrots daar eene
onbeperkte heerschappij voerden; dan het Callanda-gebergte,
met zii\'ne kale kruinen en woudachtige hoogten, nogmaals een
drietal burcht-ruïnes, wier namen w\\j onzen lezers zullen
schenken, en eindelijk Chnr, de oude hoofdstad van het kan-
ton Graubunderland met ongeveer 9,000 inwoners, en eeuwen
lang het uitgangspunt voor het enorme verkeer over de Splü-
gen en den Sint-Bernard naar het zuiden.
Het merkwaardigste punt van Chur is ongetwijfeld het Bis-
schopshof,
dat zich aan den oostelijken kant ver boven de stad
verheft en binnen welks, door stevige ringmuren omgeven,
enceinte nagenoeg alle roomsch-katholieke bewoners der stad,
omstreeks 2500 in getal, woonachtig zijn.
Hier verheft zich ook de bisschoppelijke hoofdkerk, de St.
Lucius-Dom,
waarvan het oudste gedeelte reeds uit de acht-
ste eeuw dateert. Van onnoemelijke waarde, zoowel uit een
artistiek als uit een oudheidkundig oogpunt, is het inwendige
van den dom, met de schatton, die daarin bewaard worden.
"Wij noemen slechts: de altaarschilderingen van Cranach, Hol-
bein, Dürer en anderen, het hoogaltaar met zijn rijk verguld
snijwerk uit de 15dt\' eeuw; de talrijke reliquien-kastjes, waar-
onder een van gedreven koper, in de 8sts eeuw vervaar-
digd, de kostbare misgewaden, crucifixen, en andere kerksie-
raden, te veel om te noemen, de rijk gestikte stoffen en
fragmenten zijdestof uit den moorschen tyd en uit de dagen
van keizer Justinianus, en eindelijk de zeldzame collectie oor-
konden van Karel den Groote, Lodewük den Vrome, Lotha-
rius enz.
In de onmiddellijke nabijheid van den Dom strekte zich het
ouderwetsche, sterk gebouwde slot van den bisschop van Chur,
uil, wiens zomer-residentie in den zooeven door ons verlaten
-ocr page 228-
218
streek aan den voet van den Molinüra, gevestigd is. Denkt
men zich nu in deze omgeving de beide stevige torens door
de Eomeinen aangelegd, met hunne verhaspelde latynsche
namen, Madroel en Spinoel, die den noorderflank van den ring-
muur dekken, dan maakt het geheel onwillekeurig den indruk
van eene geestelijke vesting, een palladium van het katholi-
cisme.
Het protestantsche- of benedengedeelte der stad bevat me-
nig antiek geveltje, doch is overigens weinig interessant. Daaren-
tegen heeft een zwerftochtje door de bergen, die de stad om-
ringen, waarbij men het romaneske genoegen kan smaken
van in een Alpenhut te overnachten, om in den vroegen mor-
gen de zon in al haar pracht en majesteit te zien opgaan,
voor den flinken wandelaar zeer veel bekoorlijks.
Van Chur voert een bij uitstek romantische weg, die zich
koen door de rotsen slingert, zh\'waartsaf naar Davos, dat per
rijtuig in acht a negen uren te bereiken is. Wij mogen ons
echter dat uitstapje, met het oog op ons bestek, niet veroor-
loven. Trouwens, Davos heeft voor ons, Nederlanders, als laat-
ste pleisterplaats voor zoo menigen ongelukkigen teringlijder
op den weg naar een vroegtijdig graf, helaas, reeds bekendheid
genoeg. Hoevelen toch zn\'n er in een vergevorderd stadium van
de vreeselijke ziekte heengetrokken, die, evengoed als indertijd
de ter dood verwezen gallische slaven den Caesar, met een klei-
nen variant, hun geneesheer tot afscheid hadden kunnen toe-
roepen : Ave, Doctor, morituri te salutant l (Vaarwel, dokter,
de aan den dood gewijden groeten U!)
WÜ herinneren ons een geval van dien aard, dat werkelijk
komiek zou zijn, ware het niet tevens zoo erg droevig. Een
twintigjarig lijder aan de ontzettende kwaal, door de Genestet —
gelukkig niet op de moderne realistische wijze — maar werkelijk
met juisthoid on gevoel beschreven, had volgens de strenge
regelen der geneeskunst, alle periodes der ziekte doorloopen,
zoodat zijn toestand eindelijk vrijwel hopeloos was geworden.
-ocr page 229-
219
Zijne familie was niet onbemiddeld en zoo werd dan ook
onze patiënt, hoewel zeer tegen zijn zin, naar Davos gezon-
den. Dokter zelf vergezelde, natuurlijk tegen billijke vergoe-
ding, den zieke op diens reis, leverde hem aan den Zwit-
serschen collega over en keerde daarop, via Parijs, waar h\\j
nog een paar dagen vertoefde, huiswaarts. Doch vreemd stond
onze nog jeugdige aesculaap te kijken, toen hn\' daar zijn pa-
tiënt weder in den schoot van diens gezin aantrof, zieker dan
ooit ten gevolge van de vermoeiende reis, overigens echter
kalm en tevreden. De arme jongen had maar al te goed inge-
zien, dat een verblijf in de zuivere berglucht zijn lijden misschien
wel voor eenigen tijd zou kunnen verlengen, doch dat er voor
hem toch geen beterschap meer te hopen was. Hu\' had toen
kort en goed besloten, onmiddellijk naar het vaderland terug te
keeren, om niet in den vreemde, ver van allen die hem lief
en dierbaar waren, te moeten sterven.
WÜ bepalen ons dus tot de vermelding, dat Davos een liefelijk
gelegen dal is, dat door hooge bergen tegen de koude winden
wordt beschut, en, zoowel \'s winters als in den zomer, tal van
borstlyders herbergt. Om de vu\'f kerken, die in het dal ver-
spreid liggen, hebben zich huizenrijen gegroepeerd, die ieder
afzonderlijke benamingen voeren.
Nog steeds gaat onze tocht tegen den woest bruisenden
stroom in, door bergstreken, bezaaid met ruïnes van eenmaal
machtige burchten, en bovendien rijk aan historische herinne-
ringen. In het laatst van de vorige eeuw toch was het thans
neutrale Zwitserland, — dat van die neutraliteit in het belang
van nihilisten, anarchisten, socialisten, et tutti quanti, een rui-
mer gebruik maakt dan aan de groote mogendheden welkom
is — het tooneel van den reuzenstrijd der jeugdige Fransche
republiek tegen de Russische en Oostenrn\'ksche legers.
Het schijnt nu nog een raadsel hoe hier, soms in het barre
jaargetijde, te midden van sneeuw- en ijsmassa\'s, op de toen
nog zoo goed als onbegaanbare wegen, de tallooze scharen
-ocr page 230-
220
van vreemde krijgers, tot zelf uit het binnenland van Azië,
zich konden voortbewegen. Duizenden bij duizenden stierven
dan ook, niet door het vijandelijk lood, maar ten gevolge van
uitputting en ontbering.
By Ems viel de schitterende episode uit den veldtocht van
Massena in 1799 voor, toen een 21-jarig Zwitsersch meisje,
Anna Maria Bühler, zich, als een tweede Jeanne d\'Arc, aan het
hoofd van hare weifelende landslieden plaatste, en met ware
doodsverachting op de batterijen der Franschen, die in een
sterke positie waren opgesteld, losstormde. Een der comman-
deerende officieren, op zulk een aanval waarschijnlijk niet
voorbereid, werd door het heldhaftige meisje met een knup-
pel uit het zadel gelicht en dit voorbeeld werkte zoo aan-
stekelijk op hare volgelingen, dat nagenoeg al het Fransche
veldgeschut by die gelegenheid werd vernietigd.
Nog vervuld van de herinneringen aan dien bloedigen tijd,
waarvan wjj hier overal nog de sporen terugvinden, bereiken
wij, bij Reichenau, de plek, waar Voor- en Achter-Rn\'n sa-
menvloeien, en daardoor den trotschen wereldstroom vormen,
wiens loop wij thans reeds, van ons laag gelegen landje af,
tot diep in de Zwitsersche bergen gevolgd z(jn. W\\j willen
thans de bronaders van de beide rivieren gaan opsporen, en
kiezen daartoe eerst den Voor-Rijn, om het vrijwat interessan-
tere tochtje, dat langs de via mala, over de Splügen voert,
voor het laatst te bewaren.
Reichenau zolf bestaat slechts uit een groep huizen, maar
het oude Slot, dat eenmaal door de bisschoppen van Chur werd
gesticht en thans aan de heoren von Planta toebehoort, is zeer
merkwaardig. In 1793 vond de latere koning van Frankrijk,
Louis Philippe, hier een schuilplaats. Onder den naam van
Chabot, gaf hü aan het toen zeer bloeiende college les in ver-
schillende vakken, tegen de nederige jaarwedde van 400 francs.
In den prachtigen, dicht belommerden slottuin kan men het
belangwekkende schouwspel, dat de vereeniging der beide
-ocr page 231-
221
rivieren aanbiedt, het best genieten. Duidelijk neemt men hier
waar, hoe de heldere lichtgroen getinte watermassa, die de
Voor-Rijn met zich voert, door de bruisende, bijna zwarte
baren van den Achter-R\\jn wordt teruggedrongen.
Het eerste punt, dat aan den VooT-Rjjn bijzonder onze aan-
dacht boeit, is de hoog op een bergtop gelegen ruïne van het
zeer oude slot Hohentrins die, met het lieflijke dorpje, dat
tegen de berghelling aangeleund ligt, een schoon gezicht op-
levert.
Niet minder aantrekkelijk is, nabij het oude stadje Flims,
het Flimsermeer, een spiegerglad, lichtgroen gekleurd water-
vlak, door dennen- en beukenbosschen nauw omsloten. Daar
het meer bijzonder helder, zacht water bevat en de omgeving
gelegenheid voor overheerlijke wandelingen aanbiedt, is het
niet te verwonderen, dat de badinrichting, met zijn gemeen-
schappelijk zwembassin voor heeren en dames, zich des zomers
in een druk bezoek mag verheugen.
Hoogerop Ilanz, een zeer oud en bijzonder schilderachtig
gelegen stadje, eenmaal de hoofdzetel van het Grauwe bond,
dat in het begin der vijftiende eeuw werd opgericht tegen de
onderdrukkingen der talrijke geestelijke en wereldlijke heeren,
van wier trotsche kasteelen thans nog slechts puinhoopen te
vinden zijn. Aan dit bond heeft Grauwbunderland zijn oorsprong
te danken, dat eeuwenlang zijne onafhankelijkheid wist te bewa-
ren en eerst in 1803 als vijfde kanton aan Zwitserland werd
toegevoegd.
Aan hetzelfde bond herinnert, niet ver van het stadje Truns,
de St.-Anna-Kapel, op den plek, waar in Maart van het jaar
1424 de eedgenooten voor het eerst bijeenkwamen. Daarnaast
staat nog de stam van den beroemden reusachtigen ahornboom,
onder wiens wijd uitgespreid lommer om de 10 jaren, het laatst
in 1778, het bond feestelijk vernieuwd werd.
Steeds verder volgen wij den stroom, die zich meestal tus-
schen rotsen on dicht hout voor het oog verbergt, doch wiens
-ocr page 232-
222
geruisch w\\j steeds duideiyk vernemen, tot wy het stille dorpje
Disentis bereiken, met zn\'n eens zoo beroemde en machtige
Benedictijner-abdij, van waar, in de zevende eeuw reeds, het
christendom zich over de dalen van Grauwbunderland ver-
spreidde. De soldaten der eerste Fransche revolutie legden
klooster en dorpje in de asch. Het kolossale gebouw, dat door
een dicht woud tegen de lawines beschut wordt, doet thans
dienst als middelbare school. — Bij Disentis neemt de R\\jn
het water van een vry onbeduidenden bergstroom op, waaraan
men den wel wat al te weidschen naam van Middel-Rvjn ge-
geven heeft.
Intusschen wordt het landschap steeds ruwer en onherberg-
zamer ; slechts armoedige dorpen, meestal uit enkele blokhuizen
en een kapel bestaande, schijnen hier en daar aan de berghel-
lingen over steile afgronden te hangen. Zoo zijn wy dan ein-
delijk de plek genaderd, waar de drie beken, die den oorsprong
van den Voor-Ryn vormen, van steile gletschers komen schie-
ten, om zich eerst in een eng bekken, het Toma-meer ge-
naamd, te vereenigen. Wy bevinden ons hier te midden der
bergnatuur in hare meest woeste en grillige vormen, omringd
door grauwe rotsen, waarboven zich de St.-Gothard in al zijn
majesteit verheft. Een tooverachtigen indruk maakt in dit
ongastvrije oord, waar de adelaar het blauwe luchtruim door-
klieft en de beer nog in zijn natuurstaat aangetroffen wordt,
de kalme waterspiegel van het zooeven genoemde meer, wiens
wondervolle kleurenpracht zoo tooverachtig schoon tegen de
sombere, dreigende rotsgevaarten afsteekt. Geen enkel vischje
dartelt echter in deze diepe kom rond, waaruit de later zoo
machtige Rijnstroom, als zuigeling, zijn eerste voedsel ontvangt.
Wy keeren thans, volgens afspraak, naar Reichenau terug,
om, met nieuwen moed, den oorsprong van de donkere wate-
ren op te sporen, die ons met geweldige vaart te gemoet
stormen. Wel heeft de weg, dien de Achter-Ryn van zyn
-ocr page 233-
223
aanvang tot Reichenau aflegt, slechts eén lengte van vijftien
uren, maar daartegenover staat, dat het terrein langs drie
reusachtige trappen, die men het Kheinwald-, het Schamser- en
het Domleschger-dal noemt, 4,000 voet daalt. Men kan zich dus
een denkbeeld maken van de ontzettende kracht, waarmede de
jeugdige Rijn over het eerste gedeelte van zijn levenspad heen-
stuift.
Ook hier weder in den aanvang een schilderachtige streek,
rjjk aan natuurschoon en aan herinneringen uit den tijd toen
de overmoed van een ruwen en onwetenden adel nog lood-
zwaar op de ongelukkige bewoners van dit anders zoo rijk
gezegende land rustte. Tal van burcht-ruïnes blikken dan ook
in het lieflijk dal neer en geven ruime stof tot peinzen over
de broosheid van al het ondermaansche.
Fierder dan alle verheft zich op een steilen rots, die door
de golven van den Rijn omspoeld wordt, het statige slot
Bhazüns, dat volgens de overlevering, door de Etruscischen
vorst Rhatus zou gebouwd zijn. Een andere legende verhaalt,
dat de graven van Rhazuns langen tijd met goed gevolg tegen
de Graubunders strijdvoerden, totdat dezen eindelijk het ka-
steel veroverden en den burchtheer gevangen namen. Toen
men zich gereedmaakte den graaf, nadat diens vonnis door
het volksgericht geveld was, ter dood te brengen, smeekte de
oude dienaar dat men aan zijn heer, als laatste gunst, zou toe-
staan om, zooals z\\jn vaderen zoo dikwijls gedaan hadden,
nog eenige bekers vol schuimenden wijn in goede harmonie met
zijne onderdanen te ledigen. Men vond het denkbeeld zoo kwaad
niet, en weldra gingen de kroezen, onder vroolijk gekout,
lustig rond. Van dit gunstige oogenblik maakte de oude man
gebruik om in roerende bewoordingen het leven van zijn
meester af te smeeken, die, van zijne zijde beloofde in het vervolg
de rechten en vrijheden der bevolking met alle kracht te zullen
beschermen. Zijn bede vond gehoor, en de graaf moet, naar de
legende ten slotte vermeldt, inderdaad woord hebben gehouden.
-ocr page 234-
224
Een eindweegs verder ligt in een liefelijk dal, door den Hein-
zelberg beschut, het stadje Thusis, dat in 1845 door een
zwaren brand vernield werd, doch al spoedig als een phoenix
uit zn\'ne asch herrees. Een merkwaardigheid, die echter voor
de omwonenden hare bedenkelijke zijde heeft, is, op den Hein-
zelberg, het Lüscher-meer, waarvan het water geen recht-
streeksche loozing heeft, maar in den bodem dringt en de
zachte leisteen, waaruit deze gevormd is, in een weeke massa
verandert. Hierdoor ontstaan kolossale terréinverschuivingen,
met het gevolg dat jaarlijks groote rotsblokken in de Nola,
een woesten bergstroom, die zich even boven Thusis in den
Kh\'n werpt, neerploffen. Het dorpje Tschappina, in de onmid-
dellijke nabijheid van het meer, staat daardoor gedeeltelijk op
beweeglijken bodem, zoodat huizen, stallen enz. van tijd tot
tijd verschoven worden. Aangenaam is dat nu juist niet, maar
men gewent op den duur aan alles.
Wij staan thans eensklaps voor hooge rotsgevaarten, die
het dal geheel schijnen af te sluiten, zoodat het ons bij den
eersten oogopslag een dwaasheid voorkomt, hier nog verder
door te willen dringen. En toch heeft de natuur zelf dwars
door den reusachtigen berg een weg gebaand voor den Rijn-
stroom, die zich uren lang door een nauwe spleet^ wringt, wier
wanden zich tweeduizend voet hoog verheffen, en elkander op
sommige plaatsen zoo dicht naderen, dat men zou wanen ze
beide met de hand te kunnen grijpen. Maar ook de mensch
vond hier ruimte voor zijn voet en slaagde er na een arbeid van
vier eeuwen in, een weg te verkrijgen, die sedert 1822 aan de
behoeften van het verkeer uitstekend voldoet. Rotsen werden
tot gruis verbrijzeld; bruggen over den duizelingwekkenden
stroom geworpen, en zoo kwam de wereldberoemde via xnala
tot stand, een reuzenwerk, waaraan door geheele generaties
is gearbeid, en dat den beschouwer met eerbied en ontzag
vervult voor menschelijk vernuft en menschelijke volharding.
Een zonderlinge gewaarwording overvalt ons, wanneer wij,
-ocr page 235-
225
uit het heldere, warme zonlicht komende, ons eensklaps ver-
plaatst vinden in het geheimzinnig duister, en de koelte, die
tusschen de hemelhooge rotsen heersenen. Vol bewondering
werpen wij een blik terug op Thusis en den Heinzelberg, die
wn\', als door middel van een reusachtigen tooverlantaren op
het doek geworpen, in het gouden zonnelicht zien baden. Dan
voert een 50-meter lange tunnel, het zoogenaamde verloren
gat,
ons door een vooruitspringenden rotswand naar het
dorpje Rongellen, waar de bergen zich voor eenige oogen-
blikken iets wijder openen, om zich echter al spoedig weder,
nauwer dan ooit, aaneen te sluiten. Zoo doorworstelen wü den
omberen, onheilspellenden weg, waarop geen enkele zonne-
straal doordringt, en koen gespannen bruggen ons van tijd
tot tijd over den bruischenden stroom voeren.
Aan alles komt echter een einde en zoo ook aan de via
mala, die haar naam werkelijk niet zonder reden draagt. Met
welgevallen rust ons oog thans op het groene tapijt, dat het
Schamser-dal dekt en de nette huisjes, die hier en daar ver-
spreid liggen, alles verlicht door de laatste stralen der onder-
gaande zon. Nog nooit hebben wij daarbij zoozeer de waarheid
der woorden gevoeld, die Schiller zu\'n „Taucher" in den mond
legt: „ Es freue sich, wer da athmet im rosigen Licht f"
Nogmaals trekt een ruïne onzo aandacht, en wel die van
den burcht „Fardttn" of „la Türr", welks slotvoogd volgens
de legende, omstreeks 1450, ellendig om het leven kwam. Op
de ongedwongen wijze, den edelen uit den goeden, ouden tijd
eigen, betrad hij de woning van een zijner boeren, Johann
Caldar genaamd, en spuwde daar, louter voor tijdverdrijf, in
de pap, die juist voor het middagmaal werd opgedragen. Dit
was de druppel, die, na jarenlange onderdrukking, den beker
deed overloopen; in rechtmatigen toorn ontstoken, greep de
ijzersterke boer zijn heer aan, stak hem het hoofd in de ko-
kend heete brij, met de woorden: „Doe je nu maar eens te
goed aan den spijs, dien je zelf gekruid hebt," en neep hem ten
15
-ocr page 236-
226
slotte den keel dicht. Deze woeste daad was het sein tot een
algemoenen opstand, waardoor ten slotte de geheele omtrek,
na veel bloedvergieten, voorgoed van z\\jne tyrannen bevrn\'d
werd. Beter dan een lange historische verhandeling, teekent
dit korte verhaal, waarvan wjj de authenticiteit overigens in
het midden laten, de ruwe zeden dier dagen.
Zooals wy reeds met een enkel woord aanstipten, is het
Rheinwald.-d.al het hoogst gelegene van de drie dalen,
waarin de Achter-Kn\'n, op zgn dollen wedloop naar Reichenau,
zich met jeugdige uitgelatenheid neerstort. Wij bevinden ons
daar te midden van een echt woest Alpen-landschap, waarvan
de zware dennenbosschen het grootste sieraad uitmaken. De
hoofdplaats van het dal is Splügen, dat, als middelpunt van
het verkeer over de Splügen en den St.-Bernard, een betrek-
kelijke welvaart geniet en zelfs nagenoeg 500 inwoners telt.
Het laatste dorpje, dat wü ontmoeten, draagt den naam van
Achter-Rijn en van hieruit ondernemen wij dan onzen bede-
vaartstocht naar de bakermat van den Rjjn. Voor een bewoner
van het vlakke land mag dit met recht een bravour-stuk ge-
noemd worden, te meer daar de weg derwaarts, ten gevolge
van ovorstroomingen en rotsafschuivingen van jaar tot jaar
slechter wordt. In het begin, over een vrij vlak terrein, gaat
alles uitstekend, maar na een halfuur loopons vernauwt zich
eensklaps het dal en struikelt de voet bü iedere schrede over
de rotsbrokken, die het enge pad geheel bedekken. Daarbij
komt nog hot twijfelachtige genoegen van een wandeling door
de lawinen-sneeuw, waaronder de jonge Rijn, niettegenstaande
zijn woeste sprongen van rots tot rots, op verschillende
plaatsen begraven wordt, en die hier het geheele jaar blijft
liggen. Noodwendig moet men zich dan over een dier sneeuw-
bruggen wagen, wil men althans het lastige, smalle pad be-
reiken, dat des zomers door herders zooveel mogeiyk in orde
wordt gehouden, en binnen een kleine twee uren naar het
vurig begeerde doel leidt. Is echter eenmaal dat doel bereikt,
-ocr page 237-
227
dan wordt men voor de doorgestane vermoeienissen ruimschoots
schadeloos gesteld.
Vlak voor ons verheft zich nu in stille majesteit de Rheinwald-
gletscher
en uit een opening daarvan, die volgens sommige
prozaïsche reisbeschrjjvers den vorm van een koeienbek heeft,
stort zich een ontzaglijke waterstraal, de eerste oorsprong
van den Achter-Rijn, in een diepen afgrond, waaraan men
zeer eigenaardig den naam van „Hel\'\' heeft gegeven. Reeds
dadelijk komen nieuwe waterstralen, uit talrijke spleten van
den gletscher, de krachten versterken van den jonggeborene,
reeds in de wieg bestemd om eenmaal, als „Grootvorst van
Europa\'s stroomen," heerschappij te voeren. Moge „vader Rijn"
— om met Borger verder te spreken — jaar op jaar den lente-
groet ontvangen van het landvolk „spelende aan zijn vloed"
en er nimmermeer getuige van zn\'n, dat het woeste krijgs-
rumoer langs z(jn schoone oevers weergalmt.
Met dezen „vromen" wensch willen wjj eindigen, doch niet
dan na alvorens onzen lezers een hartelijk Tot weder ziens! te
hebben toegeroepen.
-ocr page 238-
-ocr page 239-
INHOUD.
HOOFDSTUK 1. Inleiding. — Emmerik. — Kleef. — Xanten. — We-
zel. — Ruhrort. — De fabriek van Krupp te Essen. — Duisburg. —
Krefeld...........Blz. 1—10.
HOOFDSTUK II. Dusseldorp. — Neuss. — Aken. — Keulen. Blz. 11-25.
HOOFDSTUK III. Bonn. — Drachenfels. — Godesberg. — Kolands-
eck. — Nonnenwerth. — Remagen. — Het Ahr-dal. — Heppingen. —
Apollinaris-bron. — Neuenahr. — Ahrweiler. — Walporzheim. —
Altenahr. — De Hohe Acht. — Andernach. — Neuwied. — Coblenz.
—  Ehrenbreitstein........Blz. 27-43.
HOOFDSTUK IV. Het Moezel-dal. — Trier. — Niederlahnstein. =
Ems. — Nassau. — Langenau en Arnstein. — Lauremburg. — Bal-
duinstein. — Schaumburg. — Fachingen. — Diez. — Ardeck. — Lim-
burg............Blz. 44-56.
HOOFDSTUK V. Oberlahnstein. — Stolzenfelz. — De Koningsstoel. —
Rhense. — Braubach en de Marksburg. — Boppard. — Sint Marien-
berg. — Camp. — Liebenstein en Steinberg. — Bornhofen. — Salzig. —
St. Goar. — St. Goarhausen. — Het Schweizerthal. . Blz. 57—70.
HOOFDSTUK VI. De Loreley. - Oberwezel. — Schönburg. — Caub. —
De Gutenfels. — Pfaltzgravenstein. — Bacharach. — Stahleck. —
Fürstenberg. — Lorch. — De Nollich. — De Heimburg. — Sooneck.
—  Falkenburg. — Rheinstoin. — De Clemenskapel. . Blz. 71—85.
HOOFDSTUK VII. Assmanshausen. - Het Niederwald. — Het Jacht-
slot. — De Rossel. — Het Nationaldenkmal. — Bingerloch. — Ehren-
fels. — De Muizentoren. — Bingen. — De Rochuskapel. — Het Nahe-
-ocr page 240-
dal. — Bingerbrück — Kreuznach. — Münster-am-Stcin. — Rhein-
grafenstein. — De Gans. — De Ebernburg. — De Lemberg. — Bükel-
heim. Diüibodenberg. — Monzingen. — Kirn. — Dhaun. — Ober-
stein. — De Idarbach en Idar. — Neukirehen . . . Blz. 86—99.
HOOFDSTUK VIII. De Rheingau. >- Rüdesheim. — De Brömserburg.
De Boosenburg. — Geisenheim. — .Tohannosberg. — Ingellieim. —
Hattonheim. — Eberbach. — De Sternberg. — Marcobrunnen. —
Erbaeli. — Reinhardshausen. — Eltville. — Kederich. — De Schar-
fenstein. — Rnuenthal. — Schlangenbaeh. — Schwalbach. — Wies-
baden. — Sonnenberg. — De Noroberg. — De Grieksclie kapel. — Do
Platte. — Nieder-Wallruft\'. — Schiorstein. — Biebrich. Blz. 100—116.
HOOFDSTUK IX. Mainz. — Castol.....Blz. 117—132.
HOOFDSTUK X. De Taunus. — Hocbheim. — Soden. — Cronberg. —
Königstein. — De Feldborg. — De Altkönig. — Homburg. — Frankfort.
Blz. 133—144.
HOOFDSTUK XI. Landskron. — Opponbeim. — Worms. — Mannheim.
—  Ludwigshaven. — Heidelberg. — Het Odenwald. — De Bergweg. —
Melibocus..........Blz. 144—157.
HOOFDSTUK XII. Spiers. — De Beierscbe Palts. — Het rotsland
van Dahn. — Do Madenburg. — De Trifels. — De Wegelburg. —
Baden-Baden. — Het Sehwarzwald. — Het Mummelmeer. — De
Büttensteinor watervallen. — Klooster Allerbeiligen. Blz. 158 —170.
HOOFDSTUK XIII. Kehl. - Straatsburg. — Odilienberg. — Sehlott-
stadt. — Hohkönigsburg. — Rappoltsweiler. — Kaisersberg. — Het
Witte en bet Zwarte Meor. — Colmar. — De drie Exen. — Nieuw-
Breisacb. — Mühlhausen.......Blz. 171—183.
HOOFDSTUK XIV. De Breisgau. — Alt-Breisach. — Freiburg. — Bazel.
Blz. 184—198.
HOOFDSTUK XV. Rheinfelden. — Sftckingen. — Laufenburg. — De
waterval van Schaffhausen. — Holientwiel. — Stein a. d. Rijn. —
Arenenberg. — Gottlieben. — Reichenau. — Constanz. Blz. 199-207.
HOOFDSTUK XVI. Het meor van Constanz. — Mainau. — Meersburg.
—  Frederikshaven. — Lindau. — Bregenz. — Rheineck. — Het Rijn-
dal. — Sargans. — Ragaz. — Pfafei\'s. — Maienfeld. — Chur. — Davos. —
Ems. — Reichenau. — Flims.— Ilanz. — Trnns. — Dissontis. — Het
Toma-meer. — Rhazüns. — Thüsis. — Het Lüscher-meer. — De Via
Mala, met het „Verloren gat." — Splügen. — Het Rheinwald-dal.
Blz. 208—227.
-ocr page 241-
SUPPLEMENT
TOT HET WERK
DS DFMTnNT
VAN
Arnhem tot zijn oorsprong,
zijnde een vertrouwbare opgave van hotels, amuse-
menten en allerlei andere wetenswaardigheden,
betrekking hebbende op de in het hoofd-
werk genoemde plaatsen.
1. -A-ki.r-c*7-eil©r. (Zie pag. 38).
Logementen: Stern (verdient de voorkeur, niet duur); DreiKronen:
(kamer, servies en bougie 1.50 Mk. il 2 Mk.. Diner a 2 Mk.).
Restaurants: ïils; Kreuzberg; Winzer-Vereinshaus (op den
weg naar Walporzheim); S t r a s sb u r g e r h o f.
Rjjtuigen: Van het station naar de stad (1 Pers.) 60 Pf.. iedere persoon
meer 30 Pf.; naar den Cal variënberg, 1 Pers., 1 Mk.. iedere persoon
meer 40 Pf.; — verder voor 1—3, resp. 5 personen naar Walporzheim,
Marienthal of Neuenahr, rijtuig met 1 paard 1.50 Mk„ dito met 2
paarden 2.50 Mk.; — naar Altenahr 1 pd. 5. 2 pden. 7 Mk.. heen en
terug (in zeven uur) 7, 10 Mk.. in een geheelen dag 10, 13 Mk„ met over-
nachten 14, 18 Mk.; — naar Adenau 12, 15 Mk., heen en terug 15, 18
Mk.; — naar Laacher See 13, 16 Mk., heen en terug 17, 22 Mk.
8. AUexi. (Zie pag. 16).
Logementen: Zum grossen Monarchen, am Büchel 49—51. bil-
lijke prijzen; Hotel Nttllens, Friedrieh Wilhelmsplatz. aanbevelens-
waardig; Hotel Bellevue. Holzgraben 3; Dragon dor. Comphaus-
badstr. 9; Hotel de 1\'Empereur, Edelstr. 6; Zur Kaiserlichen
Kr on e. Alexanderstr. 36. niet ver van het Kurhaus; Hotel zum Ele-
phanten, Ursulinerstr. 11, wordt geroemd; König von Spanien,
1
-ocr page 242-
— 2 —
Kleinmarschierstrasse 52 (druk bezocht door handelsreizigers, kamer,
licht, bediening\' en ontbijt 3 Mk.; aanbevelenswaardig). In de nabijheid
van den Rheinischer Bahnhof: Hover\'s Union Höt.. Bahnhofs-
platz 11 (kamer, ontbijt en bougie van 2.50 Mk. af. table d\'höte 3 M.);
Hotel du N o r d (Roinerstras.se 3); K a i s e r h o f (Hofstr. 2—4 en Wallstr.
65—09. veelvuldig door reizigers bezocht); Stadt Duren (Bahnhofsplatz
4) en Hotel Graaff. Wallstrnsse 1. de beide laatste zeer eenvoudig.
Badinrichtingen, die wel logies verschaffen, maar geen table d\'höte
houden, zijn: Kaiserbad (Büchel 20). zeer goed. kamer enz. van 2.50 Mk.
af. pension met kamer van 8 Mk. af; Kónigin von Ungarn. Edel-
strasse 1. pension 0 Mk. zonder souper; Neubad (Büchel 3*). kamer
enz. van 2 Mk. af. pension van 0 Mk. af; Quirinusbad (Am Hof 7).
Al deze inrichtingen krijgen haar water van de bovenbronnen; door de be-
nedenbronnen worden de volgende gevoed: Rosenbad. Cornel iusbad.
Karlsbad en Comphausbad. alle tegenover het Kurhaus. — Koude en
wanne baden in de Bad- en Zweminrichting op den Kaiserplatz. ver-
bonden met restauratie.
RestaurantB: Kurhaus (table d\'höte 2.50 Mk.); Kluppel. ITrsu-
linerstrasse 21 (met tuin. druk bezocht); in de hotels: König von
Spanien en Karlshaus; Scheufen. Hartmannstr. 7 (aanbevelens-
waardig); Kr nest Lennertz. Klostergasse 23 (oester-salon); Erholung.
Friednch-Wilhelmsplatz, mooi societeitslokaal.
Cafés: Kurhaus; Wiener-Café. Friednch-Wilhelmsplatz 3.
Patisserieën: Wahl, Theaterplatz 7; Geulen. Theaterplatz 9;
O el Iers. Dahmengraben 7.
Bierhuizen: Alt-Bavern. Wirichsbongard 43; Ba varia, bij den
Elisenbrunnen. Friedrieh-Wilhelms-Platz 2; Germania. op hetzelfde
f)lein en Wirichsbongard 5; Rathskeller. Grosskoelnerstr. 1 (prettig
okaal. bier-concerten); Krücken. Theaterplatz 9. onder het Casino); F a s s-
hauer, Kapuzinergraben 14. tegenover den schouwburg; in Kaiserhof.
met een fraaie concertzaal; Schmitz, Hochstmsse 17. met een grooten
wintertuin.
Melkinrichtingen: Stadtgarten (\'s morgens van 0—81/, uur en
\'s namiddags van 5—7 uur in den zomer); in de nabijheid daarvan de inrich-
ting van Neff (Heinrichsallee). Verder in de stad Wiesenthal
(Matthias-Hof).
Rijtuigen (van 6 uur \'s morgens tot 10 uur \'s avonds, des nachts het
dubbele):
Toeren binnen de steden Aken en Burtscheid. 1 pers. 00 Pf. iedere
persoon meer. 20 Pf. Kleine bagage vrij. een koffer 30 Pf. Rijtuigen, aan
huis besteld. 10 Pf. meer. Kinderen beneden 10 jaren de helft. Naar den
Lousberg. tot Restaurant Belvedère voor 1—2 personen 1.50 Mk..
voor 3—4 personen 2 Mk.; tot aan den top 2 resp. 2.50 Mk. Naar de
Karlsburg resp. 1.20 en 1.60 Mk.
Bij \'tuur: ieder half en begonnen halfuur (1—2 personen) 1.30 Mk..
3—4 personen 1.50 Mk.
Tramway\'s in verschillende richtingen, die de verbinding bewerkstel-
ligen met Burtscheid. Forst. Haaren enz.
Spoorwegen. Aken heeft 5 spoorwegstations: lo. Rheinischer
Bahnhof aan den zuidkant der stad (naar Keulen. Verviers. Luik);
2o. Station aan den Marschierthor. links van den Rheinischen Bahnhof;
3o. Templerhend in het Noordwesten der stad (naar Gladbaoh. Neuss.
-ocr page 243-
— 8 —
Dusseldorf. Verviers. Luik enz.); 4o. Jülicher Bahnhof (AkenJülicher-
lijn); 5o. Rothe Erde. in het Oosten der stad (naar Keulen).
Muziek. Evenals in de geheele Rijnprovincie. wordt ook in Aken de
muziek vlijtig beoefend, zoodat er dan ook verscheidene {roede instrumentale
en vocale muziekgezelschappen bestaan. Om de drie jaar wordt te Aken
op Pinksteren het Nederrijnsche muziekfeest gehouden. Gedurende den
winter worden des Dinsdagavonds om 7 uur vocale en instrumentale con-
certen in het Kurhaus gegeven. Tijdens het bad-seizoen \'s morgens van
7—8 uur en van 12—1 uur muziek bij den Elisenbrunnen. \'s namiddags
van 3—41/» uur in den tuin van het Kurhaus of op den Lousberg. Des
Zondags van 12—1 uur is er dikwijls militaire muziek nabij het komedie-
gebouw.
Komedievoorstellingen: Stadt-Theater (opera\'s, tooneelspelen. blij-
spelen); Bernnrts-SnisonTheater (groote concertzaal, tuin. restaurant
enz.) in de Adalbertstrasse.
Post- en telegraafkantoren. Hoofdpostkantoor. Augustastrasse 31;
Bijkantoor I. Jacobstrasse 23; Bijkantoor II. Wallstrasse 10: Bijkantoor
III. Seilgraben 3; Bijkantoor IV. Hoek der Augusta- en Friêdriehstrasse.
Telegraaf: Kapuzinergraben 17. Adalbertstrasse 20—24. nabij de komedie.
Godsdienst. In den Dom H. Mis van 5—11 uur. Zondags ten 9\'/2 ure
Hoogmis en ten 11\'/2 ure laatste H. Mis. In de overige acht parochie-kerken
des Zondags Hoogmis ten 9 ure. In de Marienkirche ten 7. 71/!- 8 en 11
uur H. Mis.
Kurtaxe: Per jaar voor 1 pers. 25 Mk.. 2 pers. 40 Mk.. 3 pers. 50
Mk. enz.; in de zomermaanden (1 Mei—30 Sept.) 12. 20 en 25 Mk.; in
de wintermaanden 3 Mk. per persoon. Entree tot den Elisengarten. zonder
abonnement 50 Pf.
3. Altexiahr. (Zie pag. 39).
Logementen: Hotel Casparv (gerenommeerd hotel, kamer, licht en
servies. 2 Mk. a 2.80 Mk.. table d\'Höte 3Mk.); Rheinischer Hof (Win-
kler). table d\'hote 2.50 Mk.; Hotel de la Poste (bij het station, een-
voudig maar goed).
Toegang tot het kasteel van Altenahr: 1 persoon 50 Pf.; een gezelschap
per persoon 30 Pf.
4. Andcrnacli. (Zie pag. 39).
Logementen: Hackenbruch. aan de oevers van den Rijn. met tuin
(k., s. en b„ 2 Mk. il 2.50 Mk.); S c h a e f e r. insgelijks aan de oevers van
den Rijn (goedkooper. maar toch goed); Hotel zur Glocke (ook aanbe-
velenswaardig).
3. Assmannshauson. (Zie pag. 86).
Logementen: Kr on e (goed. pension 6 Mk.); Anker (goed. pension
5.50 Mk.); Reutershan. Germania. Lamm (langs de Rijn-oevers);
Burg Rheinstein (nabij het station); JHederwald (in het dorp. zeer
eenvoudig).
Booten: naar Rheinstein, 1 a 5 pers., 1 Mk.; iedere persoon meer
20 Pf.; heen en terug, met een uur oponthoud het dubbele; naar Rüdes-
heim of Bingen-Bingerbrück. 1 il 6 pers.. 3.50 Mk.. iedere persoon
-ocr page 244-
-4-
meer 50 Pf; heen en terug de helft meer; naar Lorch, la 6 pers.
4.50 Mk.. iedere persoon meer 60 Pf.; heen en terug de helft meer.
Stoomboot naar Rheinstein: alle tien minuten. 30 Pf. per persoon.
B.
G. Bacharaoh. (Zie pag. 79).
Logementen: Wasum, bij het station met een grooten tuin, zeer
goed (kamer 1.50 a 2 Mk.. table d\'hóte 2.50 Mk.); Bastian. insgelijks
goed (k., s. en b. met ontbijt 2 k 2.50 Mk.); in de stad: Blücherthal.
"7. Baden-Baclen. (Zie pag. 163).
Ter behartiging by aankomst: Dienstman, voor het brengen van een
pakje van het station naar een rijtuig. 5 Pf.; een koffer in de stad 30 Pf.;
verscheidene 20 Pf. per stuk; een klein pakje 10 Pf. Rijtuigen (zoogen.
Packdrosehken): per kwartier, 1 of 2 pers. 70 Pf.; 3 of 4 pers. 1.05 Mk.;
*/i uur: 1.05 en 1.40 Mk.; naar Lichtenthal 1.40 en 1.70 Mk.; na 7 uur
\'s avonds 1.70 en 2.15 Mk.; van fl uur tot middernacht 1.05 en 1.40 Mk.
of 1.40 en 1.70 Mk.; van middernacht tot 5 uur\'s morgens 1.40 en 1.70 Mk.
of 1.70 en 2.15 Mk. Bagage: 20 Pf. per pakje.
Logementen: De hotels van Baden-Baden zijn over het algemeen zeer
goed. In zulk een luxe-stad worden zij uit den aard der zaak in grooten
getale gevonden. Wij zullen ons daarom bepalen tot vermelding van de
meest gezochte, zoowel door gefortuneerden als minder bemiddelde.
Hotel Messmer, met 3 villa\'s en een grooten tuin, was de gelief-
koosde verblijfplaats «an Keizer Wilhelm I; Hotel d\'Angleterre (En-
glisoher Hof), din. 4 Mk.; Europiiischer Hof (kamer van 2.50 Mk. af,
goede keuken); Hotel de Hollande (Sophienstrasse 11, met een tuin en
het pension B eau-séj o ur); Ziegler\'s Hotel National (tegenover het
station, nieuw, met tuin en terras). Al deze hotels zijn van den eersten
rang. de prijzen zijn dan ook daarnaar: Kamer van 2.50 Mk. af\'; bougie 40
a 70 Pf.; service 50 h 75 Pf.; ontbijt 1.25 a 1.50 Mk.; diner 3 a 4 Mk.
zonder wijn.
Eenigszins lager zijn de prijzen in: Stadt Baden, nabij het station;
Bay riseher Hof. tegenover net station (aanbevelenswaardig voor kort
verblijf); Hotel de St. Petersbourg, Gernsbacher-strasse B (kamer
2 Mk.; bougie 50 Pf; service 50 Pf.; ontbijt 1 Mk.; diner 2.75 Mk.);
Stadt Paris. Sophienstrasse, nabij het Friedrichsbad (pension 5 Mk.);
Muller. Langestrasse 36. eenvoudiger maar aanbevelenswaardig (kamer
1.40 Mk.); Goldener Stern, Langestrasse 46. goed hötol, veel door
handelsreizigers bezocht; Baldreit, Küferstrasse 5, goed pension voor 4 il
5 Mk.; Ho se. Marktplatz, goed en niet duur.
Café\'s en Restaurants: Conversationshaus (deftig); Mangin,
Louisenstrasse 30 (duur); Goldene r Stern en Dr ei Könige staan be-
kend als goed.
Bierhuizen: Bayvischer Hof; Zuin Krokodil (Mühlengasse 4);
Z u v Post (Lichtenthalerstrasse 4, diner ft 1 Mk.); Bitter (G-ernsbacher-
strasse 11, met tuin en terras).
Patisserieën: Schulze-Eumpelmaier, Augusta-Platz (voornaam);
Z a b 1 e r, Lichtenthalerstrasse 12.
Tarief van Rijtuigen: Bij het uur: \'/» ""\'\'• 1—2 pers., 90 Pf.; 3—*
-ocr page 245-
— 5 —
pers. 1,50 Mk.; \'/, uur, 1.40 en 2 Mk.. */, uur. 2 en 3 Mk.; 1 uur 3 en 4Mk.:
verder 50 Pf. per kwartier, onverschillig het aantal personen.
Naar Lichtênthal 1.40 en 2 Mk.
Na 9 uur \'s avonds (des zomers) of 8 uur (des winters) is de prijs per
rit voor 1—4 pers. voor \'t eerste kwartier 1.40 Mk. en 60 Pf. voor ieder
kwartier meer.
Rijtoeren tegen bepaalde prijzen voor 1—4 personen.
/                                                                                         Mk.
iNaar het oude Kasteel, heen.........    4.50
,, ., ..         „ heen en terug......    6.—
Naar S e e 1 a c h of het etablissement voor vischkweekerij    5.—
Fremersberg-toer............    9.—
Naar Lichtênthal langs de Yburg-Strasse. de
Seelighoefe en den nieuwen weg heen. terug
langs een anderen weg..........    S.—
\' Naar het oude Kasteel of naar Ebersteinburg . . 9.—
■ Naar Ebersteinburg en terug langs het oude
■p..             I Kasteel.................10.—
6 uur" J Naar Favorite of Rastatt........7.50
                < Naar Ebersteinburg of Steinbach. . . . 7.—
neen en l Naar Ge r n sb ac h............10.—
terug, f Naar Eberstein-Schloss.........9.—
terug over Gernsbach . . 12.-
V Naar den Y b u r g.............11.-
Rl\\ 2an J Naar het oude kasteel E b e r s t e i n b u r g. ï e u f e 1 s-
kanzel, Merkur-ïhurm, Mul lenbild en terug 14-
uur.
Rit van ( -^eze"^e toer- uitgebreid met Gernsbach ofEber-
14
uur.
\' stein-Schloss.............IS.
Dezelfde toer, uitgebreid met Gernsbach en Eber-
stein-Schloss..............21.—
Kurtaxe: Voor het bezoek van het Konversationshaus en de dagelijksche
concerten, het gebruik van de leeszaal en het deelnemen aan de réunions
moet Kurtaxe worden betaald. Voor één dag 1 pers. 1 Mk. (voor het
namiddag-concert alleen 50 Pf.); 14 dagen S Mk.; 1 maand. 1 pers. 16 Mk.;
2 pers. 25 Mk.. iedere persoon meer 5 Mk.
Komedie: \'s Woensdags geregeld voorstellingen door de altisten van
het Grossherz. Hoftheater van Carlsruhe. Tijdens het badseizoen
tweemaal per week.
Wedrennen: In het einde van Augustus, begin September en begin
October de bekende wedrennen van Iffezheim.
Kunst: Permanente tentoonstellingen van de Carlsruher en Rijnsche
kunstvereeniging in de Kunsthal Ie naast het komediegebouw, dagelijks
geopend van 9—6 uur. des Zondags van 11—6 uur. Entree 50 Pf.
Godsdienst: Evangelisch Kerkgenootschap: Hoofd-godsdienst-
oefening des Zondags ten 10 ure voorm.. predikdienst \'s avonds ten 5 ure.
Katholieke Kerk: Op werkdagen szomers dienst ten 5\'/a. TJ2 en
11 uur, H. Mis op Dinsdag, Donderdag en Zaterdag; op Zon-en feestdagen
-ocr page 246-
— 6 —
om 5\'/2. TL. 0\'l„ uur predicatie. 10 uur Hoogmis. 11 uur laatste H. Mis.
Gelegenheid tot biechten in verschillende talen.
Engelschc Kerk: Des Zondags ten 8 en 11 ure voormiddags, \'s na-
middags ten 3\'/j ure dienst.
Griekse h-K ussische Kerk: Des Zaterdags 7 uur \'s avonds, des
Zondags 11 uur voorin.
Grieksehe Kerk: Des Zondags 11 uur voorm.; bedestonden dage-
lijks 3 uur \'s nam.
Israëlietische Kerk: Vrijdagavond 7 uur en Zaterdagmorgen
8 uur dienst.
Muziek: Kur-muziek in den kiosk vóór het Conversationshaus. iederen
dag \'s morgens van 7—8 uur. van 3—4 uur n.m. en van 8—10 uur
\'s avonds; van 1 Nov.—15 April dagelijks van 8—10 uur \'s avonds in het
Conversationshaus. bovendien op Zon- en feestdagen van 3—5 uur \'s na-
middags. Het orkest bestaat het geheele jaar door uit 4S musici, waaronder
voortreffelijke kunstenaren als solisten. Concerten, gegeven door artisten
van elders. Klassieke matinees. Kamermuziek-soirces. Militaire muziek.
Post- en telegraaf: Langestrasse 58.
Baden-Baden heeft den naam van een zeer dure verblijfplaats en dat is
ook inderdaad het geval, als inen in een der eerste hotels logeert, deel
neemt aan de vele amusementen, dikwijls uit rijden gaat enz. Degene,
die zich in zijne uitgaven moet beperken en den weg weet in de stad. kan
evenwel goedkoop te Baden wonen, waar het leven dan toch vrij wat
aangenamer is dan in de kleine badplaatsen, waar iedereen elkaar kent.
Een vreemdeling, al begeeft hij zich ook veel in gezelschappen, kan volstaan
per maand met 200 ii 250 Mk. Een goed onderkomen bij particulieren
vindt men voor 10 a 20 Mk. per week en zelfs voor minder, als men zich
van het centrum der stad verwijdert en b. v. zijn intrek neemt in de
talrijke villa\'s nabij het station of in het dorp Lichtenthal op een half uur
afstands. Het ontbijt kost daar 40 iï 60 Pf. en het diner 1.50 a 2 Mk.
Het drinken van bronwater in de ïrinkhalle en het Friedrichsbad geschiedt
kosteloos. Voor een glas geitenmelk betaalt men 20 Pf. Het seizoen is
op \'t drukst tijdens de wedrennen. Trinkhalle en Friedrichsbad
zijn echter het geheele jaar open.
8. Bazel. (Zie parj. 193).
Stations: Central-Bahnhof aan den zuidkant der stad; voor de
lijnen naar Zwitserland en den Elzas. Badischer Bnhnhnf te Klein-
Bazel aan den rechteroever van den Rijn. Deze stations zijn door een
spoorlijn met elkaar verbonden, (afstand 10 min. Prijs: 1 fr. (Ie kl.). 70 cent.
(2e kl.). 50 cent. (3e kl.).
Logementen: Drei Könige. aan den Rijn. K. S. B. 4\'/2—6\'/2 Fr.,
Ontbijt l\'/i Fr.. Table d\'höte 5 Fr.. Omnibus aan den Central-Bahnhof
1 Fr.; National. K. S. B. 3\'/2—4 Fr.; Schweizerhof K. S. B. 3\'/,—**/,
Fr.. Diner 4—5 Fr.; St Gotthard (insgelijks goed) K. S. B. 3 Fr.. Diner
3 Fr. In de stid: Fa 1 ken. hoek van de Ehsabethenstrasse. Kam. 2—3 Fr.,
ontbijt 1 Fr. (aanbevelenswaardig): Storeh. kamer en bed 2\'/2 Fr., table
d höte met wijn 3 Fr.; Hotel Métropole. k. en bed 2\'/i Fr., ontbijt
1\'/, Fr. (goed). — In Klein-Bazel: Krafft (kam. en bed. 3 Fr., ontbijt 1\'A.Fr.,
diner 3 Fr.); Weisses Kreuz (K. en B. 2\'/i—3 Fr.), beiden aan den Rijn;
Hot. Schrieder (Zum deutschen Hof) nabij den Badischen Bahnhot
(K. 2\'/2 Fr., ontbijt 1\'/, Fr.).
-ocr page 247-
— 7 -
Café\'s: C. des Trois R o i s. aan tien Rijn; Kunsthalle; Stadt-
Casino (bekend om zijn goede restauratie); C. National, met een terras
aan den Rijn.
Fatisserieën (in alle het eigenaardige Bazelsche product Basler Lec-
kerli verkrijgbaar): Wirz bij de Alte Brücke; Kissling-Kuentzy,
Freiestr. 19; Speiser. Freiestr. 61; Burckhardt, Schneidergasse, bij het
Stadhuis; Steiger\'s Erben. Schneidergasse.
Restauraties: In den C e n t r a 1-B a h n h o f (te recommandeeren); K i b i-
ger. Barfüsserplatz; Bi er hal Ie zum Parsifal. Freiestrasse 49; Büh-
ler\'s bayr. Bierhal Ie. goede keuken. Wijn krijgt men uitstekend in
de Vel tl in er Hal Ie. Freiestr. — In Klein-Bnzel: in den Badischer
Bahnhof; Burgvogtei, met ruim bierlokaal en grooten tuin; wijn
bij de weduwe Oeschger. Riehenthorstr. 27 en in de Markgrafier
Weinstube tegenover den Badischen Bahnhof. Muziek in het S o mm er-
Casino (50 cent.), in het Erlenpark en in den Zoölogischen Tuin.
Omnibus tusschen de beide stations (langs de Alte Brücke).
Rijtuigen: \'/<, unr, 1—2 pers. 80 ets.; het tweede kwartier 60 ets., ieder
kwartier meer 50 ets., 3—4 pers. 1.20 Fr., het tweede kwartier 90 ets.,
ieder kwartier meer 70 ets.; van de stations 1—2 pers. 1.20 Fr.. 3—4pers.
1.80 Fr., van het eene station naar het andere 1—2 pers. l1/»- 3—4 pers.
2\'/2 Fr., koffer 20 ets. Nachtdienst (10 uur \'s avonds tot 6 uur \'s morgens),
onverschillig het aantal personen: 3.20 Fr. voor het eerste half uur. 1.10 Fr.
voor ieder volgend kwartier.
Post- en telegraafkantoren: o. a. in de Freienstrasse en in de
beide stations.
Zoölogische tuin: \'/» uur van den Central-Bahnhof, entree 50 Pf.
8. Biotorich, (Zie pag. 114).
Logementen: Europaischer Hof (goed); Bellevue (goed);Krone,
met tuin aan den Rijn, (goed).
Bierhuis: Wuth. Casernenstrasse.
Stations: Van de ïaunus-lijn (Castel. Frankfort) aan den Rijn; van de
lijn aan den rechteroever (Wiesbaden, Rheingau) te Mosbach vóór den
noordoostelijken uitgang\' van het park.
Tramway: Van de aanlegplaats der booten naar Wiesbaden 20 en 25 Pf.
XO. Bingon. (Zie pag. 9*2).
Logementen: Hotel Victoria, nabij het station en den Rijn. hotel
van den len rang (K. s. b. 2 a 4 Mk.. table d\'höte 3 Mk.); Weisses
Ross. wordt geroemd; Bellevue. ook aan den Rijn. (K. m. ontb. 3 Mk.,
din. 2 Mk.); Groldener Pflug. eenvoudig, burgerlijk maar gerenommeerd;
Englischer Hof. Mainzer Str.; Karpf\'en aan den Rijn; PariserHof
G-austrasse. niet ver van de Nahe; Adler (staat goed aangeschreven);
Distel (goed); Deutsehes Haus. alle drie aan den Rijn. Hotel Ro-
chusberg (Kamer 1.50 a 2 Mk., diner 2.50 Mk.. pension 5 a 6 Mk.,
omnibus aan het station, 50 Pf).
Restaurants: Restaurant van het station; Soherr op de markt.
Café\'s en bierhuizen: Heilmann aan den Rijn; Actienbrauerei
in de stad.
Stoombooten: Tusschen Bingerbrück (afvaart tegenover den Muizen
-ocr page 248-
— 8 —
toren). Binden (tusschen de hotels Adler en Distel) en Rüdesheim (nabij
het Rijnstation). Zestien keer per dag heen en terug. Prijs 10 en 20 Pf.
Tarief der roeibooten: Waar den Muizen tor en. 1—2 pers., 1.50 Mk.;
iedere persoon meer 25 Pi\'; naar Assmannshausen. 1—6 pers.. 3 Mk.;
naar Rheinstein en Assmannshausen. met twee uur oponthoud te
Rheinstein. 5 Mk.
Rijtuigen: Naar de Rochus-Kapelle. 1 paard. 1—2 pers.. 3.50 Mk.,
3—4 pers.. 4 Mk.; met 2 paarden, 4 en 5 Mk.; — naar den Scharlach-
kopf. 4 en 5 Mk. of 5 en 0 Mk.; naar Rheinstein. heen en terug. Oen
7 Mk. of 7 en 8 Mk.
11. Bingerbrdcb.. (Zie pag. 93).
Logementen: Amerikanischer Hof en Mohrmann, tegenover
het station. (Zie verder Bingen).
18. Bonn. (Zie parj. 27.)
Logementen: Gold en er Stern, op de markt (kamer en bed. van
3 Mk. af. table d\'hóte 3 Mk.). zeer goed; Hotel Royal. Coblenzer-Str. 6,
met een fraaien tuin aan den Rijn. hotel van den eersten rang (Kamer
3 a 4 Mk.. service en bougie 00 Pf.. diner 3.50 Mk.); Hotel Kiev. Co-
blenzer-Str. 1. druk bezocht (K.. s. en b. 3 Mk., din. 2.50 Mk.); Hotel
du Nord. Quantiusstr. 1. nabij het station (K.. s. en b. 2 a 3 Mk.. din.
2.50 Mk.); R hei nee k, staat goed aangeschreven. (K. s. en b. 1.50 a 2.50 Mk.,
din. 2.50 Mk.); Zuin Munster. Münsterplatz 2. (K. s. b. en ontb. 2.50
Mk.); Rheiniseher Hof en Sehwan, beide in de Sternengasse, een-
voudig en goed.
Pensions: Lührmann, Evangelische-Kirchstrasse 3; Schlüter. Pop-
pelsdorfer-Allee 40; Z il les, Coblenzerstr. 27 (5 a 0 Mk.); Rees. Venus-
berger-Weg; Schmitz. Dechenstr. 5; Pension-Anglaise, Endenicher-
Allee 2.
Restaurants: (met verkoop van wijn per glas): Perrin, Wenzelgasse
50. zeer voornaam; Viehhoefer. Vierecksplatz. goed; Clouth, Sandkaul
13 in het voormalige huis van A. W. von Schlegel.
Café\'s: Tewele (stationskoffiehuis); Seharrenbroich. opdemarkt5.
Beiersch bier en restauratie: Voss, Wenzelgasse 54. ook oester-lokaal,
aanbevelenswaardig; Goldener Hahn. Dreieck; Hamburger Restau-
ra n t en K a i s er E al 1 e, nabij het station ;Beethovenhalle, Vierecksplatz.
Rijtuigen: per rit, 1—2 pers.. 00 Pi\', iedere pers. meer 25 Pf.. koffer
10 Pf.; 1 kwartier met 1 paard 50 Pf.. met twee paarden, 05 Pf.; naar
Poppelsdorf 75 Pf. en 1 Mk.; naar Godesberg 2.50 en 3 Mk., iedere
persoon meer dan twee. 50 Pf.
Post- en telegraaf: Münsterplatz.
Bij beperkten tijd bezichtige men den Munster (pag. 29) en het
standbeeld van Beethoven (pag. 29). wandele men naar Poppelsdorf (pag.
29) en geniete men van het uitzicht op de ..Alte Zoir (pag. 30).
13. Boppard. (Zie pag. 63).
Logementen: Zum Spiegel (kamer 2.50—3.50 Mk., ontbijt 1 Mk.,
table d\'höte 2\'/a Mk.); Rhein-Hötel (dergelijke prijzen); Zum Hirsch
■eenvoudiger, goede wijn); Bellevue; Ackermann (zeer eenvoudig, maar
-ocr page 249-
— 9 —
toch aanbevelenswaardig) — al deze aan de oevers van den Rijn. In de
stad: Closmann, een oud. gerenommeerd, goedkoop hotel met tuin (Din.
2 Mk.); Lange, tegenover het postkantoor; M ü h 1 b a cl.
Water-geneesinrichtingen: Marienberg. Pension 8—12 Mk. per
dag, behalve wijn, bier en licht. Geneesheer 1 Mk. per dag.
14. Bornhofcn. (Zie par/. 67).
Logement: Gasthof zum Marienberg, (Logies 1.50 Mk., ook
pension, zeer goed).
15. Sraubacli. (Zie pag. 63).
Logementen: Arzbacher, aan den Rijn-oever; Rheinischer Hof
(pension 3\'/2—4 Mk.); Deutsches Hans, bij het station, met biertuin,
kamer 1,20 Mk., allen aanbevelenswaardig.
13. Brogcnz. (Zie pag. 213).
Logementen: Oesterr. Hof, aan de haven; Höt. Europa en
Montfort. beide nabij het station ; Weisses Kreuz en Sehweizer-
hof, Römerstrasse, allen goed. Löwe, zeer eenvoudig.
Wyn van uitstekende qualiteit bij F. Kinz, op den weg naar den Geb-
hardsberg. Bier in de Forstersche Brauerei.
17. Breisaoh (A.1*-) (Zie pag. 184).
Logementen: Beutscher Kaiser, goed; Salmen.
O.
18. O^vsjtol, (Zie paf/. 123).
Logementen: Hotel Anker, met tuin, niet duur; Hotel Barth;
Hotel Taunus.
18. OA.-u.1t3. (Zie pag. 76).
Logementen: Zum grunen Wald, aanbevelenswaardig; Hotel
Adler; Hotel zum ïhurm. Goede wijn in G er man ia.
20. Oliur. (Zie paf/. 217).
Logementen: Steinbock aan den straatweg naar Churwalden. k. s.
b. 5—7 Fr., ontb. l\'/i Fr., table d\'höte 4—i\'/a Fr., pension van 8 Fr. af;
Lukmanier, 3 minuten van het station, k. s. b. 4 Fr., table d\'höte
4 Fr., omnibus 75 ets. Beze beide hotels zijn van den len rang. Een-
voudiger zijn: Weisses Kreuz. kamer 2\'/, Fr., ontbijt 1.20 Fr.; Stern
(goed), kamer 2\'/2—3 Fr., ontbijt l1/» Fr., diner met wijn 3 Fr.; Rot her
Löwe. kamer l\'/2—2 Fr., ontbijt 1 Fr.; Brei Könige, nog goedkooper.
Café\'s en Restaurants: Calanda, bij Hotel Lukmanier; Stations-
koffiehuis (goed).
Bier: Goed bier in het Casino (nabij H. Rother Löwe) en in Lö-
we n h o f.
-ocr page 250-
— 10 —
Wijn: Goede Veltliner in den Hofkeller en in de Wirthschaft
zum sussen "Winkel.
Rijtuigen: Beste adres: B. Enderlin.
Sigaren: L. Hitz. Poststrasse.
81. Coblonz. (Zie pa//. 40).
Aankomst: Coblenz en Ehrenbreitstein hebben te zamen drie stations:
10.   het Rijn-station voor de links-Rijnsche lijn naar Keulen en Bingen;
2o. het Moezel-station. 10 min. van de skul. voor de Moezel-route
(ïrier. Metz) en voor <le Lahn-route (Wetzlar. Berlijn), wordt ook door de
links-Rijnsche treinen (des nachts uitgez.) aangedaan; 3o. het station van
Ehrenbreitstein. voor de lijnen naar Linz. Oberkassel, Deutz-Keulen,
Niederlahnstein. Rüdesheim en Wiesbaden. Rijtuigen van de beide eerste
stations naar de stad: in. 1 pd.. 1—2 pers.. 75 Pf.. 3—4 pers. 1.25 Mk.;
m. 2 pd.. 1 Mk. en 1.50 Mk.; pakjes 10 Pf. per stuk. Van het station van
Ehrenbreitstein naar Coblenz: m. 1 pd.. 1—4 pers.. 1.50 Mk.; m. 2 pd.
2 Mk.; bruggegeld 45—00 Pf.
Logementen: Aan de oevers van den Rijn: Riese en Bellevue,
beide van den len rang (kamer van 2.50 Mk. af; diner 3 Mk.); Anker
(k.. s. en b.. 2 Mk.. diner 3 Mk.); ïraube in de Rheinstrasse. nabij de
rivier: Victoria, tegenover de Rijn-brug. eenvoudig. In de stad: Cen-
tral-H ötel. tegenover het Rijn-station (kamer 2 a 3 Mk., diner 2.50 Mk..
goed); W i I d e s S c h w e i n op bet Plan (k. m. o. 2.50 Mk.); B e r 1 in er
Hof. Lobrstrasse. nabij de stations; Gastwirthschaft von Grüne-
wald. Lohrstrasse (hoogst eenvoudig). Pension Beau-scjour aan de
Rijn-promenade wordt geroemd.
Café\'s: Trinkhalle aan de Rijn-promenade. \'szomers op Donderdag-
avond militaire muziek; Wiener Café. Clemensplatz nabij de komedie.
WUn: T il 1 m a n n. unterm Stern; Scheid. Florinsmarkt.
Bier: Franziskaner, KI. Paradeplatz 2; Engels. Schlossstrasse.
Godsdienst: In de Jezuïetenkerk Evangelische godsdienstoefe-
ningen des voormiddags van Zon- en feestdagen; Katholieke gods-
dienst o]) Zon- en feestdagen: in de O. L. V. Kerk om 5. 6. 8 en 11 uur
11.   Mis. om 9 uur Hoogmis en predicatie (de laatste ook om 5 uur \'s na-
middags); te St. Castor om 6. 8 en 11 uur H. Mis. om \'J\'/a uur Hoogmis
en predicatie (de laatste ook om 31/» uur \'s namiddags).
Post- en telegraaf: Clemensplatz.
Stationeerende rijtuigen: Aan den Rijn. bij het Schlossrondel,
bij den Löhrthor en bij de stations. Tarief: Naar Capellen (Stolzenfels)
ot\' Niederlahnstein 2 Mk.\'. been en terug (steeds 2 uur oponthoud) 5 Mk.;
naar Pfaffendorf of de Laubbach 1.50 Mk.. been en terug 3.50 Mk.. naar
de Rittersturz en de Laubbach 2.50 Mk.. fl Mk. heen en terug; naar het
Karthuizer klooster, terug langs Rittersturz 10 Mk.. naar Ehrenbreitstein
of de hoogte van Pfaffendorf (Asterstein) 4 Mk.. heen en terug 5 Mk.
Rijtuigen per uur: Ie uur. met 1 pd.. 2.50 Mk.; met 2 paarden. 3
Mk.; icdei volgend half uur 1.25 Mk. en 1.50 Mk. Bruggegeld moet extra
betaald worden.
22. Oolmar. (Zie par/. 180).
Logementen: Höt. Zwei Schlüssel (kamer 1.60 Mk.—3 Mk., din.
-ocr page 251-
— 11 —
2.S0 Mk.. souper 2.40 Mk.. omnibus 60 Pf.); Hot. Schwarzes Lamm,
Marsfeld. kam. met bed. 1.20—1.40 Mk.. din. 2 Mk.. souper 1.60 Mk.,
ontbijt 60 Pf.. door Roomsen-Katholieken zeer gezocht; Van Briesen.
Marsfeld. k. s. en b. 1.60 Mk.—2 Mk., din. met wijn 2.50 Mk.
Patés de foie gras: Scherer (Pfaffengasse) is daarvoor bekend.
23. Constana. (Zie pa//. 207).
Logementen: Insel-Hötel aan het meer. met tuin en prachtig uit-
zicht, k. s. en b. 4 Mk.. ontb. 1\'/» Mk.. diner 372 Mk.. souper 21/* Mk..
pension 7—10 Mk.; Halm, bij het station, kamer en bed 2\'/2. ontb. 1,
diner 3 Mk.; Hecht. k. s. en b. 3, ontb. 1. diner 3 Mk.; Badischei-
Hof; Krone; Anker; Schiff; Barbarossa; Hotel Schnetzerop
de markt, goedkoop en goed.
Restaurants: Victoria, tegenover het station; Post-Restaurant,
naast Hot. Halm; Engler\'s Biergarten nabij het stadspark; Café
Maxim il ia n. Bahnhofstr.
B-4:. Croziberg. (Zie par/. 135).
Logementen: Frankfurter Hof. met fraaie schilderijen van Frank-
forter artisten in de groote zaal; Schut zen hof. met een lommerrijken
tuin en een prachtig uitzicht. Beide inrichtingen verdienen aanbeveling.
Restaurant: Hahn (in het station).
I>.
ÖS. X3avos. (Zie par/. 218).
I.    Dörfli.
Logementen: Höt. Seehof. goed beschut, ook door Hollanders be-
zocht, pension met kamer 6—7 Fr.; Hot. Flüela fc Post, kam. met bed.
2\'/a Fr., ontbijt 1 Fr., tnble d\'hóte 3 Fr., eenvoudiger; Pension G-red ig,
Bellevue, Paul, Villa Vecchia, Sonneck, meerendeels aanbevelens-
waardig.
Wandelingen: Naar de Davoser S e e (\'/4 uur); naar den W e i s s f 1 u h
langs Meierhof (4\'/2 u.). gids noodig. loont de moeite ruimschoots, terugweg
desverkiezend langs Langwies; naar den Pischahorn (2U82 M.) langs
Tschuggen in 572 uur (gids 10 Fr.) niet moeilijk.
II.    Platz.
Logementen: Kuranstalt Holsboer (Kurhaus met verscheidene
villa\'s), goed. door Hollanders veel bezocht; Hotel Pension d\'Angie-
terre, bijna uitsluitend Engelsehen; Hötel-Pension Buol, do. do.;
G-r. Höt. Belvedère, do. do.; Victoria, do. do.; Stro la. gunstige
ligging, zeer gemengd publiek; Schweizerhof. uitmuntend, bijna uit-
sluitend door Duitschers bezocht; Post. zeer eenvoudig en niet duur;
Rhatia. nabij het postkantoor, pension 6\'/2—10 Fr., zeer goed. comfortable
ingericht; Davoserhof, nabij het station: Rathhaus, hoogst eenvoudig;
Pension Gelria (zeer aanbevelenswaardig voor Hollanders, gevestigd in
Villa Florenza met eene verrukkelijke ligging); Pension Last (zeergoed
Holkindseh pension); P. Eisenlo\'hr; P. Kilp (zeer bescheiden); Gasth.
zur Tobelmühle (do. do.). Kamers te huur in: Centralhof, Villa Let-
-ocr page 252-
— 12 —
ta. Haus Ardüaer. Villa Prei. Villa Dönier enz. Pension met
kamer voor zieken in het Diakonessenhaus (zeer goed).
Café met een menigte couranten in de K uranst alt Holsboer;
Café Rest. Franziskaner; Café Rest. zur Alpina.
Wijn in de Veltlinerhalle.
Kurtaxe: l\'/2 Fr. per week.
Instituut-Fridericianum: Voor borstlijdende scholieren.
Sohool-Sanatorium: Voor meisjes, directrice Frl. Dickes.
Amusementen: Alle dagen muziek vóór het Kurhaus; \'s avonds con-
certen en komedievoorstellingen in het Kurhaus. In den restaurant van
het Kurhaus: bierconcerten, optreden van goochelaars enz.
Wandelingen: Naar Stein. zomer-restaurant boven Hotel Buol. met
prachtig uitzicht. 20 min. — Naar het Waldhaus (Hot. Pens.), aan den
ingang van het Dischma dal. 20 min. — Naar Pavos-Dörfli en de
Da vos er Se e. 1 uur. — Naar den Gemsjager. \'/» u. en naar de water-
vallen in den Alberti-Tobel. \'/i uur: naar CU5n Schatzalp (1875 M.,
verrukkelijk zitje, doodeenvoudig herbergje. 1 uur); naar den Strela Alp
(1980 M.) 1\'/» uur; naar de Grüne en Ischa-Alp. ieder 1 uur; naar
Frauenkirch (Hfltel zur Post). 3/» uur; Bad Clavadel 1 uur. Ge-
makkelijke wandelgelegenheid langs de Obere en Untere Waldwege.
gebaand en onderhouden door den Kurverein.
Rijtuigen: Naar Davos-Dörfli. met 1 paard 3 Fr.. 2 paarden 5\'/., Fr.;
naar ïschuggen 8 en 15; Flüela-Hospiz 12 en 22; Spinabad 6 en
12; Schmelzboden (Hoffnungsau) 10 en 18; Wiesen 15 en 28;
ïiefenkasten 25 en 45; ïhusis 35 en 65; Tarasp 33 en 60; Sa-
maden 45 en 80, Pontresina 50 en 90 Fr.
Omnibus tusschen Platz en Dörfli, alle \'/j uren, 30 ets.; heen en terug50cts.
88. I2±xct,\\x.xx. (Zie pa/j. 97).
Logementen: Hotel Dhaun, voor de bezoekers der ruïne.
Toegang en gids voor de ruïne 30 Pf.
8*7. Dicz. (Zie pty. 55).
Logementen: Holliindischer Hof (goed); Hotel Lorenz (aanbe-
velenswaardig).
88. 33raobenfels. (Zie pag. 31).
Tandradbaan: \'s Zomers 18 treinen per dag, overtocht in 10 a 12
minuten. 1 Mk. heen. 50 Pf. terug.
Ezels met drijvers: Het vragen naar het ambtelijk vastgesteld tarief
verdient aanbeveling.
Logement, tevens Hotel-Restaurant: Op den Drachenfels (zeer
goed, kamer 2.50 k 3 Mk., diner h l1/, uur 3 Mk.) Post en telegraaf.
88. 3T3-u.lsil3-u.xrer. (Zie pog. 9).
Logementen: Europiiischer Hof. Burgplatz; Berliner Hof. bij
den Centralbahnhof; Hof von Holland. Oberstrasse; Harke, Koe-
nigsstr.; Kaiserhof, dito; Prinz-Regent, Univei-sitiitsstrasse.
-ocr page 253-
-13-
Rytulgen: Van het station naar de stad, 1 pers. 75 Pf.; 2 pers. 1 Mk..
bagage daaronder begrepen.
Tramway: Naar Rulirort. alle 15 minuten.
30. Dvisaoldorp. (Zie pat). 11).
Logementen: Breidenbacher Hof, Alleestr. 34, (k.. s.enb. 4Mk.);
Heek, Blumenstrns.se tussehen den Hofgarten en den Koenigsplatz: Th tin-
gen tegenover den Bergisch-Markischen Bahnhof (k.. s. en b. 2.50—4 Mk..
diner 2.50 Mk.); Boemischer Kaiser. Benratherstr. 3. (kamer 1.50—2
Mk., table d\'höte 2.50 Mk.. goede tafel, bekend om zijn wijn); Koelni-
scher Hof. op den hoek van de Flingerstr. en de Mittelstr.; Europiii-
scher Hof. Friedrichsstr. 1 (wordt geroemd): Hotel Central. Koenigs-
allee; Petzhold, do. do.; Ruegenberg, Benratherstrasse 14 (aanbe-
velenswaardig).
Restaurants: Buffetten der beide stations; Breidenbacher Hof,
(zie hierboven); Zweibrücker Hof. Koenigsallee; Küppers. Elberfel-
derstrasse 11 (goed); Zum Löwen, Schadowstr. 51; Seuten. Bergstr. 35
op den Karlsplatz; Kaisergarten. Karlsplatz 18; ïonhalle. zeer druk
bezocht lokaal met een tuin en feestzalen, waar wekelijks verscheidene
concerten worden gegeven.
Café\'s: Gei sier. Alleestr. 12. tegenover den schouwburg; Bierhoff.
Breitestr. 4; Wiener Café, Koenigsplatz 30; Neuhaus op den Ananas-
berg in den Hofgarten.
Bierhuizen: 1\'hoenixhalle. Schadowplatz 3—5; Wetzel, Haroldstr.
18; Buscher. Oststr. 87; Beichshalle, Hohestr. 27; Eiskellerberg
bij Meyer aan de haven, hoog gelegen, met uitzicht op den Bijn. in den
zomer \'s avonds druk bezocht; Künstler-Kneipe bij Klein, Jagerhof-
strasse. bekend.
Rijtuigen: Per rit. 1—2 pers.. 00 Pt. iedere persoon meer 25 Pf.
Per half uur, 1—2 pers.. 75 Pf., iedere persoon meer 25 Pf. Tarief in de
rijtuigen.
Tramway: In alle lichtingen. Het gebruik daarvan is bijzonder aan
te bevelen voor uitstapjes naar de Tonhalle. den Bheinisehen Bahnhof,
den dierentuin en het kerkhof.
Post: Hoofdpostkantoor op den hoek van Casernen- en Haroldstrasse;
in de stad verscheidene hulpkantoren.
Telegraaf: Koenigsallee 29.
Permanente tentoonstellingen van Kunstwerken (entree 50 Pf.)
bij Ed. Sc hul te. Alleestr. 42; J. Morschheuser, Koenigsallee 36;
Bismayer & Kraus. Bazarstr. 7—8; Schaub, Alleestr. 23 (oude
schilderijen).
Godsdienst: Evangelische: \'s Zondags ten 8\'/» ure kerk in de
Bolkerstrasse. ten 10\'/t ure in deJohanneskirche, des avonds op verschillende
tijden. Katholieke: \'s Zondags in de verschillende kerken H. Mis van
5—11 uur. Hoogmis om 9 en 9\'/;, uur, om 11 uur predicatie.
Spoorwegstations: Een Centraal-station is in aanbouw. Be rechts-
rheinische Bahn heeft een station in het N. O. der stad voor de treinen
naar Elberfeld. Speldorf en Troisdorf en een ander in het Zuiden voor de
treinen naar Keulen en Minden. Daar bevindt zich ook het station van de
Bergisch-Markische Bahn; een tram verbindt dit met het eerste. Laatstge-
-ocr page 254-
— 14 —
noemde lijn heeft ook nog een station aan den linkeroever van den Rijn.
en wel te Obercassel.
E.
31. Ehronbrcitstciii. (Zie par/. 42).
Logementen: G-asthaus zum König von Preussen.
Bezichtiging van de sterkte (1 April—31 Oct.): Kaarten verkrijgbaar
a 50 PC. die voor een weldadig doel worden gebruikt, te Thal-Ehrenbreitstein.
38. ESlt-vrille. (Zie par/. 107.)
Logementen: Reisenbach. nabij het station, goed hotel (kam. 1.50—
3 Mk.. table d\'höte 2 Mk.). in het hieraan verbonden bierhuis is uitmuntend
bier te verkrijgen; Bourg-Crass, aanbevelenswaardig, met restaurant in
den tuin aan den Rijn.
Restaurants: Mainzer Hof. nabij het station; P h i 1. C r a t z in de stad.
Uitstapjes: Naar de Bubenhauser Hóhe (3/4 uur) enRauenthal
(1 uur).
33. Titn m eritt.. (Zie par/. 2).
Logementen: Hotel Ro-yal, Holland Hof, Bahnhof-hotel (in
alle kan men met de Hollandsche taal terecht).
34. Enas. Zie /in;/. 49).
Logementen: Be hotels te Ems zijn voor het meerendeel alleen \'s zo-
mers geopend. Koenigliches Kurhaus met 3 dépendances (k. 1.50—7
Mk.. table d\'höte 3 Mk.); Hotel d\'Angl eterre. Hotel de Russie,
Hotel des Quatre-Saisons & de 1\'Europe. Hotel deBarmstadt,
allen van den eersten rang. (k.. s. fc b. van af 3.50 Mk.. ontbijt 1.20 a
1.40 Mk.. table d\'höte 3 Mk., pension G.50—7 Mk.). Aan den linkeroever
van de Lahn, niet ver van het station: HOt. Gu ttenberg. met tuin
(k., s. & b. van af 3 Mk.. diner 3 Mk.); Hotel de Plandre (k., s. & b.
2—4 Mk„ table d\'höte 2.50 Mk.. pension 6—\'J Mk.), beide ook \'s winters
geopend. Aan den rechteroever de volgende hotels van den 2en rang:
Stadt Wiesbaden. Hotel Bristol (goed), Hof von Holland (aan-
bevelenswaardig). Goldcne Traube, Löwe. Weilburger Hof,
Weisses Ross. Schützenhof. Hamburger Hof. Hotel-Pension
Schloss Langenau. Op den Malberg: Hotel Hohen-Malberg,
verbonden met Ems door een tandradspoor, kamer van af 2 Mk., table
d\'höte 3 Mk.. pension van af 5 Mk.
Bovendien vindt men te Ems eenemenigte zoogenaamde Logirhiiuser,
waaronder men er heeft met het grootste comfort. In het midden van den
zomer verdient de linkeroever van de Lahn de voorkeur, omdat men daar
dan schaduw heeft. In de meeste der Logirhiiuser kan men ontbijten.
in slechts enkele bestaat gelegenheid tot dineeren.
Restaurants en Café\'s: In het Kurhaus met table d\'höte en de
Kursaal; Villa Beriot aan den linkeroever van de Lahn. deftig; Café
Anglais, Café Ziepert en Café Alemannia, alle drie nabij het
station. Öp eenigen afstand van de stad: Hohen-Malberg; halverwege
-ocr page 255-
— 15 —
Schweizerhiiuschen; Silberau aan het einde der König Wilhelm-
Allee; Lindenbach 25 min. van de Kursaal.
Rytuigen: Bespannen met muildieren: 1 muildier, per uur 2 Mk.. 2
muildieren 3 Mk.; een rit door de stad 70 Pf.. na 0 uur \'s avonds 1.50 Mk.
Rijtuigen bespannen met paarden: naar het klooster Arnstein. heen en terug,
lO\'.óO Mk. en 15 Mk.; Coblentz 10 en 15 Mk.. heen en terug. 12 en 18 Mk.;
Ehrenbreitstein. 8 a 12 Mk.. heen en terug. 12 en 17 Mk.: Kemmenau.
heen en terug. 7.50 en 11 Mk.; Niederlahnstein 0 en 9 Mk.. heen en terug
8 en 12 Mk.; Oberlahnstein 7.50 en 11 Mk.. heen en terug 9.50 en 14 Mk.;
Nassau heen en terug. C en 10 Mk. ])e koetsiers zijn verplicht, het ge-
detailleerde tarief bij zich te hebben.
Ezels, muilezeis en paarden: Ezels of muilezels 1.50 Mk. per uur;
paarden 2.25 Mk.; wandelritten naar het Oberlahnsteiner Fors thans.
heen en terug, met één uur verblijf. 2.50 a 3 Mk.: naar S por ken burg
2.50 en 3 Mk.; naar de Kemmenauer-Höhe 2.50 en 3 Mk.; naar de
Mooshütte 1 en 1.25 Mk.; naar het hoogste punt van deze plaats 2 en
2.50 Mk.; naar de Lindenbach. langs de nieuwe promenade. 1.50 en
2  Mk. De terugrit is in deze prijzen begrepen.
Spoorweg naar den Mal berg. station nabij de Kaiserbrücke : treinen,
zoo dikwijls er passagiers zijn. overtocht in 8 minuten. Tarief: heen 80 Pf..
terug 50 Pf.. heen en terug 1 Mk.. abonnement voor 4 weken 7.50 Mk.
Booten op de Lahn per uur 1 Mk.. met een bootsman 2 Mk.
Pakjesdragers: Koffer van het station naar de stad 30 Pf.. reistasch
25 Pf.. klein pakje 10 Pf.
Kurtaxe moet door de badgasten betaald worden na een verblijf van vijf
dagen op de badplaats: 1 pers. 15 Mk., 2 pers. 21 Mk., 3 pers. 27 Mk. enz.
Het tarief der baden is zeer verschillend, al naar gelang van de inrichting.
In het Kurhaus. het Ne nes Badehaus en in de Q uut re Tours
(Vier Thürme) kosten de baden 1—2 Mk., in het Kurhaus heeft men
er zelfs van 3 Mk. Ook in de voornaamste particuliere etablissementen
(Nassauer Hof. Prinz von Wales & Roemerbad) zijn de prijzen
van 1.50 tot 2 Mk. Een kaart voor het gebruik van het bronwater kost
3   Mk. Aan de bronnenmeisjes. die het water uit de bron den badgasten
aanreiken, wordt 50 Pf. per week betaald.
Kur-muzlek: \'s Morgens van 7—8\'/2- terwijl het bronwater wordt ge-
dronken;\'s namiddags van 4—5\'/j uur in den tuin; \'s avonds van 8—9 uur
in de Kursaal. In deze laatste bevindt zich o. a. een komediezaal. die
ook gebruikt wordt voor concerten van kunstenaars. Kome-die-
voor stellingen In het Fransch en het Duitsch.
Post en telegraaf: Aan den rechteroever van de Lahn. niet ver van
het station.
Godsdienst: Evangelische: «Zondags van 10—ll\'/j en \'smiddags
van 2—3 uur.
Katholieke: \'sZomers ten 6\'/, uur in de nieuwe, ten 81/» uur in de
oude kerk. \'s Winters ten 7 en 8\'/, uur. Op Zon- en feestdagen vroegmis
in de oude kerk ten 8 ure. in de nieuwe kerk Hoogmis ten 10 ure.
Bovendien een Anglikaansche kerk in het dorp, een Russische
te Spiess-Ems en een Synagoge te Bad-Kms.
35. Srbaclx. {Zie pay. 107).
Logementen: Hotel Engel (goed); Hotel Walfisch; Nas
sauer Hof.
-ocr page 256-
-16-
Bezienswaardigheid: Kasteel Reinhartshausen (schilderijen ert
beeldhouwwerk), geopend alle werkdagen van 1 Mei—1 Oct. (10—6 uur).
entree 1 Mk. voor een liefdadig1 doel.
36. ISssen. (Zie pa//. 7).
Logementen: Berliner Hof; Rheiniseher Hof; Deutscher
Hof; Victoria.
Restaurants: Stinnesbeck; Fuchs (Münchener Bier).
F.
3*7. Faohingeii. (Zie pa//. 55).
Logement: Hotel Anker (zeer eenvoudig).
38. aPeldtoerg? in den Taunus. (Zie pa//. 135).
Logement: Op den top van den berg het Feldberghaus (zeergoed),
kamer 1.20 a 1.70 Mk., diner 1.75—2 Mk., pension 4\'/a Mk.
39. Plims. (Zie pa//. 221).
Logementen: H ö t e 1-P e n s i o n Bellevue (goed bier); Aco 1 a\'s
G-asthaus (wordt geroemd).
40. Fraultfort. (Zie pa//. 139).
Logementen: Frankfurter Hof, voornaam hotel in deKaiserstrasse,
niet ver van het Centraalstation, kamer, licht en bediening: op de 4e étage
3—3.50 Mk., op de 3e 3—6.50 Mk., op de 2e 3.50—7.50 Mk.. op de Ie
4—8.50 Mk., ontbijt 1.40 Mk.. table d höte om 1 uur il 3.50 Mk., afzon-
derlijke diners 5 a 6 Mk., zonder wijn. Hetgeen verder gebruikt wordt,
wordt contant betaald in de eetzaal. Pension van af 10 Mk. Lift. In het
hotel zijn spoorwegkaartjes te verkrijgen, ook vindt men daar een post- en
telegraaf bureau. Ruimte voor 350 personen; Englischer Hof. Ross-
markt 13—15. het meest gedistingeerde hotel, k.. 1. & b. van af 4 Mk.,
ontbijt 1.40 Mk.. diner om 1 uur 3.50 Mk., van 5—8 uur 5 Mk., zonder
wijn\'; Schwan, Steinweg 12, bekend door het vredesverdrag van den
lOen Mei 1871. insgelijks van den len rang, k., 1. & b. van af 3.50 Mk.,
ontbijt 1.40 Mk.. diner 3.50—4.50 Mk.; Hotel de 1\'Union. ïheaterplatz
hoek Steinweg. k., 1. & bed. van af 2.50 Mk.. diner 3 Mk.; Westend-
hal Ie in de Taunus-Anlage, k., 1, & b. 2.50—4.50 Mk.. din. 3 Mk.;
HOtel Drexel. Grosse Friedberger Strasse (goede tafel, goede wijnen,
veel door handelsreizigers bezocht); Hotel Jacobi, Stiftstrasse 6, zeer
goed, k.. 1. & b. 2—2.50 Mk.. din. 2.50 Mk.; Hotel Ernst in de Gallus-
Anlage (kamer van af 2 Mk.), aanbevelenswaardig; Würtemberger
Hof, Fahrgasse 41, k. s. & b. 2 Mk., din. 2 Mk., voor reizigers uit den
middenstand. Israëlietische hotels: Roemischer Kaiser, Zeil 32. van
den len rang (k., s. & b. 3 Mk., ontbijt 1.20 Mk.); Ullmanu, Aller-
heiligenstr. 89; Èmmerich, id. 81, Nieuwe hotels nabij het groote station:
Hotel Continental; Britannia, Guteleutstr. 101; Deutscher Kai-
ser, Wiesenhüttenplatz 37-
-ocr page 257-
-11 -
Restaurants: Café Casino, tegenover Frankfurter Hof. voornaam;
Allemannia. Schillerplatz. aanbevelenswaardig; Bierbrauer. Grosse
Gallusstrasse 5; C. Oper. nabij de Opera.
Bierhuizen: Hartmann, Neue Mainzerstrasse 82, met tuin; Fran-
kenbrau. Goetheplatz; Müncbener Hofbrau. Schaefergasse 13 (goede
keuken, diner 1.20 Mk.); Palais Restaurant. Zeil 46. in bet oude
Hessische paleis (muurschilderingen van Luthy); Vf eihenstephan. Zeil
39: L o e w e n b r ii u. Bibergasse 10;Pilsenerfiierhalle in dezelfde straat.
Verkoop van wijn in het klein: De fijnste wijnen worden geschon-
ken in den Palmengarten en den Zoologischer Garten: Prinz
von Areadien. Grosse Bockenheimerstrasse 9; Schmitz. dezelfde straat
no 30; Falstaff. Theaterplatz 7: Val. Boehm. Gr. Kommarkt. zaal op
de Ie verdieping in oud-Duitschen stijl (goede wijn en goede tafel);
Boehm. ..Zum Stift\'. Grosse Fischergasse 7.
Cafê\'s: Bauer. Schillerplatz. goed; Milani. Zeil 72. dames-salon op
de eerste verdieping; Kursaal Milani, Friedberger Anlage. enz.
Delicatessen: A. Bütschly. tegenover het Goethe-Denkinal (bekend
om zijn ijs); Kiefer. Schillerplatz; De Giorgi, Bleidenstrasse 4 (goede
chocolade).
Geldwisselaars: Deutsche Effekten — und Wechselbank.
Zeil 37.
Rijtuigen: Onderstaand tarief, in 1890 vastgesteld, moet in alle rij-
tuigen aanwezig zijn:
Per rit.
1 of 2
pers.
1 of 2
pers.
Bij het uur.
1 of 2
pers.
1 of 2
pers.
Van het station
naar de stad . .
Terug v. d. Pal-
mengarten. . . .
of den Zoölogi-
schen Tuin . . .
O.fiO Mk.
0.80 „
0.80 „
1.— Mk.
1.30 „
1.- «
15 minuten
20 „
30 „
1 uur
0.00 Mk.
0.80 „
1- „
1.80 „
0.80 Mk.
1.- „
1.20 „
2.- „
\'s Nachts tusschen 11 uur \'s avonds en 6 uur \'s morgens het dubbele.
Bagage: 20 Pf. per pakje.
Tramway: Van Bockenheim. in westelijke richting, naar den Zoo-
logischen Tuin en het Oosterstation, langs Palmengarten en
Zeil. met zijtak naar het groote station, Sachsenhausen (Offen-
bacher Loealbahnhof) en Bornheim. Tarief: 1 lijn 10 Pf.. 2 lijnen
15 Pf.. 3 lijnen 20 Pf., zoogenaamde overstapkaartjes (Umsteigkarten).
Electrisohe tram: Van Sachsenhausen naar Offenbach. vertrekt
alle kwartieren van de Alte Brücke. stopt onderweg. Tarief: 20. 15
en 10 Pf.
Baden: Wanne baden bij Greb nabij de Leonhards-Thor; Alt, Alte
Mainzer-Gasse; Bade-Anstalt. te Sachsenhausen. Schaumainkai il. —
Koude baden in de Main. nabij de Unter- en Ober-Mainbrücke.
Concerten, Komedie-voorstellingen en Bezienswaardigheden:
Daarvoor raadplege men den Vergnügungsauzeiger in de dagbladen.
1
-ocr page 258-
— 18 —
Fost: Hoofdkantoor Zeil 52. Verder op verschillende plaatsen hulp-
kantoren.
Telegraaf: Hoofdkantoor Zeil 52. Dag en nacht geopend.
Folitie-bureau: Römergasse in den Kiesernhof. Verder 9 hulp-
bureaus.
Spoorwegstations: De Haupthahnhof bevindt zich in het Westen
der stad. voor alle treinen, met een goed buffet en drie hulpstations: Ost-
bahnhof voor de treinen naar Aschaffenburg en Beieren, welke zich te
Hanau met die van het centrale station vereenigen; Bebraer Bahnhof
te Sachsenhausen. eerste station van de treinen van Hanau. Fulda, Bebra
enz.; O f f e n b a c h e r Bahnhof voor het locaal verkeer. De hotels hebben
geen omnibussen aan de stations.
Klachten kunnen per post gezonden worden aan den Verein zur
Pörderung des öffentlichen Vcrkehrslebens.
Indien men weinig tijd heeft, bezoeke men de Rossmarkt en den
Goethe-Platz. de Roemer, den Dom. de Alte Mainbrücke. het
Staedelsche Kunstinstitut (op werkdagen van 10—1 uur) en ga
men \'s avonds naar den Zoölogischen Tuin. den Palmengarten
en de Opera.
41. Frodoi-iltshnvon. (Zie pas/. 211).
Logementen: Deutsches Haus. nabij meer en station, goede keuken
en niet duur; König von Württemberg. 7 min. van het station ver-
wijderd, geriefelijk; Krone, met tuin aan het meer, goed; Sonne; Adler.
Restaurant: Goed adres: Rauch.
493. JE*J?&ïk>-VLrg. (Zie pag. 187).
Logementen: Nabij het station: Ziihringer Hof (kamer, licht en
bediening 2.50 Mk.. diner 3 Mk.): Victoria. Eisenbahnstrasse. naast het
postkantoor (k. &. b. 2.50 Mk.); Hotel Treseher zum Pfauen, groote
tuin. dikwijls concerten, in de Schwarzwaldhalle bergschetsen: HO tel de
1\'Europe. In de stad: Engel, nabij de Oathedraal, eenvoudig maar goed
(kamer 1.50—2 Mk.); Roemischer Kaiser. Kaiserstrasse; Foehren-
bach. Kaiserstrasse 148. groote en mooie kamers (1.70 Mk.); Preiburger
Hof nabij den Munster, groot nieuw logement: Wilder Mann. Salzstr. 6
(kamer 1.50—2 Mk.. ontbijt 70 Pi\'., table d\'höte 1.75 Mk.. zonder wijn,
bediening 50 Pf.); Zum Geist. tegenover den Munster, (k. 1.20—2 Mk.,
table d\'höte 2.40 Mk. met wijn. bediening naar goedvinden), aanbevelens-
waardig; Rheinischer Hot nabij den Munster; Ma r k gr a e fier Hof,
Gerberau. enz. Verschillende aanbevelenswaardige pensions: Bel Ie vu e,
Deutscher Kaiser, Utz, Thomann, Roseneck. Zahn.
Koffie- en bierhuizen: Kop f. naast het hotel Engel, een in 1770
gestichte inrichting, met een zaal in Oud-Duitsehen stijl en een tuin, veel
couranten; Alte Burse, Bertholdstr. 5. zeer geriefelijk lokaal met goed
bier, goeden wijn en goed eten; Hechinger. Salzstrasse 7; Thomann.
tegenover den Alleegarten.
Wijn: Bij Hummel, Münsterplatz 22; Dietsch-Hetterich, Salz-
strasse. Delicatessen: Wolfinger, Kaiserstrasse.
De Stadtgarten, waar zich een goede restaurant alsmede een groote
concert- en komediezaal bevindt, is het rendez-vous der vreemdelingen;
-ocr page 259-
— 19 —
abonnement 10 Mk. per jaar, entréekaarten voor zes weken 3 Mk., voor
1 dag 20 Pf., gedurende de avondconcerten 50 Pf.
Baden: In Zahringer Hof; Marienbad, Marienstrasse. Zwem-
scholen: Staedtische Badeanstalt in de Dreisam; Heiin, bij den
Lorettoberg, ook voor dames.
Rjjtuigen: Van het station naar de stad. 1 pers. 50 Pf.; 2 pers. 90 Pf.;
3   pers. 1.20 Mk.; 4 pers. 1.40 Mk.; bagage 20 Pf. per pakje van eenigen
omvang. — Andere ritten: met 1 paard, \'/4 u.. 1 of 2 pers.. 50 Pf.; 3 of
4   pers. 90 Pf.; met 2 paarden 70 Pf. en 1 Mk. — lL uur. met 1 paard
1 Mk. en 1.50 Mk.; met 2 paarden 1.40 Mk. en 2 Mk.; — \'/» uur, met
1  paard, 1.50 Mk. en 2 Mk.; met 2 paarden 2 Mk. en 2.80 Mk.; — 1 uur.
met 1 paard. 2 Mk. en 2.50 Mk.; met 2 paarden 2.60 Mk. en 3.40 Mk. —
Naar den Lorettoberg, met 1 pd., 1.70 Mk. en 2.60 Mk.; met 2 pd..
3 Mk. en 3.80 Mk.; naar den Schlossberg (Canonenplatz), met 2 pd.
5  il 6 Mk.; naar Grünthersthal, met 1 pd. 1.50 a 2 Mk., met 2 pd. 2.60
il 3 Mk. Er is ook een tarief voor meer uitgestrekte ritten: rijtuig met
2  paarden gemiddeld 20 Mk. per dag, fooi omstreeks 2 Mk.
Post en telegraaf: In een fraai nieuw gebouw (Eisenbahnstrasse 58).
Station: Dit prachtige gebouw ligt in het Westen der stad.
Dienstman: Aan het station en in de Kaiserstrasse te vinden.
Vast tarief.
Indien men weinig tyd heeft, volge men de Eisenbahnstrasse tot de
Kaiserstrasse; dan wende men zich naar rechts, komt in de Salzstrasse en
stijge naar- den Schlossberg (25 min. van het station). Op den terugweg
beziehtige men den Munster en het Kaufhaus, vervolgens de fonteinen,
het Siegesdenkmal en de Protestantsche kerk in de Kaiserstrasse. Ten
slotte loont het alleszins de moeite om \'s avonds naar den Loretto-berg te
gaan en daar van het heerlijke panorama te genieten; met een rijtuig is
men er in 1 a l1/, uur.
<^.
43. G-eisexilieixia.. (Zie pag. 102).
Logementen: Frankfurter Hof, goed; G-ermania; Deutsche s
Haus.
44. St.-GrOar. (Zie pag. 68).
Logementen: Lil ie bij de landingsplaats, met tuin, baden en villa
goed (k. & b. 2 ii 3 Mk., ontbijt 1 Mk., table d\'höte 3Mk.); Schneider
in het laagste gedeelte der stad, gerenommeerd; Rheinfels, insgelijks
goed; Traube.
Stoompont naar St.-G-oarshausen 10 Pf.
45. St,-&oarshausen. (Zie pag. 69).
Logementen: Alter und Neuer Adler, het laatste voor den zomer
(k., s. && b. van af 1,50 Mk., diner 2.50 Mk.; rijtuig naaf Reichenberg
8 Mk.); Nassauer Hof, zeer goed (k. 1.50 Mk.); Krone, Marktplatz;
Hohenzoller, tegenover het station; voor eenvoudige toeristen is aan te
bevelen: Wagner, „Felsenkeller"; Eheinischer Hof (goede wijn).
-ocr page 260-
— 20 —
46.    C3rociosfc»©r-e. (Zie pag. 35).
Logementen: Blinzler. met druk bezochten tuin (k., s. & b. 3 Mk.,
din. 3 Mk.); Adler. insgelijks aanbevelenswaardig; (k.. s. & b. van al
2 Mk.); Mühlheim nabij het station. Hotel te Rüngsdorf. op 10 minu-
ten afstands van G-odesberg.
Rijtuigen: Naar Rolandseek of Bonn. 1 paard. 1 of 2 pers., 3,50 Mk.;
met 2 paarden 4 Mk.; iedere persoon meer 75 Pf.; naar Remagen. 7 en
9 Mk.. iedere persoon meer 1 Mk.
47.    O-ottlieben. {Zie pag. 206).
Logement: Kr on e (zeer eenvoudig).
H.
48. 3aCa>ttexilxelxxx. [Zie pag. 105).
Logement: Ress.
Bierhuis: Nu 11.
48. Soidloltoore. [Zie pag. 151).
Logementen: Europiiischer Hof. Leopoldstrasse. met, een fraaien
tuin. gerenommeerd familie-hotel (k., s. & b. van af 3 Mk.. table d\'höte
ten 1 ure a 3.50 Mk.. ten 5 ure a 4.50 Mk.. zonder den wijn); Grand
Hotel, nieuw en geriefelijk (k., s. & b. van af 1.50 Mk.. din. 3 Mk.);
Hotel Schrieder (k. & b. 2 Mk.); Hotel Victoria. Leopoldstrasse
(k. 2.50 a 3 Mk.); Darmstiidter Hof. aan den ingang der stad, minder
comfort, doch aanbevelenswaardig; Bayerischer Hof. Van den 2en rang:
Wiener Hof, Hauptstrasse 11; Nassauer Hof. Ploeckstrasse. Al deze
hotels bevinden zich in de nabijheid van het station. In de stad. op 15—20
min. afstand van het station: Prins Karl op de Kornmarkt, diner 3 Mk.,
wordt geroemd; Adler, ook op de Kornmarkt, goed. k.. s. & b. 2.50 Mk.
Van den tweeden rang: Zum Rit ter. op de markt, het oudste en meest
interessante huis van fleidelberg; Hotel Café National, Hauptstr. 77;
Russischer Hof, Leopoldstrasse; Silberner Hirs ch. op de markt,
niet duur (wijn van het vat). Nabij het Slot: Schlosshotel. vanwaar
men een prachtig uitzicht heeft (omnibus 1 Mk., met bagage: k. 2 a 5 Mk.,
din. 3.50 Mk.; pension 7 il 10 Mk.).
Pensions vindt men te Heidelberg in grooten getale: Lang, nabij het
station, flinke kamers (4 a7Mk.); Pension Anglaise; P. Internatio-
nale; P. Schildecker; P. Prau von Muller; P. Cammerer, enz.
Café\'s-restaurants: Bahnhofsrestauration; Hoeberlein, met
een dames-salon, Leopoldstrasse; Erfrischungshalle. in dezelfde straat;
Wachter op de Markt; in de Molkenkur, op de Philosophen-
höhe enz.
Bier: Perkeo, Hauptstr. 75; Rodensteiner. Sandga-sse.
Rijtuigen: Deze zijn altijd met twee paarden bespannen. Van en naar
de stations, binnen de stad en over de brug tot N e u e n h e i m en de
Hirschgasse: overdag 1 pers.. 50 Pf; 2 pers. 90 Pf; 3 pers. 1.05 Mk.;
4 pers. 1.20 Mk ; van 11 uur \'s avonds tot 5 uur \'s morgens het dubbele;
-ocr page 261-
— 21 —
voor koffers enz. 20 Pf. per stuk meer. Bij \'tuur: 2. 2.30 en 2.60 Mk.
"Verre ritten: naar het Slot 3 Mk.; naar de Molkenkur via het Slot
8 Mk.; naar het Slot. de Molkenkur en den Wolfsbrunnen 8 Mk.;
naar het Slot, de Molkenkur. den Koenigsstuhl en den Wolfs
brunnen 16.50 Mk.; heen en terug \'jh a \'/» meer.
Ezels: Naar het Slot 70 Pf.. terug 30 Pf.; Slot en Molkenkur
1.40 Mk.. heen en terug 2 Mk.
Tramway: Van den Hauptbahnhof door de Hauptstrasse langs
de Kornmurkt naar den Karlsthorbahnhof, alle 6 min. 10 en 15 Pf.
Bergbahn: Van de Kornmarkt naar het Slot en de Molkenkur.
alle halve uren. in 3 il 6 min., voor 50 Pf. en 1 Mk.
Baden: Warme baden: L. H a 11 e r. Ploeckstrasse; rivierbaden in de
Neckar tussehen de beide bruggen.
Postkantoor: Het nieuwe gebouw in de nabijheid van het station is
in renaissancestijl opgetrokken en een bezoek\' ten volle waard. Filiaal:
Markstr. 6.
Telegraaf: In het postkantoor. Filiaal in \'t station.
Als men weinig: tijd heeft, ga men regelrecht naar het Slot langs de
Leopoldstrasse en den nieuwen weg. of met de Bergbahn, waarheen de
tram voert. Het bezoek aan het Slot vereischt ongeveer 1 uur. Te voet
of per Bergbahn stijge men naar de Molkenkur, terug over de Alte
Brücke langs den rechter Neckar-oever en de Neue Brücke.
BO. Hochhoim, (Zie pag. 131\'.
Logementen: Schwan; Anker; Krone.
BI. Hohontxiriol. (Zie pag. 205).
Halverwege de hoogte van den Hohentwiel vindt men een goede her-
berg, waar sleutel en gids zijn te bekomen.
BS. Hohliönigstourg. (Zie pag. 170).
Halverwege den top vindt men het hotel van denzelfden naam (din.
3  Mk. incl. wijn).
53. Homburg. (Zie pa/. 187).
Logementen: Vier Jahreszeiten; Victoria; Bellevue; Hot.
du Pare; Russischer Hof; Hot. Riechelmann. alle van den len
rang. met tuinen: k.. s. & b. 3 a 3.50 Mk.; 2e dej. 2 ii 2.50 Mk.; din.
4   Mk. — Van den 2en rang: Hot. Rieser. tegenover den ingang van
het Kurhaus (din. ten 1 ure 2 Mk.. \'s avonds van 6—8 uur 3 Mk.); Hot.
"Windsor. goed en niet duur; Englischer Hof; Hot. Ad Ier. voor
passanten aanbevelenswaardig; Eisenbahnhotel bij het station; Gol-
dene Rosé. zeer gezocht door reizigers uit de middenklasse.
Café-Restaurant: In het Kurhaus. (din. ten 1 ure 3 Mk., ten 6 ure
i Mk.. zeer goed).
Bier: Schützenhof; Ad Ier; Saalbau. Untere Louisenstrasse.
Muziek: \'s Zomers des morgens ten 7 ure aan den Elisabethbrunnen;
\'s namiddags, ten 3\'/4 ure. nabij het terras van het Kurhaus. en ook \'s avonds
ten 7\'/j »ur- Komedie, concerten, bals, enz.
-ocr page 262-
— 22 —
Kurtaxe: Te betalen, wanneer men langer dan veertien dagen blijft:
1 pers. 12 Mk.. 2 pers. 20 Mk.. 3 of 4 pers. 25 Mk.. een nog grooter
getal 30 Mk.
Ry tuigen: Met 1 paard, van het station naar de stad. 1 of 2 pers.
60 Pf.; 3 of 4 pers. 90 Pf.; een koffer 20 Pf. Rit binnen de stad of naai-
de bronnen, met 1 pd.. 50 en 70 Pf.; met 2 paarden 80 Pf.; naarCronberg
7 en \'J Mk. of 12 Mk. (2 paarden); naar Saalburg 4.50 en 5.50 Mk. of
7 Mk.; langs den Kaiser-Wilhelmsweg, 5.50 en 0.50 Mk. of S Mk.
I.
54. Iciwr. (Zie pag. 9!)).
Logement:
Hot. Veek of Schützenhof.
BS. X1CLX19B. (Zie pag. 221).
Logementen: Hotel Oberalp. k.. 1. fc b. van 2\'/i Fr. af. ontbijt
IV, Fr.; Hotel Kh.it in. niet duur, aan den rechteroever bij de brug;
Hot. Lukmanier. aan den linkeroever, table d\'höte 3\'/2 Fr.; Höt. zum
G-rauen Bund. nieuw, Krone. eenvoudig.
Ry tuig: Naar D i s s e n t i s 20 Fr. benevens fooi.
B6- lugeUieim, (Zie paf/. 105).
Logementen: In Nieder-Ingelheim de herberg „Zum Hirsch."
In Ober-Ingelheim de herberg „Zum Lamm."
J.
S7. Johannisborg. (Zie pag. 102).
Logement: Zum Schloss Johannisberg (goed).
58. Kaisorsberg. (Zie pag. 180).
Logementen: Krone (kamer 1—2 Mk.); Jagdtasche.
Cafè\'s: Jacques; Kunn.
59. SCola.1. (Zie pag. 171).
Logementen: Post of Weisses Lamm; Salmen, nabij het station;
Blume. allen goed.
Biertuin : F i n g a d o nabij het station; aan den linkeroever van den
Rijn: de druk bezochte, groote restauratie Rheinlust (met tuin).
Rivierbaden: In den Rijn.
GO. Keulen. (Zie pag. 18).
Stations: Keulen, met inbegrip van Deutz, dat aan den tegenoverge-
stelden oever is gelegen, heeft 4 stations:
-ocr page 263-
— 23 —
lo. Central-Bahnhof, te Keulen zelf. voor alle treinen van den
linker Rijnoever, alsmede voor de posttreinen en de express-treinen van
den rechteroever.
2o. Südbahnhof. alleen voor de gewone treinen van den linkeroever.
3o. Westbahnhof.
4o. Eechtsrlieinischer Bahnhof te Deutz. voor alle gewone trei-
nen naar Ehrenbreitstein (Coblentz). Giessen. Dusseldorf. Berlijn via Elber-
feld. en Cassel.
Omnibus van den Central- naar den Rechtsrheinischen Bahn-
hof. in correspondentie met alle treinen.
Pakjesdragers: Tot 5 KG. 30 Pf.; 25 KG. 50 Pf.; 50 KG. 75 Pf. enz.
Logementen: Hotel du Nord. Frankenplatz 6. met post- en tele-
graafkantoor. in de nabijheid van het Centraalstation en de vaste Rijnbrug
(kamer van af 3 Mk.. bed. 80 Pf. Ie dej. 1.25 Mk.. table d\'höte 3.50 Mk.,
verkoop van kaartjes voor de sporen, expeditie van bagage); Hotel Disch,
Brüekenstrasse 13—21. in het midden der stad. in de nabijheid van komedie
en postkantoor, hydraulische lift (k. & b. 3 Mk.. bed. CO Pf. ontbijt
1.20 Mk.. table d\'höte ten 1 ure a 3.50 Mk.): Hotel Victoria. Heu-
markt 46—50. in de nabijheid van de oude sehipbrug en de stoombooten
(k., 1. & b. van af 2.50 Mk.. table d\'höte 3 Mk.l; Hotel Ernst. Trank-
gasse 1—5. nabij het Centraalstation, veel door Hollanders en R. K.
geestelijken bezocht (k. & b. 3 Mk.. onth. 1 Mk., din. 3 Mk.) — Eenigszins
minder weelderig: Hotel de Hol lande. Thurninarkt 30—40. nabij den
Rijn: Höt. du Do me. Domhof 5—11. met aangebouwd café. waar men
de ruimste keuze van couranten heeft (k.. s. & b. van af3 Mk., din. 3 Mk.);
Hotel Web er. Hochstr. 27 op den Augustinerplatz (goede keuken en
goede wijnen), alle van den eersten rang: Mainzer Hof. Glockengasse
14—20, kamer van af 2 Mk.. din. 2.50 Mk.. zeer goed. Van den 2enrang:
Laacher Hof. Am Laach 6—8; H. St. Paul. Unter Pettenhennen 19;
Ewige Lamp e. Komödienstrasse 8; Wiener Hof. Glockengasse 6—10;
Koelnischer Hof. aan den Rijn-oever; Europiiiseher Hof. Komö-
dienstr. 2. niet ver van den Dom; Englischer Hof. Trankgasse; Rhei-
nischer Hof. tegenover den Dom (k. 1.50—3 Mk.); Höt. Fischer.
Burgmauer 3. goed (k. 2 Mk.. ontbijt 75 Pf.. din. 2 Mk.); Tils (Bergi-
scher Hof). Thurnmarkt 3—5. niet ver van de schipbrug. aanbevolen;
Pfaelzer Hof. nabij den Dom. zeer goed. (kam. van af 1.50 Mk.. din.
2 Mk.) en nog vele anderen van mindere beteekenis.
Restaurants: Buffetten der stations: G. Bettger, KI. Budengasse,
8 en 10 (Moorsch salon, bekend om zijne oesters); Mosier. Obenmars-
pforten; Vol lm er. Herzogstrasse 10 (din. 3 Mk.), alle van den len rang,
evenals dat van Gürzenich; Beekman n. Am Hof 42; E wig1 e Lamp e;
Alt-deutsche Weinstube. Am Hof 14; Zum Freischutz. Am Hof;
16; Guthniek. Lintgasse 9 (Rijnwijnen); Deiss. Unter-Goldschmidt 26
(Moezel-wijnen): Massau. Kleine Sandkaule 7. wel een weinig afgelegen,
maar toch aanbevelenswaardig wegens het uitmuntende (Neuwieder) bier,
goed eten: onder de benaming „Ein Schnittchen Warm " wordt hier voormid-
dags en \'s avonds \'/» portie warm vleesch a 20 Pf. verstrekt, zeer druk bezocht.
Bierhuizen: Fischer. Königin Augusta-Halle 2, hoek Hochstrasse;
Kaiserhof. Salomonsgasse 5—11; lm alten Praesidium. Schilder-
gasse 84; lm. Romer. Fnter Goldschmidt 48; Kraenkel. Mailinstr. 24
(Pilsener bier); Englischer Hof. Trankgasse 1. aardig lokaal; Schatto,
Breitestr. 137; Aldenkirehen. Herzogstr. 4.
-ocr page 264-
— 24 —
In de nieuwe wijken: Au der Ulrepforte. Sachsenring 38; Drei
K ais er. Chlodwigsplatz; Adler, Hohenzollernring 70.
Café\'s: Te wel e. op den hoek van den Perlenpfuhl; Palant. Hoch-
strasse 119. hoek van de Minoritenstrasse; C. du Dame. Domhof 7—9;
Rheinberg. Friedr. Wilhelmstr.; Kaiser Wilhelm. Kaiser-Wilhelm-
Ring: Wiener Café. Brückenstr. 4.
Delicatessen: Eeichard, Hochstr. 104; Eigel, Schildergasse 36;
Esser. Hochstr. 53.
Uitspanningsplaatsen: Zoölogische Tuin. \'/» UUI\' van Keulen
verwijderd, met behulp van stoomboot, rijtuig en tram te bereiken. Entree
in de week 1 Mk.. \'s Zondags 50 Pt\', kinderen de helft. Militair concert
\'s Zondags, \'s Woensdags en \'s Zaterdags in den namiddag, zander prijs-
verhooging. Goede Restaurant. — Flora, nabij den Zoölogischen Tuin.
op dezelfde wijze te bereiken. Entree 1 Mk.. \'s Zondags 50 Pf.; aquarium
50 Pf. \'s Zondags en \'s Woensdags concert, in den zomer ook op andere
dagen. Restaurant. — Kurfürstengarten. aan den Rijn-oever. op den
hoek van de Frohngasse bij de laadplaats der booten naar Muhlheim.
\'s Namiddags concert. — Kaisergarten. 10 min. van Keulen, halt der
locale booten en de tramway naar den Zoölogischen tuin. dikwijls concert,
meestal zonder entree, goede restaurant. — Marienburg. \'/i uul\' van net
Zuiden der stad verwijderd, tramway van de Waidmarkt. stoomboot
alle uren van den Rheingassenthor. Als er een muziekuitvoering
wordt gegeven (gewoonlijk \'s Zondags), is de entree 50 Pf.. voor ieder
kind 10 Pf.
Schouwburgen: Stadttheater in de Glockengasse (voorstellingen
van 1 Sept.—1 Mei); Koelner Sommertheater in de nabijheid van bet
Flora-park; Circus Carré. Gertrudenstrasse 4, niet ver van de Neumarkt.
Muziek: De Gürzenich-concerten hebben eene Europeesche ver-
maardheid. Gedurende den winter worden er tien gegeven. De vreemde-
lingenkaarten kosten, voor de zaal. 5 Mk.; voor de galerij 2 Mk. Deze
laatste plaats is echter niet aan te bevelen vanwege de verstikkende warmte,
die er heerscht. — Het Conservatorium voor Muziek (Wolfsstr. 3),
gesticht in 1851. ontvangt subsidies van stad en staat, terwijl bovendien
door particulieren belangrijke geldelijke bijdragen worden verstrekt (des
Zaterdags vinden uitvoeringen plaats, waarbij muziekvrienden worden uit-
genoodigd\'. — De Mannergesangverein heeft insgelijks eene welver-
diende reputatie, de uitvoeringen daarvan vinden plaats in het lokaal in de
Wolkenburg. — Om de drie jaren op Pinksteren wordt te Keulen, afwisse-
lend met Dusseldorp en Aken, het groote Niederrheinische Musik-
fest gehouden.
Baden: Hohcnstaufenbad, Hohenstaufenring. prachtige inrichting,
met groote zwembassins voor dames en heeren; Siegen. Schildergasse 72.
— Rijnbaden. koud en warm. nabij de schipbrug. ook bij Schiefer te
Deutz. niet ver van de schipbrug; Nol den. Rheinau. beide met zwem-
bassins en gereserveerde ruimten voor dames; Pionier-Seh wimmanstalt
te Deutz. tegenover de vaste brug.
Rijtuigen: Stationeerende: Centraal-station, ligplaats der stoombooten
tusscheu Keulen en Dusseldorp, Gereonsdriesch (Albertusstrasse bij de
Ehrenstrasse). Neumarkt. Sevennsstrasse (St. Johann-Platz). Augustiner-
Platz (Hochstrasse). Heumarkt. Drususgasse (Museum). Wallrufsplatz,
Komödienstr. (bij de Paulus-Wache). bij de kettingbrug. Eigelstein (bij
de St. Mauritius-kerk).
-ocr page 265-
— 25 —
Tarief.                               Personen ... 1        2 3 4
Mk. Mk. Mk. Mk.
a.    Rit binnen de stad tot de Ringstr......0.60 0.75 1.— 1.25
b.    Rit van een punt binnen de stad tot den
Bischofsweg.............1.— 1.— 1.25 1.50
c.     Naar den Stadtgarten, den Zoölogischen tuin
of Flora...............1.— 1.— 1.25 1.50
d.    Naar Deutz (met bruggegeld).......1.75 1.75 2.— 2.25
1—4 pers.
Mk.
e.     Naar Altenburg, Arnoldshöhe, Bayenthal. Ehrenfeld, Klet-
tenberg, Lind. Lindenburg. Lindenthal, Linderhöhe, Meiaten,
Nippes, Sülz. Weyerthal of\' Weisshaus.........1.50
/. Naar Braunsfeld, Mülheimer Heide of Marienburg . . . . . 2.—
if. Naar Bickendorf, Merheim b. Nippes of Raderberg.....2.50
h. Naar Ossendorf of Rodenkirchen............3.—
*\'. Naar Müngersdorf. incl. Fort.............3.50
j. Naar Mülheim am Rhein (incl. bruggegeld).......3.75
Tarief volgens den tijd:           Personen . . 1—2 3 4
Mk. Mk. Mk.
Een half uur..............1.— 1.50 1.50
Een uur...............2.— 3.— 3.—
Ieder verder kwartier..........0.50 0.75 0.75
Ieder begonnen kwartier wordt als een geheel berekend. Ritten van
10 u. \'s avonds tot 7 u. \'s morgens worden met het dubbele betaald, als
de rit niet reeds vóór 10 u. was begonnen. Een kind beneden 10 jaar vrij.
2 gelden voor één, 3 of 4 voor 2 volwassen personen. Grroote bagage
25 Pf, ieder stuk meer 10 Pf.
Tram-tarief: Ringbahn. geheele of gedeeltelijke afstand . . 15 Pf.
Frankenplatz-Zoölog. tuin.........10 „
Ringbahn en lijn Frankenpl.-Zoöl. tuin ... 20 „
Kinderen beneden 10 jaar op beide lijnen ... 6 „
\'s Avonds na tienen verhooging met 5 Pf. per persoon.
Pakjesdragers: Van het station naar het rijtuig voor 1—2 stuks 10 Pf.,
voor ieder stuk meer 5 Pf., bij gebruik van een kar, onverschillig het
aantal pakjes. 70 Pf. Bit tarief geldt ook voor het transport naar Deutz,
bruggegekl extra. Voor een draagbaren koffer in de stad 25 Pf. Mannen
ter begeleiding van vreemdelingen binnen de stad zonder vracht, tot \'/» uul\'
15 Pf.; voor ieder \'jk uur meer 15 Pf.; met vracht tot \'/» "ur 20 Pf;
voor ieder \'/i uur meer 20 Pf.
Post: Hoof\'dpostkantoor. Glockengasse 25—27.
Telegraaf: Oacilienstr. 4; Centraalstation, enz.
Eau de Cologne: Bit beroemde reukwater, volgens sommigen door
Jean Marie Farina in 1709, volgens anderen door Paul de Feminis in 1690
uitgevonden, wordt tegenwoordig in een dertigtal fabrieken bereid. Een
mandje met 6 flacons kost 7.50 Mk.
Permanente tentoonstelling van schoonc kunsten: Ed. Schulte,
Richartzstr. 16. nabij het Museum (entree 50 Pf).
Bjj beperkten tjjd, bezichtige men den Dom van binnen (van tien
uur af\' vrij ter bezichtiging), bestijge den Dom, bezoeke het Museum,
volge de Hochstrasse, bezichtige net stadhuis, de G-ürzenieh, het
kolossale ruiter-standbeeld van Friedrich Wilhelm III op de Heu-
-ocr page 266-
— 26 —
markt en de kerk St. Maria im Kapitol, ga van daar naar de Neumarkt
en de kerk der St. Aposteln, vervolgens naar St. G-éréon en St. Ur-
sula. Verder bezichtige men de vaste Rijnbrug. Ook verzuime men
niet. een bezoek te brengen aan Flora en den Zoölogisehen Tuin.
Ken vluchtig bezoek aan de voornaamste bezienswaardigheden vereischt
omstreeks 2 dagen. De kerken bezoeke men bij voorkeur des morgens
van af 10 uur. na den dienst. Men wordt lastig gevallen door aanbiedingen
van gidsen, wier diensten onnoodig zijn.
ex. Kicloi-icli. (Zie pag. 108).
Logementen: Engel, Burg Scharfenstein, Krone. Alles vrij
eenvoudig.
8&. JTIrn. (Zie paf/. 87).
Logementen: Stroh. nabij het station: Kot hen.
83. Kleef. (Zie pag. 2).
Logementen: Hot. Stvrum & Bad hans (pension 5 Mk.); Hot.
Robbers (k.. 1. & b. 3 Mk.: table d\'höte 3 Mk.; pension 6—7.50 Mk.).
beide in het Westen der stad in den Thiergarten. met mooie tuinen;
Maywald (din. 3 Mk.. pens. 7 Mk.) en Prinzenhof (pens. 7 Mk.) in
het Z. W. in de hoogte, ook met fraaie tuinen; Hotel Loock. tegenover
het postkantoor, goed. door K. Kath. veel bezocht; Holtzem. nabij het
kasteel; Schmitz. nabij het station, eenvoudig maar goed.
Bier: Zum deutschen Kaiser; Caspari.
Kurtaxe: Te betalen, indien men langer dan zeven dagen blijft: de
eerste kaart 5 Mk.. de tweede 3 Mk. en iedere volgende I Mk. Entree
voor ieder concert afzonderlijk 50 Pf.
Koudwaterinriohtlng: Volgens de methode van Pastoor Seb. Kneipp.
84. :Söuigstoin. (Zie pag. 135).
Logementen: Pfaff. met een grooten tuin (k. & bed. 2—* Mk..
din. 2.50 Mk.. omnibus aan het station Cronberg 70 Pf.); Stadt Amster-
dam, ook met tuin en zeer goed: Frankfurter Hof, eenvoudiger.
Bier: Messer en Pro kas ky. met tuinen.
Watergeneesinriohting: Van Dr. Pingier (beroemd).
Baden: Hainbad (pension, door de geestelijkheid veel bezocht).
8S. Srefeld, (Zie pag. 10).
Logementen: Wilder Mann. Hoehstrasse; Beltz. hoek Rheinstr.
en Friedrichsstr.. aanbevelenswaardig: Herfs. Ostwall; Crefelder Hof,
Central. Bongartz. Hoehstrasse. allen goed; Germania nabij het station.
Restaurants: Liese. Südwall; Brüren. Heiligers, Rheinstr.;
E n z 1 e r. Koenigsstr.
Verkoop in \'t klein van wijn: Zahner. Wilhelmsstr.; Soentgen.
Ostwall.
88. ECreUBliaoll. (Zie pag. 93).
Stations: Kreuznach heeft twee stations: Stadt Kreuznach, op
-ocr page 267-
— 27 —
10 min. afstand van de stad en 25 min. van de baden; Bad Kreuznach.
in het Oosten van het Bade-Insel. Er zijn omnibussen en rijtuigen aan
de stations.
Logementen: In de stad: Adler, Hochstr. [k.. 1. & b. 2.50 Mk..
din. 2.50 Mk.. pens. van af 6 Mk.); Pfülzer Hof. naast het postkantoor
(dezelfde prijzen), beide aan den linkeroever van do Nahe. met tuinen en
omnibussen naar den Elisabethbrunnen; Hu ff. Salinerstr.; Tivoli. beiden
nabij de baden. In het hartje van den zomer zijn al deze hotels meestal gevuld.
Op het Bade-Insel en omgeving, ten deele \'s winters gesloten: K u r-
haus (kamer 12—30 Mk. per week); Oranienhof. dat zijn eigen bron
heeft; Engliseher Hof. Kauzenberg. Dheil-Schmidt (k. 12 a 15
Mk.. pension van af 6 Mk.); Hotel de 1\'Europe. Hotel Royal (k.
15—50 Mk.. pens. 8 Mk.); Riedel, Gr. Hot. du Nord. tegenover de
Elisabeth-Quelle (goed). Vele pensions. Het seizoen is op zijn drukst van
15 Juni tot 15 Augustus.
Restaurants: Parkrestaurant, niet ver van bet Kurhaus; Heil-
q u e 11 e G r a v i u s. rechteroever van de Nahe; T i v o I i. op het Bade-Insel
met tuin; ïaube bij het Stadhuis (wijn); Kisky\'s Woerth. met een
grooten belommerden tuin, Kaiserau, aan den voet van den Kauzenberg,
insgelijks met een fraaien tuin.
Kurtaxe: Voor 1 pers. 9 Mk., eene familie 15 Mk. Een enkele kaart
voor het bezoeken van het Kurhaus 50 Pf.
Post en telegraaf: In de nieuwe stad, linker Nahe-oever, gedurende
het seizoen ook in het Kurhaus.
Rijtuigen: Rit in de stad: met 1 pd., 1—2 pers.. 60 Pf.; 3—4 pers.
90 Pf.; met 2 paarden 1 Mk. en 1.50 Mk. Bij \'t uur, 2 en 3 Mk. in de
stad. 2.50 en 3 Mk. daarbuiten.
Andere ritten, voor heen en terug, met twee uren oponthoud:
1 paard. 2 paarden.
Rheingrafenstein........7.50 Mk. 9.— Mk.
Rheingrafenstein via Munster . . . 9.— „ 12.— „
R. via Munster en Ebernburg . . . 10.— „ 13.50 „
Munster...........4.— „ 6.— ,,
Munster (alleen heen).......2.— „ 3.— „
Ebernburg, Altenbaumburg of Ermitage 6.— „ 9.— „
Rothenfels...........9.— „ 12.— „
Disibodenberg.........10.— „ 15.— „
Sponheim............ 7.50 „ 10.50 „
Schloss Dhaun.........18.— ,, 2*.— „
Ezels: Standplaats nabij het Kurhaus, Ie uur 1 Mk., ieder volgend
50 Pf.; naar Munster am Stein, Rheingrafenstein, Ebernburg of Rothen-
fels 3 Mk. heen en terug.
L.
67. Xictixfexitoture- (Zie pas/. 200).
Logementen: In Klein-Laufenburg: Hotel zur Post. In Groot-
Laufenburg: Rheinsoolbad.
68. Ij«.-iJLr©XMLfc>-u.rs. (Zie pat/. 53).
Logement: Herberg van Bingel.
-ocr page 268-
— 38 —
69. Zjixxi.1o-u.JC-e. (Zie pat/, 55).
Logementen: P r e u s s i s c h e r Hof. Nassauer Hof, beide goed;
A11 e Post. allen nabij het station.
Restaurants: Alt\'e Post en Victor Wenz.
70. XjIxkI.A\'U.. (Zie paf/. 211).
Logementen: Bayr. Hof. goed. k.. 1. & b. 21/,—4 Mk.. table d\'höte
3 Mk.; Hot. Greiner zur Krone. k. 1\'/,—2 Mk.. ontbijt 80 Pf., din.
2.20 Mk.: H. Rcutemann. Lindauer Hof. Hel vet ia (niet duur), alle
aan het meer; Sonne. Reichsplatz; Pension Gflrtchen auf der Mauer.
Restaurants: Kupflin\'s Weinschank; Inselbrauerei; Bahn-
h o f s-R e s t a u r a t i o n.
Baden: In het Noordwesten der stad.
Over het meer naar Rohrsehach (l1/» uur) voor 1.65 of 1.10 Mk.. table
d höte aan boord 2 Mk.
71. XjixciTKrl.gslm-\'creia.. (Zie pa//. 151).
Logement: Deutsches Hans (in de stad).
7». Maienfelci. (Zie pat/. 216).
Logementen: Hotel-Pension Vilan, bij het station; Hirsch;
Zn ni K;i Ik n is.
73. AiXA.ixia.-u.. (Zie pag. 210).
Stoomboot: Van Constanz in 55 min.; roeiboot (heerlijk tochtje)
5 Mk. en fooi.
74. XkXA.l33.BC. (Zie pag. 117).
Stations: In het W. der stad het Centraalstation van de Hessische
Ludwigsbahn. Verder heeft men daar de halte van Neut hor; deze
beide stations zijn onderling verbonden door een tunnel van 1105 M.
lengte. Het Centraal-station staat door omnibussen in verbinding met het
Taunusstation te Castel. waar de treinen naar Wiesbaden. Rüdesheim,
enz. afrijden. De omnibussen zijn kosteloos voor reizigers met doorgaande
biljetten. Er is ook een tram.
Logementen: Aan de oevers van den Rijn, alle in de Rheinstrasse:
Hollandischcr Hof (kam. van af 2.40 Mk., licht 50 Pf.. bed. 70 Pf.,
ontbijt 1.20. din. 3 Mk. zonder wijn); Rheinischer Hof (k.. 1. &b. van
af 2 Mk.); Englischer Hof, alle gerenommeerde hotels van den len
rang; — Stadt Coblenz. goed; Germania. Stadt Bonn. In de oude
stad: Karpfen, tegenover het postkantoor, door handelsreizigers veel be-
zocht (k., 1. && b. 2.65 Mk.. din. 2.50 Mk.); Landsberg, Loehrgasse,
aanbevelenswaardig (k. 2 Mk., din. 2.50 Mk.); Post, Brandgasse 14. Inde
nieuwe stad. niet ver van het Centraal-station: Pfiilzer Hof. Münsterplatz,
met rest. (k., 1. &; b. van af 2 Mk.), van den 2en rang; Central-Hötel,
-ocr page 269-
— 29 —
Bahnhofsplatz 8; Mainzer Hof, op den hoek van de Bahnhofestrasse en
de Porcusstr. (k. 2 a 3 Mk.); Taunus-Hotel, Bahnhofsstr. 15; — Hes-
sischer Hof en Höt. Pfeil, dezelfde straat, 12 en 14; Stadt Bingen.
Kaiser-Wilhelm-Ring 6.
Restaurants: Casino, Schusterstr.; Volk. ïheaterplatz; S c h w a n.
Liebfrauenplatz 7; Kirsch, hetzelfde plein no. 12, goed en niet duur;
G-undlach. ïritonplatz; Hanaczik, Jakobsbergergasse. fijne Oostenr. en
Hong. keuken; Ba hnhofsrestaurant, goed maar niet goedkoop;
Stadthalle.
Café\'s (met restaurant): Café de Paris, G-utenbergplatz; in de Neue
Anlage; Schulte. Rheinstr. 61; Kaiserhof, Q-utenbergplatz; G-all-
h o f. Liebfrauenstr.; Deutscher Kaiser, Kaiserstrasse, in de nieuwe stad.
Delicatessen: Volk, Theaterplatz (restaur.).
Bier: Café de Paris, Woeker, Bavaria, Dominikaner Eek,
alle Tritonsplatz; Eheinische Brauerei. Actien-Brauerei in het
Centraal-station.
Baden: Langs den Rijn-oever vindt men verschillende bad- en zwem-
inrichtingen met koude en warme baden (Mk. 0.40—0.70). In den winter:
C. Martin, Mauritiusbogen (een bad 1 Mk.). Romeinsche baden:
Keilerweg 3.
Rijtuigen: Met 1 pd.: rit, 1—2 pers., 50 Pf.; 3—4 pers., 70 Pf.;luur
2 Mk. en 2.30 Mk., voor een koffer 20 Pf. meer, een reiszak 10 Pf.,
handbagage vrij; — naar de Neue Anlage of het kerkhof 90 Pf. en
1 Mk.; naar Zahlbach of Weisenau 1 en 1.20 Mk.; naar Castel,
bruggegeld extra, 70 en 90 Pf.; naar de Ingelheimer Aue 2 en
2.50 Mk. — Met 2 paarden, omstreeks \'j, meer: rit, 1—2 pers., 70 Pf.;
3—4 pers. 90Pf.enz.; — naar Zahlbach of Weisenau 1.20 en 1.40 Mk.;
Castel, bruggegeld extra, 1.40 en 1.50 Mk. Voor de uren terug en op-
onthoud de helft dezer prijzen. Des zomers, van 10 uur \'s avonds tot
6 uur \'s morgens, het dubbele; in den -winter, na 7 uur, l\'/a maal het
dagtarief en het dubbele van 9 uur \'s avonds tot 7 uur \'s morgens.
Tramway: Vracht, al naar gelang van den afstand, 20 en 10 Pf.
Kinderen de helft.
Stoombooten: Naar Bingen, St. öoar, Coblentz enz. Kleine booten
naar Biebrich, des zomers alle nalve uren, afvaart van de nieuwe brug.
Post en telegraaf: Hoofdpostkantoor op het Brand, ook in het Cen-
U\'aal-station.
Concerten: Zondag, Woensdag, Vrijdag en Zaterdag, \'s namiddags in
de Neue Anlage; Zondag-, Dinsdag- en Donderdagavond in de Stadthalle.
Indien men groote haast heeft, bezichtige men den Dom, het G-u-
tenberg-Denkmal. den Eigelstein, de verzamelingen in het Kasteel,
de Rheinquai en de Neue Strassenbrücke.
75. M«wwha<Tn. [Zie paf/. 149).
Stations: De Hauptbahnhof bevindt zich in het Zuiden van de
stad, voor alle treinen; de Neckarbahnh of is voorde verbinding tusschen
Mannheim en Lampertheim. Een weinig verder is het station van de
train naar Weinheim en Freudenheim.
Logementen: Pfalzer Hof, hoek Paradeplatz en Rheinstrasse (k., 1.
& b. van af 2.50 Mk., din. 3 Mk.). hotel van den eersten rang met goede
wijnen; Kaiserhof, Heidelbergerstr.. tegenover het postkantoor; Deut-
-ocr page 270-
— 30 -
scher Hof. op den hoek van Theaterstr. en Leopolstr., veel door han-
delsreizigers bezocht, (aanbevelenswaardig); Höt. National, nabij het
Centraalstation; Landsberg; Kónig von Portugal, Rheinstr.; Zum
Neckarthal. nabij de Neckar-brug.
Café-restaurant: Zur Oper. Goldner Stern. Francais, alle
Schillerplatz nabij den Schouwburg; Metropole. nabij Pfaelzer Hof;
Victoria. Wiener C afé, Heidel bergerstr.; Scheffeleck. Kurfurstenstr.;
Ballhaus, Schlossgarten (groote inrichting); Rest. in het Stadtpark.
RÜtuigen: Van het station of de ligplaats der stoombooten naar de
stad. 1. 2. 3. 4 pers. 50, 70. 90 Pf. en 1.10 Mk.; naar Ludwigshafen 1.50,
1.70. 1.90 en 2.10 Mk. — Rijtoeren in Mannheim. \'/» uur- 1—2 pers..
50 Pf., 3—* pers., 60 Pf.; \'/, uur 80 Pf. en 1.20 Mk. enz.
Tramway: Van het hoofdstation naar R h e i n t h o r en van Freudenheim
naar de Rhein brücke, 15 Pf.. naar Ludwigshafen 25 Pf.
Stoombooten: De aanlegplaata is nabij de Rijnbrug op 15 min. afstand
van het station te Ludwigshafen en 20 min. van dat van Mannheim.
Post en telegraaf: Hoofdkantoor in de Heidelbergerstrasse. Hulpkan-
toor in het hoofdstation.
76- IVI-aitLjnvxsoia.. (Zie pm/. 182).
Logementen: Central, met een restaurant, van den len rang, Wag-
ner, beide Wilde Mannsgasse; Hotel du Word, nabij hetstation (2e rang).
Restaurants: Stationsbuffet, Federmann, Mo 11.
Bier: Bürgerbrau. Modenheimerstr.; Luxhof en Schützenhaus.
Wilde Mannsgasse.
Rijtuigen: 1.60 Mk. per uur.
Stoomtram: In verschillende straten en naar Ensisheim.
Post en telegraaf: Colmarstr. 6.
77. lVHClu.stor-fviia.-S8toiii. (Zie pat/. 95).
Logementen: Alle met baden: Kurhaus (k.. 1. & b. 3.50 Mk., din.
3 Mk.); Löwe, Baum, Zipp (k., 1. & b. 2 Mk.. din. 2.20Mk.); Stolzen-
fels, wordt geroemd; Schwan, Englischer Hof, Pariser Hof(goed).
Restaurants: Kurgarten, Kursaal en in het Hüttenthal.
Kurtaxe: 1 pers. 10 Mk., 2 pers. 15 Mk., 3 pers. 18 Mk.
IS".
78. Nassau. (Zie pa//. 52).
Logementen: Muller, nabij het station, goed (kam. &ontb. 2.50Mk.,
din. 1.75 Mk.); Krone, insgelijks bij het station; Nassauer Hof,
linker-Lahnoever, nabij de kettingbrug.
Bier: In Kilps Privathötel.
Ezels: Standplaats aan den voet van den berg nabij de kettingbrug:
Burg Stein 70 Pf., Burg Nassau 1.50 Mk.
78. BiTo-u.exi.ebli.xr. (Zie pat/. 38).
Logementen: Aan den rechter Ahr-oever: Kurhaus (kamers van
1\'/»—8 Mk. per dag), bevattende 150 kamers, een post- en telegraafbureau
-ocr page 271-
— 31 —
en baden in den Oostvleugel. Lees-salon met vele couranten. —Victoria,
(din. 3 Mk.); Concordia (k.. 1. & b. 2.50—4 Mk., din. 2.50 Mk.);
Heiines enz. — Aan den linkeroever, waar zich het station bevindt:
Rheinischer Hof. Flora. Hof von Holland. Bonn zur Krone.
G er man ia, alle aanbevelenswaardig. Men heeft ook vele privaat-woningen.
Wijn: In den Winzerverein. nabij het station.
Café\'s: Bellevue. Johannisberg. met tuinen en uitzicht.
Rijtuigen: Van het station naar het dorp. 1 pers. 60 Pf. iedere persoon
meer 30 Pf; naar Walporzhe im enz. als van Ahrweiler.
Ezels: Naar het kasteel van Neuenahr 1 Mk.. heen en terug 1.75 Mk.;
naar Landskron 1.20 en 2 Mk. Paarden een weinig duurder.
OO. STe-ULte.lrob.exi. (Zie par/. 99).
Logementen: Hot. Mester, Hot. Simon (bij het station).
81. ÜNTovuss. (Zie pat/. 15).
Logementen: Rheinischer Hof (\'t voornaamste); Berghausen.
Weinhaus, Pelzer.
82- NeuTded. (Zie par/. 39).
Logementen: "Wilder Manu. Anker, beide aan den Rijnoever (k.
2 Mk.. din. 2.50 Mk.); Moravian Hotel, druk door Engelschen be-
zocht; Ma der. nabij het spoorwegstation van den rechteroever.
Verbinding tusschen de beide oevers door een gierbrug (3 Pf.) en een
stoomboot (5 Pf).
83. !T>J"i©ca.e>r*l«.ta.ia.srt©lxa.. (Zie pag. 49).
Logementen: Hermann, Bungartz. Doucqué. NollHaramer-
mann (de beide laatste veel bezocht door R. K. geestelijken).
Restaurant: In het station.
84. KTiodorTr-alci. (Zie pat/. 86).
Tandradspoor van Rüdesheim naar het Denkmal en van Ass-
manushausen naar het Jagdschloss, overtocht in 10 a 12 min. (1 Mk.
bij het stijgen. 50 Pf. bij het dalen).
Rijtuigen met 2 paarden: van Rüdesheim naar het Denkmal en
het Jagdschloss, 1—2 pers.. 6 Mk.; 3—4 pers. 7 Mk.. heen en terug
7 en 8 Mk.; terug over Assmnnnshausen 9 en 10 Mk. Van Ass-
mannshausen naar het Jagdschloss 5 Mk.; naar Rüdesheim langs
Niederwald en Johannisberg 17 Mk.
Gebruik makende van de tandradspoor. kunnen l1/,, a 2 uur volstaan
voor een bezoek aan het Niederwald. Heeft men meer tijd tot zijne be-
schikking, dan geniet men ook meer.
Logement: Jagdschloss (k., 1. & b. 2.50 Mk., din. 3 Mk.. pension
6 Mk.), goede wijn.
88. N\'ieölex\'-vtrall-u.f. (Zie pag. 114).
Logementen: Schwan, aan den Riju-oever (goede wijnen en keuken),
veel bezocht; Zum Gartenfeld. insgelijks goed, beide met tuinen;
Zur schonen Aussicht, bij het station, aanbevelenswaardig.
-ocr page 272-
— 32 —
O.
86. Oborlahiistoin. (Zie pag. 57).
Logementen: Wel Ier aan den Rijn (k.. 1. en b. 2—2.50 Mk., din.
2.50 Mk.), mooie tuin, goede keuken; L a n n eck, met tuinen en een prachtig
uitzicht, beide hotels van den len rang en zeer goed. Rheinischer Hol\'
en Stolzenfels tegenover het station van den 2en rang, maar toch goed.
Stoomboot naar Capellen om de drie kwartier, afvaart nabij Hotel
Weller. 20 en 10 Pi\'.
87. Oborstoin. (Zie pa//. 98).
Logementen: N e u e Post enStark, naast de nieuwe brug, beide goed.
Restaurant: In het station. Uit het paviljoen heeft men een prachtig
gezicht.
Voorwerpen van agaat in vele winkels.
88, Otoorxvosol. (Zie pag. 74).
Logementen: Rheinischer Hof, tegenover de losplaats der booten
en naast den spoorweg, maar op 4 minuten afstand van Tiet station (k., 1.
en b. 1.50—2 Mk., din. 2 Mk.); Goldener Propfenzieher, aan het
uiterste einde van de stad, een weinig achteraf (kam. 1.50 Mk.. din. 2 Mk.);
Deutsches Haus, meer aan den weg.
Restaurant: G er tuin aan den spoorweg. Bier in den Propfen-
zieher (druk bezocht door schilders en studenten).
88. Odiliönborg. (Zie pag. 177).
In het klooster bestaat gelegenheid tot goed logies (k. l1/,—2\'/, Mk..
pension 5 Mk.).
80. OpponUoim. (Zie pag. 145).
Logement: Zum Rit ter (goed).
Restaurant: Ph. Schwibinger op de Markt.
81. Pfftfors. (Zie pag. 216).
Logementen: In het dorp, Adler en Löwe; Pension Warten-
stein ((! a 7 Fr., omnibus van het station bergop 1.50 Fr., bergaf 1 Fr.,
groote stukken bagage extra).
Entree Tamina-engte: 1 Fr. (parapluie en regenmnntel raadzaam).
88. Ffaltagraveusteiu. (Zie pag.. 77).
Sleutel: Verkrijgbaar te Caub (75 Pf.).
83. Platte. (Zie pag. 114).
Entree: Een gezelschap per persoon 1.50 Mk. (Restaurant).
-ocr page 273-
— 88 -
84. Xl£ier«*<z. Zie pag. 215).
Logementen: De meeste zijn alleen gedurende het bad-seizoen geopend;
Rosengarten, Krone en Lattman ook \'s winters. Quellenhof (k..
I. &i b. van G—8 Fr., ontbnt l1/, Fr., Lunch 4 Fr., table d\'höte 5 Fr.i
pension met kamer 12—18 Fr.); HofRagaz (k.. 1. & b. 5 Fr., ontbijt
1\'/, Fr., table d\'hóte 5 Fr., souper 3\'/a Fr., pension 8—13 Fr.); Hot.
Tamina, (k.. 1. &. b. 3\'/2—* Fr., table d\'höte 4 Fr., pension met kamer
7—10 Fr.); Schweizerhof (k. 2\'/s—31/., Fr., table d\'höte 3\'/j—5 Fr.);
H. P. Lattmann, pens. 7 Fr., goede keuken; Krone (k„ 1. & b. 3 Fr.,
table d\'höte 3 Fr.); H. P. Scholl, k. 2»/a—4 Fr., pens. 6 Fr.; Villa
Louisa; H. P. Fröhlich; Freieck; National; Post (niet duur):
Bitr; Ochse; Löwe, eenvoudig. Nabij het station: Roséngarten.
k. &. b. 21/, Fr., ontbijt 1.20 Fr., din. 3 Fr., pens. ö—7 Fr. — Pens.
Villa Flora met grooten tuin, op den weg naarden Freudenberg; Pens.
Home Villa; Pens. Wartenstein.
Café\'s en Restaurants: Restaurant in den Kursaal; Café Rhein-
villa, Bahnhofstr.; Nussbaum, Churerstr.; Felsenkeller, op den
weg naar den Freudenberg; Buol, niet ver van de ruïne Freudenberg,
met prachtig uitzicht. Bier in de Löwe en Kreuz (met tuinen).
Postkantoor niet ver verwijderd van het Dorfbad.
Omnibus van het station naar het dorp Ragaz 75 centimes, koffer 25 ets.,
naar den Rest. Wartenstein l\'/j Fr. (terug 1 Fr.).
Rijtuigen, met 1 pd., van Ragaz naar Bad Pfafers en terug met 2 uur
oponthoud: voor 1—2 pers. 7 Fr.. 3—4 pers. 10 Fr. en fooi; naar Warten-
stein 6 en 10, Dorf Pfafers 8 en 14, Vattis 18 en 25, Maienfeld 6 en 10;
Luziensteig 10 en 15 Fr.
Kur- en muziak-taxe: Per persoon in Juni en Sept. 2 Fr., in Juli
en Augustus 3 Fr. per week.
85. Rappoltsvcoilor. [Zie pag. 179).
Logementen: Lamm, Hotel de Nancy, goed en niet duur.
86.    BauentbaL [Zie pag. 108).
Logementen: Nassau er Ho f, met tuin; RheingauerHof,beidegoed.
87.    Roichenaxi. (Zie pag. 206).
Logementen: Te Mittelzell: Mohr en Baer.
88.    Reichoiiau. [Zie pag. 220).
Logement: Adler.
88. Remagen, [Zie pag. 36).
Logementen: Fürstenberg & König von Preussen, met tuin
aan den Rijnoever, van den len rang, \'s winters gesloten (k., 1. & b.
2.50—4.50 Mk., din. 3 Mk.). Eenvoudiger: Rheinhötel, goed (k., 1. &b.
3
-ocr page 274-
— 34 —
met ontbijt 2.50—3 Mk.. din. 2.50 Mk.); Anker (k.. 1.. b. en ontbijt
2—2.50 Mk.) — Fassbender. Cramer aan den grooten weg; Deut-
sche r K a i s e r en "Westfaelischer H o f\' nabij het station.
Rijtuigen: Naar den Apoll innris-berg. met 1 pd.. 1.25 Mk.; met
2   paarden 1.50 Mk.; naar Rolandseck 4 en G Mk.. 7 en 10.50 Mk.
heen en terug; naar Altenahr 10 en 13.50 Mk.. 1 en 18 Mk. heen en
terug. 15 en 21 Mk.. indien men overnacht: naar de Laacher See 14.50
en 18 Mk. heen en terug. 18 en 22 Mk. via Ander nach.
ÏOO. nhcinoclt. (Zie pat/. 213).
Logementen: Hotel zur Post; Rössle en Hecht, het eerste
\'t beste van deze drie.
ÏOI. 3FUiei33.felca.ezi.. (Zie pa,/. 200).
Logementen: Hotel des Salines. 5 minuten buiten het stadje,
pens. 5—8 Fr.; Höt. Dietschy zur Krone. met tuin aan den Rijn:
Gasth. Dreikönig [goed), met belommerden tuin. pens. 5 Fr.; Zum
Schützen; Schiff. Aan den rechter-Rijnoever Bellevue (aanbevelens-
waardig).
Bier: In den S a 1 m e n.
102. Rhoinstoin. (Zie par/. 84).
Entreeprijs voor de collectie wapenen en antiquiteiten. 1 pers. 1 Mk..
verscheidene 50 Pf. ieder.
103. Rheuse. (Zie pa//. 60).
Logementen: Zum Königsstuhl; Stern. Beide middelmatig.
104.   Rolandsock.. (Zie pa//. 35).
Logementen: Rolandseck (k., 1. & b. 2.90 Mk.. din. 3 Mk.); Ro-
lands Höt.. beide aan den Rijnoever, met fraaie tuinen en heerlijk uit-
zicht ; Bellevue. Decker, nabij de aanlegplaats der stoombooten en
het station.
Restaurant: Die van het station is zeer goed en wordt \'s zomers druk
bezocht. Van het terras geniet men een verrukkelijk uitzicht op het
Zevengebergte en den Rijn tot Remagen.
Ezels tot aan den Rolandsbogen 75 Pf.
Paarden 1 Mk.. tot aan den toren 1.50 Mk.. terugweg \'j, of de
helft meer.
Roeibooten naar het eiland Nonnenwerth. heen en terug 1 Mk..
naar Rhoendorf. heen en terug 1.50 Mk.; naar Koenigswinter 2.50
a 3 Mk. Pont naar Honnef 5 Pf.
105.   Ha.<3.&ml\\&±Xia.. (Zie pag. 101).
Logementen: Darmstadter Hof (k.. 1. & b. van af 2.50 Mk.. din.
3   Mk.); Jung. nabij het station (k.. 1. & b. 2.50 Mk., din. 2.50 Mk.);
Rheinstein (kam. van af 1.50 Mk., din. 2.50 Mk.); Ehrhard, zeer
-ocr page 275-
— 35 —
aanbevelenswaardig: Krass, insgelijks goed; Mnssmann. Doerhoefer.
Bellevue. Go 1 dn e ïraube. alle aan den Rijnoever.
Restaurant: Buffet vnn het Rijn-station; Rheinhnlle. met terras
aan den Rijnoever, goed.
Wj)n: Inden Ru des heimer Winzer-Verein en bij Joh. Muller,
beide in de Drosselgasse; ook in de Altdeutsche Weinstube (Wall-
mach), nabij het Niederwald-station. enz.
Bier: In Germania aan den Rijnoever: hij J. Moos en bij Kilb
nabij het Niederwald-station.
Niederwald-station: Bit is in het hooger gelegen gedeelte der stad
bij den Adlerthurm te vinden. Afstand van het Rijn-station 8—10 min.,
van do aanlegplaats der stoombooten 3—4 min. Omnibus van de eene
lijn naar de ander 10 Pf.
Rjjtuigen: Naar het Niederwald, zie pag. 31. Rijtuig naar Johan-
nisberg. met 2 paarden. 1—2 pers. 5 Mk.. 3—4 pers. 0 Mk.; heen en
terug 7 en 8 Mk.: met 1 pd. 4. 5 en 6 Mk.
Stoomboot: Naar Bingen en Bingerbrück bijna alle uren.
Roeibooten: Naar Bingen of Bingerbrück. 1—4 pers.. 2 Mk..
iedere persoon meer 10 Pf.. ieder pakje lo Pf.; naar Rheinstein. met
het recht om daar 2 uur te vertoeven, en naar Assmannshausen 5 Mk..
onverschillig het aantal personen.
X06. Ruhrort. (Zie pat/. 6).
Logementen: Clevischer Hof; Preussischer Hof; Rh e in i"
scher Hof.
S.
107. SAo3s.lx3.sexi. (Zie par/. 200).
Logementen: Soolbad of Luwe; Schütze.
XOS. Sargauz. (Zie pa;/. 214).
Logement: Hotel Thora», nabij het station.
ÏOÖ. Sohaffhausen. (Zie par/. 202).
Logementen: Post. ara Herrenacker. 3 min. van het station; Mü 11 er.
kamer van 2 Pr., ontbijt l\'/4 Fr.; Rheiniseher Hof; Riese. alle drie
nabij het station; Schwan (goed); ïanne (burgerlijk); Schiff aan den
Rijn: Krone (eenvoudig).
Restaurants: Rebmann. nabij het station; Stationsrestauratie.
Badinrichting in den Rijn. dagelijks van 6—1 uur en 5—8 uur voor
mannen, in de week van 2—5 \'s nam. voor vrouwen.
NB. Wie den waterval wil zien. rijde door tot het station Neuhausen.
HO. ScUiorstoin. (Zie pat/. 114).
Logementen: Seipel. Drei Kronen. Bechtold. die alle drie
kunnen worden aanbevolen.
-ocr page 276-
— 36 —
111. SclalA3a.@exil3A.cl.. (Zie paff. 108).
Logementen: Alle met tuinen: Nassauer Hof (kam. van af 1.50 Mk.,
din. 3 Mk.); Hot. Victoria (din. 2.50 Mk.); Werner; Germania
(2e rang); Russischer Kaiser (goed); Pariser Hof; Rheingauer
Hof (2e rang) enz. Behalve het Königliche Kurgebnude (kam. 1 a
10 Mk. per dag) bestaan er nog talrijke gelegenheden voor pension.
Baden: In het Kurhaus 1.50 Mk., in het Badhaus 2 Mk.
Kurtaxe: 12 Mk. voor 1 persoon. 9 Mk. voor iedere persoon meer.
Kinderen beneden 10 jaar en bedienden vrij.
Leeskabinet: In het zoogenaamde Neuhaus. Bezoek vrij.
Rijtuigen: Met 2 paarden 5 Mk., met 1 pd. 3.50 Mk. per uur; 7 en
5 Mk. na 11 uur \'s avonds.
Ezels: 1.20 Mk. per uur.
112.    Schlottatadt. (Zie fag. 178).
Logementen: Höt. Bock-Adler; Zum goldnen Lamm, in de
nabijheid van het station, verdienen beide aanbeveling.
113.    Soll-V7trA.ll3A.cla.. (Zie pag. 109).
Logementen: Hotel de la Promenade of Allee-Saai. van den
len rang (din. 4 Mk.); Herzog von Nassau (din. 3 Mk.); Hot. des
Sources (kam. van af 3 Mk.. pens. 8 a 10 Mk.); Métropole (kam. van
af 2 Mk.. din. 3 Mk.. pension van af 8 Mk.); Berliner Hof (pension
van af 6 Mk.); ïaunus; Wagner; Russischer Hof. de beide laatste
ook als restaurant aan te bevelen. Bovendien heeft men te Schwalbach
een menigte Logirhauser. waaronder met zeer veel comfort.
Restaurants: Kursaal (din. 3 Mk.); Dille (Berliner Hof); Garten-
laube (din. 2 Mk.); Weidenhof (1.50 Mk.).
Baden: Badhaus (bad 1.20—3 Mk.. van 6 uur \'smorgens tot l\'/>
uur \'s namiddags); Stadt Coblenz; Linde; Zum Lindenbrunnen
(bad 2.20 h 2.50 Mk.) enz.
Kurtaxe: 10 Mk. per persoon. Trinkkarte 2.50 Mk. Aan de personen,
die het water aanreiken, geeft men een fooi. De muziek speelt \'smorgens
van 77i—9 uur en 41/,—6 uur. afwisselend nabij den Stahlbrunnen. den
Weinbrunnen en de ïrinkhalle.
Leeskabinet in de Alleesaal. geopend den geheelen dag met uitzon-
dering van 2—2\'/i uur \'s namiddags, toegang vrij.
Rijtuigen: Met 2 paarden 6 Mk., met 1 pd. 3.50 Mk. per uur (8 Mk.
of 5.50 Mk. na 11 uur \'s avonds); naar Eltville, 15 Mk. of 9.50 Mk.
Ezels: 1.50 Mk. per uur.
114. Sodeu. (Zie pa//. 135).
Logementen, alle met restaurants en tuinen: Kurhaus; Colloseus
(kam. 2 Mk. a 2.50 Mk., pension van af 6 Mk.); Europaischer Hof;
Hollander Hof; Russischer Hof (pens. van af 5 Mk.); Uhrig;
Ad Ier, alle goed.
Rytuigen: Per uur 3 Mk., naar Koenigstein 3.50 Mk.; naar
Cronberg 4.50 Mk.; naar de Groote Feldberg 20 Mk.
Kurtaxe: 1 pers. 12 Mk., 2 pers. 18 Mk., 3—4 pers. 24 Mk.
-ocr page 277-
- 37 -
11S. Spier*, (Zie pat/. 158).
Bj) aankomst steppe men in een omnibus nnar de stad (30 Pf.). De
afstand van het hoofdstation tot den Dom bedraagt 15 min. gaans, van het
Rijn-station 5 minuten.
Logementen: Wittelsbacher Hof, Ludwigstr. (k.. 1. &. b. 1.50—5
Mk.. din. 2.50 Mk.); Rheinischer Hof. Maximilianstr. (k.. l.&b. 1.50—
2.50 Mk.. din. 2.50 Mk.); Pfaelzer Hof. zelfde straat, alle goed.
Restaurant: Deutsch nabij het station.
Bier: Schultz, Schwarz, Bahnhofstr.. de tweede met een tuin,
De Dom is ter bezichtiging open: voormiddags van 9—11 uur en\'s na-
middags van 2—0 uur. Voor het koor. de fresco\'s en het oud-Duitsche schilder-
stuk in de St. Catherina-kapel moet resp. 35 Pf.. 35 Pf. en 1 Mk. worden betaald.
Post en telegraaf: Maximilianstrasse.
116. Spl«BCH. (Zie par/. 226).
Logementen: Bodenhaus (Post), k„ 1. & b. 4\'/, Fr- teD,e d\'höte
41/, Pr., pens. 7—8 Fr., goed; Hot. Splügen. insgelijks aanbevelens-
waardig (kamer 2 Fr.).
117. Stoin. (Zie pay. 205).
Logementen: Sonne, Rabe. beide niet duur.
Entree: Klooster St. Georg 50 Pf.
HO. Straatsburg. (Zie pa//. 171).
Stations: De verschillende spoorlijnen komen samen in den prachtigen
Centralbahnhof in het W. der stad. De vestibule daarvan is versierd
met fresco\'s. Goed buffet. Men vindt hier de omnibussen der voornaamste
hotels (50 Pf. voor ieder stuk bagage 20 Pf. meer). Vreemdelingen, die
van Kehl komen en niet in de naaste omgeving van het Centraalstation
moeten zijn. doen \'t verstandigst aan het Metzgerthor-station uit te stappen,
waardoor een lange wandeling naar het centrum der stad wordt bespaard.
Logementen: Nabij het station: IIöt. National, van den len rang,
met lift (k.. 1. & b. 2—5 Mk.. Ie ontb. 1 Mk.. din. 3 en 4 Mk. zonder
wijn); Höt. Pfeiffer, van den 2en rang. goed (k.. 1. fc b. 2.50 Mk.);
Victoria. Küssstrasse 7 (k.. 1. &s b. 1.50—2 Mk.. din. 2.50 Mk.. met inbe-
grip van wijn); Geist. Küssstrasse 5.—In de stad: Hot. de la Ville de
Paris. Meisengasse. van den len rang, met lift (k., 1. & b. 2—5 Mk..
din. 3 en 4 Mk.); Höt. de 1\'Europe. Blauwolkenstrasse 19. met restau-
rant en tuin (k.. 1. & b. 3 Mk.); Höt. d\'Angleterre (k.. 1. &, b. van af
2 Mk.: din. ten 1 ure a 2.50 Mk.; ten 6 ure a 4 Mk.); Rothes Haus
(Hót. de la Maison Rouge). Kleberplatz 19 (k.. 1. & b. 2.40 Mk.. din. 3 Mk.);
Hot. de Franc e. St. Petersplatz (kam. 2 Mk.. bed. 50 Pf.); Höt. de la
Vignette, Langestrasse; Höt. Turk. Metzgerplatz (din. 2 Mk. met
wijn); Höt. Stadt Basel. Metzgerthor.
Café\'s (met rest.): Café Brogue, meest door Franschen en Elzassers
bezocht. Wiener Café. beide op den Broglieplatz; Meisencafé. Mei-
sengasse; Laterne, Laternegasse 1. nabij de Gewerbslauben; St. Ste-
phan, Stephansplan.
-ocr page 278-
— 38 — .
Restaurants (wijn): V alen tin. Alter Weinmarkt; Dollmötsch.
Neukirchgasse; a la Po mm e-d e-P in (Tannenzapfen). Kleberplatz (din. 2.50
Mk.); S c h r e m p p, Fasanengasse; P f e i f f e r in het station; K e m p f f,
Kinderspielgasse; Schmutz, Zürichstr.
Bierhuizen (vest.): Strassburger bier, sinds 1446 beroemd: Ta-
verne Alsacienne. mooi lokaal op de Alte Kornmarkt; Espérance,
Kalbsgasse 22; Ville de Paris, Bruderhofgasse; Zum F i se her, Kin-
derspielgasse. Beierseh bier: Pit on nabij de Gewerbslauben; Hof-
briiuhaus, Laternengasse; Luxhof. Luxhofgasse; Zum Münchener
Kindl, Brandgasse 12.
Van middernacht
Rijtuigen:
                 Overdag.                \'s Avonds. tot 6 uur \'s morg.
1—2 p. 3—4 p. 1—2 p. 3—4 p. 1—2 p. 3—4 p.
Ritten: indestad,
naar T i v o 1 i en het
station van den
Metzgerthor . . . . 0.75 Mk. 0.90 Mk. 1.—Mk. 1.20 Mk. 1.50 Mk. 1.80 Mk.
Naar de groote R ij n-
brug........1.20 „ 1.50 „ 1.60 „ 2.— „ 2.40 „ 3.— „
NaarKehl.....2.— „ 2.40 „ 2.80 „ 3.40 „ 4.80 „ 5.70 „
Bij het uur: \'/»
uur.........1.— „ 1.20 „ 1.20 „ 1.45 „ 1.60 „ 1.90 „
1 uur.........1.60 „ 1.90 „ 2.— „ 2.40 „ 2.40 „ 2.90 „
Ieder volgend kwar-
tier .........0.35 „ 0.40 „ 0.40 „ 0.50 „ 0.50 „ 0.60 „
Bagage: 20 Pf. per stuk.
Tramway\'s: In de stad, alle 10 a 20 min. (10 Pf.): lo. Van den
Steinthor naar den Metzgerthor; 2o. Van den Kleberplatz naai-
den Weissenthurmring; 3o. Van den Kleberplatz naar de Kö-
nigsstrasse; 4o. Van den Kleberplatz naar het Centraal-station.
— Buiten de stad, stoomtram: 5o. Van den Steinthor naar Schil tig-
heim. Bischheim en Hoenheim, om de 20 en 40 min., 15 Pf.; 6o. Van
den Metzgerthor naar de Rijnbrug, alle 20 minuten, 20 Pf.; 7o. Van
den Weissenthurmthor tot Königshofen-Wolfsheim, alle 30 min.,
15 Pf.; 8o. Van de Königsstrasse naar Ruprechtsau, alle 20 min.,
15 Pf.; 9o. Van den Metzgerthor naar Neudorf en Neuhof. — Hulp-
lijnen: Van den Nicolausstaden naar Markolsheim met bifurcatie
naar Erstein en Rheinau. Van het oude station naar Truchtersheim.
Pakjesdragers moeten hun tarief overhandigen, voordat men hen in
dienst neemt.
Baden: Warme baden: Speierbad, Alter Weinmarkt 13; Rosen-
bad. Sandplatz; Kleberbad. Rijnbaden, bij de Kehlerbrug en de Rijnbrug.
Komedievoorstellingen, van 15 Sept. tot einde April. 6 maal per
week. Fransche operettes in het Casino, \'szomers in de ïhiergartenstr.,
\'s winters in de Kinderspielgasse.
Militaire muziek op den Broglieplatz, Dinsdag- en Vrijdagnamid-
dag, van 4—5, van 5—6 of van 6—7 uur, al naar het seizoen.
Post: Hoofdpostkantoor op den Schlossplatz.
Telegraaf: Hoofdkantoor op den Pariser Staden.
Patés de foie gras: Bij L. Henry, Münstergasse 5; M. Schott,
Küssstrasse; Hummel, Langestrasse; Martin,Blauwolkengasse; Muller,
-ocr page 279-
— 89 —
Judengasse; Schneegans-Reeb. Münstergasse 27; A. Miehel. Krae-
mergasse. De prijs der terrines is van 4—30 Mk.
Indien men weinig tyd heeft, bezichtige men den Munster, stijge
tot het platform, ga vervolgens naar de S t. T h o m a s-K i r c h e. de stand-
beelden van Kleber en Gutenberg om te besluiten met den Broglie-
platz, den Kaiserplatz en de Universiteit. De gidsen, die de vreemde
tingen aanklampen, zijn totaal overbodig.
T.
118, Do Tcvulxx-uls. [Zie pa//. 133).
Tot het bezoek van de interessantste gedeelten van den ïaunus kan
men met l\'/2 » 2 dagen volstaan. Met den trein ga men naar Homburg,
waar men overnacht; den volgenden morgen met den eersten trein naar
Oberursel en van daar naar den Fel dl) erg (3 uur), tenzij men er de
voorkeur aan geve, rechtstreeks van Homburg naar den Feldberg te
gaan (insgelijks 3 uur); men dale naar Königstein (l1/» uur) en naar
Cronberg via Falkenstein (VL uur) of naar Eppstein over den
Rossert (81/, uur). Te Eppstein kan men weer in den trein stappen.
120. Tliuaia. [Zie pat/. 224).
Logementen: Höt. Pens. V ia ma la, aan den ingang der Via Mala.
met tuin, k., 1. & b. 4—5\'/2 Fr., ontb. l1/, Fr., table d\'höte 4—5 Fr.,
pension met kamer 8—10 Fr., in het voorjaar en den herfst 7—8 Fr.;
Post und Kurhaus. met baden, k.. 1. & b. 3.30 Fr., ontb. l1/» Fr..
table d\'höte 3\'/» Fr.; Rhiitia, k. k, 1. 3 Fr., ontb. 1*/» Fr., din. 3 Fr.,
Sens. met kam. 7\'/» Fr., zeer aan te bevelen; Weisses Kreuz. niet
uur; Gemsli, eenvoudig.
Bier: In den Felsenkeller op den Rosenbühel aan den ingang der
Via Mala (prachtig uitzicht).
Rijtuigen: Met 1 pd.. tot de derde brug van de Via Mala en terug
voor 2 pers. 6. 3 pers. 8. met 2 paarden 12 Fr.; naar Andeer 11.50, 14
en 22.50 Fr.; Splügen 22.50 en 39 Fr.; Schvn (Solisbrücke) 7, 9 en
14 Fr.; Tiefenkasten 13.50. 16.50 en 24.50 Fr.; Reichenau 11, 14 en
22 Fr.; Chur 17 en 33 Fr. Fooien in al deze prijzen begrepen.
181. Trler. [Zie par/. 46).
Stations: Aan den rechteroever van de Moezel bevindt zich het station,
vanwaar de treinen in alle richtingen vertrekken. Het station aan den
linkeroever is alleen voor goederen bestemd.
Logementen: Trierscher Hof. Brodstr.; Zum Rothen Haus,
Hauptmarkt (kam. 2 ii 5 Mk., ontb. 1 Mk., din. 2.50 Mk.. \'s zomers
3 Mk.. pension 6 Mk. met kam.); Luxemburger Hof. Palaststr., door
handelsreizigers druk bezocht (k.. 1. & b. 2 Mk., ontb. 1 Mk., din. 2.50 Mk.);
Stadt Venedig. Brückenstr. (kam. en ontb. 2.25 Mk., din. 2 Mk.); Zur
Post, Kornmarktplatz, wordt geroemd; W i r t z, bij het station.
Café\'s & Restaurants: Zum Stern (Fischer), Hauptmarkt; Alt deut-
sche Weinstube (F. L. Laven). tegenover de St. Antoniuskerk; K u f f,
Neuestr. 222 (goede Moezelwijnen);KaiserhofenBaurindeFleischerstr.;
-ocr page 280-
1
— 40 —
Steinhaus en Germania (tuin), insgelijks aldaar: Schneidershof en
Weisshaus op eene hoogte aan den linkeroever van de Moezel, met
verrukkelijk uitzicht.
Bier: Münchener Kindl. Simeonsstr.; Franziskaner {met tuin)
in de Fahrstr.; Garten wirthschaft .Tos. Gretsehel. met tuinen
mooi uitzicht.
KomeoUevoorstellingen: Alleen \'s winters in het Stadttheater in
de Fahrstr. Besproken plaatsen 2 Mk.
Rytuigen: Binnen de stad: per rit. 1 pers.. 50 Pf., 2 pers. 60 Pf..
iedere persoon meer 25 Pf.: bij \'tuur. \'/» "•• 1—2 pers. 50 Pf.. 3—4 pers.
75 Pf.: naar Schneidershof en het Weisshaus 1 pers. 1.50 Mk..
iedere persoon meer 50 Pf. Ondanks het tarief verdient het aanbeveling,
eerst den prijs met den koetsier overeen te komen.
Post en telegraaf: Fleischerstr. 75.
188. Trims». (Zie pag. 221).
Logementen: Krone. Zum Tödi. Beide hotels kunnen worden
aanbevolen.
w.
123. \'CPnlporzhoim. (Zie par/. 38).
Echte Walporzheimer in de herbergen St. Joseph en St. Peter.
184. Wozol. (Zie pag. 6).
Logementen: Dornbusch; Giesen. veel bezocht door R. K. gees-
telijken (logies en ontbijt 2.50 Mk.. din. met wijn 2.50 Mk.. omnibus aan
het station).
125. "Wiostoadon. (Zie pag. 109).
Stations: De stations van den Rechts-Rijnschen spoorweg, van
de lijn van Schwalbach. van den Taunus en de Hessische Lud-
wigsbahn, liggen naast elkander in het Zuiden der stad.
Logementen: Höt. de Nassau. Theatherplatz met eene dépendance,
de Villa Nassau, in de Sonnenbergerstr.. no. 1; "Vier Jahreszeiten,
insgelijks ïheaterplntz. met lift; Höt. de la Rosé, Kranzplatz 7—9.
met tuin; Park-Hut., Wilhelmstr. 30, met lift; Englischer Hof,
Kranzplatz 11. voornamelijk familie-hotel, met lift; Höt. Victoria, hoek
Rheinstrasse en Wilhelmstr. (kam. 2—4.50 Mk., din. 3 Mk.), lift; Ad Ier.
Langgasse 32, nabij den Kochbrunnen (kam. van af 2.50 Mk.); Bar. Lang-
gasse 41 (k.. 1. & b. 3 Mk.); Höt. Block (lift); Höt. Bellevue. Wil-
helmstr. 26; Bristol. zelfde straat no. 28; Petersburg. Museumstr. 3;
Rh e in hu lel. links van het Bijnstation op den hoek van de Rheinbahnstr.
(lift); Höt. du Nord. Wilhelmstr. 6 (k., 1. en b. van af 2.50 Mk.). alle
van den len rang en met baden.
Minder weelderig zijn: Schützenhof. Schützenhofstr. 3 en 4; Allee-
saal. Taunusstr. 3. tegenover de Trinkhalle; P r i n c e of Wales. Taunusstr.
33; Badischer Hof (Israël.), Nerostrasse 7. Doortrekkende reizigers
-ocr page 281-
— 41 —
logeeren meestal in: Taunus-Hötel, Bheinstr. 19 (k., 1. en b. van af
2 Mk.. din. 3 Mk.), goede kamers, maar zeer bedompte eetzaal; Eisen-
bahn-H6tel, tegenover het Taunus-station; Grüner Wald. Markstr. 10
(kam. van af 1.50 Mk.); Weins. Bahnhofstr. 7 (k.. 1. en b. van af 1.60 Mk..
din. 2 Mk.); Tannhauser, dezelfde straat no. S; Vogel. Bheinstrasse
26; Hotel Central, De Laspéestr. 3. kan aan Hollanders in alle opzichten
worden aanbevolen; Nonnenhof. Kirchgasse 39—41, eenvoudig maar goede
tafel en wijnen; Deutsches Beich, Eheinbahnstr. 5; Einnorn. Mark-
strasse 34 en vele anderen.
Hotels garnis: Berliner Hof; H. Dasch (restaur.) in de Wilhelmstr..
comfortable en betrekkelijk duur; Bitter. ïaunusstr. 45; Höt. Garni.
Wilhelmstr. 38.
Pensions: Quisisana. Parkstr. 3. van den len rang; Mon repos.
Frankfurterstr. 6 (4.50—8 Mk.); W. Hausmann. Rheinstr. 81; E.
Schweieker (Villa Carola). Wilhehnsplatz 4 (4—6 Mk.); Pens. inter-
nationale, Mainzerstr. S; Villa Beatrice, Gartenstr. 12; P. Germa-
nia. Sonnenbergerstr.; Fiserius. Leberberg 1; Villa Helene. Erathstr.
4; Britannia. Wilhelmstr. 40; Villa Heubel. Leberberg 4. Ook in de
meeste hotels gelegenheid tot pension, van 3—8 Mk. per dag.
Badinrichtingen: Behalve in de hotels van den len rang vindt men
deze bij menigte in andere logementen: Europaischer Hof. Koehbrun-
nenplatz 5; Kaiserbad. Wilhelmstr. 42; B o e m e r b a d, Kochbrunnenplatz
3; Engel, Kranzplatz 6; Weisser Schwan. Kochbrunnenplatz 1;
Krone, Langgasse 36; Schwarzer Bock. Kranzplatz 12; Koelni-
scher Hof. Kleine Burgstr. 6; Spiegel. Kranzplatz 10; Weisses
Boss, Bheinstein en vele andere, alle zeer goed ingericht. De prijzen
der kamers verschillen aanzienlijk naar gelang van het seizoen; in Weisser
Schwan zijn zij b. v. van 14 tot 30 Mk. per week. \'t Is derhalve ver-
standig, deze prijzen eerst vast te stellen.
Restaurants (wijn): in de Kursaal, fjoed maar tamelijk duur;
Christmann. Untere Webergasse; Dahlheim, Taunusstr. (ook logies);
Pohl. Michelsberg; Nonnenhof (zie hierboven); Bothes Haus. Kireh-
gasse 40; Bheinische Weinstube. Spiegelgasse 4; Meier. Luisenstr.
12 (mooi lokaal, din. 1.20 Mk.); Tivoli. Wilhelmstr. 4 (din. 1.50 Mk.),
alle goed. met table d\'höte gedurende het seizoen.
Cafés: Boeder, Webergasse 12 (fijn); Lehman n, Grosse Burgstr. 14;
Brenner & Blum, Wilhelmstr. 42; al deze kunnen worden aanbevolen;
Saher, Museumstr. 3; Kaiser-Café, Webergasse 8; Hollandischer
Hof, Schillerplatz 1; Gage, achter de oude kolonnade.
Bier: Biersalon van het Kurhaus; Schützenhof, Schiitzenstr. 3,
met een mooien tuin; Krokodil, Luisenstr. 37, alle goed. — Felsen-
keller aan den Bierstaedter Weg. 15 min. ten Oosten van de stad, met
een mooi uitzicht, in de nabijheid daarvan heeft men de Bierstadter Warte,
vanwaar het uitzicht nog uitgestrekter is; Beau-Site, laatste station van
de tramway naar het Nerothal; Schiesshalle unter den Eichen,
10 min. verder, nabij het nieuwe kerkhof, \'s Winters wordt ook veel bier
geschonken in het Grand-Hötel.
Kurtaxe: Voor een jaar, 1 pers., 30 Mk., andere personen van het
gezin 10 Mk.; voor zes weken. 1 pers.. 15 Mk.. andere personen van het
gezin 5 Mk.; voor één dag 1 Mk. Door het betalen van deze Kurtaxe
heeft men het recht tot het gebruik van al de stedelijke Kur-instellingen
(Kochbrunnen, ïrinkhalle, Kurhaus enz.) en van het Lees-
-ocr page 282-
kabinet in de Kursaal; men mag daarvoor ook de concerten bezoeken, die
\'s zomers alle morgens bij den Kochbrunnen en den "Warme Damm
van 6—8 uur gegeven worden, en het geheele jaar door in den Kurgarten,
van 4—5\'/2 uur en van 8—10 uur \'s avonds. — Voor nadere inlichtingen
wende men zich tot het bureau van den Kurverein in het Kurhaus. die
\'s zomers alle dagen een courant uitgeeft, getiteld: „Badeblatt."
Komedievoorstellingen: Alle dagen, met uitzondering van Juni en
Juli. \'s Zomers worden dikwijls gastrollen vervuld door altisten van naam.
Aanvang ten 6\'/., uur. Prijzen: Balkon-loge op den len rang 5 Mk.;
vreemdelingcnloge op den len rang 4.50 Mk.; Galerij (Ie rang) 4 Mk.:
Loge lo rang en besproken plaats 3 Mk.; Parterreloge, genummerd parterre
en vrectndelingenloge op den 3en rang 3 Mk.. Galerij vooraan (3e rang)
1.50 Mk.. achteraan 1.30 Mk.. staanplaats in het parterre 1 Mk.. Loge
3e rang 80 Pf\'.. Amphitheater 50 Pf.
Muziek: Entree kunstenaars-concerten 3—5 Mk.
Tarief der rijtuigen (het dubbele van 11 uur \'s avonds tot 6 a 7 uur
\'s morgens, bagage 30 Pf. per stuk).
Met 1 pd. Met 3 pd.
Bit binnen de stad en de voorsteden tot i 1—3 pers. 0.60 Mk. 0.90 Mk.
Dietenmühle..........j 3—4 pers. 0.80 „ 1.10 „
Bij het uur. in den omtrek v. d. stad. 1—-4 pers. . . 3.— „ 3.— „
Buiten den naasten omtrek. 1—4 pers.......3.80 „ 4.— ,.
Met inbegrip van \'/, uur I K a p e! i e tf S o n n e n b e r*. 1.70 „ 3— „
wachten (,ederkwar-Ne.„bergofKlarenthal. 3.40           3.-
tier meer 30 ot 50 Pf. 1 -r, ■ i, „• J5                            ,, „A           „ AC.
         , , ,,,.           f Biebrich.......6.90    „ 3.40 „
Terug de hellt) . . \\                                                         "               "
Naarde Platte, heen en terug, met l\'/j uur oponthoud. 6.90 „ 9.— „
Schwalbach, heen en terug (1 dag)......15.— „ 18.50 „
Schwalbach, terug over Schlangenbad (1 dag). . 16.— „ 30.— „
De rijtuigen van de hotels kosten \'/» ll \'U meer.
Tramway\'s: Met stoom, naar Biebrich. van de spoorwegstations
naar Beau-Site in het Nerothal (30 Pf.); met tandradspoor, van Beau-
Site naar den top van den Nerpberg (35 Pf. heen, 15 Pf. terug), met
paarden (10 en 15 Pf.) van de stations door do Rheinstrasse, de
Kirchgasse, de Taunusstrasse tot de Roederstrasse.
Post en telegraaf: Centraal-bureau in de Rheinstrasse no. 35.
Godsdienst: Evangelische, op Zon- en feestdagen des voor- en
namiddags in de hoofdkerk op de markt en de bergkerk; Katholieke in
de Friedrichsstrasse. \'s zomers ten 6\'/i, 61/,,, 7 en 9 uur, \'s winters ten 6\'/3.
71/»- 8 en 9 uur H. Mis. op Zon- en feestdagen ten 10 ure Hoogmis en
predicatie. Bovendien nog Engelschc. Russisch-Grieksche en Israëlietische
godsdienstoefeningen.
Algemeene opmerking: Wiesbaden staat bekend als een wel voor-
name, maar niet onmogelijk dure badplaats. Inderdaad is het leven daar
voor iemand, die eenige kennis van de stad heeft, niet duurder dan elders, ja,
men kan te Wiesbaden betrekkelijk goedkooper leven dan in de andere
groote badplaatsen van Duitsohland. Daarvoor huurt men eene woning in
een der vele Log ir- of Pri vathauser, of. als men nog goedkooper
wonen wil, in een der villa\'s, die verder van de Kursaal verwijderd zijn.
Enkele bezienswaardigheden met entree-prijzen: Permanente
schilderijen-tentoonstelling 50 Pf.; Evangelische Kerk, aan
den koster 50 Pf. a 1 Mk.; Schilderijen-galerij, catalogus 30 Pf.
-ocr page 283-
— 43 —
126. VD\'orma. {Zit pag. 148).
Logementen: Nabij het station: Europflischer Hof (kam. 2 a
2.50 Mk.; ontbijt 1 Mk.; din. 2.50 Mk.. restaurant); Kaiserhof en
Ffaelzer Hof. beide eenvoudigf maar goed. — In de stad: Alter
Kaiser. Andreasstrasse, nabij den Dom; Hartmann. Kaemmererstrasse,
beide van den eersten rang. — Bij de annlegplaats der stoombooten:
Rheinisoher Hof.
Restaurants: Stationsbuffet; Worret nabij het station. Bauer
in bet Festhaus. goed: Leichtweiss. naast het Festhaus enz.
Cafés: Betz en Delaporte. Kaemmerergasse 17 en 21.
187. 3Cantori. [Zie pa//. G).
Logement: Hot. Hoevelmann.