-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
.1*5?
WAV-ry
-ocr page 5-
z
/
-ocr page 6-
-ocr page 7-
of.ffUé (*- &**>
Joost van den Vondel
-ocr page 8-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000028194011B
2819 401 1
-ocr page 9-
Joost van den Vondel
Z IJ N E
DICHTWERKEN
EN OORSPRONKLIJKE
PROZASCHRIFTEN
IN VERBAND MET
DOOR
Dr. J. A. ALBERDINGK THIJM
HOOGLEERAAR
EERSTE DEEL: 1605—1620
SCHIEDAM
Bij H. A. M. Roelants, Anno 1887
-ocr page 10-
GEDRUKT TER
Koninklijke Nederlandsciie Boekdrukkerij
VAN
H. A. M. ROELANTS,
TE
SCHIEDAM.
-ocr page 11-
AAN
ZIJNE MAJESTEIT
Koning Willem den Derde
WORDT DEZE UITGAAF
VONDELS WERKEN
-ocr page 12-
MET DEN DIEPSTEN EERBIED
OPGEDRAGEN
DOOR
ZIJNER MAJESTEITS GETROUWE ONDERDANEN
Dr. J. A. ALBERDINGK THIJM
EN
H. A. M. ROELANTS
-ocr page 13-
Bericht bij de Uitgave van het
Eerste Deel
Nafhankelijk van de Inleiding, die, D.v., aan de
volledige uitgave van Vondels Dichtwerk zal toe-
gevoegd worden, wensch ik hier kortelijk reken-
schap te geven van mijne behandeling der texten.
Ik heb zoo veel mogelijk de oorspronkelijke
uitgaven geraadpleegd.
In \'t algemeen heb ik de spelling onzer dagen waargeno-
men. Bij al onze verscheidenheid van beginsel, biedt de spel-
ling van De Vries en Te Winkel, in de praktijk, maar
weinige punten van verschil met de mijne.
De zoogenaamde spelling van Vondel te volgen, was niet
raadzaam. Ten eerste, om dat zij vele lezers en lezeressen af-
schrikt, op wier liefde voor onze letteren ik anders rekenen
mag en prijsstel; ten tweede, om dat wij eigenlijk de spelling
van Vondel niet kennen. Zoo bijv. toonen handschriftelijke
instrukties, door hem aan de tooneelspelers gegeven, een andere
(meer moderne) spelling, dan die waarmee uitgevers of druk-
kers hem laten optreden.
Toch kwam net mij belangrijk voor, te laten zien, hoe,
in zijn schriften, de klank ae (die wij bijv. in waereld waar-
nemen) werd afgebeeld. Daarom heb ik de woorden, waar
die klank in gehoord wordt, gespeld, gelijk ik ze vond — konse-
quent of inkonsequent. Waar ik ermen of eerde vond, heb ik dat
ook laten staan. Ik heb gevonden hart, voor het beest, in de
nabijheid van hert, voor het gemoed. Ik heb het laten staan.
Erger was het eerbiedigen van Vondels verwaarlozing der
naamvallen en geslachten (voor het jaar -20). Toch heb ik
dien eerbied botgevierd. Het is billijk, oorbaar noch betamelijk
Vondel meer taalkennis of andere gevoeligheden toe te schrij-
ven dan hij bezat.
-ocr page 14-
BERICHT.
Er is vooral geen reden onzen lezers te doen gelooven, dat
het met Vondels taal (veelszins een afspiegeling van de volkstaal)
meer schoolmeesterlij k geschapen stond dan het geval was.
Niet-te-min menig-werf zou de duidelijkheid gewonnen hebben,
bij het regularizeeren van den vorm der naamvallen; maar ik
mocht Vondels taal niet overwerken. Waar gevaar voor mis-
verstand was, heb ik het aangeduid.
De eigennamen heb ik gespeld, zoo als ik ze vond.
In de eerste vellen van dit Eerste Deel ben ik misschien
wat beschroomd geweest. Bevond ik dit later, dan heeft de
vrees voor een verwijt van inkonsequentie mij niet te-rug-ge-
houden van de aanvankelijk gevolgde gewoonte af te wijken.
Het zullen echter uitzonderingen zijn, die zulk verwijt tot
grond kunnen dienen.
Ende en ofte heb ik behouden en in \'t algemeen alles wat
mij scheen de gesproken taal van Vondels tijd af te beelden.
Geen van de talrijke wijzigingen, door Van Vloten in
Vondels text, wat de keus der woorden betreft, aangebracht,
heb ik overgenomen. Is het een enkele reis gebeurd, dan gaf
ik er aan den voet der bladzijde rekenschap van.
Daar ik op lezers reken, die zich een weinig moeite wil-
len geven, zijn mijne woordverklaringen veel minder talrijk
dan die van Van Lennef en Van Vloten. De gissingen dezer
uitgevers (zoo die niet zeer scherpzinnig waren) heb ik zoo
min als hunne vergissingen overgenomen.
De zinscheiding heb ik geheel naar modern gebruik in-
gericht, \'t Is een noodeloze verduistering van den zin, de
punktuatie van Vondels zetters te volgen.
De chronologische rangschikking heb ik met zorg bewerkt.
Waar ik van de kennelijke opvolging afweek, heb ik mij des-
wege verandwoord.
Ik hoop, dat Vondels dichterlijke voortbrengselen van na
1620 reeds zoo veel populariteit hebben, dat niemant afge-
schrikt zal worden, door het didaktisme, tamelijk overvloedig
in dit Eerste Deel voor-handen.
ALB. TH.
13 Aug. 1887.
J&
-ocr page 15-
Vondels7 Werken.
.AflV Z)£ JONKVROUWEN VAN
VRIESLAND EN OVER-IJSSEL.
Z,s A\'é»» goedertier, de Liefd\' ter werrelt bracht,
Werd Jupiter beroerd
— die terstond alle Goden
In
\'s Hemels hoogste zaal liet dagen door zijn boden,
Die aan dit kinds gedaanf oordeelden, met voordacht,
5 Dat hij de menschen zou beroeren met tweedracht.
Dies zij bestemden al dit dartel wicht te dooden.
Fenus dit haast vernam, is met haar kind gevloden,
En bracht het om te voên bij u, o zoet geslacht!
—
Dit kind hebdij gevoed, geleerd, en bovendien
i o Met boog en pijlen straf gewapend en voorzien.
Het tref (naar uwen wilj ons met zijn scherpe stralen,
Dat wij, als zwanen droef, vóór onzen ondergang,
Met een treurig geluid u bieden ons gezang:
Jonkvrouwen! uw gezicht laat minlijk daarop dalen!
1607
I.    Joost van den Vondel werd den ijn Nov. rjSy, te Keulen, in de Viool-
bloem, Grosse Witscliengasse, nu No. 1, uit Antwerpsche, Doopsgezinde ouders
geboren: Joost van den Vondel en Sara Pietersdr. Kranen. Zij kwamen in ijqö
naar Holland; allereerst naar Utrecht, met ten minste 3 kinderen: Clemensken
(rs8b),
Joost (/J87), Sara (fS94)- Later geboren: r kind (1398), Catharina
(1602), Willem (1603).
II.   Waarschijnlijk van een boekgeschenk (minneliederen f). Vondels spreuk was
toen: „Liefde verwinnet al." Door deze liefde werd echter wel, in de eerste plaats,
de Goddelijke bedoeld.
1. Venus goedertier. De goedertieren Venus. \'t Bijvoeglijk achter liet
zelfstandig nmw. — 4. Voordacht, voorwetenschap. — 9. Hebdij, hebt
gij. — 11. Stralen, pijlen. — 12. Dat, opdat.
vondel I.
-ocr page 16-
OORLOF-LIED.
2
(Op den toon: De rein liefde vierig.)
D\'Wijl Saturnus vluchtig,
Die ons heeft vergaard,
Ons nu scheiden zuchtig
Doet, geheel bezwaard,
5
           Neem ik met verlangen
Oorlof aan u, mijnen „ lust,
G\'hebt mijn hart bevangen,
Ik versmacht naar pijnen „ rust.
Doch hoewel wij scheiden,
10
              Met droefheid en pijn,
Ja, met tranig schreiden,
Zal uw zoet aanschijn,
\'t Welk mij heeft verwonnen
Door Cupidoos schichten „ fel,
15
           Mij verheugen konnen,
En mijn hart verlichten „ wel.
Ja, mijn liefde krachtig,
Die ik t\'uwaarts draag,
Als Piram eendrachtig,
20
              Blijft u trouwe staag.
Dat zal ik doen blijken,
Als die liefd\' bestrijdet „ mij,
\'k Zal geenszins bezwijken
Voor den dood; belijdet „ vrij.
25           Nooit minnaar gestadig
Als ik, dijnen knecht,
Min Hero weldadig,
Die uw haren vlecht
Als Diana cierig,
30 Mij van gelijken „ gerieft!
Groeit in liefd vierig!
Troost mij laat blijken „ de liefd\'.
lil. Oorlof-Lied, afscheidslied.
I. Saturnus, de Tijd. — 19. Piramus, Thisbees minnaar. — 24. (\'k)
Belij het nadrukkelijk. — 27. Hero, de vriendin van Leander.
-ocr page 17-
OORLOF-LIED.
3
Stort dijne gebeden,
Als ik ben op reis,
35
           Opdat ik met vreden
Keer in dijn paleis;
Bid Neptunus gonstig,
Dat hij zij behoedig „ mij,
En Aeool mij jonstig,
40 Door Zephyr\' voorspoedig „ zij.
Trouw als Penelope
Mij, Ulysses, wacht!
Ik stel al mijn hope
Op u, dag en nacht.
45
           Als Oceaan woedig
Het gantsche schip deizen „ doet,
Door golven onspoedig,
Zal ik aan dij peizen „ vroed.
Lijdzaam wilt verwachten
50
              Mijn weêrkomst verheugd.
Met wankel gedachten
Maakt geen ongeneugt\'!
Geen Paris lichtvaardig,
Ben ik, zoo gij merken „ moogt;
55
           Oënone waardig!
Mij een vreugds versterken „ toogt.
Mijn Tempe verheven,
Daar ik in vermei!
Mijn vreugd en mijn leven,
60
               Wiens troost ik verbel!
Wie kan mij aftrekken
Van uw lieflijk wezen „ zoet,
Gij kunt mij verwekken
Door uw deugd geprezen „ goed.
65           Circes tooverkruiden,
Hoef ik zoeken niet,
In \'t Noorden oft Zuiden,
Met pijn en verdriet;
Gelijk Glaucus zwaarlijk
55. Oenone, vrouw van Paris, eer hij Helena schaakte. — 56. Toogt,
toont, toon. — 57. Tempe, paradijs. — 65. Circe, tooveres. Glaucus trachtte
door hare kruiden Scyllaas liefde te winnen. De uitg. heeft „toonder kruiden."
-ocr page 18-
OP HET TWAALFJARIG BESTAND.
-o Om Scylla veel pijnen „ leed,
Gij troost mij eenpaarlijk,
Zijt mijn medicijnen „ reed!
PRINCE.
Oorlof, mijn Princesse!
Waardig om bespien,
75
           Voor de laatste lesse,
Tot een wederzien,
Als mijn kwaal zal blusschen
Uw bijwezen vreugdig „ hier;
Met een treurig kussen,
80 Oorlof! gij, schoon jeugdig „ dier!
1607.
DE Hemel, krijgens zat, erbermt zich onzer kwalen:
Kastiljen wordt beweegd den Vrede ons aan te biên \\
De Staten leenen \'t oor: dies wij verwonderd zien
Het Vredemakend volk genaken onze palen.
5 Na onderling gesprek, opschorsing, en lang dralen,
Vergunt men haar \'t Bestand voor jaren twee en tien:
Op hope, of met\'er tijd een Vrede-zon misschien
Den Nederlanden mocht geduriglijk bestralen.
Nassau ontwapent zich, om ruste te verwerven,
10 Steekt op zijn dreigend staal, geschaard van \'t veel
doorkerven,
En \'t Bondig Land geniet de vruchten van zijn zweet,
Van vreugde golven vuurs ten Hemel opwaart varen,
Men offert lof en dank den Heere der Heirscharen,
Die nu in loutre vreugd doet eindigen ons leed.
1609.
IV. Dit is het laatste gedicht, dat wij van den 23-jarigen Vondel kennen, vóór
zijn huwelijk, in Dec. ibio (ondertr. 20 NS), met de 24-jarige Mayken Hans-
dochter de IVolf, uit Keulen als hij, en ook van Brabantschen oorsprong.
Prince. De laatste strofe der Rederijkersliederen werd tot den Prins der
Kamer gericht. — 11. Bondig Land, „Geünieerd".
-ocr page 19-
UITVAART EN TREURDICH1.                    5
QOifilcuxtt én £tturt>icjtf
VAN
HENRICUS DE GROOTE/\'
KONING VAN VRANCKRIJCK EN NAVARRE.
WElaan, mijn Zang-Godin! \'t is tijd, dat wij aanvangen
Te stellen op \'t Tooneel, al zijn wij plomp en grof,
Het droevig Treurspel van \'t Parisiaansche Hof,
Waarom de tranen nog bepeerlen onze wangen.
5 Gij wereld-Goden, o! die op uw groote kroonen,
Op uw Rijks-staven en verheven zetels pocht,
Wiens wortels in de Hel, wiens spitsen in de Locht
Zich bergen, komt nu hier! komt hier, ik zal u toonen
Dit heerlijk schouwtooneel: komt, doet uw oogen open,
10 \'t Zij oft gij heerscht, daar ons met zijn gespiegeld licht
De Morgen-wekker roept, \'t zij of gij hebt gesticht
Uw thronen, daar den dag ons aspunt gaat ontloopen,
Ziet, in dit tafereel, van uwe heerlijkheden
Den wankelbaren stand; ziet, hoe eens Konings roem
15 En blijschap eer verwelkt dan een vercierde bloem,
Die \'s morgens vrolijk bloost, en \'s avonds leit vertreden.
Schouwt \'s Tijds getuimel aan, die als een gramme Leeuwe
Uw vluchtig leven scheurt, en hier in \'t aardsch gewoel
Den Vader rukt in \'t graf, den Zoon stelt op den Stoel,
20 En wendt zoo stadig \'t glas van Koning, Staat, en Eeuwe.
Zijn hooge Majesteit, de Christelijkste Koning,
Zich nu gezegend vond, en Vranckrijck in \'t gemeen
Riep: „Tot verzeekring van dees Monarchie, alleen
Ontbreekt onz\' Koningin de Koninklijke krooning.
25 De krooninge, wiens glans van \'t Oosten tot den Westen
Gelijk den bliksem licht, en onzen Dolphijn voedt
Zoo manlijk tot de Kroon, als wel zijn Edel bloed
Rechtvaardig erfgenaam hem tuigt, en kan bevesten."
Dus rees tot Sint Denijs den blijden dag, besloten
30 Tot Medicis\' triumf, waarvoor de schoone Mei
Haar bloemen alleszins op \'t aardrijk, als een sprei,
Had verwig uitgespreid en rijkelijk gegoten.
V. Henri lp\', i; Mei 1610 door Ravaillac vermoord. De datum van het ge-
dicht is niet bekend.
24. Maria de Medicis. — 26. Kroonprins. — 29. In de Abdij van S. Denis
waren de graven der Koningen en werden de krooncieraden bewaard.
-ocr page 20-
UITVAART EN TREURDICHT
6
De vierge Zonne-kloot (die met een heet gebluister
Naar \'t Tweelingsteeken liep) heeft zich van spijt gebergd,.
35 En, van zoo veel gesteente en dierbaar goud getergd,
Verloor zijn heerlijkheid, en zijner stralen luister.
Wat pratter pronkerij! wat zeldzaam\' levereyen
Vertoonen zich alhier! hoe blinkt hier menigvoud
Den aardschen Hemel! o, hoe ruischt en kraakt hier \'t goud
40 Der kleedingen, waarin zich Zephyr komt vermeyen!
\'t Is Salomonis Eeuw, \'t zijn d\' Idumeesche stranden:
De Peerlen zijn gemeen, en \'t Goud hier ongeacht.
Hier heeft Nature en Konst om \'t konstigste gewracht:
Zij off\'ren t\' zamen hier de werken hunder handen.
45 Maar wie in al \'t gedrang zoo heerlijken van verre
Doch boven al uitmunt, o \'t is de Koningin!
Henrici schoone Bruid, de sterflijke Godin,
Die men de Kroon opstelt van Vranckrijck en Navarre.
Die, met heur witte hand en vingeren, ompeerelt
50 Den Scepter Galliae, eenstemmig algelijk
Men Koninginne kroont van \'t Fransene Koningrijk,
En wettelijk omdrukt voor God en al de weereld.
Ai! ziet, wat grooter vreugd en vrolijkheid der Franschen
Gemoeden reê bevangt, nu met een luide stem
55 Des Hemels Echo roept: „Veel heils de Diadem,
Die op Mariaas hoofd weêrlicht met helder glansen!
„Leeft lange, o Koningin! die door uw kinder-baren
Ons gelukzalig maakt; uit wier vruchtbaren schoot
De Dolphijn is verwekt, die na zijns Vaders dood
60 Den sleutel van dit Rijk zal houden en bewaren.
„Ter goeder tijd en uur, Princesse! gij Florencen
Tot onzer baten liet, en brakt de blaauwe zee
Heur golven met de kiel uws vlottig schips in twee,
En landen spoedig als een Venus aan ons grenzen."
65 Dus eindigt deze Feest: „Vive! o Vive la Reine!"
De naklank al den nacht vast wederschalt verheugd:
Denijs onwetens is op \'t hoogste van zijn vreugd,
Met dat zich Phcebus weer komt spieg\'len in de Seine.
De Koning vindt Parijs met vrolijkheid bevangen,
70 En overgeven heel; hij ziet, na zijnen lust,
Hoe vlijtig ieder zich ciert, wapent, en toerust,
Om \'s volgenden Sabbaths zijn Koningin te ontvangen.
Henricus, die de deugd en \'t heilig Evangelie
Zoo vieriglijk beschermt, eilaas! denkt luttel, ach!
43. Gewracht, gewrocht. — 52. Omdrukken van een kroon. — 62.
Liet, verliet. Vondel heeft „braeckt", Van Vloten maakt er „spleet" van.
67. 7Ae 29. — 68. Als de zon weer opgaat.
-ocr page 21-
VAN HBNRICUS DE GROOTE.
7
75 Dat met de Zon alreê gerezen is de dag,
Waarin zijn leven zal verwelken als een Lelie.
Als hij naar middag doet den Koetsier zijnen wagen
Voorthalen met \'t gespan, terwijl, aan \'s Hemels glas,
De Zonne wederom gaat vallen in het gras,
80 Zoo heeft de klok zijns tijds de laatste uur geslagen.
Hij klimt ontijdelijk in zijn gewielde Koetse,
Om, volgens zijnen aard, in \'t Heldisch Arsenaal
Zich spieglen in \'t azuur van \'t Oorlogs wapen-staal,
Daar van zijn vromigheid blijkt de beproefde toetse.
85 Waar is de dappre schild, daar zijn verwonnen Steden
Men in geblixemd ziet? daar hij met \'t bloedig zweerd,
Met roode sluyers, en veel krijgs-roof kwam te peerd,
Zelfs uit den slag Ivry triumfelijk gereden;
Daar \'t bloed liep van zijn arm met karmozijne stralen,
90 Daar hij stak in de locht de bloedige Trofeên,
Waar met de Ligue in \'t vlak bestoven veld verscheen,
En meende van zijn hoofd de groote kroon te halen.
De blazers liggen hier, daar zijn rebelle Gallen
Eer met gedwongen zijn tot onderdanigheid;
95 Waar met de dolle Mars ter neder is geleid;
Waar met beschoten zijn zoo veel versteende wallen.
Maar och! hij rijdt al voorts; lijf-wachters! wilt u schamen,
Dat gij zoo traaglijk volgt; \'t is tijd om toe te zien,
Gij laat hem in zijn koets met weinige Edel-liên
100 Zijn einde vinden en zijn duister tombe t\'zamen.
De Voerman, die hier stiert de breidels en de toornen,
Den Stierder recht gelijkt, die met \'t gevlerkte schip
Loopt op een blinde Syrt, op een verrader-klip,
Op een gedoken Rots in d\' Oceaansche stroomen.
105 De Rossen doen \'t gebit van hare breidels schuimen,
En weigren lui en traag te trekken hunnen last,
De toom die hun bedwingt, de geesel-zweep die klast,
Doet hun het laatste pad van \'s Konings rid opruimen,
\'t Plaveisel van der straat, d\' oneffen harde steenen,
110 De Koetse weeren wil in heuren kwaden tocht:
Des hemels oog verdompt zijn fakkel in de locht;
De blaauwe Hemel zich ontluistert al met eenen.
Gelijk men menigmaal de teekens en voorboden
Van \'t aanstaande onweer ziet, als over \'s werelds kruin
115 Zich donder, blixem windt, wroegt, dampig, mistig bruin,
Als Iuno krijgen zal met haren God der Goden;
84. Kloekheid. — 88. Slag van Ivry, door Henri IV op de Ligue gewonnen.
— 93. Blazers, kanonnen. — 94. Eer, weleer. — 103. Syrt, blinde klip. —
III. De zon verdooft. — 115. Wroegt, wringt. — 116. Krijgen, krijgvoeren.
-ocr page 22-
8                     UITVAART EN TREURDICHT
Zoo ziet men hier alreê bewegelijk voorloopen
De bonte Regen-boog, der zwerter wolken val,
Die Vranckrijcks Horizont, met \'t schreyende kristal
120 Van een stort-regen, zal in droeve tranen doopen.
Francois (o, geen Francais, maar overgeven Moorder!)
Den wagen neeft in \'t oog, welk bij Sint Innocent
Een Karre en Koetse ontmoet, die met hun wielen blend
Weerhouden \'s Konings Koets, dat achterwaarts noch voorder
125 Geen van hun allen mag: \'t zij dat de raders haken
In d\' een en d\' anders as, oft zij elkanders rad
Malkanderen in \'t spoor van eenen wagen-pad
Weerhouden, en soo t\' zaam aan \'t stillestaan geraken.
De booswicht hierop loert, en ziet zijn zake schoone.
130 Dies wapent Satan hem: hi) rukt uit zijne schee
\'t Geblinddoekt hand-staal, daar hij met (o schriklijk wee!)
Bourbon twee wonden geeft, aldaar hij zit ten toone:
Beide in zijn linkerzijd\'. Vervloekte Moorder-stukken!
D\' een naar de schouder toe, niet dieper is gepriemd,
135 Dan recht door \'t vliezig vel, en d\'ander, al gevliemd,
Van \'s Konings edel hart gaat d\' ader diep doordrukken.
Beneên de zesde rib \'t gepunte moord-mes krachtig
In \'s Konings lichaam dringt, zoo dat het met zijn spits
Den hollen ader treft (o doodelijken flits!)
140 De wereldsche Monarch zinkt in zijn koetse onmachtig.
Gelijk, op Helicon, uitbortelende d\'ader
Des Bergs ten Hemel sprong, toen met \'t hoef-ijzer straf
Perseï lichten Hengst heur sloeg en oorsprong gaf,
Zoo spuit ook alszins \'t bloed van dezen Franschen Vader;
145 Zijn Edelliên verbaasd, om \'t edel bloed te stelpen,
Fluks wenden naar \'t Paleis de Koninklijke koets,
Die stroomig overliep van een riviere bloeds:
Men riep, men kreesch om hulp; eilaas! \'t en mocht niet
helpen.
Van alle kanten \'t volk de straten kwam vervullen,
150 En bootsen \'t baar-gedrang van een vergramde Zee:
D\' een, om den moordenaar te scheuren fluks in twee,
Men als een Leeuwe zag van toorne en gramschap brullen;
D\' een loopt na \'t groot Paleis, en d\'ander, met veel scharen,
Zich op de wallen geeft; d\'een spoedt zich vlug en rad,
155 Om \'t Capitolium van dees beroemde Stad,
En d\' ander om Loys, den Dolphijn, te bewaren.
Dus ondertusschen raakt de Koning in de Louvre,
121. Francois, Francois llavaillac. Geen Franfois, geen Franschnian.
— 144. Alszins, naar alle kant.
-ocr page 23-
VAN HENRICUS DE GROOTE.                    9
Alwaar zijn bleek gelaat na \'t leven vast de dood
Afschildert, en betuigt den sterfelijken nood,
160 En ster-oogt Hemelwaarts naar aller vromen oevre.
Zijn handen vlecht hij t\' zaam naar den gesternden
Throne
En roept, eilaas! zoo \'t schijnt, den hoogsten Koning aan:
„Wilt tot een Offerhande, o Heer! mijn Ziel ontfaan,
Als \'t Lichaam zal ontlast zijn van dees aardsche Kroone."
165 Driemalen schijnt hij nog „adieu" te roepen t\'eiken:
„Adieu, mijn Koningin, mijn Kinders, en mijn Hof!
Mijn leven nu verscheidt uit \'s Lichaams broze stof.
Onsterflijk zij mijn Ziel: \'s Geests hutte moet verwelken."
Daar werd zijn Lijk beschreid met heet beweegde tranen.
170 De droefheid overvloeit tot \'s Hemels hoog gebouw.
\'t Geluid ten wolken klimt. Daar kleedt zich in den rouw
De Choor des Parlements, met al zijn onderdanen.
De duizend-tongsche Faam zij uw gerucht bevolen,
Beklaaglijke Monarch! aldus de Peleaan,
175 Met Cesar den Romein, dij lange is voorgegaan,
Doch huns naams Echo speelt nog heden in de polen.
Jaar-maanden zeventien, en elf Olympiaden...
Afgunstig heeft de tijd uw dagen afgemaaid,
En eindelijken \'t wiel van dijnen loop gedraaid,
180 Naar dat men heeft gezien de blixems van uw daden;
Naar dat men den Olijf heeft vredelijk zien bloeyen
Sinds gij den Traciêr hebt zijn wapenen beroofd,
En, onder \'t lief ontzag van uw gelauwerd hoofd,
Navarre en Vrankrijck tot een Lichaam laten groeyen:
185 Nu slaapt, Henrice! slaapt! Nu rust op der gedachten
Verheven Altaar-plat, na zoo veel Wapen-strijds:
Vermeluwt dijn Colos door \'t oud verloop des tijds,
Of wischt men \'t grafschrift uit van mijn geveerde schachten,
Uw vliegende gerucht kan tijd noch eeuw verrassen:
190 De Phcenix beeldt dit af, die eindelijken spijst
\'t Vuur met zijn sterflijkheid waar uit de Jonge rijst:
Zoo ziet men weer verwekt den Dolphijn uit uw asschen.
O, snoode Ravaillac! God zal hier namaals eischen
Van u (die Jean Castel, La Barre, en Biron volgt
195 Welke Acherontis poel en Styx heeft op gegolgd)
Het duur vergoten bloed met een gekromde zeisen.
Eilaas! gij moordt uw ziele in droefheid en ellenden,
Met \'s Konings sterflijk lijf te maayen in het graf,
174. Peleaan, Achilles. — 177. Vondel meent: 56 jaar en 5 m. — 182.
Thraciër, Turk. — 187. Vermolmt uw standbeeld. - - 195 Moordenaars,
door de Hel opgebraakt
-ocr page 24-
UITVAART EN TREURDICHT.
10
En moet hier evenwel, door d\'alderwreedste straf,
200 Treurspelig dijnen tijd met \'s Konings eind\' volenden.
Hoe lange zuldij nog den hoogsten rechter tergen,
Gij, Babylonsche hoer! die in de wereld zaait
\'t Vermaledijde zaad, waarvan men eindlijk maait
Dees vruchten? O, de val genaakt uw zeven bergen\'
205 De waarheid schuift alsins de breê gordijnen open,
Waarachter gij boeleert met dijnen Helschen boel! —
Afgodisch knielt niet meer voor haren hoogen Stoel!
Doet eens uw oogen op, gij, Vorsten van Èuropen!
Ziet, hoe zij hare schaamt, met een onnut geweven
210 En ijdel spinneweb, nog te bedekken tracht,
Wat monsters zij in \'t licht der zonne heeft gebracht,
En hoe heur beelde Christ gelijkt als Dood en Leven!
D\' onvastigheid aanschouwt van hare kerkpilaren,
Welk dreigen al van zelf te vallen onder voet;
215 Heur Evangelie-boek, bezegeld met het bloed
Der moorders, welk zij noemt heur heiige Martelaren!
De Hemel zij geloofd, die met zijn goedheids vlerken
Heeft Vranckrijck overschaduwd, en met genade omarmd,
Die in zoo grooten storm den Dolphijn heeft beschermd
220 Met d\'Eed\'le Koningin. Nu prijst Gods wonderwerken!
Veel heils en veel geluks, o schoone Morgen-sterre!
Die over Vranckrijck licht, en in uws Vaders plaats
Met dijn Vrouw-Moeder heerscht, met zoo veel wijzen raads:
Io! Io! de Kroon van Vranckrijck en Navarre!
225 Dolphijn (niet meer Dolphijn, maar Koninklijke Lelie),
Loys! die stadig moet vertreden zien den kop
Zijns vijands, en alszins \'t veldteeken richten op,
De roode Standaart-Vaan van \'t dobbel Evangelie! —
Tot eenen Gyges groeit! dat, door uw kloek bestieren,
230 Des Ibers jaloezie dij nimmer achterhaalt;
Als \'t Pyreneesch gebergt dijn Rijk van Spanje paalt,
Schut zijn afgunstigheid ook zoo van uw frontieren!
202. Rome. Van Vloten schrijft 201—216 niet aan Vondel toe; maar in
1610 kon niemant anders dat schrijven. — 206. Den Duivel. — 228. O. en
N. Verbond. — 229. Lees: Gig as, reus. — 230. Iber, Spanje.
-ocr page 25-
HET PASCHA.
ii
OFTE
DE VERLOSSINGE ISRAËLS UIT EGYPTEN.
trage-comedischer wijze, een ieder tot leering,
op\'t tooneel gesteld.
.-Den goeden vind mij goed,            Wanneer ik d\' een behoed\',
vDen kwaden straf en streng,         En d\' ander t\' onderbreng\'.
DEN DICHTER WENSCHT DEN GOEDWILLIGEN LEZER
HEIL ENDE ZALIGHEID.
D\' Oude wijze Heidenen, aanmerkende den aard ende verdor-
venheid des menschen, ende ziende hoe traag vast een ieder
was, om langs de trappen der deugden op te klimmen, ende
omhoog te stijgen in al hetgene wat loflijk ende eerlijk bij
hun mocht genaamd worden, als zijnde eenen al te steilen berg;
zoo hebben zij in alle manieren getracht door zekere middelen
een ieder te brengen tot een goed, zedig, en natuurlijk borger-
lijk leven; tzij door eenige poëtische fabelen ende verzierde
gedichten, oft door andere bekwame regelen ende wetten. Dan
onder andere hebben zij voor goed ingezien de maniere van
eenige oude historiën oft vergeten geschiedenissen wederom te
ververschen, ende, voor al de wereld, op\'t tooneel te stellen:
om alzoo door zekere aardige toegemaakte beelden ende per-
sonagien, levendig uit te drukken ende na te bootsen tgene tijd
ende oudheid, met veel verloopen eeuwen ende afgemaaide jaren,
bijkans uit \'t gedacht gewiscnt hadde; in voegen als oft die
eerst tegenwoordig geschieden: waarinne zij betoonden, hoe in
\'t einde alle goed zijn belooninge, ende alle kwaad zijne eigen
straffe veroorzaakt, opdat zelfs plompe, rouwe ende ongeleerde
menschen, die al hoorende doof ende al ziende blind waren,
zonder bril mochten hun feilen als met den vinger aangewezen,
ende door sprekende Letteren van gecierde Figuren getemd ende
VI. Vondel is in den kousenhandel van zijn vader opgevolgd. IVarmoesstraat
over de Zoete-Naem-Jesus steeg, thands genummerd 110. ,Jn de Trou" was zijn
uithangbord. Het huis heette ,Je Kraeck", een schip, waarschijnlijk in bdreliëf
op den gevelsteen afgebeeld.
Als Brabander is hij in verkeer met de Rederijkkamer „De Lavendelbloem."
Deze speelt zijn eerste drama „Voor den volke". \'t Is waarschijnlijk reeds in
1610 gemaakt. Het verschijnt hier voor
V eerst naar den druk van r6i2, uitg.
tJot Schiedam\'" bij „Adriaen Cornelison."
-ocr page 26-
HET PASCHA OFTE DE
12
gezedigd werden, ende alzoo, volgens de spreuke Horatij, t\' profijt,
met genoechten leeren. Want nademaal zij bevonden, dat eenige
te kreupel waren, om te graven na de kostelijke kleinodiën der
leeringen ende geheimenissen, die onder de schorse van ge-
droomde fabelen wechgescholen ende verborgen lagen, en hun
van gretige zoekers ende ijveraars gaarne wilden laten vinden,
ende dat den eenen op deze, den anderen op een andere wijze
wilde geleerd ende onderwezen zijn, zoo en is het hun niet ge-
noeg geweest, oft schoon de boeken van schoone lessen al ver-
vuld waren, ende geheel dik opgehoopt op malkanderen liggen-
de eenen heerlijken winkel maakten, ende oft veel gulden redenen
in koperplaten ende marbelsteenen konstig gegraveerd alszins in
\'t voorhoofd van treffelijke gebouwen, de voorbijgangers al ver-
baasd ophielden: maar zij hebben ook daarbeneffens, in groote
bizondere schouwplaatsen, willen in \'t openbaar de schatten der
filozofie in den schoot toewerpen degene die te achtloos waren
om daar naar te arbeiden ende te streven.
Zij hebben met dit doen ook den geheelen stand ende con-
ditie der Wereld willen afbeelden, ende die eenen iegelijken
als een levende schoonverwige schilderije voor oogen stellen.
Want waarbij mag het geheele tafereel oft theatrum dezer
Wereld beter vergeleken worden, als bij een groot openbaar
tooneel, daar vast een ieder gedurende den handwijlschen tijd
van zijn vliênde leven, zijn eigen rolle ende personagie speelt.
De een vertoogt zich daarop als Koning, ende neemt genuechte,
met zijnen bepeerlden Scepter ofte Rijksstaf, veel Koninkrijken
ende Landen te gebieden ende te beheerschen, met een gouden
kroone zijn koninklijk hoofd óm te drukken, ende bekleed met
een glansig luisterende purper zich te vertoonen op zijnen hoo-
gen Throon, voor wiens Majesteit de onderdanen met groote
eerbiedinge buigen ende nedervallen. Een ander volgt den
Knjg-god Mars, ende al blaauw gehelmd steekt zijn peerd met
sporen, hebbende in de eene hand een tweesnijdende zweerd,
in d\' ander een gevelde spere, rijdt alzoo midden onder de
vijanden, ontziende noch leven noch dood, om met tien duizend
Trofeën triumfelijk weder te keeren, oft in \'t bestoven veld,
onder de verslagen helden, zijn graf al met groenen Palm ende
Lauwer bestrooid te hebben. Dezen, met een verbleekt gelaat,
kweelt van liefde, en doet met zijn beweeglijke klachten alszins
den schallenden Echo in \'t holle gewelf van Veneris tempel
wedergalmen. Die berijdt den woesten Ocean met een gevleu-
geld peerd, niet ontziende stormen, winden, zeevlagen, noch
syrten, noch klippen, noch diepe afgronden, om van het Oosten
Hand wij lsch, kort. —
Kweelt, kwijnt.
-ocr page 27-
VERLOSSINGE ISRAËLS.                        13
in \'t Westen te geraken. Een ander beploegt, met een paar jok-
ossen, den rugge van onzer aller Moeder, om tzijnder tijd de
Godinne Ceres d\' eerstelingen zijner vruchten toe te wijden, etc.
Twijlen dus den eenen in dit, den anderen in een ander bezig
is, ontgaat hun den vluggen tijd, ende eer den eenen naar den
anderen den laatsten zucht geeft, moeten zij alle met den
Wijzen-man roepen, dat alles niet anders is dan „Al ijdelheid,
Al ijdelheid," ende worden alzoo door onverwachte dood, eer
zij hun zelven hebben recht leeren kennen, van het tooneel
des Aardbodems achter de gordijne wechgerukt: daar is den
rijken en den armen, den wijzen ende den zotten, den schoo-
nen ende den leelijken, den sterken ende den zwakken, d\' een
d\' ander gelijk; zoo dat met recht over deze onze ijdelheid
Heraclitus schreit, Democritus lacht, ende Timon zich voor de
menschen als voor eenen vloek versteekt, op hooge bergen, in
diepe holen, in duistere wildernissen, ende andere eenzame
plaatsen. Dit aldus aangemerkt zijnde, kunnen wij lichtelijk
vonnissen, wat d\' oude wijze Heidenen met deze maniere van
doen hebben willen te kennen geven, ende dat zij daarinne
niet te vergeefs zoo vlijtig ende bezig geweest zijn.
Ja, dat meer is, wie zal dorven ontkennen, dat de Wet met
al heur ceremoniën ende uiterlijke diensten, als offerhanden,
reinigingen, Sabbatthen, nieuwe maanden, ende al hetgene Aarons
priesterschap ende den tempel met alle zijn cieragien, gereed-
schappen, ende toerustingen aankleeft, zoo ook het regiment
van het Rijke Israëls, — wie zal (zegge ik) dorven verlooche-
nen, dat dit alles iets anders geweest is, als een voorspel van
hetgene men in den toekomenden Messias te verwachten hadde?
Want doen dezen alderheiligsten Hoogenpriester en Koning alder
Koningen kwam, doen hadden alle wettelijke letterlijke Prie-
steren ende Koningen Juda hun rolle volspeeld ende uitgediend:
want in Christo houden alle beelden, schaduwen, ende figuren
op. Ja, de bloote parabolen ende gelijkenissen, die de Heere,
onzen Zaligmaker, in den Evangelio voorstelt, „van den men-
sche, die onder de moordenaars gevallen was; van den verloren
Zone, die al zijns Vaders goed onnuttelijk verkwist hadde;
van den Rijken-man, die met purper ende kostelijk lijnwaad
bekleed zijnde, lekkerliik leefde, ende Lazarus vergat;" wat zijn
\'t anders, als naakte Comediën ende Tragediè\'n, om daarmede
te leeren die menschen, de welke op geen andere maniere de
verborgen mysteriën van het Rijke der Hemelen verstaan kon-
nen ? Ik ga voorbij de Boeken der Koningen: daar eenen
hoovaardigen, woedenden Saul, al razende ende troosteloos, in
zijn eigen zweerd valt; daar eenen vluchtigen David, gedurende
zijn ballingschap, hemel ende aarde te naauw dunkt; daar eenen
-ocr page 28-
54                                  HET PASCHA.
verwonnen Zedechias gevankelijk na Babyloniè\'n gevoerd werd;
daar eenen tirannischen Nebukadnezar Jerusalem ende des Hee-
ren Tempel verwoest, ende tot eenen steenhoop maakt, etc. Alle
welke Personagien ons van den H. Geest tot leerachtige voor-
beelden (als op de se e na) voorgedragen werden: zoo hebben
wij voorhenen deze Trage-Comedie voor eens ieders oogen
willen op de stellagie opentlijk vertoonen. En alzoo wij bevon-
den hebben, dat vele daar smaaklustig ende begeerig na geweest
zijn, om tzelve nog eens t\' overlezen, niet vernoegd zijnde,
dat zij tgezichte ende tgehoor daar van genoten hebben, zoo
hebbe ik, ten ernstigen verzoeke van eenige, geoorloft tzelve
(hoewel het gering is ten aanzien van tgene ik daarin gedaan
hebbe, nochtans groot ende gewichtig van stoffe) door open-
baren druk eenen iegelijken gemeen te maken; te meer, omdat
het bij velen uit mijn originaal getogen zijnde, te zeer gekrenkt,
ende van zijnen luister te zeer beroofd ende ontcierd werd.
Wenschende, dat het met zoodanige vruchtbaarheid gelezen
werde, dat het gedije tot prijs van den heiligen en gebenedijden
Name Gods, ende dat, door het overdenken van deze Trage-
comedie ofte dit Blij-eindig-spel, de droeve Tragedie oft het droe-
vig Treurspel van ons ellendig leven, mag nemen een vrolijk
einde ende gewenschten uitgang. Amen.
In Amstelredamme, 1612, den 29 Maarte.
Den al uwen
I[oost] V[anden] Vondelen.
&pi*txt
A MON SEIGNEUR
IEAN MICHIELS VAN VAERLAER^,
MON SINGULIER AMT.
L\'encensoir odoreux de 1\'Arabie heureuse,
L\'Attique, miei sucré, la mine precieuse
De la riche Peru, les perles, les thresors
Que 1\'Inde Oriëntale a sur ses riches bords,
5 Ne pouvant presenter a vostre Seigneurie,
yil. De vader Michaël Michiels v. Vaerlaer (sterft vóór Nov. 1609) kwam
in IS94 van Keulen, 0. a. met zijn zoon Jan en zijn dochter Susanna (iJ77)-
Jean Michs. was koopman in ^syden lakenen" in de Warmoesstraat. In /60S
—
1609 was hij Heer van Jaersveld geworden; hij was op 29 Nov. 1609 getrouwd,
In de Oude Kerk, met Christina Pietersdr. Ruytenborgh.
-ocr page 29-
EPISTRE.                                      15
Ie vien 1\'Avant-coureur de mienne Poësie
Sacrer a ton honneur, en toute humilité,
La printaniere fleur de mon aage doré.
Ma Muse rit desia, se voyant amiable
10 Dessoubs 1\'ombre d\'vn tel Meeaene favorable,
Qui, fuyant Ie pavé des ruës, va les champs
Presser de ses talons: qui 1\'aage de son temps
Loing, loing hors 1\' emmuré d \'vne Cité redouble,
Laissant des Citadins la peupuleuse trouble:
15 Qui pour les flots du Leek et son bord verdissant
Quitta Ie bleu Triton de 1\'Amstel ondoyant,
Et estant petit Roy de Iaersveldt, ne desire
Changer son libre estat pour vn plus grand Empire.
O trois fois bienheureux (a autre fois chanté
20 Horace et Ie Gascon Du Bartas renommé)
O mille fois heureux! qui voit tousiours Nature
Fleurir parmy les champs en eternel verdure!
Le maniement joyeux d vn verd scion enté
Le lustre passé d vn royal sceptre emperlé,
25 Les feuilles ombrageux d\'vn florissant boscage,
Les doux tirelirants Rossignols en ramage,
Surpassent 1\'orgueilleux couronnement royal,
Et le chant mesure des Chantres musical.
Si tost que le Soleil va peindre de dix milles
30 Couleurs le gay Printemps, par les pleines fertiles,
Le champestre Bourgeois voyt ores sur les fleurs
Aurore distiller ses agreables pleurs,
Il voit les fleurs ployer soubs vn mignard Zephire,
Il oyt le doux Echo qui par le ciel souspire,
35 II voyt les aime-fleurs d\'Hymette bancquetter,
Le sueux Laboureur la terre cultiver,
Et richement semer la nouvelle semence,
Pour moissonner apres les fruicts en abondance.
Le chaleureux Esté (qui brusle tout vermeil)
40 Luy monstre les espics, la vertu du Soleil;
Luy monstre le coral des cramoisins cerises,
Et 1\'Automne a couvert de mille friandises
Sa table, riche en fruict, en bied, en grain, en vin,
Verssant le bon Bacchus dedans vn crystalin.
45 Or estant de tous biens richement couronnée
Il sent desia en 1\'air les aisles de Borée.
He Dieu! qu\'est-ce vn plaisir ainsi en liberté
12. 2e helft, 13. Die zijn levenstijd verdubbelt. — 15. De uitg. lieeft:
bords du Leek. — 23. Scion, groen takjen. — 31. Ores, heden. — 32.
Ses, er staat les. — 35. Bijen. — 43. De uitg. heeft: son table.
-ocr page 30-
ï6                                  HET PASCHA.
Parmy les champs feconds, en toute seureté,
De talonner les pas de nostres premiers Peres,
50 Loing, loing laissant a dos les passions severes,
Fuyant Ie bruict mondain! ó, doux et sainct repos!
Qui de cupiditez n\'as point chargé Ie dos,
Qui ne crains Ie malheur d\'vne gauche fortune,
Ni 1\'azur ondoyant du barbare Neptune,
55 Qui portes dans ton coeur ta richesse et thresor,
Et ton bien souverain: qui pour argent ni or
Ne passeras la mer, ne tendras tant de toiles,
Pour borner tes desirs soubs l\'ombre de tes voiles,
Qui d\'vn Balaine fier ne crains d\'estre englouti,
60 Mais qui dans ton berceau veux estre enseveli.
Durant 1\'aage doré que nos premiers Ancestres
Faisoient profession des ouvrages champestres,
Astree florissoit, et la terre a chascun
Estoit avec ses fruicts en partage commun.
65 Les fifres ni tambours n\'esveillerent 1\'orage
D\'vn sanglant escharfaut, ne Mars aime-carnage
N\'exhortoit ses Souldats; on ne trouva Citez,
Chasteaux, ni Tours pierreux, ni Remparts terrassez;
Neptune n\'eust Ie dos ni ses ondes salées
70 Chargées de cent vaisseaux, car du fruict des vallées
Chascun se contentoit, et vivoit a Cerès,
Laquelle abondamment leur provida assez.
O celeste labeur! qui dans ton front empraincte
Portez la saincte loy, la justice, et la crainte
75 Du grand Dieu Zebaoth, comme Abel vertueux,
Noë, Moyse, Abram, et celuy qui les Cieux
Semble oreillier au son de sa harpe dorée,
Et triomphant se voyt vainceur d vn Briarée.
Combien d\'années les Romains sont sagement
iio Gouvernez soubs ceux ei, qui du coutre trenchant
La terre ont cultivé, je laisse vn Tite Live
Historier dessus la Tyberique rive.
Ie ne veux, ni ne puis mettre en jeu tous les Roys,
Porte-sceptres dorez, Demy-dieux, Donne-loyx,
85 Qui ont abandonnez leur Couronne invincible,
Pour vivre bien contents parmy Ie champ paisible;
Loing, loing des vanitez et troubles de 1\'esprit,
Pour laquelle ses pleurs Heraclite espandit.
La plus part qui cerchoyent les immortelles vivres,
90 Et qui diligemment ont feuilletté les livres
78. Briarée, hier als Hemelbestormer.
-ocr page 31-
HET KORT BEGRIJP.
\'7
Du trois-fois sainct Esprit, sont aussi retiré,
Laissant arriere loing 1\'humaine vanité.
Gar Ie vray Helicon, et Pernasse des Muses
Se plaist d entre Ie son des douces cornemuses,
95 Du haubois pastoral, soubs 1\'arbres ombrageux
Lesquels tous-jours croissant vont menacant les Cieux.
Toy qui d\'vn mesme feu et d\'vne mesme flame
Bruslez divinement, c\'est vers toy que je rame
Avec mon foible esquif, puis qu vn vif jugement
100 Accompaigne tous-jours ton hault entendement,
Souffrez que soubs ton nom je vien Ie vieil Theatre
Icy renouveller, et Pharon 1\'Idolatre
Presenter obstiné, qui ses derniers sanglots
Et derniers pleurs noya dedans les rouges flots:
105 Souffrez que je despein icy la delivrance
Des enfans d\'Israël, d\'Abram juste semence,
Afin que par Zoyle au visage effronté
Les rleurs de mon printemps ne soyent violé.
C\'est la cause pourquoy, Mecene tres-fidelle!
110 Que ma Muse dessoubs 1\'ombrage de ton aisle
Se cache volontiers. Ma Muse qui s\'en va,
Sur Ie sacre sommet de FArabe Sina,
Le front pousser au Ciel jusqu\' aux bigarres nuè\'s,
Soubs 1\'Echo de ton nom jusqu\' aux astres cornuës:
115 Recevez doncq ces vers, ces vers qu\' a ton honneur
Vrayment meritent bien vn plus docte Sonneur.
De vostre Seigneurie le tres-arfectionné
I. V. V.
KORT BEGRIJP VAN DE TRAGE-COMEDIE:
rTyF.:wijl Moses de schapen (zijns zweers \') Jethro) hoedt in Madian,
■*■ bij den berge Horeb ofte Sinas, verschijnt hem de Heere in de
gedaante eens Engels uit den vlammenden bosch, ende stelt hem tot
een leidsman, Herder, ende lrerlosser over
V Huis van Israël. Moses
ontse huldigt zich om zijn onbekwame tonge; dies ver zeit hem de Heer
met zijnen broeder, den schoontaligen ende priesterlijken Aaron. Deze
twee gebroeders, als Gezanten van Gods hooge Majesteit, verzoeken de
verlossinge lakobs aan den Koning Pharao, met bevestinge van
V eerste
wonderteeken, hun slangwordende roede. Maar den hnogmoedigen Koning,
verstokt (zoo door
V ingeven ende goochelerije van zijn Droombedieders
ende Toovenaars, als door zijns zelfs obstinaatheid) verdrukt de Hebveen
1) Schoonvaders.
VONDEL I.                                                                                                        2
-ocr page 32-
18                                      HET PASCHA,
meerder als voor henen: waar op volgen cle tien straffen Gods, als roeden
ende geeselen van zijne rechtvaardigheid, dies hij bedwongen is hun te
verlaten,
i) Doch de Heere verstokt hem tot uiterste straffe van zijne
hardnekkigheid, ende tot grontmakinge van zijnen heiligen Name, dat
hij, met zijn heirleger, ruiters, paarden ende wagenen, d^ Israëlieten
achterhaalt aan
V Roode Meer, daar de Heere zijn uitverkorene droogs
voets door brengt uit
V geweld Pharaonis, die, hun op V spoor navol-
gende, zijn droevig treurspel eindigt, ende alle hoogmoedige Godverachters
zijnen ondergang als eenen spiegel voor oogen stelt. D"1 Israëlieten verlost,
loven (over hun trlutuphante veriossinge*) den Heere met lofzangen ende
dankzeggingen. Luistert toe, etc.
BEELDEN VAN \'T BLIJ-EINDIG SPEL.
Godt de Heere.
Moyses, Aaron, Corach, ) D, Qud der Hebreen-
Iosua en Caleb,                   )
Pharao, den Koning.
iphls, / Droom_bedieclers ende Toovenaars.
Albinls, Veld-hoofdman met zijn Heir-leger.
Den Reye der Egyptenaren.
Den Reye der Israëlieten.
Fama, oft t\' vliegende Gerucht.
Choor, de leerlijkheid ofte moralisatie van \'t Spel.
EERSTE DEEL.
Moyses, hoedende zijne schapen aan den berg Horeb, spreekt:
WEid hier, mijn beestiaal! weidt hier, mijn tierge vee!
Golft hier om dit gebergt, mijn witgewolde zee!
Scheert hier \'t groen-har\'ge loof, spaart kruid, noch
bloemkens geurig:
T\' lacht hier doch altemaal, zoetrokig en couleurig.
5 Nu wauwelt zoo veel gras, zoo vet en graag bedijd,
Tot gij van Madian de schoonste kudde zijt.
Onnooz\'le lammerkens, verstrooit u wijd noch verder,
Blijft al omtrent den staf van uwen trouwen herder:
Den wolf (waarvoor ik u zoo dikmaals heb beschermd)
10 Is d\'onrust, die doch steeds naar u, mijn vliezen, zwermt.
Ontwijfelijk, hij ligt hier al omtrent gedoken,
Want hij terstond den snof heeft van zijn aas geroken;
i) Vrij te laten. — 10. Vliezen, schapen.
-ocr page 33-
EERSTE DEEL.
\'9
Dus blijft mij al omtrent, en loopt zoo niet verdeeld,
Terwijl den Echo hier met mijn gedachten speelt.
15 Och, o ft met dezen staf mijn jaren henen slipten,
Dien staf mij waarder als den Scepter van Egypten!
Oft ik mijn dagen sleet in deze weide schoon,
Veel heugelijker als \'t gewelf van Memphis\' throon!
Veel liever wilde ik hier een zoeten bloemkrans plukken,
20 Als met de Nijlsche kroon mijn voorhoofd prat omdrukken.
Geen purper ruilden ik oft koninklijk gesmijd,
Met mijn omgorden rok, mijn herderlijk habijt.
Geen wijnen liet ik in een goude schale gieten,
Voor eenen koelen teug geschept uit deze vlieten;
25 Veel grager uit mijn maal smaakt deze spijze grof,
Als al de lekkernij van \'t koninglijke hof.
Al schijnet Konings hof te zwemmen in wellusten,
\'t Is wederom vermengd met zorgen en onrusten:
Nu zal de Koning zijn met purper schoon bekleed;
30 En morgen toegerust met wapens dol en wreed.
Nu zal zijn waardig hoofd de groote kroon bedwelmen,
En morgen \'t harde staal en \'t blaauw van eender helmen;
Drukt nu zijn sterke hand den Scepter hoog en weerd,
\'t Verandert sanderdaags licht in een vlammig zweerd.
35 Zit nu zijn Majesteit in zijn gewelfde Zalen,
Nu moet hij na de grens en t\' uiterst\' van zijn palen.
Ik zie niet dan een zweerd aan eenen zijden draad
Steeds hangen boven \'t hoofd den Koninglijken staat.
Ons Vaders hebben dus hun leven laten glijen,
40 En over t\' vee gezocht de zoetste heerschappijen:
Abel en Abraham, Isac en Jacob mild
Zijn wel d\' aanvangers van t\' eenvoudig Herder-gild.
Geen van hun allen heeft gedreven ander woeker,
Als met de geiligheid van \'t vee, hoe langs hoe klocker;
45 Hun beesten waren meest hun werking en hun doen.
Ik volg hun stappen naar, en langs de kusten groen;
Dus schuwe ik heel gerust t\' gewoel van groote Heeren,
Doch meer dwingt mij de nood als hertelijk begeeren.
T\' bloed is nog versch en laauw, waar met ik deze wijl
50 Eens laafden \'t dorstig zand bij \'t stroomen van den Nijl:
Mocht ik den Pharao zoo lichtelijk begraven,
En rukken Iacobs huis uit dit gedurig slaven!
Tyran! och, oft gij eens begrijpen mocht in \'t minst,
Dat \'herderlijk beroep den Koninglijken dienst
55 Beteekent t\' eenemaal: gij bleeft niet zoo versteenigd,
25. Maal, tasch.
-ocr page 34-
20                                 HET PASCHA,
Zaagt gij den Scepter met den Herder-staf vereenigd:
Het Herder-ambt vereischt, dat hij zijn kudde hoedt,
De Koning, dat hij \'t volk heerscht met een wijs gemoed;
Den Herder moet zijn kudd\' voor des wolfs tanden vrijen,
60 De Koning weeren al d\' uitheemsche tyrannijen.
Dat d\' Herder-staf geen Lam voor d\' ander stoot noch sla,
En elk Inwoonder hoort den Scepter even na.
D\' een vlies voor d\' ander komt de weide niet ten goeden,.
Zoo hoort t\' Rijk op te staan, om iegelijk te voeden:
65 Maar Israël, eylaas! gaat op een dorre heid\',
Daar den Egyptenaar in \'t grazig groene weidt.
D\' een is een droeve slaaf, en moet, och arm! ontberen,
Dat d\' ander zal in weelde en overvloed verteeren:
De vloer, waarop zich den Egyptenaar verlust,
70 Veel zachter is als \'t bed van d Isralietsche rust.
Pharao\'s rijksstaf hun verstrekt maar eenen vlegel,
Zijn kroon een lastig jok, dat, zonder maat oft regel,
Den Isralieten drukt: zijn wedersnijdig staal
Zal den Egyptenaar beschermen t\' eenemaal,
75 En al hun vijanden verstrekken eenen prikkel,
Maar Iacobs vruchtbaarheid afmaayen als een sikkel.
Fij, ongerechtigheid! Fij, koninglijke haaf!
Waarvan d\' een borger is en d\' ander eigen slaaf:
En oft zij schoon met graan al Memhs\' zolders vullen
80 Het kaf is al den loon, die zij genieten zullen.
Mijn Isralieten, die zoo lange om vrijheid riept!
Gij graaft om elke stad een grondeloze diept,
Gij bouwt zijn muren op, en gaat den Hemel tergen
Met torens, die hun kruin tot in \'t gesternte bergen;
85 En hoe gij bouwt en slaaft, met truffel, spa, oft ploeg,
En arbeidt in het zweet uws aanschijns, spade en vroeg,
Des morgens, eer de zon met zijne stralen luistert,
En \'t manenzilver met zijn gulden toorts verduistert,
Tot dat den zwarten nacht beschaduwt berg en dal,
90 En dat \'s doods zuster wiegt in slaap den grooten Al:
Noch razet den tyran, Egypten lett ten woesten,
En zal door ledigheid van dezen zwerm verroesten.
Heeft tijd en oudheid dus Iosephs weldaden groot
Uit uw gemoed gewischt? Denkt, hoe uit zijnen schoot
95 Egypten werd gespijsd, doen over zijn limieten
Zijn horenen den Nijl maar jaarlijks twaalf cubieien
64. Op te staan, open te staan. — 71. Pharaoos scepter is voor hen
niets anders dan een vlegel (gecsel). — 73. Wedersnijdig, tweesnijdend.
— "7. Haaf, bezitting. — 87. Luistert, schittert. — 9b. Cubieten,
zekere maat.
-ocr page 35-
EERSTE DEEL.
21
In zeven jaar verhief, en zelf de hemellocht
Dij weigerden zoo lang heur tranen koel en vocht;
Doen u vrouw Ceres, laas! wat zij ook ploegde of zaaide,
ioo Met geene zeisen krom in zeven oogsten maaide,
Doen t\' eiken in den oogst den droeven akkerman
Vervloekte ploeg en zein, dorschvlegel, eg en wan,
Doen \'t heele Ceresgild schier niet dan stroo en stoppel
In schoven samenbond, in bondels en gekoppel:
105 Doen loech elk Ioseph toe, doen was hij \'s Konings beeld,
Zoo lang hij vaderlijk het graan heeft uitgedeeld,
Doen hi] zoo vriendelijk de stralen van zijn oogen
Op iegelijken wierp, en niemant heeft onttogen
De vrucht zijns overvloeds; doen zijne volheid plein,
110 Gelijk de zonneschijn, een ieder was gemein.
O Ioseph! al te slecht hebt gij gevoed te veuren
De wolven, die nu \'t Schaap van Israël verscheuren;
Uw mild weldadig hart, dat gij hun hebt betoond,
Wordt ons met tyrannie al t onverdiend beloond:
115 Hadt gij ons Vaders doch geweigerd deze gaven,
En langen tijd met hun voor onzen tijd begraven!
Oft schoon Abrahams zaad in vruchtbarigheid tiert,
Als s\' Hemels mantel blaauw met lovers is gecierd,
Oft schoon Isacx geslacht in veelheid goederhandig
120 Beklijft, als \'t Roode Meer opwerpt zijn baren zandig,
Oft Iacobs neven zich verspreyen in saisoen,
Als \'t loof groeit uit den schoot van dees valleyen groen:
Wat baat het, als hun dus verheert met tirannije
T\' ondraaglijk eeuwig jok van droeve slavernije?
125 O, onzer Vaadren God! wanneer zal eens t\' gesmook
Van onze altaren als een liefelijken rook
Ten hemel stijgen op? Werwaarts, en in wat landen
Zal u den wierook van ons heilige offerhanden
Bevallen? Och! gedenkt aan \'t teeken des verbonds,
130 Bezegeld met het woord uws Goddelijken monds,
Dat gij den Scepter nog zult peerlen in ons handen,
Die overheeren zal den trots van uw vijanden;
Bevestigt uw beloft, onttrekt ons niet zoo licht
De heiige stralen van uw hemelsch aangezicht:
135 Oft zijn wij dus gestraft om onze zwaar misdaden,
Wascht ons weer in de borne en vloed uwer genaden!
Zoo wijd den morgenstond beschaamt het nachtzeil zwart,
Toont dat de gunste strekt van uw Vaderlijk hart:
115. Hadt gij, Ioseph, onzen vaderen liever uw gaven geweigerd en ze van
hongersnood ten gravc gebracht.
-ocr page 36-
HET PASCHA,
22
Treedt ons met uw gericht niet altijd op de hielen,
140 Werpt uwen blixem niet op zoo veel duizend zielen:
Wij zijn dijn handen werk, etc.
(God verschijnt Moysi in den vlammenden bosch.)
MOYSES.
Aanschouwt dat heerlijk licht!
Hoe blikt in \'t sterflijk oog dit wonderlijk gezicht!
T\' bosch schijnt in vuur en vlam te sparken en te gloeyen,
Nochtans, in \'s vuurs gegolf, gebloemt en bladers bloeyen.
145 Ik wil mij derwaarts spoên.
GOD.
Zacht, Moyse! Moyse, beidt!
MOYSES.
Hier ben ik.
GOD.
T\' is hier van mijn tegenwoordigheid
Een driemaal heilig land: dus wacht u Mij t\' ontmoeten,
Eert Mij en deze plaats, ontschoeit terstond uw voeten.
T\' bosch, dat hier branden schijnt, en niet en wordt verteerd,
150 Daarmede is Israël naakt af gefigureerd:
\'t Vuur is een beeltenis van mijnen Geest, die leerlijk
De kwaaddoender verteert, de goede loutert heerlijk,
En, g\'lijk men op den toets het edel dierbaar goud,
Nadat het is doorvuurd, veel weerdiger beschouwt,
155 Zoo zullen ook in \'t kruis de twalef Joodsche stammen
Groen blijven, als \'t geboomt\', in t\' golven dezer vlammen.
Ik ben Abrahams God, de God die \'t al bezielt,
Waarvoren zich Isac en Iacob heeft geknield.
MOYSES.
Amy! waar zal ik vliên, in klippen oft in kuilen?
GOD.
160 Ik was, Ik ben, Ik blijf.
MOYSES.
Waar zal ik mij verschuilen?
GOD.
Den hemel is mijn throon, d\' aard mijnder voeten bank,
En \'t Helsche Keizerrijk \'t wit van mijn pijlen strank.
Dit wonderlijk geheel van hemel en van aarde,
Ja, tot mijn evenbeeld, den mensche, hoog van waarde,
165 Ik in zes dagen schiep. De zon is maar een vonk
Van mijne heerlijkheid, die voor veel eeuwen blonk:
162. Strank, streng.
-ocr page 37-
EERSTE DEEL.                                 23
De God, die Abrams zaad in Isac wilde noemen,
Zoo vele als \'t zand des meers oft als de Lentsche bloemen.
Ik ben de zelfde God, die Isrels troebel zee
170 En groot heirleger met mijn vleugelen bespreê.
Werpt slechts op mijn beloft den anker van uw hopen:
Want over Iacobs huis staan steeds mijn oogen open;
Mijn oor beluistert hun gebed van woord tot woord:
Ik heb hun leed gezien, en hun geschrei gehoord!
175 Mijn zeisen maait nu eens den draad van hun ellenden;
Ik zal nu \'t wankel rad van mijn beproeving wenden:
Nu zuldij zien wiens hand den Pharao ontrukt
Mijn lelie, die zoo lang de doornen heeft gedrukt!
Gij zult den leidsman zijn, en brengen hun personig,
180 Met uwen staf, in \'t land, dat vloeit in melk en honig;
In \'t land, daar Abraham zoo dikwijls zag de maan
Heur hoornen spieglen in de glazige Iordaan;
Daar zijn gehoorzaamheid mij over had gegeven
Zijn eenig liefste kind, den spiegel van zijn leven,
185 Daar hij niet en ontzag, op Salems hoogte trots.
Te storten \'t bloed zijns zoons, tot eenen offer Gods:
Daar hij te buiten trad de Vaderlijke palen,
En zag op \'t altaar-plat alreê ten hemel stralen,
(Met oogen des geloofs, van wil en van gemoed)
190 \'t Vuur van zijn offerhand\', en zijn verkoren bloed;
Daar hij, in asch en stof, op \'t heilige gesteente,
Al reê begraven had zijn vleesch en zijn gebeente;
Daar hij zijn wandeling ten einde heeft gebracht,
En \'t hemelsch borgerschap hier boven heeft gekocht;
195 Daar zijnen zoon Isac en lacob, bei te gader,
Zijn pelgerims geweest, met hunnen ouden vader;
In \'t land, daar ik de kroon hun drukken zal om \'t hoofd
Die Abraham, Isac, en lacob is beloofd.
Gaat, boodschapt Pharao, wie dat u is verschenen.
200 De weg is al bereid, dus trekt met vreden henen.
MOYSES.
Ik ben een sterflijk mensch: ik ken mij veel te zwak.
GOD.
Hij maakt u machtig, die nooit sterkheid en ontbrak;
En tot een teeken blij, naar uw verlossing veilig,
Doet mij op dezen berg een offerhande heilig
205 Van liefelijken reuk.
MOYSES.
O God gebenedijd!
Hoe zal ik lacob doch betuigen, wie Gij zijt
Die mij gezonden hebt?
-ocr page 38-
HET PASCHA,
=4
GOD.
Iehova, God almachtig,
Die hun met zijnen arm zal helpen sterk en krachtig:
Ik ben, die Ik zal zijn, die u de kroone bied
210 Met uitgerekter hand, en gij en grijpt ze niet?
Ik ben die \'t al vermag: die uwen staf bepeerelt,
Den dans-beleider, wijs, van d\' een en d\' ander weereld;
Ik ben de Heere zelf.
MOYSES.
De vonk van hun geloof
Is zeer na uitgebluscht, in asschen bleek en dool.
GOD.
215 Met wonderdaden dan versterkt hun zwakheid teder;
Wat hebdij in uw hand?
MOYSES.
Een staf.
GOD.
1             Wel, werpt hem neder.
MOYSES.
Wat krunkelt hier alreê? hier wemelt, krolt en drilt
Een slange, die mij in de hielen bijten wilt:
O Heere, staat mij bij!
GOD.
Wel, grijpt den krommen worme.
MOYSES.
220 Dit \'s mijnen zelfden staf, weer in zijn eerste forme:
O, Heere, wonderbaar!
GOD.
Opdat u niets ontbreekt,
Uw rechter hand nu eens in uwen boezem steekt,
En trekt ze weder uit.
MOYSES.
Mijn hand is stijf en kromme,
Melaatsch, gelijk de sneeuw.
GOD.
Wel, drukt nu weder-omme
225 Uw ongeloovig hart.
MOYSES.
Ze is zuiver, rein en klaar.
GOD.
Gelooven zij dan niet dees teekens wonderbaar,
Met vochtig water sprengt de vloer die gij bewandert.
\'t Wordt in roodverwig bloed door mijne kracht veranderd.
224. Bijbcluitdrukking: namelijk zoo wit van inelaatschlicid: Exod. IV, 6.
-ocr page 39-
EERSTE DEEL.
25
MOYSES.
Om voor den Pharao verschijnen ik mij schaam,
230 Want, Heer! mijn tonge lispt, mijn stem is onbekwaam;
Kiest elders een Gezant....
GOD.
Zal Mij dan iets ontbreken ?
Die \'t alles schiep uit Niet, in d\' eerste week der weken,
Den Hemel, die om u met zijne lichten wielt,
En al wat in \'t begrijp van nat of droge krielt,
235 T\' gevogelt in de locht, dat op de winden zwieret,
En t\' waterzuchtig aas, dat na t\' vlietwater gieret,
T\' viervoetig veldsch gediert\', \'t geboomte, dat gekromd
Van zijne vruchten hangt, de dalen vol geblomt:
Wie heeft den mensch toch eerst t\' gesuisel en t\' gehoore
240 Van eenen zachten wind geblazen in zijn oore?
Wie heeft den appel klein van zijn gezicht bepaald,
Waarmede hij alsins mijn heerlijkheid bestraalt?
Wie heeft toch geconfijt zijn milde tong schoontalig?
Waar met den mond ontvloeit zijn woorden rijp en zalig;
245 En oft ik schoon uw tong gebrekkelijken liet
Om uw hardnekkigheid — wat dunkt u, kan ik niet
Gebruiken neffens u, voor Israël en Pharon,
De zoetvloeyende taal van uwen broeder Aaron?
MOYSES.
Oft Pharao blijft versteend, en drijft met ons den spot?
GOD.
250 Leeft met hem zoo gij wilt, tot eenen aardschen God
Zijt gij van Mij gezalfd.
MOYSES.
En blijft hij onbewogen?
GOD.
Zoo dreigt hem mijnen toorn, met mijn gespannen bogen;
Mijn pijlen hangen ree gescherpt in mijnen tros,
En naar mijn dreigement, zoo gaan mijn pezen los.
MOYSES.
255 En of mijn haters mij nog in Egypten vonden?
GOD.
De dood heeft lang vernield die naar uw leven stonden:
Dus spoeit u.
MOYSES.
Op uw woord zal ik mij henen spoên!
Mijn vliezen zijn hier vast verstrooid, verspreid in \'t groen.
244. De uitgaven hebben: „ontvloeit zijn rijpe woorden zalig." — 253.
Tros, bundel.
-ocr page 40-
HET PASCHA,
i6
Wel op, mijn geilg Vee! loopt thuiswaarts voor mi) henen:
2Ö0 Dit \'s voor de laatste maal; den tijd die is verschenen,
Dat ik een herder ben van Iacobs huis bescheerd:
Wat schadet, dat ik \'t aan dees schaapkens heb geleerd?
Af.
CORACH, IoSUA, EN CaLEB.
CORACH.
Hoe lang zal Iacob nog betreden deze pleinen,
Daar hij zijn oogen maakt tot schreyende fonteinen?
265 Hoe lange zullen nog, in zijne dageTi oud,
Dees groene velden met zijn tranen zijn bedauwd?
Hoe lange zullen nog zijn klagelijke lippen
Bewegen berg en dal, de rotsen en de klippen?
Hoe lange zal hij hier gelijken ongestild
270 Een sneeuwen beeld, dat in de zonneschijn versmilt?
Hoe blijft hij dus van God verworpen, droef en smartig?
Wien heeft de Hemel ooit geweest zoo onbarmhartig?
O, Heere! niet om ons, maar om uw vast verbond
En drie maal heilgen naam, verstopt den lastermond
275 Der Heidenen, die stout en schimpig durven spreken:
„Is dit \'t verkoren volk, \'twelk voert het Godhjk teeken?\'*
Gij zijt doch onzen God: wij kennen anders geen:
Wij hebben doch nooit beeld van koper noch van steen,
Gesternte, Zon noch Maan, noch schepsels creatuurlijk,
280 Nog nooit gouden Kolos noch zilverbeeld figuurlijk,
Afgodiesch aangebeên, noch zichtbaar beeltenis.
In vuur noch in geboomt wij nooit geheimenis
Verblind hebben gezocht, noch uw onsterflijk wezen
Den glans benomen van uw heerlij kheidy geprezen.
285 Wij hebben nimmermeer voor Isis, onbezield,
De Egypter Afgodin, devotelijk geknield;
Wij kennen Osiris niet, met een blinde zotheid,
Voor iets bizonders, of een drievuldige Godheid.
Met uw straffende hand en drukt ons niet altoos!
290 Gij kent ons zwakheid teer, en ons nature broos;
Wij zijn doch Aarde en Stof: wij hebben niet te roemen:
Wij zijn niet anders dan vergankelijke bloemen:
Als Gij het stralig licht uws aanschijns van ons wendt,
Zoo zijn wij arm en zwak, vol kommer en ellend.
295 Ziet, hoe ons Gozen, laas! van droefheid overvloeit
Hoe ons Pharao heeft geketend en geboeid.
Wij zijn t\' rookende vlas, wij zijn t\' gekrookte riet, I -
293. De oudste uitg. heeft stillig.
-ocr page 41-
EERSTE DEEL.                                 27
Een ander eenen vloek, ons zelven een verdriet!
Met dat de ronde Zon de hemelsche gordijnen
300 Van zijne koetse schuift, en doet den nacht verdwijnen,
Met dat den Dageraad treedt heur slaapkamer uit,
Die van den witten Dag den draaiboom opensluit,
Met dat zij heure vlucht gaat in den wagen spannen,
Zoo spant ter-stond in \'t jok d\' Israëlietsche mannen
305 Den slaafschen arrebeid, met een gezichte leep»
Die steeds ons onvernoegd voortklatert met zijn zweep,
Dat eiken druppel haars schijnt eenen stroom te zweeten,
Wanneer het Zoncompas den dag heeft overmeten.
Scheldwoorden is den loon van al ons dienstbaarheid;
310 Ons wordt naauw spijze en drank om leven bij geleid.
Och! of de bleeke dood ons slavernije susten:
Wij hebben hier toch niet, daar wij op mogen rusten!
Komt, aangename dood! en helpt ons uit dit krijt,
En overschrijdet perk, het perk van onzen tijd:
315 Want onze slavernij schijnt eeuwig en gedurig,
Gelijk de Zee de een\' baar op de ander golft azurig.
Een ander roept: o Dood! keert elders uwen boog;
Maar wij: o zoete dood! komt, dwaat ons tranig oog!
\'t Is onbestendig al: het planten en het zaayen
320 Men weder keeren ziet in plukken en afmaayen;
Nu ploegt men de aarde zwart met t\' kouter om end om,
Nu scheert men weer de vrucht met eene zeisen, krom!
Nu bloeit de lieve Lent\' met al haar bloemkens verwig;
Nu is de Herfst bekroond met gulden aren, terwig;
325 Nu lacht den Zomer schoon, nu gnort den Winter grijs.
De een spiegelt zich in \'t groen, en de ander in het ijs.
Nu rijst de zon in \'t Oost, nu daalt zij neer in \'t Westen,
Wanneer de bleeke Maan klimt uit de watervesten,
De Mane die heur nu in volle ronde stelt,
330 En weder heuren glans en zilverschijn versmelt.
Ja, zelf der Sterren loop, den Hemel met zijn Sferen,
Met de elementen steeds veranderen en keeren:
Maar onzen droeven staat gelijkt een vaste Pool,
Die staag uit een klimaat blijft pinken als een kool.
335 Hetgeen God eens belooft, breekt God dat wederomme
Door wispelturigheid?
IOSUA.
Neen, God, als een Kolomme
En Pyramide sterk, blijft altijd vast gegrond.
303. Vlucht, \'t vlugge voorspan. — 305. ie Naamval. — 318. Dwaat,
wisch af.
-ocr page 42-
HET PASCHA,
28
CORACH.
Is Hij \'t niet, die Hem aan ons vaderen verbond?
iosua.
Door ons misdaden is dit zegel weer gebroken.
CORACH.
340 Hij hevet doch beloofd, hij hevet zelf gesproken.
Ook heeft hij wel voorzien ons wankelmoedigheid.
Een Kroon (geen lastig jok) heeft hij ons toegezeid;
Noch geen Egyptenland, maar Canaan vruchtbarig,
Noch geen gehoornden Nijl, maar een Iordane barig.
CALEB.
345 Hij heeft ons dees beloft\' in geenen tijd gesteld.
CORACH.
En heeft zijns waarheids mond niet Abrams zaad gemeld?
CALEB.
Dat strekt zich eindeloos op ons nakomelingen.
CORACH.
Wat heugenis is \'t ons, als onzen tijd gaat springen?
CALEB.
Hij is in zachte rust, die ondertusschen sterft.
CORACH.
350 Waartoe is \'t dan beloofd, als men de vruchten derft?
IOSUA.
God hevet niet beloofd die zijn gebod versmaden.
CORACH.
Waaruit bewijst gij dat?
IOSUA.
God bindt Hem aan geen kwaden.
CORACH.
Is zijn belofte niet aan Abrams zaad verklaard?
IOSUA.
T\' zaad, dat als Abraham oprechte vruchten baart,
355 In liefd\', geloof en hoop, en in zachtmoedigheden,
In gehoorzamigheid, in oodmoed, en in vreden:
Dat God nu zijn belofte in ons niet en vervult
Daar zijn wij oorzaak van, om onzer zonden schuld:
Onze ongerechtigheid doet zijne liefd\' veranderen;
360 De misdaad scheidet God en menschen van malkanderen
Als eenen sterken muur: want God is onbevlekt.
Hij heeft den hemel heel met wolken overdekt:
Hij wendt zijn aangezicht, verstoppende zijne ooren;
Ons krachteloos gebed en wil Hij niet verhooren.
344. Barig, golvenden. — 348. Heugenis, hier: verheuging.
-ocr page 43-
EERSTE DEEL.
n-9
CORACH.
365 Wat staat ons dan te doen?
IOSUA.
Tot boete zijn bereid
Voor Hem, die overvloeit rijk van bermhertigheid,
Misschien (wij mogen doch zijn wijsheid niet begrijpen),
Op dat in ons gemoed vruchtbariger mocht rijpen
De vruchte des geloofs, heeft hij ons dus beproefd.
370 God kent ons nuttigheid, en wat de mensch behoeft
Weet Hij te voren wel.
CORACH.
Behoudens uw propoosten,
Beproeving, schijnt nochtans, den mensche leidt ten boosten.
IOSüA.
O neen, den rouwe, die ons God heeft toegeveugd,
Ontwijfelijk beklimt den steilen berg van vreugd.
375 Dat hij ons van Hem werpt geschiedt maar uit ontfermen;
Om vaderlijken ons te omhelzen met zijn ermen:
Wij zijn van oordeel blind, want \'s Heeren wil en eisch
Meer onzer zielen rust zoekt, dan t\' gemak des vleisch.
CORACH.
En schiep Hij lijf en ziel niet in den Paradijze?
IOSUA.
380 De een tot onsterflijkheid, en \'t ander tot een spijze
Der wormen in het graf, waarom Hem ook gewis
Veel waarder onze ziel als \'t sterflijk lichaam is:
De ziele keert tot God, maar na dit tijdlijk slaven
Wordt \'t lichaam weder in zijn zelfde stof begraven,
385 En moet, gelijk het graan in \'t aardrijk eerst verrot,
Versterven, eer \'t verrijst in heerlijkheid tot God:
Doch ons ziele is een beeld zijns heerlijkheids zelfstandig,
Die geen tyran en mag verdrukken, hoe vijandig,
Gelijk ons teêre lijf, ellendig, naakt en bloot,
390 T\' welk van den menschen boos werd lichtelijk gedood;
Maar de edel ziele staat alleen in \'s Héeren handen,
Al wordt ze hier bezwaard met veelderleie banden,
Terwijl ze in \'t aardsche dal ons lichaam \'t leven geeft,
En in \'slijfs hutte vast heur korte woning heeft:
395 En oft ons lichaam schoon in alderlei wellusten
En duizend weelden zwom: wat waar\' \'t, als niet en rusten
Ons edel ziele in God den Heere Sebaoth?
Wat baten ons dees winst? wanneer wij namaals t\' lot
En t\' alderhoogste goed, den Hemel, moesten derven?
400 T\' wordt hier doch al op \'t lest geëindigd met een sterven.
Gij ziet, hoe hier het glas van onzen tijd verloopt.
-ocr page 44-
HET PASCHA,
Geen balling is hij, die een borgerschap verhoopt
Hier namaals. Zijt getroost, het dient ons al ten besten!
Dat wij, als wandelaars, ons herte niet en vesten
405 Op een verganglijk rijk; dwaas is hij, die verkiest
Het tijdlijk, en daarvoor het eeuwige verliest.
CORACH.
Ons vaders leefden wel voorspoedig en gelukkig!
CALEB.
God heeft ze ook al gesteld in zijn beproeving drukkig.
CORACH.
Nooit in zoo harden proef als nu is Iacobs huis.
IOSUA.
410 Een ieder dunkt zich \'t zijn, te zijn het zwaarste kruis.
CORACH.
Heeft God ons niet op \'t strengst getreden op de hielen?
IOSUA.
Hij heeft een geesel nog, waarmee Hij na der zielen
Den mensche harder straft: een onverganglijk wee;
Zijn alderscherpste staal steekt nog in zijne schee.
415 Dees waarschouwende straf ons ernstelijk te voren
Op een veel grooter wijst: dat niemant ga verloren.
Dus laat ons deze roê, waarmede hij ons driegt,
Waarnemen nog in tijds, eer onzen tijd vervliegt.
Hij zal ons met zijn gunst en vleugelen bespreyen,
420 Indien wij niet te spade ons zonden en besenreyen,
Gelijk als d\' eerste weerld, die Noach al betraand
Had zoo veel jaren tot boetvaardigheid vermaand;
Zij bleven onbeweegd, al zagen zij voor oogen
Zoo vele wolken zwart, zoo vele regenbogen,
425 Tot \'t Goddelijk kompas verloopen was te vroeg,
En \'s hemels groote klok de laatste ure sloeg.
Toen heeft God opgesteld zijn groote waterspuyen
En alle sluizen van zijn vochte regenbuyen,
De meeren liepen t\' zaam, met alle stroomen droef,
430 Tot eindelijk een zee den aardenkloot begroef.
CALEB.
Ook toen \'t boos wezen hem begonste te verdrieten
Van die van Gomorra en stoute Sodomieten,
Hij alszins op hun spoog vuurpijlen, damp en smook,
Zoo dat er niets van hun bleet over als den rook.
IOSUA.
435 Int jegendeel bleef Loth beschaduwd van de vlerken
Van s Heeren Engelen, en Noach van der Arken:
427. Opgesteld, geopend.
-ocr page 45-
EERSTE DEEL.
31
Dus bouwt uw hope op Hem, die dees twee Heilgen puur
D\' een vrijdt van s\' waters vloed, en d\' ander van het vuur.
CORACII.
T\' is al vergeefs gehoopt.
IOSUA.
Vertwijfelt niet in hopen.
CORACH.
440 Ik zie doch geenen weg tot ons verlossing open.
CALEB.
Aan duizend middelen \'t hem nimmermeer en schort:
Zijn armen reiken wijd, zijn hand is niet verkort.
Toen Ammons vader Loth geraakt was in de handen
Van Kedor Lamors heir, en schenen niet zijn banden
445 Onbrekelijk te zijn? Maar God de Heere nam
Tot eenig instrument den ouden Abraham,
Die derwaarts henen met zijn knechten is getrokken,
Met keven toegerust, met pijlen en met stokken:
Maar God was zijnen schild, den Hemel was zijn vaan,
450 Waar onder hij dan, bij den oorsprong der Iordaan,
Zijn vijanden aangreep, die alreê met versagen
Den grootsten Kapitein had in de vlucht geslagen.
Wie niet ontvlieden mocht, viel in zijn eigen zweerd.
Aldus verlosten d\' een den andren broeder, weerd,
455 Die heel verlaten scheen, naar aller menschen oordeel:
Want die de Heere helpt, heeft altijd \'t grootste voordeel.
CORACH
Wij hebben onzen last getrokken zoo veel jaar.
IOSUA.
Wanneer den tijd verschijnt, zoo is Gods hulpe daar.
De Heere Zebaoth mocht wel Loths kommer stelpen:
460 Eer Abram ooit optrok had hij hem kunnen helpen.
CORACH.
Waarom en deed hij \'t niet?
IOSUA.
Maar, vraagdij den „waarom?"
Van zijn verlossing was de wijzer nog niet om:
Want Gods Voorzienigheid, die eeuwelijk zal duren,
Heeft heuren tijd bestemd, heur dagen en heur uren:
465 Gelijk den Akkerman \'t goed zaad in d\' aarde zaait,
Waar van hij t\' zijner tijd de rijpe vruchten maait:
God is den Bouwer ook, die, tegen ons genoegen,
Den akker van ons hart komt door Pharao ploegen.
Al wat steenachtig is vermorzelt hij geheel,
470 Eer dat hij in ons zaait zijn goede zaden, eêl:
Het zaad zijns godlijk woords. Daar na begraaft hij wakker,
-ocr page 46-
HET PASCHA,
32
En delvet met zijn eg het zaad in onzen akker.
Als nu de troebel zon van boven uit de locht
Haar stralen op ons schiet, op dat te rijker mocht
475 Zijn ingezaaide zaad in ons vruchtbarig groeyen,
Hij eenen regen laat van tranen ons bevloeyen,
Zoo weerdig zijn wij hem. Daaromme zijt getroost,
Gelijk den Landman, die op hope van den oogst
Zoo vele kommers lijdt, zoo dikwijls moet verzuchten.
480 Hij bouwt en slaaft alleen op hope van de vruchten.
CORACH.
Gij keeret al in \'t best.
IOSUA.
Geeft gij ons geen geloof,
Zoo proevet bij u zelf, en acntet geenen roof
Dat God ons dus beproeft: wij hebben Hem te loven,
Al zwermen wij, eilaas! in droefenis verschoven:
485 Naar slaven volgt de rust, naar droefheid volgt de vreugd:
Wij moeten dankbaar zijn, \'t zij wat ons God toeveugt.
CORACH.
Hoe onlangs is \'t, dat nog de Koning had vermeten
Ons te verdelgen heel.
CALEB.
Gelijk als aan een keten
De leeuw gesloten staat, dien zijnen meester viert
490 Niet langer dan hij wil, zoo wordt van God bestierd
T\' voornemen des tyrans, die niet en kan volbrengen
Dan \'tgene God hem zal toelaten en gehengen.
Zijn voornemen heeft God ten uitersten beperkt,
Die door veel middelen voorzieniglijken werkt.
495 Den Prins van Sinear, den Nemrot, dacht tyrannig
Met zijnen Scepter wel te trotsen wederspannig
Het blaauwe Firmament, eylacen! maar zijn hert
Rees, eer het groot gebouw, tot boven in \'t gestert\',
En werd van schaamten rood, doen \'t Babylons gestamer
500 Leem, kalk, voor steenen bracht, de truffel voor den hamer.
Zijn willen hing aan God, gelijk \'t hier merklijk bleek.
God leidt de Koningen gelijk een waterbeek.
Niets is er zoo gering van al wat hier mag blikken,
Hij heerschet t\'zamen door zijn wijselijk beschikken.
505 God is alleen het Roer daar \'t heele Schip na zeilt,
T\' gerechtig Wijs-compas dat nimmermeer en feilt!
Zoo weinig in een zaak geldt t\' koninglijke spreken!
En oft hij schoon iet bouwt, de Heer zal \'t weder breken
Zoo \'t Hem niet en behaagt: hun woorden altemaal
-ocr page 47-
EERSTE DEEL.                                 33
510 Zijn krachteloos en ijl, indien zij in de schaal
Des Goddelijken wils niet even op en wegen.
CORACH.
Gij spreekt u zelven en de zuiver waarheid tegen.
CALEB.
Waarom ?
CORACH.
Het goddeloos bestier van een tyran
(Na uitwijs van uw reen), daar is God oorzaak van.
CALEB.
515 Geenszins, in \'t minste niet: \'t kwaad, dat hij mag verschaffen,
De goede strekt tot heil, de kwade t\' zijnder straffen.
Niemant en is tot kwaad gedwongen, g\'lijk men ziet
Dat alle kwaad door Gods toelating maar geschiedt,
\'t Leed, daar ons Pharao met pijnigt ongenchtig
520 (Op mijne woorden let, en oordeelt dan voorzichtig),
Hem t\' zijnder straffe dient: maar ons, indien ons vroed
Dees kastijdinge leidt tot rechte ware boet,
Die God hier mede eischt, ze is ons zoo nut en zalig,
Als zij den Koning is verdoemelijk en dwalig.
CORACH.
525 Gij zegt nochtans —
[De vorigen,] Moyses en Aaron.
moyses.
Ontluikt (gelijk een lustdal schoon,
Dat in den morgenstond zijn bloemen stelt ten toon;
AARON.
Vervrolijkt u, gelijk de vogelkens met lusten
De Zonne groeten, als zij stijgt uit heurder rusten),
Gij die verlaten scheent!
CORACH.
Wie oft met vrolijkheid
530 Ons ongewoon begroet?
CALEB.
\'t Zijn Amrams zonen beid.
IOSUA.
O broeders, willekom!
MOYSES.
Uw voorhoofd wilt vervrooyen.
CORACH.
Waarin? In onzen druk en jammerlijk verstrooyen?
525. Bij Vondel staat „etc." — 531. Vervrooyen, vervrolijken.
VONDEL I.                                                                                                         3
-ocr page 48-
HET PASCHA,
34
MOYSES.
Verheft uw droef gelaat, o Israël! en steekt
Nu \'t hoofd ten Hemel op, die al uw banden breekt.
535 De Heer die is met u, die alle uw ellenden
En droevig treurspel komt met vreugd en blijschap enden.
De God van Abraham, Isac, en Iacob zelf,
Die zijnen Throon pilaart op \'t brandende gewelf,
Is mij verschenen in een bhxemende klaarheid.
CORACH.
540 Ik denk, \'t is eenen droom.
MOYSES.
Neen, broeders! in der waarheid:
Doen ik bij Sinaï was hoedende mijn kudd\'
Met dees gedoomde mik, mijn herderlijke stut,
Zag ik \'t groot Horebs bosch een blikkig vuur omranden,
T\' welk heel verteeren scheen en t\'zamen te verbranden:
545 Maar even vrolijk loech blaên, bloemen, kruid en loof:
Eer dezen blixem nog voor mijn gezicht verstoof.
Den donder van een stem, o wonderlijk spektakel!
Verklaarde mij den zin en eisch van dit mirakel,
Op deze wijze: T\' bosch, waarin dees vlamme speelt,
550 Daar mede is Israël na \'t leven afgebeeld,
Die in \'t vervolgingsvuur zal als dit bosch ontluiken:
Ik wil mijn lelie schoon nu uit de doornen pluiken.
Toen dreunden \'t heele bosch; ik stond geheel bedut.
Driemalen heeft den berg zich bevende verschud:
555 En als ik niet en wist waar henen te vervluchten,
Met een borstkloppig hart, en met een zwaar verzuchten,
En schier van vreezen lag begraven in het gras,
Doen gaf de Heere mij te kennen wie Hij was:
De God jehova zelf, de God van onzen vader,
560 Den Schepper van den Al, alleen des levens ader,
De Herder Israëls, die in \'t Beloofde Land
Ons nu vervoeren wil uit Pharaonis hand,
Uit al ons slavernij.
CORACH.
En deed hij u geen teeken
Van zijn almachtigheid, dat hij ons leed zal wreken,
565 Dat hi) ontboeyen zal den zwerm van zoo veel duisd
Die onder Pharao dus lange zijn gekruist?
MOYSES.
Ja, haddij \'l zelf gezien, doen ik ontweek zoo bange
542. Mik, gaffelvormige stok. — 565. Duisd, duizend. — 566. Ge-
kruist, ten uiterste gekweld.
-ocr page 49-
EERSTE DEEL.
35
Voor dezen Staf, die werd een kronkelende slange,
Een serpentijnig dier, in \'t wezen, niet in schijn,
570 En spoog alszins op mij heur doodelijk fenijn
Met heur gesplitste tong; en lag in \'t gras gescholen.
Heur oogen vlamden als twee gloevendige kolen,
Azurig luisterde heur vel, en in mijn oog
Geleek \'t de slang die ons voorouderen bedroog
575 In \'t weeldig Paradijs: want waar zij henen zwerfde,
De groenigheid van \'t gras en t\' kruid alszins versterfde.
Als nu de stemme mij den Worm te grijpen hiet,
Was \'t weer denzelfden stok, gelijk gij zelver ziet.
Ten bleef hier nog niet bij: God smette boven dezen
580 Mijn hand met lazerij, en heeft ze weer genezen;
En vastelijk beloofd, hoe dat ik \'t water rein
Verkeeren zal in bloed, door zijne kracht allein:
Opdat als elke daad mijn woorden volgt waarachtig,
U en Pharao maar een sterk geloove krachtig
585 En schort. Dees boodschap dan breng ik u metder spoed,.
Met mijnen broeder die mij is op weg ontmoet,
Die zelf de stemme Gods beval, tot mijn verschooning,
Te spreken nevens mij voor Pharao, den koning:
En God heeft mij gezalfd een Leidsman en een Hoofd
590 Van zijn verkoren volk.
CALEB.
De Heere zij geloofd,
Die Iacobs aanschijn nu de tranen wil afwasschen,
En in \'t beloofde land bedelven eens onze asschen
In ons Voorvaders graf.
IOSUA.
De Heer zij lof en prijs!
CORACH.
Wij zullen niet meer zijn der dieren aas en spijs.
595 Den wreeden Pharao zal ons niet meer verheeren:
Den stamme Iuda nu aanvanget te regeeren.
Komt, Iuda, als een leeuw! klimt nu ten hoogsten staat!
Verciert u met een kroon en koninglijk gewaad;
Den gulden Scepter grijpt, want God is ons Verzorger.
<Soo Wij zijn geen slaven meer, elk Hebree is een borger
In \'t zoet Beloofde Land, daar de Iordane stroomt,
Daar ik in mijnen slaap zoo dik van heb gedroomd:
Ach, lang gewenschte vreugd!
CALEB.
Ach, heuchelijke tijding!
573. Luisterde, glinsterde. — 602. Dik, vaak.
-ocr page 50-
HET PASCHA,
36
Nu straalt den blijden dag, den dag van ons verblijding.
IOSUA.
605 En gij, twaalf-stammig volk! versmoort wel in uw vreugd,
Als gij dit hooren zult.
CORACH.
Hoe zal dan met geneugt
Den donder van dees stem zoet in uw ooren klinken!
Als gij alree den glans ziet van uw vrijheid blinken.
MOYSES.
Gaat, boodschapt den Hebreen hun uitkomst: wantin \'t Hof
610 Des Konings gaan wij beid\' verzoeken ons verlof.
CORACH.
En zoo hij \'t u ontzeit?
AARON.
Ten mag hem geenszins baten:
Want door Gods sterke hand zoo moet hij ons verlaten.
Binnen.
G h o o r.
Als de zee vast ongestuimig
Stormt, en werpt heur baren schuimig
615
           Na den hemel al verbaasd,
Als de schipper hoort de buyen
Van den Noord-wind \'t strand doorluyen,
Is de stilte eerst aldernaast.
Zoo ook God: wanneer hij droeve
620 Stelt in \'t hardste van zijn proeve
T\' menschlijk schepsel t\' eenemaal,
Is zijn gunste zoo veel nader,
En, gelijk een goedig Vader,
Zoo verzacht hij al hun kwaal.
625 Na zijn toornigheid ontsteken,
Zal Hij weer zijn pijlen breken,
En na zijn kastijding schier,
Na zijn straffinge weldadig
Werpt Hij wederom genadig
630
           Al zijn roeden in het vier.
Want in droefheid en ellenden
Zal de mensch tot God zich wenden:
612. Verlaten, laten gaan. — 627. Schier, spoedig.
-ocr page 51-
EERSTE DEEL.
Maar in weelde en voorspoed zat
Zal hij wederom vergeten
635 s\' Heeren goedheid ongemeten,
Wijkende van zijnen pad.
Dat ons God dan proeft ten lesten,
Dienet al tot onzen besten,
Oft men \'t schoon zoo niet begrijpt:
640 Zal den Wijngaard vruchtbaar groeyen,
Och! men moet hem wel besnoeyen,
Eer zijn gulden vruchte rijpt.
Na een bitter sause schele,
Zal de honig onze keele
645
           Smaken zoeter en belust;
En na \'t lang gedurig slaven
Ligt den moeden zacht begraven
In den schoot van stille rust.
Die den Hemel meest beminnet,
650 Dien hij alderliefst bezinnet,
Meest van droefheid werd bespoeld:
\'t Moedig paard, dat in den stalle
Is uitmuntig boven alle,
Meest zijns Heeren sporen voelt.
655 Is \'t dan vremd, dat God de Joden,
In de tranen van veel nooden,
Heeft gewasschen rein en klaar?
Nu den tijd ook is verschenen,
Keert in blijdschap al hun weenen,
660           Nu is hunnen Trooster daar.
Want God, voor veel jaren, Mosen,
Amrams zone, heeft verkozen
Tot een trooster Israëls.
Ziet eens, hoe hij hem omermde,
665 Hem omhelsden en beschermde,
Voor Pharaoos gramschap helsch.
Doen de afgunstigheid de zonen
Iacobs, zonder te verschoonen,
Zwaard en water overgaf;
639. Oft men \'t schoon, ofschoon men \'t. — 643. Schele,
-ocr page 52-
HET PASCHA,
38
670 Doen het moederlijke herte
Iochebeds zag, met veel smerte,
Mosis wieg aan voor zijn graf;
Doen de moeder heurs zoons leven
Moest de baren overgeven,
675
           Als zij had heur kind gekust;
Doen de moederlijke zorgen
Lagen, met heur kind, geborgen
In het kistjen ongerust;
Doen zij moest heur zelf verliezen,
680 Van twee kwaden \'t beste kiezen,
Met een droef adieu, te noö,
Riep: „Ik hope in deze golven
Meer meêdoogen is gedolven
Als in \'s Konings nerte snoó!"
685 God, hoe langs hoe goedertierder,
Van dit scheepken was de Stierder
Zelf, met eenen Wester wind,
Die het blies, hoe langs hoe lochter,
In den schoot van \'s Konings dochter,
690           Voor een Engel en geen kind.
\'t Kind, dat zag men weder dorsten
Naar zijn eigen moeders borsten;
\'t Wies in alle schoonheid op;
In zijn voorhoofd stond geletterd,
695 Hoe \'t den Pharao verpletterd
Nog vertreden zou den kop.
T\' groeiden op in manhjkheden,
En, van herten heel besneden.
Voor des Hofs wellusten hij
700 Koos in ballingschap te zwermen,
En den Hebree te beschermen
In zijn droeve slavernij.
Als hij hierom moest vervluchten,
En in Madians gehuchten,
705
           Weiden \'t herderlijke vee:
680. De uitg. hebben \'t best te.
-ocr page 53-
TWEEDE DEEL.
39
Als de tijd nu was voor handen,
Dat den Heer zijn offerhanden
Eischen zou van den Hebree;
Zoo verschijnt hem van den Hemel,
710 Bij Sinaï, t\' lichtgeschemel
Van des Heeren heerlijkheid;
God laat hem zijn stemme hooren,
Op dat hij zijn uitverkoren
In het land Canaan leidt;
715 Op dat zij daar, zonder smetten,
Onderhouden zijne wetten,
En Hem lieflijk met wierook
Eenen zoeten reuk toebrengen,
En met bokkenbloed besprengen
720
           Zijn altaren met gesmook;
Op dat dankbaar, onverholen
(Wijder als tusschen de polen,
T\' Hemellicht den nacht beschaamt),
Al zijn groote wonderdaden,
725 En zijn goedheid vol genaden
Over al mocht zijn befaamd.
Dat den mensche steeds mocht haken,
Om hier boven te geraken
Daar \'t Hem alles looft en prijst. —
730 „Acht het aardsch dan veel geringer
Als het Hemelsch, daar de vinger
Van zijn zoete wet op wijst.\'
TWEEDE DEEL.
Pharao den Koning, Tiphus en Serax, Droom-
bedieders ende Toovenaars.
PHARAO.
Den laatst geleden nacht (wat hoef ik mij te veinzen?)
Heeft mij belemmerd, zwaar, met veelderlei gepeinzen,
735 Gelijk de groote kroon gemeenelijk aankleeft,
De zorg, die altijds met veel zorgen om ons zweeft,
De zorg, die \'s Konings hoofd met heuren zwerm verduizelt,
En met een sterk geblas steeds in zijn ooren suizelt.
-ocr page 54-
HET PASCHA,
4o
Wanneer de schaduw valt, en dat het sterflijk dal
740 Snachts vleugelen bespreet, zoo slaapt den grooten Al,
De zon, in Thetis\' schoot, \'t gedierte met vermakken
In zijne holen rust, \'t gevogelt\' in de takken
Zijn vlerken hangen laat: maar \'s Konings Majesteit
Doch nimmer rust omhelst; oft zoo hij werd verleid
745 Door eenen zachten slaap, en d\' oogen komt te sluiten,
Zoo waakt zijn zorge nog, en sluit zijn ruste buiten;
Als hij in \'t bedde zwemt in Lethe\'s stillen stroom,
Zijn zorgen werden ijl verkeerd in eenen droom.
Mij dacht in mijnen slaap, ik op den grooten wagen
750 Werd langs het Roode Meers schuimzandig strand gedragen,
In volle wapening en rusting t\' eenemaal.
Gelijk wanneer de Moor ontziet mijn bloedig staal.
Den hemel was gevaagd blauw, helder, en azurig,
En Phcebus zag in zee zijn spiegel stralen vurig;
755 Het weder loech elk toe, men hoorden geen geruis;
Zephyrus naauw verblies een golfken met gedruis,
De schepen lagen stil, dat naauw Neptunus gilden
Voor \'t windeloze weer een zeil uitspannen wilden,
\'t Gespan van mijne koets den breidel gaf gehoor,
760 En telden, zoo het scheen, hun stappen op het spoor,
Als op het onverzienst het meer bestond te bruisen,
Dat geene kielen zich na \'t roer en lieten kruisen,
Den sturen Boreas begon fluks uit der zee
\'t Grijs-schuimig baargebergt\' te brengen op de ree.
765 Den hemel werd bekleed met droeve, duister wolken,
En \'t voorhoofd van de lucht omstort met zwarte kolken;
Een donker nachtzeil blind beschaduwde den dag,
Dat \'t licht alszins verdween, oft zoo men schijnsel zag,
Was \'t blixem-wederlicht, dat met een slinksch geflikker
770 Jupijn van boven wierp, met eiselijk geklikker.
Den donder dreunden met een dommelig geklak,
Dat Sirt, klip, rots, en strand Neptunus\' gramschap brak,
Die met zijn gaffel scheen den Hemel te beklemmen,
En t\' weder \'t Firmament in \'t Roode diep te zwemmen;
775 De Tritons trompten op hun groote waterschulp,
Dat ieder Palinuur de Goden riep om hulp,
De schepen stegen op genade na de polen
En hadden \'t wijs-compas en \'t roer den wind bevolen.
De paarden zagen nu ook d\' onweêrsstormen leep,
780 Den voerman hoefden toom, noch breidel, nochte zweep,
739, 740. De vleugelen des nachts bespreiden het sterflijk dal. — 774.
T\' weder, daarentegen. — 779 Leep, druipend.
-ocr page 55-
TWEEDE DEEL.
41
Zij vlogen even dul, een langdurige wijle,
Als uit een Schytschen boog den onbedwongen pijle;
Veel snelder als de wind, veel snelder als de stroom
Schoof op vier raders den beslagen disselboom;
785 Hot, hot, al breideloos den wagen henen glipten,
Ontziende noch de Kroon, noch Scepter van Egypten:
Wat \'s Konings koetser ook gebaarde of luide riep,
De redelooze vlucht al even zwijmig liep,
Nu bin\' nu buiten spoors, al zonder weg te peilen;
790 Geen schip ons volgen mocht met opgeblazen zeilen.
Dus stoof den voortocht vast, als eenen watervliet
Die van \'t gebergte valt, tot daar men Pharos ziet,
Weêrhoudeloos verbaasd in hunnen loop, ten vollen
Gelijk men eenen steen ziet van de klippen rollen;
795 Hoe \'t grondeloze diep meer zands en waters spoog,
Hoe heftiger verschrikt elk ros om \'t zeerste vloog,
Tot door het stormgeblas een krokodille stranden,
De grootste, die hier ooit gezien mocht zijn te landen,
Dicht aan den boord des strands, in \'t minst van drie maal vijf
800 Kubieten, oversterk gewapend op het lijf
Met dobbel schelpen hart; \'t hoofd zeldzaam om aanschouwen,
Zoo eiselijk en groot dat het elk dede grouwen;
Scherptandig in den mond. Zoo haast ons jacht vernam
Dit zeldzaam monster, \'t welk heel heftig na hun kwam,
805 Zij hunnen loop op nieuw verdobbelden verbolgen;
De koetse mocht gezwind heur op het snelste volgen,
Als \'t koppel honden heet het hert volgt op de hiel,
Tot dat een holligheid den wagen wederhiêl,
Waardoor zij uit \'t gespan van hun gareelen raakten,
810 En krak, krak! tot twee maal, den grooten wagen kraakten,
Die eindelijk verzwakt niet wederhouden mocht,
Met mij stak op het strand de beenen in de locht!
Hier lag de dissel, ginds het speek, en daar de raden,
Tot ik mij \'s morgens van Morféus vond verraden.
815 Den droom bediedt wat vremds (hoe wel hij somtijds liegt,
En met zijn Iden als een schaduwe vervliegt);
Want onlangs zijn gezien de dreigende komeeten,
Verscheiden beeldsels ook van bloedige planeeten,
En, tot drie nachten toe, een geestelijk gespook
820 Is voor mijn slaaps gezicht verswenen als den rook:
De pyramiden van de koninklijke graven
Drie malen zijn beweegd; een vlucht van zwarte raven
805. De uitgaven hebben: vervolgen. — 811. Niet, niets. — 813.
Het speek, het gespeekte, de speken (van \'t wiel). — 816. Iden, denk-
beelden?
-ocr page 56-
42                                 HET PASCHA,
T\' meer opgeworpen heeft, grafvogels, die graf, graf!
Egypten dreigen gruw met de een of de ander straf.
825 De grootste zarken van de tomben zijn gereten,
En \'t nare kerkhof heeft doodsbeenders opgesmeten;
Isidis heilig beeld, tot voorspel van ons leed,
Heeft eenen regen vocht van bloedig zweet gezweet;
Osiris na den Nijl heeft zich gekeerd verbolgen!
830 Ontwijfelijk hierna moet d\' een oft d\' ander volgen:
Gij, zienders! mij den grond van deze zaak verklaart.
TIPHUS.
Den Koning zij hier in bekommerd noch bezwaard!
SERAX.
Den droom rijst uit een hart beslommerd met veel zorgen.
PHARAO.
Hij rijst waar uit hij wil, wat is er in verborgen?
TIPHUS.
835 Gansch niet, grootmogend Vorst!
PHARAO.
Nochtans den droom bediedt
En wijst op \'tgeen daar na gemeenelijk geschiedt.
TIPHUS.
Pilaar van \'t grootste rijk! de droomen zijn verscheiden,
En eensdeels anders niet dan ijdelheid verbreiden;
Ten anderen profeetsch, voorloopers, diens gebaar
840 De komst boodschappen van de zuiver waarheid klaar;
Ten derden, twijfelijk en donker in \'t aanschouwen,
Daar niemant, dan die wil, \'t geloove op hoeft te bouwen:
Nu, \'t beeld van \'s Konings droom, ten aanzien ongewis,
Van ijl en twijfel t\' zaam in-een-versmolten is,
845 Zoo dat er niet en waar iet zekers uit te ramen.
SERAX.
Belangende \'t gespook met dees voorteekens t\' zamen,
Een deele schijnet wel tot kwaad te zijn geneigd,
En acht wij werden van de Goden dus gedreigd,
Om dat wij zuimig zijn, en werden langs hoe sloffer
850 In \'t heilige gesmook en dienst van onzen offer,
Om d\' ander Goden straf t\' ontslaan en maken kwijt
Op den altaren, die den Priesters toegewijd,
Bevolen zijn van ouds. Den Koning, tot een teeken
Van boet, hun heilig doe het offervuur ontsteken,
855 Opdat den Hemel (die ons dreigen schijnt met wee)
Zijn staal mag wederom bekleeden met der schee,
839. Vondel heeft: Ten and\'ren prophetisch. — 844. IJl, ijdelheid.
— 848. Lees: Ik acht.
-ocr page 57-
TWEEDE DEEL.
43
En de offerhanden als een zoeten reuk ontvangen,
Wechnemende de straf, die toornig schijnt te hangen
Ons allen boven \'t hoofd: dat ook den Koning weer
860 De Godsdienst, die allengs vei vallen meer en meer
Is in het gantsche Rijk, op nieuws mocht wederbaren,
Geheel op \'t oud gebruik van over vele jaren;
Dat ook des Heiligdoms hoogtijd bij ieder mocht
Devotig zijn gevierd, en alles wederbrocht
865 Werd op den ouden voet, —
Moyses ende Aaron, tot Pharao.
moyses.
Groot Koning van de stranden
Des Nijls! den Koning, die den Scepter voert in handen
Van Hemel, Aarde, en Zee, die uwen glans verdooft,
Der Koningen Monarch, en aller Princen Hoofd,
Heeft ons gezonden hier.
PHARAO.
Wiens Scepter of wiens Kroon is
870 Ontzienelijker als den rijksstaf Pharaonis?
MOYSES.
\'t Onsterflijk Wezen zelf, de Heere Zebaoth.
PHARAO.
Wie kent er nevens mij een grooter Heer o ft God?
Breidt zich mijn heerlijkheid niet uit aan alle kanten?
AARON.
Van een almachtig Heer wij beide zijn Gezanten,
875 Van God, die zijnen Throon op \'s Hemels vout pilaart.
PHARAO.
Regeert hij in de locht, ik heersch hier op der aard.
AARON.
Hij is, die \'s Hemels loop stiert op de hooge polen.
PHARAO.
Ik denk, gelijk de Nijl omdraait de watermolen.
AARON.
Hij is den Dondergod en blixemende licht.
PHARAO.
880 Den donder is mijn stem, den blixem mijn gezicht.
AARON.
Zijn Godlijk woord beweegt de blaauwe firmamenten.
875. Vout, gewelf. Throon is te verstaan als verhemelte en zoo kan Gods
Throon gepilaarJ staan op den Hemelwelf.
-ocr page 58-
HET PASCHA,
44
PHARAO.
Het aardrijk schudt en beeft van mijne dreigementen.
Wat is \'t, dat gij verzoekt? Ziet, wien gij rebelleert!
AARON.
De God van Abraham op Pharao begeert,
885 Dat hij van \'t jok ontsla en buiten de limieten
Egypti trekken laat de slaafsche Israëlieten,
Dat zij hem mogen doen een offerhande, vrij
Van \'t heidensche gezicht, die Hem behaaglijk zij;
Daar Horeb t\' voorhoofd bergt ten hemel in de wolken.
890 Dus oorloft nu t\' vertrek aan al d\' Hebreeuwsche volken.
PHARAO.
Genade, o Iupiter! Wie zijt gij, die zoo licht
Uw hielen tegen mij den grootsten Koning licht?
Help Isis en Osir! Ik zweer u bij de sikkel
Saturni, dat gij \'t hoofd zult steken aan den prikkel:
895 Wie is er die zich derf opwerpen tegens mij,
Dwing-volk, Kroondrager van de grootste heerschappij!
Ik zweer bij \'t hoog tooneel van mijn rechtveerdig leven,
Gij hebt uw eigen roe mij in de hand gegeven:
Als tegen zijnen Heer de slave zich opwerpt,
900 Noodzakelijken moet de roede zijn gescherpt,
Het lastig jok verzwaard, den hals hem overwogen,
En zijn hardnekkigheid gebroken en gebogen,
Den stouten hoogmoed van zijn vleugelen gekort;
Hoe \'t bedde zachter is, hoe hij veel trager wordt,
905 En hoe men hem meer rechts en voordeels zal aanbieden,
Hoe hem veel meer te kort zal dunken te geschieden:
\'t Is weelde, die u jeukt, al lang genoeg verschoond. ,
Best, dat men u verdruk\' en houd\' in de oü gewoont\';
De roede is van den neers en eerst in \'t vuur gesmeten:
910 Nu \'t langer niet en smart, de striemen zijn vergeten;
Gelijk de gladde hengst, die, op den stal verkoeld,
Zijns heeren sporen niet in lang en heeft gevoeld,
Noch toom, noch breidels dwang, aireede kwaad om temmen,
Te noó laat zijnen Heer weer op den zadel klemmen:
915 Het steigert en het briescht, van weelden ongezond.
Nu schort u ook \'t gebit van ijzer in den mond.
\'t Is best, dat men u weer dees ziekte doe uitzweeten,
En voor een vette sop geeft slagen voor uw eten:
Gaat henen in \'t gareel, gaat henen, bouwt en slaaft,
920 Ik wil, dat gij den weg van uw vertrek opgraaft.
901. Overwogen, overladen. — 916. Schort, ontbreekt.
-ocr page 59-
TWEEDE DEEL.
45
AARON.
Wij zijn de boden Gods: dus laat u niet verrukken.
Hoort gij zijn stemme niet, zijn hand die zal u drukken.
\\_Hij werpt zijn staf op den grond.,]
Daar ligt de roede tot een teeken op der eerd!
Ziet, hoe zij in een slang lichamelijk verkeert;
925 Zij krunkelt en zij kruipt: indien bij u ons spreken
Niet eene pluim en weegt, gelooft ons bij dit teeken,
En looft Israè\'ls God, die u \'t geloof versterkt,
En door dees wonderdaad zoo krachtelijken werkt.
Geloofdij \'t niet om \'t eerst, gelooft dan met den and\'ren:
930 Het tweede: als in rood bloed het water zal verand\'ren,
De visch versterven zal in der rivieren stank,
Die God de Heere slaan zal zeven dagen langk.
SERAX.
En dijnen lieven God, vertoont hij zich zoo brave,
Om dat hij in een slang verandert uwen stave?
935 Is dit zijn hoogste konst? Loopt met uw meersche, loopt,
En uwe kramerij al elders duur verkoopt!
Bij ons en geldt ze niet; gaat, gaat, vent ze aan de dwazen!
TIPHUS.
Meent gij den Koning zoo in de ooren wat te blazen?
Meent gij, dat onzen Prins zoo lichtlijk is getroost?
940 Wij hebben \'t al te dik voor oogen hem gebootst:
En of gij schoon in bloed verkeert de vlieten stormig,
Wij zullen \'t water ook coleuren gelijkvormig.
AARON.
Gij toovert; ik herschep. Gij met den schijn bedriegt,
Den schijn, wiens wezen als een schaduwe vervliegt.
945 Uw goochel-kunst en is maar forma en figure,
En t mijne lijfelijk verandert van nature:
Want gij door Satan werkt, en ik door kracht gewis
Van Gods almachtigheid, die niets onmooglijk is.
Schort dees hardnekkigheid en wilt zijn stemme hooren,
950 Die weder dezen staf maakt als hij was te voren.
PHARAO.
Waartoe dit lang sermoon? Preekt elders al uw best,
En Pharaonis eer niet door eens anders kwetst:
Gaat, boodschapt den Hebreen: mijn hand is veel geringer
Voor-dezen hun geweest dan nu mijn kleinste vinger.
955 Ik voel, ik voel net jok is hunnen hals te licht,
Dies ik drie dubbel moet verzwaren hun gewicht:
935. Meersche, koopmars, koopwaar. — 941. Of gij schoon, ofschoon
gij. — 949. Schort, staakt.
-ocr page 60-
HET PASCHA,
46
Met schorpioenen wil ik hun voortaan kastijden,
En alle roeden t\' vuur en uwen God toewijden
Tot eender offerhand. Den Koning is verleid,
960 Die de onderzaten meent tot zich met zoetigheid
Te trekken meer en meer* en ziet hij niet te veuren,
Zij zullen zijn gebied van hunnen halze scheuren,
En stellen \'t Rijk in roer, en roepen: „Tza, wel aan!
Laat ons den zwaren last van \'s Konings kroon ontslaan!
965 Wat roert of gaan ons aan zijn ingestelde wetten?
Een ieder breek de boei en schakel van zijn ketten."
MOYSES.
Verheft uw harte niet: want \'s Heeren straffe dra
Volgt u alreê, gelijk de schaduw \'t lichaam, na.
Der bergen toppen, die zich in de locht verheffen,
970 Afgrijselijk men ziet de slinksche blixems treffen:
Heer Koning! luistert, hoe Gods gramschap wederschalt!
Verschuilt, verschuilt u, eer den Hemel op u valt.
T\'wijl u Gods goedheid noodt; zijn straf komt met vertragen
Naar den godlozen toe, maar komt met zware slagen
975 Op der tyrannen kop: dus uit den grootschen tred
Uws obstinaatheids wijkt, en van uw stout opzet
Haalt fluks de zeilen in! Gij moogt Hem niet ontslippen,
Oft gij Hem schoon ontvlucht: zoo raakt gij op de klippen
Van uwen ondergang; en oft gij u verschuilt,
980 In \'t allerhelschte diep, in \'t donkerste gekuilt,
Geen duisternissen, daar zijn oog u niet zal merken,
Geen schilden mogen u voor zijnen schicht bevlerken,
Alszins vindt gij u in de kaken opgesperd
Van zijn rechtveerdigheid, en in den strik verwerd
985 Van zijnen grimmen toorn, die altijd na der zielen
En na den lichaam u zal treden op de hielen
Van uw versteend gemoed: wat baat toch kroon oft staf,
Als Hij uw kroone breekt, die u den Scepter gaf,
Met zijnen sterken arm? Dus neemt tot geen verschooning
990 Uw troetelende macht, die steeds den hoogsten Koning
Moet onderworpen zijn; want Gods almogendheid
Belacht, eylaas! den trots, die u omhelst en vleit
Met een vermomd gelaat.
PHARAO.
Waar toe dees lange rollen?
SERAX.
Heer Koning! laat den zot \'t hart met zijn tong uithollen.
970. Slinksche, schuine. — 983. Alszins, allerwcge. - 994. Uithol-
len, uitbabbelen.
-ocr page 61-
TWEEDE DEEL.
47
TIPHUS.
995 Wat werpt ons Pluto op?
AARON.
Volgt tijdelijk den raad
Des Heeren, die u met ons stemme wekken laat
Uit dezen diepen slaap; ontwaakt, eer u te spade
De held\'re Zon begeeft, het licht van zijn genade!
PHARAO.
Help Aarde! wonder is \'t, dat gij \'t u niet en belgt,
iooo En dees trotseerders in uw zwarte keel verzwelgt! —
[Tot moyses en aaron:]
Past fluks het groot gewelf van Memfis\' hof te ruimen,
Eer \'s Konings gramschap als een zee begint te schuimen!
Hij heeft zijn planten zwaar op \'t aardrijk neer gezet:
Verstapt hij, eiken tred een Koninkrijk verplet.
1005 Zoo gij den blixem zoekt, Iupijn is hier te vinden.
Dus wacht u wel den Leeuw zijn keten te ontbinden.
Schuimboeven van mijn Rijk! gaat, boodschapt den Hebreeuw
Dat t\' glas verloopen is van zijnen gulden eeuw;
De laatster ure is lang geslagen aan de Wijzer,
1010 En in Pharaoos hof is zijnen kerfstok ijzer.
Gaat henen, maakt h^m kond, wien dat uw fijn verstand
Den stok om hem te slaan gaf in zijn rechter hand;
Gaat, brengt dees blijde maar aan al de uitheemsche slaven:
Dat lang voor hun vertrek den weg is opgegraven:
1015 En is \'t dat uwen God niet vast en zit geschroefd,
Hij doe zijn boodschap zelf, indien hij iet behoeft.
Binnen.
MOYSES.
Zijn hart is onbeweegd veel grooter dan de rotsen.
AARON.
Wie dorst den Hemel toch ooit obstinater trotsen?
MOYSES.
\'t Hart ligt hem veel te hoog geschoten in den krop.
AARON.
1020 Hij werpt den steen, die hem zal vallen op den kop.
MOYSES.
Hij heeft God opgewekt met zijn grootmoedig baffen.
AARON.
Tsa! gaan wij, want door ons zal hem de Heere straffen.
Binnen.
1001. Past, zorgt. — 1003. Planten, voetzolen. — 1010. Op een ijzeren
kerfstok kan niets meer aangcsclirapt worden. — 1017. Grooter, meer. —
1021. Grootmoedig, overmoedig.
-ocr page 62-
48                                  HET PASCHA,
Choor.
Steenen Pharao! wilt zwichten,
Want zijn schichten
1025
           Haalt den Hemel uit den tros:
Pyramiden! wacht uw spitsen
Voor zijn flitsen:
O daar gaan zijn pijlen los!
Nylus schreit nu, al bedolven
1030
                  In zijn golven
Om de visch, die in zijn kruik
Sterft, om dat de waterbaren
Aldus varen
Bloedig over zijn parruik.
1035 Vorschen, luizen, wormen krielen,
Waar zijn hielen
Den Egyptenaar verzet:
Heptapohs groot geweste
Ook met peste
1040
           Doodelijken is besmet.
T\' vluchtig vogelken, met ijlen,
Van heur pijlen
Onverziens werd achterhaald;
Dat zijn vleugels aan de sterren
1045
                  Uit ging sperren,
In de baren nederdaalt.
T\' lokkig schaapken sterft in \'t bleiten,
En de geiten
Vallen voor den herderstek;
1050 Waar de bouwer ploegt al wakker,
Ziet hij \'t akker-
vee begraven onder t\' jok.
Nu drukt hun de hand des Heeren
Weer met zeeren,
1055
           Met onreinig puistgedoornt,
Menschen ende beesten woelen,
En bevoelen
s\' Hemels grimmigheid vertoornd.
1034. Parruik, hoofdhaar, hoofd. — 1038. Versta: Midden-iEgyptcn.
-ocr page 63-
TWEEDE DEEL.
Nu dreigt hun den ^Ether vierig,
1060
                  Al wraakgierig,
Met zijn kromme blixems rood;
Nu laat Hij Egypten vallen
Van krystallen
Een diluvie in den schoot.
1065 Nu zoo dreigt Hij hun afgrijzig,
Met een ijzig
Donders dommelig geklak;
Nu jaagt God met nagels ronden,
Om hun zonden,
1070
           Al d\' Egypters onder t\' dak.
D\' Eik en schijnet nu den Elzen
Niet t\' omhelzen,
De Aarde, droef en onbespreed,
Mist heur ranken en heur noppen,
1075
                  Mist heur knoppen,
En heur groen geschilderd kleed.
Nu beschaduwt Hij hun banen
Met sprinkhanen,
Die voorts rooven t\' eenegaar
1080 Al de vruchten, die zij zaaiden
En afmaaiden,
In den schoot van \'t ronde jaar.
Nu houdt Phoebus zich gescholen
In de polen,
1085
           En vertrekt zijn blonde hoofd;
\'t Licht van zijnen gulden Wagen
Hij drie dagen
Hunnen horizont berooft.
Noch blijft dezen Koning trotsche,
1090
                  Als een rotse,
Die geen golven en ontziet,
Als een klippe die gedurig
Klieft azurig
\'t Schuimsel van Neptunus\' spriet.
1095 Want God, in zijn stoutheid kriegel,
Tot elks spiegel,
Heeft verstokt zijn steenig hart;
Niet, om met een welbehagen
1.
-ocr page 64-
HET PASCHA,
5.0
Hem te jagen
noo
           In \'s doods strikken al verward;
Maar om straffen zijn voorleden
Godloosheden,
En om Israël bekwaam
Stof te geven om te zingen
rio5
                  Zonderlingen
D\' Eer van zijnen heil\'gen Naam.
HET DERDE DEEL.
1\'harao, den Koning.
Hoewel wij op den throon, als aardsche Goden prachtig,
Een wereld buigen schier met onzen Scepter krachtig;
Hoe wel ons goude kroon blinkt met den diadem:
ii 10 Daar is een grooter Heer, daar is een hooger stem,
Daar is een Koning nog, die onzen glans verduistert,
En een bepeerlden staf, die heerelijker luistert;
Daar is een Hemelsch rijk, t\' welk t\' weereldsch rijk omvangt,
Daar alle mogendheid den Scepter van ontvangt:
ii 15 \'t Is Hij, die boven woont, en heerscht ook hier beneden,
Die onze zetels doet verschrikken voor zijn treden,
Der Princen overhoofd, der Koningen Monarch,
Die \'t alles overziet van zijnen hoogen berg,
Die op \'t verhemelt rond gebouwd heeft zijnen throne,
1120 (De louter sterren zijn maar lovers van zijn kroone),
Die met zijn donderstem den sterflijken verschrikt,
En met het vurig rood van zijnen blixem blikt.
Meer pijlen heeft hij op Egyptenland gescherpet
Dan zand en barig schuim het Roode Meer opwerpet,
1125 Als koren-aders rijp den vochten Nijl besproeit,
Wanneer van zijnen stroom de vlietkruik overvloeit.
Wat baat mij nu op \'t hoofd de kroone van Afrijken?
Oft dat ik \'t derde deel van al des weerelds rijken
Op mijnen globes zie? Wat baat dat ik alleen
1130 Maak een triumfe van hoovaardige trofeên?
Oft dat ik op den boord van mijnen vloed doe zwieren
Dees vendelen gekruist, dees bloedige banieren?
Oft dat den Arabier oft Moore martiaal
Ontzie de punten scherp en sneden van mijn staal?
1135 Wat baat het (als ik doe mijn oorlogs leger krielen),
Dat de ander weereld moet voor dezen Scepter knielen?
1105. Zonderlingen, in \'t bizonder. — 1112, Luistert, schittert. —
1129. Globes, rijksappel.
-ocr page 65-
DERDE DEEL.
5i
Dat ik van Oost tot West gevreesd worde en geëerd,
Als dezen grooten Mars nog boven mij regeert?
O Delta, Delta schoon! die met uw grafpilaren,
1140 Met uw Mausolen schijnt de uitbreidselen te naren,
Daar Pharos met zijn kruin de firmamenten doet
Verschrikken, en vertreedt het aardrijk met de voet:
Wat baat het, of gij kunt met flitsen en met pijlen
Verdonkeren de locht? oft in zoo korter wijlen
1145 Gij een bosschaadje maakt van lancen uitgespeerd,
Oft \'s weerelds aanzicht met uw krijgers eclipseert?
Wat batet, oft gij in uw wapens voert geschreven
De teekens van uw deugd en vromigheid verheven?
Wat baat, oft uwen Prins met slavernije strang
1150 Zoo vele volken drukt? oft dat den Ondergang
Zijn roede nederwerpt, en offert voor mijn voeten,
Oft met zijn kroone mij den Middag komt begroeten?
Als heel Egypten dus, door blixem, wind en storm,
Tot eenen chaos kruipt weer in zijn oude form.
1155 Help Iupijn! wie gij zijt, die met uw oorloogswempel
Ons boven \'t hoofd braveert, komt over uwen drempel
In \'t sterfelijk begrijp, en laat den Hemel staan,
Komt, plant op \'t platte veld de stenge van uw vaan!
Geen Koning is hier doch, die om de beste kanse
1160 Met mij kroon tegen kroon durf zetten in balance:
Ik waag, om \'t Hemelsch rijk, nog op een goede hoop
Den ronden cirkel groot van s\' weerelds ommeloop;
En brengdij mij in \'t graf op \'t hoogste van mijn dagen,
Zoo is \'t mij eers genoeg van u te zijn verslagen:
1165 Komt slechts op \'t aardsch tooneel, zoo gij tornooyen wilt,
Op dat ik proeven mag de deugd van uwen schild;
En is \'t, dat ik uw zweerd noch spere niet ontvliede,
Zoo wensche ik op mijn graf geen schoonder pyramide.
Oft gij al schoon d\' Hebreen, die mijnen Scepter drukt,
1170 Van hunnen halze scheurt en Pharao ontrukt
\'t Jok van hun dienstbaarheid, werwaards wilt gij ze brengen,
Dat zij de hoornen van uw altaren besprengen?
Zij raken elders licht in dieper slavernij,
Oft onder een gebied van strenger heerschappij.
1175 Gantsch Lybiè\'n is woest, daar Atlas stijgt om hooge,
En \'t ingezeten volk geneert zich met den boge,
En oorloogt met de spriet gestadig tegen \'t wild,
1139. Delta, Neder-./Egypten. — 1140. Mausolen, monumenten. Uit-
breidselen, het uitspansel. — 1141. Pharos, vuurbaak. — 1150. Onder-
gang, Westen. — H57> Begrijp, kring. — 1170. Lees: Dien van hun
halze scheurt.
-ocr page 66-
HET PASCHA,
52
Daar ieder, tot nooddruft, zijn pijlen op verspilt.
Gaan zij hun bij den Moor oft Etiopier voegen
1180 (Die heeft nog \'t meeste deel wel van zijn rijk te pioegen),
Oft hij ze schoon ontvangt, en loopt ze al in \'t gemoet,.
D\' Uitheemsche als een slaaf zijn akkers bouwen moet.
Den ruigen Barbaros ook binnen zijn limieten
Geen vreemdelingen lijdt, noch Meden, nochte Scyten;
1185 Noch over onzen vloed, noch over de Iordaan
En zal de Philistijn ook geen Hebreen ontvaan.
Den vrekken Arabier (zij passen op hun stukken)
Is ook genoeg bekend nog om zijn oude tukken,
Hij vilt, besteelt en plukt wie in zijn handen raakt,
1190 En die hij borger zalft hij eigen slave maakt.
Noch daar den Assyrier der koninklijker staten
\'t Tooneel eerst bouwen dorst, bij \'t stroomen der Eufraten,.
Noch nergends, waar het licht de duisternis verdooft,
Oft d\' ingezeten is der vreemden overhoofd.
1195 Oft zoeken zij een land, oft zoeken zij een woning,
Daar ieder borger is, daar ieder is een Koning,
Daar ieder rechter is, en \'t mes trekt uit de schee,
Diens bodem is gelijk de diepte van der zee,
Daar alle baargeschuim oprijzet met elkander;
1200 Zoo wil een ieder hier ook heersenen boven d\' ander,
En werden zij dan t\' zaam verdrukt in ongeval,
Wat Koning is er die hun zake rechten zal?
Of trachten ze onder een klimaat zelf te heerschappen,
Daar sterflijk mensche nooit het spoor van zijne stappen*
1205 Geprent heeft laten staan, daar zonder arrebeid
De willige natuur het akkerveld bereidt,
Zij zullen menigmaal nog om Egypten wenschen,
Eer \'t tot voldoening strekt voor zoo veel duizend menschenv
Die buiten Pharao behoeven al, ter nood,
1210 Tot nooddruft eenen opgehoopten vollen schoot.
Moyses ende Aaron tot den Koning.
MOYSES.
Monarche Mitzraïms, hoe lang zuldij nog konnen
D\' oogappels sluiten voor de klaarheid eender zonnen?
Hoe lange, o Pharao! zuldij beletten, dat
Israël smoken doe het heilig altaarplat
1215 Des drie-maal hoogen Gods? Ai, blind, versteenigd Vorste f
Hoe priemdij op uw hart, hoe steldij op uw borste
1185. Tukken, streken. — 1209. In de uood. — 1210. Tot onderhoud.
— 1211. Mitzraïm—egypten.
-ocr page 67-
DERDE DEEL.                                  53
Zoo menig pijl en schicht, en welft u, stout en trotsch,
Hardnekkig over \'t hoofd den strengen toorne Gods,
Die heel Egypten drukt? T\' onsterflijk eeuwig wezen
3220 Dus met zijn stemme roept: „Ik heb voor \'t laatst mijn pezen
Nog eenmaal uitgerekt, en mijnen krommen boog
Gespannen, wee, o wee! t\' wit van mijn grimmig oog
Is Heptapolis\' kroon, die, trots mijn Hemelschichten,
Heeft negen-maal belet den Israliet te lichten
1225 Zijn anker van den Nijl: wee, wee! indien zij stout
Nog dit twaalf-stammig heir van hun vertrek ophoudt!
Van d\' oudst geboren af uit Pharaonis lenden,
Tot d\' alderminste toe, die van d\' Egypters benden
Zich d\' eerstgeboren roemt van vader-, moeder-lief,
■1230 Niet een zal zijn, die niet de dood, gelijk een dief,
Zal rukken in het graf; geen hart, dat niet zal voelen
Mijn koude stralen in zijn heete bloed verkoelen!"
Dus loopt nog in \'t gemoet des Hemels Koning preutsch:
Terwijlen hij u dreigt, zoo houdt u buiten scheuts
1235 Van mijnen stalen boog, die weder is gespannen;
En oorloft onzen tocht, dat d\' Isralietsche mannen
Op Horeb smoken doen hun altaren bebloed.
PIIARAO.
Gij zingt al éenen zang, gelijk de koekoek doet,
En oft gij, slaven, trokt, om uwen God te spijzen,
1240 Daar Horeb met zijn spits ten wolken gaat oprijzen,
En oft mijn Majesteit gedoogde goedertier,
Dat gij opstijgen deed \'t afgodiesch offervier
Uit der woestijnen schoot, om ik en weet wat Goden
Vermaken, met het bloed des altaars opgezoden,
1245 Zoudt gij mij zweeren dier, te keeren al met vliet
Ter plaatse die gij, met verlof, te rugge liet:
Oft veinsdij mij den tocht die gij hebt voorgenomen?
Zegt, werwaards hij zich strekt.
AARON.
Waaruit wij zijn gekomen:
Het land van Canaan, recht over de Iordaan,
3250 Daar ons voorvaders eerst hun stappen lieten staan,
Dat God zelf heeft beloofd, dat God zelf heeft gezworen
Aan Isac zijnen knecht en Iacob uitverkoren.
PHARAO.
Gij \'t land van CanaMn verkrijgen in \'t bezit?
Uw bogen zijn te slap om schieten na dit wit!
1232 Stralen, pijlen (van den dood). — 1233. Preu tscli, grootmoedig.
— 1244. Gezoden, gekookt, verbrand (het offerbloed). — 1245. Met dieren
eed, met vlijt.
-ocr page 68-
54                                 HET PASCHA,
1255 Meent gij met lijf en ziel zoo in dit land te treden?
Gaat henen, vraagt te deeg na zijn gelegentheden.
Hoort, Idumea! hoort, hoe acht men dij zoo licht,
Een ander heeft genoeg en schrikt van uw gezicht,
Die rondsom afgepaald ligt midden in de bergen,
1260 Die met uw muren trotsch den Hemel schijnt te tergen^
Waarvoor zoo menig rijk zijn wapens heeft geschorst,
En daar de Philistijn uitsteekt zijn hooge borst;
Daar elk inwoonder stout is eenen Giges hooge,
En gij, sprinkhanen teer, en musschen in hun ooge!
1265 Te wijd zijdij verdoold! en timmert in de locht,
En schildert, op Neptuuns azure golven vocht,
Dij t\' Philistijnsche rijk zoo wonderlijk voor oogen!
Help! \'t geeft mij wonder, uit wat borsten gij gezogen
Hebt deez\' hoogdragendheid, en hoe gij zoo verrukt
1270 Dees stoute dwaasheid in uw hersens hebt gedrukt.
Wat rijk is u beloofd? Mij dunkt, gelijk de muggen
Gij om de kaarse zwermt, tot dat gij, bedelpluggen!
Uw vleugelen verbrandt: ik rade, ik rade u: blaast,
Eer gij dit heete moes wilt proeven met der haast.
1275 Oft wilt gij banken in de Philistijnsche koken,
Eer hij u heeft genood, oft zijnen haard doen smoken,.
Zoo keert dan onverzaad: gij kranen! vliegt u mat,
Om gasten met den vos, die al in schotels plat
De spijze toebereidt; en als gij meent te drabben
1280 In zijn gestolen vet, zult gij u niet beslabben.
Zoekt vrij een ander aas, oft zich uw kele belgt,
De brok is doch zoo groot, dat gijder aan verzwelgt:
Dus slaat dit in de wind, en laat vrij aan der eiken
De schilden hangen, die gij niet en moogt bereiken
1285 Met uwen lammen arm, al veel te kort en stram;
En, voor dien Scepter eêl, van dijnen geitschen ram
De kromme hoornen grijpt, \'t welk beter u zal voegen,.
Oft t\' kouter, om de borst des akkers te doorploegen,
7> J/an \'t Palestijnsche land.
MOYSES.
Israël onbezorgd
1290 Heeft God tot eenen Schild en tot een vaste Borgt,
Den grootsten Kapitein; die Hij wil overvallen
En baat geen preutsch gebergt\' van opgeworpen wallen»
Noch diepe vesting van een grondelooze zee,
Noch bogen, noch geflits, noch zweerden uit der schee,
1263. Giges, reus. — 1267. Dij, u, 3e en 4e nv., niet te verwarren met
dij,
byv. in hebdij, dat hebdegij, hebt gij beteekent. — 1275. Koken, keuken.
— 1287. Voor, in plaats van.
-ocr page 69-
DERDE DEEL.
55
1295 Noch vele wapentuig, noch \'s weerelds oorlogsheiren
In een slagordening en mochten zich verweeren
Voor zijnen sterken arm, die nauw verheven schier
Om strijden, al omvlecht is met den lauwerier.
PHARAO.
En of \'t land openstond van alle Philistijnen,
1300 Hoe raakdij door de dorre Arabische woestijnen,
\'t Onvruchtbaar woeste veld, de doornen wildernis,
Daar niet min ruig gediert\' als wild geboomte en is?
Daar is noch vrucht tot spijs, noch vochtigheid om laven,
T\' waar pas een kerkhof om u tzamen te begraven.
AARON.
1305 God is de volheid zelf, wiens overmilden schoot
Voor Iacob overvloeit van t\' zoete Hemels broot.
Die \'t al geschapen heeft uit niet, kan op der heiden
En t\' stekel-doornig veld ons Tafel toebereiden:
De zelfd\' waar door den Nijl nog jaarlijks overvloeit,
131 o Waar door den Oceaan uit zoo veel stroomen groeit,
En zal ons nimmermeer aamachtig laten dorsten.
De moeder zal veel eer s\' kinds lippen hare borsten
Onttrekken wreed en stuurs, eer onzen Herder zal
Vergeten zijne kudde in \'t aardsche tranendal.
PHARAO.
1315 Stuit u den Philistijn, zoo hebdij te passeren
T\' Rood grondeloze Meer, waar wildij henen keeren?
AARON.
Die met zijn waterpas bepaalt de groote zee,
En heeft gecompasseerd den boord van ieder reê,
Die \'s hemels vouten schoon te zamen heeft gewrongen,
1320 En \'t aardsche centrum zwaar houdt allezins gedrongen,
Heeft lang de weg bereid, heeft lang het pad gebaand
Voor \'t volk van zijn Verbond, die stoutlijk en verwaand
Gij aan uw opzet boeit, en durft nog \'t hoofd opsteken
Als of het aan de macht des Hemels zou gebreken,
1325 Te blixemen den trots van uw hardnekkigheid,
Daar u de vinger van Gods hooge Majesteit
Zoo streng heeft aangetast! eylacen! wordt eens wijzer.
En nog de wraak verstompt van zijn rechtvaardig ijzer,
Waarmede hy u dreigt.
PHARAO.
Rebellen altemaal,
1330 Trekt henen, maar ik wil, ik wil uw Beestiaal
Hier blijf tot roof en buit. Trekt henen uwer straten.
1300. Openstond, vrij was. — «33i« Uwer straten, uws wegs.
-ocr page 70-
HET PASCHA,
56
MOYSES.
Wij zullen van ons vee geen klaauw hier achterlaten.
PHARAO.
Zoo blijft dan die gij zijt! Hoe, zullen dees Hebreen
Ons trotsen? Neen, eer werd den alderleegsten steen
1335 Memfidis omgekeerd! Het vee dat zal hier blijven.
Trekt met uw kinders heen, uw hoeren en uw wijven!
AARON.
Waar \'t vee blijft, blijven wij, grootmogende Monarch!
Als wij gekomen zijn bij Sinaï den berg,
Wij God een offerand van ossen ofte stieren
1340 Op \'t heilige gesteent dankbarig moeten vieren,
Tot eenen zoeten reuk, en tot een teeken blij,
Dat hij ons heeft verlost van al ons slavernij;
De palen zijnes Wets wij niet en overtreden.
Dus oorloft ons vertrek, en hoort zijn stemme heden!
PHARAO.
1345 In geenderlei manier.
MOYSES.
Zoo blijft de straffe hand
Des Heeren over u, en over \'t gantsche land:
God zoude eer eenen berg of harde rots bewegen.
PHARAO.
Is hij een rustig haan, hij kraai nog eens te degen.
Den sleutel van mijn Rijk zij u voor \'t lest ontzetd,
1350 En welker tijd gij in mijn tegenwoordigheid
Hier weer verschijnen dorft, ik zweer bij mijnen Throne,
Misraïms edel hof, en bij mijn groote Kroone,
Ik zweer bij dezen staf bepeereld en verguld,
Dat gij van stonden aan uw kerkhof vinden zult.
Binnen.
MOYSES.
ï355 O diamanten hart! o ijzeren nature!
AARON.
Het ijzer wordt gedweeg int gloeyen van den vure;
Den diamant, hoe hard, verzachtet bokkenbloed:
Maar dezen blijft verstokt, versteend in zijn gemoed.
MOYSES.
\'t Glas van ons slavernij is niet-te-min verloopen.
1360 Ik zie, ik zie den weg tot ons verlossing open.
Egypten ziet om hoog, het zweerd is uit der schee:
Dies Iacob morgen licht zijn anker van dees reê.
Binnen.
-ocr page 71-
DERDE DEEL.
57
C H O O R.
Nu \'t manen-schijnsel zich gaat ronden,
En met heur kromme hoornen naakt
1365
           Vast eenen halven cirkel maakt,
Werd den Hebree van druk ontbonden,
En van \'t tyrannig jok ontlast.
Ziet, hoe elk juicht met blijden geeste,
Ziet, hoe zij nu hun Paasschen-feeste
1370
           Met vrolijkheid bereiden vast!
Hun jaar\'ge lammerkens zij slachten,
Met dat de schaduw zich uitstrekt
En \'s Hemels oog zijn licht vertrekt,
Om schuilen in de water-grachten.
1375 Ziet, hoe zij, met de roode stralen
Van \'t zuiver Lams verkoren bloed,
De dorpels ende posten vroed,
Van hare poorten vast bemalcn:
O heilig klaar ken-teeken! om
1380 Te vrijden al uw eerstgeboren
Voor d\'Engel, die in \'s Heeren tooren
Gaat maayen, met een zeisen krom,
Al de eerstelingen vanden Nijle:
Al de eersten, die uit \'s moeders schoot
1385
           Beschouwden Phoebi stralen rood,
Door-schicht hij met een hemel-pijle.
De Israëlieten rusten twijlen
Hun toe na \'s Heeren wil en eisch,
Om hun te geven, op de reis
1390 Van zoo veel stadiën en mijlen.
De lammerkens, die nu gedood
Zijn, zij gaan voor den vure speten;
Daarna met bitter sause op-eten,
Met zurig ongeheyeld brood.
I39S. Omgord, geschoeid, den staf in handen,
Een ieder vlijtig \'t lamken eet
Al staande, als wandel-gasten, reed
Om scheiden van de Nijlsche stranden.
„Schoon morgen-rood, begint te blozen!"
1400
           Zij met verlangen roepen t\' zaam,
1389. Geven, begeven.
-ocr page 72-
58                                  HET PASCHA,
„Komt, werpt uw stralen aangenaam,
Eens in ons blijdschap over Gozen!
Blaauw hemels licht, doorschijnt de locht,
Beschaamt den zilver-schijn der manen,
1405 En distilleert de peereltranen,
Die van ons wangen rollen vocht,
Niet meer van droefheid als voorhenen
Maar al van blijdschap en van vreugd,
Om dat den Hebree met geneugt
141 o Zijn zoete vrijheid is verschenen."
O zoete vrijheid! wat een krooning
Dunkt u den genen, die verrukt
Nu zoo vele eeuwen heeft gedrukt
T\' slaafsch jok van een tyrannig Koning!
1415
           Oft schoon \'t wild vogelken met lust
Int korfken tiereliert en fluitert
En inde traly, twijl het tjuitert,
Verdient \'t gekochte zaad gerust,
T\' zou liever in de takskens schieten,
1420
           En klieven met zijn vlerkskens locht
Den blaauwen hemel, zoo het mocht
Slechts mager zijnen kost genieten.
Waarom versteekt zich inde stoppels
Der bosschen t\' hoorn-getakte hert?
1425
           De ranke hind\', waarom zoo hard
En snel vlucht zij voor \'s jagers koppels\'?
Waaromme vliedt het schuw konijn
En de achter-lamme bloode hazen,
Die als een schaduw weggeblazen
1430
           Zoo fluks in hun zand-holen zijn?
De azure visschen, waarom duiken
Zij voor \'t doorluchtig net zoo ras,
Int diepste van het water-glas,
Int diepste van Thetydis kruiken?
1435 Ach! om hun vrijheid, die zoo naakte
Een ieder van naturen wis
Zijn voorhoofd ingeschreven is,
Van dat hij eerst int licht geraakte:
O drie maal edel vrijheidskroon!
1440 Die Isac d\' hoofd-slapen omvlechtet,
Waarom den lieven Hemel vechtet,
Die met zijn vleugelen ten toon
-ocr page 73-
VIERDE DEEL.
59
Beschaduwt de Isralietsche benden,
En helpt hun uit t\' Egyptiesch zand,
1445
           Int rijke Palestijnen land,
Uit al hun droefheid en ellenden.
Twijl Iacob dus van vreugden reyet,
Den heldren witten dag aanbreekt,
De gulden zonne \'t hoofd opsteekt,
1450 Die over Nylus golven spreyet
Het stralig licht van zijn flambeel,
Die haast ontdekt, hoe dees Gomedie
Rijst uit de bloedige Tragedie
Van Delta\'s schreyende tooneel,
1455 Daar de oudst-geboren voor hun magen
Op \'t bedde liggen koud en stijf,
En laten \'t gral hun doode lijf,
Dies Isr\'el werd van \'t jok ontslagen.
VIERDE DEEL.
Piiarao den Koning, Rei der Egyptenaren.
PHARAO.
Hij, die na mijnen tijd zou Memfis troon beklimmen
1460 En als een kleine God dit aardsch tooneel beschimmen,
Hij, die op \'t hoog gestoelt van \'s Konings Majesteit
Deez dubbel groote kroon alreê was toegezeid,
Hij, die niet minder zou als zijn half-Godsch voorouders.
In d\' edel schoenen treên: en, Atlas, deze schouders
1465 Ontlasten van den last die mijnen ouden dag
Veel kommerlijker valt dan zij te voren plach:
Diens opgang helder scheen, als \'t licht der morgenzonnen,
Den middag grooter hitte en klarigheid te jonnen,
Diens rijpe jaren mij veel heils hadden beloofd, —
1470 Den eenen Pharao den andr\'en is ontroofd!
Drie malen zij vervloekt den nacht, die met zijn veeren
Bespreed heeft Tisifone, Alecton, en Megeren,
Den Atropos, die meer sterflijken heeft ontzield,
Als Astren dezen nacht om ons hebben gewield:
1475 O Phoebus! hadt gij ons gewaarschuwd doch zorgvuldig
1447. Reyet, danst.— 1460. Beschimmen, overschaduwen.— 1471—72.
Bespreed, bedekte; namelijk: de nacht zij vervloekt, die de Wraakgodinnen
bedekte (zoo dat haar werk: de dood der eerstgeborenen, on bemerkt bleef.)
—   1473. Atropos, die den levensdraad afsnijdt. — \'474- Astren, sterren.
—   \'475- Had de zon ons slechts kunnen waarschuwen, dan had de ramp
wellicht (bij dag) voorkomen kunnen worden.
-ocr page 74-
<So                                     HET PASCHA,
Eer gij uw blonde hoofd en uw paruike guldig
Ter kwader tijd vertrokt van onzen horizont,
Geheel Egypten waar zoo deerlijk niet doorwond
In zijnen eersten slaap: dat alletijd met tranen
1480 Zij dezen nacht beschreit, dat nimmer \'t licht der manen
Zijn duisternis doorstraal: dat nimmermeer \'t gestert
Verlicht met heuren glans zijn donker zeilen zwert.
O dieftelijke dood! O pest, die ongenadig
Zijt op den boord van Styx of Acheron beschadig
1485 Onzalig voortgebracht, wiens pijlen met vermengd
En doodelijk vergift venijnig zijn besprengd.
Vervloekt zij dees Bcllon, die listig in de wapen,
Ons met een stille trom bekruipt, wanneer wij slapen
Den tijdelijken slaap, en komt verkeeren straf
1490 De slapers in een lijk, hun bedden in een graf.
man ([uit den] rei der egyptenaren).
Wij offeren ons leed, ons tranen aan de voeten
Van \'s Konings Majesteit, om onzen druk te boeten,
Met ons verscheurde kleed, en ons verbleekt gelaat,
Waar uit gij leest wat in ons hart geschreven staat:
1495 Ons droeve klachten, laas! zijn hoogheid niet en belgen!
Den Hemel zal op \'t lest ons \'t eenemaal verdelgen,
Dus lange heeft hij steeds ons vleugelen gekort,
En d\' een op d\' ander maal den blixem neergestort
Van zijne gramschap. Ach! Ziet, hoe ons velden schijnen
1500 Niet dan een wildernis en doornige woestijnen.
Ons boomen zijn niet meer met vruchten schoon bekleed,
Noch de aarde met geen groen tapijten meer bespreed.
De bloemen zijn verwelkt, de kruiden en de loven
Zijn met hun lieflijkheid en zoeten reuk verstoven,
\'5°5 Waarop Aurora eer met \'t krieken van den dag
De tranen van den dauw te distilleeren plach;
Zephyrus voert niet meer op zijne zachte vlogels
Den blijden Echo van de zorgeloze vogels;
Noch \'t zoet gelureluur van Pans veelgaatsche pijp
1510 In langen niet gehoord is in dit rond begrijp.
Het veldsche beestiaal is schielijken gestorven;
Den droeven akkerman zijn velden ziet bedorven;
Zijn ploegen is vergeefs, zijn zaaisel is onnut,
Zijn akkers liggen woest en mager uitgeput,
1515 Den herder laat zijn vee, den jager \'t woud gehuchtig,
1483. Dicftelijk, die tor sluik komt. — 1515. Gehuchtig, dicht be-
wassen.
-ocr page 75-
VIERDE DEEL.                                    «Si
Den bouwer zijne ploeg, den visscher \'t net doorluchtig,
Den vooglaar zijnen strik, daar eertijds \'t zorgeloos
Wild vogelken zoo dik zijn vrijheid in verloos.
VROUW.
Maar, och! ontijdelijk..., met dat zich eerst uitstrekte
1520 De schaduw dezes nachts..., ontijdelijk ons wekte
Een jammerlijk geschrei, als een die onder \'s leeuws
Grijp-klaauwen zich alleen verweert met veel geschreeuws;
Wij vlogen al verbaasd; ach! \'t werd van tijd noch eeuwen,
Zoo lange d\' oudheid ons grijsharig zal besneeuwen,
1525 Uit ons gemoed gewischt! Wij vlogen al verbaasd
Naar \'t bedde van die ons op \'t harte lagen naast.
Te spade, eilaas! te spa, de dood ons hier verraste:
De pols was wech eer elk al bevende noch taste
Naar \'t leven van zijn kind, en ieder moeder zag,
1530 Zoo haast als van de kaars scheen eenen lichten dag
In \'t droefste van den nacht, in eenen slaap te vaste
Het wit ivooren beeld, het schepsel van albaste
Zijns kinds in \'t pluimig bed: elk kreesch, elk riep terstond
Des spiegels krystalijn op \'s kinds verbleekten mond.
1535 Maar ziel en leven was vervlogen, met den asem,
Want \'t glazige krystal bleef zuiver, zonder wasem.
De rozen waren op de kaakskens al verwelkt,
\'t Koraal, waar met zoo dik dees borsten zijn gemelkt,
Was van de lippen wech; de stralen zonderlingen
1540 Van de oogskens vriendelijk (die plachteu te doordringen
Dit moederlijke hart, ach! dat zoo veel verliest!)
En flikkerden niet meer, maar waren al bevliesd
Van twee wijnbraauwen droef. Dat liever nooit dees ooren
En hadden \'t zoete woord van Moeder mogen hooren!
1545 Ach, ongevallig einde! ontijdelijke dood!
Gij treft met uwen spits die eerst uit \'s moeders schoot
Beschouwden \'s Hemels licht. Eylaas! voor al de smerte
En pijn, wats mijnen loon? Niet dan \'t doorschoten herte
Van mijn verkoren bloed; ach! eer gij ooit verreest,
1550 Had beter \'s moeders buik uw donker tomb geweest!
Hoe is dus mijnen troost, hoe is dus mijnen roeme
Op eenen nacht verwelkt, gelijk een dorre bloeme!
MAN.
Oft dezen dooden mond nooit vader, vader! riep!
Dees, wiens liefd\' in mijn hert begraven lag zoo diep,
1555 Die letterlijken stond in mijn gemoed geschreven:
De zonne van mijn vreugd, de ziele van mijn leven,
Den rechten erfgenaam, en d\' aldernaasten oor
Van al mijn rijke haaf, van \'t goud in mijn thresoor;
-ocr page 76-
HET PASCHA,
62
Ja, \'t beeld mijns aangezichts, de wortel, die de vruchten
1560 Mijns zaads beloofden voort te brengen met genuchten.
„Wat is ons leven? Ach! Wat is ons leven ook?
Een liefelijke bloem, bel, bobbel, damp en rook
Of smook, die, in de locht verblazen en verzwenen,
Gelijk een schaauw verstuift, en ijdel vliegt daar henen.
1565 Het duurt een wijle maar, een tijdelozen eeuw,
En smelt weer lichter als een witgevlokte sneeuw,
Of als een ijzen beeld, twelk spoedig overwonnen
Zijn statua verliest met \'t stralen eender zonne.
\'t Is als een blixems-licht, dat naauw om schijnen poogt
1570 En mist zijn heerlijkheid met dat het zich vertoogt;
Een toorts, die durig schijnt en smeltet al bezweken,
Met dat heur lemmet sparkt, met dat zij is ontsteken.
Hoe vliên ons dagen wech, als waren zij gevlerkt!
Ons uren zijn bestemd en onzen tijd beperkt,
1575 Ons wiege wordt ons graf, ons leven is verloren,
Wanneer wij naauwlijks zijn uit s\' moeders schoot geboren."
VROUW.
Dus schreiden de ouders vast, in zulken harden proef.
Ons oogen vloeiden, laas! als twee fonteinen droef.
De zuster op haar zus, de broeder op zijn broeder
1580 Riep: „Oft nooit uit den schoot van een verkoren moeder
Wi) beid\' waren geteeld! och, oft wij nooit met smert
En pijn hadden gedrukt een zelfde moedershert.
Och! waren wij nooit beide uit éenen bloed geronnen,
Noch nooit door éenen ring geraakt int licht der zonnen,
1585 Noch van een vader nooit, in zijne liefde zoet,
Gewonnen op éen koets, noch met de melk gevoed
Die uit éen ader vloot, noch samen opgevoedsterd;
Noch in een wankelwieg met pijnen opgekoesterd;
Zoo\'n had uw droevig einde (als \'t ommers wezen most!)
1590 Ons zoo veel zuchten (laas!) noch tranen niet gekost.
Wat hebdij meer misdaan als wij, dat \'s doods verstaalden
Gescherpten schicht met-een dees borsten niet doorstraalden?
O helschen Atropos! Wie dacht, wien had gedacht,
Dat gij huns levens draad zoudt korten dezen nacht?
*595 Wij hadden uwe komst wel vlijtig waargenomen,
En niet den zachten slaap met Lethes laten stroomen
Op ons gesloten oog, en nog, voor \'t laatst adieu,
Dees wangen eens gekust, eer uwe vlimme hieuw
En scheiden ziel en lijf wraakgierig van den andren.
1600 Voor eeuwig hadden wij nog eens omhelsd malkandren.
Ach! zaliger ist lijk \'t welk hier ligt uitgestrekt,
Dat nu den Rouwe met heur vleugelen bedekt,
-ocr page 77-
VIERDE DEEL.
63
Als wij, die treurig, om dees droefheid te verzachten,
Ons overstelpen in ons tranen en ons klachten.
MAN.
1605 Twee maal vijf straffen wij (eylaas!) hebben gevoeld:
En worden altijd meer van droefheid nog bespoeld.
Den Hemel even streng houdt zijnen boog gespannen:
Dies bidden wij: verlaat d\'Israelietsche mannen!
Verlatet den Hebreen, ontsluit Egyptenland,
1610 Op dat zij hunnen God voldoen zijn offerhand!
Ontslaat ze doch van \'t jok van al haar slavernijen,
En wilt ons allen voor een grooter straf bevrijen.
PHARAO.
Zij vluchten metter ijl, van daar het morgenrood
Verrijst, tot daar het licht neerdaalt in Tnetis\' schoot;
1615 Voor Pluto trekken zij zoo wijd ter Hellen neder,
Tot daar zij nimmermeer en keeren herwaarts weder.
Zij reizen naar \'t besneeuwd en \'t koud beijzeld Noord,
Tot daar men nimmermeer van hun vertrekken hoort.
Zij laten dan den Nijl, die overvloeit van \'t goede,
1620 Tot daar hun al gelijk moet drukken de arremoede.
\'t Weerspannig slaafsch gedrocht, zij loopen al hun best
Die ons gezond klimaat ontsteken als een pest!
Zij nemen al hun vee, zij nemen al hun have,
En worden op het veld een spijze voor de rave!
1625 Zij ruimen \'t gantsche Rijk! zij loopen naar hun dood,
En erven Pluto\'s nest voor eenen zachten schoot.
Binnen.
Den reye der Israëlieten zingen.
Hebreen! speelt \'s Hemels lof
Nu op uw luite schoone!
Adieu, Misraïms hof!
1630 Adieu, Memphidis throne!
Adieu, Egyptenland!
Adieu, rijksstaf en kroone,
Die Nylus zandig strand
Beheerscht door Pharaone.
1635           Adieu, tyrannig jok,
Adieu, dienstbarig Gozen!
Waar uit de Heer ons trok
Door Aaron en door Mosen.
1613. Zij vluchten, dat zij vluchten.
-ocr page 78-
64                                 HET PASCHA,
Israël wil \'t beloofd
1650
           Canaan nu gelukken,
Daar Iuda zijn voorhoofd
Zal met een kroone drukken.
Daar Iuda, onder \'t licht
En \'t wankel rond der manen,
1645
           Zijn stoel en zetel sticht
Bij \'t stroomen der Iordanen.
Gij Philistinen haast,
En gij o Iebusieten!
Met Amalec verbaasd
1650 Maakt plaats met de Ammonieten.
De Koning Iuda komt
Preutsch in uw schoenen treden:
O luistert! hoe hij tromt,
En nadert met zijn schreden.
1655           Dat dijnen hoogmoed daalt
Voor die zijn rijk wil vesten,
Gelijk den blixem straalt
Vant Oosten tot den Westen.
Uw grenzen open sluit
1660 Voor onzen Prins personig,
En laat tot roof en buit
Uw melk en uwen honig.
Iordaan, die van den top
Der heuvelen komt bruisen,
1665
           Steekt uw blaauw hoornen op,
En laat uw bobbels ruischen!
Golft in d\' azure zee,
Zegt de Oceaansche baren,
Hoe Iuda op uw ree
1670 Komt zijnen tnroon pilaren.
Sinaï! maakt dij reê,
Want op uw hoogte steilig
Wil smoken doen d\' Hebree
Zijn brandofferen heilig.
-ocr page 79-
VIERDE DEEL.
65
1Ö75           Dat Horeb eeuwig staat
Gerezen onder \'t maanschijn,
En tuigt wie heeft gedwaad
De tranen van ons aanschijn.
Mensch-stappen zullen eer
1680 Des hemels cirkel meten,
Dan hunnes Konings eer
Israël zal vergeten.
Den Engel maakt het spoor;
O, laat ons niet verslappen!
1685
           Ons leidsliên treden voor,
Wij volgen hunne stappen.
Pharao, den Koning, Albinus, Veldhoofdman met
zijn heirleger.
PHARAO.
Die niet ontziet den roem zijns Scepters te bevlekken,
Mag doen als Pharao, en laten henen trekken
De slaven van zijn rijk, die onder \'s Hemels wiel
1690 Den Koning eigen zijn met lichaam en met ziel,
Die steeds gehouden zijn den Koning toe te wijden
De vruchten van hun zweet, en honger zelfs te lijden,
De slaaf, die \'s Princen hoofd met een gemarmerd dak
Moet overwelven \'s daags, en onder \'t hemelvlak
1695 Zelf slapen al den nacht, en dubbel wordt vergouden,
Wanneer bij zijnen loon hij t\' leven mag behouden.
Oft rekent zijnen Heer hem t\' schuimsel van der aard,
En is hij op de helft naauw zoo veel eeren waard,
Geen vrijheid komt hem toe, tenzij hij \'t mag verwerven
1700 Door zijnes Konings gunst, oft eindlijk door zijn sterven.
Vast nebben dees Hebreen, verdobbeld snoó en valsch,
T\' jok van hun dienstbaarheid geschoven van den hals
Door tooverkunst huns Gods, die, \'t scheen, ons zou ver-
delgen
En heel Egypten in zijn toornigheid verzwelgen.
1705 Zoo nu zijn rechte hand verlamd is noch verkort,
Hij neem de handschoen op, die hem geboden wordt.
Zij zijn wel uit \'t gezicht, maar nog niet uit mijn handen,
Noch uit hun slavernij, al schijnen ze uit de banden
1677. Gedwaad, gewischt. — 1689. Wiel, wenteling. — 1701. Ver-
dobbeld, dubbel.
vondel I.
5
-ocr page 80-
HET PASCHA,
66
Van \'t slaafsche jok te zijn. Zij worden nagedraafd:
1710 En eer den vluggen Tijd de bleeke Zon begraaft,
Zie ik hun achterhaald en onverziens bedrogen,
Gelijk de vogel t\' net wordt over \'t hoofd getogen;
En als in \'t bladig bosch, zoo schielijk \'t bloode hert
Beschreit zijn vrijheid, als \'t in strikken is verwerd,
1715 Zoo zal ook, al betraand t\' heirleger der Hebreeuwen
Hun vrijheid zien beroofd voor allen tijd en eeuwen.
Tsa, Hoofdman! werwaards is \'t, dat zij getogen zijn?
HOOFDMAN.
Ontziende \'t bloedig staal des preutschen Philistijn,
Heer Koning! al verbaasd begaf zich dezen zwerme
1720 Daar \'t Rood Arabiesch Meers gekromden woesten erme
Dit rijk een deel omvangt, en de woestijne dreigt:
Gewapend naauwlijks, zij om strijden niet geneigd
En schenen, noch bekwaam ten minsten hun vijanden
Het half gelaat te biên; ik late staan hun tanden
1725 Te breken met geweld. Indien gij dezen rei
Vervolgt, genadig Vorst! voor \'t oorloogs-veldgeschrei
Zij raken in de vlucht, en reppen tsaam hun zolen,
Als schaapskudd\', die de wolf het herte heeft ontstolen,
Om geen beschermen denkt, maar van een bende haast
1730 Wel honderd benden maakt en vluchtet al verbaasd.
PHARAO.
Welaan, de rossen toomt, om geenen tijd verzuimen.
HOOFDMAN.
Zij brieschen, en \'t gebit huns breidels doen zij schuimen,
En zijn met strijdschen moed gespannen int gareel,
De wagens toegerust; en \'t leger, al geheel
1735 Gehelmd, gestokt, gestaafd, vierkantig in slagorden,
Verlangt, wanneer den tocht zal aangevangen worden.
PHARAO.
Zoo treed\' de Koning voor: op, trommel en trompet!
De wapenroovers noodt tot \'t bloedige banket!
Dat elk zijn hielen licht! \'t Is geenen tijd om hinken,
1740 Nu in \'t bestoven veld Mars zijnen schild doet blinken.
Krijgt onder zijn banier! hij leidt u aan den dans.
Des overwinners hoofd omvlecht den lauwerkrans.
Den weg is al gebaand: dus laat ons niet verslappen,
Zoo ver te vinden is het spoor van hunne stappen.
Binnen.
1710. Tijd staat in den len nv. — 1728. \'t Hert ontstolen, den moed
benomen. — \'737, 38. Op, tr. en tr., noodigt de wapenroovers (soldaten) tot
het bloedige fecstbanket. — 1742. De lauwerkrans omvlecht het hoofd v. d.
overwinnaar.
-ocr page 81-
VIERDE DEEL.                                 67
CUOOR.
1745 Die den Hemel derf bekrijgen,
Zal wel voor een wijl opstijgen,
Even als Neptunus\' vocht
Worpt zijn baren na de locht,
Die van zelf in korter stonden
1750 Weder vallen in de afgronden,
Oft gelijk een vlam gezwind
Licht op naar den hemel klimt,
Die men wederom zich zelven
In zijn asschen ziet bedelven:
1755
           Want de groote goedheid Gods
Latet wel den Koning trotsch
Op het hoogste en even dolle
Woeden, doch wanneer hun rolle
Is ten uitersten volspeeld,
1760
           Op \'t Theatrum getooneeld,
En wanneer hij met berommen
Meent ten hoogsten zijn geklommen,
Stoot den godlij ken Monarch
Hem afgrijzig van den berg.
1765 Hoe hij was den Hemel naarder
Hoe den val hem is te zwaarder,
Hoe hij meerder opwaards steeg,
Hoe hij dieper valt omleeg.
Hoe hij meerder rees verkorzeld,
1770 Hoe hij platter valt vermorzeld.
Dit blijkt aan Pharao straf,
Die zoo blind\'ling loopt na \'t graf.
Die in \'s Heeren straffe tijdig
Blijft verstokt, versteent partijdig;
1775
           Daar een ieder roe, als vriend,
Hem tot beteringe dient:
Want de strengheid Gods ten lesten
Iedereen kastijdt ten besten,
En zijn geesel al begrijsd
1780
           Op een grooter roede wijst.
Wie dan, in der zonnen luister,
Sluit zijn oogen in het duister,
Wie de aankloppers van \'t gemoed
\'s Herten deur niet open doet:
1769. Verkorzelt, wrevelig. — 1775- Daar, terwijl. — 1779. En zijn
reeds bejammerde geesel wijst op een nog grootere roede.
-ocr page 82-
HET PASCHA,
68
1785 Wie zoo vele donderslagen,
Luiden laat voor ijdel vlagen,
Op het onverzienste bald
\'sHeeren blixem overvalt:
Gelijk dezen Koning prachtig,
1790 Die geen teekenen aandachtig
Mochten leiden uit den tred
Van zijn obstinaat opzet.
Dies de Heere t\' ecnemalen
Hem onttrekt de helder stralen
1795
           Van zijn hemelsch aangezicht,
En verduistert hem in \'t licht,
In verkeerdheid overgeven,
Tot hij eindelijk, gedreven
Even als een roerloos schip,
1800
           Drijft al blind\'ling op de klip
Van zijn overgeven boosheid,
Van zijn stoute goddeloosheid,
In den afgrond en \'t verleid
Van zijn overgevenheid.
VIJFDE ENDE LAATSTE DEEL.
Fama, oft \'t blazende Gerucht.
1805 T\' heir-leger Israè\'ls (dat God zelfs had geleid
Onder zijn vleuglen uit d\' Egyptsche dienstbaarheid^
Dat God \'s nachts voorging in een vierige colomme
En \'s daags in eene wolk) Pharao wederomme
Had eindlijk achterhaald, en met zijn oorlogs-heir
1810 Omringd tusschen \'t gebergt en tusschen \'t Roode Meer,,
Dat, met de zonne kwam de duisternis verrassen,
Zich spiegelden verbaasd in zoo veel harrenassen,
In zoo veel ijzer-blaauw; dies riepen zij: „\'t En helpt,
Wij blijven samen hier in droefheid overstelpt;
1815 Wi) zijn besloten van \'t gebergte en van de baren,
Van zoo veel oorlogs-volk en toegeruste scharen:
Ha, Amrams zonen snóo! die ons, zoo onbedocht
Vervoerd, hier op een graf en kerk-hof hebt gebrocht:
O, zalig waren wij, in arbeid en in slaven,
1820 Eer in Egyptenland gestorven en begraven:
Verraders van den rei en \'t leger der Hebreen!
1787. Bald, spoedig CHd.) — 1805. \'t Hcirleger, 4e nv. De konstruk-
tie. 1805—1813 is dan ook onverklaarbaar, want Dat slaat weer op heir-
leger. — 1813. \'t Baat niet. — 1815. Besloten, ingesloten. — 1817. Moyses.
en Aaron.
-ocr page 83-
VIJFDE DEEL.                                 69
Een ieder wreek\' zich zelf en worp den eersten steen!"
Gelijk de reizigers (als in d\' azure golven
Van eenen waterberg bedekt wordt en bedolven
■1825 Het vlottig schip, wanneer zich Boreas verheft,
En \'t golvig driftig hout met groene baren treft)
Den schipper dreigen vast, zoo voor de sture winden
Hij \'t opgeblazen zeil wil strijken noch ontbinden:
D\' een met een bleek gelaat na \'t leven vast de dood
1830 Afschildert, de ander klaagt, dat in Thetidis schoot
Hij vindt zijn duister tombe, en de ander dat zijn leven
Ontijdelijk hij moet den baren overgeven;
Dat ondertusschen heeft den zeeman, al ontrust,
Genoeg te doen, eer hij d\' een stilt en d\' ander sust.
1835 Zoo ook in dezen storm de Israè\'lietsche hoeders
Aaron en Moyses beid\' vertroosten hun gebroeders,
En roepen: „Makkers denkt, dat uwen Koning leeft,
Die midden in \'s doods nood de zijne t\' leven geeft;
T\' is eenen vasten grond. En twijfelt niet zoo wanker:
1840 Vest uw geloove op Hem, en worpt der hopen anker
Op Gods almachtigheid, die \'t steil gebergte kan
Tot dalen platten, en verdroogen d\' ocean."
Den jongsten toont, hoe hun den Hemel is te goede,
En slaat, met zijne doode en levendige roede,
1845 Het woeste baargeplots, dat zich verdeelet stuur,
En wederzijden maakt een roö robijnen muur,
Een schutsel van krystal, en nemet zijn afscheidsel
Zoo wijd, dat midden blijft een guldig zand-plaveisel,
Een droogen vloer geschelpt, waar op dees Leidsliên voor
1850 \'t Gantsch Leger volgen doen hun stappen op het spoor.
O zeldzaam wonderwerk! wie zal ik best gelijken
Israël, die zoo haast een plaatse vindt om wijken,
Als bij de watervloed, die stroomig opgehoopt
Een leger diepte vindt en snellijken verloopt!
1855 Terwijlen dus d\' Hebreen (spijt \'t wezen der naturen)
Vast dweersen deze straat van krystalijne muren,
Roept d\' een: „De zee is droog, en \'t water even vocht
Hangt, ik en weet niet hoe, tot boven in de locht!"
En d\' ander krijscht: „Wats dit? \'t Roö Meer schijnt op-
geblazen ;
1860 Thetis ciert heur parruik in deze spiegelglazen.
Waartoe met schepen meer gevloten over \'t nat,
Wanneer men doorgaands vindt zulk eenen drogen pad?
1833. Dat ondertusschen, terwijl dit plaats heeft. — 1843. Den
jongsten, Moyses. — 1844. Staf en slang. — 1854. Leger, lager. — 1862.
Doorgaands, (er) doorgaande.
-ocr page 84-
HET PASCHA.
70
Waartoe dient doch \'t kompas en de opgespannen zeilen,.
Oft grondloos dieplood, om de diepten met te peilen?"
1865 Dus in verwondering treedt vast \'t heirleger voort,
En vindet zich droogs voets, van d\' een op d\' ander boord,.
Behouden op het strand. Dies Pharao verbolgen
Verkiest denzelfden pad, om fluks hun te achtervolgen
Met al zijn wapentuig, met al zijn krijgsgeweld;
1870 En is naauw in \'t gebied van t\' zandig zeeusche veld,
Oft den Hebreeuwschen God beginnet zich te belgen,
Die, om hun in een graf te zamen te verzwelgen,
Een slinksch onweder van den hemel nederworpt,
Dat t\' slibberig gebergt weer in zijn holte slorpt,
1875 Dat ieder over hoofd en hals in \'t diepste sobbelt,
En komen door \'t gegolf eens eindling opgebobbeld,
Met eiselijk geschreeuw, half levende en half dood.
De dooden zijn alreê meer als der golven vloot:
D\'een roept: „Osiris, o! helpt mij te boven klemmen !**
1880 En d\'ander: „Help, Isis! opdat ik \'t mag ontzwemmen!\'"
De een is met t\' harnas zwaar gezonken in den grond;
De een houdt zich aan de koets, of aan de wielen rond,
En de ander al verbaasd, om boven \'t water wakker
Nog \'t hoofd te houden op, grijpt zijnen naasten makker„
1185 En zinken beidegaêr. De zee, die altijd woelt,
Wat nog te boven drijft voords in den afgrond spoelt.
Den Prince van den Nijl, die, in zijn koetse deftig,
Werd voortgetrokken van sneeuwwitte hengsten heftig,
Vervloekt de troebel zee, de golven zout gezwind,
1890 Den Hemel en de locht, de blixems en de wind,
En om ontijdlijk nog de bleeke dood te ontvlieden,
Durf hij den dullen storm t\' hoofd even dapper bieden,
En stijgt de baren op, en krijschet: „Oft gij schuimt,
Voor dezen gaffel spits den weg naar t\' strand opruimt E
1895 Ik ben Neptunus zelf, den God van deze stranden!
Ontziet mijn blaauwe spriet met drie gescherpte tanden ï
Gij bruist, gij zwalpt, en krielt, ziet, wie gij rebelleert!
Ik ben\'t, die op het diep van uwen stroom laveert."
Den Ocean en past op vloeken noch op schelden,
1900 Zijn dreigementen dweers en mogen hier niet gelden.
Na dat hij zeven maal, met t\' woest getuimel vocht,
Zijn voorhoofd heeft gebergd ten wolken in de locht>
En weder zeven maal gedaald is in de vesten
Van \'t grondeloze diep, hem eindelijk ten lesten
1905 De vochtigheid verzwaart, ja alle hoop berooft,
1878. Vloot, vloeyende massa. —
1900. Dweers, stuursch.
-ocr page 85-
VIJFDE DEEL.
71
En in heur grimmigheid delft over hals en hoofd.
Ik geef te denken voords, de Hebreen, die \'t aanzagen,
Hoe hunnen vijand lag zoo korteling verslagen,
Hoe God zoo lichtelijk den pratten hoogen moed
191 o Pharaoos had gedempt, vertreden onder voet,
Oft niet een ieders tong, van vrolijkheid ontsprongen,
Den driemaal hoogen lof des Hemels heeft gezongen,
Als zij aanschouwden, vrij van s\' Konings wreedheid straf,
Dat hun verlossing werd Pharao tot een graf,
1915 Diens korten ondergang, diens droevig treurspel even
En onverzienste dood hun strekte tot den leven.
De winden en het meer goedjonstig wierpen ruit
De Egyptsche wapening weer aan den oever uit,
Wierp harnas, schild en zwaard juist den Hebreen in handen,
1920 Daar zij eerst werden met gedreigd van hun vijanden.
Dit heb ik zelf gezien, dit heb ik zelf gehoord,
En deel \'t een ieder voor de zuiver waarheid voort.
Veel wijder als men ziet zon, maan en sterren blinken,
Zal ik dees nieuwe maar met mijne tromp doen klinken.
Binnen.
Hymne ofte Lofzang
van den 1sraëlietschen rf.ye.
1925 1 Nu zingt, nu speelt, nu reit en danst,
Nu looft den Heer der Heeren,
Die ons met d\'overhand bekranst,
Vlecht hem een kroon van eeren:
Hij is, die al de banden van
1930
         Ons slavernije breken kan,
En onzen rouw in vrolijkheid verkeeren.
2    De Heer gedenkt aan zijn verbond
Over zijn uitverkoren,
Looft Hem met ziele, tong en mond,
1935
             Die Israël staat voren,
Die Iacobs huis, in dienstbaarheid,
Onder zijn schaduwe bespreidt,
Prijst zijnen naam, en wilt nu vreugd oorboren.
3    Hij is den God van Abraham,
1940
             Isac en Iacob machtig,
Die nu tot Koning zalft den stam,
Den stamme Iuda krachtig,
1917. Ruit, rude, ruw, wild. — 1938. Oorboren, genieten.
-ocr page 86-
HET PASCHA,
7*
Die ons naar \'t zoet beloofde land
Geleidet door zijn sterke hand,
1945 Om heerschen int land CanaSn eendrachtig,
4    In \'t land, daar melk en honig vloeit,
Daar de Iordaan beneven
Stroomt, die uit zoo veel beekskens groeit
Van \'t steil gebergt verheven:
1950
         Daar, als de baren van der zee
Of t\' zand der stranden, nu alreê
T\' zaad Israëls doet zijn vijanden beven.
5     Looft dezen krijgsheld onvervaard,
Die paarden, ros en wagen,
1955
         T\' gewapend heir met schild en zwaard
Heeft mannelijk verslagen,
Met den verstokten Koning trotsch;
Bouwt op dees klip en sterke rots,
Die niet en zwicht voor stormen en zee-vlagen.
1960 6 Den rood-scharlaken mantel breid
Van \'t Roode Meer hij scheurde,
En heeft guld-zandig geplaveid
Een effen straat, waar deur de
Hebreen ontweken hun misval,
1965
         Tusschen twee muren van krystal,
Daar Pharao den laatsten zucht betreurde.
7    Pharao, die ons op de hiel
Vervolgde met zijn scharen,
\'t Zee-water stormig overviel
1970
             Met t\' zwalpen van de baren;
Die \'t voorhoofd bergden in \'t gestert,
In den afgrond vernederd werd.
Speelt s\' Heeren lof op harpen en op snaren!
8    Pharoos wimpelen ontdaan
1975             En zag men niet meer zwieren,
Noch \'t bloedzeil van zijn oorlogsvaan,
Noch al zijn roó banieren;
Zijn wapens en geslepen staal
Zonk met zijn rusting altemaal.
1980 Wilt Hem op \'t plat van zijn altaren vieren.
1971. Die met zijn hoofd in de sterren woonde. — \'974- Ontdaan,
opengeslagen.
-ocr page 87-
VIJFDE DEEL.
73
9 Bouwt al uw hoop op dezen Steen,
Bouwt uw geloove vaste
Op den Monarche der Hebreen,
Die Pharao verraste,
1985
         Die des tyrans voornemen schort,
Den hoogmoed van hun vleugels kort,
En met zijn sterke schouders ons ontlaste.
10 In koper, steen, noch ijzer hard
Alleen niet dees weldaden
1990
         En prent, maar schrijft ook in uw hart
Gods goedheid vol genaden,
Die ons s\' Doods muile heeft ontrukt.
Groen palm en myrtetakken plukt,
Kroont, ciert, en vlecht uw hoofd met lauwer-bladen!
Moyses doet zijn offerhande en spreekt:
1995 Dwijl Israël ontrukt is uit zijn slaafsche banden,
Zoo stijg ten Hemel-waart ons herte, met t\'gesmook
Van dezen altaar! Als een liefelijken rook,
Ontvangt, o Heer! ontvangt dees heilige offerhanden!
Ontvangt dees offerhand tot een dankbarig teiken,
2000 Oft schoon den teêren mensch niet anders wedergeeft,
Dan t\' gene hij (eylaas!) van u ontvangen heeft:
Zijn zwakke sternijkheid niet hoogers mag bereiken.
Gij zijt de volheid zelf, de spruitende fonteine,
Die overvloeit van t\' goede; o mensch! die niet en hebt
2005 Iet goeds, als tgeen gi) uit dees zuiver borne schept,
En zijt niet van u zelfs als stof en asch onreine!
Wat offert gij den Heer? niet anders als den lof der
Oprechter lippen vroom, voor zijn weldadigheid,
\'t Welk God veel meer behaagt als bok, stier, kalf of geit;
2010 Een dankbaar hart is hem den aangenaamsten offer.
T\'is God, die \'tal uit Niet heeft door zijn woord geschapen,
Die \'t wonderlijk geheel gegeven heeft den eisch,
Gewelfd, gebouwd, gecierd gelijk een schoon paleis.
De stieren hooren hem, de kalveren en schapen.
2015 Niets is er zoo gering, of t\' is van hem gevloten,
Hij hevet al gemaakt; — o, groot is uwen lof!
Die \'t al hebt rijkelijk gebouwet zonder stof,
Zoo Gij in uwen raad verholen hadt besloten.
Heer! dit bekennen wij nog eenmaal met verlangen,
2020 Wat wij op den altaar in vier en vlammen rood
Ontsteken, is gevloeid uit uwen milden schoot,
-ocr page 88-
HET PASCHA,
74
Ja, hebben ziel en lijf van u, o God! ontvangen.
Den offer komt U toe, die, Heer! verteert tot asschen,
Neemt, dat U toebehoort, den altaar toebereid
2025 Alleene zij t\' bewijs van onze dankbaarheid,
Dat Gij ons aanschijn van de tranen hebt gewasschen.
Dat ons gemoed u viert inwendig na den geeste,
En dat ons herte brandt, gelijk als in s\' vuurs gloed
Op \'t heilige gesteent ons offerhande doet,
2030 En dat wij uwe wet betrachten aldermeeste.
Zoo dikwijls als het bloed der bokken zal besprengen
Des altaars hooge plat, zal ik gedenken aan
Hoe wij de straffe hand uws Engels zijn ontgaan,
Waar door Gij tzamen ons woudt uit Egypten brengen.
2035 Ik zal gedenken, hoe, om Pharaoos verdinsten,
Al de eerstelingen van geheel Egypteland
Van menschen en van vee, door uwe sterke hand
Geslagen werden, van den meesten tot den minsten.
En hoe gij ons verlost hebt uit de tyrannije
2040 Van dezen Koning, die, om zijn hardnekkigheid,
Met zijnen hoogmoed nu in \'t meer begraven leit,
Waar door wij zijn ontboeid van al ons slavernije.
O Heer! bereidt den weg, en trekt nog voor ons henen,
Gelijk Gij tot nog toe gedaan hebt goedertier,
2045 Des daags in eene wolk, s\' nachts in een vlammig vier,
Waar in Gij mij ook zijt op Sinaï verschenen.
Vertsaagt voor onze komst de stoute Philistijnen,
Kwetst hunnen preutschen moed! o Heer, blijft onzenborcht
En onzen schild, op dat wij mogen onbezorgd
2050 Geraken door de dorre Arabische woestijnen.
Op dat wij eindelijk eens mogen triumfeeren
In \'t land van Canaan, en dat wij uwe wet,
Uw offerhanden daar, rein, zuiver, onbesmet,
En ons beloft voldoen, tot uws Naams prijs en eeren.
Binnen.
[Slot]-choor.
2055 S\' Hemels goedheid, die voorhenen
Ons voorvaders heeft beschenen,
Is hier op \'t Tooneel herspeeld,
En na t\' leven afgebeeld.
Tijd noch de vergetenissen
2060 Hoort uit ons gemoed te wisschen
2035. Wat Pliarao verdiend had.
-ocr page 89-
VIJFDE DEEL.
75
Dees weldaden overgroot,
Neergedaald uit \'s Hemels schoot.
Doch wanneer wij zien veel milder,
Wat den goddelijken schilder
2065
           Hier-met naakt afconterfeit,
Raakt dit in vergetelheid,
En vertoont zich veel geringer,
Wanneer ons dit met den vinger
Wijst op \'t ware wezen blij
2070
           Van dees Hemel-schilderij:
Op een grooter weldaad leerlijk.
Die door Jesum Christum heerlijk
Ons zoo rijkelijk beschijnt,
Dat de schaduwe verdwijnt.
2075 Want wanneer de zonne luistert,
\'t Manen-zilver werd verduisterd,
\'t Bleekste voor het helderst zwijkt,
\'t Minste voor het meeste wijkt;
Om den zin hier van te mellen
2080 D\' een wij tegens d\' ander stellen:
Nu, het rijk Egypten is
Oft beteekent duisternis,
Daar, in zware slavernije,
Iacob, onder d\' heerschappije
2085
           Pharaonis, met geklag
Droevelijk in boeyen lag:
Maar door t\' Goddelijk verweere
Werden zij. door t\' Roode Meere,
Saam verlost uit dees spelonk,
2090
           Als den Pharao verzonk
Met zijn schilden en zijn zwaarden,
Met zijn ruiters, volk en paarden:
Even lagen wij verstrikt,
Leelijk in ons bloed verstikt,
2095 Onder Satan, Hel en zonden,
In s\' Doods banden vastgebonden;
Maar door s\' Levens klaar Fontein,
Onzen Zaligmaker rein,
Als Hij in het laatst der dagen
2100 Aan het kruice werd geslagen,
Werden wij, door zijn bloed rood,
Vrij van Zond\', Hel, Duivel, Dood,
Door zijn goedheid vol genaden
2065. Hiermede. — 2077. Zw\\jkt, zwicht.
-ocr page 90-
HET PASCHA,
Afgewasschen ons misdaden:
2105
           Niet verlost, als Iacob, bloot
Van een tijdelijke dood:
Maar door dezen Samson leeuwig
Vrij van d\' Helsche pijnen eeuwig,
Van Gods onverganklijk wee,
2110
           Van het zwaard, dat uit der schee
Boven t\' hoofd ons dreigde grammig,
Met den brand des afgronds vlammig.
Israël trok al gelijk
Naar een aardsch verganklijk rijk,
2115 Dat maar voor een tijd mocht bloeyen,
Maar, na ons gebroken boeyen,
Ons de Heere roept tot Hem;
In het nieuw Jerusalem.
Loopt dan, ijverig genegen
2020 Hebben wij door Christum kregen
Eenen weg, gebaand en plat,
Naar de schoone Hemel-stad.
Daar dood, ziekte, strijd noch tranen
Gelijk over der Iordanen
2125
           Ons meer zal ontmoeten wreed,
Als \'t den Isralieten deed.
Die zoo vlijtig hun bewezen
In het uiterlijke wezen,
Ook om slachten t\' zuiver Lam;
2130
           \'t Welk ter-stond een einde nam,
Als den Godlijken Messias
(Daar den anderen Helias
Zijn verkoren Jongers vroed
Op wees met den vinger zoet,
2135 Als der schatten kleinoodkoffer),
Toen die kwam en zijnen offer,
Als hoog-priester, dede spa
Op den berg Cal varia;
Toen hij tegens Satan kampten,
2140 Alle priester-dienst en ampten
Einden met het Paschen-feest,
Als de loden jaarlijks meest
Posten, dorpels nog bestreken
Met s\' Lams bloede, tot een teeken
2145
           Hoe God hun bevrijde weerd,
Voor den slaanden Engels zweerd.
Voorspel, \'t welk ons leert ten besten,
Hoe dat, in den alderlesten
-ocr page 91-
VIJFDE DEEL.
77
Dag der dagen, in \'t Gericht,
2150
           Voor Gods toornig aangezicht,
Jesus Christus ons zal vrijden
Door zijn heilig bitter lijden,
En, met t\' rood onschuldig kleid
Van zijn droeve sterflijkheid,
2155 Ons onrein melaatsche vlekken
Voor des Heeren aanschijn dekken.
Eet dan, geestelijker wijs,
Nog dit Lam, der zielen spijs,
Met een bitter sause spijtig;
2160 Ware Israëlieten vlijtig,
Laat de kracht van zijne dood
U nog zijn een hemels-brood!
Weest omgord, en staat al reede
Om te wandlen na den vrede,
2165
           Met den staf, alzoo \'t behoort,
Van des Heeren Heilig Woord,
Opgeschort, omgord op vordel
Met der liefden band en gordel.
Ook aanmerkt hier algemeen
2170
           Dees twee leids-liên der Hebreen:
Moses (onbespraakt voor Pharons
Aanschijn) hoeft des Priesters Aarons
Reden-rijke tonge vocht:
Doch geen van dees beiden mocht
2175 Isac brengen eindelijken
In Canaans koninkrijken:
Onder welke schorse duikt
(Als men dezen bast ontluikt)
De onvolkomen zwakheid teder
2180 Van der Wet te korten leeder,
Om in \'t hemelsch vaderland
Op te stijgen uit den brand,
Uit den brand der zielen zweerdig,
Uit Gods toornigheid rechtveerdig,
2185
           Daar ons Christus, als gezetd,
Heeft behouden uitgeleid.
Want in Christo woont bekwamig
Zelf de volheid Gods lichamig:
\'t Evangelische verbond
2190
           Vloeyet uit zijns Wijsheids mond,
2159. Spijtige saus, elders (v. 643.) schele saus: saus, die wrevelig
maakt. — 2178. Ontluikt, opent. — 2180. Leeder, ladder. — 2183.
.Zweerdig, snijdend.
-ocr page 92-
78         VERGELIJKINGE VAN DE VERLOSSINGE
Der genaden fontein-ader,
Ons verbidder, bij den Vader.
Israël vertrok op hoop;
Maar voor ons heeft al den loop
2195 Christus, t\' hoofd van zijne benden,
Lang te voren gaan vol-enden,
En met t\' kruis getriomfeerd
Boven Hemelen en eerd.
Laat dit plaatse bij u grijpen,
2200 Laat dit Godlijk zaaisel rijpen,
Zoo zal te uwaards \'s Hemels gonst
Vloeyen uit levender jonst.
(Perjeftjfimjé 5fon U Ettfoffm<$e
MET
DE VRIJWORDINGE DER VEREENIGDE
NEDERLANDSCHE PROVINCIËN.
HOewel den vluggen tijd d\' uitkomste der Hebreeuwen,
Spijt Moysi gulde pen, met veel verloopen eeuwen
Heel uit te wisschen dacht: zoo is het evenbeeld
Van Israëls triumf zoo aardig weer volspeeld
5 Op \'t Nederlandsch Tooneel, dat geene van dees beiden
Naauw van den andren is met waarheid te onderscheiden:
Wien schildert Pharao naar \'t leven naakter af,
Als Phlippo den Monarch? Den eenen met zijn staf
Beheerscht den blaauwen Nijl; den andren draagt in handen
10 Den scepter, wiens gebied strekt over Tagus\' stranden;
De eenen Osiris eert met gebogen kniên;
Den ander zal den God des Tibers eere biên;
Den eenen maait in \'t graf de onnoosle zuigelingen;
Den anderen, die nog aan \'s moeders borsten hingen;
15 Den eenen Iacobs huis verdrukt met slavernij;
En d\' ander t\' Nederland verheert met tyrannij;
Den wettigen Godsdienst belet den eenen duister,
En d\' ander al verblind gehengt niet, dat den luister
Des Evangeliums gelijk een zon doorbreekt,
2202. Uit levender jonst, uit levende genade, devies der Rederijkers-
kunier, die \'t stuk gespeeld heeft.
-ocr page 93-
DER KINDEREN ISRAELS, enz.                  79
20 Noch dat de waarheid \'t hoofd ten hemel ergends steekt.
Israël, zijnde dus in droefheid en in rouwe,
De vouten schallen doet van s\'Hemels hoog gebouwe:
„O Vader!" roepen zij, „wilt gij uit uwen tros
De pijlen uwes toorns steeds op ons laten los!
25 Gedenkt toch aan \'t verbond, dat Gij met uwer knechten
Voorvaders goedertier hier voormaals woudt oprechten;
Oft zoo Gij onzer naar uw goedheid niet gedenkt,
Ten minste d\' eere uws naams, o Heere! niet en krenkt!
Gedoogt niet, dat wij (ach!) den tijd van onze leven
30 Den vijanden tot roof en spijze zijn gegeven!"
Belgica van gelijk, met zuchten en geklag,
Den droeven echo wekt, en stenet nacht en dag:
„O Heere! laat op ons de liefelijke stralen
Uws aanschijns van den throon des hemels neder dalen.
35 Wij zijn, eylaas! bevlekt met ongerechtigheid:
Dus reinigt ons in \'t bloed van Christi sterflijkheid;
Zijn eenige offerhand\' neemt aan, tot een voldoening
Onzer misdaden en volkomene verzoening!"
God Iacobs stenen hoort, en tot voorvechters trouw
40 Wekt Amrams zonen beide, en die van \'t huis Nassou
Den Nederlanders tot beschermeren en voogden,
Die samen hunnes volks verlossinge beoogden.
Die eer voor Memphis heeft gestreên als besten vriend.
Wordt eindlijk haar partij en die voorheen gediend
45 Heeft \'t streng Borgoensche hof zich rustet tegen Spanjen:
O, wonderbaarlijk schikt zich Moyses met Oranjen!
Den een strijdt voor de wet, den andren slaat de trom
En vrijdt met zijnen arm het Evangelium;
Den eenen gaat d\' Hebreen de roode golven banen,
50 En d\' ander leidt de zijn door eenen vloed van tranen,
Al recht door \'t golvig meer van klibber brein en bloed;
De slaven de een ontslaat, en de ander steekt den hoed
Der Vrijheid in de locht, en eindlijk strekt zich even
Huns vijands ondergang te zamen tot den leven.
55 Pharao voor een graf het Roode Meer beërft;
Philippus oud en grijs katijvig henensterft:
God wel verscheiden straft, d een vroeg en d\' ander spade,
Maar eindlijk overvalt hun beid\' zijn ongenade.
Den zelven Koning, die t\' rijk Israëls bevesten,
60 Heeft eindelijk uw zaak, o Belgica! ten lesten
Voleindigd in triumf: dies dij niet langer kwelst,
43. Eer, weleer. — 51. Klibber, kleverig. — 56. Katijvig, ellendig.
— 61. Kwelst is eigenlijk geen gebiedende wijs.
-ocr page 94-
8o                 OP DE VERLOSSINGE ISRAELS.
Dewijl hij dijnen staat met zijne macht omhelst.
Hoe is de macht gegroeid van uw verbonden Steden,
Sint dezen grooten held ging in de schoenen treden
65 Zijns vaders, welk. (eylaas!) verraderlijk en straf
De zwarte nijdigheid geblixemd heeft in \'t graf.
Help God! de wraak is u, gij zult hier namaals eischen
Het dier vergoten bloed met een gekromde zeisen.
Wat rest er nu, dan God te vlechten met bescheid
70 Den lorlelijken krans van ware dankbaarheid?
Vreest hem, die lichtlijk kan verstrooyen in der ijlen
Het steunsel van uw zaak, den bos geknoopte pijlen!
Peinst om den Genen, die de volkren van Sion
Als slaven voeren liet geboeid naar Babyion.
64. Held, Maurits.
OP DE VERLOSSINGHE ISRAELS.
CjOe Godt rechtveerdich straft den Pharo obstinaet,
Midts sijn hardtneckich hert en tyrannighen haet,
Over sijn volck verheuen,
Hoe Hy oock Israël verlosset uyt sijn handt
Door Moyses sijnen knecht, wt het Egyptsche landt,
Speelt V o n d\' 1 e n hier na \'t leven.
Ghetrou altijdt.
EER-DICHT OP DE VERLOSSINGHE VAN ISRAËL.
TT Et domme mis-verstant door onbeslepen sinnen
Verdoolt vaeck inde keur, en wisselt goet voor quaet,
Den siende, blindelingh, volcht lust, voor wijsen raedt,
En die doet gantsch verkeert verkeerde dingen minnen.
De reden-rijcke mensch kan \'t misbruyc haest verwinnen,
Door deuchdens liefde, die met kennis hooch begaeft
Wanneer hy \'t Heylich Woort ziel-ijverich hanthaeft,
Wert hy Gods Rijc-genoot, de wijsheyt sijn vriendinnen.
Kroont Vondels weerdich hooft, heyl-graege jongelingen,
Die, voor d\' onkuysche min, het hoogste nut leert singen,
Hetwelc den geest vervreucht met een inwendich juygen.
Het wroecht niet na de daet, als die snoo leugen-dichten,
Tweesinnich hy verlijct de oud\' en nieuw\' gheschichten:
Doorleest dit sin-rijc boec: het zalt u best ghetuyghen.
V kan verkeeren. Gerb. Adriaensz. Bredero (1585—1618).
-ocr page 95-
LOFZANG.
81
KLINCK-VERS OP DE VERLOSSINGHE DER
KINDEREN ISRAELS.
/"""• Heen man en kan den lof van Godes groote daden
^Te recht wel singhen wt, oft prijsen zoo \'t behoort,
Ten zij de wijsheydt zelfs beschreven in Godts woort,
Door Moyses gulde penn\', hem leyt op syne paden.
Als dan den mensche sal bemercken veel ghenaden
Aen den Hebreen geschiet, wek waren schier versmoort
Onder t\' Egyptsche jock, bedwongen en bespoort
Te wreekcn boven macht na s\'Landts-volc hstich raden, —
Geen Schilders kloec verstant, geen verwe, noch pinceel,
En zal afbeelden zoo, ten vollen noch ten deel,
Verlossingh voor dat volc, verheest van treurich klaghen,
Als hier nu heeft ghedaen een goet Helicons klerck,
Die naectlijck stelt ten toogh in recht Poëtisch werck,
s\'Volcx last, verlossing med\'. Schept in Gods gaef behagen!
Godt is myn heyl. (Willem Bartiëns.)
Êof3*n3\'""
TOEGEËIGEND AAN Mr. WILLEM BARTIËNS.
DEes, die met haar blond verciersel,
Reikt aan \'t uitgespannen zwiersel,
Die azurig zit verschoond,
En van de astren wordt gekroond,*
5 Die, tot eenen staf, in handen
Voert de Scepter met drie tanden,
VIII. Tot de genen, die, naar Rederijkers-weêrzijdsche-bewierookings-gewoontc,
lofdichten maakten op Vondels „Pascha\'\'\'\', behoort ook de populaire rekenmeester
IVillem Jlartjens, die te Amsterdam een franse/te school schijnt gehouden te hebben.
Met den dichter Vondel en met den schilder en leer aar der kunst Carel van Mander
was Bartjens bevriend. J/et jaar der eerste uitgave van zijn „Cyjferinghé" is niet
bekend. Men gist 1633. Vondels „Lofzang" is wel niet ouder dan 1620, maar
ook wel niet veel jonger. Zoo hij hier reeds opgenomen wordt, is het om hem met
het bijschrift voor Bartjens\'\' portret in verband te brengen en met het sonet van
den cijferaar, gemaakt op den dichter. De 2 deelen van Bartjens\'\' rekenboek, dat
zijn naam onsterflijk heeft gemaakt, en in \'t oneindige is herdrukt en vernieuwd,
ztjn
o. a. uitgegeven te Zwol, in 1637, bij Geraert Bartjens.
1. Dees (de Maagd van Amsterdam), verciersel, kapsel. — 2. Zwier-
sel, zwerk. — 3. Azurig verschoond, in hemelsblaauw uitgedost. — 4.
Astren, sterren. — 6. Den staf v. Neptunus.
6
vondel I.
-ocr page 96-
82                                     LOFZANG.
En op vloeden twee ten toon
Heeft verhemeld haren throon;
Dees, wiens speelgenoots, met minnen,
10 Zijn Zeegoden en Godinnen,
En wiens vloeden heel verguld
Met veel rijkdom zijn vervuld;
Waarin zwart bepekte vogels
Zweven met hun lichte vlogels,
15
           Die Caucasus\' Dochters roem
Lieflijk plukken als een bloem,
Ja, aan \'t Ooster-eind der wereld,
Daar Tithonis Bruid bepereld
Haar blond hair met spansels tooit,
20
           En haar roode rozen strooit; —
Dees beroemde Maagd verheven
(Zeg ik) schept haar lust en leven,
Dat hij in heur schaduw rust,
Aan haar overvloedsche kust,
25 Op haar aangename stranden,
Daar de voedster van de landen
Breede waters maakt te klein,
Om te drijven haren trein,
Haren trein, die uit uw konste
30 Schept haar leven en haar jonste,
Zonder welk zij onbedocht
Nimmermeer beklijven mocht.
Gij, o Cithon, hoog verheven,
Van een hoogen Geest gedreven,
35
           Boven \'t algemeen verstand
Gij alleen de kroone spant.
In de cijfer-konst beraden,
Leert gij jeugd de rechte graden:
Hoe den groen-geloofden krans
40
           Kroont Gerechtigheids balans,
Om de rekening te slechten,
En koophandel uit te rechten.
Bovendien, in Hollands veld,
Gij de zuiver Lelie stelt.
8. Verhemeld, verheven. — 13. Zwart bepekte vogers, schepen. —
15. De voortbrengselen van den Levant. — 18. Tithonis bruid, de Dage-
raad. — 19. Spansels, linten. — 26. De zee. — 28. Trein, de schepen.
— 30. Wiskunde, waartoe Zeevaartkunde behoort. — 33. Cithon, Sidon
de uitvinder der maten en gewichten. — 43, 44. Lelie, het Fransch, om
dat Bartjens fransche schoolmeester was; misschien met toespeling op de
kompas-lelie.
-ocr page 97-
LOFZANG.
83
45 Ziet ons bijkens eens getuigen,
Hoe zij Franschen honig zuigen,
Tot aan \'t Pyreneesch gebergt,
Dat getopt den Hemel tergt:
Ziet eens, waar d\' Hollander wandelt,
50 Hoe hij met den Franschman handelt.
Voords dijn veder in den ink
Met de slang maakt eenen kringk,
Eenen kring in \'t rond getogen,
Die ons \'t Eeuwig stelt voor oogen
55
           Gelijk zij op jaarsche maat
Haar verrimpeld kleed uitlaat,
En vernieuwt haar eerste wezen;
Alzoo zult gij hoog geprezen
Door uw konst onsterflijk zijn;
60
           Want uw gulde letters fijn
Zal de schrijf-konst, als de sterren
Aan de uitbreidsels, wijd uitsperren:
Bovendien, o Hemels Licht!
Doet gij door uw konstig Dicht,
65 Beide ons vloeden onbezweken
T\' Hemelwaarts hun horen steken,
Boven Nylus, en den Taan,
Of den blonden Lidiaan.
Amsterdam zal u beklagen
70 Als zij u zal zien verslagen
Stout van de alvernielsche Dood
In der aarden wijde schoot.
Nochtans zal men t\'allen tijden
Uwen grooten lof belijden:
75
           Hoe de Koopmanschap vermaard
Nutte vruchten heeft gebaard,
Door u en des Heeren zegen,
Die met zijnen gouden regen,
D\' Aemstel mildelijk besproeit,
80
           Dat er Nerings welvaart bloeit.
Adieu, Bartiëns, ik wil zwijgen,
Wijl gij gaat ten Hemel stijgen.
\'k Wenschte, dat ik hier in schijn
Slechts mocht uwen Echo zijn!
45. Bijkens, nijvere kooplieden. — 51. "Schoorischrift.
(rivier). — 68. Lidiaan, een bizonderc rivier in Lydië.
blikbaar.
—  67. Taan, Don
—  83. In schijn,
-ocr page 98-
84                                HYMNUS OVER
Op (ÏÏU lÜMtm (g<xttÜYte IX
GIJ ziet het zkhtbre deel van Bartiêm hier naar i1 leven:
Fan zijn onzichtbren geest heeft hij u zelf gegeven
Een pr\'nt in \'t Rekenhoek, dat nergends faalt noch suft,
Maar volgt, ten dienst der jeugd, Euclides\' spits vernuft.
Jammis ofte jèof^e^ang
OVER
DE WIJD-BEROEMDE SCHEEPS-VAART DER
VEREENIGDE NEDERLANDEN.
[Bij een verloren plaatl\\
O Bondig Nederland, die al des weerelds perken
Beschaduwt, en doorvliegt met uw bepelcte vlerken,
En om den aarden-kloot met uw meerminnen zweeft
Tot daar Nature dij haar rijkste schatten geeft;
5 Gedoogt, dat ik al-om den middel mag verbreeden,
Waarbij den welstand groeit van uw scheeprijke steden.
En gij, o Admiraal! die op de winden zwiert,
En van \'t lazurig veld de zoute toornen stiert,
Mijn reize gunstig zijt: opdat ik met verblijden
10 Mag aan een goede kust het anker laten glijden,
Alwaar ik, naauw geland, zal mijn beloft voldoen,
En \'t heilig altaar-plat met heeten wierook voên.
Doen t\' menschelijk geslacht hadde onder zijn bestieren
De vogelen gebracht en de ongetemde dieren,
15 Wat rest er (riepen zij), dan dat wij eindlijk meê
Vermeesteren in \'t net de visschen van der zee? —
T\' was niet zoo haast gezeid, d\' een ging de zoete stroomen-
Berijden, half beangst, met uitgehoolde boomen:
Een ander, met een vlot van schorsen al bemorst,
20 Zich naauwelijks in \'t diep van strande geven dorst,
Die, met een lichte bark van barstig bokken-leder
Heel vremd te gaar gepast, vast golfden op en neder,
IX. Het portret is geschilderd door P. Duborduin; eene gravure door Savery
verciert der „Cyfferinghe" se deel.
1. Bondig, verbonden. — 2. Zeilen. — 3. Meerminnen, schepen. —
7. De Godheid.
-ocr page 99-
DE SCHEEPS-VAART.
85
Zoo lange tot zij t\' want optrokken met de visch,
En met een versche vangst bekroonden haren disch.
35 Maar de Onverzaadlijkneid des menschen, niet te-vreden
Met nooddruft zijnes lijfs, in zijn behoeflijkheden,
Hier mede niet vernoegd, dus bij zich-zelven spreekt:
„Wat is \'t doch dat ons let? wat is \'t dat ons ontbreekt?
Dat in een vreemd gewest wij elders niet en zoeken,
30 \'t Gene ons klimaat ontbeert, in d\'een oft d\'ander hoeken?
Oft zal de schrik des doods, t\' woeste opgeblazen meer,
Het ruischen van de wind, en t\' bulderende weer,
Van een zoo stouten daad ons ijzen doen en beven?
Neen, neen! na rijkdomstreeft, oft wenscht niet meer te leven!
25 Ontziet de diepte niet, al is haar aanzicht straf:
Zij helpe ons tot meer heils, of strekke ons tot een graf!
Heel weinig is t\' verschil, oft na dit tijdlijk slaven
Wij worden in der aarde, oft in de zee begraven,
En ons en is voorwaar het aardrijk niet alleen,
.40 Maar ook de vloeden zelfs gegeven tot een leen.
Elk rept\' van stonden aan zijn handen tot den werke:
D\' een timmert, klutst, en bouwt een tweede Noachs arke;
Een ander stijgt omhoog ten wolken met de mast;
Die maakt den wouwe-steert, het roer, van achter vast;
45 Den eenen \'t anker smeedt, die draait de kenpsche zeelen,
En d\' ander \'t vlakke zeil de winden gaat bevelen,
Doet een nieuw-wereld op, gaat bruisen door het nat,
En keert fluks wederom met alderhande schat!
Van een zoo nutten kunst, krijgt haast de nieuwe maren
50 Sesostris, de Monarch der oude Égyptenaren:
Die door \'t Arabiesch meer een vlote kielen sleept,
En met zijn oorlogs-heir naar Indus overscheept,
Keert veilig weder t\' huis, als vele uitheemsche rijken
Hij onderworpen had den Scepter van Afrijken.
55 Dit \'s wel den eersten Prince of Koning, die de zeen
Heeft met een houten peerd betreden en bereên,
Die als een heldre toorts geluchtet heeft voor-henen;
Welk zijn op \'t spoor gevolgd de machtige Turrhenen,
Na deze de Tyriers, en zoo is voords verbreid
<5o Dees vinding meer en meer, om hare nuttigheid.
En wie erkent doch niet den grooten heil en zegen,
Die hierdoor werd bereikt en lichtelijk verkregen?
Waar zij in zwange raakt, oft uitsteekt hare borst,
Werd ieder dorp een stad, elk reeder eenen Vorst:
57. Voor-henen, voor de anderen uit. — 58. Turrhenen, de Tuscen of
Toskanen, uit Klein-Azië afkomstig. — 59. Tyriers, uit Tyrus (Phoenicië).
-ocr page 100-
8(5                                    HYMNUS OVER
65 Vruchtrijke markten, van onnutte en dorre stranden.
Getuigen zuldij zijn, vereende Nederlanden!
Wiens voorste zee-steên, hier na t\' leven afgemaaid,
D\' aanschouwer, al verbaasd, met zijn gezicht bestraalt,
Verbaasd, omdat hij zoo veel toornen ziet gewassen
-o Uit laag verzopen land, uit poelen, en morassen.
t\' Schat-geldrijk Amsteldam, Rotterodam t\' beroemd,
Enkhuizen t\' haring-rijk, t\' kloek Middelburg, genoemd
Der Zeeuwen beste pand, en Vlissing, t\' wel gelegen
Om raken af en aan door de ongebaande wegen.
75 In dezer peerlen kreits voornamelijken gants
Oft aldermeest bestaat de zee-vaart dezes Lands.
Van ouder tijden staag, in oorloge en in vrede,
Elk dezer steden was een wijd vermaarde reede.
Vermids den oceaan goed-jonstig tot haar vloeit,
80 Waar door zij meer en meer allengs zijn aangegroeid,
En, neffens veel tribuuts, niet weinig luisters gaven
Den vorstelijken naam van haar gehulde Graven,
Derwelker eer en roem zich spreide wijd en zijd,
En hielden ridderlijk den zegen in den strijd.
85 Waarom de Caesars ook, en ander Potentaten,
Haar bond-genootschap lief en weerd was boven maten.
Twee Diederijken zijn (oft immers als men leest)
Gezwagers van de kroon der Vranken eer geweest;
Arnolf, de derde, had twee Keizeren te gader,
90 Tot eenen zwager d\' een, den andren tot schoonvader;
Wilhelm de tweede, Graaf van Holland, werd alom
Beroepen tot Monarch van \'t Duitsche Keizerdom.
En waardoor anders zijn dees grafelijke Heeren
Geklommen op den trap en hoogsten berg van eeren,
95 Als door de zegening der Scheep-vaart, die den schoot
Der landen maakte rijk, en hare Vorsten groot!
En Carolus, genaamd de Vijfde van den rijke
Des keizerlijken stoels, die niemand zijns gelijke
Tot zijnen tijden heeft in mogendheid erkend,
100 Wien zelfs zijn Heiligheid, der Kerken hoofd Clement,
De pratte Koningen van Frankrijk en Naveerne,
Zoo andre Vorsten meer, zich onderwierpen geerne;
Voor wien eerbiedig heeft den Kleefschen Vorst geknield;
Die gansch Europam niet alleen in vreeze hield,
105 Maar zelve ook alle vier de hoeken van der eerde
Zijn wapens voelen dede, en t\' staal van zijnen zweerde;
100. Clement, Paus Clemens VII. — 102. Van Lcnnep tcekent hier te
recht aan: „ongeerne". — 103. De Kleefschc Vorst, Willem v. Gulik,
7 Sept. 1543, voor Venlo.
-ocr page 101-
DE SCHEEPS-VAART.                          87
Die als Monarche droeg van \'t drie maal Heilig graf
De koninklijke kroon, den titel, en den staf;
Die (zegge ik) heeft geproefd wat nut, in zijne tochten
110 En krijgen, jaarlijks dees provincen hem aan brochten.
Waarom hij, niet vergeefs verstandig en bekwaam,
Philippum zijnen zone en een\'gen erfgenaam
Vermaande, geenszins niet den Iber toe te laten
Met zijnen trotschen kop t\' beheerschen dezer staten,
115 Dewelke lange om t\' lijf niet passen zou den rok
Van zulk een forsch gebied, als t\' Spaansche ondraaglijk jok.
Maar s\' Vaders lesse heeft de Zone haast vergeten,
Die t\' uitheemsch bloed beveelt s\' lands rechten en geweten;
Dies slachtet Neder-land t\' getergde Spaansche ros,
120 T\' welk voelende zijn kracht, breekt al zijn toornen los,
Begeeft zich buiten spoors (den meester mag niet gelden),
En brieschende gewint den sleutel van de velden;
Den ridder ligt vertreên, vermeesterd t\'zijnder spijt,
De meester is den herigst, de hengst den meester kwijt.
125 Enkhuizen is de brug, daar d\' eere van Oranjen
Langs over komt te lande, en schut de macht van Spanjen,
De geld-kasse Amsteldam, in \'t geven rijk en mild,
T\' Zeeuwsch Vlissingen, van \'t land de grendel oft den schild,
T\' vermaarde Rotterdam, t\' kloek Middelburg, en de ander,
130 Van de algemeene zaak voorstanders met malkander,
Meet hun vermogen af, en rekent... ik verzwijg
Wat al verslonden heeft de veertig-jaarge krijg;
Krijg, tegen dien Monarch, die waagde tot den lesten
Wat zijn Trezoor verzwolg van Oosten en van Westen,
135 Tot dat hij, uitgeput, verpandet en verschuld,
Ons eindlijk met den Hoed der Vrijheid heeft gehuld.
Gedurende den storm der dulle krijgs-rumoeren,
Zij, veilig als voor-heen, de stroomen staag bevoeren,
Dewijle, t\' beste deel der havens op haar zij,
140 Hun-lieden niets gebrak, als voor-wind en getij,
Beneffens dat zij, heer van de onbetuinde hoven,
In kloekheid lagen meest haar vijanden te boven,
Waarom zij af en aan, nu uit nu weder in,
Doorploegden t\' vochte veld met voorspoed en gewin.
145 T\' oneindelijk getal van dees gevlerkte kielen,
Die in den woesten plas gelijk de visschen krielen,
Den Deenschen Koning gaf verwondering genoeg,
Toen hij\'r zes honderd sterk op zijnen stroom besloeg,
113. Den Iber, Spanje. Van die les van Karel V blijkt niet historiesch. —
136. Bij \'t Bestand. — 141. Onbetuinde hoven, de wijde wateren.
-ocr page 102-
HYMNUS OVER
88
Behalven de ander die hun streken elders namen,
150 En tseffens uit het Vlie hun ankers lichten t\' zamen.
Ik zwijg de reste nog, die mede al om profijt
In \'t Westen liepen uit, op eenen zelven tijd.
Doen t\' Vliegende Gerucht ons met een luid geschreye
Bracht tijding van de vlote en groote scheeps-armeye,
155 Waarmede Quinti Zone alreê zich had beloofd
De kroon van Engeland te drukken om zijn hoofd,
De Staten, met der haast tot weder-stand begrepen
Te reeden tien maal tien gewapende oorlogs-schepen,
Om rustig op den Teems den pratten Castiljaan
160 Het aangezicht te biên, en zien alzoo te slaan;
En tellende hun macht, bevonden al verwonderd
Van weerbaar schepen meer als drie maal negen honderd,
Daar t\' minste van, geschat tien maal tien vaten groot,
Gaat bruisen voor de wind, gereed in tijd van nood.
165 Ik laat de buizen staan, de krabbers, en de booten,
Die om den visch-vang nog op \'t zoute water vloten,
Ik laat de binnen-vaart van d\' een tot d\' ander stad,
Van \'t een in \'t ander meer door \'t schoon gemarmerd nat,
Van heuden, pleiten, boots, smak-zeilen, ofte stevens,
170 En duizend andre meer tot onderhoud des levens.
In \'t Gulden Jubel jaar, doe onzen held met macht
Zijn onverwonnen heir op \'svijands bodem bracht,
Men langs de Vlaamsche kust laveeren en verdeilen
Een vlote zag, bijna van dertig honderd zeilen,
175 Waar van het boots-volk vrank en veilig mocht aanzien
Twee legers aan de strand malkandren t\' voorhoofd biên,
Daar Maurits aan de een zijde omringd is van de baren,
Aan de ander van den zwerm der toegeruste scharen,
Daar eenen donder roers ten wolken weder-schalt,
180 Daar een blaauw hagel-bui van looden kogels valt,
Daar t\' polver van \'t geschut gaat eenen blixem geven,
Dat hemel, aarde, en zee, staan t\' zitteren en beven.
Help! wat een wonder was \'t, doen langs de vlakke zee
Des vijands ordening gebroken werd in twee,
185 Zijn Hoogheid, al verbaasd, het vlieden had verkoren,
En zijnen veldheer liet met t\' gantsche heir verloren:
Den Arragon gevaan, zijn krijgs-volk in het zand
Begraven hier en daar; ons helden de overhand!
Al zacht, mijn Zang-godin! laat uwen ijver dalen:
190 Gij loopt al veel te wijd, blijft binnen dijne palen,
155. De Zoon van (Karel) de Vijfde. — 169. Heuden, kleine vaartuigen.
— 185. Zijn Hoogheid, Aartshertog Albertus. — 187. Arragon, Mendoca,
Aimraal van Arragon.
-ocr page 103-
DE SCHEEPS-VAART.
89
Laat slapen dezen wolf, en niet den gene wekt
Die t\' Neder-lands tooneel zoo bloedig heeft bevlekt.
Den visch-vang voor-geroerd van zoo veel haring-buizen,
(Die op den blaauwen rug des oceaans, als huizen
195 Gedreven hier en daar, op hoop van vrijen buit
Op Sint Jans nacht haar want met vreugden worpen uit)
Ik niet verzwijgen kan: O wat een gulden nering
En voedsel brengt ons toe de koninklijke hering!
Hoe menig duizend ziel bij dezen handel leeft,
200 En, winnende zijn brood, God dank en eere geeft!
Oprechte Zebedeên! die stadig op \'t verbolgen
Zee-waters woesten plas bespoeld wordt van de golgen,
Die Petrum volgt op \'t spoor, en schier den meesten tijd
Uw vliênde leven op den diepen afgrond slijt,
205 Den Hemel zegen u, vermids gij zoo goed-aardig
Uws lichaams nooddruft wint, onnoozel en rechtvaardig,
En van den lieven God met dankbaarheid ontvangt
t\' Zij weinig ofte veel, wat gij in \'t garen vangt.
Doe Draak en Candisch vast nieuw-werelden ontdekten,
210 Om s\'Werelds ommeloop haar vleugelen uitrekten,
En keerden elk op \'t lest van een zoo nutte reis
Met zijde zeilen aan West-munster, t\' groot paleis,
De Bondgenoten ook begonden te verlangen,
Om op een goede hoop van winninge aan te vangen,
215 T\' geen hun naburig volk nu meermaals had bestaan;
Te meer dewijl zij, vrank en niemant onderdaan,
Niet hadden om te zien naar s\' Roomschen Paus statuiten,
Dewelke af-gunstig haar van d\' Indie-vaart uitsluiten.
Den yver daaglijks groeit, waarom den heelen rei
220 Der Cosmografen flux (om China en Cathay
Langs t\' Noorden op te doen) zich onderling beraden,
Daar om den doorgang elk te vinden is beladen.
D\' een acht het voorgebergt Tabin te Noordwaart ligt,
En de ander schijnt dit vremd, vermids hij is bericht
225 Dat voor veel eeuwen lange is, op de Duitsche stranden,
Den Indiaan gezien bij storm-wind komen landen.
De hope van gewin zoo wijd de zake brocht,
Dat tot twee malen toe dees streke werd bezocht,
Wijd onder t\' Beersche licht: maar, laas! met weinig bate,
193. Voor-geroerd, waar hooger, 165, van gesproken is. — 201. Zebe-
deên, voor visschers. — 209. Sir Francis Drake, geb. 1540 f 1596. Sir
Thomas Cavendish, f 1591. — 213. Bondgenoten, geünieerden, Neder-
landers. — 216. Onderdaan, adj. — 218. Volgends Bullen van 1493 en
94. — 220. Cathay, Noordelijk China. — 229. \'t Beersche licht, van
den Gr. en KI. Beer.
-ocr page 104-
HYMNUS OVER
9o
230 Niet wijders opgedaan als der Nassouwen strate.
Maar Willem Barentszoon, als voogd en principaal,
Den Noord-pool, met nog een, gaat voor de derde maal
Bestoken, op vier min als vier-maal twintig trappen,
En daalt ter Hellen waart, daar nergends menschen stappen,
235 Daar hem Corneliszoon, in nood en lijfsgevaar,
Om al des werelds schat geenszins wil volgen naar;
Dan Barentszoon, die niet vindt raadzaam zich te wenden,
Tot Nova-Zembla toe, verzeilt aan \'s Weerelds enden.
Nature wordt beroerd: „Zal ik dan gantsch verkracht
240 (Zegt zij) ten lesten zijn van \'t menschelijk geslacht?
Zal dan een sterflijk dier de palen over-springen,
Die eenmaal heeft gesteld de Moeder aller dingen?
Zal dan geen plaatse zijn op s\' Werelds aangezicht,
Daar dezen woesten hoop zijn zolen niet en licht?
245 Nature zal veeleer, veeleer als dit gedoogen,
Geheel ontwapend zijn van alle haar vermogen!"
t\' Is naauwelijks gezeid, een wonderbaar geweld
Van hagel, storm end wind de zee ten wolken welt;
D\' een schotse op d\' ander tast, tot eenen ijzen toren
250 Of glinsterenden berg, daar t\' schip op blijft verloren.
Geen deerlijk zien hier geldt, zij zijn int ijs geraakt,
Dies van gepijnden nood men fluks een deugde maakt;
Men klutst een houten hut, getroostet zich te erneeren
Met witte-vossenvleesch, te strijden met de beeren,
255 In dezen dooden hoek, vol ijs en sneeuwgebergt,
Daar t\' licht drie maanden ruim zijn gulden toorts verbergt,
En t\' zomers wederom, met uitgeworpen stralen,
Gaat honderd nachten lang zijn winter-schuld betalen;
Nog even wel en mag door geenen zonne-schijn
260 Die hard bevrozen kolk geenszins ontdooyed zijn,
Gezwijge, datmen hier zoude ergends loot oft fruiten
Uit onzes moeders schoot zien groeyen ofte spruiten.
Na dat nu Barentszoon de kille Noordsche locht
Drie maal drie maanden lang met sneeuw-jacht heeft bezocht,
2Ó5 Hij, als in lijfsgevaar, zich zelven gaat te buiten,
t\' Schip tot een bake laat, en keert met open schuiten,
Door zoo veel graauwe zeen, daar hem uit s\' Werelds kruis
God in zijn ruste haalt. Zijn hulpers komen t\' huis.
De Batavieren, die terwijlen niet en rusten,
270 Met vier kasteelen gaan bezoeken Indi kusten,
De Mid\'lijn kruisen zij, en nemend haren loop
Vast door-gaands langs de Kape of kust van Goede Hoop,
Door Houtmans kloek beleid zoo nutten reis volstrekken,
Die keerende, andermaal gaat deze vaart ontdekken,
-ocr page 105-
DE SCHEEPS-VAART.
9i
275 En, blijvende op den weg, laat t\' lieve vaderland
t\' Geruchte zijnes naams, als een dierweerdig pand.
t\' Beginsel zijnde aldus kloekmoedig aangegrepen,
Men schepen twee maal vier gaat door de baren sleepen,
Daar Neck ter goeder tijd den gulden dageraad
280 Zoo spoedig mede groet, en wederom verlaat,
Dat in jaar-maanden zes en negen, met verblijen,
Hij t\' land den offer biedt en reuk der specerijen,
Die een gewaged heeft krijgt vier daar voren weer;
Dies ieder is verheugd, en geeft den Hemel de eer.
285 Mijn glas te zeer verloopt, wat wil ik veel vermanen,
Hoe Olivier van Noord de Straat der Magellanen
Langs Chili en Peru bezeild heeft, en den kloot
Der aarden omgewield met een vier-scheepsche vloot?
Ik zwijg, hoe dikmaal t\' Weste ontbloot is van gesteente,
290 Van peerlen en van goud, tot welstand der gemeente.
Castiljen zwelt van nijd, dat zoo een rijke leen
Als t\' gulden Indus is, schier ieder wordt gemeen:
Dat deze goude tuin in de alderzoetste luchten
Ons in den schoot verleent zoo veelderhande vruchten;
295 Dies schat noch moeit en spaart, om sluiten eens op t\' lest
Den draai-boom van de vaart van Oosten en van West.
De bondgenoten hier niet weinig op en letten,
Maar de eilanden alszins met wapenen bezetten,
Tot welken einde ook nu (om zijn ervarentheid)
300 Den kloeken Geeraert Reynst gegeven is t\' beleid,
Als opper-Admiraal, om de Indische kwartieren
Ten besten van \'t gemeen verstandig te bestieren.
De lieve Hemel hem doch zonder ongeval
Ter plaatsen brengen wil daar hij regeeren zal,
305 Opdat t\' Gezelschap mag door hem des Heeren zegen
Met dankbaarheid ontvaên, als eenen zoeten regen,
En wassen meer en meer, gelijk men groenen ziet
Den schoon gebloeiden eik aan eenen water-vliet!
Oud Grieken-land! treedt voort, treedt voort met uw zei-
310 Maar kinder-spel bij onze al drijvende bosschagiën, (lagiën,
Die door t\' gekrolde blaauw gaan voeren haren last,
Getimmerd op een ree, daar nergends hout en wast,
En jaarlijks niet te min wel duizend werden sterker,
Gelijk berceknen mag den vlijtigen aanmerken
315 Ulysses, Hercules, of Typhis, wie gij zijt,
Die uw merk-teekens eer hebt opgerecht zoo wijd,
279. Neck, de Amiraal Jacob van Neck, in 1622 en later Burgemeester
van Amsterdam. — Dageraad, de Oost. — 295. Castiljen, namelijk Spanje.
— 305. t\' Gezelschap, de O. I. Compagnie. — 316. Eer, weleer.
-ocr page 106-
HYMNUS OVER
92
Oft gij verrijzen mocht, hoe zoudij u verwond\'ren,
Zoo onze sloten gij zoo verre hoorden dond\'ren!
Zoo van de Noordsche baak gij zaagt den grijzen tsop!
320 Van \'t Oosten tot in \'t West ons krijgs-heir trekken op!
Zoo vele schatten ook de wankele gebouwen,
Het avontuur der zee en s\' Hemels gunst vertrouwen!
Zoo gij de kusten zaagt van \'t eene en t\' ander veld,
Wiens streken zijn ontdekt, wiens namen zijn gesteld
325 Bij Houtman, Barentszoon, Spilberg, van Noord, Linschoten,
Van Neck, Heemskercke en meer van ha[re] Vlies-genoten,
Waarvan de Antipoden begroet zijn op de rij,
Die and\'re sterren zien en Hemel-locht als wij.
Naast Hem die \'t al regeert, voert van der Staten stroomen
330 Nassau als Admiraal de breidels en de toornen,
Wien weder, wind, en stroom, zoo vriendelijk toe-lacht,
t\' Zij als hij spelen vaart met zijn beschilderd jacht,
Het zij wanneer hij gaat zijns vijands heir verstrooyen,
Of ergends winnen Sluis, terwijl men krijgt voor Troyen,
335 Elk wil de voorste zijn, elk loopt hem te gemoet;
Een nieuws-gier zoel geblaas de vlaggen zwieren doet,
De zee al zachtlijk speelt, en schept een groot behagen,
Van zoo een dapper held op haren vloed te dragen:
„Ligt, winden! (roept zij) ligt! niet al te zeer en ruischt,
340 Gij ziet wat grooter Vorst mijn natte borst door-kruist!
Of zoo gij vullen wilt zijn zeilen en zijn wimplen,
Wacht u mijn aangezicht met golven te berimplen,
Opdat gelijkerhand wij dienen zonder nood
Den genen, die mijn glas beschaduwt met zijn vloot!"
345 Gelijk als aan de strang, de duinen ons ten goeden
Beletten met geweld den overloop der vloeden,
Wanneer het woeste meer uit zijnen afgrond braakt,
Waardoor al t\' leege land in rep en roere raakt,
Zoo heeft Nassouwen ook (naast God), in onze allarmen,
350 t\' Vereenigd Nederland haar vrijheid gaan beschermen,
Haar palen uitgestrekt, en eindlijk door zijn drift
Den vrede toe-gebracht, gelijk een rijke gift.
O onverwonnen Prince! O, bloeme van Oranjen!
O grooten Kapitein! O tegengift van Spanjen!
355 \'t Geruchte dijnes lofs zij nimmer uitgewischt,
Die t\' onzen dienst tot nog uw leven hebt verkwist,
318. Sloten, kasreelcn schepen. — 319. Noordsche baak, Noordkaap.
— Tsop, top. — 321. De wankele gebouwen, den schepen, 3e nv. —
326. Toespeling op de tocht der Argonauten. — 330. Nassau, Prins Mau-
rits. — 334. Troyen, Oostende. — 344. Glas, de oppervlakte der zee. —
345. Strang, strand.
-ocr page 107-
DE SCHEEPS-VAART.
93
En door uw vroomheid nu zijt in Sint Joris Orden
Groot Ridder van de Kroon Brittannia2 geworden.
Bestendig moet de vrede, o Nederlanders! duren,
360 O heimelijke schrik van uwe na-geburen!
Een ieder u beminde, een ieder u begeert:
Uw bond-genootschap is een ieder lief en weerd;
De uitheemsche laten zich van alle kanten vinden,
En onderling met u eendrachtig haar verbinden;
365 De tulpand-drager Turk, het Ottomansche zaad,
Die \'t neele Christen-rijk dreigt met een wreed gelaat,
Zijn havens openstelt en, langer niet versteenigd.
Heeft zijnen Scepter korts met uw gebied vereenigd,
Tot teeken van zijn gunst, maakt alle slaven vrij,
370 En toont hoe lief en weerd hem uwe vrundschap zij!
Wel aan, gij Bataviers! die, als op gouden straten,
Als Vorsten henentreedt, wat zal u mogen baten ?
Wat batet, of gij smaakt zoo veel weldaden Gods?
Wanneer gij die misbruikt, wellustig, prat, en trotsch?
375 Zoo gij te hooge vliegt, te leege zuldij dalen;
Zoo gij den bhxem naakt, o wacht u voor zijn stralen!
De straffe in tijds ontvlucht. Ziet s\' Heeren goedheid aan,
Eer gij zijn strengheid voelt, wanneer gij meent te staan.
Van Tyriers, Sidoniers, en van Capernaïeten
380 Door ware boete wordt bekeerde Ninivieten!
Worpt al uw kroonen wech, uw purpren sluyers scheurt,
En met een droef gemoed om uwe zonden treurt!
Uwe ooren opensluit voor t\' luid geschrei der armen,
En trekt goedwillig aan een hertelijk ontfarmen!
385 Volgt deze handelaars, van wiens Ophirisch goud
En zilver Salomon heeft Zions kerk gebouwd.
Gods tempelen, voorwaar, zijn de arme Christen leden,
Waaraan gij al uw goud en zilver moogt besteden.
Den wijzen koopman slacht, die t\' beste deel verkiest
390 En om de schoonste peerle een weinig goeds verliest.
Men loopt, men woelt, men draaft, met gierige gemoedren;
Men hoopt zich bergen op van tijdelijke goedren;
Veel zeen men vast doorkruist, veel hulken men uitreedt,
Maar t\' scheepken des gemoeds men heel en al vergeet.
395 U zelven dan ontwordt, uw schatten treedt met voeten,
En met den blinden mol blijft niet in d\' aarde wroeten;
Maar koopt een zeker rente, een eeuwig blijvend pand
In \'t
nieuw Jerusalem, der vromen vaderland,
357. Vroomheid, stoutheid.
-ocr page 108-
DEN GULDEN WINKEL.
94
Alwaar te vinden is, naar al dit pijnlijk slaven,
400 Naar al dit aardsch gewoel, een zoete en stille haven.
Gedurende, o mijn God! dat ik in s\' weerelds krijt
Naar uwen heil\'gen wil mijn broze leven slijt,
Vergunt mij, dat ik mag, o Vader aller dingen!
Den uitgebreiden lof van uwe daden zingen,
405 Tot mijner zielen heil, mijn eenig oogen-merk,
Tot d\' Eere dijnes Naams, en bouwing dijner Kerk!
1612.
©én &utUn 1X>Md Ut Honffc
ti&tnU Qtébétfanbér0x
GESTOFFEERD MET
VEEL TREFFELIJKE, HISTORISCHE,
F1LOZOFISCHE, POËETISCHE, MORALE
ENDE SCHRIFTUURLIJKE LEERINGEN.
VERMAKELIJK EN STICHTELIJK
VOOR ALLE STATEN VAN MENSCHEN.
DEN DICHTER WENSCHT ZIJNEN Z[WAGER],
ABRAHAM DE WOLF,
GELUK ENDE EEUWIG WELVAREN.
DE deugd, de witte deugd, die altijd wert verschoven,
De deugd, die \'t edel goud en peerlen gaat te boven,
Is d\' alderschoonste kroone en t\' heerlijkste cieraad,
Dat hier den mensche ciert, waar dat hij henengaat.
5 Wat is een deugdig mensche een ciersel van der eerden!
Oft schoon den meestendeel hem acht van kleender weerden,
Zoo blinkt hij, in den hoop van dit verkeerd geslacht,
X. De Hollanders zijn een zcdelieyend volk. Een verzameling zedelijke toe-
passingen van mythologische en antiek-historische prenten op menschelijke toestanden,
onder den titel „De kleyne IVereli" in 1608 herdrukt, door den dichter-boekver-
kooper Dirck Pietersz. Pers, toenmaals wonend „in de Witte Persse in de Oude-
brugsteech, acn \'t Water" (later „Op t\' water, bij de Oude Brugghé") werd dus
401. Krijt, kring.
-ocr page 109-
DEN GULDEN WINKEL.                        95
Gelijk een gouden sterre in \'t droefste van den nacht;
Oft als een schoone roos, die in de doornen-struiken,
10 Op haren groenen steel heur bladen gaat ontluiken,
Waaruit de lentsche bye (terwijl de zonne straalt)
Geen doodelijk venijn, maar zoeten honig haalt.
Hoe heusch is zijnen mond! hoe heilig zijn zijn treden!
Hoe liefelijk zijn taal! hoe aangenaam zijn zeden!
15 Hoe statig van gelaat! hoe matig aan den disch!
Al wat men aan hem ziet aanmerkens weerdig is:
Gelijk een lely-bloem verspreidt hij zijnen reuke;
Een lesse is elke daad, elk woord een gulden spreuke,
Die aan hem wert gespeurd, die van hem wert gehoord;
20 Al zwijgt hij schoon, zoo spreekt al wat men aan hem spoort.
Hij is een naakt voorbeelde oft spiegel, daar de gekken
Schaamrood in mogen zien hun schandelijke vlekken,
Daarmeed\' zij zijn besmet, daarmeed\' zij zijn besmeurd.
allicht uitverkocht. Die „Kleyne IVerelt" \'j was de mensch-zelf. Vers verzocht
Vondel de bijschriften der prentjens wat te vernieuwen. Vondel ondernam deze
taak en droeg de nu minder ,^oetelick"
— dat is rhetorijkelijk — gerijmde ver-
zameling op aan Abraham de IVoljf, een jonger broeder van zijn vrouw. De oudste
broeder, Hans de IVolff, is met Clemensken van den Vondel, \'s dichters zuster,
getrouwd.
V Schijnt, dat eerst onder de bewerking of den druk de oneigen aardig-
heid der benaming den uitgevers is opgevallen: „om dat het boek niet van de
Kleyne IVerelt, dat is vanden Mensche, maar van eenige toevallen der Men-
schen handelt,
— dacrom isset op de naem vande Gulden IVinckel uitgegeven.\'"
In een druk van 1622 heeft de uitgever ook eenige „Historiën en Leer-
spreuken dacr by versamelt," alles tot leering en verbetering. In dien druk is
iV°. XVI wechgcbleven.
Pers acht het ook noodig te zeggen, dat de dichter, die Vondel voorging, insge-
lijks blijk van „vaerdigheyd en konst" gegeven heeft, en haalt (opmerkelijk genoeg)
Albrecht Dürer aan met zijn gezegde: „Er luit sein Fleyss gethan". Pers was
een godsdienstig man. Hij had tot blazoen een gewapenden en gekroonden Ridder,
staande op een omgewentelden Rijksappel, en tot devies o. a. het anagram (van
Dierick Pictcrssoonj lek strii op sno eerde.
Volgends Van Vloten zijn de dicht jens in den „Gulden IVinckel," vrij gevolgd
naar een fransch model, van Simon Goulart, Gcucefsch pnedikant, gcb. te Senlis
7J41i
t 1628. Zijn zoon en naamgenoot was pnedikant te Amsterdam; tegen-
stander der Gomaristen, werd hij afgezet.
Ondertusschen zijn de vaerzen van Vondel niets anders dan cene, zoo als
Pers het in de voorrede der „Clcyne IVerelt" noemt, op de ,jiieuwe wijse van
dichten gestelde" redaktic. Het zal dus Mr. Jan Moerman van den Kicle wel
zijn, die den Franschman gevolgd heeft; niet Vondel.
») Haar volle titel was: „De Cleyn VVerelt, Dacr in clacrlijcken door scer
schoone, Poëtische Moralische en Historische exempelen betoont wort alles wat
den Mensche (tot stichtinghe ende leeringhe in zijnen staet) heeft te vlieden
ende naer te volgen. Allen liefhebberen der Constc ter eeren rethorijkelick
uytgestclt door Mr. Jan Moerman ende met over-schoonc Const-platcn secr
heerlijcl- verciert." — 20. Spoort, speurt, bespeurt.
-ocr page 110-
DEN GULDEN WINKEL.
96
Hij is den rechten toets, waaraan den vromen keurt
25 De deugd van zijne deugd, de vroomheid van zijn leven;
Hoe hoog hi) klimmen moet, hoe leeg hij is gebleven.
Vermids den berg, waarop de deugd stijgt in de locht
En heur gelauwerd hoofd maakt in de wolken vocht,
Zoo hooge is en zoo steil, ja moeilijk om bestappen,
30 Langs eenen engen pad, met gladde en slimme trappen;
Vermids van duizend naauw raakt éenen op den tsop
Van dees verheven hoogte, alwaar hem zijnen kop
Met palm bevlochten wert, tot teeken dat ten lesten
Een heerelijke kroon den klimmers is ten besten;
35 Zoo hebben d\' Oude nooit noch vlijt noch moeit gespaard
Om wisselen in deugd des menschen kwaden aard.
De filozofen oft verstandige wijs-gieren
Vervulden tot dien eind\' het wit van hun papieren
Met meen\'ge schoone les, welk, als een rijk kleinood,
40 Zij wirpen ieder-een, om niet, in zijnen schoot,
En door een godlijk vuur des ijvers voords gedreven
Bevestigden hun leer met een goed heilig leven,
Als penningen, die niet van heldre munte alleen
Maar oprecht van allooi ook blonken voor eik-een.
45 Pythagor, Samos\' roem, ons leeret als de wijze
Gebruiken soberheid in drank en ook in spijze.
Den goeden Socrates, onnoozel, zonder schuld,
Leert ons het lastig kruis verwinnen met geduld.
Dioognes, in zijn vat, bespot het ijdel wroegen
50 Van onze onnutte zorge, en leeret ons genoegen.
De tijdelijke haaf, leert Crates, den Tnebaan,
Om vordren in de deugd, ons algeheel ontslaan.
En Solon dadelijk vermaant ons zonderlingen
Met stille zedigheid ons losse tong te dwingen, etc.
55 Maar den verdurven mensche en wast noch niet genoeg,
Of zijn gemoed alschoon met der wijs-gieren ploeg
Dus omgespittet was: dies veel Poè\'eten abel,
Om leeren met genucht, verzierden meenge fabel,
Die onder hunne schors\' gemeenlijk hielden in
60 Een schoon geheimenisse oft leerelijken zin,
Daarmede t\' woeste volk, al boerdig en met jokken,
Als met een lokkende aas goedwilhg werd getrokken
In s\' wijsheids heilig net, den goddelijken strik,
Die ons gelukkig maakt op eenen oogenblik.
65 D\' historie-schrijvers, die, benevens hun, voordsbrachten
32. Slimme, schuine. — 51. Van het tijdelijk goed. — 41, 65. Voords,
te verstaan als „voort" en aan \'t ww. te hechten.
-ocr page 111-
DEN GULDEN WINKEL.
97
Al d\' oü geschichten op den altaar der gedachten,
Betoonden ieder-een, met menig voorbeeld schoon,
Hoe \'t kwaad zijn straffe vindt en t\' goede zijnen loon;
Hoe d\' eene om leege valt, en de ander is geklommen,
70 Wanneer, waarom, waardoor dit al is bijgekommen, etc.
Maar als ik nu te gaar het onderscheiden werk
Van alle schrijvers raap, zoo is hun oogen-merk
En doel-wit algemeen geweest, het schoon bekranste
Beeld van d\' oprechte Deugd, de Bruid daar \'t al om danste:
75 Ik, volgende als op \'t spoor (hoe kwalijk het mij veugt),
Hier eenen winkel heb geopend, daar de jeugd
Een kostelijk trezoor van veelderlei kleinoden,
Voor eenen kleinen prijs wert vrundlijk aangeboden:
De dicht-kunst vindt men hier vereenigd nupsch en hjn
80 Met beelden, d\'wijl zij beids gezusters t\' zamen zijn:
D\' een spreekt, en d\'ander zwijgt; d\' een klapt t\'geen d ander
heelde;
T\' gedicht verklaart den zin en leerlijkheid van \'t beelde;
De beelden zijn de stof van \'t vloeyende gedicht,
En toonen ieder zoo een vrolijk aangezicht.
85 Maar als ik ommezie, wie met een milde ontfermen
Mijn slechte Musa voor de schempers zal beschermen,
Ik mijnen Abraham verkieze, knap en gaauw,
Die heur vergunnen zal een liefelijke schaauw:
Aireede is zij verblijd, misschien om dat den zegen,
90 Die hij te Romen heeft zoo goedertieren kregen
Van zijne Heiligheid, hij, uit zijn goedheid plein.
Zal storten op heur hoofd en maken heur gemein.
Ei! ziet eens hoe zij lacht, om dat zij valt in handen
Des genen, die verliet des Rijns vermaarde stranden,
95 En kwam te Parthenoop\', daar Maro uit der tijd
Heeft zijne sterflijkheid den marmor toegewijd.
Goedwillig dan aanvaardt, Maecenas! mijne gunste,
Die hier in meer uitmunt, als mijn geringe kunste;
Omhelst mijn Zang-godin, en bindt alzoo te hoop
100 Ons lieve zwagerschap in eenen vasten knoop.
Den al uwen Z[wager]
I. V[anden] Vondelen.
86. Slechte, eenvoudige. — 89—92. Vondel was Doopsgezind. Was zijn
zwager Rooinscli-Katholiek? — 95. Parthenoop, Napels. Maro, Virgilius.
vondel I.
7
-ocr page 112-
DEN GULDEN WINKEL.
98
©irc8 tyküts^
AAN ALLEN DEUGD- EN KUNST-LIEVENDEN.
SONNET.
Liefhebbers! komt vrij aan, voor ieder-een staat open
Den Gulden Winkel hier: komt en beziet vrij, of
Veel liever koopt mij uit: ik heb hier nieuwe stof
Om voeden uwen geest; voorbij en wilt niet loopen!
5 Voor een geringe munt wilt eenen Winkel koopen
Van alderhande waar, oft eenen schoonen hof
Van alderlei gebloemt, waaruit gij moogt met lof
U vlechten eenen krans; plukt bloemkens hier met hoopen.
Of zoo \'t u niet en lust, wordt biekens, en met vlijt
10 Uit dit geschilderd dal zoet honigzeem confijt,
Hymettus staat hier schoon gebloeid als eenen ruiker.
Hier is des deugds trezoor; indien gij zijt belust,
Leergierige! komt hier, en uwen honger bluscht.
De deugd bereikt de kroon; zij eindigt al in suiker.
DEUGD BEREIKT DE KROON.
I. Den Mensch, bij een kleine PFeereld vergeleken.^/
Twee Weerelden ziet hier, d\' een groot en d\' ander kleen,
Die wonderlijk te zaam zich dragen over-een.
I Pet. i:
Al s\' Menschen heerlijkheid, al s\' Menschen pracht en roeme,
Is niet als gras en hooi, of als een veldsche bloeme.
A Anschouwer, oft het u een dwaasheid docht verwijtel
Dat t\' redelijke Dier onaardig met den tijtel
Van Kleine Weereld werd gecierd en afgemaaid,
Ik bid\'s u, op dit beeld eens met uw aanzicht straalt:
5 Den Mensch, den kleinen Mensch toont u, in korter stonde,
Kleen zijnde, t\' heel begrijp van s\' Weerelds groote ronde.
God heeft den grooten AL door \'t eeuwig Woord geteeld:
Hij is den Schepper ook van dit zoet-apig beeld. ■
XI. Deze opschriften zijn ontleend aan het „Register" der uitgave van 1613.
De tweeregettge vaersjens stonden boven en onder de prentjens.
9. Biekens, bijtjens.
-ocr page 113-
DEN GULDEN WINKEL.
99
Zee, hemelen, en aard\' bestaan in vier hoofd-stoffen:
10 Zoo doet dit schepsel ook; is dat niet juist getroffen?
Zijn gramschap is het Vuur, zijn roode bloed de Locht,
Zijn vochtige natuur het Water koud en vocht,
En zijn zwaarmoedigheid is de Aarde droef en duister.
Heeft t\' koninklijk paleis des weerelds, vol van luister,
15 Oost, Westen, Zuid en Noord, voor open poorten vier,
T\' is even eens gesteld met dit twee-voetig Dier:
Zijn rechter is het Oost, zijn slinker hand het Weste,
Zijn hoofd het Zuiden, en zijn voeten t\' Noordsch geweste.
De groote Wereld heeft twee wakkere oogen staan
20 In \'t hoofd, d\' eene is de Zon, en d\' ander is de Maan;
De kleine van gelijk twee glinsterende kolen
In zijnen hemel draagt, om s\'daags noch s\'nachts te dolen:
Ja, niets en is het groot getimmer meedgedeeld,
Dat niet in \'t aanzicht van het kleine bouwsel speelt.
25 Den grooten Globus rolt, en wert steeds voords gedragen,
Van Lenten, Zomer, Herfst en Winter, met zijn vlagen;
Den kleinen van gelijk zijn Kindsheid wederom,
Zijn Jeugd, zijn Manheid heeft, en zijnen Ouderdom.
Kortom, den grooten AL heeft zijn begin en einde,
30 Den kleinen komt met druk, en scheidt weer met ellende,
En dus zij beidegaar verdwijnen als dtn rook,
Want zoo de Wereld is, zoo zijn de Menschen ook;
Behalven dat den Mensch zal worden nieuws herboren,
En uit den grave opstaan, als alles is verloren.
II. Den zilveren Eeuwe.
Ziet, hoe Iupijn bestiert des Weerelds zilvren Eeuwe:
Des zomers groen van \'t loof, en s\' winters wit van sneeuwe.
Gen. 3:
In \'t zweet uws aangezichts zult gij uw brood bekomen,
Tot dat gij aarde werdt, waarvan gij zijt genomen.
T*)Oen zich den Gulden Eeuw\' het onderst\' boven wende
(Gelijk een wankel rad) met droefheid en ellende,
Den Zilvren Eeuwe kwam, daar Iupiter van droeg
Den Scepter, die ter-stond op eenen andren boeg
5 Het groote wereld-schip deed wonderlijken zeilen,
Want hij \'t twaalfmaandig jaar ging in vier deelen deilen:
Doen werd men eerst gewaar des zomers heeten brand,
En s\' winters strenge kou, de dorrigheid van \'t land:
Doen liep eerst ieder-een ontschuilen in de klippen,
10 T\' rood Zomers aangezicht, en s\' Winters blaauwe lippen,
-ocr page 114-
DEN GULDEN WINKEL.
IOO
En d\' ossen men in \'t juk al hijgende en bezweet
Door onzes Moeders borst t\' krom kouter trekken deed.
III. Iupiter werpt Cupido uit den Hemel.
Ziet, hoe Cupido valt, en om zijn oude luimen
Zoo schandelijken moet den schoonen Hemel ruimen
Iesai. 13:
Die boven t\' Hemelsch heir dacht stellen zijnen stoel,
Van Godes aangezicht viel in den Helschen poel.
("^Upido, Venus\' wicht, ontstak met zijne stralen
Het heilig Hemelsch Choor, en al de hooge zalen:
T\' een herte heeft hij voor, het ander na doorkliefd,
Het kweelden al van min, het kweelden al van liefd\':
5 Hij werd ter-stond ge-eerd van zoo veel groote Joftren:
Nu ging hem de eene dit, nu de ander dat opoffren.
Iupijn die was beducht oft wel (tot zijnder schand)
Den Hemel op het lest mocht raken in den brand;
Dies hij den blixem nam, en, in een groot onweder,
10 Met eenen strale vuurs hem werp van boven neder.
Die opgeklommen was tot t\' alderhoogste wiel
Met eenen leegen kop weer inden afgrond viel.
IV. Iupiter baart Palias uit zijn hoofd.
Aanmerkt, hoe Iovis baart Minervam uit zijn hoofd,
Naar dat den manken Smid zijn hersnen heeft gekloofd.
Iacob. 3:
De wijsheid, die van God daalt met haar witte vlerken,
Is reedlijk, ongeveinsd, en vol van goede werken.
Vlet, hoe den kreuplen Smit Iupijn voormaals geriefde,
En met een scherpe bijl van diamanten kliefde
Zijn zwangre hoofd, dat hem het harssebekken kraakt.
Waar-door Minerva eerst in \'t licht der Weereld raakt.
5 „Maar zegt, o Musa! zegt, en leeren deze versen
„Niet, dat de Wijsheid ligt gescholen in de hersen?
„Dat t\' kleinood des verstands, gelijk een heerlijk lot
„Alleen van Boven komt, alleene komt van God?
„En dat dit godlijk zaad ontvangen werd te voren,
10 „Daar naar met smerte en pijn gewonnen en geboren?
II. 12. De aarde.
-ocr page 115-
DEN GULDEN WINKEL.
101
„Maar, lieve! zegt mij doch, waarom wordt wijd befaamd
„De wijze Pallas ook Tritonia genaamd?
„Is \'t niet, om dat (gelijk \'t begrepen wert bij velen)
„De wijsheid recht bestaat in driederleye deelen?
15 „T\' geen is, t\' geen was, t\' geen zal, volkomen alle driên
„Verstaan, gedenken, en aandachtig te voorzien?
„Waar-naar ten laatsten dan de Koninklijke Reden
„Zijn macht en mogendheid weet wijslijk te besteden.
V. Promethei straffe.
Ziet hier Iapeti zoon om zijn vier-dieft gebonden,
Wiens lever groeit des nachts, en wert des daags verslonden.
Mare. 9:
Den worm (die niet en sterft in \'t ongebluste vier)
Den boozen eeuwig knaagt, wanneer hij scheidt van hier.
T\\Y ziet, hoe Prometheus, van Iupiter verstooten,
Zoo jammerlijk en droef aan Caucaso gesloten
Den Echo gaande houdt en, met een droef geween,
„Ah my! ah my! ah my!" wekt drie-maal achter-een.
5 Den Arend niet en rust: ziet hem eens lever-pikken,
En als een gretig aas het rouwe vleesch inslikken.
De Goden lastert hij, en wenscht, in dezen nood,
Dat hij zijn leven hier mag einden met een dood.
Maar t\' is vergeefs geklaagd: zijn lever, langs hoe wreeder,
10 Is s\' daags des vogels roof, en groeit bij nachte weder.
„Onzalig is te-recht die s\' Hemels gunste derft,
„Die stervende altijd leeft, en levende altijd sterft.
„O, Mensche, spiegelt u! verzoent in tijds Gods toren,
„Want als den boozen sterft zijn straffe eerst wert geboren:
1 s „Al zwijgt God hier een wijl, zoo wordt nochtans het end
„Des kwaden, op het lest, t\' begin van zijne ellend.
VI. Den aard der onzalige» Nijdigheid.
Ziet, hoe met heur een-ooghs-verlies de Nijdigheid
Uit afgunst koopen wilt heurs naasten oogen beid\'.
Pr o ver b. 14:
Des lichaams leven is een goedig hert vol vreden,
Maar bittre Nijdigheid is etter in de leden.
V. Vier-dieft, diefstal van
vuur.
-ocr page 116-
DEN GULDEN WINKEL.
102
T~)En grooten Iovis zond Apollinem op eerden,
Met zijn saffranig hoofd en met zijn vuur\'ge peerden,
Opdat hij Nymfen twee zoude ernstig dragen veur,
Dat hij uit louter gunst hun gaf den willekeur,
5 Dat de een zoude eischen wat heur herte mocht bedenken,
En de ander hij twee maal zoo rijken gift zou schenken,
Als de eerste wenschen mocht, t\' Was niet zoo haast gezetd,
Oft d\' herten-knaagster kwam, de zwarte Nijdigheid:
„O, Phoebe! (zeide zij) spant uwen gouden boge
10 Met eenen stalen schicht, en van mijn rechter ooge
T\' gezicht des appels kwetst, o Phcebe! ik verkies \'t,
Ten minsten d\' ander heur oog-appels beid\' verliest."
Aldus schept Nijdigheid (genegen tot den kwade)
Een wonderlijk profijt uit heures naasten schade:
Ze en spaart haar een oog niet, hoe ook de zake loopt,
Wanneer zij daarmeed\' slechts eens anders blindheid koopt.
VII. Eenen pijlaar bij Gods schikking vergeleken.
Den Pijler, die gij ziet, van Godes schikking is
Een levendig patroon en klare beeldenis.
Job. 14:
Den Heere heeft den Mensen, voor zijnen laatsten dag,
Gesteld een perk, t\'welk hij niet overtreden mag.
T")En marmeren Pilaar staat vast en onbezweken,
Hij wijkt niet voor Iupijn, maar blijft een eeuwig teeken;
In spijt van weer en wind, klimt hij ten Hemel op,
En stijgt tot in de locht met eenen trotschen kop:
S Den paal staat daar hij staat, hij weet van geen verschrikking,
„Te recht hij een figure en beelde is van Gods schikking:
,,T\' gezet welk is gesteld door \'t Goddelijk beleed,
„Hoe groot, hoe hoog, hoe diep, hoe lang, hoe wijd, hoe breed,
„Wat was, wat is, en blijft, van gistren, heden, morgen,
10 „O, dit ligt wonder diep in Godes raad verborgen!
„Zoo diep, dat ik mi) ijze, als ik dien afgrond naak;
„Blijd\' ben ik, blijd\', dat ik daar weder uit geraak.
VIII. Gelijkenis van de wrake des Heeren bij een molen.
Ziet hoe de wrake Gods (opdat wij niet en dolen)
Hier vergeleken wert bij eenen stillen molen.
VII. 7. Gezet, wet.
-ocr page 117-
DEN GULDEN WINKEL.
103
Luc. 18:
Zal God niet wreken dan zijn lieve en uitverkoren,
Hoewel hij goedertier en langzaam is tot toren?
"P\\En Molen, die een wijl staat stille zonder wielen,
Gelijkt de wrake Gods, die \'t kwaad heel zal vernielen:
Den Molen slapet wel een wijle windeloos,
Zoo doet ook Godes wrake, al zijn wij nog zoo boos:
5 Maar als den storm-wind blaast, als oft hij waar verkorzeld,
Den zwaren molen-steen al t\' graan tot gruis vermorzelt.
Zoo ook, als zich verheft de gramschap onzes Gods,
Wert al het kwaad vermaald, al zijn wij nog zoo trotsch.
„Den stillen Molen dan ons allen zij een bake,
10 „Dat wij de goedheid Gods erkennen voor zijn wrake:
„Want oft zij schoon vertoeft, zoo zal zij doch in \'t lest
„Gelijk den blixem gaan van \'t Oosten tot in \'t West.
„Die Gods lankmoedigheid dan hier, naar s\' vleeschs behagen,
„Heeft achteloos verzuimd, zal \'t veel te spa beklagen,
15 „Wanneer den genen, die hem vriendlijk heeft genood,
„Met een wreed aangezicht hem in den afgrond stoot.
IX. Van een wonderlijk kruid, dat den dooden V leven geeft.
Ziet, hoe een zeldzaam kruid (o, wonderlijk bedrijf!)
Het leven weder brengt in een gestorven lijf.
Sap. 16:
Geen kruid noch plaaster heeft Israël in \'t gemeen
Genezen, dan, o Heere! uw eeuwig Woord alleen.
\'T"Wijl Esculapius vast wandelt op en neder,
En tot gezondheid zoekt de kruiden groen en teder,
Hij eenen Herder ziet, die in een dal gezwind
Strijdt met den Bazilisk, welk hij op \'t lest verwint,
5 Door kracht en middel van een deel gevlochten blaaren,
Daar zijn hoofd-slapen beid met overschaduwd waren;
Dies Esculapius hem vurig daar om bad.
Maar naauw den Herder hem dees gift geschonken had,
Den loozen Bazilisk die haddet haast vernomen:
10 Dies hij om strijden weer is haastig aangekomen.
Maar, laas! den jongeling te zwak viel en te licht,
Hij storf, zoo haast hij zag t\' wreed Monsters aangezicht!
VIII. i. Wielen, draayen. — 5. Verkorzeld, toornig. — IX. 9. Ba-
zilisk, een monster.
-ocr page 118-
DEN GULDEN WINKEL.
104
Het welk den grooten Arts naauw ziende, hem gewreven
Heeft met het zelfde kruid, en bracht hem zoo ten leven.
15 T\' welk, als ik \'t overdenk, gaat boven mijn verstand,
Dat zulken grooten kracht het kruid is ingeplant.
X. Uitbeeldinge Bacchi.
T\'is Bacchus die hier zit, na \'t leven uitgebeeld,
Die ons den geest verheugt, en alle zorge ontsteelt.
Syr. 31:
Den eedlen, zoeten wijn verkwikt des menschen hert,
Waneer hij matiglijk met smaak genuttigd wert.
TJler zit den Wijn-god zelf met zijnen platten kroes,
Op zijn gezadeld ros, en speelt al vast a-vous!
O Bacche! drinkt eens om, en laat ons ook a-moyen,
T\' vat is niet hallef leeg, wij mogen noch wel poyen.
5 Maar zegt mij, hoe uw hoofd dees lichte vleugels krijgt,
En Pegasus aldus gevlerkt na boven stijgt?
Is \'t niet, o Geve-lust, Wijn-vinder, Licht-beloven,
Omdat den wijn versterkt en stiert den geest na boven?
Maar waarom krunkelt dus dees wijnranke in uw hand?
10 Is \'t niet, om dat gij eerst den wijnstok hebt geplant?
Waaromme zijdij dus geschilderd blij en jeugdig?
Is \'t niet om dat den wijn den mensch maakt kinds en
vreugdig?
En waarom zijdij naakt? Is \'t, om dat onbeschaamd
Den dronkaart niet en weet, noch acht wat hem betaamt?
15 „O dat is wel geraan! dus drinkt uit mijnder schalen
Eens lekker druiven-bloed: ik zal \'t gelag betalen."
XI. Krifgs ondergang baart Overvloed.
De Vreed\' veel overvloeds een ieder maakt gemeen,
Wanneer den dullen Krijg met voeten ligt vertreên.
lob, 22:
Vereenigt u met God, hebt vrede in uw gemoeden,
Gij werdt uit zijnen schoot gezegend met veel goeden.
Vlet Cornucopia met heuren vollen horen
Ontluiken, twijlen Mars, al schuimende van toren,
X. 3. A nioyen, ons-zelven toedrinken: a moi, a vous! — XI. 1. Cor-
nucopia, hoorn van overvloed, de Vreêgodin.
-ocr page 119-
DEN GULDEN WINKEL.                       105
Met zijn Bellona ligt getreden met de voet:
Gekneusd is zijnen schild, en zijnen stalen hoed;
5 Zijn ijzer is verstompt, en zijne spiets gebroken*
Zoo dapper heeft de Vreed\' zich over hem gewroken.
Duurt lange, o zoete Vreed\'! dat eeuwig voor dij buig
Den dullen God des krijgs met al zijn wapen-tuig!
Verstikt zijn moord-trompet, en laat zijn vendels rotten,
10 Scheurt zijn banieren al, en werpt ze voor de motten!
Zijn woedige trofeên vernielt, hoe schoon en weerd!
Maakt van zijn spiets een zein, een kouter van zijn zweerd,
Opdat den akkerman weer met een goed genoegen
Mag onzes Moeders rug doorvoren en doorploegen,
15 Én Ceres wederom toewijden, met genucht,
Het eerste veld-gewas, het eerste van zijn vrucht.
XII. Dianaas vlijt verwint de liefde.
Ziet, hoe vrouw Venus\' wicht, met zijn gevlerkte sprieten,
De onledige Diaan kan kwetsen, noch doorschieten.
Syr. 33:
Drijft stadig uwen knecht ten arbeid, vroeg en spaad,
Want luiheid ontucht baart, en alderhande kwaad.
Vlet, hoe Diana spoeit met heure wakkre brooskens
Langs t\' schoon gebloeide veld, bezaaid met roode rooskens;
Ziet, hoe zij rent en loopt door \'t schaduwende bosch,
Geboogd, gepijld, geleersd, geladen met den tros,
5 De koppels hitsende aan het Wild met open kelen,
En geeft haar gouden haar de windekens om spelen:
Hier vangt zij eene Hinde, en ginder een wild Hert,
Dat met zijn hoornen in de takken is verwerd,
Hier eenen snellen Haas, die met zijn ommekijken
10 Niet mocht in zijnen loop den ranken hond ontwijken.
Nu kruist zij \'t donker woud, nu schuilt zij eens in \'t lisch! —
Dat ondertusschen zij Cupidoos doel-wit is,
Zij niet eens merken kan, dewijl zij, langs hoe stijver,
Volherdigt in de jacht, en groeit in dezen ijver.
15 „Want wie de Luiheid haat en Neerstigheid bemint
„De Liefde, in zijnen vlijt en arbeid, overwint.
XIII. Cupido en de Dood wisselen elkanders pijlen.
Cupido en de Dood, die sliepen beide t\' zamen;
Ontwakende, zij blind elkanders schichten namen.
-ocr page 120-
DEN GULDEN WINKEL.
ioö
Rom. 6:
De Dood, de bleeke Dood (wanneer wij \'t recht doorgronden)
Is den gerechten loon en straf van onze zonden.
C^Upido en de Dood zich leiden om te slapen,
^In een zacht bloemen-dal, met hun getuig en wapen;
Maar als zij beids te gaar ontwaken uit den dut,
Onwetende nam d\' een des anderen geschut:
5 Het domme Minne-wicht ging schieten met der ijlen;
De herten, die hij trof, haast storven van de pijlen;
De Dood, de blinde Dood, waar zij de borst doorklieft
Des grijzen ouden mans, daar kweelt hij van de liefd\'.
„Daarom is \'t, dat (hoe vreemd het schijnt in onzen zinne)
10 „Den jongen dikwijls sterft, en d\' oude kweelt van minne:
„Daarom is \'t, dat de jeugd, als eene bloem, valt af
„Van heuren groenen steel, geblixemd in het graf,
„En dat het minne-vuur des ouden hert doorkruipet,
„En pijnelijk hem t\' merg uit zijn gebeenten zuipet;
15 „Dat wechgerukket werd den jongling als een dief,
„En dat den ouden stok vrijt om zijns herten lief.
XIV. Momus berispt Fenus\' dansen.
In Momi scheel gezicht geen dingen zijn volmaakt:
Al schort maar aan den dans, dat Venus\' toffel kraakt.
Iud. vs. 10:
De booze lasteraars (waar zij ook zijn gezeten),
Die lasteren het geen zij zelvers niet en weten.
T)E Goden kwamen t\' zaam in s\'Hemels opper-zaal,
Om nutten met genucht een heerlijk avondmaal.
Den rei was niet zoo haast vergaderd, of men dekt er
Des tafels breeden rug met Ambrozijn en Nektar;
5 Men schikten zich ten disch, men at, men dronk, men loeg,
Geen dingen hier gebrak, daar was van als genoeg.
Het maal was naauw gedaan, men ging de zinnen scherpen,
En, op den zoeten toon van fluiten en van herpen,
Aanvangen eenen dans. Vrouw Venus (zoete snol!)
10 Die maakte meen\'gen spronk en luchte kabriol:
Maar Momus in den hoek (die altijds kloek en wakker
Eens anders hofkcn wiedt, en zijnen eigen akker
XIII. 6. Haast, spoedig. — 8. Kweelt, kwijnt. — 16. Oude stok,
oud man.
-ocr page 121-
DEN GULDEN WINKEL.
107
Van \'t onkruid laat vertreên) riep, duidelijk en plat,
„T\' gekraak van Venus\' schoen den dans bedorven had."
15 „Dus, waar den spotter zit, men zijne tong hoort lispen,
„Hij vindt in ieders doen iets, dat hij mag berispen.
XV. Fenus verkoudt zonder Bacchus ende Ceres.
Hier zit de Minnemoer, met heuren Zoon verzeld,
Aan \'t vuur, t\'wijl Bacchus dwaalt met Ceres langs het veld.
1 Pet. 4:
Het geeft den brassers vreemd (daar gij meed pleegt te loopen)
Dat gij zoo nuchtren leeft, en schuwt der slempers hoopen.
"\\7"Rouw Venus en heur Wicht, hier inden hoek gescholen,
" Zich wermen aan den heerd en roosten voor de kolen,
Vermids Vrouw Ceres en Heer Bacchus beidegaar,
Al dwalende langs t\' veld, gescheiden zijn van haar.
5 Maar wat beteekent doch, dat zij van-éen-gescheiden
De Moeder met heur Kind hier laten met hun beiden?
„Is \'t niet, om dat het vuur der geilen minne-lust
„Door soberheid verkoudt en gantsch wert uitgebluscht ?
„Want daar van Graan en Wijn is alderhande volheid,
10 „Men aldermeest bespeurt der liefden brand en dolheid:
„Dus wie de Wellust haat, zijn lijf houde in bedwangk,
„Door soberheid van spijs en matigheid van drank.
XVI. Fan de Tooverkomt.
Der tooverschen gespook u deze prent uitwijst,
Zoo eiselijk om zien, dat t\' hair te berge rijst.
Apoc. 21:
Der toovenaren lot met solfer, vuur, en rook,
Is in den Helschen poel, vol brands en vol gesmook,
"P\\E Tooverschen ziet hier, t\'wijl andre menschen slapen,
Met wonderlijk gebaar verkeeren al in apen,
En met een heldre torts, van doode-smeer gewracht,
Doen eenen lichten dag oprijzen in der nacht.
5 Wat brandt hier voor een Hel? wie oft zij hier wierooken?
Wat katten lollen dus? help Pluto! t\' zijn al spoken.
XV. 3. Vermids, terwijl. — XVI ontbreekt in de uitg. 1622. In de
„Cleyn Werelt" (1608) is het onderwerp: „Hoe dat Priapus, Seer groot van
machte, Een deel oude Schrobben heeft verstoort by nachte." — XVI. I.
Tooverschen, tooveressen.
-ocr page 122-
DEN GULDEN WINKEL.
io8
Zou \'t wel een kerkhof zijn? Ik laat mij schier verlein!
Hier ligt zoo menig hoofd en schedel zonder brein.
Wat maken zij gebaars? wat maken zij al kruisen,
10 Beroerende de locht, en doen de boomen ruischen.
Ginds staat een looden kelk vol doodelijk venijn.
Oft zou \'t Medeaas sap of Circes drank wel zijn?
Hola! zij wekken al de geesten hier ter banen.
De locht, die is vol vuurs en vol gehoornde manen.
15 Ik derf naauw naarder treên: zij maken een geluid:
„Plutonis Hel-gedrocht, gij, Furiën, komt uit!
„Tisiphone, Alecton, Megera, licht uw hielen!
„Ik dage u in den naam van dees verstorven zielen,
„Bij Styx en Acheron! dat gij op dezen tijd
20 „U t\' zamen vinden laat in t midden van dit krijt!"
A mij! wat zien ik daar in \'t ronde perk vergaaren?
De Helle ontledigt schier al heur verbannen scharen,
Zij werden mi) gewaar, zij hebben mij gezien,
Waar loop ik alderbest, waar zal ik henenvliên?
XVII. Van de Godsdienst der Heidenen.
T\' Atheen\' wert de Overhand, den strijdschen Mars in Sparten,
En Phceb\' bij den Tyriêrs geëerd van gantscher herten.
1 Rom. 1:
In eenes Menschen beeld zij hebben Godes wezen
Veranderd en verkeerd, ja, dienst en eer bewezen.
\'T) E Heidenen, hoe blind zij voor ons henen gingen,
Noch altijds droomden van een Wezen al der dingen,
T\' welk als een Eigenschap t\' aanbidden kwam alleen;
Dat heilig was van aard en ieder algemeen.
5 D\' Atheners de Overhand devotig eere boden,
De Tyriêrs Phcebus, als den grootsten alder Goden;
Den wapen-roover Mars werd, met veel offer-viers,
Geëerd devotig van den Lacedemoniers:
Maar ander, blinder en veel woester van manieren,
10 Godsdienstig offerden d\' onredelijke dieren:
En t\' alderdomste volk voor \'t vuur heeft neergeknield,
Oft ander schepsel, t\' geen dood was en onbezield.
Elk land had zijnen God eerbiedig in \'t gezichte:
Dies in hun blindheid zij beschaamden veel verlichte,
XVII. In de „Cleyn Werelt" is dit gewijd aan de „zitmekens": Weldadi-
cheyt, Ontfangende giften en Dancbaerheyt (Zie hier: XIX). — XVII. ie reg.
Overhand, overwinning. — 3. T\' welk, 3e nv. — Aanbidden, zelfst.
nw. — Kwam, toekwam.
-ocr page 123-
DEN GULDEN WINKEL.
109
15 Die, eenigszins verlicht, nog gaan in blindheid voort,
En vragen na Gods-dienst, naar God, noch naar zijn woord!
XVIII. Fan de drie Gratiën.
De Liefdekens staan hier: ziet, hoe zij ons aanprijzen
Malkandren alle deugd en vriendschap te bewijzen.
1 Ioan. 4:
God is de Liefde zelf (de Liefde is t\' hoogste lot):
Wie in de Liefde blijft, blijft eeuwiglijk in God.
(~)Ft iemant vragen mocht, wat deze Drie bedieden:
Gij ziet hier Een de Twee, en weder Twee de Een bieden
Elkanders aangezicht, dewijl men zegt gewis,
Dat eene vriendschap twee vriendschappen weerdig is.
5 Het zijn de Charites, die, met een mild ontfarmen,
Malkandren alle drie zoo liefelijk omarmen.
Met ware liefd\' zij tot malkandren zijn gezind;
De liefd\' den gordel is, die hun te zamen bindt
In eenen vasten knoop: maar waarom en bekleeden
10 Zij niet het wit albast van hare naakte leden?
T\' is om dat reine liefde en vriendschap ongeveinsd
Een open herte toont, dat nimmer kwaad en peinst.
Aglaja, Thalia, en Euphrosin\' zij heeten,
Bevalligheid, Vermaak, en Blijschap ongemeten;
15 Want aangenaamheid en vermaak zij, in \'t gemeen,
En rechte vrolijkheid voords-brengen bij eik-een.
XVIIII. Van de drie Weldaden.
De Weldaad driederlei (ons tot een goed exempel)
Werd heiliglijk geëerd te Romen in den tempel.
Heb. 13:
De weldaad nimmermeer uit uw gemoeden vaagt,
Want zulken offerhand den Heere wel behaagt.
T"")Ees drie Godinnen, hier dus op de rije staande,
En zijn niet ongelijk de beelden van \'t voorgaande:
Dees schoone maagden zijn de drie Weldaden zelf,
Hier voormaals opgerecht in \'t heilig Roomsch gewelf.
5 D\' een is Weldadigheid, die, met een open herte
XVIII en XIX komen in de „Cleyn Werelt" niet voor. — XVIII. 15. In
\'t gemeen, doorgaands. — XIX. 4. Roomsch, romeinsch.
-ocr page 124-
iio                      DEN GULDEN WINKEL.
En met een open hand, gedenkt heurs naasten smerte:
Ontvangende Geschenk de tweede Nymphe heet,
Daar steeds Weldadigheid heur giften aan besteedt:
De derde Dankbaarheid, in wiens gemoed begraven
10 Ligt den dankoffer van heurs naasten milde gaven.
D\' een rijkelijken geeft, de tweede die ontvangkt,
De derde voor de gaaf eerbiediglijk bedankt.
„Och! oft dees Nymphen ons altzaam zoo wel bevielen,
„Dat wij hun plaatsten in den tempel onzer zielen:
15 „Want daar in \'t herte blinkt dit schoone beeldewerk,
„Daar is een heilig huis en welgecierde kerk.
XX. Gierigheid en List bedriegen Pallas.
Ei ziet, wat grooter Visch is hier in \'t net gevischt!
T\' is Pallas, door \'t bedrog van Gierigheid en List.
1 Timoth. 6:
Die zich bekoren laat van \'t goud, dat hij ziet blikken,
Door Gierigheid geraakt in veelderhande strikken.
T"\\E kloeke Listigheid, twee-aanzichtig en wakker,
"^En de arme Gierigheid (die van eens anders akker
Wel hare schuren vult, en in heur diefsche tasch
Bergt t\' goud dat zij kabast uit heures naasten kas)
S De wijze Pallas zelf zoo aardig kosten lokken,
Tot dat zij hadden t\' net heur over t\' hoofd getrokken.
„Want dat de Gierigheid de Wijsheid wel bedriegt,
„Is een gemeene spreuk, die door de monden vliegt."
Dit is weleer gezien aan Midas, doen hij haakte,
10 Dat het al louter goud mocht worden dat hij raakte;
Dees bede hem gewerd, en was hem licht vergond:
Greep hij een stoksken op, het werd al goud ter stond;
Of grijpt hij eenen steen, hij wert in goud herboren;
Neemt hij een hand vol graans, hij heeft al gulden koren;
15 En dobbert hij in \'t nat, oft grijpt hij eenen boom,
Hij heeft een gouden eik, en eenen gulden stroom:
Den gek, die is verblijd, hij lacht vast dat hij schatert,
En geeft den Echo werk, die al zijn doen besnatert:
Maar als hij aan den disch zal eten (t\' is te vreemd!)
20 Wordt al de spijze goud, die hij in handen neemt,
En als hij drinken zal (wel, hoe wil \'t nu gelukken?)
Den wijn in goud verkeert, en met geheele stukken
Hem in het keelgat valt; dies roept hij weder aan
De Goden, die uit liefd\' hem van dit leed ontslaan.
-ocr page 125-
DEN GULDEN WINKEL.
in
25 „Dies dikwijls Gierigheid de Wijsheid heeft bedrogen,
„En t\' goud heeft in den nood nooit iemant helpen mogen.
XXI. Beeld van Fortuna of Avontuur.
Aanmerkt, hoe de Avontuur de huik hangt naar de winden,
En niet-met-allen vraagt naar vijanden, noch vrinden.
Psal. 91:
Mijn toevlucht is alleen den Heere der heerscharen:
Geen kwaad noch ongeval en kan mij wedervaren.
TMe de Avontuur vertrouwt, eerst overdenk\' te voren
Dat zij, lichtveerdig als den weerhaan op den toren,
Met alle winden waait, en dat hij is verleid,
Die in heur zoeken wil zijn rust en vastigheid.
5 Ziet, hoe zij staat en zwiert met vleugels gaauwe en vlugge:
D\' een zij nu t\' aanschijn biedt, nu d ander weer den rugge.
Ziet, hoe zij voeteloos op eenen ronden bal
Toont, hoe den hoogmoed gaat gemeenlijk voor den val.
Dees beeldenisse ontbreekt: dat zij niet wispelturig
10 Een wankel rad omdraait, onstadig en gedurig:
Daar de een om hooge rijst met eenen trotschen kop,
En de ander in den grond valt boven van den tsop:
Want dit is haren lust, dat zij in grooter weerden
Den eenen hoog verheft, den andren worpt ter eerden.
15 Als ik in \'t tafereel Cebetis heur aanschouw,
Zoo zie ik (zoo mij dunkt) een dulle en blinde vrouw,
Die voren in den hoop strooit eenen gouden regen,
Daar elk om \'t meeste dringt: den eenen heeft gekregen
Een kostelijk trezoor, verzilverd en verguld,
20 Den andren om een kroon van vreugden is vervuld,
Die, eenen Scepter draagt, en dezen heeft een keten,
Den andren is een schaal vol peerlen toegesmeten;
Maar achter deze Nymfe, eilaas! wat zie ik hier?
D\' een heeft den bedel-zak, den andren heeft een lier,
25 Den eenen heeft een krukke, oft van sint Iacobs schelpen;
Den andren steent en zucht, t\' is al: „God wil u helpen!"
En t\'wijl den eenen vast heur voor de gift bedankt,
Den andren om zijn lot vast treurt, zucht, weent, en jankt;
Neemt zij den eenen t\' zijne, en gevet eenen andren,
30 En doet zoo vreugde in rouwe en rouwe in vreugd verandren.
XXI. 12. Tsop, top. — 15. De schilderij, in een tempel van Satumus, uit-
gelegd door den wijsgeer Cebes. — 25. Pelgrims van St. Jacob . in Spanje
hechten oesterschelpen aan hun hoed en mantel. De reden is niet bekend.
-ocr page 126-
DEN GULDEN WINKEL.
112
XXII. Armoed ver-wint Fortuna.
Die arm is, en genoegt met t\'geen hij heeft ontvangen,
De wankel Avontuur heeft in den strik gevangen.
lob i:
T\' geen God gegeven had, dat nam hij t\' zijnder tijd:
Des Heeren heilgen naam zij hoog gebenedijd!
\'T) Aar in een biezen hut zich d\' Armoede geneerde,
Daar \'t hoofd de zoldering en daar de voeten de eerde
Geraakten te gelijk, en daar een vuren plank
Te zamen was den disch en ook de zitte-bank,
5 Daar \'t goudgeel kaf en stroo men op den vloer uitspreeden,
Om rusten in den nacht de moegeslaafde leden,
Daar \'t water was den drank en drogen visch het brood,
Daar lafenisse en spijs gehaald werd uit de sloot,
Daar aan den kouden heerd de tanden mosten knappen,
10 En daar men liep bekleed met duizenderlei lappen,
Daar den huisvader (laas!) was eenen blinde-man,
En daar men leven most van t\' geen de vrouwe span,
Daar vijftien zonen en drie jonge meiskens waren,
Daar \'t al bij daag te bed most, om de keers te sparen,
15 En daar men naauwe een bieze, of daar men naau we een lamp
Ontstak, wanneer daar s\' nachts kwam t\' een of t\' ander ramp:
En daar nog niet-te-min t\' Genoegen wert gevonden,
Aldaar lag de Avontuur, die lichte-schooi, gebonden.
Want daar \'t Genoegen is, al valt schoon de Armoe zuur,
20 Daar vreest men geen Fortuin, noch wankele Avontuur.
XXIII. Atalanta ende Hippomanes kopen om strijd.
Ziet, hoe Hippomanes At\'lanta voren loopt,
Vermids zij om het goud den hoogsten prijs verkoopt.
1 Cor. 9:
Zij loopen alle wel ter banen dat elk hijgt,
Maar een van allen doch den prijs alleen verkrijgt.
"DUim-baan! Hippomanes loopt Atalanta na,
Het geldt hem zijnen kraag indien hij komt te spaa.
Zij loopen beide om strijd, o bloed! wat zal ik zeggen?
XXII. Die arm is en zich vergenoegt met wat hij ontvangen heeft, heeft
het Avontuur (de Fortuin) vermeesterd. — 12. Span, spon. 14. Bij daag
zal wel bij schemeravond moeten zijn. — 18. Lichte-schooi, wisselzieke
zwerfster. — XXIII. 2. Kraag, hals.
-ocr page 127-
DEN GULDEN WINKEL.
113
Het schijnt gij nog een lijf hebt in de kiste leggen,
5 Dat gij u zelven voedt met zoo een ijd\'le hoop,
En waant dees vlugge Nymfe (in heuren snellen loop
Die \'t al verwonnen heeft) zoo lichtlijk te overwinnen:
Hippomanes, eilaas! wat moogdij doch beginnen.
Men blaaster de trompet: dies elk zijn hielen licht;
10 Eer ik eens ommezie, zij zijn mij uit t\' gezicht;
Den bloed komt achter aan. Wel hoe! nu wint hij \'t weder.
Ei, ziet eens wat hij doet! Hij werpt ter eerden neder
Drie appels rood van goud, wel tot drie malen toe,
Daar t eiken zij naar bukt, het-welk hém komt te goê.
15 Hij loopt; hij overwint; tot dat hij moed\' geronnen,
De Nymfe in haren loop heeft eindlijk overwonnen.
„Maar zegt, o Musa! zegt, geeft niet den Sulmoaan
„Met deze fabel ons uitdruklijk te verstaan,
„Dat in den weg des deugds, zijn tweederleye hoopen,
20 „Die vurig om den prijs op \'t aldersnelste loopen,
„Daar d\' een ten einde loopt, en d\' ander stille houdt,
„Die zich verleiden laat van \'t zorgelijke goud,
„Daar d\' eene tot zijn lot den prijs is toegevallen,
„En d\' ander komt te spade, en krijget niet met allen?
XXIV. Van den Keizer Tiberius ende den armen bedelaar.
Hoe eenen Armen Man (t\' is wel aanmerkens weerd)
Door een gelijkenis den Keizer heeft geleerd!
Exod. 23:
Geschenken niet en neemt van vijanden noch vrinden,
Want zij des rechters ooge en t\' ziende Recht verblinden.
T~)En Keizer langs den weg, aldaar hij ging spaceeren,
Zag eenen Armen Man vol puisten en vol zeeren,
Waarop de vliegen vast, al gretig en verwoed,
Zich mesten vet en dik, met etter en met bloed.
5 Den Keizer werd beweegd en mocht dit niet verdragen.
„T\'sa, Pagie!" (zeide hij) „dees vliegen wilt verjagen!"
„Neen,\' sprak den armen man, „ei lieve! laat toch dat!
Dees vliegen zijn verzaad, dees krekels zijn nu zat.
Verjaagdij dezen zwerm, zoo komter weer een jonger,
10 Met nieuwen appetijt, met gragen verschen honger,
En zullen van mijn vleesch en bloed hun zelven voên,
XXIII. 4 Over een tweede leven kunt beschikken. — 17. Sulmoaan,
Ovidius (van Sulmo). — XXIV. 5. Keizer, Vondel schreef, in vergissing,
Koningh.
8
vondel I.
-ocr page 128-
DEN GULDEN WINKEL.
114
Met meerder pijn en smart dan mij nu deze doen."
Den Keizer dedet vreemd; deze andwoord met groot wonder
Hem in zijn ooren klonk, gelijk als eenen donder:
15 „Hij mocht gedenken, of den rechter, die van goed
„En gelden is verzaad, t\' recht zoo veel hinders doet
„Als eenen kalen vink, die eerst t\' geding zal schiften,
„En eet den armen op met gaven en met giften.
XXV. Mnete goedheid ende Neronis wreedheid vergeleken.
TazX., hoe Anchisis zoon den vader helpt in nood,
En Nero al verwoed zijn moeder brengt ter dood.
Proverb. 10:
In eenen wijzen zoon de vader zich verblijdt,
Maar in een godloos kind de moeder droefheid lijdt.
T")Oen Troyen onderging en stond in roode kolen,
Doen \'t hongerige vuur steeg opwaards naar de polen,
En doen het Grieksche staal (al razende en verwoed")
Geen dingen zoeter vond dan het Troyaansche bloecf;
5 jEneas met zijn kind ontwijkt den brand te gader,
En neemt op zijnen halze Anchisen, zijnen vader:
Hij draagt den ouden man, dat hem den rugge kraakt,
Tot dat hij eindelijk uit s\' doods perijkel raakt.
Hoe draagt ^feneas dus? — Ik drage mijne kroone,
10 En drukke levende uit het beeld van eenen zone,
Van eenen goeden zoon, die, heilig en beleefd,
Den genen weder draagt, die hem gedragen heeft.
Maar recht in \'t jegendeel is Nero veel verwoeder
Als een onreedlijk beest, die \'t herte van zijn moeder
15 Uit heuren lijve rukt, en ziet het enge graf
Van zijnes moeders buik, dat hem eerst t\' leven gaf.
Hij doodigt die, waarvan hij \'t leven heeft ontvangen,
En nog loopt eenen traan niet langs zijn snoode wangen.
„Dies als ik dezer twee hun vonnisse onderzoek,
20 „D\' een komt den zegen toe, voor d\' ander is den vloek.
XXVI. Uitvaart der heidensche dooden.
Men hoort den filozoof den Keizer hier verklaren,
Waarom den dooden wert gecierd met lauwerblaaren.
XXIV. 17. Eenen, ie nv. — XXV. 17. Doodigt, doodt.
-ocr page 129-
DEN GULDEN WINKEL.
•15
Eccl. 7:
Den sterf-dag is den mensch veel beter, in zijn smert,
Dan zijnen eersten dag, als hij geboren werd.
T~)E Heidenen voorheen den doón ter eerden brochten,
Wiens bleek besturven hoofd met lauwer was omvlochten.
Den Keizer, nieuwsgier om hier d\' oorzaak van verstaan,
Spreekt zijne honig-bie, den wijzen Bias, aan:
5 Zegt, o wijsgieren! zegt, waarom men dus ten toone
Den doón ten grave brengt, omvlochten met een kroone?
„Heer Keizer!" (zegt hij) ,,t\' is om dat hij voor gewis
„Van alderleye ellende en smerte ontslagen is;
„Dat hij voleindigd heeft den loop met zijne voeten,
10 „En afgeleid de schuld, die wij betalen moeten;
„Dat hij in zijne dood de Dood verwonnen heeft,
„En hier gesturven is, opdat hij elders leeft."
XXVII. Sardanapalus spint met de wijven.
Ziet hoe den Assyrier, verwijfd gelijk een kind,
Zijn hand slaat aan de spille, en zijnen rokken spint.
3 Regum. n.
Toen Salomon zoo veel boelaadjen had verkoren,
Werd hij zoo gants verwijfd, dat alles liep verloren.
C Ardanapalus, o, wat helpen u drie mijten,
Daar gij de spille omdraait"? Het dient tot uw verwijten,
Dat gij zoo heel verwijft en zelfs den rokken spint:
Dit harnas past u niet; wat zijdij, dul of blind?
5 Den scepter voegt u best, om daar meed\' te bestieren
Uw onverwonnen erf, het rijk der Assyrieren:
Gij slacht Alcmenas Zoon, die (hoe ontzien en trotsch)
De schoone Omphale geeft zijn pijlen en zijn knods,
En wisselt al zijn tuig (o, zotte minne-grillen!)
10 Voor eenen spinrok, en een hand vol ronde spillen.
O, groote minne-kracht! die wonderlijk uitmunt,
Als gij een manlijk hert zoo heel verwijven kunt.
„Als gij eens Konings ziele in uwe boeyen kluistert,
„Is al de majesteit van zijne kroone ontluisterd,
15 „Zijn wijsheid ongeacht, zijn mogendheid vervoerd,
„En door zijn hoererij wert t\' gantsche rijk verhoerd:
XXVI. 1. Doón, doode. — 4. Honig-bie, woordspeling met Bias. — 5.
De uitg. hebben niet „dus", maar dies. — Tentoone, met pronk. — XXVII.
i.
Mijten, grenzen.
-ocr page 130-
DEN GULDEN WINKEL.
ii6
„Daar \'t hof van minne brandt, wert (eer men \'t zoude wanen)
„Het land een vuil bordeel, vol lichte courtisanen.
XXVIII. Phalarh straft Per Mum in zijnen stier.
Merkt, hoe rechtveerdig dat Perillus raakt ter dood
In zijnen koopren stier, die hij voor andren goot.
Psal. 7.
Den goddelozen graaft den put naar zijnen zin,
Maar als hij \'t heeft gedaan, valt hij daar zelver in.
T~)E konstige Perill\' (die op het alderblootste
Den gieter Myron zelf in zijne konst nabootste)
Goot eenen koopren stier, die hij om zijnder konst
Den Tyran Phalaris (om raken in zijn gonst)
5 Eerbiediglijken schonk: maar, als hij voor den Koning
Verscheen, om naar zijn werk te krijgen zijn belooning,
Sprak den Tyran tot hem: „Zegt mij, du kloeker geest,
Wat zoud\' men mogen doen met dit gehoornde beest?"
„Heer Koning!" (zeide hij) „den stier, die heeft een wijde,
10 Vierkante venster in het midden van zijn zijde.
Waar men in werpen zal den boozen t\'zijnder straf;
Wanneer den kwaden nu in dit metalen graf
Met hitte wert gepijnd, zal hij den stier doen brullen,
En met een luid geloei de ruime locht vervullen."
15 „Wel aan," (sprak den Tyran) ,,t\' is best, gij \'t eerst verzoekt."
Men greep hem bij den kop, zijn kunst heeft hij vervloekt;
Geen klagen hier en holp, men most het recht vervolgen,
Den dooden stier heeft hem al levende opgezwolgen.
„Dies, o gij kunstenaars! denkt, dat in s werelds perk
30 „Een ieder werd geloond na zijnder handen werk.
XXVIIII. Dionysii zwaard boven V hoofd Damoclis.
Ziet, hoe een stalen zweerd aan eenen zijden draad
Steeds hanget boven \'t hoofd den koninklijken staat.
Psal. 55.
Mijn herte is in mijn lijf beangstet, ja, het beeft;
s\' Doods vreeze mijn gemoed aldus getroffen heeft.
T*)E vleyer Damocles, pluimstrijker die uitsteket,
L^En nimmermeer (God wouds!) in s\' Princen hofgebreket,
XXVIII. 1. Alderblootste, naauw-keurigst. — XXVIIII. 2. God wouds,
God beter \'t.
-ocr page 131-
DEN GULDEN WINKEL.
"7
Acht Dionysium, als eenen aardschen God,
Gelukkig over zeer, schier zonder mate of slot:
5 Waarom de Koning hem, met purpren kleedren schoone,
Als eenen Koning ciert, ja t\' voorhoofd met een kroone
Hem heerelijk omdrukt, en hem in handen geeft
Den koninklijken staf, waarvoor \'t al schrikt en beeft;
Den nieuwen Koning hij dus laat ter tafel zetten,
10 Diens rug geladen is met alderlei banketten.
Men speelt een zoet muziek, en wekt den Echo zelf
Met eenen zoeten toon in \'t marmeren gewelf:
Maar twijlen men dus juicht, in \'t midden der gezangen,
Laat Dionysius een stalen zwaard ophangen
15 Aan eenen zijden draad, recht boven t\' hoofd gewis
Des genen, die zich waant dat hij gelukkig is;
Maar ziende naauw omhoog, verschrikt hij zoo voor \'t dreigen
Van \'t opgehangen zwaard, dat hij zijn hoofd moet neigen,
En roept: „Heer Koning, o! verlost mij uit den druk,
20 Ik kieze mijnen staat, en laat u dit geluk."
„Aldus en mag hij niet geacht gelukkig wezen,
„Die stadig is gepijnd met duizenderlei vreezen.
,,t\' Paleis, dat zijnen kop hoog in de lucht verheft,
„Eer dan eens herders hut, den krommen blixem treft.
XXX. Fan drie Zonen wert <T oodmoedigste Koning.
Nero\'s tuchtmeester ons hier schildert naar het leven,
Hoe hoogmoed wordt verkleend, en oodmoed hoog verheven.
Math. 23.
Hij wert vernederd die zich te verheffen poogt,
Maar die hem zelf verkleent, wordt heerelijk verhoogd.
T~)En wijzen Seneca ons meldt en gaat vertoonen
Van eenen Koning, die zijn drie bedaagde Zonen
Heel van verscheiden aard drie vooglen stelde veur,
En gaf van alle drie eik-een den willekeur,
5 Opdat hij ramen mocht, wie \'t beste van henlieden
Het koninkrijk voords-aan zou heerschen en gebieden,
En dragen zoo den last, die zijnen ouden dag
Veel kommerlijker viel, dan zij te voren plach.
Den Arent d\'eerste koos, den koning aller vogels;
10 De tweede koos na hem den Sperwer, snel van vlogels;
Den lang gebekte Snep verkoos de jongste zoon:
Dies hem den vader schonk de koninklijke kroon.
„Hij, die door oodmoed en vernederdheid van geeste
„Verkoos het minste lot, verkreeg het aldermeeste.
-ocr page 132-
DEN GULDEN WINKEL.
118
15 „Want wie door hoogmoed klimt, die naardert zijnen val,
„En die zich zelf verkleent, gemeenlijk klimmen zal.
„Dies, die in needrigheid verslijt zijn vliênde leven,
„Al schijnt hij leeg te zijn, zoo is hij hoog verheven;
„Hij is den val naar bij die hooge zich verheft,
20 „En die zich houdt omleeg den blixem niet en treft.
„Des weerelds loop is twee put-emeren gelijke,
„Het leegste klimt omhoog, het hoogste valt in \'t slijke.
XXXI. Den ijzeren Eeuwe.
Ziet hier den ijsren Eeuw, daar d\'eene d\'ander tergt,
De Weereld is vol strijds, en heel in \'t kwaad verergd.
Gen. 4.
Des weerelds vierde deel, sloeg Cain, en was niet wijzer;
Hij bouwde d\' eerste stad, en Tubal vond het ijzer.
T\\ Oen \'t ijzer kwam in \'t licht, uit t\' ingewand der aarden,
Klep, klep! het aanbeeld ging, men smeedde niet dan
zwaarden;
Rechtveerdigheid uit vrees weer naar den hemel trekt;
Het aardrijk werd terstond met menschenbloed bevlekt;
5 Den krijg werd opgekweekt: men ging de zinnen scherpen,
En met den blinden mol een aarden wal opwerpen;
Het kalfs-vel werdt gerekt, men maakten floks een trom:
De mensch werd loos in \'t kwaad, en in de wijsheid dom;
Men kreeg een bonten vlag gewonden om de stengen,
10 Men ging vierkantig t\' heir in zijn slagorden brengen;
Den horen onraad blies, de trommel sloeg alarm,
De vreeze werd verdoofd en \'t bloed in t herte warm;
Het eene heir verwan, het ander is gevloden,
Het veld, dat werd bedekt met menig duizend dooden,
1 s Men riep er niet dan moord, daar werd een groot geschreeuw:
En zoo kwam op de hand den dullen ijsren eeuw.
XXXII. Soberen disck Pythagora.
Pythagoras zit hier; den disch, die is hier knap
Verzorgd met eenen weg, wat vruchts, en eenen nap.
Mare. 1.
Den Dooper, die den weg voor Godes Zoon kwam banen,
Had anders geene spijze als honig en sprinkhanen.
XXXI. Des weerelds vierde deel, Abel. — XXXII. Knap, sober;
weg, broodtjen.
-ocr page 133-
DEN GULDEN WINKEL.
np
TDYthagor\' Samos\' roem, te wonderlijken haten
De onnutte gulzigheid, die niet en kan als vraten;
Met eenen soobren disch hij wel te vreden was,
Hij speende zich van vleesch en visch; bij \'t veldgewas;
5 In ware dankbaarheid hij heiliglijken leefde,
En met der herten aan een goed genoegen kleefde.
„O gulden Soberheid! gij zijt u zelf een maat:
„Als de ander eerst begint, zoo zijdij al verzaad.
„De spijze is niet zoo zeer om t\' lichaam vet te mesten
10 „Gelijk een kermis-gans, die kruipen moet ten lesten,
„Als zij geschapen is, dat eik-een van heur proeft
„Alleen zoo veel, als t\' lijf tot onderhoud behoeft.
XXXIII. Socratis soberen disch.
Ziet. Socrates (eylaas!) besprongen van de boosheid
Der wijven, met geduld verwinnen hun godloosheid.
Syr. 25.
Veel liever wil ik nog bij leeuwen en bij draken,
Als bij een booze vrouw mijn rust- en woonplaats maken.
TMe een kwa vrouwe heeft, genoeg heeft aan zijn wee;
Den armen Socrates (eylacen!) heefter twee:
Hij is er meed\' gescheept, hij moet er ook meed\' varen,
Door zoo veel holle zeen, door zoo veel waterbaren:
5 D\' een tessche is hallef blind, en de andre feeks is leep,
D\' een slaat hem met de roede, en d\' andre met de zweep.
Nog was hij wel te vreên, hoe zeer zij op hem brulden:
Zijn herte is onbeweegd en alles kan hij \'t dulden:
Kneust d\' een hem met de vuist, en d\' ander met den voet,
10 Zoo houdt hij evenwel een ongekwetst gemoed:
Hij lijdt, zij slaan; hij zwijgt, zij voeren heuren snater;
Hij zit op \'t droge land, zij gieten hem met water;
Ten laatsten zegt hij eens: „Wanneer de locht verbolgt,
Den regen in \'t gemeen na eenen donder volgt."
15 „Aldus geduldigheid met zoete en zachte zinnen
„Heur kruis verlichten kan, en tegenspoed verwinnen:
„Hij wreekt zijn leed genoeg, die stille, met verdrag,
„Niet zijnen smaad en wreekt, daar hij \'t aan wreken mag.
XXXII. 1. Tc wonderlijken haten, haatte zeer bizonder. — 2. Vra-
ten,
vreten. — 9—1?. Als de spijs geschapen is, opdat eik-een van haar
proeve zoo veel als \'t lichaam tot onderhoud behoeft, is zij niet zoo zeer om
\'t lichaam vet te mesten. — XXXIII. 5. Tessche, vrouw. Feeks, lastig
vrouwmensch. Leep, druipoogig.
-ocr page 134-
DEN GULDEN WINKEL.
120
XXXIV. Diogenes berispt Platonem.
Hoe dat Diogenes bewees (naar zijnen wensche),
Dat eenen naakten haan was een Platoniesch mensche.
Iac. 3.
Wie met zijn tonge niet in woorden missen kan,
Is al geheel volmaakt, ja, een volkomen man.
"P\\En wijsgier Plato, om zijn jongeren te leeren,
Zeide: een tweevoetig Dier, naakt, bloot, en zonder veeren
Is den geschaapnen Mensch. Dees voorgestelde les
Ter ooren al terstond kwam voor Diogenes:
5 Den drol en is niet slinksch, hij past op deze stukken,
En gaat floks eenen haan al levendig uitplukken
Zijn pluimen uit het lijf en daarmeed\', slechten jool!
O ft hij geen vijf en kost, loopt naar de Atheensche school,
En werpt den naakten haan voor Platoos voeten henen:
10 „Dat\'s een Platoniesch mensch, naakt (zegt hij) met twee
beenen."
„Nooit iemant zoo bespraakt, diens tong niet eens en lispt,
„En niemant ooit zoo wijs, die niet mocht zijn berispt.
XXXV. Den Mensch, bij een Boom geleken,
Dees stomme beeldenis spreekt (als in eenen droom):
De Boom is als den Mensch, den Mensche is als den Boom.
Math. 3.
Een ieder boom, die niet draagt goede vruchten hier,
Ten leste werd gekerfd en dan verbrand in \'t vier.
Ivf Et redelijke dier, den Mensch, verkeerd genomen,
Gelijkt wel eenen Boom: hoe aardig wil dit komen!
Den boom spruit uit der eerd, den mensche uit s\'moe-
ders graf;
Den boom groent en verdort, den mensch komt en gaat af;
5 Den boom zijn takken heeft, die hij zoo wijd uitspanden,
Den mensch zijn voeten ook, en zijne palmen-handen;
Den wortel is de deugd, die al den boom aankleeft,
Den mensche zonder hoofd ook nimmermeer en leeft;
Wanneer s\' booms wortel treurt, zoo hangen al de bladen:
10 Ook s\' menschen leden, als \'t hoofd is met druk beladen:
Den boom, die lange staat, op \'t lest wert oud en krom,
XXXIV. 5. Drol, grappenmaker. — 8. Hij geen vijf en kost [tellen].
-ocr page 135-
DEN GULDEN WINKEL.
121
Den mensche ziet na \'t graf in zijnen ouderdom;
Waar den boom henen valt, daar zal hij liggen moeten,
Den mensche naar zijn dood heeft geenen tijd van boeten;
15 Den boom zijn midden heeft, met eene schorse omgord,
Den mensch een ziele, die van \'t vleesch bekleedet wordt;
s\' Booms midden, eindelijk, wordt met den boom verdorven,
Maar s\' menschen ziel nog leeft, als \'t lichaam is gestorven.
XXXVI. Diogenes kiest het zonnelicht voor Alexandri schat.
Hier ligt Diogenes, en kiezet, in zijn vat,
Het vrolijk zonnelicht voor Alexanders schat.
Hebr. 11.
Voor al \'t Egyptsche goed, voor Pharaoos trezoren,
Heeft Moyses met Gods volk het aldernutst verkoren.
T")E woonst Diogenis was een boömloze tonne;
Hij schuilden in heur schaauw voor \'t steken van de zonne,
Hij had geen andre hut, noch andre tente op d\'eerd.
Dit vliênde leven docht hem luttel moeiten weerd.
5 Zijn tafel was het gras; op een bizondre wijze
Hield hij zijn middagmaal, met ongekookte spijze.
Den aaszak, zijn schappraai, hij altijds bij zich droeg.
Nature, meenden hij, heeft lichtelijk genoeg.
De wijnen, die hij dronk, was \'t water, daar hij zeker
lo Geen aconiet in vond; zijn hand was zijnen beker:
Hij hadde geenen schat, oft droeg hij om \'t gemak
Een tesch, zoo was \'t zijn hart dat vol genoegen stak.
Waarom den Macedoon, den treffelijksten Koning,
Hem te bezoeken dacht. Hij vond hem in zijn woning;
15 Diogenes die lag en trok \'t hem weinig an
Oft hij een Koning zag, oft eenen akkerman.
Dit docht den Prince vremd; dies, om zijn zeldzaam leven,
Zeide: „Eischet wat gij wilt, ik zweer, ik zal \'t u geven."
Den wijs-gier naauwlijks sprak: „Ei! Alexander vrund!
20 Gij neemt mij t\' zonnelicht, dat gij niet geven kunt."
„Dus is hij waarlijk rijk, die zich in niets bedroevet,
„Die in all\'s is te vreên, en weinig noodrufts hoevet.
XXXVI. 7. Aaszak, knapzak, schappraai, spijskast. - lo. Aconiet,
een giftplant. — 12. Tesch, tasch.
-ocr page 136-
DEN GULDEN WINKEL.
122
XXXVII. Diogenes verwerpt zijnen beker.
Ziet, hoe Diogenes den kroes aan eenen kant
Wech werpt, dewijle hij kan drinken uit zijn hand.
i Timoth. 6.
Een goed genoegzaam herte en goddelijken zin
Is eenen grooten schat, en wel een rijk gewin.
TMogenes, die steeds arbeiden om te mindren
Zijns lichaams noodruft, zag, hoe twee onnoosle kindren
Het water met der hand vast schepten uit den vloed:
Dies nam hij zijnen nap en trad hem met de voet.
5 „Wat mag ik (zeide hij) zoo vele huisraads nutten,
Én dus beladen gaan, dewijle men kan putten
Den drank met zijne hand, en lesschen zoo den dorst?
Waar toe hebbe ik zoo lang d\'onnutten kroes getorst?"
„Daarom, wanneer wij \'t doen der Ouden wel beproeven,
io „Zij zochten hunnen schat in luttel te behoeven:
„Want daar men veel behoeft, daar is vrij d\' armoe groot;
„Maar waarlijk is men rijk, daar weinig is van nood.
XXXVIII. Diogenes zoekt Memeken.
Diogenes leert hier, dat zij, tot geenen dagen,
Niet alle Menschen zijn, die wel den name dragen.
lesai i.
Den Ezel kent zijn krib, den Osse zijnen heere,
Maar Israël en weet van God noch van zijn leere.
T~)En drol\'gen ouden pouts, Diogenes ik meen,
Als op den middag t\' licht t\' schoonst van den hemel scheen
Met een lanteerne liep, om zoeken naar zijn wenschen.
Elk riep: „Wat zoekt hij hier ?" — „t\' Zijn redelijke Menschen,
5 „Die ik dus zoeken ga." Elk boerden, en elk loeg:
„Wel, Diogeen\'! zijn hier geen menschen nog genoeg?"
„Ik zieder hier niet een (sprak hij), want gij betoonet,
„Dat geene reedlijkheid in uwe herten wonet:
„Uw beestlijk leven toogt, dat gij (hetwelk ik haat)
io „Zijt menschen met den naam, maar beesten inderdaad."
„Die met Diogenes liep zoeken als de blinden,
„Nog zoude hedensdaags naauw menschen kunnen vinden:
XXXVII. i. Arbeiden, arbeidde. — 5. Nutten, bezigen. — XXXVIII.
1. Drol\'gen ouden pouts, komieke oude poetsenmaker.
-ocr page 137-
DEN GULDEN WINKEL.                       123
„Want deze weereld is een woeste wildernis,
„Die niet vol menschen, maar vol wilde dieren is;
15 „Ja, nog den meestendeel zijn woester van manieren
„Als in het wilde woud de onredelijke dieren:
„Want daar den eenen wolf den anderen op eet,
„Daar is den winter koud, daar is den winter wreed;
„Maar dat den eenen mensche (al schijnt hij drie maal vromer)
20 „Den anderen verslindt, geschiedt wel in den zomer.
XXXVIIII. Crafes werpt zijn schat in zee.
Hoe den philosophus zijn goud wierp in de baren,
Dat zal u deze prent en dit gedicht verklaren.
Matth. 10.
Wie alles niet verlaat, en volgt mijn stappen veerdig,
Is mijn leerjonger niet, noch en is mijns niet weerdig.
Vlet Crates, den Thebaan, hem zelven gaan te boven,
Verkoopende zijn haaf, zijn goederen en hoven.
Dewijl hem s\' weerelds goed behindert in den loop
Des deugds, verzaamt hij \'t geld in eenen klomp of hoop,
5 En spoeyende daar meed\' recht naar den dorren oever
Van de ongetemde zee (als zijnde geen behoever
Van zul ken overvloed) werpt zijnen schat heel veer
En al zijne ijdle zorg met eenen in het meer,
En roept: „O, ligstu daar in \'t midden vande golven!
10 „Veel beter is \'t dat gij ligt in den grond gedolven,
„Dan dat gij nacht en dag mijn innerlijk gemoed
„Met angst en zorge pijnt, of met veel kwelling voedt."
„O, groote kerneis! die hier met veel ongemakken
„Zoo lastig gaat getrost met s\' rijkdoms zware pakken,
15 „Aanmerkt, wat Crates doet, niet langer voords en draaft,
„Ziet hoe hij al zijn goud in \'t diepe meer begraaft.
„Maar gij zijt veels te gier, en zoudt veel liever drenken
„In \'t midden van de zee, dan \'t goud de baren schenken.
„Ai, arme gierigaarts! wat zal ik zeggen, dan
20 „De heele weereld niet uw herte vullen kan:
„Driekantig is uw hert; dies, als ik met verkloeken
„Een ronde daar in trek, daar blijven altijds hoeken
„Nog leeg end\' ijdel staan; dus roep ik met beklag:
„T\' is eenen diepen put, die niemant vullen mag.\'
XXXVIII. 17. De uitg. heeft: Want dat. — XXXVIIII. 14. Getrost,
beladen.
-ocr page 138-
DEN GULDEN WINKEL.
124
XL. Matigheid des wy\'ns wordt geprezen.
Ziet, hoe den filozoof hier aan de tafel dut,
En den gezonden wijn gespariglijken nut,
i Timoth. 5.
O, zone! ik rade dij (uit zorge, die ik drage):
Gebruikt een weinig wijns, om uwe kwade mage.
IJler zit de Wijze-man, hij laat hem niet meer tappen
Tot t\' noenmaal, dan alleen drie matelijke nappen.
Hij slacht den dronkaart niet, die nimmermeer en kan
Uitblusschen zijnen dorst, gelijk den Ocean,
5 Die, alhoewel hem steeds de bornen en de vlieten
Zoo vele waters in zijn glazen kruike gieten,
•Nog nimmer is verzaad. Zoo ook den dronkenbol:
Hoe vele dat hij drinkt, zoo\'n is hij nimmer vol:
Maar den wijs-gieren heeft de soberheid verkoren,
10 En laat een druppelken onnut niet gaan verloren.
„Die zoo den wijn gebruikt, die zoo de druiven leest,
„Wordt van den wijn gevoed na \'t lijf en na den geest;
„Den geest hij levend\' maakt, het herte sterk en jonger,
„De hersnen zuivert hij, en wekket gragen honger,
15 „T\' bleek aanzicht hij verdrijft, verwermt het koude bloed,
„En ons teer lichaam hij lange in gezondheid hoedt.
XLI. Het raadsel van het monster Sfinx.
Het listig monster Sfinx stelt Oedipo te voren
Een raadsel, t\' welk hij raamt; dies doodt het zich van toren.
lob. 14.
Den mensch gelijk een bloem verwelket en vergaat,
En blijvet nimmermeer in eenen zelven staat.
"LI Et zeldzaam monster Sfinx (dat den Thebaners kwelde)
Dit raadsel Oedipo op \'t alderscherpst voorstelden:
„Vier voeten, twee, en drie, heeft ergends eenig dier,
Dat niet en heeft als stem, en stem verandert schier.
5 Dat geen dier meer zoo doet, van al wat vliegt om hooge,
Oft zwemt in natte zee, oft wandelt hier op \'t droge;
Maar als op voeten veel dit dier begint te gaan,
Begint hem al zijn jeugd en al zijn kracht vergaan.
„Dit dier" (zegt Laji Zoon), „ik zal \'t u haast ontknopen,
XL. Dut, mijmert. — XLI. Raamt, naar welks oplossing hij gist. — 4.
Schier, schielijk.
-ocr page 139-
DEN GULDEN WINKEL.
125
10 „Dat is den mensche, die ter weereld komt gekropen,
„Die eerst op hand en voet, als op vier beenen, gaat,
„Zoo lange tot hij recht op zijn twee voeten staat:
„Maar als den ouderdom, met zuchten en met stenen,
„Aanbreekt, hij zwak en krank op eenen stok moet lenen,
15 „En als drievoetig gaan, met zijnen doornen staf,
„Na zijn eng kerkhof toe, tot dat hij valt in \'t graf."
„Den rader naauwlijks zwijgt, t\' woord is naauw van de lippen,
„Oft Sfinx breekt zijnen hals, en werpt zich van de klippen.
XLII. Fan Zoilus, den berisper.
Ei! ziet, hoe Momus hier zijns naasten feilen teekent,
En al wat hij misdoet vergeet en niet en rekent.
Math. 7.
Hoe ziedij doch zoo licht de splinters, o, gij schalken!
In \'t ooge uws broeders, en vergeet uw eigen balken!
Vlet den Berisper hier na \'t leven afgeschilderd.
Hoe staat hij dus en grijnt! hoe is hij dus verwilderd!
Twee tesschen hij steeds draagt; o, zifter van een mug!
D\' een hangt hem voor de kniên, en d\' ander op den rug;
5 De grootste voren hangt, de kleinste draagt hij achter;
Van s\' naasten feilen is hij een getrouwe pachter,
Want hij, ontvanger, daar de grootste tesch meê vult,
Maar achter is de buil leeg van zijn eigen schuld,
D\'wijl hij die niet en ziet; van voren stelt hij kloeke
10 Zijns naasten misdaad net en zuiverlijk te boeke;
Hij heeft zijne oogen op een ander zoo gereed,
Dat hij hem zélfs verzuimt en t\' eenemaal vergeet.
XLIII. Des fVahchen Herculis welsprekendheid.
Den Walschen Hercules hier aardig en perfekt
De lieden met zijn tong schoontalig tot zich trekt.
I Cor. 13.
Wanneer ik, liefdeloos, schoon spreke eens Engels taal,
Wat ben ik anders dan een luidende metaal?
En Walschen Hercules (daar veel van is gezongen^)
Met gulden ketenkens aldus aan zijnder tongen
XLIII. Walschen Hercules, Herkules, die Gallië bezocht heeft. — W.
i. 1. schoon, al spreek ik in een taal der Engelen, als ik enz;
-ocr page 140-
DEN GULDEN WINKEL.
126
De volkren had gehecht; t\' welk zoo vele is gezeid,
Dat een schoontalig man, door zijn welsprekendheid,
5 De menschen tot zich trekt, en vele groote scharen
Bestiert, als oft zij aan zijn tong gebonden waren.
T\' is daarom, dat men nog wel zegt na de oude sloer,
Hij klapte mij zoo schoon, hij kreeg mij aan het snoer;
T\' is daarom, dat men zegt, dat, met zijn zoete snaren,
10 Orfeus in \'t wilde woud de dieren konde paren;
„\'t Is daarom dat men zegt, dat Amfion in \'t veld
„Heeft Theben opgebouwd, een stad groot van geweld:
„Welsprekendheid, verzeld met billijkheid en reden,
„Het sterkste wapen is, dat iemant mochte smeden;
15 „Het bindt de herten t\'zaam, en maakt van velen een,
„Gelijk het lijf bestaat uit veelderhande leen.
XLIV. De Tonge is V beste ende kwaadste.
De Tong, het kleinste lid (zoo Bias eens beveste
Voor den Egyptschen Prince) is \'t kwaadste en ook het beste.
Proverb. 18.
Het leven en de dood, die liggen onbedwongen,
Vrijwillig in \'t geweld en in de macht der tongen.
T")En Koning en Monarch der oude Egyptenaren
Tot Biam Brutum zond, opdat hij zou verklaren,
Welk doch van alle ding hem \'t slimste, en \'t beste, docht?
Zijne andwoord was: „een Tong", die hij den Koning brocht.
5 Dit heeft vEsopus ook bevestigd, als de wijze:
Doen zijne meester hem de beste en slimste spijze
Hiet koopen op de markt; hij bracht hem tongen t\'huis;
Den meester werd vergramd en zeide: „Bij gans kruis!
Ik zende u twee-maal heen, gij brengt mij altijd tongen."
10 „Hoort, meester (zeide hij), uw gramschap zij bedwongen:
„Een goede tong is \'t best, dat hier ter weereld is,
„En weder \'t slimste deel een kwade tong gewis.
„De tong baart twist en krijg, de tong baart peis en vrede;
„De tonge die bedroeft, de tong vertroostet mede;
15 „De tonge die verdrukt, de tonge komt te baat;
„De tong de liefde breekt, de tonge doodt den haat;
„De tonge die ontsticht, de tong baart nutte leere;
„De tonge lastert God, de tonge looft den Heere:
„Dus, als men de eigenschap der tongen wel verzint,
20 „Zoo is zij \'t kwaadste deel en \'t beste dat men vindt."
XLIIl. 7. Slocr, sleur. — XLIV. 8. Gans-kmis, Gods-kruis.
-ocr page 141-
DEN GULDEN WINKEL.
127
XLV. Solon snijdt zijn Tonge af.
Ziet, hoe den filozoof zijn eigen Tong afsnijdet,
Opdat hij zwijgen leere en \'t ijdel spreken mijdet.
Proverb. 21.
Die zijnen mond behoedt en zijne tong bewaart,
Diens ziele niet met angst noch droefheid wert bezwaard.
"P)En wijzen Solon (om \'t veel spreken te vermijden)
Ging met een scherpe vlim zijn eigen Tonge afsnijden.
Men vraagden hem, waarom? Hij schreef: „Om dat veel
kwaad
„De tong ooit heeft gewracht, en \'t zwijgen nooit geschaad."
5 O jonkheid! luistert toe, het dient u zonderlingen,
Om leeren uwe tong van veel geklaps bedwingen.
Wei-spreken is een deugd, wei-zwijgen ook een konst:
Die hier de mate in treft verkrijgt een groote gonst.
Natuur, zorgvuldig om ons hierin te versterken,
10 Heeft onzen mond verzorgd met dobble bollewerken,
Opdat de losse tong niet licht uitbarsten mocht
Met eenig schandlijk woord, dat boven in de locht
Als eenen vogel stijgt, en, als het is ontvlogen,
Niet lichtlijk wederom kan worden ingetogen:
15 Dat ik ooit stille zweeg, mij nooit en heeft berouwd,
Maar wel dat ik te veel geklapt hebbe en gekout.
De Heidenen, die steeds hier inne vlijtig leerden,
Harpocratem als God des stillezwijgens eerden,
Die met den vinger op den mond hun onderwees,
20 Inhoudende de stem, het zwijgen elk aanprees.
Pythagoras snijdt ook, als met een vlimme oft messe,
Het vele sprekens af, als hij, voor de eerste lesse,
De jeugd vijf jaren lang leert zwijgen en verstaan;
T\' is noodig, dat wij nog bij hem ter scholen gaan;
25 „Want zedig stilgezwijg, en niet het vele spreken,
„Dat zie ik alle dag ons allen nog ontbreken.
XLVI. Oprechtigheid eens Schippers in een dieren tijd te Rodes.
Een leerlijk voorbeeld van een Schipper (na mijn oordeel),
Die met zijn schade zocht zijns naastens meeste voordeel.
Proverb. 11.
Die \'t koren zoldert, heeft zijn vloekers en benijders;
Maar die het mild verkoopt heeft veel gebenedijders.
-ocr page 142-
DEN GULDEN WINKEL.
128
"P\\En maagren dieren tijd, schier tot in \'t graf des doodes,
Verdrukte de gemeente, in de oude stad van Rhodes;
Waarom de Mare vast, met hare groote trom,
Opwekten t\' naaste land, tot hulp en troost alom.
5 Tot dat\'er eindelijk drie schepen, zwaar geladen,
Met terwe kwamen aan, om ieder te verzaden;
Maar naauwlijks raakten zij uit de ongestuime zee,
En wirpen \'t anker uit, oft kwamen op de ree,
Oft de opper-Stierman roept, zoo luide als hij mag brullen:
10 „O borgers! hier is graan, om uw gebrek vervullen;
Maar koopt niet al te dier, oft immers maar ter nood,
Want daar komt achter mij nog een geheele vloot;
Dus houdt een leege markt, en willet niet opsteken,
Want daar is voor de hand meer als u mag ontbreken."
15 „Graan-koopers u vrij schaamt, als gij u niet verkloekt,
„En met uw schade aldus t\' gemeene beste zoekt,
„Wanneer gij, gierig om een hooge markt verwerven,
„Uw koren-zolders sluit, en latet graan verderven,
„God geef ook wieder vast met kommer en geduld,
20 „Als uwen aas-zak maar is tot de keel vervuld;
„Peinst vrijelijken, dat des rechters ooren tuiten,
„Die eens op \'t lest voor u zal s\' Hemels schuren sluiten;
„Als gij aan klaagt en kermt, wert ijdel uwe hoop,
„Wanneer hij zeggen zal: „mijn graan is niet te koop!"
XLVII. Nature vonnist, van drie zonen, de rechte erfgenaam.
Aanmerkt dit vonnis doch, hoe aardig en hoe naakte
Een van drie broeders naast des vaders hert geraakte.
3 Regum, 3.
Den twist die Salomon kon scheiden t\'geender ure,
Slist hij door middel van de levende nature.
P)E Dood nam onverziens wech eenen ouden Vader,
Die in de weereld nog drie Zonen liet te gader;
Twee waren al van één, maar van een ander bed
Den derde zone was; waarom dat altemet
5 Den twist hoe langs hoe meer oprees naar s\' vaders sterven,
Wie van hun drie gebroêrs des vaders goed zoude erven.
Maar als noch wet, noch lot hen scheiden mocht als vriend,
Zoo hebben zij hun zaak den rechter aangediend.
Den rechter, om veel eer hun twist-gekijf te slechten,
XLVI. 1. Dieren, duren. — 13. Leege, lagen. Opsteken, opjagen. —
19. Wieder, wie er. — XLVII. 9. Veel eer, des te eer.
-ocr page 143-
DEN GULDEN WINKEL.
129
10 Deed s\' vaders doode lijf aan eenen boom oprechten,
En sprak: „Het goed zal hem gewerden met der ijl,
Die naast des vaders hert kan treffen met den pijl."
De twee die schoten heen; den jongsten, met verblooden,
Sprak: „Liever dan zulks doen, ik sterve duizend dooden.\'-
15 Nature toonde door dit medelijden ras
Dat hij den erfgenaam, en ook met-eenen was
Den genen, die het hert des vaders naast doorkliefde,
Met geenen stalen schicht, maar met een rechte liefde.
XLVIII. Een Misdadige rooft zijns moeders neus.
De moeder, die de jeugd wil voor de roên verschoonen,
Die schendt heur aangezicht en worgt heur eigen zonen.
Eccles. 30.
Die zijnen zone lieft, hem matig zal kastijden,
Op dat hij in den dag der oudheid mag verblijden.
"E* Er den misdadigen zal door een ken\'pen venster
Aanschouwen van het licht den laatsten straal oft glenster,
Hij zijne moeder kust, en rooft voor \'t hoog gericht
Met zijne tanden heur den neus van \'t aangezicht:
5 „Omstanders!" (zegt hij) „hoort, want d\' oorzaak van mijn
„Mijn eigen moeder is, vermids zij met kastijden (lijden
„Nooit mijnen kwaden aard getemd heeft voor den val.
„Zij altijd naar mijn dood (tot ieders spiegel) zal
„Dit teeken voeren, op dat andere ouders leeren
10 „Hun kindren op te voên in alle tucht des Heeren."
„De moeder, die heur kind niet in de jonkheid temt,
„Van een recht moeders hert is t\' eenemaal vervremd:
„Die \'t kind geeft lossen toom in alle zijn wellusten,
„Zal met der tijd allengs een monsterdier toerusten:
15 „De stramen in den neers van een kwaad kind gewis
„Het recht merkteeken van een goede moeder is,
„Die heuren zoon bemint, opdat, na al heur slaven,
„Zij niet een galgen-aas gevoed heeft voor de raven.
XLVIIII. fVellust en Deugd verschijnen Herculi.
Terwijlen Hercles slaapt aldaar hij is gelegen,
Figuurlijk hem vertoond zijn twee verscheiden wegen.
XLVII. 13. Verblooden, schromen. — XLVIII. Oudheid, ouderdom.
— 1. Ken\'pen venster, strop. — XLVIIII. R. 2. Zijn hem figuurlijk
twee verscheiden wegen vertoond.
vondel I.
9
-ocr page 144-
DEN GULDEN WINKEL.
130
Math. 7.
Den weg na d\' eeuw\'gen dood, is ruim, is wijd, en breed,
Maar enge en smal den pad, die tot den leven leedt.
\'"TErwijl Alcides lag, met Lethes zachte stroomen
Besprenged van den Slaap, s\' Doods zuster, zag hij komen
Twee schoone Nymfen, of Godinnen, met geneugt:
D\' een was Wellustigheid, en d\' ander was de Deugd.
5 De Wellust kwam zeer zoet gelijk den morgen blozen,
Den weg, alwaar zij liep, beschilderd was met rozen,
Den ingang, die was breed: maar weer in \'t jegendeel
Den uitgang naauwe en scherp, vol droefheid al geheel.
De Deugd, de witte Deugd, door doornen en door struiken
10 Wees eenen engen pad, schier naauwlijks om gebruiken;
Maar, hoe men dieper zag, hoe blijder hij met lust
In \'t einde medebracht een aangename rust.
Dus stond van deze twee hem t\' aldernutst te kiezen.
„Die \'t eene winnen wil het ander zal verliezen.
L. ,T vat riekt naar V eerste sap.
Een algemeene leer van \'t nieuwe botervat,
Dat zijnen reuk behoudt na \'t eerste sap oft nat.
Pr o ver b. 22.
De leere, die het kind is in de jeugd gegeven,
Gemeenelijk het zal behouden al zijn leven.
XJ Et is nog hedensdaags een algemeene spreuke:
„\'t Vat houdt na \'t eerste sap doch altijd zijnen reuke."
Dit heeft Lycurgus eer natuurlijk op het blootst,
Met eenen ranken wind en huishond uitgebootst.
5 Den windhond brij en pap had altijd in de koken,
Den huishond op de jacht t\' gevangen wild geroken;
Dees bracht hij beide op \'t leste in \'t openbaar ten toon:
Elk koos van stonden aan hetgeen hij was gewoon:
De windhond koos den brij, en d^ ander koos het wildbraad,
10 En eten \'t t\'zamen op, eer een van beiden stilstaat.
„O ouders! leert hier uit, eer gij u doet te kort,
,,T\' kind aardt naar \'t gene hem van jongs is ingestort.
„Dus houdet van der jeugd in eenen goeden regel,
„En drukt hem in \'t gemoed de deugd als eenen zegel:
15 „Want s\' kinds herte is als was, waarin gedweeg en mild
„Den meester prent en drukt de letter, die hij wilt.
L. 3. D. li. L. weleer n. en ten duidelijkste. — 5. Koken, keuken.
-ocr page 145-
DEN GULDEN WINKEL.
i3t
LI. Semiramis\' kloekmoedigheid.
Gij ziet \'t gebreideld ros hier met een vrouw beladen,
Die elk verwonderd heeft met mannelijke daden.
Judith. 13.
Bethulia, door Gods en Iudiths tegenweer,
Nam Holofernes t\' hoofd, en sloeg het ganschen heir.
Vlet, hoe een manlijk hert schuilt onder vrouwe-kleedrenv
Ziet, hoe Semiramis stelt t\' heir in zijn geleedren;
Ziet, hoe kloekmoedig zij, gezeten op het peerd,
Grijpt met d\' een hand den toom, met d\' ander hand het
(zweerd;
5 Hoe de afkomst van heur bloed, en koninklijken adel
Zij niet op \'t bedde toont, maar op den gouden zadel,
En rijst nog s\' morgens vroeg, voor \'t blinken van de zon,
Als eenen blixem op na \'t pratte Babyion;
Zij strijdt, zij overwint, zij slaat den vijand t\' onder,
10 En, met veel wapen-roofs, keert weer als eenen donder;
Ziet, hoe zij heur parruik diep in de palmen bergt
Hij ligt al onder voet, die heur ten strijde tergt.
LIL Tomyris onthaht Cyrum.
Tomiris Cyrum slaat, en zijnen dooden kop
(Tot wraak van haren zoon) werpt in een bloedig sop.
lob, 15.
Den goddelozen mensch leeft altijd in bezwaren;
Ook en weet den tyran t\' getal niet van zijn jaren.
\'T" Was Cyro niet genoeg, dat zijne kroon bepeereld
Was met den halven kreits oft ommeloop der weereld,
Hij moest in Schyten nog den kloeken wapen-held,
Tomiris liefste zoon, begraven in het veld.
.5 De moeder is bedroefd, heur oogen tranen leken,
Zij trekt het harnas aan om heurs zoons dood te wreken.
„O Cyre, wreed tyran! ziet, wie gij hebt getergd!"
(Zegt zij) „ik zal u biên het voorhoofd in \'t gebergt,
„Daar gij het dorstig zand met mijnen bloede drenkten."
ïo Zij trekt hem in \'t gemoet en slaat hem in der engten,
Met al zijn oorlogs-heir, in \'t krieken van den dag,
Dat niet éen overblijft, die \'t na vertellen mag.
LI. 11. Parruik, hoofdhaar.
-ocr page 146-
DEN GULDEN WINKEL.
132
Den strijd is naauw ge-eind, of zij gaat heur verkloeken,
En onder zoo veel doön den dooden Cyrum zoeken,
15 Zoo lange zij hem vindt; en laat van stonden aan
Zijn bleek besturven hoofd van zijn koud lichaam slaan r
Het Konings-hoofd zij neemt met eenen grammen moede,
En worpet in een vat, dat vol is vanden bloede
Van zijn verslagen volk. „Ligt" (zegt zij) „daar in \'t nat,
20 „Du, bloed-tyran! die nooit waart van den bloede zat."
„Aldus wie bloed vergiet (t\' is zoo van God besloten)
„Diens bloed wordt uitgestort, en wederom vergoten.
LUI. Cyrces betowert Ulyssis gezellen.
Ziet hoe Ulyssis maats en makkers met malkandren,
Door Cyrces toover-drank, in wild gediert verandren.
2 Pet. 2.
Den Hond, die is gekeerd tot zijn uitspouwsel ras,
De Zeuge weer in \'t slijk, als zij gewasschen was.
Vlet, hoe Ulyssis volk (in eenen storm versteken
Aan \'t land Cyrceum vast), door Cyrces looze treken
En boozen toover-drank, verliezen s lijfs gedaant;
Die menschen waren eerst zijn beesten eer men \'t waant.
5 Aanschouwer! zoo u dunkt, dat gij wel moogt ontberen
Dees zeldzaam fabel, die (zoo \'t schijnt) u niet kan leeren,
Hoort, hoe de Wijsheid zelfs zoo aardig hier op gloost,
Als in den kerker zij Boëthium vertroost:
„Zijn menschheid" (zegt zij) „is verdwenen en verslonden,
10 „Die onderworpen is het juk der snoode zonden;
„Die zich in t kwaad verkeert, t\' zij de eene o ft d\' ander uur,
„Ter-stond daardoor verliest zijn menschlijke natuur;
„Wie door begeerlijkheid pleegt onrechtveerdig grapen,
„Is eenen wolt die zich geneeret op de schapen;
15 „Die twist en tweedracht maakt, die is alreê gestraft,
„En eenen hond gelijk, die ieder-een aanblaft;
„Die vrolijk is, wanneer hij iemant iets ontlorden,
„Te recht met eenen visch mag vergeleken worden;
„Die toornig briescht en grimt, ja, maakt een groot ge-
schreeuw,
20 „Te recht inwendig draagt het hert van eenen leeuw;
„Die stadig is bezorgd met vele onnutte vreezen,
„Mag voor een bloode hinde oft hert gehouden wezen;
LIL 20. Du, spreek uit: doe. — LUL 7. Gloost, uitweidt. — 11. Ver-
keert, begeeft. — 13. Grapen, grijpen. — 17. Ontlorden, afhandig,
maakte.
-ocr page 147-
DEN GULDEN WINKEL.
133
„Die trage is, lui en bot, in wezen en in schijn,
„Dat moet in zijne huid wel eenen ezel zijn;
■25 „Die wispelturig is, met vele onstade grillen,
„Zal van de vogelen zoo vele niet verschillen;
„Die in onreinigheid en vuiligheid opwast,
„Is aan den snooden lust der vuiler zeugen vast:"
„En aldus wert den Mensche (ik stemme met vele Ouden)
30 „Een Beeste, oft hij schoon s\' lijfs gestalte heeft behouden.
LIIII. Penelopis kuischheid.
De daad Penelopis is een leerachtig voorbeeld,
Want met heur kuischheid zij de onkuischheid heeft veroordeeld.
Eccles. 26.
Een deugdzaam fijne vrouw, die eerbaar is en kuisch,
Is \'t beste goed des mans en t\' ciersel van heur huis.
1^ Omt bij Penelope, o vrouwkens! hier ter scholen,
Die, twijl Ulysses vast gaat twintig jaren dolen
(Tien jaren om de blom van Menelaï hof,
Waarom t\' schoon Troyen werd geblixemd al tot stof;
5 En andre jaren tien door de ongestuime baren,
Waarmet hij stoffe geeft Homen zoete snaren),
Heur zuiverheid behoudt; hoe lange hij vertoeft,
Zoo blijft zij hem getrouw; hoe hard zij wert beproefd
Van zoo veel welpen en ontstekene benijders
10 Van heur sneeuwwitte vleesch: t\' zijn al vergeefsche strijders.
Hoe zij gepijnigd wert: Ulysses is lang wech...
Misschien door Hectors zweerd gevallen in \'t beleg;
Oft op zijn wederkomst (dit hebdij licht te gissen)
Verzopen in de zee, en g\'eten van de visschen!
15 Maar als zij nu op \'t lest zal laten in den strijd
Het heiligst, dat zij heeft Ulyssi toegewijd,
Zij hen uitstelt zoo lang, tot dat zij \'t fijne webben
T\' welk zij begonnen heeft, zal afgeweven hebben.
Hier meed\' zijn zij gepaaid; dus, wat zij in den dag
20 Weeft, dat ontweeft zi) s\' nachts, als \'t niemanden en zag.
O pollen! zijdij blind? Gij meent den brand te blusschen!
Ziet, wat zij s\' nachts ontvlecht, zoo lang, tot ondertusschen
Ulysses weer betreedt den dorpel van zijn huis,
En met zijn komst verlicht zijns vrouwen lastig kruis.
25 De minnaars druipen wech, zij zien haast wat daar thuis lett:
„Dies komt de kroon heur toe van d\' onverwonnen kuischheid.
LIIH. 9. Welpen, wulpsche snaken. Ontstekene, (in min) ontstokene.
-ocr page 148-
DEN GULDEN WINKEL.
»34
LV. Uitbeelding van ware Vriendschap.
T\' oprechte Vriendschapsbeeld drukt hier zijn eigenschappen
Op t alderlevendst uit; o, volget zijn voetstappen!
Prove rb. 17.
Een trouwe en oprecht vriend heeft lief tot allen tijden,
En als een broeder is altijd bereid tot lijden.
T^En Statua tot Room was weerdig aan te merken:
T\' oprechte Vriendschapsbeeld, weldadig in zijn werken,.
Was eenen jongeling, met een blijde aangezicht;
Dwijl ware Vriendschap niet door oudheid en bezwicht:
5 Zijn kleed was vrolijk groen: de Vriendschap is steeds jeugdig
En eik-een aangenaam; in zijn zoet voorhoofd vreugdig,
Den grijzen wintertijd en zomer was geprent,
Dwijl Vriendschap in onspoed en voorspoed blijft ontrent;
Op zijnes herten kolk gedrukt stond bij en verre,
10 Dwijl vriendschap verre en bij schijnt als een morgensterre;
In zijnder kleedren boord stond dood en leven beid\',
Dwijl t\' leven noch de dood geen ware Vriendschap scheidt.
LVI. Ge/rouwigheid van Damon en Pythias.
Hoe twee gemakkers zijn malkandren trouw gebleven,
En hebben in s\' doods nood d\' een d\' ander niet begeven.
Ioan. 15.
Waar zag men grooter liefd\' (hoe vurig zij ooit brande!)
Dan daar men stelde t\' lijf voor zijnen vriend te pande!
JN eenen diepen put lag Damon vastgebonden,
Zijn borg bleef Pythias; hij wert na huis gezonden,
Mits dat hij keeren zoude, en uit de vangenis
Des kerkers zijnen vriend verlossen voor gewis:
5 De wederkomst vertrok, den tijd, die was verstreken,
Maar Pythias (eilaas!) bleef in de vreeze steken:
Zijn vonnis was gemaakt, hij wert geleid ter dood;
Maar Damon twijlen komt, en ziet hem in den noodr
„Heer koning!" (zeide hij) „tast mij aan zonder zorge,
10 Ik, schuldenaar, ontsla hem van zijn trouwe borge!
Ik ben den rechten man, ik heb de dood verschuld,
Dies mijnen vrund ontslaat, en t\' recht in mij vervult!
Den Koning al verbaasd bezag dees lieve vrinden,
LV. 4. Bezwicht, bezwijkt. — LVI. 5. Vertrok, liet zich wachten.
-ocr page 149-
DEN GULDEN WINKEL.
135
Die trouw tot in der dood malkanderen beminden,
15 Dies hij verwonderd was, en in zich zei ven loeg,
En om zoo trouwen daad hun beidegaêr ontsloeg.
„Dus eenen trouwen vriend is beter als veel broedren,
„En kostelijker schat dan al des weerelds goedren.
LVII. Empedocles bestraft de slapende rechters.
Empedocles bewijst hier, met een kluchte fijn,
Dat daar het vierschaar slaapt, de rechters ezels zijn.
Ierem. 22.
Om dat Iosiae zoon t\' gerecht niet wil handhaven,
Als eenen ezel hij op t veld zal zijn begraven.
"pMpedocles, voor \'t recht oft vierschaar, onversaagd
Als taalman kwam, voor een, die hard was aangeklaagd.
Daar komende, vand hij de rechters t\' zamen slapen:
Dies sprak hij kluchtig, om hun listig te betrapen:
S „Een reiziger, als hij om reizen was bedocht,
„Huurde eenen ezel, die hem spoedig dragen mocht;
„Maar onderwegen hij, aamachtig en schier flaauwe,
„Koos, voor des middags brand, des ezels koele schaauwe.
„Den eigenaar des muils, die van der zonnen vlam
10 „Schier smolt, die zeide, dat s\'beests lommer hém toe kwam.
„Den andren wilde hem daarmede niet gerijven.
„Dus om eens ezels schaauw\' men twee zag heftig kijven." etc.
„Hiermede Empedocles zweeg, oft hij was vermoord.
„Den rechter hoorde toe, en sprak: „Vertelt ons voort."
15 Doen loeg den filozoof, en voegde nog bij dezen:
„Recht eenen ezel gij moogt vergeleken wezen;
„Want in eens ezels schaauw schept gij veel meer vermaak,
„Als gij deedt, toen gij sliept in des misdaders zaak."
„O, dat was recht gezeid! zij mogen \'t nog wel hooren:
20 „Vrij, Musa! waar hij zit, daar vat hem bij zijn ooren!
LVIII. Archilla barmhartigheid.
Archilla heeft uit liefde en broederlijker zorgen,
Goedhertig zijnen vriend geholpen in \'t verborgen.
Matth. 6.
Werpt met uw rechterhand de gaven in Gods koffer,
Dat zelfs de slinker niets en weet van uwen offer.
A Rchilla (zoo men zegt), die, milde en rijk van goedren,
Stond den bedroefden bij als waren \'t zijne broedren,
-ocr page 150-
i3<5
DEN GULDEN WINKEL.
Naauw speurende, hoe dat in grooten nood gebrocht
Was zijnen lieven vriend, hem vlijtig heeft bezocht,
5 En heimlijk onder zijn zit-kussen wechgescholen
Een goede somme munts, als oft hij \'t had gestolen.
„Hij heeft een rijk trezoor, die zoo zijn goed besteedt,
„Dat hij \'tnaauw zelver speurt, noch zijnen vriend schier weet;
„De gifte blijft hem bij, zijn weldaad onvergeten
10 „Hem weder in den schoot wert dobbel toegemeten.
„Des armen dorstig hert, dat is des wijzen flesch;
,yZijn gelden hij verspaart in zijnes naasten tesch;
„Hem zelven hij besteelt, en maakt veel goede vrinden:
„Die hier zijn goed verliest, die zal \'t hier-namaals vinden.
LVIIII. Den Tempel des verbonds tot Rome.
Hier ziedij t\' schoon voorbeeld, den grooten Roomschen Tempel
Van \'t Menschelijk Verbond, ons tot een goed exempel.
Eccles. <,.
Het geen gij God belooft en wilt geenszins vertrekken:
Want een mishagen heeft den Heere aan de gekken.
T^JVma Pompilius liet stichten, binnen Romen,
Den tempel des Verbonds, zeer schoon en uitgenomen.
Hij was heel cirkel-rond in zijnen ommeloop;
\'t Gewelf te zamen hing gebonden knoop aan knoop.
5 De Romers kwamen hier, t\' was eenen fijnen regel,
Al t\'geen hier wert beloofd hield vast als eenen zegel.
„Fij! schamen moeten zich, die nu met hunnen mond
„Beloven dit oft dat, en breken \'t weer ter-stond.
„Wie iemant iets belooft (past wel op deze leere!)
10 „Is door zijn eigen woord verbonden aan den Heere.
„Wie zijn beloft dan breekt, die breekt een heilig slot,
„En spot met geenen mensch, maar met den hoogen God.
„Dus als gij iets belooft, ziet oft gij \'t ook kunt boeten,
„Want t\' is een schuld, die gij zult God betalen moeten.
15 „Wie zijn verbond niet acht, en zijn beloft vergeet,
„Heett een twee-snijdend zweerd voor zijnen hals gesmeed.
LX. De dwaze sterkheid Firmij.
Aanmerkt, hoe Firmius, gelijk de dwaze doren,
Ons zijne kracht laat zien en zijne sterkheid hooren.
LVIIII. Roomschen, romeinschen. — Vertrekken, uitstellen. — LX.
Doren, dwazen.
-ocr page 151-
DEN GULDEN WINKEL.
137
Ierem. 9.
Den sterken wachte zich (hoe krachtig hij zich noeme),
Dat in zijn groote kracht hij niet te zeer en roeme.
70o sterk was Firmius van lichaam en van leden,
Dat, klits-klats, klits-klats, hij met hameren liet smeden
Op een zwaar aanbeeld, daar zijn lichaam onder lag;
Want nooit verstaalder mensch men immermeer en zag.
5 Maar oft schoon zulken kracht hij hadde van de Godheid
Ontvangen, niet-te-min was \'t wel een groote zotheid,
Dat hij met zulk gevaar beproefden zijne kracht;
De wijze man zijn doen bespottet en belacht:
„De kracht des lichaams ons nature niet geschonken
10 „En heeft, opdat wij daar meed heerlijk zouden pronken,
„Noch om door ijdele eer daardoor te zijn beromd,
„Maar nutten dankbaar die, daar \'t ons te passé komt.
LXI. Milonis sterkheid.
Den sterken Milon hier een ieder wil ontluiken*
Dat elk verhoeden zal zijn gaven te misbruiken.
Iudic. 16.
Oft schoon den Nazareen had veel gewelds bedreven,
Zoo bracht zijn sterkheid hem ten laatsten doch om \'t leven.
T"\\E sterkheid Milons wert gedacht van ons voorouders,
Die eenen grooten stier, geladen op zijn schouders,
Licht op eens hoogen bergs verheven spitse droeg,
Alwaar hij met zijn vuist hem dood ter aarden sloeg,
5 En eindelijk zijn maal daarmede heeft gehouwen.
D\' hoofd-slapen hij bewrong met dik gedraaide touwen,
En zijn hoofd-zenuwen zoo krachtig hij verhief,
Dat alles brak in twee, het was dan leed oft lief.
Hoe geerne wilde ik zien, dat iemant hem ontrukte
io Den appel, die hij met vier vingeren omdrukte:
Maar door verwaandheid (laas!) hem eindelijk, hoe vroom,
Zijn eigen kracht bedroog, doen eenen dikken boom
Om scheuren hij met beid zijn handen heeft gegrepen;
Want als de klove sloot bleef hij daar in genepen,
IS In \'t woeste en eenzaam woud, verlaten in zijn smert,
Tot hij een gretig aas der wilder dieren wert.
LX. 12. Nutten, nuttig aanwenden. — LXI. Ontluiken, ontvouwen.—
Nazareen, Simson. — n. Vroom, sterk.
-ocr page 152-
138                       DEN GULDEN WINKEL.
„Dus wie zijn kracht misbruikt gedijt ze nog in \'t einde
„Tot zijnes meesters straf, met droefheid en ellende.
LXII. Tantali straffe.
T\' is Tantalus, die hier in \'t water wert gepijnd,
Die dorst en honger lijdt, en nimmermeer verdwijnt.
Sapient. it.
Daar hier den mensche in heeft gezondigd in dit dal,
Hij wederom zijn straf daarin ook dragen zal.
TTIlacen! Tantalus, die niet en kan verwinnen,
Ligt in den Helle-vliet begraven totter kinnen;
Hem hongert en hem dorst, dat hij van smerten krijscht,
En nimmermeer wert hij gelaved noch gespijsd,
5 Maar stadig aan getergd. Hij staat diep in den gronde
Des waters, en de vrucht hangt boven zijnen monde.
Zoo hij na \'t water bukt, ontzinket hem den stroom;
En grijpt hij na de vrucht, zoo wijkt den Appel-boom.
„Maar, lieve! zegt mij doch, is niet des gier\'gen herte
10 „Als Tantalus gepijnd, en heeft gelijke smerte,
„Vermids t\' vervloekte goud, daar hij op is belust,
„Nog nooit heeft zijnen dorst en honger uitgebluscht ?
„Hij gaapt altijd naar goud, en hoe veel gele slijke
„Hij vreet en inneslokt, zoo\'n is hij nimmer rijke,
15 „Maar in zijn goed verarmd: zoo dikwijls als hij hapt
„Na goud en zilver, hem t\' genoegen wert ontsnapt:
„Hij derf naauw zijnen darm met s\' lichaams nooddruft vullen,
„En warmt hem bij den heerd naauw bij een hand-vol krullen:
„Hij heeft altijd het goud als eenen wolf bij \'t oor,
20 „Hij rammelt nacht en dag in zijn vervloekt trezoor:
„Het goud is zijnen God: dat eert hij langs hoe kloeker,
„Hij kankert de gemeent met overbaat en woeker,
„En als hij sterven zal, zoo is al zijn beklag,
„Dat hij zijn geld hier laat, en niet meed dragen mag.
LXIII. Vierderlei aard der dronkaarts.
Een schaap, aap, zwijn, oft leeuw den dronk maakt van den man,
Als \'t nat is in zijn lijf, zijn wijsheid in de kan.
Proverb. 23.
Den wijn heel zoet en glad wel door de kele leekt,
Maar in den buik hij dan gelijk een slange steekt.
LXII. 2. Totter, tot der, tot de. — LXIII. Dronk ie nv.
-ocr page 153-
DEN GULDEN WINKEL.
»39
TM En zegt, dat eenen boer oft eenen botten kinkel.
Die woonden op het land (hij heeten Eloogh Schinckel)
Met vierderleye mist van beesten heeft gevet
Den wijngaard. „Wie te veel van dezen wijn, ik wed,
5 Zal zuipen (zeide hij), ik wed dat van vier dieren
Hij een naar-apen zal, in alle zijn manieren:
Het zij hij wert gelijk een slecht, onnoozel schaap;
Het zij hij lustig bootst als eenen drol\'gen aap;
Het zij hij vuil, onnut, en onrein als een verken,
10 Oft eenen grammen leeuw, gelijk worde in zijn werken:"
„Want wie met vele wijns verladet zijnen geest,
„Wort in zijn dronkenschap het een oft \'t ander beest.
„Indien de dronkaart wist, oft kon te dege ramen,
„Hoe hem den dronk misstaat, hij zoud\' hem moeten schamen.
LXIIII. Den Dolfijn draagt Ar ion door de zee-baren.
Den Dolfijn in het meer, bewogen van de snaren,
Den harper Arion draagt door de blaauwe baren.
Ion. i.
Drie dagen Ionas in den walvisch was gedolven,
Die eindelijken hem spoog uit de watergolven.
T*)En herper Arion den Ocean ging kruisen
In een Corintsche bark, ontziende niet het bruisen
Des grondelozen meers, opdat hij aan het strand
Zijn stappen zetten mocht in \'t schoon Hesperiesch land:
5 Maar naauwen is hij t\' scheep, of heimlijk hij en hoorden,
Dat hem het schip-volk s\' nachts bestemde te vermoorden.
Dies hij van angst en vrees schier kroop in eene schulp,
Als hij verlaten zich van alle menschen hulp
Vond in zijns lijfs gevaar. Wat raad in dees verbazing!
io Hij gaat ter-stond (als door een Goddelijke inblazing)
Zijn lichaam eieren en toemaken hupsch en schoon,
Gelijk hij was gewoon, als hij den zoeten toon
Zijns gulden citers in een schouwplaats plach te wekken,
Opdat zijn ciersel nog tot zijns lijks eer mocht strekken,
15 En dat hij als de zwane, in zijnen lesten nood,
Met eenig droevig lied beklagen mocht zijn dood.
Dus zijnde toebereid, dus zijnde toeberustet
Hij tot den schipliên zegt: „Matrozen, mij gelustet
Tot d\' eere Apollinis een lied te heffen aan."
20 Maar als hij naauwlijks nog ten halven heeft gedaan,
De zonne in Tethis schoot, met zijne vuur\'ge peerden,
Daalt zachtelijken neer, om daar zijn rust te aanveerden;
-ocr page 154-
DEN GULDEN WINKEL.
140
Het boots-volk, al verwoed, gelijkerhand toetreedt,
Eer nog zijn donker zeil den nacht hadde uitgespreed,
25 En komt gewapend aan, om zijnen draad te korten,
Dies hij van boven neer zich in de zee gaat storten:
Maar eer met zijn gansch lijf hij nog m \'t water plost
Hij van de dolfijns wert gedragen en getrost:
D\' een neemt hem op den rugge, en de ander door de baren
30 (Als of zij dezen dienst hem dobbel schuldig waren)
Geleidden hem door \'t nat: dies, eer hij ommekijkt,
Is \'t schip zoo wijd van hem, dat het een schelp gelijkt.
Hij heft zijn aanschijn op, en vrolijken van verren
Aanschouwt de zilvren mane en zoo veel gulden sterren.
35 Dies hij gedenkt, dat Gods gerechtigheid wijd zweeft,
En niet met een oog ziet, maar zoo veel oogen heeft
Als sterren in de lucht, daarmede hij bespiedet
Al t\' geen wat op der eerde of in de zee geschiedet:
T\' welk in dit groot gevaar hem een kloek herte maakt,
40 Tot hij behouden zoo t\'wijl aan den oever raakt.
„O, dommen mensch! leert hier; kruipt eens uit uwe schelpen;
„Hoe uwen naaste gij in nood behoort te helpen.
LXV. Van Polycratis geluk.
Hier zit Polycrates, die der Fortuinen rad
Gestadig mede liep en nimmer onspoed had.
Pro ver b. 1.
Der dwazen voorspoed mag haar geenszins baten niet,
Maar zal ten leste hun nog brengen in \'t verdriet.
TyTEn zegt Polycrates, gelukkig boven allen,
De onstadige Fortuine is altijd toegevallen.
Als hij op eenen tijd in vriendschap zich verbond
Met zijnen goeden vriend, hij, boven hand en mond,
5 Om deze vriendschap vast en trouwlijk te bevesten
Nog zijnen gouden ring in \'t water wierp ten lesten:
Maar als hij naderhand, na koninklijker eisch,
Zeer aardig aan den disch zat binnen zijn paleis,
Vond hij den zelven ring, die was in \'t meer geworpen,
10 In \'t lijf van eenen visch zeer zeldzaam opgeslorpen.
„O wonderlijk bedrijf! het schijnt wel voor gewis,
„Dat menig mensche tot t\' geluk geboren is:
„Den eenen jaagt\'er naai, en \'t loopt steeds voor hem henen,
„En \'t komt den and\'ren t\' huis, zelfs eer hij \'t zoude meenen.
15 „Den zienden schiet na \'t wit en raakt een bonte kraai;
„Den blinden Koning wert, en treft den papegaai.
-ocr page 155-
DEN GULDEN WINKEL.
141
LXVI. Fan Remora het vischken.
\'t Klein vischken Remora kan lichtelijk ter-stond
Bekrijgen een groot schip, en stooten \'t in den grond,
lob. 12.
Gaat, vraagt uw moeder de aarde, opdat zij \'t u bediede
De visschen zullen u vertellen het geschiede.
"WEt vischken Remora, lange eenen halven voet,
Heeft eenen hoorn in \'t hoofd, daar \'t groot geweld meed\'
Want het Antonij groot galioen verletten,
              (doet;
Daar \'t opgeblazen kwam met volle zeilen zetten
5 In \'t Adriatisch meer, en boorden \'t schier te grond:
Waarom Erasmus dit, met zijnen gulden mond,
Tot een gelijkenis gebruikt heeft, zonderlingen,
Bi) \'t kleine lid, de tong, die zulke groote dingen
In korten tijd beschikt, gelijk als \'t roer, dat t\' schip
10 In een goê haven stiert, oft op een herde klip
Schip-breuke lijden doet. „Laat ons hier altijd leeren,
„Dat in \'t klein schepsel meest uitmunt de kracht des Heeren l
LXVII. Demosthenes waarschouwt die van Athenen.
Demosthenes hier bij gelijkenis verklaart,
Dat zonder wijzen niet een stad mag zijn bewaard.
Sa pi en. 6.
Veel beter wetenschap dan kracht in hare werken;
De wijze van gelijk is beter als den sterken.
A Ls Ph\'lippus had verzocht de Atheensche wijze tolken»
Sprak bij gelijkenis Demostheen tot den volken:
„De schapen waren met de honden eens getreên
In een verbond, dies zij de wolven t\' zaam bestreên:
S Maar als de wolven nu, hoe krachtig in de wapen,
Het krijgen niet en holp, zij met de onnoosle schapen
Besloten eenen vreed\'; dies zij van stonden aan
De honden mosten hun kwijtmaken en ontslaan;
De schapen deden zoo; maar als zij nu bloot zaten,
10 En hadden onbedacht de honden heel verlaten,
De wolven wederom aankwamen met geweld,
En hebben zoo de kudd\' verslonden op het veld."
Hier meed\' Demosthenes bewees uit der naturen,
Dat hun niet baten mocht de sterkheid van haar muren,
15 Indien zij lieten gaan de wijze van der stad;
„Want daar geen wijsheid is, daar zijn de wallen plat.
-ocr page 156-
DEN GULDEN WINKEL.
I42
LXVIII. De Rave ciert heur met allerlei vogels veeren.
Leergierige! leert hier, aan een gecierde rave,
Dat gij u niet verheft in iemands anders have.
Eccles. ii.
In cierlijk schoon gewaad verheugt u niet al t\' seffen,
Noch wilt u in den dag der eeren niet verheffen.
"P)E zwart geveerde raaf, gecierd met veler vogels
Veel-verfde pluimen, aan zijn borst en om zijn vlogels,
Zich dwaselijk verheft, als hij in \'t kristalijn
Van eene zilveren beek ziet zijnen schoonen schijn,
5 Gedenkende niet eens, hoe \'t einde wil gelukken,
Als eiken vogel komt zijn veeren weder plukken.
„O zoete fabel! die op \'t hoofd zoo dapper treft
„Den genen, die op \'t goed eens anders zich verheft,
„En niet gedachtig is, als elk het zijn zal halen,
10 „Hij naakt zal wederom met schanden moeten dalen.
„Hoe menig vogel nog de dunne locht doorsnijdt,
„Die, waar hij alle zijn geleende pluimen kwijt,
„Die hij op woeker heeft, nij waar geen overvlieger,
„Maar speelde bankeroet, gelijk een recht bedrieger.
LXVIIII. Straffe over des Harpijen bloeddorstigheid.
De moordische Harpy, gesteld tot ieders baak,
Hoe des verslaagnen bloed in \'t einde roept om wraak.
Math. 26.
T\' zweerd in uw schede steekt: want wie daarmede slaat,
In \'t einde daar in valt, en jammerlijk vergaat.
T~)E moordische Harpy heur zelve gulzig mesten
Met menschen vleesch en bloed, zoo lang tot zij ten lesten
Kwam drinken uit een borne, en zag in kristallijn
Heur spiegelende schaauwe en heldren wederschijn;
5 Dies, wanende dat daar heur zuster lag begraven,
Die inden zilvren vloed heur dorst had willen laven,
Zij haast van rouwe storf. „Doodslagers, spiegelt u!
„Wanneer gij \'t beelde Gods zoo eiselijk en gruw\'
„Maait in het duister graf, en onze moeder eerde
10 „Bevlekt met t\' roode bloed, dat druipt van uwen zweerde;
„Gedenkt aan uwen loon, en ziet dit schouwspel aan! —
„Daar in den Mensch misdoet, daar zal hij in vergaan.
-ocr page 157-
DEN GULDEN WINKEL.
143
LXX. Apukius wert Ezel en weder Mensch.
Ziet Apulejus hier, met toover-zalve vuile,
Besmeeren zijn naakt lijf, en werden eenen muile.
2 Reg. 17.
Toen Satan Jacobs huis tot tooverije bracht,
Nam God hun midden weg uit \'t menschelijk geslacht.
]~"\\Oen Apulejus zich met toover-vet besmeerde,
In eenen ezel hij lichamelijk verkeerde,
En loopt zoo naar den stalle, om eten uit de kreb,
Daar hij gestooten wert, op zijne maagre reb,
5 Van zijn beslagen paard; dies vlucht hij tot Hippone
t\' Godinnenbeeld, \'twelk daar staat in den stal ten toone,
Opdat, door middel van de rozen (zoo hij waant),
Daar \'t beeld mede is gecierd, zijn vorige gedaant
Hij dus bekomen mocht: maar naauw licht hij zijn voeten,
10 Oft den stal-jongen komt hem met stokslagen groeten,
Zoo lange tot hij hoort een wonderlijk gedruisch
Van dieven, die ter-stond bezetten t\' gantsche huis,
En rooven zoo veel schats, en rooven zoo veel goeden
Dat neffens hunnen last zij dezen ezel loeden,
15 En stouwen hem zoo voorts, met kluppel-slagen vast,
Langs eenen steilen weg, met zulken zwaren last.
Philebum dient hij nu; nu vlucht hij gaauwe en wakker
Voor \'t mes van eenen kok; nu dient hij eenen bakker,
Nu eenen hovenier; nu draagt hij, op zijn ruig
20 En mager ruggebeen, eens krijgers wapen-tuig;
Nu zal den armen muil des ridders zadel vueren, etc.
En ondertusschen heeft zoo duizend avonturen
In zijne beestlijkheid; den kommer en d\' ellend,
De slagen, d\'ongemak, den honger neemt geen end\',
25 Daarmee hij wert bezwaard: nu kleunt men hem met stokken,
Nu is hij in s\' doods nood, nu rot hij van de pokken,
Zoo lange dat op \'t lest hem Ceres weder bald
Door eenen rozen-hoed brengt tot zijn menschgestalt.
„Maar zegt mij Zang-godinne! als ik hier recht naar vorssche,
30 „Wat voor geheimenis schuilt onder deze schorse? —"
„Die willig zijnen hals buigt onder \'t snoode jok
„Der zonden, wert bekleed met eenen ezels rok,
„Verliest zijn menschlijkheid, en met veel ongemakken
„Door s\' werelds wilde woud reist met veel zware pakken:
35 „Zijn vrijheid is hij kwijt, en maakt, alzoo getrost,
LXX. 25. Kleunt, slaat.
-ocr page 158-
DEN GULDEN WINKEL.
144
„Een ezel van zich zelf, die, om den maagren kost,
„Zoo grooten slavernij en dienst is onderworpen:
„Hij dwaalt, hij rent, hij loopt, door steden en door dorpen,
„In duizenderlei pijne, in duizenderlei smert,
40 „Tot dat hij, moe geslaafd, in \'t lest aandachtig wert,
„Bedenkende, hoe hij zijn menschheid heeft verloren;
„Dies hij de Godheid bidt om weder zijn herboren;
„En als hij zoo s\' vleesch lust (den schoonen rozen-hoed,
„Die m\'uit de doornen plukt) verslindt in zijn gemoed,
45 „Hij tot zich zelven komt, en wert, naar zijnen wensche,
„Van eenen slaafschen muil zoo weder vrije mensche."
LXXI. Dwalinge van de Heidensere Afgoden.
Van \'t water en van \'t vuur een kluchtige verhaling:
Waar uit wij naakt verstaan der Heidnen blinde dwaling.
Sapien. 13.
Gantsch ijdel is de mensche, en blind gelijk een rots,
In welke niet en is de kennis onzes Gods.
TJEt vuur bij den Perziers (als die niet beters wisten)
Als God wert hoog ge-eerd; het welk met grooter listen
Van eenen priester wert zeer aardiglijk bespot:
Want hij met water vocht gevuld heeft eenen pot,
5 Die al vol gaatjens was, gestopt met was te zamen,
En maakten hem een hoofd, zeer aardig na \'t betamen.
Den Afgod, zoo hij was (ziet, dat gij niet en lacht),
Heeft hij voor \'t heete vuur zeer kluchtig voorts gebracht.
Het was versmolt terstond, het water sprong daar henen,
10 En bluschte zoo geheel den God des Vuurs met eenen.
Dies wert de water-kruik (ó wonderlijk bestier!)
Voortsaan bij den Perziers ge-eerd in plaats van \'t vier.
T\' gaat zoo nog hedendaags, wanneer wij daar op merken:
„Elk een die houdet vast noch altijd met den sterken."
LXXII. Vindinge van de Schilderkunst.
Hoe eenen herder eerst het levendige beeld
Der schoone schilderkonst in Grieken heeft geteeld.
Ezech. 4.
Een effen tafel neemt, en luistert naar mijn stem,
Trekt daar naar \'t leven op de stad Jeruzalem.
LXXI. 14. Vast, bijna.
-ocr page 159-
DEN GULDEN WINKEL.
H5
\'"TErwijl, in Grieken-land, den Herder gaat verknapen
Zijn kudd\', na \'t leven hij de schim van zijne schapen
Natuurlijk trekt in \'t zand: als nu de schaauw vertrok,
Had hij een wollig vlies gemaald met zijnen stok.
5 Aldus wert aldereerst, met neur veel-verfde wieken,
De schoone Schilder-konst gebaard bij d\' edel Grieken,
Pictura, die voordsaan met een blijde aangezicht
De weereld heeft verheugd en wonderlijk gesticht:
Die ons gezicht bedriegt, als \'t platte schijnt verheven,
10 Het stomme spreken, en het doode schijnt te leven,
Hetgene stille staat, als oft het zich beroert;
Dies is zij weerdig, dat men heur ten Hemel voert.
LXXIII. Apelles bestraft den schoenmaker.
Schoen-makers! luistert, hoe den kloeksten schildergeest
U allen blijven leert bij uwen houten leest.
1 Corinth. 7.
Een ieder blijve in t\' geen (zoo lange als hij hier leeft),
Daar hem den lieven God zelf in beroepen heeft.
A Pelles, Schilders-Prins, zijn naakte Venus schoone 1
Bracht voor \'t gemeene volk in \'t openbaar ten toone,
Maar eenen schoeyer heeft zijn werk berispet plat,
Om dat vrouw Venus\' schoe te weinig strikken had
5 Den Schilder al ter-stond zoo haast men hem dit anbracht,
(Dewijl \'t een zake was, die des schoenmakers ambacht
Betrof), heeft met t\' pinceel geholpen deze fout.
Waarom den ambachtsman hoveerdig werd en stout,
Als hij na dezen zag, dat \'t gene was verbeterd
10 \'t Welk hij geoordeeld had te slecht te zijn geveterd:
Dies voer hij trotscher voort en voor een ieder sprak,
Dat aan vrouw Venus\' scheen ook vrij al wat gebrak.
Apelles hoorde dit en sprak, met stillen geeste:
„Schoenmaker! ziet wel toe, en blijft bij uwen leeste,
15 Daar gij u op verstaat, en weest niet zoo gereed."
„Hij dwaalt, die vonnist t\' geen daar hij niet van en weet.
LXXIIII. Den Schilder Zeuxis bedrieght de Vogelen, ende
Parrhasius verschalkt zijnen Meester.
Ziet, hoe twee Schilders hier, elk een om \'t beste deel,
Vast schilderen om strijd met t\' verwige pinceel.
LXXII. 1. Verknapen, hoeden. — LXXIII. LXXIIII. De beide laatste
plaatjens in den „Gulden Winkel" nemen (verkeerdelijk) in de „Cleyne We-
rclt" elkanders plaats in. — LXXIII. 10. Slecht geveterd, eenvoudig bcstrikt.
vondel I.                                                                                           10
-ocr page 160-
DEN GULDEN WINKEL.
146
Eccles. 9.
Hun werken zullen in der konstenaren hand
Altijd geprezen zijn, van d\' eene in d\' ander land.
T~)En Schilder Zeuxis heeft zeer kunstig, met verstand,
Een kind met eenen tros gemaald in zijne hand,
Waarnaar de vogelen al graag en hongrig vlogen;
Maar komende daaraan, zoo waren zij bedrogen.
5 Waarom Parrhasius hierover heeft gesmaald:
„Indien \'t kind" (zeide hij) „waar levende afgemaaid,
De vooglen hadden naar de druif niet dorven pikken,
Dewijl zij in \'t gemeen voor menschen zich verschrikken:
En ging zoo al ter-stond (uit drijven der natuur)
10 Een plooyige gordijn betrekken op den muur,
Die zoo getroffen was, zoo levendig en milde,
Dat Zeuxis, als hij kwam, die zelfs oplichten wilde:
Aldus Parrhasius had, met een listig oog,
Verschalkt zijn meester, die de vogelen bedroog.
DEn vliênden vluggen Tijd, al toornig en verbolgen
Voorlooper, overlang, dat ik op \'t lest zal volgen,
Gewisse tijding bracht, en dat, al wat men ziet,
Ik met mijn komste zal vermeluwen tot niet.
5 Niets hier ter wereld is, al schijnet nog zoo zoete,
Al blinkt het nog zoo schoon, oft t\' loopt mij te gemoete.
De Zonne met zijn toorts, de Mane met heur lamp,
Den Dag met zijn wit hoofd, den Nacht met heuren damp,
Den Zomer, groen van \'t loof, den Winter, wit van \'t sneeuwe;
10 Verliezen zich in mij, als met een luid\' geschreeuwe;
Het Jaar, het ronde Jaar, dat op twelf voeten gaat
Zich altijd tot mij wendt met een beweegd gelaat.
Te mijwaards spoedet zich den gulden loop der Sterren;
Den Mensche, in zijn geboort, beschouwt mij al van verren.
15 Den Tijd, die met zijn zein maait alles in dit dal,
Ik dapper eens in \'t lest zijn vleugels korten zal.
Den Mensch denkt minst om m ij, daar meest aan is gelegen,
Dewijl ik roede oft kroon, den vloek oft ook den zegen,
Raadsel. 1—3. De vl. vl. Tijd, een toornig en verbolgen voorlooper, bracht
over-lang gewisse tijding, dat Ik (Tiet te raden ding) op \'t laatst zal volgen
en dat ik met mijn komst al wat bestaat in meel zal doen verstuiven.
-ocr page 161-
VIER UITERSTEN.
i47
Den Hemel oft de Hel, het Leven oft de Dood,
20 Hem eindelijken zal toewerpen in den schoot,
Wanneer ik \'t wankel rad van alle dingen wende.
Nu denkt eens wie ik ben, en radet mij in \'t
END E.
1.
DE Dood is algemeen; wie is er ooit gebleven?
Hoe arm, hoe rijk van schat, elk loopt haar in \'t gemoet.
D\' een is zij bitter gal, den andren honig-zoet,
Wel hem, die sterven leert en zoekt een beter leven.
II.
S \'t Verstorven graan verrijst, \'t en blijft niet wechgescholen:
Zoo\'n doet de mensche ook niet, diens lichaam van den doón
(Van nieuws bezield) verschijnt voor God en 7s menschen
Zoon,
Die \'t vierschaar zelf bekleedt en \'t vonnis is bevolen.
XII. Dit en de volgende geestelijke gedichten schijnen geschreven tusschcn de
jaren 1616 en ig. liet zal den lezer vcrscheidcnhcidshalyc niet onwelkom zijn ze
reeds hier opgenomen te vinden. Zij leggen getuigenis af wegends Vondels gods-
dienstige stemming in die dagen. Zijn verkeer met Dirck 1\'ietcrsz Pers, die, als
een Ridder, steeds anagrammaticsch verklaarde,
dat hij niets deed dan strijd
voeren op deze snode aarde, zal die stemming wel onderhouden hebben; maar
de Godsvrucht van Vondel had een minder didalitiesch charaktcr, al voerde hij
de dichtbestellingen uit, hem door Pers gedaan. Het blijkt uit Vondels in deze
dagen veel gebruikt anagramma: „Door Een is \'t nv roldaen", aldus uit zijn
naamletters getrokken
IOOST VAN DER VONDELEN
8.2.3.9.10. la.17.11. 1.5.4. 13.14.7.16.6.15.18.19
Dit sloeg natuurlijk op de Verlossing der waereld door Jesus\' Kruisdood.
De „Vier Uitersten\'\'\' zijn, volgends den Katechismus: de Dood; het Oordcel; de
Hel; de Hemclsche Heerlijkheid.
Zeker heeft tot de keus der onderwerpen en den toon, bij de behandeling aan-
geslagen, wel wat toegebracht, dat Vondel in Januari 1616 „Dienaer" of „Diaken"
was geworden bij de IVaterlandsche Gemeente der Anistcrdamsche Doopsgezinden.
Hij moet dan ook reeds te voren het verkeer met de Rederijkers hebben afge-
broken ; al is zijn bekeering niet van langen duur geweest; immers in 1620
kwam er een treurspel van hem uit; maar van het „Pascha\'\'\' zeidc hij: „Een
yeder tot leeringh opt tooneel gcstelt" terwijl het bij „Hierusalem verwoest"
Vier Uitersten. 1—4: de Dood. — 5—8: het Oordeel.
-ocr page 162-
JAARZANG.
148
III.
Wee! wee der boozen rot! hoe wil \'t de ziel doorsnijden
10 Des geens, die als een bok ter slinker zijde staat,
Als Christus dondren zal, met een vergramd gelaat:
„Vermaledijde, gaat! gaat, gij vermaledijden!"
IV.
O drie maal witten dag! wei-zalig die mag hooren
Aan Christi rechter hand die liefelijke stem:
15 „Komt hier en erft uw kroon in \'t Nieuw Ierusalem!
Gebenedijde, komt! komt hier, mijn uitverkoren!"
DEn Hemel vierschaar houdt, de graven barsten open,
Het aardrijk krielt, alszins van zielen opgekropen;
Zijn zoete en felle stem de Rechter hooren laat:
„Gebenedijde, komt! vermaledijde, gaat!"
JAAR-ZANG,
OP DEN TOON VAN DEN NEGENDEN PSALM.
Nu zegt vaarwel aan \'t oude jaar!
Want \'t is in Christus nieuw; en waar
De strenge Moyses derft zijn klaarheid,
Hier schijnt genaad\' en enkle waarheid.
5           \'t Is nu den dag der zaligheid,
Die God zijn volk heeft toegezeid;
\'t Jaar der verlossing is gekomen:
Feesteert en juicht nu, Christenvromen!
heel: „Den loden tot nacdencken, den Christenen tot waerschouwingh als op het
tooneel voorgestelt".
Het schijnt dat Vondel na lórj, dus tegen zijn 27e jaar, begonnen heeft Latijn
te studecren, eerst onder de leiding van zekeren Engelschman, ons verder onbe-
kend; toen onder die van een Fries, Abbema, prieceptor aan de Latijnsche school
der Oude Zijde.
Vier Uitersten. 9—12: de Hel.— 13—)6: de Hemel.— 13. Wit, helder,
blij. Verg. Witte Donderdag. — Het Laatste Oordeel. 2. Alszins, aan alle
kant. — Jaar-zang. 3, 4: tegenstelling van O. en N. Testament.
-ocr page 163-
HEMELVAARTZANG.
149
Men predik en bazuin alom
10
           Het troost-rijk Evangeliom:
Der zonden duistre zielen-kerker
Is overweldigd van een sterker.
Des herten ooren open-sluit!
En gaat het rijk des Duivels uit!
15 Trek uit, die lust te zijn ontbonden,
Den rok des vleesch, en \'t juk der zonden!
Want ziet, in Christus geldt gewis
Noch voorhuid, noch besnijdenis;
Maar een vernieuwd gemoed waarachtig,
20 En sterk geloof, door liefde krachtig.
Besnijdt dan \'t vleesch niet, maar uw hart;
En een verborgen Jode werdt!
Den geest kiest voor den dooden letter,
En leeft hoe langs hoe onbesmetter!
25           Hiertoe Gods zoon, nu opgewekt,
Een heilig levend voorbeeld strekt;
Hierom heeft Christus vroeg geleden,
En is op d\'achtsten dag besneden.
HEMEL VA ART-Z ANG,
OP DEN TOON VAN DEN ACHTSTEN PSALM.
Maakt handgeklap, en juicht, gij Christen-scharen!
Ziet Hemelwaart op zijn triomf-koets varen \'
Die onlangs daalde in \'t graf, na zoo veel smaads,
En heerlijk nu gaat nemen d\' hoogste plaats.
5 Klim op, klim op, gij, God-en-\'s Menschen zone!
Versmaad het kruis, de speer, de doorne-krone :
En \'t boos geslacht, dat, met een grimmig oog,
Ontzinnig U in \'t heilig aanschijn spoog.
Doet open ons uw vreugdenrijke thronen,
10 En baant het pad ten leven Adams zonen.
Ontsluit ons weer \'t gesloten Paradijs,
En zaligt ons, door uw naams lof en prijs!
Jaar-Zang, 15, 16. Gij, die 1. t. z. o., trek uit d. r. d. v. — Hemelv.-Z» 10.
Adams zonen, 3e nv.
-ocr page 164-
PINXTER-ZANG.
15°
Hoog-Priester, die onsterflijk zijt bevonden,
En hebt uw bloed gestort voor \'s werelds zonden,
15
         Klim op, klim op in \'t alderheiligst choor!
Gods strengheid komt met uw verdiensten voor!
O, die van God gezalfd zijt tot een Koning!
Aanziet uw Kerk, uw Bruid uit \'s Hemels woning,
Die hier, verstrooid, kent anders troost noch hoofd.
20
         Zend haar den Geest en Trouwring, lang beloofd.
Zoo mag zij steeds in \'s Bruigoms liefde blaken;
Zoo mag haar kroon noch zond\' noch wereld raken;
Zoo blijft haar liefd\' veel sterker als de dood,
En erft ten loon haar lieve minnaars schoot.
PINXTER-ZANG,
OP DE STEM VAN DEN C PSALM.
Komt, komt, o drie maal Heiige Geest!
Ai, zegent onze Pinxter-feest!
Komt, tortel-duif van \'s Hemels dak,
En brengt ons den olijven-tak!
5 Vertrooster, brengt ons Christus\' vree,
En neemt in ons geweten stee!
Geest Gods, maakt onzen geest gewis,
Dat God ons-aller Vader is.
O vinger Gods, die \'t steenen hert
10 Vermorzelt, dat het wakker werdt
En Christus\' wet, die eeuwig blijft,
In ons gemoed en zinnen schrijft!
O gij, die onbegrijplijk zijt!
Ons hert tot uwen tempel wijdt!
15 Die onze inwendigheid herschept,
En lust bij ons te wonen hebt.
Komt, Hemel-dauw! en overstort
\'t Gemoed, onvruchtbaar en verdord;
Hemelv.-Z. 16. Voorkom m. 11. v. Gods str. — Pinxter-Z. 10. Werdt,
wordt.
-ocr page 165-
PINXTER-ZANG.
O stroom des levens! o fontein!
20 Bevochtigt ons en maakt ons rein.
Komt, Godlijk vier! en steekt voortaan
Ons koude ziel met ijver aan!
Komt, heilig vier! verteert, verslindt
Al wat in ons nog \'t vleesch bemint.
25 Gij, wind des Heeren! leidt doch meê
Des zielen schip in \'s werelds zee:
Op dat zij, vrij van schip-breuk, dan
Lande in \'t beloofde Canaan!
PINXTER-ZANG,
OP DE STEM VAN MARIA LOF-ZANG.
Na Christus\' Hemelvaart,
De Apostelen, vergaard
Eendrachtelijk te gader,
Verwachtten voor haar hoofd
5
           Den Trooster, die beloofd
Haar was van God den Vader.
De Pinkster-feest verscheen,
Als snellijk viel beneên
De Geest, daar elk op hoopte;
10
           Die, als een winds gedruisch,
Terstond vervulde \'t huis,
En met een vier haar doopte.
De Twaalve zag men hier
Omschenen met een vier,
15 Omstraald met vierge tongen;
Haar sprake zonder tolk
Verbaasde \'t uitheemsch volk,
Van alszins ingedrongen.
„O, wonder is \'t," zegt d\' een,
20
           „Dat die van Galileên
Al \'s werelds talen konnen!"
2. Pinxster-Z. 12. Haar, hen. — 18. Alszins, alle kant.
-ocr page 166-
AANDACHTIGE BETRACHTINGE
152
Een ander zegt: „Zij zijn
Verzopen in den wijn,
En van den drank verwonnen!"
25           „Neen, neen!" roept Cephas blij,
„\'t Is Ioëls profecij,
Die God aan ons vervulden;
Ten ende lacobs huis
Wert kondig, wie aan \'t kruis
30 Nam op hem \'s werelds schulden."
Den hamer Gods hier sprak,
Die steenen harten brak;
Wij zijn vol schuld bevonden
Aan \'s Heeren bloed. Wat raad?
35
           „Elk een," zegt Peter, „laat\'
Afwasschen al zijn zonden!"
Drie duizend zielen daar,
Boetvaardig, wonderbaar,
Zich Christus niet en schamen;
40
           Zij volgen Iesus\' wet,
Zij waken in \'t gebed,
En zijn éen ziel te zamen.
AANDACHTIGE BETRACHTINGE
OVER
UIT DEN HOOGDU1TSCHEN VERTAALD DOOR M. L. B.
EN TER LOOPS GERIJMD DOOR
J. V. V., OP DE WIJZE VAN DEN 91 PSALM.
WAak op, mijn ziel! wat slaapt gij, hoe?
Uw Bruigom is voorhanden.
Koop olie: schik uw lampen toe,
Zoo blijft gij niet in schanden;
Wanneer hij in zijn kamerkijn
Te midnacht in zal streven,
Zult gij een dwaze maged zijn,
En in het duister sneven.
-ocr page 167-
OVER CHRISTUS LIJDEN.
153
Waak op de uur van \'t harte dijn,
10
           En tel de klok haar slagen,
Het kan niet ver van twaalven zijn; —
O wee, gij moet vertsagen,
Indien gij niet uw grof aardsch kleed,
Met Joseph, wilt verlaten,
15 En u ten ingang houdt gereed.
Ontbloot van eer en staten.
Een staaltjen neemt aan zijne min,
Die kan zich zelven haten,
Opdat ge, om hem, uw eigen zin
20
           Uit weêrmin zoudt verlaten.
Hij laat zijn rijk en leven wel,
Om uwe liefd\' t\' erlangen;
Hij daalt ook voor u in de Hel....
Nog laat gij u niet vangen!
25 Zoo kan des werelds snoode hoer
Door eigenliefde u vleyen
Doch in het ende breekt het snoer,
En \'t spel verkeert in schreven:
Want zij boeleert, en kan haar echt
30
           Niet ongebroken houden:
Wanneer de Dood uw ziel bevecht
Moet \'s weerelds liefd\' verkouden.
De wereld dan den rugge keert!
Volg Christus met verlangen;
35 Met open armen hij begeert,
U aan het kruis t\' ontvangen.
Hij neigt zijn hoofd, om u een kus
Al neigende te geven:
Wat schuwt gij zijne dood aldus?
40
           Ze is oorzaak van ons leven.
Gij vraagt, wat Hem aan \'t kruice bracht!
Dat zal men u uitleggen:
Uw ontrouw en Zijn liefd\' betracht:
Die zullen \'t u wel zeggen;
45 Want als de slang u brocht ten val,
Door \'t ooft vol ongelukken,
Wat schepsel was in \'t aardsche dal,
Dat u van hem kost rukken?
9. Waak, let. — 12. Vertsagen, vreezen. — 14. Toespeling op Jozef
v. JEgypten.
-ocr page 168-
AANDACHTIGE BETRACHTINGE
*54
De Goddelijke liefde most
50
           U wederom verwerven,
En u, die hem het leven kost,
Genieten door zijn sterven.
Hierom zoo hing het heilig Lam,
Door \'t vier der liefd\' gebraden,
55 En dorst naar u, aan \'s kruishouts stam:
Nog laat gij u niet raden.
Want hij, die is het eeuwig zoet,
Moet zuren edik drinken;
En bittre gal van wraak, tot boet
60
           Der menschen, zich laat schinken.
Gewond is hem, ook na zijn dood,
Het hart met booze daden;
Dies zich de zon verbergt uit nood,
De zonne der genaden.
65 Uw beurs gij boven Christus stelt,
En knort, als wert vergoten
Den balsem van der armen geld,
Op \'s Heilands hoofd gevloten.
Al ziet gij, met den rijken man,
70
           Aan Lazarus veel zweren,
Gij neemt u zijnes gants niet an,
Schoon wormen hem verteren.
Beschuldigt Iudas noch en scheldt
Hem, om zijn valsche daden;
75 Want gij ook, om \'t vervloekte geld,
Zelf Christus hebt verraden.
Of gij Hem met den mond belijdt,
En schijnt den kus te geven,
Om dartig penningen profijt
80
           Brengt gij Gods Lam om \'t leven.
De nacht ook buiten u niet is,
Daar Christ geboeid moet zuchten,
Als, in der zonden duisternis,
De jongers angstig vluchten.
85 Aldus raakt uw standvastigheid
Door slaap en vlucht aan \'t glijden:
Gij vlucht van Christus, wijd verspreid,
Wanneer hij gaat aan \'t lijden.
53. Hing, verbetering van Van Vloten voor lang. — 80. De uitg. heeft hij.
-ocr page 169-
OVER CHRISTUS LIJDEN.
\'55
Gij smijt met Petrus in de schaar,
90
           Als \'t kruis begint te naken;
Maar dorft, in nood en lijfsgevaar,
Wel drie werf God verzaken,
Eer drie werf kraait gewetens haan,
Ook op een wijfs bedragen!
95 Gij zoudt met Christus sterven gaan
In vreugd en goede dagen!
De hoogepriesters meer en meer
Ook zelfs in u vergaaren;
Dat zijn vernuft en menschenleer,
100
           Die Christus staag bezwaren;
Zij roepen: „Kruist, ja kruist hem, och!
Laat Barrabas bij \'t leven!
Verschoont den ouden Adam toch,
Den nieuwen vrij laat sneven."
105 Met stok en spiets van uw vernuft,
Gij Christus wilt bevechten.
Neuswijsheid aarzelt heel verbluft,
En weet niet uit te rechten.
Gij schermt al t\' ijdel in de lucht,
110
           En Gods en Christus\' namen
Hun blixems blikkren zonder vrucht;
Met recht moet gij u schamen.
Gij zijt van Malchus\' slag gewis,
Wiens recht\' oor afgehouwen;
115 Dus hoort gij niet wat Gods wil is,
Maar laat u zachtkens klouwen
Door lof het slinker ezelsoor,
\'t Welk gij best af liet snijden,
En \'t rechter aanzetten daarvoor
120
           Om kwaad geklap te mijden.
Al deedt gij Christus leed op leed,
Om \'s Keizers vriendschaps wegen,
En droomt van Duivels spook, aireed\'
Gij zoekt uw hand te vegen
125 Met water, als Pilatus eer,
Met kerkgang God te paayen,
89. Smijt, slaat. — 94. Bedragen, aanklacht. — 107. Aarzelt, de
uitg. heeft aandacht. — De uitg. heeft Zijn. — 113. Slag, soort. — 116.
Klouwen, kittelen.
-ocr page 170-
AANDACHTIGE BETRACHTINGE
«56
En Doop en Nachtmaal, om den Heer
Een neus dus aan te draayen.
Veel slagen, schimpen, hoon, en nood
130
           Den Heiland heeft geleden;
Der woênden misbruik al te snood
Hem aantrekt andre kleeden:
Dan wit, als bij Herodes\' rot,
Dan purperen gewaden:
135 Zoo maakt gij Christus tot een spot,
O schande! o kwaad der kwaden!
Uw eerzucht dorf de doornekroon
Hem om zijn voorhoofd drukken;
Uw boosheid is het kruis vol hoon,
140
           Waaronder hij gaat bukken.
Met Simon van Cyrenen woudt
Gij Christus\' kruis niet dragen,
Ten zij men u den rugge touwt,
En daartoe drijft met slagen.
145 Geen smid hier ook aan \'t aanbeeld hoort,
Die spijkers smeedt van staven,
Terwijl gij Christus\' hand doorboord
En voeten hebt doorgraven.
Uw doen en wandel maar betracht,
150
           Die nagel maakt kwetsuren:
Het wordt al in dit kruis volbracht,
Op nieuw in u, alle uren.
Gij maakt schriftuurs-rok nadeloos
Een beedlaars rok ten leste-;
155 De letter is de geest te loos,
Als die dient tot uw beste:
Maar houdt de letter niet de proet,
Zoo verft gij schriftgeschillen
Of knijpt die (als een valsche boef
160
           Den teerling) naar uw grillen.
De weereld speelt om Christus\' kleed
,
               Met niet dan ijdle vragen:
Men schut, met een bewijs gereed,
Hierop een anders slagen;
131. Woênden, lezing van Van Vloten, voor wonden.
-ocr page 171-
OVER CHRISTUS LIJDEN.
165 Zoo laat men Christus, \'t rechte wit,
Zich uit de handen rooven;
Zoo houden wij den dop voor \'t pit,
Daar andren vast haarkloven.
Des slinkschen moorders ongeduld
170
           Vertoont gij in uw lijden.
Wanneer het hart u biecht uw schuld
In d\' avond van \'t verblijden,
Bidt gij niet, naar \'s bekeerden wijs,
Dat Christ u heil wil geven,
175 Wanneer Hij komt in \'t Paradijs, —
Uw zonde aan \'t kruis blijft kleven.
Van Christus\' graf gij vliedt en scheidt,
Als zijnde sterk bewaket
Van weereldlijke overheid,
180
           Daartoe ook vast vermaket
Door \'t zegel des Hoogpriesters meest,
Die bei, met ban en vloeken,
Vernielen, die naar Christus\' geest
En kracht in \'t graf gaan zoeken.
185 In somma: Christus\' bittre dood
Is maar uw vleeschlijk leven,
Zijn smerten en vijf wonden rood
Uw lust Hem overgeven.
Hij sterft en staat niet op in u,
190
           Voor gij uw lust wilt sterven;
Zijn dood is zelf uw leven nu,
Kunt gij zijn liefd\' verwerven.
Al roept men: „Heere, Heere!" sterk,
Het is Hem een afgrijzen;
195 Men moet de handen slaan aan \'t werk,
Dat zijn kruisbroeders wijzen.
De roos och! onder doornen groeit.
Gij moet den kelk ook nutten,
Dat bloedzweet langs uw aanschijn vloeit:
200
           Zoo help zijn kruisgang stutten.
Het lelt ook niet aan wetenschap,
Hoe God om u most sterven;
180. Vermaket, bepaald. — 187—188. Zijn smarten en vijf
wonden geven hem over aan uw lust.
-ocr page 172-
AANDACHTIGE BETRACHTINGE
158
In \'t leven leit de kracht en \'t sap,
Al is \'t met uw bederven.
205 Is niet zijn kruis in \'t hert gegrond,
Veel weten brengt geen zegen,-
Een aasken schulds van duizend pond
Niet eens wordt opgewegen.
De band der liefde in \'t algemeen
210
           Is eenen last te dragen,
Daar twee, in liefde en leed nu een,
Malkander onderschragen.
Hoe mint gij God en Christus trouw,
Dien gij altijd valt tegen,
215 En daaglijks kruicigt, zonder rouw,
In uw verkeerde wegen?
Maar, wilt gij naar zijn liefde staan,
Zoo kruist uw stijve zinnen,
En laat u naakt aan \'t kruice slaan;
220
           Dat \'s \'t merk van God te minnen.
Zoo geeselt u door ware boet,
Met oodmoeds kroon van doren:
Temt hovaardij, dat slanggebroed,
En stopt voor haar uwe ooren!
225 Ook spijkren hand en voeten aan,
Met christelijken wandel,
Opdat ze langs geen dwaalweg gaan,
Maar drijven vromen handel.
Ontziet niet eens, of men u al
230
           Wil gal en edik schenken:
Een zoete en koele bronne zal
De dood en \'t leed verdrenken.
En of in u de zonneglans
Zou schijnen te verbleeken,
235 De dood u ook verslinden gansch, —
Van \'t kruis dient niet geweken:
Want als dan eens de voorhang rijt,
Die God en ons komt scheyen:
De Geest uw steenen harte splijt,
240
           Gekweekt door kruis en schreyen.
a2o. Minnen, V. Vlotens lezing: voor winnen.
-ocr page 173-
OVER CHRISTUS LIJDEN.
159
O, wat een zaalge duisternis,
Die ons het licht kan geven!
Een dood, die zoet en noodig is,
Waarin men vindt het leven!
245 Maar wee, dat vleeschelijke licht,
Daar nacht in is verborgen;
Wie zich naar \'s weerelds leven richt,
Zijn eigen ziel zal worgen.
Bekeert u fluks, de tijd is reed\':
250
           Men zal de klok haast hooren:
Vertrekt gij, nu het heden heet,
Zoo gaat uw ziel verloren.
Dan blijkt het eerst, hoe dol en dwaas
De morgen gij in weelde,
255 En uwen middag ook, helaas!
Met vleesch en bloed verspeelde.
De negenste uur naakt, onbewust,
En Christus is verscheyen.
Loop, loop! hier is geen tijd van rust,
260
           Nu help zijn dood beschreyen.
Gij komt als \'t licht verdwijnt in mist,
En moet bij duister dolen,
Gij vindt voor Christ den Antichrist;
Nu is het licht gescholen.
265 O lieve ziel! bedenk toch dat,
En wilt ten kruice loopen.
Volgt Christus op het rechte pad:
Wilt al uw goed verkoopen.
Gij moogt niet uw gerechtigheid
270
           Op Christus\' kerfstok snijden;
Wilt gij ten leven zijn bereid,
Gij moet eerst met hem lijden!
O lieve ziel! dat is de boom,
Die goed en kwaad kan geven;
275 In u is Hemel, Hel, en schroom,
De dood en ook het leven.
Het werelds-leven is de dood,
Die Christus krenkt met smarte;
251. Vertrekt gij, vertraagt gij. — 265—272. Staat, in de uitg. achter
273—280.
-ocr page 174-
ZEDIG GEDICHT.
iöo
Maar sterft gij in zijn wonden rood,
280
           Zoo leeft hij in uw harte.
Telt ge u in \'t uitverkoren tal,
Zoo merkt u met het teeken:
Het kruis van Christus overal
In \'t voorhoofd zij gestreken.
285 Wat baat de wolf des lams geween,
Indien hij huilt hiertegen:
Nog min als eenen hamen steen
De vruchtbre dauw of regen.
géfctg &&i$t
XIII
VAN DE
IJDELHEID DER MENSCHEN EN
WANKELBAARHEID DER KONINK-RIJKEN.
ELk heeft gebiedens lust, elk tracht naar hooge staten,
Naar eenen titels glans, na Myters, Staf en Kroon,
Na Bisdom, Graaflijkheid, en Rijken boven maten:
Elk wil als aardschen God hier bouwen zijnen Throon.
5 Indien zulks heil aanbrocht, ik wild\' ook daarna streven
Om \'t ampt eens Vorsten, Graafs of Konings te bekleên,
Maar overmids zulks heil aanbrengen kan noch geven,
Verfoei ik \'t al gelijk, en acht van allen geen.
Wat zeg ik, zijn dan niet Monarchen, hoog geboren,
10 Als met den heldren glans eens Godheids aangedaan,
Dien zelden haars gelijk of niemand komt te voren?
Kan ergends zaligheid dit heil te boven gaan?
\'t Is waar, ik latet toe, dat z\' uiterlijk voor d\' oogen
Zijn met een wolk omschaauwd van grooter Majesteit:
15 Maar innerlijk in \'t hert is \'t niet als waan en logen,
Is \'t vol van slavernij, druk, en katijvigheid.
De kroon, al schenkt ze een zon van goud en diamanten,
Is haar een lastig pak: de zijde- en purperdracht
XIII. Dit ^ede-dicht" schreef de jonge huisvader Vondel, liggend onder een boom.
Zedig Ged. 16. Katijvigheid, ellende. — 18. Haar, hun.
-ocr page 175-
ZEDIG GEDICHT.                             161
\'t Lijf noopt met ongemak: de dienaars en trawanten
20 Haar \'t harte beven doen en zorgen, dag en nacht.
Den scepter zijn ze moe te handlen en te dragen,
Om dat meer rijken niet staan onder haar gebied:
Is de eene wereld haar, en hooren ze gewagen
Van \'t ander werelds rijk, zij huilen van verdriet.
25 Zijn de onderdanen veel, veel valt er te bestieren:
En naar de volkren zijn in zeden onderscheên,
Zij onderworpen zijn elks zeden en manieren,
Of d\' een of d\' ander raakt te lichtlijk op de been.
De most haar edik is, hoe zoet en uitgenomen:
30 Banket noch venezoen haar honger niet verzaadt:
\'s Nachts, als een ander rust, zoo schiet haar in haar droomen
Dat iemant na haar kroon of na haar leven staat.
De vijanden zijn veel van binnen of van buiten:
Is \'t één rumoer geslist, het ander dat ontstaat;
35 Van buiten staat haar toe des vijands heer te stuiten,
Van binnen toe te zien voor oproer of verraad.
Zoo haar den zegen mist van welgeboorne zonen,
Of is er maar éen vrucht, zij zorgen voor misval;
Zijn ook de kindren veel, zij duchten, om de kroonen
40 Een bloedig streng gevecht ten leste volgen zal.
Kort-om, zoo glorie-rijk en heerlijk als ze schijnen
Voor \'t uiterlijk gelaat, zoo deerlijk wederom
Haar innerlijk in \'t hart doorprikkelen veel pijnen:
Behalve, dat ze op \'t laatst verwelken als een blom.
45 Als de onverwachte dood genaakt tot haar paleizen,
En aan haar poorten klopt, die naauwlijks opgedaan
Een droeve stem ontmoet: „\'t Is tijd; gij moet verreizen,
Monarchen! maakt u ree; \'t is hier met u gedaan."
Daar vangt het zuchten aan, met uitgestorte tranen:
50 „Adieu, mijn heerlijkheid! adieu, mijn werelds rijk!
Houd van aanbeden op, mijn knielende onderdanen!
Mijn zon is laag gedaald, mijn glorie valt in \'t slijk."
19. Noopt, prikkelt. — 30. Venezoen, venaison. — 35. Staat haar
toe, hebben zij. — 38. Zorgen, bezorgd zijn.
VONDEL I.
II
-ocr page 176-
HOUWLIJK-ZANG.
IÓ2
Dan zijn ze min noch meer als de armst der bedelaren,
Die om een kruimken broods voor hare tralie bad:
55 Indien de balsem \'t lijk mocht voor \'t verrotten sparen,
Dit mocht al \'t voordeel zijn, \'tgeen nog een Koning had.
Weg dan met de ijdelheid, daar zoo veel duizend menschen
In stellen \'t hoogste goed en \'t alder-opperst heil!
Wordt Vorsten uws gemoeds! wat wildij schoonders wenschen?
60 Dees deugd is ongemeen, nochtans voor ieder veil.
Een machtig Koning is \'t, die zijn verdorven lusten
Zich onderworpen heeft en over haar gebiedt,
Die zijn gemoed bezit in stilheid en in rusten,
En, willeloos in God, niet anders wil als niet.
65 De zulke draagt in zich zijn koninkrijk besloten,
De zulke vindt in hem al \'t geen hij in God zocht,
Door \'t uitgaan van hem zelfs, en door zich zelfs t\' ontblooten
Hij als gezegend heel het aardrijk aan zich brocht.
Vermits men zulken heil onwetlijk niet mag erven,
70 Dat is: ten zij men daalt van \'t Goddelijke bloed:
Is \'t wonder, dat dan veel dees hoogheid moeten derven,
En dat men zelden vindt een Koning naar \'t gemoed?
Verliest u zelven dan en wordt uit God geboren,
Indien gij anders haat der zonden slavernij,
75 En uws ziels vrijheid lieft; gij werdt als uitverkoren,
Gezaligd en gezalfd, tot zulken heerschappij.
Dit zong ik, daar ik lag gerust en onbekommerd,
Van d1 uitgestrekte e\'k beschaduwd en belommerd.
TUSSCHEN GOD EN DE GELOOVIGE ZIELE,
OP DEN TOON VAN DEN IOO-STEN PSALM DAVIDS.
I.
ZOo lang de ziel, nog onverleid.
Heeft de ingeschaapne zuiverheid,
Gelijkt ze recht een jonge maagd,
Die cierlijk witte kleedren draagt.
-ocr page 177-
HOUWLIJK-ZANG.
163
2.
5 Een maagd, die eerbaar, ongetrouwd,
De kuisenheid voor haar kleinood houdt,
En die de bloem haars jeugds gewis
Wil gunnen dien, die \'t weerdig is.
•5
O\'
Twee minnaars spelen in haar zin,
10 D\' een draagt haar Liefde, en d\' ander Min:
D\' een biedt zijn trouwe op deugd en eer,
En d\' ander, dat hij haar schoffeer\'.
• • 4\'
Wat ongelijker vrijers doch!
God en de Weereld, vol bedrog:
15 De ziele slaat ze beide ga,
En eindlijk gaat bij \'t Vleesch te ra.
5-
Het Vleesch, dien \'t zienlijk oog behaagt,
Te weeg brengt, dat de onnoosle maagd
Den Hemel zijn verzoek ontslaat,
-20 En met de Weereld boelen gaat.
6.
De Weereld, die op \'t tijdlijk zaait,
De bloem haars frisschen maagdoms maait.
Den zomer, die zoo vrundlijk bloost,
Volgt fluks een strengen zuren oogst.
25 Het maagdlijk bloed ligt nu geschend,
En is een gast-huis vol ellend,
Want als de lust nu is voor-bij
Zoo wordt de boel haar weer-partij.
8.
Dood-wonden hij zijn bij-wijf slaat,
30 Berooft haar \'t spier-wit, rein gewaad;
Scheidt van haar, laat ze, naakt en bloot,
Verworpen liggen, voor half dood.
9-
Zij klaagt, zij zucht, zij steent, zij kermt,
Tot dat den Hemel haars ontfermt:
35 En of zij schoon dees straf verdient,
Zoo is hij nog de zelfde vriend.
10.
Ten beste van de aanstaande bruid
Schikt hij een Rei van Maagden uit,
Die \'t arme schepsel, op een kruis,
40 Gaan dragen in t Behouden Huis.
-ocr page 178-
i64                            HOUWLIJK-ZANG.
ii.
Met wijn en olie hij beleefd
Al haar gezondheid weder geeft;
Zijn hert-wond strekt haar een fontein,
Daarin hij haar laat wasschen rein.
12.
45 Hij trekt ze purpre kleedren aan,
En laat ze voor zijn aanzicht staan,
En spreekt: „Boetvaardige vriendin!
Ik geef u \'t hert, en ziel, en zin."
Hij steekt ze een Trouw-ring aan haar hand„
50 Tot eenen zekren onder-pand,
Tot teeken van onfeilbre trouw;
En neemt ze tot zijn echte Vrouw.
14.
De Bruid bezwijmt en is als stom,
Om dat zoo rijken Bruidegom
55 Bekleedt haar armoede en haar leid,
En spreekt, vervuld met dankbaarheid:
15-
„Wie ben ik? of van wat geslacht,
Dat gij nog op mijn snoodheid acht,
Ziet zoo veel edeler voor-bij.
60 En voegt mij aan uw rechter zij?
16.
„Noch tijds, noch oudheids ongeval
\'t Geheugnis mij ontvreemden zal
Van \'t rijk en onweerdeerlijk goed,
Daar gij de Onzaalge mede ontmoet.
17\'.
65 „Verweerdigt slechts mij, assche en stof,
Dat ik verkondige uwen lof,
Dat steeds mijn mond uw weldaad wekk\',
En een trompet uws roems verstrekk\'."
18.
De Ziel, met God van Hemelrijk,
70 Aldus verknocht\'in \'t huwelijk,
Wordt zwanger, en, na \'s Bruid\'goms beeld,
Veel Deugden hem tot Kindren teelt.
41. Beleefd, minzaam. — 55. Leid, leed.
-ocr page 179-
165
DE VADEREN.
OFTE
HET TWEEDE DEEL VANDE DERDE DAG
DER TWEEDER WEKE,
VERVATTENDE
ABRAHAMS OFFERANDE,
GEDICHT BY WIJLEN
DEN E. GUILLAUME DE SALL\'STE, HEERE VAN BARTAS,A\'/A\'
DE FENIKS VANDE FRANSCHE POËTEN,
ENDE NU UIT HET FRANSCH IN NEDERDUITSCH VERTAALD.
(1616.)
KLINKERT,
[op de vertaling van Zacharias Heyns.]
S\' Taals onkund\' hiel tot nog veel Nederlanders buiten,
Die in het Heiligdom der Vranken wilden gaan,
Alwaar Salustius stak lieflijk reukwerk aan,
En volgde \'t heirschaar Gods met duizend orgelfluiten;
5 Maar Zacharias, als Hoogpriester, kwam ontsluiten
Dees kerk, beschilderd met der ouder Vaadren daan,
Waarvan de geest getuigt in zijn geschreven blaan,
En huwde aan Bartas\' stem den weerklank zijner luiten.
Xlf. Guillaume de Saluste, Seigneur du Bartas, zoon van een „Trésorier de
Francc" geb. te Monfort in 1544, calvinistiesch krijgsman en dichter, diende Henri
IV in beide hoedanigheden. Hij overleed in rjgo. Zijn beroemdste werk is: )tSep-
maine de la création du monde", gevolgd van „Seconde sepmaine" ou „l\'Enfance
du monde\'\'\'. In 6 jaar verschenen wel jo uitgaven van zijn dichtwerk. In 1391
verscheen te Antwerpen, bij Herman Mersmann reeds de 17e uitgave, met de
„Commentaires" van Simon Goulart. Zie bl. qj.
De zoogenaamde fermere ddition" verscheen in 1611 te Parijs, bij Toussainctz
du Bray.
Du Bartas, door de dood verrast, heeft het niet verder mogen brengen dan den
zen dag der 2e week.
De titels der nagelaten, maar onvoltooide fragmenten zijn: „Les Peres", „La
Lof\', „Les Trophees", „La Magnificencé", „V histoire de Jonas"\', „La Vocation",
„Les Capitaines", „Le Sc/iisme", „La décadence". Voords heeft hij nagelaten:
Klinken. Van Lennep geeft een afwijkende lezing: II, 199. — 5. Zacha-
rias, Heyns.
-ocr page 180-
i66                                DE VADEREN.
Nu geven wij niet toe de geesten van Britanje,
jo Den smekenden Tuskaan, noch ook \'t hoogmoedig Spanjen„
Noch wijken voor de praal van het Latijnsche volk:
Wie lust heeft den Gascon in Nederduitsch te hooren,
Die leez\' dit Godlijk boek, en leen zijn heilige ooren
Aan Heins, die ons verstrekt eens grooten dichters tolk.
Op [de afbeelding van]
ZACHARIAS HEINS.
Aldus aanschouwt hij \'t licht, en gaat onze Eeuw vercieren
En bergt zijn godlijk brein in heilige laurieren,
Die in zijn rijmen vloeit gelijk een gulde beek,
En volgt Salustius in de Een en de Ander Week.
KLINCK-VEERS OVER ABRAHAMS OFFERHANDE.
D\' Oud-vader zijnen zoon brengt, met bedroefder zielen,
Op \'t rijzende gebergte, opdat hij \'t altaar sprengt
Met \'t bloed zijns lieven kinds, en \'t vuur \'t koud lichaam
zengt;
Hij bindt hem de armen vast, en doet hem nederknielen.
5 De Liefde \'t vuur ontvonkt, om \'t slacht-schaap te vernielen,
\'t Geloof, dat houdet touw, daar \'t lam mede is gestrengd,
D\' Hoop \'t staal den Vader langt, die fluks den slag aanbrengt:
De Dood is al gereed om Isaacs ziel te grielen.
„Un fragment" de préface, „La Lepanthé", „Cantique de la victoire d\' Tury"^
een en ander in druk bezorgd en met uitgebreide aanteekeningen voorzien door
S\\imon\\ G[pulart] S[enior~\\.
De grootc opgang, dien dit godsdienstig samenstel maakte, vond den levendigsteu
weerklank in Holland en Vondel ondernam, met groot talent, de vertaling van
twee gedichten. Het geheel in \'t Hollandsen over te zetten bleef bewaard voor den
dichter, graveur en drukker Zacharias Ileyns, omtrent ij 60 te Antwerpen ge-
boren, later gevestigd te Amsterdam en te Zwol. Vondels vertalingen werden in
het groote geheel door hem opgenomen. Inmiddels moet men onderstellen, dat Hein*
reeds met zijn arbeid een goed eind heen was, eer Vondel met den zijne voor den
dag kwam. Hoe had hij anders kunnen schrijven den hierboven meegedeelden
,JClinkert."
3. Zengt; de uitg. hebben „schenct" (dan „vuur" in den 3en nv.): men
kieze. — 8. Grielen, wechkapen (verg. grisselen, grissen.)
-ocr page 181-
DE VADEREN.                                   167
Maar \'s Heeren Engel (die om s\' vromen leger waakt)
10 Abrahams arm verlet, en \'t droevig treur-spel staakt
Van Vader en van Zoon, van twee bestorven herten.
Nature bij geval van veers zag \'t schouwspel aan,
En riep: O, sterk Geloof, wat durfdij niet bestaan:
Een Vader slacht zijn Kind, en derf de Dood uit-terten!
Anagramma:
DOOR EEN IS T NU VOLDAEN.
INHOUD.
T"\\// stuk-werk vervat de verklaringe van V gene Moses ver/taalt in
\'/ 22 Capittel Genesis: hoe God Abraham verzocht, ende hem beval
zijnen zone Isaiic te brengen op eenen berg, om aldaar geofferd, tot een IIolo-
caustum, dat is: onthalsd, daarna ontledet, ende van zijnen Vader Gode
geofferd te worden. Onze dichter heeft zijn bedenkinge over zoo grooten
geheimenisse, en teekent aan de voornaamste omstandigheden deszelfs:
1.
eerstelijk, stelt hij voor oogen: de goede onderwijzinge ende opvoedinge
van Isaiic, Abrahams genegenheid nevens zoodanigen zone.
2. ten twee-
den, de verzoekinge van den waren God, de welke de zijne groiideert
gants op andre wijze, als wel de Satan den Menschen;
3. ende over-
mids men uit den text verstaat, dat de Vader was bevolen zijnen zoon
te offeren,
s\' daags te voren, eer hij trok op om Gode te gehoorzamen,
zoo vertoont de dichter, ten derden, de groote aanvechtingen, die Abra-
ham al den nacht in zijn gemoed hadde, in
V overdenken van V gene
hem belast was. Hierover worden dan wijdloopig voorgesteld alle de
tegenwerpingen van de natuurlijke hertsneigingen, om Abraham af te
keeren van Gods bevel te gehoorzamen; daarbij de verandwoordingen
van den Geest Gods in zijn getrouwe dienstknecht, dewelke overwinner
blijft, besloten hebbende zijnen last te voldoen.
4. ten vierden beschrijft
hij zijn reize na den berg, de nieuwe aanvechtingen van Abraham en
Isaiic, daarna haar-beider geloove, ende de gelukkige uitgang van
haar vrijwillige gehoorzaamheid, de Heere haar op
V uiterste te kennen
gevende, de reste van zijn verborgen wille over zulk een verzoekinge.
Sluitelijken, de dichter hebbende Abrahams geloove groot gemaakt, ende
\'/ zelve tegen-gesteld de wreede en mensch-verdichte Gods-diensten der
afgodische heidenen, dewelke hare kinderen den Duivel, ende niet Gode
opgeofferd hebben, toont het ware wezen van deze schaduwe, ende de
f samen-stemminge die daar is tusschen Isuite en Jesum Chris turn, het
Lam Gods, voorgeschikt ten brand-offer tot kwijt-scheldinge onzer zonden.
Inhoud. Verzocht: beproefde.
-ocr page 182-
DE VADEREN.
i68
ZEDIG OORLOFS VERZOEK DES VERTAALDERS AAN DEN
DICHTER, WELKERS GELEERDE VAERZEN HIJ VERRE
BOVEN DEZE VERTALINGE WAARDEERT:
O, Bartas! Vrankrijks roem, onsterflijken Gascon!
Duld dat ik, bleeke sterr\', mijn licht scheppe uit uw Zon!
De bleekste sterre, hoe doof en droef dat ze is van luister,
Hoe zeer zij s\' daags haar schaamt, zoo straalt ze nog in \'t duister:
5 Zoo kan ook ergends ik (daar s\' werelds aangezicht
Uw goude toortse ontbeert") nog lichten met mijn licht,
Ter tijd gij weer verguit met uwen glans de daken,
Wanneer mijn lampe uitgaat en ophoudt van te blaken.
Ei, goddelijk poëet! mocht ik mijn dagen lang,
10 (On aangenaamste kraal!) navolgen uw gezang,
Daar, in t\' gewijde choor, gij priesterlijk den Heere
\'t Zoet reukwerk zijt gewoon t\' ontsteken van zijne eere,
En daar met Iesses Zoon, zoo vuriglijk en kuisen,
U de ijver schier verslindt van s\' Heeren heilig huis,
15 Hoe zou, gelijk een hart, mijn hert van vreugde springen!
Maar, arme dichter! zwijgt, en hoort zijn Musa zingen:
DE VADEREN.
„Door het geloove heeft Abraham Isaac geofferd, doen hij geproefd
worde, ende hij offerde zijnen eenigen geboren Zone, die
de belofte ontvangen hadde." Heb. II, 17.
Zulke heeft een hemelsch lot, die sproot uit vromen bloede,
Die s\' vroeden tuchtigaars onstrenge kinder-roede,
Van kindsbeen af ontzag, en bovenal de geen,
20 Die hing God-vruchtigheid onnoozel aan de speen.
Zulk heil heeft Isaac wel, maar nog (\'twelk is te loven)
Zijn vlijt de opvoeding gaat en zijn geboort te boven:
Zijn wijsheid, zijn geloove, en zijns geests kloek begrijp,
Zijn met zijn wulpschheid daar, en voor zijn jaren rijp.
25 Nog jong en teder zijnde is Godsdienst zijn hanteering;
Met ijver houdt hij zich verplicht aan \'s Vaders leering,
Neemt op zijn voorbeeld acht, zijn daden hij bespiedt,
En schept een nutte lesse aan \'t minste dat hij ziet.
Elk woord is hem een roede hij komt door vlijt al nader,
30 Ja, voorkomt d\'heilge lust en wensch van zijnen vader;
En, oftschoon Abraham, in al \'t gene hij beoogt,
10. De text heeft „onaengenaemste". — Kraal, koraal, zanger. — 18
Tuchtigaers, tuchtmeesters. — Onstrenge, „humainemeitt seucre" (Bartas).
— 24. Wulpschheid, jeugd.
-ocr page 183-
DE VADEREN.
169
Zich schikkelijken, wijs, en welgematigd toogt,
Als oft zijns Zoons bedrijf hem nimmer kon vernoegen,
Zoo laat doch \'t vaderlijk gemoed zich niet te wroegen:
35 Zijn liefd\' breekt ergends door, en \'t oog staart ongerust,
En blijft gelijk gehecht aan Isaac, zijnen lust.
De spiegel zijns gezichts is Isaacs zoet aanschouwen,
En naauwlijks andren naam de Vader heeft onthouwen.
Nu, God, die dezes liefds volmaaktheid gadeslaat,
40 Acht zulks bekwame stof, waardoor hij met der daad
Mag proeven zijn geloof: bekoort hem boven andren:
Doch niet als Satan doet, oft menschen doen malkandren.
De erf-vijand alles goeds ons steeds ter Hellen trekt,
En God, ter haven-waards, die tot den leven strekt.
45 Dees, tot de wortel toe, ons hoop waant uit te rukken,
Die, van standvastigheid gaat t\' zegel daarop drukken;
D\' een vleit ons tot het kwaad, en de ander tot het goed,
D\' een van t\' Christlijk beroep ontslaan wil ons gemoed,
En d\' ander \'t hert zijns Kerks bevestigt langs hoe stijver,
50 Met een onleschlijk vuur van wonderbaren ijver.
En s\' Princen twijfel, die zich geern verzekerd zag
Van s\' knechts getrouwigheid, oft hij \'er op steunen mag,
Ontwakende overlegt, oft ook zijn woorden schillen,
Waarin zij met zijn doen en werken stemmen willen.
55 En om wel te doorzien de vroomheid zijns gemoeds,
Beproeft met t\' aanbeeld hem, met hamer, en met toets.
Maar God de zijne niet door de engte laat passeeren
Van zijn bekorings zifte, om \'t herte haar te grondeeren,
Vermids hij ieder kent, en grondelijken weet
60 Elks doen, zelfs eer t\' gedacht des menschen [t\'] heeft gesmeed,- -
Dan wel om t\' heilig zaad, haar sterk geloof, te toonen,
En haar standvastigheid, als zonderling patronen.
Ook buitens tijds God niet haar overlast met kruis,
Noch zoo fluks, als ze zijn dienstknechten van zijn huis;
65 Want, leerlings nog te zwak, mocht haar de moed ontglijden,
En zwakke scheepkens licht in d\' afgrond schipbreuk lijden.
T\' geloove, naauw gelijk een teedre bloem in \'t gras,
Zou stuiven over t\' veld, voor s\' eersten winds geblas;
Haar beuklaars [zijn] te dun voor zulken herden slagen,
70 En zij te weeklijk nog tot zulken last te dragen.
34. Zoo laat toch \'t vad. gem. niet na zich te toonen. — 53. Schillen,
verschelen. — 54. Willen, zullen. — 60. Zelfs eer de gedachte des men-
schen het doen gesmeed heeft. — 62. Zonderling patronen, uitnemende
voorbeeldsels. — 69. De uitg. heeft: beukelaers, zonder werkwoord.
-ocr page 184-
170                                DE VADEREN.
Maar dan, wanneer allengs de Goddelijke loten,
Haar wortelen in \'t hert diep hebben ingeschoten,
En als haar d\'hals-kraag is strijdlustig aangepast,
Welks dikte schroomt noch kwaan noch geenderhande last,
75 Gelijk als Abraham, die in \'t Geloove ervaren,
In Liefd\', Rechtvaardigheid en Sterkte, voor veel jaren,
Zich zelfs onbuiglijk toont, en die, als hij de krans
(Na d\' eenzaam ballingschap zijns lieven Vaderlands,
Na \'s broeders kluistering, na \'t missen van zijn schoone,
80 En d\' al te droeven ban van Agars zijnen zone)
Als overwinner draagt, verzocht wordt van de stem,
Die \'s herders kruin vaak ciert met \'s konings diadem.
O stemme! uw stemme dan mij niet en laat ontbreken,
Wilt met een Godlijk vuur mijn borst van nieuws ontsteken,
85 Verheft mij boven mij, dat de op- en de ondergang,
Verbaze om Abrams daad, de stof van mijn gezang!
„O Abram, Abraham!" roept \'t eeuwig, Godlijk Wezen,
„Ik ben uw God, uw loon, en Koning uitgelezen;
Klimt op na Salems steilte en, van meêdoogen vreemd,
90 Vergiet t\' rood bloed uws zoons en Isaac t\' leven neemt:
Doorkerft hem met uw staal en schenkt zijn vleesch t\' ver-
grammen,
En [\'t] teder jong gebeent te sparken in de vlammen."
De geen die sluimrig droomde en t\' oog ten halven look,
Zag, zoo hij waande, eens geests al t\' ijselijk gespook,
95 Zich onder \'t deksel school en angstig t\' eenemalen,
Mocht voor een halv\' uur naauw den adem weer herhalen;
Niet anders Abraham van zulke een stem zich haast
Met druk bevangen vindt, en is al heel verbaasd.
Zijn aanzicht is alreê doodverwig en t\' onvreden:
100 Eens winters strenge koude ontstelt hem al de leden,
En zijgende ademloos ter aarden neer van schrik,
Besturven en verbleekt wordt op een oogenblik;
Een dood-zweet hem al \'t lijf bevochtigt; door \'t verstoren,
De sprake hem gants begeeft, hij kan noch zien noch hooren.
105 Maar als hij wat bekomt en schept des levens lucht,
Stort hij twee tranen uit, tot twee maal hij verzucht,
En spreekt: „O wreed bevel! dat ik goeds moeds een teder,
Ontwapend jongeling zal wreedlijk slaan ter neder,
Dat ik een vriend zal doón, dat ik mijn hart bespreng
79. Zijn schoone, Hagar.
-ocr page 185-
DE VADEREN.
i/i
110 In \'t bloed mijns weerden zoons, moorddadig en te streng:
Van wélken Zone helaas! van Isaac, Abrams eenen,
Die ooit in vriendlijkheid een Engel heeft geschenen,
Van Isaac, die in deugd verstrekt elks voorbeeld meest,
Van Isaac, jong en wulpsch, maar oud en grijs van geest,
115 Van Isaac, \'t heil van de onze, en der naburen smerte,
Die \'s Vaders leven is, en \'t herte van zijn herte!
Dat een vervloekt altaar ik weeke met \'t bloedrood
Des lendens, die wei-eer uit mijne lenden sproot,
Ach! waar \'t nog uit m ij n dije, o klein verlies eens menschen!
120 O licht-vergeten schade! hoe geerne wilde ik \'t wenschen.
Ik, oud en vruchteloos, slacht d\' hollen eik, die naakt,
Mismaakt en bladerloos, geen schaduw langer maakt,
En tot de wortel toe verdort, niet om verslimmen,
Alleen voor \'t veil verstrekt een ladder om te klimmen: —
125 Maar Isaac zijnde ontzield, en misse ik niet alleen
De name, die mij was door \'s Hemels gunst bescheen,
Maar vind mij ook ontbloot met-een van zoo veel neven,
Als zands werd aan de strang van Moria gedreven.
Vermoogt gij, wreeden arm! de snede van uw zweerd
130 Te vellen in \'t teer hert van Isaac lief en weerd?
Verzeker, ik waar dood van angst en van benouwdheid,
Ontweldigde ik mijn kind, de krukke van mijn oudheid,
Mijn troost, mijns herten lust, mijn wit, daar ik na schiet,
Niet d\'hand eens feilen beuls, in \'t midden van \'t verdriet:
135 Maar laas! zal ik verdoen — o wreedheid uitgenomen! —
Helaas! zal ik verdoen, die van mij is gekomen?
Doorwonden zijne borst en, met bebloede vuist,
Hem \'t hert uitrukken, t\' wijl daar \'t leven uit verhuist?
Zal ik d\' aanvanger zijn van zulk een woest beleeden,
140 t\' Gewijde altaar beslaan met zijn gescherfde leden?
Zijn vleesch en beenen braan, dat \'t slibbrig ingewand
Al sperkende voor mij tot stoffe en asch verbrandt?
\'t Gedacht alleen van zulks kan s\' Vaders geest ontroeren,
\'t Is voor de wil te wreed; ik zwijg van uit te voeren!
145 Wie wil, wie zal, wie mag zijne hand alzoo bebloed...
Ik mag noch wil geenszins mij toonen zoo verwoed,
Noch doen t\'geen God beveelt: God, zijns Verbondsaanvanger,
Blijft dan de pilaar niet van trouw noch waarheid langer,
Maar handelt trouweloos, breekt t\' gene Hi) heeft gesticht,
150 Doet t\' gene Hem best bevalt, laat zich bewegen licht
Met aller winden drift, en zoo vele eeden strekken
119. Bartas zegt: „/Ia fust-U du mien propre?\' hij bedoelt zijn eigen bloed.
— 126. Bescheen, bescheiden, toebedeeld. — 128. Strang van Moria,
bedoeld wordt: het moorsche strand. — 139. Beleeden, beleid, bedrijf.
-ocr page 186-
DE VADEREN.
172
Tot strikken, om alszins de vromen in te trekken,
Nu zal Hij toezeg doen en zweeren bij zijn Al,
Dat eenmaal Isaacs zaad dit land bevolkren zal,
155 Dit land, daarin ik zwerve, en dat mijns Zoons geslachten
Hij als een deesem zal van zijne goedheid achten,
Nu willen wederom, dat ik den gene krenk,
Daar al mijn. hope in rust, dat ik de wereld drenk
In \'t bloed eens jongelings, en eens slags niet en spare,
160 Te rooven Isaac t\' hoofd, en t\' hoofd van deze schare,
Die \'t brandend wierook zal tot de eer zijns naams besteên
Hem vullen \'t oore en \'t oog met weldoen en gebeên:
Zijn woord zal logen zijn, God zelfs zal met God strijden,
En \'t gene Hij mij beveelt \'t beloofde niet kan lijden;
165 De grondvest mijns geloofs \'t geloove heel ommestoot,
Oft ik zijn wetten eere of niet, t\' en is geen nood.
„Wat zegdij, Abraham? Gij zoudt u licht verrassen.
Den genen, die herbaart den Phcenix uit zijne asschen,
En uit \'t welruikend graf van eenen kleinen worm,
170 Een bonten vogel wekt, na s\' eerstens beeld en vorm,
Zoude hij zijns Isaacs wel, de stronk, vergeten mogen,
Van zijne aanstaande Kerk, en \'t licht, dat ieders oogen
Zoo schoonen dag belooft, oft zal \'t Hem zijn te zwaar,
Hem op te wekken, als hij schoon gestorven waar?
175 Maar wederom, ziet toe, terwijl ge u wilt verstijven
Met Gods Almachtigheid, dat in \'t geheel gij blijven
Laat zijn Rechtvaardigheid. In \'t minste is geen verschil:
Dat God niet doen en mag, dan \'t gene Hij niet en wil;
Niet kwaad en lieft hij doch. Zoo fluks voor s\' Hemels schelden
180 De Zendvloed d\' afgrond koos, de wijd-verzopen velden
Haar toonden ander-maal, en Noach, los van rouw,
Zich met de zijne ontsloeg het drijvende gebouw.
De doodslag werd verboön zoo streng, dat elk mocht beven,
Als ofter snooders niet voor God mocht zijn bedreven.
185 „O mensch! d\' oordeelen Gods op \'t naauwst niet naar en spoort,
\'t Is een te diepen meer, \'ten heeft noch grond noch boord;
In soobre wijsheid doch u-zelven stelt gelaten,
Verwondert u alleene om t\' geen nog niet kan vaten
De zwakheid uwes wets; God heeft hem zelfs gezet,
159, 160. En niet nalate, door éenen slag, te rooven. — 167. Verrassen,
overijlen. — 175- Verstijven, versterken, moed geven stijven. — 177, 179.
Er is geen verschil tusschen de twee stellingen: Dat God slechts dat niet doen
kan wat Hij niet wil; en dat Hij \'t kwaad niet liefheeft. — 179. Schelden,
nadruklijk spreken. — 180. Zend vloed, zondvloed.
-ocr page 187-
DE VADEREN.
\'73
190 Als die elk wetten geeft en vrij blijft van zijn wet.
Hij is zijn eigen wet, en vliegt met snelle veeren,
Alszins waarheen hem drijft zijn willen en begeeren,
Al t\' gene hij schaft is goed. Niet, dat men zal vermoên,
Dat God om \'t goeds wil \'t goed gehouden is te doen,
195 Maar \'t goed is alleen goed, om dat het komt te neigen
Van d\' hoogste goedheid zelfs des Genen, die, als eigen,
Rechtvaardigheid bezit, en van \'t volkomen goed,
Welk \'t eigendom van dien men niet onttrekken moet.
Lichtvaardig wanen, ach! — Wil Hij dan op \'t gesteente
200 Onmenschhjk zijn gediend met menschelijk gebeente?
Wenscht hij godlozelijk, als eenen waren God,
Aldus te zijn ge-eerd? Gij, Milcon, Astaroth!
Gij Chamos, gij gedrocht, gij Molochs! uw verwachting
En lust is \'t, dat men u besmookt met zulken slachting,
205 Die rondom t\' brand-hout spooivt, daar \'t wierook langs afdruipt
Die onze vleesch verzwelgt en onzen stank inzuipt;
Die zoeter bornen nooit ter wereld hebt gevonden
Als \'t bloed, dat ons ontloopt uit d\' opgevlimde wonden.
Zulks is niet Abrams God, die heilig, goed, en zoet,
210 Om onzent wille in \'t licht de weereld brengen moet:
Die bloed-schuld vijand is, die lieft zijn werk ten goeden,
Die tot brand-offer eischt boetveerdige gemoeden.
Gij zijt het, die, versteld in Engels aangezicht,
Van wreedheid mijnen God en Schepper valsch beticht,
215 Die blusschen wilt in mij s\' geloofs volmaakte deugde,
En mij Goods altaar heet ontwijden: O mijn vreugde,
Mijn welgeboorne zoon, ja, Vader van den hoop
Van een verkoren volk, uw heil hebb\' zijn beloop!
\'K en hinder \'t niet, lief kind! vreest niet, dat ik ontbere
220 Een vaderlijk gemoed, ofte aan uw bloed mij keere,
En door zoo vuilen stuk en onverdiende wraak,
Mij zelfs de volgende eeuw\' berucht en kenbaar maak\'.
Ik wil, dat van mijn doen de Faam gevlerkt opstijge,
Dat daar de tijding af d\' aanstaande wereld krijge."
225 De pijn, die, wederzijds bestormd op \'t vlakke veld,
Nu siddert aan d\' een zij, nu weer aan d\' ander helt;
Daar eenen wortel kraakt en schettert voor \'t fel weder,
Hier eenen andren breekt; hij buigt zich op en neder,
195. . . Om dat het voortkomt uit de hoogste goedheid . . en \'t Volko-
men Goed, waaraan men die eigenaardigheid niet moet ontrukken. — 202.
Milcon, afgod der Moabieten; Astaroth, de Venus der Foeniciërs. — 203.
Chamos, afgod der Ammonieten; Moloch, der Kanaanieten. — 204. En, de
uitg. heeft „Een". — 206. Bornen, bronnen. — 213. Versteld, vermomd.
-ocr page 188-
DE VADEREN.
*74
Hij staat en valt al staag, is tweêr tyrannen ral,
230 En hellende weet naauw, wien hij toevallen zal; —
Abraham desgelijks, bekrijgd van liefde en ijver,
Nu Isaacs Vader is, nu weer zijns Zoons ontlijver;
Nu heeft de Geest wat wils en dan weer \'t vleesch wat bots,
Koud om zijn Zoon te doön, ang voor \'t mishagen Gods;
235 Ten leste spreekt hij dus: „\'t Is dezen God der Goden,
Die mij zoo vaak verscheen, mijn schuts-Heer in veel nooden,
T\' is dien God, die mij lieft, ontwijflijk, \'t is de taal
Des genen, die in angst mij troostten menigmaal;
T\' kan niet de Satan zijn, hoe schoon hij weet te veinzen,
240 Door \'t ommegaan ligt God te vast in mijn gepeinzen,
Ik voele in mij zijns Geests onzienelijke kracht,
Zijns inspraaks leerlijkheid verlet steeds mijn gedacht;
God van mijne handen eischt dit offer hem ter eeren,
Ik moet (\'t mag gaan zoo \'t wil) aan zijn bevel mij keeren."
245 Naauw dwijnt de duisternisse, oft t\' windeken verzucht,
En maakt in \'t boom-rijk woud een koel en zoet gerucht,
Terwijl de morgen-roode haar opsmukt, ciert en peerelt,
Om bet haar schoonheids glans te toonen al de wereld,
En om te beter nog den dauw, die ligt gespreed,
250 Te distilleeren langs de zoomen van haar kleed.
De Oud-Vader met haar rijst en vindt zich al eer-lange,
Na een driedaagsche reize, aan Cedrons groene strange,
Bezichtigt d\' Heiige berg, en, bevende en benouwd,
Stijgt opwaards met zijn Zoon, bezwaard met t\' offer-hout.
255 „Mijn vader!" zegt het kind (denkt, hoe hem \'t hert be-
klemmet),
„Hier is wel \'t droge rijs, \'t vuur, en de scherpe lemmet,
Maar \'t offer-lam ons schort!" „Klimt op, mijn weerde beeld!
Klimt op!" zegt Abraham, „de rest den Heer beveelt!"
Maar naauwelijks heeft nog t\' onnoozel schaap den hoogen
260 En steilen top des bergs beslagen met zijn oogen,
Oft Abram t\' hert ontzinkt, en even als het nat
Eens nieuwen zoeten wijns, die, bobbelig in \'t vat,
Zoekt locht en adem-tocht, in \'t einde ontlast zich-zelven,
En spuit de schuim en spon aan \'s kelders hoog gewelven,
265 Braakt eenen rooden stroom, dat t\' vloersel wijd en veer
Bespoeld ligt en beschuimd, gelijk een staande meer:
Zoo vindt hij zich gesteld, zoo fluks hij hoort vermanen,
229. Ral, spot. — 233. Wat bots, v. botten, uitschieten. — 234. Ang,
eng, angstig. — 247. Morgenroode, dageraad.
-ocr page 189-
DE VADEREN.
i75
Van Vader en van Zoon. t\' Oog de opgehouden tranen,
Standvastigheid te spijt, langs t\' aanzicht bigglen doet,
270 d\' Hebree spreekt bij hem zelfs, met een beangst gemoed
(Want hij zijn hertzweer nog voor Isaac wil verschuilen),
En eindlijk berst aldus zijn droefheid uit met huilen:
„Ellendig schouw-tooneel! Ach, wreeden arm alreê!
Gij met de toorts dan blaakt en t\' ijzer, scherp van snee,
275 Die blaakren zal mijn hert, die Isaacs tijd zal korten,
Die mijner zielen ziele en \'t bloed mijns bloeds zal storten:
En gij, rampzalig kind! gij draagt vast, dat gij steent,
Den rijs-bosch, die verdoen zal krakende uw gebeent;
En die, om \'s Vaders, meer als om uw eigen vlekken,
280 Den Priester zult en \'t Lam eens zelven offers strekken!
O, ongelukkig kind! o, Vader zonder God!
Met-eenen zonder heil! Ach! ach! wat wreeder lot
Ons in dien afgrond stoot, waarin ik al t\' ellendig,
Om vroom te zijn voor God, mij toonen moet zoo schendig!
285 Om toonen mijn geloof, moet ik \'t te buiten gaan,
Om Godes Zoon te zijn moet ik mijn Zoon verslaan,
Te strengen Vader zijn, en zal mijn smert genezen,
Ik mag zijn Vader niet, noch hij mijn Zone wezen!"
Hij stijgt vast niet-te-min, en klimmende bestaat,
290 Als door \'t geloof vertroost t\' ontfronsen zijn gelaat.
Gelijk de zilvre sterr\', die, naauwlijks uit de baren
Gewassen zijnde, al meer haar voorhoofd op gaat klaren.
Hij rust \'t hoog altaar toe; met rijs hij \'t plat belast,
En bindt al zoetelijk zijns Zoons beide armen vast.
295 „Mijn Vader!" roept het Kind, „mijn Vader, o, mijn Vader!
Hoe dus, hoe wendij dus uw aanschijn langs hoe kwader?
Waar toe dient dit bedrijf? o, Vader! zegget mijn.
O felheid nooit gehoord! Zal dit de middel zijn,
Waardoor gij leven zult in mijn nakomelingen,
300 Die heldiesch eenmaal dees\' provinciën zullen dwingen?
Waardoor ik, heiliglijk, met sterfelijke Goón
De wereld vullen zal, met sterren \'s Hemels throon ?
Zon-wagen, schoone koets! die rijk zijt van robijnen,
Dit eislijk schouw-spel vlied, houd op van meer te schijnen,
305 Verschuilt u in het meer! Abraham dan alleen
Maakt (Isaac uitgezeid) zijn goedheid elk gemeen.
Den grooten Abraham, in wreedheid van manieren,
Zal \'t wilde-zwijn, de beer, en woeste tijger-dieren,
Dan wijd te boven gaan, helaas! aanschouwt, hoe vreemd,
300. Heldiesch, als helden. — 306. Uitgezeid, uitgezonderd.
-ocr page 190-
i76                                DE VADEREN.
310 Hij d\' ooren voor mij stopt, en nergends acht op neemt
Als op zijn bloedig stuk; o, welk onnoozel wezen!
De moorder van zijn kind schijnt \'s Hoogstens strafte vreezen:
De geen die aan zijn bloed hem zelven schuldig maakt,
Vertwijfelt, of hij ook in goddeloosheid raakt.
315 Mijn Vader, leent mij t\' oor! Niet, niet dat mijn begeeren
Is, met een lang sermoon uw gramschap af te weeren;
Maait stoutelijk ter neer \'t bij u gezaaide graan,
Komt, komt, wilt dien gij Heft dit leven vrij ontslaan:
Drenkt met mijn bloed dees zoon, die dus te zamen hangen,
320 Vermids mijn dood u lust, is \'t sterven mijn verlangen,
Alleenlijk maakt mij diets, waarin ik heb verschuld
Zoo grouwelijken dood! Hebbe ik wel ooit gevuld
Met doodlijk akoniet uw schotel, mijn behoeder!
Of met vergif verhaast de dagen van mijn Moeder?
325 Oft aangespannen met uw vijand op zijn eisch,
Als hij t aan mij verzochte? — o Goddelijk paleis!
O Heilig Hemelsch huis, gewikt op weder-zijden,
Zoo zulk een misdaad ooit mijn vroom gedacht ontwijden,
Uw poorten voor mij sluit, en weert rechtvaardelijk
330 Mij uit der Englen choor en \'t onverganklijk rijk.
Zoo \'t geen van dezen is, doet mij ten minste weten,
O Abram! (want ik u voords Vader schroom te heeten)
\'t Gene ik hebbe aangegaan, waarmede, o droeve zaak!
Ik uw slacht-offer ben, en u mijn moorder maak:
335 Ververscht in mijn gedacht die misdaad, eer ik sterve,
Opdat ik neffens God mijn zoen aan u verwerve
Van zulken snooden stuk, en bij u zelven gij
Vernoegd hier blijft, en ik ontslagen overlij."
„Mijn zoon! tot deze straffe en zijdij niet verkoren,
340 Noch bij uwe eigen schuld, noch bij uws vaders tooren;
Den Heere is \'t, die u roept, die niet wil, dat gij de aard
Al kwelende betreedt: dat van een heiden t\' zwaard,
Den draad uws levens kerve en uwe jeugd verrasse,
Oft dat een vuil gesmook uw lijf verkeere in assche;
345 Maar dat in \'t heilig vuur uw ziele en geest verscheen,
Met een devoten reuk, met opgedragen e\'en.
Wat vreesdij doch, mijn troost! mijn vreugd, die \'t hert mij
Wat vreesdij, mijn vermaak! de Onsterflijke bevelet: (stelet ?
T\' betrachten is onze ampt, en niet t\' naspeuren, hoe
312. Vreezen, de uitg. heeft „wezen." — 319. Zo6n, zoden. — 321.
Diets, maak mij duidelijk. De uitg. heeft „dienst". — 327. Gewikt, „rwr
deux points balancée", twee polen. — 342. Kwelende, kwijnende. — 346.
E\'en, eeden, geloften.
-ocr page 191-
DE VADEREN.
i77
350 T\' kan mooglijk zijn, dat Hij de scepters spruiten doe
Uit uw vermeluwd stof, oft hoe dan uit uw lenden
T licht der gerechtigheid zijn stralen ons zal zenden,
Die berg en rots vermaalt met zijnen ijsren staf,
Zijn wetten d\' Hemel geeft, dit aardrijk, en \'t Helsch graf:
355 Want die u wonderbaar ter wereld bracht in \'t leven,
Kan, spijt natuurs beloop, u weer een wezen geven,
T\' welk t\' eerst wijd overtreft. De macht ontbreekt Hem niet,
Noch midlen om zijn volk te lossen uit t\' verdriet.
T\' roer dezer wereld is zijn wijsheid, hel van klaarheid;
360 Hij is in Mogendheid niet minder als in Waarheid.
Mijn goed, mijn zoete kind! uw goedheid, al te goed,
En zoetigheid de rouw\' vernieuwen in \'t gemoed,
Verzwaren mijn verlies, en zijn als heete tangen,
Die mij het ingewand toenijpen en verprangen:
365 Mijn Zoon! die niet mijn Zoon, maar voortaan Godes zijt,
Ontvangt de leste kus en t\' oorlof voor altijd!"
„Welaan, vermids \'t God wil en gij, mijn Vader! mede
Zulks wilt, zoo wil ik \'t ook. O voor mij niet zoo wréede
Als éerelijke Dood! uw komste niet vertrekt!
370 Ik zie den Hemel op, God mij zijne hand uitstrekt.
T\' sa, laat ons t\' Hemwaards spoên, en manlijk, onverslagen,
Een overgaande onweer en zwaar tempeest verdragen!
Wat vreesdij dezen slag? Hoe, Vader! zwichdij nu?
Och, weent noch schreit niet meer, Isaac is niet meer uw,
375 Hij was Gods eigendom, voor d\' aanvang van zijn leven;
Toelatende u t\' bezit alleenlijk is gegeven.
Wat aarzeldij te-rug op \'t kroonen van een stuk,
Zoo loflijk, zoo beroemd, dat mijnen nek het juk,
Daar God mij meed\' belast, afschudt met t\' uwe t\' zame,
380 En ik zijn woord alzoo vrijmoedig gehoorzame!
Waar wil ik Hem ontvliên? den Hemel is zijn stoel,
D\' aard zijner voeten bank, en de onverlichte poel,
Daar de rampzalige in voor s\' Duivels wreedheid zwichten,
Is \'t doel, waarin hij spilt van zijnen toorn de schichten.
385 Mijn heil, mijn hoogste goed alleen ik uit Hem schepp\';
Zijn altaar is alleen de vrijheid welke ik heb.
Helaas! uw weenen stilt! Dees zoon geen tranen willen
Zoo zeer als menschenbloed, om haren dorst te stillen;
\'t Slacht-offer en de geen die \'t vuur zal steken aan,
390 Door nooddwang zijn gedrukt zich eens hier van t\' ontslaan.
351. Vermeluwd, vermolmd. — 352. De Zaligmaker. — 369. Niet ver-
trekt, stel niet uit. — 370. Op, open.
VONDEL I.
12
-ocr page 192-
1,-8                                DE VADEREN.
Laat ons betoonen, dat wij leerden onze zeden,
Gij in des Hoogsten scho\'p »t in H\' uwe en rtot heden
Zijn Woord, dat alles schiep, dat alles sliert en ment,
Des Heil\'gen zake uitvoert, den kwaan plaagt met ellend.
395 Die meer zijn zaad bemint als God, verdient alrecde
In \'t huis der kindren Gods te missen zijne stede:
En die Gods akker-veld wil bouwen, is verplicht
Hem nimmermeer te biên een weigrig aangezicht."
De Vader, dus versterkt, verfrischt zijn treurig wezen,
400 En roept: „o Abraham! schept moed en wilt niet vreezen:
De wereld, Adam, t\' vleesch zijn in U t\' onderbracht,
De Geest, f Geloove, en God zijn nog uws levens kracht.
O, God! door uwen Geest geeft, dat s\' geloofs vertrouwen
Mijn hand verzelle, ook dat van verre ik mag aanschouwen
405 Des waren Isaacs beeld, en dat \'t slacht-offer zoet,
En d\' offraar mogen zijn gewasschen in zijn bloed!"
Nog naauwlijks eindigt hij, oft om den slag te geven
Heelt hij met macht alreê den sabel opgeheven,
Oft \'s Alderhoogsten stem komt donderende voor
410 Dit schouw-spel, en verlet zijn geest, zijn hand, en oor:
„Abraham! \'t is genoeg; houd, Abraham! laat blijven!
Herscheid, herscheid uw staal! \'K wil niet uwszoons ontlijven:
\'K hebbe een volkomen proef van uw Godsvruchtigheid:
Voor \'t doen neme Ik de wil, die daar was en bereid."
415 Abraham looft den Heer\', \'t slacht-offer van de koorde
Ontslaat hij op den velde, en aan den zelven oorde
Hij zeldzaam eenen ram met d\' hoornen vind verlet,
Met welkers bloed devoot hij \'t groenende altaar smet.
\'t Geweldigst heldenstuk, dat \'t edelste gemoed
420 Der dichters ooit verdichte, uw daden wijken moet,
En deze Wet, die d\' hand uws afkomst voor zal schrijven,
Zal naauw een slecht verhaal zijn van uw stout bedrijven.
Een ander roem, die \'t lust, uw overwinnend\' hand,
Uw ongedempt gemoed, uw goedheid, uw verstand,
425 En uw rechtvaardigheid, die de onbesnedene eeren,
Mijn zwakke scheepken schroomt op die zee te laveeren:
Mijn dicht zal uw geloof niet in \'t geheel verbreên,
Maar d\' honderderlei vrucht bij haar geteeld verscheen;
Ik wil geene andre stof (deze hebbe ik uitgezonderd)
405. Jesus. — 412. Herschciden, opsteken, weer in de schee doen. —
428. Verscheen, onderscheiden, in \'t licht stellen.
-ocr page 193-
DE VADEREN.
i"9
430 Nog eer als melden, ik \'t wil aanzien als verwonderd.
Slaat, Heidenen! de blaan op van uw boeken vrij,
Verhaalt, in \'t lange en breede, uw kinder-moorderij
Op de altaars van uw Goón, haalt op uw schrijfpampieren,
Uw tempelen doorloopt en mids door d\' offervieren,
435 Die uit vermaardheids lust uw vaadren blaken deên, ■—
Onmoog\'lijk is \'t, dat gij mij wijzen moogt zulk een
Beeld van godsvruchtigheid, daar \'t luk zoo strijdt ten toone;
Daar Vader en daar Zoon min Vader blijkt en Zone:
Daar d\' ijver van een mensche en Gods meêdoogendheid,
440 De een d\' ander om den krans in vrundschaps plicht ontzeit.
D\' een offert zijn geslacht uit nood en dwang den Goden,
Een ander om, met zijn onnoozel kind te dooden,
T\' ontsterflijken zijn naam; een ander voor de schrik
Van \'t dreigende ongeval; een ander dat hij schikk\'
445 Naar \'t oude exemplaar van \'s lands gewoont zijn zeden,
Die ons gezicht verblindt, die wreedeiijk de reden
Uit haren zetel stoot, en die geveinsd verbeeldt,
Dat zondigende men \'s deugds personagie speelt;
Maar, zijn zelfs over-Heer, wil Abram te dier stonde
450 Op \'t eenzaam steil gebergt begaan een vlek en zonde,
Atgrijslijk voor d\' Hebreen, en nog ter zelver tijd,
Als d\' Hemel gaaf-rijk hem heeft mild gebenedijd,
Ontzegt natuur ten strijde, en, ijvrig op de beenen,
Verdoende zijnen Zoon, bekrijgt zich zelfs met-eenen.
455 Mijn kunst-Godin! die niet uw dichters t\' voorhoofd fier,
Op den Parnas, omvlecht met brozen lauwerier,
Maar op \'t doorluchtig blaauw van \'s Hemels zolderingen,
Uw pruik met groene blaan gaat kransen en omringen,
Zegt, wat geheimenis (want \'t is u naakt en bloot)
4<5o Verschuilt dees heil\'ge schorse? o, Duivel, Zonde, en Dood 1
Ontsteldij niet van angst, van spijt te rugge vliênde,
Hier uwen ondergang naakt afgeschilderd ziende?
Dat, met gespannen boog, God op u mikt gewis,
Dat Isaac \'t recht patroon uws overwinners is:
465 Beids zijn zij wel bemind haar vaders eengeboren,
Beid\' heil\'ge stichters van twee volk\'ren uitverkoren,
Van heil\'ge Vaders beids, zij trossen beide haar hout,
Onnoozel, stemmeloos, oodmoedig, en niet stout;
Gekneveld zijnze beid\', en beiden zijnze onschuldig,
470 Van hare Vaadren beids ter dood geschikt geduldig,
440. Ontzeit, ten strijde daagt. — 445. Exemplaar, voorbeeld. —
453. Ontzegt, ontbiedt.
-ocr page 194-
i8o VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Op Sions heil\'gen berg, die, hoog en heerelijk,
Ons als een ladder strekt naar \'t eeuwig Hemel-rijk,
Ons t\' Paradijs ontsluit, daar Adam uit most vluchten,
En voortbrengt \'s levens Boom met zijn heil-rijke vruchten.
475 \'t Is waar, dat Christus sterft, en Isaac overschiet,
Vermids zijn sterflijkheid tot ons verlossing niet
Genoegzaam was voor Gode; ons misdaad, veel te snoode.
Was een veel eedier bloed en eeuwig zaad van noode. —
VORSTELIJKE
WAARIN
de Zeden-rijke Philosophie,
POËET1ESCH, MORAAL, EN HISTORIAAL,
VERMAKELIJK EN TREFFELIJK WORDT VOORGESTELD.
Met Exemplen uit de oude Historiën, in Prose ende Uitleggingen in
Rijm verklaard: Ook met aardige Afbeeldingen gecierd, ende konstig in
koper gesneden door Marais Gerards, schilder.
Alles tot zonderlingen dienst ende nuttigheid voor alle-
Staten van menschen uitgegeven. Amstelredam. Bij Dirck Pie-
tersz. boekverkooper op
V Water, in de Witte Perse, recht over de
Koren-merct. Anno
1617.
VERMAKELIJKE
I N L E I D I N G E
TOT DE
VORSTELIJKE WARANDE
DER ONVERNUFTIGE DIEREN.
Tsa, makkers! \'t zeiltjen strijkt, en stieret jacht te lande,.
Opdat wij onzen geest ginds in die groen Warande,
Een vorstelijke plaats, ververschen in de schaauw:
De zonne steekt te zeer, haar hette maakt ons fiaauw.
5 De schoot van \'t binnen-meer is spiegel-glad en effen.
Het windeken dat slaapt, geen baren zich verheffen.
XF. Deze fabelen, in i6ij verschenen, zijn berijmd als text op de plaatjens
van den schilder en graveur Marcus Geeraerts, in der tijd vervaardigd voor ,JJi
varachtige fabulen der Dieren door Eduard de Dene. Brugghc, Pieter de Clen%.
-ocr page 195-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 181
Koomt, volgt mij op het spoor, en houdt dit binnen-pad.
Van nuchtren morgen-dauw zijn nog de kruiden nat.
Wij naardren meer en meer, de lust-pïaats loopt ons tegen.
10 Hoe aardig heeft Natuur beschilderd deze wegen!
Hier is\'t, daar \'t wezen most: Hou, sluiter! opendoet!
Hij wordt mijn stem gewaar, en loopt ons te gemoet.
Hof-wachter! oorloft doch dees Heeren en Jonk-vrouwen,
Dat zij de cierlijkheid van deze plaats aanschouwen.
15 Uw moeit\' vergolden wert. Koomt, vrunden! treedt vrij aan,
Ontschuilt der zonnen brand in schaduwende blaan.
Dat ieder-een van ons zich inbeelde in de zinnen,
Dat wij al Graven zijn, Baroenen, en Gravinnen,
In \'t nutten van haar weelde en haar wellustigheid,
•20 Daar menig d\'Hemel om zijn wellust heeft ontzetd.
Wat hagen, groen van palm, zijn hier zoo glad geschoren?
Die doolhoofs-wijs gestrekt, gekrunkeld, ons verloren
Doen dolen hier en daar, zoo dat men hier in \'t groen
Van de eêl Cretensche maagd wel \'t klouwen had van doen,
25 Om volgen langs den draad, om eindelijk den blinden,
Bedriegelijken weg, en de open-poort te vinden.
Wij dolen heen en weer, en worden staags gestuit.
Wij zijn schier afgemat.... Hoe raken wij hier uit?
De Doolhof schijnt met ons zijn spotternij te drijven.
30 Wat geest heeft ons vervoerd? \'t Gezelschap moet hier blijven.
Men houdet mij te goede, ik ken \'t: het is mijn schuld;
fjóy" in kl. 4". Marcus Gccraerts schijnt in Engeland overleden te zijn, voor
1604. Hij had tot meester Maarten de Vos. In 16J2 verscheen, onder toezicht van
sldriaen van de Fcnnc, cene vergroote uitgave van Gccraerts\'\' teckeningen.
Vondel werd met de vervaardiging der dichtjens belast door zijn vriend Dierick
1\'ieterszoon Pers, die bij de „IVarande" een Voorreden schreef, welke wij maar
niet overnemen, even min als de op den titel vermelde Excmplen. De titel is
ook zeker van Pers. Volgends Van Vloten zijn deze „Warande"-dichtjens gevolgd
naar eenc reeks Fransene Sonetten in rjyS te ontwerpen verschenen en getiteld
„Ebattement moral des animaux"
V Is wel vreemd, dat Marcus Geeraerts hel
niet de moeite waard gerekend heeft bij
V gravecren de teckeningen om te keeren:
nu is, op vele platen, de linker rechter zijde. De man bij No. XIX slaat over
zijn rechter schouder, de Dief (XXVIII) draagt zijn rapier aan de rechter zij;
de Ridder (XXXVI) werpt zijn spies met de linker hand; de Smit (Uil) en
Ju pi ter (XLV) zijn ook linksch en eindelijk, waar uitdrukkelijk gezeid wordt,
dat de Aap, met den linker poot van de Kat de kastanjes uit het vuur haalt,
laat de kunstenaar het nut den rechter doen. Maar waar zal men zich over be-
klagen, als de beroemdste graveurs der XVIIe Eeuw met de meesterstukken van
Rubens niet anders gehandeld hebben!
Indien Van Lennep en Van Vloten onze editie der „IVarande", van 1677, gebruikt
hebben, staan zij schuldig aan veranderingen, die bijna nooit verbeteringen zijn.
9. Loopt tegen, komt te gemoet. — 24. Ariadne en haar kluw.
-ocr page 196-
i8a VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Ik, ik zal de oorzaak zijn, zoo gij hier blijven zult.
\'T gezelschap, zoo mij dunkt, vermoeid zou wel gelusten,
Te lesschen haren dorst en ergends wat te rusten.
35 Wat raad? hoe mogen wij ontsluipen zulk gevaar?
Of ergends een weerdinne hier op te speuren waar,
Zoo waar \'t gewonnen spel; doch, voor ons lijfs vermoeyen
Ziet aan de slinker zijde een schoon prieelken bloeyen:
Elk spoeye best hij mag!
Tsa, vrunden, zit hier om!
40 Uw asem wat verhaalt, gij zijt ons wellekom.
Een aangename rust ververscht den machtelozen;
En \'t herte, door den reuk van leliën en rozen,
Daar \'t roosmarijn tapijt is rondsom mee bestikt,
Niet weinig wordt vermaakt, verlustigd, en verkwikt.
45 Maar wat Lucretia, van maaksel wel besneden,
Verbergt daar in het groen haar blanke en naakte leden?
En dreigt haar zelfs de dood? Zij dreigt niet, och, zij steekt!
Zij kwetst haar zelven\'t hert! Ziet, ziet, hoe \'t bloed uitbreekt,
Hoe \'t bloed de wonde ontvloeit, en daalt met groot verlangen
50 Benedenwaards, daar \'t wordt behendelijk gevangen,
Door s\' kunstenaars bedrijf. Verschrikt niet, \'t is maar schijn!
\'T en is geen vrouwen-bloed, \'t is enkel rooden wijn,
Die Bacchus is gewoon te schenken voor de Vorsten,
En andre, die vermoeid hier in de schaduw dorsten.
55 Nu, vrunden! drinkt eens om, ziet, hier is wel te pas.
Op \'t kunst-rijk goud geschroefd een kristalijnen glas!
A-voust en doet bescheid; daar is nog in de tonne,
Laat omgaan met de Maan, of liever met de Zonne.
Gezelschap! brengt eens om, en koelt vrij uwen moed:
60 \'t Is niet Lucretiaas, maar enkel druiven-bloed,
\'T welk \'t beeld besloten houdt van binnen in zijn aadren.
Die wonderlijk geleid van elders haar vergaadren.
Zoo niemant meerder lust, zoo nemen wij verlof.
Vaart wel, Lucretia! zoo iemant wat te grof
65 Of te tyranniglijk u \'t bloed heeft afgezogen,
Denkt, dat versmachten dorst tot zulks hem heeft bewogen-
\'T is lang genoeg gedwaald, wij laten den Labrint:
Die hier ervaren is, wel fluks een uitkomst vindt.
De bloemhof ligt nu \'t naast, wiens bedden zijn als schulpen»
70 Heel uitheemscn van begrijp, daar menigte van tulpen
Als in slagorden staan, en steken haren kop
Veelverwig na de locht en na de sterren op.
70. Begrijp, inhoud.
-ocr page 197-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 183
Mij lust niet al d._ rest der bloemen te verhalen,
Daar Flora prachtig schijnt op \'t cierlijkst mee te pralen:
75 Als Zephyr haar omhelst, als zijn gezochtste bruid,
En violetten blaast met zijnen adem uit.
Zoo dikmaal hij haar kust in dalen en pricelen,
Wanneer zij onderling malkandren \'t herte ontstelen.
Hier heeft zijn zetel-stoel gebouwd de blijde Mei
80 Van thijm, van roosmarijn, en bloemen veelderlei.
Wat mengsels gloeyen hier! daar d\'hommelende bijen
Om zoeten honigzeem, haar wellust, komen vrijen.
Maar. laat ons om wat nieuws te droomen zijn bereid,
Vermids \'t vermaak gevoed wordt door verscheidenheid.
85 Tsa, opwaards met mij stijgt, op dezen lagen toren,
Die uit een eikenboom is wonderlijk geboren,
En zeven transen draagt, een eere dezer stee:
Van waar gij ziet beneên ontstaan een wilde zee,
Docr \'t springen van een born, gegroeid uit groene planten,
90 Dat als een schreyend beeld versmelt, aan alle kanten,
In vloeyende kristal, en \'t lijkt wel aan den schijn,
Als of t de filozoof Heraclitus wou zijn:
Die \'t alles, wat beschijnt het wankel licht der manen,
Beschreyensweerdig acht, met uitgestorte tranen.
95 Gij ziet hier weêrzijds \'t strang van ecnen oceaan,
Die op zijn glazen stroom voert kielen zwaar gelaan.
Walvisschen moogdij hier en monsters zien wanschapen.
Die visschen rispen uit en stroomen, als zij gapen;
Die \'t water dobbren doen, dat Tiphys is verveerd,
100 En Palinurus-zelf voor \'t slingren van haar steert.
Neptunus ziedij \'t hoofd en natten baard opsteken,
En dreigen met zijn vork de baren, die hem smeeken.
Op zijnen kinkhoorn maakt de Triton heesch geluid,
Dat al de WaLer-Goón en Nymfen kijken uit.
105 Maar, och! hij wordt verlust en bijster schier van zinnen,
Die dees Zeejuffren ziet, dees spieglende Meerminnen,
Die met haar-streelen staag bedrijven al haar pracht;
Dees snoert haar vlechten op, die om haar schaduw lacht;
Dees laat aan haar paruik \'t goud en gesteenten blinken
110 En peerlen, die zij raapt wanneer de schepen zinken;
Die kemt haar gouden haar, en wascht in \'t zoute nat
95. Strang, strand. Deze beschrijving kon op een voorstelling in grotwerk
en geglazuurd pottebakkerswerk slaan, als zij niet de volgende fiibeldichten
tot naaste voorwerp had. — 98. Die visschen en stroomen uitspuwen. — 99.
Tiphys, stuurman der Argonauten. — 100. Palinurus, de stuurman by
uitnemendheid (van JEnezs).
-ocr page 198-
i84 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Haar blinkende aangezicht en voorhoofd altijd glad.
Help, Nymfen! die u ziet, wie is\'t, die niet zou wenschen,
Dat gij mocht zijn geteeld van \'t bloed en \'t zaad der menschen?
115 Wie is\'t, die niet beklaagt, dat uw gestaltenis
Is boven navel mensch, en onder navel visch?
Maar ginder (zoo mij dunkt) uit een verburgen haven
Vliegt een galei in \'t ruim, door \'t roeyen van de slaven,
Randt een koopvaarder aan, die, op \'t verbolgen meer,
120 Zijn boeve-netten spant, en kloek zich stelt te weer.
Wacht, mannen, \'t geldt uw lijf! matrozen, houdt u onder!
Daar gaat een rookwolk op, gevolgd van eenen donder
En blixem des geschuts, dat eislijk van geluid
Vuur, water, aard, en locht blaast t\' zijnder kelen uit.
125 Het ijzer plompt in \'t nat, na dat het een geschreye
Heeft schielijk opgewekt, in \'t midden der galeye,
Die alszins is geverwd\' met klibber, brein en bloed:
Hier rolt een menschenhoofd, en ginder eenen voet;
In \'t midden van den storm groeit \'t herte van de Turken,
130 Die op haar halve maan en dikken tulband snurken;
d\' Hollander onversaagd, bralt met zijn princen-vlag:
d\' Hollander, die nog nooit verwonnen t\' onder lag.
Eer zou de lont in \'t kruit, in \'t midden van de baren,
Met zijn en \'s vijands hulk recht na de sterren varen,
135 Eer hij zich dwingen liet van een Mahumetaan,
En \'t ijzer aan het been zoo schendelijk liet slaan.
Mars raast noch even dol; hoe zal dien strijd zich endenV
De Turk het hert ontvalt, hij gaat het hoofd fluks wenden
Weer na zijn roof-nest toe; hij reist weer op een nieuw.
140 En d\' Hollandsche kartouw, die schenkt hem den adieu.
Gewis eens menschen oog en kan zich niet verzaden;
De geest en \'t hert zijn met verwondren overladen.
Best dalen wij omlaag en zien, waar zich nu rept
\'t Gevogelt, dat de locht met zijne vleuglen schept,
145 En hooger niet en stijgt als \'t net en wil gedoogen,
Dat haar gevangen houdt en alszins overtogen.
Den Arend krom gebekt is keizer van dit rijk,
Die Jupijns bliksem voert, daar elk voor knielt in \'t slijk;
De Kraan, de blanke Zwaan, de roode Kalikoenen,
150 De Gier en Paauw, dat zijn zijn Heeren en Baroenen.
Den Haan wil Koning zijn, om dat hij is gekroond,
Omdat hij moedig zich in \'t bloedig oorlog toont,
En zich mei d\' handschoen licht laat tot den kamp bekoren,
Vertrouwende op zijn moed en op zijn scherpe sporen.
140. Spreek uit ad ju, rijmend op nuw.
-ocr page 199-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 185
155 Hij heeft der boelen veel, zijn geile min hij bluscht,
Recht oft een Koning mocht al doen wat hem gelust!
De Papegaai is tolk, die aan d\' uitheemsche volken
Moet brengen \'s Konings wet en zijnen zin vertolken:
De Struis zijn rechter is, die \'t vierschaar steeds bedient,
160 En oordeelt in zijn naam, wie vijand is of vriend;
De Valk, als beudel, straft die \'t vierschaar heeft verwezen;
Verbidden hier niet geldt, als \'t vonnis is gelezen.
De Zwaluw, Muscn en Gans, de Duif, de Nachtegaal
En de Ekster brengen cijns den Keizer al te maal.
165 De Vleermuis en den Uil, als bloedige tyrannen,
Zijn eeuwig uit het hof in ballingschap gebannen.
Wiens herte niet ontluikt, die zulken vlucht bij-een
Gevlerkte borgers ziet, van maaksel onderscheên?
Eenparig d\' een verschijnt en d\' ander bont van pluimen.
170 Hoe kan men hier zijn tijd verspillen en verzuimen!
Tsa! gaan wij nu bespiên, waar \'t wild en on-gediert
Verschuilt in \'t donker woud en ons voor de oogen zwiert;
Dien heuvel welbeplant verstrekt eens Princen woning
Voor d\' onverwonnen Leeuw, der dieren hoofd en Koning,
175 Die hier zijn hof ophoudt, en, met een fier gemoed,
Na zijn raad-kamer treedt, gevolgd van eenen stoet
En uitgelezen hoop van wei-geboren dieren,
Die hoog geadeld zijn, en die zijn hoogheid vieren,
\'t Langhalzige Kameel; Heer Bokkaart lang-gebaard:
180 Het felle Panther-dier, en \'t welbeslagen Paard;
Heer Wolfaart en den Beer zijn \'s Konings opper-raden,
Die letten wat het rijk kan voordren en beschaden.
De Tijger veld-heer is in \'t ruim van dees vallei,
Daar hij het opzicht heeft van \'s Konings veld-armei.
185 Dien vreeselijken Dog, die de oogen wijd opsperde,
De trotsche Kapitein is van des Konings garde,
\'t Loos Reintjen is spion, die altijds op de straat
Doorsnuffelt wat\'er in de wereld ommegaat.
De Brak is Koertizaan, en d\' Hazen zijn lakeyen,
190 Die pronken aan \'t paleis met \'s Konings levereyen.
Den afgejukten Stier, den Ezel, en het Zwijn
Aan hofdienst, met de Kat, van ouds verbonden zijn.
De Baviaan, de Sim, en de Aap hier op tooneelen
Komedianten zijn, die \'s Princen farcen spelen.
195 Wie zag ooit schoonder jacht van alderhande wild?
Ziet, hoe d\'een in gedaante en verw van d\'ander schilt:
Hoe ruig den eenen is, en d\' ander tam van zeden!
158. De oude uitg. heeft niet wet, maar hert. — 161. Beudel, beul. —
169. Eenparig, gestadig. — 197. Ruig, ruw.
-ocr page 200-
i86 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Zoo iemand maar wat tijds of uren wil besteden
In \'t groen van dees Warande, en gaa slaan overal
200 \'t Gevogelte en \'t gediert, eerlang hij worden zal
Een treflijk filozoof, vermids des wijsheids leesten
Gevormd zijn na \'t bedrijf van vogelen en beesten.
Wie dan leergierig is. die voeg zich hier bij mij,
En laat geen leerenstijd onachtzaam gaan voorbij.
I. Van V Peerd ende den Voerman.
IJ Et slaafsche lastbaar Peerd, afwijkende te verre
Van \'t rechte wagen-spoor, geraakte met zijn kerre
In \'t diep van een moeras en slibberigen plas,
Alwaar \'t bijna versmoord en heel verzopen was.
5 De Voerman, al vergramd, zijn geesel-zweep doet klassen,
En roept: „O kreng! ontslaat ons d\' afgrond der moerassen."
Het ongelukkig dier trost wat het trossen mag;
\'t Hijgt bijna ademloos en voelt vast slag op slag.
Ten laatsten spreekt het dus: „O beudel! wilt u schamen,
10 Dat gij zoo armen guil (als ik) slaat \'t lijf vol stramen,
Daar ik mij zelf niet spaar, maar hale tocht op tocht,
Opdat ik uit dees\' gracht op \'t droog geraken mocht."
„Zacht (zegt den Voerman) zacht! zult gij mij wederstreven ?
Ik zal u stokken-brood in plaats van haver geven!"
15 Zoo sprekende hij den zweep rept met een groot geraas,
En touwt het taaye vel van \'t mager honden-aas.
„Onzalig is het land, daar van een woest, verwaten,
„Ondraaglijk wreed tyran verheerd zijn de onderzaten.
„Hij zuipt haar \'t vleesch en \'t bloed, en knaagt tot op \'tge-
20 „\'t Versteken overschot der schameler gemeent. (beent
„En zoo daar iemant kikt, die moet (wat boozer plagen!)
„Een drie-maal zwaarder juk als ooit voorhenen dragen.
II. Van den Leeuw ende Vos.
l~)En onverwonnen Leeuw, der dieren Opper-koning,
Zich veinsde doodlijk krank in zijn gewelfde woning.
En daagden al \'t gediert ten hove, op groote peen
Wie daadlijk niet verscheen tot voorstand van t gemeen:
5 Vermids hij zaken hadde haar allen te verbreiden,
Nut tot den stand zijns rijks, als hij zou zijn verscheiden.
Elk volgt zijns Konings last; al bevende, uit ontzag,
Verschijnt in \'t groot paleis op den gezetten dag.
I. 7. Trost, torst. — 20. Versteken, verworpen.
-ocr page 201-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 187
Elk komt er, uitgezeid de Vos, de loost\' van allen,
10 Die heeft in al dit spel een wonder kwaad gevallen,
Neemt op de stappen acht, die hij in \'t zand ziet staan,
Verneemt dat niemant keert van al die derwaards gaan;
Dies spreekt hij bij zich zelf, al toornig en verbolgen:
„Te recht zij beesten zijn, die bundeling dus volgen.
15 De stappen die in \'t zand, gestrekt na \'t groot paleis
Klaar toonen, waartoe wil gedijen zulken reis,
Vermids van veelen niet een van ons meed-gezellen
Weerkeerden veilig, om \'t geschiede te vertellen.
„Gelukkig is de man, die, uit een rijp beraad,
20 Van \'s Princen tyrannije en wreedheid \'t net ontgaat;
„Die uit \'t gevaar zich houdt van strikken opgehangen,
„Daar \'t arme slechte volk te licht zich in laat vangen.
III. Fan den Eike ende Olmboom.
T~)En schaduwenden Olm bad d\' Eik, der boomen koning,
Dat, zonder lang verdrag, oft eenige verschoon ing,
Hi) \'t bladerijk geboomt, dat om hem stond gegroeid,
Ter aarden vellen zou: opdat hij, schoon gebloeid,
5 Zich heerlijk toonen mocht, en zonder eenig kommer
Zijn groente breiden uit en veel begeerde lommer.
Maar als den rijpen Eik zijn schalkheid werd gewaar.
Sprak hij: „Waar blijve ik dan op \'t strengste van het jaar,
Wanneer den zuren herfst en winter met zijn buyen
10 Als uitgelaten heel zoo fel begint te luyen,
Dat mijn volwassenheid noch dikte komt te sta,
Hoe diep in d\' afgrond ik mijn kromme wortel sla;
Ten zij een dikke schaar van beuken, elzen linden,
Afschutten \'t mijner baat \'t gebulder van de winden?
15 Dies ik uw schalkheid spoor wel tastelijk en grof,
En t\' uwer straf verban u eeuwig uit mijn hof."
„Gij, Vorsten! luistert toe, en wilt dees leering vaten:
„Dat s\' Princen heil bestaat in \'t heil van de onderzaten;
„Dat hij gelukkig is, die s\' vleyers tong ontgaat,
20 „En van \'t gezelschap der lof-tuiters zich ontslaat,
„Diens eenig doel-wit is den pias-dank van haar Heeren,
„En, tot den bodem toe, de rijken om te keeren.
IV. Van den Eazilhk ende V Wezelken.
IJ Et wreede, onmenschlijk dier, dat, eiselijk en straf,
Den menschen blixemt met een oogenwenk in \'t graf,
II. 9. Uitgezeid, uitgezonderd. — 22. Slechte, eenvoudige.
-ocr page 202-
188 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
De felle Bazilisk, beloerden en bewaakte
Een Wezelken, \'twelk staag zijn duister hol genaakte;
5 Een Wezelken, \'twelk staag zijn aas aldaar ontrent
En dagelijkschen roof te halen was gewend.
\'T welk, als het nu gewaar werd s\' Bazilisken treken,
Zoo heeft het hem beraan om \'svijands macht te breken,
En met een taksken groen van ruiten zich bedekt,
10 Van ruiten, \'twelk voor \'t gift een tegen-gift verstrekt,
Ja, eindelijk vermag den Bazilisk te dooden.
Dies heeft het dagelijks zijn vijand t\' hoofd geboden.
„Het welk den zwakken leert, dat hij zijn zaak gewis
„En wijs beleiden zal, om hem die sterker is
15 „Met uiterlijk geweld zoo zeer niet te bespringen,
„Als door voorzichtigheid en kloekheid te bedwingen.
„Veeltijds de sterke zijn door kloeker t\' onderbracht,
„Want list (gelijk men zegt) gaat dikwijls boven kracht.
V. De Aap met haar jongen.
T~)Er Bavianen nicht vol kluchtige praktijken,
Die baarde t\' eender dracht twee kindren haars gelijken,
Die welk zij ongelijk heeft t\' zamen opgekweekt:
\'T een zij met liefde omhelsde en lieflijk heeft gesmeekt:
5 Het ander zij verwerp en liet het in groot lijen,
Als of het waar geweest onecht van bastaardijen;
Daar \'t nochtans wetlijk, als het ander, dalen kwam
Van \'t baviaansche bloed, den rechten Apen-stam.
Het ander dertel dier zwom vast in duizend weelden,
10 Het buitelden op \'t hoofd, het dansten en het speelden,
Tot dat, bij ongeval, o droevig apen-wee!
Het zijnen linker poot zeer deerlijk brak in twee.
De moeder Simme was begaan om \'t kind te sussen,
Maar laas! t\' en holp al niet, t\' en vraagde na geen kussen.
15 Zij drukten \'t aan de borst, het was te zonderling!
Zoo lange tot de ziel het arme wicht ontging.
De moeder was bedroefd, zij huilden en zij schreiden,
Maar \'t rechte wit-broods kind, dat was en bleef verscheiden.
„Gij ouders, die uw vrucht met zotte liefde aankleeft,
20 „Neemt hier een spiegel aan, en ziet wat loon \'t u geeft,
„Als gij uw kind opkweekt, wild, dertel, ongebonden,
„Groeit in zijne ijdelheid en lacht in zijne zonden.
IV. 16. Kloekheid, slimheid.
-ocr page 203-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 189
VI.  De Leeuw e en V Peerd.
T") E Leeuw, \'t ontzaglijk dier, \'t Peerd ziende \'t gras aflezen,
Zeer listig tot hem trad, en veinsde zich te wezen
Een wei-ervaren arts, die, door kunst-rijke list,
Tot allerlei gebrek en krankheid hulpe wist.
5 Maar \'t Peerd, niet minder loos, riep: „O, ter goeder uren
Heeft u Apollo hier tot mijwaards willen sturen!
O ^Esculapi, komt, uitnemendste doctoor!
Treedt herwaards met uw kunst en komt mijn kwale voor:
Want mijnen achtervoet mij bang maakt en verlegen,
10 Vermids een groot gezwel, daar onlangs aan gekregen;
Ontzegt uw hulpe niet, is \'t anders in uw macht;
Besmeeret met uw zalve, opdat het wat verzacht."
De Leeuw veinst zich gereed s Peerds achter-voet te heelen,
En schikt zich achter aan: dan \'t Ros slacht niet den schelen,
15 Het slaat den loozen arts \'t hoef-ijzer voor den kop,
Dat hij ter aarden ligt, éen-slaags, met éenen klop.
„\'t Gaat zoo gemeenlijk, dat die andren meent te plagen,
„Die wordt eerst zelf geplaagd en moet zijn straffe dragen;
„Die andren \'t net voor-spant ott eenen kuil bereidt,
20 „Eerlang zelfs in den strik oft in den afgrond lett.
VII.  De Vos en de Kraan.
7~)E lang-gebekte Kraan den schalken Vos vergasten;
De Vos, die op de koomst van zijn vrundinne pasten,
De spijzen rechten aan, in \'t plat van een platteel;
Dies pronkten Juffrouw Kraan, maar Reintjen kreeg zijn deel.
5 Dit heeft haar tot in \'t hert verdroten en gespeten,
Doch heeft zij \'t ongemerkt voor suiker opgegeten;
Ter tijd zij om haar leed te wreken was gereed,
En Reinert ook genood haar tafel heeft bekleed;
Maar \'s Kranen loosheid heeft hij haastelijk vernomen,
10 Toen hij \'t eng-halzig vat met spijs ter disch zag komen.
De smetsende weerdin spreekt \'t looze Vosken aan:
„Hoe, Reynaart! eet gij niet, laat gij mijn spijze staan?
Hoe smaakt mijn disch-gerecht?" de Vos, die spreekt ten besten:
„Die met een ander spot, wordt zelf bespot ten lesten."
15 „Want wie met andren schempt en houdt zijn spotgeral,
„Denk\' vrijlijk, dat hij weer beschempet werden zal.
VI. 14. Slacht niet den schelen, gelijkt niet op den scheelziende, op
hem, die averechts kijkt en doet. — VII. 1. De s. Vos had de ... Kraan te
gast. — 11. Smetsende, smullende.
-ocr page 204-
ipo VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
VIII. Paanw ende f Nachtegaal.
T~)E schoon-geveêrde Paauw aanhoorde, met begeeren,
Het Nachtegaalken in de wilgen quinkeleeren,
En werd bijna verliefd op \'t liefelijk gezangk
En \'t goddelijk muziek, dat uit de takken klank.
5 Ten laatste sprak ze aldus: „O moeder aller dingen!
Nature, die mij voor veel andren zonderlingen
En heerlijk hebt gccicrd, hoe was ik zoo onweerd,
Dat gij welzingens kunst met mijnen gouden steert
En eersleep niet te gaar hebt willen huwelijken,
10 Opdat ik zoo alszins der vooglen roem mocht strijken!"
Nature toen ter-stond heeft \'s Paauws ondankbaarheid
Berispt, om dat met \'t gene haar rijklijk bijgeleid
Zij niet en was vernoegd; gelijk, tot geenen tijden,
Het Nachregaalken niet s\' Paauws voordeel zal benijden,
15 Maar zich te vreden houdt met \'t gene haar is gejond.
„Indien ook (zeide zij) het elkeen waar vergond,
Tc hebben \'t gene hij wenscht, \'t stond grootelijks te vreezen
Dat met vernieuwen ik alsteeds zoii bezig wezen."
„Gij, die met uwen staat noch eens ontvangen lot
20 „U nimmermeer vernoegt, maar opstaat tegen God
„En der Naturen wet, leert met vernoeging leven,
„Noch wenscht niet na hetgene een ander is gegeven.
IX. Van de Wolven ende Schapen.
T~)E Schapen hadden met de felle Wolven t\' zamen
Een heftig krijg-geschil; dies haar te hulpe kwamen
De wakker Honden, die zich toonden al bereid,
Haar zaak t\' handhaven en haar groote onnoozelheid.
5 De Wolven, buiten hoop van de overhand te houden,
De Schaapkens boden aan (indien zij \'t haar vertrouwden)
Te handelen van vreed\': mits dat, van stonden aan,
Zij d\' Honden zouden als in gijzeling ontvaan,
En daarvoor wederom de wolfkens tot haar zenden.
10 De Schaapkens stemden zulks. O, droefheid! wat ellenden
Genaakten haar zoo fluks! Van d\' Honden zij ontbloot,
Het een na \'t ander van den Wolfkens werd gedood,
Al d\' honden waren van den Wolventand verbeten. —
„Zoo varen zij. die licht der ouden leer vergeten,
15 „Dewelk ons streng verbiedt, dat zich een ieder wacht
„Te stellen zijn geweld in s\' vijands wil en macht;
„Noch dat wi) nimmer ons in slaap en laten wiegen
„Van hem, die al van ouds gewoon is te bedriegen.
-ocr page 205-
VORSTELUKE WARANDE DER DIEREN. 191
X. Van de Leeuw ende f Muisken.
~V\' En weet bij wat geval de Leeuw, met groot verschrikken,
Zich vond op \'t onverzienste in toebereide strikken,
Het zij door s jagers list, die \'t ongediert belaagt,
Oft ander ongeval in \'t looze net gejaagd.
5 De Sterke is in gevaar, hij worstelt naar vermogen,
Maar wordt hoe langs hoe meer daar dieper ingetogen.
Dies hij zijn stem verheft en eiselijken brult,
Dat \'t gantsche bosch alom is van \'t geroep vervuld.
Een Muisken bij geval daar dicht omtrent geslopen,
10 Op \'t schallende gekrijsch koomt \'t zijnder hulp geloopen,
En knaagt den strik in twee, met dankbaarheid en vreugd
Vergeldende des Leeuws heel korts bewezen deugd.
„Koomt herwaards, spiegelt u, gij Koningen en Heeren!
„En houdt zoo wel de kleinste als de aldcrgrootste in eeren,
15 „Vermids hier niemant is zoo machtig noch zoo groot,
„Of de alderkleinste kan hem oorbaar zijn in nood.
XI. Van de tVind, Zonne, ende JVandelaar.
T")E sturen Boreas wel sterkelijk beweerde,
Dat hij de schoone Zon in mogendheid passeerde.
Zulk roemen Phcebo docht een al te grooten spijt,
Fluks dagende overzulks den blaas-kaak uit ten strijd.
5 De Noord-wind was gereed, liet zich ter plaatsen vinden,
En snorkte, dat hij was de sterkste van de winden.
Zij maakten een verdrag, d\' een voor en d\' ander naar,
Te proeven hare kracht op eenen Reizenaar.
De Bulderaar began, en blies met volle kaken,
10 Wierp eike-boomen om en hoog-gerezen daken.
De Reiziger terwijl hield zijnen mantel vast,
Spijt wat hij blazen mocht, wel stijf om \'t lijf gepast.
De Wind, na lang geruisch, niet ziende te vermogen,
Gaf oorlof, dat de Zon nu ook haar kracht mocht toogen;
15 De Zon, die zoetelijk uit \'s Hemels gouden dak,
Op \'t hoofd des Reizenaars met heete stralen stak,
Dat, zweetende, ademloos, zijn kleedren hem verdroten,
En zich van s\' mantels last genoodzaakt was t\' ontblooten.
„Gij, die te streng regeert, leert wat een macht, vermengd
20 „Met re\'en en zachtigheid, al nuttigheid toe-brengt.
„Gematigde heerschappij onbuigelijke lieden
„Veel dragelijker valt, als al te streng gebieden.
X. 16. Oorbaar, nuttig. — XI. 1. Boreas, Noordenwind.
-ocr page 206-
i92 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
„\'T gemeene Volk, dat haat een al te korten lijn,
„\'T wil liever zacht geleid, als hard gedwongen zijn.
XII. Fan de Mier ende Krekel.
T~)E maagre Krekel, nu van \'s winters kou besprongen,
Zocht aan \'t kloek Mierken heil, tot bedelen gedrongen,
En met een heesche stem viel \'t bezig dierken aan:
„Erbermt u, Juffrouw Mier! en om een weinig graan
5 Mij ongetroost niet laat, noch hongers nood bezuren;
Mijn armoe wat vervult, en opent uwe schuren."
Maar \'t wakker beestjen, vrij van kommer en ellend,
Den krekel heeft aldus zijn traagheid voorgewend:
„Draagt nu verschulde straf, draagt nu \'t vermaledijden,
10 Die al den zomer sleet in wellust en verblijden,
Die de aangename tijd en zegen hebt veracht,
En slempende uwen oogst verkwist en doorgebracht."
„Het kostelijke pand en kleinood uitgenomen,
„Is de altijd vliende tijd, die, huiden omgekomen,
15 „Niet morgen wederkeert. Wijs is hij van beraad,
„Die \'s tijds gelegenheid beoogt en gadeslaat;
„Die op geen weelde steunt, noch die, hoe hoog gezeten,
„De aanstaande zwarigheid lichtveerdig gaat vergeten.
XIII. Van den Wolf en de Kraan.
T)E Wolf, der Schapen vrees, door \'t al te gulzig slikken
Aan een verzwolgen been schier meende te verstikken;
Dies hij, op hoop van hulp, de langgehalsde Kraan
Met veel beloften heeft verwil\'gd, zijn leed t\' ontslaan.
5 De Kraan, op winst verzot, heeft stout en onverschrokken
Uit de opgesperde keel des Wolfs het been getrokken;
Maar als zij nu om loon heeft (wel verdiend^) getaald,
Heeft met deze andwoord haar \'t geholpen dier betaald:
„Wat plompheid kleeft u aan, dat gij nog eischt belooning!
10 Óf is niet loons genoeg de erbarmlijke verschooning,
Zoo dadelijk betoond, doen ik, hoe wreed geaard.
Uw keel in mijne keel meêdoogende heb gespaard?
Dus uwer straten gaat, gaat henen uwer straten,
En \'t leven hebt te loon, dat ik u heb gelaten!"
15 „De ondankbre nimmermeer \'t erkennen is bereed
„De weldaad en de deugd, die aan hem is besteed;
„Zich-zelven kent hij niet, blijft trotsch, stout en hovaardig:
„\'t Koomt (waant hij) hem al toe, en is nog meerder waardig.
-ocr page 207-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 193
XIV. Z)\' Esschenboom en V Riet.
T~)En dik gegroeiden Esch, wiens steile toppen gingen
Recht na de sterren toe en s\' Hemels zolderingen,
Trotseerde, dat hij stond verheven in \'t foreest,
Spijt d\' alderfelste storm en allerlei tempeest;
5 Braveerde, dat hij was veel sterker van vermogen
Als \'t Riet, dat van de wind al stadig wordt gebogen;
Als \'t wankelbare Riet, dat siddert, schudt en beeft
Voor d\' alderminste koelt\', die langs de velden zweeft.
Hij eindigt naauw, een bui ontstaat met sneller vaarden,
10 En velt den Esschen-boom ontworteld uit der aarden.
T\' Riet, speurende de val des genen, die ter-stond
T\' gebladerd hoofd opstak en hoog verheven stond,
Dus bij zich zei ven spreekt: „O, veilig wonderbaarlijk
„Is nederigen staat voor hoogheid, die gevaarlijk
15 „Het onderwerpsel is van allerhande leed,
„En schielijk wordt gedreigd te vallen eer men \'t weet.
XV. Van den leugenachtigen Schaapherder.
PEn, die met d\' Herder-staf de wit gewolde kudden
Voor \'t ongediert op \'t veld belast was te beschudden,
Uit schalkheid menig maal zijn luide stem verhief:
„Help, wapen! wapen, help! en weert den schapen-dief!
5 De Wolf mijn kudd\' belaagt, en ligt hier bij geslopen!"
De land-liên kwamen fluks tot onderstand geloopen,
Zoo lange tot, van hem bedrogen menig maal,
Zij sloegen in de wind zijn schalke logen-taal.
Ten lesten kwam de geen, die vast op jonge lamren,
10 Dies d\' Herder deerlijk kreesch, het zoude een mensche jamren:
„Help! nageburen, help! mijn kuddeken lijdt nood,
De Wolf van \'t beste Vlies mijn schaaps-kudd\' heeft ontbloot!"
Zijn roepen was vergeefs, vergeefs was \'s Herders weenen,
Zij dachten: \'t is bedrog, hij liegt gelijk voorhenen.
15 „Zulks en zoodanig is der logenaren loon,
„Diens goddelooze tong te liegen is gewoon:
„Al spreekt hij somtijds schoon de waarheid zonder liegen,
„Men geeft hem geen geloof, die lust heeft in \'t bedriegen.
XIV. 3. Trotseerde, liet er zich op voorstaan. — XV. 12. Vlies,
schaap (van de wol). — 17. Al s. h. s. Schoon, ofschoon.
vondel I.
13
-ocr page 208-
194 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
XVI.  Van V Zwijn ende den IVolf.
T~)E Wolf een vuile Zog ziende in den misthoop liggen,
Die, zwanger, nu bestond te stenen en te biggen,
Zich vroemoêr heeft geveinsd, en haar, in biggens smert,
Te helpen aangeboön uit een meêdoogend hert;
5 Zulks heeft de vuile Zeuge al morrende afgeslagen.
De Wolf, om zulken roof te beter te belagen,
Erbood zich minne-moêr te willen zijn van \'t spek,
Dat nergends beter groeit als in zijn eigen drek.
Maar als de Bigster nu bemerkten s\' Wolves treken,
10 Zij met deze antwoorde is der dieren schrik ontweken:
„Gaat henen, Jonker Wolf! uw smeer en pelsen huid
Betuigen, wie gij zijt; zoekt elders uwen buit."
„Gij, die nog menschen wilt in deze weereld schijnen,
„En doodt d\' aanstaande vrucht uws lichaams met venijnen
15 „(Ik laat \'t opvoeden staan); — koomt herwaarts, en ontwaakt:
„Ziet, hoe het vuilste beest, de Zeuge, uw vonnis maakt!
,,T\' zijn hoeren, die haar lief onechtelijk omarmen;
„Maar duivels, die de vrucht haars lichaams niet beschermen.
XVII.  Fan een hoveirdig Muil-dier.
T*\\E gladde Muil, gestald aan eener voller kribben,
Zich mesten rond en bol, dat \'t smeer kleefde aan de ribben,
Vermids hij noch met last noch arbeid was bezwaard,
Waarom hij weeldig werd en brieschten als een paard,
5 Beroemende \'t geslacht, waarvan hij was gesproten,
Ja, van veel eedier bloed als al zijn tijdgenoten,
Verheffende zijn deugd en draf-geleerdheids kunst,
Waardoor hij t\' hemwaards trok zijns Heeren oog en gunst,
Waardoor hij overtrof Ros-Bayaard in \'t pikeeren,
io In ren of in toernooi, in springen of in keeren.
Maar als de Muil op \'t lest werd voortgebracht in \'t perk,
En op zijn traagheid-van-naturen nam gemerk,
Als de andre hengsten hem zoo wijd te boven gingen,
Het zij in wakkerheid van draven of van springen:
15 „Nu (sprak hij) merk ik licht, als ik mi) zelven ken,
Dat ik van \'t ezels bloed van ouds gesproten ben."
„De roemers varen zoo, die zot haar zelfs flatteeren,
„En roemen van hetgeen zij in-der-daad ontberen;
„Of iemant duizend-maal met roem zich zelf bekroont,
20 „De ervarentheid betuigt, wat deugd bij iemant woont.
XVII. 7. Draf-geleerdheids kunst, de kunst van te hebben leeren
draven. — 9. Ros Bayaard, \'t paard van de Vier Heemskinderen. — Pikee-
ren, onder den man rijden.
-ocr page 209-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 195
XVIII. De JVolf, in V schaaps-kleed, voor de kooi van V Schaap.
T~)E Wolf kwam tot de kooi der wapenloze schapen,
Vermomd met \'t lamren-vel, om d\' Hamel te betrapen,
En bad hem, dat hij zich vervoegen wilde in \'t woud,
Dat als een schoon prieel was loof-rijk opgebouwd.
5 Maar d\' Hamel zeide: „Ik zoude u geerne gaan verzeilen,
Indien gij waart een Wolf, die u te weer mocht stellen,
Zoo eenig ongediert ons overviel in \'t groen."
De Wolf, gelijk verheugd om zulk een andwoord, doen
Van \'t schaaps-vel zich ontsloeg, en sprak: „Tsa, gaan wij
wakker!
10 Ik ben de Wolf, uw vrund en aldertrouwste makker."
„Neen," sprak den Hamel doen, „gaat uwer straten heen,
Én hebt met uws gelijk uw lust en vreugd gemeen;
Mijn schaaps-kooi ik behoe, ter tijd ik, t\' mijnder bate,
Een trouw gezel bekoom, daarop ik mij verlate:
15 Genoeg heb ik geleerd, aan deze uw vreemde pert,
Dat onder \'t schapen-vel school \'t wreede wolven-hert."
,,T\' is al van ouds, dat, om d\' onnoosle te verlokken
„De wreede \'t schapen-vel arglistelijk aantrokken;
„De schijn veeltijds bedriegt; dus is hij wijs bedacht,
20 „Die Jonker Wolfaart vreest, en zich voor \'t schaaps-vel wacht.
XIX. Een Herder ende een Afgod.
pEn Ossen-herder, tot afgoderij genegen,
Aanbad een houten-God, om rijkdom en om zegen;
Hij lag op \'t aardrijk neer, en bad de Godheid aan,
Opdat hem \'t heilig hout van armoe mocht ontslaan.
5 Maar als hij moê gebeên, na blinder luiden zeden,
Noch schat noch rijkdom kreeg tot loon van zijn gebeden,
Hij, met een stalen aks, den af-God ging te keer,
Die brekende den hals viel van \'t hoog altaar neer,
Uitstortende een threzoor van schijven, die (uit zorgen)
10 Daar iemant voormaals in had bij geval verborgen.
Dies d\' Herder sprong van vreugd\', en riep: „o Godheid mijn!
Uw weldaad niet verbeên, maar wou gedwongen zijn!"
„Wat weldaad iemant doet, met kracht daartoe gedwongen,
„De zulke ontbeert den lof op des ontvangers tongen;
15 „Wie willig als van zelf zijn naasten deugd bewijst,
„Veroorzaakt, dat men hem voor zijne mildheid prijst.
XVIII. 2. Betrapen, betrappen, verschalken. — 11. Uwer straten,
uws weegs.
-ocr page 210-
ip6 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
XX. De Vos en de Katten.
T~)E schalke Vos op \'t veld de Katten vast verzelde,
En van zijn listigheid veel snorkende vertelde,
Dat aller Katten doen en hand-werk (hoe men \'t acht)
Was muize-vangerye en enkel ratten-jacht.
5 Terwijl zij onderlinge aldus in \'t twisten rezen,
En Reinert boven haar d\' uitnemendste wou wezen,
Een koppel honden haar te schielijk overkoomt;
De Simmen klavren in de takken van \'t geboomt;
Maar Reintjen, in gevaar, niet wetende waar vluchten,
10 Is fluks der brakken roof, en spreekt met diep verzuchten:
„Hoe ijdel is de roem des genen, voor gewis,
Die op de Katten smaalde en nu haar schouwspel is;
Wanneer hij in gevaar, ja, hoop en troost ten einde,
Haar vlijtigheid aanschouwt en zelfs blijft in ellende!"
15 „Die schier vergoded schijnt en alles hier toelacht,
„Zich voor \'t beroemen hoede en voor \'t bespotten wacht;
„t\' Geluk is wankelbaar; wel hem, die wijs beraden
„Zorgvuldelijk zich wacht van andre te versmaden
XXI. f Serpent en Aanbeeld.
\'T\' Scherptandige Serpent belust was te vermalen
Een Ambeeld, herd van staal en ijzer teenemalen,
Maar kon verwinnen niet op zulken ijsren romp;
En maakte t\' aanbeeld niet, maar al zijn tanden stomp.
5 Als nu des diers gebit ten lesten was bedorven,
Heeft het van t\' Aanbeeld tot een andwoord dit verworven:
„Wat dolheid gaat u aan, dat, met uw scherp gebit,
Gij om mijn herdheid te verbrijslen zijt verhit!
Laat af, laat af in tijds, al waren uwe tanden
10 Van koper en van staal, ik maakte ze ter schanden."
„Dees fabel wil de zulke aan-spreken zonderlingen,
„Die zich aanmeten meer als menschelijke dingen.
„Gelijk dat zotte volk, dat, met een ijdel hoop,
„Een vaart langs t\' Noorden zoekt, spijt der naturen loop:
15 „Dat met een eiken plank, o stoute zee-gezellen!
„Drijft door \'t bergachtig ijs, gelijk als na der Hellen,
„En blijfter al een schip in \'t Noorden voor den tol
„Gelijk een toren staan, zij varen even dol.
-ocr page 211-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 197
XXII.  D" oude ende jonge Kreeft.
T~)E schelpe-drager Kreeft wilde haars gelijk aanwijzen,
Dat t\' voorwaards zwemmen meer als t\' aarslen is te prijzen:
Al was \'t schoon, dat nature haarluiden in dit deel
In \'t scheppen hadde ontbloot van schoonheid al geheel,
5 Vermids zij andren hadde op andre wijs gegeven,
Met vinnen door het vocht recht voorwaards uit te zweven.
Maar de onderwezen Kreeft sprak zijnen makker aan,
Dewijl hij \'t had geleerd, hij zoudet eerst bestaan,
En als een leerlijk beeld het vochte veld doorploegen,
10 Hij wilde, recht op \'t spoor, hem na te volgen voegen. —
„Gij, die \'t voortrefflijk ambt eens leeraars vast bekleedt,
„En andren haar gebrek te toonen zijt gereed,
„U zelven eerst bestiert; wilt in u zelf genezen
,,T\' geen gij in andren meent bestraffelijk te wezen.
15 „Want als gij andren leert, en blijft van \'t goede schuw,
„Zoo blijft een dobbel zonde en grover vlek in u.
XXIII.  Een Kraai en f Schaap.
pEn hongerige Raaf, tot stelen altijd vlugge,
Vloog t\' witgewolde Schaap op zijnen bonten rugge;
Uitplukkende van \'t Vlies de wol gelijk verwoed,
Doorpikt het blanke vel, en zuipt t\' onnoosle bloed;
5 Het Lammeken lijdt smert, doet niet dan droevig blaren,
Maar kan de Vogel noch verschrikken noch vervaren.
Dies het ten lesten spreekt: „Bloed-zuipende tyran!
Gij zijt voorwaar op mij een dapper held en man;
Op mij, onnoozel dier en weerloos heel-met-allen!
10 Maar, hebdij t\' hert, bestaat den hond eens aan te vallen."
De Raaf wordt noch beweegd noch luistert na dien zang;
Zuipt t\' jonge lamren-bloed, gaat vlijtig haren gang.
„De klachten zijn vergeefs, vergeefs zijn al de tranen,
„Die voor een dwingeland uitstorten de onderdanen:
15 „Hij lacht in haar verdriet, hij groeit in hare smert,
„En voedt met haren druk de blijdschap in zijn hert.
XXIV. De Fos en de Bijen.
T*\\E Vos, in eenen strik geraakt in duizend lijen.
Besprongen eenen zwerm van hommelende Bijen;
Die priemden hem alszins op \'t heetste van den dag
XXII. 2. Aarslen, achteruitgaan.
-ocr page 212-
198 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Met angelen in \'t lijf, daar hij gevangen lag.
5 Zijn makker tot hem treedt, en raadt, dat hij te zamen
Dien zwerm af-schudden zal, die hem zoo deerlijk pramen.
„Neen," zegt de schalke Vos, „dees Biekens zijn nu zat
Van \'t looze Reintjens bloed, dat liefelijke nat:
Verjage ik dezen zwerm, zoo koomt \'er weer een jonger,
10 Met nieuwen appetijt, met verschen, gragen honger,
Die zouden van mijn vleesch en bloed haar-zelven voên,
Met meerder pijn en smert als mij nu deze doen."
„Het is een oude sprook, dewelk natuur nog heden
„In s\'herten tafel heeft uitdrukkelijk gesneden:
15 „Dat van twee kwaden t\' beste altijd te kiezen staat*
„Wel hem, die in \'t verdriet het slimste nog ontgaat.
XXV. Den Arend en de Vos.
T~)En Arend krom-gebekt het Vossen-nest beloerde,
Daar zij de jongskens uit bij haar gebroedsel voerde,
Die, veilig van \'t gediert, van hagel, wind en stroom,
Gelegerd lagen in de top van eenen boom.
5 De Vos, die is beroerd, is toornig en ontsteken,
Met-eenen ook gezind, zijn leed op \'t strengst te wreken;
Maar als \'t aan vlerken mist om stijgen in de locht,
Daar in den top des booms zijn jongskens zijn gebrocht,
Hij met een vuurge toorts \'t bebladerd hout van onder
10 Aan lichter lagen blaast en branden doet te wonder.
Laas! de Arends schreyen vast in \'t midden van \'t gesmook,
De Moeder hopeloos vast vliegt om vuur en rook;
Maar och! \'t is al vergeefs, \'t en houdt niet op van branden,
Oft al \'t gebroedsel is, met nest met al, ter schanden.
15 «Gij, die in mogendheid, gelijk gebenedijd,
„Tot op der eeren throon als Goön verheven zijt,
„U voor de minste ontziet, en wacht u haar te krenken:
„Gedenkt, dat de alderkleinst\' zich zal te wreken denken.
XXVI. Z)\' Ezel springt zijn Meester op \'t lijf.
/-p\' Lang-oorig lastbaar dier, jaloersch om al de weelde
Des Honds, die in den schoot zijns Meesters daaglijks
Die \'t beste wildbraad at, dat van de tafel viel, (speelde,
En smulden als de geen die altijd feest-dag hiel,
5 Werd eindelijk beraan zijn meester te feesteeren,
XXV. 5. Beroerd, ontroerd. Van Lennep en Van Vloten zijn door een
drukfout misleid. — 10. Te wonder, zeer wonderlijk.
-ocr page 213-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 199
En sprong met luid gebulk op s\' Heeren zijden kleêren.
Den Huis-heer, al verbaasd,roept: „Wapen, wapen,moord!"
T\' gezin raakt op de been, de knechten komen voort:
En ziende \'t woest bedrijf, en s\' Ezels vremde zeden,
10 Met kluppel-slagen hem bestreken al zijn leden,
Besmeerden hem zijn huid, en spoeden na de stal,
Daar hij met droefheid mocht beklagen zijn misval.
„Gij, die lichtveerdiglijk verandert wispelturig
„Van \'t een tot t\' ander ampt, en zelden zijt gedurig
15 „In \'t opgeleid beroep, vernoegt met uwen staat!
„Opdat het u op \'t lest niet als den Ezel gaat.
XXVII. De IVolf en \'/ onschuldig Lammeken.
A Ls bij geval de Wolf en t\' Lammeken te zamen
Het zilver van een borne oft beek te drinken kwamen,
De Wolf ter zijden zag, en riep, geheel ontsteld:
„Wie zijdij, die u hier zoo dicht bij mij verzelt?
5 Die \'t water roeren dorft en \'t nat van dees rivieren?
Gewis, al waardij schoon een van de grootste stieren,
Die stoutheid waar te groot." Het Lammeken verbaasd
Zijn onschuld heeft gemaakt; maar Wolfaart, als beraasd,
t\' Onnoosle dierken greep, en vattet bij der keelen,
10 En riep: „Hoe, zuldij van uw ouders niet verschelen,
Maar volgen haren aard? Ik zweere, voor die schuld,
Gij, eer de zonne daalt, mij t\' leven laten zult!"
„Wie brandt, om andren te verbijten en verslinden,
„Licht iemant schuldig kent, en kan een oorzaak vinden.
15 „Men slacht t\' onnoozel lam om \'t vet en om de rok;
„Want wie den hond wil slaan vindt lichtlijk eenen stok.
XXVIII. De Dief en den Huishond.
T") En Dief, in s\' borgers huis, bij duister nacht gebroken,
Van d\' huisbewaarder Hond ontdekt werd en geroken;
Dies hij, in lijfs-gevaar, den Hond aanbood ter nood,
Indien hij \'t blaffen staakte, een lekker garsten-brood.
5 Maar \'t aldertrouwste beest, zijns ampts en plichts gedachtig,
Al blaffende verhief zijn stemme langs hoe krachtig;
Opwekkende \'t gezin luids-keels met groot gerucht,
En dreef met deze stem den Roover op de vlucht:
XXVII. 2. Borne, bron. — 3. De uitg. heeft onstelt. — 6. Al —
schoon, hoewel, ofschoon. — 15. V. L. en V. V. hebben sla et, dus stond
hun niet de goede uitg. (Pers, 1617) ten dienste. — XXVIII. 3. Ter nood.
in Czijn) nood.
-ocr page 214-
200 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
„Zoude ik, om \'t snood genot, uw diefte en boosheid helen,
10 Én trouweloos alzoo mijns Heeren goeden stelen?
Of door begeertens brand, om winst mij toegezefd,
U veilen \'t goed gerucht van mijn getrouwigheid?
Vliedt, Roover! pakt u wech; verziet u voor mijn schelden;
Mijn eere is mij te weerd, uw munt wil hier niet gelden."
15 „Dees fabel stelt ten toon de schuld en plicht oprecht
„Van een getrouw gemoed, en vroom, rechtvaardig, knecht,
„Die s\' Heeren haaf beschut en voorstaat als zijn eigen,
„Noch om geen giften zal tot trouweloosheid neigen.
XXIX. Den Hond op V hooi en den Os.
H!
t krom-gehoornde Beest den hooi-berg hongrig raakte,
LDaar eenen graauwen Dog zijn bedde en nest afmaakte;
Die, als hij werd gewaar de komst des grooten Stiers,
Heeft hij hem afgeweerd van t\' hooi met veel getiers.
5 Dies heeft t\' verhongerd dier zijn droeve stem verheven:
„Hoe, makker! gunt mij \'t hooi, en houdt mij bij den leven;
T\' is \'t eigenst dat ik heb; gij hebt geen hooi van doen:
Hooi boet uw honger niet, noch t\' kan geen Honden voên."
„Neen," zegt de Blaffer, „neen; past fluks dees plaats te ruimen!
10 ,,T\' is waar, ik eet geen hooi, maar t\' hooi is mij als pluimen;
T\' hooi doet mij slapen zacht, t\' is \'t bedde van mijn kooi,
T\' brengt rust en wellust aan; dus pakt u van mijn hooi."
„Zulks is den boozen aard van veel brood-dronken menschen,
„Die in wellustigheid, na haren lust en wenschen,
15 „Onnuttelijk verdoen t\' geen d\' arme ontbeert ter nood,
„En weigren in haar weeld\' den hongerigen \'t brood.
XXX. jy overladen Ezel en V Peerd.
\'T) En Ezel, overlaan en met veel pakken zwanger,
Viel zijnen zwaren last op reize langs hoe banger;
Dies hij zijn reis-gezel, aamachtig, moede en mat,
Het weeldig Ros, om hulpe en wat ontlasting bad.
5 T\' welk voerloos, niet alleen hier door niet werd betogen,
Maar heeft den armen Muil, van trossen krom gebogen,
In zijn ellend beschimpt, ter tijd het slaafsche beest
Ter aarden nederviel en deerlijk gaf de geest.
XXVIII. 12. Voor u overhebben mijn goeden naam? — 13. Verziet,
ontziet. — XXIX. 7. Tij \'t eigenst dat ik heb, \'t eigenaardigste. —
15. Ter nood, in tijd van nood. — XXX. 5. Voerloos, zonder vracht
(b.v. een voer hout voor een vracht hout). — Betogen, aangetrokken —
6. Trossen, torsen. — 7. Ter tijd, tot de tijd, dat.
-ocr page 215-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 201
De reiziger, die om zijn reis te spoeden pasten,
1 o Bestond met s\' Ezels last s\' Peerds rugge te belasten;
\'T welk, weigerende, met veel slagen fel gegroet,
Het lachen werd verleerd in s\' Ezels tegenspoed.
„Wie in eens anders kruis en lijden schept vermaken,
„En onmeêdoogende is, mag ernstehjken waken:
15 „Want, als hij zal verzaad zijn van zijn spot-geral,
„Hij eindlijk zelver \'t juk des onspoeds dragen zal.
XXXI. De Papegaai en den Fos.
P)En klapper Papegaai, op \'t opperste eender eiken,
\' Met vette roof gelaan, kon Reinaart niet bereiken;
Dies hongrig na de kaas, die zij genepen had
Met haren krommen bek, bedrieglijk tot haar trad:
5 „Geluk, (riep hij) geluk! o wiens gemaalde veeren
Al de andre vooglen wijd in zuiverheid passeeren,
Indien uw schoonheid met t\' wei-klinkende geluid
Van zingen waar gepaard, gij waart de braafste bruid
Van al dat, licht-gewiekt, met uitgebreide schachten,
10 De dunne locht doorsnijdt en \'t aardrijk gaat verachten."
De Papegaai, door \'t lof beweegd in hare ziel,
Stak óp een heesche keel; dies haar de kaas ontviel;
Die \'t slimme Reintjen nam; en leerden d\' hooggezeten,
Bedrogen vogel zoo wel zingen voor zijn eten.
15 „Zulks is der vleyers kunst, die van de wijste man.
„Als hij haar \'t oore leent, \'t gehoor betoovren kan:
„Schoon woorden geven zij, waardoor ze hem achterhalen,
„Wanneer hij die op \'t dierste in \'t reeknen moet betalen.
XXXII. De Vorsch, Rat, ende Adelaar.
F~)Er groener Vorschen heir bestond zeer fel te woelen,
En met den Ratten krijg te voeren om de poelen;
Doch, eindlijk afgemat, besloten eenen vree,
En hielden in \'t moeras te gaar haar plaats en stee.
5 Der Vorschen Koning, nog des krijges niet vergeten,
De Velden-vorst belaagde en nooden hem ten eten,
Die, peinzende om geen wraak, beschreed des Vorschen rug,
Opdat hij over \'t meer hem strekken mocht een brug;
Maar midden in den stroom gezwommen en gekropen,
10 De Vorsch uit ouden haat de Veld-rat heeft verzopen.
T\' welk als den Arend zag, heeft deze buit beloerd.
En Vorsch en Rat om hoog tot haren roof gevoerd. —
„De moorders nimmermeer haar straffe ontvluchten mogen;
-ocr page 216-
202 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
„De straffe treedt alszins den boozen onder oogen;
15 „Zij volgt hem waar hij gaat, gelijk de schaduw\' \'t lijf,
„En altijds koomt hem voor zijn goddeloos bedrijf.
\'T vergoten bloed roept wraak, waar dat hij is gevloden,
„Ter tijd de levende is begraven bij den dooden.
XXXIII. Den Os en de Forsch.
T^E Vorsch benijde, dat t\' gehoornde Beest af-snoeide
Het lisch en t\' groene kruid, dat bij zijn poelen groeide,
En zwillende onbedacht, van haat en af-gonst dut.
Bestond, hoe klein en teer, te snorken op den bul,
5 Ter tijd hij borst aan tweên door grootschheid opgeblazen,
Besprengende met bloed en vochtigheid de grazen.
„O (riep t\' viervoetig dier) wat duller razernij
Bevangt u, dat gij u dus opstelt tegen mij!
Dat gij uw tederheid en zwakheid gaat vergeten,
10 En dorft u tegen mij het worstelen vermeten!"
„Leergierige! leert hier, dat iedereen vooral
„Een grooter sterkte voor zijn zwakheid stellen zal;
„Dat mindre tegen meerdre, in macht onvergeleken,
„Zich wacht den hane-kam oft pluimen op te steken.
15 „Wie aan den prikkel stoot, verplet zijn eigen hoofd.
„Wijs is hij, die zich zelf niet al te veel gelooft.
XXXIV. 7" Hert, spiegelende aan de Fontein.
\'Tv Hart, ziende in \'t kristallijn eens Borns zijn schaduw leven,
In schoonheid van gedaante heeft d\' hoornen prijs gegeven,
Die \'t voorhoofd dienden tot een zonderling cieraad,
Daar zijn vier beenen bij verdienden niet als smaad,
5 Vermids zij, lank en dor, de aanzienlijkheid bevlekten
Der hoornen, die op \'t hoofd hem als twee kroonen strekten.
Terwijlen t\' Hart dus op zijn beenen is gestoord,
Het onverziens geblaas van s\' Jagers horen hoort:
Dies zich te ontvluchten spoedt de naarderende brakken,
10 Maar blijft met d\' hoornen vast verward in wilgentakken;
Wordt veler honden roof, en s\'Jagers rijken buit.
Waarom dees droeve klacht t\' Hart barst ter harten uit:
„O! die zoo menig maal, uit s\' Jagers blinde lagen,
Mij \'t lijf en \'t leven hebt geweldelijk omdragen,
15 \'T was onrechtvaardigheid, dat ik voor u zoo snood
XXXIV. 2. Prijs, lof. — 4. Waarbij zijn vier beenen. — 9. Uitg. heeft:
\'t ontvluchten. — 13. Spreekt zijn beenen toe.
-ocr page 217-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 203
Den prijs aan d\' hoornen gaf, een oorzaak van mijn dood."
„Door kwa gewoonte wij de reden zoo verliezen,
„Dat wij het schaadlijkst meest voor \'t aldernutst verkiezen,
„Misprijzen \'t opperst goed, verheffen t\'hoogste kwaad;
20 „En als wij nu geraakt zijn in een kwaden staat,
„Dan gaan ons d\' oogen op, en moeten spaa belijden:
„\'T geen ons behaaglijkst scheen, is d\' oorzaak van ons lijden.
XXXV. De Valken en Gieren verscheuren de Vogels.
T~)E Sperwer overviel al meer d\' onnoosle Duiven,
En wist geen zoeter aas noch vogelen te kluiven.
De Duifkens, om t\' ontgaan zijn hongerige krop,
Den Valk tot haren voogd en Koning wierpen op.
5 Maar t\' ging haar als de geen, die, om d\' een klip te ontglijden
Verzeild, weer schipbreuk op een andre droogte lijden:
Want in beschermens plaatse heeft haar de Valk geplaagd,
En tot t\' gebeente d\' een na d\' ander opgeknaagd.
„Veeltijds, wanneer men om d\' een tyrannij t\' ontvlieden
10 „Een Koning d\' hulde opdraagt en scepter van gebieden,
„Men onder \'t juk geraakt van eenen strengen Vorst,
„Die na het bloed zijns volks en onderdanen dorst.
„Veel Princen zweren veel, en houden niet met allen,
„En leven met haar volk na eigen welgevallen.
XXXVI. Peerd ende Hert.
OEschil was tusschen \'t Ros en \'t vluchtig Hert gerezen.
t\' Ros, om door zoete wraak zijn wonde te genezen,
Een man om hulpe aanriep, die zulks beloofde vroom,
Indien \'t zich onderwierp de sporen en den toom.
5 Het Peerd, verhit om t\' Hert bloed-dorstig te bestrijden,
Liet zich uit lust tot wraak besporen en berijden;
En rent gezadeld heen, met d\' opgezeten held,
Die \'t Hert met schichten kwetst en doodlijk nedervelt.
Dies \'t Ros den Ridder prijst, en zoekt te zijn ontslagen,
10 Om langer niet den last des zadels meer te dragen.
De meester dit ontzegt, en houdet onder \'t juk;
Dus eindet zijnen tijd katijvig in veel druk.
„Wie andren hindren wil of leed doet na vermogen,
„Zich-zelven op het lest ellendig vindt bedrogen.
15 „Hij werkt zijn eigen kwaad, die kwaad heeft in den zin:
„Wie andren netten spant geraakt er zelver in.
-ocr page 218-
2o4 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
XXXVII. De Leeuwe met d\' andere dieren.
T"")E Leeuw, der dieren hoofd, beval dat alle beesten
Zich rusten tot den krijg, de minste met den meesten.
t\' Langhalzige Kameel, den Ezel en den Stier,
De Beer, den Haas, het Zwijn, en t\' wreede Pantherdier,
5 De Luipaart, en de Wolf, ten hove fluks verschenen,
Met al wat t\'aardrijk drukt, en voords — treedt op vier beenen.
Doen sprak de ruige Beer: „Heer Koning! zijdij dwaas,
Dat gij gedagvaard hebt den Ezel en den Haas,
Die onbekwaam ter krijg schier vluchten voor de doode?
10 Den Ezel is te bot, den Haas is veel te bloode.
Des Ezels dommigheid is wijd en zijd berucht;
En t\' Haasken drijft de vreeze al stadig op de vlucht!"
„Neen (sprak de stoute leeuw), die twee ons nut zijn zullen:
Den Ezel schrik aanbrengt, vermids zijn eislijk brullen;
15 Het Haasken vlug en snel, in \'t loopen wel geleerd,
Boodschappen zal al t\' geen wat in de krijg passeert."
„Die, om t\' gemeene beste eendrachtig te beleiden,
„Zoo rijp is van beraad, zoo kloek en zoo bescheiden,
„Dat zelf de onnutste hem ook te passé komen kan,
20 „De zulke \'t beeld uitdrukt van een bizonder man.
XXXVIII. Vogelaar en de Slange.
P)E Vogelaar belaagde een Tortel schoon van veeren,
En dacht haar in zijn net het vliegen te verleeren.
Zijn strikken hij bereidt, zijn netten spant hij uit.
Het Duifken wordt beweegd, aanziende zulken buit
5 Van rijk en edel zaad, en daalde na het garen:
Maar och, wat droefheid is den Vooglaar wedervaren!
Zoo fluks hij trekken wil, hij op een Slange treedt,
En voelt in t\' linker been een doodelijke beet.
De Tortel is verheugd, zij koomt tot hem gevlogen,
10 En roept: „Nu moet gij zelf de bleeke dood gedoogen,
Die onze onnoozelheid bespied hebt en belaagd,
Die in \'t bedrieglijk net mijn maagschap hebt gejaagd."
„Wie andren wil verraan, zich-zelven vindt verraden;
„Hij jaagt zijn eigen schaa, die andren wil beschaden.
15 „De kwade zijnen list op eik-een heeft gemunt, (gund.
„Maar zulks hij andren wenscht, zulks wordt hem weer ge-
XXXVII. 20. De uitg. heeft Die zulke. — XXXVIII. 16. Zulks, dat
gene wat.
-ocr page 219-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 205
XXXIX. De Paattw en d\' Ekster.
A L wat op wieken zweeft vergaderde te zamen,
Opdat ze een braaf Monarch en overheer bekwamen,
De een stemde, dat de Zwaan van ouds de kroon toekwam,
En de ander d\' Arend koos, van keizerlijken stam.
5 Ten lesten is de stem en uitspraak van haar allen
Op de opgepronkte Paauw eendrachtelijk gevallen;
Vermids dat, om de glans zijns schoonheids hoog beroemd,
Zij stemden, dat de kroon rechtveerdig hem toekomt.
Maar de Ekster snaterbek de waarheid niet kon zwijgen,
10 En sprak: „Van waar oft wij dan hulpe zullen krijgen,
Als ergends iemant ons heel \'t onderdrukken poogt?
Dewijl gij op s\' Paauws kracht al heel niet steunen moogt ?
Of zou de vijand, voor de luister van zijn pluimen
En schoone schachten t\'veld verbaasd wel moeten ruimen?"
15 „Een schoonheid, onverzeld van wijsheid en van macht,
„Een vlekke is in het bloed en koninklijk geslacht.
„De schoonheid van een Prins kan nergends de onderzaten,
„In tijd van strijdens nood, noch helpen noch iet baten.
XXXX. De Os en de gemeste Koe.
"pEn Os, die zwaar gejukt den tragen ploeg most sleepen,
En stadig werd gedreigd met \'t luid geklats der zweepen,
Des avonds werd gestald, aamachtig, mat en moe,
En rusten naast de krib van een gemeste Koe,
5 Die schamper dreef den spot met al zijn slavernije,
Om dat zij leefde in weelde en huppelde als de vrije.
Maar eindlijk werd den Os gewaar, en nam wel acht,
Dat dees gemeste Veers werd met de bijl geslacht.
Waarom hij zijnen staat voor d\' ander heeft geprezen,
10 Vermids hij niet en had de slag des bijls te vreezen;
Dies koos zijn slavernij nog liever, als een wijl
In wellust opgevoed te werden voor de bijl.
„Wie \'t einde gade slaat van goeden en van kwaden,
„De korte wellust zal verfoeyen en versmaden;
15 „De wellust is wel zoet in d\' uiterlijke schijn,
„Maar kan van druk en rouw niet afgescheiden zijn.
XXXXI. Adelaar ende Rave.
A An \'t ongeruste strand des zees, der duinen voester,
Vond eenen Adelaar een toegesloten oester,
XXXX. 4.
Rusten, rustte.
-ocr page 220-
ao6 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Zoo vast gesloten schelp, dat hij vergeefs zijn best
En ijdlen arbeid deed, om t\' openen op \'t lest.
5 Een Rave daaromtrent, om zulken buit te krijgen,
Riep: „O, gij most om hoog recht na de wolken stijgen,
En brijzlen d\' oester-schelp door \'t vallen na beneên,
Op een verheven klippe en rotse oft herden steen:
Want ijdel en vergeefs gij arbeidt, met bezuren,
10 Te breken deze schelp, die hard is van naturen."
Den Arend dit geviel: steeg opwaards na de locht,
Liet vallen d\' oester-schelp opdat ze breken mocht:
De schelpe viel in twee, dat ze op de rotse klapten;
De Rave daaromtrent den visch ter-stond opsnapten.
15 „De tafel-vrunden zijn zoodanig ook van aard:
„Zij troetelen de weerd om eenen lekken-baard;
„Maar als ten einde loopt het brassen en het smeeren,
„Zoo wil de vrundschap fluks in vijandschap verkeeren.
XXXXII. De Rare en V Schaap.
T*)En Arend krom-gebekt belaagde en na ging sporen
De Schaapkens wit gewold, die \'t groene kruid afschoren.
En voerde op \'t onverzienste een Lammerken omhoog.
De Rave \'t spel aanzag met een begeerig oog,
5 En sprak dus bij haar zelfs: „Is d\' Arend zoo onschamel,
Wat hindert mij, dat ik niet roof den vetsten Hamel
Van alle die de weide en \'t groene kruid beslaan?"
Zij daalde op \'s Hamels rug, om hem te grijpen aan:
Maar als haar klaauwen inde wolle zijn geslagen,
10 Zij veel te onmachtig is, zoo vetten vlies t\' ontdragen.
Den Herder, op zijn luim, den Rave ziet verwerd,
Die op haar dieft ter-stond van hem gevangen werd.
„Wie boven zijne macht zich iets derf onderwinden,
„Zich eindelijken zal geheel bedrogen vinden.
„Wie grooter pak op loed, als hij verdragen mocht,
„Stak menig maal in \'t zand, de beenen inde locht.
XXXXIII. 7" wild Verken en den Ezel. \\
*"P\' Wild ruig geborsteld Zwijn prat op den Ezel smaalde,
Om dat hij alszins schande en nergends lof behaalde,
Vermids hij, dom van geest en traag in zijnen gang,
Zijn leven slijten most omtrent der prijen stank,
XXXXII. 10. De uitg. heeft: \'t onmachtigh. — XXXXIII. 4. Pryen,
krengen.
-ocr page 221-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 207
5 Als die onweerdig was gerekend, te verkeeren
Bij de ander beesten, die zich onderling geneeren:
Waarom aan \'t snoodste werk hij ook gehouden wierd:
„Maar ik (sprak \'t wilde Zwijn) ben d\' eelste van \'t gediert;
Mijn eer klinkt over al; ja, in der Princen hoven,
10 Daar hoort men mijne kracht en groote snelheid loven."
Den Ezel, hoorens-zat en walgende van \'t lof,
T\' welk d\' opgeblazen Zwijn zich eigende te grof,
Riep: „Willig ik ontbeere een snelheid onbedwongen,
Om dat mijn leven niet als \'t uwe wordt besprongen."
15 „Een glorie, steeds omringd van allerlei gevaar,
„De wijze geerne mist al blinkt ze wonderbaar:
„Dien glans bekoort hem niet, en, liever als verheven,
„Wil veilig slave zijn, en heel vergeten leven.
XXXXIV. Strijd der Fogelen en der Beesten.
T-*\' Viervoetig wild Gediert\' streed met t\' Gevogelt heftig.
Men kwam van wederzijds te velde prat en deftig:
T\' zij omdat veel te laag t\' Gevogelt dalen kwam,
En \'t eigendom al meer des aardrijks tot zich nam,
5 Oft ander oorzaak, verre (om de oudheid) nog te zoeken
In \'t ongekreukt pampier van onbeschreven boeken.
De strijd ging dapper aan; een ieder deed zijn best,
Opdat hij zijn partij verwinnen mocht int lest.
De Vleermuis, half beducht, haast tot den Dieren neigde,
10 Om best in tijds \'t ontgaan t\' Gedierte, dat haar dreigde;
Maar als de vooglen nu, door \'t vliegende gerucht,
De Dieren dreven met de Vleermuis op de vlucht,
De Vleermuis sichtent, om haar trouwloos onderwinden,
Haar geenszins dorst in \'t choor der vooglen laten vinden,
15 Maar sluipt bij duister nacht om \'t kwaad, dat haar aankleeft,
Haar schamende de daad die zij bedreven heeft.
„Al die in d\' open locht het voorhoofd op wil houden,
„Zich wel van ontrouw wacht, die dobbel werd vergouden.
„Wie eenmaal ontrouw pleegt, heeft altijd schande en smaad,
20 „En wordt van \'t menschgeslacht verbeten en gehaat.
XXXXV. De Forschen en haren Koning.
"T)E Vorschen Jovem om een Vorst oft Koning baden:
Den Hemel, om zich van haar klachten wat t\' ontladen,
XXXXIII. 7. Snoodste, geringste. — XXXXIV. 13. Sichtent, sedert.
— XXXXV. 1. Jovem, Jupiter 4e nv.
-ocr page 222-
208 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Haar eenen Hollen Stronk toevoegde, als voogd van \'t rijk,
Die voor fluweel aantrok een rok van \'t fijnste slijk.
5 De Kikkers, niet te vreên met dezen dooden Koning,
Die noch bescherming bood, noch straffe, noch belooning
Weer Iupiter op nieuws aanriepen om een Vorst,
Die ziel en leven droeg van binnen in zijn borst.
De Bliksem-voerder haar den Reiger heett gezonden,
10 Die d\' een na d\' ander heeft zeer jammerlijk verslonden.
„Gij, die van dertelheid geen weelde dragen moogt,
„Noch nimmer u vernoegt aan eenen vromen voogd:
„Ziet toe, en wacht u wel van licht te muitineeren,
„Noch wilt zoo onbedacht verwerpen uw Lands-Heeren.
15 „Zoo d\' eerste reedlijk is, of al wat strenge viel,
„Een tweede koomt al haast, en neemt u lijf en ziel.
XXXXVI. De Wolf en V Geitken.
T~)E lang-gebaarde Geite, om voedsel gaande uit dolen,
Eerst \'t Geitken heeft belast te blijven wechgescholen
Int diepste vande kooi, die zij met grendels sloot;
En geenszins op te doen haar jonksken streng gebood.
5 De Wolf, die bij geval daar lag ontrent geslopen,
Kwam, als de Geit vertrok, fluks aan de kooi geloopen,
En klopte zoetlijk aan, en riep tot zijn gewin:
„Op, op! mijn Geitken, op! en laat uw moeder in."
„Neen," zegt de jonge Geit, „ik luister na geen spreken,
10 Ten zij mij iemant brengt de loze en t\' rechte teeken."
„Doet op! mijn kind, doet op!" houdt Wolfaart stadig aan,
„De loze mijn gedachte en hersnen is ontgaan."
„Zoo hebbe ik," zegt de Geit, „de sleutels ook vergeten;
Dus blijft vrij buitenstaan, ik zie u door de reten."
15 „Wie op de wetten acht, die billijk zijn en goed,
„Zich vrank en veilig voor veel ongevals behoedt.
„Wie \'t oor der oudren tucht leent, vlijtig na vermogen,
„Niet licht van iemant werd verleid, noch ook bedrogen.
XXXXVII. De Houtklover en \'t Bosch.
PEn Landman, gaande in \'t Woud spanceeren en verlusten,
Een bijle zonder steel vond aan de groene kusten:
Dewelke, opdat ze hem nut en oorbaar wezen zou,
Zoo bad hij \'t boomrijk Bosch, wiens toppen aan \'t gebouw
XXXXV. 12. Vromen, wakkeren. — XXXXVI. 4. Op te doen, open
te doen. — 12. Loze, leus, wachtwoord.
-ocr page 223-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 209
5 Des Hemels rezen op, dat hij een stok mocht snijden,
Om die in \'t ijzer der gevonden bijl te vlijden.
\'t Bosch gaf den Boer verlof: die eenen ronden tak
Tot eenen steel in \'t hol van d\' ijzren akse stak,
En kerfden fluks nu d\' eik, nu d\' elzen, nu de linden,
10 Zoo dat eerlange \'t Woud niet meer en was te vinden.
„Gij, die te licht gelooft, en hem die u beloert
„De wapens overgeeft, die gij tot noodweer voert,
„Denkt, hoe \'t u zal vergaan, wanneer gij t\' zweerd in handen
„De zulke geeft, die u vernielt en maakt tot schanden.
XXXXVIII. -D\' Exter met Paauwen-veêren.
"PEn Exter, om in \'t choor der Paauwen, als de vrije,
Te komen, en met haar te houden maatschappije,
Van Paauwe-pluimen heeft een heelen bos vergaard,
En heerlijk haar vercierd met eenen paauwenstaart,
5 Verschijnende in een dal, daar leeg en diep gezonken
De Paauwen zijn gewoon haar cierlijk op te pronken;
Die (speurende terstond, dat de Exter, schoon voor \'toog,
In eenen paauwe-schijn haar listelijk bedroog)
Haar vlogen op het lijf, en haalden elk zijn pluimen,
10 En dedenze met schande en smaad het lust-dal ruimen.
„Wie zich bij Heeren voegt, en niet van \'t hooge bloed
„Des adels dalen koomt, al is hij rijk van goed,
„Zoo haalt hij niet dan smaad, dan schande en onbenoegen.
„Wijs, die bij zijns gelijk zich schiklijk weet te voegen.
XXXXIX. V Hart en de Ossen.
T~)Es jagers koppels \'t Hart gezamentlijk besprongen,
\'t Hart vond zich van alszins vervolgd en stijf gedrongen;
En, mat en afgejaagd langs beemd, bosch, berg, en dal,
Verbergt zich onverziens in eenen Ossen-stal.
5 „O stieren! (roept het wild, beangst en half verslonden)
Beschermt hem, die bijna een prooye is voor den honden.
Het leven ben ik kwijt: den adem mij begeeft;
Der brakken honger mij bijna verbeten heeft."
„Ellendige!" zegt d\' Os, „wat koomdij hier geronnen
10 Tot zulke, die, helaas! u niet beschermen konnen?
Versteekt u hier in \'t hooi, verbergt u, niet te min."
De Meester juist op \'t slag, die koomt ter stallen in,
XXXXVII. 6. Vlijden, schikken. — XXXXVIII. 1. Als de vrije, spreek-
woordelijk „als een Heer". — XXXXIX. 2. Alszins, alle kant.
vondel I.
H
-ocr page 224-
2io VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
En vangt \'t gehorend Hart, dat, nat van \'t zweet bedropen,
Den jager nu vergeefs ontvlucht was en ontloopen.
15 „Wie hulp en troost verzoekt aan zulk een teder man,
„Die zwak en weerloos is, en niemant helpen kan,
„Van \'t eene lijfsgevaar in \'t ander zal geraken.
„Voorzichtig zijn de geen, die in \'t penjkel waken.
L. De Fos en de Druiven.
f~\\ Om Reintjen werd verliefd, eens wijngaards purpre Druiven,
Indien \'t gelukken wou, smaaklustig op te kluiven.
De trossen hingen hoog verheven in de locht,
Zoo dat hij, na veel moeit, die niet bereiken mocht.
5 Dies toornig, dat hij niet de bezikens mocht krijgen,
Mids dat hij onbekwaam was, om zoo hoog te stijgen,
Bestond den wijnstok met zijn vruchten te versmaan,
Die, „zuur en onrijp, smaak noch voedsel brachten aan."
„Veel trachten na hetgeen zij met t\' gemoed begeeren:
10 „Maar wanneer nu vergeefs t\' gewenschte zij ontberen,
„Versmaan en lastren zij het onverkrijglijk goed,
„En blusschen zoo den brand des lusts in haar gemoed.
LI. Den Aap en de Katte.
T~)E Sim, om t\'huisgezin, afwezig, te verrassen,
En snoepen de gebraan kastanjen uit der asschen,
Nam \'s Katten linker-poot, hoe zeer zij was vervaard,
En krabde de gebraan kastanjen uit den haard.
5 De Puis heeft luid gemaauwd als zij haar klaauw verbrade,
En riep: „Houd op, houd stil, mijn linker-poot lijdt schade;
Mijn vleesch is niet meer staal en ijzer als het dijn;
Wat tyrannije is dit, ik lijde groote pijn."
Maar onze moeder Sim niet afliet van verzengen,
10 Voor ze had de kolk ontbloot van gloeyende karstengen;
Belachende de Kat in \'t midden van t verdriet,
En riep: „Hoe beerdij dus! uw pijne voele ik niet."
„Een Koning, die zijn rijk en palen wil vergrooten,
„Gebruikt zijn eigen volk en kloeke rijksgenoten;
15 „Hij houdt zich uit t\' gevaar, en haalt als met haar hand,
„Al \'tgeen zijn herte wenscht, uit \'s oorloogs feilen brand.
L 1. Verliefd, belust. — 5. Bezikens, bezietjens. — 7. Bestond;
hier ontbreekt hij. Bestond hij, ondernam hij, waagde hij. — LI. 5. Puis,
poes. — 12. Beerdij, beert, baart gij, gaat gij aan.
-ocr page 225-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 211
Lil. V Jonge Peerd en den Ezel.
"RJEt wulpsche en jonge Ros was t\' hert van rouw benepen,
Om dat het daaglijks most zijns Heeren wagen sleepen,
En of zijn meester schoon droeg een beleefd gemoed,
En boven maten niet den wagen overloed,
5 Noch met veel slagen was gewoon den Guil te groeten,
Zoo kon zulks nog \'sPeerds rouw vermindren noch verzoeten,
Vermids het liever los in vrijheid waar gesteld.
Maar, als \'t nu bij geval ontmoetten op het veld,
Een Ezel, krom en stijf van ouderdom gebogen,
10 En ziende, dat een ker van d\' Ezel werd getogen,
Met overgroot gewicht en voeder overlaan:
„Nu staat mij mijnen staat," sprak \'t Ros, „nog beter aan."
„Gij, murmereerders, wendt uw aanschijn hier en ginder,
„Ziet na de meerdre niet, maar na haar, die veel minder
15 „En lager zijn als gij: ik wedde voor gewis,
„Gij vonnist, dat uw staat, hoe klein, gelukkig is.
LUI. Smit en den Hond,
EEn
Smit zijn leven sleet in \'t midden van de vonken:
\'Van \'t krieken van den dag tot dat de sterren blonken,
Hij aan zijn smisse stond, en gantsche dagen lang
Was bezig met het staal, de moker, en de tang.
5 Doch voor d\' ondraaglijkheid zijns arbeids zonder treuren
Hem naauwelijks droog brood en water mocht gebeuren;
Terwijl zijn tragen Hond, na zijnen eigen lust,
Vast onder zijne smisse en blaas-balk nam zijn rust,
Die dagelijks om brood zijn meester kwam feesteeren.
10 De Meester, om den Hond zijn traagheid te verkeren,
Riep moeyelijk op \'t lest: „Gij, rechten bedelaar!
Wat eischtij brood van mij? gij ziet, hoe jaar op jaar
Ik naauwlijks onderhoud mag voor mijn zweet genieten,
Terwijl gij vet en grof u \'t werken laat verdrieten!"
15 „Genoegt u," zegt het Beest, „ik ben zulks lang gewend
Uw leven loopt zoo wel als \'t mijn zeer haast ten end."
„De» prachers, die met schijn haar pracherij verweeren,
„Zich van eens anders zweet niet schamen te geneeren.
„Zij zuipen \'s naasten merg en uitgeteerde bloed,
20 „Verslempende al het geen hij dier bezuren moet.
Lil. 5. Guil, knol. — LUI. 9. Feesteeren, vleyen. — 11. Moeyelijk,
wrevelig.
-ocr page 226-
2i2 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
LIV. De steertelooze Vos.
\'T) E Vos hadde in een val zijn ruige steert verloren,
Liep overzulks zoo naakt van achter als van voren,
Gelijk een kale Sim, die eer noch schaamte aankleeft;
Dies Reintjen zulks in \'t diepst van \'t hert gespeten heeft,
5 En veinzende zijn leed kwam tot zijn makkers treden:
„K\'heb," sprak hij, „mijnen steert heel kort van \'t lijf gesneden.
De tijd is nu verkeerd: het is der Vossen eer
Dat zij, van achter bloot, geen steerten dragen meer."
Maar als zijn makkers loos oom Reinaarts treken sporen:
10 ,,T\'Is," zeggen zij, „geen tijd naar uwen raad te hooren,
Om korten onze steert. Wanneer den uwen wast,
Ziet, dat gij wederom hem af te snijden past."
„Die faam- en eerloos is, en heel geraakt tot schanden,
„Zal, om zijn naasten ook t\' onteeren, dikwijls branden.
15 „Wie boos is van gemoed, wanneer \'t hem kwalijk gaat,
„Wenscht andren, dat haar mag ontmoeten \'t zelve kwaad.
LV. De Havik en de Vogelen.
T*)En Havik, om den dag en uur van zijn geboorte
Te vieren statiglijk, na eisch en na behoorte,
Heeft allerlei geslacht van vogelen ter feest
Zeer ernstelijk gebeên, met een beveinsde geest:
5 Meest al wat wieken droeg verscheen en liet hem vinden.
Een zaal was toebereid en tafel voor de vrinden.
Men brast, men is verheugd, men denkt er om geen leed.
Maar als den Havik nu zijn aanslag ziet gereed,
Hij listelijk terstond den ingang sluit der deuren,
10 En vangt, van voren aan, t\' ge vogelt te verscheuren.
„Wie lichtelijk gelooft, schiet lichtelijk te kort,
„Wanneer hij onverziens en snel bedrogen wordt.
„Wie om een vette muil zich geeft in \'s vijands handen,
„\'t Is vreemd noch wonder, dat hij haast geraakt ter schanden.
LVI. Bok, Lam en Wolf.
T)E Bok en t\' witte Lam zijn onderling verdragen,
Malkanders zoet en zuur gezamentlijk te dragen,
Malkandren bij te staan in allerhande nood,
En geenszins niet te vlien om leven noch om dood.
LIV. 5. Veinzende, ontveinzende. — 7. Verkeerd, veranderd. — 14.
Branden (van verlangen.) — LV. 10. Van voren aan, even als vroeger.
— 13. Muil, mond.
-ocr page 227-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 213
5 De Wolf eerlange ontmoet dees lieve met-gezellen,
En wist zich tegen \'t Lam heel vrundlijk aan te stellen:
„Onnoozel Schaapken!" zegt de Wolf, „wat gaat u aan!
Wat wildij met een bok, dien vuilen stinkaart, gaan?
Komt, voegt u neffens mij, ik kan u best bewaren
10 Voor allen, die u leed aanbrengen oft vervaren."
De Bok s\' Wolfs loosheid merkt, en spreekt: „Gij, loozen gier,
Koe-vreter, schapen-dief! fluks, pakt u wech van hier!"
„Wie met de vrome zich verzelschapt f allen tijden,
„Blijft veiliglijk beschermd in alderhande lijden,
15 „Geen goud zoo dierbaar is, noch geenderleye munt,
„Als tot een reis-gezel is eenen trouwen vrund.
LVII. De Fliege en Mieren.
T")Er Vliegen Keizer zich veel lofs heeft toegeschreven,
Vermids hij, in \'t paleis der Princen hoog verheven,
Aan \'s Vorsten tafel at, daar t\' Mierken t\' zomers vast
Met arbeid was bezwaard en wonderlijk belast;
5 Zoo dat ze meer een Peerd of Ezel was geleken,
Die staag tot de ooren toe in slavernije steken.
„Den arbeid," zegt de Mier, „kan niet zoo schandlijk zijn,
Als leegheid, die best past den Hond of tr vuile Zwijn.
Welks leven van ons tweên ook waard is meerder eeren,
10 Zal ons d\' ervarentheid des tijds heel kortling leeren."
T\' was naauwelijks gezeid; de winter-tijd verscheen:
De Vliege in armoe sterf met droefheid en geween;
Maar de altijd kloeke Mier, verzorgd in hare schuren,
De Winter wonder veil in weelde kon verduren.
15 „De luyaart, die de bloem van \'s levens tijd verslaapt,
„In plaats van vruchten niet dan stekel-doornen raapt,
„Vergaat in zijn ellend; terwijl, door s\' Heeren zegen,
„De vrome wel verzorgd en heerlijk is bedegen.
LVIII. Adelaar en Schorpioen.
T^En Arend, van \'t venijn des Schorpioens vergeven,
Hem vond uit lust tot wraak zeer pijnelijk gedreven;
En greep \'t veelvoetig dier van t\' aardrijk in de locht,
Met zijnen krommen bek, opdat hij \'t kwetsen mocht.
5 Maar laas! het was vergeefs: in plaats van zich te wreken,
Heeft \'t Schorpioen al meer hem met vergift bestreken,
LVI. 7. Wat gaat u aan, wat overkomt u. — 10. Vervaren, ver-
schrikken. — LVII. 18. De wakkere gedijt.
-ocr page 228-
2i4 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
En doodelijk gekwetst. De Vogel lijdt vast smert,
Want \'t werkende venijn bekruipt al meer zijn hert.
Ter tijd gantsch afgemat hij viel in t\' gras verslagen,
10 Liet d\' ijdelheid zijn ziel aan zijner plaatsen dragen.
„Wie brandt om eigen wraak van \'t eens ontvangen kwaad,
„Ziet toe, met wie hij zich het strijden onderstaat.
„Lijdt liever ongelijk, als dat, tot wraak genegen,
„Gij eenen sterker held trekt onder oogen tegen.
LIX. De hangende Wolf in V Schaaps-vel.
T~)E Wolf, om alderbest de Vliezen te betrapen,
Zich met een schaaps-vel heeft vermomd en heel verschapen,
En weide met den choor der lammeren in t\' gras.
Sliep in der Schapen kooye; en als er niemant was,
5 Hij spoedig een verslond, en leefde in duizend weelden;
Maar, als hij lang genoeg zijn oude tukken speelden,
Den Herder eindelijk ontwaakte als uit den slaap,
Als hij, van dag op dag ontbloot van menig schaap,
De kooye al stil beloerde, en zag, hoe \'s Wolven tanden
io Zijn kudde in \'t stil verslond en bracht geheel ter schanden:
Dies schietende onverziens gelijk als uit den droom,
Heer-Wolfaart knoopen liet met \'t Schaaps-vel aan een boom.
Als d\' herders zagen, hoe hij eindlijk was bedegen,
„Recht heeft hij,\' zeiden zij, „loon na zijn werk gekregen."
15 „De schijn bedriegt er veel, wanneer de schalke mensch
,,D\' onnoozele beloert en lagen leit na wensch.
„Doch \'t schaaps-vel mag een wijle eens wolven hert versteken;
„Maar wat hij waarlijk is, is altijd lest gebleken.
LX. Wolf m Echel.
T~)En hongerigen Wolf een Echel juist ontmoeten,
En wist niet, hoe hij mocht zijn honger aan haar boeten,
Vermids zij wrevlig stak haar borstels overeind.
Dies sprak de Wolf tot haar: „o Nichte wel bekend!
5 Zijt voor mij onbevreesd, noch staat niet in slagoorden;
T\' is onder al \'t gediert (gelooft mij bij mijn woorden)
Bestand, ja, enkel vrede, en eendracht overal:
Zoo dat gij niet en hoeft te zorgen voor misval."
„Gij spreekt (zegt de Echel) recht; ik weet, dat alle beesten
10 Staan in een vast verbond in velden en foreesten;
LIX. 1. Vliezen, schapen. — 13. Hoe \'t hem naarden vleeze gegaan was.
Verg. LVII. 18 — 17. Versteken, verbergen. — 18. Lest, ten leste.
-ocr page 229-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 215
Doch voor de moordenaars, die lichtlijk in een haag
Gedoken mij bespiên, ik deze wapens draag:
En ben nog niet van zin op reis die af te leggen,
Misschien wie onverhoeds mij \'t oorlog aan mocht zeggen..."
15 „Wijs is hij, die zich zelfs beschermt en wel bewaart,
„Den vijand niet gelooft, die vriend zich openbaart;
„Hij ligt maar op zijn luim, en zoude u geern betrapen,
„Als hij u vindt ontbloot van \'t uitgetogen wapen.
LXI. Slange en Echel.
T")En Echel bad de Slang, met zuchten en met stenen,
Dat ze haar doch herberg wou voor éenen winter leenen.
De Slinger-Slang, beweegd door s\' Echels droeve beed\',
Om haar weerdin te zijn was willig en bereed;
5 Maar als in \'t eng des hols den Echel, dik gezwollen,
Zich krunkelde in een kloot, in cirkelen en rollen,
De Slang misnoegen kreeg, om dat ze somtijds stijf
Met scherpe borstels vast haar prikkelden in \'t lijf.
„Wel," spralc de Slang, „is dit het loon voor al mijn deugde,
10 Dat ik u in mijn hol ontving met lust en vreugde?"
„Neen," zeide d\' Echel, „zwijgt, gij vuil, twistgierig dier!
Ben ik u in de weeg, zoo pakt u fluks van hier."
De Slange bad vergeefs om rust en wat verschooning,
Dus, om t\' geborsteld dier t\' ontgaan, verliet haar woning.
15 ,,D\' ondankbaar menschen, die geholpen zijn in nood,
„Vergeten weldaad licht, al is zij nog zoo groot:
„Als zij geholpen zijn, beschaden zij den genen,
„Diens mildheid over haar heeft rijkelijk geschenen.
LXII. Chamaleon.
rTf Geschubd Chamaeleon steeds bij de locht moet leven,
De locht alleen dit dier kan spijze en voedsel geven,
\'t Heeft voeten scherp geklaauwd, het krunkelt zijnen steert,
\'t Waakt s\' daags zoo wel als s\' nachts, \'t is stout en onverveerd.
5 Als eenen Proteus veel gedaanten kan verwerven,
Zoo trekt dit dier tot zich van allerhande verwen
Het blinkende gestalt, maar weigert rood en wit.
„Den logen-prater, die aan s\' Princen tafel zit,
„Men bij \'t Chamaeleon gelijken mag met reden:
10 „Hij vult des Vorsten oor met vele nieuwigheden,
„Verkoopt hem wat hij wil, smeedt d\' een aan d\' ander klucht
LX. 14. Of iemant onverhoeds. — LXI. Echel, egel.
-ocr page 230-
2i6 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
„Van allerlei gestrooid en wijd verzierd gerucht:
„En blijft hij somwijl in zijn logentaal gevangen, (wangen.
„Hij krijgt noch vrees noch schaamt, noch roo\' noch bleeke
LXIII. Stier en Ram.
T~)E kromgehoornde Ram begeerde, dat de benden
Der witgewolden hem als haren Koning kenden,
Vermids zijn voorhoofd met twee hoornen was verzien,
Waarmede in tijd van nood hij dapper weer mocht biên.
5 T\' ontwapend weerloos vee, de witgewolde Vliezen,
Genoodzaakt, uit ontzag, den Ram tot hoofd te kiezen,
Bestemden zijnen eisen: de Bok, uit hovaardij
Om t\' erven nog een rijk en grooter heerschappij,
Den Stier ten strijde uitdaagde, en dacht hem te verkloeken.
10 Het groote beest, gereed, niet verre en was te zoeken,
Maar liep den Ram op \'t lijf, al wat hij rennen mocht,
Die fluks verslagen stak de beenen in de locht.
„Wie, boven zijne macht, te stout en zeer vermeten,
„Eens anders kracht bespot, en gaat zich zelf vergeten,
15 „Veel lichter als hij waant vernederd worden zal;
„Want hoogmoed (zoo men zegt) gaat altijd voor den val.
LXIV. Henne met Kuiken-dieven.
UEn groote Kuiken-ren zeer heftig werd bestreden
Van Kuiken-Dieven drie, die grooten arbeid deden,
Opdat ze tot een roof verkregen \'t jonge bloed,
Het malsch en lieflijk vleesch van naakt en kaal gebroed.
5 De Moeder koomt op slag gevlogen, met verschrikken,
En ziet, hoe alle drie zij door de traliën pikken,
Ziet, hoe haar vlug, in nood en grooten angst (helaas!)
Bijna geworden is der Kuiken-Dieven aas:
Dies stelt haar fluks te weer, opdat zij, naar vermogen,
10 Afweeren mocht de geen die om haar jongskens vlogen.
Zij vliegt rondsom de kouw, zij klaakt, en slaat geluid,
Zoo lang tot haar ontjaagd is den gewenschten buit.
„De Klok-hen draagt het beeld der trouwe magistraten,
„Waarop de onnoosle zich standvastig mag verlaten,
15 „Die allen vromen zijn als eenen vasten burcht;
„Wél \'t land, daar de Overheid \'t gemeene best bezurgt.
LXIII. 7. Bok, rara. — LXIV. 7. V1 ug, broedsel. — 11 Klaakt, klokt.
-ocr page 231-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 217
LXV. Boer ende Muisken.
UEn ruige Dronken-bloed, die stonk van jopen-bieren,
Den dag van zijn geboort\' gewoonlijk was te vieren:
En rechten jaarlijks toe een groote Bacchus-feest,
Daar \'t al ter maaltijd kwam, wat vrolijk was van geest.
5 Voor \'t huis hij tot triumf een eiken vuur deed blaken,
Om al den heelen choor der slempers te vermaken;
Maar als eens bij geval den Noordenwind opstak,
En de opgestegen vlam sloeg in het rieten dak,
De kermis was gesteurd, t\'huis branden lichter lagen,
10 De gasten vloden wech, verbaasd en heel verslagen.
Een Muisken, om t\' ontgaan die hongerige vlam,
In \'t midden uit den brand verbaasd gevloden kwam.
Den Huis-heer, zat van bier, en vol en dol beschonken,
Greep \'t Muisken bij den steert, en werp het in de vonken.
15 En riep: „O, ontrouw gast! waar hebbe ik ooit verschuld,
Dat gij in onspoed mij zoo haast verlaten zult?"
„Die \'t Avontuur toelacht, geen vrunden en ontbreken,
„Zoo lange als zijn planeet blijft een gelukkig teeken;
„Maar als Fortuin den nek op \'t onverzienste wendt,
20 „Hem naauwlijks éenen vrund van zoo veel vrunden kent.
LXVI. Vogelaar ende Finken.
UEn Vogelaar, in \'t veld uitspannende zijn garen,
Gezeten onder \'t bruin van schaduwende blaaren,
Een wolke Vinken tot zijn net afdalen zag,
Die \'t zaad oppikken kwam, dat uitgespreidet lag.
5 Maar ziende een ander schaar van vooglen elders vliegen,
Dacht haar met éenen slag te-zamen te bedriegen.
De vinken, zat terwijl van \'t zaad dat ligt gespreid,
Ontvliên den vogelaar, die op zijn luimen leit.
T\' licht ondertusscnen daalt; na moeite en groot verlangen,
10 Hij aan den avond maar éen vinksken heeft gevangen.
„De gierigaart, die na het goed des werelds streeft,
„En nimmermeer genoegt met \'t gene dat hij heeft,
„Maar na \'t onzeker tracht, het welke hem kwam te voren,
„Heeft dikwijls tgeen hij hadde op \'t onverzienst verloren.
LXVII. Satjr en Boer.
PEn Land-man vond in \'t woud een ruigen Satyr dolen,
Die, dood van koude schier, zat in een hol gescholen;
LXV. 2. Was, lees: plach. — LXVI. 7. Zat, verzadigd.
-ocr page 232-
ai8 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Hij bracht hem in zijn huis en deed hem goede cier;
De Satyr, boven mensch en onder als een dier,
5 Gemerk nam, dat de Boer, om d\' handen te beschermen,
In zijne vuisten blies, opdat hij mocht verwennen
Zijn kneukels, schier verstijfd van koude op t\'windig veld:
Ook zag hij, dat de spijze, op \'s tafels rug gesteld,
Door \'s Boeren adem d\' hett\' en brand werd afgeblazen:
io Verwonderd over zulks, began hij te verbazen,
En vlood ter deuren uit, beducht voor \'s lijfs verlies,
Om dat m\' er koude en hett\' met éenen adem blies.
„Die in d\' een hand het vuur in d\' ander \'t water houden,
„De wijzeman bedacht voorzichtelijk ooit schouwden;
15 „Want oft haar wezen schoon niet toont als liefde en jonst,
„Zoo zijn ze doch niet vrij van booze toover-konst.
LXVIII. Huh-ratte en Oester.
pEn Huis-rat, niet vernoegd, dat zij leefde als de vrije,
En in eens koopmans huis hadde alle lekkernije
Van suiker en banket, van wild en van gebraad,
En alles wat den disch eens handelaars beslaat:
5 Dies zij van dertelheid beraan werd te verhuizen
Aan \'t dorre en vochte strang, daar steeds de baren bruisen.
Maar komende aan het meer en aan het natte zand,
Dat alszins ligt verwaaid, zij fluks een Oester vand\'
Die z\', gretig naar den visch van binnen, heeft gegrepen,
io Maar de Oester heeft de schelp al zachtkens toegenepen,
En \'s Ratten hoofd verplet, zoo dat het zwarte beest,
Op staande voet verworgd, zeer deerlijk gaf den geest.
„Wie in gerusten staat en in een weeldig leven
„Zijn lusten niet bedwingt, maar na iet nieuws wil streven,
15 „Door dertelheid bekoord, al zelden wel beklijft,
„Uit ongebondenheid, die hem tot weelde drijft.
LXIX. Slek en Adelaar.
T~)E Slek, met haren staat misnoegd, en gants t\'onvreden,
Vermids zij kruipen most, en werd van elk vertreden,
Bad d\' Arend, dat hij haar ten Hemel voerde omhoog,
Opdat zij \'s weerelds kloot, met een doorzichtig oog,
5 Eens overgapen mocht, en alle de rivieren,
Die vochtig hier en daar gekrunkeld henenzwieren;
Zij wild hem voor dien dienst vereeren, met den schat
LXVII. 14. Misschien is voor bedacht, beducht te lezen. — Ooit, steeds.
-ocr page 233-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 219
Eens peerels, die zij korts op \'t veld gevonden had.
Den Arend, haast verbeên, haar opnam met zijn klouwen,
10 En dede haar d\' ommeloop des aardrijks naakt aanschouwen.
Ten lesten hij verzocht van haar \'t beloofde pand;
Maar als hij bij de Slek noch bag noch peerle vand,
Hij haar den nekken brak en deerlijk bracht om \'t leven.
„Wie niet vernoegt met t\' geen nature hem heeft gegeven,
15 „Maar steeds na hoogheid tracht, perikel loopt voor al,
„Dat hem genakende is een eiselijken val.
LXX. Kuiken-dief en Koekoek.
\'T) E schampre Kuiken-Dief, die daaglijks met zijn kluiven
De Kuikenen verscheurt en de arme tortel-duiven,
Den Koekoek heeft beschimpt, om dat voor zijnen kost
Hij daaglijks zijnen buik met pierkens vullen most;
5 Vermids hij, veel te bloode om iemant aan te randen,
Zijn zeen\'wen nimmer tot iet treffelijks uitspanden.
De Vogel, die altijd zingt op een zelve maat,
Getroosten, dat hij dus veracht werd en versmaad,
Getroosten dat hij zich met wormkens most erneeren,
10 Ter tijd hij onlangs spoorde en kenden aan zijn veeren
Den Kuiken-dief, door list des vogelaars gevaan,
Die hing aan \'s torens top tot spiegel voor de kwaan.
„O! (sprak de Koekoek doen) indien gij goedertieren
Ü sober hadt vernoegd met wormkens en met pieren,
15 Gij hadt uw vrijheid nog, en waart, niet min als ik,
Ontweken vrij en vrank den vogelaren-strik.
„Wie met een soobren disch vernoegd zich houdt te vreden,
„Ontgaat \'t perikel licht van veel gevaarlijkheden;
„Maar wie behagen schept in weelde en overdaad,
20 „Zich lichtelijken brengt in eenen droeven staat.
LXXI. De Gier en de Nachtegaal.
T")En hongerigen Gier, al toornig en verbolgen,
Een licht gewiekte schaar van vooglen ging vervolgen,
En ving uit al de vlucht een jongen Nachtegaal,
Die al verbaasd den Gier dus aansprak op zijn taal:
5 „O, aller vooglen Heer! wilt u barmhertig toonen,
Wilt mijn onnoozelheid en weerloosheid verschoonen:
Ik zal u dankbaar zijn, de tijd mijns levens lang,
En voor die deugd uw geest vermaken met gezang."
„Mij lust niet," andwoordt hij, „naar uw gezang te hooren;
10 Den honger is te groot, den buik en heeft geen ooren
-ocr page 234-
220 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Om luistren na \'t muziek, of eenig lieflijk lied;
Dus zwijgt vrij, want dien zang noch vreugd bekoort mij niet.
„Waar nood den mensch bekrijgt, daar acht men op geen zaken,
„Die \'t oog behaaglijk zijn, noch ons \'t gehoor vermaken.
15 „Veel dingen zijn wel nut en staan ons wonder aan,
„Maar \'t noodigst overweegt, en steeds moet voren gaan.
LXXII. Slange en Boer.
T~)E Land-man bij geval vond, in een hage-doren,
Een krunkelende Slang, schier dood en half vervroren,
Vermids den Noordenwind; de bleeke zon in t\' snee
En \'t ijs, op \'t strengst van \'t jaar, haar aanzicht spieglen deê.
Des Huis-mans hert, geroerd met liefde en mededoogen,
\'t Serpent brengt in zijn hut, maar vond zich haast bedrogen;
Want als \'t ondankbaar dier s\' vuurs gloeyendheid vernam,
En meer en meer allengs heel tot zich-zelven kwam,
Het zijn venijn ter-stond aan allen kanten spreide,
Dies hij haar met een aks ter-stond ten strijde ontzeide,
En kloof haar \'t hoofd in twee, en riep: „O, schendig feit!
Is dit de loon en dank van mijn getrouwigheid ?"
„Daar is geen boozer dier als een ondankbaar mensche,
„Die, als hem alles gaat naar zijnen lust en wensche,
„De ontvangen weldaad niet alleen ter zijden stelt,
„Maar den weldoener zelf met alle kwaad vergeldt.
LXXIII. Leeuw en den IVandelaar.
üEn reizend Wandel-gast en sterken Leeuw te zamen
Door \'t schaduwende woud haar weg en voet-pad namen,
En hadden onderlinge haar praterij gemeen,
Ter tijd zij zagen, uitgehouwen in een steen,
5 Een Man en ruigen Leeuw, die worstelende deden
Haar beste en arbeid om eikanderen t\' ontleden;
Daar, na veel strijds, de Man ten lesten meester wordt,
Zoo dat de Leeuw (zoo \'t schijnt) ter aarden nederstort.
De wandelaars hier op haar oogen bezig sloegen,
10 En elk voor ander schiep hier in een goed genoegen.
De Leeuw \'s Leeuws sterkheid prees, die \'s mensenen over-
De Man gaf zijns gelijk der eeren krans en lof, (trof,
Vermids hij merkelijk den Leeuw scheen te overwinnen:
De Leeuw, hierom vergramd en razende van zinnen,
15 Zijn makker sprong op \'t lijf, en sprak: „Wel aan! laat zien,
LXXII. 10. Ontzeide, (ten oorlog) daagde. — 11. Kloof, kliefde.
-ocr page 235-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 221
Wie van ons tween de sterkste en grootste weer mag biên!"
„Wie zich te veel beroemt en zijnen kam opsteket,
„Niet lettende met wie of wat persoon hij spreket,
„Komt lichtelijk ten val, gesneveld onder voet,
20 „En zijn verdiende straf ten laatste dragen moet.
LXXIV. De Leeuwe, Ezel, en Fos.
T)En Ezel, Vos, en Leeuw zijn onderling verdragen,
Gelijkerhand om roof en buit te gaan uit jagen:
Zij renden door het woud, en hielden nergends stee,
Ter tijd zij afgejaagd betrapten een jong ree.
5 Toen sprak den Ezel: „Laat ons nu geenszins krakeelen,
Maar \'t jonge ree in driên voor ons te gader deelen."
De Leeuw, hierom verstoord en eiselijken gram,
Den Ezel fluks verscheurde en daadlijk \'t leven nam.
En spreekt het Vosken aan: ,,T\' zal nu met ons gelukken:
10 Deelt gij den verschen roof in twee gelijke stukken."
De Vos verscheurden \'t Hert, en deelden t\' beest van een,
Maar gaf zijn Koning \'t grootste en t\' beste deel van tweên.
Dies zich der Dieren Vorst tot Reinaart spoedig keerde,
En vraagde, in wat school hij dees beleefdheid leerde?
15 „Eens anders ongeluk," sprak Reintjen heel beleefd,
„Des Ezels droevig eind, mij onderwezen heeft."
„Wie \'sandren voorbeeld zich verstrekken laat een lesse,
„En houdt de ervarentheid zijn voedster en meestresse,
„Veel zwarigheids ontgaat, en s\'levens tijd verlengt,
20 „Terwijl de onwijze zich in druk en lijden brengt.
LXXV. De Fos en de Leeuwe,
T"\\E Vos zag eenen Leeuw van verre hem nader komen:
Dies \'t siddren hem beving, en zeer begon te schromen:
Verstak zich voor een wijl in \'t diepste van het woud,
En heeft zijn leven in s\' Leeuws klaauwen niet vertrouwd.
5 Ter-stond daaraan is weer hem \'t ruige dier verschenen;
Toen was hij zoo beducht noch bang niet als voorhenen,
Doch vlood vast niet-te-min in \'t dichtste van het lisch.
Ten lesten hem nog eens de Leeuw ontmoetet is;
Toen heeft hij onbezorgd verzeld den schrik der dieren,
10 Die neffens Reinaart hem bewees zeer goedertieren.
„Gewoonte veel vermag in \'t kwade en ook in \'t goed:
,,T\' is d\' andere nature in \'t redelijk gemoed.
LXXIV. 1. Verdragen, over-een-gekomen. — LXXV. 10. Bewees,
aanstelde.
-ocr page 236-
222 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
„Veel hebben t\' zondig kwaad, dat ons nog aan mag kleven,
„Verkeerdelijk Natuur, niet Aanwenst toegeschreven.
LXXVI. Leeuwe, Ferken en Gier.
T~)E Leeuw en \'t Wilde Zwijn malkanderen ontmoeten,
Met opgesperden muil d\' een d\' ander fel begroeten.
De Leeuw, wiens kracht bestaat in zijnen slingersteert,
Het wild geborsteld Zwijn zeer eiselijk aanveerdt,
5 En scheurt het dikke spek met zijn geslepen tanden:
\'t Zwijns oogen ziet men fluks gelijk twee kolen branden,
En \'t grijpt zijn vijand aan om tegenweer te biên:
Terwijl de vogel Gier haar worstlen gaat bespiên
Van eenen groenen tak, waarop hij is gezeten,
10 En vast op d\' eerste die van tweên zal zijn verbeten.
Maar als zij strijdens moede opschorten haar gevecht,
En ieder loopt zijns weegs, en niemant onder legt,
Den hongerigen Gier, door ijdel hoop bedrogen,
Versteken van zijn vreugde is elders heen gevlogen.
15 „Wie zich te vroeg verblijdt op \'t niet en \'t ongewis,
„En deelt den beeren-huid eer \'t beest gevangen is,
„Ten lesten dikwijls rouwe en droefheid zal bespringen:
„Zot is hij, die veel roemt in onverkregen dingen.
LXXVII. De Wolf, V Fosken en de Harder.
T~)E Wolf in d\' afgrond van een holle rotse speelden,
Van voorraad wel verzorgd, en zwom in duizend weelden.
De Vos, die bij geval passeerde langs het gat,
Den Wolf om weinig spijze en voedsel vrundlijk bad.
5 Maar Wolfaart, veel te gier, en vreemd van medelijden,
Liet Reinaart ongetroost, en zag hem aan ter zijden.
De looze Vos, om zich te wreken van dien smaad,
Wees d\' Herder t\' wol venhol, uit doodelijken haat.
De Wolf geraakt om hals, en Reintjen noodt zich zelven
1 o Op \'t wildbraad, dat hij vindt in \'s nollen klipgewelven:
Verbrast hem aan het vet, zoo dat hij zelfs (helaas!)
Ten lesten deerlijk wordt der feller honden aas.
„Al wie uit nijdigheid een ander neemt te plagen,
„Een beudel wordt zijns zelfs, en zal veel smerten dragen.
15 „De nijdige zich zelfs noch andren deugd betoont;
„Om andren leed te doen hem-zelven niet verschoont.
LXXV. 14. Aanwenst, aanwensel. — LXXVI. 10. Vast op, hunkert
naar. — LXXVII. 10. \'s Hollen, van \'t hol. — Het kan ook zijn, dat bij
klip de s vergeten is: in de gewelven van de holste klip. — 13. Neemt,
onderneemt. — 14. Beu del, beul.
-ocr page 237-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 223
LXXVIII. De Vos, Hond en Haze.
\'T*\' Loos Reintjen eenen Dog op \'t onverzienste ontmoeten:
De Dog, die wilde aan hem zijn gragen honger boeten;
Dies Reinaart in gevaar, hield met hem deze spraak:
„Gelooft mij, jonker Dog, van wonder kwaden smaak
5 Is \'t harde Vossen-vleesch, en kwalijk om verdragen:
\'t Bezwaart, en kookt gants niet in hongerige magen.
Maar zoo u vleesch gelust of eenig lekker aas,
Ziet, daar loopt wel te passé een lang-geoorden Haas:
Zijn vleesch is delicaat, en laat zich lieflijk stoven;
10 Het is \'t gezochtste wild in aller Princen hoven.
De Dog, hierdoor beweegd, naar \'t Haasken henenspoedt,
\'t Welk vluchtig hem ontspringt, gelijk ook Reinaart doet;
Die, veilig bij den Haas in schaduwe gezeten,
Zijn ontrouwe en verraad van \'t Haasken wordt verweten.
15 „O Kort-steert! (zegt de Vos) genoegdij kwalijk nog?
Ik prees uw edel vleesch op t hoogste voor den Dog!"
„Zoo handlen zulke, die haar naasten nog bezwaren,
„Opdat ze in lijfsgevaar haar-zelven slechts bewaren.
„De schalke heeft om de brand zijns nabuurs geen geklag,
20 „Als hij zich veilig bij de kolen warmen mag.
LXXIX. De Stier en V Muisken.
FEn horen-drager Stier hem zelven Koning noemde
Van al \'t viervoetig vee, en al wat d\' hoornen kromde;
Beroemde, dat hij \'t al braveerde aan eiken kant:
Ja, zelf te boven ging den sterken Olifant,
5 Den Leeuw, den Beer, den Wolf, en wreede Panter-beesten,
En alles wat zich houdt in dalen en foreesten.
Terwijlen hij dus roemt, een Muis kruipt uit haar hol,
En bijt den Stier in \'t been; dies hij, van gramschap dol,
Zijn leed te wreken tracht en \'t Muisken wil vervolgen,
10 \'t Welk hem in \'t hol ontvlucht: dies brult hij zeer verbolgen;
Want, telken als hij zich wil wreken van zijn leed,
Loopt \'t diefken in zijn hol, dat hem zoo schendig beet.
„Hoe groot een Koning is, door al zijn heerlijkheden,
„Al is hij schoon het hoofd van menig duizend steden,
15 „Zoo kan een onderzaat en minder onderdaan
„Hem door zijn kloekheid nog veel hinders brengen aan.
LXXVIII. 19. Schalk\' is een adjektief, de slechte. — LXXIX. 13. H. g.
e. k. zij.
-ocr page 238-
224 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
LXXX. De Aap en de Fos.
T~)E steertelooze Sim, den achter kalen Marten,
Bad Reintjen, dat hij haar, uit liefde en goeder harten,
Een stuk van zijnen steert uit jonst meed-deelen wou,
Opdat ze afschutten mocht haar schande en ook de kou,
5 Vermids zijn steert, te lang, zulks lichtlijk konde ontberen.
Maar Reinaart heeft zich hier gants niet aan willen keeren,
En sprak: „Neen, Jufvrouw Sim! maakt mij het hoofd niet
krank,
De steert mij niet ontciert, noch valt mij niet te lank,
Noch ook zwaar van gewicht, in slepen oft in dragen;
10 Uw smeeken is vergeefs: dus houdt vrij op van klagen."
„De rijke gierigaart (een zeldzaam wonder is \'t!)
„Tot zijnes naasten troost, te noode ontbeert en mist
„Iets van zijn overschot; hij keert zich aan geen kermen,
„Noch ziet de nood niet aan van d\' aangevochten armen.
LXXXI. De Vos en V Beeld.
T")E Vos, in \'t rijk kasteel eens Edelmans, aanschouwde
\'t Hoofd, dat een beeldenaar zeer schoon na \'t leven bouwde r
Zoo dat in \'t aanzien eerst hij vastlijk heeft geloofd,
\'t Was geen gegoten beeld, maar een natuurlijk Hoofd;
5 Het welk hij om de kunst geloofd heeft en verheven,
En sprak: „Wat ooge zag ooit schoonder beeld zijn leven?
Maar niet-te-min wat ligt hier aan bedreven nu?
O, schoon gebootste kop! ik vinde niet in u,
Noch reden, noch verstand, noch hersenen, noch zinnen:
io Uitwendig schijndij wat, maar niets en is er binnen."
„Een welgeschapen lijf en treffelijk gestalt,
„Uitwendig menigmaal den mensche wel gevalt:
„Maar ziet men op den geest, waar in alleen den prijs leit,
„Zoo vindt men hem ontbloot van reden en van wijsheid.
LXXXII. \'T Hert, V Schaap en Wolf.
XJ Et rank gehorend Hart \'t onnoozel Schaap beklaagde,
En voor den wreeden Wolf vergramd ter vierschaar daagde,
Opdat het van de terwe en t\' graan mocht zijn betaald,
De welk hem kwam van ouds en had tot nog gefaald.
5 De Wolf, als rechter, heeft verhoord haar beider zeggen,
En heeft het weerloos Schaap wel ernstig op gaan leggen,
Dat het aan \'t klachtig Hart het koren zoud voldoen,
En op gezetten dag zich tot voldoening spoên.
-ocr page 239-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 225
\'T onnoozel bevend Lam heeft alles aangenomen.
10 Maar als nu \'t Hart is ter gezetter tijd gekomen,
Heeft \'t Schaapken \'t Hart belacht om \'t vast beloofde graan,
En zeide: „Ik dede uit vreeze al \'tgene ik heb gedaan."
„De onnoosle moet uit schrik in der tyrannen hoven,
„\'T gene hij niet schuldig is, uit angst en vrees beloven:
15 „Want wie te schaffen heeft met eenig wreed tyran,
„Opdat hij hem ontga belooft al wat hij kan.
LXXXIII. De Geite en \'t jonge IVolfken.
T"\\E langgebaarde Geit een Wolf ken heeft gevonden,
t Welk op te voeden zij haar-zelf heeft onderwonden.
Zij lelde \'t aan de speen: \'t jong Wolfken ouder werd;
Al zoog het Geiten-melk, \'t behield een Wolven-hert:
5 Begon zijns vaders aard te drukken uit naar \'t leven,
Zoo dat de moeder Geit bestond daarvoor te beven.
„Gaat, Wolf-kind!" sprak zij, „gaat (ik wil mij uws ontslaan),
Want voor de weldaad, die ik u heb aangedaan,
Gij mij ten lesten zoudt verscheuren en verslinden.
10 Gaat na uw wolven toe, wilt uws gelijke vinden."
„Deugd werkt hij, die in nood zijn vijand goed bewijst,
„Die zijnen dorst uitlescht, en zijnen honger spijst:
„Maar toezien moeten wij alzoo hem te onderhouwen,
„Dat wij ons-zelven niet hem al te veel betrouwen.
LXXXIIII. De Katte en den Haan.
Dl
klauterende Kat een Haan hadde opgegrepen,
En in haar pooten hield hem vast en stijf genepen:
„Bloed-schender! (zeide zij) hoereerder, razebol,
Gij hebt, gij hebt nu uitgespeeld uws levens rol;
5 Gij hebt de dood verschuld: deze oogen zuldij luiken,
En meer uw moeder noch uw zuster niet gebruiken,
Om uwen geilen lust met haar te blusschen uit.
Gij zult vroegmorgens niet meer maken groot geluid.
Noch in haar zoetste rust de slapers komen storen."
10 Dies Koppen om \'t ontgaan des Katten heeten toren,
Zijn onschuld maakte, dat hij \'t niet en was alleen,
Maar zulks met al de rest der vooglen had gemeen.
De Kat en luistert noch na onschuld, noch geweten:
Maar heeft der Hinnen boel op staande voet verbeten.
x5 >,Wie iemant haten wil, en is tot wraak gezind,
LXXXIV. 10. Koppen, naam van den haan.
vondel I.                                                                                          15
-ocr page 240-
226 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
„Al lichtelijken een gevonden oorzaak vindt.
„Geen onschuld gelden mag in \'t vierschaar der tyrannen,
„Daar reen en billijkheid van ouds is uitgebannen.
LXXXV. De Kat en de Ratten.
UEn stok-oud Katten-vel, met kreupelheid behangen,
Van oudheid Ratten kon noch langer Muizen vangen:
\'t Langsteertige gebroed, als \'t hier de snuf van kreeg,
Haar honger boeten aan het meel en aan den deeg.
5 Dit heeft die oude Kol tot in het hert verspeten,
Om dat ze haar wakkerheid door d\' oudheid had vergeten;
Maar evenwel bedacht een raad vol arg en list:
Zij voegde haar bij het meel en school haar in de kist.
De dieren, die bij nacht na haar gewoonte kwamen,
10 Zij d\' een na d\' ander heeft verslonden al te zamen,
„De mager armoe verr\' de zatte weeld\' verkloekt.
„En in den bittren nood en angst veel listen zoekt:
„Al tgeen in weelde niet kan ons gedachten roeren,
„Weet d\' armoe nog in nood scherpzinnig uit te voeren.
LXXXVI. De ouden Hond en zijn Meester.
UEn ouden kranken Brak, te traag om meer te jagen,
Werd dagelijks gegroet en afgesmeerd met slagen,
Om dat hij langer niet zijn Jonker bracht ten hoof
Een afgeronnen Hart, wild Zwijn, oft andren roof:
5 Gelijk hij voormaals plach de tafel zijnes Heeren
Met lieflijk venezoen op t\' rijkste te stoffeeren:
Maar als hij eindlijk werd bejegend langs hoe straf,
En dat men stokken hem in plaats van eten gaf,
Hij tot zijn Heere sprak: „Mijn diensten zijn vergeten,
io Ik heb mijns levens tijd ellendelijk versleten;
Men heeft mij om de buit getroeteld spade en vroeg,
En niet uit liefde en gunst, die iemant tot mij droeg.
„Wie zijnen tijd verslijt in grooter Heeren hoven,
„Zich dwaselijken veel belooning gaat beloven.
15 „Want als hij zijnen tijd onnut heeft doorgebracht,
„Hij ijdel en vergeefs op zijn bezolding wacht.
LXXXVII. De Boer en zijn Honden.
PEn Huisman, hard gedrukt van \'s winters sture vlagen,
Uit grooten hongers-nood zijn Huis-vee heeft geslagen;
LXXXV. 1. Katten-vel, kat. — LXXXVII. 2. Geslagen, geslacht.
-ocr page 241-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 227
Maar laas! ten holp al niet: de koude duurde lang,
De winter viel zoo streng, en maakte \'t hem zoo bang,
5 Dat hij zijn Ossen bij haar hoornen heeft gegrepen,
Die plachten zijnen ploeg te trekken en te sleepen:
Deze heeft hij ook op \'t lest ter slachtbank voortgebracht,
En met den scherpen bijl gezamentlijk geslacht.
Zijn Honden hebben dit droef schouwspel waargenomen,
10 En eindelijk bestaan uit angst voor hem te schromen!
„O, laat ons (zeiden zij) ontvluchten metten ijl!
Mag zijn jukdragend vee nog niet ontgaan den bijl,
Niet beters zal gewis op \'t lest óns wedervaren:
Die zijn lief huis-vee slacht en zal geen doggen sparen."
15 „Wijs is hij, die in tijds is voor \'t gevaar beducht,
„Die veiliglijken nog d\' aanstaande dood ontvlucht.
„Die vonnist, dat hij is te vreezen en te mijden,
„Die zijn zelfs huisgezin bezwaart met kruis en lijden.
LXXXVIII. De Ezel, Buffel, Kameel en Mui/e.
T*\' Lang-halzige Kameel, den Ezel afgedreven,
JU*
\'t Last-dragend Muil-Peerd en de Buffel, zat van leven,
Zich vonden t\' zaam vergaard in een gezonken dal:
Elk klaagde zijn verdriet en daaglijksch ongeval;
5 Om dat elk volgen most zijns heeren last en wenschen,
En dienen tot gerief en slavernij der menschen.
Den Ezel lang-geoord die kreesch uit ongeduld,
Hij was aan zulken last noch arbeid niet verschuld,
Hij wilde \'t zich ontslaan, en langer dus niet kruipen,
10 En voortaan oefnen niet als vreten, slempen, zuipen.
Dies straften de and\'re drie zijn domheid al te rouw,
En raden, dat hij met dien staat vernoegen zou.
Want willen slavernij ontgaan is moeit verloren,
Om dat wij (zeiden zij) tot slaven zijn geboren.
15 „Hoe menig plompaart nog al stribbende bepleit,
„\'t Ontgaan het dienstbaar juk, dat hem is opgeleid;
„Maar \'t is vergeefs gewoeld, om \'t voorschik te verschrijven:
„Want: die een Ezel is, die moet een Ezel blijven.
LXXXIX. Babiaan en Aap.
T")En Aap eens guichelaars bedreef zeer vreemde dingen,
Met dansen in het perk, met buitelen, en springen,
LXXXVIII. 1. Afgedreven, door gedreven te worden, afgemat. — 3.
Gezonken, pleonastiesch voor laag. — 8. Ver schuld, z. 1. n. a. niet
schuldig. — LXXXIX. 1. Uitg. heeft beytelen.
-ocr page 242-
228 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
\'t Nieuws-gierig malle volk zag vast de bootsen aan;
Elk was van lachen schier de blijde ziele ontgaan.
5 Terwijl den Aap vast juicht, en volgt op \'s meesters roepen,
Hij een fraai hierlandsch wijf ziet groote noten snoepen:
Dies hij, op \'t onverzienst, na haren schoot zich maakt,
En voor een wijl met haar zoet-apig noten kraakt:
Ten lesten krakens moede (o zeldzaam wonderheden!)
10 Hij haren voorschoot licht, en toont haar naakte leden.
De omstanders lachen vast om zulk een vreemd bedrijf,
Dat haar van schaamte moet versteken \'t schaamrood wijf.
„Nature wordt bedekt door de aangewende zeden,
„Maar nimmer uitgerooid door leeringe of door reden:
15 „Barst altijd ergends uit, en brengt nog eens te pas
„Hetgeen haar aangeè\'rfd en aangeboren was.
LXXXX. Zwaluwe ende den Kwist-goed.
üEn dertle Lichtmis al zijn goederen verkwisten,
Behalve zijnen rok, die hij ongeerne misten.
Doch als hij onverziens een Zwaluwe in de locht
Haar vleuglen roeren zag, hij bij zich-zelven docht:
5 Die vogel is gewis een voorbood van de dagen,
Die \'t alderlieflijkst zijn en niet dan bloemen dragen:
Mijn hemde mij genoegt; het opper-kleed moet zijn
Verdobbeld en vertuischt, \'t hert vrolijk in de wijn.
Maar laas! hoe is \'t vergaan? De Noordwind is gekomen,
io En heeft met zijn geblaas den Zwaluw \'t lijf benomen!
De Brasser, als hij nu den Vogel liggen zag,
„Gij (zeide hij) de oorzaak zijt van alle mijn geklag.
Van koude ik nu verga; nu vinde ik mij bedrogen,
Om dat gij trouwloos zijt te vroeg de hette ontvlogen."
15 „Wie iets te spoedig doet, en volgt zijn eigen hoofd,
„Al lichtelijken van zijn welvaart wordt beroofd.
„Indien de Kwist-goed dacht op huiden om den morgen,
„Hij zoude ontwijflijk meer voor s\'levens welstand zorgen.
LXXXXI. Vogelaar en V Veld-Hoen.
\'T)E Vooglaar op zijn luim ving een Patrijs in \'t garen;
Het Veld-Hoen, in \'s doods schrik en d\'uiterste gevaren,
Den Vooglaar vrundlijk smeekte, en om zijn leven bad:
„O! (sprak het) rooft mij niet mijn alderweerdste schat!
LXXXIX. 12. Zoo dat de schaamroode vrouw zich van schaamte verbergen
moet.
-ocr page 243-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 229
5 Mijns levens doch verschoont; ik sta in duizend vreezen:
Mij weer in vrijheid stelt! ik wil u dankbaar wezen,
En jagen u zoo veel Patrijzen in den strik,
Als gij begeeren zoudt, in éenen oogenblik."
„Neen,\' zegt de Vooglaar, „neen; zijt gij zoo boos van herten,
10 Dat gij een ander wilt toebrengen zulke smerten,
Waarvan gij hertlijk wenscht u zelven nu t\' ontslaan,
De welverdiende straffe en zuldij niet ontgaan."
„Die op zijn luimen ligt om andren te verraden,
„Zal eenen zwaren vloek op zijne schoudren laden:
15 „Die andren lagen lelt, of onderstaat te doón,
„Werd zelfs in \'t net gejaagd en krijgt verraders loon.
XCII. De Hennen en V Feld-Hoen.
\'T) E Landman een Patrijs in \'t looze net verstrikten,
De Koppens in de ren het arme Hoen verpikten,
Zoo dat het zijnen tijd met rouwe slijten most,
Op hope, van \'t verdriet nog eens te zijn verlost:
5 Doch eindlijk zag het, hoe vast vinnig met onvreden
De Kamme-dragers steeds zoo nijdig t\' zamen streden:
D\' een, met jeloersheids pest ontsteken en gekweld,
Om dat met zijn boelaadje een ander was verzeld;
En d\' ander, om den palm triumfelijk te voeren,
10 Hadde anders niet in t hoofd als groote krijgs-rumoeren.
Als \'t Veld-hoen dit beoogde, en zag, hoe fel en wreed
Het een gekamd geslacht het andere bestreed,
Zoo heeft het zich getroost, en dacht: „\'Ten is geen wonder,
Dat ik, arm vreemdeling! moet stadig duiken onder."
15 „Daar borgers onderling malkanderen bestaan
„Op \'t scherpste en \'t alderfelst zeer hard te grijpen aan,
„En daar zij daadlijk zijn geneigd ten alderboosten,
„In zijn versmaadheid zich een uitheemsch licht kan troosten.
XCIII. De Vogelaar en de Ooyevaar.
üEns Landmans akker stond gelaan met gouden koren,
Maar \'t werd van Ganzen en van Kranen afgeschoren;
Dies hij van toornigheid zijn strikken heeft gesteld,
Om dees roof-vooglen te verrassen op het veld.
5 Hij lag op zijne luim met overgroot verlangen,
En heeft juist bij geval een Klepelaar gevangen.
Den Ooyevaar, uit angst, heeft zijne onnoozelheid
XCII. 8. Om dat een ander het gezelschap van zijn boel genoot.
-ocr page 244-
23o VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Den Akkerman verbaasd tot onschuld voorgeleid:
„Den tijd mijns levens nooit beschadigde ik uw granen
10 (Zegt d\' ooyevaar), gelijk de Ganzen en de Kranen.\'\'
„Neen (sprak de Vogelaar) het lijf is u ontzeid,
Uw onschuld niet en geldt, ik vind u op het feit."
„Wie veilig leven wil in stilheid uitgenomen,
„Verzel zich daaglijks bij \'t gezelschap van de vromen;
15 „Want wie den kwaden volgt, die \'t booze zijn gewoon,
„Wordt eindlijk achterhaald en krijgt der kwaden loon.
XCIV. De Wolf vervolgt het Schaap.
T}En hongerigen Wolf, ter zijden wechgescholen,
"^Zag een onnoozel Schaap langs \'t open veld gaan dolen:
Dies gretig na het aas hij aangevlogen kwam,
En volgden op het spoor het weerloos vluchtig Lam.
5 Het Vlies zijn leven zocht op \'t spoedigste te vrijden,
En ziende een oud gesticht, getimmerd wat ter zijden,
Ter poorten innevlood; dies Wolfaart op de hiel
Zoo dapper metter vlucht ter deuren inneviel,
Dat, als hi] binnen was, zij fluks is toegevallen:
10 Dies spaarde hij \'t Vlies uit angst, en kwetsten \'t niet-met-allen.
„De booze niet verschoont het bloed van \'t vroom geslacht,
„Voor dat hij heeft zich zelfs in zwaar verdriet gebracht.
„Zijn honger is zoo groot, dat hij ten langen lesten
„Vergeet al \'t geen hem dient ten goeden en ten besten.
XCV. Jupiter en de Slange,
T)E Blixem-drager heeft den choor der Hemel-goden
Op een zeer groot banket heel vrundlijk laten nooden.
Neptunus fluks ter feest met zijnen drietand kwam,
En Mars, nog vocht van \'t bloed en van het krijgen gram;
5 Apollo met de glans van zijn doorluchte stralen,
Met al de Water-Goön en Nymfen van de dalen.
Zoo fluks \'t gcdiert vernam het heerlijk avondmaal,
Elk een zijn giften bracht op \'s hemels opper-zaal.
\'t Was Jupiter zeer lief, hij heeft z\' in dank ontvangen.
10 Ten lesten met een Roos kwam een der Waterslangen;
Maar Jupiter, beducht dat eenig boos venijn
Mocht onder \'s Rozen blaan en steel gestreken zijn,
Heeft dit geschenk ontzeid. „Gij, die de Goón wilt eeren
„Met een oprecht gemoed, wilt u ten hemel keeren;
15 „Want ijdel is de dienst, die iemant hem bewijst,
„Wanneer hij uit een boos en godloos herte rijst.
-ocr page 245-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 231
XCVI. Jupiter en de Honig-Bije.
T~)Er Bijen Koning trotsch, van grootschheid uitgelaten,
Bood Jupiter beveinsd een gift van honig-raten,
En bad met eenen, dat \'t hoog vierschaar van de Goön
Hem gunde, dat hij mocht met zijnen angel doón
5 Al wie van honig kwam ontblooten zijne korven;
Maar heeft van \'s Hemels troon deze andwoord fluks verworven:
„\'t Geschenk, dat gij mij brengt, mij zonderling behaagt,
Maar \'tgeen gij van mij bidt en daar gij mij om vraagt,
Dat gij een ander met uw prikkel mocht doen treuren,
10 Dat overkome u-zelfs, dat moet u-zelfs gebeuren.
Want als gij andren kwetst, \'t zij met, t zij zonder schuld,
Zoo zwere ik dat gij fluks dit leven sterven zult."
„Die na de sterren zendt zijn vurige gebeden,
„Om zijn wraakgierigheid aan iemant te besteden,
15 „Zal missen niet alleen \'tgeen dat hij heeft gebeên,
„Maar voelen zelfs op \'t hoofd den opgeworpen steen.
XCVII. V Peerd en V Zwijn.
TJ Et kuische Truitjen Zogs zag \'t Ros, vercierd met pluimen,
Gezadeld en getoomd doen zijnen breidel schuimen,
Ten oorloog toegerust, om dragen zijnen heer
In \'t midden van \'t gevecht, met zweerd, pistool, en speer.
5 „O!" riep zij, „armen Guil! waar wildij u begeven?
Wat dolheid gaat u aan, dat gij van zelfs uw leven
In \'s doods perikel stelt en allerlei ellend?"
Toen heeft zich tot de Zeuge het Ros aldus gewend:
„Gij, vuile Morsebel! wat wildij al veel zeggen,
10 Die altijd in den drek en vuilen stank blijft leggen,
En eindlijk blijft vervreemd van alle onsterflijkheid,
Die in \'t bestoven veld den Hengst wordt bijgeleld,
Als hij den Ridder voert tot dooden en tot moorden,
En breekt door \'t vier-kant van der vijanden slag-oorden;
15 Behaalt veel wapen-roofs en eenen heldren glans,
Als hij verwinner blijft en erft der eeren krans."
„Die door zijn traagheid blijft van \'t ware lof versteken,
„Veeltijds op andren wil veel snorken en veel spreken.
„Door ondeugds oefening werd niemant ooit vermaard:
20 „Wel hem, die door zijn deugd zijn naam van \'t graf bewaart!
XCVII. 1. Truitjen Zogs, Varkensnaam. — 5. Guil, knol.
-ocr page 246-
232 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
XCVIII. Peerd en den Ezel.
\'T) En Ezel, met veel houts en pakken overladen,
Begon den droeven staat zijns levens te versmaden,
Als hij den gladden Hengst zag brieschen over \'t veld:
„O! £sprak hij) of ik ook in vrijheid waar gesteld!
5 Dat ik in weelde mocht mijn dagen laten vlieden,
En niemant over mij iets hadde te gebieden!"
Maar als nu, op het lest, het lang-geoorde dier
\'t Peerd draven zag ten strijd hoogmoedig, trotsch, en fier,
In \'t midden van \'t gevaar, van spiesen en van zwaarden:
io „O! (sprak het) mijnen staat ik liever houde in waarden!
Veel liever leve ik dus, met slavernij gedrukt,
Als midden in den krijg, daar \'t zelden wel gelukt!"
„Noch eer noch rijkdom mag den mensch gelukkig maken,
„Wanneer men wel bemerkt den loop van \'sweerelds zaken:
15 „Gelukkig is die geen, die hier genoegzaam leeft,
„En rust in \'t geen, daar God hem toe geroepen heeft.
XCIX. Kalikoet en den Haan.
T~\\En Koekeloeren Haan zag op zijn mist-hoop treden
Een rooden Kalikoet; dies werd hij zeer t\' onvreden,
Beriep hem tot den kamp, en liep hem in \'t gemoet.
Dies hem verweeren most den grooten Kalikoet.
5 Zij vochten beide om strijd, dat \'t roode bloed afdroopten,
Als zij d\' een d\' ander fel met scherpe sporen noopten.
Den Kalikoet in \'t eind zag, dat den Duitschen Haan
Hem rust noch vrede liet: dus, om zich gants t\' ontslaan
Van allerhande twist, verkoos in ander hoeken
10 Zijn dagelijkschen kost in vrede te gaan zoeken.
„Veel volkren zijn zoo wild, zoo woest, en onbesuisd,
„Dat de arme vreemdling niet bij haar mag zijn gehuisd.
„Al hebben zij een land tot haar behoef gewonnen,
„Een ander zullen zij het aardrijk nog misgonnen.
C. Het Veld- en Stad-Muisken.
\'T*\' Bol Muisken van der Stad de Veld-Muis kwam vergasten,
Maar vond zoo soobren disch, dat het zich niet verbrasten:
Want erwten, boonen, grut, en wortlen was de kost,
Daar \'t lekkre diefken zich meê vrolijk maken most.
XCIX. 1. Koekeloer, klanknabootsende hanennaam. — C. 1. Vergas-
ten, (ergends) gast zijn. — 2. Verbrasten, door brassen overdaad deed.
— 4. Staat leckere.
-ocr page 247-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 233
5 De Stad-Muis, ongewoon zoo soobre middag-malen,
Wil tot een zoete wraak bet haar waardinne onthalen:
„Zwartzuster!" zegt zij, „komt, verzoekt uw oude kaar:
Vergast mij, daar men smetst oft altijd bruiloft waar."
De Veld-Muis is gereed. Ter stadwaart zij zich haasten;
10 De Stad-Muis vindt haar woonst\' en wilkoomt haar ten laasten
In \'s kelders diep gewelf, daar \'t niet min was onvrij,
Als rijkelijk verzorgd van alle lekkernij:
Want \'s tafelknechts verzoek haar beven dede en ijzen,
Zoo dik hij voorraads haalde om \'s Meesters disch te spijzen,
15 En steurden \'t Muizemaal, nu met, nu zonder kaars,
Naar \'t rispelen jeloers. De Veld-Muis, vol gevaars,
Sprak: „Smaak noch zoetigheid aanbrengt mij \'t lekker eten:
In \'t veilig kies ik liefst raauw\' bonen en erweten."
„Wie soberlijken leeft in \'t vrije en open veld,
20 „Die \'s werelds pracht versmaadt, en goud-zucht niet en kwelt,
„Smaakt droog brood suiker-zoet, als d\' honger hem komt
nooden,
„Daar \'t Hof walgt van \'t gebraad, noch smaak vindt in \'t ge-
„Want laagheids armoed\' is het veiligste van al, (zoden.
„Daar hoogheids weelde daalt, komt plotselijk ten val.
GI. Ouden Man en Dood.
üEn stok-oud Reiziger, langs ongebaande wegen,
Met een zwaarwichtig pak zich vond geheel verlegen:
De last hem overweegt, hij ziet des weegs geen eind:
Hij zucht, hij hijgt, hij steent, vol kommer en ellend.
5 Ten laatsten afgemat, aanvangt hij dus te klagen:
„Gebeurt u dan geen rust, zelfs in uw oude dagen?
Was \'t daarom, dat gij voor vele andren overschoot,
Die lang verbeten zijn van d\'onverwachte Dood?
O aangename Dood! leent \'t oor tot mijn gebeden,
10 Helpt een onzalig man uit zijn katijvigheden!"
De Dood verhoort zijn klacht, en voor zijn aangezicht
Haar schrikkelijk vertoont met eenen stalen schicht.
Dies schrikt den Ouden Stok, en bidt, met groot vervaren:
„Erbarmt mijns ouderdoms, en wilt mij nog wat sparen:
15 Ik wenschte alleen om u, vermids mij hulp gebrak,
En mij te bange viel mijn zwaar-geladen pak."
C. 6. Bet, beter. — 7. Verzoekt, bezoek. — Kaar, vriendin. — 8.
Smetst, smult. — 15. Naar \'t rispelen jeloers. Verdacht op \'t geritsel
der muizen. — Cl. 5. Aanvangt met den toon op de tweede lettergreep.
Dit wijst op algemeen gebruik. Lichtelijk had Vondel begint of vangt hij
dus aan kunnen schrijven.
-ocr page 248-
234 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
„Zoo dwijnt de een zwarigheid, die groot scheen in onzeoogen,
„Wanneer een grooter zich koomt levendig vertoogen.
„Men roept wel om de dood, uit onkunde en verdriet;
ao „Maar treedt ze voor den dag, zeer snel men voor haar vliedt.
CII. Van V dronken Hert.
"E* En Hert, gewend in weelde en alle lekkernijen,
Begaf zich tot den dronk en volle slempernijen:
Door de overstalge maat en \'t gulzige geslok,
Verbreekt zijn tengre been aan eenen eiken blok.
5 „Let hierop, kittebroêrs! dit zijn de waarde gaven,
„Die Bacchus geeft zijn maats en Ceres hare slaven:
„Wanneer hij van zijn vrucht, en zij van haren drank
„U schenkt de kroezen vol, dan zijn de beenen rank,
„Dan krenken zij \'t vernuft, betooveren uw zinnen,
io „Door dat gij van haar sap en nat te zoet wilt ninnen.
„Dan steigren zij in \'t hoofd en timmeren in \'t brein:
„Gij waant u een Monseur, vast wordt de beurze klein.
„Gij speelt den goochelaar, oubollig in manieren,
„En bootst, zoo wreed, zoo vuil, en slecht, na alle dieren.
15 „De zinnen zijn van huis, door \'t pooyen dag en nacht;
„Men kraauwt vergeefs den kop, als t geld is door-gebracht.
„Het hammeken is op: de beenen zijn gebroken:
„De goê gelegentheid en tijd is wech-gesloken.
„De leden zijn verstijfd: de lever, longe en milt
20 „Verzopen en verteerd. Dit\'s loon van \'t Dronkaarts gild.
„Volgt dan des waarheids les: leert soberheid gebruiken,
„En vliedt, als eene pest, zinloze Bacchi-kruiken.
„Let vooral op de spreuk: Als \'t bier is in de man,
„Dan is al zijn verstand en wijsheid is de kan.
CIII. De Beer met de twee JVandelaars.
\'"PWee Makkers op den weg al wandelende spraken
Van ware broederschap en vriendelijke zaken;
Zij sloten eenen bond: hoe groot ook waar de nood,
Malkander bij te staan getrouwlijk totter dood.
5 Op \'t onverzienst komt haar den Honig-snoeper over,
Zoo vreeslijk, dat hij scheen des blijden levens roover:
Dies d\' een in snelder ijl begeeft zich op een boom;
En de ander, als versuft, valt plotslijk in een droom,
CII. 5. Kittebroêrs, drankhol-genoten. — 7. Drank van Ceres, bier.
— 10. Ninnen, leppen. — 13. Oubollig, dwaas.
-ocr page 249-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 235
Zoo \'tscheen, en veinst hem dood, door\'trekken van zijn leden;
10 Alleens of met een vlim zijn draad waar afgesneden.
Den Beer snuift om en om, en ruikt vast hier en daar,
Hij vindt noch locht, noch geest meer, of\'t een krenge waar;
Verlaat den bangen man. Dies d\' ander afgestegen
Verzoekt zijn oude spits, die nog was gants versiegen:
15 „Ei, zeg mij, eêlen baas! wat luisterde hij in \'t oor?"
„Hij sprak, dat ik dijn vliede, en kies daar trouwer voor."
„Zoo kent men ware liefd\' in nare noods bedroeven,
„Gelijk men \'t goud in \'t vier, en op de toets moet proeven;
„Maar valsche vrienden zijn lieftalig in \'t aanschijn,
20 „Daar ware vrienden in den dood getrouwe zijn.
„Gelijk de lichte sneeuw versmelt door Phoebi stralen,
„Veel lichter stuift die weg als voorspoed komt te dalen:
„Maar trouwheid blijft altoos, en wijkt om dit noch dat.
„Dus is d\' oprechte vriend den kostelijksten schat.
CIV. De IFolf met zijn getuigen tegen \'t Schaapken.
rP\' Onnoozel slechte Schaap was voor het recht gedaagd,
Van den deurtrapten Wolf op \'t heftigste aangeklaagd,
Dat het haar schulden zou vergoeden en betalen.
Zou \'t anders zien van haar met macht of recht te halen:
5 T\' eenvoudig Schaapken, dat met waarheid was verzeld,
Zwoer hoog en dier, dat haar nooit stuiver was geteld.
De Wolf omkocht den Hond, den Gier, en Wouw tot tuigen,
En loerden, hoe hij \'t recht en rechters konde buigen:
Verdrukt \'t onschuldig Schaap door \'t oog van valsche blijk:
10 Dies \'t vonnis tegens haar gesproken wordt gelijk.
„Zoo wordt een kwade zaak, door Godvergeten guiten,
„Met duizend e\'en bevest. Meineedig dan besluiten
„De rechters ook het recht. O wee een zulke stad,
„Daar \'t recht een spinwebb\' is! De sterke maakt een gat,
15 „De teêre blijft er met zijn vlogels in gevangen.
„De Rave wert verschoond, het Duifken wert gehangen.
„De vrome wert verdrukt, de booze houden \'t veld.
„Wee is op zulken land en Koninkrijk gesteld! —
CV. Ezel en zijn drie Meesters.
T~)En loomen Ezel klaagt mistroostig en verslagen,
Dat hij most, door de stad, ooft, moes en wortlen dragen,
CIII. 10. Alleens, geheel. — 14. Spits, spitsbroêr. — 15. Wat lui-
sterde hij in \'t oor? is uit te spreken: Wat luisterd\' i in \'t oor? —
CIV. 9. \'t Oog, het uiterlijk. — 10. Gelijk, ter zelfder tijd.
-ocr page 250-
236 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
En van de lekkers zijn bespot en ook bejouwd
(„Watte\' ooren heeft dit dier!") beschimpt zijn en bespouwd.
5 Hij biddet Jupiter, dat hij hem wil verhooren,
En voor dees Hovenier een beter Meester sporen,
Daar hij geruster leeft. Zijn bede hem wordt vergund:
Hij krijgt een Tichler weer, die d\' ander wijd uitmunt
In \'s arbeids zwaren last. Hij smeekt om hulp de Goden,
10 Om eenen andren baas, die hem redd\' uit dees nooden;
Krijgt een Zeemtouwer, die hem zoo bezwaart met last,
Dat voor onwilligheid hem knuppels zijn gepast;
Bedenkt in zijnen zin: was ik niet gek, vol zotheid,
Dat ik mij zelven streel, door mijn te plompen botheid,
15 Dat licht vernieuwen baart veranderen van staat;
Ik heb het goê veracht; \'t naklagen is te laat.
„Dit is \'t oprechte beeld van ongestade menschen,
„Die, nimmermeer vernoegd, altijd na beter wenschen,
„Geen ongemak gewoon, en, eer men daar op let,
20 „Zij willen alle tijd van \'t eene op \'t ander bed;
„Verkrijgen dan haar wil, en van het kwaad in kwader
„Vervallen voort, en voort: bedenken zich dan nader,
„En prijzen in haar zin hetgeen zij t\' onbedacht
„Eerst hadden wispeltuur versmeten en veracht.
25 „Verwerpt geen oude schoen, leert uw geluk verdragen:
„\'t Zijn sterke beenen, die de weelde konnen dragen.
CVI. De Fos en de Bok.
T~)E spits-vinnige Vos, en ruig-gehaarde Bok,
Bespieden eenen buit, of eenen vetten plok:
En vinden bij geval een kelder, daar de wijnen
In overvloed getond vast lagen bij dozijnen:
5 Waarna de schrandre Vos wel jankten zijnen darm;
Maar hij peinst op het eind! „Zegt, broeder Bok! hoe warm
Verkwikken zoude ons borst door \'t lieflijk pinteleeren ?"
De Bok (hoe lang gebaard) dacht niet op \'t wederkeeren.
Zij daalden in \'t gewelf, daar zij den holle buik
10 Opvulden van het nat. De Bok blijft in de fuik,
Na \'t zoete volgde het zuur. De Vos ligt op zijn luimen,
En zegt: „Spits-broêr! \'t is tijd, dat wij de kelder ruimen.
Laat mij eerst gaan bezien of nieuwers eenen hond
Of luyen rekel ligt, die \'t ruchtbaar maakt en kond.
CV. 3. Lekkers, kwajongens. — 8. Tichler, die tichelsteenen maakt\'
— Uitmunt, overtreft. — 15. Misstelling. Vondel bedoelt: Dat licht
vernieuwen baart verbetering van staat. — CVI. 5. De schr.
Vos, 3e nv. — 7. Door is overbodig.
-ocr page 251-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
=37
15 Krom\'dij een weinig, Bok! dat ik eerst recht aanschouwe
De vrucht van ons geluk, ons blijdschap los van rouwe."
Mids buigt hij zijnen hals, en laat daarover gaan
Den slimmen loozen Vos, die hem zocht te verraan.
Het schalke Reintjen loert op zijn deurtrapte treken,
20 En laat den wijzen Baard dus in den pekel steken,
Die deerlijk roept om hulpe, en klaagt in zijn verdriet.
Hij ziet en hoort hem wel, begekt en acht hem niet.
„Zoo wie zijn ooren wendt na der verleiders smeeken,
„Bij een gebaarde Bok te recht wordt hij geleken.
25 „Want zoo de brave baard baart wijsheid en verstand,
„Dan vindt men meer Doctoors als zotten in het land.
CVII. De Beer en de Bijen.
XJOe jeukt mij mijne mage, hoe kittelen mijn zinnen,
Om ergends eenen buit of lekkren beet te vinnen!"
Sprak de onbesuisde Beer: „Ik zien hier aan dees zij,
En val de korven aan, gelaan met lekkernij.
5 Gans dood! hoe prikkelt gij mij dus, ontelbre Zwarmen?
En angelt mij ter dood! hebt over mijn erbarmen!"
Den Beer (om snoepen dol) bespiede een nieuwe kans:
De Bijkens (op haar hoed\') verkeren hem al t\'hans
Het snoepen beter af: zij priemen hem zijn oogen,
10 Zijn ooren en zijn muil: en zonder mededoogen
Doorboren hem zijn vel, met vlimmen in zijn huid,
Dat hij verbolgen tiert en krijscht gants overluid:
„Ik heb te laat met schaa mijn domheid ondervonden,
Ik worde recht gepijnd om mijn bedreven zonden:
15 Was ik niet eerst geleerd, dat ik nu ander-maal
Moet klagen mijn verdriet en lijden deze kwaal!"
„Wiens herte brandt en blaakt zijn naasten te beschaden,
„Moet straffe, schande en smaad op zijnen halze laden.
„Wie tijdelijken keert en houdt zulks voor gewis,
20 „Dat dit een lesse tot zijn onderwijzinge is!
„Zal namaals zijn gerust en niemant meer bedroeven;
„Genoegen met het zijn\', en s\'anders niet behoeven.
CVIII. De Vrouwe en de Henne.
UEn arme en slechte sloor, die eerstmaal kwam aan \'t schrapen,
Bekwam een Lombaardsche Hen, heel zonderling geschapen:
CVII. 5. Gans dood, Gods dood. Zie bl. 126. Gans-kruis. — 8. Ver-
leeren of afleeren.
-ocr page 252-
238 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Die, zwanger, dagelijks haar gretige waardin
Een gulden ei in \'t nest bracht tot bezoldine in.
5 Waaruit dan Overvloed en Rijkdom \'t gretig herte
Van deze vrekke Zak bezaten vol van smerte,
Die, met dees vaste rente en inkomst niet vernoegd,
Heeft tot der Hennen dus haar redenen gevoegd:
„\'t Is waar, ik erf van u de dagelijksche vruchten;
10 Maar laas! zij knagen \'t hert, en blijf vol ongenuchten:
Ik moet zelf zien den grond, ik moet zelf zien den schat,
Daarin mijn droeve ziel steeds droefheid heeft gehad."
Zij keelt ze met een mes, en hoopt met eender vlagen
Den heelen schat en \'t goud gelijklijk uit te dragen.
15 De Gierige haar bevindt bedrogen in haar zin:
Terwijl zij schatten zoekt, verliest zij haar gewin.
„S\' gelijks is menig mensch met d\' inkomst niet te vreden,
„Maar tracht na grooten staat en ijdle heerlijkheden:
„Waagt al zijns vaders haaf moedwillig op éen bot,
20 „Verliest zijn schat en hope: een onverwachte lot!
„Wijs is hij die genoegt, of leert genoegen leeren.
„Die wikt eerst eer hij waagt, zal na-rouw van hem keeren.
CIX. De Leeuwe, Koe, en V Schaap.
TTEn Leeuwe, Koe, en Schaap, die togen op der jacht,
En hebben door haar vangst een Hert daarvan gebracht:
\'t Welk van de stoute Leeuw verscheurd zijnde in vier deelen,
Heeft daar meê na zijn lust dus weten óm te spelen:
5 „Het eerste komt mij toe, alzoo ik Koning ben;
Én \'t ander, nu ik mij in \'t jagen meester ken;
En \'t derde voor de moeite en arbeid van het scheiden;
Wie \'t vierde deel begeert, die moet zoo lange beiden,
Dat hij \'t uit mijne vuist en kluiven mij onttrek,
10 Of plokhaar tegens mij, en snoere hier na den bek!"
„Let hierop, reedlijk volk! met Leeuwen of met Beeren
„In geenen bond te treên, of wreede Over-Heeren.
„Zij scheiden na haar zin. De arme wordt verdrukt,
„\'t Ga ook met haar zoo \'t wil, der feilen doen gelukt.
15 „O, woekenaars! gij speelt ook even deze perten:
„Gij rooft der armen goed, en maakt haar droef van herten,
„Neemt pand en hooge rent, drie dobbel interest,
„En toont nog slechten schijn, al waart gij van de best.
,,D\' onnoozle wacht zijn deel, en vindt hem heel bedrogen:
CVIII. 19. Bot, slag. — 21. 22. Staat leer\'t ghenoeghen, en eer hy
\'t waeght. — CIX. 7. Scheiden, uitwijzen. — 18. Slechten, armen,
schijn; van de best, van de beste, van de rijkste.
-ocr page 253-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 239
20 „Vast is \'t den Woekenaar in zijne kaak gevlogen.
„De Leeuw rooft met geweld, de Wolf door valsche schijn;
„Zoo toont het kwaad gespuis, dat zij baat-zoekers zijn.
CX. Den bareneen Berg.
"CpEn steigerende Berg, wiens kruin de locht dorst tergen,
Uitmunte door haar steilt\' de Pireneesche Bergen,
Vermat haar stout en koen, dat ieder hoorde en zag,
Hoe zij een nieuwen Berg zou brengen voor den dag;
5 Dus zwanger barst zij uit of \'t fellijk had gedonderd:
Dies liep de wereld toe, en ieder was verwonderd,
Verwachtende wat vreemds: door \'t krakende gedruisch
Baartze uit haar zwangre lijf de lachelijke muis.
„Is dit," riep eiken een, „de vrucht van \'t hooge roemen\'?
10 Het snorken is maar wind, uw krijten wij verdoemen."
„Vergeefs en ijdel is, die stoft van groote konst,
„Van macht, van heerlijkheid, als \'t blazen is om sonst.
„Pofhanzen zijn \'t te recht, want iegelijk kan \'t merken;
„Gekrijts genoeg, geen wol," zei d\' Nikker, en schoor \'t verken.
15 „Den eenen van zijn haaf snorkt, d\' ander van zijn boeken:
„Hier is Heer Calis t\'huis, den Doctor moet men zoeken
„In zijne kamer, daar de Doctors staan te pronk:
„Dees is een man in \'t veld, en d\' ander bij den dronk.
„O, onbevaren volk! wilt op dees baken letten,
20 „En leeren op \'t klein schip geen groote zeilen zetten:
„ Vlagvoerders! strijkt de fok, en haalt de wimpels in:
„Veel vlaggen (zegt Matroos): \'t schip heeft geen boter in".
CXI. De Hazen en Forschen.
T*)E Hazen, eens ontvlucht der Honden felle macht,
Hier hadden, bleek van vreeze, haar leger-plaats gebracht.
Op \'t onverzienst begint den Noorden wind te ruischen,
In \'t midden van \'t geboomt: de bloode hazen kruisen
5 Het boom-rijk eikenbosch, en komen aan de kant
Van \'t drabbige moeras met hoopen aangerand.
De Vorschen, ongewoon zoo schielijke geruchten,
Beginnen ook uit schrik van dit geweld te vluchten.
Der Hazen Kapitein riep stout en onversaagd:
10 „Spitsbroeders! wijkt niet meer, na niemanden en vraagt,
Gij ziet, wij zijn een schrik van vreeselijke dieren,
Waaromme zouden wij de rappe winden vieren?"
CX. 14. Zei d\'Nikker, de uitg. heeft: seyd\' Nikker. — CXI. 12. Win-
den, hazewinden.
-ocr page 254-
24o VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
„\'t Gaat nog zoo alle dag: wanneer de bloode guil
„Zijn minder overmag, hij acht hem als een uil:
15 „Hij is zoo in zijn schik, hij blaast zoo uit zijn darmen,
„Hij kapt drie mannen af, met éen houw, zeven armen.
„Hij wijkt voor niemand niet wanneer zijn vijand vliedt,
„Dan is \'teen man in \'t veld, hij vreest noch acht hem niet;
„Maar als die wederom zijn tanden gaat ontblooten,
20 „Dan kiest hij \'t haze-pad, loopt voor een blaas met koten.
CXII. De Draak en Olifant.
UEn eiselijken Draak bevocht een Olifant,
En heeft hem metter vlucht zeer schriklijk aangerand:
Omslingerde hem zijn been, en, met vergifte steken,
Komt \'t bloed als een riviere uit zijn grof lichaam leken,
5 Aamachtig, slap en flaauw door de uitgemergde kracht
Pofte hij den Draak op \'t lijf, doode hem met ganscher macht.
„Dit is des werelds loop; wanneer de wree tyrannen,
„De vrome te vertreên en d\' arme, netten spannen,
„Omringen haar gelijk, en zuigen uit haar bloed,
10 „Dan valt de vrome op \'t lijf, die hem de wreedheid doet.
„Gelijk de snelle rhee, die op de steile klippen
„Den Jager had gejaagd, van meening hem t ontslippen; —
„Klimt, klautert, toegerust de jager streng en stijf,
„De Rhee ziet doods gevaar, springt bots hem op zijn lijf;
15 „De Jager breekt zijn hals, zijn armen, en zijn beenen,
„De Rhee valt onversaagd te barsten op de steenen.
„Zoo wie ook iemant meent te plagen na zijn wil,
„Die jaagt hem zelven meest, de Jager staat niet stil.
CXIII. Den Haan en den Diamant.
T"\\E krijgsche en strijdbare\' Hane, al krabbelend\'met sporen,
Zoekt in het vuile slik, ontrent de Gooische kant,
Na haver of na kaf, na boek-weit of na koren;
Terwijl hij \'t kostjen zoekt, vindt hij een Diamant:
5 Sprak: „Wat mag mij \'t Juweel (dus cierelijk) vermaken,
Dat d\' oogen wel verfraait, en lonkt mij lieflijk an?
Ik zoek slechts kaf en graan, om aan den kost te raken:
Dees pracht en overdaad, daar heb ik \'t walgen van."
„Gekroonde Vogel wijs! kondt gij dijn meerder leeren
10 „Haar wulpscne dartelheid en diere pronkerij
CXI. 13. Guil, hier laffaart. — 14. Overmag, de baas is. — CXIII. 6.
Verfraait, vervrolijkt.
-ocr page 255-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 241
„Verachten en vertreên? — Dus, mensche! wilt u keeren,
„En spiegelt doch aan hem uw praal en hoverdij.
„De Peerle is ook de konst der wijze en hooggeleerde,
„Die van d\' onwetende\' Haan verniet wordt en verneêrd:
15 „Uitwendiglijk en is cieraad van geender weerde,
„Zoo gi) inwendiglijk nooddruftigheid ontbeert.
CXIV. De Leeuw, den Haan en den Ezel.
T")En hoog verheven Leeuw, vermoeid van \'t stadig jagen,
Vand eenen Ezel staan, verloomd door \'t zakke-dragen,
Daarbij een Lombaardsche Haan, die, door zijn luid gekraai,
Den trotschen Leeuw verschrikt, dat hij, met eenen draai,
5 Zich op der vlucht begeeft. Den Ezel overmoedig
Waant dat de Leeuw bedeesd wordt door zijn felheid woedig,
Hem op zijn hielen volgt met een gezwinden loop,
En t\' onbedachtelijk brengt hij zijn vleesch te koop.
De Leeuwe in \'t zwingen ziet den tragen Ezel volgen,
10 Scheurt hem ter aarden straks, met een gemoed verbolgen,
En zegt: „Dit is voor mij, voor \'t welgeboren bloed,
En \'t eedle konings-herte, een doren in mijn voet,
Dat ik voor iemant wijk! dit is, o slechten broeder!
Dijn uiterste banket." „O, aller Hazen moeder!
15 „Volg waanwijs niet dien raad, om, als dijn Prince vliedt,
„Hem smaad en spot te doen, om voeden zijn verdriet:
„Of u schoon t\' Avontuur toont gunstig hare tuiten,
„Zij draait te schielijk \'t hoofd en steekt u in de kluiten.
„Verstonden zij te recht den korrel van de zaak,
20 „Dat onbedachtheid is t\' verderf der dwazen vaak,
„Zij zouden welbezind op beter kansen letten,
„Den Ezel zou den Leeuw niet na zijne eere zetten.
CXV. Den Haze en de Schildpadde.
Tip En ongeziene kans de Schildpadde heeft bestaan,
Als met den lichten Haas zij gink een wedspul aan,
Die, met zijn snelligheid en rassigheid van leden,
Dit loome dier verbaast, met alle schamperheden:
5 „Wat wilt gij, kruiper! doen? o, luyen rondassier
Én al te tragen prij! kruip, kruip, na dijn manier!
„Ik koom nog vroeg genoeg: schudt van dijne harde schelpen
CXIII. 16. Nooddruftigheid, liet noodige. — CXIV. 9. Zwingen,
zwenken. —■ 14. Aller hazen moeder, volgends Van Lennep bijnaam van
den ezel. — 17. Tuiten, gekrulde lokken. — 18. Kluiten, modder. —
CXV. 5. Rondassier, gemeene trosboef\'.
VONDEL I.                                                                                                       l6
-ocr page 256-
24s VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
Nog zoo veel beenen uit, en laat ze d\' ander helpen!"
„Ik ben doch morgen vroeg te Ronsen voor de stad,
10 Eer gij ten einde zijt het Geldelooze Pad."
De Schildpadde haren weg spoeit stadig zonder dralen:
Geen slaap ontrooft haar vlijt, om eere en prijs te halen;
En vindt den Haze niet als op den avond spaa,
Die doen zijn daad verfoeit, meer om de schande als schaa:
15 „Koomt, rappen wispeltuur! die schijnt den baars t\' ontgallen;
„Uw roem is al gedaan, uw spillen zijn ontvallen:
„Schouwt, hoe gestadigheid den lauwer-kroon ontvangt,
„En \'t wispelturig hert aan \'s Armoeds borsten hangt.
,,D\' een groote steden bouwt, verrijkt ze door haar wallen,
20 „En d\' ander werpt ze neer, doet alle dink vervallen.
De staage jager jaagt, en wint ten lesten \'t veld;
Wanneer hij op den throon der eeren wordt gesteld.
CXVI. De spijze-dragende Ezel.
■RJIer, hier, gij Vrekken! hier: schouwt d\'Ezel overladen
Met bouten, hoenders, taart, gezoden en gebraden,
Saucijsen, hazen, wijn, kapoenen, en pastei,
En hij eet distien zelf op schrale en dorre wei.
5 „Zoo gaat het ook met u, verschrookte gier\'ge slaven:
„In rijkdom zijdij arm, bekommerd gaat gij draven,
„Hebt stadelijken zorg, bezwaard met druk en klag,
„Vindt geen gerust gemoed, en woelt schier nacht en dag:
„Slurpt wei en water in, schroomt uwen buik te vullen:
10 „Een ander heeft uw haaf, derf lekkerlijken smullen.
„Die \'t goed heeft, zuigt de poot; die \'t niet heeft, eet gebraad.
„Dees loert op woekers winst, en de ander op verraad:
„En altijd heeft hij vrees, versmoord in ijdle zorgen:
„Komt stadig brood te kort, bekommerd voor den morgen:
15 „Onthoudt zijn lust het goed, en spaartet uit zijn mond;
„Dat in het eind verbrast wordt door de katt\' of hond.
CXVII. Den Hond en de Schaduwe.
üEn flukschen Waterhond kwam uit een slagershal,
En kreeg dit hachjen voor zijn trouwigheids verval:
Al wandelende voords een treêtjen over \'t water
Vergroot der zonnen schaauw zijn aas zoo, dat \'t geschater
5 Van vreugde in \'t herte sprang, mitsdien hij hongrig hapt
CXV. 9. Ronsen, (Renaix) in Vlaanderen. — 15. Den baars t\' ont-
gallen, een goed rezultaat te bereiken. — CXVI. 5. Versehrookt, ge-
rimpelde. — CXVII. 2. Hachjen, hapien. — Verval, loon.
-ocr page 257-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 243
Naar den gewaanden brok; — doe was hem \'t vleesch ontsnapt.
„Dit is een leerlijk beeld van bodemlooze menschen,
„Die, nimmermeer vernoegd, naar groote schatten wenschen,
„Gepijnigd strengelijk van de helscne gierigheid,
10 „Die nacht en dag ontrooft al haar gerustigheid;
„Vergapen zich aan \'t groote, en laten \'t zeekre varen,
„En wilden, op éen bot, dat zij de Keizer waren,
„\'t Waar beter, dat zij haar genoegden met den buit:
„De valsche hoop bedriegt en jaagt ter poorten uit.
15 „Laat dit een bake zijn, onzadelijke gieren,
„\'t Zeil uws begeerlijkheids niet ruim te laten vieren,
„\'t Genoegen is het al: \'t is beter (hoe gij pocht)
„Eén vogel in de hand, als honderd in de locht.
CXVIII. Den wreeden verouderden Leeuw.
T~\\ E koninklijke Leeuw, die in zijn frissche dagen
Al \'t andere gediert plach wreedelijk te plagen,
Ontzien worde\' om zijn moord en strenge tyrannij;
Dies sidderde\' elk bevreesd voor zijne razernij:
5 Nu zijnde traag en zwak, van alle man verstooten,
Veracht wordt en beschimpt van al zijn rijks genooten.
Dies de een, uit ouden haat, wijst hem zijn stalen voet,
En de ander wrokkig toont hem zijn ivoren hoed.
Elk juicht, om dat hij moet in bittere armoe leven:
10 Nu leit hij hulpeloos, die \'t eertijds al deed beven.
Zoo dat hij, zonder troost, verwacht in zijne nood
Zijn kwijnend\' ouderdom te scheiden met de dood.
„Zoo steunt de stoute mensch op rijkdom en op krachten:
„Verdrukt en vilt bijna zijn minder met verachten:
15 „Houdt, dien hij overmag, geduriglijk in angst,
„En toont zich, als den Leeuwe, Heer\' in der dieren vangst:
„Stelt \'t recht naar zijnen zin, daar d\' arme moet om treuren,
„En schraapt in zijnen zak, al wat hem komt te veuren;
„Dies als hij komt in nood, dan is een ieder t\' zoek;
20 „Want hij laadt op zijn hals den welverdienden vloek.
CXIX. De Struis en \'\'t Nachtegaalken.
\'T) E staalverslinder Struis en \'t Nachtegaalken t\' zamen,
Elkandren haren roem trotzeerende benamen:
De Vogel lang-gebeend zijn vederen verhief;
De Nachtegaal zijn stemme, elk een om hooren lief.
CXVIII. 7. Stalen voet, hoefijzer. — 8. Ivoren hoed, horens.
-ocr page 258-
244 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
5 „Monarchen (sprak de Struis), die werrelden bestieren,
Met mijne pluimen haar vereedlen en verderen."
„Mijn liefelijk geluid, op welgestelde maat,
(Riep \'t vogelken) verheugt een ieder in zijn staat."
\'t Zij Vorsten, trotsch gehuld met purpre en zijde banden,
10 Of landliên, die \'t gelust te ploegen de akkerlanden.
„Een ieder die hier leeft, t zij van wat staat, gewis
„Getrokken wordt tot \'t geen zijns herten wellust is:
„Dat dunkt hem alderschoonst, en mag hem niet vervelen.
„Elk zot heeft zijn marot, en tijdverdrijf om spelen.
CXX. De kranke Gier.
T") E kranke vogel Gier bad ernstig een gezonden, (wonden
Hij wilde hem in \'s doods nood zijns krankheids diepe
Doch helpen heelen nu, met goed en hcelzaam kruid;
„Of anders is \'t met mij (sprak de arme zuchter) uit;
5 \'t Is heel met mij gedaan, zal \'t lijf niet houden mogen."
„Neen (sprak zijn makker) \'k heb met u geen mededoogen,
Gij hebt mij dik gebracht in al te veel gevaars,
\'k En maak zoo licht geen roê voor mijnen eigen aars.
Mijn hulpe is u ontzeid; kont gij u zelf niet helpen,
io Ik zal in dezen nood uw lijden geenszins stelpen."
„De erfvijand in den angst belooft al \'t geen hij mag,
„Vermids hij in zijn kruis zich geern geholpen zag;
„Maar waar hij eens verlost uit al zijn ongevallen,
„Van al \'t geen hij beloofde en hield hij niets met allen.
CXXI. V Onvernoegde Peerd en </\' Ezel.
"pEn fier Deens Peerdtjen most somwijlen eens braveeren,
Met \'t narrensleêtjen en speelwagentjen zijns Heeren:
Most somwijl over \'t ijs en schuren \'t spiegel-glas
Des Amstels, die alom glad toegevrozen was.
5 Het dertel kreng werd boos, en wonder ongeduldig,
Want \'t waanden, \'t was zijn Heer niet zoo veel arbeids schuldig,
Ter tijd het eens ontmoet\' een wagen zwaar gelaan,
Daar eenen Ezel rank voor was gespannen aan,
Die naauwlijks slepen mocht den zwaar geladen wagen,
10 En dapper werd gegroet en afgesmeerd met slagen.
Het Dene-kopken dacht: „Nu zie ik hoe \'t er gaat,
\'k Heb oorzaak om vernoegd te zijn met mijnen staat:
CXIX. 13. Mag, kan. — 14. Marot, speelpop der hofnarren, zotskolf.—
CXXI. 3. De uitg. heeft: scheuren.
-ocr page 259-
VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN. 245
Vermids men andren vindt, in steden en in dorpen,
Die veel meer slavernije, als ik, zijn onderworpen."
15 „Wie op zijn minder ziet, wanneer hem \'t nerte wroegt,
„Kan lichtlijk in zijn staat zich vinden wel vernoegd:
„Om dat men menschen vindt, \'t zij waar wij de oogen wenden,
„Die onderworpen zijn nog tienmaal meer ellenden.
CXXII. De Zwaan en den Ooyevaar.
\'T) Es zomers Voorbode eens de blanke Zwaan ontmoeten,
En vraagde, waarom zij haar leven met zoo zoeten
En aangenamen lied hier eindigden op \'t lest.
„O! (zegt zij) \'t is van vreugd, dat ik van \'t aardsche nest,
5 Vol kommer en verdriet, ten laatste worde ontslagen,
En in de zachte schoot van ruste word gedragen.\'
„Een arm katijvig man, die vroom is van gemoed,
„Valt \'t leven wonder zuur, en \'t sterven honig-zoet.
„Den dood hij vreugdenrijk wil in zijn armen loopen,
10 „Als die hem sluit de poort van \'s levens kerker open:
„Van \'t leven, dat veeleer een durig sterven is,
„Een gasthuis vol verdriet, en vol bekommernis,
„Een zee die altijd woelt, daar \'s droefheids baren bruizen.
„Gelukkig is de ziel, die vrolijk mag verhuizen.
CXXIII. De Fogel Phoenix.
A Rabiën draagt moed, en gaat den roem afstrijken
Van d\' ander wereld wijd, en alle Koninkrijken:
Om dat de Phoenix staag haar zoele locht doorzweeft,
Die nimmer zijns gelijk ziet, noch gezien en heeft.
5 Die, na zes eeuwen, zat en moê van hier te zwerven,
Zich willig en van zelf toe-rustet om te sterven,
Op eenen steilen berg, daar hij zijn dood-bed sticht,
Met zoet welruikend hout, \'t welk \'t heete zomer-licht,
Vermids zijn stralen, komt ontstekende verrasschen;
10 De vogel fluks verbrandt, en wordt verteerd tot asschen;
Waaruit allengs ontstaat en voordskruipt eenen worm,
Daaruit een Phoenix wordt vernieuwd, naar\'s eersten form.
„Verstanden, die geleerd in wijsheid wijd uitsteken,
„Die worden hier bij niet onvoeglijk vergeleken,
15 „Om dat zij zelden eens aantreffen haars gelijk,
„En, door haar groote faam en eere onsterfelijk,
„Ook andren prikkien, om, met uitgerekte veeren,
„Te volgen, die geraakt zijn op den berg van eeren;
„Te vliegen sterrenwaarts, verheven met \'t gemoed,
20 „Tot daar men erft te loon den groenen lauwer-hoed.
-ocr page 260-
246 VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN.
CXXIV. De oude Ooyeraar.
TN Godsdienst zal met recht de klepelaar uitsteken;
Vermids hij zijn gebroed, in liefde onvergeleken,
Getrouw tot in den dood, zijn hulpe en jonste aanbiedt,
En stadig bijstand reikt in allerlei verdriet:
5 \'t Gebroedsel, dat van jonks zij oefnen en gewennen,
Zal deze ontvangen deugd in de oudren weer erkennen,
En \'t aas, verre opgespeurd, haar deelen wederom,
Wanneer haar overvalt den grijzen ouderdom.
„Aan oprechte oudren, die godzaligheid hanteeren,
10 „De kindren niet dan deugd en ware wijsheid leeren:
„De aankomers slaan ze gaa, en nemen op haar acht,
„En hechten \'tgeen zij zien haar zelven in \'t gedacht:
„Waar goê voorgangers zijn, daar zijn ontsteken lichten,
„En goede boeken, die in deugd de jonkheid stichten.
CXXV. Godsdienst des Ooyevaars.
Vlet, hoe de Klepelaar den Schepper aller dingen
Op-offert jaarlijks éen van zijn vruchts eerstelingen;
En uit het hooge nest verpikt zijn kaal gebroed,
Ter tijd een vluggeloos het lage kiezen moet.
5 „O mensche, die nog groeit en lacht in uwe zonden,
„En aan Godsdienstigheid u niet en acht verbonden,
„Ziet, hoe den Ooyevaar u voor het vierschaar daagt,
„En van ondankbaarheid voor \'t aanschijn Gods verklaagt:
„Vermids gij roekeloos nooit liet ten Hemel varen
10 „Het wierook, dat hij eischt op zijn gewijde altaren,
„Maar volgt uws wellusts pad, en danst op hare trom,
„Betreedt de dorpels noch van kerk noch heiligdom,
„En weidt uw beesten-ziel in haar wellustigheden,
„Terwijl verbannen zijn de waarheid en de reden.
15 „Doch \'t is vergeefs gepreekt, gij houdt het zelfde spoor,
„Neemt op geen leenng acht, geeft wijsheid geen gehoor;
„Welaan, gij Goddelooz\'! God zal u niet verschoonen:
„Gedenkt, gij dient u zelf, gij moogt u zelven loonen! —
CXXIV. 9. Aan, bij, door. — CXXV. 4. Vluggeloos, vleugelloos.
-ocr page 261-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.          247
OF
HET TWEEDE DEEL VAN DE VIERDE DAG DER
TWEEDER WEKE,
GEDICHT BIJ
WIJLEN DEN E. G. DE SALUSTE, HEERE VAN BARTAS,
DE PHOENIX VAN DE FRANSCHE POËETEN,
ENDE NU UIT HET FRANSCH IN NEDERLANDSCH VERTAALD.
CHRISTUS:
Hier is meer als Salomon.
[Voor 1620].
De Vertaalder aan Keizeren, Koningen,
en allen Geweldigen op aarden.
K L IN K E R T.
GIJ, die van peer/en, goud, en diamanten sckimmert,
Goón! in wiens voorhoofd God zijn beeld heeft ingedrukt,
Die
V purper kraken doet, en kreukt uw haar, gejukt
Met glansig kroonengoud, te weeldig opgetimmerd,
5 Wordt niet jeloers, wanneer gij Salomon ziet brallen,
Die op zijns Vaders throon der Rijken Scepters zweit,
En, met de bliksems van zijn heiige Majesteit,
Ontschept en doodverwt die voor hem op
V aanzicht vallen:
Hoe sterk zijn glorie straalt, nog is V maar enkel rook:
10 Zijn pracht en praal verwelkt; zoo smilt uw blijschap ook:
Zijt dan op sterflijk leen hooveerdig noch vermetel.
Geen rijk bestendig is als V Hemelsch Koninkrijk,
Daar Jesus heerscht, die u, Monarchen! algelijk
Geweldig dagen zal ter vierschaar voor zijn zetel.
Door Een is V nu voldaen.
XVI. Het fragment uit het leerdicht van Du Bartas, dat hierboven gegeven
wordt (bl. 165 en volg.) is voor \'t eerst gedrukt in 1616. De oudste druk van
het tegenwoordige dagteekent van 1621 (in de uitgave van Zach. Heins); niet-
te-min zal ook dit wel vroeger door Vondel bewerkt zijn. Het Privilegie van de
ie uitgave der fransche bewerking, gegeven aan Hierosme Haultier, te la Rochelle,
is van 12 Mei /J<po.
2. Vorsten.
-ocr page 262-
248            DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
DE FERTAALDER JVENSCHT ZIJNEN VRUNDJWU
DEN HEER
DIERICK KORVER
ALLES GOEDS.
XJ Etgene de voortreffelijke Michel de Montaigne in \'t alge-
meen van een uitnemende poè\'etisch werk. getuigt, daar hij
schrijft: La bonnc, la suprème, la divine est au dessus des regies
de la raison. Quiconque en discerne la beauté d\'une veüe ferme
& rassise, il ne la void pas: non plus que la spiendeur d\'un
esclair. Elle ne prattique point nostre jugement: elle Ie ra vit &
ravage; — dat zelve mogen wij in \'t bizonder van dit juweel
spreken: waar in de Heere van Bartas schijnt hem zelven te
overtreffen, en uit de heerlijkheid des grooten Salomons zijnen
glans te scheppen. Want gelijk hier de stoffe uitnemende is,
alzoo is ook de kunst ongemeen, en de gedichtlievende lezer
wordt van een aardsche tot een Hemelsche glorie opgetogen:
zoo dat hij, Salomon vergetende, opstijgt voor de voeten van
Christus, aller Koningen Koning, wien alle macht in Hemel en
op Aarde gegeven is, en in dewelke de volheid der Godheid
lichamelijk woont, en alle schatten van wijsheid en kennisse
verborgen zijn. Heeft ons oordeel dan in zulken Goddelijken
licht geschemeroogd: hebben onze tedere oogen kwalijk zoo
heilige bliksemen konnen verdragen: en is hier Salustius niet
als Salustius uitgedrukt: dat willen wij geerne toestaan. Even-
wel, mijn Zangeresse leergierig heeft, om haar feilen aangewezen
te zien, haar zelve willen onderwerpen uwe A. oordeel, het-
welk zij heeft ervaren te wezen gezond, rijp en bezadigd; zoo
dat ze wenscht, indien de Rijmers malkanderen eenmaal uit-
dagen, om zonder bloedstortinge om den palm of lauwerhoed
te kampen: dat uwe A. de voorplaats onder de scheidsmannen
moogt bekleeden, ten einde het vonnis te billijker gestreken
werde. Ontvangt dan, jonstige Korver! mijn geleende veerzen,
en doet ons die eere, dat gij onze feilgrepen op de kant aan-
teekent, opdat wij ze aanmerkende namaals beteren.
t\' Amstelredam, dezen 28. van Louwmaand 1620.
Uwe A. verplichte Vrund
J. V. VONDELEN.
XVII. Dierick Korver. Het 6e kind van Jan Jansz. Corver, van Hoorn, en
Nelletgen Bas, getrouwd met Maria Schoterbosch. Zijn zoon Mr. Jan Corver,
werd Secretaris v. Amst. /6j2.
Salustius, van Saluste.
-ocr page 263-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
VOORREDEN.
TK hebbe, Lezer, meermaals voorgehad, mijn plompe handen
aan dit zuivere te slaan; maar vreeze heeft mij altijd doen
aarzelen, om dat ik ontzag, met ongewijde vingeren deze Arke
aan te tasten: en liet mij vastelijk voorstaan, dat geen gemeen
Priester of Leviet, maar wel een hooger als ik geoorloofd was,
zijn voetzool in dit Heilige der Heiligen te zetten.
Mijn gevoelen hierin wierd versterkt, vermids het loflijk ge-
tuigenisse, dat de aldertreffelijkste verstanden van dit puikjen
gaven: gelijk dan, neffens andere, zijnen uitlegger Simon Gou-
lart hier van luidskeels trompettet in deze woorden: „s\'ensuit la
Magnificence ou seconde partie du quatriesme jour de la
seconde Sepmaine, ou Salomon est proposé esleu pour succes-
seur a son pere. Sa sapience, son mariage, son Temple basti a
1\'Eternel, y sont si magnifiquement descrits, qu\'en eest eschan-
tillon Ie Sieur du Bartas semble avoir voulu surmonter soy-
mesme, & par ses riches inventions debatre avecq la dignité
d\'un si subhme sujet." Dat is: volgt de Heerlijkheid of het
tweede deel van de vierde dag der tweeder weke, alwaar Salo-
mon wordt voorgesteld als zijns vaders gekoren nazaat; zijn
wijsheid, zijn houwelijk, zijnen Tempel, Gode gebouwd, wordt
er zoo heerlijk beschreven, dat in dit munster-staal de Heere
van Bartas schijnt hem zelven te willen overtreffen, en met zijn
rijke verzieringen te worstelen met de weerdigheid van zoo
hoogwichtige stoffe. — Het was dan niet zonder oorzaak, dat
ik mij hier aan vreesde te bezondigen. Maar gelijk mij vreeze
somtijds dede deinzen, alzoo noopte mij wederom een heime-
lijke hertstocht, om eenmaal te zien, hoe ik deze Fransche
Venus met een Neêrlandsch gewaad en hulsel zoude mogen
tooyen en opsmukken, en met Apelles ten toon zetten, om van
nutte berispers mijn werk te laten keuren. Ik wikte. Ik waagde \'t.
Lezer, verwondert u niet, dat wij onder alle zijn puiknjmen
dit paragon, deze overkijker, hebben uitgekeurd: zoo doen
ook die gene, die diamanten onder diamanten uitpikken. Latet
u ook niet vreemd toeschijnen, dat wij wat tijds met vertalen
spillen: een berooid huisraad moet veeltijds van anderen wat
ter leen bezitten. En zoo gij ons voorwerpt die boerterij van
d\' exter, die onder de paauwen met geleende veeren dacht te
pronken, wij voelen, dat wij deerlijk getakt en op ons zeer ge-
raakt zijn, want wij brageeren met hetgene eens anders is.
Maar eer gij u aan onze rijmen ergert, zoo bidde ik, dat gij
eerst deze dingen op de rijge overweegt: i. dat wij u een ver-
Reg. 4 v. o. deerlijk, lezing van V. Vloten voor heerlijk. — Rijge,
beurt.
-ocr page 264-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
talinge en geen eigen vindinge ter hand stellen. 2. dat wij zoe-
telijker hadaen mogen vloeyen, zoo wij ons niet naauwer aan
de text wilden binden. 3. dat mijn moeder mij geen beter
Nederduitsch geleerd heeft. Mag ons dit niet afwasschen, en
blijfdij evenwel daarop staan, dat wij met Phaè\'thon ons onder-
wonden hebben, den Zonwagen te mennen: ik hebbe niet te
zeggen, dan mij daarmede te troosten, dat men ten minste nog
van mij getuige:
Hic situs est Phaè\'thon currus auriga paterni,
Quem si non tenuit, magnis tarnen excidit ausis.
dat is:
Alhier ligt Phaè\'thon verslagen,
De voerman van zijns vaders wagen:
Die, of hem is den toom ontgaan,
Nochtans heeft vrij wat stouts bestaan.
Lezer, ik hebbe gezeid. Leest nu het kort inhoud van onze
overzettinge, daar na de vertalinge van het uitstekendste ge-
dicht dezes goddelijken poè\'ets, en oordeelt heuschelijk van onze
misslagen.
HET INHOUD.
De poëet beschrijft heerlijk in dit boek de Heerlijkheid van Salomon,
de Zone Davids, het afzetsel, gedurende zijn wijze regeeringe, van den
waren Salonion, de vrede-Forst, Jesus Christus, de Zone Godes, en
Bruidegom der Kerken. Zijn voorreden vervat een noodzakelijke ver-
tooninge van het onderscheid tusschen hem en de andere poëten dezes
tijds, voornamelijk in de langheid van zijn voorgenomen werk, alwaar
hij zich zediglijk ontschuldigt: daarna, volgens zijn voornemen, komt ter
zaken: en als het eerste lid van zijn verhaal stelt David voor, die met
uitnemende leerstukken zijnen zone onderwijst, om hem bekwaam te maken
tot de regeeringe des Koninkrijks: beschrijvende de voornaamste deugden,
waarmede een goed Forst zich geduriglijk behoort te vergezelschappen,
daarna de kwade, waarvan het hem betaamt zich te wachten: het
welk besloten wordt met de over lijdinge dezes groot en Konings.
Het tweede lid begrijpt, hoe God aan Salomon verschijnt, wien glorie,
rijkdom, gezondheid en wijsheid aangeboden worden. Hij, van den Hei-
ligen Geest gedreven, stelt, en met goede reden, de wijsheid boven alle
de andere, waarmede hem God begaaft, om zijn gaven in hem te kroo-
nen. Daarna stelt de Poëet voor oogen deze Wijsheid van Salomon,
bestaande in de kennisse van alle godlijke, natuurlijke, en aardsche
zaken, voornamelijk in de bestieringe zijner onderzaten en in de bedie-
Inhoud. Kerken, kerk. — Alinea: de uitg. heeft den Salomon.
-ocr page 265-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.             251
ninge des gerechts; waartoe hij bijbrengt een aanmerkelijk voorbeeld,
genomen uit de Heilige Geschichten, uit de tien hoofdstukken van het
eerste boek der Koningen, waaruit dit heele poëetsche werk getogen is.
In het derde lid, hebbende aangewezen de gelukzaligheid van Salomon,
zoo verhandelt hij zijn houw el ijk met de Vorstinne van Egypten: het-
welk, vereischende de allerschoonste streken van een waarachtig poëetelijk
pinceel, veroorzaakt ook, dat onze uitnemende dichter in
70 veer zen ver-
volgt een schoone lusthof\', -waaruit de Minneboefjens vertrekken, die
Salomon en Pharonida tot onderlinge minne bewegen, waarop het
houwelijk wordt in het werk gesteld. Te dezer oorzaak hebben het ver-
trek van Egypten, de aankomste van deze Vorstinne te Ierusalem, de
ontmoetinge van de Koning en haar, en haar bruiloftsmaal, hare be-
kwame beschrijvinge. Ende overmids dat dit houwelijk van Salomon iet-
wat grooters beteekent als de grootheid zelf, te -weten: de verborgen
eenigheid van Jesus Christus met zijn Kerke, de Poëet, willende de
Lezer omhooge voeren tot deze godlijke betrachtinge, neemt de zake
wat leeger: en onder het deksel van Salomons bruiloftsfeest te vereeren,
vertoont ons een wonderbaarlijke dans, te -weten der Hemelen: alwaar
vaste en dwalende sterren een zoo juist afgepaste beweginge hebben, dat
alle andere beweginge ten aanzien van deze maar lomper-ij is. Onder
andere past hij tot deze godlijke dans zon en maan, ende bij de zon
stelt hij voor oogen Salomon en Christus, bij de maan de Vorstinne
van Egypten en de Kerke. Dit alles ziet men hier afgemaaid in veerzen,
die een oneindelijke schoone betrachtinge behelzen, en een ernstiger over-
■weginge vereischen als dit kort begrijp: in-zonderheid, zoo men waar-
neemt hetgene hij daaraan hecht van het heilig gesprake des brui-
degoms met zijne bruid. f-Vij hebben kortelijk deze dingen op de kant
\')
aangeteekend, om alle heilige gemoederen te bekoren, de meeninge des
poëets veel grondiger na te vorschen.
Het leste lid begrijpt geen mindere verwonderinge in de beschrijvinge
van de bouwinge dezes heerlijken Salomons tempel, gesticht na de groote
weereld, en ingetogen in de drie boeken dezes wijzen Vorsts, wiens gebed
gedaan in de inwijdinge des tempels hier bij gevoegd wordt: En volgende
de aankomste van de Koninginne van Saba te Ierusalem: alwaar zij
navorscht de wijsheid des Konings, die haar onderwijst in de kennisse
des eenigen -waren Gods, waaruit vloeit de (met rechte} verwonderinge
des Koninglns.
Eindelijk, het zij men waarneemt Salomons onderwijzinge, het zij
de verschijninge Godes om hem te zegenen, of zijn wijsheid, of zijn
glorie, of zijn houwelijk, het afzetsel van al onze gelukzaligheid, of
zijnen tempelbouw, of zijn gantsche gelegenheid, huiselijk, burgerlijk, en
geestelijk, gedurende zijn godsdienstigheid, het zij de bouwinge en schoon-
heid des gedichts dat alles voor oogen stelt: men moet bekennen, dat met
recht dit boek den titel draagt van
O NB. Iii deze uitgave aan den voet der bladzijden.
-ocr page 266-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
252
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
WAt zijdij zalig! die gij, abel van verstand,
Uw rijmen mate stelt na dat uw ijver brandt;
Die moêgeblokt, met uws ervaren breins verschoonen,
Uwe hersnen niet verduft: die steeds met andre tonen
5 Gaat uiten, met een zang, nu deftig, nu weer zoet,
Wat u voorvallen mag en eerst loopt te gemoet:
Die met opschriften nu, nu wederom met lieden,
Doet smoken \'t vuur, dat uw gemoeden brengt aan \'t zieden.
Maar, mijnen roem, mijn eed den Hemel eens gedaan,
10 In dit streng werkhuis houdt mijn voeten, stadig aan,
Gekluisterd als een slaaf; mijn geest blijft hier onledig:
Geen ander jeuksel knaagt mij, dag en nacht onvredig:
Ik, veel te bezig, slacht den meulesteen altoos,
Dien eenen waterval omwentelt eindeloos.
15 Dus is \'t, dat ik zoo vaak in spijt van Phebus zinge,
Naai veerzen lang van sleep uit ernst te zonderlinge,
Die d\' Hemel in mij blaast, en tiktak even kloek
Van wol en zacht katoen dit heerlijk gouden doek.
Gij put \'t vermogen van uw vleuglen t\' eenemalen
20 Niet uit, maar wispelsteert gelijk de nachtegalen
Gedurende uwe lent, van d een in d\' ander haag,
Van stofte in stof, van lied tot lied, al even staag:
Maar ik de zwaluw\' na te volgen niet en vruchte,
Vind nergens nesteltak, passeere met der vluchte
25 Een veler eeuwen zee, die boom noch oever roert,
Nu van het Zuiden, nu van \'t Noorden wechgevoerd.
Uw loopbaan eindigt kort, is vol, is wonder lieflijk,
Elk veldweegs gij verpoost, u adem schept gerieflijk,
Vindt eenig groen gestoelt\', verfrischt u voor een tijd
30 In lustprieelen, braaf met rozen getapijt:
Maar eindloos is mijn loop. Nu schure ik d\' ijsgewelven;
Nu sneuvlende van \'t steil, verduizeld, vind mij zelven;
Nu klaver ik omhoog; nu kruise ik \'t bosch met ijl;
Ik struikel, ik verlies mij zelf, ik val somwijl:
35 En als kwaad mortel lijmt den melksteen, de porfieren,
V. 1 en volgg. Vergelijking en onderscheid tusschen onzen Poëet en a" andre
dichters.
— 27 en volgg. Hij bekent, dat in een lang werk, de geest somwijl slaapt.
1 Abel van verstand, „delicats esprits."—3. Verschoonen, als gij
uw brein verschoont van meer re blokken. Bartas heeft iets anders: „Qui ne
desscchez point apres vn long ouurage vostre docte ccrveau."— 7. Lieden,
liederen.— 16. Ernst, naarstigheid.— 17. Tiktak, beweging van weven.—
23. Vruchte, vrees. — 32. Sneuvlende, vallende.— 35. Kwaad mor-
tel, slecht cement.
-ocr page 267-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Den jaspis, serpentijn, en marbel, om te eieren,
Om mijn vertelling gaar te hechten, dan en nu
Een kreupel veers insluipt slim, half gevijld, en ruw.
Daarom nochtans ik niet het aangevangen stake:
40 Is \'t werk groot, grooter is de lust daar ik in blake.
Nog is niet uitgeput mijn hert van \'t heilig vuur;
Niet schoons men zonder zweet bekomt en arbeid zuur.
De dalen leeren \'t oog de bergen onderscheiden,
En \'t kunstrijk beeldsel, dat de Kunstenaar laat weiden
45 In een mozaïesch werk, tot meerder cierraad, hij
In verwen onderscheidt, hoeveelheid, en waardij.
God geef, dat in mijn rijm de merkelijkste smette
Zij als een mug, die haar aan \'t sneeuwit aanschijn zette
Van een ontloken maagd, en luttel feilen thans
50 Meer luisters brengen toe mijns hoogen ijvers glans.
Al zwakker David wierd, en \'t lemmet van zijn leven
(Wien \'t olieachtig sap des wortels ging begeven)
Allengs brande in de pijp, als hij, op zijn verscheen,
Nog wakker met verstand gaat uiten deze reen,
55 Leeraren Salomon, en, door \'t Geheim gedreven,
In \'t koninklijk gestoelt\' hem zetten hoogverheven:
„Mijn zoon! Dien zonder twist, meêvnjer, of geweld,
Geluk, Nature en Wet de kroon heeft opgesteld,
In \'t heerschen wijsheid voegt en goedheid te doen blijken,
60 Wenscht hij te mennen lang den teugel van zijn rijken;
Maar die door hulpe van \'t geluk het koningschap
Bereikt, en daartoe komt langs ongewone trap,
Moet meer als mensche zijn, en, in de deugd ervaren,
d\' Ontziene tulband zich verzeekren op zijn haren.
65 „Maar, Salomon! gij kent het bed daaraf gij daalt,
Gij ziet, hoe Israël Adoniam onthaalt,
Hoe, om uw eer jeloersch, de zeden moeten wijken,
En om uw grootheid wij natuur verongelijken:
Streeft na volmaaktheid dan, en, dapper van gemoed,
70 \'t Gebrek verduistert van uw ondoorluchtig bloed.
„Monarch van Iacobs stam! dient \'s werelds Koning stadig,
Op \'t eenig steunsel van zijn vrijgelei beradig
V. 39 en volgg. Maar daarom geeft hij den moed niet verloren, dan vervolgt
zijn voornemen.
— 51 en volgg. David, aireede oud, zet Salomon in de konink-
lijke throon, en geeft hem een voorschrift van een rechtveerdige regeeringe en
beschrijft een uitnemende Forst.
— 71 en volgg. Hij prijst hem dan de gods-
dienstigheid aan.
45. Mozaïesch werk, mozaïekwerk.— 55. Leeraren, onderrichten.—
\'t Geheim, \'t orakel Gods. — 67. Volijvrig voor uw eer, de rijksgebruiken
moeten wijken. — 70. Maak \'t gebrek goed van uw oorsprong uit Bathseba.
-ocr page 268-
254            DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Uw stoutste aanslagen grondt, en altijd, vroeg en spaad,
Uw ooge en uwen geest op zijn voorschriften slaat.
75 \'t Godslasterlijk geblaf der honden vliedt verbolgen,
En, onder-Koning, wilt uws Heeren zeden volgen.
Denkt, dat de dikte van uw hooge muren zelfs,
Veel poorten zwaar van staal, veel hoffelijk gewelfs
Niet hindren, dat zijn oog bekeurende achterhale
80 Uws herten Dedalus in uw geheimste zale.
Mijn zoon, zoo \'t noodgeheim, of de geboort\' veeleer
U Edomieter teelde of Philistijner Heer,
Zoo \'t erflijk u gemaakt had Pharoos titels eigen,
Zoo Meden aan uw kniên kwam zijnen mijter neigen,
85 Zoo Perzen waar uw leen, uw hoogheid nochtans veugt
En eischt alom te zijn geborstweerd met de deugd;
Maar om \'t zaad Abrahams \'t jukdragen te gewennen,
Gevoegelijk den toom van \'t heilig volk te mennen,
Bezitten Iosuaas en Samsons stoel na wensch,
90 Een nazaat Gods te zijn, — gij meer moet zijn als mensch.
„Wilt boven d\'oude knecht d\' aankomeling niet achten:
Gebiedens kunst bestaat in kunst min als \'t betrachten;
De most wijkt d\' oude wijn in smaak, en d\' hovenier
Uit \'t hert zijns lusthofs niet roeit met een dwaas bestier
95 Een groeizaam weeldig hout, dat twintig wintervlagen
Met zoete vruchten heeft zijn lekkre disch beslagen,
Om poten in zijn plaatse een loote of struik, wiens vrucht
Hij proefde met \'t gebit alleen van valsch gerucht.
„De vleyers, Salomon! oorlingen zijn, die waarlijk
100 Den wijsten Koning staan tot hindernis gevaarlijk.
Wat rechten zij niet aan! vermids zij vinden haar
Snoó weêrgade in ons herte, een erger huichelaar,
De liefde van ons zelfs, een altijd woênde peste,
Die aanspant met dees vreemde en haatlijk rot op \'t leste.
105 Den bloon verbeelden zij, dat hij is wijs altoos,
Den dronkaart blij van geest, d\' ontrouwe erg en loos,
Rechtveerdig Vorst en Prins zij noemen \'s volks verdemper
Den dommen stemmig Heer, Augustus den verslemper,
En als doorsnufflend zij zijn neiging nu verstaan,
110 Zij, als in hem veraard, zijn boosheid bidden aan.
„Vlucht die gedrochten dan, ontslaat u, om der boozen
V. 91 en volgg. En <C omzichtigheid, bestaande in \'t verkiezen der dienaren. —
99 en volgg. In \'t recht kennen der loftuiters. — 111 en volgg. In V ontdekken
en verjagen van allerlei slag van schelmsche menschen.
79. Bekeurende, onderzoekende. — 80. Dedalus, doolhof. — 81.
Noodgelieim, noodlot. — 105. Den bloodaart doen zij zich inbeelden, dat
hij altoos wijs is.— 106. Erg, slim, — 107. Verdemper, onderdrukker.
-ocr page 269-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.           255
Afgrijslijke ommegang, \'t gezelschap der eerloozen:
Geen toegang in uw hof den roover toe en laat:
Geen moorders \'t hoofd ophoudt: de toovenaren haat,
115 Uit vreeze, dat ze met haar adems gift te gader
Niet smetten doodelijk Stads borrensprong en ader:
De zeden niet vergift, fontein, daar d\' onderzaat
Uit putten zal voortaan van beids, of goed of kwaad.
Beheerscht uw lusten, wordt uw toorne en angst te machtig:
120 Die niet zich zelfs gebiedt geen Koning is waarachtig:
Doet niet wat gij vermoogt, maar zulks doet als u past:
Uw nek eerst onderwerpt der wetten juk en last.
Den onderzaat, als hij tot leidsman heeft zijn Koning,
Door water, berg, en bosch rent zonder lijfs-verschooning.
125 „Bewijst gespraakzaam u, goed, liefgetal, mijn zoon!
En volgt vermetel niet de beelden dezer Goón,
Die uit haar gulden bus men jaarlijks eens verlochtigt,
Opdat den Hemel, nu verbeên, het aardrijk vochtigt.
„Zijn woord opeten past geen Koning wijs gezind:
130 Al wie zijn trouwe breekt, geloof noch trouwe vindt,
Bedriegend\' polt zich zelf; het volk, jeloersch om schouwen
\'t Gevaar zijns lichten aards, zich wapent met wantrouwen,
En \'t nageburig Rijk een Leeuw van sterkheid groot
Heeft liever als een Vos, tot zijn trouw bondgenoot.
135 „Zij [in] \'t beloonen mild, in \'t straffen schaarsch en vrekke;
Maakt, dat standvastigheid uw borst alszins bedekke.
\'t Uitstekendste is omringd van rampspoên aldernaast,
En de alderfelste storm op hooge poorten raast.
Uit eerzucht \'t aardrijk niet met wapens gaat beroeren;
140 Indien geweld of eere u oorlog prangt te voeren.
Bewijst u Davids zoon: maakt, dat uw krijgsmansarm
Zoo koud zij in \'t bestaan, ais in \'t uitvoeren warm.
Waakt, zweet, en redeneert, en, heldiesch niet om temmen,
Vrijt den geronnen stroom te voet, en \'t nat in \'t zwemmen:
145 Het schaduwende lof eens planebooms u frisch
Een zonnehoed verstrekk\', een beukelaar uw disch,
V. 119 en volgg. Hij prijst hem aan: Matigheid, Grootmoedigheid, en Recht-
veerdigheid.
—■ 125 en volgg. Goedertierenheid. — 129 en volgg. JFaarheid.—
!35. Matiging. — 136. Standvastigheid. — 143 en volgg. Geduld.
116. Borrensprong, watersprong.— 127. Verlochtigt, voor den dag
haalt. — Opeten, te-rug-nemen. — 131. Polt, fopt. — Jeloersch om
schouwen \'t gevaar, vurig wenschende \'t gevaar te schuwen. -— 133, 34.
En \'t nabuurvolk heeft liever tot zijn trouwen bondgenoot een sterken leeuw,
dan een vos. — Zij, wees. — Vrekke, gierig, te-rug-houdend. — 140.
P r a n g t, dwingt.— 142. Bestaan, ondernemen, besluiten tot. — 144. Ge-
ronnen. De uitg. heeft gewonnen. Deze lezing is van V. Vloten.
-ocr page 270-
256           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Uw oefeninge uw vuur, wat zoon uw bedstede ergen;
Met lekker dischgerecht wilt uwen mond niet tergen:
Zware arbeid zij uw sause: in \'t hol eens stormhoeds meê
150 Zuipt \'t water uit een beek, vermengd met slijm en snee.
Laat trommel, laat trompet, laat omgewielde fluiten
Uw klavecymblen zijn, uw cithers, en uw luiten:
Hardvochtig eenen berg al dravende overschiet,
Al loopende een ruim veld, al springende eenen vliet:
155 Uw hoofd met stof en zweet zij wel doortrokken, echter
Zijt Overste en soldaat. Een bliksem is de vechter,
Als hij zijn Koning heeft, die moedig treedt vooraan,
Gezelle in \'t avontuur en rechter van zijn daan.
„Met lust tot leerzucht zoude ik uw gemoed ontsteken,
160 Zage ik aireede niet de Godlijkheid uitbreken
Van uw diepzinnigheid: maakt, dat geleerdheids cier
Dien\' tot een hulp de kunst van \'t koninklijk bestier;
En gaaslaat, dat, gelijk natvochtigheids vervelen
Versmacht eens fruitbooms ziel, haar groeizaam leven telen,
165 De veel te zware les, der kunsten weelde en lust,
Zoo fraaye geesten niet haar geestigheid uitbluscht.
Noch maakt uw zinnen niet door slaapzucht dom, ellendig,
Noch van \'t gemeene-bests-bevordren \'t hert afwendig.
Met een gevlerkte geest den loop verzelschapt voords
170 Van \'t nachtgeleidend\' licht, den daggeleider toorts,
d\' Eislijke ondiepten meldt, die d\' Ocean bewegen.
De grijze toppen meet der bergen hoog gestegen.
Doorsnuffelt hoek voor hoek dit nederig gesticht,
Doch om verwondren, hoe in \'t werk de wijsheid ligt
175 Des Geens, die \'t zoo wel schikte: en wilt vooral niet slachten
D\' arme hoveling, die dor en uitgeput van krachten,
In \'t leeger hof veroudt, en die zijn oogen sterk
Op \'s pijlers groeven slaat, op \'t voet- en heuvelwerk;
Die suf beschouwt \'t vermaal, medaljen, beelden, standen,
180 En d\' hoofdcieraden van de koninklijke wanden,
Die, hem vergapende, is nu bij, nu buiten zich,
Terwijl zijn makkers zien den Koning Scepterdrig.
„De weegschaal houdt recht op, \'t oog toe, uwe handen reine;
Wreekt streng \'t bekende kwaad en onrecht; \'t uwe alleine
V. 148. Soberheid. — 153. Sterkheid. — 159 en volgg. Oefeninge en ken\'
nisse in goede wetenschappen, namelijk in de vrije kunsten, welks gebruik hij
aireede heeft aangewezen. — 183 en volgg. Rechtvaardigheid.
147. Ergen, hier of daar.— 151. Omgewielde fluiten, kromme hoor-
nen. — 163. Gaaslaat, sla gade. - Vervelen, te veel worden. —
173. Dit gesticht, de waereld.— 177. Leeger, lager.— 179. Vermaal,
vermeil, verguldsel, of émail. — 182. Scepterdrig, scepterdrager. —
184. \'t Uwe alleine, \'t aan u bedreven kwaad.
-ocr page 271-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
185 Vergetenheid beveelt; de tranen ziet, en hoort
\'t Geschrei des geens, die in een zee van droefheid smoort.
Hoort d\' oogen menigmaal die op uw landen oogen:
Die niet wil rechter zijn, geen Vorst is om gedoogen;
En in der eeuwigheid scheidt nimmermeer, noch weert
190 Van \'t scepter des gerechts het schittrende oorlogszweerd!
„Begunstigt grooten niet, noch drukt die \'t kwalijk hebben;
Noch van uw wetten maakt een ijdel spinnewebben,
Waarin de mug verwert, terwijlen het gebeurt,
Dat ruischende de wesp den inslag rijt en scheurt.
195 „Verdrijft die herders, die d\' onnoosle kudd\' verteeren;
Zulke overheden kiest, die haren staat vereeren,
Die d\' Alderhoogste ontzien, die \'t vonnis strijken recht:
Men oordeelt in \'t gemeen den meester na den knecht.
Den vromen mild begaaft, maar wilt uw leen niet schiften;
200 Hij stopt, die roert den grond, de borne van zijn giften.
Voor al, mijn troetelkind! verdrenkt, om Gods wil, dij
Niet in \'t bedrieglijk meer van \'s boels liefkozerij:
Helaas! helaas! ik ducht! keert, o Alwijze, Algoede
God! mijns gezichts gevolg doch af van mijnen bloede\'
205 Aanstaande is \'t, ducht ik, dat dit zoet vergif, o kruis!
Nog met afgoderij zal smetten Davids Huis:
Dat, zoo \'s deugds heiige liefde u niet ontsteke t\' eiken;
Zoo een geduurzaamheid van naams- en faams-verwelken
U niet te-rug doe zien: tracht dat u in die kamp
210 Nog tot een lesse dien\' de vaderlijke ramp!
„D\' Almachtige, mijn kind! mij roept u te begeven,
Vaart wel! ik wandel door den dood in \'t Eeuwig Leven,
Om hooger heerschen, vrij van \'t menschelijk gekwel:
Uw handen ik beveel den staf van Israël.
               (stralen
215 „Gij, die, om \'t kwaad eens Vorsts, \'skroons glinsterende
Van \'t een in \'t ander huis, van land tot land, doet dwalen,
Verlet ze bij de mijne, en brengt, van mijns zoons zoon,
Dien Grooten Koning eens te voorschijn en ten toon,
Daar Israël op hoopt, daarna ik zucht te voren:
220 Groot Koning, die het rijk des Duivels zal verstoren."
V. 191 en volgg. Salomo» wordt vermaand zich te hoeden voor ccnige kwaden,
die, nejf\'ens andere, de Forsten verderven.
— 211. Heilig overlijden Davids.
187. D\' oogen, de opzichters. — 188. Om gedoogen, om uit te staan.
199. Leen schiften, kroonlanden wechschenken. — 204. Toespeling op het
zien van liathseba. — 207. Dat zoo de heilige liefde der deugd voorkome,
dat gij telkens [tot het kwade] ontstoken wordt; ondanks de duurzaamheid
der verwelking van mijn naam en faam, moogt gij op deze niet te-rug-zien.
— 217. Verlet ze, belet (dat aftiwalen).
vondel I.
17
-ocr page 272-
258           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Zoo sterft hij, en de zoon zijn voetspoor gadeslaat,
En \'s Hemels God met hert en mond aanbidden gaat;
Door Godvruchts deure treedt in \'t Rijke met verlangen,
En speelt tot \'s Heeren lof veel lieden, veel gezangen,
225 En smookt te Gibeon, en in den geest aanschouwt,
Terwijl zijn vleesch nog slaapt, dien God, dien hij vertrouwt,
Groot God, die rijk gekroond met flonkerende vieren,
Hem vier Jorfrouwen toont, en geeft hem keur van vieren.
De Glorie zwikt een schicht, die ze in haar rechter vaat,
230 En treedt er niet als maagd, maar als een braaf soldaat;
In \'t glinstrende gesternt\' verbergt ze haar hoofd en kruine,
En in een sluyer draagt ze een heldere bazuine,
Wiens wind is enkel lof, trompet, wiens hel geruisch
Vult van de schoone zon het een en \'t ander huis:
235 \'t Hoveerdig weefsel van haar sleepkeurs, die zoo gloriet
Met \'s vijands onderlage, is bloedig gehistoried,
Met benden, met trofeên en ringen; met de voet
Zij duizend koningen vertreênde zuchten doet.
De Rijkdom mag men prat niet wijd van hier zien brommen,
240 Met Plutoos, Rheaas, en vrouw Thetis haar rijkdommen:
Eens lakens heldre glans bedekt haar lichaam houdt,
Robijnscherp, en gestijfd van ingeslagen goud:
Haar rechte en slinker stort een bus, waaruit gestegen
Komt neêrwaards een Pactol\', een blonden Englenregen,
245 Een glinsterende Taag: haar knechts \'t Geluk men heet,
Het Waken, Spaarzaamheid, en d\' Arbeid nat bezweet.
Gezondheid toont haar ginds, geen rimplen \'t voorhoofd bre-
Haar oog geen peerlen dauwt,haar kaken niet verbleeken; (ken,
Blij, levend\', poezelig, vertoont ze een kinds-gelaat,
250 Zij huppelt, danst, en springt, en vliegt, waar dat ze gaat:
Des levens heldre toorts blaakt in haar vuist ten toone.
En d\' heiige vederbos des Phcenix overschoone
\'t Begin haars keurs verstrekt.
En ziet, aan de ander zij
Komt ons de Wijsheid met haar statig aanzicht bij;
255 Die opdat z\' hoog verzel de voeteloze vooglen
Van \'t eeuwig Paradijs, zijn aangehecht twee vlooglen.
Stil is ze van gebaar, haar gang verzwaart ze zeer,
V. 221. Salomon vult [Davids] plaatse. — 229. God offert hij de Glorie. —
239. De Rijkdom. — 247. De Gezondheid. ■— 254. De Wijsheid.
225. Smookt, otïert. — 228. Roem, Rijkdom, Gezondheid, Wijsheid. —
220. Zwikt, drilt. — Vaat, vat. — 234. Het een en \'t ander huis, het
Oosten en het Westen. — 236. Onderlage, nederlaag. — Gehistoried,
beschilderd. — 241. Houdt het lichaam bedekt. — 244. Pactol, goudrivier.
— Englenregen, numtregen. — 245. Taag, met stofgoud.
-ocr page 273-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Men ziet ze oon regelmaat en passer nimmermeer:
De spiegel van nature, en haar zelf tot haar vordel,
360 Hangt aan de ketenkens van haren rijken gordel.
De Vorst, zijn oogen op haar schoonheid slaande knap,
Waant ingelijfd te zijn in \'s Hemels borgerschap:
Hij vindt zich met den glans eens Paradijs besloten,
En twijfelt, wat hij zal uit zoo veel goedren loten;
265 Ten lesten spreekt hij dus: „Wat hebbe ik, Heer! gedaan,
Om van uw handen zoo veel eere en goeds t\' ontvaan?
Gij voorkomt mijn verdienste, of liever bouwt Uw eere
Als gij mijn snoodheid eert: o, de Overhand is, Heere!
Een keizerlijk geschenk, en niets en is zoo zoet
270 Dan dat men \'sgramschaps brand maakt dronken in het bloed;
Maar laas! vaak volgen haar veel woênde razernijen,
En d\' oü gewoonte van bebloede moordenjen
Maakt met-der-tijd gelijk d\' onstrengsten Koning schier
Een tijger, felle leeuw, wildzwijn, of panterdier.
275 Die schijnt gelukkig, die zijn vruchtbre kudd\' ziet zwillen,
En stelen Carmelus zijn groenende achterbillen,
Om wien een wijnrijk land en vruchtbaar korenaard\'
Doorploegd met ijzer scherp, oneindlijk teelt en baart:
Die van de Seres heeft de blonde en goudgeel aaren,
280 Het dierbaar schoon gesteent\' van de Arabische baren,
De wouden Entidors, \'t Ofiriesch goud daarbij,
Van Sabba \'t reukwerk zoet, en Tyrus\' pelterij.
„Maar hoe! men ziet alszins, waar rijkdom staat in \'t bloeyen,
\'t Opmerken sterven en vermetelheid meer groeven:
285 De rijke slaaft om \'t goud, en wie, naar God geaard,
Zijn oogen en gemoed wil opslaan Hemelwaart,
Moet arm zijn in-der-daad, of arm zich toe gaan stellen;
En Vreeze en Rijkdom ook malkandren steeds verzeilen.
„Lang leven waar\' mijn wensch, mijns herten lust en wit,
290 Dat ik mijn zonen zaag in \'t derde en vierde lid:
Maar ik bezorg mij voor de rampspoên, die verbolgen
Gemeenelijken dicht mijns levens langheid volgen:
Wie wel leeft leeft genoeg, want \'s levens loop, die kort
Is, na der dagen tal niet afgemeten wordt,
295 Maar na doorluchte daan; en \'t leven, kort en sterflijk,
V. 261. Waarom Salomon de glorie niet uit en pikte. — 283. Noch de Rijk-
dom.
— 289. Noch lang leven.
258. Oon, zonder (ohne). — 261. Knap, naauwlijks. — 268. Snood-
heid, geringheid. — Overhand, wat heerscht. — 276. Du Car 111 cl les
verdoyantes croupes, vruchtbare bergronding. — 279. De Sercs, vrouw
Ceres? — 284. \'t Opmerken, de nagedachte. Bartas heeft 1\'industrie,
de inspanning.
-ocr page 274-
26o           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
ïs maar een oogenblik, een niet, bij \'t onbederflijk.
Zulks is de Wijsheid niet: de Eere acht zij als \'t gespook
Eens winds, die licht vervliegt, het Leven enkel rook,
De Scepter eenen tak van masthout, klein van weerden,
300 De Peerlen zand en gruis, het Goud maar slijm der eerden:
Zij is een spiegel Gods, een bliksem, die ontgaat
Den donderkogel van zijn Goddelijk gelaat:
Een heiige instortinge ook des milden Hemels, nimmer
De schoonheid is gebluscht haars voorhoofds, klaar van
305 Altijd haar zelf gelijk, zij niet alleen zoo net (schimmer,.
Een zelfde spoor vervolgt, maar houdt een zelfde tred:
Gezondheid buiten haar, Eer, Rijkdom in \'t gemeene
Mij drie venijnen waar. De Wijsheid is \'t alleene,
Die van alle andre goên mag strekken zonderling
310 Haar leidsvrouw, werktuig, born, cieraad, en matiging.
„Brengt ze, o God! voor den dag, laat ze, o God! mij
verstrekken
Een bedgenoot altijd, opdat ik steeds mag lekken
Den zoeten geur, die vloeit uit haren heilgen mond,
Dat ze in het vierschaar mij verzelschap t aller stond,
315 En ik, nog kindsch en teer, met haren staf beschudden
In vette weiden mag d\'Abrahamietsche kudden,
Oneindelijke kudd\', ja, kudde, die gewis
Een trouwen herder van den Hemel weerdig is.
Heer! geeft ze mij, ik kwijn, ik flaauwe, of, zoo ik leve,
320 Ik, heiige vuurvliege, in haar vlamme leve en zweve,
En, nieuwe zomeruil, te stout, in \'t lichtgesmook
Van hare lampkens, ik mijn vlerkskens teer verschrook."
„Houd daar, ik schenk ze u!" zegt d\' onsterfelijken Vorste,
„Vermids geen ander liefd\' brandt in uw eedle borste;
325 Ik wil, dat gij bezit, als tot een toegift veil,
Gezondheid, Rijkdom, Eer, en overvloed van heil,
Terwijl gij dient dees Maagd, in mijnen dienst u bouwe.
Oon eersleep mag niet treen zoo welgeboren vrouwe."
Als Salomon ontwaakt, hij merkelijken ziet
330 Dat de gematigdheid van \'s lichaams dampen niet
Veroorzaakt in zijn geest een droom zoo wonderbaarlijk,
Maar \'t afgezette beeld van d\' hand eens Engels waarlijk:
V. 297. Maar de Wijsheid, ten welks aanzien de glorie, rijkdom en \'* leven
niet zijn.
— 311. Salomons gebed om de wijsheid te verwerven. — 323. God
vergunt ze hem, en te gelijk ook </\' andere goederen.--------329. \'t Gevolg van
deze hevlige droom en weldadigheid Gods.
304. Schimmer, glans. — 321. Zomeruil, vlinder. — 322. Ver-
schrook, verschroei. — 326—327. Gez. Rijkd. Eer... versterke u in mijnen
dienst.
-ocr page 275-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.            261
Want zalig hem oon kunst de kunsten staan ter hand,
Geleerdheid zonder moeite; een ongemeen verstand
335 Zijn doen verguldt; hij vliegt omhoog, en gaat doorzoeken
Van \'s werelds ingewand de diepte en donkre hoeken.
De raadsels van \'t gewijd pampier zijn hem gemein,
En daaglijks zijn gesprake; en zijn diepzinnig brein
Van weinig woorden, die de goddelijke veeren
340 Beschreven, zoude eerlang veel boeken ons stoffeeren.
Geleerdlijk hij de Zon oon vreeze sterven ziet;
De dwalinge onverdwaald der sterren hij bespiedt:
Hij weet of \'t is Nature, of Engel, die de ronde
Met een drievoude keer doet op een tijd en stonde:
345 Of Phcebus licht van zijn, de Maan van anders vuur:
Of d\' Herfst, de Zomer, Lent, en Winter, koud en stuur,
Der zonnen kindren zijn: en van wat rook, zoo verre
Omhoog, de locht ontsteekt een langgehaarde sterre:
Wat polsen, stijf van dreun, wind telen slinks en krom:
350 Wat vuurge pennen dat de bliksems dragen om:
Wat breidel d\' oceaan dwingt binnen zijne palen;
Of hij gehoorzaamt \'t licht met zijn gehoornde stralen:
Of \'t zweetrig kussen des verliefden Hemels frisch
Der peerlen vader en der oestren bruigom is:
355 Of \'t waar is, dat hij droef de slijmige ons uitzondert,
De blinkende als hij lacht, de bleeke teelt als \'t dondert:
Of \'t vochtig element \'t grijze amber teelt gewis,
Of dat men \'t vette drek zal achten van een visch.
Hij weet, waaromme de aarde is vast rond, oon begintsel,
360 Des werelds middelpunt, en der naturen bindsel:
Hij kan ze meten, en verstaat nog, of hij \'t zag,
Hoe doch de coloquint met zulken oordeel mag
Uitpikken \'t witte vocht in duistre en donkere adren,
\'t Elleborum het zwart, de Rha het groen vergadren:
365 En of zulks toegaat, in ons zwak en teder lijf,
Of halende tot zich, of jagende uit heel stijf.
Kortom, der planten kracht hij kent, die, groot en teder,
Nature in wezen houdt van d\' Hysoop tot den Ceder.
Hij weet, waarom de tand des bijtwolfs, droef van aard,
370 \'t Peerd groote snelheid geeft, en ook zijn spoor verzwaart:
V. 337- Uitnemende beschijvinge van Salomons wijsheid, ten aanzien van de
Godli/ke en natuurlijke Philosophie ofte wijsgeerigheid.
— 359. Kcnnisse van
d\' Antipathie ofte strijdigheid van verscheiden dingen.
352. Of de maan de ebbe veroorzaakt. — 353. \'t Zweetrig kussen
van den dauw in de oesterschelp, om de paerel te vormen. — 355. Hij, de
hemel.
-ocr page 276-
2Ö2           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Hoe in een oogenblik hyenaas teven blaffen,
In \'t naadren met haar schaauw, behend weet af te schaffen r
Hoe \'t komt dat d\'elefant, verhit door \'sgramschaps vlam,
Getemd wordt, als hem naakt de ruiggevliesde ram:
375 Hoe \'t komt, dat d\'Alderhoogst\' vrijt d\'adeler voor \'t slingren
Des bliksems, die hij schiet met gloeyendige vingren:
Waarom de zeegans ook haar eyers, groot van schel,
Broeit met haer pooten uit, heel heet en breed van vel,
En zonder tonge schreeuwt, geteugeld aan haar vlerken,
380 Zoo zij na wensch niet kan de zoute velden merken.
Hij weet, of uit een damp ontstaat de keizelsteen,
Of uit gekookte slijm; geleerdlijk geeft hij reen
Of van \'t kwikzilver, of van zwavel de metalen
Ontstaan, of van een sap gedikt door \'s winters dralen,
385 En rein geveegd door d\' hitte; of van een asschig vocht;
Of dat Hij, die \'t gewoel der dikke baren wrocht.
Het Hemelsch Keizerrijk, de bontgespikkelde eerde,
Gelijk men ze uittrekt nu, almachtig die formeerde.
Hij weet, waarom de deugd des heldren jaspis helpt
390 Den bloedenden en \'t bloed behendiglijken stelpt;
De saffier heelt \'t gezicht, de topaas zal bestrijen
Vrouw Venus; de Amethist dien God, wien \'t veil wil vlijen,.
En hoe \'t zich toedraagt, dat jeloers de diamant
Zich tegen des magneets behende diefstal kant.
395 Gctalen, maat, en toon zijn geest weet t\' achterhalen,
En d\' effenmatigheid der lijven met haar talen:
En van den Nectar zat, die d\' hemel stort altijd,
De bij heeft d\' honig op zijn lippen geconfijt.
Maar hij omhelst geenszins des spieglingsbloote aanmerking
400 Met zulken ijver als de nutzame bewerking,
Noch draagt het snaatren van een weetzucht zoo veel gunst,
Noch d\' hovaard eens sofists, als deze brave kunst
Die vestigt eenen staat, het heilig roer kan vaten,
En met eenstemmigheid voên hooge en leege staten.
405 Voor al hij \'t recht niet krenkt, der wetten kracht hij vergt,
En, als d\' uitstekendst\' van \'t hoog Pyreneesch gebergt\',
Zijn voorhoofd hij verklaart, en \'t hoofd steekt in de lochten,
Versmaadt slagregens, \'t ijs, de winden, en de tochten:
De stormen hij belacht, en braaf worpt bovendien
410 Des donders hovaardij ter neder voor zijn kniên.
37 t, 72. Hoe de hyena, met haar schaduw, de teef het blaffen belet. —
372. Behend, behendig. — 375. Vrijt, bevrijdt. — 388. Ze, die, de meta-
len. — 392. Bacchus, veil, klimop. — 396. Evenredigheid der lichamen
met haar „schaduwen" zegt Van Lennep.
-ocr page 277-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.           263
Oon vlekke draagt hij zich, onbuiglijk vonniswijzer,
Noch niemants gunst ontrukt zijn vuist het wrekende ijzer,
Noch haat en wettet niet; de gunsten hij vertreedt
Met zijne voeten: hij \'s volks vreeze en tranen kneedt;
415 \'s Gouds stralen nimmermeer doen schemeren zijn oogen,
Noch vindt zich met een wolk van onkund\' niet betogen.
Zijn spraak wordt een geheim geacht van minst en meest,
En uit \'s lands wetten hij scherpzinnig trekt den geest.
In zaak van twijfel spitst hij zich op \'sdingers perten
420 Omzichtig, en ontleedt der loozer pleiters herten.
Van zijn geboortendag geen vijftien oogsten nooit,
Verschudden haar perruik, met goud schoon opgetooid,
Als hij gelukkig scheide en wijs\'lijk uit kost voeren
\'t Vermaarde pleitgeschil van twee doorsiepen hoeren:
425 „Laas, aarde!" de eerste zegt, „is \'t mooglijk, dat gebelgd,
Gij, berstende van spijt, niet levendig verzwelgt
Dit vuil afgrijslijk wijf? Heer Koning! is het mooglijk,
Dat uitgaande, om bestaan een stuk zoo ongedooglijk,
Zij schaamtloos uwen throon derf naadren met bedrog,
430 Niet om kwijtschelding, maar om aan te klagen nog?
Die stiefmoêr, van de slaap, van spijze en wijn vertreden,
Heeft haren zoon versmacht, den jongsten nacht geleden,
Doen, vindende hem ijskoud, oon pols en roering, let,
Erglistelijken legt hem fijntjens in mijn bed,
435 Nam \'t mijn weer in de plaatse; houd daar, o oü slaapbije!
O meer als eerlooze! houd, o zaad van bastardije!
Uw prije neemt; houd daar! en geeft mij mijn gerief,
Mijn hoop, mijn tijdverdrijf, mijn herteken, mijn lief!
O bitter avontuur! o zeldzaam kerkendiefte!
440 Dit klein fraai Engelken gij kussen na beliefte!
Hij, zoetert, lachen om uw staamlende gebaar,
En zich verwerren in uw vuil, uw luizig haar!
Dit poppeken de vreugd doen in uw ziel oprijzen,
En, groot geworden, uw wanschapen oudheid spijzen:
445 Maar ik, och arme! helaas! heb voor mijn lot alleen
Den last van \'t zwanger gaan, en \'s barens harde ween,
Het schudden van zijn wieg, van \'s waters musk de luchten,
En van zijn kindsgeschrei de moeilijke geruchten.
O, onder sterflijke ik de ellendigste in \'t verdriet!
450 O kinderloze moer! ach, dat uwe handen niet
V. 421. Aanmerkelijk voorbeeld van zijn wijsheid in V stuk van de bedieuinge
des gerechts, verhaald in de heilige historie. I Kon.
3.
419. Perten, listen. — 421. Sedert zijn geboortedag hebben geen vijftien
oogsten \'t hoofd opgestoken. — 431. Vertreden, bevangen. — 437. Prije,
kreng, dood lichaam. — 439. Kerkendiefte, heiligschennis.
-ocr page 278-
264           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Zijn met een mes voorzien, als \'t hert met razernijen!
Neen, eer ik zal dien smaad zoo wederweerdig lijen,
Wil ik dees teve doón, en fellijk eer bestaan,
Haar boezem woênde met mijn hand te randen aan."
455 Dus andwoordt de ander: „Ha, wolvin! ha, heetst\' der teven!
He! wie geloofde ooit, dat een boosheid zoo doordreven
Den wijn verzelde: indien Gods ooge u niet vervaart,
Vreest \'s Konings wakkre geest nog, die zijn plaats bewaart,
\'t Vernoegt u niet dat gij mij aantijgt, door uw boosheid,
460 Doortraptheid, dronkenschap, moord, meineed, en eerloosheid,
Gij wilt mij, maar vergeefs, ontnemen nog mijn kind:
Neen, al te vast hem liefde in \'s moeders ermen bindt.
Hij rooft mij \'t leven, die mij rooft mijn kind goedaardig.
Gerechten Davids zoon! die zijt als hij rechtvaardig,
465 Ik bidde, dat uit gunst des gunsts, dfe hij u eer
Bewees, doen hij weer kinds, met toegeneigd gebeer,
Uw tranen stilde, en met zijn tonge, uit groot begeeren,
Van jongs op u de spraak ging leeren fatsoeneeren:
Of als, bebloed en warm en kuchende en begaan,
470 Hij keerde met den roof der Koningen verlaan,
U in zijn beuklaar wiegde, u vrundlijk liep omermen,
En schreyende hief u op zijn schouder met zijn ermen:
Gij greept zijn baard en loegt, als gij zaagt lachen stout
Een ander Salomon, in \'t helder vlammend goud
475 Van \'t vaderlijk heimet, en bootsten honderd laehjens
Ter zijden \'t pluimdonst van zijn witte reigerschachtjens:
En, met de baren van een pluim bedekt, gij doen
Een vogel scheent, die in een hage zingt in \'t groen:
O, ik bezwere u, bij den naam des hoogberomde
480 Bathseba, die des nachts haar duizend malen kromde
Koud over uwe wieg, en eer gij d\' uchtend kreegt,
Haar tepel van wit bloed had honderd maal geleegd;
Die met \'t bepeerlde goud uw hoofd ging overwelven,
En leefd\' zorgvuldig meer bij u als bij haar zei ven:
485 O groote Koning! ik bezweer u, bij al \'tgunt
Hier \'t heiligst\' wordt geschat, dat gij mij recht vergunt:
Dat, zoo uw goedheid, laas! te hinderlijk mijn zake,
Van mijn ontvangen leed vergunnen wil geen wrake,
Ten minste neemt mij niet \'tgeen mij natuur met smert
490 Gaf buiten uwe jonst: ontrukt mij niet mijn hert:
Ontvreemt, met oorlof, mij mijn bloed niet; daarbeneven
Maakt ons niet kinderloos, gedurende \'s kinds leven!"
Terwijl met roepen zij \'t den Koning maken moê,
„Mijn is het kind!" „\'t is mijn!" „gij liegt, \'t behoort mij toe!"
495 Het volk reeds half geschift is: d\' een, na \'s herten oordeel,
-ocr page 279-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.           265
Dées vrouw draagt, d\'ander wijst het ander wijf te voordeel,
Gelijk twee tuischers op een speelberd, op goê hoop,
Kasteelen, wijngaards, land vertrouwen \'s teerlings loop:
Een strijdige begeerte ontroert al de ommestandren,
500 D\' een d\' eene gunstig is, en d\' ander draagt den andren,
En elk, door vreeze en hoop gedreven, na als voor,
Ontstelt \'t bewegen van \'t bedriegelijk ivoor.
De Koning dut alleen, en zijn wijze ooren hoorden
Geen ongelijkheid in gehuil, geklag, en woorden.
505 \'s Kinds aanzicht aangemerkt, \'t en teekent noch \'t en wroegt
D\' een meer als d\' ander niet: noch \'s rechters geest vernoegd
Wordt, zoo men overslaat haar jaren vergeleken;
Duttende, vindt hij zich van waartuig ook versteken.
Daarna spreekt hij aldus: „Maar, \'t schijnt een droomenpraat;
510 Als \'s Rechters vlijtigheid alle onderzoek ontstaat,
Moet iet aanmerklijks, uit Naturens schoot behendlijk
Geput, zijn toevlucht zijn, of zich behelpen endlijk
Met \'spijnbanks strengigheid? Nu, \'t moederlijk gemoed
Een vast gezet is van Nature mild en goed,
515 En nimmermeer Nature haar strenger stelt ten toone
Dan in \'tgeen lijdende is een moeder in haar zone!
Daarop, gelijk ontwaakt: „Tsa!" zegt hij, „\'t zweerd gewet!
Tsa, dat u \'t kind nu toegedeeld werd juist en net!
\'t Recht en meêdoogendheid verplaatst laat elders zwerven,
520 De billijkheid niet duldt dat een \'t zal heel be-erven."
O herd geschil! daar ziet de Rechter, in \'t besluit,
Haars herten heimlijkheên elk kenbaar breken uit:
\'t Momaanzicht is gelicht: haar tonge, flaauw van krachten,
Met een oprechte wensch geeft andwoord hun gedachten.
525 De valsche moeder zegt: „\'t Geschiede, ik wil \'t, houd daar!
Rechtveerdig deelt \'t gebeent\', zijn naaglen, en zijn haar."
„Och deelet niet! ik geef," zegt d\' ander, „u te voren,
Mijn recht, vervloekte vrouw! daar, neemt mijn uitverkoren
Klein kind in uw bezit; nog liever ik \'t voor dij
530 Houd levende en geheel, als dood ontleed voor mij."
De Koning zegt: „ t Hoort u, die \'t barende hebt verkregen,
\'t Hoort u toe, door mijn recht en \'t moederlijk bewegen."
Gelijk een zelve mijn nu voortbrengt, met het goud,
Veel goed chrysocolon en zilver menigvoud,
V. 533—544. God voegt nog rijkdom en glorie bij Salomons wijsheid.
497- Tuischers, dobbelaars. — 502. \'t Bedriegelijk ivoor, de „teer-
ling". — 503. Dut, mijmert. — 508. Waartuig, tuige der waarheid. —
5io. Ontstaat, ontvalt, \'s Rechters, V. heeft: Rechters. — 514.
Gezet, wet. — 534. Chrysocolla, goudlijm, zekere erts.
-ocr page 280-
266           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
535 Eens rijkdoms rijke schat, een ongelooflijke eere
Verzelt van Davids zoon de wijsheid meer en meere:
Te water hij gebiedt, hij heerscht te lande ontzien;
Wel honderd kroonen fluks zijn tulband manschap biên;
Sidon, de zee des Nijls naast aan zijn grenzen palen;
540 Voor hem de vochte Eufraat zijn hoornen leeg laat dalen»
Peru in zijn trezoor vloeit rijklijk, zoo men zeit.
Te Sion \'t goud als zand gemeen voor eik-een leit,
De peerle als keizelsteen; en heel Iudeên in vreden
Alszins vloeit in een zee, zoo \'t schijnt, van zaligheden.
545 Elk zonder afgunst leest, en zonder krijgsgerucht,
Zijns wijnstoks trossen en zijns vijgbooms zoete vrucht.
Hij overvloeit van als, niet opdat hij na wensche
Van mensch worde een vuil zwijn, maar Engel van een men-
D\' Onsterflijke tot lof, die, daar hij hier nog leeft, (sche,
550 Van \'t hemelsche vermaak hem reede een voorsmaak geeft,
\'t Welriekende gerucht van \'s Konings heerlijkheden,
Rijkdom, schoontaligheid zich gaat alom verspreeden.
De Tyriêrs willig hem als bondgenoot ontvaan.
Zijn zoonschap Pharo zoekt; de nabuur bidt hem aan
555 Niet min als d\' onderzaat, en \'t vuur zijns oogs met ijle
Ontsteekt der Ionffren bloem op de oevren van den Nijlc
Wat maaktij, Salomon? och armen! ziet uw geest
Niet, dat dees bruiloft u een strik is en geen feest?
Een hymen, geschakeerd van ongelijke willen,
560 En voor \'t onsterflijk zaad recht doodlijke geschillen:
Dat de os en de ezel, in een zelve juk gepaard,
Niet voeglijk ploegen om de korendragende aard\'.
Wie met een heidensch bloed zich echtlijk gaat verzeilen,
Doet eêbreuk voor den Heer. \'t Geloof wil altijd hellen;
565 \'t Vereischt een hulpe, en geen bekoorster meer om haar
Van \'t eerste werktuig van den ouden Logenaar,
Noch gift dat doodlijk in uw bed ligt, heet van minne,
En de ongodvruchtigheid u blaast ten lippen inne.
Groot Koning! die gij van den vloed des Nijls ontleent
570 Geen vleesch is van uw vleesch, geen been van uw gebeent\'.
\'t Is een uitheemsch gebeente, een ribb\' van woeste onvrije»
Een lid geheel verrot van Pharoos lazerije.
Maar, zuldij zeggen, hoe? alreê de schoone bruid
Van d\' afgodische Nijl \'t bevlekt gewaad trok uit,
575 In \'t wit naar eieren gaat, de onnoozelheid omgorden,
En door \'t geloove is nu Abrahams zaad geworden.
V. 551. Zijn gerucht wordt overal verspreid. — 557. Tegen Salomons huwe-
lijksaanzoek in JEgypten.
— 573. Ontschuldiginge hiervan.
-ocr page 281-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.           267
Zulks stemmen wij licht toe, en d\'heilge schoonheids cier,
Waarvan zij \'t beelde draagt, mij lichtelijken hier
Doet hellen aan die kant: maar ducht ik, of verslimde
580 Haar eersleep al uw hof, dat God op u vergrimde,
D\' Onsterflijke, die niet wil dulden, dat men slinks
Gaat mengen Isaks bloed met \'t bloed eens vreemdelings.
Recht onder d\' Evenaar de aanminnige Nature
Besprengt een aardig bosch, dat boomgroent t\' aller ure,
585 Daar, door het gantsche jaar, de Mei in \'t groene staat,
Die met zijn verwe alom \'t schoon veld tapijten gaat.
d\' Aard\' lacht hier overal, en, hoe men meer wil buigen
De bloemen, schoon gestemd, te meer zij levend\' juichen,
\'t Groeit hier al zonder moeite, of is \'t door arbeids pijn,
590 De zoete Zefyr zal alleen de bouwheer zijn.
De Zuidwind botst er niet, en d\' hagel, na lang dreigen,
\'t Onsterflijk woud niet snoeit; de rechte palm in \'t neigen
Kust vrundelijk zijn bruid; de planeboom aldaar
Al schuifelende vrijt zijn weêrgaa \'t gantsche jaar.
595 De popelier aanbiedt zijn dienst den popelieren.
De kromme olm wordt omhelsd van wijngaard goedertieren,
\'t Veil kleeft aan d\' eiken dicht, en \'t groeit en \'t leeft er al,
En \'t wordt er al geteeld vrouw Cypris te geval.
De Waan poortwachterse is, en hoedt met groote stoutheid
600 De poort voor Gierigheid, Zorge, en verstorven Oudheid,
Zoo ze op \'t gebloeid poortaal van \'t groenende huis niet heen
Uit achteloosheid werpt het paksken van de reen:
Doch wel onthaalt ze hierin de bloode stoutigheden,
Schoontaligheids gebaar, de vleyende gebeden,
605 De gramschap haast gebluscht, de tranen haast weer droog,
Behende dieverij, \'t vertwijflen, \'t lachende oog,
De slappe ledigheid, de wellust in haar bloeyen,
Wien d\' heil\'ge Nectar men welriekend\' ziet ontvloeyen,
\'t Gerabraakt waken, d\' hoop van \'s vuur\'gen wensch geniet,
610 d\' Onsterfelijke spijze, het aangenaam verdriet,
\'t Ontbondene verlof, en overdaads niet achten,
De tooverlieden, en de zoete minneklachten.
De telg, verladen van het balsem druppende hout
Steeds onder \'t nestien trilt der Liefdekens veelvoud.
615 De Schoonheid legt: Lust broeit: d\' hertstochten, door\'t veel
tergen
V. 583. Poëetelijkc beschrijvinge van de vcrmaaklijke lusthof, waaruit de il/inne^
guitjens voortkomen, die \'t herte van Salomon en P/iaronida, dochter des sEgyp-
tischen Konings, kwetsen.
598. Cypris, Venus. — 609. Geniet, genieting, — 612. Toover»
lieden, minneliederen.
-ocr page 282-
268           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Des brands, \'t gebroedsel kipt van dees Pygmeesche dwergen:
\'t Een ligt in \'t eiwit nog, en \'t ander leeft al vlug:
Een ander tot een wieg strekt \'s moeders lieven rug:
Een ander stoppelhaart: een ander leerling jeugdig
620 Van tak in tak, van hage in hage wispelt vreugdig.
\'t Een in eens app\'laars schaauw zacht dobbedobt en slaat,
En van zijn ermen neer zijn koker hangen laat,
Die vuur\'ge damp uitbraakt; en op een muschken teder
Proeft \'t ander zijnen boog, die reuzen velt ter neder.
Ó25 Lijmstrikken \'t ander spant voor \'t sijsken met een zwink,
Voor \'t zoet kanariken, en voor den snatervink.
Ziet, ziet, hoe stille dees, hangvleuglende te bijster,
De vooglen nopen gaan: die — dwers beschrijdt een lijster:
Die vliegen doet een paauw: die een faizant ment fraai:
630 Die noopt een blanke zwaan: die jaagt een papegaai:
Die leidt vast aarzelings het duif ken, glad van kuive;
Die draayen doet rondom een wilde ringelduive.
Ziet, hoe een bende van dees pottertjens te gaar
De gulden witjens jaagt zoo dertel hier en daar.
635 \'t Een met een rozetak wil vangen \'t zomeruiltjen.
Die met zijn handtjens teer, een ander met een tuiltjen:
\'t Gehoornde vogelken ontslipt ze, en leurt een vlaag,
Met lichte sprong op sprong, der minneboefjens laag.
„Mijn buisjens!" Cypris roept, „wech met dees malle mijntjens,
Ó40 Want voor een zomeruil, mijn kleintjens! moogdij fijntjens
Doen sneuvelen ter neer een dertel Venuskind,
Gehoornde Cupidons genoeg men alszins vindt."
Twee tweelingen daarop, wiens gulden minneflitsen
In \'t koninklijke bloed slechts weeken hare spitsen:
645 „Tsa, broeder!" zeggen zij, „dat onze hand in der ijl
In dees twee herten elk ga schieten eenen pijl."
De daad zoo snel gaat, als \'t gevlerkte woord, zijn gangen.
Zij doen een keer twee drie om zoo de vlucht t\' erlangen :
\'t Gepluimde vlerksken elk klep, klep! beweegt en zwaait
650 Den krink gekarmozijnd tot drie-maal, ingezaaid
Hier \'t goud, daar \'t hemelsblaauw; \'t een na Iudeen gaat pogen,
En \'t ander spoedt na \'t strand des Nijls, hoog opgetogen;
Ziet Pharoos dochter doen, haars tijds bragaat en eer,
Haar vlechten streelde, die ter aarden golfden neer,
655 En in een klein vertrek, gevloerd met gele platen,
V. 653. De Vorstinne van Egyptcn wordt bevangen met de minne des Konings
van Iudea-
615. Legt (een ei). — 633.Pottertjens, gaauwdicfjens. — 637. Leurt
(uitg. heeft loert), fopt. — Vlaag, poos. — 639. Buisjens, maatjens.
— Mijntjens, poetsen, gebaren. — 653. Bragaat, pronk.
-ocr page 283-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.           269
De geestige hand van drie kunstjonffren stond gelaten.
Met \'t weêrzijds honderd-maal getande palmhout daar
De lokken ploegde d\' een van haar uitvloeyende haar,
En d\' ander overstorte haar guldene perruiken
660 Met eenen Nectarstroom zacht glijend\', zoet om ruiken:
De derde, nu met naald, nu met een vinger eêl,
Frizeert en nopt en krolt en kronkelt een goed deel,
En d\' ander watert ze hier en daar na de oü gewoonheid,
En, smalende op de kunst, verheerlijken haar schoonheid:
665 Als dezer tweehngs een met \'t schut, dat vurig blaakt,
In zwaluwen gestalt, daar snellijk binnenraakt,
En op haar boezem lost, \'k en weet niet hoe, de veugel
Schalk \'t gouden boogsken, dat school onder slinker vleugel.
De maagd zegt: „Ik heb \'t wech, \'k heb \'t in de lenden, ach!"
670 Maar als zij bij haar bloed nog geen lidteeken zag,
„Neen, \'t is geen wonde, och arm! ik wedde," zegt ze al droever,
„Dat, slapende op de kant van \'t naaste beekskens oever,
Een adder boos van aard in mijnen boezem glee;
Zij pikt mij in mijn herte! O, reikt mij hand op stee,
Ö75 Brengt mij fluks beddewaards, eens ijzig vuurs vernielen
Een heete ijskegel is de kwelgeest mijner zielen."
Hoe vele gals helaas! o, wicht, te fel en bits!
Met uwen honig mengt uw invergifte flits!
De Maagd, die op \'t vermaal der velden plach te weyen,
680 Te lachen, springen, en te dansen met haar reyen,
Lieft de eenzaamheid, is droef, en bij haar zelven stom,
Steent, mijmert, en verzucht, en weet niet eens waarom.
De rijkdom, \'t prat geweld der naalden opgetogen
Haar stelt der lebuzeen bolwerken naakt voor oogen.
685 In \'t krystalijn des Nijls verschijnt haar de Iordaan,
In Memphis Solyme, en steeds t\'eiken weder aan
Haar hand bootst op \'t stramien, van zelf en ongeboden,
\'t Beeld en schoon voorhoofd van de Vorst en Prins der Joden:
Dien, als hij voorslag vast van d\'heil\'ge Tempel maakt,
690 Juist op een zelve tijd het ander tweeling raakt.
De pijl hecht in \'t gebeent, de ramp zit in zijn aaren,
De slaap doet niet in slaap zijn zoete smerten varen,
Pharonide is zijn hert, Pharonide is alleen
d\' Eenige stofte van zijn hooge wonderreên.
695 Hij voedt een burgerkrijg in zijn gemoed van binnen.
V. 690. Salomon verlieft op Pharonida, Princesse van jEgypten.
C56. Gelaten, geduldig. — 663. Watert, golft (het haar). — 679.
Vermaal, email. — 683. Naalden, obelisken zoil \'t moeten betcekenen;
maar de dichter bedoelt de pyramiden. — 686. Solyme, Jerusalem. — 689.
Voorslag, ontwerp.
-ocr page 284-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Nu rijst de alziende Zon, om \'saardrijks lijst te winnen,
Nu sticht ze \'s middaags brand, nu rust ze in schaduw frisch,
Maar zijne min steeds op haar heete middag is.
Hij temt zijn peerden als voorheen niet zoo vermetel,
700 Hij leest noch schrijft, noch klimt op zijnen Rechters zetel,
Om hooren \'sweduws klacht, noch zorgt voor \'t hofgezin;
Hij stelt geen wet meer, hij ontvangt ze van de Min.
Gezanten, die beraan dees feeste gaat betrachten,
Met tafereelen noch met ringen wilt bevrachten
705 Uw koets; de schrandre Min heeft lang \'t afzetsel zoet
Gesneden, met zijn schicht, in \'t diepst\' van haar gemoed;
d\'Een steeds in d\'ander leeft, zij hebben, zeldzaam perten!
Verwisseld tegen een elkanders vurige herten,-
Veel min genoegens \'t hert vindt in als buiten haar,
710 Maar \'t wenscht met zijnen gast te huwen \'t lijf te gaar.
\'t Gebeurt welhaast, de maagd men uit de prangende ermen
Haars moeders rukt en trekt, die al beroerd gaat kermen,
En blijde is te gelijk, en schreyende en ontsteld,
De vader, oude stok, dus haar vertrek verzelt:
715 „Mijn kind, mijn zoete zorg, Osiris leide uw wegen,
De loyende Isis brenge uw huis eerlang den zegen
Eens guldenen geslachts, en met uw dagen nu
De kuische liefde groei van Salomon en u!" (menschen,
Vrouw, maagd, kind, jong en oud, gezonde en kranke
720 Van toornen volgen haar met wenken en goê wenschen.
De stille Nijl woelt min als hij wel anders doet.
Het Zuiden strekt schips wind en onwind voor den vloed.
Haar voetzool \'t land alszins welriekende doet schijnen:
Haar ooge vruchtbaar maakt de Arabische woestijnen.
725 \'t Is Idumeër feeste; alszins men, al den dag,
Niet dan kromhoornen hoort, gepijp, en trommel-slag.
Als mieren krielet volk bekranst te veldwaards inne,
En juicht en roept: „Veel heils! veel heils de Koninginne!
O, dat ze een loot gelijk\', dien de overschaduwde voet
730 Van een te weeldig hout bleekverwig treuren doet,
Maar van een zoeter wind haar elders op laat kweken,
En trotsch haar ruigte doet ten blonden Hemel steken."
\'t Lacht t haarwaards al, daar in nieuwe aard\' zij willig tiert,
En met gulde applen zij den gantschen lusthof ciert.
735 Van \'t rijke Sion men kan straten zien noch raken:
V. 703. Zijn Gezanten verzoeken ze en verwerven ze hem tot een vrouwe.
719. Haar vertrek van Egypten en rcize na ludea. — 735. Haar komste te
leru.iaiem.
-\\i. Hcroerd, ontroerd. — 716. Loeycnde Isis, nam. in de gedaante van
een koe. — 720. Toornen, torens.
-ocr page 285-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
271
\'t Beneênste is getapijt met ruiggehaard scharlaken,
De zijden zijn van zij\', \'t borduursel onbevlekt
Die voor de stralen van te heeten zon bedekt.
Men dringt, men stoeit te hoop; een tij van menschen heden
740 Volgt golvende alszins na de maged aangebeden.
De Jonffren worpen van de daken even zeer
Op haar weêrlichtende hoofd een bloemenregen neer,
Jeloers, dat telken niet haars kaakskens tweelingrozen
Die rozen schande aandoen, die van naturen blozen.
745 Ten lesten komt ons hier der Vorsten eere en pracht:
Deez\' twee gelieven, als ter maanden halver dracht
De klare zon en maan malkandren hel belonken,
En worpen minlijk toe d\' een d\' ander duizend vonken.
Zij zijn te gaar gelijk schoon, jeugdig, groen, en blij,
750 Gelijk in aardigheid; en wie niet van nabij
Noch huif, noch mutse ziet haar gulden hoofden eieren,
Waant \'t zijn Adonissen, of \'t zijn twee Venus-dieren,
Uit vreeze beven reê dees leerlings van de min:
Haar eerste ontmoeten schijnt t\' ontstellen hert en zin.
755 De zoete bernkool, die inwendig broeit, midsdezen
Schiet roode vlammen door haar teder vrouwlijk wezen:
Haar tonge\' stamelt, en haar starende oogen stil
Een schaamzaam lamper, schijnt, uit schaamt\' bedekken wil.
O prachtige Hymen! maar waar voerdij mij om hooge?
760 Ben ik reede Heidensch niet omtrent die zaal\'ge boge.
Daar hooge en leeger Goön, en mindre, blij van geest.
Maaltijden, sprongen om, op Thetis\' bruiloftsfeest?
Van \'t Idumeesche land Iuppijn de groote hier onder
Zijn lichte voeten treedt den vuur\'ge en heeten donder,
765 Verliest zijn majesteit door \'t lachende gelaat,
Van Koning hoovling wordt, van Vorst een onderzaat,
Den kleinsten heel gelijk; en evenwel te meere
Blinkt op zijn aangezicht al steeds de veinzende eere.
Meer als een Phoebus hier, meer als een Musa licht
77° Op \'t gulde boogsken springt, en \'t lieflijk maatgedicht,
Zoo aardig, dat bijna arcadische en pilaren
Opspringen op \'t gedreun van zang en zoete snaren.
Veel Iunoos schouw ik hier en veel Minerven aan,
En veel Dianen, die in looze strikken vaan
775 Wel duizend Heeren, na dat rijkdoms lust en liefde,
V. 745. \'t Ontmoeten van Salomon en haar.
752. Venusdieren, schoone maagden. — 763. Salomo, de Jupijn van \'t
Idumeesche (Oostersche) land. — 768. Veinzende e e r e, eer die veinst zich
onbewust te zijn. — 770. Gulden boogsken, de gebogen lier. — 771. Lees:
Ark ad en en pilaren.
-ocr page 286-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
272
Of eer of schoonheids brand haar \'t herte kwetste en griefde.
Veel aardige Hebens, en meer als een Chiron hier
Om dienst begaan, omtrent de bedden goedertier
Den nektar schaffen op; de disch ontvangt met belgen
780 De schootlen die, gebeeld, de ambrosia verzwelgen.
Wel honderd Marsen hier, oon bloeddorst op de been,
Wel honderd Hermens voên tien duizend vrolijkheên.
Tien-tien Oreades, Pans, Satyrs narriesch vlijen
Zich, aan te stellen tien-tien zotte mommerijen:
785 Want, ik en weet niet hoe, Gods knechten in \'t gemeen
Inzuipen \'t zoet vergif van woeste uitheemsche zeen.
Van zoo veel beelden, daar een ander zich aan kwijten
Mag, en die eieren met zijn heerlijke tapijten.
Ik onder \'t tijdverdrijf wil kiezen eenen dans,
790 Die met wijszoet vermaak zij vergezelschapt gants,
Kuische, heiige, defte dans, dans, daar ik mij hertgrondig
Aan Sal\'mons grootheid en mijn Musa mee bezondig.
De lekkre schootlen nu gelicht, na \'t dralen lang,
De dans vangt aan te gaan, in \'t wijde en ruim bevang
795 Eens zaals, die klaar, die rond, Augustiesch altemale,
Te recht men noemen mag des weerelds groote zale.
O welken wellust! te zien hupplen zij aan zij
In \'t rond, langs hooge muur, een bende vrouwen blij
En helden; haar oog licht als Farus blinkt in \'t duister,
800 Haar lijf gecierd is met klinkanten, schoon van luister!
\'t En is geen aars\'len, maar een glijding zoet van pas;
Eenstemmigheid haar toom is, zij gaan even ras;
d\' Een luistert na den gang des andren, juist en even,
Die \'t ziet, waant dat ze van een geest zijn voortgedreven;
805 Al snellen zij, men zou \'t noch zeggen, noch vermoên:
Zij posten, tusschen tien-tien-duist schreên die ze doen,
Een schreê zij rugwaards gaan: de een ronde doen ze op d\' an-
En vruchtbaar lonken zij in \'t loopen op malkander, (der,
In \'t midden van de vloer zich sluyerwijs verspreedt
810 Een hemelsblaauwe riem, gemarbeld lang en breed
Met beelden, daar, met vlam betogen, wij aanschouwen
V. 793. De zale daer \'t geschiedt, is de wereld, langs wiens muren, *( wik
de Hemelen zijn, men deze dans ziet der Hemelsche lichamen of sterren, die
eenen tred hebhen in volkomenheid afgemeten.
778. Bedden, nam. tafelbeddcn. — 779. Met belgen, met weerzin, om
de zwaarte. — 791, 92. Kwalijk geplaatste scherts, in de uitg. v. 1621 ver-
vangen (.op voorstel van Z. Heins?) door:
„Kuische heyl\'ge defte dans, dans die te zonderlingen
Aan Sal\'mons grootheyd past en aen mijn heylig singen."
806. Zij posten, zy hielden een pauze.
-ocr page 287-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.           273
En dansen zien te hoop vijf Heeren en twee Vrouwen.
Hier danst een oude stok, met zijnen mantel lang
En bruingraauw, stijf omgord met een blaauwe adderslang,
815 Die knaagt haar krunkelsteert, en kunstelijk ik spore
Ruit, vierkruid, en komijn, alruin en mandragore
Voordskruipen in zijn kleed, waarin geschilderd zijn
Na \'t leven het Kameel, de Beer, den Ezel, \'t Zwijn:
De wakkre vogel-Kraan luid schreeuwt met veel geschals hier,
820 En Paauw zijn steert opsteekt: hij draagt er tot een hals-cier
Een groote cornalijn, daar \'s kunstnaars ijzer dicht
Den Tijd in snee met zijn drievoudig aangezicht.
Zijn treden zijn gewis, zijn aanzicht norsch van \'t veinzen,
Zijn lichaam is wel hier, maar elders zijn gepeinzen.
825 d\' Heer Zadok gaater met een gang, kloek, gaauw, en vlug,
Braaf is hij, vro, en hupsch: op zijnen stijven rug
Een zijden kleed, wiens verwe op \'t blanke tin wil trekken,
Met groote plooyen zich en vouwen uit gaat strekken,
Gebeeld met eekel, aar, met lelie, violet,
830 Olijf, mirobalaan: geboord, en rond omzet
Met aarnen, droef van pluim, met heerlijke faizanten,
En met gejukte toornverschuddende elefanten,
Bezaaid met esmerald, en diamantscherp ook,
En hoog en leeg doorvuurd met zoete geur en rook.
835 De derde op \'t zelve plein verhaast nog meer beneden
Van zijn soldaatsche dans de woeste krijgsmanstreden;
\'t Gelaat is enkel vuur, en menig Jaspis schoon,
En menige Amethist, op d\' appel klaar ten toon
Van zijn krom slagzweerd blinkt: van hoofdscheêl tot den tenen
840 Blaauwt het gereten staal om \'t moedig lichaam henen,
\'t Goud op zijn beuklaar vlamt, wiens rand, alom verguld,
Met peerden snel te voet en wolven is gebult:
En d\'ommeloop des schilds gecierd is en beladen
Met \'t loofwerk van euforb\'- en scammoniè\'-bladen.
845 Wie zijdij, Schoone! die met \'t vuur uws oogs steekt aan
Den hemel, en de locht, en de aarde, en d\' oceaan?
O, aller schoonen Schoonste! u zelven ons wilt mellen:
Wien tortel, mussche, en duif, bij nacht bij daag verzeilen
Met groote eerbiedigheid: wiens gulden vlechthaar blinkt,
850 Dat met roó rozen, thijm, en myrten is omringd;
V. 812. Ik Zodiaak, of dweersriem, in de welke, met uitnemende geschiktheid,
treden de zeven 1\'laneetcn. De vijf Heeren zijn Satunws, Inpiter, Mars, de Zon,
en Mercurius, de twee Vrouwen Fcnus en de Maan.
— 825. Na Saturnus ntcmt
hij lupiter.
— 835. Mars. — 845. Fenus. — 859. Mercurius.
813. Saturnus. — 831. Aarnen, arenden. — Droef, donker. — 844.
Euforb\'- en scanunonië-, zekere planten.
vondel I.
18
-ocr page 288-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Die eenen cestes gordt welriekende om uw lenden,
Daar aardig nestien in der Minneguitjens benden:
Om wiens gewaad een boord van veel granaten loopt,
Gezoomd met klaar beryl, met safier toegeknoopt:
855 Wiens voet verkleinende, in \'t verklaard gewelf der sterren
Nu volgt der dansers Vorst, nu voordanst weer van verren:
Zijt gij \'t o Schoone! niet, die met een kuischzoet vuur,
Onze eegaas herten in éen hert smolt en natuur?
En deze, die u volgt met aangename stappen,
860 Deed hi) behend niet die schoontalige boodschappen?
O, ziet, wat vreemder dracht! zijn mantel kakelbont
Geboord met beekskens van kwikzilver schijnt in \'t rond,
En elke streep, die door \'t scharlaken men ziet zwieren,
Strekt tot een vlok aan \'t einde agaatsteen of porfieren:
865 Een koppel honden vast vervolgen hier den das:
Daar weer den loozen vos: daar \'t geitken snel en ras:
De leeuwerk, nachtegaal, en \'t sijsken ongevangen
Gebootst op \'t schijngeboomt, de vlerken latende hangen,
Haar keel schijnt zwellen doen, en, met zoet veldgeschrei,
870 Al kwinkeleerend\' te beschamen den schalmei.
D\'eerdrook, de pimpernel, en petercelieblaaren
Beschaauwt \'t gevlochten loof van zijn gekrunkelde haren.
Hij keert, hij draait, hij is vrijpostig net bespraakt;
Veel kleine kringen in zijn groote rond\' hij maakt:
875 Zijn geschakeerde loop zich hier en ginds gaat spreeden,
En nog verzelt éen maat deze ongeregeldheden.
Ruimbaan, o ieders walg! onheilige, aan een kant!
Noch lot noch deel hebt ge aan deze heil\'ge wellusts brand;
Maar, zuivre zielen, komt! doorsnijdt gij vrij \'t gedrange!
880 Tsa, wint de voorplaats, dat dit paar verzade, eerlange,
Ons oog met haar gelaat, dat overschoone paar:
Alleen, alleen de feest wordt aangesteld om haar.
O, \'k zie ze dicht hierbij, help God! wat fakkel licht er!
Ik kan ze dulden niet, o eerste klaarheids stichter!
885 O, zonne van de zon! helaas! de punten hier
Wat van uw stralen koelt, en matigt wat uw vier,
Met uitgestorte glans uw zuster gaat verrassen;
\'t Is uit met mi), ik kan niet meer, ik keer tot asschen.
O zaal\'ge weêrgaan! nu \'t met oorlof niet kan schiên,
890 Uw bevrunde aangezicht oon hinder aan te zien,
Duldt, dat ik uwen dans, uws cierraads gulde stukken
V. 880. De Zon en de Maan, vertoonende, in de aarde, Salomon en Pharo-
nida; Christus en zijn Kerke in den Hemel.
851. Cestes, ceintuur. — 855. Verkleinende, fredonneur, lees: zacht
tripplend. — 858. Eegaas, gehuwden. — 871. Eerdrook, duive-kervel.
-ocr page 289-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
En zoete woorden, in mijn dichten uit mag drukken.
De Koningin haar haar (haar, waarvan distileert
Steeds frisschen dauw) draagt in veel krollen gefrizeerd:
895 D\'een vloeit ten voeten neer in heldre lokskens, d\' ander
Rijst met lang peerlesnoer gebonden aan malkander.
Haar keurs damast is, met een zilvren frangien-zoom,
Geloofwerkt rijklijk met het zilver van een stroom,
Met maankruid,met kouwoerde heel uitheemsch gaar geweven,
900 En met het dier vermaald, dat bij de locht moet leven.
Wat wildij, Musa! met een errenstig pinceel,
In \'t breede afmalen al haar schoonheid in \'t geheel:
Van al de schoonheid, glans, gunst, rijkdom uitgescheyen,
Daar d\' Hemel meê beschonk de huppelende reyen,
905 Zij moeder is alleen, en, als een kristalijn,
Den dans-aanschouwren zij\'r af jont den wederschijn.
Een hoed, geweven gaar van bloemen die wel gaayen,
Citroenen, aren, en klytiè\'n die steeds draayen,
En met robijn borduurd, balais, en chrysolijt,
910 Bekroont \'t straal worpende hoofd des bruidegoms altijd.
Zijn gesaffraande kraag tot spelwerk heeft wel honderd
Karbonklen, rood als vuur; de balsem uitgezonderd,
De ceder, de kaneel, de lauwer rijkgebeeld,
Elk met haar ranken ciert zijn plooyen opgestreeld.
915 De witgevlerkte zwaan hem toejuicht, met vermaken,
Een nieuwe lofzang op zijns mantels gulde laken.
De Phoenix hier zijn nest en grafstee bouwen wil.
Uit \'t nat rijst \'t met pantsier gewapend krokodil,
De maayer zwert-gebraan zein, garven, haast ontvielen,
920 En snelle vreeze hem fluks ent vleuglen aan zijn hielen.
De felle Leeuw worpt vuur en vlam uit d\' oogen beus,
En slingersteertende hij, door bakhuis, muil en neus,
Zijn gramschap eislijk slijpt, en d\' adren gaat ontspannen
Om een welriekend rot van panters aan te rannen:
925 Als juist de braven haan met purpre vederbos
Zijn trotsche kop verciert: een kuif, half peersch en ros,
En half verguld, men op zijn kruin hoog uit ziet steken,
En langs zijn stijve borst, met spikken bont bestreken,
V. 893. De Maan, Pharonida, de Kerke. — 907. De Zon, Salomon, Christus..
—  915. Sterren van de Zodiaak.
899. Kouwoerde, wingertloof? — 900. Het kameleon. — Vermaald,
geëmaljecrd, zegt Van Lennep. \'t Zoü ook beschilderd kunnen zijn. (Zie v.
942.) — 903. Uitgescheyen, uitgelezen. — 907. Gaayen, over-een-komen.
—  908. Aren, koornaren. — KIytien, zonnebloemen. — 909. Edelsteenen.
—  911. Spelwerk, kant. — 912. De balsem uitgezonderd, de uit-
gelezen balsemboom. — 919. De maayer, 3e nv.
-ocr page 290-
a76           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Een roode baard vloeit: in zijn geelgroen oogen lelt
930 De schrik gelegerd, en zijn leden zijn bespreid
Met ongesponnen goud: zijn korte bek zich krommet:
Zijn voet gespoord in \'ttreen gelijk een krijgsman brommet:.-
Zijn groote steert zich in twee welfde takken takt:
Met vleugelruisschen hij zijn lenden ribbezakt:
935 Hij zingt, zoo \'t schijnt, en met zijn bijzijn en trotsch brallen
Hij van de sterke leeuw de kuif en moed doet vallen.
Dees zalige Eegaan, met een weibedreven spoor,
Nu hupplen achterwaart, nu zijlings, nu weer voor:
Zij dansen, zoo het schijnt, d\' Hispanische pa van e,
940 En nochtans nimmer men haar lieve dans ziet gane
Uit \'s gordels kringk, die met gestemde dieren, breed
En wijd vermaald, alszins \'t plaveisel onderscheet.
Als d\' eedle bruidegom na Siloos berg gaat wandren,
Ontluiken duistderlei schoon bloemen, elk voor andren;
945 Als hij d\' Olijfberg groet, hij, waar zijn lichte tree
Ook loopt, duist vlokskens laat van nevel, rijm, en snee:-
Want \'t glinstrig vloersel met zijn aarzelen geslagen,
D\' ontruste wevertreên gelijk is, in die dagen.
Nu kussen zich dees twee, nu aarsling zij weer gaan,
950 En zien malkandren nu bedroefd, nu lachende aan,
Nu voorwaards, nu ter zij, met ongelijke gangen.
De Koninklijke Maagd men merklijk ziet ontvangen
Verandringe in \'t krystal haars voorhoofds, schoon verjongd
Naar mate haar \'t helder ooge haars Bruidegoms belonkt:
955 Dat, zooder hindernis komt plotslijk tusschen beide
De twee geliefkens, wordt zij droef als of ze schreide,
Het schijnt al of ze storf, haar helder oog gaat uit.
Zoo werkt kuische, heil\'ge brand in zoo verheven bruid;
Maar dit \'s ten aanzien van haar maatzang niets met allen:
960 Haar Engelen-geluid zij houwen met bevallen
Met zorgbetoover luit, viool, en voetgelicht,
En houden dus gespraak met lieflijk maatgedicht:
„O klaargeoogde maagd! wat zijdij schoon te achten,
Mijn lief! hoe lieve ik u! mijn Duit ken, wit van schachten!
965 O God! hoe lieve ik u, ach! \'k ben mij zelfs niet meer,
Ik sterve om u, mijn lief! om u verrijze ik weer.
V. 937. Beweginge van Zon en Maan. — 949. Haar naar dr en en vervrem-
den. -
960 Analogische en heilige toeëigeninge van ,t naarderen van Zon en
Maan tot hel hoinvelijk van Salomon en 1\'haronida, beeld van de echt, en liet
gectteltjk gesprake tusschen Christus, en de Kerke, beschreven in dit schoon boek,
genaamd het Lied der Lieden.
942. Onderscheet, teekent. — 947. Aarzelen, achteruitgaande schre-
ier. — 955. Dat, te verstaan als het fransche que. — 959. Haar, hun.
-ocr page 291-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
„Wat zijdij schoon in \'toog! hoe lieve ik u, mijn herte!
Al wakende ik bezwijm, ik flaauwe, ik stort met smerte,
Door \'t stralen uws gezichts, en slapende evenwel
970 Voel waken in mijn schoot mijn zuur en zoet gekwel.
„Wat stort uw zoete pruik voor reuken, mijn vrundinne!
Watte amber, wierook stort uw zoeten adem inne
Twee fijne purpre draên! wat myrrhe, zoo veelvoud,
Ontvloeit uw vingren, die gereept zijn met schoon goud!"
975 — „Mijn vrund, hoe zoet is mij de reuk van uw geruchten!
Wat stort uw zoete locht al heimlijk-zoete luchten
In mijn ontsteken borst! en watten honig niet
Ontvloeit uw zoete keel, die beek en gulde vliet!"
— „Mijn bloem, een lelie, roos, mids in \'t gebloemt\' gekropen,
980 Een roze, een lelie is, d\' een toe en d\' ander open:
Dees bloeme met mijn hand ik d\' eerste afplukken wil,
Die rieken, kussen, in mijn boezem steken stil."
—  „Als d\' applaar gij, mijn lief, zijt onder d\' andre boomen,
En vrucht en bloezem hebt gij uit éen stam bekomen:
985 De vrucht ik smaken wil, de bloezem rieken, ach!
En in uw koele schaauw gaan leegren nacht en dag."
Den schoonen avondstond terwijl, met haar azuren
Koetswagen, sleept een schaar van kleine en mindre vuren;
De willekomme slaap doet de oefning wijken dra,
990 En de beneênste bruid volgt \'s Hemels Venus na.
Deze Hymen uitgevierd, geen andre worm den Koning
En knaagt, noch droomt niet el als aan des Heeren woning,
Zijn schatkist openstaat, geen onkost hij en schouwt,
En \'s kunstnaars zinnen hij verlet en bezighoudt.
995 Wel tien-duist handen men fluks zweeten ziet en ijlen,
In alle bosschen men slechts hamers hoort en bijlen,
En d\' haarge toppen nu van d\' heil\'ge Libanus
Na \'t water rollen, om op Sion stijgen flus:
Men snijdt in balk en deel de bosschen met de zage;
ïooo Het groote steengebergt\' vast krimpt van daag te dage;
Met beitels, hamers, de steenhouwer, eer men \'t meent,
Doorsnuffelt \'t stijf gedarmt\' van \'t hemel-hoog gesteent\':
Hij venstert een gebergt, dat rijst na boven ijslijk,
En temt fluks den porfier van d\' eeuwen onverbrijslijk.
V. 991. Salomon zijn houwelijk geëindigd hebbende, bouwde het Huis des Hee-
ren. -
- 999. Levende vertooninge dergener, die aan zoo treflijken werk bezig waren.
971. Pruik, hoofdhaar. — 973. De lippen. — 974. Gereept, geringd. —
*975- Mon ami, que 1\'odeur de ta louange est douce. — 979. Mids,
midden. — 988. Vuren, sterren. — 990. Beneênste, aardsche. — 991, 94.
Dit slaat op Salomoos tempelbouw. — 992. El, anders.
-ocr page 292-
278           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
1005 d\' Een de gebakken steen doorkloven heeft met vier,
En d\' ander die begraaft, in een diepe afgrond hier,
Den marbel, gepolijst met kunstige handen veerdig,
Ja, marbel, \'t voorhoofd van \'t gebouw eens Konings weerdig;.
Dees houwt een pijlerskop; éen bult die, met zijn hand:
1010 Een tegenbult verzoet dees; die een voet-vierkant:
Dees maakt een hanebalk, die een beschot ter zijden:
Dees schaaft de delen glad: die gaat ze kunstig snijden;
Bezielt doó cedren, en met \'t schettren van een hout,
Gebeeren, stemmen wekt, en zuchten menigvoud.
1015 En andren, met \'t begrijp van d\' heil\'ge muur, gerezen
Doen, met haar stout bedrijf, den Hemel zelve vreezen:
Men werkt met lust; nog klaagt de kunstenaar altijd,
Dat in midzomer hem de dag te haast ontglijdt.
De druivenlezers zoo, al zingende uit genuchten,
1020 Met \'tsnoeimes kromgebekt afsnoeyen Bacchus\' vruchten
In \'t vaatjen zoet van reuk: en trossen gaauw en vlug
Haars handgifts zware last met kromgebogen rug,
En, tot de lenden in de mostkuip neêrgestegen,
Al hupplend\' vloeyen doen een purpre druiven-regen.
1025 Men ploegt d\' onlust te spijt, \'t werk ziet men spoên met lust,
Wie \'t \'s morgens heeft gezien, wanneer de zonne rust
Erkent, hoe \'t groeit: de alwijze en ingoede Heer der Heererc
Aan dezen arbeid schijnt zich-zelf te willen keeren,
En \'s nachts te werken, als een zoete rust op \'t bed
1030 Der metsers zeen\'wen en gebeenten houdt verlet.
Groot-Koning! van waar kwam dat reuzen-hert gekropen,
Van zoo veel bergen tot een lichaam op te hoopen?
Met watte wagens, met wat sterke rollen dan
Men dees vierkanten lomp zoo wijd versleepen kan?
1035 Wat krommer vastigheid van opgehangen bogen
Ten bonten wolken draagt dat pak hoog opgetogen?
Indien op \'t buitenwerk ik met mijn oogen let,
De metslaar heeft gevoegd den kant des steens zóo net,
Dat, zoo hij zijn gebouw niet kakelbont deê schijnen,
1040 Met Syrische allebast en herde serpentijnen,
Met honderd gadingen van marber, vast en klaar,
Men waande, of d\' heele muur een enkel vierkant waar.
V. 1019. Gclijkenisse, uitbeeldende haar blijdschap. — 1031. De volmaaktheid
van zoodanigcn werk.
— 1037. Zijn uitnemendheid van buiten.
1009, 10. Kapiteel. Bult en tegenbult, beuling en hol (van een baze-
ment). — Voet-vierkant, plint. — 1014. De geluiden,die het timmerhout
geeft. — 1015. Begrijp, omvang. — 1028. Keeren, gelegen laten zijn —
1031. Reuzen-hert, reuzenmoed. — 1035. Gewelven. — 1041. Gadin-
gen, soorten.
-ocr page 293-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.           279
Zoo \'t binnenwerk wij zien, het buitenst\' wij verfoeyen,
Een rijkdom men alszins uitmuntende hier ziet gloeyen,
1045 De wanden, \'t vloersel, en de zolders opgebouwd
Met cedren zijn beplakt, de cedren weer met goud,
En al de plaastering met loof gevoerd van binnen,
Met bloemwerk, wild kouwoerd, en lodder Cherubinnen,
Van d\'heil\'ge ciersels ik gewag doe noch vermaan,
1050 Die in weerdije verr\' \'t gebouw te boven gaan:
De kunst de stoffe andwoordt, de stof \'t gebruik te wonder.
O kunstenaar volmaakt! gij bootste uw werk bizonder
Na \'s weerelds ide, en zoo als voormaals ongefeild
In loten driederlei de weereld wierd gedeild;
1055 En dat de almachtige hand des Heeren schiep volkomen
Een aardsch, een hemelsch, een heel Godlijk uitgenomen:
Met bloemen, vooglen, en met beesten cierend\' \'t eerst,
Met fakklen \'t ander, en met deugden \'t alderveerst: (krulde,
Als God, — aan \'tschildren, met schoon blaauw de baren
1060 De velden groende alom, en \'t krom gewelf vergulde,
Als hij \'t gesteente schonk zijn verwen licht van straal,
De bloemen spikkelde, en gaf glansen aan \'t metaal,
Beeldsnijende, doorwrocht de stronken en de blaaren
Der planten, met zoo veel fraai beelden, draan en aaren,
1065 En, gieter, bootste ons nog zoo veel gedaanten hier
Van posten snel gewiekt, veel visch, en menig dier.
In driën deeldij nog dit Godshuis drie maal heilig:
\'t Een \'t Alderheiligst is, daar niemant wandelt veilig
Als God, de Cherub, en Hij, die stadhouder trotsch
1070 Is van Melchisedech, ware, eeuwig zone Gods.
Het binnenste portaal is slechts voor de Levieten,
Die helder zon op zon toeworpen d\' Isra\'lieten
De stralen van haar leere, en, met \'swets honigsap
Haar voedende, ingelijfd zijn \'s Hemels borgerschap.
1075 Het voorpoortaal gij schikt voor die ik minder reken,
Voor \'t leeggezeten volk en de algemeene leeken,
En, werkman, ondermengd, gij, alszins wonderzoet
Appelles, Phedrus\' kunst, en Miron bloeyen doet.
Dit staal u zoo behaagt, dat gij daarna gaat maken
V. 1043. En van binnen. — 1053. Dit huis verbeeldt de wereld, onderscheiden
in drie deelen: godlijk, hemelsch, en aardsch, waarin zich vertoont de wijsheid
Gods.
— 1067. Het Godlijk is het Heilig der Heiligen. — 1071. Het Hemclsche
is het binnenste portaal der Priesteren en Levieten.
— 1075. Het aardsche is het
Voorportaal des volks.
— 1079. Salomon schildert het aardsche afin zijn Spreuken.
1043. Zoo steekt dit daarbij af. — I048. Lodder, lonkend. — 1053. Ide,
idee. — 1056. Uitgenomen, uitnemend. — 1066. Posten, vogels. — 1077.
Ondermengd, veelzijdig. — 1078. Phedrus, lees: Phidias.
-ocr page 294-
28o            DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
1080 Uws Goddelijken geests langdurige nachtwaken:
Uw boek, gemarberd rijk met Spreuken in Gods taal,
Men rijkelijken mag toe-eignen \'t voorpoortaal,
Dewijl het ons verzorgt d\'huiswetten nog op heden,
Bizondre leeringen en burgerlijke zeden:
1085 En dat de stralen, die hij uitschiet overhoop,
Vast oogen meerendeels op \'t menschelijk beloop.
In \'t binnenste poortaal de Prediker wil schijnen
(Die met zijn voeten kneênde al wat de mensch met pijnen
Vergaart van aangenaam, goed, kostlijk, schoon, en dier)
1090 In \'s Hemels herberge ons te voeren wijd van hier,
En roepende: „ijdelheid, gants ijdel \'s weerelds zegen,
Al \'s menschen heil is in de vreeze Gods gelegen!"
\'t Geheimste is dit Gezang, daar, met verborgen spel,
Aan \'s weerelds Koning gij gaat houwen Israël:
1095 Daar gij weêrschallen doet \'t zoet bruiloftslied aireede
Van Christus en zijn Kerk: daar d\' heil\'ge ziel in vrede
Gesprake houdt met haar God, de locht hoort met \'t gebed,
In \'t vuur zijns stralende oogs, haar loutert rein en net,
Zijn min geniet, en in zijn heilig bed gerieflijk
1100 Den mond der liefden zelfs mag kussen zoet en lieflijk.
„O, God!" zegt Salomon, na dat hij heeft voltooid
Des Heeren Huis, groot God! die, mij bevolen ooit
Den bouw liet uws Paleis, helaas! maakt mij, o Heere!
Daar levend\' steen af, wekt in Davids zaad zijn eere.
1105 Oneindlijk Koning, die behelst de oneindlijkheid,
Monarch, die in uw throon zit na uw Majesteit,
In d\'afgrond na gerecht, alom na uw vermogen:
O Vader! herbergt hier, om ons uw hulp te toogen:
Mag \'t zijn in twijfelzaak zoo spoeit u tot den eed,
1110 Ontwerret dezen knoop, straft strengelijk en wreed
De stoute meineed ook, en maakt niet, dat men zondig
U voortaan houde en achte onwetende en onkondig.
Verliest de boom zijn blos, zoo hagels d\' akkren slaan,
Zoo de aren ijl en leeg, zoo ons verwaaide graan
1115 Ons honger zeggen toe, zoo, met veel ijsre banden,
Gij sluit van \'s Hemels sprong de poorten met uw handen,
En wij oodmoedig \'t oog slaan op dit Huis-alleen; —
V. 1087. In de Prediker het Ilemelsche. — 1093. In \'t Lied der Lieden, het
Heilige der Heiligen.
— 1101. Inwtj\'dinge des Tempels en Salomons gebed tot
God, genomen uit het
I. boek der Koningen, kap. 8.
1097. Vondel had behooren te vertalen. „Waar de ziel den toon van Gods
galmen verneemt." — 1098. Haar, zich. — 1109. I. Kon. VIII, 31, 32 —
1116. Sprong, bron.
-ocr page 295-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.           c8i
Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên.
Zoo wij gevangen in uitheemsche landen kermen,
il 20 Zoo ons in krijg bezwijkt \'t geluk, het hert en de ermen,
En wi) ootmoedig \'t oog slaan op dit Huis alleen,
Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên.
Zoo uwer wondren faam den vremdeling hier wenken,
Om hooren uw geheim, u t\' offren zijn geschenken,
ii 25 En in dit huis zijn kniên te krommen naar beneên.
Zoo hoort almachtig God! verhoort doch zijn gebeên!
Verhoort van d\' Hemel hem, en trekt door weldoens koor-
In uw gewijde Kerk, Oost, Westen, Zuiden, Noorden!" (den,
\'t Uitmuntende verstand van Isacs Koning is
1130 Zoo heldren toortse, dat vergeefs men die gewis
Met onkunde overstulpt: zijn licht zich alszins toogen
Gaat, en zijn bliksemstraal licht glinsterig in d\' oogen
Des geens, die wijs den toom van \'t burgerlijk beleed
Der teêre Araders met haar hand te mennen weet:
1135 Die binnen Saba heerscht, daar steedsche lentens telen
Den wierook zoet van reuk, den myrrhe, en roó kaneelen,
Daar iedermans kantoor eens Konings schat inhoudt,
De vaten zilver zijn, de bedspon louter goud,
Met uitgelezen steen de muur bekleed oon breuken,
1140 Met strikken ingewrocht, afbeeldingen, en spreuken:
En nochtans zoo veel heils en grootsheên laat ze staan,
Om komen Salomon zijn zeen te merken aan,
Zijn leering leenen \'t oor, zijn Stad bezien met vreugden,
De schole des geloofs, en vaste burcht der deugden.
1145 Gij, die \'toog toesluit voor dees groote klaarheid meest
Die in onze eeuwe blinkt, wiens aangeklopte geest
Voor dolingen vermuft de waarheid uit gaat sluiten,
Die langzaam dag en nacht klopt aan uw poorten buiten,
En die, om op te doen, u niet eens keert noch wendt,
1150 Om met God spreken en zijn dobbel Testament:
Hoe vreesdij niet, dat dees Princes, ten jongsten dage,
Van groote ondankbaarheid en traagheid u verklage?
Die Vrouwe, die Monarche en Heidene met lust
De wellusten versmaadt, haar goud en zoete rust:
1155 Dweerst met veel moeite en kost, en met langdurig zwieren,
V. 1129. Salommis alom vermaarde wijsheid betrekt de Koninginne van Saba om hem
te komen zien en hooren.
— 1145. Deze Koninginne verdoemt de valsche Christenen.
1129. Vondel en Du Bartas hebben: „Isacx Koning". — 1134 De Koningin
van Saba. Teere, licht geraakte. Van Lennep, misleid dooreen drukfout,
redeneert hier over Arabers! — II35- Steedsche, gestadig. — 1146. Aan-
geklopt, halsstarrig, „aheurté." — H47- Vermufte dolingen. — 1155.
Dweerst, dwars doortrekt.
-ocr page 296-
282           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Een weg, belegerd van struikroovers en van dieren,
En andren Hemel gaat bezoeken, met de wensch,
Om eenmaal mond aan mond te spreken met een Mensen.
Zij kwist geen tijd, maar gaat beschouwen, al verwonderd,
ii 60 De trotsche schoonheid van Gods Tempel uitgezonderd,
De bollewerken van veel steden hoog na eisen;
:
             Een uitgelezen throon, een prachtig trotsch paleis,
Wiens muren kostlijk zijn, en d\' huisraad nog veel rijker^
\'t Getal der knechten zijn rijk hof ciert statelijker,
11Ó5 Meer haar geschiktheid nog: men hoort er geen gerucht.
Elk van den haren op zijn ambt let heel beducht:
En zoo als te gelijk den duim geroerd het leven
Den zenuwsnaarkens kan van een quiterne geven,
En om verrijken nog zijn tooverig gezang
1170 Verwekt een middelbare, een hooge, een leege klang:
Met een woord, Salomon, met éen gebeer, met wenken
Beroert de stoeten van zijn knechten, die gedenken
Heel gaauw aan haren plicht: elk neemt zijn les in acht,
En ieder gaat gekleed met een bizondre dracht.
1175 Eer zij vertrok van haar welriekende eilands-kuste,
Met zware raadselen haar dees Princes toeruste,
Belust den Koning met verwerde vragen knap
t\' Ontmoeten, om te zien zijn groote wetenschap.
Ziet welken Oedipus! De Voorspraak, die ervaren
1180 Voor \'t vierschaar heeft bijna versleten al zijn jaren,
En eindigt niet zoo haast een twijfel, lang bepleit,
Die \'t oud gebruik haast wijst, of\'s lands gewoonheid scheidt,
Of geestig hij ontknoopt dees Gordiaansche strikken,
Ziet door dees nachten heen, en speelt alle oogenblikken
1185 Met twijfelingen, die eer zweeten deên met pijn
Een dapper school-sofist, Druïdes, of Bramijn:
En wetende dat, hoe een goed zich uitbreidt stijver
Hoe \'t altijd grooter wordt, \'t geloove hij vol van ijver
Haar in te scherpen tracht, en gaat, na wensch, gemein
1190 Haar maken \'t kostlijk goed van zijn gezegend brein:
„Hoe zeer beklage ik u, afgodiesch volk! die zotlijk
Goud, zilver, hout," spreekt hij, „en kalk aanbidt bespot-
En door de schijnreên, laas! der Magi onderrecht ([lijk,
Zoo vele pakken hebt den menschen opgelegd:
V. 1159. De vrucht, die zij geniet van deze hare reize na lerusalem. — 117S\'
Zij grondeen de ■wijsheid van Salomon met zware geschillen, die hij ontknotpt.
— 1191. Daarbeneven onderwijst hij de Koninginne in de kennisse des waren Gods.
1160. Uitgezonderd, uitnemend. — 1165. Haar, hun. — 1168. Qui-
terne, gitaar. — 1179. Oedipus, oplosser van het Sfinx-raadsel. — Voor-
spraak, advokaat. — 1190. Gemein maken, meededen.
-ocr page 297-
DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.           283
1195 Daar is, Mevrouwe! een God, een hoogste, éen ongeboren,
Een vorst van de eeuwigheid, zelf d\'eeuwigheid, verkoren.
Oneindlijk, afgescheên van als in allen doch,
Beginslen-aanvang, en \'t eind van alle einden nog,
Der lichten schoonste licht, der wezens hoogste wezen,
1200 Der machten zuivre daad, der daden macht geprezen,
Oorzaak van allen ook, Alziender, Goedheids Zee,
Des levens Leven en het meer des Schoonheids mee;
Onoverwinnelijk, en sterrenvoogd bekwame,
Die zelf eenvormig vormt zoo veel gestalten t\' zame:
1205 Een zelve is \'t Eén en God: wie de eenheid loochent, ziet»
Maakt, Godloze atheïst! de Godheid gants tot niet.
In Gode de eenheid staat, de Satan tweeheid stichtet,
De groote weereld heeft éen zon maar, die haar lichtet,
De kleine maar éen ziel, en beids zij hebben éen
1210 Groot God, in wezen éen, in driè\'n onderscheên.
De leen, die wel gedeeld staan, dit gesticht gelaten,
Dit lijf vervuld met vree, met weêrliefde, en met maten,
Dees welgeschikte kerk, met rijkdom rijk begift,
Deze uitgegoten kunst, en mag niet zijn geschift
1215 Als met éen zin, en hij maar van éen Meester worden
Gedeeld, gelijk zijn werk éen Meester houdt in orden:
Want anders zou men, in slagordeningen zaan
Wel honderd-duizend zien malkandren randen aan.
Een burgerlijke krijg zou \'t aardrijk onderhouwen,
1220 En dees beroerden al zijn ondergang fluks brouwen.
Dewijl van eeuwigheid God is oneindlijk dan,
En in zich meer als een eindloosheid vaten kan,
Vermids de macht van d\'een geen mate stelt den andren,
Of eer zijn naam vernielt en wezen met malkandren.
1225 Wat houdt gij, Heidnen! dan, als in \'t gevangenhuis,
d\'Oneindlijke bemuurd ineen benaauwde kluis?
Of waarom sluit gij hem in eenen stronk verachtlijk?
Of waarom schilderdij d\'Onzienlijke onbedachtlijk?
En waarom offerdij den drie maal Hoogen meest
1230 Al t\'zamen vleeschelijke eer, daar hij is zuiver geest?"
— „Maar," zegt ze, „waarom dus, gestut door onze werken,
Bant gij de Onsterflijkheid in \'t binnenste eender kerken?
Besluit hem in een Ark, en beestlijker hem voedt
V. 1205. Dat er maar éen is en meer niet zijn kan, als een eenige God. —
1221. Dat deze eenige God is oneindelijk, eeuwig en onzicnelijk. — 1226. Ver-
blindheid der Heidenen.
— 1231. Antwoordeder Koninginne,vanSalomon-ifederletd.
1209. Kleine waereld, de mensch. — 1211. Gesticht gelaten, onder-
danig lichaam. — 1213. Kerk, de waereld. — 1217. Zaan, spoedig. —
Stronk, stuk hout. — 1233, 34. Dit slaat op de dierenoffers.
-ocr page 298-
284           DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON.
Met beestenvleesch, en niet met myrrhe en wierook zoet?"
1235 — „Dit Huis, zoo heilig als in schoonheid uitgenomen,
God," zegt hij, „niet besluit, maar wel de schaar der vromen
Die hem aanbidt, en eert, en wanen niet, och arm!
Dat dien, die de aarde neemt en Hemel in zijn erm,
Een kofferken vervaat, maar \'t bond van durige eeuwen,
1240 Het statige verbond, dat de afkomst der Hebreeuwen
Met God den Heer verbindt, de vrome aan \'s vromen zaad,
En aarde en Hemel met dees\' plaats verknopen gaat.
„Kortom, onze offerande, ons wasschingen, ons smoken
Is geen verzierde dienst, zoo dikmaal wordt gesproken.
1245 God is d\' instellen, die ons innerlijk gemoed
In d\' hoop zijns Zoons met al deze elementen voedt,
En zichtlijk ons hiermede aan d\' offer doet gedenken,
Die eens in Christus\' bloed zal onze zonden drenken.
Komt, komt, o Heere! dan, o, einder van de wet!
1250 Groot Koning, groot Profeet, Hoogpriester onbesmet!
Komt, drie maal Groote, komt! ons toevlucht, die wij wen-
Voorspreker, en rantsoen, en Rechter aller menschen! (schen,
Zoet slachtlam, sterke Leeuw, genezende Serpent!
Noodscheidsman tusschen ons en d\'Hemel in het end!
1255 Komt, komt, o Waarheid! wit, en bijstand, en verlangen
Van onzen offer! o, Messias! wilt aanvangen
In Sion te gebiên, en, in den geest ge-eerd,
Dees booze weereld in een gulde tijd verkeert!
Dees Koninginne aanveerd en wilt als d\' eerstling dulden
1260 Van \'sweerelds koningen, legt op u onze schulden
Zoo wél, dat wij, ontkleed van Adams kwaden aard,
Met d\'heilige Englen in den Hemel zijn verklaard!"
Zeer na naauwt de Vorstin, bezweken van verwondren,
En spreekt: „Heer Koning! steeds, in\'t vliegen en stijf don-
1265 De Faam al grooter wordt, en, snaterbek in schijn, (dren,
De deugden grooter maakt, als zij wel daadlijk zijn:
En de eedle geesten zijn gelijk de tafereelen,
Die wel gedaan in \'t oog met meer verwondren spelen
Van verre als van nabij: maar zoo veel als voorwaar
1270 Uwe eere elks kroon verdooft, blinkt uw deugd boven haar:
Uw lof oon weêrgaa nog uws leernens prijs behindert,
En \'t nijdige gerucht uws wijsheids roem vermindert."
V. 1243. Korte verklaring van ifware Godsdienst, voor en na de komst e Messi.c.
—   1263. I\'ervondehnge der Koninginne over Salomons ■wijsheid.
1244. Zoo dikmaal wordt gesproken, zoo als vaak gezegd wordt.
—   1246. Elementen, grondbeginselen. — 1263. Bijna bezwijmt. — 12(15.
In schijn, „de fait" — 1267. Tafereelen, „pourtraits".
-ocr page 299-
OP DE AANKOMSTE VAN DE KONINGINNE. 285
[Aan Jacobus I, den zoon van Maria Stuart.]
O, Schotsche Koning! \'t zelfde ik van u spreek lofzaam:
\'t Wijd dreunende gerucht van uw gevlerkte faam
De zee mij kruisen dede en, van de grens van Spanjen,
Bezoeken avontuurs de kust van uw Bretanjen.
5 Wat zag ik, och, maar och! wat zag ik niet, goê God!
O, waerelds wonderwerk! o Koning! uitgelot
Van d\' Hemel tot iets groots! o, roem van Vorstenhoven!
\'k Zag zoo veel, dat mijn ziel mijn oog niet kost gelooven:
Een grijze brein, die \'t hoofd eens jongelings beslaat,
10 Mars\' moedigheid, bedekt met vrouwelijk gelaat,
Een rijp verstand, een geest snel, wakker, en dierweerdig,
Een redeneering, die diepzinnig is en veerdig;
In éenen geest Virgiel en Cicero gestoofd,
En \'s Hemels gaven al gegoten in een hoofd.
15 Volherdt, o goed Monarch! wilt eere op eere laden,
En, effen als uw lof is minder als uw daden,
Maakt, dat uw voorzaat zij gevorderd door uw daan,
Dat uwe aanstaande daan verleen te boven gaan;
U-zelf beheerscht, en wijs, godvruchtig, vroom, ten lesten
20 \'t Eeuwig getuignis van mijn veerzen wilt bevesten!
EINDE.
OP DE AANKOMSTE VAN DE
KLINKERT.
El! ziet, wat schoonder Zon verlaat de Zuider palen,
Opheffende haar perruik, die op de Vorsten smaalt
Met steenen, daar natuur op \'t Goddelijkst mee praalt.
Wat ijver perst haar doch zoo wijd te loopen dwalen?
5 Hoe nu, is \'t om een peerl nog aan haar kroon te halen?
Ach! neen, de liefd die heeft haar eedle borst gewond,
Aan Jacobus. 3. Dus Bartas, als Gaskonjcr. Deze vaerzen veilgen bij Bartas
onmiddèlijk. — Klinken. 2, 3. \'t Hoofd opheffende, dat boven de Vorsten uit-
schittert met de cdelstecnen van haar godlijke natuurgaven.
-ocr page 300-
s86 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
Om smaken, hoe den dauw, uit \'s wijzen Konings mond
Veel liefelijker vloeit als honig in de dalen.
Een Vrouwe, een Koninginne, een Heidene, die komt
10 Beschamen onzen roem, hoe schoon die is verblomd:
\'t Licht van dees gouden lamp wischt, met zijn groote klaarheid,
Al onzen luister uit, vermids, wij zwaar gejokt,
Ons Christus\' wijsheid nooit zoo wijd heeft uitgelokt:
Dies derven wij het heil van de aangeboden waarheid.
10. Verblomd, met bloemen opgepronkt. — 12. Onder \'t juk (der wae-
reld) gebogen.
(gttfionW7"
f1620].
AAN DE OUDVADEREN, PRIESTEREN, KONINGEN,
PROFEETEN, EN HELDEN.
KLINKERT.
OUdvaadren, uit wiens stronk de stammen zijn gesproten:
Aartspriestren, die \'t altaar met vuur en vleesch be-
sloegt:
Gekroonde Koningen, die d\'heil\'ge scepters droegt:
Profeeten, die den volke hebt Gods geheim ontsloten,
5 En strijdbare Helden, die met schitterende degens
Den vijand \'t voorhoofd boodt, en randen Moab aan
En Ammons Ridderschap, en t\' huis keerde, overlaan,
Met bloedige trofeên, met zoo veel roofs en zegens:
Duldt, dat mijn Zangeres komt met haar herp verbreên,
lo Hoe gij geteeld, gesmookt, geheerscht, geleerd, gestreên,
En overwonnen hebt; duldt, dat ik mij vermake
En spiegel in uw deugd, en andren mededeil
Al \'tgeen de Geest beschreef tot nut van \'smenschen heil:
Opdat elkeen met mij in \'s Hemels liefde blake.
DOOR EEN IS \'T NU V0LDAEN.
XVIII. Andermaal een onderneming van den vromen en kunstlievenden Dirck
Pietersz. Pers, „Met kunstige beeldenissen", geteekend aoor Crispijn van den
Broek, gegraveerd door Joh. Sadeler.
-ocr page 301-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 287
DEN WIJZEN, GELEERDEN EN WELERVAREN HEER
JOHAN FONTEYN,
DER ARTSNIJEN DOCTOR, EN LIEFHEBBER VAN ALLE
GOEDE KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.
AL is het zoo, dat de mensche zich met recht bedroeven
moet, en schaamrood zijn aanzicht ter aarden slaan, wanneer
hij aanmerkt, hoe vele zwakheden hij in dit leven onder-
worpen is, zoo dat men met recht, voor zoo veel het lichaam
aangaat, alle onvernuftige dieren mag gelukkiger achten, en boven
hem stellen: nochtans aanziende, hoe God almachtig zoo veler-
hande zaden, wortelen, kruiden en andere dingen laat opwassen,
om zijn gebreken wech te nemen en zijn wonden te zalven, zoo
kan hij wederom moed scheppen, en zich billijk in zijn ellende
troosten, gemerkt hij nog raad voor zijne kwalen vindt. En
evenwel of de Nature jaarlijks zoo veel nutte spruiten uit haren
schoot en boezem te voorschijn brengt, zoo waar deze troost
nog ijdel, indien God de eeuwen niet doorgaands zegende met
kloeke en verstandige Genezers, die de ziekten kennen en on-
derscheiden, en de heilzame artsnije den kranken bekwamelijk
toepassen. De oude Heidenen hebben dit, hoewel niet in zijn
rechte mate, erkend, wanneer zij kerken bouwden, en als Goden
eerden den genen, die in deze hemelsche kunst uitmuntig en
den kwijnenden troostlijk waren: gelijk zij, onder andere, JEs-
<;ulapius als een God hebben aangeroepen, die zelf te Rome
zijnen tempel hadde, en van wie gezegd wordt, dat hij de bleeke
schimmen ter Hellen uit dede komen. Indien wij hedendaags
ook tot die blinde afgoderije geneigd waren, wij zouden lichte-
lijk mede in dat gebrek vervallen: want onze Eeuwe is zoo
ongelukkig niet, of wij zijn gezegend met uitnemende verstan-
den, die in deze Goddelijke wetenschap uitsteken; en zoo het
ons als den Grieken geoorloofd waar, de waarheid met ver-
zierde sprookskens te bewimpelen, en onder de schorse van
fedichte fabelen te verbergen, wij zouden mogen voortbrengen,
oe in Holland, omtrent den Amstel, een Fontein gevonden
wordt, die door hare springaderen zoo heilzame druppelen uit-
werpt, dat ontallijke kranken, die ze smaakten, haar verloren
gezondheid weder gevonden hebben.
Wat dit gezeid is, kan een ieder licht vaten, die den raad
gebruikt en de hulpe genoten heeft van uwe E., die deze lof-
rijke Stad een Fontein van heilzame artsnije verstrekt, en die
billijk moogt gerekend worden onder het getal van die genen,
•
-ocr page 302-
283 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
daar de geleerde Tomas Garzon af getuigt, „che per invidia de"
loro nomi da se stessi chiari e famosi, piu che non sono i raggi
di Febo a mezo giorno." Zoo dat wij, overwegende de ont-
vangen diensten en weldaden, ons licht aan uwe E. zouden
vergrijpen, ten ware dat wij God erkenden te wezen de eerste
oorzaak en borne, van dewelke alle goede gifte ende alle vol-
maakte gave is afdalende: die ook de sterflijke menschen als
werktuigen tot zijns naams eere bezigt. Waarom wij dan naast
de Alderhoogste met recht de zulke, om der kunsten wille, in
haar behoorlijke mate eeren, en in weerden houden. Hetwelk
mij ook veroorzaakt, deze mijn Helden Godes uwe E. op te
dragen: waartoe mijn Zangeresse gantsch geneigd is, overmids.
uwe E. de dichtkunst met een lieflijk gemoed omhelst, ook
somtijds uit lust oefent: zoo dat uwe E. zeer gevoegelijk eve-
naart met de voortreffelijke Erotimus, daar de hoogdravende Heer
Torquato Tasso, in het elfde gezang van zijn Gierusalemme
liberata, aldus [af] zingt [str. 10]:
En de oude Erotimus*) alreê van Padus\'f) vliet
Zich tot \'s gekwetsten troost met vlijt gebruiken liet:
Die van het heilzaam nat, van planten, en van kruiden
\'t Gebruik verstond, en wist elks krachten te beduiden,
En had de gunste nog der Muzen op zijn zij,
Doch met de minder eer vernoegd was van artsnij;
De kwijnende hij den Dood alleenlijk zocht te ontschaken,
En veler namen hij onsterfelijk kost maken.
Ontvangt dan, jonstige en konstige Fontein! zulks als ons
de Hcmelsche Fonteinader gejond heeft, en blijft zoo genegen
om de kranke lichamen op te helpen, als zij wel ernstig aan-
houden, om uwe hulpmiddelen te genieten, en leeft langer als
wij wenschen dorven.
t\' Amstelredam, den n. van Sprokelle 1620.
Uwe E. en A. dienstschuldige
I. V. Vondelen.
*) Fonteyn. — t) Amstel.
R. 1. Wier benijde namen, uit zich-zelf, glansrijker en glorierijker zijn dan
de Phcebus-stralen te middag.
-ocr page 303-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 289
Aan den opmerkenden en verstandigen
LEZER.
Ie, een kwaad voorschrift nabootsende, wat
goeds waant te maken, is verre verdoold. Een
goed leerling moet dan noodwendig op een
goed voorbeeld steroogen. Zoo gaat net in
menschelijke kunsten en wetenschappen: zoo
ook in heilige en Goddelijke oefeningen. Hier
zijn vooral goede voorgangers van noode, om
geen slimme gangen te gaan. De alderbeste en
veiligste zijn schriftuurlijke, en zulke die de Heilige Geest heeft
doorluchtig gemaakt: \'t welk zijn de Heiligen des Ouden en Nieu-
wen Verbonds. Die van \'t Oude Verbond brengen wij hier, als
op het Tooneel1), voor eerst te voorschijn. Geen ware Godge-
leerde zal ons hierom met donkere wijnbrouwen stuurs aanzien:
want wij doen effen het zelfde, dat de Godgeleerde schrijver
tot den Hebreen al over lange dede, als hij (aanmerkende, dat
al wat, voorhenen geschreven, ons tot leeringe nagelaten was)
de Vaderen des Ouden Verbonds optelde, en haar heerlijke
daden elk in \'t bijzonder den geloovigen Christenen op het
rijkste voor oogen schilderde, en, als een goed huisheere, niet
alleen nieuw, maar ook oud uit zijn trezoor voortbracht. Hier-
over was hij zoo weinig te berispen, als Christus, zijn Meester,
die hem op dusdanige wijze was voorgegaan. Wil men ons
voorwerpen, dat men de voorbeelden des Ouden en Nieuwen
Verbonds met onderscheid moet aanmerken: dat wij de Heiligen,
die voor en onder de Wet leefden, moeten navolgen alleen in
\'t gene, daarin zij ons als navolglijke voorbeelden zijn nage-
laten: zulks staan wij toe, en dit heeft ook de gedachte schrijver
omzichtig aangemerkt, als eener, die wel verstond, dat de wet
door Moses gegeven, maar genade en waarheid door Iesus
Christus geworden was: dat de wet de schaduwe van toeko-
mende goederen, en niet het beeld der dingen zelve behelsde.
Hier most gewisselijk op gepast zijn. Die dat niet dede, zoude
lichtelijk een mengelmoes van de Wet en het Euangelie maken,
en een verboden Mosaïsche, met een geoorloofde Christelijke
Godsdienst te zamen smelten.
Nu in Christus\' dood het voorhangsel des Tempels gescheurd
is, weten wij, dat de donkere schaduwen des Wets voor het
licht van de Éuangelische waarheid wijken moeten: dat de ver-
1) Merk op, dat Vondel overal het tooneel te-nig-vindt. — Reg. 7 v. o.
Gepast, gelet.
VONDEL I.                                                                                                       19
-ocr page 304-
2Po DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
gaderinge der geloovigen niet alleen te Ierusalem, maar aan
alle oorden der weereld heilige handen tot God mag opheffen.
Christus, des Wets einde, jont alle dingen een ander aangezicht.
In hem is het oude vergaan, en het is al nieuw geworden. Zie
ik den eersten aardschen Adam gevallen, ik gedenk aan den
anderen hemelschen, die door zijn volkomen en onbevlekte ge-
rechtigheid den gevallen mensche, volgends zijn gedane belofte,
wederom heeft opgerecht. Zie ik Abraham al bestorven het
mes trekken, om zijnen eenigen Isaac te offeren: mij schiet in
den zin, hoe God de Vader de weereld alzoo lief gehad heeft,
dat hij zijnen eenigen Zone gaf tot den smadelijken dood des
kruices, en ik verwonder mij beide over Gods vaderlijke liefde
tot het menschelijk geslacht, en Iesus\' kinderlijke gehoorzaam-
heid neffens zijnen Hemelschen Vader. Verneem ik, hoe Ioseph
in Egypten op den throon der eeren zit, om gedurende de ge-
zegende oogsten te voorzien tegen d\' aanstaande onvruchtbare
tijden: zoo word ik gedachtig, hoe Christus ter rechter hand
zijns Vaders zittende is verheerlijkt, en tot een hoofd der ge-
meenten gezalfd, om te waken over zijn strijdende Kerke. Leidt
de oude Wetgever, Moses, Israël uit Pharoos slavernije: Chris-
tus, de nieuwe Wetgever, voert zijn volk uit der zonden
dienstbaarheid en het geweld des Duivels. Gaat ASron in het
Alderheiligste wierooken: Christus, onze waarachtige Hooge-
priester, niet door bokken of kalveren, maar door zijn eigen
bloed, offert hem zelven zijnen Vader tot eenen zoeten reuk,
en verschijnt voor ons in den Hemel voor het aanschijn van
Gods onverdraaglijke Majesteit. Zoo de Israëlieten haar van
Iosua, Gedeon, Samson, en andere, als van hare Verlossers
roemen: wij beroemen ons van den Heiland aller menschen,
hetwelk Iesus Christus is. Keert David al bebloed en zegenrijk,
met roof overladen, van den slag der kinderen Ammon: Chris-
tus, onze geestelijke Koning, met het kruice overwonnen heb-
bende, vaart met veel heerlijker trofeën de poorten in van het
nieuwe Ierusalem, en wordt gewillekomd van veel duizend
maal duizend Engelen en Hemelsche Heerscharen. Verwonderen
haar de Israëlieten over Salomons wijsheid en heerlijkheid:
Christus, de wijsheid Gods, heeft schoonder luister, en zijn
Glorie en Majesteit verdonkert de eere van Davids nazaat. Heb-
ben de Joden veel Profeeten tot onderwijzers en leermeesters: wij
luisteren na eenen grooten Profeet en Leeraar, die ons van
den Vader uit de wolken bevolen wordt te hooren, en op
wiens brein de drie maal Heilige Geest, als een zuiver Duifken,
heeft gerust, doen zich den Hemel opende. Wederom vermaant
mij Abel tot oprechtigheid: Melchisedech tot rechtveerdigheid:
Loth tot gastvrijheid: Abraham en Isaac tot gehoorzaamheid:
-ocr page 305-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 291
Iacob tot oodmoed: Ioseph tot kuischheid: Moses tot zacht-
moedigheid en getrouwigheid: Iosua en Caleb tot standvastig-
heid: David tot vurigheid en dankbaarheid: Salomon tot god-
zaligheid: Micha tot vromigheid: Hiob tot geduld: Tobias tot
godvruchtigheid, &c. Hebben deze Goddelijke helden en Hemel
sche fakkelen ecnige deugden met malkanderen gemeen, gelijk
zij doen: zij zijn ook door d\' een of d\' ander deugd van den
anderen onderscheiden. Elk in \'t bizonder munt in ietwat bizon-
ders uit: gelijk kostelijke steenen, peerlen, en diamanten, die,
alhoewel ze te zamen dierbaar en van uitnemende weerde zijn,
nochtans ergends in, door zekere schoonheid, verwe, glans, of
maaksel onderscheiden worden, en gelijk de sterren in \'t voor-
hoofd des blinkenden hemels, die, schoon zij te gader licht en
helder zijn, nochtans in glans en klaarheid ook in grootheid
verschillen.
Hier hebdij de Vaderen, uit wiens lendenen zoo doorluchtige
stammen gesproten zijn, en die op de Goddelijke beloften ge-
steund hebben. Hier ziedij de Priesteren, die God na zijn
eeuwige wijsheid, als met zijn hand, gekleed en gecierd heeft.
Hier aanschouwdij de Helden, wien God zelf het mes heeft op
de zijde gegord, en die met haar vromigheid ons tot den gee-
stelijken strijd opwekken. Hier pronken de Koningen, die, met
balsem overstort, het haar met gulde kroonen dekten, en met
de rechter hand de bepeerelde Rijksstaven zwaaiden: en hier
hoordij de Profeeten, door wiens mond de Geest des Heeren
heeft getrompettet de komste van de beloofde Messias. Dit zijn
de Koningen, Priesteren, Heiligen, en Profeeten, die met ge-
rekten halze hebben uitgezien, en verlangd na den grooten
Zaligmaker des menschehjken geslachts. Dit zijn de lichtende
tortsen, die van het waarachtige licht getuigden, hetwelk ver-
lichten zoude al, die in de duisternisse en schaduwe des doods
zaten. Zij al te zamen verstrekken ons een groote wolke van
getuigen. Het Geloove draagt moed op deze overwinners, die
zoo gelukkig onder haar baniere gekampt hebben. De een is
om zijn Godbehagelijke offerande zijns broeders roof geworden,
en heeft, zijn bloed onnoozel en onschuldig uitstortende, den
Hemel de wrake bevolen. De ander heeft in een Godloze Stad,
onder een Godvergeten volk zoo met zijnen wandel gelicht,
dat hij alleen met zijn twee dochters weerdig is geacht Gods
vlammende toorne te ontgaan en van de Engelen uit den
brand gerukt te worden. De een heeft, God vertrouwende, een
gewillige ballingschap aangenomen, en zijn eenig weerdste pand
niet ontzien den Heere op te offeren. De ander, in zijn bloeyende
jeugd, wilde zich niet ontzuiveren met zijns Heeren beddege-
noot, al was het dat ze hem, met haar uitnemende schoonheid
!
-ocr page 306-
2$) 2 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
en smeekende woorden, daar toe vleide en aanlokte. De een
heeft een weeldig paleis en prachtig hof, en het goud van de
Egyptische kroonen en thronen versmaad, en zijn dagen pijne-
lijk in de woestijne met veel ongemaks onder een halsstarrig
volk gesleten. De ander heeft, als er veel duizenden wantrouw-
den, op Gods toegezeide beloften onwankelbaar gesteund, en
eer door het vertrouwen als door het zweerd machtige en ge-
weldige Koninkrijken veroverd, en Israël den buit van de ver-
bannen Heidenen uitgedeeld.
En zoo voortgaande van persoon tot persoon zouden wij ten
lesten blijven staan, als voor het voorhoofd geslagen, aanmer-
kende wat het geloove al in deze Helden gewrocht heeft. Maar
het zal ons genoeg zijn, dat wij eenige hebben aangeroerd, op-
dat de Lezer merke, wat nuttigheid het toebrengt, wanneer
men met aandacht overweegt het leven der Heiligen: hetwelk
als eenen stok is, zeer gedienstig den genen, die als pelgrims
na het nieuwe Ierusalem wandelen: een heilzame artsnije voor
alle flaauwigheid des gemoeds: eenen spiegel om der zielen
vlekken te kennen: eenen onfeilbaren wegwijzer in alle on-
wegen van des weerelds doolhof: eenen vermakelijken lusthof
voor den inwendigen mensch: een verkwikkende springende
borne voor heilgeerige herten: een schole voor de onervarene:
een licht voor alle blinden. Lijdt iemant onschuldig: hij trooste
zich met Abel. Waarschouwt iemant te vergeefs: hij gedenke
aan Noach. Woont iemant onder de godloze: hij lichte met
zijn leven, als Loth. Is iemant vreemdeling: hij verzel zich bij
Abraham. Wordt iemant van de geblankette Wellust aangelokt:
hij houde zich aan Iosephs schouderen. Verlaat iemant noode
dees aardsche glorie en vergankelijke schatten, hij lette op Moses\'
voorbeeld. Drukken u ellenden en rampspoên: zijt geduldig als
Hiob. Vervolgen u dienaars van afgoden en tyrannen: blijft
getrouw, als Daniel &c; ziet eens, hoe groote rijkdommen en
dierbare kleinodiën hier schuilen!
Opdat wij ons dan te beter zouden mogen spiegelen in het
leven van de uitstekendste schriftuurlijke Heiligen des Ouden
Verbonds, zoo hebben wij haar aller wandel kort in rijmen
begrepen, en ons zelven zoo vermakelijk als stichtelijk geoefend,
en om zulks te bekwamer voor te stellen, deden wij haar, als
of ze zelve leefden, spreken per prosopopteiam, of personeerings
wijze. Dat ze haar somtijds in een derde persoon laten hooren,
feschiedt om eenige aangename verandering bij te brengen.
,aat ons dit niet euvel afgenomen worden. Gebruiken wij ook
somtijds eenige geoorloofde dertelheid of poëetsche vrijheid:
rekent ons zulks niet tot zonde. Hetwelk geschiedende, Lezer,
-ocr page 307-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 293
en zoo wij vernemen, dat u onze geringe arbeid gevalt,
zullen veroorzaakt zijn, d\' een of d\' ander tijd, de
Helden des Nieuwen Verbonds aan den dag
te brengen. Vaart wel.
KLINKER T.
Ch! of\'t geoorloofd waar te dansen met de reyen
Der heWge zielen, die der hemellieden spoor
Navolgen en God lof toejuichen, in het choor
Des hoogen Hemels, wijd van droefheid afgescheyen:
5 Hoe zoü de Geest, van \'t lijf ontslagen, gaan
verbreyen
Des Alderhoogsten roem, en, met een heldre stem,
Hem zingen in de Kerk van \'t nieuw Ierusalem,
En volgen met zijn keel der Engelen schalmeyen:
Maar overmids ik hier, nog vremdeling, beneên
10 Moet zuchten, eer ik mag het Heiligdom betreên,
Dat onze Hoogpriester heeft geopend voor ons allen:
Zoo offer ik u, Heer! der gener wandel, die
Ik, in \'t gewijd pampier uws Geests, uitmunten zie:
Laaf U den leegen toon uws dichters doch gevallen!
Door een is \'t nu voldaen.
ADAM,
DER VADEREN VADER.
I Cor. 15.
Want gelijk zij alle door Adam sterven: alzoo zullen wij
alle door Christum levendig worden.
V Iet hier een klomp, gezield na \'s Hemels beeldenissen:
Die, om gehouwd te zijn, most fluks een ribbe missen:
Die, geeuwende uit den droom ontsprongen, d\'eerste dag
Zijns levens voor hem staan zijn hertslieve Eva zag.
5 Hij riep (doen schaamrood zij ontzag te komen nader):
„Mijn bruidtjen! treed vrij toe; wij twee zijn doch te gader
Een zelve vleesch en been. Manninne, zijdij daar?
Is \'t u te wil? zegt ja: zoo is ons houwlijk klaar."
„Ja, ja!" riep de eerste Maagd, „laat ons de bruiloft vieren,
Klinkert. 14. Leegen, lagen.
-ocr page 308-
294 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
10 En de Englen noón ter feest, de vooglen, en de dieren."
De Bruigom nam zijn bruid, den Schepper zong men prijs,
Men hield er open hof in \'t weeldig Paradijs.
Maar och! \'t en leed niet lang, \'t oud Slangevel bezeten
Bekoorde \'t jonge Wijf met zotte lust, om te eten
15 Van \'t korts verboden fruit, om toetsen goed en kwaad;
En Adam, onbedacht, volgt heilloos \'s vrouwen raad.
Daar lag een huis! — helaas! uit was \'t met al haar weelde,
Zoo fluks begeerlijkheid vernoegd de zonde teelde.
Men weefde er vijgeblaan, men school er onder \'t lof,
20 Doen God zijn donderstem liet hooren in den hof.
\'t Onsterflijk boomgroen meer hun haar niet mocht beschim-
De gaarde wierd bewaakt van een der Cherubimmen: (men:
Der Vaadren Bestevaar in zweet en ongemak
Most d\' akker ploegen, die met doornen van zich stak,
25 En \'s werelds Moeder, laas! met duizend smerten tevens
Haar kindren brengen voort in \'t bange licht des levens.
Het ongelukkig paar, in d\' oogst van zoo veel ween,
Vlood met \'t gemoed van de aarde, en bouwde d\' hope alleen
Op \'t heilig vrouwenzaad, dat haar en haar zaads smetten
30 Afwasschen zoude, en eens \'t Serpent den kop verpletten.
ABEL,
DE EERSTE MARTELAAR.
Heb. 11.
Door het geloove offerde Abel Gode een beter offerhande
als Caïn, door dewelke hij betuigd is rechtveerdig te zijn,
dewijle God over zijne gaven getuigenisse gegeven heeft:
ende door dit zelve spreekt hij nog, hoewel hij gestorven is.
(~\\Nnoozel was mijn hert, dies gretig ik beschudde
Voor \'sbijtwolfs achterkies mijn makke, onnoosle kudde,
Terwijle Kaïnbroêr omwroete met den ploeg
Zijn akker, die hem nooit betaalde pachts genoeg.
5 En wetende, dat ik verplicht was lof te geven
Hem, die mijn vliezen t gras dede aan de ribben kleven,
Ik Kaïn voorhiel of, als ik mijn lamren-dracht,
Hij d\'eerstlingen zijns oogsts ook te offren was bedacht?
Ik had gehoor; wij twee eenmoedig ons verspraken,
10 En deên ons giften op een tweeling-heuvel blaken.
Mijn vuur golfde hemelwaart, zoo dede ook \'s offers smook,
Adam. 21. Beschimmen, beschaduwen. — 23. Bestevaar, grootvader.
— Abel. 6. Vliezen, schapen. — 9. Germanistiesch: beloofden elkander
eensgezind.
-ocr page 309-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 295
Maar hem bedekte een wolk van neergeslagen rook.
Waarom, van gramschaps brand in \'t aangezicht ontsteken,
Hij met een stuursch gelaat schiet van mi), zonder spreken.
15 Ik zuchte, ik was begaan, en van veel weenens nat,
Om dat ik \'s Broeders haat op mij geladen had.
Ik bracht hem een geschenk van lamren zonder smetten,
Op hope om zijnen wrok en piek wat te verzetten;
Dan ach! \'t was al vergeefs. Een wijle tijds geleên
20 Hij mij gemoete op \'t veld, geliet hem wel te vreên;
Hij bracht me, ik volgde hem op een onbetreên passagiè\',
Benoorden sloegen wij in \'t droefst\' van een bosschagië,
Die van de vooglen nooit gegroet was noch bekend,
En daar tot nog toe nooit kwam mensch noch vee ontrent.
25 Hij, op zijn luim, als hij zijn tanden had doen knersen,
Een groote keisteen greep, en blixemde mijn hersen
Met zeenwen uitgerekt: ik sneuvelde en ik viel,
En zoo ik mij nog repte, hij, met zijn slinker hiel,
Den krop mij worgde toe; daar lag ik zonder sprake,
30 Het bloed ten monde uit vlood, dat d\' Hemel liet de wrake
Van d\' eerste broedermoord bevolen. Mijnen geest,
Ontschakeld van het lijf, was de eerste, die ter feest
In \'t choor der zielen kwam, en daar, in grooter weerden,
Den broedermoorder hier liet balling op der eerden.
SETH,
DE GODVRUCHTIGE.
Gen. 5
Seth was honderd-en-vijf jaar oud, en genereerde Enos,
en leefde daar na achthonderd-en-zeven jaar, en ge-
nereerde zonen en dochteren, dat zijn gantsche ouder-
dom werd negenhonderd-en-twaalf jaar, en sterf.
TWtIJn moeder vond haar ziel doorregen met een sabel
Van droefheid, als zij rook, hoe deerlijk haren Abel
Had Kaïns haat bezuurd. „O!" riep ze, „dat valt zwaar,
Te hebben opgezoogd een broedermoordenaar!
5 Ach, Abel! Abel, ach! wat is u wedervaren?
Wat droom ik al van moord met opgesteken haren!
Had God dan met een eed verzworen en ontzeid,
Te nemen in zijn scherm uw zoete onnoozelheid ?
Gaat hij, in \'s vromen nood, zoo licht zijn aanschijn wenden,
Abel. 18. Piek, afkeer. — 20. Geliet hem, toonde zich. — 22. Droefst,
somberst. — Seth. 2. Rook, gewaar werd. — 3. Bezuurd had, opge-
broken was.
-ocr page 310-
296 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
10 Dat hij zoo snoode schelm zoo heil\'gen ziel laat schenden?
Heeft Abel dan om zunst hem dagelijks gerookt,
En al de rotsen hierontrent haar kruin verschrookt?
Of was hij achteloos te knielen en te buigen?
Neen, d\' heilige assche, alszins verwaaid, kan nog getuigen
15 Van zijn Godsdienstigheid; en of hij is vermoord,
D\' een klippe zegget steeds aan zijnen nabuur voort." &c.
Dus klaagde de arme vrouw, tot dat verstreken waren,
En zij bereiken mocht een eeuwe en dartig jaren:
Doen knikte haar d\' Hemel toe, die, in zoo bange n nood,
20 Haar zwangerde, dat zij mij teelde uit haren schoot:
„Nu hebbe ik," sprak ze, „nog naar wensche een vrucht ver-
Die wekken zal hetgeen met Abel was gestorven; (worven,
Een zoon, die, vroom en goed, het goed van \'t kwade schift,
En Kaïns boosheid zij een rechte tegengift;
25 Een zoon, wiens vroomheid zal bekeeren de alderboosten,
En \'s moeders hert, gemat van droefheid, eindlijk troosten."
ENOCH,
DIE \'T GRAF VERSMADE.
Eccles. 44.
Enoch behaagde den Heere wel, en is wechgenomen, op-
dat hij der weereld een vermaninge ter boete ware.
JWriJn meester Seth \'t gezet des Hemels op mij ente,
En Gods geheimwet in mijns herten tafel prente.
En goot mij in \'t gemoed een Goddelijken reuk,
En perste mij, zoo dat mijn ziel van jongs een kreuk
5 Behield van vreeze Gods, die zoo heeft toegenomen,
Dat mijne wandel strekte een spore d\' andre vromen:
Die, weinig in getal, schier wierden afgemat
Van Kaïns boosheid, die het heilig zaad vertrad.
Ik, speurende hoe hij gaf Godvruchtigheid ten roove,
10 Met Seth oprechten hielp den standaart van \'t geloove,
Met ongel en laauw bloed des altaars plat beslaan,
En met gebeên omhoog na \'t sterrenwelf opgaan.
Van waar de drie maal groote en heil\'ge God der Goden,
Mij ziende groeyen in veel deugden ongeboden,
15 En hoe mijn lijf mijn ziel strekte een gewijde kerk, —
Dat veel te zuiver achte, om dekken met een zerk,
Dat veel te weerdig schatte, om van de dood verbolgen
Seth. 11. Gerookt, geofferd. — 12. Verschrookt, verschroeid. — 14.
Alszins, naar alle zijden. — Enoch. 1. Gezet, wet.
-ocr page 311-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 297
Te zijn verbeten en van \'skerkhofs keel verzwolgen.
Waarom ter aarden hij een vuur\'ge wolke boog,
20 Waarin hij mij, als in een koets, ten Hemel toog:
Van waar het sterflijk volk gejond wordt nog van verren
t\' Aanzien mijn oogen, niet meer oogen, maar twee sterren,
Twee sterren, daar ik mede aanschouwe \'t schoon aanschijn,
\'t Schoon aanschijn Gods met opgeschovene gordijn;
25 Gordijn, die hindert, dat de sterfelijke menschen
Niet zien hetgeen ik zie, met eindeloze wenschen.
O licht! o dag! o schoon! o doel! o weelde! o vreugd!
Wanneer zal u de rest der heil\'gen zien verheugd?
O mann\', zon, spel, bloem, troost! wanneer in\'s Hemels stoelen,
30 Zal u elk smaken, zien, aanhooren, ruiken, voelen? —
N O A C H,
d\' oudste schipper.
Heb. 11.
Door het geloove Noè\' van God vermaand, van het gene
dat men nog niet en zag, vreesde, ende maakte de Arke
tot zijns huisgezins behoudinge: door dewelke hij de
weereld oordeelde, ende is der gerechtigheid, die na
den geloove is, erfgenaam geworden.
TJ Oe \'t menschelijk geslacht meer wies, meer wies de boosheid:
De weereld wierd een poel vol stanks en goddeloosheid.
De Jonffren snoerden op met goud hun gouden haar,
En timmerden haar pruik met transen wonderbaar:
5 Haar halzen, blank als sneeuw, zij preuts en opgeblazen
Omkransten, mars op mars, met krauwels portefrazen:
Haar roó fluweele keurs sleepte als een achterswans:
Haar lendenen omgorde een ronde toren-trans.
Zoo gingen zij op \'t goud van haar ermboeyen snurken,
10 En zooitjes geborduurd, al krakende van \'t kurken,
En pronkten, dag op dag, als poppen toegemaakt,
Zoo lang der Heil\'gen jeugd wierd met haar min geblaakt,
Gevangen en verlokt. Help God! ik zag \'t te voren,
Wat wierd uit \'s weerelds echt een godloos zaad geboren,
15 Veel snooder noch als \'t eerste! Ik predikte, maar laas!
Zij sloegen \'t in de wind; zij riepen: „Arme dwaas!
Gaat razen naar uw ark, zoo zuldij niet bedruipen
Van \'spekels overloop, als wij te hoop verzuipen."
Men dronk, men klonk er steeds, men hieldet al voor boert.
Noach. Vermaand, onderricht. — 6. Mars op mars, kragen, bij de
mars van een schip vergeleken. — Krauwels portefrazen, kraagkarkas
eig.: gekromde kraagdragers. — 12. Zoo lang (tot dat).
-ocr page 312-
298 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
20 Ter tijd, in mijn gesticht, van alles wat zich roert
Ik huisde paar bij paar, en die van mijnen zade
En aan mijn zaad verknoopt, ik mee te vluchten rade.
Den Hemel stelde fluks zijn sluizen op altoos,
Tot ik der bergen kruin uit mijn gezicht verloos.
25 Den naam des Heeren wij geherbergd hier aanriepen,
Tot, \'s Hemels toorn gekoeld, de stroomen weer verliepen,
En \'t groote Galioen, ontslagen van het nat,
Zijn bodem stiet en strandde op \'t hoofd van Ararat,
Daar leegrende tot dat, van boven aangesproken,
30 Wij op \'t bemost altaar deên onzen offer smoken,
Die d\' Hemel zoo geviel, dat hij, met heilige eên
Zwoer, met geen Zendvloed meer het aardrijk te vertreên;
En, tot verzeegling ons te hoen van zulk verderven,
Hij in de wolken spande een boog van duizend verven.
MELCHISEDECH,
DE KONINKLIJKE PRIESTER.
Heb. 7.
Deze Melchisedech was Koning van Salem ende des alder-
hoogsten Gods Priester, dewelke Abraham te gemoet
ging, als hij weerkeerde van den slag der Koningen,
en zegende hem.
"VW\'Ie dat mijn vader was en moeder, ik verholen
In donkre nachten laat \'t geheimenis bevolen:
Doch roemen derf ik wel, dat Salem voor gewis
Mij danken mag, dat zij een stad geworden is:
5 Doen ik de kruinen eerst wist van deze heil\'ge rotsen
Fraai op te tooyen en met steen-werk op te botsen,
Doen ik deze heuvlen huwde en gorde met een muur,
Opdat voor \'t uith^emsch staal en \'t eislijk oorloogs-vuur
Mijn burcht mocht zeker zijn en \'t arme volk in vreden
10 Zijn dorpels onder mij gerust en veil betreden.
Maar of \'t u vreemd scheen, dat ik kroon en mijter voer
Op mijnen schedel, dien nooit vlijm noch scheermes schoer,
Ik andwoord: dat God zelf, van zijn gewelfde woning,
Mij tot zijn Priester zalfde en kroonde tot een Koning.
15 Mijn heiligheid oon vlek d\'aanstaanden Priestren laat
Vri) dienen tot een lamp in haar gewijde staat.
De Goden, die-het haar met goud en peerlen eeren,
Laat vrij rechtveerdigheid van mijnen scepter leeren.
Nooit hebbe ik op \'t altaar gevuurd met valsche schijn:
Noach. 32. Zendvlqed, van sindvluot, algeineene vloed.
-ocr page 313-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 299
20 Nooit kreukte ik iemants recht, maar gaf een ieder \'t zijn.
En uit dit vroom gemoed ik brande na d\' oprechten:
Waarom, zoo haast ik hoorde hoe Abram met zijn knechten,
In boersche onordening, den dwingelanden van
\'t Groot Syriën trof aan, en overviel bij Dan,
25 Met brood en wijn verzorgd ik hem en Loth ging tegen,
Uitbreyende over haar mijn priesterlijken zegen.
Wie met zijn ooge in mijn aandachtig aanschijn speelt,
Ziet, hoe Melchisedech zoo levendig afbeeldt
Een hooger Priester, wiens beginsel Goddelijker
30 Bereiken niemant mag met een veerziende kijker:
Een Koning, die ontving een schoonder diadem,
En zijnen throon beschaauwt in \'t nieuw Ierusalem.
LOTH,
HET ZOUT VAN SODOMA.
Sap. 10.
De wijsheid verloste den rechtveerdige, doen de godloze
omkwamen, doen hij vlood voor het vuur, dat op de
vijf steden viel.
f~\\ Loth! wat strenger lot was \'t u, zoo wijd te zwerven,
^En van uw vaderland den hemel te gaan derven?
Doch God verzag uw schaa, doen als een rijke zee
Ging golven over \'t groen het witgewolde vee,
5 Zoo dat haast neve en oom, door \'t krimpen van de weiden
En d\' aanwas van haar kudd\', de nood beval te scheiden.
Ik sloeg, samt mijn gezin, te Sodoma mij neer,
Maar \'t oorloog velde dra op onze muur zijn speer:
Zoo dat geplonderd ik wierd wechgevoerd door bosschen
10 En hagen, daar op \'t slag mijn Oom mij kwam verlossen.
Met vreugde vond ik weer de dorpel van mijn huis,
Daar, aangevochten van een goddeloos gespuis,
Ik met mijn wandel lichte, en daar twee jongelingen
Wij in de schaduw\' van ons gastvrij dak ontvingen;
15 Twee gasten, die, gedaald van \'t Hemelsche gebouw,
Verblinden \'t geil geboefte als \'t haar misbruiken wou.
Ik neigde kniên en hoofd voor de afgedaalde Goden;
Zij zeiden: „Maakt u op, fluks op! \'t is tijd, gevloden
\'t Van God verbannen volk, en uit d\'aanstaande brand!"
20 Zij leiden mij, mijn helft, en dochters metter hand.
Mijn egaa, met gemoed noch met haar lichaam vlugge,
Melchisedech. ai. Ik brande na de oprechten, ik de oprechten beminde.
— 3a. Zijnen throon beschaauwt, Melchisedechs throon in de schaduw
stelt. — Loth. 7. Samt, samen met.
-ocr page 314-
3oo DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
Omziende, een zout-pilaar bleef achter onze rugge,
Den neven tot een baak: en zoo fluks steen en land
Den Hemel met zijn toorts van sulfer stak aan brand.
25 Ik, met mijn deernen, in de schaduw der spelonken
Bleef veilig op \'t gebergt, beschermd van vlamme en vonken.
De maagden (^treurig, dat, de volken omgebracht,
Wierd met zijn val gedreigd het menschelijk geslacht)
Raadslaagden, en met drank haar ouden vader toefden,
30 Tot ze uit de winkelhaak verstand en zinnen schroefden.
Ik wierd terstond gewaar een heimelijke vlam,
Die zoo lang blaakte, dat ik beide haar maagdom nam.
\'t Is wonder, wat de ziel des wijnstoks al kan brouwen!
Volgt dit kwaad voorbeeld niet, maar wilt dees baken schouwen.
ABRAHAM,
DER GELOOVIGEN VADER.
Heb. 11.
Door het geloove heeft Abraham, als hij verzocht werd,
Isaac geofferd, en hij, die de belofte ontvangen hadde,
heeft zijnen eenig geboren zone geofferd.
70o iemant meten wil mijn heilige voetstappen,
Dat hij zijn oogen weide in al mijn ballingschappen:
Dat hij aanmerk, hoe ik om vree mijn broeder wijk,
Hoe trouw ik hem ontboei, mijn huis gehoorzaam ijk.
5 Dat hem ter herten ga, hoe gastvrij ik mij drage
En d\' Englen leger in de schaduw van mijn hage:
Met wat meêdoogen ik ophoude Sodoms roe:
Met welk een vast geloove ik leg mij zelven toe
Te zwangren Sara, met een eenige eerstgeboren:
10 Met wat gelatenheid ik, in mijn egaas toren,
Mijn Hagar geef \'t gelei samt haren Ismaël.
Doch al dees\' zwarigheên zijn niet dan kinderspel
Ten aanzien van die storm, doen, hard van alle zijden,
Het scheepken mijns geloofs schip-breking scheen te lijden;
15 Als met dees donderstem God zijnen Abram vindt,
En spreekt: „Gaat, offert mij uw eenig troetel-kind!"
Dat was een wonde in \'t hert na zoo veel herde slagen:
Ik geef te denken, hoe \'t een vader al kost dragen.
Help God! wat ging er doen een tij van tegenspoed,
Loth. 30. Tot dat \'t met v. e. z. uit den haak raakte. — 34. Schou-
wen, aanschouwen. — Abraham. 4. IJk, met het teeken des verbonds: zie
Gen. XVII. — 7. Ophoude Sodoms roê, \'s Meeren gramme straffe van
Sodom tracht af te wenden.
-ocr page 315-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 301
20 Hoe worstelde \'t geloove en \'t vaderlijk gemoed,
Als ik op d\' heil\'ge klip, van droefheid schier verslonden,
Beide ermen kruiswijs van mijn Isack had gebonden,
En trok, in God getroost, den sabel uit, beraan
Om van die zoetebol \'t hoofd van den buik te slaan.
25 Gewislijk, hadde er niet een Engel toegeschoten,
En mijnen erm verlet, de steenrotse ik begoten
Zoude hebben met dat bloed, waarin Gods goedigheid
Mij zijnen zegen had beloofd en toegezeid.
Maar vraagdij, wat mijn hoop nog voede in zulke nooden:
30 Het leven, dacht ik, kan verwekken licht den dooden,
En die een klomp bezielde, hem, die voor \'t altaar viel,
Inblazen wederom een levendige ziel.
Gi), vromen, dat\'s u voor! standvastig allegader
Dit voetspoor houdt, en volgt mij, aller heil\'gen Vader!
ISAAC,
DE BELOOFDE.
Heb. 11.
Door het geloove van dingen, die komen zouden, zegende
Isaac zijne zonen Iacob en Esau.
7O0 dra ik kwam in \'t licht, de vroêvrouw zal \'t getuigen
En \'t vrouwenbuurschap, hoe men zag mijn moeder jui-
chen:
„O!" riep ze, „geeft dat schaap te kussen aan zijn vaar;
Dat langverwachte lot, mijn bhjschap, is \'t eens daar?
5 O, reikt dat popken hier!" maar had ze in haarder zielen
Geheimplaatse eens gedroomd, dat ik voor \'t mes zou knielen,
Dat in mijns vaders schee wierd van de roest geknaagd,
Die inval had terstond haar vrolijkheid verjaagd.
Hoewel den Hemel liet de zaak zoo wijd niet komen,
10 Dat mij van \'t lichaam wierd het jeugdig hoofd genomen.
Rebecca was mijn lot, die God zoo heerlijk schiep.
En namaals zoo gerust in Isacs ermen sliep,
Tot dat gelukkig wij uit haren schoot ontvingen
Een zegeninge van twee tweeling-jongelingen.
15 Ons blijdschap waar volmaakt geweest in eender dracht,
Had Esau Iacob in goedaardigheid geslacht.
O ruigen Esau! die om \'t moes uw recht verkwiste,
En dan uit rouwkoop weer met uwen broeder twiste;
\'t Was wel besteed aan u, dat Iacob henenging
20 En eigende, door list, van \'s vaders zegening
\'t Merg en de vette room. Wat nepen ons al zorgen,
-ocr page 316-
3o2 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
Dat in uw gramschap gij uw broeder mocht verworgen,
Zoo gij gezworen hadt. Was \'t niet een herd geschil,
Dat Iacob balling wierd alleen om uwent wil?
25 Wat wrochtij hertenleed in \'t herte van uwe oudren!
Wat pak van droefheid gij niet lade op hare schoudren!
Doen gij verslingerd aan de dochters hingt van Heth,
Die \'t hoofd u bliezen vol, wanneer gij waart te bed.
Doch lof zij Zebaoth, die binnen onzen leven
30 Ons Iacob tot een troost hadde in de schoot gegeven:
In wie ik Isacs zaad zoo vruchtbaar zie gesteld,
Dat wie de vonken aan \'t gestemde welfsel telt,
Die met gezwinde keer ons over \'t hoofd gaan gloeyen,
De zonen telt, die uit de stronk van Abram bloeyen!
IACOB,
DE WORSTELAAR.
Gen. 32.
Gij en zult niet meer Iacob heeten, maar Israël; want gij
hebt met God en met menschen gekampt, ende hebt
boven gelegen.
"W\'Oor broeder Esaus wrokgewaarschouwd van mijn moeder,
Ik zweefde in ballingschap bij Laban, haren broeder.
Mijn oom ik wilkom was: Ik dreef zijn plechtig vee
Om Rachels schoonheid, die veel blanker was als snee,
5 Veel schoonder als de zon, veel frisscher als den douwe,
In \'t oog haars minnaars, die vergat al zijnen rouwe
Als hij ontmoeten mocht zijn handgaauwe herderin
Die vaken met hem joeg de geitkens uit en in.
Maar als, na \'t slaven, ik omhelsde mijnen zegen,
10 Ik Lea leep aanzag, die heimlijk had gelegen
Bij Rachels bruidegom: dus diende ik wederom
Vier jaar en drie, om mijn verkoren eigendom.
Als ik gezegend nu nam voor mij te vertrekken,
Mij Laban ophiel, mids dat mijnen loon zou strekken
15 Het bont gesprenkeld vee, daar ik terstond met list
Rechtveerdelijken in mijn baat te woekren wist:
Waarom, als ik mijn oom zag in \'t gelaat ontsteken,
Ik op \'t geleide Gods mijn leger op ging breken,
En week het aangezicht mijns schoonvaars, die wel haast
20 Al hijgende, ter vlucht, mij vinden kwam verbaasd.
Wij raakten in verdrag na \'t onderling krakeelen:
Iacob. 3. Schatplichtig. — 7. Handgaauwe, handig. — 10. Lea leep,
de leep-oogige Lea.
-ocr page 317-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 303
Hij zegende ons, ik ging hem Iacobs God bevelen,
En spoede mijnen tocht, en worstelde zoo trotsch
Met d\' Engel op de weg, dat hij den zegen Gods
25 Most spreken over mij. Niet lang hierna, wij spoorden,
Dat Esau op ons komst\' zijn heir stelde in slagoorden,
En schrikten zoo hij kwam op onzen leger aan.
Ik zocht met diepe oodmoed zijn gramschap t\' ondergaan,
En won zijn herte, en zag haast Isack, de stok-oude,
30 Die mij betaste, maar van blindheid niet aanschouwde.
Hij sleet gelijk een kleed van oudheid, tot ik droef,
Met Esau, in het graf zijn dor gebeente groef.
Hoe namaals ik mijn ziel om Iosephs ziel ging kwellen,
En zegende mijn zaad, mag Ioseph u vertellen.
IOSEPH,
DER JONGELINGEN SPIEGEL.
Heb. 11.
Door het geloove melde Ioseph, als hij sterf, van den
uitgang der kinderen Israëls, ende gebood van zijne
gebeenten.
TK hadde in \'s vaders hert de voorplaatse ingenomen:
Mijn broedren zulks verdroot; \'t geheim van mijne droomen
Haar gramschap feller sleep. Waarom, als ik gegaan
Op \'t veld kwam, riepen zij: „Daar komt de droomer aan,
5 Dat geldt hem zijnen kraag, zoo derf hij niet meer zuigen
Uit zijnen duim, dat wij, elf sterren, voor hem buigen:
Sla dood die jonge wulp!" maar Ruben, nog bedut,
Te weeg bracht, dat ze in \'t hol mij lieten van een put.
Hier dook ik, tot ze mij goed koop verzeekren gingen
10 Den Ismalieten, voor vier maal vijf zilverlingen,
Te Memfis omgeveild zoo ras niet, ik gold meer.
Doen Pharoos kamerling wierd mijnen tweeden heer
Mijn dienstbaarheid hem bracht een vloed van zegen inne.
Ter tijd op Iosephs jeugd wierp de oogen van haar minne,
15 In \'t afzijn van zijn Heer, de bruid van Potifar,
Die op haar bed-spon blonk gelijk de morgenstarr\',
Recht of God keuren wou, wat deugd al t\' mijnent thuis leid\':
Maar zij behiel mijn kleed, en ik behiel mijn kuischheid.
Als \'t aangebrande wijf mijns mantels slippen greep,
20 En door valsche aanklacht mij in \'s kerkers ijzers neep,
God op mijn onschuld zag van zijn gestemde woning:
Iacob. 25. Spoorden, bespeurden. — 28. Ondergaan, ontduiken. —
Ioseph. 5. Kraag, lials. — 7. Bedut, nadenkende. — 11. [Of] Ik gold meer.
-ocr page 318-
3o4 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
Dies ik, droomkundig, voor het aanzicht van den Koning,
Gaf op zijn droomen den monarch bericht van als,
Die rood van goud mij wierp een keten om den hals,
25 En om d\' hoofdslapen mij den purpren tulband drukte,
Zoo dat Egypten \'t hoofd voor mijn genade bukte,
Als zeven oogsten ik had \'t overschot gespaard
Om d\' honger te verzaan (van honger, \'t scherpe zwaard
Dat al de wereld vlood\') en onder andre zielen
30 Mijn reisbre broedren deê voor mij op \'t marmer knielen,
Dat van mijn zetel droeg de trappen: daar ik blij
Mij hun te kennen gaf, en zij erkenden mij:
Daar ik mijn vader wenkte, en d\' oude troostelozen
Omhelsde, en gaf te leen de vruchtbaarheid van Gozen.
MOSES,
DE WETGEVER.
Heb. 11.
Door het geloove weigerde Moses, als hij groot gewor-
den was, een zone der dochter Pharao genaamd te zijn:
verkiezende liever met Gods volk kwaad te lijden, dan
tijdlijke nuttigheid der zonden te gebruiken.
OEdenkt eens, in wat pers dat Moyses\' oudren waren,
^Als mij de bittre nood te wiegen gaf den baren;
En weder, wat een vreugde opdaagde in hare ziel,
Doen veil ik in de schoot van \'s Konings dochter viel:
5 Die mij te baakren gaf aan JufFren en Vorstinnen,
En aan mijn koestren lei te kost haar schrandre zinnen:
Dan \'t was verloren moeit\': zulks toonde ik haar wel plat,
Doen Pharoos diadem ik met de voeten trad,
Gelijk ik namaals dede en eenzaam ging beschudden
10 Bij Horeb, met mijn mak, mijn afgedwaalde kudden,
Tot dat mij God verscheen in vlamme, op wiens gelei
Ik Iacobs slavernij den Vorst des Nijls ontzet:
Die dreef eerlang in \'t meer, met al zijn pracht verzonken,
Als te veel hovaards hij en pekels had gedronken.
15 Doch Die ons leidstarr\' bleef, die \'t hiertoe had gebrocht,
Die \'t water tapte uit steen en \'t mann\' biek in de locht,
Die Amalek verdempte, en, eislijk en vervaarlijk,
Ons gaf van Sinaï zijn wetten wonderbaarlijk;
Maar \'t achteloze volk dreef met zijn Naam den spot,
Moses. 4. Veil, veilig. — 7. Plat, ronduit. — 10. Mak, herdersstaf. —
16, 17. Die, nam. Hij. — 16. Biek, bakte.
-ocr page 319-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 305
20 Als \'t juichte om \'t snoode goud van een gegoten God.
Ik ijverde om haar heil, en waakte al steeds in \'t midden
Van haar en God, of ik haar plagen mocht verbidden.
Wat koste \'t mij al zweets! wat drukte mij een kruis,
Eer God mijn trouwe toetste in \'t twalefstammig Huis:
25 Eer God mijn uitvaart vierde op \'t Hemels-hoog gesteente
Door d\' Englen, die den Droes ontzeiden mijn gebeente,
Daar hij mee spoken wou in Israël voor mom,
Om God t\' ontvremden zijn verkoren eigendom.
Ik sliep in \'t graf, ter tijd ik vrolijk, met Èlias,
30 Verzelde op Thabors pruik den Hemelschen Messias,
Wien ik had voorgelicht, en ik nu kennen kon
Als ik opklaren zag zijns aanzichts gulde zon,
Die namaals zoo mismaakt aan \'t hout droop tusschen d\' ermen,
Dat zich een steenen hert daar over most erbermen.
AARON,
DER PRIESTEREN ZONNE.
Eccles. 45.
Hij heeft Aaron, zijnen broeder, uit denzelven geslachte
Levi ook verhoogd, ende hem gelijk uitverkoren; hij
maakte een eeuwig verbond met hem; ende gaf hem
het Priesterdom in den volke.
"T^Oorziet me vrij, ik ben de Phoenix der Levieten,
Voor wien, als voor een God, opruimen d\' Isra\'lieten.
Van mijn gebalsemd hoofd de balsemreuk afstuift,
Mijn haar met zalve is en in fijne zij\' gehuifd,
5 Waarop de mijter blaauwt, daar braaf vergulde spitsen
Om juichen van een kroon, wiens goud als scherpe flitsen
Zijn straaltjens drilt en spuit. Recht in mijn ster vooraan
Gaat \'s Heeren heiligheid in \'t goud haar leger slaan:
Die, als een zonne, veel te helder van vermogen,
10 En bliksemstraal met vuur d\'omstandren vliegt in d\'oogen,
De mantel, die gestikt én voor én achter hangt,
Een spiegelende glans van \'s borstschilds glans ontvangt,
\'t Gesteente speelt in \'t goud: het goud kleeft aan de zijde:
De zijde aan d\' Efod hecht, die moedig op \'t gesmijde
15 Den lijfrok dekt, wiens zoom, met bellen en granaat,
Het lijnen onderkleed mij voor de schenen slaat.
Maar op mijn boezem staart nog eens, daar kunstige handen
Moses. 29. Ter tijd, toen. — 30. Pruik, begroeiden bergtop. — Aaron.
2. Opruimer, uit den weg gaan. — 7, 8. \'s Heeren heiligheid legert zich
in mijn gouden voorhoofdstuk. — 14. Efod, Hoogepriestersborststuk.
vondel I.
20
-ocr page 320-
3o6 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
Zoo kunstrijk doen in goud die flonkerkolen branden.
Daar Iuda, Napthali, Gad, Ruben, Zebulon,
20 Dan, Asser, Benjamin, met Levi, Simeon,
En Iosef, Isaschar in \'t vierkant met haar vlammen
De oogappels scheemren doen van Iacobs twalef stammen.
Wie ziet zich zat, die ziet hoe Goddelijk ik brom,
Als ik dus \'t wierook blaak in \'t heilig heiligdom?
25 Wanneer mijn borstgesteent\' met d\' aangesteken lampen
En d\' heiige golven van \'t heet altaar schijnt te schampen?
Als \'t eenmaal bij geval aanschouwde een onbesneên,
Hij droomde een God te zien omgloried hierbeneên.
Was \'t dan wat wonders, dat uit d\' hovaard zijner zielen
30 Jeloers eer Korah ophief tegen mij zijn hielen?
Als d\' afgrond hem verzwolg, om dat geen ander zon
Ooit eklipseeren mocht den glans van Aaron,
Als deze Hoogpriester, die, na \'s lichaams offer, veilig
Zijn voetzool zett\'e in \'t choor van \'s Hemels welfsel heilig:
35 Daar hij, in \'s Drieheids naam, een zoeter vuur aanstak,
Voltooyende al hetgeen, wat aan mijn ambt ontbrak.
PHINEAS,
DE PRIESTERLIJKE HELD.
E cel es. 45.
Phineas, de zone van Eleasar, was de derde in zulke eere:
die ijverde in de vreeze Gods: ende doen het volk af-
viel, stond hij trouwelijk vast en koen, en verzoende
Israël.
T")At Gods Pest-Engel ging in Israël vernielen,
En aarslinge oversmeet zoo menig duizend zielen,
Die met een geile vlam ontsteken waren knap,
Doen \'t puikjen op haar loeg van Moabs Jonkvrouwschap,
5 Dat haar gekluisterd hiel met minne als eigen slaven,
Zoo dat ze haar boelschap \'t lijf, haar ziel den afgod gaven,
Van \'t huis van Simeon niet schrikken deê de Vorst,
Wien knaagde onkuischheids worm als kanker in de borst.
Wat doet de onkuische, die, gewaarschouwd, blijft veel steger?
10 Met Casbi gaat hij treên door \'t twalefstammig leger,
In spijt van Moyses en de stammen, die, bedut,
ASron. 23. Brom, praal. — 26. Schampen, ze beschimpt, overschittert.
— 33. Als deze Hoogpriester, behalve Christus. — Phineas. 1—6. Dat
dat alles gebeurde deed den Vorst van \'t Huis van Simeon niet schrikken. —
2. Aarslinge oversmeet, achterover wierp. — 3. Knap, plotsling. — 9.
Steger, koppiger. — 11. Red ut, verbaasd, versuft.
-ocr page 321-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 307
Uitgoten tranen voor de deur van \'s Heeren hut,
En vindt de tente, wiens verhemelt men uitspande,
Om veiliger te zijn in \'t plegen van die schande.
15 Ik zag \'t, en al vol vuurs en razende bijkans,
Naar \'t hoerekuf ik schoot, gewapend met een lans,
En spitt\'e pol en snol, door lever, longe en darmen,
Dat z\' hartsteek bleven dood met haar gevlochten ermen;
Zoo storf met haar de plage, en onzer vaadren God
20 Mijn ijver trooste met het heerlijk Priesterlot,
Dat namaals ongefeild zou d\' Hemel voor mij loten.
Zoo haast nu was den tocht op Midian besloten,
Ik Veldheer \'t heir aanvoerde, en onverziens op \'t lijf
Den vijand viel, en motste haar Vorsten alle vijf.
25 Daar ging het plondren aan: elk paste wat te raken:
En steen èn sloten wij tot molm en puin afbraken,
En veegden stad en land van menschen en van vee,
Dat heuvel, berg, en dal te bersten scheen van \'t wee,
Als wij, met roof verlaan, gewrongen van den bloede,
30 Weerkeerden, en bedaard nog wraak met koelen moede
Afeischten, \'t overschot, den maagden uitgezeid,
Wien nooit gerept was haar gewijde zuiverheid.
Zoo vindt de gramschap Gods haar, die, na \'s herten wenschen,
Met afgoön boelen en met overgeven menschen.
CALEB,
DE STANDVASTIGE.
Eccles. 46.
De Heere behield Caleb bij lijfs krachten, tot in zijn
ouderdom, dat hij optoog op het gebergte in het land,
ende zijn zaad bezat het erve.
w
Ie wil de vettigheid van Iacobs erfpacht vaten,
D\' inzoete vijgen-koor, de dronkene granaten,
En bezien, die rijp schier bersten uit haar vel,
Terwijl die keizer-tros, die zwangre muskadel,
5 Den palmen handboom buigt, die dus lange onderwegen
De schoudren drukte van twee mannen half verlegen?"
Zoo riep ik tot het volk, als wij \'t beloofde land
Doorsnuffeld hadden, heel van d\' een aan d\' ander kant;
Maar och! wat holpet? als tien van mijn medemakkers
Phineas. 12. Hut, tabernakel. — 16. Kuf, kot. — 24. Motste, molde
(eigenl. vcrmorselde). — 29. Gewrongen, doortrokken. — 31. Uit gezeild,
uitgezonderd. — 34. Overgeven, verdorven. — Caleb. 2. Koor, keur.—
Dronken, saprijk. — 5. Handboom, draagboom.
-ocr page 322-
3o8 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
10 Weêrblaften: „Dwaasheid is \'t; vergaapt u aan geen akkers,
Aan hof noch wijnberg, daar u Caleb mee verdooft
En Iosua, dien \'t brein los rammelt in het hoofd.
Onwinbaar is dat land: zijn vestingen uitmunten;
De sterren draayen op der toornen stompe punten.
15 Dat niemant na zijn room noch honig ommezie.
Dat volk van Enak draagt de schinkels in de knie:
Zijn eigen burgren gaat dat ijzren rijk vernielen."
O God! wat rees er een tempeest in Isacs zielen
Door dit gerucht! gevaar van schipbreuk \'t leger liep:
20 Ons leidsliê zweken schier: mijn kleed ik scheurde, en riep:
„Wat? mannen! zijt getroost, God zal een uitkomst\' vinden,
Wij willen haar, als brood, op staande voet verslinden:
Iehova strijdt voor ons; zij vechten zonder helm."
„Neen!" kreten zij, „sla dood! sla dood die looze schelm!"
25 Op stervens oever ik gewislijk waar gekomen,
Had \'s Heeren heerlijkheid die uur met waargenomen,
Die, vlammende in zijn toorne en ijver, zwoer oprecht,
Dat niemant \'t heil zou zien, als Caleb, zijnen knecht:
Die \'t namaals zag, als hem te lote is toegevallen
30 Het land, dat Hebron vrijdt in \'t ronde met zijn wallen.
Als zijnen ouderdom in kracht was als zijn jeugd,
En aan zijn zaad hij zag zijns herten weelde en vreugd.
IOSUA,
DE LEIDSMAN.
Eccles. 46.
Jesus Nave was een held in den strijd, ende een profeet
na Moses, die daar groote overwinninge hadde voor de
uitverkorene Gods, als zijn name mede brengt, ende
wreekte ze aan de vijanden, van de welke zij aange-
grepen werden, opdat Israël zijn erve krege.
("} P de aankomst\' van mijn heir, liet af van \'t strand te schuren
De zwalpende Iordaan, die, als twee glazen muren,
Haar golven metselde op, en bouwde een wandelpand,
Voor lsr\'el ruim genoeg, die wederzijds den wand
5 Met peerlen brommen zag, met schelpen, en met hoornen,
Welk orgelden in \'t oor van \'s Hemels uitverkoornen,
En zongen enkel lof, terwijlen Levi sterk
Met zijne schoudren stutt\'e en ophiel \'s Heeren Ark,
Caleb. 14. Zoo hoog schijnen de torens. — 16. Schinkels, beenderen. —
18. Isacs zielen, Izaaks nakroost. — 30. Vrijdt, tot vrijplaats maakt. —
32. Jesus.
-ocr page 323-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 309
Tot dat de stammen met haar droge zolen rusten
10 Op \'t oever lang gewenscht, dat zij van bhjschap kusten.
Ik zag de reuzen ons haar hielen laten zien,
En \'t hert ontvallen, en het stellen op een vliên,
En dekken gaan, zoo fluks zij \'t leger krielen zagen,
Dat over \'t water nog geen schipbrugge had geslagen:
15 Daarop ik Iericho terstond den vrede ontzei,
En met der Priestren hoorne en Isacs veldgeschrei
De muren omtrok, die geweldiglijken vielen,
En kwetsten met haar val zoo menig duizend zielen,
Doen \'t hongerige staal nooit spieren zoeter vond,
20 En \'t onuitleschlijk vuur in alle daken stond.
Wat mocht er voor ons staan? De Zon vergat te dalen
Als zij de zon zag van onze overwinning stralen,
Bleekverwig en verbaasd; en bleek de bleeke Maan
Zag den Eclipsis vast der Cananieten aan,
25 Der Koningen, die, lang van veel triumfen dronken,
In \'t ijzer sneuvelden, en kropen in spelonken.
Wat groeide mij mijn hert, wat laden ik een spek,
Als ik er drie maal tien en éen hadde op den nek
En op de borst getreên, zoo lange tot ze borsten,
30 En omgedeeld het leen van zoo veel rijke Vorsten!
Mijn eere had mij verrukt, hadde ik van verr\' niet na
Mij volgen zien dien Held, dien grooten Iosua,
Die met een stijver erm \'serivijands brein zou scherven,
En voor zijn heilig volk een beter rijk verwerven.
GEDEON,
DE HELD.
Iudic. 6.
Hem verscheen den Engel des Heeren, ende sprak tot
hem: de Heere met u, gij strijdbaar held!
Vers. 14. Gaat henen in deze uwe kracht: gij zult Israël
verlossen uit der Midianieten handen: ziet, ik hebbe u
gezonden.
T~)E smaad, waarmee tot nog Manasse was bejegend,
Om dat zijn broeder rijk was boven hem gezegend,
Ik Efraïm toeschoof: doen elk, van angst en schrik,
Voor \'t zweerd van Midian vlood in \'t gebergte, en ik
5 Den degen gorde op zij, na dat wij, aangesproken
Iosua. 13. Dekken, heengaan. — 16. Isac, als meermalen voor Israël. —
ai. Wat kon er tegen ons bestand zijn? — 27. Wat laden ik een spek»
wat deed het mij goed.
-ocr page 324-
3io DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
Van d\' Engel, hadden \'s nachts \'t hoog altaar afgebroken,
Dat Baal \'t hoofd ophiel: en na dat ons zijn trouw
Den Hemel zwoer op \'t Vlies, nu nat, nu zonder dauw:
Die (om betoonen, dat den palm in \'t bloedig vechten
10 Alleen niet wordt gehaald met menigte van knechten,
Noch met een heirkracht, dat, braveerende te stout,
Met koper en met staal, met zilver en met goud
Zijn vijand d\' oogen kwetst, als of des oorloogs zegen
Alleen in \'t harnas ware en niet in \'t hert gelegen
15 En d\' onverschrokken moed, die, heimelijk gezield
Van God, niet aarslen kan, maar voorvoets t al vernielt
Wat opstaat tegen hem) geeft oorlof te vertrekken,
Die \'t water met haar tong niet als een hond oplekken.
Nog trooste mij \'t geloove, al was \'t schoon, dat ik van
20 \'t Gantsch leger maar behiel tien malen dertig man:
Al was \'t schoon, dat ik zag, dat \'t heirkracht der vijanden
Lag voor mij, als het zand aan d\' aangevochten stranden,
Nog kwamen wij bij nacht recht op haar aangezet.
De kruiken scherfden wij, en staken de trompet
25 En blaakten met de toorts: dies der Midianieten
Zweerd op haar eigen borst van leer ging, door \'t verschieten.
Zij stelden \'t op een vliên, verbaasd door \'t veldgeschrei,
En lieten, afgejaagd, haar Vorsten alle bet
Gevangen zonder ziel: en, zoo zij weer haar krachten
30 En \'t overrompeld volk te zamelen bedachten,
Ik optoog Oostwaards aan; daar vloden zij te spaa,
Als Sebah bleef gevaan en Koning Zalmuna.
Dies Iacob dankbaar mij aanbood \'s lands heerschappije;
Doch ik behiel den roof, en liet God de voogdije.
SAMSON,
DE STERKE.
Iud. 14.
Doen kwam hem een jonge brullende leeuw tegen, ende
de geest des Heeren werd veerdig over hem, en hij
verscheurde hem gelijk als men een boksken van mal-
kanderen scheurt, ende en hadde doch gantsch niet in
zijner hand.
TK was een Nazir Gods, mijn lokken waren t\' edel
Om scheiren; dies nooit scheir barbierde mijnen schedel.
Gedeon. 8. \'t Vlies, dat nat beduuwd een onderpand voor Gideon van
Gods volmacht was. \'t Is ook een symbool van Mariaas Maagdelijkheid. —
26. Verschieten, schrikken. — Samson. 1. Nazir, Nazireër, verloofde. —
2. Scheir, schaar.
-ocr page 325-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 311
Mijn kracht, die siddren deê een heirkracht wonderbaar,
Tot haren broeinest had geheiligd mijn dik haar.
5 Met dees twee ermen ik, als leeuw, den leeuw deê trillen,
En splitste hem zijnen muil tot aan zijn achterbillen.
Waar was de sterkheid van de sterke, die men zag
Zoo onlangs, als het beest dus in twee riemen lag?
Als op mijn feest ik van mijn troetel was verraden,
10 Ik boete mijn verlies met drie maal tien gewaden,
Die ik den Filistijn geplonderd had van \'t lijf,
Als ik \'er op haar rug ter neer lei zes maal vijf.
\'t Boeleeren van mijn helft stond dier, in Samsons toren,
Den vijand, als hij joeg de vossen in het koren,
15 Met vuurwerk in de swans, gekoppeld vast en stijf:
Wat rees de markt in tarwe, in wijndruif, in olijf!
Doch Lehi, uit om wraak, vergeefs kwam tot mij juichen,
Als hij met kennep mijn vermogen dacht te buigen,
Als veerdig mijnen geest die vlassen strikken brak,
20 En groet\' er duizend met eens ezels kinnebak:
Die mij een bornsprong strekte, als, om wat te verfresschen,
Ik mijn versmachten dorst met \'t versche nat ging lesschen.
Zoo op mijn boelschap ik te Gaza was versnot,
Men het klinket vergeefs sloot met het grendel-slot.
25 Wij rezen \'s middernachts, opdat wij ons verlosten,
En kruiden in \'t gebergt\' de poorte en d\' ijsre posten.
Maar namaals stond mij dier, mijn nieuw getrouwde bruid,
Die, tot mijn schaa, zoo lang was op haar lagen uit,
Tot dat, mijn pan ontbloot, ik bloot stond van vermogen
30 Als d\' onbesneên vergramd \'t licht uitbluschte in mijn oogen,
En boeide mij, tot dat, mijn kuif volgroeid bijkans,
Hij vierde Dagons feeste, en pakte trans aan trans
Met menschen, die, in plaats van Samsons kunst t\' ervaren,
Met hem versmachten door \'t verwrikken der pilaren.
35 „Een ander Samson kwam verlossen, sterk en fel,
Het menschelijk geslacht van Duivel, Dood, en Hel."
SAMUEL,
DE PROFEETISCHE RECHTER.
E cel e. 46.
Samuè\'1, de Profeet des Heeren, van zijnen God geliefd,
richtede een Koninkrijk aan, en zalfde Vorsten over
zijn volk.
Samson. 9. Troetel, Hel\'. — 13. Stond dier, kwam duur te staan. —
16. Toren, toorn. — 17. Lehi, de Filistijnen, die te Leclii gelegerd waren.
—  21. Bornsprong, fontein. — Samson. 23. Versnot, smoorlijk verliefd.
—  29. Pan, hersenpan. — 30. Onbesneên, Filistijn.
-ocr page 326-
3i2 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
A Ls Hanna leven droeg, en ik allengs, bij drupplen,
Gezield wierd in haar ziel, en korts bestond te hupplen
In \'s moeders lieven buik en \'t zwangere ingewand,
Daar ik gebeeldet was van Gods almogende hand:
5 „O!" riep ze, „die mij heeft gezwangerd met verblijden,
Dien wil ik \'s lichaams vrucht met lijf en ziel toewijden,
En zal die zoetebol (\'t vergulsel van zijn haar)
Verzweren eeuwiglijk het vlijm-mes en den schaar."
Gelijk ze namaals dede, als ik, zoo mild in \'t bloeyen,
10 Aanving in vreeze Gods meer als in \'t vleesch te groeyen
Met een profeetiesch vuur mijn brein Iehova stooft,
En toont mij, wat een roê staat Ely boven \'t hoofd.
De stammen drie maal vier, op mijn verbod, haar schamen
Den dienst van Astaroth en Baalim te zamen.
15 Mijn offren en gebeên Abraham zeegnen, dat
De Filistijn hem viert van Ebron aan tot Gath.
Maar wee mijn ouderdom! doen bei mijn zonen bogen
Des vromen pleit, om \'t goud, dat flonkerde in haar oogen:
Een oorzaak, dat eerlang \'t geslacht van Israël
20 Om eenen Koning woede, en muite zoo rebel:
Tot dat ik \'t zaad van Kis, onwillig, harenthalven,
Zijn needrig brein, ter nood ging heiligen en zalven.
Ontzichbaar ieder-een toeblonk zijn majesteit,
Ter tijd hem d\' Hemel wraakte, om de ongehoorzaamheid
25 Betoond, doen na \'t gerecht hij \'t vee en Agag spaarde,
Wiens kruin te Gilgal ik ontzei met mijnen zwaarde.
O, Saül! \'t was om sunst, dat gij, gemattet af
Door wanhoop, namaals mij gingt wekken uit het graf:
Als gij \'t gespook mijns geests koost tot uw onderwijzer,
30 En \'s andren daags uw borst de proef nam van uw ijzer,
Wierdt beudel uwes zelfs, na zoo veel hoons en smaads,
En ruimde David op de koninklijke plaats:
Nadat ik hem voorlangs zijn haren had bedropen,
Doen God u sloot zijn gunste, en \'t rijk stond voor hem open.
DAVID,
DE KONINKLIJKE PROFEET.
Eccles. 47.
David was onder den kinderen Israëls uitverkoren, gelijk
als het vette aan den offer Gode toegeëigend was.
Sainiiel 7—8. En zal, bij ccde, dien zoetebol (zijn gouden haar namelijk)
het gebruik van mes en schaar ontzeggen. — 17. Bogen, verdraaiden. —
22. Ter nood, in de nood. — 23. Onzichtbaar, ontzaglijk. — 26. Ont-
zet, af hieuw. — 31. Beu del, beul.
-ocr page 327-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 313
TK was nog herder, als, beweegd van \'sDrieheids vinger,
Mijn kogel was een steen, en mijn pistool een slinger,
Waarmede ik Goliath, die \'t dwergjen hiel voor nar,
Smeet plompverloren neer, doen \'t bloed sprong uit zijn star:
5 Dies ik gewilkomd wierd met pijpen en schalmeyen
Van Saül, die mij kwam toejuichen met zijn reyen,
Zoo ik het potshoofd droeg versteken van de romp,
Die spertelde al om sunst als hem zijn hovaard kromp.
Maar och! wat holp \'t mij, als de Koning, in der hitten
10 Zijns toorns, in plaats van dank, mij aan \'t tapijt wou spitten.
Mijn vroomheid evenwel zoo lang dede haar beklag,
Tot dat ik, bruidegom, in Michals ermen lag.
Nog dreef mij zijnen wrok, dat ik, met zure stappen,
Ontweek mijn schoonvaar in benaauwde ballingschappen.
15 Koud was hij, wie mij hoofde: ik doch ontzei \'t geweer
Den wraak, als ik greep \'t kleed, den kroes, en\'svijandsspeer,
En liet mijn goede zaak bevolen \'s Hemels throne,
Tot dat de lijf knecht mij bood \'s doón vervolgers kroone:
Dies Iuda mij bedroop met \'s balsems heilig vet,
20 En lsr\'el ander maal, zoo fluks als Isbosetn
Zijn leste doodstuip kreeg. Na ging zich David kwijten
Aan \'s Heeren Ark, die hij beschaauwde met tapijten:
Maar \'s Konings ijver wierd te schendig uitgebluscht,
Als hij \'t koraal had van Urias bruid gekust.
25 Mijn boet, die vlekke afwiesch. Mijn daden zal ik zwijgen,
Vermids \'sGeests heil\'ge blaan bebloed zijn van mijn krijgen:
Daar \'t vuur stuift van mijn staal in \'t slaan van d\' onbesneên,
En smoelen in haar assche en bloed de doode steen:
Daar Absalon te droef gaat sluiten zijn historie,
30 Als hem mist ondersteek te doen zijns vaders glorie:
Daar van drie roeden ik, gedrukt, éen kiezen ga,
Om dat ik wik mijn kracht van Dan tot Berseba.
Wie meer begeert van hem, wiens graf nog groent van palmen,
Die luister, hoe zijn herp wekt d\' echo van zijn psalmen,
35 Daar David offren gaat zijn rijke diadem
Den Koning van het oude en \'t nieuw\' Ierusalem.
SALOMON,
DE WIJSHEID.
Eccles. 47.
O, hoe wel leerdet gij in uwer jeugd, en waart vol ver-
David. 4. Star, voorhoofd. — 7. Potslioofd, plompen kop. — 10. Aan
\'t tapijt spitten aan den wand spietsen. — 15. Dood (om koud). — 24.
Koraal, lippen. — 28. Smoelen, smeulen. — 30. Als hij er niet in si;
zijns vaders glorie afbreuk te doen.
-ocr page 328-
3H DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
stands, gelijk als het water het land bedekt, en hebt
het alom met uwe spreuken en leeringen vervuld!
A/l IJn haargesternt\', met goud en puik van diamanten,
Bekoorde Adonia, die tegen mij ging kanten
Zijn overschaduwd bedrog, en na mijn kroone stak,
Nu een, nu ander werf; maar laas! hij viel te zwak,
5 Al waar zijn hals van goud. Ik, zonder om te kijken,
Mijn leen verzeekren ging mijn zaad met houwelijken,
En plukte uit Pharoos hof die overkijkerblom,
Die in mijn ermen viel te Sion willekom.
De feest gevierd, ik God te Gibeon ging offren,
10 Daar hij mij bood den keur van vier voltooide Joffren.
De Wijsheid kipte ik uit: hij schonk me ook d\' ander drij:
Dus bleef mij Wijsheid, Eer, Gezondheid, Rijkdom bij.
Mijn wijsheid blonk in \'t pleit, als \'t kind, nog niet in stukken,
De ware moeder \'t hert kwam uit haar boezem rukken:
15 In d\'heil\'ge Tempelbouw: in \'t brommen van mijn hof:
In \'t wijen van Gods kerk: in d\' uitgeborsten lof,
Die voor mijn aangezicht, oon Salomon te smeeken,
De schrandre Koningin kwam honigzoet uitspreken:
In \'t blad vol majesteit, dat ik mijn nazaat lang
20 (Daar ik een leeger speel), een hooge, een englenzang.
De glorie wierd benijd mijns Godheids ongeschonnen,
Die mijn paleizen propte, als Hemelen, vol zonnen.
Gezondheid voede mij met een zoo sterke reuk,
Dat aan mijn voorhoofd nooit zag d\' ouderdom een kreuk.
25 Mijns Rijkdoms Alchimie deê, dat gantsch Palestijnen
Blonk, als een Hemelrijk, vol bliksems en robijnen.
Het zilver was als lood, \'t Opiriesch goud als tin,
De peerle als keizelsteen; maar och! de valsche min,
Die troetel-Venus met haar lodderketelingen,
30 Was oorzaak, dat wij ons en God vergeten gingen,
En bogen onzen nek voor \'t juk van haar geboön,
Die vleyende ons betrok te dienen vremde Goón,
Zoo lang tot d\' Hemel zag, met \'t aanzicht vol misnoegen,
\'t Beeld in ons uitgewischt, dat wij van Christus droegen.
Salomon. 1. Gestemd, met sterren gekroond. — 3. Bewimpeld. — 6.
Mijn zaad, 3e nv. --7. Puikbloem. Zie bl. 249, r. 32. — 17. Smeeken,
vleyen. — 10. Lang, toereik. — 20. Leeger, lager. Volgends Van Lennep,
zou „leeger" op de Spreuken, „hooge" op \'t Hooglied, „englenzang" op
Davids psalmen slaan. — 25. Men verhaalt, dat Salomon zou verstaan hebben
goud te maken.
-ocr page 329-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 315
ELIAS,
d\' opgenomene.
Eccles. 48.
De Profeet Elias brak voort gelijk als een vier, en zijn
woord brande als een lakkei.
T")En Hemel, als ik sprak, ontzeide \'t aardrijk regen:
Dies aan de beke Crith ik wachte \'sHeeren zegen:
Daar \'t zilver van de vliet mij strekte lafenis,
En van twee raven steeds verzorgd wierd mijnen disch.
5 Als \'t vocht was opgedroogd, mijn spoor na Zarpath strekte,
Alwaar een heil\'ge weêuw haar jongste tafel dekte:
Doch haar barmhertigheid, die mi) geherbergd had,
Nooit meel noch olie faalde, in kruike noch in kad;
En als zijn doodsnik gaf de zoon van mijn weerdinne,
10 Op mijn verzoek hem God van nieuws blies \'t leven inne.
De Priestren Baals ik verwon met d\' hulpe Gods,
Doen \'t vuur om \'t altaar spookte op Carmels hooge rots,
Daar mijn gebed opsteeg en der Samaritanen
Aamachtigheid versloeg met lang gewenschte tranen.
15 Nog week ik Iesabel, als mij, in hongersnood,
Bracht d\' Engel Gods een flessche en Hemels wittebrood,
Waarmee mijn hert vertroost een dagvaart kost verdragen
Van nachten vier maal tien en effen zoo veel dagen,
Tot dat ik d\' heuvel Gods genaakte, en zag een vonk
20 Van \'s Heeren heerlijkheid op \'t ruim voor mijn spelonk,
Daar mij Iehova streng te last legt, zijnenthalven,
Hazaël en Iehu tot Koningen te zalven,
Elisa tot Profeet. Na zag ik Naboths druk,
Den vloek van Iesabel, en Achabs ongeluk.
25 Ahasia vernam van mij, door zijne boden,
Dat hij Baalzebub vergeefs smeekte in \'s doods nooden:
Zijn hoofdliê, die hij zond om mij te grijpen stuur,
Ik blaakte tot twee maal met eislijk Hemels vuur,
De derde ik in genade ontving, en zag verbolgen,
30 Hoe \'t hof eerlange in rouw \'t gebalsemd lijk zou volgen.
Niet lang na dezen God mij in een koetse opnam,
Wiens peerden schuimden vuur, wiens wielen waren vlam:
En zag van boven af den anderen Elias,
En namaals op \'t gebergt\' de klaarheid van Messias.
Elias. 8. Kad, vat. — 14, 15. Den dorst der X stammen versloeg, door
den regen.
-ocr page 330-
3i6 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
ELISEUS,
ELIAs\' NAVOLGER.
Eccles. 48.
Doen Elias in het onweder wech was, doen kwam zijnen
geest rijkelijk op Eliseum: te zijner tijd verschrak hij
voor geen Vorsten, en niemant kost hem overwinnen.
"NTA dat mijn meester, die beschaduwd had mijn haren,
Was met zijn zegekoets ten Hemel ingevaren,
Zijn geest ruste op mijn brein tweevoudig: met zijn kleed,
Dat hem ontviel, \'s Iordaans kwikzilver ik doorsneed.
5 \'t Nat wij te Iericho met heilzaam kracht vervulden.
Twee beeren ongetemd, die dol van honger brulden,
Wraak namen van den smaad, die mij was aangedaan
Voor Bethel, eer ik kwam ter poorten ingegaan.
Edom, met Iosaphat, en \'t hoofd der Isra\'lieten
10 Verkondige ik \'t verderf en val der Moabieten.
De weduwe ik ontzet, die zat verschuld te zwaar:
En zie, dat mijn weerdin haar zoon kust binnen \'t jaar,
Dien namaals ik verwekte, als, zijn gezicht gebroken,
De dood zijn lichten met zijn schelen had geloken.
15 De bittre kompost ik verzoete, als \'t jonge rot
Roept: „Help! o help, man Gods! de dood is in de pot!"
De gerst ik zegen, die de struismage in gaat slokken,
Verzadig tien maal tien, die walgen van de brokken.
De veldheer, die melaatsch mijn onderwijs nam aan,
20 Ging krank, en liet gezond de zwalpende Iordaan.
Gehazi gierigheid erft Namans kwale ellendig,
\'t Gezonken ijzer ik maak driftig te behendig.
De lagen der Syriêrs ondekke ik, die daar na
Geblindhokt zijn verdoold mids in Samaria.
25 Samariën, omringd met wagenen en rossen,
Vertrooste ik eer haar d\' erm des Heeren kwam verlossen.
Ik wake om mijn weerdin, die \'shongers knaagworm vlood:
En boodschap Benhadad zijn leven en zijn dood.
Mijn knaap den Iehu zalft tot hoofd van Iacobs stammen,
30 Die Achabs huis uitveegt door \'t Goddelijk vergrammen.
Op stervens oever nu, van krankheid mat en traag,
Ik Ioas \'t hert verblij met d\' aanstaande onderlaag
Van Assur: en verscheen ik nog verwek den genen,
Die in mijn grafstee, dood, slechts roert mijn doode beenen.
Eliseus. 13. Verwekte, opwekte van den dood. — 15. 2 Kon. IV, 39.
— 22. Driftig, drijvend. Te, zeer.
-ocr page 331-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 317
MICH^EAS,
DE VERTOONDER.
3 Reg. 22.
Zoo waarachtig als de Heere leeft, ik wil spreken wat mi)
de Heere zeggen zal.
A Ls \'t heir van Iosaphat, en Achab met zijn knechten,
In \'t harnas blonken nu, om Ramoth te bevechten,
Riep \'t rot van Iesabels profeeten: „\'t Zal wel gaan,
O helden! trekt vrij op, Iehova zal ze slaan!"
5 Mijn raad hiertoe gebeên, ik riep: „Leg af uw wapen,
\'t Heir Israè\'ls ik zie, als herderloze schapen,
Verstrooyen op \'t gebergte, en overrompeld vliên:
Gij, Koningen! ontwaakt; uw zienders niet en zien:
Een schalke leugengeest juicht op haar bedeltongen,
io En smeekt uw onderlaag en broeit zijn leugenjongen!"
Ik eindig naauwlijks, of de Koning, vol van spijt,
Mij volslags met zijn vuist op \'t kinnebakken smijt.
„Hoe!" roept hij, „heeft met ons niet \'s Drieheids Geest ge-
sproken ?
Hebt gij \'t geheim alleen des Heeren dan geroken?"
15 Mijn onschuld grijpt geen plaats. Zij scheuren mijnen rok,
En kluisteren verwoed mijn scheenen in den stok.
De legers gaan te velde, en vinden op de beenen
Den vijand toegerust, veel vroeger als zij meenen.
Hij wijkt hun niet een voet: zoo wrokken zij te gaar.
20 De Filistijn geherd neemt kloek zijn voordeel waar,
Rent op haar vleugels aan, en ketelt zich in \'t moorden,
En breekt van wederzijds de kracht van haar slagoorden.
Een ruiter lost zijn peze, en, eer men toeziet, schier
Hij, tusschen \'t hangsel en het koninklijk pantsier,
25 Den Koning Achab groet, die voelende \'s doods vlagen
Den aftocht blaast te spade, en opgeeft in de wagen
Zijn ziele, met het bloed dat \'t gulden harnas smet
En \'t zammet van de koets; die wierd eerlang genet
Van troeteljuffren, van jachthonden en van brakken,
30 Die d\' edelheid versmaan en \'t bloed gestolkt insnakken,
Daar \'t Iezabel betreurt, die in haar tralie ligt,
En met rouwsluyers bergt haar rouwig aangezicht,
Beklaagt haar bedgenoot, en Micha voor een vrije
Kent, nu de fakkel klaar licht van zijn profecije.
Michaias. 12. Smijt, slaat. — 16. Stok, straftuig. — 23. Schier, schie-
lijk. — 28. Genet, vrijgemaakt. — 29. Troeteljuffren, lichtekooyen. —
3i. Tralie, getralied venster. — 33. Voor een vrije kent, als vrij erkent.
-ocr page 332-
3i8 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
IONAS,
DE BOETPRED1KER.
Matth. 12.
Gelijk Ionas was in de buik des walvisch drie dagen en
drie nachten, alzoo zal de Zone des menschen wezen
in het herte der aarden, drie dagen en drie nachten.
70o ik de Alomheid vlood, die alszins uitgegoten,
Als in zijn ingewand de wereld draagt besloten,
En Iapho t\' ooge ontschool en viel als in een flaauwt\',
Na dat het lang in zee hadde in \'t verschiet geblaauwd:
5 De brand van \'s Hemels toorn de pekel fluks deê zwillen,
Dat zelf den stuurman \'t herte in \'t lijf bestond te schrillen,
En angst zijn haren rechte, al eer men toezag voort,
Lag zeil, en treil, en mast, en boegspriet over boord.
\'t Gebulder steurt mijn ruste: elk jammert ongeduldig;
i o Men loot na d\' oorzaak; \'t lot op mij valt, die ben schuldig
Aan \'t algemeen gevaar! Nog roeit men, maar o wee!
Vergeefs; dus wordt elks vloek een offer in de zee,
En \'t aas eens walvisch haast, die, zonder zich te belgen,
Mij levend\' gorglen kan, verdouwen, en verzwelgen,
15 Huisvesting gunnen mee, drie dagen al geheel,
En braken weer aan strand met opgespalkte keel.
Verrezen zijnde, \'t lof wij brengen, die wij zochten
In \'s afgronds afgrond diep, in \'t monster vol gedrochten,
En gingen Ninive d\' aanstaanden ondergang
20 Verkondigen, die God zoude eindigen eerlang.
Het volk beroerd (zoo fluks het merkte hoe God haarlieden
Kwijtschelding van \'t vergrijp en \'t leven aan kwam bieden,
En dat er hoop was, om door boete zich t\' ontslaan
Die dreigementen, en den Hemel t\' ondergaan)
25 Hun smette in tranen van bekeering af ging wasschen:
Zijn marmor de monarch zelf vloeren ging met asschen;
Blootshoofds hij assche in plaats droeg van een diadem;
Zijn hand was scepterloos; erbarmelijk zijn stem;
Een harenkleed zijn zijde en purper; zijn hoveeren
30 Hij schorste, en vastte, en riep de goedheid aan des Heeren
En zijn barmhertigheid, die, als zij zag beschreid
Het aangezicht des volks, van Gods gerechtigheid
Het uitgetogen staal stak weder in de schede,
En hun trompetten liet den aangenamen vrede.
Ionas. 3. Iapho, plaatsnaam. — 6. Schrillen, ijzen. — 12. Elks vloek,
Ionas. — 13. Heigen, koren (Van de maag). — 18. \'s Afgronds afgrond,
de maag van het zeemonster. — 24. Ondergaan, ontduiken.
-ocr page 333-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 319
EZECHIAS,
DE GODSDIENSTIGE.
Eccles. 48.
Ezechias dede wat den Heere wel behaagde, en bleef
standvastig op den weg Davids, zijnes vaders, als hem
Esaias leerde.
t VAad Isacs, dat misleid was d\' afgoón nageloopen,
Ik toomde, en sloot \'t portaal des heil\'gen Tempels open,
In d\' intree van mijn rijk: en ijverde zoo lang,
Dat de oude godsdienst weer herbloeide in volle zwang.
5 De koopren slang, die aangebeên was van \'s volks zotheid.
Ik brijzelde en beloeg haar snoó metalen godheid.
Den Assyriêr zijn tol te brengen was ik moê,
En overtrok gebergte en steen, tot Gaza toe.
Maar Salmanasser, om zijns rents verloop t\' onvreden,
10 Samariën gewon en voerde \'t volk in Meden.
Het heer van Sanherib hem volgde, en, op de been
Geraakt, in Iuda ging vermeestren al de steen.
Mijn hert bestorf: dies, om zijn wrake te verzachten,
Wij \'t goud van \'t heiligdom en \'t zilver hem toebrachten
15 Te Lachis; maar vergeefs, als hij het hadde ontvaan,
En voor Ierusalem kwam zijnen leger slaan,
Schoon of ik vroeg den muur verzorgde, en alszins dempte
De bornen rijk van nat, de sterren hij beschempte.
Mijn kleed ik scheur. Mijn stut in rouwe is Amos\' zoon,
20 En d\' Engel, die versmaadt Gods glorierijken throon,
Die met den stalen boog zijns gramschaps eens t\' ontspannen,
Kwetst twee-maal honderd-duist min vijftien-duizend mannen:
Dies \'t overblijfsel vlucht met Assur: maar mijn feest
Gesteurd wordt, als het lijf der zielen afscheid vreest.
25 Gods gunste aan \'s levens web knoopt acht en zeven jaren,
En, tot waarteeken, doet de zon te rugge varen
Tien schreden met zijn koetse; en frisch, van nieuws gezond,
Ik God love in zijn kerk, de derde morgenstond.
Dan ach! wat was \'t ons nut, doen, blijde aan alle kanten,
30 Wi] openden ons praal voor Babylons gezanten,
En Esaï\'as ons boodschapte, met wat smaad
\'t Huis Iacobs zuchten zoude op d\' oevren van d\' Euphraet,
\'t Huis Isr\'els einden zoü zijn hemelsche gezangen,
En aan de wilgen droef zijn herpen laten hangen.
-ocr page 334-
32o DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
IOSIAS,
DE GODZALIGE.
Eccles. 49.
Iosias name is gelijk als een edel reukwerk uit der apo-
theken; hij is zoet gelijk als honig in de mond, en als
snarenspel bij den wijn.
TK was nog kindsch en teer, als Iuda ging mijn hersen
Met \'t vaderlijk cieraad en goud van Amon persen.
Den Hemel op mij loeg en offerde zijn gunst
Mijn jeugd, in \'t oefenschool van wel-gebiedens-kunst:
5 Waarom, als nu mijn ernst de wulpschheid had verslonden,
Ik, wat aan \'t heilig choor bouwvallig wierd bevonden
Herplaasterde; en zoo haast als Saphan voor ons las
Het wetboek, dat zoo lang vervreemd te zoeken was,
En wij begrepen, hoe de Vaderen besmeurden
10 Den godsdienst, wij bedroefd \'t geplooide purper scheurden,
En gingen Gods geheim ontvouwen door zijn tolk,
Die ons de aanstaande straf aanduidde van het volk,
En trooste met de zoen, verworven voor ons-zelven.
Ik vurig d\' heil\'ge blaan in d\' heilige gewelven
15 Liet opslaan, en elks oor Gods wet bazuinen blij,
Waaraan fluks Iuda zich verplichten ging met mij,
De Rei der Priestren Gods den Tempel raagde t\' zamen,
En veegde de afgoön uit, met Baals poppekramen:
Broer Moloch, Asthoreth, en Camos, Milkom ook,
20 Den geest opgaven met onmenschelijk gespook.
Haar Priestren, die tot asch vermaalden \'s volks gebeente,
Ik rooste levendig op \'t bloedige gesteente.
De wichlaars roeide ik uit, die logentaal bedien.
In \'t gantsche Iuda beeld noch grouwel wierd gezien.
25 \'t Vergeten Paaschfeest, \'twelk de jaren overtraden,
Wij statig vierden, en erkenden Gods weldaden
Den vaderen betoond. Maar als ik, na een wijl,
Ontmoete met mijn heir het heirkracht van de Nijl,
Rampzalig eenen schicht mij kwetste, en thuis gezonden
30 De koninklijke ziel van \'t lichaam wierd ontbonden,
\'t Welk, in \'t gewijde graf der Koningen geleid,
Van Ieremias wierd en Israël beschreid,
Vermits geen Koning ooit gezalfd en was voorhenen,
Die in godsdienstigheid, als ik, hadde uitgeschenen.
-ocr page 335-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 321
ESAIAS,
DE EUANGELISCHE PROFEET.
Eccles. 48.
Esaias was een groot en waarachtig profeet in zijn pro-
feciën.
7W1 Un vader Amos was, en Koning Azarias
Mijn broeder. Ik bestond, in \'t afscheid van Ozias,
In \'t ambt te treên, daartoe den Hemel mij voorzag
Eer ik nog zuigeling in \'s moeders voorschoot lag:
5 In \'t ambt te treên, zoo haast mij God beriep van Boven,
Als ik zijn glorie zag en \'t heirschaar hoorde loven
Zijn groote majesteit, wiens glansen, veels te sterk,
De posten siddren deên van ons gewijde kerk:
Als d\' Engel, licht van pluim, mijn lippen snel genaakte,
10 En zuiverde met vlam, die op \'t hoog altaar blaakte.
Ik waakte in mijnen plicht, mijn mond was een trompet,
Waardoor de geest uitblies luidruchtig Moyses\' wet.
Nu zocht ik Iacobs heil met dreigen, nu met smeeken:
Als zij, van \'t heilig spoor verdwaald en afgeweken,
15 Met d\'onbesnedene haar afgoden volgden naar:
Dies aarde en Hemel wij aanriepen over haar,
En wekten ze, wanneer van verre wij genaken
De legers zagen, die God wapende ter wraken.
Wat drukte ons, dat men vond gerechtigheid zoo schaars!
20 Wat walgde ons t\' offren van een hoopen huichelaars!
Doch mijn vrijmoedigheid, die Koningen en Vorsten
Trad onder oogen, en \'tgeen zij verbreuken dorsten
Afeischte, en voorhiel waar zij waren toe verplicht,
Manasse niet ontzag; wiens grimmig aangezicht
25 Riep \'t vonnis over haar, en nam zijn welbehagen,
Met een getande balk mijn lenden te zien zagen,
En \'t nnklende gebeent\', dat vier maal zestien jaar
\'t Profeetische ambt bekleede en spijsde in \'t openbaar
D\' hongrige zielen, die, deemoedig en verslagen,
30 Verschrikt van Sinaï, vol onweêrs, ijvrig zagen
Op den Messias, op den Reus, den Raad, den Held,
En \'t Offerlam, dat ik zoo duidlijk had gemeld,
En afgeschilderd, hoe zijn bloed wiesch \'s werelds vlekken,
Dat éer Euangelist ik, als profeet, mag strekken.
Esaias. 22. Verbreuken, misdoen. — 25, Haar, Esaias\' vrijmoedigheid.
VONDEL I.                                                                                         21
-ocr page 336-
322 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
IEREMIAS,
DE VROEGPRED1KER.
Eccles. 49.
Ieremias was in \'s moeders lijf uitverkoren tot een profeet,
dat hij uitroeyen, breken, en verstoren, en wederom
ook bouwen en planten zoude.
T7Raagt iemant mij van waar, van wie kwam Ieremia?
" Mijn wieg was Anathoth; mijn vader was Hilkia,
D\' Aartspriester, die, o heil! het wetboek wel te pas
Vond, dat zoo lang gewenscht te wijd om zoeken was.
5 Iehova, die mij, voor mijn tijd, hadde uitgezonderd,
Mij zalfde tot zijn knecht, zoo vroeg, dat elk verwonderd
Mijn jongelingschap met de ontzichlijkheid bekleed
Zag van een predikant en Goddelijk profeet,
\'t Lijk van Iosias ik bedaauwde met mijn tranen.
10 Het twaletstammig volk, met dagelijksch vermanen
En dreigementen, ik te weeren zocht van \'t kwaad:
Helaas! maar al vergeefs: zij hielden \'t al voor praat.
Met scherpe diamant en ijsre griffe, o smerte!
De zond\' geprent was in de tafel van haar herte.
15 D\'aanstaanden ondergang des stads, die te gemoet
Ik in \'s geests spiegel zag, bekeering wrocht noch boet\'
In iemants ziel, maar elk voor ander bleef halssterker:
De Waarheid vond geen heul: zij smeten ze in de kerker,
Schoon Babel drie maal met haar sabel, hecht van snee,
20 Ierusalem beangst haar vlaggen strijken deê:
Mijn woord en gold er niet, voor dat de stad gewonnen,
Den Koning wierd ontroofd \'t schoon aangezicht der zonnen;
Na dat zijn afkomst, die gehoopt hadde op zijn leen,
Voor hem gesneuveld, viel in \'t ijzer der Chaldeên,
25 En hij geketend aan d\' Euphraat zat op het oever,
En hoorde \'t guichelspel zijns vijands langs hoe droever.
Genaken ik van verr\' zag, over dal en berg,
Als Isr\'els heiland en verlosser, den Monarch, •
Die Perzen hiel te leen van God: dies ik voor henen
30 Het volk vertrooste, dat de boei droeg voor de scheenen:
Doch niet zoo zeer met hem, als met die Siloa,
Die held, die geestelijk zou volgen David na,
En \'t hoofd vermalen van d\' erfvijand, die de zielen
Der menschen boeide, die in \'s Hemels ban vervielen.
Ieremias. 4. Te wijd, zeer ver. — 7. Ontzichlijkheid, wat ontzag
baart. — 23. Afkomst, kroost. — 28. Monarch, Cyrus.
-ocr page 337-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 323
EZECHIEL,
DE GROOTE Z1ENDER.
Eccles. 49.
Hezekiël zag de heerlijkheid des Heeren in een gezichte,
dat hij hem wees uit den wagen Cherubim. Hij heeft
geprofeteerd tegen de vijanden, en troost verkondigd
dien, die daar recht doen.
\'M Ebucadnezar had zijn tenten naauw gespannen
Rondom Ierusalem, om Iuda te vermannen,
En uit zijn elpen stoel te worpen Iojakim,
Die, met zijn leenheer tol te weigren, zijnen grim
5 Hadde over hem gewekt, of onze Vorst verslagen
Mij kwam \'t geheimenis van Gods geheim afvragen:
En als hij merkte, hoe \'s volks godloosheid overlang
Den Hemel afgetergd had Sions ondergang,
Die, eenmaal vast gestemd, in \'s Heeren toorn verbolgen,
10 Onwederroepelijk geschapen was te volgen,
Hij fluks, behoudends goed en leven, overgaf
De stad; maar d\'onbesneên hem sloeg in t ijzer straf
En sleepte hem, neffens mij, daar Chebar steeds de muren
Van Nimroth gaat met zand en keizelsteenen schuren.
15 Hier hadde ik op den hals geladen ieders smaad,
Om dat ze den tyran, op mijn bevel en raad,
De poorte ooit open deên, en leenden zin noch ooren,
Wat ik haar toeriep van Ierusalems verstoren:
Dies mij Iehova van zijn glorierijken throon
20 Kwam om zijn majesteit t aanschouwen vrundlijk noón.
Mijn ziel in \'t aanschijn kreeg twee recht doorgaande lichten,
En met verwondren zag veel hemelsche gezichten,
Die ik het volk tot troost, en tot vermaning mee,
Ging openen, opdat mijn profecije stee
25 Mocht grijpen in t gemoed der gener, die, als slaven,
Den heidenschen Monarch haar zweet ten offer gaven,
\'t Verstrooyende geslacht, dat droevig en ontsteld
Ging dwalen heen en weer, als schapen over \'t veld,
En gras noch loof afschoer op Babels maagre heiden,
30 Met dezen Herder ik vertrooste, die zou weiden
De stammen in het groen der beemden, die voortaan,
Door zijn barmhertigheid, zoo heerlijk zouden staan
In groei en bloei, zoo haast als Israël te stade
Kwam een slagregen van Gods goedheid en genade.
Ezechiël. 27. \'t [Zich] verstrooyende geslacht staat in den 4n nv.
— 30. Jesus Christus.
-ocr page 338-
324 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
DANIEL,
DE GODGELEERDE.
I Mach. 2.
Daniël wierd om zijn onschuld van de leeuwen verlost.
T~)Oen \'s Konings oogen drok en bezig weiden gingen
In \'t koninklijk geslacht en \'t puik der jongelingen,
Zij staren bleven bot op mij, die, als een starr\',
Mijn blonde kuif opstak, als \'t hof te Sinear
5 Behagen in mij schiep, en liet mijn brein opkweken,
\'t Welk wijd leerde over \'t hoofd in drie maal vijftig weken
Mijn meesters, en hoewel ik sober, als Gods knecht,
Voor \'s Konings lekkernij verkoos het moesgerecht,
Mijn aanschijn, wel gevleescht, gezonder men zag blozen
io Als andre, dien \'t banket walgt en steeds bastert kozen.
Maar als \'s Monarchen droom ik nu t\' ontdekken kom,
Daar al de Magi der Chaldeên voor bleven stom,
Nebucadnezar mij verhoogt, en doet de zielen
Van \'t pratte Koninkrijk voor mij ter aarden knielen.
15 Na zag ik Babels hoofd, verbannen van Gods geest,
Bedauwd in \'t veld, het gras afsnoeyen als een beest.
Belsazer namaals (zoo hij, godloos en verwaten,
Ontwijde, in \'t slempen, \'t goud van d\' heil\'ge tempelvaten,
Terwijl de boelen met \'t albaster van haar borst
20 \'t Wellustig lodderoog verletten van de Vorst)
Ik melde zijnen val: als hij, vol schriks en beven,
Zijn vonnis op de wand zag onverhoeds geschreven,
En korts hadde uitgediend, als diadem en staf
En \'t purper van zijn leen hij Meden overgaf:
25 Daar ik, te zeer ontzien om mijn droomkundige hersen,
Den Nijd wierd tot een buit, vermids ik \'t hoofd van Perzen
Ontzei met Godlijke eer t\' ontmoeten, dies zij dol
Mij gaf tot eenen roof den leeuwen in het hol:
Maar d Englen, door haar kracht, het woên der dieren temmen,
30 De leeuw het brullen staakt en laat zijn lokken kemmen,
En vast ter tijd toe ik ontkerkerd, hij verblijd
Mijn vijand met zijn kies en klaauwen motst en rijt:
Dies orgelt ieders tong van zelve en ongeboden,
Dat Daniël alleen den God dient aller Goden.
— 10. Bastert, onreine spijs.
Motst, stukscheurt. Zie v. 24
Daniel. 1. \'s Konings, nam. Nebukadnezars.
— 15. Rabels hoofd, Nebukadnezar.— 32.
van Phineas.
-ocr page 339-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 325
DE TWAALF PROFEETEN,
OK REI DER ZIENDERS.
Eccles. 49.
Ende der twaalf Profeeten gebeenten groenen nog daar zij
liggen: want zij hebben Iacob getroost, en verlossinge
toegezeid, die zij gewisselijk hopen zouden.
tTOseas! zijt gegroet, die, met uw profecije
\'t Huis Iacobs zuivren wilt van zijn afgoderije:
Met Ioè\'1, die van verre afdalen zag den Geest
Als een slagregen neer op Sions Pinxterfeest.
5 Leeft lange, ö Amos! die vloodt uw gewolde vliezen,
En weide zielen, als u d\' Hemel kwam verkiezen.
Obadja, zijt geloofd! die Edom, al voorlang,
De roede hebt laten zien van zijnen ondergang.
Gij, Ionas! uwen lof steeds bruisen moet en vlieten,
10 Vermids gij hebt bekeerd tot God de Ninivieten.
Micheas, u zij heil! die Bethlems boerewal
Doet juichen, om dat God zich legert in de stal.
Gij, Nahum! prijs behaalt, die Ninive bewaakte,
En waarschouwde, eer haar val rechtveerdelijk genaakte.
15 O Habacuc! dat doch uw lofkrans eeuwig bloei,
Om dat gij los zaagt gaan de stammen zonder boei.
Zephanja, uwen roem worde altijd weer geboren,
Vermids gij naken zaagt Ierusalems verstoren.
Haggaï niemant wijk\', die \'t Joodsch gebouw versmaadt,
20 Om Christus\' kerk, die in zijn geest getimmerd staat.
Maar Zacharias! o, wat zullen wij u wijden?
Die aller Vorsten Vorst zaagt op een ezel rijden?
Met Malachias, die, na zijn verschulde plicht,
Een Engel henenzond voor \'s Heeren aangezicht.
25 O heil\'ge Ziendersrei! vermids gij boos noch nijdig
Te zamen komt, heel goed van inborst, onpartijdig,
Onnoozel, ongeveinsd, en niemants aanzien smeekt,
Maar, wat u d\' Heil\'ge Geest inluistert, tot ons spreekt,
Met lippen zonder smet: ik op uw woord wil bouwen,
30 En in dees duistre nacht die valsche leeraars schouwen,
Wiens pad ter Hellen leidt, en Christus, mijnen Heer
En Heiland, zoeken bij de klaarheid van uw leer,
Het rechtsnoer des geloofs, het heldre licht der blinden,
De leidstarr\', die ooit blonk voor alle Godsbeminden.
De XII Profeeten. 5. Vloodt, verliet. — Vliezen, schapen. — 34. Ooit,
steeds.
-ocr page 340-
326 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
ESDRAS,
DE WETGELEERDE.
Esra 7.
Esra was een geschikt Schriftgeleerde in Moses wet, die
de Heere de God Israëls gegeven heeft: ende de Koning
gaf hem alles wat hij begeerde, na de hand des Heeren
zijnes Gods over hem.
A Ls Xerxes zwanger ging met ijver boven maten,
En Sion gunst toedroeg niet min als zijn voorzaten,
Hij Esdras oorlof gaf, om, vuriglijk en kuisch,
De dorpels te betreên van \'s Heeren heilig huis.
5 Elk ree was, zoo ik sprak ^ \'s volks vreugd men hoorde schaatren,
Daar zijnen tol d\' Euphraat ontleent van mindre waatren.
De aanstaande reize onveil, die ons te dreigen scheen
Met nood en lijfsgevaar, door vasten en gebeên,
Verzekerden wij ons bij God, die \'t vrij-geleide
10 Zijns Engels aan zijn kudd\' gaf over berg en heide,
Tot dat te Salem wij der Priestren overhoofd
Toewoegen \'t heilig goud, dat Assur had geroofd,
En deên op \'t altaar \'t smeer en \'t ongel van de rammen
En bokken golven na \'t gesternte, met roö vlammen,
15 Tot dankbaarheid, dat, wijd van \'t slaafsche Babyion,
Zoo heuglijk over ons blonk \'s ouden vrijheids zon.
Maar och! mijn hert bezweek, mijn ziel weemoedig treurde,
Mijn lokken trok ik uit, mijn kleederen ik scheurde,
Als mij ter ooren kwam, hoe, tegen Moyses\' wet,
20 Het heilig zaad alom zijn kuischheid had besmet
Met \'t goddeloos geslacht, dat heimlijk \'t hert der Joden
Te neigen scheen tot haar belachelijke Goden:
Waarom de stammen ik verzamelde algemeen:
Die, voelende \'t vergrijp, ter-stond met heilige eên
25 Den Hemel zwoeren dier, de uitheemschc bedgenooten
Te vliên, en van haar gunst en vrundschap te verstooten.
Het lovertenten-feest genakende, ieder doen
Op mijn bestel \'t gebergt\' ging pionderen van \'t groen.
Men vlocht alom d\' olijf, de myrth, en frissche palmen:
30 De Weerklank op \'s volks vreugd andwoorde met zijn galmen
\'s Wets heil\'ge blaan ik las voor \'t opgesteken oor
Van d\'aangedrongen schaar, die bezig in \'t gehoor
Zich-zclf vergat, en na geen huis heeft omgekeken
Voor \'t statig loverfeest gevierd was en verstreken.
Esdras. 5. Zoo, zoodra. — 7. De aanst. reize onveilig zijnde. — 30.
Weerklank, Echo.
-ocr page 341-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 327
NEHEMIAS,
DE HEILIGE BOUWMEESTER.
Eccles. 49.
Nehemia is altijd te loven, die ons de verdorven muren
weder opgericht, en de poorten gezet heeft met sloten,
en onze huizen weder gebouwd.
VOo haast sprak. Perzen niet: „Nehemia! trekt henen,
En bouwt de stad, daar \'t graf bewaart uws vaders beenen",
Of ik versmade \'t hof, en vond der priestren erf:
Daarover Salems val en jammerlijk verderf,
5 Lang \'t gras gewassen was. Denkt, hoe mij was te moede,
Als ik mijn vaderland zag treuren in den bloede,
En van Ierusalem de poorten en de muur
Geblaakt, gescheurd, geschend, met ijzer en met vuur.
Mijn oogen uitgeschreid en weder tot mij zelven
10 Bedaard, ik \'t volk opwek in d\'heilige gewelven.
Elk tot der muren bouw wilveerdig in \'t gemeen
Beament mijnen eisch. Ik leg den eersten steen,
Wien fluks een tweede perst; het was om verjolijzen,
Te zien, hoe d\' ernst der Joon het steenwerk dede rijzen.
15 De Faam van \'t stout bestaan fluks strekte een nieuwsgier tolk
Aan Moab, Ammon, en het nageburig volk:
Die, al van ouds jeloersch om Sion, zijn verdragen
Ons \'t metslen te verbiên met heimelijke lagen;
En snakten na mijn ziel, daar \'t al, naast God, aan hing;
20 Dies met een stoet hartsiers ik \'t lijf verzeekren ging,
En gaf den bouwliên, zoo ik \'s vijands list doorsnuffel,
Den degen in d\' een vuist, in de ander hand den truffel,
Den beuklaar bij de werk, om schutten slag op slag
Van \'t heir, dat zwert van nijd steeds op zijn luimen lag.
25 Mijn tafel ik vergat, de vaak week uit mijn oogen,
Tot dat de heuvel Gods omgord was met een hoogen,
Onwinbren wal, en \'t oog des schildwachts, voort en voort,
Bewaakte, nacht en dag, de valbrugge en de poort:
Doen klom ons juichen naar \'t gesternte, klaar van schimmer,
30 Om dat van derwaards was gezegend ons getimmer;
De stad, bevolkerd weer van \'t priesterlijk geslacht,
Zijn tiende Levi wierd geheiligd en gebracht,
De godsdienst raakte in zwang, waarom mijn naam zal duren,
Zoo lang Ierusalem derf roemen op zijn muren.
Nehemias. i. Perzen, de Koning van Perzië. — 13. Verjolijzen, vrolijk
te worden. — 14. Erns, naarstigheid. — 17. Verdragen, overeengekomen.
— 19. Ziel, leven. — 20. Hartsiers, archcrs, boogschutters. — 23. Slag
op slag, den eenen slag na den anderen. — 29. Schimmer, gellonker.
-ocr page 342-
328 DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
IOB,
DE LIJDZAAMHEID.
Hiob. 6.
Wanneer men mijn jammer woege, en mijn lijden te
zamen in een schale leide, zoo zoude het zwaarder zijn
dan het zand aan de zee.
C"1IJ, die u maakt voor God door \'t murmureeren schuldig,
Komt herwaards. ziet, hoe Hiob zoo lijdzaam en geduldig
De lijdzaamheid uitbeeldt, en, voor elks aangezicht,
Zijn gouden zetelstoel van eenen misthoop sticht,
5 En zit behangen noch met zij noch purpren kleêren,
Maar met een mantel, rijk van rooven en van zeeren
En puisten geborduurd, gemijterd met een hoed
Van schurft, wiens lamper is slechts etter en vuil bloed.
De potscherf hem een staf en scepter wil verstrekken:
io Waarmede hij openklouwt de zweren, die hij lekken
Laat van zijns huishonds tong, die op haar voordeel uit,
Snakt na de lekkernij van Hiobs bedragen huid.
Zoo pronkende hij van verr\' gesneuveld ziet zijn knapen
In \'t ijzer der Chaldeên, en zijn gewolde schapen
15 Van \'s Hemels vlam geroost, zijn kemelen geroofd,
Het dak zijn vrolijk zaad gevallen op het hoofd,
In \'t midden van haar feest, en als hij, straf bejegend,
Met een slagregen van veel rampspoên is beregend,
In plaats van troost, daar als amachtig hij na gaapt,
20 Ontmoet hem dus zijn helft, die in zijn ermen slaapt:
„Is \'t nu niet wel gesteld? waar is nu Hiobs betrouwen?
Wat heil brengt het nu toe, op \'s Heeren naam te bouwen ?
Gij noemde hem uwen schild en schutsheer onversaagd:
Hij helpe u nu, indien hem vromigheid behaagt."
25 „Ai! (zegt de martelaar) gij ratelt als d\' onvroede:
Wij dulden \'t kwaad van hem, die zegende ons in \'t goede:
Naakt rezen wij in \'t licht: naakt varen wij in \'t stof:
Die \'t leende, nam ons \'t zijn: den Heer zij dank en lof!"
Zijn maagschap ook, tot trooost vast neffens hem gezeten,
30 Een pijnbank strekte schier \'s mans ongekreukt geweten,
Dat, rijk in God getroost door \'t veel gepleegde goed,
Een blijde schare kwam van deugden te gemoet:
Tot dat, doorlouterd hij, in \'t aanschijn\'Gods verkoren,
Hem \'s Hemels goedheid gaf meer als hij had verloren.
Job. 8. Lam per, lamfer lambrequ\'m, slip (aan een hoed).
-ocr page 343-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 329
TOBIAS,
DE GODVREEZENDE.
Tob. 2.
Tobias vreesde God meer als den Koning, en droeg de
verslagenen heimelijk te zamen, en behield ze heimelijk
in zijn huis, en des nachts begroef hij ze.
"LJEt herte Naphthali zal trotscher als voorhenen
Zijn hoornen steken op, en met zijn ranke beenen
Opsteigeren \'t gebergte, om dat zijn doode faam
Is opgewekt door mij, die vroeg den grooten naam
5 Des grooten Gods aanriep, en die om niemants halven
Bevlekte mijn gemoed, doen elk de gulde kalven
Ieroboams aanbad, maar, na des Hoogsten stem,
Mijn eerstelingen steeds bracht te Ierusalem,
Tot dat, met Isr\'el ik vervoerd de boei most sleepen,
10 Daar Ninive gevrijd wordt van d\' uitheemsche schepen,
En daar, als andre, nooit mijn lippen zijn besmet
Met \'t voedsel, ons zoo streng verboón van Movses\' wet:
Dies God mijn vromigheid mij komen liet te stade,
Als \'t hert des Assyriers hij roerde met genade.
15 Mijn vrijheid nu erlangd, ik evenwel verplicht
Mij hiel te dwaden der bedroefden aangezicht,
Tot dat Senacherib ontzei al wie mij hoofde:
Wiens gramschap ik ontsloop, als hij mijn have roofde,
Doen ik mijn broedren (die hij, in zijn grimmigheid,
20 Versloeg) gekist hadde en in \'t heimlijk graf geleid.
Der dooden uitvaart was mij liever als mijn eten,
Zoo fluks de bleeke dood het leven had verbeten.
Doch mijn godvruchtigheid leed wederom aanstoot,
Doen eenen zwaluwdrek mijns lichaams venster sloot,
25 Daar \'t morgenlicht door scheen: en of wel mijnen rouwe
Met schimp ophoopten nog mijn magen en mijn vrouwe,
Nog hiel mijn vroomheid aan: mi)n ijver nog bekleef,
Als ik in \'t hert mijns zoons die gulde lessen schreef.
Geprangd van armoede, ik mijns oudheids kruk in Meden
30 Naar Gabel zond om \'t geld: maar d\' Engel Gods met vreden
Hem weer betreden deê den dorpel van mijn huis,
Met zijnen bruidschat en zijn Sara, hupsch en kuisch.
Mijn lichten zagen \'t licht, dat zoo lang was gedoken,
Tot dat, ik levens zat, mijn kindren d\' oogen loken.
Tobias. 16. Dwaden, afwisschen. — 17. Ontzet, den vrede opzet. —
Hoofde, ten zijnent ontving. — 25. Of wel, hoewel. — 34. Mij de oogen
loken.
-ocr page 344-
33o DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
MATATHIAS,
DE PRIESTERLIJKE KAMPIOEN.
i Mach. 2.
Wij en willen niet bewilligen in \'t gebod van Antiochus,
ende en willen niet offeren en van onze wet afvallen
en andre wijze aannemen.
T")At ging mij veel te na, dat ik van verr\' de wallen
Van d\' Heil\'ge Stad met haar wachttoornen hoorde vallen;
Dat ik vernam, hoe die aartsvijand van Gods wet
Zijn schelmsche voetzool hadde in \'t Heiligdom gezet:
5 Dat ook Antiochus dorst, godloos en verwaten,
Tot roof verklaren \'t goud van ons gewijde vaten;
Dat hij zijn schouwspel zag aan menschen en aan vee,
En \'t volk voor \'t aanzicht van zijn afgoón knielen deê.
Waarom, zoo fluks ons kwam, op Modins hooge rotsen,
io De veldheer des Tyrans, in naam zijns meesters, trotsen,
Ik, met een hellebaard, die zwaar van koper woeg,
Hem en die valsche Jood den kop in flarden sloeg,
En, om de wet jeloersch, als dol en uitgelaten,
Het volk op \'t marktveld ik bazuinde uit alle straten,
15 En wekte haar ijver op aldus: „Wat! is \'t niet schand,
Dat hij, die onlangs zat gegijzeld en verpand,
Ons wetten stellen zal en onzen Godsdienst schenden,
En maken van ons kerk een grouwel der ellenden?
Wat, mannen! duldet niet, dat u die dwingland kruist,
20 Zoo lang gij houden kunt het lemmer in de vuist:
Wie ijvert, volgt mij na!" \'t Woord droop naauw van de lippen,
Een werld van menschen zich in holen en in klippen
Met mij verstak voor \'t heir van die vermeten zot,
Die kwam te spaa zijn hiel opheffen tegen God.
25 Wij streên in \'t steengebergte, en zoo wij daaglijks wiesen,
Wij vaken d\' onbesneên deên dansen door de spiesen.
Geen Sabbath onzen erm noch zeen\'wen hiel verlet,
Als ons d\' erfvijand zocht; de nood wist van geen wet.
Met wijf en kindren dus in ballingschap gevloden,
30 Wij stelden de eere Gods voor \'s dwingelands geboden,
Tot dat onze ouderdom zijn zonen alle vijf
Voor zijn verscheiden blies een krijgsmanshert in \'t lijf,
En Machabeüs, die ons kwam in vroomheid nader,
\'t Zweerd ophief, en het ambt vervulde van zijn vader.
Matathias. 7. Aan den roof van vrouwen en vee. — 12. Die den afgoden
offerde. — 16. Antiochus.
-ocr page 345-
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS. 331
JUDAS MACHAB^US,
DE VOORVECHTER. ,
1 Mach. 3.
Judas verkreeg den volke groote eere; hij toog in zijn
harnas als een held, en beschermde zijn heir met zijnen
zweerde. Hij was vrijmoedig als een leeuw.
A Ls Appollonius te trotsch mijn heirkracht porde,
Hij vond dien, die hij zocht, en hem het mes afgorde.
De batse Seron, die dacht dat ik van \'t gerucht
Verveerd was, kwamen wij vernestlen op de vlucht.
5 Na, Gorgias ontvlood, als in zijn pauweljoenen
Ik \'t vuur stak: duizend werf vijf dappre kampioenen
Het overrompeld heir van Lysias op \'t veld
Vermiste, als namaals wierd het overschot geteld.
Ierusalem ik bouw tot troost der Isra\'lieten,
10 En open \'t hooge choor voor Priestren en Levieten.
Den Ammoniet ik sla, met Beon, d\' Idumeen.
Datheman ik verkwik, en blixem steen aan steen.
Timotheus ontwijkt mijn benden, die hem naken:
Dies Ephron Carnaïm wij met ons tortsen blaken,
15 En vlammen na den roof, en slaan, eer \'t woeden slist,
Al wat er wapens draagt en aan de muren pist:
En vinden zegenrijk den priesterlijken heuvel:
Daar wij hem roemen, die nam wraak van \'s vijands euvel.
Maar als in \'t Zuiden ons grijnst Edom aan zoo stuur,
20 Wij Hebron breken af tot molm, met staal en vuur.
In \'t land van Asdod, daar de blinde d\' afgoön eerden,
Wij steen en vlekken gants het onderst\' boven keerden.
Doen d\'elefant ten toon den Antiochus droeg,
Ik \'t onbesneden zaad zes honderd man afsloeg.
25 Als nu Nicanor komt, dat hij mijn glorie schake,
Ik hem zijn rechter hand en hoofd afsnij tot wrake.
Zoo haast de Faam ons doet den roem van Rome kond,
Wij met \'t Romeinsche volk ons houwen door verbond:
En als Bacchides trok den smaad op \'t strengst\' te wreken
30 Demetrio gedaan, ik in \'t gevaar bleef steken,
Als mij mijn volk bezweek, daar \'t leger ik ophiel,
En in \'t gevecht opgaf mijn ridderlijke ziel;
Die, heemlende na \'t choor der helden van der eerden,
Het heldiesch lichaam liet doorregen van de zweerden.
Iudas Machalxeus. 2. Trok liem liet nies uit den gordel. — 3. Bats, loos,
sluw. — 4. Vernestlen, ontnestlen. — 12. Datheman, de vesting waar-
heen de Israëlieten gevlucht waren. — 15. Slist, ophoudt.
-ocr page 346-
332                       HYMNUS OF LOFZANG
3E)gwnu0 of Bof£an<$A77//
VAN DE
CHRISTELIJKE RIDDER.
EEns anders Zangerin mag rijkelijken melden
Den welverdienden roem van Iacobs oorloogshelden,
Die, keerende uit \'t gevecht, besprengd met brein en bloed,
Liep eenen zoeten rei van maagden te gemoet:
5 Ik zing des Christen helds strijdwapens en partijen.
Groot-Hertog des geloofs! die door uw bloedig stnjen
Onze overwinning wrocht, en die gebenedijd
Van zulken Ridderschap de dapper hoofdman zijt,
Vergun mij, dat ik mag den eedlen Ridder roemen,
10 Die Gij geweerdigd hebt na uwen naam te noemen,
Die, gants op andre wijze als David was gewoon,
Met zijnen kruisheer vecht om d\' alderhoogste kroon.
Heel korts in nare schaauw, beschaduwd van de bladen,
Wij \'s heeten middags brand al peinzende versmaden,
15 Daar ons de slaap bekruipt (terwijl \'t gevogelt\' kweelt)
En voedt met zulken droom als ons gezang uitbeeldt:
Ik zag van \'t hoog gebergte in vlak gelegen velden
Twee trotsche legers, die haar in slagoorde stelden.
Belust elkanders kanse en voordeel af te zien,
20 Of liever duizend doón te lijden, dan te vliên.
Zoo fluks men \'t teeken geeft, roert ieder \'t stof met voeten,
Dat d\' aarde schudt, als zij malkanderen gemoeten.
De razernij vangt aan met een vermengd geluid,
Dat na den sterren klimt en aan den hemel stuit,
25 Wiens vrolijk voorhoofd haast veroudet van de rimplen,
Wiens alderhelderste oog zelf schemert van de wimplen
En van \'t geslepen staal, dat, wederzijds gescherpt,
Zoo vaak \'t zijn vijand dreigt den blixem op hem werpt.
XF1II. Christelijke Ridder.
Vondels eerste dichtwerken van zekeren omvang prijken met het boekverkoopers-
teeken run Dirck Pieterszoon 1\'crs: een Ridder, vien Pers zijn anagram in den
mond heeft gelegd: ,Jck stri op sno eerde\'\'\'. Heeft dit Vondel dezen ,Jiynwtts" in
de pen gegeven? Hij stelt het voor, of de inhoud een droomgezicht van hem is.
De oudste bekende druk is van Pau lus van Ravesteyn, f Amsteldam, Anno 1620,
en te gelijk verschenen met zijne drukken van „De Helden Godes", „De Heerlijck-
heyd van Salomon", en het treurspel „Uierusalem verwoest\'".
Hymnus. 6. Groot-Hertog, Christus. — 14. Versmaden, versmaadden.
- 26.
Oog, de zon.
-ocr page 347-
VAN DE CHRISTELIJKE RIDDER.
\'t Bloed stroomt tot een rood meer, welks heete baren bruizen,
30 En droef luidt den adieu der zielen, die verhuizen.
d\' Eerwaarde Wijsheid Gods dees slachting vast aanschouwt
Van haren heil\'gen throon, in \'t opperste gebouwd.
Zij daalt van boven af met haar sneeuwitte vlerken,
En grijpt die meest uitsteekt in ridderlijke werken,
35 Uit \'t midden van den strijd, die vurig is en straf,
En op een woeste plaats voert hem ter zijden af:
„O, ridderlijk gemoed!" dus heeft ze hem aangesproken,
„\'t Is lang, \'t is al te lange in \'t harnas zich gewroken;
\'t Is lang genoeg, aldus met David zich besprengd
40 In \'t Filistijnsche bloed, en \'t dorstig zand gedrenkt;
Zulk krijgen ben ik zat. Ontslaat u dit scherp ijzer;
Dees\' stalen borst ontgespt; gaat henen, wendt u wijzer
Tot eenen strijd des geests, en tot dat oorloog vliedt,
\'tWelk zoo vele eeuwen lang door \'t geestlijk is bedied.
45 Dit Christlijk wapentuig voor \'t ander wilt omgorden,
En op een nieuwe wijze een Christen krijgsman worden;
Trekt deze rusting aan, en kiest die steile rots
Tot eenen vasten borcht; zulks raadt de Wijsheid Gods."
Eerbiedig andwoordt hij: „O hemelsche meestresse!
50 Die waarlijk zijt alleen der schepselen voogdesse,
Waar hebbe ik ooit verschuld, dat gij mijns gadeslaat,
En \'t vreugdenrijk paleis uws lieven Vaders laat?
Aanbedelijkste vrouw, wilt, voor uw hemelvaren,
\'t Gebruik dier waapnen mij eerst grondelijk verklaren."
55 De Wijsheid zegt: „Die helm is d\' Hoop van \'t eeuwig heil,
Die schild \'t beproefd Geloof, waardoor men, vrank en veil,
Des Satans schichten schut, en uitbluscht in der ijlen
Den brand, den helschen brand, van zijn geschoten pijlen.
Dat zweerd is \'s Heeren Woord; \'twelk wederzijds ontzeit.
60 Die borstbeschermer kreeft, dat is Gerechtigheid.
Die brooskens wel gepast, die vorstelijke schoenen,
Is \'s Euangeliums zoet vredenrijk Verzoenen,
En d\' hoeksteen Christus is, waarop, in al zijn doen,
Zich vrij verlaten mag de Christen kampioen."
65 \'t Was naauwelijks gezetd, de Wijsheid, eerst verschenen,
Heeft heiliglijk gespookt, en is terstond verdwenen.
De Ridder, al verbaasd of \'t waarheid was o\'f waan,
Ontwapent zich op \'t lest, trekt \'s Wijsheids rusting aan,
En, \'t harnas aangepast, hij van des hoeksteens midden
70 Steroogende hemelwaart aldus aanvangt te bidden:
59. Ontzeit, ten oorlog vordert. — Kreeft, kraag. ■— 66. Gespookt,
als geest verschenen.
-ocr page 348-
HYMNUS OF LOFZANG
334
„O Veldheer onzes strijds! die, door uw bloedig zweet
En roode wonden, hebt eens hoofdmans ambt bekleed:
O waren Samson! die, verbrekende \'s doods banden,
Verpletterde den kop van alle uwe erfvijanden,
75 En een schoon voorbeeld liet, hoe in dit jammerdal
Elk krijgsknecht \'t enge spoor uws kruiswegs houden zal:
O Kruisvorst! Kapitein! voorvechter en verbidder
Van \'t rood gesluyerd heir! aanschouwt, aanschouwt den
Die uwe benden volgt en zijn behagen schept, (Ridder,
80 Dat hij verwinnen mag, als gij verwonnen hebt!"
\'t Gebed nog naauwlijks eindt, of d\' Hemel geeft een teeken,
Dat hem zijns Konings hulpe en troost niet zal gebreken.
Fluks siddert al \'t gebergte, en \'t aardrijk daar-ontrent
Een wolk van damp en rook uitbrakende opwaards zendt,
85 En eer hij \'t merken kan, zoo treedt hem onder oogen
Een opgesmukte vrouw, die groot is van vermogen,
Die beter een Godinne als sterflijk mensch gelijkt,
En \'t schoonste beeld beschaamt, dat in de spiegel kijkt.
De rijkste bagge haar ciert, alszins is zij bepeereld;
90 Haar plooirijk purper vloeit, haar p\'ruik drukt een klein wee-
Ja, \'t is de Weereld zelf, wanneer hij \'t wel beziet, freld,
Die met haar rechter hem een gouden kopschaal biedt,
En met de slinker zwaait een waayer zwert van pluimen.
Die rechte Joffrouw Sleeps, hoe steken haar de kruimen!
95 Zij maakt een fiere gang, en \'t schijnt alsof ze hem smeekt
Met eenen zoeten lach. Nu luistert wat ze spreekt:
„Vroom Ridder! wie gij zijt, door zonderlinge driften
Ons uwe dwaalsterr\' dringt, u heerlijk te begiften
Met Rijkdom, Eere, en Staat, of Wellust, welk gij kiest,
100 Behoudens gij u-zelf in onzen dienst verliest.
Dit aardrijk ik bestier. De ontzichelijke zielen
Der Majesteiten zelf voor mij ter aarden knielen,
En zoeken steeds de gunst mijns Godheids met gebeên:
Want ieder trotsch Monarch ontvangt van mij zijn leen.
105 De Scepters deele ik om: de kroonen en de banden
Van Koning, Vorst, en Graaf zijn zegens mijner handen.
Met witte marmorsteen mijn hof ten wolken rijst,
Dat \'s pelgrims oog verlet en met verwondren spijst.
Inwendig \'t bont tapijt de wanden houdt gescholen.
no \'t Vertrek der zalen doet mijn hofgezin verdolen.
Mij viert der Joffren reye, een wonderlijke pracht,
Die door de traliën kijkt, en in de watergracht
89. Alszins, alom. — 98. Dwaalster, planeet. — 100. Ontziche-
lijke, ontzagwekkende. — 110. Vertrek der zalen, de bijkamers.
-ocr page 349-
VAN DE CHRISTELIJKE RIDDER.              335
Om tijdverlies somtijds zijn schaduwe laat spelen,
Terwijl in \'s lusthofs top de nachtegalen kweelcn;
115 De blankgepluimde zwaan haar weelde uit \'t water schept,
En d\' ooyevaar op \'t dak met zijnen klepel klept.
Zoo fluks mij d\' avondsterr\' toeknikt om t\' avondmalen
Ik mij ter disschen schik, daar duizend toortsen stralen,
Daar \'s tafels rug zich om den last der spijzen belgt,
120 Daar ieder zilvren vlakt\' zijn venezoen verzwelgt,
Daar d\' honger werd getergd van zoo veel lekkernijen,
Dat \'t suikerzoet banket men naauwlijks weet te vlijen:
Daar uit een blaauw kristal, op konstrijk goud geschroefd,
De most het hert verheugt, dat nimmer is bedroefd:
125 Daar \'t Goddelijk muziek van zang en spel, in d\' ooren,
Den weerklank van \'t gewelf zoo liefelijk laat hooren,
Dat ziele en geest ontspringt, en \'t lichaam ongetemd
Al dansende in een zee van duizend weelden zwemt,
Tot dat \'t lijf, juichens moede en mat van \'t stadig woelen,
130 Een zoete nachtrust vindt in d\'ermen van zijn boelen:
Terwijl het wakende oog des torenwachts den borcht
Voor ongeval behoedt en veiliglijk verzorgt.
O Jonkheer! is \'t ook vreemd, dat wolken volks van verren
Mij haasten te gemoet, en dragen aan de sterren\'?
135 Dat der vergoder schaar zoo heftig om mij dringt?
Is \'t anders als klaar goud en zilver, dat hier blinkt?"
„Vermomde tooveres! wech met uw valsch blanketsel!
Wech met uw zoet vergift! en doet mijn ziel geen letsel.
Uitwendig zijdij schoon, van binnen vol ellend:
140 Uw heerlijkheid is kort: uw vreugd met droefheid endt:
Uwe eere is wankelbaar: uw hoogheid dreigt te vallen:
Van al \'tgeen gij belooft en geefdij niets met allen
Als ramp en druk te loon den genen, die u dient.
God hem zijn gunst ontzegt, wie zich met u bevriendt.
145 U dreigt een eeuwig wee: uw lachen werd tot huilen,
Als gij voor \'t vierschaar Gods u niet en moogt verschuilen,
Met al die uwen sleep te volgen zijn gewoon,
Als \'t vonnis werd geveld van God en \'s Menschen Zoon.
Verziet u, Duivels zaad! verziet u voor mijn schelden:
150 Vliedt naar den afgrond toe, uw munt wil hier niet gelden."
Voor zulken andwoord vlucht de Moeder alles kwaads,
En eer \'t de Ridder speurt, fluks weder, in haar plaats,
Een vette poezel komt al nader t\'hemwaards sluipen.
Zij koestert vast een slange, en waant hem te bekruipen,
113. Tijdverlies, tijdverdrijf. — 120. Venezoen, wildbraad. — 149.
Verziet u voor, ontzie. — 153. Vette poezel, mollige vrouw.
-ocr page 350-
HYMNUS OF LOFZANG
336
155 Dies roept hij: „Verder niet, eerst andwoord op mijn eisch!"
,,\'k Ben," zegt ze, „niet en schroomt, het ongebreideld
Vleisch,
Die niet verzwelgen kan, dat gij, door \'s Geests afraden,
Al de aangeboden gunst des Werelds gaat versmaden.
Wat dolheid gadij aan? ai, arm onzalig man!
160 Ontslaat u van \'s Geests juk, ontslaat u dien tyran,
Die zoo veel zielen plaagt, en, vol van jaloezije,
Haar \'t leven bange maakt, en drukt met slavernije:
Die \'s levens lust benijdt: die \'t lichaam pijnt en kruist,
En als \'t is afgereên, daar schielijk uit verhuist.
1Ö5 Zijn dienaars slaven zijn, en \'t loon, dat zij beërven,
Is, dat ze elks gaapspel zijn, en martelaren sterven.
Ontzegt \'s Geests dienstbaarheid: vertrouwt u \'s Werelds
Bruid,
En in haar schoonheid weidt, zij munt te wonder uit.
Verfoeit den engen pad: voldoet uws herten wenschen,
170 En volgt op \'t breede spoor den braafsten hoop der menschen."
„Verleidster! zijdij daar!" de strenge Ridder roept,
„Die \'t oor de slange leent, en van\'s Doods vruchten snoept!
0 snoode zielenpest, die, vleyende, ondertusschen
Den Geest na \'t leven staat, en poogt zijn zaad te blusschen,
175 Vermids hij lust noch trek tot uwe wetten heeft,
En \'t heil der zielen werkt, als hij u wederstreeft.
Wat moeder dat gij zijt, mag aan uw vruchten blijken,
Die alderminst Gods aard en \'s Duivels gants gelijken.
Afgoderije, haat, moord, twist, hoovaardije en nijd
180 Uwe eigen dochtren zijn, den Satan toegewijd.
Laatst zwoer ik u den dood: dorft gij mi) nog ontmoeten?"
Zoo scheldt de Ridder \'t Vleesch, en doodet voor zijn voeten,
\'t Vleesch geeft aldaar den geest, en \'t neemt zijn leste adieu.
Maar aan de slinker zijd\' hem weder, op een nieuw,
185 Een Ketter overvalt, heel statig, oud van wezen,
Die, stikziende, altijd doolt, en brilt van veel te lezen,
Die lezende versuft, en min tot kennis koomt.
De Ridder spreekt hem aan, en vraagt, waarvan hij droomt,
„\'t Was," zegt hij, „al van ouds \'t gevoelen veler wijzen,
190 Dat ijdel werd geloofd \'s vleeschs opstaan en verrijzen,
En dat elk kerkhof niet \'t verstorven bleek gebeent
Der doón opworpen zal, gelijk men dwaaslijk meent:
Want zoo d\' opstanding wat geloofs wordt toegeschreven,
Ontwijfelijk het is geschied al in dit leven.
170. Braafsten, grootsten. — 171. Zijdij daar, daar je bent. — 174.
Blusschen, \'t leven benemen. — 183, 84. Spreek de rijmwoorden uit adju
en nuw. — 193. Grielt, grabbelt.
-ocr page 351-
VAN DE CHRISTELIJKE RIDDER.
195 Is \'t niet een fijne klucht en rechte kinderspot,
Dat \'t lijf verrijzen zal als \'t eenmaal is verrot?
Zoo \'t waarheid strekken mag, gewis, hoe wil men vloeken,
Als elk om \'t eerste grielt, en gaat zijn beenen zoeken!
Daarbij verdicht men nog, zoo vremd als praatgemeen,
200 Dat Christus \'t vierschaar Gods, zijns Vaders, zal bekleên:
Maar zoo \'t waarachtig is, wat zal men toe gaan schrijven
\'t Vertragen van zijn komst, en \'t stadig achterblijven?
Want van dat \'s werelds lamp eerst blonk aan \'s Hemels glas,
Nature een zelve blijft, en alle ding als \'t was:
205 D1 een eeuwe d\' ander volgt, d\' een zomer volgt den andren,
En hoe zeer d\' aard veroudt, nog spoort men geen verandren:
Den hemel hemel blijft, d\' aard aard, de zee blijft zee:
Dies komt hij nimmermeer, of is te zelden ree."
„Vlied," zegt de Ridder, „vlied, Aartsketter! valsch verrader!
210 Gaat, veilt uw logenkraam den Duivel, uwen vader;
Gaat, preekt den Sadduceên, en die geen hope en heeft:
Ik waan niet, maar ik weet, dat mijnen Heiland leeft,
Die, ware Ionas, uit \'sgrafs walvisch, na drie dagen
Weer \'t licht des hemels zag: die zoo vele heugen zagen;
215 En door die zelve macht, en door die zelve geest,
Waardoor hij eens zijns zelfs opwekker is geweest,
Hij \'t menschelijk geslacht zal uit \'s doods slaap opwekken,
En voor den rechterstoel des grooten Rechters trekken,
Wanneer hij, als een zon, de dikke wolken breekt,
220 De deugd met heil bekroont, en zijn versmaadheid wreekt,
\'t Vertrekken van zijn komst veroorzaakt, dat hij goedig
Niet wil des zondaars dood, maar hoopt zijn boet lankmoedig.
Hoe lang zijn komst vertraagt, \'t wordt t\' zijnder tijd vervuld,
Maar \'t wil te spade zijn, als gij \'t gelooven zult!"
225 De Ketter schaamrood deinst, en fluks verrijst, door \'t gapen
Des aardrijks, een gedrocht, dat, eislijk en wanschapen,
Noch mensch noch dier gelijkt, en met drie pijlen mikt
Met zijnen strengen boog: dies onze Ridder schrikt,
\'t Wreed monster briescht hem toe: „Gedonderd uit der
Hellen,
230 Verschijn ik, \'s afgronds Vorst, om eeuwig u te kwellen,
Vermids gij vruchteloos op uwen Christus hoopt,
Vergeefs in zijnen naam besprengd zijt en gedoopt.
Der zonden zijn te veel, die u voor God verklagen.
Die zoo wel \'s nachts als daags u voor den Rechter dagen:
235 Slaat uws gewetens boek eens open, daar zoo naakt
198. Grielt, grabbelt. — 199. Praatgemeen, naar liet praatjen loopt.
— 224. Wil, zal.
VONDEL I.                                                                                                       22
-ocr page 352-
338                  HYMNUS OF LOFZANG, Enz.
Uw pleit heeft uitgediend, en \'t vonnis is gemaakt:
En effen als uw hoop, zoo is \'t geverwd geloove,
Daar gij vergeefs op steunt, dat u voorlangs ten roove
Des Atgronds heeft verklaard en \'s Leeuws keel overgaf.
240 Wat is uw wangeloove? is \'t anders iet als kaf?
Als stopplen hooi en strooi, \'twelk voor den heeten toren
Van Gods rechtveerdigheid versmilt en gaat verloren?
Is \'t anders iet als waan en dwaasheid ingebeeld?
Is niet geveinsde schijn de pop, waarmee gij speelt?
245 En wat is \'s Hemels God doch, als een uitermaten
Ondraaglijk wreed Tyran, die weerdig is te haten,
Veel min aanbiddens weerd: vermids hij ieder-man
Een wet stelt, die hij-zelf niet onderhouden kan;
Nog eischt hij, dat elks mond zal van zijn goedheid roemen,
250 Daar hij elks onheil wil, en lacht in ons verdoemen!"
O wonderbaren storm! zijn pijlen nu verspild
Ter-stond afstuiten op des vromen Ridders schild,
Die zich aldus verweert: „Erfvijand aller zielen!
Serpent! Leeuw! Draak! ou Slange! hoe lang zult gij uwe
255 Opheffen tegen God en al wat hem aankleeft? (^hielen
Zielmoorder! Logenaar! die d\' ijdle locht doorzweeft,
Die \'s werelds Prince zijt, en in uw boeyen kluistert
Al wie u de ooren leent, en na uw smeeken luistert.
De misdaad overweegt wel, die mijn ziel bevlekt:
260 Maar Gods barmhertigheid haar nog veel wijder strekt.
Mijn zonden zijn bloedrood en geenszins om vergrooten,
Maar rooder is nog \'t bloed, \'twelk Christus heeft vergoten:
\'t Geloove is zwak in mij, dit baart mij zwaar verdriet:
Maar God, de liefde-zelf, verwerpt den zwakken niet.
265 Ook is Hij lievens-weerd, die kocht ons aller leven,
Doen Hij zijn waardste pand aan \'t kruis ging overgeven,
Doen Hij ons Iesus gaf zoo deerlijk, zoo bebloed,
Die \'s Vaders toorn verzoent en al ons schuld voldoet,
Die ons dien geest verwerft, waardoor wij allegader
270 Zijn medebroedren zijn, en roepen: Abba, Vader!"
Voor zulken andwoord ruimt de booze Geest zijn plaats,
En vlucht den name Gods.
De Ridder wint den kaats:
Dies hij den Hemel looft: van waar hem zijnen Koning
Door d\' Englen \'s levens kroon opoffert tot belooning:
275 „Vroom ridder!" zeggen zij, omvlecht, omvlecht uw hoofd
Met den laurieren-krans, die Iesus heeft beloofd
258. Smeeken, vlcyen. — 260. Haar, zich. — 276. Laurieren-krans;
de ie druk (van Paulus van RavesteyiV) heeft La uren krans.
-ocr page 353-
KLINKERT.
339
Die onder de baniere haars hoofdmans vroomlijk strijden,
Die leden zijn haars hoofds in droefheid en in lijden;
Vroom Ridder! neemt dien krans van uwen Kapitein,
280 En hebt met hem zijn kruis en zijn triumf gemein!"
De Ridder triumfeerde, als \'t ruischen van de boomen
Mijn zoete rust versteurde. Ik overlei de droomen,
Daar \'t hert mee was belast: \'sdrooms beeld, dacht ik, gewis
De waarheid niet altijd heel ongelijk en is.
%tmUxi
OP DE WONDERLIJKE REIZE VAN DEN
HOORNSCHEN MEERMAN WILLEM
CORNELISZ. SCHOUTEN.
(1618.)
ALs over Hooren blies de Faam haar gulden horen,
Hoe Schouten d\' aardenkloot op nieuws was omgegaan,
Niet meer, als andre, door de Straat van Magellaen,
Maar de engte van Le Mair, zoo niemant deê te voren; —
5 „Nu is," sprak Ferdinand, „mijn eeren-krans verloren!"
Draak vuur en vlam uitspoog, en Thomas zag men staan
Versuft door wangeloof; Van Noord sprak welberaan:
\'t Is oly in het vier, om na iets nieuws te sporen!"
En Spilbergh naauwlijks nog \'t gerucht en kwam verrassen:
10 „Nu leggen" (riep hij) „al mijn spillen in der asschen!"
O, Magellaen! vaartwei, Draeck, Candisch, Olivier,
En Speilberg. die tot nog geweest zijt trouwe makkers;
\'t Is heel met ons gedaan; de Schout komt met zijn rakkers,
Fluks jongens! op een zij, en pakt u wech van hier!"
5. Ferdinand, Fernando de Magalhanes (geb. 1470, vermoord 27 April
1521.) — 6. Draak, Sir Francis Drake (\'54° f l59^\\) — Thomas, Sir
Th. Cavendish (f 1591). — 7. Van Noord, Olivier van Noort (geb. 1588,
t 1627). — 9. Joris van Spilbergh (f 31 Jan. 1620.)
-ocr page 354-
GRAFSCHRIFT OP BREDERO.
SUR L\'ADMIRABLE NAVIGATION
DE
GUILLAUME SCHOUTEN,
natif de Hoorn
Epigramme.
CE Thiphys baptizant les Tritons jamais veus,
Et rendant tousiours mieux nous 1\' Inde tributaire,
Sur 1\'autel de Neptune or a payé ses voeux,
Et s\'est fait immortel dans 1\'estroit de Le Maire.
L\'estroict de Magellan, menacant de naufrage
Nos nefs, a deux costez emmuré de Rochers,
Mettez or en oubli, car d\'un plus seur passage
Est Schouten porte-clef, pour vaguer 1\'univers.
1619.
&ï<xffc§xift op (greoeto
Hier herbergt \'t lijf, wiens geest in kluchten munten uit,
En met veel boerterij steeds zwanger ging van hersen;
Wien Charon willig voerde om zunst in de oude schuit,
Vermids de zieltjens droef nog lachten om zijn farcen.
(In latere, verzwakte, lezing:)
5 Hier rust Breêro, heengereisd,
Daar de boot geen veergeld eischt
Van den geest, die, met zijn kluchten,
Holp aan \'t lachen al die zuchten.
1. Thiphys, stuurman der Argonauten. — Grafschrift. Gerbrant Adriaensz.
Bredero, geb. 1585, f 23 Aug. 1618. — 3. Om zunst, voor niet.
-ocr page 355-
GEUZE-VESPER OF ZIEKE-TROOST.
VAN DEN HEER
JOAN VAN OLDENBARNEVELT.x/x
Dit \'s Grootvaar, van wiens deugd geen eeuwen zullen zwijgen;
Hij deê zijn Rechters zelf het haar te berge stijgen,
Toen hij ter vierschaar kwam al even wel gemoed.
Zijn vijand dronk de dood aan zijn onschuldig bloed.
VOOR
de Vier-en-Twintig.
OP DE WIJZE! BRANDE PARTINICE.
I.
HAd hij Holland dan gedragen
Onder \'t hart,
Tot zijn af-geleefde dagen,
Met veel smart,
A7.V. Het sterren van den beurtelings lustigen en boctvaardigen Breéroó zal
Vondel niet bizonder getroffen hebben. De mennonietsche Diaken was doorgaands
in eenc te hoog ernstige stemming om veel voor den dichter van „Lucelle", bij
diens leven, te hebben kunnen voelen. Maar een andere dood, die Vondel wel diep
moest treffen, was de gerechtelijke moord, aan Oldenbarnevelt voltrokken. Vondel
was anti-Maurits, die het politiek vond met de calvinistische predikanten meê te
gaan; hij was een aanhanger en vereerder van Oldenbarnevelt, het hoofd der
tegenovergestelde politiek. Als Doopsgezinde, als Poorterskind te Amsterdam, als
edelmoedig hart, moest Vondel wel diep verontwaardigd wezen over het lot, dat
men den Advokaat had toebedeeld. Zijn allegoriesch treurspel „Palamedes" is eerst
later verschenen, en schijnt ook een vrucht van de jaren si
—2j; maar de kortere
gedichten, vlammend van bittere ergernis schijnen niet later dan ióiq te kunnen vallen.
Merkwaardig is in ieder geval, dat de viering van Breéroó tot het zelfde jaar
behoort als die van den Advokaat. Vit de eerste blijkt de sluimerende zin van
Vondel voor het komieke; de tweede schijnt mij het teeken tot zijn „verslingert\'\'\'
raken aan ,jieloude en bloe\'nde treurtooneelen."
De uitdrukking „Geuzen-Vesper of Zieke-troost voor de Vier-en-twintig\' weet ik
niet redelijk te verklaren. De
vespers zijn de avondpsalmen: de zieke-troost is de
stof der bediening van den ziekentrooster: maar dit brengt ons weinig verder.
Misschien wil Vondel zeggen: „Dit is de uitluiding van het Calvinisme, van de
Geuzen, en voegt er ironiesch bij: tot troost der conscié\'utie-zieken."
Volgends sommigen zouden de vaerzen op het „Stoksken" maar van /ójo—jS
dagteekenen.
Oud-ÏIolland. /, ijg.
Oldenbarnevelt, geb. 14 Sept. 1547, Amersfoort, f \'s-Grav. 13 Mei, 1619.
\\
-ocr page 356-
342           GEUZE-VESPER OF ZIEKE-TROOST.
5 Om \'t meineedig zwaard te laven
Met zijn bloed,
En te mesten kraai en raven
Op zijn goed?
II.
Maar waarom den hals gekorven?
10
           Want zijn bloed
Was in d\'aders schier verstorven;
In zijn goed
Vond men nooit de Pistoletten
Van \'t verraad,
15 Uitgestrooid om scharp te wetten
\'s Volleks haat.
III.
Gierigheid en Wreedheid beide,
Die het zwaard
Grimmig rukten uit der scheide,
20
           Nu bedaard,
Zuchten: „Wat kan ons vernoegen
Goed en bloed?
Och, hoe knaagt een eeuwig wroegen
Ons gemoed!"
IV.
25 Weest te vreên, haalt Predikanten,
West en Oost!
Gaat, en zoekt bij Dortsche Santen
Heil en troost!
\'t Is vergeefs, de Heer koomt kloppen,
30
           Met zijn Woord;
Niemand kan de wellen stoppen
Van die moord.
BESLUIT.
Spiegelt, spiegelt u dan echter,
Wie gij zijt;
35 Vreest den worm, die dezen Rechter
\'t Hart af-bijt;
Schendt uw handen aan geen Vaders,
Dol van haat!
Scheldt geen vromen voor verraders
40
           Van den Staat.
13. Pistoletten, het geld, waarmee Frankrijk hem omgekocht zou hebben.
- 15. Uitgestrooid, het gerucht namelijk.
-ocr page 357-
HET STOKSKEN.                             343
(Béfpréft op §d (Braf
VAN WIJLEN DEN HEER
JOAN VAN OLDENBARNEVELT.
VREEMDELING, KERKGALM.
Vr. \\V/Ie luistren om de vraag eens vreemdelings te hoo-
yy ren?                                                  K. Ooren.
Vr.            Wie stopt \'s Lands Voorspraak hier den mond met
dezen steen?                                    K. Een.
Vr. Mauritius? Wat kon den Landvoogd dus verstoren?
K. Tooren.
Vr. Zoo heeft hij om verraad hem \'t leven afgesneên?
K. Neen.
5 Vr. Was \'t om de vrijheid dan met kracht op \'t hart te
treden?
                                                       K. Reden.
Vr. Wat mist al \'t Vaderland bij \'t korten van dien draad ?
K. Raad.
Vr. En brak men meer dan \'t recht der vrijgevochte steden ?
K. Eeden.
Vr. Wat baart dit, nu elk voelt, hoe veel zijn dood ons
schaadt?                                                      K. Haat.
Vr. Wat moet men doen die met den Dwingland t\' zamen-
zweren?
                                                      K. Weren.
10 Vr. Zou dan hun hoogmoed haast verwelken als het gras?
K. Ras.
Vr. Wat zal men Barnevelt, die \'t juk zocht af te keeren ?
K. Eeren.
Vr. Wat wordt de dwingeland, die \'t Recht te machtig was ?
K. Asch.
%tt $<otfStn
VAN
JOAN VAN OLDENBARNEVELT,
VADER DES VADERLANDS.
M8".
wensch behoede u onverrot,
ok en stut, die, geen verrader,
\'Maar \'s vrijdoms stut en Hollands Vader
Gesprek. 2. Voorspraak, Advokaat. — 3. Landvoogd, Maurits.
5- Reden, ja, juist.
-ocr page 358-
344               KRACHTELOZE PAPENBLIXEM.
Gestut hebt, op dat wreed schavot;
5 Toen hij voor \'t bloedig zwaard most knielen,
Veroordeeld als een Seneka,
Door Neroos haat en ongenaa,
Tot droefenis der braafste zielen.
Gij zult nog, jaren achter-een,
10 Den uitgang van dien held getuigen,
En hoe Geweld het Recht dorf buigen,
Tot smaad der onderdrukte Steen.
Hoe dikwijl strekt gij, onder \'t stappen
Naar \'t hof der Staten, stadig aan,
15
         Hem voor een derden voet, in \'t gaan
En klimmen op de hooge trappen;
Als hij, belast van ouderdom,
Papier en schriften, overleende,
En onder \'t lastig landspak steende.
20
         Wie ging, zoo krom gebukt, nooit krom!
Gij ruste van uw trouwe plichten
Na \'t rusten van dien ouden stok,
Geknot door \'s bloedraads bittren wrok: —
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.
%xM$ttfyt (papénBifytfm,
TOE-GEEIGEND
LAMOTIUS EN WALAEUS,
BIECHTVADERS VAN DEN HEER
Joan van Oldenbarnevelt.
DE Goden hadden Bogerman den blixem betrouwd,
Om die tegen ontucht heilig te gebruiken;
Die schijn-neiligen Engel werd hier op stout,
En schon al d\' edelste vruchten en schoonste struiken;
5 Ja, hij dreigde de Zee-goden zelfs te doen duiken.
Dies zij hem ontwapenden door een wettig besluit.
Doen behiel hij geen heiligdom als leêge kannen en kruiken;
liet stoksken. 18. Overleende, gebukt ging. — 22. Ouden stuk, stok-
ouden man. — Papenblixein. Biechtvaders, de predikanten, die Oldenbar-
nevelt, 111 zijn laatste ure, bijgestaan hebben. — 1. Als Voorzitter van de
Nationale Synode te Dordrecht. — 2. Ontucht, onrechtzinnigheid. — 5.
Zee-goden, de Landschap-synode van Vriesland, die besloot Bogerman af te
zetten. — 7. Men zegt dat B. een nathals was.
-ocr page 359-
OP JOHAN UYTENBOÜAERT
345
Hij stofte op zijn ban-blixem, maar de kracht was er uit,
En hoogst-wanende te vliegen bezweken zijn vleugelen.
10 Nu strekt hij maar een moolik voor slechte veugelen.
Bisschoppelijke praal en pronk van Godgeleerdheid,
Die Leyden vrijen woudt van twist en schoolverkeerdheid,
Gij wikt het al met reen, en zulk een regel wraakt,
Die God verschept en tot den slimsten Duivel maakt;
5 Uw tong den lastermond van Bogerman kon snoeren,
Die \'t Dortsch besluit met macht geweldig uit most voeren.
Öp ^acoBu^ QUminiuff
Dit \'s \'t aanzicht van Armijn, die \'t zij hij schreef of sprak,
Het heilloos noodlot van Calvijn gaf zulk een knak,
Dat Lucifer nog beeft voor \'t dondren van zijn lessen,
En d\' afgrond zwoegt en zweet, om stoppen deze bressen.
5 „Sus, kraamvrouw!" sprak hij, „sus! schei vrij gerust van hier,
God worpt geen zuigeling in \'t eeuwig helsche vier."
Dit is de wijze mond, die menig met verwondren
Hoorde onder \'t grof geschut van Nassouws leger dondren,
Een, die voor \'t vaderland te sterven was bereid,
Werd hatelijk vervolgd en \'t vrije land ontzetd.
io. Moolik, vogelverschrikker. — Episcopius, geb. Jan. 1583, Am-
sterdam, f 4 Ap. 1643. — Arminius, geb. 1560, Oudewater, f Leyden, 19
Okt. 1Ö09. — Uytenbogaert, geb. 11 Feb. 1557, Utrecht, f 4 Sept. 1644.
-ocr page 360-
OP EEN MOORDPASQUIL.
346
DOOR DEN HEER
PETER SCHRIJVER,
VOOR HET BIJSCHRIFT GESTELD 01\' d\' AFBEELDINGE VAN
DEN HEER
ROMBOUT HOOGERBEETS,
PENSIONARIS VAN LEYDEN.
W\'
e zag meer leeds,, aan Hoogerbeets
ls Schrijver, Hollands Martiael,
Die, toen \'t schavot den ouden strot
Zag sneven door \'t meineedig staal,
5
           Het heilig bloed nog rookte,
En wraak de harten kookte,
Tot roem van Roembout, Hoorens licht,
De vierschaar beet in \'t aangezicht:
„Is dit de deugd vergelden?
io
           Is dit de loon der helden?
Wie vond ooit man van grooter lof?"
Dat woort ontstelde \'t gansche Hof;
Het klonk tot in den kerker.
De lijder wierd veel sterker,
15 Vermids, toen elk een tong ontbrak,
Ons Schrijvers spitsche penne sprak.
©p ttn (flloorbpaerq uif,
BIJ EEN ANDER GEDICHT,
EN MOEDWILLIG OP MIJNEN NAAM GEDRUKT.
MEn durf op mijnen naam uit haat in druk uitgeven,
Dat ik Mauritius berooven wil van \'t leven,
Ten dienst des Bataviers, om d\' eere van een beeld:
\'k Vergeef de schuld den haat, die mij dit heeft gespeeld.
Op de boeten. Eene andere lezing van dit vaers is meer tegen Prins Mau-
rits gericht, en is na zijn dood geschreven. — 3. Oldenbamevelt. — 15, 16.
Andere lezing:
Naerdien, toen elck een tongh ontbracU
Ons schrijvers pen noch waerheyd sprack.
-ocr page 361-
HIERVSALEM, VERWOEST.                      347
gierufafem, SfcrJBoeffc™
TREURSPEL,
DEN JODEN TOT NADENKEN,
DEN CHRISTENEN TOT WAARSCHOUWING,
ALS OP HET TOONEEL VOORGESTELD.
(l620.)
Matt. XXIII.
Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.
Virg. in /Eneas I. Boek.
Hier zijn de tranen van ons sniert,
En d\' ongevallen roeren \'t hert.
AAN MIJN BROEDER,
OP HET TREVRSPEL DER IODEN.
KLINKER T.
EUripides, die heeft de aanschouwen lang voorhenen
Ten oogen eenen vloed van peetien uitgedrukt,
Als Hecuba bedroefd, uit haren throon gerukt,
Beschreide Troyens val; met zuchten en met stenen;
5 Maar gij, o Broeder\', der Hierosolymitanen
Droef Treurspel ons vernieuwt en klagelijke moord,
Hoe deerlijk Titus heeft Ierusalem verstoord:
Om wien de vijand zich niet spenen kost van tranen.
Een wreed barbarisch hert moet schrikken, als V verstaat
10 Hoe Sions heerlijkheid en pracht te gronde gaat:
Hoe Salomons gebouw met zijn vergulde daken,
XX. De Klinkert op liet treurspel is van dien Ultiem v. d. Vondel, den 12
iaren jongeren broeder van Joost, van wien deze zeidc, dat hij hem ver te boven
ging. De vader had Willem dan ook te Orleans in de rechten laten studeeren en
een italiaansche reis laten doen; maar hij werd maar 28 jaar oud.
Cornelis Pietcrsz. Hooft, aan wien dit treurspel is opgedragen, uit een reeden-
en schippersfamilie gesproten, was handelaar
en gros en en détail, niets minder
dan een
grand seigneur: een der grondleggers van ons nieuwe Patriciaat.
De toespraak ,^ian den gedichtlievenden lezer" is reeds een pleidooi voor de
tooncclkunst, toegepast op gewijde stoffen. Onder het schild van den Oud-Burge-
meester waagt de dichter het, ondanks zijne kerkelijke Overheden, aan te toonen,
dat hij niets anders doet dan wat de koninklijke harpenaar Davitf\' en de godde-
lijke dichter leremias" vóór hem gedaan hebben. Bovendien hij brengt immers
(tneent hij) het stuk niet op het tooneel;
V is maar ,jils op \'t tooncel voorge-
steld\'" behandeld: maar aan het slot dezer voorreden laat hij het volk ,jnet
opgestcken ooren en gapende monden" naar den „inhoud van het spel luisteren".
Klinken. 8. Wien, nam. Jerusalem.
-ocr page 362-
348                     HIERVSALEM, VERWOEST.
De machtigste pilaar van 7 vruchtbaar Joodsche land,
Is //ingeworpen; hoe eens moeders eigen hand
Haar teder kind uit nood gaat tot spijsoffer maken.
Guilhelmus Vondelius.
DEN ERENTFESTEN, ACHTBAREN, WIJZEN, EN
VOORZ1EN1GEN IIEERE
CORNELIS PIETERS Z. HOOFT,
RAAD, EN OLD BURGERMEESTER
DER OM DES WËERELDS OMMELOOl\' WIJD BEROEMDE
KOOPSTAD AMSTELREDA M.
Mijn Heere,
w
Anneer de heilige Paulus den Christgeloovigen vermaant
te bidden voor Koningen en alle, die in macht en hoog-
heid gesteld zijn, opdat wij een gerustig en stil leven
mogen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid: zoo leert hij
ons al stilzwijgende, hoe wij wijze en vrome Overheden be-
hooren met eerbiedigheid te omhelzen, als eenen grooten zegen
Godes en fonteine, waardoor allerhande heil en welvaren ons
bekwamelijk toevloeit: want gelijk een treffelijk filozoof zegt:
„ubi prasses fuerit philosophus, ibi civitas erit felix" (die Stad
zal gelukkig zijn, daar de Overheid wijsheid zal nasporen). De
proeve hiervan hebben wij, naast eenige jaren herwaards, gehad
in deze onze vereenigde Nederlanden, die, met de hulpe des
Alderhoogsten, zoo vele gevaren gelukkiglijk zijn voorbijge-
zeild, door het voorzichtig en wijs beleid van hare getrouwe
en vrome Regeerders, die, als zorgvuldige Vaderen, voor het
welvaren des Vaderlands en deszelfs vrijheid gedurig hebben
gewaakt, gebraakt, en alles uitgestaan. De weerdigste vrucht van
deze arbeid is, dat vele duizend verjaagde menschen in den
schoot en het gebied der doorluchtige Heeren Staten gastvrij
zijn geherbergd en lieflijk gekoesterd, en die, in veilige scha-
duwe^ gezeten, niet meer hoeven te vreezen de grimmigheid
van die, uit het voorborg der Hellen opgedonderde, Spaansche
Alecto, die drie-maal haar geslangde perruik geschud hebbende,
met haar fakkel het vuur stak in de mutsaarden en rijsbossen,
die de palen en staken bekleeden, waaraan dagelijks vele vrome
Christenen wierden vastgemaakt, die midden in de vlammen
Iesus Christus lof toezingende, hem lijf en ziele opofferden, tot
eenen zoeten en Godbehagelijken reuk. Indien wij ernsthaftig
Brief, rcg. 4. Gebraakt, genaclubraakt?
-ocr page 363-
HIERVSALEM, VERWOEST.
349
overwegen de, als in het hemde ontvloden, wreedheid, en we-
derom de genoten ruste en veiligheid: gewisselijk wij moeten,
geperst zijnde van een dankbaar gemoed, met de aan strand
opgeworpen JEncas uitbarsten en roepen:
O die gij neemt alleen, van ons Trojaansche gasten,
Het leed ter herten en de ondragelijke lasten:
Die ons het overschot der Grieken, hier gestrand,
En uitgeput van \'t ramp te water en te land,
5 Nog herbergt in uw stad en huis, met rouw bewogen; —
O Dido! \'t staat noch in ons macht, noch in \'t vermogen
Van \'t volk van Dardanus, dat overal berooid
Dwaalt om den ganschen kreits des aardrijks, wijd verstrooid,
Verschulde dankbaarheid naar eisch u op te dragen:
10 De Goón (zoo verre nog een Godheid schept behagen
In ware Godes-vrucht, zoo billijkheid nog plaats
Bij iemant heeft, en een gemoed, dat zich niet kwaads
Maar \'t goed bewust is) \'t loon u na verdienste jonnen.
Wat blijder eeuw heeft u gebracht in \'t licht der zonnen!
15 Wat treflijke oudren u geteeld tot ons gewin!
Zoo lang de mindre vloên afloopen zeewaart in,
Zoo lang de schaad\'wen op de bergen gaan en merren,
En \'s Hemels as geleidt de vlook gewelfde sterren,
Zal duren uwen naam en faam met lof en eer,
20 Het zij wat land mij roept, of werwaards ik verkeer.
Onze E. E. en A. A. Overheden nu in het algemeen voorbij-
gaande, en mij in het bizonder tot uwe E. wendende: gi), mijn
Heere, hebt met heilzame raden vaken dezes Stads en der hooger
Heeren Staten vergaderinge bekleed, en, uw eigen voordeel te
rugge zettende, het gemeene best na tijds gelegenheid gevorderd
en helpen vorderen; zoo dat geen verstandige zich met recht
zal belgen, dat wij oorzaak nemen, in uwe E. persoon, te ver-
heffen en als aan te bidden de zeer heusche en beleefde Regee-
ringe, onder wiens vleugelen wij zoo gerustmoedig hebben
geschuild, en den grooten God gedankt, die over ons had ge-
steld zoo mild-aardige en bescheiden Goden, de welke, na het
getuigenisse van eener, die, mijn Heer, in het gezond oordeel
van burgerlijke zaken niet ontaard, zijn
uitblinkende, als in \'t goud het heldere gesteent.
, Daar mangelt dan bij de goede ingezetenen niet anders als
10. Al eet o, eene der Furiën. — 7. \'t Volk van Dardanus, de Trojanen.
— 18. Vlook, hol, boogvormig.
-ocr page 364-
HIERVSALEM, VERWOEST.
35°
dankbaarheid: weshalve, om, onze beleefde Regeerders, in uwe
E. persoon, na mijn gering vermogen een gering teeken van
aller ontvangen weldaden erkentenisse te toonen: zoo offere ik
uwe E. dit mijn Treurspel van het verwoeste Hierusalem, of, om
zoo te spreken, mijn tranen, uitgestort over den bloedigen onder-
gang van het Iodische volk. En dat nog zoo veel te liever, over-
mids uit uwe E. lendenen gesproten is die Groote APOLLO,
die onze Nederduitsche tale den dag en zijn voortreffelijk ge-
slacht schoonder luister geeft: en wiens gulde rijmen in het voor-
hoofd van aanzienelijke Stads-gebouwen kunstig gegraveerd, en
in de kerken boven de tomben met goude letteren in gladde
toetssteen uitblinken, en de voorbijgangers al verbaasd ophouden.
Ontvangt dan, mijn Heere! deze mijn geringe dank- en schuld-
offer, meer ziende op den wille als het klein vermogen, en
bereikt, o wijze, grijze en landnutte Raadsheer! Nestors statige
en veeljarige ouderdom, ten goeden van ons gemeen beste.
t\' Amstelredam, dezen 20. van Loumaand, 1620.
Uwe E. en A. gants onderdanige
J. V. VONDELEN.
AAN DEN GEDICHTLIEVENDEN LEZER.
DAT de Alderhoogste van het onmenschelijk bloedvergieten
eenen afkeer heeft, zulks hebben ook de blinde Heidenen
eenigszins gedroomd en gevoeld: want zij ontzagen, den
altaren en den dingen, die zij heilig schatten, te genaken met
handen of kleederen, die besprenkeld waren met beesten- of
menschenbloed. Dit geeft Virgilius, door zijnen vluchtenden
iEneas, eensdeels te kennen, daar hij hem doet spreken:
Wilt, Vader! kuische vingren aan
d\'Huisvaderlijke Goden slaan;
\'t Waar mij een schandvlek, rechtevoort
Die, nu ik uit zoo versche moord
5
                 En zulken slachting koom gevloón,
Te roeren, eer ik rein en schoon
Heb afgewasschen \'t lauwe bloed,
In \'t water van een frissche vloed.
En Homerus door zijnen strijdbaren Hector:
\'t En past niet, dat me God Iupijn
R. 7. Groote Apollo, Pieter Cornelisz. Hooft. — 3. Rechtevoort,
ter-stond.
-ocr page 365-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   351
Met onrein handen offert wijn:
De schaamt\' verbiedt me nu \'t gemoed
Van menschenslachten en van \'t bloed
5
                Ontsteld is, voor den Goden luid.
Te storten mijn gebeden uit.
En gewisselijk God de Heere schijnt hier in bijna met zich
zelven te strijden, wanneer hij den Koning David, die voorge-
nomen hadde hem een huis te timmeren, aldus aanspreekt:
„Gij en zult mijnen name geen huis bouwen, want gij zijt een
krijgsman en hebt bloed vergoten." Hier uit vloeit dan niet als
te krachtiger, gelijk ook de koninklijke Profeet leert, dat de
dood der Heiligen weerd gehouden is voor den Heere: hetwelk
ook betuigd werd door de schrikkelijke oordeelen Gods, geveld
over de tyrannen, die zijn vol verdrukten, en haar handen in
het bloed der rechtveerdigen verwden. Hoewel dit den loden,
zoo uit de Wet en Profeeten als anderszins, overvloedig bekend
was. nochtans hebben zij haar niet ontzien Gods Profeeten en
zendboden te dooden en te steenigen, gelijk de Heere Christus
henluiden zulks in het Euangelie voorwerpt; alle welke zonden
en grouwelen zij ten lesten hebben opgehoopt met het onmen-
schelijk bloedstorten en kruicigen van de verschenen Zaligmaker,
die, naar Esaias\' voorzegginge, doen hij gestraft en gemarteld
wierd zijnen mond niet opdede, als een lam dat ter slachtbank
geleid wordt, en als een schaap dat stom wordt voor zijnen
scheerder, en zijnen mond niet op en doet, en die zoo klagelijk
door den Psalmist uitroept: „Mijn God, mijn God! waarom
hebstu my verlaten?" en nog: „Ik ben een worm, en geen
mensche, eenen spot der lieden, en verachtinge des volks; alle
die mij zien sperren den mond op, en schudden den kop."
Maar na dat nu de Goddeloze menschen haren bloeddorstigen
moed gekoeld en die afgrijselijkste zonden volbrocht hadden,
zoo is de wrake des rechtveerdigen Rechters hun kort op de
hielen geweest, en zij zijn, van dag tot dag, aan alle kanten
jammerlijk overvallen, als van stormen en piasregens van aller-
lei plagen en ellenden, die eerst met den eindlijken en geheelen
ondergang des Iodischen volks zijn ge-eindigd: gelijk Iosephus,
Egesippus, en andere Geschichtschrijvers daarvan op het breedste
handelen, en Carolus Langius zulks zijnen Lipsius kort en ge-
leerdelijk als in een tafel voor oogen stelt, zeggende: „Laat ons
van Iudea beginnen, dat is van een heilig land en volk Gods."
Ik ga voorbij hetgene zij in Egypten, en na haren optocht uit
R. 4 v. o. Lipsius, Joost Ups, geschiedschrijver, groot Latinist, geb. bij Brus-
sel, il! Okt. 1547, f Leuven, 23 Maart. 1606.
-ocr page 366-
HIERVSALEM, VERWOEST.
352
Egypten, geleden hebben: want dat is ons duidelijk genoeg in de
heilige boeken nagelaten: ik kome tot de zwaarste en tot die
gene, die als aan haar uitvaart behooren. Hetwelk ik best elk
in het bizonder als met een register zal verklaren. Zij hebben
dan met het in- en uitlandsche oorloog dit uitgestaan:
Voor eerst zijnder te Ierusalem door het bevel van Florus
gedood zes honderd en dartig.
Te Cesariën op éen tijd van de inwoonders, uit haat van het
volk en de godsdienst, twintig duizend.
Te Scythopolen, een stad in Syriën, dartien duizend.
Te Ascalon in Palestynen, ook van de inwoonderen, twee
duizend vijf honderd.
Te Ptolemaïde van gelijken twee duizend.
Te Alexandriën in Egypten onder de voogdije van Tiberius
en Alexander vijftig duizend.
Te Damascus tien duizend.
En dit alles heeft zich als door een beroerte en oploop toe-
gedragen: en daar na met een wettelijk en openbaar oorloog van
de Romeinen:
Ioppe ingenomen wezende, zijnder van Cesius Florus verslagen
acht duizend vier honderd;
Op zekeren berg Cabulon twee duizend;
In de slag bij Ascalon tien duizend;
Wederom door verraad acht duizend.
Te Aphaca, als het ingenomen was, vijftien duizend.
Op den berg Garizim zijnder verslagen elfduizend vijf honderd.
Te Iotapata, daar Iosephus-zelf was, ontrent dartig duizend.
Ioppe andermaal ingenomen wezende, zoo zijnder verdronken
vier duizend en twee honderd.
In Taricheè\'n zijnder verslagen zes duizend vijfhonderd.
Te Gamaliën, zoo verslagen, als die haar zelf vande steilte
wierpen, negen duizend; en daar is in die Stad niet éen mensch
behouden gebleven, als twee vrouwen, wezende gezusters.
Giscala verlaten wezende, zijnder in het vluchten gedood twee
duizend, en zoo vrouwen als kinderen gevangen drie duizend.
Van Gadarensers zijnder verslagen dartien duizend, en ge-
vangen twee duizend twee honderd, behalven die in ontallijke
menigte in de rivier gesprongen zijn.
Inde dorpen van Idumea zijnder verslagen tien duizend.
Te Gerasiën duizend.
Te Macherunten duizend twee honderd.
In het bosch van Iardes drie duizend.
In het kasteel Massada, die haar zelven hebben gedood, negen
honderd sestig.
-ocr page 367-
HIERVSALEM, VERWOEST.
353
Te Cyrenen zijnder van Catulus de Landvoogd verslagen
drie duizend.
Maar gedurende de belegeringe, zijnder in de Stad Hierusalem
zelf, gestorven en verslagen tienmaal honderd duizend, en ge-
vangen zeven en negentig duizend.
Dit getal beloopt, behalven ontellijke die achtergelaten zijn,
twelf-maal honderd en veertig duizend. Wat zegdij Lipsius?sladij
hier over uwe oogen nederwaards? heft ze liever op: en schroomt
niet met mij, de veeljarige oorlogen van gantsch Christenrijk met
de nederlage van dit eenige volk te gelijken: maar hoe kleinen
stuksken lands en hoop volks is dat geweest ten aanzien van geheel
Europa?" Dus verre uit Lipsius.
Daar zien wij, wat het kost den Vorst des levens te dooden,
en het bloed, dat genoegzaam is tot een rantsoen voor des
feheelen weerelds zonden, op zoo geringe weerdije te stellen,
let de aandachtige oudvader Hieronymus mogen wij van Ieru-
salem spreken: „Fame perit, ante quam gladio." (De stad ver-
gaat eer door den honger als door het zweerd), en liever, als
een volkomen verhaal te doen van de ellenden, die gedurende
de belegeringe voorgevallen zijn, willen wij, ons daarover ver-
wonderende, met den poëet roepen:
Quis cladem illius noctis, quis funera fando
Explicet? aut possit lacrymis aequare labores?
Urbs antiqua ruit, multas dominata per annos:
Plurima perque vias sternuntur inertia passim
5
           Corpora perque domos, et religiosa deorum
Limina.
Dat is:
Wie zal de lijken, wie de neêrlage ons verklaren
Van die vervloekte nacht? of konnen evenaren
Met tranen al het leed? Die oude Stad, die stond
En had zoo lang \'t gezach, stort plotseling te grond.
5 Veel olik volksken men alszins ter neer doet stromplen,
Langs straat, in huis, en op der Goön gewijde dromplen.
Iosephus, zelf een Jode, erkent deze nederlage te zijn een
bizondere goddelijke wrake, overmids de tyrannen te Ierusalem
meer door vreeze als nood uit hare onwinbare vastigheid we-
ken; en Titus, na het veroveren der Stad, zich verwonderende
over den geweldigen bouw van torens en muren, en der stee-
R. 21 De poëet, Virgilius. — 5. Olik volksken, onaanzienlijk volk-
jen. — 6. Drom pel en, drempels.
vondel I.
23
-ocr page 368-
354                   HIERVSALEM, VERWOEST.
nen hooge. groote, en behendige te-zamen-voeginge zeide: „Ge-
wisselijk, God heeft voor ons gestreden, en zelf den Joden uit
zulke vestingen gedreven; want wat menschenhanden of storm-
geveerte mocht hier tegen gelden?" Dit wordt, behalven uit
meer omstandigheden, die wij om de kortheid voorbijgaan, ook
hiermede bevestigd, overmids zij niet van een onmenschelijk
tyran maar van een goedertieren Prince bestreden zijn, die
liever haar behoud als ondergang zocht, en gehouden wierd
voor de wellust en het vermaak des menschelijken geslachts.
Dat dienvolgende de Romeinen dit voor een uitnemende over-
winning hebben geacht, blijkt uit het heerlijke zegefeest, oter
der Joden nederlage te Romen gevierd: alwaar Vespasiaan,
Titus, en Domitiaan, met loverkransen en purper gecierd, de
triumfpoorte inreden: daar der Romeinen beelden en afgoden,
midsgaders de Arke des Verbonds, de gouden tafel, Moyses\' en
Aarons roede, vier tempelstijlen, de\' toombrooden, den gulden
kandelaar, de wettafelen, en andere heiligdommen, met een
wonderbaarlijke pracht, statig heromme gevoerd wierden, en
daar de schare van de gevangen Joden, dragende de handen op
den rug gebonden, en naakt ten halve lijve, hun vijanden een
gaapspel verstrekten, en met haar versmaadheid der Heidenen
statie verheerlijkten. Van deze gehouden zegefeest getuigt nog
op huiden te Roome de Arca triumphalh of Triumf boge, staande
in via sacra boven de Kerke van S. Maria nova, opgetrokken
van schoone marmor, en met goud gecierd: in dewelke deze
woorden in steen, tot een eeuwige geheugenisse, uitgehouwen
staan:
Senatvs popvlvsqve Romanvs divo Tito divi Ves-
pasiani Filio, Vespasiano Avgvsto, et ob victoriam
et perpetwm —
de volgende letteren heeft de nijdige tijd en grijze ouderdom
uitgewischt. Ook is er nog een ander schrift aldus:
S. P. Q. R. Imp. Tito, Caes. divi Vespasiani Filio,
Vespasiano Avgvsto Pon. Maximo t r i b. post. Imp.
P. P. Principi svo, qvi praeceptis triae consiliisq.
et avspiciis, gentem Ivdeorvm domvit, et vrbem
Hierosolymam, omnibvs ante se dvcibvs, regibvs,
gentibvs, avt frvstra petitam, avt omnino in-
ten ta, DELE VIT.
Zoo leeg zijn die gene gedaald, die tot den Hemel en aan
de sterren verheven waren, een volk, dat eertijds met God en
de Engelen gemeenschap hadde: zij, wien vuur, water, aarde,
-ocr page 369-
HIERVSALEM, VERWOEST.
355
«n locht ten dienste stonden, zijn alle dingen tegen geweest,
en hebben het al tot vijand gehad, en Rsome heeft den roem
wechgedragen van tot den grond en ondersten wortel toe uit-
geroeid en verdelgd te hebben een oude Koning- en Priester-
lijke Stad, die, na veel geleden aanvechtingen, van haar eerste
grondlegginge 2177 jaren hadde gestaan. Onze versmitste Cu-
nasus mag wel zeggen: „Ita vertuntur subitö cuncta, & omninö
natura, quae ad originem rerum parcè utitur viribus suis, ad
ruinam toto impetu venit" (alzoo wordt alles schielijk te gronde
gesmeten, en de nature die tot der dingen oorsprong al heel
spaarzaam hare krachten bezigt, komt met volle geweld ten
bederve). En de mond der waarheid voorspelde geen ijdele
droomen, als hij sprak: „Hier zal niet eenen steen op den
•anderen blijven, die niet afgebroken zal worden." Het overschot
der Joden heeft sedert in gedurige ballingschappen jammerlijk
omgezwerfd, en allerlei zwarigheden bloedig en ellendig uitge-
staan. Zoo de kinderen der voorvaderen misdaad bekenden, zij
zouden billijk beklagen, dat haar ouderen riepen: „Zijn bloed
zij op ons en op onze kinderen!" want, gelijk Prudentius zingt:
Exilijs vagus huc illuc fluctantibus errat,
Iudaeus, postquam de patria sede revulsus,
Supplicium pro caede luit, Christique negati
Sanguine respersus commissa piacula solvit.
Dat is:
De Jood, zijnde uit den stoel zijns vaderlands gerukt,
Dwaalt vluchtig hier en daar in ballingschap verdrukt,
\'s Moords strafte draagt, en met \'s verzaakten Christus\' bloed
Besprengd, zijn misdaad en begangen zonde boet.
Niemant, hopen wij, zal ons leep en overdweers aanzien, dat
wij dit groote Treurspel hier wederom, als op het Tooneel, te
voorschijn brengen, opdat men aanmerke Gods strengheid over
die gene die gevallen zijn: aangezien wij hierin als op het spoor
navolgen den heiligen en brandendcn ijver van de Konink-
lijke harpenaar David en de Goddelijke dichter Ieremias: van
welke beide, deze, in zijn Klaaglieden, heeft beweend de
verstoringe der Stad Gods en des gantschen Koninkrijks, en de
ongelukken bij het Jodische volk uitgestaan onder den Baby-
lonischen Nebucadnezar; — die, met zijn snarenspel, getreurd
over de bloedstortinge en aanstoot, dewelk Ierusalem van de
tyran Antiochus te verwachten stond. Effen alzoo beklagen wij
R. 6. Versmitst, geslepen, schrander. — 29. Leep, schuin.
-ocr page 370-
35<5                     HIERVSALEM VERWOEST.
mede het uiterste en grootste jammer, dat de dochter Siom
onder de Roomsche Keizeren Vespasiaan en Titus is overkomen»
en vieren de uitvaart dezes beroemden geslachts. Mijn Zange-
resse, van den hoofde ten voeten toe in rouwe, treurt over die
verwoesting, die Christus, aller Engelen en geloovigen blijschap,
tranen gekost heeft, onaangezien hij dezes versteenden volks
wreedheid in zijnen vleesche voelde, en den kelk der bitterheid
korts van haar ontving. Maar och, hoe vaak hebben wij ge-
wenscht, dat onze rijmen mochten andwoorden de weerdigheid
van de stoffe, voorwaar zoodanig wezende, dat wij hier van
onze geringheid moeten roemen, en belijden, dat het maar
stukwerk is wat wij voortbrengen; want het gene de Latijnsche
Treurspeelder, door zijn van droefheid overwonnen Konin-
ginne, uitschreeuwt:
— — — — — — non unquam tulit
Documenta Fors majora, quam fragili loco
Starent superbi; —
het zelfde mogen wij, door onze bedrukte Vorstinne, aldus
uitroepen:
Het lot en wees nooit klaarder aan,
Hoe slibbrig dat de trotsche staan.
En zullen wij met Euripides, Seneca, en andere poeëten din-
gen na den palm, dat is, om wie van ons beiden hoogdravender
en uitnemender zaken verhandelt: de Joodsche stammen van
wegen haar afkomst zijn bij ons niet leeger geadeld, als de
Frygen bij haarlieden. De dochter Sion wijkt niet voor Hecuba,
noch Ierusalem voor tien Trojens. Ginder was de kerk van
Minerve: hier des Heeren tempel, dat zesenveertigjarige getim-
mer, hetwelk aller uitheemschen oogen in Syriè\'n lokte, en
waarin de Nijd niet als enkel schoonheid verachte. Daar stond
het Palladium: hier school de Arke des verbonds, bedekt met
goude Cherubijnen en meer heiligdoms, elk om het heerlijkste.
(Jok is de Iordane, die den Israëlieten week, en de beke Cc-
dron, over dewelke Iesus ging, meerder als Xanthus. Davids
burcht gaat Ilium te boven. Zij hebben het Grieksche leger,
wij de Roomsche heerkrachten aangevoerd. Hare Oversten en
voorbarigste waren Agamemnon en Menelaus, Achilles en Pyr-
rhus: mijn veldheeren zijn Vespasiaan, de strijdbare Titus, zijnen
zone, en andere. Laat ze al naar best Laomedon, Priamus en
R. 13. Treurspeelder, Seneca. — Koninginne, Hecuba, in Senecaas.
„Troades". — R. 3. v. o. Voorbarigste, de haantjens.
-ocr page 371-
HIERVSALEM, VERWOEST.
357
Hector roemen: ik zal Iosua, Gedeon, David, Salomon en de
andere Koningen en Helden prijzen. Willen ze met de Ama-
zone Penthesilea pronken: ik zal met Debora, Iudith en zulke
heldinnen brageeren. Zij hebben de Rhaeteesche heuvelen, be-
wandeld van zoo veel doorluchtige mannen, gezongen: wij de
heilige bergen, vaak betreden van zulke, die, haar werk onder
maan verricht hebbende, als blixemen door het azuur en het
goud des blinkenden Hemels na den vrolijken stoel Gods op-
voeren. Wederom, die verzierde twist rees uit Paris\' oordeel:
deze uit Pilatus\' vonnis. Gene Scheidsman oordeelde Venus te
gevalle, om de schoone Helena: deze Rechter den Joden, om
de keizerlijke gunst. De een gaf een gewaande Godinne den
twistappel, als het verdiende pand van hare schoonheid: de
ander leide den betuigden levendigen Zone Gods het kruis op
zijn schouderen, als verschulde straffe van zijn mismaaktheid.
Cytherea behield op Ida den zege: Christus wierd op Galvariè\'n
gedoemd; en zoo voort. Dit dan aldus tegen malkanderen over-
wogen, zoo ziet men, met een half oog, welke stoffe van bei-
den meest weegt, en hoe de Zonne des Heiligen Geestes alle
Heidensche sterren met haren glans uitdoet.
Indien de Lezer gretig is om de nuttigheid van dit werk en
de oorzaken van Israëls val na te vorschen, hij geve den Engel
Gabriè\'1 gehoor, wien wij, in het einde, de verklaringe des zelfs
bevolen laten. Maar ontbeid, ik zie aireede het tooneel openen,
en het volk, met opgesteken ooren en gapende monden, na den
inhoud van het Spel luisteren. Het is hoog tijd, dat wij zwijgen.
HET INHOUD.
ZEDERT dat de Joden hare grouwelen en zonden, begaan in het dooden
en vervolgen der profeeten, hadden opgehoopt met het onmenschelijk
bloedvergieten en mishandelen des onschuldigen Lams, en andere vrome
Heiligen Gods: zoo heeft haar verdoemenisse niet geslapen: want Florus.
-die namaals van de Keizer Nero was gesteld als Landvoogd over ludea,
ontstak met zijn inslokkende gierigheid en onverdraaglijke wreedheid den
brand van tweespalt: waaruit vele jammerlijke beroerten en bloedige
slachtingen tusschen Joden en Romeinen langs hoe meer zijn ontstaan:
zoo dat eindlijk de Keizer veroorzaakt was Fespasiaan, als Feldoverste
over het Syrische krijgsvolk, derwaar ds te zenden: die, vergezelschapt
met zijnen zone, Iotapata (daar Iosephus gevangen wierd~) en voords
het Jodische land met meest alle de omliggende plaatsen vermeesterd en
Ierusalem bezet hebbende, tijdinge kreeg, hoe, na Neroos rampzalige
,1
dood, Galba en Otho omgekomen wezende, Vitellius het gebied tot ziek
p.. 24 Ontbeid, genoeg.
-ocr page 372-
358                    HIERVSALEM, VERWOEST.
getrokken hadde: waarom de Roomsche hoofdluiden hem drongen het
Keizerdom te aanveerden en derwaards te trekken, gelijk hij ook dede,
latende Titus de volendinge van het aangevangen oorloog bevolen.
Ondertmschen was het te Ierusaletn zoo verre gekomen, dat ze, alt
in slagoor de, in drie rotten vijandelijk gedeeld stonden; te weten: de-
Zeloten, die Eleazar aanhingen, hadden den tempel, lohannes het
onderste, en Simon Giore zoon het opperste deel der Stad in. Titus, hier-
van verwittigd, heeft deze gelegenheid waargenomen, en in het
72. na
Christus\' geboorte, ,twelk is het tweede jaar van Vespasiaans Rijke, op
den \\\\en van de maand April, als de Joden haar Paasch\'feest vier-
den, de Stad met zijn ruitertje berend, belegerd, en eerlange, na veel\'
gehouden schermutselingen en gedane stormen, met een muur in drie
dagen tijds bezet en besloten: waarop gevolgd is een onlijdelijke honger-
snood, die de burgerlijke beroerten dede aangroeien, en ontallijke men-
schen versmachten: zoo dat ze genoodzaakt waren de doode lichamen
over Stads muren in de grachten te worpen, ja, een edel Joffrouwe
spijze van haar onnoozel kind most bereiden.
De tiende dag van Oogstmaand wierd het vuur in de Tempel ge-
steken, daar een onmenschelijke slachting gebeurde, en alle Priesterlijke
gebouwen afbranden. En hoewel de Keizer hun vaak kulde aanbood,
en haar beloofde in genade op te nemen, zoo zij haar goedwillig over-
gaven: nochtans volher den zij in de voorgaande halstarrigheid, tot dat
ten lesten, op de achtste dag van Herbstmaand, de overstad gewonnen,
en alles in vuur en bloed wierd gesteld.
Na de overwinninge ontbrak het den Roomschen Soldaten aan geen-
derhande moedwil en wreedheid, over de verwonnene te plegen. Titus,
de schuldige na haar verdienste gestraft, en zeven honderd jongelingen,
sterk van lichaam, tot het aanstaande zegefeest, dat hij te Rome dacht
te houden, uitgezonderd hebbende, bedankte zijn krijgshiiden voor haar
dapperheid, in de strijd betoond, verplichte haar manhaftigheid met
den verkregen roof en eerlijke ambten, en offerde dankbaarlijk, op de
heilige plaats des Tempels, zijn Goden. Daarna stelde hij Terentius
Ruffus tot Overste van zijn tiende bende, die hij tot bezettinge liet van
de verwoeste Stad, en vertrok met het gansche leger en de gevangenen*
En dewijl de geschichtboeken melden, dat Simeon Christen Bisschop, met
zijn heilige vergaderinge, volgends het ontvangen Godlijk andwoord, van
Ierusalem te Pella vluchte, en, als Judea wat in ruste was, weder te
Ierusaletn metter woon kwam: zoo hebben wij, om ons geheel werk
Christelijker wijze te verklaren, en alles leerlijk voor oogen te stellen,
verzierd, dat, hij met de zijne weder keerende, als het leger juist ver-
trokken was en de verwoeste Stad bezichtigende, hun de Engel Gabriël,
met een Hemelsche klaarheid aangedaan, verschijnt, die henluiden vol-
komentlijk ontsluit de oorzaken van den val en ondergang des Jodischett
R. 20. Hulde, genade. — R. 23. Overstad, bovenstad.
-ocr page 373-
HIERVSALEM, VERWOEST.                 350
volks, met meer omstandigheden, die daaraan vast zijn. Daar hebdij
het kort inhoud van ons Treurspel, genomen uit Iosephus
2. 3. 4. 5.
6. en 7. en Egesippus 2. 3. 4. en 5. en Eusebius 2. en 3. en Carions
3. boek, en uit meer andere schrijvers. Het tooneel is op, rondom, en
ontrent de verwoeste plaatsen, daar het krijgsvolk legert, en Ierusalem
gestaan heeft.
Aan de Joodsche Rabbijnen.
K LI N K E R T.
DE rei uws Priesterschaps was als van blijschap dronken,
Doen Iesus hing aan \'t hout, met ermen uitgestrekt,
Gekruist, gegeeseld, en bespogen, en begekt,
Om dat hem was den Kelk der bitterheid geschonken.
5 Zij dachten luttel, dat Rechtveerdigheid, die, boven
In \'s Hemels gulden schoot, de weegschaal recht ophoudt,
\'t Onschuldig bloed meer schat als fijn Ophiriesch goud,
En telt al \'t zuchten van de Waarheid, hier verschoven.
Maar als de dag aanbrak, die God beschoren had
10 Tot wraak van \'t schelmstuk van die Godvergeten Stad
En \'t volk, dat veilig dacht te staan op heiige dremplen,
Doen zag men baar wat zonde al plagen met zich brocht,
En dat de Boosheid tot geen borstweer strekken mocht
Geweld van muren, noch schijnheiligheid van Templen.
,                                                             Door een is V nu voldoen.
DE TREURSPEELDERS ZIJN DEZE:
Iosephvs, een dapper Voorvechter der Joden.
Titvs, de Keizer.
Librarivs, Ratmeester.
De Rei van Roomsche soldaten.
De Dochter Sion.
De Rei van Staat-Jonfren.
De Rei van Joodsche vrouwen.
D e R e 1 van Jodinnen in \'t algemeen.
Phineas, Priester.
De Rei van Pnesteren.
12. Baar, openlijk.
-ocr page 374-
3<$o                    HIERVSALEM, VERWOEST.
Terentivs, Hopman.
Fronto, Drosiaart.
Simeon, Bisschop van Ierusalem.
De Rei van Christenen.
Gabriël, een Engel.
HIERVSALEM, VERWOEST.
DE EERSTE HANDEL.
IOSEPHUS.
E Wrake Gods in \'t einde, als ze eens raakt
op de beenen,
Ziet vuur noch water aan, noch ijzer, staal,
noch steenen,
Maar wroet al voort, en vindt ter weereld niet
zoo zoet,
Als der godlozen merg, en \'t snoö verbasterd
bloed.
5 Vergeefs hij zich beschanst, die droomt haar uit te sluiten,
Te spade bolwerkt hij, die haar geweld wil stuiten,
Om zunst hij met een diepte haar af te snijden tracht,
Die aarzelt noch om schans, om bolwerk, noch om gracht:
Scherprechterse al te streng! wie zou, ja moet niet vreezen
io De stramen van uw roede, uw zweep, en taaye pezen,
Waarmee gij gaat te keer, en \'t vel stroopt van de rug
Des geens, die Goddeloos den zonden welfde een brug.
Gij hebt, Ierusalem! haar strengheid mogen voelen,
Als gij haar gramschaps gloed met \'t purper most verkoelen,
15 Dat van uw lenden droop, en langs uw boezem zeep,
Als u van pijn en smerte een hertvang \'t hert beneep.
Ach, lijden! lijden, ach! ik moet afdwaan en droogen
Mijn aanzicht, steeds aan vocht van mijn bekreten oogen,
Wanneer me in \'t weeke brein een wasem dik opschiet,
20 Uit mijn beklemd gemoed geperst van groot verdriet,
Verdriet, dat voor een dood mij pijnt met duizend dooden,
Zoo vaak ik mij verbeeld het treurspel van de Joden.
Verrijst, o Daniël! en roert uw koud gebeent\',
Die in uw ziel voor lange hebt onzen val beweend,
25 Als gij, man Gods! zoo diep gingt in d\' afgronden visschen,
En waden in de zee van Gods geheimenissen:
Komt, troost d\' ontschaakte maagd van Sion, afgetreurd.
15. Zeep, van zijpen, doorzweeten, vloeyen. — 16. Hertvang, hart-
kramp. — 17. Afdwaan, afwisschen. — 18. Steeds aan, altijd door. —
Vocht, vochtig. — 27. Ontschaakt, geschonden.
-ocr page 375-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   361
Want zoo gij \'t hebt gespeld, zoo viel haar \'t lot te beurt:
Komt, wascht haar tranen af, want eislijk en wanschapen
30 Gaapt haar verwoesting nu, en dreigt te blijven gapen.
Wij zijnder eens geweest: met Iuda is \'t gedaan:
En Sions grondvest grijnst mismaakt den Hemel aan:
Des Heeren heiligdom (ach, ach! \'t gaat me aan de zinnen!)
Ter Hellen neêrgezakt is met zijn hooge tinnen.
35 Helaas, Ierusalem! gedoemd ten zweerde en vier,
Uw hoogmoed is gedaald, uw zonden staan u dier;
Uw zonden staan u dier, uw hoogmoed is gevallen,
En gij ligt onder \'t puin begraven van uw wallen.
Had \'t avontuur van \'t lot doch te Yotapata
40 Mijn leven niet verschoond, als ik zoo na, zoo na
Stond op \'s doods oever, zoo gereed om te verdrenken,
En afgestreên mijn ziel aan \'t Vaderland te schenken,
Zoo had ik niet gehoord, hoe hemel, aarde, en zee
Verzuchte, als Iacobs huis beweegd wierd van zijn stee:
45 Fij! dat ik voor \'s Doods schicht zoo ang was en verschrokken,
Doen, in dat gapende hol, die zweerden uitgetrokken
Mij dreigden, als ik d\' een met smeeken nog ophiel,
En d\' ander aangreens, dat hem \'t hert en \'t staal ontviel.
Waarom maakte ik mijn graf niet in die afgronds-kolken,
50 En liet aan \'t lemmer, koud, mijn warme bloed niet stolken?
Waarom volgde ik niet na, mijn krijgsliê voorgetreên,
Doen van die moord ontsloop Iosephus, en nog een?
Iosephus, die nog most, in der Romeinen handen,
De ceedren van ons kerk zien blaakren en zien branden!
55 \'t Is waar, ik sleip geen boei, noch kwijn in slavernij,
Want daartoe \'s Keizers hert te zeer hangt over mij:
Hij viert mijn hoog geslacht, en wil met lompe kluistren,
Noch \'t Koningschap in mij, noch \'t Priesterdom ontluistren.
Hij weet, wat wijsheid ik doorsnuffelde in mijn jeugd!
60 Hoe Galilea kan getuigen van mijn deugd
En vroomheid, die hij toetste in d\' uiterste henouwdheid:
Hij ziet mijn jaren aan, en eert mijn statige oudheid:
Dit ken ik, en \'t is waar: maar zal mij zulks van druk
Ontslaan, als ik gedenk der stammen ongeluk?
65 Als ik een handvol zie van onze Abrahamijten
Gespaard tot leider leed haar hert te bersten krijten:
Zoo ben ik wel ontaard, en in den grond verzet
Van d\' ijver, die mijn ziel verplicht aan Moses\' wet:
Maar neen, eer zij mijn faam in Israël gelasterd:
34- Ter Hellen, in den afgrond. — 48. Aangreens, aangrijnsde. —
50. Stolken, stollen. — 66. Leider, droever. — 67. Verzet, afgeweken.
-ocr page 376-
3<S2                     HIERVSALEM, VERWOEST.
70 Eer hou mij Iacob voor zijn speelkind en zijn bastert:
Eer loochen God \'t verbond, bezegeld als ik, heesch
Van schreyen, de achtste dag besneên wierd aan mijn vleesch.
Eer ik een mate stelle, of voor mijn dood laat enden
Den rouwe, die ik scheppe uit Israëls ellenden!
75 Ligt mij dan nog aan \'t hert zoo na de droeve staat
Van \'t lieve Vaderland, hoe is dan zulken haat
Op mijn onnoozelheid gebraakt en uitgespogen,
En uit mijn zuivre borst zoo veel vergifs gezogen?
O Zon! die zonne en mane en sterren schenkt haar licht,
8© Die d\' helsche duisternisse ontdekt met uw gezicht,
Die d\' afgrond van het meer met d\' appels van uwe oogen
Verraadt,^ en bij den nek geveinsdheid grijpt en logen:
Ik dage u heiliglijk, en bidde u, dat gi) tuigt,
Of iemants dreigement of gunst mijn vroomheid buigt;
85 En dat uw boosheid, die om wraak riep, gij tyrannen\'
Die tegen \'t Vaderland de ketens hieldt gespannen,
Mij toon\', waar, na \'s wets eisch, ik heb mijn recht verbreukt,
Of waar \'t eenvoudig kleed is van mijn trouw gekreukt.
Hoe dikmaal naderde ik uw veel bestormde veste,
90 Om af te stuiten \'t ramp van \'t algemeene beste,
En bood uit \'s Keizers naam u hulde en vrundschap aan!
Helaas, maar al om sunst! het water liet men staan,
Men keerde hem niet om \'t vuur des ondergangs te blusschen,
Men vloekte, en kwetste mij al razende ondertusschen:
95 Mijn oudren, levenszat (wat onderstaat de wrok,
Of schaamt den haat zich niet?) die wierp men in den stok.
Maar is er wel een stuk te schendig aan te rechten
Voor die uit Sions kerk als uit een roofslot vechten?
Voor die, wiens dolheid kan noch moord, noch roof verzaan?
100 Voor die haar vingren aan \'t gewijde dorven slaan?
Voor die in \'t heiligdom als tijgerdieren brullen,
En \'t hooge koor met bloed en versche lijken vullen?
Wat heipet! wonder is \'t, hoe God zoo lange draagt
Een boosheid opgehoopt, daarvan den Hemel waagt:
105 \'t Is wonder nog, dat God haar kwaad niet vroeger strafte,
Als elk kerkschender dol hem als een hond aanblafte!
Hebt van verdiende loon nu overvolle maat,
En zwaarder wege uw straffe als uw bedreven kwaad,
Vervloekte Simeon! Ioannes, twists aanblazer!
110 ZeloterS; Salems pest! heilozen Eleazer!
Die gij te gader zijt verraders van die stad,
87. Verbreukt, geschonden. — 91. Hulde, genade. — 96. Stok, een
straftuig. — 104. Waagt, gewaagt.
-ocr page 377-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   363
Dien d\' Hemel, als zijn bruid, zich uitgelezen had:
\'t Onschuldig bloed, dat hier gestikt is in zijn wapen,
Hou steeds uw bleek gebeente onrustig, zonder slapen,
115 En d\' Echo, die in \'t woeste hier is de nachtegaal,
Tot wraak uw schimmen wekk\' des nachts wel zeven-maal!
Of scheptij nog de locht, en zieltoogt als gevangen,
Zoo schroei men u het hert met gloeyendige tangen,
Of bouwe een ander hel, die, ik weet naauwli|ks hoe,
120 Gerabraakt houde u ziel, en laat\' geen sterven toe.
\'t Bouwvallig Isr\'el, nu \'t vernield is met zijn stammen,
Door zweerd, pest, hongersnood, en aangesteken vlammen,
De ruiter, rijk van roof, zijn wonden zich getroost,
De schildwacht, afgebraakt, ontharnast wordt verpoosd,
125 De stormbok, blutsens moe, verpeistert wat zijn hoornen,
En \'t Roomsch veldteeken zwiert te dertel van de toornen,
Die Titus heeft verschoond, opdat, nog lang na hem,
Elk weet\' waar Roome liet \'t verwoest Ierusalem.
De tenten zijn vol vreugds, vol juichens, en bazuinen,
130 Men vlecht er niet dan palm en lauwer, om de kruinen
Der helden te beslaan met kransen altijd frisch.
En rust zich ten triumf, die maar een voorspel is
Van deze zegefeest, die aanstaat, daar gaat schuren
De Tiber blank van stroom de keizerlijke muren:
135 Maar ons twaalfstammig volk, een hoopken, dat nog\'t zwaard,
De pest, de dood, het vuur, en d\' honger heeft gespaard
Tot allerhande smaad, op haar triumfs-geruchten
Te deerlijk wedergalmt, en andwoordt met verzuchten,
Hoopt treurig klacht op klacht, en steent zijn hart in twee,
140 En is gelijk de geen, die in de wilde zee,
Na schipbreuk, schrijlings op den mast nog \'t lijf wil bergen,
Drijft tusschen klippen heen, en ziet geen oevers nergen,
Drijft tusschen vreeze en hoop, zwemt tusschen hope en vrees;
Zoo zwerft Iudea nu, die vaderloze wees!
145 O Vader, haars erbermt! slaat \'t aangezicht eens neder!
Die gij de baren temt, de blixems, en t\' onweder,
Temt \'s vijands razernije, en koelt, en lescht den brand,
Die van \'t woest krijgsvolk heeft geschrookt het ingewand;
Dat Isacs overschot geen ramp meer op zich lade,
15° Dewijl gij \'t nu beveelt der Heidenen genade!
117. Scheptij, schept gij. — 125. Verpeistert, verpoost.— 133. Aan-
staat, aanstaande is. — 150. Deze alleenspraak van Josiphus heeft al den
schijn, in eerste redaktie, eene verpersoonlijking van het Joodsche volk in den
mond gelegd geweest te zyn.
-ocr page 378-
364                   HIERVSALEM, VERWOEST.
Titvs, de Keizer. Librarius, Rotmeester.
Titvs:
Het noodgeheim der Goón heeft uitgediend ten lestsn:
Vermorseld zijn in puin de steigerende vesten,
En van \'t vervloekt geslacht, zijns levens zat en moe,
Is uitgerukt den boom tot aan den wortel toe.
155 Zoo Grieken afgestreên, met de uitvaart der Troijanen,
Zich ter onsterflijkheid den weg vermocht te banen,
Daar, na tien jaren strijds, nog eerst een zwanger peerd
Den brand van \'t oorloog dempt, en niet de deugd van \'t
Wat heeft dan d\' Hemel tot bezoldinge behouden (zweerd,
16b Daar Titus\' vroomheid mede is naar verdienst vergouden?
Door wien zoo diep gegronde en hemelhooge stad,
Als met een oogenwenk, geblixemd is zoo plat,
Dat hij, die na hem komt, heeft lichtlijk af te meten
Hoe eenen leegen val \'t hoog klimmen leert vergeten;
1Ö5 Daarbij, wat straffe hem dreigt, die d\' heiige wetten breekt,
De majesteiten kwetst, en aan den prikkel steekt.
Lof, Goden! voor uw gunst, die, in zoo groote alarmen,
Als taaye zeen\'wen waart aan \'s Roomschen veldheers ermen,
Dat zijn ontscheêde staal nooit keerde, moede en mat,
170 Als dronken van den bloede, en van \'t doorkerven zat;
Dat zijn gespannen peze hij, stout en onverschrokken,
Nooit heeft vergeefs gelost, noch ijdel ingetrokken,
Voor dit verleid gespuis in \'t stof begraven lag,
En \'t overblijfsel droef dk droevig schouwspel zag!
175 Mij dunkt, dat ik verneem de Faam, die uitgelaten
Laat klinken haar trompet te Roome langs de straten;
Daar, als de vader dut, voor \'t weerdste pand bezurgd,
Zij op de toornen daalt van \'s Keizers hoogen burcht,
En strekt Vespasiaen, om Titus half verlegen,
180 Een bood\' van deze feeste en onverwachten zegen.
O Hercules! hij zwijmt, hij flaauwt, de grijze man,
Om dat al t\' effens niet zijn vreugd uitbersten kan;
Maar als de ontschoten verwe hij weder heeft bekomen,
En opschiet, als een, die ontwaakt uit zoete droomen:
185 „Zijn", zegt hij, „dan de Joon gesneuveld door de deugd
Van \'t ijzer en van \'t staal van ons Romeinsche jeugd?
En mocht dat vast kasteel, met onbeklimbre muren
En krijgsliê telleloos, niet langer ons verduren?
Zoo mogen heden wij, met glorie overlaan,
190 Bij Caesar sterrenwaards na \'t huis der helden gaan.
!"• Dut, mijmert.
-ocr page 379-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   3Ö5
Zoo zag men eer Iuppijn toerusten om te strijden,
En in de ontstelde locht den Adeler beschrijden,
Van waar hij ongedreigd dien, die hem smaad aandeed,
Tot polver en tot gruis met zijnen blixem smeet."
ip5 Recht zoo \'t den reuzen ging, als zij haar krachten proefden,
En met den schoudren trotsch de bergen opwaards schroefden,
Na \'s Hemels zoldering, heel eislijk aan te zien,
Om uit vermetel brein den Goden \'t hoofd te biên:
Zoo ging \'t dees muiters, die, uit dwaasheid ingenomen,
200 Haar kanten tegen \'t Rijk van \'t wijd beroemde Roomen,
Dat steeds uitsteekt een borst met roemzucht opgevuld,
Dat aangedane smaad noch muiterije duldt,
Dat, strijdbre Pallas, met haar speer eens te verzwikken, (ken!
Doet siddren \'s werelds kreits, gedoodverwd door \'t verschrik-
205 De onzichtbre en preutsche maagd, nooit wapendragens moê,
Ik zie, zij lonkt op mij, mij dunkt zij knikt mij toe,
Aan \'t schudden van \'t heimet, aan \'t zwaayen van haar plui-
Uit blijdschap, dat ik doe haar heil\'ge thronen ruimen (men,
Een wederspannig aas, dat uit vervloekte nijd,
210 Haar kroon en zetel had ontluisterd en ontwijd;
Zij draait een hemelkloot, en overstaart haar helden,
Die zij vergode, omdat ze haar lijf en leven stelden
Voor \'t schaken van haar eere: haar hert bekommerd bernt
Uit dankbaarheid, om mij te plaatsen in \'t gesternt\':
215 Wijdheerschende Godin! waar zuldij Titus zetten?
Die met uws vijands brein en bloed zijn harnas smetten,
Doen, met geheven erm, hij \'t ijzer knersen deê,
En kloof, door stalen helm, hem \'t bekkeneel in twee,
Dat hij, gesneuveld, viel uit stegelreep en zadel,
220 Die ons braveeren wou met zijnen bastert-adel ?
Help, Iupiter! hoe wordt mijn ziel van vreugd geperst,
Wanneer \'t geheugnis van \'t verleen mijn geest ververscht,
Als mijn gedachten zijn met malen overladen
Van dezes rechter-hands onvergeleken daden,
225 Waardoor ik menig-maal \'s doods daggesteek ontging,
Gedurende het tempeest van dees belegering.
Als weerloos ik, om stads gelegentheid t\' ontblooten,
Eer ik mijn leger sloeg, kwam trotsch vooruitgestooten,
Gevolgd van sestig-maal tien ridders op den draf,
230 Ziet, een verborgen lage, ontrent Helenen graf, (sprongen,
Haar schoonst\' ziende, onverwacht mij heeft op \'t lijf ge-
En van den schoonsten hoop Rijks-eedlen afgedrongen.
213. Bernt, brandt. — 214. Plaatsen in \'t gesternt\', tot sterreliceld
verheven te worden; een hooge eer. — 224. Malen, raerkteekens.
-ocr page 380-
366                    HIERVSALEM, VERWOEST.
De vijand dreigt me aan d\' een, de stad aan d\' ander zij;
Wat gaat de Veldheer aan! De nood eischt, dat hij strij:
235 De sabel girst van leer, als kolen d\' oogen branden,
Al worstelende hij breekt door \'t midden der vijanden:
Recht als de leeuw (wanneer de jagers op haar luim
Opdondren, als hij is omcingeld op het ruim)
Zich vindende benaauwd, versmaadt der winden snorken,
240 Worpt vonken uit \'t gezicht, ziet knodsen aan noch vorken,
Laat de achterkiezen zien, brult met beschuimde muil,
En stuift door \'t lompe tuig met eiselijk gehuil,
Zoo redt zich Titus ook, of d\' haat hem schoon terwijlen
Groet met een hagelbui van uitgelaten pijlen:
245 Als of, in \'safgronds poel, hij met den Peleaan
Gedoopt was, om ter nood de wonden te versmaan;
Of als de schildknaap van Iuppijn, door dondervlagen,
Door hagel, wind, en storm, is wel gewoon te dragen
Den bliksem, die vaak scheurt de rotsen gul van \'t schuim,
250 Terwijl hij schadeloos verzengt noch schacht noch pluim.
Ben ik de Krijgsgod niet? die groeyende in de wapen,
Antonia den borcht, terwijl de Joden slapen,
Beklim, en drijf ze in \'t choor van haar gewijde plaats,
En groet met veldgeschrei den koets des dageraads?
255 Heeft niet dees rechter-hand den onderaardschen rijken
Met twalef schichten toegezonden zoo veel lijken?
Maar waartoe monster ik mijn deugden al-te-maal?
Laat tuigen van mijn deugd die schaarden van mijn staal:
Laat tuigen van mijn deugd zoo veel gebroken lansen:
260 Laat tuigen van mijn deugd die neergeslagen transen:
Laat tuigen van mijn deugd dat kerkhof, bang van doón:
Laat tuigen van mijn deugd die naklank, droef van toon:
Laat tuigen van mijn deugd die opgegraven straten:
Laat tuigen van mijn deugd de roof van mijn soldaten:
265 Laat tuigen van mijn deugd de smook, het puin, het vier,
En d\' adeler, die zweeft in \'t veld van ons banier:
Laat tuigen van mijn deugd dees gapende kwetsuren,
Eerteekens, die ik kreeg in \'t stormen op de muren!
Libr arius:
Aartsveldheer! wie ontkent, wie roept niet uit, dat gij,
270 Als \'t klevende cement van deze Monarchij,
Den grondvest t\' zamen-houdt, die anders licht mocht zakken
En scheuren, overmids zij met te zware pakken
234. Wat overkomt den Veldheer! — 245. Peleaan, de zoon van Peleus:
Achillcs. — 247. De uitg. heeft: Als of. — 249. Gul, week. — 258.
Deugd, ook kracht. — 261. Bang van do611, benaauwd van de lijken.
-ocr page 381-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   367
Van rijken gaargestouwd ondraag\'lijk is verlaan?
Wie ziet niet, dat gij aardt naar die Vespasiaan,
375 Die ons \'t gezicht uitsteekt met \'t weêrlicht van zijn kroonen?
Zijn gulde scepters strooit, en doolt in al de thronen,
Die voor hem open staan, van \'t helder dagende Oost,
Tot daar de post van \'t licht vermoeid in schaauw verpoost?
O spruit! die andwoordt diem, waaruit gij zijt gesproten,
280 Wat zijn zoo heerlijk hier wel treflijk opgeschoten
De telgen van uw deugd, in spijt van krijgs tempeest!
Wat is uw bloeisel ons een zoete vreugd geweest,
Een zoete vreugd geweest uw bloeisel, dat van boven
Gezegend, gaat het Rijk een rijken oogst beloven!
285 Gezaligd is die \'t ziet, maar zaliger die tijd,
Wanneer, na \'t zwanger gaan, de vrucht tot rijpheid dijt.
Hoe dikmaal hebben wij, Hoplieden, met ons allen,
Als gij in \'t harnas blonkt, gereed, om op de wallen
Voorop te klimmen, u al smeekende gebeên:
290 „Hoe nu, doorluchtig Vorst! hoe nu, waar wildij heen?
U wagen op den muur? voorbarig in \'t opsteigren?
Dat dulden wij geenszins, dat \'s tijd, als wij \'t u weigren,
Wiens leven buiten schaa kan slijten van \'t gemeen,
\'t Gemeen, wiens troost en heil hangt aan uw heil alleen.
295 Vaak een vervlogen punt kan d\' aldervroomste ook letten:
Dus wilt uw ziel zoo licht niet in de waagschaal zetten,
Dat gij de ondankbare aard bebloed mocht sprenklen rood,
En dit boosaardig volk doen juichen in uw dood.
Als \'t, met d\' hoofdpijler en den Atlas neer te vellen,
300 \'t Roomsch Capitolium verzinken zag ter Hellen
(Weert, Hemel! weert dien val!); en met wat reêns-beleed
Zou voor uws vaders throon onze onschuld zijn bekleed?
Verschoont ons dan in u, o Prince goedertieren!
Uw deugd bralt op den toets, gij moogt met eeren vieren."
Titvs:
305 Cieraad mijns Ridderschaps! uw zorge, uw wakkerheid
Voor \'t heir, voor \'s Keizers heil, die zijn als ingeheid
In \'t middelpunt mijns ziels; mijn noodhulp! \'t is zoo verre
Dat ik \'t sla in de wind, dat, eer de morgensterre,
Opduikende uit de zee (eer klaarder glans aanbreek),
310 Haar vlechtsnoer weigren zal haar tuiten zilverbleek,
Eer zal de frissche dauw aflaten van te drupplen
273. Gaargestouwd, samen-geperst. — 279. Andwoordt, over-een-
komt met. — 293. Wiens, wier. — 295. Vervlogen punt, verdoolde
pijl. — 301. Iteéns beleed, reden-beleid. — 304. Uw deugd schittert uit
op den toets; gij moogt er u gerust wat op voor laten staan. — 308, 310.
Eer zal de morgensterre aan haar kapsel de tuiten (stralen) onthouden.
-ocr page 382-
368                    HIERVSALEM, VERWOEST.
Op nuchtre kruiden, die ververscht van blijschap hupplen,
Eer \'t onvergolden blijft, of eer ik \'t loon ontruk
Hem, die litteeken brengt van eenig heldenstuk.
315 Een Maarschalk, die te vrek en traag is in \'t vergelden,
Bluscht uit de dapperheid van de onverschrokken Helden;
En wij, Monarchen, zelve, op hoop van rijken buit,
Om purper fijn van draad en scepters trekken uit,
Gaan ploegen woeste zeen en ongebaande steenen,
320 Vermeestren \'t uitheemsch volk, dat aarzelt voor ons henen:
Zoo prikkelt ons een lust, om onbeheerscht alleen,
Gelijk Iuppijn om hoog, te dondren hier beneên.
Libr arius:
Indien uws hoogheids ziel schiep ergends haar genoegen
Uit diensten, die misschien wij u verplicht opdroegen,
325 Of is er iet verschuld (hoewel een goed soldaat
Met eeden aan zijn Heer al naauw verbonden staat),
Duld, dat ik op uw deugd mijn bloodigheid mag enten,
Waar gij \'t verhemelt gaat uitspannen van uw tenten,
Duld, dat de lommer mij van uw laurieren dekk\'!
330 Waar gij den vijand veegt het lemmer door den nek,
Waar uwen stormbok dreigt, met zijn metalen hoornen
Te mortelen den voet en borstweer van de toornen,
Ik droom om geen soudij, noch andren palm als dit,
Dat mij het stof bekruize als gij te peerde zit.
335 De krijgsliê zijn in een gelukkige eeuw geschapen,
Als haren hoofdman bromt en uitsteekt in zijn wapen:
Dat helpt haar bloed aan \'t zien, en stookt zijn krachten op,
Dat het zijn schuim opwerpt uit eenen vollen krop,
En schielijk overzwalpt, [\'t] laat zijn ontsteldheid merken,
340 Hoe zeer men \'t dwingen wil in zijn bestemde perken.
Dat \'s d\' oorzaak, eer van Mars! dat ons Romeinsche jeugd
D\' hoofdslapen u omvlecht, en roemt, dat door uw deugd
Dees Hydra ligt gedempt, geschroeid, en omgekomen,
Die een" Alcides eischte en Hercules van Roomen.
345 Dien Typhon is gekneusd, die reutelt nog van spijt,
En zwavel, vuur, en smook uit zijn neusgaten smijt.
Zoo ooit ons Ridderschap had schoone buitekansen
Doen Hannibal ontvlood, een hertvang \'t groot Numanssen
En \'t oud Carthago smeet ter aarden, na veel twist,
350 Dat van ons Scipions eik-een te spreken wist\';
Zoo ooit ons krijgsvolk klom gelukkig over de Alpen,
Zoo wijd de Rhijn zijn strand gaat weêrzijds overzwalpen,
314. Litteeken, blijk. — 334. Bekruize, overgruize. — 348. Hert-
vang, benaauwdheid.
-ocr page 383-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   369
Passeerde als in slagoorde het Pyreneesch gebergt\',
Daar Vranckrijck Caesar bracht de sleutels ongevergd,
355 Bedwong van wereld afgeschovene Brittoenen
Den Rootnschen Tyber met haar manschap te verzoenen,
Of, om te lesschen-uit het smoken van de brand,
Die van dees Monarchie ontstak het ingewand,
Pompejus ruimen deê de velden van Pharsaliën,
360 En opdroeg Caesar de voogdije van Italiën; —
Zoo, zegge ik, Ridder ooit opgeven dorst zoo breed,
Om dat hij onder zoo beroemden veldheer streed:
Nog geven wij \'t niet op, noch Titus derf niet wijken,
Zoo Caesar zijn trofeên met hem wil vergelijken.
Titvs:
365 Dat Caesar Caesar is, die heir op heir verstrooid,
In \'t lest dees Monarchie heeft tot den top voltooid,
Voltooid, dat, bijaldien mocht Romulus verrijzen,
Hij zijn vergode ziel zou met verwondren spijzen:
Daar waagt de weereld af, zoo wijd den Hemel blaauwt,
370 En valt de Faam hierom d\' aardbodem te benaauwd:
Maar \'t is geen minder kunst, \'t gewelf van zoo veel Rijken
Te houden in een knoop, en gaar te houwelijken,
Als \'t is te rijzen doen een glorie, die zoo bromt,
Dat \'t aardrijk voor haar neigt, en zijnen rugge kromt.
Libr arius:
375 Dat bleek wel, hoe vergeefs de dappere Alexander
De rijken schakelde, als een keten, aan malkander,
Doen, als hij naauwlijks dronk een slaapdrank aan \'t vergift,
Zijn purperen gewaad in vieren wierd geschift:
Daar lag de praal in d\' asch. Monarchen! gaat oorlogen,
380 Uw vijanden ontzegt, en ziet haar onder oogen,
Bestoot ze, en overwint ze, en vat ze bij de kraag,
Half levende of heel dood, en viert haar onderlaag.
Ziet, waartoe dienen zal uw grootsheid opgeblazen,
Die al den ommeloop des weerelds kan verbazen,
385 Als uw nazaten, slap, verwijfd, en achteloos,
Zoo dier verkregen pand verslensen voor altoos.
Wordt Titus dan vergeefs gedankt van zijn voorzaten,
Die hem vertrouwden, en \'t Rijk hebben nagelaten,
Om dat hij \'t hoofd ophoudt van deze Monarchij,
363. Derf, behoeft. — 365. Die heir op heir verstrooid, nom. abs. — 369,
70. Daar maakt de vvaereld gewag van, zoo ver de Hemel zich uitstrekt, en
der Faam valt de aarde daarom te benaauwd, te naauw omgrensd. — 372.
Gaar te houwelijken, aan elkaar te verbinden. — 378. Geschift, ver-
deeld. — 380. Ontzegt, zegt [hun] den vrede op. — 382. Onderlaag,
nederlaag.
VONDEL I.
24
-ocr page 384-
370                   HIERVSALEM, VERWOEST.
390 Die onlangs scheen geneigd ten val door muiterij?
Ziet, hoe verlegen zij \'t hoofd in haar schelp ophalen,
Die waanden ons den tol met muiten te betalen:
Ziet, hoe als in uw schoot \'t ontzag wordt opgekweekt,
Hoe \'t al voor u verschrikt, en ijlig \'t mes opsteekt.
Titvs:
395 Dees wraak, bij ons zoo versch geoefend over \'t muiten,
Ontwijflijk zal veel ramps van onze staat afstuiten,
En d\' onverwelklijke eere en prijs, hierin behaald,
Werd door \'stijds nijdigheid noch ouderdom bepaald:
Die gloeit ons om het hert, dat schijnt van vreugd te zwellen:
400 Maar als wij wederom ons helden overtellen,
En mijmren in de rol der gener, welk zoo zuur
Gedurende \'t beleg deê sneuvlen \'t Avontuur;
Dan loopt al mijn gewin, vermids \'t verlies, verloren,
Om dat ik missen moet die Riddren welgeboren:
405 Nicanor, andren erm uws Maarschalks! waar zijt gij,
Die een gevederd hout deê slippren aan mijn zij?
Sabinus, luliaen, en meer ter dood gewonden,
Wiens geest, in \'t strijden, van \'slijfs kerker is ontbonden,
Wat is \'t, of ten triumf uw Veldheer overschiet,
410 Als uw gedachtenis hem \'t hert roert met verdriet?
Wat is \'t, of zijnen roem den wasem breekt der wolken?
Als hij u vallen, \'t bloed ziet uit uw lenden stolken?
Wat is \'t, of waartoe strekt —
Librarius:
Zacht, zacht, doorluchtig Vorst!
U-zelf genadig zijt, en kwetst uw edel borst
415 Niet met \'t vergiftig punt van zoo onnutten rouwe!
Titvs:
Zijn dan geen tranen weerd die Riddren, zoo getrouwe?
Librarius:
Doen zij gesneuveld zijn, wie heeft er niet getreurd?
Doch om dat van de Goön haar viel dit lot te beurt,
En \'t Avontuur des krijgs, \'twelk somtijds lust te schempen
420 In \'t sparen van de minste en d\' aldervroomst\' te dempen,
Haar leven stelde een maat; zoo moeten wij nochtans
Daarom bezwalken niet met rouw den schoonen glans
Van de overwinning, die den Hemel ons wou schenken:
Maar peinzen, zoo uw tonge ons vaken deê gedenken,
425 Eer wij, aan \'t stormen kloek, geherd door uw vermaan,
Als leeuwen haren roof, den vijand randen aan,
394. IJlig, haastig. — Opsteekt, weclisteekt. — 398. Werd, wordt.—
406. Gevederd hout, pjjl.
                                                          —v
-ocr page 385-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   371
Dat die gestemde tent, die van Hyacinthen schimmen,
En als een speelhof is doorluchtig opgetimmerd,
Geherbergd in haar schoot de zielen houdt der geep,
430 Die voor het Vaderland hier vielen afgestreên:
Terwijl op \'t gulle bed de bloode, klem van waarde,
Gaat zenden zijnen geest met \'t vuile lijk na d\' aarde.
Titvs:
Dat matigt mijnen druk, en troost mij, dat ik voel
Mijn eerste blijschap weer bezitten \'s herten stoel.
L1 b r a r 1 u s:
435 Als eenig hoofdman stort zijn bloed en ook zijn leven,
Betaalt hij \'tgene hij was zijn veldheer schuldig bleven,
Gebleven schuldig aan zijn veldheer en \'t gemeen,
Als hij haar lijf en ziel opdroeg met heilige een:
En wie, rechtschapen, zoude eens weigren uit te rekken
440 Zijn zeen\'wen, \'t knakebeen, zijn gorgel, en zijn nekken,
Al had de vijand \'t mes geheven met \'t gevest,
Als hij zich offren mocht aan \'t algemeene best!
Titvs:
Van ouds een goed Romein dat hield voor eenen zegen,
Wanneer de vijand hem kwam kittlen met den degen.
Librarius:
445 Niet waar? o zoon van Mars! betuigt niet ons gemoed,
De onsterflijke eer te zijn het alderhoogste goed?
Was dit die schoone niet, daar al de geen om dansten,
Die met haar vleesch en been het Keizerrijk beschansten,
Sint dat ons grondvest eerst, van Romulus geheid,
450 Wierd dierbaar in \'t cement van menschenbloed geleid?
Laat Mars bevolen dan zoo glorioze zielen,
Die hij vergodet heeft als haar gebeenten vielen,
En denkt om uw triumf!
Titvs:
Ik wil, ik wil voortaan
Bestieren wat zich rept en tuimelt onder maan,
455 En laten ze in haar feest die, heldiesch opgeklommen,
Beslaan de dorpels van der Goden heiligdommen.
Gij, Geesten, vaart dan wel, die boven op ons wacht,
En nu zoo spijtig steekt op \'s Keizers praal en pracht,
Om dat uw Roome krimpt zoo klein in \'t oog van verre.
460 Zóo krimpt óns wederom uw aldergrootste sterre:
Dus lacht niet al te scheets op \'t spits van uw gewelf:
427. Lees: Jacinthen. — 431. \'t Gulle bed, het zand. — 432. Voor
Hjk lezen Van Lennep en Van Vloten hier slijk. — 433. Dat, zoodat. —
448. Haar, hun. — 450. Menschenbloed, dat van Romulus. — 458.
Steekt, schimpt. — 461. Scheets, smalend.
-ocr page 386-
HIERVSALEM, VERWOEST.
372
Uw veerheid mindert niet ons grootheid in zich-zelf
En of gij Caesar vondt, zoo wilt hem doch verklaren».
Wat zweet het Titus kost, zijn scepters te bewaren:
465 Opdat hij uitsteke eens zijn blinkende aangezicht,
En groet zijn nazaat, die zoo trotsch te velde ligt,
En moedig heeft gekneusd d\' halsterrigheid der Joden,
Die eer zijn tollen \'t goud zoo ongeweigerd boden,
Maar korts haar oude luim in \'t brein gestegen kwam,
470 Als of met zijn vertrek \'t gebied een einde nam.
Maar gij, mijn Riddren en mijn afgestreên soldaten!
Die \'t avontuur des krijgs heelt ten triumf gelaten,
Na dat de daken zijn gescheurd, gebrand, geblaakt,
Die eer Pompeius\' zweerd ons cijnsbaar had gemaakt:
475 Die gij nog \'t versche bloed moet van uw wonden vegen;..
Ik wil elks daden mild en dankbaar overwegen,
En strooyen onder \'t heir halsbanden, stijf van goud,
Muurkroonen, met gesteente en peerlen opgebouwd:
De strijdbaarste in den storm en d\' uitgelezen zullen
480 Opsteigren na verdienste en ledige ambten vullen.
Ook wil ik \'t outaar op het statigste beslaan,
En met een dankbre ziel het offer steken aan,
En heil\'gen \'t ingewand, geroost en opgezoden,
Der heihgheden Reye en Godheid van de Goden,
485 Die \'t Capitolium bewaken van de Stad,
Die in tnumfen graast en al de weereld mat,
En wordt geliefkoosd van het noodlot aller dingen:
En dreigt ten Hemel met opsteigren in te dringen.
Die Godheid, door wiens gunst ons jonge manschap rijpt,.
490 Die onze speren smeert, ons stalen degens slijpt,
Ons steekvrij kolders gespt, en voert ons beukelaren,
Knikk\' gunstig \'t ongel toe, dat, op gewijde altaren,
Zal d\' heil\'ge vlammen voên, juist op die plaatse, daar
Dit volk zijn godsdienst heeft gepleegd zoo menig jaar.
Rei van Roomscke Soldaten.
495           Sta bij, Olympsche worstelaars!
Die eertijds hadt zoo veel gebaars,
Om dat gij \'t stof beweegden,
En \'t zweet van \'t aanzicht veegden,
Wanneer, in \'t afgetuinde rond,
500 In \'t worstlen gij geen weêrgaa vondt,
462. Veerheid, verre afstand. — 468. Eer, weleer. — 469. Maar,
[wien]. — 475. Die gy, gij die. — 486. Mat, mat zet. — 491. Voert,,
voedert, dubbelt.
-ocr page 387-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   373
En, voor dit liefbedrijven,
Droegt kransen van olijven,
En steegt op uw triumfkoets hoog,
Daar al de Grieksche jeugd voor boog,
505 En die voorhenen liepen,
„Io, Triumfe!" riepen.
Komt, monstert uw bekrozen vel,
Uw boerterije en kinderspel,
Bij \'t leven, dat wij voeren,
510 In dolle krijgsrumoeren.
Komt, leert van ons een leger slaan,
En trekken d\' ijsren handschoen aan.
Ziet, hoe ons staal verbolgen
Het roode zweet doet volgen.
515           Ziet onze oogappels als een vier
Eens branden om den lauwerier
Te plukken, groen van bladen,
Langs ongebaande bladen.
Al sneuvelt menig held terwijl,
520 Die was aan \'s Keizers hof een stijl,
De vroomheid van ons allen
Stut al wat dreigt te vallen.
In \'t bed van eeren valt den doón
Onsterfelijke lof tot loon,
525 En Mars jont dat zijn schimmen
Van mond ten Hemel klimmen.
Dus is ons \'t oorloog geen verdriet,
Noch achten \'t leven dierbaar niet;
Wij pronken met ons wonden,
530 En pijlen toegezonden.
Wij vliên het troetlen van \'t gemak:
Den blaauwen Hemel is ons dak,
Op \'t vlakke veld wij slapen,
En sluimren in de wapen.
505. Voorhenen, vooruit. — 521. Vroomheid, krijgsmoed. — 525.
Van mond, als de schimmen den mond pas uitgaan. — 528. Noch ach-
\'ten [wjj].
-ocr page 388-
HIERVSALEM, VERWOEST.
374
535           Schoon de opgesteken moordtrompet
Somtijds ons zoete rust belet,
Wij aarslen voor geen dreigen:
Want dit \'s den krijgsman eigen.
Als onzen Veldheer rept een woord,
540 Het slaat gelijk een blixem voort,
En \'t helpt, van bende aan bende,
\'t Gantscn leger over ende.
Is \'t vreemd, dat ons trofeên, ten toon-
Dan, in de kerken van de Goön,
545 En vendels opgehangen,
Afzwieren van haar stangen?
Is \'t vreemd, dat Titus houdt in dwang
Het Oosten en den Ondergang?
Dat hij uitzendt zijn stralen
550 Aan \'s werelds leste palen?
Is \'t wonder, dat ook \'t Joodsch geslacht;
Van Roome gantsch is t\' onderbracht?
En dat wij Salems nekken
Nu met ons zolen dekken?
555           Hoe vreugdrijk groeit nu Titus geest?
Hoe viert hij nu zijn zegefeest!
Hoe zacht, na al dat slaven,
Doen ons zijn milde gaven!
Hoe ruiterlijk deelt hij den buit
560 En roof aan zijn soldaten uit!
Wie zag, ooit van zijn dagen,
Het goud zoo afgeslagen?
Al \'t kunstwerk, dat ooit sleipen kon
\'t Prat Solyma van Babyion;
565 Al wat ze, om preutsch te pralen,
Van Tyrus\' merkt liet halen:
Schaarlaken, purper, fijn en eêl,
Arabiesch wierook en kanneel,
Haar schatten allenthalven
570 Nu ons kwetsuren zalven.
56a. Afgeslagen, goedkoop geworden. — 565. Preutsch, trotsch-
-ocr page 389-
HIERVSALEM, VERWOEST.
375
Dat troost nog eens fluks krijgsmans hert,
En leert vergeten al zijn smert,
Die hij ooit most bezuren,
In \'t stormen op de muren.
575           O, Maarschalk, voor ons veel te mild!
Nu scheept uw legers waar gij wilt,
Waar iemant opsteekt de ooren,
En wekt des Keizers tooren.
Al woudij bij den Indiaan,
580 Aan Indus\' oever drenken gaan
Uw hengsten, mat van \'t hijgen,
Van op en af te stijgen:
Of wildij daar de zon verbaasd
\'t Gediert wijkt, dat van honger raast:
585 Daar, op de Noorder wagen,
De winter wordt gedragen:
Of Westwaards, daar het Hemelsch vuur
Braadt d\' Iber, onze nagebuur:
Of aan der Mooren grenzen:
590 Of de oevers der Cretenzen:
Of wildij, daar geen Phcebus schijnt,
Daar Pluto d\' arme zieltjens pijnt,
Afstijgen gaan ter Hellen:
Alom wij u verzeilen.
DE TWEEDE HANDEL.
De Dochter Sion, Rei van Staatjonfren, Rei
van Joodsche Vrouwen, Iosephus.
De Dochter Sion.
595 T TOe dwaas hij zich verleidt, die zijn geluk vertrouwt,
I "jDie op de uitstekendheid van zijn paleizen bouwt,
En troetlen laat zijn ziel van zichtelijke dingen,
Die, hoe ze grooter zijn, hoe meer veranderingen
Haar hangen over \'t hoofd, en jagen haar verderf,
600 Hoe ijdel dat men klutst op \'s weerelds timmerwerf,
De dochter Sion. Dit personaadje houdt het midden tusschen allegorie en
historie. — 595. Verleidt, van den weg afbrengt. — 597. Zichtelijke,
zichtbare. — 599. Jagen, bespoedigen. — 600. Klutst, klopt.
-ocr page 390-
376                    HIERVSALEM, VERWOEST.
En opboeit \'t handgebaar van menschelijke zaken; —
Dat leerde mij de val van Sions hooge daken,
Van dees gebluschte zon, die, met dat ze ondergaat,
De weereld om doet zien, en als voor \'t voorhoofd slaat.
605 Hierusalem! hoe is uw hovaardij geslonken!
-Uw preutsheid overliep, de Weelde maakte u dronken
Met haren gouden kop, en haar venijnig sap,
Zoo fluks \'t rees in uw brein, maakte u de beenen slap:
Hoe zoudij langer staan? gij raakte aan \'t suizebollen,
610 En kwaamt van d\' elpen stoel en marbre trappen rollen,
Nasleipende uw perruik, besprenkeld peersch en blaauw:
Daar af gij nog behieldt dees wonden versch en raauw.
Waar is uw schoonheid nu, die, met vergode stralen,
Danste op de oneffenheid van heuvelen en dalen?
615 Die als een Cherub zweefde op \'t dak van \'t heilig choor?
En lodderlijk van verr\' d\' Araber en den Moor
Ontstak met ijver, om te vliên haars afgods drempel,
En t\' offeren haar goud en wierook \'s Heeren tempel?
Helaas, ze is lang verwelkt! een onverwacht tempeest
620 Dees bloem den keurs uittrok, in \'t midden van haar feest.
Hoe grimmig, van d\' Eufraat, \'t op mij gebeten Babel
De vonken van haar toortse en bliksems van haar sabel
Mij klonk in \'t aangezicht! hoe eislijk en verwoed
De stad aan vlammen vloog, en zwom in enkel bloed:
625 Hoe schendig \'t Heiligdom zijn guldene geschieren
Moest laten tot een roof Chaldeen en Assyrieren!
Al was \'t, al was \'t schoon, dat haar handen Babyion,
Aan Zedechias zaad en Levys zonen, schon:
Al sleipte ik \'t ijzer van dien Assur Godvergeten,
630 Nog heeft mijn borst meer ramps en onheils nu gesleten.
Een onweêrstandlijk heir mijn krachten heeft gemat,
En van gebouw ontkleed dees torenrijke stad.
Het muurwerk, ondermijnd, van ons driedobble wallen
Den stormbok wijken moest, en daaglijks is gevallen;
635 Het zakken drie maal slaat de bergen krom gebult,
En \'t puin de locht met stof tot aan de wolken vult.
De vijand tracht de vest, met bruggen en met leêren,
Spijt d\' afgebraakte wacht, gewapend te passeeren,
En dringt steeds stadwaart aan, en houdt ons in alarm.
640 Onze ooren zijn gevuld met jammerlijk gekarm,
Onze oogen zijn vol slaaps, ons hert is mat van zuchten,
601. Opboeit, opschroeft. — 614. Dit slaat misschien op het terrein, waar
de Tempel gebouwd is. — 616. Lodderlijk, verleidelijk. — 623. Klonk,
sloeg. — 625. Geschieren, vaatwerk. — 635. De gebulte bergen worden
tot drie maal toe met verzakking geslagen. — 638. Afgebraakt, geledebraakt.
-ocr page 391-
HIERVSALEM, VERWOEST.
3/7
üe mond is vol geklags, de voeten willen vluchten,
En d\' ermen evenwel (dan ach, met luttel baats!)
De stormen nog weerstaan des Heidenschen soldaats,
645 En worstlen; maar helaas! zij worstlen met een sterker,
Die reede ons vrijheid heeft verwisseld in een kerker.
Wat nood, wat nood waar \'t nog in \'t midden van de brand,
Voelde ik geen burgerkrijg in \'t zwanger ingewand!
Al dronk ik zulken kelk met grondsop en met droesem,
650 Had ik die slangen niet gekweekt in mijnen boesem;
Waar\' \'s Tempels vloer met \'t bloed der Priestren niet be-
sprengd,
Zaag ik die vuisten van mijn burgers niet vermengd,
En bieden \'t scherpe spits elkanders heupe en lenden:
Wij hadden nog gekampt, eer ze ons ons vrijheid schenden.
655 Maar ach, rampzalig volk! om dat u God verlaat,
d\' Een aangewreven plaag tot duizend erger slaat:
Uw lijftocht oorlof neemt: dies, met zijn dorre schinklen,
Den Honger, uitgevast dat zijn gebeenten rinklen,
Spookt straten op en neer, en stookt een nieuw rumoer,
660 En raast, en smijt, en loopt de deuren op de vloer.
Het uitgemergeld lijf, als t hooger niet kan lijen,
Misthoopen ommewroet, en boet zijn lust aan prijen,
En haalt zich op den hals zoo doodelijken pest,
Dat d\' onbegraven doön men slingert in de vest.
665 Wee, wee! den vijand-zelf moet \'t hert in \'t lijf bezwijken,
Zoo fluks de stank opgaat van d\' opgehoopte lijken,
Hij heft zijn handen op na \'t sterrenrijk gewelf,
En zweert, zulks is niet zijn, maar \'t werk der Goden-zelf.
Broodhonger (\'t scherpe zweerd!) de braafste om weer te
bieden
670 Tot \'s Keizers tenten gans mismoedig dwingt te vlieden;
Daar, als \'t roofgierig volk doorsnuffelende ontdekt,
Hoe \'t ingewand een schrijn den vluchteling verstrekt,
De goudzucht \'t hert bekoort, dat, zonder haars t\' erbermen,
Geen rijker mijnen wenscht als die goudrijke darmen:
Ó75 Den hongerigen buik dien rijkdom wordt misgund,
En krijgt voor gerstenbrood eens stalen degens punt.
Nog overwoeg een kwale alle andere kwellagiën,
Doen die verdurte smook van \'s Tempels timmeragiën,
Doen d\' hongerige vlam dat Priesterlijk gebouw — — —
680 O hertsteek! o verdriet! o smert! o druk! o rouw!
Wat Isra\'liet, voortaan verschoveling der menschen,
Zal eeuwig niet dien dag vervloeken en verwenschen!
<562. Prijen, krengen. — 672. Schrijn, goudkistjen.
-ocr page 392-
378                    HIERVSALEM, VERWOEST.
Ik zag een Roomsch soldaat, met zijn gekamden helm,
Op kerkdiefte afgerecht (God Jacobs, keert dien schelm!),
685 Ons vliênde schildwacht kort navolgen met de glensters
Eens gloeyendigen brands: daar hij de goude vensters
Van \'t Heiligdom mee blaakte, en, Godvergeten stout,
\'t Vervloekte vuur stak aan \'t gewijde ceedrenhout:
De ceder reikt\' zijn hitt\' d\' olijf, te vet om lesschen:
690 D\'olijf den den ontvonkt: de denne den cypressen:
Dies, eer men ommeziet, dat schoon getimmer bernt,
En braakt zijn vonken uit na \'t flonkrende gesternt\'.
Help God! de brand steekt op, en een geschrei met-eenen
Zwilt met de opgaande vlamme en klatert door de steenen.
695 \'t Barbariesch volk komt aan op \'t vuur en op \'t geluid,
En vlamt op zoete wraak en ruiterlijken buit.
De Keizer, in zijn droom, zoo onverziens gedagvaard,
Vliegt op, grijpt schild en helm, en d\' appel van zijn slagzwaard;
Verneemt, hoe \'t vuur met asch \'t gewijde marmer dekt,
700 En \'t golven van de vlam de gulde daken lekt;
Speurt, hoe een roode gloed versmilt die goude schaliën,
En \'t hoog verhemeld choor worpt vonken door zijn traliën:
Dies zweert hij, bij zijn staf, zijn purper, en zijn kroon,
Dat elk om \'t eerste lesch en \'t Joodsch gebouw verschoon:
705 Maar ach! hij roept te spaa, zijn krijten is verloren:
Hij buldert schoon om zunst, het oorloog heeft geen ooren.
Daar mocht men Moria ten hemel rijzen zien,
En ons verbaasd den brand in \'s vijands staal ontvlien:
Daar zag men Salomons herborene paleizen
710 In heete kolen staan, als gloeyende forneizen.
D\' Olijfberg, heet geroost, amechtig zweet alreê.
Het strand wenscht hooger vloed, d\' eilanden in de zee,
Thabor en Hermon haar voor zulken gloed ontzetten,
En Kedrons zilvren nat en Gihon droogt van hetten.
715 Het krakende gedreun doet aarslen ons Iordaen,
En doodverwt \'t aangezicht van d\' onvoldragen maan.
Hier vluchten wij te spaa: d\' een braden moet en hersten,.
En d\' ander half geschroeid van boven springt te bersten.
D\' een, in de borst gekwetst met een vervlogen hout,
720 Beklaagt, dat hij zijn ziel heeft \'t Heiligdom vertrouwd:
En d\' ander, die getroost omhelsde \'t heilig Alter,
Wordt van het zweerd verrast, en sneuvelter, en valter.
De nood beveelt t\' ontwij\'n en ieder te betreên
\'t Plaveisel, afgekeurd voor \'s Priesters zool alleen:
702. Vondel denkt zich, in den Tempel, een soort van baziliek, met liooge
lichten in het middenschip. — 713. Haar, zich. — 717. Hersten, braden^
— 724. Afgekeurd, afgeperkt.
-ocr page 393-
HIERVSALEM, VERWOEST.
379
725 Maar wat kerkschender heeft hier \'t heilige in hoogachting!
Genade, o Davids God! wat \'s dit een wreede slachting!
d\' Ontbonden Wraak, die \'t al wat uitmunt fluks verderft,
Wiens slippen zijn met bloed schaarlakenrood geverfd,
Het Jodenvleesch goedkoop aan riemen snijdt en lappen.
730 Het slibberige rood stroomt langs de marmre trappen;
Dat slippren ruglings ons verdervers licht te voet,
En zelf de vlamme wijkt voor \'t uitgestorte bloed.
Op \'t jamm\'ren en \'t gekerm der gener, die hier sneuvlen,
Geeft andwoord Davids Stad, en d\' omgelegen heuvlen.
735 De krijgsman afgebraakt maait eenen gouden oegst.
En doöns en moordens zat, eer \'t alles is verwoest,
Aan \'t plondren valt, en ruit en rooft de gulde vaten,
En al wat, half geblaakt, hem \'t vuur heeft nagelaten.
Helaas! als ik \'t gedenk, het haar te berge stijgt:
740 Wat wordt mij bange! ik zwijm; ik sterf; het herte ontzijgt.
Staatdochters, reikt me — amij!
Rei van Staatjonfren:
Hoe is \'t? hoe is \'t, Mevrouwe?
Rei van Joodscke Vrouwen:
Wee onzer! och, zij valt, zij zwijmt, zij sterft van rouwe!
Brengt hier welriekend kruid, kanneel, en kruiderij.
O droefheid!
Rei van Staatjonfren:
Zij bekomt.
Rei van Joodsche Vrouwen:
Hoe is \'t, Mevrouwe?
De Dochter S1 o n :
Amij!
Rei van Staatjonfren:
745 Hoe is \'t, Princesse?
Dochter Sion:
Amij!
Rei van joodsche Vrouwen:
Wat droefheid kwetst uw herte?
Dochter Sion:
Helaas! is \'tvragens weerd, die gij gelijke smerte
Met mij deelachtig zijt? Staatjonfren zonder staat!
Ontslaat u mijner; ach!
Rei van Staatjonfren:
Nu, stelt uw droefheid maat.
Dochter Sion.
De rouwe heeft veel te diep haar wortelen geschoten,
741. Amij, wee mjj.
-ocr page 394-
380                HIERVSALEM, VERWOEST.
750 Ons past dit treurgewaad; en gij, mijn speelgenotan!
Terwijl ik. wat bedaar, waarom en kweeldij niet,
En spijst mijn droeve geest met eenig klaaglijk lied?
Mijn ziel vermaken schept in grouwelijke dingen,
Die voorgevallen zijn in dees veranderingen.
755 Meldt, hoe door hongersnood een moeder afgetreurd
Uit razernije moordt, roost, en met tanden scheurt
De zoete vrucht haars lijfs.
Rei van Joodsche Vrouwen:
Watte eiselijke stukken!
Wee onzer! zouden wij met nieuwe ellenden drukken
Onze afgepijnde ziel, door \'t wederroepen van
760 Een daad, die van de felste, en bloedigste tyran,
Hoe onverbiddelijk, kan \'t steenen hert verzachten!
Ons brein te zeer ontsteld, en vliegende gedachten
Eer willen zijn gesmeekt en zoetelijk gestoofd:
Ons wonden zijn te versch, dus slaat dat uit uw hoofd.
Rei van Staatjonfren:
765 Te schendig luidt dat feit, Princesse! \'t mocht u storen.
Dochter Si on:
Vermag ik iets bij u, te liever wil ik \'t hooren.
Rei van Joodsche Vrouwen:
Als \'t anders niet mag zijn, als \'t immers wezen moet:
Nature (die den band van \'t moederlijk gemoed
Ontbond, doen, uitgeput en razende van zinne,
770 De moeder overtrof in wreedheid een leeuwinne,
Die in \'t Libaansche bosch, van honger afgejaagd,
Nog nuchtren haren roof in haren leger draagt,
En aast zorgvuldig eerst haar eerst geworpen leeuwen,
Die nu de vijfde dag heesch om de voester schreeuwen)
775 Ontbindt den band, die nog houdt \'t vrouwelijk geslacht
Aan deernis streng verplicht, door een verborgen kracht,
Opdat wij, heel en al ontaard van mededogen,
Dit treurspel ons Vorstin bij beurt vernieuwen mogen.
Rei van Joodsche Vrouwen:
Als de vloek met duizend benden
780
           Van het Westen donderde op,
Om Jerusalem te schenden
Van haar zolen tot de top,
Heeft ze Sions gaalderijen
Met een muur omlegerd heel,
769. Doen, toen. — 773. Aast, spijzigt.
-ocr page 395-
HIERVSALEM, VERWOEST.                    381
785           En dat zegenrijk kasteel
Ons een kerker doen gedijen.
Och! ons voorraad slijt en mindert*
Mindert, eer wij ommezien,
En \'t Latijnsche bolwerk hindert
790
           Nog d\' aanstaande nood t\' ontvliên:
Dies ons vleesch en been komt knagen
Deze worm, die honger heet:
Dies elk fluks van smert vergeet
D\' ander opgehoopte plagen.
795 Als men \'t leder van de schoenen,
Katten, prijen, heeft geknaauwd,
En de mage haar niet verzoenen
Laat, uit hongersnood benaauwd,
En hoe langer hoe verwoeder
800
           Ons die beul in \'t woeden stijft:
Hoort, waar toe zijn wreedheid drijft
Hersenloos een droeve moeder.
Rei van Staatjonfren:
Mag ik anders \'t graf niet erven,
Zegt ze, nu mij \'t licht verdriet?
805 Moet ik dan van honger sterven?
Kent me nu mijn adel niet?
Troost mij nu noch schat, noch have?
Was mijn toevlucht d\'heü\'ge berg
Daarom, dat ik \'t vleesch en merg
810 Dien tyran tot voedsel gave?
Dat zij God geklaagd hier boven,
Die met duizend oogen ziet,
Hoe ellendig en verschoven
Mij geweld en kracht geschiedt.
815 Hoe rampzalig van benouwdheid
Ik dien slinkschen pad insla,
En een schendig stuk besta:
Heer, vergeeft me deze stoutheid!
Rei van Joodsche Vrouwen:
Kind! wat hangdij aan mijn spenen,,
820
           Aan mijn borsten, droog en slap,
806. Kent me, Kent men.
-ocr page 396-
HIERVSALEM, VERWOEST.
382
Daar mijn aadren dorr\' verleenen
U noch melk, noch bloedig sap?
Snakt uw keeltjen na mijn leven?
Moeders ziel drukt uit dees mam:
825
           Als uw hertjen maar bekwam,
Daar was weinig aan bedreven.
Maar helaas! wie zou mijns zoontjens
Voester zijn na moeders dood?
En dees ingevallen koontjens
830
           Stoven poeslig in haar schoot?
Ach, mijn schaap! gij bleeft vergeten,
En mijn asschen onverzaad;
Ook, mijn troost! een wreed soldaat
Mocht u aan zijn lanci speten.
835 Waar \'t niet beter \'t licht te mijden
Door uws eigen moeders hand?
En dat ze u een kerkhof wijden
In haar duister ingewand?
Als van kraayen opgezwolgen
840
           Of een tijgerdier geaasd?
Of een leeuw, die brult, en raast,
Grimt, en slingersteert verbolgen?
Zwangert dan uws moeders lenden,
Daar uw geest ontving zijn geest;
845 Dekt ze een tafel der ellenden,
Dat ze vier\' haar leste feest.
Sus, mijn schaapken! wordt u banger?
Is u \'t lieve leven leed?
Ik heb mijn gemoed ontkleed:
850 Wij zijn kind noch moeder langer.
Rei van Staatjonfren:
\'t Woord drupt van de lippen nouwlijks
Of ze keelt dat mager dier;
Vliedt, die schroomt voor ietwat grouwlijks!
\'t Heilig zieltjen vliegt van hier;
855 \'t Versche vleesch, op heete kolen
Half geroost, ten halve gaar,
Vreet ze, als of \'t wat lekkers waar,
En houdt \'t overschot gescholen.
•824. Drukt (vrij) moeders ziel uit deze mam.
-ocr page 397-
HIERVSALEM, VERWOEST.
Rei van Joodsche Vrouwen:
Als de wachters spijze roken,
860
           Bonsden zij de deur in twee:
Vloekten: „Hoer! wat \'s hier te koken?
Deilt ons van uw wildbraad meê:
Op, schaf op, uw bradelingen!
Óp, schaf op du, looze tesch!
865
           Eer wij elk \'t getrokken mes
Drie maal in uw borst omwringen!"
Rei van Staat jonfren:
„Stilt uw gramschap, weest te vreden!
Hier is," zegt ze, „\'t overschot
Van mijns kinds gebraden leden:
870
           Eet vrij, dat u zegent God! --"
Dat zijn d\' ermkens, dit de voetjens,
Dat de spierkens van mijn zoon,
Dien mijn honger dwong te doón:
\'t Vleesch, dat smaakte mij zoo zoetjens."
875 „Zet u neder, weest mijn gasten,
Proeft mijn leste dischgerecht!
Waarop wildij langer vasten?
Schijnt mijn maaltijd u te slecht?
Waarom deinsdij? zal een vrouwe,
880
           Zal een wijf geherter dan
Wezen als een oorlogsman,
Die het harnas gespt getrouwe?"
„Zijt slaphertiger noch weeker,
Als de moeder, die noch leeft,
885 En ter nood zoo bittren beker,
Vol vergifs, gedronken heeft.
Gij zijt d\' oorzaak van mijn smerte,
Die mij \'t brood in tegenspoed
Roofde, en \'t moederlijk gemoed
890 Wisselde in een wolvenherte."
Rei van Joodsche Vrouwen:
\'t Was gezetd: de roovers brulden,
Vloden het onmenschlijk dak.
Klachten Salems straten vulden;
Waar men van dit grouwel sprak,
-ocr page 398-
HIERVSALEM, VERWOEST.
384
895 Daar vangt siddren aan en beven;
Daar wenscht elk met droef gehuil,
Dat hij, in die leeuwenkuil.
Mag den lesten doodsnak geven.
Rei van Staatjonfren:
Als de Keizer leent zijn ooren
900
           Zoo beschreyelijken feit,
Wenscht hij nooit te zijn geboren,
Dondert, in zijn toornigheid:
,,\'k Wil uitspoelen deze vlekken,
En dit aardrijk, lang gedreigd,
905
           Dat al meer tot boosheid neigt,
Gants met gruis en steenen dekken."
Dochter Sion:
Ja, dekt met gruis, met puin, en met zijn leste steenen,
Dit aardrijk, veel te lang beregend en beschenen:
Verwoest, verbrand, en blaakt dees stad, te lang verschoond,
910 Daar langer, langer meer geen menschlijkheid in woont,
Maar eenig ongediert\': dat, als \'t geen roof kan vinden,
Ontziet zijn eigen vleesch en nest niet te verslinden.
Hier is geen blijven niet, Staatdochters, laat ons vliên!
Ons zolen branden.
Rei van Staatjonfren:
Maar helaas, helaas! tot wien,
915 Of waarwaards roeptij ons in ballingschap te dolen,
Mevrouwe! die wij nu zijn \'s Keizers gunst bevolen?
R E1 van Joodscke Vrouwen :
Wij vlieden tijds genoeg, wanneer de bittre nood
Ons van Caesarien scheept, geboeid, met Titus\' vloot,
Langs de Africaansche kust, en toeschuift den Latijnen,
920 Daar andren Hemel dwaalt, en andre sterren schijnen:
Daar Roome ondraaglijk ons gevangen halzen perst
En Memphis\' slavernije en Babels juk ververscht.
Rei van Staatjonfren:
Maar wie of ginder ons komt nieuwe vreeze inprenten ?
Rei van Joodscfo Vrouwen:
\'t Gelijkt een Roomsch Heraut, die uit des vijands tenten
925 Zet herwaards zijnen tred. Wat boodschap of hij brengt?
Heer, met wat honigs doch dees bitterheid vermengt!
Eens winters koude ontstelt de leden van verschrikken,
\'t Valt al ten ergsten uit, wat wij ten besten schikken.
-ocr page 399-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   385
Rei van Staatjonfren:
Geen onbesneden is \'t, maar iemant van de Joon,
930 Zoo \'t oog mij niet bedriegt.
Dochter Sion:
Och! \'t is Matthias\' zoon.
Iosephus, zijdij \'t zelf, of is uw schim verrezen,
Die gij voorlang bij ons begraven waart voor dezen?
Iosephus, zijdij daar? wat komdij nu zoo spaa
Den brand uitlesschen van \'t woest Hierosolyma?
935 De daken neêrgczakt gekeerd zijn lang tot asschen:
Het krijgsvolk heeft in \'t bloed zijn handen lang gewasschen,
En \'t heilig goud verklaard voor keizerlijken buit:
\'t Is hier schoon uitgeveegd, gemoord, geroofd, geruit:
De felheid van zoo veel Hierosolymitanen
940 Dit mager hoopken liet het aangezicht vol tranen.
Iosephus:
Onzalig Sion, die uw zinnen overlaadt,
En mijmert om uw ramp en omgevallen staat!
Gij derft Iosephus niet uws herten grond uitputten,
Die alszins heeft gepoogd uw dorpels te beschutten:
945 Die onlangs, daar men \'t al de keel afstak en sneed,
Daar hem de vlamme schoer de noppen van zijn kleed,
Daar \'t bloed zijn lijfrok smette, en \'t brein hem sprong om
U uit die slachting redde, en liet u niet verloren, (d\' ooren,
Dochter Sion:
Vergevet mij! genade! het is, het is mijn schuld;
950 Verbijsterd staat mij \'t hoofd van enkel ongeduld.
Ik ben mij-zelven noch gelijk, noch ook niet machtig.
Een bladeken, dat ruischt, mijn ziele maakt vreesachtig.
Maar zegt ons, wat \'s er gaans in \'t heir van d\' onbesneên?
Wat juichen gaat er om? waar wil men met ons heen?
955 Wat zwerven langer wij op dees geslagen toppen
En rotsen, die, nu s nachts, nu \'s daags, met heesche kroppen,
Ons klachten volgen, als wij zien van verre opgaan
Den smook, daar onlangs nog plach d\' heil\'ge Stad te staan?
Iosephus:
Het heirkracht, naauwlijks zat van woên op d\' uitverkoornen,
960 Verschoond hadde alleen drie Herodiaansche toornen:
Opdat nog eeuwig de nakomeling onthield,
Wat muurwerk Roome eertijds heeft tot den grond vernield,
Als d\' overwinnaar laat een gaalderij oprechten,
Van waar hij zelf aldus toeredent zijn landsknechten:
965 „Krijgshelden, die dusverre uw rechter hand alom
943. Uitputten, ontboezemen.
vondel I.                                                                                         25
-ocr page 400-
386                   HIERVSALEM, VERWOEST.
En ijver hebt besteedt tot nut van \'t Keizerdom,
Die \'s vijands hoogmoed deedt op dees steenrotsen krimpen,
Van waar halsstarrig hij ons legers dorst beschimpen:
\'t Is recht, dat \'s Maarschalks gunst uw deugd loop\' te gemoet,
970 En \'t zweet uws arbeids met belooningen verzoet!"
Zoo sprekende, met een glad voorhoofd hij der scharen
Verdiensten vrolijk gaat met giften evenaren,
En haar deelachtig maakt den buit en rijken roof,
Die \'t Heidensch volk aanveerdt, na haar soldaats geloof.
975 De vroomste, van wiens huid de sabelen afschampten,
Hij met halsbanden troost, kleinoodje, en hooger ambten:
Dies \'t gansche leger juicht en in zijn handen klapt,
En elk het bloed vergeet, dat hem is afgetapt.
Dochter Sion:
Die feest was voormaals ons, was Sions, en geen ander,
980 Als David, Iesses zoon, die rechte Salamander,
Die midden in den brand van \'t oorlog \'t leven vond,
\'t Hoovaardig Rabba brak, daar Ammons hert op stond;
Als Assur week, verstrooid in velden en woestijnen,
Dien, die niet zoeters vond als \'t bloed der Filistijnen,
985 En (overlaan met roof) met rei en met tamboer
Op \'t maagdelijk muziek ter poorten innevoer.
Iosephus:
Den overwinner, om zich dankbaar te bewijzen,
En d\' hongrige afgoön ook met offervuur te spijzen,
Ten heuvel spoedde, daar het woeden zoo goedkoop
990 Wierp \'t heil\'ge metselwerk der kerken overhoop:
Omcingeld met een stoet schildknapen en hartsieren,
En krijgsliê, vrolijk om dees zegefeest te vieren.
De beesten, afgekeerd ter slachting, klommen stout
En zonder aarslen voor zijn aanzicht: doende \'t goud
995 (Dat onlangs was geschrabd, met messen en met bijlen,
Van \'s Tempels balken en van d\' halfverbrande stijlen,
En om haar hoornen nu gegoten) blinken, als
Zij t\' eiken staken op vrijpostig haren hals.
De kransen, versch van kruid gevlochten, men van verre
1000 Zag lieflijk groenen en omschaduwen haar sterre,
En \'t zoute veldgewas verzwolgen van de krans.
Twee priestren glad gehelmd, met koper schoon van glans,
Geborstweerd met een plaat, die \'t overkleed bedekte,
Dat bont gespikkeld zich ten halven lijve strekte,
1005 Van waar de lijfrok zond zijn vouwen na beneên,
976. De uitg. heeft kleinoodgien. — 991. Hartsieren, archers, boog-
schutters. — 993. Afgekerd, uitgelezen. — 1000. Sterre, voorhoofd. —
1001. Zoute, gezouten.
-ocr page 401-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   387
Omgord met eenen riem vol schilden rond en kleen,
Nabootsende een schalmei, met huppelen en springen,
En tromlende op haar borst, vooruit als leidsliê gingen.
\'t Opsteigren koste zweet: de weg lang ongebaand,
1010 En \'t steil gesteente woest, wanschapen van gedaant\'.
Het gladde horenvee, vermoeid van bangheid, rookte,
Om strijd met \'t molm verduft, dat half gestikt nog smookte,
En mijde in \'t klimmen nog \'t gebeent\', dat moedernaakt
Des Heeren berg tot een ellendig kerkhof maakt.
1015 De kraayen vloón \'tgebulk, en de arenden verschrikten,
Die hier ter feest gebeên, de Dood \'t gezicht uitpikten. —
Dochter Sion:
Zwijgt, zwijgt, Iosephus! zwijgt van arenden, en kraayen,
Onze ooren zijn te teer, ons hoofd bestaat te draayen:
Dat schouwspel luidt te vremd: hij zielbraakt die \'t aanhoort
1020 (Wij zwijgen, die \'t beschouwt); maar neen, vertelt ons
voort:
Daar is geen grouwzaamheid ter weereld zoo bezeten,
Of wij zijn \'t nu gewoon en lang al doorgebeten.
Iosephus:
Genakende daar \'t nu van lijken stonk benaauwd,
Daar d\' Arke voormaals school, met Cherubs overschaduwd,
1025 Van waar men deerlijk de Ierusalemsche wallen,
En ons Stadpoorten zag geraaibraakt en vervallen,
En de uitgetrokken doon naakt, zonder onderscheid,
Den luipaarden tot roof, de myrrhe en \'t graf ontzeid.
Na dat de wichlers de verwoeste kerk aanschouwen,
1030 Zij van \'t verstrooid gesteente een hoog outaar doen bouwen:
De stijlen half gevonkt, de balken, zwert berookt,
Tot brandhout staaplen op het plat, dat daadlijk smookt,
En willig \'t vuur ontvangt: terwijl haar de ossen lieten
De bastert eerst gekoord recht tusschen d\' hoornen gieten:
jk>35 Den krans ontrukken, en die gaar-gebonden blaan
Den vlammen heil\'gen, en \'t gezouten korengraan:
Den rug opvlijmen en d\' altaarknechts hun genaken,
Die met \'t gewijde mes haar voort den strot afstaken.
Het bloed de leegte koos en zwalpende over al,
■1040 Bootste een verbolgen meer, en rooden waterval.
De buiken opgeschrobd ontslaan haar d\' ingewanden
Die, naauw doorsnuffeld, \'t vuur ontving om te verbranden.
De Priestren stelden haar voor \'t altaar ongeknield,
ioiö. De Dood, persoonsverbeelding voor de dooden. — 1027. Uitge-
trokken, uitgekleede. — 1034. Bastert, offerwijn. — Gekoord, gekeurd.
— 1035. Gaar-gebonden, te-zaamgebonden. — 1039. Leegte, laagte. —
•1041. Opgeschrobd, opengesneden.
-ocr page 402-
388                   HIERVSALEM, VERWOEST.
Dat Titus statig met de slinker vingren hield:
1045 Den rechter hi] ontzei den zwaren veldheershamer,
Om Hemelwaards zijn hand te heffen veel bekwamer:
„Te-rugge-zienden God! Godin! die, nooit geschaakt,
Om Roome," riepen zij, „en onzen Tyber waakt!
O Ianus, grijs van haar! en Vesta! die te gader
1050 Ons gunst draagt, met Iuppijn, die grootste en beste Vader r
O, vader Mars! en al gij Goön gezamentlijk,
Die ons genadig zijt, en, om het Keizerrijk,
Met zooveel zegens en triumfen te bevesten,
\'t Huis van Vespasiaen hebt uitgekipt ten lesten,
1055 En Titus wakkren erm met zulken punt verzaagt,
\'t Welk aarsling oversmijt al wat er scepters draagt:
Die gij hem gunstig holpt vermeestren dit tyrannig,
Dit boos verwaten volk, zijn Vorsten wederspannig:
O, Goón! wij danken u: wij loven u, o Goón!
1060 Knikt onzen offer toe, en opent uwen throon!"
Dochter Sion:
Straft gij geen Heidnen meer, God Abrahams! en laat ze
Afgodiesch rookcn op uw heil\'ge stede en plaatse?
Waar was uw solferstraal, die nooit dien smaad verdroeg?
Die Ptolomeus plat jeloers ter aarden sloeg?
1065 Was God van God ontkleed? is hij zoo traag in \'t wreken?
Wat dood, wat straf, wat wraak, wat volgde voor een teeken
Dien grouwel?
Iosephus:
Onder des was \'t altaar aangegaan.
Met weeken oogen wij dien grouwel zagen aan.
De rots, drie maal verschud, van onder spleet tot bovenT
1070 En d\' afgrond \'t licht verzwolg door \'t gapen van de kloven.
Den Hemel wierd bekleed met een verbolgen zee,
En dreigde met tempeest \'t afgodiesch vuur alreê.
Maar de onverlichte, die van droomen haar geneerden,
Dit op een morgengroet en heilzaam spook waardeerden:
1075 De omstaande krijgsliê zulks ten halven naauw verstaan;
„Iö, Titus! Iö, Ió, Vespasiaen!"
Al schaterende zij de klippen weer doen galmen,
En kransen \'s Keizers kruin met schaduwende palmen:
De Veldheer weder hun een dankbre ziel toekeert,
1080 En met \'t geslagen vee den ruiterdisch stoffeert.
Dochter Sion:
Nu treurt, Staatdochtcrs! treurt, en krenkt vrij al uw zinnen:
1045. Hij let den veldheershamer neer. — 1047. Janus en Vesta. — 1073,.
74. Maar de onbesnedenen, d. v. d. zich g. waardeerden dit als een morgen-
groet en heilzaam voorteeken. — 1080. Zet den ruiters het geslachte vee voor»
-ocr page 403-
HIERVSALEM. VERWOEST.                   389
Want met haar vleuglen nu de goude Cherubinnen
De grouwlen dekken, die de jongling ons toeriep,
Die veilig in de gracht en \'t hol der leeuwen sliep.
1085 Waartoe is Aaron en Levi nu gekomen?
Wee Tempel, Stad, en Volk! gij, Paradijs der vromen!
Gij, wellust Israëls! hoe ligdij nu vertreên!
Rei van Staat jon f ren:
Helaas! Mevrouwe, helaas! geen godloze onbesneên
De drie maal heilige aarde ontwijde, noch schoffeerde ...
Dochter Sion:
1090 Wie dan?
Rei van Joodsche Vrouwen:
Maar \'t boevenschuim dat onzen staat verheerde,
Lang eer de gramschap nog des Keizers veel getergd
Zijn hengsten brieschen dede, en draven in \'t gebergt:
Lang eer nog Titus kwam aanbrallen op ons vesten,
En ons paleizen den uitheemschen gaf ten besten:
1095 Den volkren, die de maan zien dobbren op d\' Eufraat,
Wanneer ze haar toortse ontsteekt, en ons den dag ontgaat
Die Tigris golven zien uit Taurus lenden dringen:
Die over Caucasus al hooger Noordwaart springen:
Die op Pactolus\' strand het goud in d\' oogen raait:
1100 Die in d\'^Egeesche zee zijn hier en daar gezaaid:
Van \'t West, daar Tagus laaft den half gebraden Iber:
Daar \'t oever wederzijds gelekt wordt van de Tyber:
D\' iEgypter, die den Nijl ziet vloeyen over \'t droog:
D\' Araber, toegerust met pijlen, tros, en boog:
1105 Meer andren, die verhit op \'t moorden en op \'t plondren,
Met \'t weêrlicht kwamen van haar beukelaars opdondren.
Dochter Sion:
Maar zegt, Iosephus! hoe \'t ons manschap is vergaan,
Die d\' overwinner hield zoo strengelijk gevaan
In \'t leger, als er niets verschoond bleef onbedorven.
Iosephus:
1110 Der boozen rotte heeft meest verschulde straf verworven.
Dochter Sion:
Dat was \'t, daar ik na haakte! o, Scheidsman! die recht scheidt,
En in de weegschaal hangt van uw rechtveerdigheid
Der menschen zaken, die omwentlen hier beneden:
Nu zien wij, dat bij u geen boosheid wordt geleden,
■1115 Die luid van d\' aarde naar den Hemel roept om wraak.
Iosephus:
Nu luistert, dat ik u ontvouw de gantsche zaak:
1099. Raait, straalt.
1083. Jongling, Daniël. —
-ocr page 404-
HIERVSALEM, VERWOEST.
39°
Dochter Sion:
Gij, Reyen, geeft gehoor!
Iosephus:
Zoo fluks de krijgsliê hoorder*
\'t Geblazen koper hun ontzeggen \'t vorder moorden:
(Behalven dat het was geoorloofd te verslaan
1120 Al wat d\' onstuitbre Nood in \'t harnas te weerstaan
Droomde, uit mismoedigheid) zij haren Veldheer boden
Nog een ontelbre schaar van afgematte Joden:
Die \'s Keizers omzicht liet door zijner Drossaarts een
Uitzondren, en de vrome en schuldige onderscheên:
1125 Maar d\' onderzoeker heeft \'t verborgen goed te visschen,
In \'s moorders voorhoofd leestme het knagende gewissen:
Dus strekt hij zoo ter-stond gedoemd, met ziel en lijt,
Den woedenden soldaat een zeldzaam tijdverdrijf.
Hier moet er een goed deel, met handen en met voeten
1130 Genageld aan het kruis, bebloed haar bloedschuld boeten;
Daar stuurt mender een hoop van Moria te fel
Naar Kedrons afgrond toe, als naar de donker Hel,
En dekt ze in \'t vallen met muurstukken en met steenen.
Dies vinden zij haar einde en uitvaart al met eenen.
1135 Hier jagen ze, om van \'t vuur den heeten gloed t\' ontgaan,
Haar zelf aan palen dood, geschroeid en half gebraan:
Daar sterven nog, uit nijd en afgunst van de wachters,
Veel honderden van dees godloze Godverachters:
Hier breektmenze de leen met knodsen zwaar van wicht:
1140 Daar kwetst men andren \'t hert, de darmen, en \'t gezicht:
En duizenderlei slag van nieuw gevonden straften
Haar boosheid achterhaalt.
Dochter Sion:
Dat leert, dat leert ze blaffen,
Die honden! tegen God, die, oprecht Rechter, niet
Verschoont in zijnen toorne, of door de vingren ziet
1145 Oogluikende eenig kwaad.
Rei van Staatjonfren:
Hoe zijn ze, voort, gevaren,
Die aan Ierusalems verderf onschuldig waren?
Rei van Joodsche Fr ouwen:
Hoe anders, als bewaard tot een veel strenger lot,
Als die booswichten zelve, en menschen zonder God.
Josephus:
Van jongelingen, sterk van lijf, zijn zeven-honderd
1150 Tot d\'aanstaande triumf des Keizers uitgezonderd;
1125. Maar d\' onderzoeker moet het verborgene goed navorschen.
-ocr page 405-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   391
En die bereikten nog geen zeven jaar en tien;
Als beesten omgevend; men heeft verwisslen zien
Voor éenen penning tien en twee-maal zoo veel zielen,
\'t Welk zalig loofden, die door \'t zweerd in \'t oorloog vielen:
1155 Als zij met \'t ijzer van haar ketens overla&n,
Den bolpees schroomden van een strengen gardiaan.
Voords, om in schouwplaats \'t oog te dienen der tyrannen,
Zijn tot der dieren aas geschikt veel strijdbre mannen,
Of om te schermen lijf om lijf, en hand voor hand:
1160 Waar \'s Princen wellust dan haar omvoert achterland.
Het most een steenen hert geborsten zich erbarmen,
Die hier voor \'t lest de zoon den vader zag omermen.
De vaders vallen weer haar zonen om den hals,
Den stok haars ouderdoms, den troost haars ongevals:
1165 Als elk zijns weegs bedrukt most volgen die hem leidan,
En, ziende tien-maal om, in \'t al te bitter scheiden
Gaf teekenen genoeg, hoe streng natuur verbindt,
Door onderlinge trouw, den vader aan het kind,
Het kind aan \'s vaders ziel, de broeders aan haar broeders
1170 Die eertijds, hangende aan de borst eens zelfde moeders,
Versloegen d\' eerste dorst met d\' ongevalschte melk
Die uit éen ader vloeide. O welken bittren kelk
Most hier gedronken zijn! en zoude ik ons vermanen
De klachten, het gebaar, \'t verzuchten, en de tranen,
1175 Ik most bezwijken, en uw-luider droeve staat,
Beschreide vrouwen! dit nu geenszins toe en laat.
Daar is \'t verhaal in \'t kort.
Rei van Joodsche Fronwen:
Nu wreekt uw leed met schreeuwen
En huilen overluid, gij, onbestorven weeuwen!
Roept luider als gij pleegt eertijds in barens nood,
1180 Doen d\'eerstgeboren haakte in uw benaauwde schoot
Na \'t wenschelijke licht des levens, dat ons langer
Verdrietelijker valt en gaat met plagen zwanger.
Onze echte mannen, ach! gaan, zonder den adieu,
Het afgeworpen jok opnemen op een nieuw!
1185 Onze oudstgeboorne helaas! gejukt, voor een godlozer
Herboren Pharo, vliên en Nabuchodonoser.
Ach, jonfren! met ons treurt!
Rei van Staatjonfren:
Helaas! waar blijven wij?
De geilheid des soldaats (och! moeders blijft ons bij!)
1156. Bolpees, bulpees. — Gardiaan, wachter. — 1160. Achterland,
door het land. — ii73._Vermanen, melding maken van. — 1183 en 84.
Adieu, spreek uit: ad-ju; nieuw, spreek uit: nuw.
-ocr page 406-
HIERVSALEM, VERWOEST.
392
Brandt na ons reinigheid met trommelen en pijpen.
1190 Zij naderen, om uit uwe ermen ons te grijpen.
Ons kuischeid lijdt gevaar, die, o wat leider smet!
Jeloers de dorpels hield van \'s vaders huis bezet:
Die heerlijk aan den rei der maagden plach te brommen,
En was geheiligd voor zoo schoonen bruidegommen,
1195 Die \'s vijands wreedheid gaat verstrooyen West en Oost.
Helaas! helaas! helaas!
Rei van Joodsehe Vrouwen:
Nu, dochters, zijt getroost!
Rei van Staatjonfren:
Och, Moeders! blijft ons bij.
Dochter Sion:
Nu zet u wat te vreden.
Rei van Joodsche Fr ouwen.
God Iacobs! ziet ons aan, en red ze in zwarigheden,
En zalft ze, die gij sloegt!
Iosephus:
Deze ijdle tranen spaart,
1200 Gij Joodsche vrouwen! die uw droefheid meer verzwaart.
Gij maagden! schept wat moeds; wie weet nog van wat enden
U onverwachten troost kan Iosephs trooster zenden.
Dochter Sion:
Matthias\' zoon, die de eer zijt van uw oud geslacht,
Die de overwinnaars vaak vermorwd hebt en verzacht,
1205 En met uw lippen knede haar hert van diamanten,
Van dat ze haar grof geschut eerst op dees hoogten planten:
Iosephus! of hem nog de Maarschalk zoo beried,
Dat hij, door u beweegd, een maat stelde ons verdriet,
Zoudt gij tot Iacobs heil en troost gebruiken laten
1210 Uw redenrijke tong gedopt in honigraten?
Iosephus:
Wel duizend-maal zoo veel, Mevrouwe! — Voor gewis
Houd, dat Iosephus\' gunst tot uwen besten is.
\'s Wets heil\'ge bladen ik ge-eigend heb door \'t bidden;
Mijn bloedverwanten ook behouden, in het midden
1215 Der slachting, daar verbaasd elk zag na \'t vluchten om.
Des Keizers mildheid mij den vrijen edeldom
Vereerde, en heb gestuit veel razende soldaten,
In \'t moorden, branden, als de weereld scheen gelaten
Te wezen zonder Gods bestiering: dies ik veil
1220 Mijn jonste willig nog tot uw en ieders heil.
1191. Leider, grievende. — 1193. Die, nam. onkuischheid.— 1206. Ge-
schut, werp- en schiettuig. — 1219. Veil, veil heb. — 1220. Jonste, gunst.
-ocr page 407-
HIERVSALEM, VERWOEST.
393
Dan, overmids ik nu, met Titus meer te vergen,
Zijn goedheid schijnen mocht te sarren en te tergen:
Verzoekt veel liever zelf nog, met gebogen kniên,
Verzachting van uw kwaal! wie droomt, wie weet misschien
1225 Wat gij verbidden mocht van hem ter goeder uren!
Der vrouwen tranen doch zoodanig van naturen
En aard zijn, dat ze vaak beroeren nog die geen,
Die onverbiddelijk in ieders oogen scheen.
Gaat, Vrouwen, Maagden! gaat dan d\'overwinner smeken,
1230 Die morgen of in \'t kort zijn leger op zal breken.
Vaart wel, Mevrouwe! ik ga. Hij wende uw ongeluk
Die al uw onheil weet!
Rei van Staatjonfren:
Laat gij ons dus in druk?
Rei van Joodsche Fr ouwen:
Iosephus! mag ons meer voor dit-maal niet gebeuren?
Dochter Sion:
Staatjonffren! volgt mij na, en houdt wat op van treuren.
1235 Tza, gaan we, laat ons gaan! gij, Vrouwen, volgt mij na!
Wij moeten dwalen op der vijanden gena.
Rei van Jodinnen:
Laat ons beschreven \'t algemeen
Verderf, en \'t licht, dat jongst bescheen
Die Hemelhoog getoornde klippen
1240
         Van Davids veel bestormde Stad,
Als God haar val gezworen had
Met onbedriegelijke lippen.
Of \'s Tempels grondvest, nacht en dag,
Na \'t sterren welfsel open lag,
1245 Geverwd van \'t bloed der welgeboornen,
En of men \'s Keizers Aadler mocht
Zien met zijn pennen slaan de locht,
En schittren af van stompe toornen:
Nog even trotsch en onbezorgd,
1250
         Op de opperstad en Davids borcht
De muiters naar borstweeren manden:
En wie zijn doodverw had gezet
Uit vreeze, \'t vluchten wierd belet
Van boeven, die hier t\' zamen spanden.
1251. Manden, bemanden, bezetteden.
-ocr page 408-
HIERUSALEM, VERWOEST.
394
1255         Maar als zijn opzet en besluit
God tegen ons wou voeren uit,
Is schielijk \'t leeuwen-hert ontvallen
Ons manschap, die beangst uit nood
Den vijand, zonder slag of stoot,
1260 Beklimmen liet de trotsche wallen.
De vijand, die zijn vaan alreê
Van ons rondeelen zwieren deê,
En blies triumf, van vreugde dronken;
Doen kwam die dag en uur, dat God
1265
         Ons had bescheerd dat strenge lot
Zijns gramschaps, die bestond t\' ontvonken.
\'t Roomsch krijgsvolk, als \'t geen wederstand
Noch tegenweer van mannen vand,
Drong \'t met geslepene rapieren
1270
         In d\'enge straten bol en dik:
Daar \'t wade, in eenen oogenblik,
Ten enklen toe in bloedrivieren.
d\' Een, om te ontvliên de bleeke dood,
In onderaardsche kelders vlood,
1275 Wiens toegang wierd gestopt met blinden:
En d\'ander, door mistroostigheid
En wanhoop in zijn ziel verleid,
Gewapend ging zijn kerkhof vinden.
Hoe menig held, die, trotsch van moed,
1280
         Woü \'t vaderland zijn heldiesch bloed
Opoffren in \'t gevaar der straten,
Van vrouwe en kindren om den hals
Gevallen wierd, met veel geschals:
„Wat wildij, vader! ons verlaten?"
1285         \'t Kind, dat nog eerst aan banken ging.
Aan \'s moeders achterslippen hing;
De voêster \'t zuigeling liet weenen,
En kwam haar vrouw te hulp, zoo ras
De meester greep na \'t courtelas;
1290 \'t Riep deerlijk al: „Waar wildij henen?\'*
Als d\' huisweerd ziet, dat uit noch in
Hem laat \'t bestorven huisgezin:
1289. Courtelas, mes (coutelas).
-ocr page 409-
HIERVSALEM, VERWOEST.
395
„Laat los, laat los!" roept hij ten lesten,
„Dat ik. alleen, van \'t hooge dak,
1295
         Mijn poorte vrij van ongemak,
En ons ontsla dees helsche pesten."
\'t Is naauw gezeid, men vliegt er knap
Na boven, langs den wenteltrap,
Met steenen toegerust en blokken;
1300
         Daar ziet hij, hoe een blaauwe wolk
En rot van \'t fel Latijnsche volk
Komt op zijn dorpels aangetrokken.
Maar als zij dreigen klop op klop
Te drijven, met heirhamers, op
1305 De poort, bewaakt van slot en grendel:
Wreekt hij dien euvel heei goedkoop,
En kneust de voorste van den hoop,
En hagelt onder \'t moorders-vendel.
De ruiters \'t bloed, verbitterd heel,
1310
         Krimpt van de zool in \'t bekkeneel,
Zoo man en ros de beenen breken;
Dies zenden ze, met stijve boog,
Wraakgierig haar geschut omhoog,
En branden om dien smaad te wreken.
1315         Wat groeit hier een nieuw stads-rumoer!
De deur gescheurd vliegt op de vloer,
Van toorn zij op haar tanden knersten;
De voêster, die betaalt \'t gelag,
De moeder sneuvelt in een dage\',
1320 En \'t zuigling treên ze \'t hert te bersten.
Terwijl \'t beneên, al uitgeleefd,
Den lesten schreeuw en doodsnak geeft,
D\' huisvader, om haar voor \'t verderven
Te hoen, van boven rolt verbaasd,
1325
         Dien de ongebonden moorders haast,
Uit toorne en wraak, aan hutspot scherven.
De maagden, naauwlijks houwbaar nog,
Zij, na veel dreigementen, och!
1295. M\\jn poort (Tniis) vry maak van ongemak. — 1319. De moeder valt
in een dagge. — 1326. In stukken hakken.
-ocr page 410-
HIERVSALEM, VERWOEST.
39<5
Van hare jongvrouwschap onthulden;
1330
         Die, na veel zwijmens, riepen luid:
„Is \'t Godlijk recht in Isr\'el uit,
Dat God dien overmoed kan dulden?"
Wie kan afmalen al d\' ellend,
Die, waar me \'t aanzicht keert of wendt,
J335 Gebeurt? wat blijft er onbedorven
Van \'t roofgier spook? op snood gewin
Verhit, dat menig huisgezin
Aan honger leeg vond uitgestorven.
De zon al vroeger, dan zij plach,
1340
         Den draaiboom toesloot van den dag,
En week dees grouwlen in de baren.
De menschenslachters, moordens zat
Maar woedens niet, doen nog de stad
Met vuur ten Hemel deden varen.
1345         Gelijk den dag was doorgebracht
Met moorden, zij den duisteren nacht
Met blakren sleten en met branden.
God! waarom ledij, dat uw Kerk
En Stad, der Englen timmerwerk,
1350
         Geschend wierd van zoo snooden handen!
DE DERDE HANDEL.
Phineas, Priester.
Melchisedech! o, die ooit, de eerste Priester Gods,
Het priesterschap bekleedde op Salems hooge rots,
Wiens hoofdscheêl van God zelf met balsem wierd bedropen,
Gezalfd en toegekend den myter, boven open:
Doen \'s Heeren heuvel gij wat hooger trokt, tot dat
Hij \'t aanzien en den naam van een ontworpen stad
Bereikte in Canaan; — Aaron uitverkoren!
Die \'t reukwerk aanstaakt met uw zonen welgeboren; —
Ziet op, gij helden Gods! Aartspriestren, ziet eens om,
Hoe \'t van den Hemel hooggeadeld Priesterdom,
Ontkleed van zijnen glans, treurt zonder glimp of luister,
Gelijk, bij zonnezwijm, al schemerende in \'t duister
De weereld sprietoogt, zoo, wanneer de maan jeloers
1343. Doen, toen. — 1351. Ooit, eens. — 1363. Sprietoogt, onzeker,
met halfgeopende oogen uitkijkt.
-ocr page 411-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   397
Den sterflijken te spijt dekt \'t aangezicht haars broers:
1365 Treurt, als \'t gerantsoend lijk eens Konings, die verslagen
Wordt, op een rosbaar, versch gebalsemd thuisgedragen.
Waar is, Ierusalem! nu uwen Konings-staf,
En \'t Priesterlijk cieraad, dat u Iehova gaf?
Waar is uw blank ivoor ? uw marmer, klaar van schimmer ?
1370 Uw purper, fijn van draad? uw kerkelijk getimmer?
Uw koninklijk paleis? waar zijn uw ceedren? waar
Uw pijlaars, bogen, en gewelven allegaar?
Waar \'t zilver? waar het goud? waar zijn de Cherubijnen?
Waar \'t altaar, \'t wierook, en dees blinkende gordijnen?
1375 Waar de Arke des Verbonds? waar Gods geheimenis?
Helaas! \'t is verr\' gezocht, dat niet te vinden is.
Wie had gedocht, dat God, te streng op ons gebeten,
Zijn erfdeel zoo geheel vertreên zoude en vergeten?
Schoon of de muur omringd van zulken heirkracht was,
1380 Dat in \'t gebergte alom vertrad het kruid en \'t gras;
Schoon of de Stad verzonk in \'t uiterste benouwen,
Ons hoop steunde op de Kerk en d\' heilige gebouwen;
Wij riepen: „Zijt getroost, laat God begaan al stil,
Iehova blijft ons borcht, om zijnes Tempels wil!
1385 Maar ach, rampzalige! als \'t den Hemel woü gedoogen,
Wij wierden in ons hoop te jammerlijk bedrogen,
In die vervloekte nacht, als, eer het licht opkwam,
Ons Kerk aan kolen ging, en stond in lichte vlam:
Als met de vlamme opsteeg ons krijten en ons kermen,
J390 Dat God noch Engel mocht bewegen tot erbarmen;
Doen al den berg, gesteld in vuur en enkel bloed,
Sloeg d\' overwinner met meêdoogen in \'t gemoed;
Doen riep me spa: „Vertrouwt noch kerken noch outaren,
Haar heiligheid geen stad kan voor \'t verderf bewaren!"
1395 Ik zelf ontvlood den moord, en riep luidskeels in \'t vliên:
„Vlied met mij! \'t is vergeefs den vijand weer te biên;
Hij heeft de Stad voorlang, en houdt haar sterke wallen.
De tempel is vergaan: onze hope is nu gevallen."
Zoo bergde ik naauwlijks \'t lijf, en rukte, met deze hand,
1400 Veel heiige schatten ongeschonden uit den brand.
Maar waarom vlood ik? ach! wat hield ik dier mijn leven?
Hadde ik mijn ziele in \'t vuur des tempels opgegeven,
Als Metrus wel beraan, en als Daleus\' zoon,
Of waar ik in \'t hoog choor geteld bij d\' ander doön,
1405 Zoo zoud\' nooit zijn gebeurd, dat ik, gevaan, most laten
1380. Dat, dat heir namelijk. — 1401. Wat, waarom. — 1403. Perso-
naadjes uit Flavius Josephus.
-ocr page 412-
398                    HIERVSALEM, VERWOEST.
Den Heidenschen monarch de goude en zilvre vaten,
\'t Schaarlaken, \'t reukwerk, en \'t hoogpriesterlijk gewaad,
En andre ciersels: daar een booswicht, een soldaat
Zijn vingeren aan schendt: zoo waren voort mijn beenen
1410 Begraven met den val van d\' afgekeurde steenen!
Nu houde ik de uitvaart van \'t onzalige geslacht,
Om welkers ondergang het volk van Roome lacht,
En op de diensten smaalt, die Mozes heeft geboden,
En prijst voor onzen God een hoop verdichte Goden,
1415 Die Abraham verzaakte: en of mij schoon genaa
Geschied is, zoo dat ik op vrije voeten sta,
Wat batet? want, waarheen dat ik mij keere of wende,
Ik zie mijn hertenleed aan Israëls ellende!
Indien ik zie rondom, ik zie hem, die ons dringt,
1420 En vind mij van de macht der Heidenen omringd.
Sla ik \'t gezicht om leege, ik zie, hoe met den zweerde
\'t Huis Iacobs ligt verdelgd, de Stad geslecht met d\' eerde:
Ik zie van d\' argrond op nog smoken \'t heerlijk slot,
Daar David vaak uit heeft den Philistijn bespot.
1425 Heffe ik mijn lichten op, den Hemel is gesloten,
Noch draagt niet langer gunst zijn oude bondgenooten.
Dochter Sion. Rei van Staatjonfren,
Re 1 van Joodsche Vrouwen, Titvs.
Dochter Sion:
Gij spoken, die weleer verhoogd pronkte\' in de traliën
Van \'t goude Blijenburg, behangen met medaliè\'n.
Waarmee de Godheid hadde onsterflijkt uwen rei,
1430 Als gij zijn eersleip volgde, en droegt zijn leverei,
Als gij Gods Majesteit omschanste met uw stoeten,
En zaagt \'t gesternt\', de zon, en maan beneên uw voeten
Verschieten, flaauwer, als de klaarste diamant
Ons van d\' uitbreidsels zendt zijn stralen overkant;
1435 Die gij, getuimeld, moogt op \'t aldernaauwst\' vertellen,
Hoe veel van \'s Hemels top schilt \'t middelpunt der hellen:
Ten waar \'t lang vallen u gewiegd hadde heel in zwijm,
Eer gij ten lesten plofte in \'safgronds vuilen slijm
En diepen zwavelpoel, die fluks is aangevlogen,
1440 Doen vonken stoven neer uit Gods vuurvlammende oogen;
Gij spoken! zegge ik, breekt uit uw gevangenis,
Aanschouwt, wie \'t vallen nog met u deelachtig is;
1410. Afgekeurde, door keuring uitgezonderd, afgezet. — 1422. Ge-
slecht, gehjk gemaakt. — 1427. Spoken, de gevallen Engelen. — 1428.
Blyenburg, de Hemel. — 1433, 34- Meer verbleeken dan de klaarste ster,
wanneer zij ons in de schuinte haar stralen van het uitspansel toezendt.
-ocr page 413-
HIERVSALEM, VERWOEST.
399
Ziet, hoe die blixem Gods mijn hemelhooge ceedren,
En marbren gepolijst, ter hellen ging vernedren,
1445 Als ik te trotsch van nek in mijnen plicht ontbrak,
En opgeblazen naar zijn kroon en glorie stak:
Ziet, hoe die lusthof is verkeerd in een woestijne,
En herberg van \'t gediert\', waarin ik eenzaam kwijne!
O, strekten de oogen mij een sprongrijk Siloa,
1450 Nu ik mijn handen wringe en voor mijn borsten sla,
En scheur mijn treurgewaad! och, of ze tranen lieten,
Wat zou mij daar een pak, een pak van \'t hert afschieten!
Nu houdt de rouw, zoo \'t schijnt, de dorpels toegestopt,
Een rouw, die ik al meer en meer hebbe ingekropt,
1455 Daar ik aan stikken zal, daar ik aan moet verstikken,
Hoe flaauw bezwijkt mijn hert schier allen oogenblikken!
O wee! o wi! o wach! — hebt gij, bedrukte maagd!
Uw hert nog niet van rouw geleegd en uitgeklaagd,
En moogdij niet een traan tot uwen troost verwerven, —
1460 Zoo treurt u voorts in \'t graf, en zoekt uw heil in \'t sterven.
Rei van Staat jon f ren:
Wat krijgsliê komen hier, die meer zijn als gemeen?
Waar vliên wij? och! wie is \'t? zijn \'t hopliê?
Rei van Joodsche Fr ouwen:
En met een
De veldheer Titus zelf; ik zie, hij staat in \'t midden.
Dochter Sion:
Staatjonfren! volgt mij na en helpt ons straf verbidden.
1465 Aanveerdt een droef gelaat en jammerlijk gebaar.
Slaat voor uw borst. Verscheurt uw kleedren, en uw haar,
Als ik mijn stem verhef; bevochtigt met uw tranen
\'t Hert des Verwinners: of gij zoo een weg mocht banen
Tot mededoogen; schaamt, rampzaalge rei! u niet,
1470 Nu aan te gaan al \'tgeen de bittre nood gebiedt.
Vergeet uw oud geslacht van Priesteren en Vorsten
En Koningen, die \'t al ten strijde ontzeggen dorsten.
Oodmoedigheid u voegt; ik ga u allen voor.
God! om wiens aanschijn juicht de rei van \'s Hemels choor,
1475 Mij aangenaamheid jont, druipt honig op mijn lippen,
Dat ik bewegen mag zoo zieleloze klippen,
Als zijn der vijanden onbuiglijke gemoen!
Tit vs:
Wie knielt hier neder om t\'erlangen haren zoen?
Dochter Sion:
Grootmogende Monarch! wilt met geduldige ooren
1449. Sprongrijk, bronrijk. — 1472. Strijd aanvangen.
-ocr page 414-
HIERVSALEM, VERWOEST.
400
1480 Ons klacht, ter zielen uitgeborsten, doch aanhooren;
Wij, \'t overschot des volks, die vallen u te voet:
Wij eischen geen genaa, maar dat gij met ons doet
Al \'tgeen wat u behaagt: laat vrij uw dienaars stooten
Haar degens door ons borst, die wij voor u ontblooten:
1485 Of dat ze ons werpen van dees rotsen, scherp en steil,
En plettren ons gebeent\', want \'t sterven is ons heil,
De dood ons toevlucht, en haar komst, daar andre menschen
Voor schrikken, is den troost en \'t zoetst\', daar wij om wen-
Om te geraken door d\' eindlooze zwarigheên, (schen,
1490 En eens ons leed t\' ontgaan: Of zijdij door gebeên,
Ontzichelijke vorst! nog tot genaa te neigen,
Verzacht de penen doch, die d\' overwonnen dreigen,
\'t Van ouds beroemd geslacht, dat van de vaadren daalt,
Bijna is uitgeroeid; dien lof hebdij behaald:
1495 Een handvol blijft er, uitgeput van ongenuchten,
Die \'t leven valt te bang, die niet doen dan verzuchten:
Erbarmt u haarder, en verschoont ze, o Vorst! althands
Die \'t lot spaarde om te zien den val haars vaderlands!
Titvs:
Hadt gij dit voorbedacht, vermaledijde Joden!
1500 En van uw poorten mij de sleutlen aangeboden,
Als uws stads grondvest nog haar hooge muren droeg,
Als ik om Sions kreits nog eerst mijn leger sloeg:
Gij stondt nog daar gij stondt, en van uw sterke wallen
En waar de cingel nooit ter aarden neergevallen.
1505 Hoe vaken hebdij, met een ingeboren haat
Mijn keizerlijke gunst en goedigheid versmaad,
Als ik u hulde aanbood, en, uit een mild ontfarmen,
U zwoer gezamendlijk voor onheil te beschermen.
Hoe menigwerven blies ik d\' aftocht, alzoo ras
1510 Gij nood leedt, als de strijd en storm op \'t heetste was:
Hoe dikmaal breidelde ik mijn ongetemde benden,
Van vreeze, dat ze uw Kerk en Godsdienst zouden schenden!
Nu komdij smeeken... Op, staat op!
Dochter Sion:
Ertsmaarschalk, ach!
Dat wij u kwetsten ooit is, laas! al ons beklag.
Titvs:
1515 Nu \'t glas verloopen is, nu roept men om genade.
Dochter Sion:
Erbarmt des armen volks, al kornet vrij wat spade.
1492. Penen, boeten. — 1507. Hulde, gunst, genade.
-ocr page 415-
HIERVSALEM, VERWOEST.
401
Tit vs:
Zoo spade, dat er niets voor u te hopen staat.
Dochter Sion:
Een welgeboren Vorst zich nog erbarmen laat.
T i t v s:
Een welgeboren Vorst zoekt \'t voordeel van den lande.
Dochter Sion:
1520 \'t Ontfermen voordeel brengt, gestrengheid schade en
T1 t v s:                                   (schande,
\'t Ontfermen brengt ook ramp, gestrengheid voordeel toe;
Zoo houdt men \'t volk in tucht
Dochter Sion:
Elk een verwenscht de roê.
Titvs:
De booswicht haat zijn straf.
Dochter Sion:
Ons heeft geen straf ontbroken.
De Veldheer heeft zijn leed ten uitersten gewroken.
Tit vs:
1525 Waar mijnen doortocht valt, daar eischen nog te staan
Dees muiters, tot een les en spiegel voor de kwaan.
Dochter Sion:
Die \'t spieglen lust, beschouw dit graf vol doode beenen,
Dees omgekeerde Stad, en die verstrooide steenen!
Titvs:
Licht slaat men in de wind \'tgeen zelf men niet en ziet.
Dochter Sion:
1530 Al ziet men \'t niet, de faam meldt wat er is geschied.
Titvs:
De loden voor \'t gerucht nooit eenen voet verzetten.
Dochter Sion:
\'t Is een Godsdienstig volk, dat ijvert om zijn wetten.
Titvs:
Is \'t ijver, dat men muit?
Dochter Sion:
Het acht de vrijheid weerd.
Titvs:
1535 Derft hij ook vrijheid, die al heeft wat hij begeert?
Den Joden was \'t vergund haar dorpels te bewonen,
Te lezen haren oogst, en Koningen te kroonen,
En Vorsten van haar bloed met purper te bekleên,
En vrank te leven naar der bestevaadren zeen;
1540 Dies mosten zij den Stoel van Roomen onderstutten
Met dragelijken tol, daarvoor wij haar beschutten
Van allen overlast des woedenden soldaats:
VONDEL I.
26
-ocr page 416-
HIERVSALEM, VERWOEST.
402
Ja, wie ontwijen dorst \'s Kerks afgekeurde plaats,
Naar d\' uitgedrukte wet, geprent in zuivre marmer,
1545 Die brocht zijn vonnis mede, en vond geen lijfsbeschermer.
Is dit geen vrijheid, die \'t gespuis vernoegen mag?
Veel andre zijn te vreên, en dragen ons ontzag;
Maar uw herdnekkigheid (en niet de zware tollen)
En \'s Keizers slappen moed, die brachten u aan \'t nollen :
1550 Ons goedheid, vaak misbruikt, u stouter heeft gemaakt.
Dochter Sion:
Doorluchte Prins! \'t is waar, \'t en kan niet zijn miszaakt;
Doch overweegt, dat eerst door woedende tyrannen
De ketenen van twist en oproer zijn gespannen:
Nooit had de vrome deel aan zulken overmoed.
Titvs:
1555 De vrome vaak ontgeldt \'t kwaad, dat een booswicht doet.
Dochter Sion:
Wie wijs is en beraan, die schift ze van malkander.
T1 t v s:
Elk wascht zich af van \'t vuil, en schuift het op een ander.
Dochter Sion:
Wie niet handdadig is aan eenig kwaad beleid,
\'t Is billijk, dat hij staat op zijn onnoozelheid.
Titvs:
1560 Zoo spreekt de kwaadste schelm.
Dochter Sion:
Men ziet op niemants spreken,
Men let op ieders feit, en al \'tgeen heeft gebleken.
De aanstellers van \'t rumoer zijn eik-een openbaar.
Titvs:
D\' handhavers zijn al dood, en die verbergen haar.
Dochter Sion:
Men houde \'t die te goê, de straffe hun hoofden rake.
Titvs:
1565 Rechtveerdigheid, die \'t meent, eischt over beiden wrake.
Dochter Sion:
Uit slechtigheid is \'t vaak, dat iemant \'t kwaad bestemt.
Titvs:
Al boet hij \'t met zijn hals, dat schijnt dan niemant vremd.
Dochter Sion:
Wie \'t uit onkunde faalt heeft in dit pleit groot voordeel.
Titvs:
Zoo groot niet, of hij moet uitstaan zijns rechters oordeel.
1551. Miszaakt, ontkend. — 1563- Die, gene. — 1566. Dikwijls stemt
iemant uit eenvoudigheid in \'t kwaad. — 1568. Schrap \'t.
-ocr page 417-
HIERVSALEM, VERWOEST.                     403
Dochter S1 o n:
1570 Een oordeel, hecht gesmeed op \'t aanbeeld van de reen.
T1T v s:
Een oordeel, dat de wet en krijgsraad stelt te vreên.
Dochter. Sion:
O Vorst! vernoegt u met de straf alreê genomen,
En die der boozen rot nog versch is overkomen.
Het overschot meestal onschuldig is aan \'t kwaad,
1575 Daarmede uw Majesteit gekwetst is inderdaad:
Misgunt niet, dat wij hier zieltogen weinig dagen,
En als een eerlijk lijk Ierusalem beklagen.
Titvs:
Om hier te nestien? Neen, de krijgsman, die \'t zich belgt,
Staat uw uitroeyen duur.
Dochter Sion:
Nu zijn wij gants verdelgd.
Titvs:
1580 Zoo gants niet, of óns stond een erger kwaad te vreezen.
Dochter Sion:
Zoo Roome vreeze aankomt van ouderloze weezen,
Van weeüwen uitgeschreid, van vrouwen levensmoe,
Van wat ontwapend volks, zoo brengen wij ze haar toe,
Die, uitgemergeld, niet voorhebben, als ons magen,
1585 Waar ze ergends kenbaar zijn, in \'t koude graf te dragen,
En in spelonken en steenrotsen hier-ontrent
Te huilen, schouw van \'t licht, tot dat ons leven endt.
Titvs:
Van luttel zaads gestrooid, dat over is geschoten,
Wast eenen rijken oogst: alzoo van weinig loten
1590 Ontstaat een boomrijk woud. Zoo \'t eerstgeplante veil
Beklimt en dekt een muur, al is hij hoog en steil;
De doornen laten niet van nieuws weer aan te groeyen,
Zoo lang daar wortel blijft. Die most men eerst uitroeyen.
Dochter Sion:
Men laat dees woeste plaats van krijgsliê wel verzorgd.
Titvs:
1595 \'t Mistrouwen geeft meer rust, en is een vaster borcht.
Dochter Sion:
Mistrouwdij die gij loont?
Titvs:
Geenszins, maar wel ulieden,
Die altijd woelt, en tracht den genen \'t hoofd te bieden,
Die uwen staat verdrukt.
Dochter Sion:
Ei, wapenloze hoop!
-ocr page 418-
HIERVSALEM, VERWOEST.
4°4
Die in uw tranen smilt en \'t zuchten hebt goedkoop,
1600 Verheugt u nog met mij, dat de o verwinners moeten
Voor u verschrikken, daar gij neerligt voor haar voeten t
Grijpt moed, en recht nog op \'t vervallen Jodendom,
Want Titus staat bedeesd; en \'t heir ziet naar u om.
Titvs:
Uit d\' assche van een stad (licht wordt een zaak verkeken)
1605 Is vaak een brand ontstaan, die landen heeft ontsteken,
En rijken met de grond geëffend en vernield:
Geen lichaam acht men dood, zoo lang het is gezield.
Die dikwijls op het veld voor dooden zijn gerekend,
Gedenken aan haar leed, verrijzen weer en wreken \'t.
Dochter Sion:
161 o Verre is de wraak van ons, die bloot zijn van geweer.
Titvs:
De wanhoop ziet niet aan, al waar \'t een machtig heir,
Zij geeft ze dobbel kracht, en helpt weer op de beenen
Een deel vervloekt gespuis, eer \'t iemant zoude meenen»
Dochter Sion:
Helaas, eêlaardig bloed! \'t mistrouwen, dat gij hebt,
1615 Veroorzaakt, dat men troost noch blijschap uit u schept.
Titvs:
Zijt, Jonkvrouw! wel gemoed, en wilt ten besten hopen,
De krijgsraad is vergaard; mijn tijd is hier verloopen.
Verwacht van ons het lot, en denkt: het zal wel gaan:
Wij breken morgen op: daar legt uw zaak na aan. \\_Afï\\
Dochter Sion:
1620 \'t Onredelijke dier, dat eertijds twee gebroeders, (ders
Grondleggers van uw staat verschoonde, en, als haar \'s moe-
Ontzet en speen gebrak, opzoogde, aan \'s Tybers boord,
Was reedlijker als gij, die na geen smeeken hoort.
Het klippig steengebergt, dat hier met doón bespreed leit,
1625 Ik tot getuige neem, o Titus! van uw wreedheid.
Geen kermen heeft hier plaats, en mij voorzeit de nood
Een slaafsche ballingschap, of een benaauwde dood.
R E1 van Pr tester en:
Wij, priesterlijke reyen
(Die voormaals met schalmeyen
1630 Den vierdag plachten en de feesten in te wijden,
En steeds op Moses\' wetten
Aandachtelijk te letten,
En te vergaaren \'t volk op haar gezette tijden),
1622. Ontzet, steun.
-ocr page 419-
HIERVSALEM, VERWOEST.
405
Niet hebben acht geslagen,
1635
               In de onverwachte plagen,
En \'t voorspook, dat ons daaglijks met verwoesting dreigde:
Al gaf God, zonder spreken,
Zoo menig helder teeken,                         (neigde:
Waaraan \'t bleek, waarwaards dat de Joodsche staat zich
1640              \'t Verwoesten en \'t vertreden
Van de omgelegen steden,
Vol viers, vol moordgeschreis, vol brands, vol bloeds, vol
Vol krijtens, en vol zuchten,                     (tranen,
Vol twists, vol krijgsgeruchten,
1645 Wou Salem van haar val en ondergang vermanen.
De ruiggehaarde Sterre,
Die in de locht van verre
Blonk, als een Godlijk zweerd. recht boven onzen schedel,
Riep, „Dat het zweerd van Roomen
1650
              Ons haastig op zou komen,
En treffen jong en oud, rijk, arm, eêl, en onedel."
\'t Licht binnen d\' heil\'ge drempel,
Bij \'t outaar en den tempel.
Waarvoor de donkre nacht week met zijn bruine vlerken:
1655
              Het zwangre koebeest mede,
Ten brand geschikt aireede,
\'t Lam barende, zocht ons te brengen tot opmerken.
De deur met ijsren sloten
Van klaar metaal gegoten,
1660 Die twintig mannen al bezweet te grendlen plachten:
Waarschouwde onz\' Godverachters,
Als haar de Tempelwachters
Wijd open vonden staan vaak en verscheiden nachten.
Het heirkracht veler volken,
1665
              Dat, boven in de wolken,
Zich legerde in de locht, voor d\' ondergang der zonnen,
Vertoonde ons al de benden,
Die de oude Stad berenden,
En niet aflieten voor zij hadden ze gewonnen.
1670              \'s Nachts, als wij bezig waren
Om te offren op de altaren,
1635. De uitgaven hebben „En". — 1646. De onheilspellende komeet.
-ocr page 420-
4o6                   HIERVSALEM, VERWOEST.
En \'t heilig Pinxterfeest met ijver uitermaten
Aandachtelijk te vieren,
Naar d\' overouw manieren,
1675 Riep ons een stemme toe: „Laat ons dees Kerk verlaten!"
\'t Weeklagen ongewone
Van Ananias\' zone:
„Wee volk! wee stad! wee Kerk! wee, wee van allen hoeken!"
Ons uit den slaap niet wekte,
1680
               Daar \'t als een voorspel strekte,
\'t Welk aanwees, dat ons God op \'t strengste zou bezoeken.
Dit alles slaan wij gade,
Helaas! nu \'t is te spade,
Nu Stad en Tempel is een roof der vremdelingen.
1685
               O God! ziet eenmaal neder,
En troostet Levi weder,
Opdat wij uwen lof met juichen mogen zingen.
DE VIERDE HANDEL.
Trrvs, de Keizer, Terentius, Hopman.
Titvs, de Keizer:
Wij staan op ons vertrek; mijn afgestreên soldaten,
Na zoo veel oorloogs, blijd\' haar legerplaats verlaten.
1690 Wij laten achter ons een omgeworpen muur,
Een Koninklijke Stad verdelgd met staal en vuur,
Een aardrijk omgewroet, een kerkhof vet van dooden,
Die niemant staan te ontzien, ten ware dat der Joden
Verrezen schimmen ons opkomen mochten dol
1Ö95 Met fakkelen, gelijk uit Plutoos duister hol
Opdonderen somtijds de ontstelde Razernijen,
Als al de weereld voor een anker schijnt te rijen:
Maar dat is zonder zorg: nochtans acht mijnen Raad
Dit oorbaar, dat men, tot gerustheid van den staat,
1700 Hier een bezetting legt van krijgsliê wel ervaren,
Die onder eenen voogd \'t land nierontrent bewaren,
Opdat er niemant schans, noch slot, noch vesting bouw,
Noch voet krijg, noch iet kwaads den Romulijnschen brouw.
Terentius, die vaak de schild waart van mijn leven,
1705 Wanneer ik in den strijd mij had te diep begeven,
Omcingeld van \'t gevaar, belegerd van \'t gekerm,
Besloten van \'t geweyr, daar, met geheven erm,
1703. Romulijnschen, \'t nakroost van Romulus.
-ocr page 421-
HIERVSALEM, VERWOEST.                     407
Gij mij te redden wist door sabelen en pijken,
En sloegt een wagenborg van doón en versche lijken:
1710 Deze eere komt u toe: ontvangt, ontvangt van mij,
Uw wettelijke Prins en Veldheer, de voogdij
Van gantsch Iudea; let met aandacht op uw zaken,
En wilt in \'t voordeel van ons Monarchije waken.
T e r e n t 1 v s:
Aanzienelijke Vorst! och, of uw Majesteit
1715 Meer nuts genieten mocht van mijn gehoorzaamheid!
Wij nemen \'t ambt in dank; uw mildheid is te loven,
Die ons verdiensten in bezolding gaat te boven.
Verschoont uw dienaar niet, die, als de Keizer spreekt,
Wenscht te vervullen \'tgeen aan zijnen plicht ontbreekt.
Trrvs:
1720 Mijn tiende bende, die haar ooit zoo vroom verweerde,
Gesterkt met nog meer volks te voet en ook te peerde,
Ik tot bewaring hier te legeren besloot,
Om de overwinning te verzeekren buiten nood,
Waarom men heeft verschoond den muur in\'t West gelegen,
1725 En \'tgeen daaraan kleeft: daar het krijgsvolk vrij van regen,
Van hagel, wind en storm, en onweer schuilen mag,
En herberg krijgen. Hebt gij over haar \'t gezach!
Omhelst de wetten, en, wie tegen \'t recht derft woelen,
Doet hem de strengigheid van onze krijgstucht voelen.
Terentius:
1730 Al wat mijn Heer beveelt, werd wetens niet verzuimd.
Tit vs:
Geen uitgedreven Joon geeft hier te wonen ruimt\':
Maar andren, die haar na ons zeden kunnen voegen,
Vergunt deze akkren te bezaayen en te ploegen,
Mids redelijken tol \'t Rijk in te wil\'gen, en
1735 Dat niemant ander staf als onzen scepter kenn\'.
Terentius:
\'t Is billijk en gegrond, het steunt op goede reden.
Ti t v s :
Zoo iemant derf bestaan, of vestingen of steden
Te stichten, en tot zulks iets delve of spitte of graaf,
Die heeft het lijf verbeurd, zijn goed en al zijn haaf.
1740 Die zaak is van gewicht, dus hecht ze in uw gedachten.
Terentius:
De Prince twijfel niet: wij hopen \'t te betrachten.
Titvs:
Uit mijn gevangens ik heb duidelijk verstaan,
1720. Ooit, steeds.
-ocr page 422-
4o8                    HIERVSALEM, VERWOEST.
Dat Simon, die ons zoo veel hoons heeft aangedaan,
Die schelm, dien, afgerecht op zoo veel boeverijen,
1745 Het oorloog spaarde, om zijn verschulde straf te lijen,
Zich onder \'t muurwerk houdt, \'t welk nog van de aarde
Met andre, die hij na zijn lust heeft opgestookt: (rookt,
Neemt acht hierop, en dees steenhoopen wilt bezetten
Met wachters, voor een wijl, die op dien booswicht letten,
1750 Opdat hij \'t niet ontslip; indien nog \'t recht in zwang
Bi| d\' Hemellieden is, dat elk zijn straf ontvang,
En penen geld en boet\' zijn grouwelijke stukken,
Hij zal u niet ontgaan.
Terentius:
En of dit wou gelukken,
Wat eischt het recht van hem? te sneuvlen door de bijl?
Titvs:
1755 Die deugd gebeurt hem niet. Dat gij hem in der ijl
Mij toestiert, wel bewaard, te Roome, daar wij wenschen,
Dat hij in ons triumf zij \'t schouwspel veler menschen.
En pijnelijk uitbraak zijn goddeloze ziel,
Die stadig van het eene in \'t ander kwaad verviel.
Terentius:
1760 Schept die verrader slechts in onderaardsche kuilen
De locht, al ging hij zich zoo diep uit angst verschuilen,
Dat hij den Tartarus, daar geenen Phebus schijnt,
Mocht hooren loeyen, als de boosheid wordt gepijnd,
Die schelm, doorluchtig Held! mijn hand niet zal ontvlieden;
1765 Belieft u ietwat meer, gij hebt maar te gebieden.
Ik volge uw Majesteit, en doe u uitgelei.
Titvs:
De tijd verloopt, het is hoognoodig dat ik schet,
En vorder onzen tocht. Ik zie, nu wij vertrekken,
De Keizerlijke Stad haar zeven halzen rekken,
1770 En uitzien na het heir, dat, waarwaards het ook vecht
Alom het veld behoudt, en prijs en eer inlegt.
Ik zie de stacie van de Roomsche burgerijen,
In volle rusting, ons ontmoeten met verblijen;
Den Tyber zwert van volk; ik zie Vespasiaen,
1775 Mijn broeder en den Raad bij Iovis tempel staan:
De Priestren \'t outaar voên, en al de Goden vieren.
En \'t onverwelklijk groen \'t hoofd des Verwinners eieren.
[Beiden af.~]
1752. Penen geld, boete betaal. — 1755—56. Dat voordeel valt hem
niet te beurt. Stuur gij hem, in aller ijl, wel bewaakt na ir Rome. — 1765.
De uitg. hebben iets wat. - 1768. Vorder, voortzet;
-ocr page 423-
HIERVSALEM, VERWOEST.
409
Re 1 van Joodsche Vrouwen, Fronto. Rei van Staat-
jonfren. De
Dochter S i o n.
Rei van Joodsche Trouwen:
Nu wakker, stapelt steen! De nood breit duizend listen,
Deze aanslag blijft ons borg, of d\' eerste treken misten.
1780 O kranke toevlucht! zoo de Koningen van ouds,
Bedrupt van balsem, en verladen met veel gouds,
Behangen met de glans van purper en kleinoden,
Opbraken \'t marmor, en opkeken van den dooden,
Hoe zou \'t haar kwetsen! Ach!... maar als \'t aldus moet zijn,
1785 Dit is de waarheid naast, en geeft het veinzen schijn
Voor \'t ander. Wakkert u; metst van berookte steenen
Een graf voor de ijdelheid, en wilt haar lijk beweenen.
Fronto:
Mars heeft hier uitgeraasd; hij scheldt, om elders weer
Een wederspannig rijk, met zijn gevelde speer,
1790 Met \'t weêrlicht van zijn schild en met getogen zweerde,
Te slechten, tot den grond en bodem toe, met de eerde.
Ik kome, in \'s Keizers naam, gelast, om zoo terstond
Dees tempelhoeren, die geen uitstel wordt gejond,
Te volgen doen het heir, dat langer niet mag dralen.
Rei van Joodsche Vrouwen:
1795 Help God! hij komt om ons; het is, om ons te halen!
Rei van Staatjonfren:
Steenrotsen! berst van-een; valt bergen op ons neer!
Troost God! waar vluchten wij? Hier is geen vluchten meer.
Fronto:
Wech, wech, met dit geraas! \'t Is langer hier met stenen
Noch kermen niet te doen.
R e 1 van Staatjonfren:
Waar wildij met ons henen?
Rei van Joodsche Vrouwen:
1800 Wat hebdij met ons voor?
Fronto:
Voort, voort! Jodinnen, voort!
Ik doe u geen verslag, neen, niet een enkel woord;
Gij werdt het zelf gewaar. Wel, waar is uw Vorstinne?
Waar is \'t hertnekkig wijf?
Rei van Staatjonfren:
Wij bidden ü, uit minne,
Och! wijst ze ons, waar ze dwaalt.
1778—1787. Aansporing 0111 een ijdel of ledig graf te maken, als schuil-
plaats voor de Dochter Sions. — 1779» Ons borg, onze burcht. — 1786.
Berookte, gewijde. — 1787. IJdelheid, het ledige. — 1794» Te doen volgen.
-ocr page 424-
HIERVSALEM, VERWOEST.
4io
Fronto:
\'t Is u niet onbewust.
Rei van Joodsefie Vrouwen:
1805 Wij zijn om harentwil bekommerd en ontrust.
Rei van Sta at jon f ren:
Zij droop van onze rei vol zuchtens en vol klagen,
Berooid van hoofd en zin, versuft en heel verslagen,
En eer men toezag (want onze oogen waren dik
En rood van schreven) zij, in eenen oogenblik,
1810 Was ons gezicht ontgaan, en, waarwaards dat wij zonden,
Haar stem wierd niet gehoord, haar voetspoor niet gevonden.
R e 1 van Joodsche Vrouwen:
Verlatene Vorstin! zoo gij de locht nog schept,
Meld de oorzaak, waarom dat ge ons dus begeven hebt:
Want zoo der hoop was, om u zelve te versteken,
1815 Wij hadden t\' zamen wel dit ongeval ontweken:
Geen klip zoo ijslijk steil, geen afgrond is zoo naar,
Vol slangen, vol gedierte, of \'t uiterste gevaar
Hadde ons doen klimmen, en opklaveren en dalen.
Of hebdij voor den tijd uw doodschuld gaan betalen,
1820 En zijdij van een rots gesneuveld op een steen,
Die gants verpletterd heeft \'t albaster van uw leen,
Zoo wilt door eenig spook of teeken doch gehengen,
Dat wij u vinden, en met rouw ter aarden brengen.
Front o:
Hoe luide het jongst beklag? Hoe droeg ze haar alszeschied?
Rei van Staatjonfren:
1825 Van droefheid uitgeput, verwonnen van verdriet,
„Zal ik dan," sprak ze, die gevallen ben in handen
Van d\' onbesneden, zijn haar schouwspel t\' mijnder schanden ?
Zal ik, die een Vorstin der volken ben geweest,
Verstrekken een slavin van die ons heeft gevreesd?
1830 Zal ik verschoven gaan in ballingschap, vol smerten
Mijn ramp ineten? en al steeds met droever herten
Ophalen mijnen val? en den voorleden staat
Gaan vergelijken met ons tegenwoordig kwaad?
Nog zoo niet!" Naauwlijks was het kermen van de lippen,
1835 Of wij verloren haar ontrent die scherpe klippen.
Rei van Joodsche Vrouwen [,tot de Staatjonfreti]:
Hij gaat ze zoeken.
R e 1 van Staatjonfren:
Och! of dit gelukken wou,
1820. Gesneuveld, gevallen. — 1824. Schied, scheidde.— 1834. Nog
zoo niet! Kwalijk in het redeverbrnd past dit troostwoord.
-ocr page 425-
HIERVSALEM, VERWOEST.
411
Dat wij \'t lijf bergden van ons welgeboren Vrouw
In \'t uiterste gevaar, voor \'t woeden der tyrannen
Wie weet, wat uitheemsch bloed eens met haar aan mocht
1840 En geven zich te velde, om \'t overschot der Joon (spannen,
Te stellen in haar stoel en koninklijken throon:
Wie weet, van waar ons God mocht een verlosser wekken,
Die eenen Gyrus zoude of andren Moses strekken,
Of braven Gedeon, of trotschen Josua,
1845 Of stouten David, tot verzetting van ons schaa.
R E1 van Joodsche V\'rouwen :
Staatjonfren, zwijgt! hij keert met overwinners-treden,
Gezwollen om zijn hoofd van toorne en gants t\'onvreden.
Met dreigende oogen spoedt hij t\' onswaart zijnen gang.
Jehova, staat ons bij! Wat wordt mij \'t herte bang!
1850 Moord! moord! hij trekt \'t geweer! Ik tril, ik beef, ik sidder!
Rei van Staatjonfren:
Genade, o oud Romein!
Rei van Joodsche Fr ouwen:
Genade, o edel Ridder!
Wat is \'t, dat u ontstelt? wat is \'t, dat gij begaat?
Wat eer is \'t, dat gij dees verdrukte vrouwen slaat,
Een troostelozen hoop! Tert liever uws gelijken.
1855 Gaat uwen vijand toe: zoo zal uw vroomheid blijken;
Hier haaldij enkel schand; laat zinken uwen moed!
Wat is \'t, dat u ontzet en heftig woeden doet?
Wat eischtij zoo verstoord? Ach, wilt doch wat bedaren!
F r o n ï o:
Dat gij ze daadlijk meldt.
R e 1 van Joodsche Vrouwen:
Men zal \'t u openbaren,
1860 Als \'t immers zoo moet zijn! Aanhoort slechts met geduld:
Aan haar rampzalig einde en dood heeft niemant schuld
Als zij, die, als ze droef haar handen had gewrongen,
En \'t aanzicht opgekrabd, is van een rots gesprongen
Met schrikkelijk gehuil, \'t-welk drie maal heeft gevergd
1865 Den galm, die woont in dit omliggende gebergt.
Wij volgden haren sprong met uitgekreten oogen:
Maar wie had onbezwijmd van \'t hooge aanschouwen mogen
Een lichaam, welks gestalt was van den zwaren val
Gants uitgewischt? o Vrouwe! o rotse! o berg! o dal!
Fkonto:
1870 Dat riekt na schelmerij. Denkt nimmermeer met liegen
1841. Haar, hun. — 1855. Ga op uwen vijand los, zoo zal uw moed
blijken.
-ocr page 426-
HIERVSALEM, VERWOEST.
Een afgerecht Romein, als ik ben, te bedriegen.
Ziet voor u, wat gij doet.
Rei van Staatjonf\'ren:
Wij bidden u, gelooft:
Fronto:
Waar is het lichaam? fluks!
Rei van Joodsche Frouwen:
Wat lichaam? dat, beroofd
Van zijn gedaante, is gants verplet in al zijn deelen?
Fronto:
1875 Wijst mij \'t verplette, voort, en past op mijn bevelen!
R e 1 van Staat jon f ren:
Wij kwamen, als zij lag gevallen na beneên,
En hieven \'t zielloos lijf op van de koude steen,
En groeven \'t in der ijl daar zelden iemant wandelt,
Van vreeze, dat ze niet wierd na haar dood mishandeld:
1880 Die eer gebeurde haar nog, dat wij de grafstee wat
Verheerlijkten met puin van ons verbrande Stad,
Met heele en halve steen, opdat er eenig teeken
Mocht blijven, als men van haar einde kwam te spreken.
Fronto:
Waar is de plaatse? fluks!
R e 1 van Staatjonf\'ren:
Wij bidden u, betoont
1885 Eerbiedigheid den doön, haar sterflijkheid verschoont!
Noch \'t lichaam niet onteert van deze, die, eilaci!
Gesneuveld deerlijk, wierd begraven zonder stacie.
Fronto:
Het lichaam zal ik zien; staat op uw hoede nog!
Want vinde ik dit, als \'t eerste, onwaarheid en bedrog,
1890 Het zal u rouwen.
Rei van Staatjonf\'ren:
Och! besnoeit die booze lusten!
En die zoo lieflijk slaapt laat in den grave rusten.
Wat zijdij voor een volk, die, na genomen straf,
Een doode romp vervolgt en wreekt u aan een graf?
[Fronto begint het opgestapeld grafgesteente af te breken."]
Wat komt u aan? Gij valt aan \'t schenden en aan \'t breken
1895 Van onzen timmer, ach! den Hemel zal het wreken,
Dat, als een dullen hond, gij schuimbekt, schendt, en bijt
\'t Geen heilig is, en tot een eerlijk lijk gewijd.
Wee ons! hij luistert niet; zijn wreedheid heeft geen ooren.
1888. Staat op uw hoede, weest op uw hoede bedacht.
-ocr page 427-
HIERVSALEM, VERWOEST.                   413
Best doen wij rechte biechte, en melden \'t van te voren,
1900 Eer dat hij \'t al verwoeste, en, in zijn dolligheid,
Tot wrake van \'t bedrog ons dobble straf bereid\'.
Vroom krijgsman! staat wat stil, en willet ons vergeven.
Wij zijn uit hooge nood en angst hiertoe gedreven.
De zinnen lijden last, komt volgt me; want hierbij
1905 De dochter Sion, met een Jonfler twee of drij
Schuilt in het hol des bergs.
[Tot de wechgescholen Dochter Sion:"]
Komt uit! \'t is al verloren;
Uw volk heeft u veraan, Princesse welgeboren!
Den aanslag is ontdekt; komt wederom in \'t licht,
Verheugt uw vijand met een treurig aangezicht;
1910 Hij lacht in ons verderf. Komt uit, en wilt niet schromen.
Zulks is voor dezen ook een Koning overkomen,
Die Salems scepter droeg, en, met benaauwder ziel
Ontvliênde, in handen nog van Nimrods nazaat viel;
Die voor hem sneuvlen zag de vruchten van zijn lenden,
1915 En most, van \'t licht beroofd, zijn leven pijnlijk enden
In eenen duistren nacht, in een ongastvrij land.
\\PVijzende op FrontoP]
Dit is de gene, die ons over zee en zand
Vervoeren zal. Indien gij meer vermoogt met kermen
Als wijliê, valt hem aan, en brengt hem tot ontfermen.
Dochter Sion:
1920 Ervaren oorloogsman! na \'t woeden des soldaats
Had vaak beleefdheid bij den overwinner plaats,
Die vroom was, en geen roem zocht, met een afgetreden,
Onweerbaar hoopken volks stijf op den nek te treden:
Omhelst doch deze deugd, en leent een lijdzaam oor
1925 Aan uw gevangens! Zegt, wat hebdij met ons voor?
Wat lijden gaan wij aan?
F r o n T o:
Gij moet ter-stond na Romen,
Ons zegefeest ten dienst; het is zoo voorgenomen:
Men zal u, om wiens wil geplengd is zoo veel bloeds,
Gevleugeld volgen doen de keizerlijke koets,
1930 Met uwen ganschen rei, met duizend jongelingen.
Dan moogdij, zoo \'t u lust, uw tempeldeuntjens zingen:
Als gij de vaten, en al \'t goud en zilverwerk,
En \'t priesterlijk tapijt, de glorie van uw Kerk,
De goude kandelaar en tafel, op een wagen,
1929. Gevleugeld, gekneveld.
-ocr page 428-
HIERVSALEM, VERWOEST.
4H
1935 Ziet zegenrijk ten toon voor ieder ommedragen.
Dochter Sion:
Veeleer als zulks gebeurt, zal God op mijn geschreeuw,
Doen komen op den weg een tijger of een leeuw,
Die ons verslinden zal, en tot het been toe knagen,
En met zijn ingewand in zijnen schuilhoek dragen;
1940 Veeleer als dat gebeurt, zal \'t God zich trekken aan,
En ons of u gezwind met zijnen bliksem slaan;
Veel eer als dat geschiedt, eer dat gij vreugd zult rapen
In onzen ondergang, eer werden wij verschapen,
En trekken aan \'t gestalt van een onreedlijk beest:
1945 Eer scheuren wij ons kleed, en schenden uwe feest.
Fronto:
Gij kwelt u te vergeefs: wij schrikken voor geen dreigen.
Uw roepen geldt hier niet; gij hebt uw lijf niet eigen.
Gij moet mede over zee, dus maakt uw hert geen pijn:
En zult ons dienstmaagd \'sdaags, des nachts ons boelschap zijn.
Rei van Staatjonfren [,ter zijde]:
1950 Ach! moeder Sion, helpt! wij zijgen neer ter aarden,
Waartoe of wij de bloem van onze jeugd bewaarden
Op een goed huwelijk? om namaals tot gerief
Te dienen een schavuit, een eerloos hangedief?
Om zijn slavin te zijn? om hem te laten drijven
1955 Zijn booze moedwil met ons nooit gerepte lijven,
Ons kuischheid nooit bevlekt, ons witte zuiverheid?
Wat bruilioft hebben wij ons zelf niet toegeleid!
Zal nu een roffiaan van \'t lijf de gordels rukken,
En de onverwelkte roos van onze maagdom plukken?
1960 God moetet zijn geklaagd!
R e 1 van Joodsche Frouwen \\_,ter zijde]:
En zullen wij althans
Den moordenaars en beuls van ons getrouwe mans
Verstrekken tot een prooye, en zulke schelms verwermen,
En hun believen en omhelzen met onze ermen,
En dulden, dat ze met haar lippen ongezond
1965 Ons kaken drukken en \'t koraal van onze mond!
Geenszins; wij zullen, voor \'t opdagen van de morgen,
Haar \'t hoofd omwringen, en in d\' eerste slaap verworgen.
Fronto:
\'t Is lang genoeg gedraald; volgt, daar ik u gelet.
Ons heirkiacht gij verlet. Men acht hier geen geschrei.
1958. Roffiaan, schelm. — 1960. Althans, thands. — 1969. Verlet,
vertraagt.
-ocr page 429-
HIERVSALEM, VERWOEST                    415
Dochter S i o n :
1970 Wij volgen. Gaat slechts voor. Vergun ons nog die zegen,
Dat wij ons klachte doen, en zeggen onderwegen
Het Vaderland adieu. Bedrukte! vangt dan aan,
En neemt uw afscheid; want de tijd eischt, dat wij gaan.
Rei van Jodinnen:
Gij, onlangs heerlijk,
1975
             Maar nu, o deerlijk
Jerusalem! hoort ons geklag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gezang en cyther,
Staf, kroon, en mijter,
1980
         Gestoelt\', dat nooit zijn weêrgaa zag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gij, prachtige hoven!
Die trotsch naar boven
Reest, daar de Stad op \'t hoogste lag:
1985 Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Volkrijke straten,
Die nu verlaten
Zijt, op het schoonste van de dag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
1990             Verheven daken!
Vernield door \'t blaken
Van \'s vijands tortsen oon verdrag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gij hooge poorten!
1995
             Waar in verhoord en
Gevonnist elk te worden plach:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gewijde graven
Van die de staven
2000
         En scepters droegen met ontzag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Bespiênde toornen!
Waar uit met hoornen
1992. Oon verdrag, onophoudelijk.
-ocr page 430-
HIERVSALEM, VERWOEST.
416
Men maakte van de strijd gewag:
2005 Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Gij, trotsche muren!
Die niet verduren
En mocht der Heidnen stormbok doch:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
2010             O Kerk der kerken!
Waar aan men merken
Mocht Jacobs ijver oon bedrog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
Daar God zijn zegen
2015
             Uitbreide in \'t plegen
Van d\' heil\'ge dienst, die hier geschach:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Daar, blij van zinnen,
De Cherubinnen
2020
         Elk minlijk groeten met een lach:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
Daar Levi-s stamme,
Met zuivre vlamme,
Op \'t outer \'t offer smoken deê:
2025 Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!
O, vloer! bevolen
\'s Hoogpriesters zolen,
Daar eenen Phenix nam zijn stee:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!
2030             Daar d\' Ark behoede
Aarons roede,
Het Mann\', en Moses\' Tafel mee:
Wij nemen oorlof. Wee onzer, wee!
Verslagen helden,
2035
             Die most ontgelden
\'s Krijgs toorne en boeten het gelag:
Wij nemen oorlof. Ach, ach, ach, ach!
2016. Geschach, geschiedde. — 2028. Phenix, de Hoogepriester,
eenling.
-ocr page 431-
HIERVSALEM, VERWOEST.
4i7
Verloste moeders!
Die niet bedroefdere
2040
         Zaagt als uw tepels, droog van zog:
Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
Die in uwe ermen
\'t Kind hoorde kermen,
En geven zijnen doodsnak nog:
2045 Wij nemen oorlof. Och, och, och, och!
Verwoeste steenen!
Verstrooide beenen!
Vleesch, dat verstrekt der dieren aas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!
2050            Verleide zielen!
Die hielpt vernielen
Uw oude stad, en streedt zoo dwaas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!
Kelders en kuilen!
2055
             Daar voortaan d\' uilen
Haar laten hooren met geraas:
Wij nemen oorlof. Helaas, helaas!
DE VIJFDE EN LESTE HANDEL.
Terentivs, Simeon, Rei van Christenen,
Gabriel.
Terentivs:
Wie maakt u stout, zoo vroeg dees velden te bespieden?
Simeon:
Verspieders zijn wij niet, och! neen, maar vrome lieden,
2060 Genadig landvoogd, wij zijn Christenen gedoopt,
Een vreedzaam volk, dat steeds op Iesus Christus hoopt,
Der zielen Heiland, dien de goddeloze Joden
Zoo schelmsch betichten, en zoo schandelijken dooden:
Wij, gangers in zijn spoor, om zijnen naam versmaad,
2065 Te streng van haar vervolgd, en tot in \'t graf gehaat,
Voor \'t jongste Paaschfeest hier nog aan ons heerdsteê zaten:
Maar door het spoken van d\' Ausonische soldaten,
Die \'t al afliepen, als vast d\' een aan d\' ander stad,
2067. Ausonische, romeinsche.
vondel I.                                                                                         27
-ocr page 432-
4i8                    HIERVSALEM, VERWOEST.
Van haar beklommen, de bebloede neêrlaag had,
2070 En \'t eislijk moordgeschrei, dat herwaards in de toppen
Der hooge bergen klonk van Ascalon, van Ioppen,
Van Ptoïemaïde, lotapa, Taricheên,
Aphaca, Garizim, \'t plat land der Idumeên,
En andre plekken: wij, beducht voor Salems plagen,
2075 Die Davids zoon voorzei, die vele komen zagen,
En druppen onvoorziens op dit halstarrig zaad,
Dees muren vloden, na de Goddelijke raad,
Die ons Messias gaf, en bleven zoo verholen
Te Pella. Nu de Stad ligt gants vergaan tot kolen
2080 En asche, komen wij, een ongewapend volk,
\'t Verwoest Ierusalem bezien: of nog de kolk,
Of eenig teeken van ons heerdsteê was te vinden,
Of koud gebeente van onze onbegraven vrinden:
Vermids wij hoorden, \'t heir op zijn vertrekken stond.
2085 Dit weinige, Edel Heer! ons, arme pelgrims, jont!
Ter entivs:
Uw andwoord mij vernoegt. Gaat henen zonder vragen,
Uw dorpels zoekt, begraaft uwe onbegraven magen,
En zoo de nood u drukt, keert van \'t gebergte weer,
En slaat u metterwoon hier veiliglijken neer;
2090 Bezaait dit akkerland, plant wijngaard, bouwt er hutten,
En uwen Christus dient; wij zullen u beschutten,
En al, die \'t Joodsch geslacht niet godloos hangen aan,
Ons zullen wilkom zijn; \'t land zal haar openstaan.
Rei van Christenen:
Helaas! wat merken wij hier al veranderingen!
2095 Helaas, Ierusalem! ons schijnen alle dingen
Vergaan met uwen val. Wat Scyth, wat wreede Parth,
Die hier voorbijgaat, moet met een meêdoogend hart
Niet aanzien dat geweld, vernield met staal en vuurwerk,
En geven een gehuil op \'t omgestorte muurwerk,
2100 Op tpuin en d\' assche, die d\'uitheemschen houdt bedeesd,
En tuigt, hoedanig is haar heerlijkheid geweest.
O God! wat ziedij niet al aan met alziende oogen!
Wie zal hierover recht uw oordeel vaten mogen!
Gabriei.:
Gij, Christen pelgrims, die hier dut, en vreest geen leed
2105 Van d\'Engel Gabriël, die \'s Hemels vloer betreedt,
Die d\' heil ge Moedermaagd boodschapte van te voren,
Hoe zij van God was tot een Moeder Gods verkoren;
Ik zal \'t ontvouwen, en voor u ontsluiten al
2098. Geweld, de geweldige stad. — 2104. Dut, mijmert.
-ocr page 433-
HIERVSALEM, VERWOEST.
419
\'t Geen aan te merken staat in Is\'rels droeven val.
2110 Met aandacht daarop let, en u geenszins verwondert,
Dat gij hier ziet vertreên, verbrand, geblaakt, gepionierd.
Den priesterlijken stoel, korts vol van majesteit,
Den koninklijken throon, de pracht en heerlijkheid
Des grooten Salomons; dat gij met staal, met vlammen
2115 En honger, ziet verdelgd de welgeboren stammen,
Die, alle volk te spijt en d\' Engelen te trots,
Uitblonken in \'tgebergt gelijk een glorie Gods:
Want daar is in vervuld \'t geen voormaals u, in Perzen,
Heeft Daniël voorzeid met zijn droomkondige hersen:
2120 Te weten: dat het volk eens Vorsts, gewapend sterk,
Uitroeyen zou de Stad, het volk, en d\' heil\'ge kerk,
En schorsen \'toffren, en zijn valsche Godsdienst stichten,
Daar, boven d\' Arke, \'t goud des Cherubs plach te lichten:
Gelijk Messias ook gespeld heeft zoo perfect,
2125 Als hij de stralen van zijn Godheid hield bedekt,
En van d\' Olijfberg zag het heir de Stad verrassen,
Den Tempel branden, en \'t verwoede Rome plassen
En, met d\' hoefijzers van haar hengsten, staan in \'t bloed.
Wie niet halstarrig blijft, kan hierdoor in \'t gemoed
2130 Zich ook verzeekren, dat, naar aller Heil\'gen wenschen,
Verschenen is den Held en Heiland aller menschen,
De groote Siloa: vermids men ziet ontrukt
Den Joden haren staf, en haren staat verdrukt,
Ja, tot den grond vernield: gelijk zulks elk gegeven
2135 Is tot een teeken, van d\'Oudvader, zat van leven,
Die God zoo lang aan zijn beloften hield verschuld,
Tot dat hij Iuda zag ontscepterd en onthuld
Van zijnen hoofdband, en ontkleed van zijn gewaden,
En \'t volk Gods de aardsche weelde en heerlijkheid versma-
2140 Zoo haast als het vernam, hoe Davids, Godes, zoon (den,
Omleeg afbreken liet den weereldlijken throon,
Een ongeachte praal, indien ze wierd geleken
Bij \'s Hemels glorie, daar hij zit om uit te steken
Verr\' boven al de pracht der Koningen, die ooit
2145 Hier lagen overhoop, en vochten haar berooid.
Wat Christen is er, die nu voên zal zijn gedachten
Met zulke verkensdraf, en op een Heiland wachten
Die aardsche kroonen strooit: die thronen bouwt in\'t slijk:
Die naauw bepaald is met een eng verganklijk rijk:
^150 Die pronkt met staven, die inwendig vast verrotten:
Die purper draagt, dat opgeknaagd wordt van de motten,
2145. Vochten haar berooid, zich arm vochten.
-ocr page 434-
HIERVSALEM, VERWOEST.
420
Dat zijnen glans vergeet, en haast zijn luister derft\'?
Gij, huisgenoten Gods! die hierbeneden zwerft,
Gewisselijk, al waar uw erf het rijk van Meden,
2155 Schoon Persen waar uw leen, en Nimrods groote steden
Uw lot, schoon of al \'t Oost voor u op \'t aanzicht viel:
\'t Waar nog een kranke troost verworven voor de ziel.
Al blonk uw lichaam als een zon, die zat van stralen
Op haren middag bralt, eer zij gaat nederdalen:
2160 Wat mochtet baten, als een lang gevreesde dood
Op \'t onverzienst\' voor u deze aardsche glorie sloot!
Laat dan de dwazen gaan brageeren en hoog roemen
In dingen, die slechts zijn verwelkelijke bloemen!
Vliegt gij uit d\' ijdelheid na boven van beneên:
2165 Klimt op, daar Iesus wordt van d\' Englen aangebeên:
Daar \'theirschaar nimmer moe, met juichen en met springen,
Droomt nergends anders af als van hem lof te zingen:
Daar de ouderlingen op haar herpen kunstig slaan:
Daar alle tortsen, daar de sterren, zon, en maan,
2170 Zijn enkel duisternis, ten opzien van den Genen,
Die \'t endloos rond vervult, en niets laat onbeschenen:
Daar \'t Nieuw Ierusalem heeft gants een ander schijn:
Daar al de straten goud, de poorten peerlen zijn:
Daar \'s Drieheids majesteit verstrekt, aan alle kanten,
2175 Der Hemel-lieden kerk: daar alle diamanten
Verliezen haren glans: daar God zich maakt gemeen,
En duizend jaren zijn als onzer dagen een.
Wie zal nu twijnen, dat de wet, met al haar feesten,
\'t Wierooken, \'t slachten, en \'t opofferen der beesten,
2180 De reinigingen en wat dienst daar meer aan kleeft,
Is donkerheid, bij \'tgeen dat schoonder luister geeft?
Wie zal de schaduwen omhelzen voor de waarheid?
Of kiezen Moses\' glans voor Christus\' gulde klaarheid,
Die blonk op Thabor van zijn voorhoofd als een zon?
2185 Wie Levi aanzien voor den tweeden ASron,
Die in een schoonder choor gaat storten zijn gebeden
Als ooit Hoogpriester, die hier wierookte beneden
In \'t heiligdom, dat nu, gebroken en geschend,
Elk raadt, dat hij \'t gemoed na \'s Hemels kerken wend\',
2190 Van derwaards Iezus \'t mann\' laat regenen bij vlagen,
Veel zoeter als de broón, die op de tafel lagen
Voor \'t priesterlijk geslacht: van derwaards elk bereid
Is spijze, die de ziel toebrengt onsterflijkheid.
O, Bruid van mijnen Vorst, verkorene gemeente!
2190. Van derwaards, van waar.
-ocr page 435-
HIERVSALEM, VERWOEST.
421
2195 Keert vrij uw aangezicht van \'t vlammig borstgesteente,
Daar uwen Phenix meê ging brallen eens om \'t jaar,
Alsof hij niet meer mensch, maar gants vergodet waar:
Die glansen zijn gebluscht, waarom gij stondt verwonderd,
Die diensten nebben uit: ziet Levi eens geplonderd
2200 Zoo naakt staan zonder kleed, en treuren om den schat
En \'t goud dat Israël zijn Kerk geheiligd had.
Zoo gij een Priester zoekt, versmaad dit driftig eiland,
Gaat na de sterren toe, daar vindij uwen Heiland;
Niet opgesmukt met zijde of wormgespinsel, neen,
2205 Zijn kleed is enkel licht van boven tot beneên.
Ziet, wat een ronde kring van louter vlam en stralen
Omzweeft zijn majesteit! Ei, ziet eens nederdalen
Die zoete Cherubijns en Serafijnen, om
\'t Schoon aanschijn door te zien van\'s Hemels Bruidegom!
2210 Zij lonken lodderlijk en blijven op hem staren:
Volgt haren voorgang: laat de doode Priesters varen,
En rusten in het graf: leent niet meer Moses\' mond
Maar Christus\' lippen \'t oor: omhelst het nieuw Verbond!
Vermengt geen goud met lood. Waardeert het beeld geringer
2215 Als \'t leven daar \'top heeft gewezen met de vinger.
Dit treurspel, dat hier is gespeeld zoo bloedig lang,
En nu besloten met der Joden ondergang,
U Gods rechtveerdigheid en strengheid uit gaat drukken,
Die wrake neemt van \'t kwaad en alle booze stukken,
2220 En tot waarschouwing van een iegelijk persoon,
Stelt, als een baken, dit verdelgd geslacht ten toon:
Gelijk de rechters op het galgeveld de boeven,
Die overgeven vaak haar ouderen bedroeven,
Ja, een geheele stad: brandstichters en verraars,
2225 Straatschenders, dieven, en vervloekte moordenaars,
Met knodse, vuur, en staal, met koorden en met stroppen,
Raaibraken, worgen, slaan, ophangen, branden, koppen,
En wegen op de straf, naar elks begangen feit:
De plaatse van \'t gerecht geeft een afgrijslijkheid
2230 Den reizigers, wanneer zi) palen, raden, galgen,
En kruisen zien van verr\', die haar het hert doen walgen
Van d\' eiselijke stank, en \'t aanzicht al verschrikt
Afwenden van \'t geboeft\', dat, d\' oogen uitgepikt
En halfgegeten, spijst den kraayen en den raven,
2235 En d\' arenden, die in haar ingewand begraven
\'t Verschrookte menschenvleesch, verdort en zwert gebraan;
2202. Dit driftig eiland, dit vlottende ondermaansclie. — 2223. Over-
geven, geheel bedorven.
-ocr page 436-
HIERVSALEM, VERWOEST.
422
Een vette buit, waarop dees dieren lediggaan.
De Joon van misdaad, in haar knagende geweten,
Vaak wierden overtuigd, wanneer zij Gods profeeten
2240 Verpletterden met steen, en bliksemden haar \'t hoofd.
Maar och! hoe was dat volk van \'t Hemels licht beroofd,
Als zij ophoopten nog de afgrijselijke zonden,
En \'t onbesmette Lam zoo bits na \'t leven stonden,
Hoe was al \'t helsche spook ontketend op die dag,
2245 Als God zijn liefste Zoon zoo bloedig sterven zag:
Die, streng gebonden, en geslagen, en bespogen,
Gerukt wierd en geplukt, gesleept en voortgetogen
Die naakt ten-toon-gesteld eens ieders gaapspel was —
Doen \'t al: „Kruist, kruist hem!" riep, „en lost ons Barrabas!
2250 Zijn bloed zij op ons brein!" doen hij, van schreyen moede,
Zijn borst gemarmerd en gestreept zag van de roede:
Doen hij in \'t richthuis droeg het purper tot zijn hoon:
Gescepterd met een riet, gemijterd met een kroon
Van scherpe doornen, die het krijgsvolk om zijn hersen
2255 Ging vlechten, en verwoed om zijn hoofdslapen persen,
Dat een slagregen van roó druppelen al meer
Droop langs zijn voorhoofd en zijn heilig aanschijn neer:
Aldus mismaakt, most hij, met pijnelijke gangen,
\'t Hout dragen, daar men hem gespalkt korts aan zou hangen.
2260 O, wreedheid ongehoord! zoo wierd hij, als een guit,
Gedoemd ten galgenberg, en most ter poorten uit.
Hem volgde een droeve rei van vrouwen en van maagden,
Die, gaande, sloegen voor haar borsten, en beklaagden
Den heiligen Profeet, die, door de gansche stad,
2265 Veel kranken oon artsnij van \'t bed geholpen had.
Indien nog \'t loos gebroed zijn straf had willen keeren,
Zij wierd hun klaar gespeld zelf van de mond des Heeren,
Die zich omwende, en riep: „Helaas, bedrukte rei!
Wat weendij over mij, maakt eer een veldgeschrei,
2270 En uwen val beklaagt; want ziet, ik zie genaken
De fakkel, die uw Stad verbranden zal en blaken:
Dan zal men roepen: „O, gelukkig is die geen,
Die nooit onnoozel vrucht zag hangen aan haar speen:
O, drie-maal zalig, die nooit blijde moeder waren,
2275 Diens buiken nimmer zijn geslonken na het baren!"
Zoo sprekende, genaakte hij \'t Heidensche gericht,
\'t Vervloekte Golgotha, dat wit van schedels ligt.
Hier most hij, naakt aan \'t hout gehecht, te schendig lijden
Twee moorders, die hij zag gekruist op beide zijden:
2237. Lediggaan, teren. — 2250. Brein, hoofd. — 2260. Guit, schurk.
-ocr page 437-
HIERVSALEM, VERWOEST.
423
2280 Hier wierp de krijgs-knecht om zijn kleederen het lot:
Hier bad hij voor zijn beuls, en wierd van nieuws bespot,
Met galle en eek gelaafd. Hier zag hij \'t handenwringen
Zijns Moeders, en een zweerd haar droeve ziel doordringen.
Hier schreide hij: „God, waarom verlaat gij uwen Zoon!"
2285 Dat zijnen moordschreeuw klonk in \'s Hemels hoogsten
Wij zagen hem ter-stond den lesten doodsnak geven, (throon.
En droegen fluks zijn ziel in \'t vrolijk, eeuwig leven,
In \'t lieflijk Paradijs: van derwaards zag ze neer,
En zag \'t verlaten vleesch doorsteken met een speer,
2290 De zonne gaan te-rug, de cierlijke tapijten
Des Tempels scheuren, en van zelf aan stukken rijten;
Het aardrijk siddren, en de dood haar ijsren staf
Verworpen, als de doón opkeken uit het graf.
O, Christen schare! laat zijn droevig lijden breken
2295 Uw steenen hert, en denkt, of God, om zich te wreken
Van \'t goddeloos geslacht, niet dobbel oorzaak heeft,
Wanneer \'t zijn goedheid zoo ondankbaar wederstreeft?
Dus spiegelt u, en vreest, eer gij wordt mee verstooten!
Want heeft hij niet verschoond naturelijke loten,
2300 Veel minder ongekwetst die van zijn bliksems blijft,
Die tegen de natuur den boom is ingelijfd:
Of zijdij Iacobs zaad, zoekt geenen roem te halen
Voor God, om dat uw stam van Abram komt te dalen:
Om dat gij zijt besneên; noch steunt niet op de Wet,
2305 Maar door \'t geloove uw hope op Iesus Christus zet.
In dees verstoringe en beschreyelijke ellende,
Als in een tafereel, ook aller dingen ende
Wordt levende afgemaaid, en naakt gesteld ten toon,
Dat niets blinkt hier beneên zoo heerlijk, noch zoo schoon,
2310 Zoo sterk, zoo groot, zoo trotsch, zoo prachtig, noch zoo hei-
Dat voor een snel verderf zich kan beschutten veilig, (lig,
Ziet vrij Ierusalem eens met opmerken aan:
Gij ziet de weereld met haar vesten ondergaan,
En niets geschapen, dat in eeuwigheid zal duren.
2315 Laat alle steden prat en stout zijn op haar muren,
Wachttoornen, poorten, en bolwerken hemelhoog,
Valbruggen, ijzerwerk, en grachten nimmer droog:
Wat mag het baten, als de jongste dag der dagen
Komt steuren \'s weerelds feest met alderhande plagen?
2320 Als God zich rust ten strijd, en dat men \'t Christendom
Als in slagoorde vindt tweespaltig staan alom,
Rijk tegen rijk gekant, en dat d\' hoofdstoffen stuiten
Nature in haren loop, en gaan haar ambt te buiten?
Wanneer de onzuivre locht een snelle pest verwekt,
-ocr page 438-
HIERVSALEM, VERWOEST.
424
2325 Het kerkhof mest, en \'t land alszins met dooden dekt?
Wanneer de zee verlaat haar palen, niet om temmen
Te lande berst en brie.scht en op de baren zwemmen
De menschen doet en \'t vee? wanneer het aardrijk beeft,
En uit den afgrond loeit, en een gehuil opgeeft,
2330 En hooge klippen scheurt, en overstulpt met rotsen
De steen, die, hangende aan \'t gebergte elk wilden trotsen ?
Wanneer den Hemel derft zijn blinkende gestalt,
Zijn Sterren strooit, de Maan haar zilvre pruik ontvalt,
De Zon zijn gouden huive, en dat, met groot vergrammen,
2335 Den jEther uitberst, en de weereld stelt in vlammen?
Dan zal de reye der Aarts-Englen dalen af,
En met bazuingeklang verwekken uit het graf
En dagen voor \'t gericht de dooden lang ontslapen,
En zamelen \'t gebeent. De baren zullen gapen,
2340 En braken lijven uit, die schuurden haren grond,
En die verzwolgen zijn van visschen, groot van mond.
Het aardrijk zal zijn doön, de zee haar lijken geven,
En Adam al zijn zaad zien voor hem staan, en leven.
De Caesars zullen uit haar tomben hemelwaart
2345 Een grooter Caesar zien, en vluchten al vervaard
Voor zijn streng aangezicht: de vorsten eislijk huilen:
„Ach, bergen! valt op ons! versteekt ons, helsche kuilen!
Ons scepters hebben uit, ons glorie heeft gedaan!
Wat vierschaar spant men hier? Wie kan voor hem bestaan!"
2350 \'t Geslacht der Joden met verwondering zal spreken:
„Dit \'s Hij, wiens zijde met een ijzer wierd doorsteken;
Dit is Hij, die betrad de dorpels van ons huis,
En hing op Golgotha gedoemd, en storf aan \'t Kruis!
Waar bergen wij ons ziele?" het dun getal der vromen,
2355 Dat Christus door \'t geloove heeft vrolijk aangenomen,
En \'s weerelds pracht versmaad, en had, om zijnen Naam,
Noch schat, noch borgerschap, noch staat, noch lof, noch faam,
Maar ramp en tegenspoed; ja, wierd vaak van der eerden
Verdelgd van felle beuls, met koorden, vuur, en zweerden;
2360 Dat Cnristen-hoopken zal, ter rechter hand vooraan
Geplaatst, zijn lichten blijde op zijnen Heiland slaan,
En vliegen hemelwaart na boven, als \'t zal hooren
Die vreugderijke stem: „Komt hier, mijn uitverkoren!"
En, met een feestgewaad omgord van enkel zon,
2365 Verzeilen gaan omhoog den tweeden Salomon:
Die, oin elk naar verdienst zijn vonnis uit te meten,
Is op geen Stoel van goud en elpenbeen gezeten,
2355. Vrolijk, blijmoedig. — 2361. Lichten, blikken.
-ocr page 439-
HIERVSALEM, VERWOEST.                    425
Maar in de wolken bralt, met grooter majesteit
Als Esaïas zag voorheen Gods heerlijkheid:
2370 Bralt, zegge ik, op een throon, die van de Serafijnen
Gedragen, niet en doet als bliksemen en schijnen,
En werpen straal op straal. Ziet, hoe verbaasd voor Hem
De goddeloze vliên dees donderende stem:
„Vervloekte gaat van mij!" \'t Berouw komt hier te spade:
2375 Geen aflaat geeft men hier: hier schenkt God geen genade:
Ziet, hoe al \'t helsche spook, met zeldzaam gekrioel,
Met zijnen pekstok stouwt de zielen in den poel.
Ziet, hoe Beè\'lsebub zijn kerkers en zijn holen
Met zwavel propt en met onlesschelijke kolen,
2380 En pijnt de naakten met een endeloze dood:
Terwijl de Christen rei in Abrams zachte schoot
Gewenschte rust geniet, en in den Paradijze
\'t Verborgen manna smaakt, en nut der Englen spijze.
Gij, bondgenoten Gods! gaat in, door de enge poort,
2385 Na deze bruiloftsfeest en blijschap nooit gehoord,
En, met uw voorbeeld en oprechtigheid, wilt nooden
Tot uw gemeenschap steeds het overschot der Joden:
Dat, na veel zwarigheên, na veel geleden smaad,
Den Zoon zal kussen, en de Goddelijke raad
2390 Gehoorzaam zijn, na dat \'t getal vervuld zal wezen
Der Heidenen, die God en s weerelds Heiland vreezen.
S1 M E o N:
Lof zij Iehova, die ons wormkens vrundlijk is,
En toont den rijken schat van zijn geheimenis:
Die zijnen Engel zendt uit \'s Hemels hooge kerken,
2395 Om ons t\' ontsluiten wat wij hebben aan te merken
In Iacobs droeven val, en jammerlijke ellend.
Mijn Christenen! dit in uws herten tafel prent!
Aanmerkt Gods strengheid aan de geen die hem verachten,
Zijn groote goedigheid aan al die op hem wachten.
DOOR EEN IS \'T NU V0LDAEN.
-ocr page 440-
42Ö DAVIDS LOFZANG VAN HIERVSALEM.
DIE HEERLIJKE EN HEILIGE STAD GODS,
of een Poëetische Uitbreidinge over den
122 Psalm.
Ik verheuge mij dies, dat mij gezeid is, etc.
WAnneer ik over \'t hoofd Ierusalems zie hangen
Het uitgetogen zweerd, dat haren schedel dreigt:
Wanneer ik Sion zie met ketenen gevangen.
En dat zoo schoonen zon haar p\'ruik ter aarden neigt:
o,
5 Als ik ons daken zie en muren omgevallen,
Ge-effend met het gras, dat \'t leegste dal besloeg,
En \'t pratte Babiion met dees trofeen gaan brallen,
Die David zegenrijk den Philistijn ontjoeg:
3>
Dan sterft mijn hert van rouw, dan gaat het op een schreven,.
10 Dan ben ik als de sneeuw, die voor den zomer smelt,
Dan gaat mijn droeve ziel in \'t dal van droefheid weyen,
Daar stadig eenen stroom van vochte peerlen zwelt.
4-
Maar als ik, wederom gekomen tot mij-zelven,
De spitsen rijzen zie van \'t heerlijk nieuw gebouw,
15 Den tempel en \'t paleis, die prachtige gewelven,
Dan schep ik zoo veel vreugds als voormaals was de rouw.
5-
Dan spreek ik bij mij-zelf: „O, Salem uitverkoren! (ziel,
Van blijschap juicht mijn hert, van vreugd ontspringt mijn
Om dat, ik weet niet wie, mij luistren komt in de ooren:
20 De stad is weer gebouwd, die voormaals nederviel;
6.
God, God heeft aangezien \'t boetveerdige verneedren
Van zijn twaalfstammig volk, gevangen aan d\' Euphraat,
De Tempel wederom, met marmorsteen en ceedren,
Den sterren \'t voorhoofd biedt, en na de wolken gaat.
7\'
25 Het heiligdom dat praalt met goude en zilvre vaten;
De Priestren, op een nieuw, \'t hoog Altaar smoken doen;
19. Luistren, fluisteren.
-ocr page 441-
DAVIDS LOFZANG VAN HIERVSALEM. 427
Men hoort de rundren weer en vette koeyen blaten,
Welks smeer geheiligd is, om \'t oftervuur te voên.
8.
Klimt op in \'s Heeren huis, klimt op in \'t huis der Heeren!
30 Van onzer Vaadren Stad de poorten openstaan;
Laat \'s Priesters lippen u Gods wet en zeden leeren,
En aan zijn voetschabel roept uwen Koning aan! .
9-
O, uitverkoren Stad! o, Moeder aller Steden!
Door \'s Hemels schikking-zelf, niet bij geval gesticht,
35 Tot een bizonder eind, door \'s Oppersten beleeden;
Gij zult mijn doelwit zijn en stof van mijn gedicht.
10.
O, eere van Iudeên! o, Zetel van de Stammen,
Die met den heil\'gen glans eens Godheids zijn bekleed!
Gij blinkt met \'s Konings kroon en\'s Tempels heil\'ge vlammen,
40 Dat eik-een, die u ziet, van u te spreken weet.
11.
Den ijver mij verslindt en krenkt bijna mijn zinnen,
Wanneer ik vieren help op t\' statigst \'t hooge Feest;
Dan ben ik naauwlijks mensch, maar een der Cherubinnen;
Mijn Lichaam is wel hier, maar elders mijnen Geest.
12.
45 Men ziet een weereld hier van menschen t\' zamen dringen,
Van wijd en zijd te hoop vergaderd op een stee:
Gelijk de vloeden, die van hier en daar ontspringen,
En geven zich op \'t lest uit de engten in een zee.
\'3-
De Priesterlijke Rei, welriekende van \'t smeren,
50 Uitmuntende in cieraadje, elks aanzicht tot zich haalt;
In rokken, gordels, hoen, en geschakeerde kleêren,
In goud en klaar gesteent\' het oog bijna verdwaalt.
14.
\'t Slachtoffer, eerst gehecht, geknoopt aan \'s Altaars hoornen,
Met zijn warm ingewand het heilig plat beslaat;
55 Den Hemel, die zich om \'s volks zonden ging vertoornen,
Op de offeranden ziet, en zich verzoenen laat.
I5-
Daar vangt dan \'t loven aan, daar zingt men Gode psalmen;
De wind, het snarenspel, en \'t Goddelijk muzijk
In \'t hangende gewelf doen de Echo wedergalmen;
60 Dan juichen ze als om strijd met d\' Englen algelijk.
35. Beleeden, beleiden, bestier. — 49. Smeren, balsemen.
-ocr page 442-
428 DAVIDS LOFZANG VAN HIERVSALEM.
16.
God lacobs! roepen zij, van kalveren noch stieren
Kan \'t uitgestorte rood afwasschen onze smet,
Maar een veel eedier bloed van \'t Slachtschaap goedertieren,
Ons-allen tot een zoen en offer voorgezet.
65 Wij zien alleen op Hem, op Hem alleen wij oogen;
Hij wordt door deze dienst ons levende afgebeeld.
O, komt MESSIAS! komt, en helpt ons onvermogen,
Opdat de schaduw vliê, die ons voor de oogen speelt.
18.
Lof, lof zij Gode en \'t Lam, dat eer de sterren blonken,
70 Ons met zijn dierbaar bloed Hem-zelven heeft gekocht;
Heft als gevleugeld op uw herten leeg gezonken,
En draagt des Hoogsten roem ten wolken in de locht.
19.
O, peerle van het rijk! o Hoofdstad uitgelezen!
Noch zwijge ik, dat in u van elpenbeen en goud
75 Staat, vol van majesteit, de rechterstoel gerezen,
Daar elk zijn vonnis haalt als Iuda vierschaar houdt.
20.
Hier dringt men voor \'t paleis: d\'een moet den Koning spreken,
En d\'ander Hem te zien is al zijns herten wensch:
Zoo fluks Hij zich vertoont, is elks gemoed bezweken,
80 Als Hij meer God gelijkt dan eenig sterflijk mensch.
21.
Dat Memphis \'t hoofd inhaal, en vrij den moed laat dalen
Voor \'t glinstrende Kasteel, dat in de bergen ligt;
Dat Sidon niet eens droom dees spitsen t\' achterhalen,
En Tyrus elders wende haar schaamrood aangezicht.
22.
85 Zij pronkt gelijkt de Bruid eens Konings hoog verheven,
Kleinoodje is haar sieraadje en purper hare dracht;
Den Hemel scheen verliefd zijn trouwe aan haar te geven,
En heeft om dees Godin alle andre steen veracht.
23-
Zij schijnt een Paradijs, omhelsd van zilvre beken,
90 Een Eden, daar het mann\' aan \'t hout des levens groeit,
Een riekende prieel, dat, nergends bij geleken,
Geen wintervlagen voelt, maar altijd jeugdig bloeit.
24.
Zij treedt gelijk een paauw, wiens schemerende schachten
De schoonste vooglen-zelf ontluistren heel beschaamd:
70. Hem-zei ven, 3e 11 v.
-ocr page 443-
DAVIDS LOFZANG VAN HIERVSALEM. 429
95 Maar zacht, mijn Zangeres! daar schiet in mijn gedachten
Dat zij geen roem ontbeert, die alszins is befaamd.
25.
\'t Zij, dat ik dan aanzie, dat binnen uwe wallen
\'t Hoofd Levi vet gezalfd, en Iuda wordt gekroond:
Dat ze elk, na haren staat, op \'t alderheerlijkst brallen,
100 En dat d\'een \'t Heiligdom, en d\'ander \'t Hof bewoont:
26.
Het zij dat ik aanzie, dat gij begrijpt de choren
Van \'t blinkende gewelf \'twelk Gode is toegewijd,
Daar d\' Hemel de gebeên der Heil\'gen wil verhooren,
En als wij zijn vervloekt ons weer gebenedijdt:
27-
105 Het zij, ik u aanschouwe als \'t beeld, dat ons na \'t leven
Een Stad voor oogen bootst, waarvan dat ieder-een,
Eik-een die van de Geest des Heeren wordt gedreven,
In \'t lest der dagen wordt een levendige steen:
28.
Het zij gij \'t Munster mij wilt van die Stad beschijnen
11 o Daar onzer vaadren God van is de timmerman,
Wiens poorten peerlen zijn, wiens muren zijn robijnen,
Een Stad die eeuwig blijft, noch zich bewegen kan:
Gij zijt Ierusalem en blijft mijns herten weelde.
Dat Iacob, als hij is ontlast van Babels juk,
115 Van verre u heil toewenschte, en zijnen zegen deelde!
Dat op uw minnaars daalde een regen van geluk!
3°-
Vermids de brand des twists neêrblixemt hooge muren,
En voorspoed in de schoot van vrede en eendracht rust,
Moet vrede in u altijd en eeuwiglijken duren,
120 En \'t vuur des dullen krijgs steeds blijven uitgebluscht.
3i-
Om onzer broedren wil, ter liefde van de vrunden,
Die gij een herberg strekt en aangename woonst,
Wij hertelijker nog u vrede en welvaart gunden,
En wenschen, dat gij groeit en bloeit op \'t alderschoonst\'.
3«-.
125 Om d\' heil\'ge dorpels ook, die binnen uwe vesten
Geplaatst zijn, en betreên van Aarons geslacht,
Ik steeds betrachten wil al \'tgeen u dient ten besten,
Gelijk een, die uw heil zijn heil te wezen acht."
Door een is V nu voldaen.
108. Munster, (hier) hoofdkerk.
-ocr page 444-
43°                             KLINK-GEDICHT.
AAN DEN BRUIDEGOM
LAMBRECHT JACOBSZ.**\'
MET ZIJN BRUID
AECHTJEN ANTHONIS,
VEREENIGD ANNO IÖ20, DEN 28. VAN HoOIMAAND.
DE Schilderkunst, die praalt met duizend oude stukken,
Die aan den Tiber als Godin wordt aangebeên
Van aller geesten puik, dat vurig derwaards heen
Zich spoedt, om met doö stof het leven uit te drukken,
5 Dees, hoe aanlokkend, kost de zinnen niet verrukken
Van onzen schildergeest, die, in \'t gemoed bestreên,
Geen doode verw vernoegt, albast noch marmersteen,
Om een ontloken bloem in \'t Nederland te plukken.
Na veel raadslagens hij \'t Geheimenis dus vraagt:
10 „Waar mag mijn eegaa zijn? Hoe noemt men deze maagd?"
„Aecht!" galmde \'t Heiligdom. Dies, om nu uit te kiezen
Van duizend Aechten éen, keerde onze Bruigom thuis,
En zocht zijn troost, zijn helft, zijn Bruid, met druk en kruis;
En, in midzomer, vond zijn Aecht in \'t Hof der Vriezen.
KLINK-GEDICHTAA7/
[op de „Warande der dieren"].
ONtkerkerd van het Lijf, mijn Ziel korts ging spanceeren,
En vond een groen Warande, alwaar zij trotsch en fier
Zag treden op het kruid en spelen menig dier,
Ook vooglen, licht en vlug, van allerhande veeren.
XXI.  Bekend Friesch schilder en Mennoniet-Pradikant. Hij won, te Kleef, Govert
Flinck voor de kunst, en bracht hem te-rug naar Holland.
Dit sonet schijnt het eenige gedicht, dat Vondel schreef in de tweede helft van
\'t jaar 1620. Hij klaagde „van groote ongelegentheyt sijner melancoleusheyts hal-
ven" en onttrok zich op dien grond aan zijn kerkelijke bediening.
XXII.   In de eerste uitgave van de „Vorstelijke Warande der Dieren" (1617)
komt deze Klinkert wel voor; maar aangezien hij een geheel ander punt van uit-
5. Dees, de Schilderkunst. — 9. Geheimenis, Orakel. — Klinkgedicht.
1. Korts, onlangs.
-ocr page 445-
KLINK-GEDICHT.
43i
5 „O," sprak zij, „laat den tijd niet vruchteloos passeeren;
Hebt acht op haar bedrijf en onderling gezwier,
Misschien de Wijsheid ook verburgen schuilt alhier:
Van Dieren mogen doch de Menschen zeden leeren."
Zij lag hier op haar luim, en hield haar wechgescholen,
10 En monsterde al het Choor der gener, die hier dolen;
Ten laatste, leerens zat, zij \'t lichaam wedervand;
Beval de Kunst-Godin eens Dichters, met zijn dichten
En Beeldenaar, uit jonst, dees Idé te verlichten,
Om elk die aan te biên tot een dier-weerdig pand.
gang heeft dan de „Vermakelijke Inleidinge", kan men hem bezwaarlijk aan
Vondel toeschrijven. Hij schijnt van Pers te zijn, die ,jie Kunst-Godin des Dich-
ters beval" yidees Idé" met zijn dichten en met den Beeldenaar (de reeks van
afbeeldingen) te „verlichten".
5. Zij, de ziel. — 6. Haar, der dieren.
-ocr page 446-
AANTEEKENINGEN
OP HET EERSTE DEEL.
Théophile Gautier vraagt, in zijne „Comédie de la Mort", den Lezer
versckooning, dat hij laat:
,,... par tin portail si triste
„S\'ouvrir fiualeinent cc volume nouveau."
Droevig, in den eigenlijken zin, somber, zo/i het voorportaal van Vondels
IVerken niet geweest zijn, al had ik op de eerste bladzijde dezer nieuwe
uitgave het oudste bekende vaers van den dichter laten drukken; maar
ik ontzag mij toch de kans te hopen, dat ik „Phcebi jeught" niet „ver-
heucht" zoü hebben, met, als voorspel van Gondels poëzie, aan zijn
„Schriftuerlijck Bruylofts Reffereyri" de eerste plaats in te ruimen. Aan-
genamer en niet oneigenaardig kwam mij voor, de reeks der werken te
openen met eene zeer oude „Dedicatie\'1 van Vondels hand, den dichter
meer -waard dan de hier volgende gebrekkige rederijkersrijmen. Toch
mogen zij niet onderdrukt worden. IVij maken geen bloemlezing; wij
laten de historie spreken.
gefciftmteifi (gxmtoftvQltfMin
OP HET HOUWELIJK VAN
JACOB HAESBAERT
MET
CLARA VAN TONGERLO,
GECOMPONEERD IN IuNIO 1605.
VErheugt „ o Phoebi jeugd! „ door dezen zoeten tijd!
Den Zomer, door zijn deugd „ vertoont zijn groene blaaren;
\'tGevogelt zich vervreugt, „ t\'gediert in \'t Bosch verblijdt;
t\' Veld lacht elk toe verjeugd, „ vliedt wech alle bezwaren!
5 Droefheid, neemt fluks uw keer! nijd, strijd, wilt henenvaren!
Voor u de Bruiloft wijkt, zoo gij daar komt ontrent.
Klein, groot, ja wie t\' mag zijn, jong\' jeugd oft grijze haren,
1. Phcebi jeugd, zonen van Apollo.
-ocr page 447-
AANTEEKENINGEN.
433
Zijt well\'kom in \'t gemeen; weest gegroet hier prezent,
Die om vergaadren hier, u zoo oodmoedig kent,
10 In liefd\' stichtlijk verheugd, bij-een met rein manieren.
Dus zeg ik nog: vliedt fluks van hier, gij nijdig tieren!
Laat Jonst begeerig zijn, gelijk eens Hirts bestieren, (ken,
En d\' Haas baart zijn kracht snel, om loopend d\' Hond t\' ontwij-
Snakkend naar \'t water Cl aar; \'k en kan \'t beter gelijken.
15 Geenszins en laat in zang „ Hymenaeus zijn verhoogd
Noch Thalassus geklang; „ maar Godes lot\' voortbringen:
Hoe hi) overvloed schank, „ en \'t water gansch verdroogd,
Zonder iemants bedwang, „ betoond\' zoo vreemde dingen:
Uit \'t water wijn zeer klaar als een fontein deed springen,
20 Vervuld\' zes kruiken vol, in \'t Galileesche land;
Te Cana in de Stad., een Bruiloft zonderlingen,
\'t Eerste teeken Christi, men elk maakte bekand.
Door zulks ons merk\'lijk leert, dat in \'t Huwlijks-verband
Alleen men eerlijk hoort te houden goed\' geruchten:
25 Den getrouwden hij meest behoeden zal voor schand\':
Wie nem met lust bemint, en derft voor niemant duchten,
Zoo liefd\' begeerig haakt, als \'t Hirt doorsnelt gehuchten
En d\' Haas baart zijn kracht snel, om loopend d\' Hond t\' ont-
wijken,
Snakkend naar \'t water C/aar; \'k en kan \'t beter gelijken.
30 Wat Christus, met zijn Bruid, „ eik-een te kennen geeft,
Laat ons, met goed beduid, „ elkander daarin stichten,
Die hij met zoet geluid „ zoo vriendlijk roept beleefd:
„Komt, overschoone spruit, „ die mijn hert kan verlichten!
Mijn peerl, mijn edelgrein, ter weiden komt bedichten!
35 Schoon\' bloem en Roos int dal, nooit minnaar mijns gelijk.
Voor niemant zijt bevreesd. Rein\' Duive! wilt niet zwichten,
Die uitverkoren zijt! Mijn jonst, [zou oon] afwijk,
Al laagdij hier veracht, int bloed, op t\' veld, int slijk,
Vertreden van eik-een, nochtans u niet begeven,
40 Maar wiesch uw aanschijn schoon, welriekend met praktijk,
9. Oodmoedig, zachtmoedig, minzaam. — 12. Jonst, gunst; zinspeling
op den naam der Rederijkkainer lfrl levender Jonste.— Begeerig zijn, ver-
langend zijn (zich te uiten). — 14. \'A- En kan \'t beter gelijken, ik kan
\'t niet beter vergelijken. Dat \'k En zal nog bij Claar te verstaan zijn: Claar-
ken van Tongerlo! woordspeling van geringe qualiteit. — 15. Hymenaeus,
de (Grieksche) huwelijksgod. — 16. Thalassus, de Gr. bruiloftsgod. — 21.
Zonderlingen, merkwaardig. — 26. Derft, behoeft. — 27. Doorsnel,
heeft de oude druk. — 34. Edelgrein, edelgesteenten. — Bedichten, na-
bijkomen. — 37. Zoü oon afwijk, zoü zonder fout. De uitg. hebben „zon-
der" en laten „zoü" wech.
vondel I.
23
-ocr page 448-
AANTEEKENINGEN.
434
Balsemd\' uw zoeten reuk, boven al waard verheven.
Als gij schier waart vernield, mijn liefd\' vurig gedreven,
Als d\' Haas baart zijn kracht snel, om loopend d\' Hond t\' ont-
wijken,
Snakkend naar \'t water C/aar; \'£ en kan \'t beter gelijken.
45 Gods kerke, de Bruid recht, „ \'t lichaam Christi eenpaar
Van Christo, haren echt, „ werd zij zalig naar reden,
Zeer lieflijk hij beslecht „ al haar zaken eerbaar,
Mint, naar reden en recht, „ alleen zijns lichaams leden,
Die al ter Bruiloftfeest lieflijk werden gebeden,
50 Verkoren volk alleen, uit goedaardig geslacht;
\'t Bruiloftskleed zij ontfaan door dezen Vorst vol vreden;
Zijn Bruid wordt bovenal aldaar waardig geacht,
Zittend\' in Haar Throon na de genooden wacht,
In witte zijd\' gekleed, met peerlen fraai behangen;
55 Een kroone zij ontvangt, van den Bruid\'gom gewracht,
Een Trouwring, haar bedacht, „ Zijns geests, heeft zij ontvan-
Hierom spoedt u ter feest, begeerig met verlangen, (gen.
Als d\' Haas baart zijn kracht snel, om loopend d\' Hond t\' ont-
wijken,
Snakkend naar \'t water Claar; \'£ en kan \'t beter gelijken,
l\'RINCE.
60 Princen, de Bruid prezent, „ voor al die zijn vergaard,
Laat ons voor t\' slot end\' end, „ \'t geluk haar lieflijk bieden;
Dat God zijn zegen wendt, „ als David ons verklaart,
In zijn Psalm maakt bekend, „ klaarlijk voor alle lieden:
„Wel, die den Heere vreest! Geluk zal hem geschieden,
65 In al zijn wegen zal verkenen overvloed.
Uw wijf zal gelijk zijn den wijnstok, na \'t bedieden,
Die vrucht draagt t\' zijner tijd, zij zal ontvangen spoed;
Aan den Disch, als een kroon, u kinders lieflijk zoet,
Als olijfranken schoon, zult gij ze klaar aanschouwen,
70 Met veel weldaden meer van God verkrijgen goed:
De Heer geev\' haar doch kracht, om in liefd\' niet te flaauwen,
Maar Jonst hen voege t\' zaam, begeerig na vreeds dauwen,
Als d\' Haas baart zijn kracht snel, om loopend d\' Hond t\' ont-
wijken,
Snakkend naar \'t water Claar; \'£ en kan \'t beter gelijken.
Liefde verwinnet al.
55. Gewracht, gemaakt. — 67. Spoed, voorspoed. -- 72. Vreeds
dauwen, het dauwen van de vrede.
-ocr page 449-
AANTEEKENINGEN.                          435
A°. 1607.
gesteld op den toon van den 2den Psalm.
DE Dood „ zeer snood „ d\' Aarde haar pijlen bood,
D\' Ondeugd „ verheugd „ was met haar Helsche scharen;
Deugd vlood „ door nood „ durfde haar niet geven bloot;
Haar vreugd „ verjeugd „ veranderd\' in bezwaren,
5 Om dat „ den pad „ der Waarheid, werd bestreden:
De Trouw „ met rouw „ zeer deerlijk was verplet;
Liefd\'s schat „ Gods stad „ de vrucht in \'t lustig Eden —
Een vrouw „ (te flaauw „ eilaas!) elk waas besmet.
Maar \'t Licht „ \'t Gezicht „ der Blinden, die \'t al sticht,
10 Bekleedt „ met vreed „ een spruit wiens trouw moet blijken,
Wiens plicht „ opricht „ elks Heil, met Liefdes schicht,
Bestreed „ het wreed „ geslacht, \'svijands praktijken:
D\' Oodmoed „ hem voedt „ in Davids Stad onrustig:
Een kroon „ zeer schoon „ hij biedt, van God gewracht:
15 Doet boet „ met spoed „ voor deez\' Ziel-Rust wellustig:
Gods Zoon „ tot loon „ t\' Leven uit Sion bracht.
Dit Lam „ Gods Stam „ \'t welk Satans macht benam,
Zijn\' bruid „ de spruit „ die zijn hart heeft ontstolen,
Waarnam „ en kwam „ tot haar, der Jonsten vlam,
20 Om uit „ \'t besluit „ der feest niet meer te dolen.
Haar deel „ \'t Juweel „ \'t nieuw Paradijs verheven,
Schonk haar „ \'t Nieuw-Jaar „ Christus d\' Opperste pand;
Een eêl „ prieel „ Gods Geest, der Eng\'len leven,
Alwaar „ dit paar „ des levens Boom herplant.
25 Het kind „ bemint „ de Liefd\', die \'t kwaad verwint;
Elk noodt „ minioot: „ kiest mijn eenvuldig wezen;
Die blind „ gezind „ u tot \'s Doods vruchten bindt,
Ontbloot „ divoot „ uw eigen wil misprezen,
En tracht „ bedacht „ om zuiveren inwendig
30 Uw Hart „ verward „ bevlekt, van \'t Aardsch gekwel;
Verwacht „ d\' Eendracht „ na dit Leven ellendig;
Gij werdt „ van smert „ vrij, door Emanuè\'1.
PRINCE.
Verlaat „ dan \'t kwaad, „ gij, Princen, metter daad;
26. Minioot, lief.
-ocr page 450-
AANTEEKENINGEN.
436
Aanziet „ verdriet „ noch kruis, om zijn herboren,
35 Al staat „ vleesch-raad „ en poogt naar \'swer\'lds onmaat,
Rust niet „ maar vliedt „ naar Bethlehem verkoren,
Beschreit „ uw leid, „ zoo komt u mild te baten,
\'t Kind klein „ \'t welk pleyn „ u heerschen moet vooral;
Want scheidt „ Goedheid „ van u (door s\' Deugds verlaten)
40 Deez\' rein „ Fontein „ uw Hert niet zuivren zal.
LIEFDE VERWINNET AL.
IN het zoetste van den tijd,
Als Zephyrus Flora vrijt,
Als Phoebus, met helder stralen,
Taurus snel ging achterhalen,
5 Kwam Cupido, Venus\' zoon,
\'s Morgens tot zijns moeders throon,
Eer Tithons bruid, met verlangen,
Vertoont haar bloeyende wangen.
Venus lag in ruste zoet,
10 Die door Lethes werd gevoed;
Cupido, met heuscher spraken,
Onverziens haar deed ontwaken:
„Moeder! (riep hij) slaapt gij zacht?
k\' Neem oorlof, ik ga ter jacht."
15 Zij ontsprang en goedertierig
Schoof op haar gordijntjens cierig:
„Wel (sprak zij), mijn zone waard!
Aanvangt gij uwe dagvaart\'?
Ik wensch, u kracht zoo vermeere,
20 Dat niemant u pijlen keere;
Keert in tijds tot mijn paleis,
Fortuin bejonstig u reis!"
Floeks heeft zich Cupido waardig
Tot de jacht snel gemaakt vaardig;
25 Niet, als Adonis, beangst
Om der wilder dieren vangst,
Maar om hemel en aard\' tranig
Zich te maken onderdanig.
2. Als \'t Wcsten-windtjen met de bloemen koost. — 3, 4. Als de Zon in
het teeken van den Stier kwam. — 7. Titons bruid, Aurora. — 10. Waarin
men alles vergeet. — 15. Ontwakend sprong zij op in (of uit het) bed. —
25. Re angst, begeerig. — 27. Tranig, aangedaan.
-ocr page 451-
AANTEEKENINGEN.
437
Hij streelde zijn haar verguld,
30 Zijnen koker hij vervult
Met zijn pijlen, twreed bezuren,
Doch verscheiden van naturen,
Waarmee hij, zonder geschil,
De minnaars pijnt naar zijn wil;
35 Hij ontsloeg zijn wakker vlerken,
Om zijn krachten te doen werken;
Eer hij toegemaakt vol jonst
Was, door der Charites konst,
Zag hij \'s werrelds lamp verschijnen,
40 Dies hij tot de reis ging pijnen.
Aura end\' Zephyrus beid
Speurend, dat hij was bereid,
Als voorboden gingen zweven,
Beekskens, blaadren deden beven;
45 Cupido haar volgde snel,
Om spelen t\' gewoonlijk spel.
Beiden, menschen ende Goden,
Haast vernamen, door dees boden,
Wat kwale haar overviel,
50 Tot beroering van haar ziel;
Maar eer zij konden ontvluchten
Dezen schutter, t\' pijnlijk zuchten,
Werden zij, in korter stond,
Van zijn pijlen wreed doorwond;
55 Gelijk \'t nachtegaalken jeugdig,
\'t Welk, in t\' kwinkeleeren vreugdig,
Onverziens zich vindt bezet
In des vooglaars listig net,
Alzoo dees vrijen in orden,
60 Moesten Liefdes slaven worden.
Jupiter, uit den Olimp,
Die voormaals, met spot en schimp,
Dezen jager ging" begekken,
Most nu Liefdes keten trekken;
65 Appollo en Pluto rijk,
Mercurius, vol praktijk,
t\' Most al onder zijn jok buigen:
Mars most Venus borsten zuigen,
Niet de rechter borst vol wijn,
70 Maar de slinke vol venijn;
31. Twreed bezuren, zeer wreed te bezuren, die men zeer wreed be-
zuren moet. — 38. Chariten, Gratiën. — 41. Aura, \'t windtjen. — 49.
Haar, den menschen en den Goden.
vondel I.                                                                               28*
-ocr page 452-
438                             AANTEEKENINGEN.
Lyaeus, voor zijn zoete druiven,
Most van Liefdes spijze kluiven;
t\' Kind hield d\' overhand in t\' perk
Over menschen, Goden sterk,
75 Ving en schoot stadig vol kwalen,
\'t Waar te lange om verhalen;
En, gelijk t\' vermoeide hert,
d\' Welk in strikken is verwerd,
En \'s jagers list is beproevig,
80 Schreydet bitter tranen droevig,
Alzoo ook met tranen elk
Most vervullen Venus\' kelk;
Deze schutter, naar zijn wenschen,
Trefte Goden ende menschen.
85 Den tijd, die (steeds onvermoeid)
Gedurig voortvaart en spoeit,
Liet Hesperus zien, terwijlen
Cupido verschoot zijn pijlen;
D\' avond dekte s\' werrelds oog,
90 d\' Weeldrig kind naar Paphos vloog,
Om zijn Moeder te verzeilen,
En zijn avontuur vertellen;
Als Venus haar kind vernam,
Zij hem in haar armen nam.
95 Zijn komste was haar vermaaklijk,
Schonk hem mild den nektar smaaklijk,
Tot dat hun den zoeten nacht
Stillekens in ruste bracht.
liefd\' verwinnet al.
BI. 5. Uitvaart en Treurdicht van Henricus de Groote. Meer-
malen is de verklaarbare vraag gedaan, of deze fraaie klaagzang niet
van een jaar of tien later is dan de op Henri Ilr voltrokken moord.
Inderdaad steekt het vaers gunstig af bij de fabels
„Gulden Winkel"
en „Warande der Dieren". Maar het sonet „op het 12-jarig Be-
stand"
(bl. 4) is van gelijke qualiteit en dagteekent van 1609. —
Kort na de tijding van den moord schijnt de „Uitvaart" niet gemaakt;
want dan behoefde Fondel niet te zeggen:
„Waarom de tranen nog bepeerlen onze wangen."
Dat deze gedichten vloeiender en warmer zijn dan de door Pers be-
stelde, half vertaalde, bijschriften voor bestaande plaatjens is, overigens,
natuurlijk.
71. Lyaeus, Bacchus. — 87. He spe rus, de avondster.
-ocr page 453-
AANTEEKENINGEN.
439
BI. 9 v. 160, staat: „Hemelwaarts", lees: „Hemelwaards".
„ II, reg. il, lees: „verdorventheid".
„ 13, reg. 27, staat: „is", lees: „zij".
„ 17, reg. 12 v. o., lees: „Terwijlen".
„ 17, reg. 11 v. o. lees: „berg".
„ 18, lees: „HET EERSTE DEEL".
„ 25, v. 242 staat: „alsins", lees: „alszins".
„ 26, v. 289, lees: „u".
» 33, reg. 23 v. b. lees: „ende\'.
„ 39, reg. 28 v. b. lees: „HET TWEEDE DEEL".
„ 41. Noot bij v. 796: De uitg. van 1612 heeft „om zeerste".
„ 42, v. 837—838, lees: „verscheeden" en „verbreeden".
„ 47, v. 1017, lees: „hert" en niet „dan", maar „als".
„ 51, v. 1166, lees: „Opdat".
„ 56, v. 1335 lees: „Memphidis"; en sluit het vaers met; v.
1352, lees: „Misraijns". Als noot: 1348 Rustig, van zessen klaar.
BI. 57, In de uitg. 1612 springt alleen het eerste vaers van elke
strofe een vierkant in.
BI. 59, lees: „HET VIERDE DEEL"; v. 1459, lees: „Memphis\'
throon". V. 1460, lees: „kleinen". In de noot: „bleef)."
BI. 63, v. 1617, uitg. 1612 heeft „behiizelt".
„ 68, lees: HET VIJFDE ENDE LAATSTE DEEL".
„ 69, v. 1825, schrap de komma aan V eind.
„ 71, r. 22, lees: „ISRAËLIJTSCHEN".
„ 73, r. 15, lees: „ende".
„ 74, Opmerkelijk is, in het slot-choor de uitdrukking, dat \'s He-
mels goedheid hier op \'t Tooneel herspeeld is". Op bl. 78 wordt
gezegd, dat
„het evenbeeld van Israëls triomf weer zoo aardig
volspeeld is op \'t Nederlandsch Tooneel". Verg. de Noot XX, bl. 347.
BI. 75, v. 2072 lees: „Iesum".
„ j6, v. 2142 „ „Joden".
„ 77, v. 2151 „ „Iesus".
„ j<), v. 27, staat: „uw", lees: „u". V. 45—46 lees: „Bour-
gonsche", „Spaengien" en „Orangien".
Bl. 80, v. 63, staat: „uw", lees: „u".
„ 80, „Eerdicht" staat: in de uitg. v. 1636, vóór het „Pascha".
In het stukjen „Op de Verlossinghe Israels", lees overal de „y",
behalve in „altijt". In V „Eer-dicht wordt het voornaamwoord „syn"
gespeld.
Bl. 81, 4e v. van V o.e viertal, heeft niet „wreeken", maar
„wercken".
Bl. 86, v. 101 lees: „Vrankrijk".
„ 90, v. 248 staat: „end" lees: „en".
„ 91, v. 313 leesx „niet-te-min".
„ 114, reg. 19 en 20, lees: „werd".
-ocr page 454-
44°                             AANTEEKENINGEN.
BI. 144, r. 19 en 20, lees: „werd". R. 1 v. o. lees: Ierusalem.
„ 146, noot, reg. I, lees: 1—4.
„ 165, in V opschr. lees: van de, en poëet en. In Noot XIV, reg.
11, lees: „4den dag der 2de week". Bij Heyns luidt de volle titel
van het onderdeel:
„Bartassi Abraham ende Moyses ofte Derde
dag vande Tweede weke. Inhoudende Het Beroep. De Vaderen.
De Wet. De Hooft-mannen vertaelt door Zacharias Heyns, tot
Zwol. T\' Amsteldam, gedruckt by Paulus van Ravesteyn. Anno
1621. „V Is opgedragen aan den „Edele, Erentfeste, Manhafte
Joncker Ernst van Rede," een tafelvriend van Heyns en die den
Franschen Bartas bij zich droeg.
BI. 168, v. 10, lees: „(Onaangenaamste kraal)", en schrap de ,
achter
v. 9. Die „onaangenaamste zanger" is Fondel-zelf. Schrap,
in de noot, wat de text heeft.
BI. 190, opschr. lees: „en de".
„ 217, Noot: LXV, 15, Verschuld, door schuld verdiend.
„ 247, reg. 6, lees: „wijlen Guillaume de Saluste". Reg. 7:
schrap: „de" voor „Phoenix". Reg. 8, schrap: „Ende nu"; ver-
ander
„Nederlandsch" in „Nederduitsch". V. 13, lees: „Iesus".
Reg. 5 v. o. lees: „1620 (bij Dirck Pietersz. Pers)".
BI. 327 in de noot op v. 14 lees: „Ernst".
„ 336 schrap de aanteek. bij v. 193.
„ 347 lees: TREURSPEL DER JODEN.
„ 386, Noot op 993: „afgekeurd".
-ocr page 455-
4$
INHOUD
VAN HET EERSTE DEEL.
Bli
Opdracht.                                                                                                           V
Bericht bij de Uitgave van het Eerste Deel.                                                 VII
Dedicatie aan de Jonkvrouwen van Vriesland en Over-Yssel. 1607.               1
Oorlof-Lied. 1607.                                                                                              2
Op het Twaalfjarig Bestand der Nederlanden. 1609.                                        4
Uitvaart en Treurdicht van Henricus de Groote, Koning van Vranckryck
en Navarre (1610).                                                                                        5
Het Pascha, ofte de Verlossinge Israëls uit Egy pten,... op \'t tooneel gesteld. 1612.    11
Voorreden, tot „den goedwilligen Lezer"                                                 11
Epistre a mon Seigneur Iean Michiels van Vaerlaer                               14
Kort begrijp van de Trage-comedie                                                          17
Het Pascha                                                                                                 18
Vergelijkinge van de verlossinge der Kinderen Israels met de vrij-
wordinge der Vereenigde Nederlandsche Provinciën                             78
Op de Verlossinghe Israels, door G/ietrou altijdt
                                      80
Eer-dicht op de Verlossinghe van Israël, door Gerbrant Adriaensz Bredero
    80
Klinck-vers op de Verlossinghe der Kinderen Israels, door Willem Bartiëns
    81
Lofzang, toegeëigend aan Mr. Willem Bartiëns (1620)
                                   81
Op Mr. Willem Bartiëns
                                                                                  84
Hymnus ofte Lof-gezang over de wijd-beroemde Scheeps-vaart der Ver-
eenigde Nederlanden. 1612
                                                                            84
Den Gulden Winkel der Konst-lievende Nederlanders. 1613
                          94
Opdracht aan Abraham de Wolf
                                                              94
Dirck Pietersz. aan allen Deugd- en Kunstlievenden
                                98
Den Mensch, enz.
                                                                                      98
Raadsel des Dichters
                                                                               146
Vier Uitersten (1616—19)
                                                                            147
Het Laatste Oordeel (1616—\'9)
                                                                   \'48
Jaar-zang (1616—19)
                                                                                    148
Hemelvaart-zang (1616—19)
                                                                         149
Pinxter-zang, op de stem van den C. psalm (1616—19)
                            150
Pinxter-zang, op de stem van Maria Lofzang (16119)
                           151
-ocr page 456-
\' INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.
Blz.
Aandachtige Betrachtingc over Christus\' Lijden, uit den Hoogd. vertaald
door M. L. B. en door J. V. V. ter loops gerijmd (iöiö—19)             152
Zedig Gedicht van de IJdelheid der menschen en wankelbaarheid der
Konink-rijken (1616—19)                                                                         160
Houwlijk-Zang tusschen God en de Geloovige ziele (1616—19)                162
De Vaderen, ofte het 2e deel van de 3e dag der 2r weke, vervattende
Abrahams Offerande... uit het Fransen in Nederduitsch vertaald, naar
Guillaume de Saluste, Seigneur du Bartas 1616                                       165
Klinken, op de vertaling van Zach. Heyns                                          165
Op de afbeelding van Zach. Heyns                                                      166
Klink-veers over Abrahams Offerhande                                                  166
Inhoud                                                                                                    167
Zedig Oorlofs verzoek                                                                            168
De Vaderen                                                                                            168
Vorstelijke Warande der Dieren. 1617                                                         180
Vermakelijke Inleidinge                                                                          180
Van \'t Peerd, enz.                                                                                 186
De Heerlijkheid van Salomon of het 2e deel van de 4e dag der 2r weke,
gedicht bij wijlen Guillaume de Saluste; Heere van Bartas, uit het
Fransch in Nederd. vertaald 1620                                                            247
De Vertaalder aan Keizeren, Koningen en allen geweldigen op aarden    247
Opdracht aan den Heer Dierick Korver. Loumaand 1620                   248
Voorreden                                                                                               249
Het Inhoud                                                                                             250
De Heerlijkheid van Salomon                                                                252
Op de Aankomste van de Koninginne van \'t Zuiden te Hierusaletn    252
De Helden Godes des Ouden Verbonds 1620                                              286
Aan de Oudvaderen, Priesteren, Koningen, Profeeten en Helden          286
Opdracht aan den wijzen, geleerden en weiervaren Heer Johan Fonteyn    287
Aan den opmerkenden en verstandigen Lezer                                      289
Klinken                                                                                                  293
Adam enz.                                                                                              293
Hymnus of Lofzang van de Christelijke Ridder. 1620                                332
Klinken, op de wonderlijke reize van Willem Cornelisz. Schouten             339
Sur 1\'admirable navigation de Guillaume Schouten                                       340
Grafschrift op Bredero                                                                                   340
Op de afbeelding van Joan van Oldenbarnevelt                                           341
Geuze-Vesper of Zieke-troost                                                                        341
Gesprek op het Graf van Joan van Oldenbarnevelt                                     343
Het Stoksken van Joan van Oldenbarnevelt                                                 343
Krachteloze Papenblixem                                                                                344
Op Simon Episcopius                                                                                     345
Op Jacobus Arminius                                                                                    345
Op johan Uytenbogiert                                                                                 345
Op de Boeten, betaald door Peter Schrijver                                                  346
Op een Moordpasquil                                                                                     346
Hierusalem, verwoest, Treurspel                                                                   347
Aan mijn Broeder, op het Treurspel der Joden, door Guilhelmus
Vondelius                                                                                            347
Opdracht aan den erentfesten, achtbaren, wijzen, en voorzienigen
Heere Cornelis Pietersz. Hooft                                                           348
Aan den gedichtlievenden Lezer                                                            350
-ocr page 457-
INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.
Blz.
357
359
360
427
431
431
Het Inhoud
Aan de Joodsche Rabbijnen
Hierusalem, verwoest
Davids Lofzang van Hierusalem
Aan den Bruidegom Lambrecht Jacobsz. met zijn bruid Aechtjen An-
thonis. 1620
Klink-gedicht (op de „Warande der dieren")
Aanteekeningen ; daarin: de Verbeteringen en voords:
Schriftuurlijk Bruilofts-Referein op het houwelijk van Jacob Haes-
baert met Clara van Tongerlo. 1605
Nieuw-jaars Lied. 1607
De jacht van Cupido
432
435
436
WMë?