-ocr page 1-
-ocr page 2-
Z. oct.
299^
»«%
ww
-
-ocr page 3-
.
.
«
f
*
.
. <
.
1
\'
•
m
-ocr page 4-
-ocr page 5-
f
<rO- Zsr5
MILLIOENEN-STUDIEN
DOOR
MULTATULI.
Derde, met zorg: herziene druk.
Nijmkgen — Arnhem,
GEBRs. E. & M. COHEN,
•1T UTRECHT __
. U889.
A06000003557281B
0355
-ocr page 6-
GEDRUKT BIJ KAREI. F. MISSET, ARNHEM.
-ocr page 7-
Ik acht hel noodig den lezer rneetedeelen dat
deze M1LLIOENEN-STUDIEN aanvankelijk be-
stemd waren te verschynen als feuilleton in
het dagblad whet Noorden." Al zeer spoedig echter
zag ik my genoodzaakt mvn arbeid aftebreken,
omdat de lezers van die courant, volgens de ver-
zekering van de redaktie „ev niets van begrepen."
Ik hoop ditmaal gelukkiger te zyn.
Mui/r.vruu.
Wiesbcuien, September 1873.
-ocr page 8-
.
-ocr page 9-
LANGS VELDEN EN WEGEN.
Ik schryf ditmaal niet voor burgerlui. Zelfs prinsen en geniën
wier inkomen iets minder mocht bedragen dan \'n zak guldens per
Uur, worden beleefd — of des-noods onbeleefd — verzocht zich niet
met myn geschryf te bemoeien. Willen zy zich beteren . . . d la
bonne heure!
A tout péché miséricorde, maar eerst . . . beterschap.
— Ikzelf ben soldaat geweest, zei de pas bevorderde vice-korpo-
raal-titulair.. .
En ook ik herinner me den tyd dat ik geen millionair was.
Jammer genoeg dat daartoe een minder sterk geheugen voldoen-
de wezen zou, dan waaronder ik gebukt ga.
Maar hoe recent ook myn stand ver wisseling wezen moge,
toch voel ik een onweerstaanbare minachting voor m\'n arme ka-
-ocr page 10-
6
MIU.IOKNKN-STUDIEN.
meraden van gister, en ik beken ronduit niet instaat te styn my
optevoeren tot het verheven standpunt van dien anderen vice-kor-
poraal, wiens bovenmenschelyk: «Vrouw, geef dien man \'n borrel"
geboekstaafd is op de schoonste bladzy der Fastes van elke kazerne.
In-weerwil echter van dien allerbeminnelyksten parvenu-trots,
word ik in sommige oogenblikken van zwakheid aangegrepen door
\'n overblyfse\' van vorige goedhartigheid. -uQuo semel est imhuta re-
cens"
etc. Het schynt toch dat niets menschelyks me vreemd is,
en dat de texla haren odor behoudt, al spoelden de golven der
levenszce haar vry ruw heen-en-weder, jaren, jaren, jaren lang. . .
\'t Is vervelend!
Hoe dit zy, ik wil ook burgerlu! of arme vorsten en verkeerd-
geborenen in de gelegenheid stellen deeltenemen aan myn feuille-
ton, door hun den weg te wyzen die tot beterschap leidt, i. e. door
hen millionairs te maken als anderen. Zoodra de allerarmste zóó
ryk is, dat hy met z\'n geld geen raad weet, mag ieder my lezen.
Wie er tegen dien tyd zal broodbakken of schoenmaken, jazelfs
hoe y>Het Noorden" \'t zal aanleggen om m\'n feuilleton gezet en
gedrukt te krygen . . . dat weet ik niet. Maar m\'n bekommering
daarover is niet groot, omdat ik in m\'n splinternieuwe funktien
van richard, me niet behoef intelaten met staathuishoudkunde. Dat
is \'n vak voor arme drommels.
Lieve standgenooten! Myn levendige belangstelling in alles wat
U wedervaart, doet me hopen dat ook gy niet onverschillig zyt
omtrent myn lief en leed. Weet dan dat ik gedurende de geheele
maand Maart en de helft van April, my alleronaangenaamst heb
moeten bezighouden met hoesten. Ook bismarck is onwel, en ik
lees in de Kölnische Zeitung van 22 April, eerste blad, tweede blad-
zyde, tweede kolom, reg. 14, vv. :
nGraf Bismarck, der die Osterfeiertage in Varzin zubrachte, ist
dort erkrankt, so dass er die lieute «lalt findende Eröffnung iles
Zollparlamentes Herrn
Delbrück hat übfrlassc n mussen. Genauere»
über seine Krankheit weiss man noch nicht; nur ist es nachgerade
klar, dass wir uns auf haufige Unlerbrechungen der Thdtigkeit
Bismarck\'s gefasst machen mussen, und der Preussische Staat sich
darauj einrichten
mtMS, auch ohne seinen berühmten Minister fertig
zu werden.
Die ondankbare nationaal-liberalen ! Dat hebt gy op uw geweten\'
o MONTESQUIEU, met uw onzinnig les hommes nemanquent jamais
attx circonstances!
Citroen MSMARCK is uitgeknepen.
Het nummer van de courant die ik aanhaalde — nee non numerut
omen
misschien — is 111. *)
Nu dan, ik hoestte. Lang voor de vOslerfeiertage" moest ik Holland
verlaten, omdat m\'n longen daar niet langer verkozen te ademen,
*) Het nummer van de Courant tffet Noorden" waarin deze millioonen-
studien aanvingen, was van 5 Mei 1870. Zonder de minste bescheiden-
heid meen ik te mogen, gelooven, dat de gebeurtenissen die cenige
-ocr page 11-
LANGS VELDEN EN WEGEN\'.                                 7
en ik niet, als BISMARCK, \'n vEhrengeschenk" van de natie ontvangen
had om \'n landgoed te koopen, waar de lucht wat milder is dan
in den Haag. Ik ging alzoo, adem zoekende en verademing, naar
Duitschland, waar ik bovendien iets te verrichten had. Zwervend
tusschen Ryn en Mein, Oder en Moezel...
De Moezel is prachtig, lieve mede-millionairs! Bezoekt haar eens,
die lieve MOSELLA, en zegt of \'t niet waar is, wat AUSONIUS — ik
meen in de 3de eeuw, maar kan \'t niet naslaan, want ik verheug
me hartelyk in \'n kalmtegevende absentie van alle boeken — ja,
onderzoekt eens of \'t overdreven is wat die heidensche schryver van
de bevallige jonkvrouw zegt, die na zooveel minzieke meanders
sedert haar kindsheid by Trier, eindelyk zich kwasi besiegt, maar
inderdaad zegevierend in de armen werpt van den flinken manne-
lyken Ryn by Coblenz...
By Conflitente*.\' Hooit ge, taalkenneis en standgenooten: conflu-
entes!
Daar vloeien ze in \'n, de Schicksalt;— ik weet niet of\'t woord
\'n meervoud toelaat, maar wat geeft \'n millionair om taal! — de
verdere lotgevallen dan, van den bruigom uit Helvetie en de
Luxemburgsche verloofde. Schuchter was ze.. .maar begeerig. Tel-
kens schynt ze te vlieden. . .telkens blykt er dat haar vlucht gemaakt
was, liefelyk-valsch, aanhalig-vrouwelyk, fatsoenlyk, eerbaar en dar-
tel, wellustig en kuisch. Welzeker zag ze den Ryn van verre aan-
komen ! Wel wis en waarachtig wist ze dat hy voor haar, zy voor
hem bestemd was.. .
En de oeverbewoners van het\') water, het groote water, van den
Germaanschen maschaschabe. . .als bezorgde ouders vraagden zy
zich af, of hun ^orsche lieveling paren zou ?
—  Hy is te jong, zeiden de Zwitsers. Zie, ter-nauwernood draagt
hy den kahn op z\'n rug, dien \'n gems zou doen kentelen. Maar
sterk voor z\'n jaren is hy.
—   Sterk? Nogal ... zei \'n ander, maar wild en onrustig. Il
faut que jeunesse paste,
\'t Zal wel beteren voor . . .
Voor wat? vraag ik. Vóór z\'n dood? Vóór Emmerik en Lobith,
waar nog altyd in 1878 — ik kan \'t met getuigen staven! —
kantoren zyn met uniformlui die koffers en valiezen doorsnuffelen ?
maanden daarna dit jaar maakten tot een der belangryksten in de
Wereldgeschiedenis, en tevens bismarck\'s voortdurende bruikbaarheid als
Pruisisch minister en Bondskanselier nogal voldoende hebben gestaafd,
\'n eigenaardig relief geven aan de woorden waarmede ik hier de on-
dankbare zottemy der «liberalen" brandmerkte. Ik erken echter dat
m\'n zelfverheffing op \'t profetisch karakter van deze sarkasme plat
neervalt, indien \'t m\'n lot blyven mocht steeds te-doen te hebhen met
lezers: »die er niets van begrypen."
") Ryn, eigenlyk Rhyn of Hryn (p\') beduidt, als Rhoer, Rhön, Rhoon,
Rhone, Arno, Aar
en veel riviernamen meer, de stroom. Het woord
is \'n onomatopee die men by alle volken vindt.
-ocr page 12-
MILLIOENEN-STUDIEN.
Voor hy philisterig-laag en plat wordt ? Vóór den modder ? Vóór
Katwyk ?
• O HELMERS! Eigenlyk hond ik niet van u, maar toch vind ik\'t
lief dat ge \'t bejammert — al zy \'t dan maar in rympjes — die
jeugd en zulke manbaarheid te zien ondergaan in zóó\'n ouderdom.
Maar dat wisten ze niet, de Elzassers en Radcnsers die den Tor-
senen knaap zagen opgroeien tot jongeling, en waarlyk niet kla-
gen konden over gebrek aan kracht, al werd er wat gecomméreerd
over de wyze waarop hy nu-en-dan die kracht verspilde naar
jongelui \'s manier . . .
—  Alle mooie meisjes myn! zei de Ryn, en gaf er niet om of
er leelyke waren onder die mooie.
Zoo als jongelui gewoon zyn alweer. Appetyt geldt voor smaak,
in die jaren. Later wordt men keuriger. Nog later blasé. Eindelyk
tterjoi\'ité. En die toestand wordt aan fynheid van smaak toegeschre-
ven. Maar ik geloof er niets van. Nous ne quitlons jamais nos vices,
r,e sont eta; qni nous quittent.
Nu, als ik \'n Vice was, deed ik dat
ook. \'t Moet een ondankbaar werk zyn menschen te regeeren, en
Koning Vice wordt voor al z\'n moeite nog uitgescholden toe, door
alle moralisten.
—  Alle mooie meisjes myn! zei de Ryn, en speelde den don
JUAX. nln jedes Stiidtchen find\' ich mein Mi\'tdchen . . .
Eén ? Honderd, duizend . . . millioenen!
—   Kom maar mee, lief Anna.-bronnelje. Hier, Mariechen-frrac/i /
Wo bleibt denn mein allerliebstes Waldquellchen! Ach, was \'t je
zoo benauwd daar in die Schlucht! Arm kind — ik aanbid je, dat
spreekt vanzelf - - om uwentwille heb ik de reis uit de hooglanden
gemaakt . . . kom mee naar Holland . . .
En Waldquellchen valt in den strik, en merkt al gauw dat ze
niet gehuwd is, maar slechts No. iooi geworden in den harem
van haar ondeugenden minnaar.
Als \'n tamme wyfjes-olifant helpt ze andere olifanten vangen, al
zyn \'t dan geen mannetjes, als op Ceylon.
Elk straaltje, elke bron, elke beek — eerst jammerend als de
bedrogen ei.vira — zingt weldra mee in \'t algemeene koor:
Reich mir die Hand, mein Leben,
Komm in mein Schloss mil mir . . .
O, die koppelaarsters!
En jonkvrouw MOSELLA wacht!
Zou hy komen?
—   Ik zal me houden alsof ik hem niet ontmoeten wil.
-ocr page 13-
LANGS VELDEN EN WEGEN.                                      9
En ze wendt rechts.
—  Toch zou ik graag weten of hij nadert . . .
En ze kykt om.
—  Hy moet niet denken dat ik om hem verlegen ben...
Rechtsom!
—  Waar blyft hy toch ? \'t Is niet uittehouden...
Linksom!
—   Wat verbeeldt hy zich wel! Meent hy dat ik den weg naar
zee niet zou kunnen vinden zonder hèm ?...
Rechts weer, links weer, terug, vooruit, schuins, krom, scheef,
oost, west... waarheen toch ? Och, die arme verliefde jonkvrouw
MOSELLA!
Dan hoopt ze alles, dan niets meer. Opgetogen is ze.. . hy zal
komen .. . snel nu, niet gevreesd, hem in de armen!
Helaas!
—   Daar heeft zich de ondeugd geëncanailleerd met die vuile
Mein? Is \'t geen schande?
Dat hadden booze tongen haar overgebracht, en ze was wel drie
kilometers lang wanhopend.
Het baatte niet dat een der voorouders van m\'n kinderen —
een winneberg-beilstein, naar ik meen — haar moed insprak.
—   Hy is jong, lieve Moezel. Ik ben zeker dat de Mein je
niet schaden zal, ze heeft Frankforter beursmanieren, en dat
bevalt niet op-den-duur. Houd moed en blyf mooi, dan is er nog
altyd kans.. .
De Moezel wou zich verdrinken. Maar \'n rivier komt daar zel-
den toe. En ook anderen doen \'t niet spoedig.
Er zyn weinig ongelukkige liefden. .. tenzy men — en zoo be-
hoort het misschien — de vervelende niet-ongelukkige meerekene.
MOSELLA — maar om \'s hemels wil vertel \'t niet verder —
wreekte zich door wat koketteeren met haar buurtjes.
Ze moest toch zorgen niet uittedrogen voor de ware bruigom
kwam...
Weer een bericht. Die Frau Schneidermeisterinn had -nam Brun-
nen"
— daar is de beurs, het corso, het Jorum der Duitsche bakers
— aan Frau ... Wat anders-ï\'nn verteld, dat de langverwachte Lo-
velace zich verloopen had met de Lahn...
-ocr page 14-
IO                                      MILLIOENEN-STUDIEN.
Ja, ja, lieve MOSELLA:
Bes est sollicili plena timoris amor!
Eindelyk was er feest te Coblenz, en by \'t vallen van de gor-
dyn zei de oude brave voogd die de jongelui zegende: »(zich tot
het publiek keeremle)
Zoo ziet men dat trouwe liefde altyd bekroond
wordt."
-ocr page 15-
STACCATA, DE AUTEUR EN ANDERE RUÏNES.
Maar niet om de liefde-menuet te schetsen van Moezel en Ryn
— die ge trouwens op elk spoorkaartje van centraal Europa heel
choregrafisch op uw gemak kunt beschouwen — heb ik u toege-
sproken, lieve mede-ryken. Ik wil u m\'n pasverworven schatten
toonen, en tegelykertyd anderen opwekken nieetedelven in den
myn die me voor \'n paar nachten ontsloten werd.
Vóór alles eisch ik stipt onvoorwaardelyk geloof. Dit zal u te
gemakkelyker vallen, omdat m\'n verhaal \'n byzonder theolo-
gische tint heeft. Want er komt van aardmannetjes en kobolden
in, en zulke dingen zyn lichter te verteren dan onwaarheden die
voor de hand liggen. Ik zou u niet durven opdringen dat 2 x 2=^5
is, maar ietwat spokery zal uw gezond verstand niet in oproer
brengen. Althans . . .
Ik was dan te Wiesbaden, en voor \'t eerst sedert vele weken
verruimde zich myn borst. Indien niet m\'n geboorte-akte over de
-ocr page 16-
!2                                           MIU.IOENEN-STUIMEN.
vyftig jaren oud was, zou ik nog altyd in verzoeking komen te
hopen op \'n jongen dood aan romantische tering. En wie weet wat
er nog gebeurt. Maar ik vrees er voor als ik te Wiesbaden blyf,
want de lucht is hier zoo zacht dat doodgravers en bidders hun
patiënten van elders moeten ontbieden, om niet genoodzaakt te
zyn zichzelf te begraven uit armoed.
Al m\'n lezers kennen zeker de ruïne Sonnenberg. Dat is \'t over-
blyfsel van \'n slot, aan welks bouw een der vele Adolfen van Nas-
sau, die Duitsch Keizer geweest is — \'t geen en parenthese niet
veel zeggen wil — veel onderdanen-moeite besteed had. De bouw-
val bestaat uit \'n groep verspreide stukken muur, hier en daar
nog kampend met den plantengroei die sedert eeuwen \'n parle-
menterig: die loi de la, que je m\'y mette schynt te willen toepas-
sen. Op andere plekken, ja byna doorgaande, is die oppozitie op
\'t kussen gekomen, en men heeft moeite met eenige juistheid te
bepalen hoeveel heeredienst die Nassausche graaf ter zyner beschik-
king had, en hoe dik de muren moesten zyn om hem te bescher-
men tegen de al te onbescheiden liefde van z\'n onderdanen. De
brokstukken eahter die overbleven, zyn ruim voldoende om te
oordeelen over het ontbrekende.
Eén deel van \'t geheel, \'n toren, is minder geschonden dan de
rest, en dit is by veel ruïnen het geval. Misschien wel omdat mos-
plantjes, struik en boom — die yverige vernielingswerktuigen van
den Tyd — meer moeite hebben om naby, tegen, op, of in torens
vasten voet te krygen.
En — o gruwel! — alweer als by veel andere ruïnen, zyn sommige
brokken muur . . . gerestaureerd!
Dien onzin vindt men overal. Ik ken, ook in ons land, bouw-
vallen die door de vaderlyke zorg van stads- of dorpsbestuur heel
netjes bepleisterd en gewit zyn. In godsnaam! Zulke lut moeten
er ook wezen. Maar ik wenschte de natiën genoeg smaak, gevoel
en verstand toe, om hun geen eereplaats aantewyzen in \'n gemeente-
bestuur. Overal elders kunnen zy als metselaars of opperlui en
stukadoors inderdaad nuttig zyn.
Ik verklaar uitdrukkelyk, dat deze uitval tegen ruïne-bedervers
volstrekt niets te maken heeft, noch met Lahnstein, dat door een
ryken Engelschman »op spekulatie" herbouwd is, noch met den
Stolzenfels, het slot dat de vorige koning van Pruisen nrestauriren"
liet, noch met andere kastelen langs den Ryn, waarop zich konink-
lyke wansmaak oefende, noch met de afwerking van den Keulschen
Dom — \'t malste anachronisme dat men zich denken kan — neen,
ik wil niemand beleedigen.
Waarom ook, daar uitlachen voldoende is?
Nu, om te lachen is het, zoo netjes men dien Sonnenbergschen
toren •Drestaurirt" heeft. Toen ik hem voor veertien jaren \'t eerst
zag, had hy iets eerwaardigs, en het vschauderte" den tourïst by
de vrees dat die steenen trap van-binnen, en zelfs de later ten-
behoeve van bezoekers aangebrachte buitentrap, bezwyken zou
onder z\'n tred. Thans. . . geen nood meer, noch voor halsbreken
noch voor romantiek.
Mocht het den Pruisischen Staat eenmaal in den zin komen —
-ocr page 17-
STACCATA, DE AUTEUR EN ANDERE RUÏNES. 13
er is een deficit in de Bondskas, en dat zal er niet beter op wor-
den, nu Schwartzburg gratie vraagt voor z*n Statrieular-Beitrage—
dien toren rentabel te maken door \'t uitsteken van \'11 bordje:
mSblirte Zimmer zu vermiethen, dan behoeft men niet bevreesd te
zyn voor invallen. Er zyn moderne woningen in den Haag,, die ik
minder vertrouw.
Maar \'t zal veel afhangen van het meubilair en den prys, of de
zaak over \'t geheel aannemelyk is.
En die conciërge moet er uit.
Want de Pruisische Staat heeft er een conciërge in geplaatst,
sedert de annexatie van Nassau en de overname van den toren
die vroeger aan de gemeente Sonnenberg behoorde.
Die man houdt zich op in de eerste verdieping. Daar vertelt hy
u hoe oud, hoe hoog en hoe dik de muren zyn. Hy opent een
valluik, en verzekert dat daarin vroeger de gevangenen werden
bewaard. . . god-bewaar-ons voor zulke bewaringen! Hy tracht
u \'n paar zeer slecht uitgevoerde fotografien van \'t kasteel en het
dorp Sonnenberg te verkoopen, en neemt fooien aan. Kortom:
\'n komplete gids, d. w. z. \'n allerinkompleetst instrument.
Tusschen de brokstukken muur, die hier-en-daar uit den grond
steken als de laatst-overgebleven kiezen van een nog niet geheel
tandeloos besje, heeft de pachter van het omliggend terrein op
geschikte plekjes tafels en stoelen geplaatst, waar men «verfris-
ichingen" bekomen kan.
By mooi weer wordt Sonnenberg druk bezocht, en wonder is
het niet. Want behalve het genot dat de waarlyk schoone omtrek
den bezoeker aanbiedt, heerscht er in den kuil waar Keizer adolf
op grond van onnaspoorlyke vestingbouwkundige regelen, zyn ver-
sterking liet aanleggen, een kalmte die aangenaam verpoost van
de drukte der heele- halve- kwart- (of in \'t geheel geen-) monde
in \'t Wiesbader Kurhaus.
Toen ik, voor \'t eerst na veertien jaar, eenige weken geleden
de Sonnenbergsche ruïne weer bezocht, was \'t vinnig koud. Almanak
en couranten-reklame hadden verkondigd dat de Somersaison be-
gonnen was, maar de koppige Wirth die Keizer adolf na een vry
lange reeks van tusschenregeeringen was opgevolgd, dacht er anders
over. De groene tafeltjes en stoelen — waarachtig, ze waren eens
geverwd geweest — die bestemd schenen des-zomers de plekjes te
garneeren, waar \'t schoone uitzicht bezoekers lokken moet, lagen
nog op-elkaar gestapeld onder een half ingestort afdak dat zich
met moeite vastklemde aan \'t overschot van de burgtkapel, of
hier-en-daar als doode musschen met de poten omhoog, \'t Zag er
melankoliek uit. En de herberg zelf droeg overal blyken van ver-
waarloozing. \'t Is mogelyk dat de eigenaar zich voor zyn hoofd-
kwartier weinig moeite behoeft te geven, daar de zomergasten ge-
woonlijk niet daar, maar op hoogere punten van den bouwvalgroep
plaats nemen, maar dan bleek er toch dat Herr Sonnemvirtli en
de zynen weinig last hadden van schoonheidsgevoel, en geen hand
meer uitstaken dan door \'t Geschaft volstrekt gevorderd werd.
Slechts twee halfverrotte, uit ongeschaafd hout saamgestelde tafeltjes,
-ocr page 18-
14                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
met een paar ruwe vuile herbergbanken, noodigden — en niet zeer
dringend waarlyk — den bezoeker uit, plaats te nemen.
Nu, wie als ik, wat vermoeid was van de wandeling, nam \'t zoo
nauw niet. Ik ging zitten, en bestelde: \'nen Hollander
Ik wed drie tegen één dat er tusschen Schelde en Dollart een
paar millioen individuen wonen, die zich verbeelden te weten wat
n Hollander is.
Ieder heeft daarover zyn eigen denkbeelden. Ik ook. Jesuispayé
pour cela!
In den omtrek van Mainz beduidt dit woord een stuk Schwarzbrot
mit Senf und Küse,
Men betaalt daarvoor een kleinigheid, ik meen
zes of acht kreutzers, naarmate van de deftigheid der plaats waar
\'t servirt wordt. Op zeer deftige plaatsen wordt zoo\'n ding in \'t
geheel niet servirt<\'
Wanneer* men nu nagaat dat \'n andere Hollander — ik bedoel
nu een der door helmers bezongenen — by z\'n geboorte een
negatieve bezitting meebrengt, gelyk staande met een driemillioenste
aandeel in de grandiose Nederlandsche staatsschuld ... als men
voorts die zes of acht kreutzers vergelykt met den staat van onze
pensioenen — niet zonder acht te slaan op de kumulatien, die door
de betrokken gealimenteerden »allerbillykst" worden gevonden —
dan moet men erkennen dat zoo\'n Hollander van brood, mostert
en kaas onbegrypelyk goedkoop is.
En in die overtuiging at ik hem op.
Keizer ADOLF\'S opvolger, een oud man, liep heen-en-weer alsof
hy wat uitvoerde. Twee minderjarige jongelui met iets als mutsjes
op \'t hoofd, die door kleur en grootte aan roode ouwels deden
denken, wilden drie kreutzers minder betalen, dan een der dienende
meisjes voor het door hen genotene gevorderd had. Zy vloekten
en raasden. De arme meid werd bedolven onder Donnerwetlera.
— Dass is nun wirklieh zu kolossal.
De lezer wordt verzocht dit zu scherp te accentueeren, want daarin
ligt het zwaartepunt van de fraze. Cuvier rekonstrueerde een heelen
mastodont uit \'n klein vezeltje van de lichen waarmee \'t beest z\'n
laatste maal had gedaan. Een ziele-CUVlER moet, om z\'n vak te
verstaan, \'n volkomen student van Goslar of Heidelberg weten
saamtestellen uit \'n slechts eenmaal gehoord zu.
Voyons:
»Ik, Friedrich Plump, der Wissenschaften Zbgling . . .
Vertaal niet: zuigeling, asjeblieft!
... ik voedsterzoon van de alma maler in Bierstadt, ridder van
Pjeije, Kneij>e en straatschendery, ik die in m\'n eerste jaar miclt
zweimal geschlagen habe,
ik die gevreesd word door Füchse en niet
ongeacht ben bei hemoosten Hüuptern, ik die \'t heele Oommerz-
Liederbuch auswendig
ken, ik die . ..
-ocr page 19-
STACCATA, DE AUTEUR EN ANDERE RUÏXES.
•5
Volgt: al de kwalifikatien van \'t roodgeouwelde ik.
.. .ik heb veel kolossaals gezien. Sudavi et alai. ..
O god, ik word verdrietig. Kerel, als je \'t eerste woord van dien
versregel had uitgesproken, ik had je aangevlogen.
Nu, \'t komt hierop neer dat z\'n beouwelde ikheid nooit iets zóó
kolossaals had gezien als die drie kreutzers te veel. Ik wensch hem
tyd van leven om meer te zien. Er is kans op.
Het uitgescholden meisje wees verlegen op den principaal die
by \'t fragment burchtkapel — met veel moeite, want hy was
zeer oud — eenige steenen verlegde. De goeie stumpert strompel-
de den vyand te-gemoet, en scheen de donnerwetters te willen
trotseeren. Maar ter-halver-wege bedacht hy zich, en ging \'t huis
in om hulp te halen naar \'t scheen, want oogenblikkelyk daarna
vertoonde zich een vrouwspersoon die heel kordaat op de schreeu-
wen aanstapte.
Ze was mager en zag er onaanzienlyk uit. Alleen de oogen spraken
van iets beters dan \'t katoenen japonnetje waarin ze heel anspruchs-
los
gekleed was. Maar dit zag ik eerst later, toen ik haar herkende.
Want, lezer — ik houd niet van verrassingen — ik zal u maar
terstond vertellen dat ik veertien jaar geleden, toen ik nog iets
minder moê was dan nu, een gansch uur met haar op het plat
van den Sonnenberger toren had doorgebracht. En — alweer om-
dat ik niet van schryvers-taktiek houd — denk niet dat die ont-
moeting zeer interessant was. Ik had haar niet eens verleid, iets
dat ik anders by zulke gelegenheden terstond doe. Misschien had ik
kiespyn of zoo-iets, in den zomer van \'56.
Wat me in haar aantrok — ik spreek nu van myn laatst be-
zoek — was haar gang. Ook daaruit kon cuvier iets samenstellen.
Die tred zei:
»Ik heb alles gehoord wat er gesproken werd. Die twee jon-
gens ...
Buben zal ze gedacht hebben. Zoo\'n herbergkind heeft geen ver-
stand van akademische waardigheden.
... die twee Buben hebben de meid uitgescholden. Der Valer .. .
Dat lidwoord is aardig in \'t Duitsch. Er is iets gemoedelyks in.
De Italianen doen \'t ook.
. . . der Vater ist alt und fiirchtet sich. Ich nicht, ich!
Dat was \'n mooier ik dan van den rooien ouwel!
Zóó stapte ze.
Daar ik aan de groene tafel drie gulden had verloren, en dus
graag iets wou terugwinnen, al was \'t dan maar voor \'n kreutzer
of wat Cuviérisme, luisterde ik scherp toe. .
-ocr page 20-
l6                                    MILUOENEN-STUDIEN.
Langzaam maar zeer regelmatig, alsof ze haar schreden telde
om den weg te meten, naderde zy de donderende Ajaxen:
—   Meine Herren . . . Sie hahen genossen ? . . .
—   Gottsacraments Üonnerwetter . . ,
—  Sie hahen genossen ?
Kolossal! Au/ Ekre, zu kolossal, Donnerivell. . .
—  Filr \'s Witter schulden Sie r/ar nichls, junger Herr. Sie hal/en
genossen ?
—   Omelet, Schwarzlirot, Schinken, Bier, Gottsdonner. . .
—   Omelet, Schwarzhrot, Schinken, alles zweimal. Bier... drei Fla-
schen. Sie
bezahlen . . .
Zooveel! Ik weet de som niet, en niemand zal er nieuwsgierig
naar zyn. Maar wel herinner ik my de handbeweging waarmee ze
na \'t uitspreken van haren eisch, als \'t ware een punt zette op de
tafel, \'n punt dat opwoog tegen oceanen van donnerwetters: /stac-
cato !
De jongelui . . . betaalden, en durfden niet yehörig uitvloeken
voor de vrouw — of \'t meisje, dit weet ik niet — vertrokken was.
»Zu kolossaL\'" verzekerden de twee vrienden om-stryd, by\'t ver-
laten van de plek. En ze schenen elkaar op \'t woord te gelooven
met zekere berusting die ik in wysgeeren niet pryzenswaardig vind.
Zeide ik reeds dat ze mager was, en leelyk ? Nu, dat is ze. Wat
me in haar aantrok, was de eenvoudige menniste vastheid waar-
mee ze die zaak behandelde, en eerst eenige oogenblikken later
klonk me haar »Sie hahen genossen?" . . . uitgesproken als: »da;irop
komt de zaak neer, met je gevloek heb ik niet te maken" in de
ooren, als vage naklank van \'n vroeger gehoord lied. \'t Schynt
dat ze in \'56, toen we samen op den toren zaten, iets gezegd had
wat daarop leek, schoon ik me niet herinner met haar te hebben
gedonnerwettert of over kreutzers gekibbeld.
Dat ze toch my niet herkend had, was duidelyk. Misschien zou
dit wel \'t geval geweest zyn wanneer ik in zekere stemming gespro-
ken
had. Maar m\'n zwygen en \'t opkruimelen van \'n taaien Hol-
lander
kon onmogelyk gelyken op \'n half-vergeten melodie. En wie
weet ook hoevéél liederen ze op dien toren heeft moeten aanhoo-
ren, in de dagen toen ze minder leelyk was en nog smaak vond
in reizende troubadours!
Nu was ze gesel:!., dat kan ik verzekeren. Zóó gesetzt, dat ze
meer dan ooit geschikt leek voor \'t ambt van conciërge. Maar de
moralisten die \'t ergerlyk vonden dat een nogal mooi jong meisjen
oude torens laat kyken aan \'n vreemdelingen haar eerst dan daar-
toe bekwaam rekenen, als ze door Gesetztheid vaster staat op clien
uitgesleten steenen wenteltrap . . . rekenden buiten den waard
misschien, buiten hi.smakck zeker.
Buiten den waard. Dit wil ik niet onderzoeken. Ik laat onbeslist
of er verband was tusschen \'t Geschaft van den vader, de waarlyk
schoone oogen en het torenklimmen van Frdulein ... ik wil grif-
fermeerd worden als ik haar naam weet.
—..
-ocr page 21-
STACCATA, DE AUTEUR EN ANDERE RUÏNES.                    17
Buiten bismarck. Ziehier hoe die booze landweer-kurasier-gene-
raal — hy is diplomaat ook, en zelfs staatsman — den moralisten
\'n poets gespeeld heeft.
Juffrouw staccata moet, als ik wèl reken, in 1865 zoowat der-
tig jaren oud geweest zyn. Sedert tien, twaalf jaren — misschien
langer — had ze zich als cicerone van allerlei vreemdelingen be-
wogen op den smallen wenteltrap van den Sonnenberger toren.
Met angst zagen de moralisten haar gevaarlyk dalen en nog ge-
vaarlyker stygen. Want wie den weg wyst gaat vóór . . . denk
eens! Ze bespiedden eiken rimpel die wel de goedheid had zich te
vertoonen op STACCATA\'s gelaat. Ze hielden boek van de moeder-
vlekjes en sproetjes die de zedelykheid gaande-weg zouden te-hulp
komen. »Nog één halfjaar" riepen ze, en \'t levenssaizoen der starre
vroomheid is aangebroken! Weldra zullen we zonder rilling den
jeugdigen tourist op \'t plat van den toren zien, op de derde ver-
dieping, op de tweede, ja, in den kelder als \'t wezen moet! Nog
één bevalligheid afgedankt, en staccata is.de onze. Dan zal ze ...
En de moralisten berekenden dat er vroom hout zou te snyden
zyn uit het gewas van STACCATA\'s welig opschietende leelykheid.
Ik geloof dat ze \'r al aan dachten \'n behoorlyk seminarium opte-
zetten in \'t gewelf waar Keizer adoi.f z\'n onderdanen beschermde
tegen guur weer.
Maar zie, juist toen de grap beginnen zou, komt die bismarck
met z\'n annexatien. Koning george ... weg! Keurvorst van Hessen...
weg! Frankfort... weg! — Och, dat arme Frankfort! Juist had het
met veel ophef z\'n jubelfeest van fimfzic/jahrige Wiederherstellung
als freie Deutsche Reichstadt"
gevierd! — En eindeijk, Hertog adolf
van Nassau .. . weg!
De Pruisen namen \'t land. Ze namen de hertogelyke lusthoven,
kastelen, tuinen, oranjerien. Ze namen \'alles.
Ook sloegen ze hier en daar wat stuk. Zie den nu ledigen en
verwaarloosden botanischen-tuin, en de beelden op de tinnen van
\'t slot, te Biberich.
Die Pruisen namen ook Sonnenberg, dorp en bouwval beide.
De grond nu, waarop die ruïne staat, schynt te hebben behoord
aan de gemeente die dan ook waarschynlyk de pachtgelden ont-
ving van den Sonnenwirth.
Maar wie wat bezit moet het onderhouden, en die toren, de pièce
de résislance
van \'t menu, gedroeg zich slecht. Hy permitteerde zich
er slordig uittezien. Ik voor my beweer dat de Sonnenberger
gemeenteraad ongelyk had hem dit kwalyk te nemen, en durfden
eerzamen burgemeester vragen, welk figuur hy maken zou, als men
hem zeshonderd jaar in wind en regen had laten staan ?
Hoe dit zy, de Pruisische Staat kocht den toren. En ik — oud-
adjunktkommies by \'n cour des comptes — ik ben nog altyd zeer
nieuwsgierig te weten op welk hoofd der begrooting die enorme
zysprong op \'t gebied der financiën geaffekteerd is.
«Aankoop, herstel, bewaring, van vaderlandsche monumenten?"
Eilieve, vaderlandsch ? De gekroonde voorgangers van staccata\'s
papa waren Nassauers, en \'t woord: Pruisen (borussia) was, meen
ik, nog niet anders bekend dan als byklank van Rus, Brus, (boreas)
millioenen-studien.                                                         2
-ocr page 22-
18
MILLIOENEN-STUDIEN.
iets heel onkristelyks in \'t Noorden, waaraan men eigenlyk geen
behoorlyken naam wist te geven.
«Aankoop?" Goed. «Bewaring ?" Goed. Dit weten wy, wat eenmaal
door Pruisen genomen is of gekocht, dat wordt inderdaad bewaard.
Maar... «herstel ?"
Precies! Nu komen we op de stukadoors-epizode. En dat zou de
moralisten niet gehinderd hebben. Maar de in 1866 volrype stac-
CATA werd, juist op \'t oogenblik dat zy een boekerigen indruk be-
gon te voelen en meetedeelen, vervangen door \'n gewezen Pruisi-
schen onderofficier die »;u cïviler Besorgung berechtigt war."
Zie nu eens, lieve lezer — ik hoop dat ge lezen kunt... er zyn
lezers die \'t niet kunnen — zie nu, hoe ik op echthoratiaansche
manier het nuttige met het aangename verbind. Ik geef u daar,
zonder prysverhooging van dit feuilleton, zoo maar pratende entrr
la poire et Ie fromage
de oplossing van de annexatie-politiek. De
heele bereddering van \'66 had geen ander doel dan Pruisische
onderofficieren aan \'n baantje te helpen. Men jaagt \'n Koning of
Hertog weg, men neemt z\'n land, men koopt de oude torens, laat
ze pleisteren en witten, zet er \'n verloopen serjant in, et Ie tour
ett fait.
Ik ga terstond \'n brief aan bi.smarck schryven om hem
te vertellen dat de abdy te Wyk by Duurstede netjes gewit is —
«door \'n ringetje te halen" zeggen de bakers — en gereed om \'n
afgedankten Feldwebel met gele knevels, witte wenkbrauwen en
halftoegeknepen varkensoogen — zie zekere Germaansche vorsten-
portretten — ordentelyk te logeeren. Te Hrederode zal wel plaats
wezen voor \'n korporaal. Doch daar zit nog hier en daar mos tus-
schen de voegen ... weg met die vuiligheid !
I
-ocr page 23-
BERGPOËZIE.
Marryat vertelt ergens dat \'n jong zeemannetje misselyk werd
toen hy voor \'t eerst aan wal stapte. De knaap was aan-boord
ter-wereld gekomen, en zóó gewoon geraakt aan wiegelen, hobbelen,
horten, stooten en geschommel, dat de onbewegelyke bodem van
het land hem z\'n evenwicht deed verliezen. Toen ik die historie
las — \'t is lang geleden, want ik lees niet meer sedert men my,
wreed genoeg, heeft gedwongen iets als schryver te zyn — hield
ik haar voor\'n auteursverzinsel. Later zag ik in, ongelyk te hebben,
of liever ik begreep de mogelykheid daarvan, nadat ik albatrossen
en kaapsche duiven, die bevallige reuzevlinders van de zee, onpasse-
lyk had zien worden, zoodra ze waren aangeland op \'t dek van
\'n schip, iets als vasten grond voor wezens die gewoon zyn in
den orkaan te zwieren en uitterusten op de kruin der golven.
Iets dergelyks nu valt optemerken by hen die, in \'n vlak land
geboren, voor \'t eerst in bergstreken komen. Of ook, omgekeerd,
-ocr page 24-
20                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
een Zwitser zeeziek wordt, als men hem onverwachts overplaatst
in \'n Hollandsche wei, weet ik niet.
En misschien is \'t niet altyd zeeziekte die den Lowlander be-
vangt, by \'t stygen en dalen in \'t hoogland. Geheel juist beschryven
kan ik den indruk niet, vooral daar die veelal afhangt van voor-
beschikking tot mooivinden of tot het tegendeel, maar zeker is er
iets eigenaardigs in. Schryvers en verzenmakers, jazelfs dichters
en wetgevers hebben vaak gespeculeerd op «boven de zee"-hoog-
te, en dat neem ik kwalyk.
Wel schreef ikzelf eens in \'n bui van vers-knoeien...
Ik stel namelyk die liefhebbery niet hooger dan \'t wroeten in
de rebus van \'n illustratie, en dergelyke kinderachtigheden.
... ikzelf rymde eens op my, zy, ry of \'n andere y :
Men is zyn God op bergen meer naby . ..
Maar men bedenke dat ik jong was, en niet speculeerde met zul-
ke frazen. \'t Kwam maar zoo in \'t rym te-pas, zooals miester
Jochem tot Kamacho zei.
Velen echter slaan gemoedsmunt uit zulk voos metaal, en dat
ergert me. Zelfs de groote MOZES maakte zich schuldig aan valsche
bergpoèzie, en \'t is hèm vooral euvel te duiden omdat hy overi-
gens zooveel blyken geeft van gezonden praktischen zin. Hy zou
dan ook die banale fout vermeden hebben wanneer niet dat rond-
slenteren in de vlakte der woestyn, z\'n volkje had voorbeschikt
tot mooivinden van hoogten. Als er Pyreneën hadden gelegen
tusschen Egypte en \'t beloofde land, zou »de Heer" van MOZES
zich waarschynlyk in de Landes vertoond hebben. Er zyn er die
zulke kunstjes wèl praktisch vinden. Ik niet.
Ik heb dien horeb gezien, en \'t ding maakte me verdrietig.
Die kale, ruwe, naakte, domme bergtop — hy had nooit iets ge-
voeld ! — vertoonde niets dat aan Almacht deed denken. Bombarie
van donder en bliksem... nu ja, kinderen zyn bang voor rumoer.
Ik zweer by de groote FANCY-dvdyxy dat er in myn gemoed
heel andere bergtoppen uitsteken, waar \'n Almacht zich gevoege-
lyk zou kunnen openbaren...
Maar dit is nu eigenlyk geen lektuur voor millionairs of wie
\'t worden willen.
Dus nu iets anders, en wel over straatmakers. Vraag eens aan een
van die heeren of ze niet, zoodra zy \'n hoop zand hebben uitge-
stort dat dienen moet om \'t opgebroken plaveisel te verhoogen,
terstond last hebben van de straatjeugd ? Zeker! Alle kinderen uit
de buurt — tenzy na alcibiades te fatsoenlyk om pret te hebben
op den publieken weg — zullen oogenblikkelyk die kleine verhe-
venheid tot speelplaats kiezen. Er op, er af, er in, er door, er
onder als \'t wezen moet, maar er by altoos! Rollen, buitelen...
zand in \'t haar, zand in de schoenen, zand in \'t oog. .. vechten,
trekken, duwen, stoeien, juichen, huilen, schreeuwen, gillen: alles
is pret, tot het zéérdoen toe.
-ocr page 25-
BERGPOËZIE.                                                   21
En — voor \'t geval dat uw al te star liberalismus de getuigenis
wraakt van \'t retrogressistisch-kruipend gild der straatmakers —
vraag \'t eens aan de Haarlemmer duinen, aan Kraantjelek of den
Brouwerskolk. Bespied daar, liefst op \'n Zondag, de Amsterdam-
mers die \'t geluk hebben zich maar eenmaal\'s jaars te vermaken —
wie altyd pleizier kan hebben, heeft het nooit — en zeg my of er
niet in die zucht om te klauteren iets ligt dat naar \'n verheven
excelsior heenwyst?
Misschien zegt ge ja, maar ik geloof er niets van.
Primo is \'t de vraag of \'t stygen niet slechts de vry noodzake-
lyke voorbereiding is tot het nog aanlokkelyker afrollen ? Men kan
toch van \'n Amsterdammer niet vergen dat hy op \'n Haarlemmer
duin geboren zy, en dat z\'n éérste beweging die van de kwik by
slecht weer wezen zou. Wie in de laagte ter-wereld komt, moet
ryzen voor hy zich de weelde van dalen kan veroorloven. Daarom
zeker gaan velen in hun jeugd het land uit als ik, en komen \'n
dertig jaar later terug om feuilletons te schryven voor y>Het
Noorden.\'\'
Ten tweede: welke diepliggende beteekenis kan er verscholen
liggen achter \'n hebbelykheid welke we deelen met klipgeiten en
met sommige insekten die tegen den wand kruipende, of geplaatst
op \'n vertikaal gehouden voorwerp, liever klimmen dan dalen?
— Krummacher\'s Parabelen of LAMARTINE, vanodaag? vroeg
my, in 1833, abraham des amorie van der hoeven de jonge,
toen ik eenige zomervakantie-dagen doorbracht ten huize zyner
ouders op Duinlust.
Na \'t ontbyt namelyk beklommen wy gewoonlyk den Blinkert,
het grootste reusje der Overveensche zandheuvels. En daar lazen
we. Daar . . .
Ze moet er uit, de waarheid, al klinkt ze bar:
Daar logen we.
En al loog Abraham niet, hy die oprecht was, zelfs jegens zich-
zelf, ik loog.
En ook zyn indruk was valsch, al wist hy \'t niet. Ik loog en ik
wist het. Med culpd, meci maximA culpd, o fancy!
Er was opdringery in dat voorgewend mooivinden van KRUM-
MACHER\'S mystiek gedroom, en de ziekelyke klinkklank van LA-
MARTINE.
Wat begrypt \'n jongen van 12, 13 jaar — zoo oud waren we —
van:
Ainsi toujours pouasés vers de nouveaux rivages,
Dans la nuit éternelle emportés sans retour,
Ne pourrons nous jamais sur V Océan des dges . . .
Verbeeldje, onze oceaan van dges! En dan dat ankerwerpen:
Jeter l\'ancre un seul jour?
Bovendien, ik wist niet juist wat \'n lac was. Wel had ik op
school geleerd te antwoorden: »een meer? un lac," maar later
-ocr page 26-
22                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
was ik — misschien verleid door den scheepsterm meeren — vast-
leggen — in den war geraakt met laquaeus, en daardoor in de
vaste verbeelding dat onze verzenmaker zoo verdrietig was omdat
men hem \'n strik gespannen had. Misschien is er by dat fameuze
loc dan ook wel zoo-iets gebeurd.
Ik loog, ja! Maar die lamartine ook. Lees zyn levensgeschie-
denis, en oordeel of hy zulk \'n lac in z\'n gemoed had, toen hy z\'n
publiek dat ding voorweende? Melancolie de métier, anders niet.
Er was vraag naar die waar, en de laffe kunstenmaker leverde wat
gevraagd werd. Bah.
Ik loog, ja! Want hoe gepast verrukt ook over de schoone ver-
zen, gluurde ik met begeerigen blik schuins-uit naar de helling van
den Blinkert die met z\'n 450 zoo verleidelyk noodigde tot afrollen.
En we rolden er nu-en-dan af, dat is waar. Maar . . . met mate,
en niet te-kort vóór of na Vader krummacher, om onze ouwe-
mannetjes-stichting niet te bederven.
Nogeens, hy, abraham, was oprecht. Hy meende ter-goeder-
trouw dat er voedsel zat in \'t schuim waaraan we lekten. Maar
ik wist beter, en durfde \'t niet zeggen, noch aan hem, noch aan
mezelf. Ik vreesde te zeer dat het aan m\'n maag haperde, en
schaamde my over de gezondheid die ik, al te zedig, voor ziekte
hield.
Hy wist reeds in die dagen, met meer dan verdedigbare zeker-
heid, alles wat sedert eeuwen ondoorgrondelyk bleef, en steeds
blyven zal, voor eerlyke nuchtere wysheidzoekers van zesmaal zyn
ouderdom. En wetende is hy gestorven vóór de tyd aanbrak waar-
in hy misschien zou geraakt zyn tot de overtuiging dat z\'n eerste
weten ydel was. Den stryd, eerst tegen twyfel, later ten-gevolge
van twyfel, heeft hy nooit gestreden.
Hy geloofde, en stierf slechts.
Ik bleef leven om te kampen.
Als de meesten vond hy by z\'n overgang van wieg tot kinder-
kamer, alle waarheden pasklaar op \'n stapeltje byeengelegd, en
hy heeft het daarmee uitgehouden tot z\'n einde toe. Ook hy maak-
te verzen, en schoone, als hy wilde. Een staal? Ziehier, en proef
er uit hoe de Krummachersche zekerwetery daarin voorheerscht.
Maar zie er ook z\'n hartelykheid in, schoon ik erken dat verzen
weinig waarde hebben op dit stuk. Ik zou dan ook op z\'n vriend-
schap weinig staat hebben gemaakt, als ze zich nooit anders dan
in rym geopenbaard had. Ze was innig.
Neem van myn vriendenhand deez\' onbesmette bladen . . .
Die regels stonden namelyk in \'n album dat hy my ten-geschenke
gaf.
En neem op nieuw myn vriendenhart er by;
Houd van der zonden smet het pad uivs levens vry,
En wandel op bebloemde paden.
Neen, neen, \'t zyn hier op aard niet enkel schoone dagen!
Soms waaien buien, woest en wild .
. .
-ocr page 27-
BERGPOËZIE.                                                   23
Daar wist de beste lieve edele jongen niets van. Maar wa;ir is
het!
Doch ligter is de last dien men te tarnen tilt.
En \'t wigt dat trouve vrienden met ons dragen.
Deel met my vreugde en leed, naar God ons die zal geven,
Maar wat zyn Vaderhand ons ook op aard bereid,
0, deelen we eens liy hem der Hi-emlen zaligheid.
Die dag licht zonder eind, kort is de nacht van \'t leven.
Het herdenken maakt my te weemoedig voor kommentaar. Wat
de »smet der zonde" aangaat . . . met al m\'n genie ben ik een
goed mensch geworden. Vraag er m\'n vrouw en kinderen naar,
en onze meid. Heel veel ergers dan dat vrome liegen over dien \'
vervelenden krummacher heb ik nooit uitgericht.
En vaak deed ik betere dingen dan \'t afbuitelen van de Over-
veensche duinen. Maar \'t is me altyd kwalyk genomen.
»Buien ? Woeste buien ?" Beste ABRAHAM, ge waart profeet toen
ge die woorden neerschreeft op \'t eerste «onbesmette blad" van
dat album.
»Buien?" Stormen waren het. Stormen zyn het nog. Sedert jaren
giert my de orkaan om de ooren. Sedert jaren zoek ik vruchteloos
naar haven en ree, en toch, toch ben ik niet yverzuchtig op den
spoed en \'t gemak van uwe reis. Luclor et entert/o. Emergo! Dat
is ook iets, niet waar, al zie dan ook \'t al te ruw heen-en-weer
geslingerd hulkjen er wat haveloos uit, en minder net dan welva-
rende ruïnes . . . dan die te Wyk by Duurstede byvoorbeeld. Zoo-
dra BISMARCK my annexeert, zal hy me zeker laten opknappen *)
en dan, lieve welmeenende ziekelyke-verzenmaker, voteer ik u \'n
bedevaart naar den Bunkert. Maar stoeien in \'t zand doe ik niet
meer, en ook verkies ik geen Pruisische onderofficieren te logee-
ren. Daarby blyf ik sedert het slot van m\'n nEen en ander over
Pruisen en Nederland"
q. v.
Wat overigens die stormen aangaat, ik vrees te vomeeren als
\'n Kaapsche duif, zoodra ik eindelyk eens zal neergestreken zyn
op vasten grond.
*) Opknappen. Namelyk my, ruïne. De zetter van uHet Noorden"
wilde me hier door bismahck doen opknoopen. Uit is wel niet zeer zacht-
moedig, maar wreeder nog noem ik de redaktie van dsit blad, die, na
de korrektie op zich te hebben genomen, met zulke verminking van
den zin myner woorden genoegen nam Ook op andere plaatsen zyn de
drukfouten ergerlyk. Tinnen van.\'n kasteel zag ik veranderd in «Juinen."
Ik «koesterde" waar ik gehoest had. Elders werd \'n geheele regel uit-
gelaten, enz
Aan zulke mishandeling is de Nederland>che publicist overgeleverd.
Ik verwys daaromtrent naar de noot op blz. 109 van m\'n dui/.end-kn-
EENIGE HOOFDSTUKKEN OVER SPECIALITEITEN.
-ocr page 28-
24                                          MILLIOENEN-STUDIEN.
Dat stygen en dalen van den bodem in bergstreken heeft \'n
zeer eigenaardigen invloed op de methode volgens welke de bewo-
ners u den weg wyzen, en dit is zelfs het geval op plekken waar
niet de minste helling te bespeuren is.
»Gehen Sie nur die Strasae hinauf . , .
»Erst links, und dann grad hinunter. . .
Aan zoo\'n au f en unter heeft men niet veel. In steden die — al
zy \'t dan op vlak terrein — langs \'n rivier gebouwd zyn, beduiden
die woorden: stroom-op, stroom-af (211 Berg, zu Thai, antont,aval,
\'t maleische ka-oedik en ka-ilier) maar wie nu niet weet of hy de
rivier rechts of links van zich heeft, kan ook niet bepalen waar ze
heenloopt, en blyft dus na zulke terechtwyzing zoo dom als hy
was. Het stadsbestuur te Keulen heeft dit bezwaar uit den weg ge-
ruimd. De kleur der naambordjes in de hoofdstraten van die stad,
duidt de loodrechte of evenwydige verhouding tot de rivier aan,
en zekere pyltjes die den loop van den stroom aanwyzen, stellen
den Hollander in de gelegenheid te weten welke richting hy te
kiezen hebbe, indien hem de min loffelyke maar soms verklaarbare
lust mocht bekruipen, z\'n vaderland den rug toetekeeren. Dit is
inderdaad \'n groot gemak, vooral omdat de onoverdekte Keulsche
straatgoten \'n koppig waterpas in acht nemen, dat — als in de
politiek — \'n zeer onwelriekenden stilstand ten-gevolge heeft.
Dit moet men erkennen, de oude Sonnenwirth had pyltjes noch
vlietend riool noodig, om my begrypelyk te maken waar ik wezen
moest toen ik hem vroeg of nog altyd de toren te bezien was?
—   Gewiss.\' Gehen Sie nur hinauf, und . . . hé, da oben . . . e«
kommt jemand . . . bleiben Sie da! schreeuwde hy. En tegen my:
Sonst geht er fort, wissen Sie.
—  Met wien spreek je, Alterf vroeg ik nogal verwonderd, want
hy scheen \'t woord te richten tot \'n paar musschen die tjilpend
op \'n brok muur zaten uittekyken naar \'n geschikt woninkje tegen
l° Mei.
—  Mit dem Pórtjeh, sonsl ijeht er fort. Dort oben steht er... da!
Langs de musschen, door de nog kale takken van \'t geboomte
heenziende, ontwaarde ik inderdaad m\'n welbekenden toren, ol
althans iets er van. Myn volslagen gebrek aan lokaal-geheugen was
oorzaak dat ik hem niet daar gezocht had. Ook kwam hy ine minder
hoog voor dan vroeger. Dit is trouwens, als men wat ouder wordt,
met veel dingen \'t geval.
En tevens zag ik iets als tegen den toren aangeplakt, dat zeer
goed kon doorgaan voor een zu civiler Versorgung berechtigte per-
soonlykheid. De Bismarcksche beschermeling stond op het bordes
van den yzeren trap, die door de vaderlyke zorg der regeëring in
den buitenmuur was geklonken om den bezoeker toegang te ver-
-ocr page 29-
BEROPOËZIE.                                                   25
leenen tot de eerste verdieping. Daar aangekomen, kon de wel-
kome vreemdeling \'n handje helpen aan \'t cioil versorgen, door
het zesmaal te duur betalen van de gevlekte lichtprentjes waarop
iets van Sonnenberg te zien is. Ook kan men daar \'t portret koopen
van Keizer adoi.f. Het is sprekend gelykend. Dit ben ik naderhand
tot m\'n groote voldoening de viau te weten gekomen. Toen ik het
origineel voor \'t eerst zag. . . maar we zyn nog zoover niet.
Ik heb het woord portier wat vreemd gespeld, om \'t by bena-
dering m\'n Aller natedoen, die zooals z\'n meeste landski! scheen
te protesteeren tegen \'t gewicht der laatste sylbe van \'n Fransch
bastertwoord. Nu, \'t is hun niet kwalyk te nemen. Vooral niet als
we letten op de moeite die wy hebben om veel Duitsche woorden
behoorlyk te accentuceren, byv. die met un privans beginnen. Laat
\'n Hollander overluid het opschrift lezen van de bordjes die in
een afgelegen hoekje straf bedreigen tegen morsigheid, ik verwed
drie tegen één dat by zeggen zal: verun-rei-nigt, enz.
Zonderling is \'t, dat we van \'n vreemde taal — als we \'t zoover
brengen — zelden meer leeren dan de beteekenis der woorden.
Sommigen verheffen zich tot de kennis der frazen. Weinigen drin-
gen door tot de idiotismen. Byna niemand wordt meester van den
toon, den deun, de melodie. Geen Hollandsch meisje zal op echt
duitsche wyze: aber Philippiiiihne! leeren zeggen tot het vriendin-
netje dat haar \'n klosje garen afsnoepte, of \'n minnaar, en ook
\'t: o, du absclieulicher Mensch! in den mond van \'n Duitsche dame
is onnazeggelyk .. . naar men beweert. Zelf gehoord heb ik dien
uitroep niet.
Pórtjee dus, of Pórtjeh.
—  Ein Pórtjeh, Alter\':\' Wie sleht es denn damit*? Das war doch
früher nicht der Fall. Damals .. .
Ik beken dat ik aan STACCATA dacht, en aan uitgesleten wen-
teltrappen.
—   Früher f Ja, damals . ..
Hier volgde \'t relaas van de Pruisische overwinningen, en de
civile Versorgung.
In-godsnaam, dacht ik, m\'n toren moet ik weerzien, al stuitte
my dan ook \'t meeversorgen tegen de borst.
Of STACCATA ook versorgt was? En civilf
Daarnaar vroeg ik niet, schoon \'t me wel interesseerde, maar
ik was bevreesd te hooren dat ze nog altyd niet geannexeerd was,
of... al te dikwyls.
Ik betaalde m\'n Hollander, en kroop uit den kuil waarin de
Wirthschaft ligt, om den anderen kuil te bereiken waarin de toren
staat, die den omtrek niet beheerscht van den grooten kuil waar-
in Keizer adolf z\'n versterking heeft aangelegd, \'t Is \'n kuilige
historie. De horizontaal gerichte blikken van den beschouwer die
op het plat van den toren staat, stuiten op \'n kring van heuvels
-ocr page 30-
26
MILUOENEN-STUDJEN.
die, boven zyn standpunt uitstekende, hem byna zouden doen ge-
looven dat hy in \'n put zit. Eerst na \'t heenzien over de — alweer
netjes gerepareerde — tinnen, wordt hy teruggebracht tot de vroe-
gere meening dat hy inderdaad \'n toren heeft beklommen.
—   Gruss-gott, Herr Ritter, Casle\'lan von and zu Sonnenberg!
Met deze woorden stapte ik van \'t bordes in de lenden van den
toren. Ik wou den pórtjeh doen voelen dat ik wist hoe \'t hoort,
en meer met ridders en burchten had omgegaan. Misschien ook
lag er in m\'n ouwerwetschen groet wat spot met de nieuwe kalk.
Gedeerd heeft het den pórtjeh niet. Even gezond als voor m\'n
groet, vertelde hy my in welk jaar z\'n verheven put gebouwd was,
hoeveel verdiepingen er in waren, en dat hy fotografien te-koop
had . . .
—   Und hier, zeide hy \'n valluik openende, hier war das Gefüng-
niss . . .
Ik staarde er in, maar zag niets, \'t Was barbaars donker in dat
gat. Met belangstelling vroeg ik of daar beneden wel alles gewit
was?
—   Ganz neu reparirt . . . ganz neu ! Reparirt und restaurirt,
alles !
—   Und gehörig angestrichen?
— Freilich!
Hy zal me voor \'n metselaars-leerjongen hebben aangezien, die
op z\'n beroep reisde.
—  Ah so, zei ik als voldaan. Und diese Bildchenf
—   Der Preis ist nach Belieben, hernam de man, waaruit ik op-
maakte dat hy myn middelen ■— en, vooral na m\'n vreugd over
\'t witten, myn mildheid — hooger taxeerde dan z\'n eigen onbe-
schaamdheid. Nach Belieben! Und dieses Pórtreh . . .
Ik betaalde schappelyk voor de voddige prentjes, en bedankte
voor \'t portret. Maar ik keek dien adolf goed aan, om hem te
herkennen als ik hem eens weer mocht ontmoeten . . . gelyk te
verwachten was. Want ik voorzag dat ik weldra behoefte hebben
zou aan wat genezing van myn Pórtjeh en z\'n Pruisisch witsel.
-ocr page 31-
ONDER DEN GROND.
Was \'t Sir joshua reynolds of \'n ander, die by \'t bezoeken
van den Tower, geen enkel voorwerp of lokaal zoo belangwekkend
vond als die ééne geslotene deur, waarachter iets geheimzinnigs
verborgen scheen, of. . . niets?
Niets! O, onbegrensd veld voor de fantazie van den kunstenaar!
Elke denkbare ruimte heeft voor ons arme kleine domme men-
schen, een grens, omdat we niet geleerd hebben ruimte anders dan
door grenzen te bepalen.
Het niets is, zelfs voor ons begrip, oneindig. In de leegte van
\'t niet-zyn vindt de luim van den artist plaats om rond te galop-
peeren naar hartelust.
Hèm de taak, hem de roeping, hèm de wellust die ylheid te
bevolken met de kinderen van zyn Verbeelding, van zyn Genie!
De eindelooze woesteny van \'t onbekende is het domein, het
-ocr page 32-
28
MILUOENEN-STUDIEN.
wettig veroverd koninkryk van den dichter, die \'t onzienbare aan-
schouwt, het ontastbare waarneemt, het zwygen verstaat.
En REYNOl.ns vulde, scheppend op z\'n doek, de ruimte die achter
de ongeopende deur was of wezen kon, met de schimmen der afge-
storven koningen van Engeland.
Het doet er niet toe dat hy zich bedroog. Het doet er niet toe
of wellicht die deur \'t hok afsloot, waar \'n vorige conciërge afge-
dankte prullen bewaarde. De ernstige, fluisterende, bleeke, zwevende
gestalten die REYNOLDS te voorschyn riep op z\'n paneel, waren
geschapen door hem, bestonden door hem, behoorden hèm . . . hèm,
den schepper uit niets, den bevolker van de ongeziene ruimte.
Ik beken dat ik aan dit alles niet dacht toen ik, na eenige
minuten op het plat getoefd te hebben, my gereed maakte den
toren te verlaten. Maar juist toen ik, weergekeerd op de eerste
verdieping, m\'n voet wilde zetten op \'t aangeplakt bordes, riep
FANCY my terug. Ze ligtte het valluik op — handiger dan de
pórtjeh, voorzeker! — wees met de eene hand naar de donkere
diepte, greep met de andere my fors aan, en smeet me er in.
In die diepte, o belangstellende lezer, maakte ik \'n aanvang met
de MILLIOENEN-STUDIEN, waarvan ik u de rezultaten wil mededeelen.
Gelyk \'n sneltrein, die de tusschenstations met voorname min-
achting voorbystoomt, hield ik me niet op aan den bodem van de
put. Indien daar misschien deze of gene heeft zitten wachten op
reisgelegenheid, zal hy zich hebben moeten vergenoegen met \'n
later trein. Ik viel dóór tot diep onder den grond, en kwam niet
tot rust voor ik me in een vry ruim lokaal bevond, waar \'n menigte
kleine mannetjes byeen was, die ik allen terstond herkende. Ik
had hen namelyk in \'34 of \'35 in de Amstelstraat te Amsterdam
gezien, toen ik in de toenmalige »duitsche komedie" voor \'t eerst
\'n opera-voor stelling by woonde: hans HEILING!
Ja, zy waren het, die lieve goedaardige hulpvaardige kabouter-
mannetjes, kobolden en gnomen. Ze waren allen in \'t grys gekleed,
en droegen brandende smeerkaarsen op \'t hoofd, zeker om in \'t
donker elkaar niet omver te loopen.
—  Een gast, een gast! riepen zy. Spoedig, zegt het den Meester.
De Meester werd ylings geroepen, en waarachtig hy was het...
ADOLF!
In z\'n kleeding zou hy niet van de anderen te onderscheiden
zyn geweest, maar by \'t schynsel van de smeerkaarsen zyner hof-
houding, herkende ik duidelyk \'t versmaad portret van zoo-even.
—   Wel, dat doet me pleizier, riep de goede man. Hoe kom
je hier?
—  Fancy smeet me ...
—   Nu, daaraan heeft ze wel gedaan. Hoe meer gasten hoe
liever. Sedert langen tyd zond ze ons niemand. Hoe heette ook
de laatste dien zy ons toewierp, kindertjes?
-ocr page 33-
ONDER DEN GROND.                                            2g
—  Heine, Meester. Heinrich heine!
—  Juist. Dat is \'n jaar of twintig geleden, \'t Was \'n zonderling
wezen. Hy schreide lachend, en z\'n vroolykheid stemde ons treurig.
Jammer dat hy verzen maakte. Overigens was de man zoo dom
niet. Maar nu iets anders. Waarmee kan ik je dienen? Een scho-
teltje kwartz ? Een slaatje van yzer ? Gestoofde salpeter ? Spreek-op
en doe of je thuis waart. Glimmerschiefer?
—  Majesteit...
—  Och, zoo heet ik hier niet. M\'n naam is adolf, of... Mees-
ter, als je dat liever zegt, maar ik ben dit niet altyd, want die
dingen gaan in de onderwereld by periodieke elektie. Vroeger
heerschte hier \'n soort van erfopvolging, maar ze is afgeschaft
sedert men ontdekte dat sommige voorzitters van onze republiek
zich schuldig maakten aan \'t voortbrengen van onbekwame zoons
en liederlyke kleinkinderen. Is dat daarboven ook zoo?
—   Neen, Meester, juist andersom. Daar hebben de knapste
kinderen onbekwame ouders en liederlyke grootpapaas. Door voort-
durende erfopvolging worden de geslachten der voorzittende mees-
ters hoe langer hoe bruikbaarder, vooral daar ze zich nooit ver-
mengen met familien wier leden niet voorzaten in de republiek.
De rasverbetering gaat alzoo ongestoord haar gang.
—  Potztauaend! Daarvan heeft die heine me niets gezegd. Maar
neem plaats, en zeg me wat je gebruiken wilt? Houdje van ge-
roosterde stalaktiten met \'n sausje van druipwater? Wilje kalk?
Ze is versch ...
—  Bewaar me! riep ik. Ik had m\'n bekomst van versche kalk !
Meester \'t is me niet om eten of drinken te doen. Bovendien, ik
heb zoo-even \'n Hollander gebruikt...
—   Ieder z\'n smaak! Maar wat is dan eigenlyk de reden van
je komst?
—  Meester, ik wilde gaarne iets leeren, en daar uw gnomen.. .
—  Ah zoo ... je wilt gnoosis ! Nu, daarmee kunnen we je dienen,
\'t Is juist van avend zitting onzer akademie. En van welke soort
is de kennis die je hier woudt komen opdelven in de diepte?
—  Meester, er zyn daarboven veel zaken niet zooals ze moesten
wezen. Wat ik u zoo-even zeide over de voortreffelykheid der voor-
zittende meesters...
—  Dat weet ik al. Heine leerde ons spot verstaan.
— Des te beter. Maar nu zal ik niet spotten. Daarboven is niet
alles zoo goed als het, met eerlyke gebruikmaking van de onver-
anderlyke wetten der lieve Natuur, wezen kon. De goedige aarde
levert voedsel genoeg, en toch wordt er gebrek geleden door de
mensheid...
—  Ik zal ze wat yzer zenden.
—   Om \'s hemels wil, doe dat niet, Meester! Ze eten het niet,
en maken er ballen van om elkaar dood te gooien.
—  Wat salpeter?
—    Nog erger! Ook dat eten ze niet, en gebruiken het om die
ballen voortteblazen. Neen, hoor me geduldig aan...
Dit beloofde my de Meester.
-ocr page 34-
MILLIOENEN-STUDIEN.
Hy wenkte me plaats te nemen op \'n steenen bankjen in een
uit den wand gehouwen nis.
—  Er zou voedsel in overvloed zyn, ging ik voort, en toch heb-
ben velen niet het noodige. Er is daarboven kennis genoeg te
samelen, en toch kwynt \'n zeer groot deel der mensheid weg in
walgelyke onwetendheid. Er is daar stof genoeg voor algemeene
vreugd, voor genot, voor geluk... en toch, Meester, toch blyven
jammer en leed hoofdtoon in de geschiedenis van dat arme
mensdom!
Meester, ik heb vyftig jaren op die aarde rondgedoold, en zelf
veel geleden, maar sedert ik de gaaf ontving m\'n voelen tot den-
ken te maken, en verstand te scheppen uit de bron van het hart.
sedert dien tyd was me niets zoo bitter als \'t aanschouwen van de
algemeene ellende die voortdurend de plaats inneemt van mogelyk
algemeen geluk.
En steeds kwam daarby de gedachte in my op: o, als ik te be-
velen had ... si j\'élais roi!
Ik zocht macht om goed te doen.
Maar, Meester, die macht bleef uit, vooral nadat ik, herhaalde-
lyk getracht hebbende goed te doen zónder haar, hoe langer hoe
machteloozer werd gemaakt door de velen die, die.. .
—  Belang hebben by \'t kwade?
—  Meester, gy hebt het gezegd! Ik streefde dus naar macht, en
doe dit nog ... op den nanoen van m\'n levensdag. Is het te laat ?
Om te slagen ... misschien. Om te pogen ... neen!
—   En langs welken weg heb je getracht dat doel te bereiken!
Ik wed om al wat je wilt, mannetje, dat je begonnen bent met
kasteelen te bouwen op \'n hoogte... in de lucht misschien ?
—   Neen, Meester, ik bouwde geen kasteelen... zelfs niet in \'n
kuil, zooals uw Sonnenberg.
—  Hm, ik verzeker je dat dit in myn tyd de nieuwste manier was,
haute nouveauté uit... Ambarawa. *) Die generaal VAN der wyck
was \'n groot man.
—  Meester, ge hebt het alweer gezegd. Maar ik ben treurig, en
wenschte u ernstig te zien. Ge vraagt naar de middelen die ik aan-
wendde om te geraken tot de macht die geluk geven zou? Lyfei-
genen die torens voor me bouwden, had ik niet. Ik erfde geen
koninkryk, geen prinsdom, geen titel. Meester, ik moest de tering
naar de nering zetten, en.. . ik bezat slechts myzelf.
—  Als je je daar juist hebt uitgedrukt, was je ryk.
—   Dan moet m\'n uitdrukking onjuist geweest zyn, en ik neem
haar terug. Neen, ik bezat niet eens mezelf, want het goede dat
\') AüOLi\'" vergiste zich hier. Niet hij aapte \'t indisch genie-departement
na, maar de generaal v. n. w. schynt z\'n fortificeerende ideën aan den
BONNENBERa ontleend te hebben. Toch week hy in hoofdzaken van z\'n
model af. De vesting WILLEM I was zeer ongezond, en kostte millioenen.
De Nassausche SONNENBERG daarentegen ligt in \'n gezonde streek, en
Werd om-godswil gebouwd. A tont prendre houd ik \'t met de Adolf-
sche manier.
-ocr page 35-
ONDER DEN GROND,
31
in my was, werd voor \'n deel, voor \'n groot deel, machteloos ge-
maakt door \'n tal van aandoeningen, driften, onvolkomenheden .. .
—  Dat heb ik altyd en overal opgemerkt. In elke vesting zyn ver-
raders, en ieder leger heeft z\'n Spitsbuben") en treinvolk. Maar de
kern, de kern, daarop komt het aan!
—  Nu, Meester, de kern was goed. Ik moest dus woekeren met
het weinige dat ik, onbezwaard, in myzelf ter myner beschikking
vond . . .
—   En die woeker slaagde niet. Misschien woekerden anderen
met u. Zoo gaat het meer. Maar waaruit bestond dan je kapitaal ?
—  Ik had goeden wil . . .
—- Le chemin de Ven f er en est pavé.
—  Opmerkingsgeest . . .
—  Dat zal je te-pas komen als je straks les neemt by m\'n gnomen.
—  Ik was dichter . . .
—  Weet men dat?
—  Ik vrees ja, Meester.
—   Welnu, dat had je moeten voorkomen. Den dichter zal alles
gelukken, mits hy zorge z\'n rang te verbergen. Maar hy wordt
verklapt door \'n ellendigen treinsoldaat: hoovaardy. Een prins die
inkognito reizen wil, moet geen goud te-grabbel gooien. Was gilt
\'s
dat je zoo-even je Hollander met \'n guinje betaald hebt?
—   Neen, Meester, ik had veel redenen om niet meer dan acht
kreutzers te geven.
—    Lieg niet. \'t Waren er negen. Want je versmaadde den
éénen dien staccata je wilde teruggeven. Ook wierp je haar \'11
koninklyken blik toe. Die blik en die kreutzer yken je — door
tegenstelling met den vloekenden roodouwel vooral — in haar oog
tot \'n hooger, dat is: vyandig wezen. Staccata ziet je ...
—  Voor \'n prins aan?
—  Neen, voor \'n gek. Als ze trouwen moest, en kiezen tusschen
u en den student, koos ze hèm. Ze begrypt hem beter. Ook zy
zou kibbelen over de vertering, en ze neemt liever haar deel aan
*) Spitsjongens = «gemeen" volk, dat door de ridders werd voorop
gezonden om aan de eerste woede van den vyand geofferd te worden.
De trein, de nasleep van \'n leger in de middeleeuwen, was samengesteld
uit bedelaars, monniken, publieke vrouwen, roovers en lykschenders,
maar de spitsboeven waren niet veel beter. De oorspronkelyke betee-
kenis van «boef was niet onteerend, en dit is \'t woord Bub (jongen)
thans nog niet. De geboorte van den vormoedelyken troonopvolger dor
Oostenrykselie monarchie werd door diens grootmoeder, MARIA THERESIA,
in den schouwburg den volke medegedeeld met de woorden: tDer
Sepperl
(jozef) hal a Bub!" Misschien lag er meer staatkundige fyn-
heid in dien uitroep van m. t dan in de diplomatische kunstenaryon
van haar faktotura kaukitz. Uok in België had ze zich bemind weten
te maken, en haar naam wordt in dat land 110? steeds met eerbied
genoemd. De toon dien de Keizerin wist aanteslaan, maakt het: »mo-
riamur pro rege nostro Maria Theresia"
begrypelyk, want ook in Pesth
wist ze harten te winnen, \'n koninklyke kunst die zelden door konin-
gen beoefend wordt.
-ocr page 36-
MILLIOENEN-STUDIEN.
32
de opbrengst der schraperigheid van \'n gewoon mensch, dan dat
ze zou meedragen in de kosten uwer ongewoonheid. De wereld
nu is vol staccata\'s. Wie \'n Hollander wil gebruiken, moet geen
cent meer betalen dan zoo\'n ding waard is, op straffe van beet-
genomen te worden. Maar waarom zag je dat meisjen, of liever
die vrouw — want gesetzt is ze! — zoo aan?
—  Meester, ik meende my te herinneren...
—  Gekheid! Die staccata heeft heel andere histories bygewoond
op de wenteltrappen var m\'n Sonnenberg. Ze was reeds voor
veertien jaar sedert lang geen kind meer, en eigenlyk was ze dat
nooit. Juist andersom dan jy, die toen \'n kind was, en \'t misschien
altyd blyven zult... hm, Koninkryk der Hemelen! Maar laat nu
verder hooren wat je uitrusting was in den stryd tegen onmacht ?
—  Ik geloof standvastigheid te bezitten. Nooit gaf ik \'n plan op.
—  Daarin kan je recht hebben.
—  Niet waar, Meester? Hoe zou ik anders hier zyn? Ik zocht
de middelen die tot macht leiden . . . eerst in den Hemel . . .
—  Dat spreekt vanzelf. Het is de gewone fout van alle begin-
ners. Wie geen raad weet, kykt naar \'t plafond.
—  Daarna zag ik öm my, en trachtte te leeren wat ik niet wist,
te begrypen wat ik niet verstond, te kunnen wat ik niet kon.
—  Je was op den goeden weg.
—  Dat bleek me geenszins, Meester. Ik erken weinig geleerd en
weinig begrepen te hebben, maar . . . mag ik rond zyn?
—  Wel zeker. Daartoe ben je hier.
—  Het komt me voor, dat ik niet nog minder wist, niet nóg
minder doorgrondde, dan veel anderen die toch beter slaagden.
—   Dat ligt aan de soort, niet aan hoeveelheid of diepte van de
kennis. Tot slagen is niet noodig dat men veel begrype, de eisch
is dat men juist dat wete wat tot slagen noodig is, al ware het
weinig. De rest noem ik liefhebbery-bagage, die ons zonder prak-
tisch nut op groote onkosten jaagt. Men moet z\'n krachten kon-
centreeren . . .
—  Ik zie de juistheid hiervan des te beter in, daar ik opmerkte
hoe anderen door die taktiek tot veel beter uitkomsten geraakten
dan my met de grootste inspanning mogelyk was. En vooral was
dit het geval by hen die dit koncentratie-systeem toepasten op één
zaak, op . . . geld.
—  Heel natuurlyk! Het aantal hefboomen die vroeger de maat-
schappy in beweging brachten, of dwongen tot betrekkelyk stil-
staan, is verminderd. Brama, vischnoe, siwah zyn onttroond.
De oi.ymp staat leeg. De Katholieke halfgoden zyn aan \'t verhui-
zen. De zoogenaamde hervorming, die alle edelmoedige aspiratien
tot verbetering drie eeuwen lang in slaap wiegde, heeft weldra
uithervormd, en zal eenmaal in de geschiedenis der mensheid staan
afgeteekend als \'n dwarssteegjen op de heirbaan van vooruitgang...
neen, als \'n cul-de-sac waarin de zoekende geest, met groot verlies
van tyd en kracht, vruchteloos \'n uitgang meende te vinden. De
riddertyden . . . beloof je my m\'n oordeel over de hefboomen die
toen alvermogend werkten, geheim te houden? Zal je er niet over
spreken, zelfs niet in je feuilleton van \'t Noorden?
-ocr page 37-
ONDER DEN GROND.
33
—  Ik beloof het, schoon me die voorzichtigheid bevreemdt, na
den vryen toon waarop ge u over het protestantismus hebt uit-
gelaten.
—  Het protestantismus is aan z\'n naam verplicht, genoegen te
nemen met elk protest. De ridders uit myn tyd . . . maar ik reken
op je diskretie, want ik wil me niet brouilleeren met hun nazaten
in leeuwen, adelaars, olifanten, kousebanden en eikenloof. Je be-
looft my dus . . .
Ik beloofde, en mag dus den lezer niet oververtellen dat de hoog-
geboren ridderschap der middeleeuwen, volgens de opinie van den
goeden adoi.f, \'n lafhartige, gemeene, wreede, en alzoo önridder-
lyke, bandietentroep was. *)
—  En wat kwam er na dien Schwindel, ging de Meester voort,
laat zien . . . hofkabaaltjes, nieuwere krygstaktiek, godbeter\'t! . ..
diplomatie: in-tweeën- Vouwevy ... \'t woord is zoo mal niet geko-
zen, maar toch zeg ik: godbeter\'t! En — godbeter\'t voor de derde
maal! — maltressen- Wirthschaft ■\' Eindelyk, na de apokriefe historie
*) De behoefte van verzenmakers en zeker soort van schryvers aan
valsche romantiek — \'t verontschuldigt hen geenszins, dat «Publiek"
daarmee gediend was! — heeft den leugen in omloop gebracht, dat er
zooveel schoons lag in \'t ridderlyke der middeleeuwen. Die ridders
waren in den regel — van zielenadel spieek ik niet eens — zelfs geen
vechthelden,
\'t minste en laagste dat er van \'n man, hoe onbeschaafd
en dierlyk dan ook overigens, verlangd kan worden. Ze stonden be-
neden \'n bulhond, die dan toch ruwen moed heeft. Dit is te bewyzen
uit de loftuitingen zelf van tafellikkende minnezangei\'s en chroniqueurs.
(Men leze met aandacht: joiNVir.LE, FROISSART, boucicault, ph. de
commines, e. d.)
En wat, na de uitvinding van \'t buskruid, die ridders verving . . .
ik zal op dit onderwerp terugkomen, al is \'t niet in deze millioenen-
studien M\'n thesis is, dat zoowel vechtbenden op z\'n Wallensteins
saamgeraapt, als buurkorpsen en zoogenaamd-nationale staande legers,
ten allen tyde oefenscholen waren van onmannelyke oud-wyfsche vieze
poltronnerie. En de soldaten zelf weten dit, blykens hun spreekwoord :
\'n oude generaal, \'n oude hoer!
Ik verwys overigens naar m\'n stelling in de ideen:
Krygskunde is lafhartigheid met rang van wetenschap.
Reeds sedert twee of drie jaren ligt ook die handschoen onópgeraapt
in het strydperk. Zyn ei geen welgeboren mannen van myn rang die
zich daarover schamen? Kiygen we nooit \'n minister van oorlog — met
of zonder zotte linien van defensie! — dien \'t de moeite waard is de
verslagen der vechtgeschiedenis eens aandachtig te lezen-? Is er geen
lid der volksvertegenwoordiging, die zoo\'n minister daartoe uitnoodigt 1
En moet het Volk maar altyd door, belasting blyven betalen voor
militaire hansworstery ?
MILLIOENEN-STUDIEN.
3
-ocr page 38-
34                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
met dien theeketel der tante van james watt, na fulton, na den
armen SALOMON VAN CAVZ . . .
—  De industrie!
—   Ja, de industrie . . . verschoon me een oogenblik, ik heb
huishoudelyke bezigheden . . .
De Meester riep \'n kobold, die zooveel of zoo weinig als loop-
jongen scheen te wezen, en gaf bevel tot het maken van yzer,
millioenen, millioenen, millioenen centenaars. Er scheen spoed by .. .
—  Ze gebruiken tegenwoordig daarboven verdammt viel, zeide hy,
weder naast my plaats nemende. De navraag is zoo groot dat ik
in de stellige overtuiging verkeerde dat ze \'t aten. Waar waren
we ook?
—  We waren genaderd tot den sterken hefboom die thans de
wereld regeert, tot de industrie, Meester.
—  Juist! Welnu, waarom heb je geen luciferfabriek opgezet?
Waarom niet \'n handel »in kurk en kurken ?" Dat is zielverheffend.
Wat zeg je van \'n «kantoor op Portugal en de Middellandsche
zee" anders uitgedrukt: dat je onrype messina\'s-appels opkoopt in
\'t groot, en die in \'t klein doet rondventen langs de straten. Heb
je geen lust in \'n «assurantiezaak" ? Of, als je dit te eenvoudig
mocht zyn, in \'n hèrverzekeringsstandje ? Dat kleedt \'n mensch!
O, \'t veld der industrie is zoo ruim! Daarop is plaats voor ieder-
een. Neem aandeden in Indische spoorwegen, liefst als je neef of
zwager minister van koloniën is. Dat rendeert, al zyn die wegen
slecht gelegd . . . \'n verantwoordelyk minister is altyd verant-
woord. *) Of wil jyzelf minister zyn ? Dat \'s ook industrie. En als
je meent daartoe niet . . . gediplomeerd te wezen, niet genoeg
saamgevouwen, wat belet je de myngeldenjacht, op publieke ver-
koopingen? Dat is \'n zeer dichterlyk beroep. Een handel mivynver-
valschinga-middelen
is ook niet kwaad, tenzy je de voorkeur geeft
aan \'t fabriceeren van kofflboonen uit gebruind roggemeel. ")
—   Meester, ik wil geld, geld, geld! Is \'t niet anders te verkrygen
dan op de velerlei manieren die gy opnoemdet?
—  O, ik was niet ten einde. By-lange-na niet! Daar is nog . . .
\') Naar myn oordeel had men op Java weinig of geen acht moeten
slaan op de thans bestaande centrums van bevolking en produktie.
Indien men zich in de keus der richting byna geheel had laten leiden
door den wensch om met de minste onkosten de meest mogelyke ver-
binding
daartestellen, als men namelyk overal waar het terrein daar
toe uitnoodigde, sporen gelegd had, zouden die centrums zich — mits
onder \'n ander bestuur dan tegenwoordig — zeer snel verplaatst hebben
en van grooter belang zyn geworden dan de tegenwoordige die ver
beneden de gemiddelde mogelykheid staan. De Amstel en het Y zyn
niet te Amsterdam gekomen om die koopstad te believen, maar Am-
sterdam is dóór z\'n ligging, in verband met bestaande kommunikatie,
koopstad geworden. Binnen twintig jaar zullen er groote steden zyn
langs den nieuwen Pacific-railroad, en iets dergelyks zou weldra op
Java hebben plaats gehad, als de zaak niet zoo baars-europeesch ware
behandeld.
**) Zie het 2e hoofdstuk van specialiteiten.
-ocr page 39-
ONDER DEN GROND.                                      35
—  Verschoon me, Meester. De keus is ruim genoeg, en wie niet
tevreden is met de vele middelen die ge hebt opgenoemd, vind ik
al te keurig. Ik zou dan ook kiezen, indien me niet nog \'n ander
middel bekend ware, dat me beter aanstaat dan uw half verrotte
messina\'s-appels en geheel verrotte . . . andere dingen. Industrie
dus! Leefden we in Indie, ik zou kosmogonien scheppen. In Egyp-
te? Droomen uitleggen, kuisheid verkoopen en koren samelen. In
Arabie? Paardenfokken en vertellingen dichten. In Skandinavie?
Ik zou de voorste zyn der vikings, koning der zeekoningen, de
woedendste der berserkers. In uw riddertyden? In m\'n nachthemd
zou ik reuzen verslaan, en zonder hemd zelfs den stryd opnemen
tegen de yzeren mannen die \'t ontkennen durfden dat m\'n fancy
hooger staat dan hun heilige maagd . . .
—   Die uitdaging is zoo dapper niet, sedert je weet dat ze zich
wel wachten zouden te verschynen. Maar ga voort. Ik ben be-
nieuwd wat je nu wilt doen, nu, in dézen tyd. Wat hoor ik daar ?
Kobold No. 17009, ga eens kyken wat daarginds boven te doen
is? Een zonderling gebrom! Ik hoor \'t rammelen van metaal —
yzer is \'t niet — het schynt goud en zilver te zyn. En er wordt
Fransch gesproken . . . één deun! Ik versta er niets van. Welnu,
ga voort, wat wil je doen in dézen tyd?
—   Ik wil geld, Meester, en veel, veel, veel! Ik wil meer goud
dan gy yzer kunt maken in honderd weken, al werkten al uw
gnomen en kobolden mee. Ik moet me een plaats koopen in de
volksvertegenwoordiging . . .
—  Worden die plaatsen gekocht?
—  Indirekt ja. Of liever ze worden door en met geld verkregen
zonder betaling, \'t Is nog goedkooper dan m\'n Hollander. Ik moet
dan, dóór of met geld, me een plaats veroveren vanwaar ik waar-
heid kan doen hooren aan ministers ... \'11 ministersplaats ook,
om de waarheid te kunnen zeggen aan koningen. Geld heb ik
noodig om zelf koning te zyn, opdat ik \'t recht en de macht be-
zitte goed te doen aan het volk . . . liefst zonder ministers. Geld
heb ik noodig voor legers, om menschenslachtende vorstjes te ont-
troonen in Afrika ... en andere werelddeelen. Geld om bevoegd-
heid te koopen tot liet nazien der boeken van weeshuizen en armen-
inrichtingen.
*) Geld voor volksbibliotheken . . .
—  Je wilt dat het volk lezen zal?
—   Zóóver gaat m\'n eerzucht niet. Ik wenschte dat het in staat
"werde gesteld lezen te leeren, \'n kunst die nog in haar kindsheid
is. De meesten brengen \'t daarin niet veel verder dan noodig is
voor \'n benoeming tot brief besteller. Ik heb geld noodig, Meester,
tot het bezoldigen van onderwyzers in de natuurkunde, geld voor
") De kursief-drük dezer woorden is te wyten aan de boosaardig-
heid van \'n zettersleerling, wiens moeder in \'t «gasthuis" stierf. Z\'n
grootvader wordt in \'n oudemannengestieht, en z\'n broertjen in \'n
weeshuis «verpleegd." De kwajongen beweert stokstyf dat er viel
faule*
bestaat in die inrichtingen van «liefdadigheid" en durft ver-
langen naar \'n napoleon (eerste editie) om »dien vuilen boel eens
opteruimen."
\\
-ocr page 40-
36                                          MILLIOENEN-STUDIEN.
algemeene hygiëne, geld tot het wegruimen van rivierdyken, die
vervloekte oorzaken van watersnood en verzande havens. *) Geld
tot het uitwisschen van grenzen, geld voor vruchtboomen langs
de wegen, geld voor den beul . . .
—  Hè?
—  Ja, pensioen. ") Geld tot ondersteuning zonder smaad van in-
valide burgers, geld tot betaling van — des-noods onvry willigen —
arbeid derzulken die arm werden door traagheid. Geld voor ware,
d. i. veredelende kunst. Geld voor beschaving. Geld voor genot. Geld
voor geluk. Geld voor deugd! En, Meester, zooveel geld wenschte
ik, dat er, na dat alles . .. maar ik vrees onbescheiden te worden ?
—  Volstrekt niet. Je moogt hier zeggen wat je wilt ... maar weer
hoor ik dat eentonig gerammel en dien Franschen deun. Kabouter
317 y2 bis, ga eens zien waar 17009 blyft? Nu schynen ze met pa-
piertjes te frommelen.. .ga voort, wat wenschte je, na dat alles, nog
meer ?
              t
—  Meester, na dat en veel meer nog gedaan en bewerkt te heb-
ben door de macht die het geld geeft... maar ik durf waarlyk niet. ..
—  Komaan, wees niet kinderachtig. Nur Lumpen sind bescheiden,
heeft m\'n vriend göthe gezegd — en dat is byna waar — spreek op!
—  Ik zou wenschen, Meester, dat er, na. dat alles, nog iets over-
schoot om m\'n lief gezin te behoeden tegen gebrek.
—   Ik moet erkennen dat je \'t recht hebt, niet voor \'n Lump
te worden aangezien.. .wat beduidt toch dat ritselend gekreukel van
papiertjes? Nummer Half-dertien, onderzoek jy nu eens wat de
oorzaak is van dat leven schuins boven ons, in \'t zuidwest-ten-zui-
den? *") Men kan z\'n eigen yzermaken niet verstaan. Enjy, ga voort,
vriendje, en zeg me nu eens eindelyk wat je hier beneden komt
uitvoeren ?
—   Meester, fancv zond me tot u die heer zyt in \'t ryk der
kobolden en aardgeesten ... ik wil door uw gnomen onderwezen
worden in de kunst van rykworden.
—  Dem kann geholfen werden, riep adoi.f.
*) Ideen, V, iO\'Md, 1050e. (Uitgaaf 1877)
**) Toen dit geschreven werd was de doodstraf nog niet afgeschaft.
***) De ruïne Sonnenberg ligt N. 0. t. N. of N. N. 0. van Wiesbaden.
-ocr page 41-
DE AUTEUR WORDT GEKAPITTELD, EN VERZOEKT DEN
LEZER DAARVAN HET ZYNE TE NEMEN.
Dem kann ycholfen werden, had adolf gezegd, zonder achtte-
slaan op wat hy zeide, want by-voortduring hielden hem de ge-
heimzinnige geluiden bezig, die zich \'n weg baanden door de sple-
ten^van \'t gewelf:
—  Messieura, faites Ie jeu!
—  Le jeu est fait!
—  Rien ne va plus!
—  L\'or va au rouleau!
— Moil ie a la masse!
-ocr page 42-
38                                    MILLIOENEN-STUDIEN.
—   Dix luuis au billet!
—  Trois . . . quarante!
—   Un! Un aprhsl La carle est noire . . .
—  Rouge gagne et couleur!
—  Ilovge perd, la couleur gagne I
—  Onze, noir, impair et manque!
—  Trente-six, rouge, pair et passé!
—  Aux quatre premiers, s. v. p.\\
—  A cheval, neuf h douze!
—  Transversale, treize a dixhuit!
—  Zéro!
En tusschen dat alles in, hoorde men het rollen van muntstuk-
ken, \'t glitterend geschuifel van^bankbilletten. Soms ook, maar zel-
den, het gekibbel van spelers.
Ik kon niet langer zwygen, en zonder op de terugkomst van de
uitgezonden boden te wachten:
—  Meester, riep ik, ge hoort de echo van de bank te Wiesbaden.
Daar
wordt gespeeld — men noemt dat spel, o goden ... is er
sarriger lusus a non ludendo denkbaar? — daar wordt gewonnen
en verloren, daar wordt getournooid a outrance tusschen ligtzinnig-
heid en moed, tusschen hartstocht en koelbloedigheid, tusschen ver-
twyfeling en hoop! Daar is een der scherpst-geslepenbrandpunten
van den feilen Kampf um\'s Dasein dien wy, arme menschen, ge-
noodzaakt worden wormpjes, atomen en zonnestelsels natestryden.
Daar, Meester ... ik vocht liever mee op dat terrein, dan nu op
m\'n ouden dag te gaan schacheren in kurk, roggekoffi of assurantie.
Meester, ik verzoek u my door uw gnomen te doen onderrichten
in de kansrekening.
—   Dem kann geholfen werden, zei ADOLF nogeens, en ditmaal
zonder verstrooidheid. Kabouter -%-, laat wat ertsblokken brengen,
en zet ze in orde. Er is groote vergadering van-avend. Zorg voor
veiligheidslampen, en denk aan suikerwater voor de redenaars.
Daarop wendde hy zich weder tot my, en vroeg:
—   Wat bewoog je tot de meening dat m\'n kaboutermannetjes
iets van de kansrekening verstaan?
—   Fancy heeft me hierin gegooid. Zyzelf moge verantwoorden
waarom!
-ocr page 43-
AUTEUR EN LEZERS WORDEN GEKAPITTELD.                  39
—  Ze is verantwoord! Er bestaat tusschen fantazie en verstand
\'n soort van overeenstemming waarvan gy menschjes u zelden
rekenschap geeft, schoon u toch iets van de zaak schynt te ahnen,
daar ge vaak — en dat is \'n tweede fout! — verbeeldingen oordeel
verwart. Men is daar boven ons gedurig bezig met de al te goed
gelukte oplossing van \'t probleem: hoe men dwalen kan tegely-
kertyd op tweeërlei wys, en dit heeft ulieden geleid tot de zotte
meening — uw derde fout! — dat er kans is op \'t terugvinden
van den rechten weg door van die dwalingen \'t gemiddelde te
nemen. Daarover misschien later, als je na de zitting van heden
avend nog wat hier blyft. Is dat je plan?
—  Ik moet volstrekt naar boven. De portier zal ongerust zyn,
en bovendien de lezers van y>f£et Noorden" wachten op m\'n millioe-
nen-studie . . .
—  Ik mag lyden dat dit laatste waar is. Je hebt wel wat recht
op belangstelling, al ware het ter eere van den titel alleen, die
goed gekozen is . . . om de studie niet, maar om de millioenen.
Wat den pórtjeh aangaat, hy zit in de Schenke beneden in \'t dorp,
en schtvciUt van Königsgratz en Sadowa . . .
—  Maar staccata?
—  Die is aan \'t kibbelen met de meid over \'n gebroken schnaps-
glaasjen, en vindt nu op haar beurt zoo\'n onhandigheid «zu kolossal."
Je hoort het, ze praat den student na. Dat dacht je niet! Over \'t
geheel heb je die zeer ordinaire stumpert voor belangwekkender
aangezien dan ze inderdaad is ... je gewone fout! De oorzaak is
dat je haar persoon verward hebt met de indrukken die je bezig-
hielden toen je \'r voor \'t eerst zag in \'56. . .
—  Ik zal \'t niet weer doen.
—   Dat kan je niet beloven. Wat jyzelf eenmaal over politiek
evenwicht zei *) is van volle toepassing op \'t baskuleeren der ver-
schillende werkingen van den geest. Volkomen balans is ondenk-
baar ... en zou dan ook evenmin te wenschen zyn als elke andere
stilstand. Stilstaan, niet-bewegen, is \'n feitelyke ontkenning van het
zyn
dat in beweging bestaat. Wat niet beweegt is dood . . . neen:
is niet. Dat \'s nog minder dan dood. Begryp je dit?
—  Nagenoeg. Maar ik weet niet of m\'n lezers . . .
—   Dat gaat my niet aan, en ik geef ook u den raad daarnaar
nooit te vragen. Zeg en schryf wat je voorkomt waar te zyn, tracht
zoo duidelyk mogelyk overtebrengen wat FANCY je in de gelegen-
heid stelde te hooren, en laat de rest over aan de toekomst. Er
is veel kans dat men daarboven eindelyk eens zal leeren lezen.
Nog \'n paar generatien . . .
—  Meester, ik kan zoolang niet wachten!
—   Waarom niet? Is \'t je dan om de claque te doen? Dat zou
me spyten. Ik herinner me dat ik in myn tyd ook zoo mensachtig
ongeduldig was, maar na m\'n dood vond ik het dom. Ook ik wou
terstond vrucht samelen, en zaaide slordiger dan \'t geval zou ge-
weest zyn als ik wat verder vooruit had gezien. Je hebt er geen
begrip van hoe snel de geslachten elkaar opvolgen wanneer men
*) Minnebrieven, blz. 82, 83. (Uitgaaf 1875.)
-ocr page 44-
40                                         MIU.TOENEN-STUDIEN.
eerst goed en wel onder den grond zit. Een moeder meent hemels-
breed ver te staan van haar zuigeling, en \'n paar eeuwen later is
de geschiedschryver in de war tusschen grootvader en kleinzoon.
Op zekeren afstand smelten alle Rhamsessen in elkander, en ik heb
opgemerkt dat er in je geschiedenisboekjes heele dynastien \'t ach-
terste-voren gezet zyn. Maar denk niet dat wy onder-den-grond-
wezens u zulke blunders kwalyk nemen. Waarlyk niet! Och, \'t doet
er zoo weinig toe. Iets van meer belang is, dat gylieden zoo on-
achtzaam omgaat met die andere geschiedenis, met de geschiedenis
van uw eigen wording. Al uw Genesissen zyn geen oortje waard.
— Misschien had ik moeten zeggen: geen kreutzer, heller, batzeof
pfenning,
omdat ik \'n Duitscher geweest ben ... je ziet het, natio-
naliteit gaat hier onder den grond totaal naar de maan. — Uw
Scheppingen deugen niet, voornamelyk omdat er wel bezien nooit
iets geschapen werd, of — als dit u aangenamer is — omdat het
scheppen altyd voortduurt, \'t Gaat hiermee als met het liefdedevies:
>ii jamnis, ni toujours, door \'n omgekeerden kyker gelezen. Ge-
schapen wordt er nooit of . . . immer. Holah, hei, hé da!
De aardmannetjes verschenen op den roep des Meesters.
—  Is er nafta genoeg ? Wordt er behoorlyk gewerkt aan salpeter ?
Wie zorgt voor kool ? Meesterknecht, laat je de werkstalen voor-
leggen, en zie eens na of er wel by voortduring alles wordt voort-
gebracht wat als noodzakelyk gevolg van vovigen arbeid gefabriceerd
worden moet?
De meesterknecht haalde z\'n schouders op, als wilde hy zeggen:
my te herinneren aan m"n plicht. Hoe menselyk! Men kan wel
zien dat de Meester nog niet lang dood is.
—  Hy heeft gelyk, zei adoi.f. Het was dom van me, zulke be-
velen te geven aan baas LOGOS die meer van de zaken weet dan
ik. Ik schreeuwde dan ook maar zoo om je te doen vatten dat er
\'n dubbelpunt moet staan tusschen dat averechts liefdepraatje en
m\'n bevelen. Logos begaat zulke overbodigheden niet. Wie geen
verstand heeft van interpunktie moet volgens hem maar ongepunt
blyven. Die onverschilligheid is misschien \'n gevolg van z\'n langen
diensttyd. Z\'n opzienerschap dateert van den beginne *) dat is: hy
stond altyd aan \'t hoofd van de zaken . . .
Toch zou \'n medaille voor twaalfjarige trouwe dienst den eer-
lyken LOGOS slecht gekleed hebben, want hy was jong en krachtig,
en zelfs droeg z\'n nooit verwisseld gewaad niet de minste sporen
van slyting. Geen leerjongetje zag er zoo frisch uit als hy.
—   Onder ons gezegd, fluisterde adolf me in \'t oor, hy is hier
eigenlyk de man waarop alles aankomt, en ik zou terdeeg met de
*) Evangelie van Johannes I, vers 1, naar nvyn overzetting luidende:
in den beginne was de rede, en de hede was by God, en de rede
wès God. Vgl. 906, in ween III. (Uitgaaf 1876.)
-ocr page 45-
AUTEUR EN LEZERS WORDEN GEKAPITTELD.                  41
handen verkeerd staan, als-i eens z\'n ontslag nam. Maar dat zal
hy niet, dat kan hy niet, want hy heeft aandeel in de zaken . . .
—  Geërfd?
—  Neen, ipso jure. Zonder hem zou de heele fabriek . . .
—  Niet opgezet zyn?
—  Mis!
—  Niet geworden zijn wat ze is?
—   Half waar, dus ook mis! Neen, zonder hem was de fabriek
niet, want hy is de zaak. Dit werd reeds op Pathmos erkend door
iemand die overigens — ik moet dit tot m\'n leedwezen erkennen —
z\'n verstand al te wild liet op-en-neerwippen door z\'n fantazie. Het
eerste woord dat de arme joannes tot de wereld sprak, was waar,
en van dieper zin dan begrepen wordt door de meesten dergenen
die hem tot \'n heilige maakten. Het ware te wenschen dat velen
wier oordeel iets minder dan \'t zyne te lyden heeft van overwe-
gende verbeeldingszwakte — gy menschen noemt het kracht, geloof
ik — den braven LOGOS zoo ruiterlyk de eer gaven die hem toe-
komt. Dat zou veel nutteloos gekibbel hebben uitgewonnen . . .
Maar, aldus ging ADOLF voort, ik ben je nog de uitlegging schul-
dig van de onbewuste gegrondheid uwer hoop dat je hier beneden
iets van de kansrekening zou te weten komen. Fancy had volko-
men gelyk in de meening dat je verbeelding daarin verder zou
doordringen dan je verstand. Gy menschen zyt minder dom dan
gezelf weet . . .
Ik stond op, en boog.
—  Meester, geeft ge my vryheid dat kompliment overtebrengen
aan m\'n lezers?
—  Och ja, als je meent dat het hun aangenaam wezen kan, en
zeg er dan by dat dit hen te verachtelyker maakt.
Ik ging weer zitten.
... te verachtelyker! Want niet weten, dom zyn, weinig begry-
pen, ware eer te verschoonen dan dat voortdurend wèl begrypen,
wèl weten, en anders doen. Gyzelf zult heden avend weinig of niets
vernemen dat je óf niet bekend was, of waarvan je de kennis niet
zou hebben kunnen opdoen boven den grond. De meesten uwer
weten genoeg voor hun behoeften. De fout is dat ge meestal het
bekende verkeerd toepast, en u daarby gewoonlyk laat leiden door
indrukken die met weten niets te maken hebben. Belang, hartstocht,
eigenzinnigheid, sleur, mensenvrees . . . Nu dit laatste is \'t zotste
van alles, en wel \'n blyk dat gy daarboven elkaar meer eer bewyst
dan u vice versa toekomt. Hoe kan \'n mens, die dan toch by
ondervinding weet wat buikpyn is en verkeerd oordeelen . . . hoe
kan-i bang zyn voor andere schepsels die even als hy zelf laboreeren
aan verkeerd oordeel en buikpyn ? Noch uw deugden, noch uw
fouten zyn vrees waard. Geen uwer driften is bestand tegen \'n
onverwacht speldeprikjen in de kuit. Probeer \'t eens als je iemand
ziet die verliefd is of \'n moord wil doen. Met \'n paar theelepeltjes
-ocr page 46-
MILLIOENEN-STUDIEN.
42
glauberzout op \'t juiste tydstip ingegeven, verandert men je heele
toekomstige wereldgeschiedenis, en zonder de Veuve Cliquot waar-
aan alexander zich te-buiten ging te Persepolis, hadden de Ro-
meinen waarlyk zoo\'n rol niet gespeeld . . .
Adolf weidde nog verder uit over al de zaken die anders zou-
den geweest zyn indien deze of gene kleinigheid anders geweest
ware. Ik was zoo vry hem in de rede te vallen met de opmerking
dat nietigheden die groote gevolgen hebben, juist daardoor géén
nietigheden zyn, en dat \'n wereldgeschiedenis-veranderende spelde-
prik van meer belang is dan de onregelmatigheid in de deklinatie
van \'n wereldzon wezen zou, indien de gevolgen van zoodanig wan-
gedrag ons onbekend bleven.
Waarschynlyk om zich te wreken over de gegrondheid van m\'n
opmerking — de Meester was nog niet lang genoeg dood, om alle
ydelheid vaarwel gezegd te hebben . . . ik leef heelemaal nog, he-
laas! — begon hy uittevaren tegen de door my veronderstelde
mogelykheid van \'n afwyking.
—  Pas um Gottes Willen op, dat LOGOS je niet hoort! Van zóó\'n
suppozitie zou hy buikpyn krygen! Al wat is, moet wezen, en al
wat er wezen moet, is. Daarop kan je staatmaken! De meest or-
dinaire centraalzon doet z\'n plicht — haar plicht, zeggen je school-
meesters — en wat gy afwyking noemen zoudt,is de oude onveranderlyke
onvermydbare norm. Rechthaberei... juist! Ik noemde dit zoo-even op
onder al die andere Spitsbuben die, ais wangunstige schoolmak-
kertjes, de slotsommen van de lei wisschen, die ulieder verstand
heel aardig had uitgerekend. Nogeens, gy menschen zijt minder
dom dan gezelf weet, en FANCY hoopte dat er voor u iets zou te leeren
vallen van m\'n kereltjes omdat ze by hun begrafenis dien gansenen
armeebedervenden stoet van treinsoldaten daarginder achterlieten.
Er is iets nuchters in \'n doode, waaraan gylieden u maar niet kunt
gewennen. Duizend byzaken trekken uw aandacht van de hoofd-
zaak af. Ge zyt als kinderen die men appels te tellen geeft. In
plaats van tellen, snoepen ze \'t ooft op. Heb ik ook jacht op gees-
tigheid genoemd onder de zaken die \'t verstand belemmeren?
—  Neen, Meester, maar er is nog tyd toe.
—  Welnu, ik gun me dien tyd. Jyzelf hebt menigen appel opge-
geten, die je te tellen was gegeven. Waarom zei je dat de Pruisen
de steenen poppen op \'t slot te Biberich hadden stukgeslagen?
—  Meester, ik zag dat die beelden er dezolaat uitzagen . . .
—  Juist. En toen hadden dat volgens u mir nichts dir nichts de
Pruisen gedaan, omdat het zoo in je fraze te pas kwam. Welnu,
\'t is onwaar. Zulke schryverskunstjes brengen veel dwaling in de
wereld. De ridders in myn tyd voerden ook veel verkeerds uit, al
schreven ze niet. En dat ze vaak . . . onwaarheid spraken, stem
ik toe, maar ze lieten zulke dingen niet drukken. Trek je leugen
in . . .
Lezer, dat doe ik by dezen.
-ocr page 47-
AUTEUR EN LEZERS WORDEN GEKAPITTELD.
43
Misschien, vervolgde ADOLF, dat ik dan ook de straf verzacht,
die de zetter van y>Het Noorden" over je heeft uitgesproken . ..\'i\\
ware vargas !
—   Welke straf? Ik weet van niets . . .
—   Ei, heb je niet bemerkt dat hy je onlangs door rismarck
deed opknoopen? Het doet me leed want ik ben je niet onge-
negen . . .
Ik wist waarlyk niet waaraan ik deze vriendelyke stemming van
den gewezen Keizer te danken had. En ik erkende die onwetendheid,
—  Herinnert ge u den nacht van . . .
En hy noemde een datum die ik vergeten heb, maar \'t jaartal
was \'66.
—  Neen, Meester!
—  Nu, ik wel. In weerwil van je fouten heb ik \'n vriendschap-
pelyk gevoel voor je ... en had dit reeds lang voor \'t fancy in
\'t hoofd kwam je in dezen kuil te gooien, \'t Was zeer lief van je.
Ik meen de historie met dien paal . . . blauw en goud . . . denk
eens na. Overigens moet ik erkennen dat ik niet houd van senti-
mentaliteit.
—  Maar, Meester, aan welke sentimentaliteit heb ik me dan dien
nacht schuldig gemaakt? En \'n paal? Blauw met goud. Ikbegryp
er niets van.
—   Dan zal fancy \'t je wel herinneren, zoodra \'t haar gelegen
komt. Maar denk niet dat ik je daarom, of om andere gevoelig-
hedens — gekheid! — je schryversfouten vergeef! Wat hoef je te
schryven als je geen waarheid schryft. Metsel dan liever, of . . .
maak yzer als wy. Daarin is nooit \'n leugen. LOGOS zou \'t niet
dulden. Wat is, is . . . en wat gy mensjes zoo-al praat ofschryft,
is soms niet. Meen je misschien dat het \'r niet op aankomt, met
juistheid te weten of \'t de Pruisen zyn die de beelden te Biberich
hebben stukgeslagen? Dat heb je mis. Zy hebben geen deel in de
eer — betrekkelyke eer, ja! — die er liggen zou in zoo\'n vandalisme.
—  Eer?
—   Ik weet wat ik zeg. Zie je my voor \'n schryver aan? Jyzelf
vertaalde het stuk van andrieux, dat met de woorden eindigt:
Zie, een landschap wordt gestolen,
En een molen blyft gespaard . . .
Meen je dat dit sparen van molens mooi is? \'t Lykt er niets
naar. Sei was du bist, koning, dief, annexateur . . . wees schryver
in \'s hemelsnaam als \'t wezen moet, maar noch \'n mal: sei was
du bist!
Het wegnemen van heele landen, toegesuikerd met het
ontzien van \'n paar steenen poppen, is erger dan roof. \'t Is huiche-
lary. Ik bedoel hiermee niet dat ieder die wel poppen of steenen
stukslaat, daarom geen huichelaar wezen zou. Weet je waarom de
Pruisische soldaten die beelden niet deerden?
—  Dat is moeielyk te zeggen, Meester.
-ocr page 48-
44                                    MILLIOENEN-STUDIEN.
—  Volstrekt niet. Ze konden er niet by omdat die poppen op
\'t dak staan van \'n kasteel dat ze niet mochten binnengaan.
—  Niet mochten! Zy die \'t heele land namen?
—  Ze mochten niet. En daarin steekt juist de huichelary die ik
zoo kwalyk neem. M\'n dappere achterneef en naamgenoot vocht
zeer uit de verte. Hy verdedigde z\'n landje . . . per telegraaf, ge-
loof ik. Z\'n vrouw, de hertogin, bleef te Biberich, met iets als . . .
moed. Onder ons, ze wist dat men haar niet deren zou, en kon
2ich dus zonder gevaar aanstellen als \'n soort van deborah die
de heerscharen des vyands tart. Die vyand nu was . . . van de
familie des mans die zoo goedig met molens omging. Hy kende
dat kunstje: \'n hutspotje van fortiter en suaviter.
Nu, héél suavis was hy niet, maar \'t had er toch den schyn van,
en om dien schyn is \'t by zulke gelegenheden te doen. M\'n achter-
nicht werd niet geradbraakt. Integendeel, ze kreeg \'n Pruisische
eerewacht, welker soldy niet eens ten-laste van de Nassausche be-
grooting gebracht werd. Ja, later toch, maar dat betaalden de
Nassauers niet, omdat ze toen geen Nassauers meer waren. In-stede
van die heldhaftige vrouw \'t kasteel uittejagen — zulke domheden
deed men in de dagen der heilige elisabeth van Hongarye, en
van GF.noveva — verbood men haar zelfs \'t vertrekken, tenzy ze
beloven wou héél ver te gaan. Den omgang met de bewoners van
Biberich scheen men nadeelig voor haar zedelykheid te vinden —
je weet het, al die Rynplaatsjes zyn vol Bierkncipen en Weinivirlh-
echaften
— althans men belette haar uittegaan. Zy, koppig van
haar kant, wandelde niet eens in den Schlossgarten, waartoe ze
permissie had mits ze zich gedroeg naar de geafficheerde policie-
Verordening: geen bloemen te plukken, geen honden meetebrengen,
hiet te rooken, en over \'t algemeen keinerlci Unfitg zu treiben. Wat
nu den een voorkomt als Unfug, kan den ander deugd schynen ...
er is ten-allen-tyde over zulk verschil van opvatting veel stryd
geweest. Ook maakt het \'n groot onderscheid, ol men zelf iets doet,
of datzelfde ziet verrichten door \'n ander. Misschien zouden de
Pruisische moralisten er kwaad in hebben gezien, als m\'n nicht
door de hektralies heen haar hand had te kussen gegeven aan al die
teerbeminde aanstaand-gewezen onderdanen. En zy zelf had dat mooi
gevonden, schoon ik niet zeggen kan dat ze \'t dikwyls deed toen
ze nog in de gelegenheid was \'t honderdmaal daags te doen. Ze
liet het nu uit dépit, en vroeger ... ge kent dien slottuin?
—  O, zeer goed.
—  Ei, voyons! Zeg me eens waarom m\'n nicht er nooit inwan-
delde toen ze nog regeerend hertogin was ?
—  Om de muggen ?
—  Neen.
—  Omdat ze \'t publiek niet zien wilde?
—   Ook niet. Er zyn genoeg laantjes met nerbolener Zugang-\'
bordjes, waar men \'t publiek ontwyken kan. Je goed-kennen van
dien tuin is weer \'n schryvers-fraze. Waarom niet nog liever gelo-
gen met de spreek-fraze: ik ken hem perfekt... \'n woord dat de
mensjes nooit moesten gebruiken. Jy dan, die den Biberichschen
slottuin zoo goed kent, wat zeg je van den gehangen man?
-ocr page 49-
AUTEUR EN LEZERS WORDEN GEKAPITTELD.                   45
—  Een gehangen man? In dien tuin?
—  Ja, zeker! Zie je wel — schry ver — dat je zeer onopmerkzaam
zyt? Daar hangt een man aan \'n boom, of liever een geraamte,
want de persoon is nu hier, by ons . .. hy werkt aan steenzout. Nu,
dat geraamte heb je niet gezien. Zeg dus niet dat je dien tuin kent.
Verzoek fancy eens je by-gelegenheid te vertellen wat dit skelet
aan dien boom beduidt. .. neen, in den boom, of \'r tégen liever . . .
zóó is het. Nu! Hertogin adelheid was er bang voor, en daarom
vermeed zy den tuin, lang voor ze \'r uitbleef uit tegenzin in de
Pruisische permissie.
Die Pruisen dan martelden haar juist genoeg om plezier van
\'t martelen te hebben, zonder haar \'t genoegen te gunnen voor ge-
marteld door te gaan. \'t Mens at er geen boteram minder om,
dat ze geen hertogin meer was. Dit is trouwens by veel onttroonde
vorsten het geval. Ze gelyken daarin op grandioze bankroetiers, die
gewoonlyk redelyk wel leven na \'n akkoord van 15 pCt. Adelheid
kreeg schoon linnen zooveel ze begeerde. Dat ze zich niet verschoo.
nen wou, was haar eigen verkiezing. Misschien vond ze \'t pikant de
zaak isabellig optenemen.
Maar denk je nu dat de Pruisen haar kost en inwoning gaven
uit mensenliefde? Of dat men die beelden spaarde uit kunstge*
voel? Der Teufel auch, nenni! Geen soldaat mocht \'nvoet in huis
zetten, veel min de trappen beklimmen, die naar de tinnen voeren
waar die beelden zich staan te vervelen. Verbeeldje dat \'n Feldwebel
eens — by vergissing natuurlyk — de slaapkamer van m\'n nicht
ontwyd had met z\'n spykerschoenen en andere dingen.. . shocking.\'
Neen, neen, niets daarvan! De soldatery bepaalde zich tot de,
nogal sterke, corps-de-yarde in de voorwarande, en wat patrouilles.
Overigens, geen schyn van dwang, of beter: wel dwang maar géén
schyn. Respectons la décence, zal men gezegd hebben. Daar woont
\'n strooweduw — dat geloof ik graag, zyzelf hadden haar man
weggejaagd — we zullen ons aanstellen als beschaafde lui. Dat kleedt."
En.. . hoor eens, er is nog iets: «heden myn, morgen dyn." Mis-
schien dachten de Pruisische Feldwebels er aan, dat ook zy mis-
schien eenmaal hün lusthoven zullen moeten beschermen... uit de Ity
verte, \'t Was my ook niet voorgezongen in de wieg dat een van
m\'n nazaten of z\'n vrouw, permissie zou noodig hebben van \'n...
hoe heeten ze ook?
—  Van \'n Hohenzollern.
—  Ja. Ik kan die namen zoo slecht onthouden — de vorstenhuizen
uit myn tyd ken ik op m\'n duimpje — nu, dat \'n Nassauer of
Nassauerinn, verlof zou noodig hebben van zoo\'n Hohenzollern, om
in z\'n eigen tuin te wandelen. En dat kan \'n Pruisischen Feldwebel
ook gebeuren, zieje, als-i maar lengte van leven heeft. Om tegen
dien tyd hun eigen beelden en vrouwen heeltehouden, hebben ze
m\'n nicht niet geradbraakt, en de steenen poppen gespaard.
Ik erken dat ik schik begon te krygen in de historisch-filozofische
expektoratien van m\'n interessanten gastheer. Maar tevens ver-
langde ik naar de avendzitting, waarin ik iets zou te weten komen
van de millioenen die ik absoluut noodig had. Ook kittelde my
-ocr page 50-
46                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
de nieuwsgierigheid naar dien paal, dat nachtsentiment — oorza-
ken van z\'n genegenheid mywaarts, had hy gezegd — en naar dat
skelet, aan, in, tegen \'n boom, dat ik moest gezien hebben.
Ik knikte dus op \'n manier die iets als »ja, juist!" beduiden
moest, maar waarin te-gelyker-tyd zekere uitdrukking van onge-
duld schynt gelegen te hebben. Althans hy antwoordde:
—  Nu ben je precies \'n lezer . . . dat\'s nog erger dan \'n schry-
ver. Meen je nu inderdaad dat ik, Inhaler van de twaalfjarige-
keizersdienst-medaille, ik die daarginds op de korst van ons bolletje
Graaf was en hier beneden Meester ben, meen je dat ik hier zes-
honderd jaar onder den grond heb gezeten om m\'n vertellingen
interichten naar den luim van den eersten den besten die . . .
me opslaat ?
Hy sprak als \'n boek dat door my gelezen werd . . . \'n feuille-
ton misschien.
—  Ach neen, Meester, ik vraag vergeving . . .
—  Zeer wel. Bedenk dat je géén keizer zyt, géén prins, en wees
beleefd jegens \'n Meester die geesten kommandeert. Zoodra je \'t
zoover gebracht hebt op de wereld — of er in — als ik, zal ik mis-
schien te-rade gaan met uw keus van gesprekken. D\'ici-la . . .
a propos, heb je \'r lust in, goed te leeren spreken?
—  Ach, zoo gaarne, zoo gaarne!
—  Nu, leg je dan op luisteren toe, en wees aandachtig als ik
spreek.
Een zonderling wezen, zoo\'n onder-den-grondkeizer!
Met \'n zedig buiginkje beloofde ik zwygend het gevorderde. En
hy ging voort:
—  Dat half-martelen, dat byna-doodknypen, dat fatsoenlyk kleu-
ren van brutaliteit, stuit me. In myn tyd sloeg de een den ander
dood, dat \'s waar, en al waren de middeltjes soms niet zeer eerlyk,
die men aanwendde om altyd de »een" te wezen, en zoo zelden
mogelyk de «ander", het doodslaan rymde iets beter op wat voor-
afging en volgde. En, leer dit van my, rym is — behalve in ver-
zen — de schoonste zaak ter-wereld. Wat goed rymt, is goed.
Vriendelyk praten en ruw handelen, is zedelyk-ongerymd, is slecht.
Kerneis slikken — ik weet niet of \'r tegenwoordig zulke dieren in
\'t Nassausche zyn ... in myn tyd niet — kerneis doorlaten en
muggen uitziften — die zyn er veel in den Bibericher tuin . . .
nu, dat\'s weer \'tzelfde — geloof me, dat rymt niet! En daarom
beweer ik dat de Pruisen beter zouden gedaan hebben die beel-
den flink naar beneden te gooien.
—   Ik begryp er nu iets van, Meester.
—  Ik geloof integendeel dat je \'r nog altyd niemendal van be-
grypt. Ik verwed \'n centenaar yzer tegen \'n pruisische Silberc/roach .. .
zeg eens, is \'t waar dat er onlangs te Berlyn \'n chemikus is op-
gehangen?
-ocr page 51-
AUTEUR EN LEZERS WORDEN GEKAPITTELD.                   47
—  Ik heb er niets van gehoord ... ik denk het wel, want de
Noordduitsche Bond houdt veel van de doodstraf. *)
—■■ Dat is waar. Er is kans op \'n goede karrière voor je zetter,
als-i naar Berlyn wil gaan. Maar ze zullen daar toch niet iederéén
ophangen ? En die chemist. ..
—  Wat had-i gedaan?
—   Men vertelt hier dat hy wegens laster is ter-dood gebracht
omdat-i beweerde, na jaren tobbens — ik erken dan ook, \'t is \'n
lage insinuatie! — zilver te hebben gevonden in \'n Pruisisch dub-
beltje Doch ... laat dien man hangen als hy hangt. Misschien zien
we hem later hier.
Nu, ik verwed \'n schep yzer tegen zoo\'n zilverlooze Siibergrosch,
dat je nu nog niet weet wat het allerminst rymt in dat ontzag voor
die standbeelden ?
Ik beet verlegen op m\'n wysvinger.
—  Houd je Siibergrosch maar — gelukkig, ik had er geen—je
zoudt haar verloren hebben. Wil je, als je straks weer naar boven
gaat, wat yzer meenemen, goed! We zien hier niet op\'n kleinigheid.
Wat je transporteeren kan, mag je hebben... als je \'t maar eens zyt
met LOGOS. Nu dan, je hebt niet eens acht gegeven op \'n veel groo-
ter kemel die zeer ongerymdelyk verslikt wordt. Je hebt weer niet
bemerkt...
Ach, lieve hemel, dacht ik, zou ik weer \'n skelet over \'t hoofd
Tiebben gezien?
Waarachtig, \'t was zoo. En ditmaal \'n heele verzameling van
skeletten.
—  Je hebt niet eens. gelet op al de geraamten die daar je aarde
bevuilen by Königsgratz! Foei, foei, ben je \'n schryver ? Een bre-
kebeen ben je, \'n beginnertje, \'n rekruut, \'n mazette, \'n kruk, \'n tiro!
Houd je eerst eens \'n paar jaar bezig met onderzoeken, opmerken,
denken! Oefen je, en wacht nog \'n eeuw ot wat, voor je je opwerpt
als voorganger. Die zetter is après-tout zoo mal niet. De man moet
waarachtig naar Berlyn...
Lezer, om u de waarheid te zeggen, ik houd niet van u. Maar
toch wensch ik u \'t lot niet toe van m\'n armen wysvinger!
Adoi.f zag misschien dat ik erg verlegen was, en met iets als
medelyden — misschien dacht hy aan de zoo vreemd rekomman-
deerende paalhistorie — haalde hy me weer te voorschyn uit den
wand waarin ik me had weggedrukt.
—   Blyf maar zitten, zei hy, en bederf m\'n behangsel niet. Ik
*) Men weet dat de voorgestelde afschaffing niet is doorgegaan. De
tegenstemmers kunnen gelyk hebben.
-ocr page 52-
48                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
zal je niet terstond geheel-en-al verdammen. ") Er kan nog altyd
iets redelyks van je komen. Byt maar veel op je vinger . . . dat
is nuttig. Leer denken.
—  Ik zal m\'n best doen.
—  Ganz wohl! En tracht je duidelyk uittedrukken.
—  Ik zal m\'n best doen.
—  Ganz wohl! \'t Is je eigen schuld als men je niet begrypt...
Ik zie den lezer groeien!
—  Je vergeet te vaak dat »Publiek" aartsdom is . . .
De lezer krimpt weer.
—  De mensen willen \'t goede wel . . .
Groei!
—  Maar die vervloekte trainbuben maken hen verachtelyker. . .
Krimping!
—  Verachtelyker dan ze wezen zouden indien \'t goede dat in
hen is . . .
Groei!
—  Niet bedorven werd door dat gespuis. De slotsom is dat ze ...
Hier laat ik \'n paar regels van m\'n gesprek met adolf onin-
gevuld, omdat ik me niet juist de konklusie van z\'n mensenta-
xatie herinner, en dus niet weet of, ik me tenslotte m\'n lezers als
dwergen of als reuzen moet voorstellen. Wie \'t liefst precies blyft
zooals hy is, kan \'t ook doen, meinentwegen !
—   Hoe dit zy, ging ADOr.F voort, het is je plicht begrepen te
worden . . .
—  Als ik onder den grond zit?
—  Ja! Ben je daarmee niet tevreden? Wat verlang je meer ? Zie
m\'n kobolden eens. Zien ze \'r niet flink uit ? En wou je beter zyn
dan \'n onschuldig graankorreltje ? Heb je ooit \'n eikel hooren kla-
gen omdat men hem begroef? Wil je zaad, kiem, bloesem, vrucht
alles tegelyk? Pas-op dat LOGOS \'t niet hoort . . . hy zou je ka-
pittelen ! Hy is veel strenger dan ik, moet je weten. Ook is hy
\') Dit wnord heeft \'n minder uitsluitend harde beteekenis dan ons
verdoemen. Het komt in den zin van veroordeelen, in deftige drainaas
voor, en misstaat niet volstrekt, in den mond zelfs van \'n dame. Ety-
mologisch is deze opvatting korrekter dan de onze.
-ocr page 53-
AUTEUR EN LEZERS WORDEN GEKAPITTELD.                  49
minder gunstig gestemd jegens u . . . over dien paal, want hy is
geen Nassauer. Maar toch m\'n vriendschap gaat niet zoover dat
ik \'t je vergeven zou als je minder waart dan \'n eikel. Weet te
sterven, dan zal je leven! Laat je begraven, je zult opstaan! Leer
verrotten . . . dat is de weg naar bloei!
M\'n zonderlinge meester zweeg \'n oogenblik, en ik spande my
in tot het begrypen van wat hy gezegd had.
MILLIOENEN\'-STUDIEN.
4
-ocr page 54-
MONARCHC iLOGIE.
Na eenig zwygen ging ADOLF heel goedmoedig aldus voort:
— Potzlausend, jongen, ik was ook zoo kinderachtig toen ik nog
keizer was. Voor den dood was ik . . . doodsbang — onder ons,
dat waren de meeste ridders, anders hadden de papen zoo\'n in-
vloed niet gekregen! — en toen ik hier aankwam begreep ik dat
de heele zaak eigenlyk niets om \'t lyf heeft. Maar wel spyt het
me dat ik daarboven niet wat méér ben geweest dan \'n keizer
die ridders vechten liet, en torens bouwde. Als ik ooit terugkwam
op de korst, zou ik trachten \'n goed mens te zyn. Logos heeft
me verzekerd dat dit \'n hooge rang is . . . ja, de hoogste. En wat
LOGOS zegt, is waar.
Wees jy nu maar tevreden, en zorg dat je \'t \'n klein beetje
verder brengt dan tot zoo\'n mizerabel keizerschap, en wees niet te
haastig, en leer wat er te leeren valt, en deel \'t behoorlyk mee
-ocr page 55-
SI
MONARCHOLOGIE.
aan anderen ... die op hun beurt je onderwyzers zyn, meer dan
je weet of erkennen wilt. Wat zou er terechtkomen van je mens-
teekenen, als er geen mensen waren die pozeerden? En scheld
je modellen niet uit. Dat jaagt de bevalligheid van hun trekken,
uit je atelier, en van je paneeltjes. Denk dat het niet pleizierig
is voor \'n lezer, daar zoo naakt te zitten als pauline borghese
by CANOVA. Hy stookte zwaar, en dat maakte de zaak dragelyk,
zei ze. Jy echter zet deuren en vensters open, zoodat alles bevriest
tot je leden-mannekens *) toe. Waar was ik?
—  Meester, ge zoudt iets zeggen over den grootsten kemel . . .
—  \'t Doet me genoegen dat je goed geluisterd hebt. De tyd zal
komen;" dat je in staat bent \'n feuilleton te lezen. Ga zoo voort. Juist,
de grootste kemel! Duizenden sloegen ze dood, dood, dood . . .
en er mocht geen kreukje komen in \'t behang van m\'n nicht\'s
ledekantje! Weet je waarom niet?
—   Omdat ze uw nicht was?
—  Neen, omdat ze zyn en hun nicht was, de nicht van die . . .
hoe heeten ze ook?
—   Hohenzollern.
—  Van die Hohenzollerns. Van de BOURBONS. Van de WITTELS-
BACHERS. Van CARLOVINGIERS en MEROVINGIERS. Van YORKEN en
LANCASTERS. Van WELFEN en GIBELLYNEN. Van de ROMANOES
Van cyrus en priamus. Van david en herodus. Van artaxer-
XES, PALAIOLOGO, KODRUS, KOMNENEN, MARTEL en PEPYN. Van
VICTOR-EMANUEL. Van ANTIOCHUS-EPIFANES, PHARAMOND, OG,
NIMROD, barbarossa en ALEXANDER den groote. Van achab en
jezabel. Van de faineanten . . . \'n talryke familie! Van cecrops,
danaus, kadmus en pelops. Van arpad. Van inachiden en
HERAKLIDEN. Van henri IV. Van de koningin van scheba. Van
macbeth. Van jagellonen, habsburgen, ptolemekn en arsaci-
DEN. Van orelius den prokureur. ") Van iwan den slachter en karel
den gek... den zesden. Van faraonen enGRlMALDl\'S. Van de centauren
HENGIST en horstan. Van Heirmannen, Helmannen, Khans, Beg\'s,
\') Mannequins, \'n woord, dat de Franschen uit het Hollandsch of
Vlaamsch annexeerden.
**) Een Franschrnan, antoi.ne tonnens, had zich eenige jaren geleden
in Araukanie koning gemaakt. Hy voerde oorlog met Chili, en richtte
meer koninklyke zaken uit. Toen \'t hem tegenliep vertrok hy naar z\'n
vaderland, waar hy — ik weet niet in welk provinciestadje — proku-
reur geweest was. Natuurlijk werd hy in Frankryk vaderlandig behan-
deld : bespot, geplaagd, wegens schulden vervolgd. Hy stond zelfs terecht
wegens escroquerie. Om aanhangers te werven tot het heroveren van
z\'n Ryk had hy gelden opgenomen, en toen hy niet spoedig genoeg
slaagde in z\'n grandioze plannen, werden al z\'n schuldeischers op een-
maal antiroyalist en demokratisch. Een koning moet ryk zyn. Toch is
hy, naar ik onlangs vernam, thans (1870) weder in Zuid-Ainerika, en
staat hy op \'t punt weer «neef" te worden van al de neven in m\'n
tekst. Prosit! (Het is niet gelukt. Op-nieuw uit z\'n Ryk gejaagd, is
hy in Frankryk doodarm gestorven.)
-ocr page 56-
52                                          MILLIOENEN-STUDIEN.
Bey\'s, Orang-toeiva, Ricos-hombres, en Franken- Voorsten. Van omar.
Van de godsgeschenken aan Habesch en Korsika. *) VanATALlBA,
montezuma, en GUATEMOZtN. Van de schoolmeesters louis-phi-
lippe en dionys. ") Van braganza\'s en Paus-Koningen. Van den
wreeden alfons en de heilige elisabeth. Van messalina, cleo-
PATRA en katharina van Rusland, geboren Zerbst. Van despoten,
dynasten, turannoi.
Van den vaderdragenden aeneas en de konink-
jes zonder duim, uit Richteren zooveel. Van radboud den Fries
die naar de hel ging. Van LOUIS XVI die ten-hemel voer. **") Van
roodharige Vikings en wat er woedendst woedde onder de Berser-
kers.
Van Noordsche ROLLO\'S, Skandinavische Stoere\'s en Musko-
vitische Dobbre\'s. Van Basileén, in purper geboren. Van al wat
zich wist te doen houden voor Dioskuur, Krisjna, betoea of taboe. Van
ieder die legioenen beguichelde met kleine laarsjes of groote woor-
den, met teekens in de lucht of champagnewyn en gloire, met circen-
ces,
regie-sigaren of uitzicht op ongestraft plunderen. Van den zwerm
swaardigsten" na alexanders dood. Van ieder die \'t eerst onder
z\'n stamgenooten het bloedgierig geduld had \'n steen te slypen
tot wapen. Van al wat moordde met koperen staaf, toen burger-
lul dat werk nog verrichtten met \'n stuk knoestig hout. Van ieder
die in de messingperiode z\'n boschpubliek deed verbaasd staan
over de nieuwigheid van \'n framee met yzeren punt. Van ontrouwe
Majordomen, Stewards, Ruwaarden, Wakhils, Praefecten, Graven
en Hertogen, die hun meesters land, leger en gezag ontfutselden.
Van al wat zich handig de uitvindingen ten-nutte maakte van
SCHWARTZ, CONGREVE, PAIXHANS, DREYSE of CHASSEPOT. Van Sul-
tans, Soedans, Pakoe-Alam\'s, Baginda\'s, Caciquen, Soesoehoenan\'\'s, Bel\'\'s,
Badi\'s, El\'s. Elohim, Adonaï,
en wat er,al zoo meer den naam
droeg van »Heer." Van Khalifen, Inka\'s, Njang-di-Pertoean\'s, Kami\'s,
Radjah\'s, Sehach\'ê, Sjerh\'s, Cheik\'s, Padischah\'s. Caesar\'\'s, Kaisers, Czaren,
Khans, Kongs "")...
hoe staat het met je borst ? Je hoest \'n beetje.
—  Meester, m\'n longen . . .
—  Schon gut! Oefen ze wat, en ga jy nu eens voort. Ik ben
niet verkouden en heb dus geen oefening noodig. Noem wat ko-
ningen op. Stoor je niet aan chronologie . . . dat deed ik ook niet.
\'t Zal me benieuwen of je den rechten noemt.
—  Noemdet gy dan den rechten niet, Meester?
—  Wel zeker! Maar er is één die allen vertegenwoordigt, en dat
\') Theodorus van Abyssinie en de Baron theodor von neuhoff die
\'n tyd lang — gi-ootendeels in partibus — koning van Korsika geweest
is. De laatste overleed in \'n arinengestieht.
") Dioxysius van Syrakuse en lodkwyk Philips gaven in oogenblikken
van gedwongen loisir, ondeiwys aan de jeugd.
***) ï>Fils de ST. louis, monte au ciel!"
****) Waarschynlyk zal de vry nauwkeurige ADOLF ook Maleks of
Melchen genoemd hebben. Maar ik sla die over. om de pointe niet te
bederven. Op de meesten der in den tekst voorkomende titels zal ik
terugkomen in m\'n idee.N\'. Daarover zyn belangryke opmerkingen te
rnaken.
-ocr page 57-
MONARCHOLOGIE.                                              53
is de ware rechte. Wie \'t geluk heeft neef of nicht van hèm te zyn,
is \'t ipso jure van de heele Sippschaft. Ik luister.
—  Van Zyne Majesteit WILLEM den derden, Koning der Neder-
landen, Groothertog van Luxemburg, Keizer van Insulinde . . .
—  Deugt niet! Men kan wel zien dat je pas \'nen Holldnder ge-
bruikt hebt. Je maag praat mee. Noem anderen.
—  Van Keizer Plebiscit?
—  Ga voort, ga voort!
—  Van octavianus augustus die \'t leven van caesar . . .
voortzette. Van eteocles en polynices, scheikundigen na hun
dood. Van DAGOBERT qui mettait sa culotte a V envers, van NAU-
SlCAa\'s vader die \'r geen waschvrouw op nahield . . .
—  Laat de kommentaar weg. Die maken we hier-beneden zelf.
Ga voort!
—  Van SEMIRAMIS, AGNES SOREL, MAINTENON, DUBARRY en LOLA
MONTEZ . . .
—  Hè? Was gefalligf
—  Vergeving, Meester! Van de LOUIS1 en de ludwigs, van de
Eyksos, van de heptarchen, tetrarchen, duodecimorchen . . . allerlei
archen. Van bajazet, timoer-leng, DJENGIS en attila. Van den
lieftalligen heerscher in DAHOMEY wiens naam ik niet weet . . .
—  Dan had je \'m kunnen overslaan. Ga voort!
—  Van romulus, remus, egeria . . .
—  Hè?
—  Van numa pompilius, Meester. Van tullus hostilius,
ANCUS . . .
—  Ik schenk je wat daarby hoort, tot augustulus toe. Ga voort!
—  Van CHARLEMAGNE en den koning van Rome-Reichstadt.
Meester, ik begin moe te worden.
—  Ganz wohl ... ga dan maar voort. Het zal je goed doen.
—  Van . . . van . . .
—  Ga voort!
Ik moet bekennen dat m\'n voorraad koningen aanving geweldig
te dunnen. Ik trachtte byeen te sprokkelen wat ik kon.
—  Al de keizers van China, riep ik.
—  Bichtig. Ga voort!
—  Al de dynastien van Egypte . . .
—  Zeer wel. Vivant sequentes! Ga voort!
—  De honderden koningen uit Ilias, Odyssea, Exodus en andere
Arabische vertellingen . . .
—  Dat helpt \'n beetje. Ga voort!
—  Meester, riep ik hoestend — en ik moet dit erkennen, eenigs-
zins ongeduldig — alle koningen die ooit over eenig volk hebben
geheerscht!
Was het te veel verwacht dat ik meende nu \'n oogenblikje tyd
te hebben tot uithoesten? Ik voelde me ontlast als de Keulenaar
die, bluffend op \'t aantal relieken in z\'n Dom, zich verbeeldde al
heel wat gezegd te hebben, toen hy zich op de een-en-twintig-duizend-
-ocr page 58-
54                                    MILLIOENEN-STUDIEN.
negen-honderd-acht-en-negentig knieschyven van URSULA\'S kame-
raadjes beriep . . .
Helaas, ik had buiten m\'n gastheer gerekend! Men moet erken-
nen dat hy \'n lastig heerschap was. Alsof ik nog niets genoemd
had, bromde hy me z\'n ontevreden: »ga voort, ga voort!" toe.
M\'n toestand was inderdaad vreeselyk. Ver van m\'n dierbaar
Vaderland . . .
Ik zat in angst! Die ADOLF zag er niet naar uit, alsof hy me \'t
minste prinsje schenken zou. Hy gaf me den indruk van SHYLOCK,
en sidderend betastte ik myn niet zeer vleeschig lichaam, om te
onderzoeken uit welk deel daarvan hy zich voorstelde \'n pond of
wat dynastien te snyden . . . helaas!
Als de toekomst van \'t koninkschap daarvan afhing . . .
Heel bedaard, en als vorderde hy de gewoonste zaak van de
wereld, gelastte hy me nogeens voorttegaan, en voegde er sarrend
by: wenn ich hitten darf!
De minst magere deelen van m\'n stoffelyke ikheid verscholen
zich diep, diep, in \'t granietbankje waarop ik zat. \'t Scheen dat ze,
als espartero onlangs, geen lust hadden in \'t souverein gezag.
—   Wenn ich nochmals bitten darf!
—  Meester, ge behoeft niet te verzoeken, ge kunt bevelen, maar...
—   Oanz wohl! Welnu: ik beveel.
Een koning die niet over \'n volk geheerscht heeft? Ik ben er,
dacht ik:
—  MELCHI . . .
—   Getroffen! riep ADOLF. Maar dat riep hy te snel. Want ter-
stond trok hy z\'n goedkeuring in, toen ik met misplaatste blyd-
schap voortging:
—  Melchior, kaspar, balthazar, de monarchen van 3 Januari.
—  Gekheid ! Ook zy zyn wel bloedneven van m\'n nicht adelheid,
maar staan haar niet nader dan de rest. Ik eisch \'n consin xareZóföv
—   Dien ken ik niet, zei ik beschaamd.
—   Je bent ■ nog dommer dan de biechtvader die me bediende
toen ik Keizer was. De kerel absolveerde voor \'t vaderland weg.
Ik wil je hooren zeggen, wie de neef is: by uitnemendheid, van
m\'n nicht adelheid ? De neef in de honderdste macht, de neef
die veroorzaakt dat al haar neven haar neven zyn? Ga nu voort,
en haast je wat!
In den angst van m\'n hart riep ik fancy tehulp, zooals ik ge-
woonlyk doe als \'t me te benaauwd wordt gemaakt, en zy... ze
werd ondeugend. Dat is haar gewoonte ... als ik \'t benauwd heb.
Ze fluisterde my in, en ik rammelde in een adem na:
—  Meester, uw nicht, de nicht van de hohenzollerns die haar
zoo vriendelyk behandelden, is tevens de nicht:
van BERANGERS roi d\'yvetot,
van Lady STANHOPE, the queen of the desert.
van kaulbach\'s Leeuw in Reintje de Vos.
van Fi-edrische, Esopische, Lafontanische leeuwen,
-ocr page 59-
MONARCHOLOGIE.                                              55
van de leeuwen in Arlis,
van simson\'s honigleeuw,
van de leeuwen die DANIEL niet opaten,
van den Nederlandschen leeuw,                              *
van king-charles-\\ceu\\vt]es . . .
—  Leeuwen genoeg. Ga voort!
—  Van Adelaars en Walvisschen, lucht- en waterkoningen.
—  Geen dieren meer. Ga voort!
—  Van CAMBRINUS den bierkoning. Van . . . Asschepoester\'s
gemaal. Van . . . Batavia, de koningin van het Oosten . . .
—  Ga voort!
—  Van alle winterkoninkjes. Van \'t Haagsche Dagblad. *) Van
harten-, schoppen-, klaver- en ruitenheer . . . oef!
Meester, ik ben öp.
—   Ja, zoo zyt gy, mensjes, antwoordde AüOLF, goediger dan
ik gevreesd had. Het scheen nu dat hy zich maar wat met m\'n
angst had willen vermaken. Redelyk welwillend vischte hy me op
uit de granietmassa waarin ik nogal diep verzonken was. Ik meende
reeds duidelyk de voetzolen van \'n paar antipoden te onderschei-
den. En hy begon weer te schoolmeesteren:
—   Wil ik je nu eens zeggen waarom je den rechten niet wist
te noemen ? Je hadt meer lust aardig en geestig te zyn, dan waar.
Dat is \'n groote fout, m\'n jongen . . . wen je dat af.
—  Maar, Meester . . . dan lezen ze me niet!
—  Dat \'s hïin zaak! En nu . . . wanhoop je aan \'t vinden van
den echten oorspronkelyken hoofdneef?
—  Meester, ik wanhoop.
—  Sehr wohl! Je weet dus niet wien ik bedoel ?
—  Meester, ik weet het niet.
—   Vorzüglichl Je kïmt niet?
—  Meester, ik kan niet!
—  Zum Entziicken . . . bezauberend! Nu, dan moet je!
En fancy, die altyd by-de-hand is als er iets onmogelyks moet
gedaan worden, riep, uit myn mond lachend, met luider stem:
—  Van MELCHIZEDEK den gezalfden koning van Salem!
—  Getroffen... endlich! Juist! De ware grond der beleefdheid
jegens m\'n nichtje ligt in de heilige zalf van dien algemeenen
stamöom. Het doet me genoegen dat je eindelyk geraden hebt. Hm...
verdrietig omgaan met menschen dien men alles moet voorzeggen !
*) Met het oog op de wyze waarop zeker soort van lezers scherts
opvatten — \'n gevaarlyke zaak in ons landje! — verklaar ik uitdruk-
kelyk dat deze niets kwaads bedoelende toespeling op den naam van
den heer lion, niets, volstrekt niets te maken heeft met de taktiek
die z\'n tegenstanders tegen hem bezigen. Non tali auxilio tegen \'t
behoud! Ik schat den yver en het talent van dien publicist zeer hoog,
en wenschte dat we in \'t liberale kamp wat meer stryders hadden
van zyn gehalte. Dat schelden op personen moest nu eindelyk eens
ophouden, vind ik: we schiyven 1871.
Noot van 1878. "t Is er waarlyk niet op verbeterd !
-ocr page 60-
56                                    MILLIOENEN-STUDIEN.
Wie wat leeren wil moet ook iets geleerd hebben. Denk daaraan,
ook van avend in de vergadering, en zeg \'t je lezers.
Die MALEK zadok is de Aartskoning van wien elk rechtschapen
heerscher z\'n heerlykheid afleidt. Bygeloof en baasspelen gaan altyd
hand-aan-hand. Dat men beleefd is jegens \'n man die aan \'t hoofd
van de zaken staat, keur ik goed. Waarom zou men door lompheid
of wrevel de taak verzwaren van iemand die belast is met druk-
kende verantwoordelykheid ? Maar dat aanbidden van \'t gezag als
\'n heiligheid, is \'n fout die uvvJieder Geschiedenis ontsiert . . .
—  De eerbied voor \'t Goddelyk-Recht is zeer aan \'t dalen, Meester!
—    Mit nichten! Als ik je nu liet doorspreken, zou je my iets
voorliegen van uw — Beschaving, van uw Verlichting, van \'t On-
derwys, niet waar? In myn tyd, dien gylieden de periode der don-
kere middeleeuwen noemt — heel komiek, waarlyk! — pronkte
men ook met zulke dingen. Ook wy verbeelden ons al byzonder
ver gevorderd te zyn. Elk geslacht vergelykt zich met het vorige,
en blaast zich zonder reden op. \'t Menschdom lykt wel \'n jongen
die zich voor \'n eerst worstelaar houdt, omdat-i minder stram is
dan z\'n jichtige grootvader. De kinderachtige eerbied dien gy allen
nog koestert voor zekere heilighedens . . . ziedaar, ge meent zeker
dat gylieden daarin iets minder dom zyt dan myn tydgenooten?
Fehlqeachossen! Althans er zyn uitzonderingen. In uw geschied-
schryvery verwart ge altyd den indruk dien oude zaken op u maken,
met de beteekenis die daaraan gehecht werd toen ze nieuw waren.
Wy bouwden geen ruïnes, gij vondt bouwvallen. Over \'t geheel is
niets zotter dan de wys waarop gy menschen uw Geschiedenis op-
vat ... nu ja, \'t schryven zelf. Die Sonnenberg boven ons hoofd
was eens spikspeldernieuw. Om je eenigszins te verontschuldigen,
moet ik erkennen dat wy van onzen kant ons niet konden voor-
stellen dat het ding eenmaal voor\' \'n paar groschen zou bekeken
worden als herinnering uit den voortyd. En dat \'n Pruisische
pórtjeh . . . gottsdonnerwetter!
Alle kleur is naar \'t licht dat er op valt, en wie zich niet weet
te verplaatsen in den tijd der gebeurtenissen, ziet ze anders gekleurd
dan ze waren. Of zou misschien . . .
ADOLF haperde. Hy keek me vragend aan, en ging na eenig
zwygen aldus voort:
—   Ik zie wat je denkt, \'t Is redelyk intelligent van je. Nu ja,
\'t is mogelyk dat alle kleur valsch is, en dat zoowel ik verkeerd
deed myn eeuw en myn torens te beschouwen van al te naby, als
gy die ze van al te ver ziet. Niets is geheel waar, m\'n jongen.
Onthoud die spreuk, en zend haar als waarschuwing vooruit als
je weer ideen schryft. Of deed je \'t al? Schon gut!
Niets is geheel waar. Dus ook alweer dit niet, mannetje . . .
Ik nam dat verachtelyk «mannetje" op als \'n uitval van spytig-
heid. Adülf scheen \'t kwalyk ,te nemen dat ik eens byna gelyk
had. Dooden zyn zoo.
-ocr page 61-
MONARCHOI.OOIE.                                              57
—   Geloof me, niets is geheel waar. Dus ook niet dat gylieden
met uw Verlichting en Beschaving den zotten eerbied voor \'t droit
divin
zoudt geknakt hebben, \'t Heerscht nog in al z\'n kracht, ster-
ker zelfs dan in myn tyd.
Ik maakte een beweging die ongeloof aanduidde.
—  Wel zeker! Ge vergeet altyd — juist als met de oude torens
— dat de oudste geslachten eenmaal nieuw moeten geweest zyn.
In de middeleeuwen waren alle Vorsten parvenus, en wie op oud-
heid van afkomst geroemd had, zou gevaar geloopen hebben iemand
te ontmoeten die z\'n grootvader als vechtman van de laagste soort,
als boer of zelfs als lyfeigene gekend had. De adel was dan ook
aanvankelyk veel minder hovaardig dan ze later geworden is, toen
de getuigen van lage afkomst begonnen uittcsterven. Hoe verder
men zich verwyderde van den oorsprong der «huizen" — \'n gekke
uitdrukking in \'t oor van iemand die ze als hutjes of holen gekend
heeft! — hoe makkelyker \'t viel dien oorsprong op te sieren met
legende. Dat verheffen der afkomst van graven en prinsjes, was
\'n handig middeltje tot kostverbeteren voor ieder die \'t lezen en
schryven verstond. Voor \'n slok gerstebier kon men z\'n grootvader
.tot \'n deftig man laten verklaren, die \'n byl in eigendom bezat.
Nog \'n slok . . . hy was aandeelhouder — lui dixième — in \'n
ploegyzer. Een paar nappen honigmee maakten de voorouders tot
eigenaars van \'n ommuurde hoeve, tot landheeren, tot scheidslie-
den in gedingen, tot gezaghebbers. En voor \'t minst dat zoo\'n
voorvader twistziek van aard en tevens lui was, kon men hem doen
ophemelen tot held. Dit wist je zeker niet, dat er oorspionkelyk
zooveel traagheid schuilde onder die heldhaftighedens ? Nu, \'t is zoo.
Er werd ten-allen-tyde \'t meest gevochten door wie \'n afkeer van
werken had. Kort vechten is minder vermoeiend dan lang spitten.
Het bewerken van \'n klein akkertje vordert grooter inspanning
dan noodig is tot het doodslaan van honderd menschen... vooral
wanneer ze niet in yzer gekleed zyn. En met dezulken vochten
onze ridders \'t liefst, al zeggen uw balladen daar niets van.
Grafelyke afkomst kostte eenige dagen herbergens van \'n tafel-
likker die dichten kon, en wie zoo\'n kerel \'n ring gaf of \'n rok
van vriesch laken, was zeker hertog. Hongerige verzenlymers heb-
ben alzoo den Adel gemaakt... wat jammer genoeg is. Waarom
noem ik dit jammer?
—  Adel is \'n misbruik, Meester, \'t Is \'n zotterny, \'n schande, \'n
vooroordeel, \'n pest, \'n vloek . . .
—  Prachtvoll! Zorg jyzelf maar geert pestte worden door\'t ver-
tellen van zulke zotte dingen. Adel is een der schoonste zaken die
LOGOS aan u, domme menschen, gegeven heeft. Gy misbruikt, gy,
maar zeg niet dat Adel zelf \'n misbruik is. Ik wil je dit wel uit-
leggen, maar wees dan minder burgerlyk-plomp van opvatting.
Jammer noemde ik het, dat uwlieder Adel door verzenknoeiers
gemaakt is — en de papen deden ook mee, dat spreekt vanzelf —
omdat hy juist daardoor z\'n ware beteekenis verloor. Dat schelden
op Maren adel is afgezaagd en bekrompen, \'t Moet zeker demokralie
-ocr page 62-
58                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
heeten ? En zelfs het schimpen op de valsche is oneerlyk. Toen je
overgrootvader wegens diefstal werd geradbraakt...
Ik vloog in woede op, en wilde...
—   Ga maar weer zitten, zei adoi.f. Ik weet niets kwaads van
den man, en stelde maar even zoo-iets, om je te dwingen tot blyk-
geven dat je wel terdege waarde hecht aan geslachtseer. Gy demo-
kraten die de wettigheid der aanspraken van erfglorie ontkent,
wordt razend als men u geërfde schande verwyt. Indien je demo-
kratie oprecht was, zou \'t je volkomen onverschillig zyn hoe die
overgrootouweheer aan z\'n eind gekomen was. Wees toch konse-
kwent, jongenlief, en wordt niet zoo boos als ik je doe gevoelen
dat je \'t niet zyt.
Dat flikvlooien dan van ieder die \'n plaatsjen aan \'n gedekte tafel
te begeven had — dekken zeg ik by wyze van spreken, want ta-
fellakens gebruikten we niet — heeft \'n valschen Adel in de we-
reld gebracht, die veel kwaads stichtte. My zeiden ze dat ik afstamde
van . .. wien denk je wel ?
—  Ik durf niet raden, Meester.
—  Bescheiden! Ze vertelden dat ik van de familie van AUGUSTUS
was, en wel door ondeugende bemiddeling van ovidius NASO. Ver-
beelje, die verzenmaker zou verbannen zyn omdat hij zich met be-
hulp van juua boosaardig had meester-gemaakt van \'n onwettig
stamvaderschap der Nassau\'s! Er is geen woord van waar. Zoover
ik heb kunnen nagaan waren m\'n voorouders onbesproken lieden
in \'t Dillenburgsche, en namen ze later den naam aan van \'t landje
waarin ze tot welvaart en aanzien geraakten. De neus van ovidius
heeft hiermee niets te maken.") Doch ik zeg dit alles maar als gis-
sing, want eigenlyk hadden we geen andere familiepapieren dan
vlashaar en blauwe oogen, waaruit ik opmaak dat we Germanen
zyn. Nu, dit zegt niet veel. Heel Duitschland is er vol van.
Toen \'t kunstje der familielegenden begon te slyten, was men op
nieuwe middelen bedacht om die «huizen" aanzienlyk te maken,
en als gewoonlyk nam men z\'n toevlucht tot iets heel ouds. Gylie-
den doet hierin als de modemaaksters die in oude prentjes modellen
zoeken voor \'t nieuwe. Overal had men ten-allen-tyde grootheid
ontleend aan goddelyke afkomst, en dit ging zoover dat men heel
lichtzinnig omsprong met de eer van \'n stammoeder, wanneer men
slechts haar afwyking van \'t spoor der deugd gebruiken kon als
") Of \'t waar is dat men adow trachtte wystemaken dat het woord
Nassau (= vochtige laagvlakte) van naso zou afstammen, weet ik niet.
Maar wel weet ik dat \'n Waalsche abbé, kort na den val van napo-
leon, den Souvereinen Vorst der Nederlanden \'n rechtstreeksche fami-
liebetrekking met juijus caesar opdrong, \'t Stond in \'n boekje dat my
werd gegeven als prys: «voor vorderingen in de Geschiedenis, en als
aanmoediging om op den ingeslagen weg voorttegaan." Men treft zulke
aardigheden het meest aan in tyden van restauratie, als \'n terugge-
keerd Vorstenhuis in de oogen van oude en nieuwe onderdanen moet
verheven worden tot iets buitengewoons.
-ocr page 63-
MONARCHOLOGIE.                                    59
geleidelyk verbindingspadje tusschen hemel en aarde. Daarom zyn
alle mythologien zoo liederlyk. De DON JUAN\'S van den Olymp —
zie me zoo\'n JUPITER eens! — werden uitgevonden om menschen
die \'t betalen konden, aan goddelyken oorsprong te helpen. Dit ge-
schiedde in Griekenland, in Egypte, in Indie, in geheel Azië, overal. ")
En de papen wezen ons Noordwesterlingen den weg om dat nate-
volgen. Ploegyzers, hoeven, en heldenfeiten van grootvaders hiel-
pen niet meer. Er moest meer bezeten zyn of iets fraaiers uitge-
richt — al was \'t dan maar \'n zonderlinge geboorte — om zich
hooger voortedoen dan anderen. Men zocht in de Schrift, en vond
dien zadok »een priester van den Waren God." Daar nu de ver-
beelding onzer verzenmakers minder bloemig was dan die van
hun zuidelyke of oostersche voorgangers, en ook omdat ze by-voor-
keur den makkelyksten weg kozen — juist als de ridders ... je
ziet hoe ook hier luiheid \'n rol speelde! — maakten zy elke by-
zondere vertelling overbodig door eens vooral dien MELCHIZEDEK
aantestellen tot algemeenen stamvader . . .
—  Van alle Koningen?
—  Meer nog. Van het Koninkschap. En de eerbied daarvoor is
in-geenen-deele versleten. Als byhangsel ziet men overal de gedwee-
heid waarmee; eder zich buigt ook voor ander gezag dat wel niet
koninklyk is, maar met de koninklyke voorrechten staat of valt.
Een vooroordeel drupt waar \'t niet regenen kan, en zelfs in je zoo-
genaamde Republieken waar men den koning verjaagde, schept
men zich allerlei koninkjes uit halve- kwart- en negatieve groot-
heden, die zich ter verontschuldiging van hun existentie waarachtig
niet kunnen beroepen op jupiter\'s nachtloopery. En ook de goeie
MELCHIZEDEK is de stamvader van de zoodanigen niet. Maar wel
wordt het ontzag voor de barons van den winkel in-stand gehou-
den door iets als melchizedeksche verkrachting van eigenwaarde.
Cessante causd . . .
—  Cessat effectus . . .
—  Glad verkeerd! Na \'t ophouden van \'n oorzaak blyven zeer
dikwyls de gevolgen bestaan, en ze worden zelfs oorzaak op hun
beurt. De lamlendigheid waarmee men eeuwen lang dat geestelyk
stamvaderschap van den Salemschen koning eerbiedigde, heeft bewerkt
dat men aan dezen eerbied de gewoonte ontleende zich te buigen voor
allerlei waardigheid die toch met dien «priester des Heeren" niets te
maken heeft. Wie lang gebogen ligt voor \'n altaar, wordt krom
en blyft krom. Hy zal zich later niet oprichten, al staat-i voor toon-
bank of geldla. Zoo gaat het dan ook. En \'t staat burgerlut die
zich ter-aarde werpen voor den mammon, heel gek dat ze laag
neerzien op de aanbidders van \'t droit divin. Meen je dat er maat
is in zotterny?
—  Ja . . . neen . . . neen . . . ja . . . Meester, ik geloof . . .
—  Je gelooft dat je \'t niet weet. Heerlyke meening! Ik zeg je
dat elke zotterny precies even zot is als zoodanig. Maar er is zedc-
lyk verschil tusschen wanbegrippen die op voordeel azen, en kin-
") Behalve misschien in China. Doch dit weet ik niet zeker. In Japan
zyn, meen ik, de kahi\'s van goildelyken oorsprong.
-ocr page 64-
6o                                MILLIOENEN-STUDIEN.
derlyke dwaling die bewys geeft van oprechtheid. Ten-allen-tyde
offerde men zich op voor zoo\'n koninkschap. Daar is iets liefs in.
Je vindt me behoudend?
Ik meesmuilde. Waarlyk, ik raadde zoo zelden juist dat ik den
moed verloor \'n meening te uiten. Ik mompelde iets over de «libe-
ralen" en wat zij misschien zeggen zouden als adolf\'s opinie hun
ter-oore kwam . . .
Maar ik had den tyd niet m\'n indruk behoorlyk onder woorden
te brengen. Een vreeselyke woede scheen zich van m\'n gastheer
meester te maken. Hy viel my in de rede niet \'n vloek dien ik
gelukkig vergeten heb. \'t Was erg! Daarop:
—  Li . . . li . . . liberalen ? Wat zyn dat voor dingen ? Met zul-
ke voddery houden wy ons in \'t Ryk der Geesten niet op, hoor-
je? Voor myn deel kunnen ze in \'t een of ander dagblad vertellen
dat ik me heb laten omkoopen, of redakteur van \'n krant worden
wil. En jy die me aan boord komt met zulke ploertery ... als
\'t nog ééns gebeurt, jaag ik je naar boven. Daar mag je dan \'n
Rotterdammer lezen, of \'n Nieuw Bataviaasch Handelsblad, of \'n
Arnhemmer, godbeter \'t, in gezelschap van je civil veraorgten pór-
tjeh die ook zit te libera\'lizeeren ... in de Bierachenke.
LIBERALISMUS . . . parle moi de ca! Dat is wat anders, hoorje,
dan praatjes van liberalen over liberalismus. Die pórtjeh — de
kerel is op \'t oogenblik zat — en die kranten ... ze kennen van waar
liberalismus de eerste letter niet... en jyzelf blykt er ook niet sterk in,
als je me hier komt beprofaneeren met zulke praatjes! Ik zeg ivatik
voor wddr houd.
Dat is liberalismus, verstaje? Als je straks weer
op de korst komt, en je ontmoet zoo\'n liberaal, zeg hem . . .
Ik werd bang. Want ik vreesde dat ADOLF me belasten zou met
\'n boodschap, zóó onvriendelyk dat men daaruit duidelyk de tonnen
schats zou byeentellen die \'t «Behoud" me voor die dienst had
geschonken, \'t Liep deze keer nogal goed af. AdOLF was klemen-
ter dan ik verwacht had, en misschien verdiend.
—   Als je zoo\'n liberaal ziet, zeg hem dat-i wel zou doen naar
school te gaan, en te beproeven . . . liberaal te worden, als hem
dat nog mogelyk is. Die lieden hebben aan geen ding meer behoefte
dan aan \'n beetje vryzinnigheid. Ook zyn ze — precies als myn
ridders alweer! — dikwyls lui. Velen laten zich aanwerven onJer
de liberalen om gemakshalve alles te ontkennen. Dat wint de
moeite van \'t onderzoek uit. Ik zie wat je denkt . . .
—  Ja Meester, \'t komt me voor dat sommige Behouders . . .
—  Deze keer heb je gelyk . . .
Goddank, eindelyk eens!
—  Ja, de meeste behouders nemen om dezelfde reden alles voet-
stoots aan. Zóó is het! Als de menschen wat minder traag waren,
zou je daarboven minder last hebben van \'t domme partygeknoei
-ocr page 65-
MONARCHOLWHE. \'                                         6l
dat het vinden van waarheid vierkant in den weg staat. Wie te
lui is voor \'t scheppen van \'n eigen opinie, neemt aandeel in de
een of andere helft van \'n allemans-meening. Maar dit is nog \'t
allerergste niet. Het vuilste gevolg van dien annoed aan geesteJyk
eigendom, is \'t verdacht-maken van den enkele die onverdeeld be-
zitter is van \'n geestelyk ploegyzer. Dat maakt ziel- of lyfeigenen
afgunstig, zieje, en afgunst is de moeder van veel . . . boekbe-
oordeelingen.
Wat overigens je liberalen aangaat . . .
Hier begon adoi.f te hoesten. Maar z\'n kuchjes waren gemaakt.
Ik bemerkte duidelyk dat hy slechts \'n voorwendsel zocht om van
gesprek te veranderen. Met iets als angst zag hy schuins-uit. Ik
volgde de richting van z\'n blikken, en ontwaarde dat LOGOS in de
buurt was.
— Nu ja, erkende ADOLF na eenig wachten, hy hoort niet gaar-
ne dat ik me bezighoud met die dingen. By zulke gelegenheden
verwyt hy me dat m\'n gnoomschap van zoo jongen datum is, en
dat ik me telkens aanstel als \'n ongestorvene. Ik erken dan ook
dat ik nog altyd m\'n menselykheid niet behoorlyk heb afgeschud.
Waarom heb je me boos gemaakt met die kranten! \'t Is waar,ik
had geen notitie moeten nemen van \'t geleuter over zaken die
voor m\'n domsten kobold te laag by den grond zyn. *)
") Ja, wat laag by den grond. In \'s hemelsnaam, men bukt zich soms.
De redakteur van \'t N. Batav. Handelsblad zou zich vergissen als-i
nwende dat ik z\'n kritiek van m\'n laatste werkjon over vryen-arbeiu
gelezen had. De som die \'t «Behoud" my voor m\'n opinien betaalt, is
wat schraal. Ik kan me daarvan noch indische bladen aanschaften, noch
de weelde veroorloven van \'n overbodigheid als waaronder ik \'t kennis
nemen van zyn oordeel over myn werk en javasche toestanden meen
te moeten sorteeren.
Men schryft me dat de Bataviasche voorlichter het nauw verband
ontdekt heeft tusschen myn oordeel over Vryen-Arbeid, en zekere mo-
gelyke vakature by \'t Haagsche Dagblad.
• Ook vernam ik by die gelegenheid dat ik den Max Havelaar heb
ingetrokken. Dat zal van twist pleizier doen!
Ik vind het overigens niet fraai van onzen liberalen Laurens Coster,
dat hy z\'n uitvindingen zoo lang verborgen hield. Zoowel uit de Inlei-
ding der Minnebrieven
immers, als uit m\'n eerste brochure over vry-
en-arbeid bleken reeds lan» m\'n venaliteit, m\'n eerzucht en \'t her-
roepen van den Havelaar. Waarom eerst nu \'t Publiek bevoorrecht met
de mededeeling van die ontdekkingen? Van geniën is edelmoedigheid
te vorderen.
Door dit misdadig verzuim heeft nu de brave van twist tien jaren
lang ten-onrechte zich verbeeld \'n ellendeling te zyn. Wat al wroeging
voor niemendal! En ook de aandeelhouders van \'t Dagblad hebben oor-
zaak tot klachte. Door de zoo late ontmaskering van m\'n duizeling-
wekkende ambitie, liepen ze gevaar hun aktien te zien dalen in de
-ocr page 66-
62                                          MILLIOENEN-STUDIEN.
Ik behoudend? Ik? Dat zal je terstond zien als ik die koningen
by-gods-genade onder-handen neem. Want al zyn ze m\'n neven .. .
recht gaat voor. Wat doen ze voor de volkeren die hen als half-
goden aanbidden? \'t Is drommels gemakkelyk, eeuwen lang voor-
deel te trekken van olympische medeplichtigheid aan voormoeder-
lyke misstappen, men behoorde ook nu-en-dan te toonen dat ras
en hooge afkomst iets waard zyn. Een arabisch paard loopt en
gedraagt zich als \'n arabisch paard. Zoo behoort het! Maar veel
godenzonen in Europa maken \'n figuur alsof hun grootmama zich
met SILENUS of diens ezel had ingelaten. By zooveel rnture in han-
deling is \'t waarachtig de onzedelykheid niet waard zich voor \'n
bastert-naneef van jupiter uittegeven.
Dat voelden uw koninkjes wel, en \'t drukte hen wel, en ze schaam-
den zich wel, maar ... als gewoonlyk werkten dat gevoel en die
schaamte verkeerd. Om ras te toonen, of iets wat er naargelyken
zou, legden ze zich op vechten toe, de makkelykste manier om veel
bombarie te maken met weinig inspanning. Je ziet het, in m\'n oor-
deel ben ik — oud-keizer! — geheel demokraat. Es wird nochbes-
ser kommen
in \'n volgend hoofdstuk. Zeg eens, jy, schryver.. .
De minachting waarmee adolf dit woord uitsprak, is niet weer-
tegeven. Wat zou ik doen!
Jy schry ver, ideenhandelaar, gedachtenkleeder, denkbeeldvormer...
zou je kans zien twee engelsche aristokraten te gebruiken als toon-
beelden van \'n mishandeld Volk? Ik zal je op den weg helpen.
Lord fitz-william had \'n koetsier die z\'n meester haatte. Of
onze FITZ daartoe reden had gegeven, weet ik niet. Maar \'t is
zeker dat TOM op middelen zon om by de eerste gelegenheid z\'n
gemoed te koelen. Hy deelde dit voornemen mee aan z\'n vriend
BILLY, die in dezelfde stemming verkeerde omtrent z\'n eigen heer,
lord fitz-james, doch ook niet wist hoe hy de zaak behoorlyk,\'d. i.
gevaarloos, zou aanleggen. Op eenmaal werd billy\'s verstand ver-
licht door \'n vonk van genie. Wat deden zy, denkje?
— Meester, ik weet het waarlyk niet. Fosfer in de soep ? Vet in
\'t hooi?
—■ Afgezaagde middeltjes! Den eersten keer dat de beide heeren
elkander in open rytuig ontmoetten, gaf TOM aan billy\'s lord \'n
handen van iemand die geen enkel Waar-Geloof heeft, en zelfs nu-en-
dan \'n gladverkeerde spelling.
Nog meer gebrek aan edelmoedigheid! Mag \'t in den scherpzinnigen
stenograaf /air heeten, my aantevallen nadat er uit blz. "137 van m\'n
IVn Bundel ween (3e uitg.) gebleken was hoe bang ik voor hem ben?
Is dat het loon voor den hem in m\'n Brief aan de Javaannutmaat-
echappu
zoo gul gegeven raad om te leeren lezen f
Ik herhaal by dezen dien raad met de meeste welmeenendheid, en om
de maat dei- gloeiende kolen voltemeten, beloof ik hem, by den eersten
herdruk van m\'n specialiteiten, \'n plaatsjen in de noot op blz.1, vlak
naast den Nieuwen Rotterdammer.
Meer kan ik niet voor den man doen ... ik heb \'t spit in den mg.
-ocr page 67-
MONARCHOLOGIE.                                              63
flinken zweepslag. BlLLY aan \'t razen: »hoe, zouje myn meester
slaan, dat zal ik je afleeren . . . ziedaar!" En de arme fitz-wil-
LIAM ontving twee slagen voor één. Tom, in woede ontstoken, be-
taalde daarvoor vier aan fitz-james, waarop weer bili.y z\'n mis-
handelden heer wteekte met \'n half dozyn striemen om de ooren van
den anderen lord. Daarop TOM weer. Toen billy nogeens. Vervol-
gens beiden te-gelyk, en om \'t hardst. De brave koetsiers trokken
zoo vurig party voor de eer en de ruggen hunner meesters, dat
de twee lords eindelyk als geleebraakt werden naar huis gebracht. En
toen ze genezen waren voelden zy zich fatsoenshalve nog verplicht hun
koetsiers te bedanken voor de genomen moeite en tentoongespreide
heldhaftigheid.
Die lords zyn de Volkeren, m\'n jongen. En de Koningen hande-
len daarmee als TOM en billy, die zich bij zulke gelegenheden
redders noemden van de respektieve Vaderlanden op wier rug de
striemen neerkwamen. Vertel dit gerust aan je lezers, en zeg dat
ze daarmee hun voordeel doen, onverschillig of zy lord of koetsier
zyn, Volk of Koning. Maar ga nu niet denken dat je Vredebonden
iets waard zyn . . . gekheid! Tom geeft er niets om, en BILLY
ook niet.
—   Als men hen de zweepen afnam, waagde ik beschroomd in
\'t midden te brengen.
—  Dummheit! Dat noem ik \'t kind wegwerpen by \'t leeggieten
van de badkuip. Neen, zweepen hebben ze noodig voor de paarden.
Een koetsier zonder zweep is géén koetsier. Hoofdzaak is dat men
hen niet toejuicht als ze daarmee hare lordschap Algemeene Wel-
vaart hebben afgeranseld. Men moet ze niet dronken maken met
wierook en verzen. Menig vechtkoning die de rymelende praatjes
van zoo\'n dichter — zoo noemen zich die kerels, waarachtig! —
d la lettre opnam, meende inderdaad iets heel fraais te hebben
uitgericht als hy duizenden en duizenden had laten om-hals brengen.
Dat heette dan . . . hoe drommel noemen ze \'t ook?
—  Meent ge misschien: gloire, Meester ?
—  Ja, zoo-iets. Je begrypt dat men zulke dingen vergeet als men
dood en \'n geest is. Sire, cessez de vaincre, ouje cesse oVécrire, roept \'n
verzensmid — de man deugde niet eens voor stenograaf, dat zieje! —
is \'t geen schande? En gy, mensjes, die op de uitvinding bluft
van de drukkunst — \'n makkelyk uitvindinkje bei meiner Seele.\' — gy
slikt zulke dingen. Quicquid deliranl reges . . . welnu, als de Achivi
dit dan zoo goed weten, waarom maken ze dan de Koningen gek ?
Weet je waarom LOGOS u zooveel slechte Vorsten gaf? Ik zal\'t je
zeggen. Gy verdiende de goeden niet. Als de menschen zelf wat
meer deugden, hadden ze in \'t geheel geen Koningen noodig, maar
zoover zyt ge nog in lang niet. Dus . . . betert u !
-ocr page 68-
DEMOLOGIE.
Ik keek op m\'n horloge.
—   Wals gili\'s dat je haast hebt, riep adolf wrevelig. Je ver
langt naar de millioenen . . .
—  Vergeef my, meester, ik meende . . .
—  Dat het tyd was voor de avendzitting. De zaal is gereed. De
lampen branden. De stoelen zyn gezet, en ook \'t suikerwater is
klaar. Wil je weten waarop nog gewacht wordt? Weet je wat niej
gereed is? Ga eens kyken.
ADOLF wees my den weg naar \'n opening die zeker de ingang
beduiden moest van de verhandeling-zaal. Ik ging daarheen, maar
werd ruw afgewezen door \'n paar deurwachters die iets als \'n toe-
gangkaartje schenen te vorderen.
-ocr page 69-
DEMOLOGIE.                                                   65
Teleurgesteld keerde ik naar m\'n armezondaarsbankje terug, en
klaagde m\'n nood aan ADOLF. Maar hy troostte me niet.
—  Zie je dan niet in, zei hy, dat alles gereed is op uzelf «<(.*
Dacht je dat we hier de millioenen weggaven om-niet, en aan ie-
dereen ? Als je niet op je horloge had gezien, zou je nu byna ge-
reed zyn. Je was redelyk oplettend en hebt wel onthouden wat ik
je zei, dit moet ik erkennen. Maar je ongeduld bederft alles. Wie
\'t goede wil, moet er den tyd toe nemen. Jy die \'t verkeerde wilt
uitroeien, moest het geduld hebben je behoorlyk toeterusten. Waar
was ik?
—  Meester, ge zeide dat ook de Volkeren . . .
—  Immerhin! Ja, zy deugen ook niet. En als de vorsten eens
geschiedenissen schreven van hun onderdanen ... \'t zou wat
fraais worden ! Dat zal ik je bewyzen. Maar tracht wat minder dom
te zyn dan in je sentimenteelen paaltyd. En wees niet zoo ver-
dammt
oppervlakkig, als toen je je zoo boos maakte over \'t ver-
woesten van den hortus te Biberich. Dat hebben de Pruisen gedaan,
zeg je, alsof \'t iets heel leelyks was. \'t Ware te wenschen dat Prui-
sische en andere soldaten nooit iets ergers hadden uitgevoerd, \'t Was
vergelykenderwyze \'n ridderlyk stuk, en als ik van verzen hield,
zou ik \'n verlost Jeruzalem bestellen, in oltnve time, >op die gebro-
ken glazen . . . zonder tencatische vertaling altyd, omdat men
dezelfde zaak niet tweemaal moet verlossen en omhalsbrengen. Dat
ruïneeren van de oranjerie is de mooiste zweepslag dien ooit \'n
Hohenzoller Kulscher heeft uitgedeeld. Primo, de slag trof den lord
niet, maar TOM of billv zelf, wat ik behoorlyk vind. Die trek-
kasten waren gebouwd voor \'t zeer privatief vermaak van m\'n
naamgenoot. Het Volk had er niets aan. Ten-tweede, vind je \'t
zoo onedel, luid te waarschuwen als men iemand aanvalt ? \'t Ge-
rinkkink van de broeikastruiten was \'n heusche vermaning aan m\'n
neef den Hertog om op z\'n zaken te passen. De Pruisische soldaten
wilden . . . vechten. Tous les goüls sont dans la nature, dat was
hun zaak. En schoon ik, yzer- en koolindustrieel — maar ik doe
in steenzout ook — schoon ik niet gaarne vecht, noem ik het toch,
als men eenmaal met zoo\'n smaak behebt of door Tom daartoe
aangehitst is, fatsoenlyker z\'n vyand by den naam te roepen, dan hem
in z\'n slaap ... te sparen om z\'n zalf. Die Oranjerie diende voor
deurkloppertje of huisbel. Konden de Pruisen \'t helpen dat m\'nheer
niet thuis was, en dat mevrouw geen boodschappen aannam ? De
weddingschap van m\'n neef met von DREYSE— Gotthab\' ihnselig
— dat er nooit \'n geweer kan worden uitgevonden dat ver genoeg
schiet om hem te raken — (lonnerwetterkreuzsappermentnoch\'nmal...
ik geloof \'t graag, als je buiten schot blyft! — nu, die pari ging
den soldaten niet aan. Ze belden aan de voordeur: schone Emp-
fehlung vom Cousin in Berlin
. . . hy laat verzoeken om je land !
Eenmaal, tweemaal . . . niemand antwoordt ? Ten-derdenmaal: bel
stuk, en de hamer viel. Nassau was toegewezen door . . .
—  Den vendu-afslager?
— Volstrekt niet. Door logos, die \'t niet verdragen kon dat ze
daar hertogje-speelden en niet Herzog waren toen \'t er op aan-
MILLIOENEN-STUDIEN.
5
-ocr page 70-
66
MILLIOENEN-STUDIEN.
kwam iets wezenlyks te heirtogen. Hoe, sedert eeuwen dynasteer-
den ze, en lieten zich handkussen, en hoheilen, en durchlauchten,
en bedomeinen! En ze lieten vechten ... en \'t Volk vocht! En als
ze weer lieten vechten . . . vocht het Volk, en bloedde. En we-
der werd er gevochten, en \'t Volk, vechtend en bloedend, betaalde.
En als ze huwden — niet \'n nicht altyd! — betaalde het Volk
voor hippokras en Morgengabe. En als er \'n nicht im Wochenbellc
la^, genesen von einem Prinslein — \'n nieuw neefje van mei.chi-
ZEDEK altoos — dan leverde dat Volk kandeel en looien soldaatjes
en apanage. En als de Landesherr lust kreeg in wat afwisseling
van huwlyksgeluk, dan betaalde dat Volk Schmerzensgeld, Douuire,
aflaat en proceskosten, niet zonder wat Aussteuer aan de nieuwe
passie . . . die gewoonlyk drie, vier kasteelen of Auen noodig had
voor \'n onderrokje — reken jy nu eens uit, wat \'n japon met \'n
sleep kostte ... en nog lasterde men dat de hofdames indecente-
lyk naakt liepen! — En zoo\'n Hertog sierde zich met \'n parel-
snoer van ministers, Hofralhe, Geheimralhe, Oberkammerrathe,
Hofmarschalle, Ceremonienmeister, Kammerjunker
... ja hol\' mich
der Teufel,
ik geloof waarachtig dat ze soms ook höchstynüdig ge-
rultten, Obergeheimhofbettjnnker
aan hun snoer te rygen, en ... \'t
Volk betaalde al den Schmuck die z\'n hals te-etter schaafde als \'n
hondeketen. En als zoo\'n Hertog stierf, huilde dat Volk allerge-
hoorzaamst, en bad God in de kerken om \'n beetje zaligheid voor
zoo\'n dooien geheimhertog. En als er een nieuwe »op den troon"
kwam, dan dankte het z\'n god voor zóó\'n gunst, met \'n innigheid
alsof er vrees bestond voor uitputting der hemelsche goedertieren-
heid, die nu-en-dan in \'n gullen bui twee Hertogen tegelyk gaf
met . . . wat burgeroorlog, de saus op \'t gerecht. En intusschen,
biddende, bloedende, huilende, dankende, kerkende, burger-oorlo-
gende ... \'t Volk betaalde! Welke uitgaaf was de grootste, denkje?
—  Meester, ik heb nu berekend dat zoo\'n japon van \'n onge-
kleede hofdame . . . vyt baan . . . negen-achtste breed . . . drie
meters sleep . . .
—  Zum Teufel auch .. . Unsinn! De grootste uitgaaf was: verlies
van mannelykheid, mens-zyn, karakter, waardigheid, gezond ver-
stand ! Wat staat beneden zoo\'n Hertog, spreek!
—  Niemendal.
—  Fehlgeschossen.\' Raad beter!
—  Een Hertogin?
—   Bei Leibe nicht. *) De vrouw van \'n regeerend Vorst is in
den regel beter dan haar gemaal. Zonder \'t plankje te kunnen
bereiken waarop de Schnapps staat, heeft ze gewoonlyk \'n afschrik-
kend bel vedere op \'n beschonken heloot voor oogen. Schnapps is
hier macht, weetje. Raad lager.
—  Bensden zoo\'n Hertog? Bedoelt ge die sleepdames?
—  O neen. Niet als zoodanig ten-minste. Raad lager.
—  Meent ge misschien — ik werd verlegen — die geheime ober-
of unterhof . . .
beddejonkers?
") De vloek is oorspronkelyk: beim heiligen Leib unseres Herni
Jesu Christi,
iets als \'t corpo di Bacco of di Christo der Italianen.
-ocr page 71-
DEMOLOGIE.                                                    67
—   Ook! Maar alweer niet qua tales. Lager, lager, algemeener,
gemeener!
Ik begon angstig te worden. Zou hy weer \'n Melch verlangen,
•dacht ik?
—  Meester, ik weet niet wat lager staan zou . . .
—  Dat is zeer bekrompen van je. Zulke jongens . . . basta daar-
van! Houd je van Valer ARNDT?
—- Neen, Meester.
—  Das lasse ich geiten.\' Ik ook niet. . . \'t Is\'n soort van tyr-
TAEUS op pantoffels, en \'t getuigt niet voor m\'n Duitschertjes dat
ze \'t vaderlandpronkerig gerymel van dien man zoo hoog stellen.
Er schynt wel gebrek aan patriotismus te zyn, dat men arndt\'s
knoeiwerk meent noodig te hebben als loeier- und Schwertlieder. Het
schoonste rym van korner . . .
— Rymt niet: Valer, ich rufe dich, himmltscher Fiihrer der Schlach-
ten.
—  Faule Fische! \'t Is \'n prul. God: Oberfeldmarschall.\' Ja, \'t rymt
niet, en dat is nog \'t minst ongerymde van \'t heele ding. Neen,
Korner\'S schoonste gedicht was . . . z\'n dood. Dat rymde! Nu,
die ARNDT liet zich niet doodschieten. Integendeel. Hy vers-rymel-
de tachtig jaar lang. Ik hoor dat hy eindelyk doodgegaan is, en
hoop dat we \'m niet hier krygen. LOGO3 is zeer keurig op z\'n
personeel. Die ARNDT dan . . . zou je me nu kunnen zeggen wat
ik je vertellen wil?
—   Meester, ik* denk dat ge een versje van dien patriotismus-
lcramer gaat opzeggen.
—  Dan veroordeel ik u daartoe. Maak\'t kort, zooals barnevelt
tot den beul zei.
—  Ik zal wel moeten, Meester, want ik ken maar weinig Arndt-
\'sehe
verzen auswendlg.
—  Daar ben je niet minder om. Geef \'n klein, heel klein staaltje
van z\'n gerymel dat zooenlziïckend schiingevonden wordt... golts-
donnerioetlerelement!
—   In de Neue Anlagen, die Koningin AUGUSTA ten-geschenke
geeft aan de wandelaars te Coblenz . . .
—  Zeer goed. Je ziet wel, zy regeert niet en doet wat goeds, wat
liefs, voor \'t Volk ... ga voort!
—   Meester, daar staat \'n Therm . . . \'n buste van MAX von
SCHENKENBERG . . .
—  Ook \'n leverancier van ongerymd patriotismus op rym.
—  Precies, Meester. En \'t lofdicht op den socle is van arndt ...
—  Asinim asinum fricat. Laat hooren!
—  Daar staat:
Er hal vom Rhein,
Er hal vom deutschen Land
Machtig gewingen,
Daas Ehre auferstand
Wo e» . . .
-ocr page 72-
68
MILLIOENEN-STUDIEN.
—  Rym dóór, voor den drommel. Arxdt moest ook wel, of\'t
mooi was of niet.
—   Wo es. . .erklungeu. Meester ik moet erkennen, \'t is prachtig.
—  Ja, en wel hard voor schenkenberg. Maar loontje komt om
z\'n boontje. Hyzelf maakte ook zulke grafschriften. Ik weet wat uw
bef.LOO er van zeggen zou? Gy?
-- Waarachtig niet!
—  Och, hy zou er van zyn kant een tweede rympjen op maken,
als in \'31, toen JAN VAN SPEYK — die rymde goed! —in de lucht
vloog. Na de explozie . .. wat denk je dat er volgde ?
— Ik denk dat de stukken en brokken in de Schelde vielen, Meester.
— Ook. Maar de hoofdzaak was: verzen, verzen, verzen ... ac/j,
du gnadiger Gott, wat al verzen! Beeloo maakte er ook een, en
dat beviel me:
Van speyk verdween.,
Een prulpoëet verscheen ...
Een ongeluk, komt nooit alleen!
Lees voor: prulpoëet, \'n heele bende van dat gespuis. Zóó is \'t
gemeend. Als beeloo hier komt, zal hy \'t goed hebben. Ik geef
tien Henriades... en wat yzer, voor die drie regels. Yzer, juist! Die
ARNDT durft ook van yzer spreken. Hy zegt ergens:
Der Gott der Eisen wachten liess...
\'t Eerste woord het beste is al \'n fout. God doet er niets aan...
LOGOS is de man. Nu:
Der Gott der Eiien wachten liess
Der. . .
Hoe is \'t verder? En weet je nu nog niet wie lager staat dan
zoo\'n Hertog en zoo\'n BettjunkerP
—  Ik begin te begrypen, Meester.
Adolf vloekte... onkristelyk. M\'n arme pen weigert my haar dienst
in \'t weergeven. Ook verstond ik er maar \'n klein gedeelte van. Er
kwam iets in van: Gottsollmirseligdreiundachzigtausendmillionenmal-
siebendoppelschockmerinoschafegebenmitsauglcimmchen ... jedes\'nblau-
goldseidenesbctndclienamhalse .. . und ein Schuiert!
—  Ja.. . ein Schwert, ging hy, na wat adem te hebben gehaald,
voort. Ein Schivert. .. dan mag onze-lieve-heer z\'n schapen houden..
Ein Schwert, om die honden . . . vertel me nu of je wel eens in
\'n luchtschuitje hebt gezeten?
—  Ach neen, Meester. Dat ontbreekt aan m\'n ondervinding.
—  Alsof die overigens kompleet was! Kan je je voorstellen hoe
\'t den luchtschipper te-moede is, als hy alle bestuur over \'t dalen
of ryzen van z\'n ballon verloren heeft? Als de klep die de gas-
moet\' binnenhouden, niet sluit? Als er geen anderen ballast meer
valt wegtewerpen dan de schipper zelf? Dit nu geschiedde eens.
-ocr page 73-
DEMULOGIE.                                                   69
te Kassei, in den tyd toen ook daar nog een van m\'n Neven woon-
de, \'n Keurvorst . . . nu is hy weggeannexeerd. Vertel me eens
wat kwaads van dien Neef of van z\'n familie.
—  Meester, toen Amerika z\'n onafhankelykheid bevocht, had
Engeland soldaten noodig, veel soldaten, en by voorkeur van de
soort die blind is voor gevaar.. .
—  Blinde Hessen, juist! Ik zie. je kent de historie. Infaam, niet
waar, dat verkoopen van z\'n onderdanen ? Men zou er vloekzangen
op maken. Of\'t ooit gedaan is weet ik niet. Ik gis neen, en waarom niet?
—  Misschien omdat vloekzangen lager gehonoreerd worden dan
triumfliederen, Meester. M\'n vriend ROORDA...
—  Zoo dom niet. Nu weer onze luchtschipper. In de rezidentie
van m\'n Neef was alleman op de been om dien ballon te zien.
Het ding was bijna uit-zicht, maar nog niet geheel. Op-eens be-
merkte men dat er iets haperde, en dat de luchtman z\'n vaartuig
nog minder meester was dan gewoonlyk. Hy versmeet al z\'n zand,
en \'t ding zakte, zakte . . . slingerde vreeselyk. De man trachtte
langs een der koorden die z\'n schuitje verbonden aan den ballon,
naar boven te klimmen, klaarblykelyk met het doel om de gas-
klep te sluiten, die onklaar of gebroken was. Hy verwarde z\'n voet
in de einden touw die heen-en-weer zweepten door de lucht . . .
liet — verlamd misschien door schrik en angst, want de ballon
daalde met toenemende snelheid —■ los wat hy inhanden had . . .
viel... en bleef hangen aan één been onder z\'n schuitje. Gajynu
eens voort . . . schryver! Vertel eens iets van wat men gewaar-
wordt als men daar zoo aan één been in de lucht hangt.
—  Ontzettend! Daar slingert hy in de eindelooze ruimte . . .
—  Dat heb ik al gezegd. Overigens, geen pathos,icenn ich bitten darf.
—  Ik zal m\'n best doen, Meester. Daar hangt hy aan één been,
en voelt zich dalen wyl de horizon van alle zyden dreigend op hem
aanrukt, zich sluitend als de muil van \'n kauwend monster. Zoo-even
nog overzag hy tal van vorstendommen, nu slechts Hessenland. Elke
volgende sekonde vernauwt den kring der punten die hy overziet, en
zet tot kringen uit wat hy als punten waarnam. Het geheel krimpt
in, maar al grooter en grooter worden de deelen. De toenemende
scherpte waarmee de omtrekken zich voor hem afteekenen, spelt
met wreede nauwkeurigheid z\'n vonnis, en martelt hem met sar-
rend herinneren aan de naderende voltrekking. Elk punt wordt
\'n vlek. Elke vlek wordt cirkel. De cirkels nemen \'n onregelmati-
gen vorm aan, langzaam en grillig eerst alsof ze weifelden in keu-
ze, weldra met snelheid veranderend als onherroepelyk besloten in
hun ware gedaante. Wat \'n boog scheen, is hoek geworden. Het
rechte kromt zich en \'t gladde zaagt. Het glooiende wordt kantig.
Golving en ronding gaan over in gebroken lyn. Het geleidelyk-
toevallige wordt bepaald, het onbestemde nauwkeurig. Het gescheurde
vereenigt zich, en wat gesloten scheen, brokkelt in gapingen af.
Millioenen stippen, voortgestuwd door stralen die zich ontwikkelen,
in het midden, springen in razende vaart naar en over den rand
der figuur waarin zy ontstonden, daarna over de kim die zich al
nauwer en nauwer sluit. En iedere stip tracht figuur te worden voor ze
vergaat, en elk dier pogingen baart nieuwe stippen, wegvliegend uit
-ocr page 74-
70
MILUOENEN-STUDIEN.
het midden om aan den rand te versterven ... of, recht onder
den ongelukkige, inderdaad \'n vorm aannemend, die zich met bloed-
gierigen yver uitbreidt om ruimte te maken voor den verpletteren-
den schok.
En al dalend herkent hy Kassei, Wilhelmshóhe, de Casselei- Aue...
die lieve poëtische Au! Zou daar \'t schrikkelyk vonnis voltrokken
worden? Daar?
Nog altyd weet hy zich rekenschap te geven van z\'n toestand.
Geen weldadige bewusteloosheid belet hem de donkere plek te zien,
daar juist beneden hem, de markt . . .
Helaas, weinige oogenblikken geleden nog, zou hy geen onder-
scheid hebben waargenomen tusschen een graafschap en \'n plein
met joelend volk. Wat moet men de Aarde naby zyn, als zoo\'n
verschil in \'t oog valt!
En hy daalt altyd! En reeds begint hy paleizen te onderscheiden
van andere woningen. Waarlyk, de beslissing nadert.
Eerst vreesde hy dat de strik die z\'n voet gevangen nam met
wreeden gril, dien zou loslaten met even grillige wreedheid. Nu
vreest hy dit niet meer, maar \'t baat hem weinig verlost te zyn
van dien eersten angst. Met of zonder z\'n schuitjen immers is hy
veroordeeld. Hy valt mèt den ballon die, na \'t verlies van z\'n laat-
ste gas, fladderend en klepperend werd overgeleverd aan de onver-
biddelyke wet der zwaartekracht, zonder ander tegenwicht dan wat
onvoldoende wryving met de atmosfeer. Want ze laat zich gewil-
lig klieven, de ontrouwe vleister die zoo-even \'t stygend gevaarte
verhief tot de wolken, toen \'t niet gekwetst was!
En het daalt al sneller en sneller. Daar begint de noodlottige
vierkantsrekening te tellen, byna in al haar duizelingbarende kracht.
Geen genade, sneller, sneller, tot de uiterste grens van bereikbaren
spoed. Nog weinige oogenblikken, en hy valt te-pletter. Dat zyn
kerken . . . dat is \'n kerk ... de kerk! Daken ... schoorsteenen ...
gevels . . . \'n hoop menschen. Nog \'n oogenblik, hy zal personen
kunnen onderscheiden, vrouwen van mannen, man van man, kind
van kind!
En hy daalt!
En nog altyd heeft hy besef van z\'n toestand. Nog begaf hem
\'t bewustzyn niet van wat hem te wachten staat, al zy \'t dan niet
helder genoeg om hem te doen hopen — wat te voorzien is! —
dat hy \'t verliezen zal voor \'t eind van z\'n vreeselyken tocht. Hy
is nog wakker genoeg om angst te voelen, al den angst van z\'n
toestand.
Nog kan hy zien en hooren. De strik om z\'n been knelt niet
meer. De koord die hem aan \'t schuitje verbond, hangt slap. Het
vaartuig, niet langer gedragen door \'t byna geledigd hulsel van de
gas, nadert even snel als hyzelf den bodem, slingert naast en onder
hein rond, of om hem heen. Alles suist en warrelt. Hy hoort het
snerpend fluiten van de lucht die hy verplaatst door z\'n val. On-
gebruikt schuurt zy de machtelooze lippen voorby, en bespot den
gekrompen long, vergeefs pogend haar te vatten tot wat adem. Het
geruisch dat opgaat uit de volksmenigte, treft z\'n oor. Het wordt
al duidelyker en duidelyker. Weldra zal hy enkele stemmen kun-
-ocr page 75-
DEMOLOGIE.
71
nen onderscheiden onder \'t eentonig gegons dat hem de nabyheid
van \'n groot aantal mensen verkondigt. Hy voelt en riekt de
warme uitwazeming van \'t volk...
En altyd daalt hy!
Xog een oogenblik, en hy zal.. .
Gedaald tot de laagte der hoogste gebouwen, slingert hem de
wind tegen het dak van den schouwburg.
Verstuikt, gekneust, gewond, heeft hy nog besef om den kreet
te verstaan dien de zucht naar zelfbehoud hem toeroept: houden,
houden! Kracht ook — maar \'t was de laatste! — om te doen
wat hem geboden werd door \'t instinkt. Hy slaat door de leien,
grypt en omvat de bindten, klemt zich vast, en weerstaat den
schok van \'t voorbyvallend vaartuig dat hem tracht wegterukken
van z\'n schuilplaats . . . hy is gered!
"*■— Voor iemand die nooit uit de lucht viel, is de beschryving
zoo kwaad niet, zei adolf droog, \'t Doet me genoegen dat je daar-
in meer optika gebracht hebt dan gevoelighedens. Ik merkte niet
zonder eenig genoegen op dat je \'s mans zwangere vrouwen en
kinderen hebt overgeslagen . . . inderdaad vry wel. Ga zoo voort.
Tracht te begrypen en begrypelyk te maken, dan komt het gevoel
vanzelf ... \'t ware! En \'t onware . . . nu, dat dient tot niets . ..
hm, trainbub! Wie aandoeningen dikteert, ondergaat ze niet, en
wie zulke diktaten noodig heeft . . . gekheid!
Van optika gesproken, je hebt vergeten optemerken hoe elke
stip, juist loodrecht onder den armen drommel, tot hem scheen op-
testygen, en zich vertoonde als de punt van \'n dolk en raccourci,
zooals GUSTAVE DORÉ de dingen teekent, omdat-i meer handigheid
heeft dan smaak. — Die kunstenmaker bevalt zeker de lui daar-
boven ? — Een tuimelend luchtreiziger meent gespiest te worden.
Och, \'t is u mensen zoo moeilyk u met juistheid voortestellen
hoe men valt, zoolang ge vasten bodem onder de voeten hebt. Stu-
deer daar wat in. Het zal je goed doen.
En vertel me nu eens wat er later gebeurde met dien Kassel-
schen luchtschipper ?
—  Ik denk dat het volk zal gejuicht hebben, Meester.
—  Volk, Volk, jy met je Volk! \'t Volk schreeuwde, zooals \'t doet
by elke gelegenheid, \'t Volk had zich vermaakt. Spreek me niet van
dat gejuich. Het beduidt gar nichts. \'t Volk juichte ook toen nero
komedie-speelde en Romen in brand stak.
Ik zal je zeggen wat er verder gebeurde.
Het eerste groetje dat de arme schipbreukeling ontving, toen hy
zich door de dakbindten had heengewerkt, en bewusteloos neerzonk
op de vliering van \'t Hoftheater, was \'n scheldwoord en \'n bedrei-
ging. De intendant van den schouwburg noemde hem: \'nen frechen
Hund der sich an, einem Kurfilrstlichen Gebaude
vergrepen had! Hy
zou \'m voor \'t gerecht brengen wegens Beleidigung der königlichen
Majesteit
... ja, königlich! Hoe dit rymt met de keurvorstery, mag
-ocr page 76-
MILLIOENEN-STUDIEN.
72
je vragen aan de METTERNICHS en konsorten. *) Er blykt uit de
bejegening die onzen armen Phaëton tebeurt viel, dat de oude
Keurvorst, wiens onderdanen aan Engeland werden verschacherd,
zeer ten-onrechte de twee grootvaders in \'t land had gelaten, die
met behulp van \'n stel egaas dien intendant voortbrachten. Waar-
achtig, als men let op de soort der mensen die onverkocht ble-
ven, voelt men meelyden met de koopers van de anderen. Die
Hessen hebben in Amerika goed gevochten, dit weet ik wel. Maar
wordt de zaak hierdoor beter gemaakt? Wat is schandelyker, \'t
verkoopen zelf, of de lamlendigheid waarmee men zich verkoopen
liet? Met \'n klein deel van de mannelykheid die nu tegen de Ame-
rikaansche vryheidshelden gebruikt werd, had men tien keurvorsten
kunnen wegjagen. Dat durfden ze niet ... de oude zalfhistorie!
Familiezwak heb ik niet, en ik trek waarlyk geen party voor \'n
Keurvorst omdat-i m\'n neef is, maar ik heb nog liever hem in de
familie dan dat ik oudoom van dien intendant wezen wou, en van
de velen die allerunterthanigst op zoo\'n wezen gelyken. Zy zyn het
die de slechte vorsten maken, \'n Prins is geen zoutpilaar die in z\'n
eentjen onbedorven blyven kan, als alles om hem heen verrot is.
Gy demokraten spreekt altyd kwaad van de vorsten, en ik be-
ken dat daaronder velen zyn die het verdienen. Maar ligt de schuld
niet aan de Volkeren zelf? Kunt ge u voorstellen dat domitianen
of CARACALLA\'s slechts één maand lang hun bloedige zotternyen
hadden kunnen voortzetten, als er geen handlangere geweest waren,
die hun bevelen uitvoerden, geen onderdanen die deze handlangers
duldden ? Uw historieschryvers melden — gemakshalven alweer, en
precies als andere sprookjesvertellers — alleen de zaken die Ko-
ningen betreffen. En al doen ze ook dit nog zeer gebrekkig, die
sprookjes nemen plaats genoeg in om ook ulieden alleen te doen
letten op de misslagen van die Koningen. Waar \'n stier grazen
kon, moet gras geweest zyn. Naast en onder die Vorsten beston-
den Volkeren die het terrein leverden waarop \'t koninklyk wan-
gedrag zich botvieren kon.
Wanneer ge den opgeblazen louis XIV veroordeelt — en min-
acht, hoop ik: de kerel was \'n uil! — vergeet gy gewoonlyk dat
hy zoo winderig gemaakt werd door z\'n omgeving. Bewaar dus
de helft van uw verachting voor z\'n tydgenooten, en meet wat ruim.
En zoo\'n andere LOUIS, de vyftiende! Men verwyt dien ellendeling
z\'n Parc-aux-Cerfs, en ik heb er niets tegen — tegen \'t verwyten,
meen ik — maar eilieve, duizende vaders in Frankryk boden om-
stryd hun nog onvolwassen dochters aan, pour servir aux augus-
tes plaisirs de la Majesté Royale.
Er zyn daarover brieven gevon-
den, die tot gissing nopen dat van alle souvereinen, Z. M. het Sou-
vereine Volk de allerlaaghartigste is. Hebt ge ooit in uw heele
Geschiedenis den dolsten tiran zoo waanzinnig zien woeden als \'n
losgelaten menigte ? Moogt ge \'t alzoo \'n Volk tot eer rekenen dat
het niet uitspat, moordt, brandt en verwoest, zoolang \'t niet losge-
laten is ? Zoo verdienstelyk was nero ook.. . toen-i in de wieg lag.
") De Hessisehe Keurvorst had van \'t Weener Congres de aalmoes
der koninklykheid aangenomen.
-ocr page 77-
DEMOLOGIE.
73
Om te beoordeelen of iemand den rechten weg inslaat, moet men
hem zien loopen, en \'n Volk dat te ingekankerd melchizedeks vroom
en schriftuurlyk is om \'n boozen heerscher wegtejagen, mag zich
waarlyk niet beroepen op de deugd die \'t beoefenen zou, als \'t
wat beoefende. Over \'t geheel houdt gy demokraten u onevenredig
veel bezig met politiek. Of liever, ge meent ten-onrechte dat poli-
tiek hoofdzakelyk bestaat in studie van wetten en regeeringstelsels.
Verbetert uzelf, dan zal geen verkeerde Wet, geen gebrekkig sy-
steem standhouden. »Die koning of keizer doet z\'n plicht niet"
klaagt de schrynwerker. Misschien heeft-i gelyk, maar . . . hyzelf
maakt scheeve kasten en kreupele tafels. »Weg met de konstitutie"
roept \'n publiekspreker ... en z\'n eigen konstitutie is zoo in de
war, dat geen omwenteling noodiger is dan de zyne. Boekenmakers
vertellen veel van de onzedelykheid der hoven — ze hebben in
hun sprookjes satyn en fluweel noodig, en schittering van titels,
om gebrek aan talent te verbergen — maar, eilieve, zie de lagere
standen eens! Zyn die zoo heilig? De Adel en de voornamen zyn
niet op de hoogte van hun roeping, op verre na niet! Maar is uw
burgerstand adelyk in z\'n begrippen? Voornaam in z\'n streven?
Indien al \'t kwaad dat men gewoonlyk van vorsten verhaalt, waar
is, zou men in verzoeking komen uw heel publiek van burgerlul
voor \'n vergadering van koningen aantezien, die hun zalf hebben
afgewischt om inkognito schandaal te maken. En uw gemeen . . .
\'t is keizerlyk!
Wordt niet overal, en onder de lagere klasse niet het minst
waarachtig, \'n hoofdrol gespeeld door die ellendige jacht op geld ?
Rouge gagne et couleur, klonk het door de spleten van \'t gewelf,
als uitroepingsteeken op adolf\'s verwyt.
—  Kunt gy beweren dat de middelstand onbaatzuchtiger is dan
de ryke? Voelt de arme meewarigheid voor de rampen van z\'n
lotgenooten ? Minacht niet de werkman z\'n medewerklieden ? Heerscht
er iets als broederschap tusschen de minder bedeelden, zy die zoo
klagen — en overigens met recht, waarlyk! — dat de ryken on-
broederlyk zyn ? Is niet eigenbelang en die vervloekte geldzucht. ..
Trente louis au billet.\'
—  \'t Is waar ook, viel adolf zichzelf in de rede. Ook jy houdt
je bezig met schatryk-worden . . . by gebrek aan beter. Nu, jy
behoeft je m\'n verwyten niet aantetrekken. Ik weet dat je niets
zoekt voor jezelf, en dat je geofferd hebt wat er zooal op uw kleine
wereld geofferd worden kan. Meenje dat er met en door geld iets
te bereiken valt . . . immerhin! Maar wees niet zoo bekrompen
demokratisch eenzydig. Uw Koninkjes daarboven deugen niet veel,
maar wat gylieden \'t volk noemt . . .
Weet je hoe theseus aan a*n eind gekomen is ? Ik zal \'t je zeg-
gen. Die aegeus had volkomen gelyk toèn-i in zee sprong. Z\'n
, zoon was inderdaad niet aan-boord, al vertellen uw mythologie-
boekjes dit anders... uit schaamte zeker. Theseus werd na \'t ver-
-ocr page 78-
MILLIOENEN-STUDIEN.
74
slaan van den Minotaurus voor den rechter geroepen om zich te
verantwoorden over \'t stelen van \'n klosje garen uit ariadne\'s
naaidoosje. Men martelde hem zoolang met verhooren en kontra-
verhooren dat hy zwak werd en gaf hem toen te verscheuren aan
de burgers van Kreta, die \'t niet verdragen konden dat hy hen
van \'t monster verlost had. Zóó is je volk!
—  Meester, ik weet er iets van! En toch ... toch ...
—  Desto besser! Ook jy zult verscheurd worden. Indien dit je
niet afschrikt?
—  Het schrikt me niet af. Als ik maar hopen mag dat later.. .
—  Schon gut! Later is later. Tracht slechts thans je plicht te
doen. Zoek de waarheid, en zeg wat je vondt, en stoor u niet aan
die Kretensers...
—  Maar, Meester, als ze nu \'n liberale krant opzetten, en daarin
vertellen dat ik verkocht ben aan \'t behoud ?
—  Liberale krant? Behoud? Wat zyn dat voor dingen? Spreek
verstaanbare taal als je wilt dat wehier beneden ons met je inlaten.
—  Meester, ze tasten m\'n karakter aan...
—  Zoodra je je daaraan stoort, zou \'t \'n blyk wezen dat ze groot
gelyk hebben. Analyzeer den gedachtenloop van de velen die je
moét aantasten om waar te zyn, dan zal je inzien dat hun weinig
anders overblyft dan processen over \'n klosje garen. Theseus had
ongelyk zich intelaten met zulke praatjes. Ze deren slechts voor-
zoover men zich door zoo-iets kwetsen laat. Wat de scherpte der
wapens aangaat, waarmee men je bestrydt ... \'t is de oude his-
torie van den dolk en raccourci . . . optisch bedrog, mannetje! \'t
Lykt maar zoo zoolang je belieft te dalen. Houd je op boven dat
gespuis, of liever nog, blyf stygen, dan zal je holte ontdekken in
al wat beneden je is. Wat puntig scheen, wordt \'n kuil . . . zoo-
als het terrein van m\'n Sonnenberg waarmee je zoo gespot hebt.
—   Maar ... als zy intusschen door kwaadspreken, woord ver-
draaien en laster my \'t leven verbitteren . . .
—  Wie? Koningen? Keizers?
—  Neen, Meester, van beroep zyn ze boekenmakers, kranten-
schryvers, stenografen, taalkundige doktoren in de heilige theologie,
gouverneurs-generaal in-ruste .. .
—  Ei, burgerluï alzoo! Ik wed om al wat je wilt dat er niet
eens \'n markies onder is! Zie je wel dat gy demokraten verkeerd
doet, het lage altyd onder de hoogen te zoeken ? Leven verbitte-
ren ? Unsinn! Had je dan de zoetheid in je leven van anderen ver-
wacht ? Verbitteren ? Wel, dat is \'t métier. Wou je goeddoen, en
nog geprezen worden bovendien ? Dat is te veel verlangd, m\'n jon-
gen. Wie slagen wil moet matig in z\'n wenschen zyn.
—  Maar ze leggen het er op toe, my \'t leven onmogelyk te ma-
ken. Daarboven wordt alles geregeerd door geld, en...
Tout va!
—  Hm . . . tout ? Dat is \'n leugen, dat is eine verdammte Lage f
Niet alles staat op \'t spel . . .
—  Zeer veel toch, Meester! En zoolang ik rondzwerf, soms zonder
-ocr page 79-
DEMOLCXHE.
75
brood, en zelden verzekerd van m\'n onderhoud voor den dag van
morgen *) valt het me moeielyk behoorlyk te arbeiden . . .
—  Klim dan naar boven, en sluit de gasklep, en zorg dat je je
been niet verwart in de strikken van \'t schuitjen, en houd je vast
als je ergens te-land komt, en vind de zonde zoo groot niet, hier
of daar de leien intetrappen van \'n poppenkast ... al heet dan
ook zoo\'n ding soms königlich. Potz-tauzend, jongen, de ware bal-
lonman moet zelf keurvorst, koning, luchtkeizer wezen ... en die
Herr Hofintendant was \'n gek.
Een gnoom kwam vragen of de leerling eindelyk gereed was.
Ik zag adolf aan, om te weten of dit my gold.
—   Hm . . . ja . . . zoo, zoo! Heel ontwikkeld is hy niet, ant-
woordde de Meester. Zooals velen van dat ongestorven tuig, is hy
wat dom . . . widerlich bekrompen. Ik spreek over u, geldzoeker!
Meinentwegen kan hy binnengaan. Of \'t hem veel baten zal ? lm-
merhin . . .
geef hem \'t wachtwoord.
En jy, mensje, hör \'n mal, als je straks, weergekeerd op de
korst, iets wilt verbeteren, zie dan om u, in u. Niet altijd naar
boven ... en altyd naar beneden ook niet. Wat je je »Volk"
noemt . . .
De zonderlinge adolf besloot de zitting met z\'n hartigen vloek
over al die zuiglammetjes . . . wnd ein Schwert!
—  De Meester is nog wat menselyk, zei de gnoom die my den
weg wees naar \'t gewelf waar ik iets leeren zou. Ik was ook zoo
toen ik pas hier kwam.
—  Hoe oud zyt gy dan wel, vroeg ik het gryze mannetje.
—  Toen ik hier aanlandde waren alle apen nog in de bosschen.
—  Lang geleden?
—  Dit is \'n kwestie van opinie. Bovendien, hoedanigheden moe-
ten naar punten van vergelyking beoordeeld worden. De steen
waarop gy gezeten hebt, is ouder dan ik, en m\'n kameraad Semi-ur
die daar ginds aan \'t kristallizeeren is, heeft hem zien worden.
Misschien zegt hy er straks wel iets van in z\'n verhandeling. Hy
is een der sprekers, weet ge, en gaat nooit buiten z\'n vak.
—  Krist allizat ie?
-Ja.
") Dit was geschreven in 1870, en toen volkomen waar. Heden by
de korrektie, Maart \'72, verklaar ik uitdrukkelyk dat de toestand waar-
op in den tekst gedoeld wordt — misschien wel ten-gevolge van adolfs
raad — geheel-en-al veranderd is. By \'t vurig rechtsgevoel dat in onze
natie blaakt, zou \'t allicht te vreezen zyn dat deze of gene zich \'t
zonderling genoegen verschaffen wou, my andermaal in de hinderlaag
van \'n MULTATULi-kommissie te lokken. De liefhebbers van onedele
mystifikatien zullen zich voortaan met \'n ander soort van sujetten moe-
ten vergenoegen. Ik ben zoo vry te gelooven daartoe te goed te wezen,
en zéker is \'t, dat ik er me niet toe leen.
-ocr page 80-
^6                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
—  En de Meester had me beloofd dat ik iets vernemen zou over
speelbanken en kansrekening?
—  Nu ja, kansrekening, kristallen. . . \'t komt overeen uit. Alles
i\'s in alles! ziet ge. Dit is juist heden avend het wachtwoord. Ga
binnen!
—  Alles is in alles! riep ik, en de wachthebbende koboldjes lie-
ten me door.
%-
-ocr page 81-
AI.I.ES IX AIXES.
*
De prezident verzocht den sekretaris de notulen van de laatste
vergadering voortelezen. Het oude gnoompje dat de funktien van
geheimschryver vervulde, voldeed hieraan, en ik kwam dus te weten
met welke byzonderheden de onderaardsche mannetjes zich hadden
beziggehouden, lang voor ik er aan dacht hen te bezoeken. De
behandelde zaken waren meest van huishoudelyken aard. \'t Spreekt
vanzelf dat de ekonomie van \'t yzer daarin \'n hoofdrol speelde.
Een gnoom die als inspekteur naar de korst was gezonden, leverde
\'n uitvoerig rapport over het toenemend verbruik van stalen pen*
nen, waarvan hy \'n exemplaar ter bezichtiging had meegebracht.
Het ding deed de rondte, en ieder zei er wat van. Toen \'t aan
my kwam, deed ik m\'n best het met gehuichelde belangstelling
te beschouwen, en voorzichtig, alsof ik bang was iets aan \'t kosN
baar voorwerp te bederven, reikte ik het m\'n buurman over. Ik
wilde namelyk de goede kereltjes die met de veroverde kurioziteit
-ocr page 82-
;8                                        MILLIOENEN-STUDIEN.
zoo in hun schik waren, niet doen bemerken dat ik, wel beschouwd,
niet veel waarde hechtte aan zoo\'n instrument. De vreugd van m\'n
gastheeren kwam me onnoozel voor, en ik begon voor \'n slechten
uitslag van m\'n studiën te vreezen. Maar deze stemming verander-
de eenigszins toen ik de benaming hoorde waaronder de ingevoerde
zeldzaamheid \'n plaatsje zou bekomen in \'t onderaardsch muzeum.
Het mannetje dat de pen had meegebracht, zei dat het \'n werk-
tuig was waarmee men voor oppervlakkige toeschouwers z\'n gedach-
ten verbergen kon, en met behulp waarvan oppervlakkige denkers
zich in de oogen van sommigen konden aanstellen alsof ze gedach-
ten hadden. De voorzitter bracht hulde aan den yver van den
gnoom die zoo \'n kostbaar gedenkstuk van menselyke industrie
had neergedolven, en er werd met algemeene stemmen besloten
ruim te voorzien in de behoefte aan \'t metaal waaruit zulke nut-
tige zaken kunnen vervaardigd worden.
Ook het lood kwam aan de beurt. De vergadering voteerde een
afkeurend oordeel over de verkwisting der mensen. Er werd by
die gelegenheid \'n statistiek ter-tafel gebracht, waaruit men zien
kon hoe welbegrepen heldhaftigheid zich openbaart in misschieten
en niet geraakt worden, welke beide verdiensten zich laten samen-
vatten in de kunst van distantie bewaren en op den loop gaan.
— Ze schynen daarboven te meenen dat wy hier beneden \'t me-
taal voor niemendal hebben, zei de voorzitter grommend. De Meester
was met z\'n bastert-neef Moritz van Saksen overeengekomen dat
hy ons de dooden zou leveren tegen hun gewicht in lood, en tegen-
woordig nemen ze tweehonderd-lwee-en-zevenliy pond per man. Ik
geloof \'t graag dat ze klagen over overbevolking. Is dat \'n huis-
houden! *)
") De Prezident had gelyk. Het aantal dooden in den oorlog is schan-
delyk gering. De gemakkelykheid waarmee generaals, naar de vry zon-
derlinge begrippen van militaire eer, zicli overgeven, grenst aan . . .
krygskunde. (ii>ee 475)
Volgens officieele opgaven zyn te Solferino door de Oostenrykers
achl-millioen-vier-honderd-duizend geweerschoten gelost, waarmee \'t
hun gelukte niet meer dan tienduizend Franschen en Piemontezen te
treffen, en daarvan werden slechts tweeduizend behoorlyk gedood. Men
had dus middel weten te vinden meer dan achthonderd schoten te ver-
spillen om één man te raken, en vitrduizend-tweeltonderd om er een
te dooden. De zeer beleefde afstand dien de wederzydsehe helden in
acht namen om dit menslievend rezultaat te bereiken, kan uit zulke
cyfers gemakkelyk berekend worden. Wie deze opgave kontroleeren wil,
wordt verwezen naar \'t stuk van paul de <;arches: »Ce qui sepasse,"
in den Oaulois van 19 Juni 1871, of liever naar \'t relaas van alle
vechthistories. \'t Is altyd hetzelfde: la garde se rend et ne meurt pas.
Ik geef den raad, eens-vooral by \'t beoordeelen der cyfei-s van ge-
wonden en dooden, de getallen te vcrgelyken met de uitgebreidheid
van \'t gezelschap waarin de getroffenen zich bevonden, en het tradi-
tioneele hè! te bewaren voor \'t groot aantal ongedeerden die wegliepen
of zich overgaven.
Men ziet uit de opgave van des BARCHES, dat óf Maurits van Saksen
-ocr page 83-
ALLES IN ALLES.                                         79
Na eenige diskussie over dit onderwerp werd er besloten \'n ver-
hoogde dozis mephitische dampen en handleidingen tot vervalsching
van levensmiddelen naar-boven te zenden, om door konkurrentie
den oorlog te dwingen tot wat yver.
Hierop kwamen de verhandelingen aan de beurt. Het aantal in-
geschreven sprekers was zeer groot, en ik moet erkennen dat het
my in weerwil van m\'n begeerte om iets te leeren over de speel-
banken, benauwd te moede was. Redevoeringen namelyk . . .
Pourquoi parlez-voua doncf riep men emile de GIRARDIN toe, toen
hy eens zeer veel woorden gebruikte om te bewyzen dat woorden
niets waard zyn.
Ik heb den lezer \'n zonderlinge konfidentie te doen. Van kinds-
been af is \'t my onmogelyk \'n verhandeling of preek ten einde toe
met oplettendheid aantehooren, en ik vind dus dat emile de GI-
RARDIN terdege begon ongelyk te krygen toen hy betoogde dat-i
gelyk had . . . wat ik overigens volkomen toestem.
Wie langer of anders spreekt dan met de strikte eischen der
interlokutie overeenkomt, wordt slaperig en verwekt slaap ... of
zicli verrekende — wat niet te verwonderen wezen zou in \'n krygs-
kundige als hy, die ter-nauwer-nood lezen en schryven kon — öf dat
het métier na den tyd van dien held nog is achteruitgegaan, wat veel
gezegd is. In zyn tyd betrok men nog »winterkwartieren" — \'n weelde
waaraan weinig andere werklieden zich mogen overgeven — en nie-
mand schaamde zich.
Ziehier \'n andere berekening, waaruit ook het voorzittertje der gnoom-
vergadering schynt geput te hebben, en die ontleend is aan de Nieuwe
Rotterd. Courant van 28 December 1871. »Er is \'n opgave openbaar
gemaakt van de werking der vuurwapens in den oorlog met Frankrijk,
bij vergelijking met den oorlog van 1866. Volgens dat stuk zijn er in
laatstgenoemden oorlog voor het geweervuur 2 en in dien met Frankrijk
25 millioen patronen gebruikt. Blijkens het aantal Oostenrijkers, die
in 1866 door geweerkogels waren gewond of gedood, bedroeg het aan-
tal schoten die van den kant der Pruisen hadden getroffen 1,5 pCt.,
doch in den oorlog met Frankrijk slechts 3/4 pCt. Van de 3453 Uuit-
sche gewonden bij Metz waren er 1)5,5 pCt. door chassepot-kogels, 2,7
pCt. door geschutkogels en slechts 0.8 pCt. door bajonet of sabel ge-
troffen. Door het Duitsche geschut zijn 25 tegen 70 man door kogels
uit infanteriegeweer gewond. In het geheel zijn door het Duitsch
kanonvuur ongeveer 25,000 Franschen gedood of gewond. Naar ver-
houding van het aantal gedane schoten heeft ieder Duitsch kanon in
de drie schoten een Franschman doen vallen. Door de Fransche artillerie
zijn per 100 schoten slechts 4 a 5 en door de mitrailleuses 5 man
gedood en gewond. Zeer groot is het verschil tusschen de trefschoten
bij de oefeningen in vredestijd en die te velde in den oorlog. De ver-
houding daarvan is bij de infanterie 1 : 33 en bij de artillerie 1 : 28."
Ik zal me niet vermoeien met de oplossing van een-en ander in deze
opgave dat ik niet begryp. Voor myn doel is de daaruit blykende slot-
som voldoende, en ik zal niet noodig hebben lang aantedtingen op \'n
eerepalm voor de beininneuswaardige bescheidenheid van de rol die
-ocr page 84-
8o                                           MILLIOENEN-STUDIEN.
erger. Ja, erger! De gruwelen die op dit gebied dagelyks worden
gepleegd zyn hemeltergend, ook zonder de minste vergelyking nu
met den gezondheidbevorderenden oorlog die zooveel menschen in
\'t leven houdt. Van die gruwelen \'n voorbeeld, lezer.
Zeker tiran had \'n vyand dien hy uit den weg wilde ruimen.
Hy zond z\'n knechten uit, een voor een of allen te-gelyk, maar ze
kwamen onverrichter-zake terug. Dolk en gif schenen geen wer-
king te hebben op het taai gestel van dien boozen tegenstander.
Het radbraken deerde hem in \'t minst niet, en na tusschen twee
planken in allerlei richting te zyn doorgezaagd, voegden zich de
brokken weer aan elkaar, alsof er niets gebeurd was. Onze tiran
klaagde dat hy slecht bediend werd, en liet, om den yver van z\'n
hovelingen aantevuren, door z\'n hofpoëet \'n ode maken op den
vernuftigen phalaris. Oogenblikkelyk wemelde het land van ko-
peren stieren waarin de nachtmerrie van den goeden koning ge-
braden werd. Zonder baat, helaas! Want de eenige klacht die de
patiënte hooren deed, was dat ze vreesde kou te vatten — ik heb
verzuimd u te zeggen dat de te vermoorden vyand\'n vyandin was —
en eenmaal zelfs kwam ze, na gebakken te zyn, half bevroren voor
den d?.g. Een wyze stelde voor, haar uittehongeren, en ook van
dit middel nam men de proef, maar de uitslag was als-voren. Ze
sabel en bajonet by deze gelegenheid gespeeld hebben. Men zou er zieke
zuigelingen mee bakeren. Als men \'t visschers aan \'t verstand kon
brengen hun vak zoo diskreet uitteoefenen als de doodslagers het dood-
slaan, zou weidia de nieuwe haring onder antikwiteiten moeten gezocht
worden. Maar . . . dan kwamen die visscherlui van honger om. en de
niemendal-doodslaande helden worden heel goedig in \'t leven gehouden.
Daarin ligt het verschil.
Zien de voorstanders van vrede — j\'en suis! — niet in, dat de
tegenwoordige krygshelden slechts behagen scheppen in oorlog zoolang
men hun toeslaat daarvan \'n laffe spelery te maken?
I.aat de Natiën die voor «heldenmoed" betalen, goed werk vorderen
voor haar geld, dan zal de liefhebbery eensklaps te-niet gaan. En
waarschynlyk zullen de oorlogen die na deze verandering van systeem
gevoerd worden, nuttig zyn. Dit is thans \'t geval niet. Elke lamlendige
vei htparty is oorzaak van nieuwen stryd, of, erger nog, van zotte ge-
wapende vredes.
Men heeft onlangs \'n prysvraag uitgeschreven: of Nederland verdedigd
woiden kan ? Onder de vragers zyn natuurlyk militairen, generaals. . .
Met antwoord is eenvoudig. Of Nederland te verdedigen is? Wel neen,
omdat ge \'t vraagt, en omdat ij\\j \'t vraagt. Nogeens: is Nederland te
verdedigen? Met krijgskunde zeker niet. Door militairen niet, want
die heeren maken de zaak tot \'n kwestie.
Het vraagstuk is dus in ontkennenden zin uitgewezen, en Pruisen
kan zich gereed maken ons op de kosten te jagen van veel lood . . .
uit de verte, heel uit de verte, uit krygskundig-militaire verte.
Tienduizend mannen die \'t sterven verstaan — de herbergier noren
had er zooveel niet! — en géén vyand komt over de grens! Die Prui-
sische generaals zouden geen lust hebben zich intelaten met zulk on-
kiygskundig volk. »Gar zu unanstandigP\' zouden ze zeggen.
-ocr page 85-
ALLES IN ALLES.                                               8l
scheen aan \'t hongerlyden van oudsher gewend, en wel verre van
te bezwyken, begon ze zich, na gedurende zeer langen tyd niets ge-
noten te hebben dan onthouding, te-buiten te gaan aan zwaarly-
vigheid. Onze Sire Geweldenaar was radeloos, en loofde drie ko-
ninkryken uit voor \'n behoorlyken martelmoord.
Of de prys kontant betaald werd, is my onbekend gebleven,
maar betaald is ze. Een geniale beul heeft de patiënte doodver-
handeld. Ze heette demokratie.
De zeer intelligente lezer zal begrypen hoe onaangenaam my, die
\'t relaas van deze boosaardige strafoefening eerst onlangs in \'n
volksblaadjen ondergaan had, het vooruitzicht was \'n dergelyke
methode te zien toepassen op m\'n beminde kansrekening. Het scheen
dat die vrees op m\'n gelaat te lezen stond, althans een der leden
van de vergadering stelde my ongevraagd gerust. Hy verzekerde
my dat de verhandelaars in de onderwereld nooit waarschuwden
in hoeveel deelen de hoorders hun aandacht te splitsen hadden, en
ook dat de sprekers zich zelden hielden aan den tekst. Hieruit, zeide
hy, vloeit voort dat het auditorium gedurig door de een of andere
verrassende wending wordt wakker geschud. Daar bovendien de
toepassing soms voorop, soms in \'t midden werd gesteld, en men
niet dan by uitzondering de stukken daarmee besloot, kon niemand
vooruit weten op welk oogenblik hy overtuigd moest wezen, aan-
gedaan, geestdriftig of zoo-iets, en men was dus wel genoodzaakt
zich daartoe voortdurend gereed te houden. Ook gebeurde het
vaak — en dit zou heden avend waarschynlyk het geval zyn —
dat de lezing werd opgeluisterd door proeven. Nu, ik be-
speurde al terstond dat dit de zuivere waarheid was.
De eerste redenaar namelyk die optrad, had \'n bosje jongelut in
de hand die hy neerlegde naast z\'n suikerwater. Het opgegeven
onderwerp van z\'n verhandeling was: nauwkeurig onderzoek ot
Duitsche badplaats-kellners mensen zyn ?
—   Ziet ge, zei m\'n buurman, nu moet ge wel wakker blyven.
Waarschynlyk snydt hy ze open, en wie zou dat niet willen zien ?
Ik moet erkennen dat het onderwerp me byzonder interesseerde,
vooral omdat ik, juist door \'t groote verschil daarvan met myn
streven, genoopt werd te zoeken naar den samenhang, die dan ook
moeilyk genoeg te vatten was om me wakker te houden door wat
inspanning. De geachte spreker behandelde, in den aanvang gelei-
delyker dan ik gevreesd had, den kellner naar uit- en inwendige
eigenschappen. Zonder van myn kant aanspraak te maken op nauw-
keurigheid — er zyn voorbeelden dat het reporterschap allerna-
deeligst werkt op geest en oordeel, en daar ik nog geen hoofdre-
dakteur van \'n krant ben, kan ik die dingen niet missen — wil
ik \'n gedeelte van z\'n voordracht aan den lezer ten-beste geven.
Wie welwillend is, denke zich \'n prentje daarby.
De verhandelaar trok het lint los, waarmee z\'n studie-exemplaren
als \'n bosje sprot waren byeengebonden, nam één daarvan tusschen
duim en vinger, en demonstreerde:
—   Rokje . . . zwart, als by den mensch. De slipjes opligt-
baar . . .
6
MILLIOENEN-STUDIEN.
-ocr page 86-
82                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
Hy voegde de daad by het woord, en vertoonde het achter- on-
der- middendeel van z\'n modelletjen aan de blikken der verbaas-
de toeschouwers, die eenstemmig uitriepen: \'n mens, \'n mens,
precies \'n mens!
—  Zacht wat, geëerde hoorders. Ware wetenschap overhaast zich
niet. Slaat er eens op.
De leergierige menigte maakte van de vriendelyke uitnoodiging
\'n gulhartig gebruik. En: »hy schreeuwt . . . hy schreeuwt I" klonk
het door \'t gewelf.
—   Ja, hy schreeuwt ... als \'n wezenlyk mens. Ziet nu hier
met aandacht die witte das, dat vest, dien doekspeld, die horloge-
ketting . . .
»Een mens, \'n mens!"
—   Hm . . . dat zullen we zien! Beschouwt deze blonde haren,
verzadigd van smeer, en met zorg gescheiden aan den linkerkant.. .
»Een mens, \'n mens!"
—  Mogelykhcid, zeer geachte hoorders, is nog geen waarschyn-
lykheid, of althans niet altyd het waarschynlyke. In allen geval is
het geen zekerheid. Wachten wy ons alzoo voor onwetenschappe-
lyke overyling. Het voorwerp dat ik de eer heb u te vertoonen,
bezit nog meer eigenschappen die den oppervlakkigen beschouwer
zouden doen gelooven dat wy hier inderdaad te doen hebben met
\'n exemplaar van \'t vereerd ras dat heden avend door een zyner
uitstekendste leden in deze vergadering vertegenwoordigd is.
Die gnoom was zoo dom niet.
—  Neus, mond, ooren, dat baardje, die knevel . . . alles precies
als by den mens, ging de spreker voort . . .
Om ook de verder-afzittenden in de gelegenheid te stellen zich
hiervan te overtuigen, draaide hy z\'n armen kellner den kop af,
en wierp dien in de zaal. Het leergierig publiek bekeek dat hoofd
met aandacht, en hield het naast het myne. De gelykenis scheen
byzonder treffend, want allen riepen weer om-stryd: \'n mens,
\'n mens!
—  Ziet, geachte hoorders, by \'t ontblooten van den arm blykt
ons dat hy gevaccineerd is, en in z\'n linkerbroekzak vinden wy \'n
doopceel . . .
»Een mens, \'n mens!"
De redenaar hierop \'n tweede exemplaar uit het bosje nemende,
kneep er drie, vier talen uit . . .
»Een mens, \'n mens!" schreeuwden weer allen.
—   Ge ziet, geachte hoorders, na \'t uitknypen van die talen is
\'t mannetje slap en dood. Al z\'n levensgeesten bestonden in de
hebbelykheid om zekere zaken op drie manieren aantespreken. Hy
kon chou, kohl, kraut, cabbago en hazepeper zeggen.
We willen nu eens de dingen van-binnen beschouwen.
Bloed ... rood.
«Een mens, \'n mens!"
—   Spieren, zenuwen, pezen . . .
»Een mens, \'n mens!"
—  Tot-nog-toe, ja. Maar wat zien we verder ? In-plaats van hart,
nieren en ingewand . . .
-ocr page 87-
ALLES IN ALLES.                                        83
Al de mannetjes werden nu opengesneden, en de voorwerpen
die voor den dag kwamen, leverden \'n kurieuze verzameling. Men
vond kreutzers, franken, shillings, dubbeltjes, klontjes suiker . . .
Dit alles vond ik zoo vreemd niet, maar onder het verder ont-
leden werden wy onthaald op allerlei zaken van eenigszins anderen
aard. Ik begryp evenwel dat de overgang niet allen hoorders zoo
spoedig als my in het oog viel. Daar waren rekenfouten, traagheid,
eigenbaat, verwaandheid, gal, afgunst, oproepingen tot spekulatien
in ... \'t een of ander, chicanes, pleidooien, reglementen van vrede-
bonden, krankzinnigheid, kadaster- en agrarische wetten, filantro-
pie, liefdadighedens, babbel- schryf- eer- heb- en andere zuchten,
jazelfs by sommigen vond men niemendal. Dat waren de diksten.
De Vergadering begon al minder vast te staan in de meening
dat zulke kcllners onder de mensen behooren gerangschikt te
worden, en ik hoorde hier-en-daar iets mompelen over spotvormen.
De redenaar gaf hierop \'n uitvoerige beschryving van de hoe-
danigheden die den waren mens kenmerken, en juist op \'toogen-
blik toen men de konklusie verwachtte dat alzoo de daaraan niet
beantwoordende Duitsche badplaats-kellners géén mensen zyn,
vertelde hy op-eenmaal dat hy dit niet verzekeren kon, omdat-i,
by gebreke van \'n voldoend aantal kellnertjes, z\'n proeven met
andere exemplaren had genomen, die naar hy meende voor het
doel genoegzaam op kellners geleken: kooplui, bankiers, staatslieden,
advokaten, schryvers, enz.
Dat had ik moeten weten! Het begon me nu te spyten dat ik
niet op een der voorste reien had gezeten, toen hy in \'t begin van
z\'n rede de gevoeligheid zyner modelletjes aan \'n publieke proef
onderwierp.
De spreker trad af, na te hebben medegedeeld dat-i by \'n vol-
gende gelegenheid z\'n krachten beproeven zou aan \'t vraagstuk:
of \'n mens Kellner wezen kan? Wat-i by die gelegenheid zal
opensnyden, weet ik niet.
Hierop gaf een der kwestoren last de gebruikte studie-exemplaren
wegtevegen, en die na eenige reparatie weer op de korst en aan
hun werk te zetten, \'t geen zoo goed mogelyk geschied is.
Er trad nu \'n andere spreker op, die ons onthaalde op \'n be-
schouwing van \'t Heelal. Schynbaar eenigszins in-stryd met de ver-
zekering dat hy niets zou overslaan, was dit stuk zeer kort, daar
hy zich bepaalde tot de verklaring dat twee maal twee hem voor-
kwam vier te zyn. Van deze grondwaarheid, zeide hy, hingen alle
andere dingen af. De geestdrift der vergadering by deze bondige
behandeling van zaken, was onbeschryfelyk.
De gnoom | die belast was met het arithmetisch gedeelte der
zitting, zag van het woord af «omdat de geachte spreker die zoo-
even de tribune verlaten had" en dien hy by deze gelegenheid den
eerenaam toekende van Heelalmannetje, hem het gras voor de voe-
ten had weggemaaid. Iets„ dergelyks verklaarden de kobolden half-
dertien,
317 \'/2 bis, en een tal van anderen, zoodat my \'n schrik
door de leden voer by de vrees dat ook m\'n beminde kansreke-
ning zoo peremptoir zou behandeld worden. Die gnomen zyn zon-
derlinge wezens, van wie alles kan verwacht worden omdat ze nu
-ocr page 88-
84                                    MILLIOENEN-STUDIEN.
eenmaal de gewoonte hebben iemand gedurig te plagen met het
onverwachte. Ik hoopte dus dat m\'n gegronde vrees ongegrond
blyken zou, waarin ik me alweer vergiste. Als hadden die kereltjes
m\'n angst bemerkt, schenen zy zich er op toeteleggen ditmaal juist
te doen wat ik op grond van het voorafgegane te verwachten had,
en waarop ik dus niet verdacht was. Ik werd namelyk nu tot luis-
terende getuige gemaakt der welsprekendheid van a2 die onder
luide toejuiching der Vergadering verzekerde dat alle waarheden
zich oplossen in de stelling dat twee maal twee gelyk is aan vier.
Een der aanwezige leden had niet meegejuicht. Men deelde my
mee dat hy "n vinnige tegenstander van den vorigen spreker
was. Ik hoorde met innig genoegen dat hy \'t woord vroeg, en wel
voor \'n personeel feit.
—  Hoe heet dat lidje, vroeg ik,
—  Nu zult ge wat hooren! Hy is woedend op den ander. Noord
en Zuid, Welf en Gibellyn, Geloof en Goed, Liefdadigheid en Recht,
Volksgeluk en Staatkundery, moed en krygskunde, staan niet ver-
der van elkaar dan hy van o2 . . .
—  Ik wil dat alles wel gelooven, maar wie is hy dan ?
—  Wel, de beroemde —a2. Sjt . . . daar begint-i!
Ik haalde adem. Gewoon aan den choc des opinions die op ons
wereldje sedert eeuwen zoo byzonder veel licht verspreidt, kwam
my de eenstemmigheid van die gnomen wat lauw en onwaarheid-
lievend voor. Ik voelde behoefte aan wryving en tegenspraak, en
vriend minus a2 zou die leveren. My dacht dat-i dit aan z\'n naam
verplicht was.
—  Zeer geëerde hoorders. De brekebeen die zoo-even de tribune
is afgestrompeld . . .
—  Maar, eilieve, fluisterde ik, dat sprekertjen is onbeleefd.
—  Negatief, mens, negatief! Straks zal-i lomp zyn . . . ook
negatief. Multipliceer dat eens. \'t Produkt is pozitief humaan...
zooals gylieden op de korst dat noemt.
Het negatief a-txveede-machije ging voort.
—  De pozitieve stumpert die u trachtte op den mouw te spelden
dat twee maal twee gelyk vier is, zou beter gedaan hebben z\'n on-
wetendheid te verbergen, dan die zoo onbeschaamd bloottestellen
aan \'t licht van onze smeerkaarsen. De ware vier bestaat uit minus
twee maal minus twee. En daarop berust al wat bestaat. Ik heb
gezegd.
Aan de verschillende wyzen waarop deze verhandeling werd op-
genomen, bemerkte ik dat de Vergadering gesplitst was in twee
partyen, de negativisten en de pozitivisten. Toen ik dit ontwaarde,
was m\'n eerste gedachte of AUGUSTE COMTE zich in de zaal bevond ?
Maar m\'n buurman zei dat de gnomen, al scheen het soms anders,
volkomen by hun verstand waren. Ik zocht dus niet langer.
Het kwam me vreemd voor, dat —a2 van \'n persoonlyk feit had
gesproken, en ik vernam op m\'n verzoek om inlichting daaromtrent,
dat dit de wyze was waarop iemand te kennen gaf dat-i z\'n beurt
niet kon afwachten. Die goede —o2 was ingeschreven onder de
laatste sprekers, maar om \'t persoonlyk feit had men hem eenige
honderd nummers hooger-op geschoven.
-ocr page 89-
ALLES IN ALLES.                                               85
Toen dit incident afgeloopen was — de tegenstanders schenen
na \'t verlaten van de tribune volstrekt niet boos meer — kwam
de gnoom 7 : 22 aan de beurt.
Deze beklaagde zich over z\'n inkompleetheid, doch zei dat-i \'t
niet helpen kon. Twee maal twee was nu eenmaal vier, en dus
moest men het met z\'n gebrekkige existentie »die, als al \'t andere,
op die grondwaarheid gebazeerd was" voor lief nemen.
Met \'n hartelyk applaudissement gaf de Vergadering te kennen
dat ze hierin geen bezwaar zag.
De nu volgende 118/gsgi ofschoon hy er eenigszins meer gesoig-
neerd uitzag dan z\'n voorganger, had evenwel met dezen een in \'t
oogloopenden familietrek. Ook z\'n redevoering geleek op de ver-
handeling van den vorigen, als \'n zuster of minstens als \'n nicht.
Hy zou veel beter in orde wezen, verzekerde hy, als twee maal twee
niet gelyk vier was. «Deze grondwaarheid, geachte hoorders, waar-
uit alle verschynselen voortkomen, behooren wy te eerbiedigen."
Een derde cirkelkwadratuur, met \'n naam waarvan het aantal
cyfers voldoende wezen zou om \'n oorlogsvergoeding in centen uit-
tedrukken, verhaalde nagenoeg hetzelfde. »Ik ken en betreur m\'n
gebrek, aldus weeklaagde hy, maar ge weet dat tweemaal twee...
Nu ja, dat wisten wy.
Logarithmos, \'n aardig handig mannetje, betrad hierop de tribune.
Hy beweerde door zeer persoonlyke dankbaarheid zich gedrongen
te voelen tot de verklaring dat twee maal twee gelyk was aan vier.
»Zou ik die grondwaarheid waaraan ik m\'n bestaan te danken heb,
niet loven ? Geachte hoorders, ik doe \'t by dezen, en heb gezegd."
Hierop volgden gelyke betuigingen van binomium, ar, magneet,
deklinatie, straalbrekinq, eleclron, donder, hagel, affiinileit, zenuw-
leven, instinkt.
Alles en ieder zei \'tzelfde. Daar waren:
Solon, Chilo, Pittakus,
Thales en Cleobulus,
Bias en Periander . . .
Mercurius, Venus, Luna, Sol,
Mars, Jupiter, Saturn . . .
Hou-op, m\'n kop wordt dol . . .
Ik ken dat volk toch niet.
Dat \'s je eigen schuld kamacho !
Al die bomunkeltjes, en veel meer nog, kwamen verzekeren dat
twee maal twee gelyk vier is, en dat op deze grondwaarheid alles
berust. Hieruit konden, volgens hun meening, zoowel de zonder-
lingste als de ons eenvoudiger voorkomende verschynselen op \'t
gebied van moraal, geschiedenis van wereld en mensdom, staat-
en natuurkunde, wetenschap, kunst, industrie, handel . . . alles in
één woord, met de meeste gemakkelykheid opgehelderd worden.
\'t Was wel mogelyk. Maar ik wilde gaarne iets weten van de
-ocr page 90-
86                                          MILLIOENEN-STUDIEN.
kansrekening. Niet zonder spanning zag ik alzoo \'n spreker optre-
den, die my was aangewezen als specialiteit in dat vak. Hy heette
Hiiyghens. Slevin. de Gelder, Lobotto of zoo-iets. Misschien ook was
z\'n naam Leibnitz of Descartes. Men zei my dat hy direkteur was
van \'n onderaardsche assurantie-zaak tegen \'t onregelmatig afwy-
ken van de kompasnaald. Eindelyk zal ik iets vernemen wat my
aangaat, dacht ik, want ik begreep dat ik in m\'n lievelingsstudie
met afwykingen zou te doen hebben. Ik spitste m\'n ooren:
—   De kansrekening, geachte hoorders, is de eenvoudigste zaak
van de wereld. 7.y berust op de grondwaarheid . . .
Lezer, neemt ge \'t my kwalyk dat ik begon ontevreden te wor-
den ? En dat die ontevredenheid in drift overging toen die
Slrabbe, Adam van T-inz, Bartjens, Arinloteles of hoe dan \'t ventje
mag geheten hebben, begon en eindigde met de stelling die ge nu
wel eenigszins kennen zult?
Toch verbeet ik m\'n ontevredenheid omdat nu Semi-ur aan de
beurt was, het kristalmannetje. Een van m\'n buurtjes fluisterde my
in dat deze spreker gewichtige onderwerpen te behandelen had, en
dat ik wel zou doen aandachtig toeteluisteren. Nu, dit deed ik.
—   Onze geëerde voorzitter, aldus begon Semi-ur, heeft my wel
willen opdragen, by-wyze van rezumtie, nogmaals \'n duidelyke ver-
klaring te geven van alle zaken die door de vorige sprekers be-
handeld zyn. Geenszins omdat m\'n geachte ambtgenooten die deze
onderwerpen in \'t byzonder behandelden, eenigermate zouden te-
kort geschoten zyn in het volbrengen van hun taak, maar om nog
beter dan tot-nog-toe geschied is, te beantwoorden aan de begeer-
te van den zeer geeerden mens die deze Vergadering bezoekt
met het voornemen om iets te leeren. Hoogstwaarschynlyk ziet hy,
naar den aard van z\'n ras, met verlangen uit naar zekere samen-
vatting van het verhandelde. Dit verlangen is verklaarbaar uit de
grondwaarheid . . .
—  Dat twee maal twee gelyk is aan vier, riep ik.
—   De mens heeft het gezegd, hernam Semi-ur. Om aan zyn
wenschen te voldoen, breng ik in herinnering hoe ons gebleken is
dat het yzerworden, de Schepping, steen- planten- en dierengroei,
het leven, kanker, pest, stedenbouw, annexatie van vorstendommen,
prostitutie, geschiedenis, staatkunde, liefde, hoop, vrees, darwinisme,
millioenen-studien, kansrekenig . . .
—  Allereenvoudigste zaken zyn, riep ik.
—    De mens heeft het gezegd. Al die zaken zyn één, gelyk-
soortig, homogeen, elkander verklarende, helpende, voortbrengende,
veroorzakende, volgende, herstellende, vernietigende, verdringende,
vervangende, volmakende. Ze zyn: het zyn. Myn taak is nu dit
verband optehelderen, en ik beroep me te-dien-einde op de eeuwige
wet der kristallizatie. De kristallizatie, zeer geachte hoorders, is...
—  De eenvoudigste zaak van de wereld, riep ik.
-ocr page 91-
87
ALLES IN ALLES.
—  De mens heeft het gezegd. Die eenvoudige zaak nu berust
op de even eenvoudige grondwaarheid . . .
—  Dat hvee maal twee gelyk vier is, schreeuwde ik.
—   De mens heeft het gezegd, hervatte de redenaar met on-
verstoorbare deftigheid. We mogen nu de vergadering sluiten in de
gegronde hoop dat onze zeer vereerde gast, na de oordeelkundige
interruptien waarmee hy zoo welwillend het meest gewichtige deel
van m\'n taak heeft op zich genomen, nu ook zal inzien hoe allea
in allea
is.
De hamer viel, en ik zat in nachtbroek en kabaai te ontbyten
in de kamer No. 32 van het hotel Zum gelben Adler te Wiesbaden ...
Oef!
-ocr page 92-
VERTALEN.
Göthe zegt ergens: een vertaling is \'n tapyt van den verkeer-
den kant gezien. Ik wil beproeven de verkeerde zyde van myn
tapyt overtezetten in den rechten kant. Misschien worden de figu-
ren van \'t borduursel iets duidelyker . . .
Zóó nagenoeg zat ik te peinzen toen ik dien ochtend het hoog-
bruin lauw water gebruikte, dat op de rekening van den braven
Gelen Adelaar als thee zou geboekt worden. »Daar heb je \'t al,
mompelde ik verdrietig, alles is in alles . . . verf in thee! Wie iets
te schilderen heeft, zal zeker thee in z\'n kleursel vinden. Die ver-
vloekte Semi-ur, -°, half-dertien ... en de rest!"
Ik schelde. Niet om over de thee te klagen — ik heb genoeg
rondgezworven om te weten dat dit \'n reiziger niet past — maar
ik wilde m\'n tapyt omkeeren, en hiertoe moest ik \'n middel te-
baat nemen, dat my in dergelyke gevallen weleens gelukt is.
Zoodra ik iets niet begryp, zoek ik inlichting by personen die
-ocr page 93-
VERTALEN.                                             89
gerekend kunnen worden in ontwikkeling of kennis beneden me
te staan, en die, als ik maar ernstig zoek, inderdaad soms te vin-
den zyn. In \'t buitenland, natuurlyk. Deze methode om wyzer te
worden zou voor hoogmoedig kunnen doorgaan, en misschien is ze
■dit. Men kan haar vertalen — ziehier reeds \'n begin van de tapyt-
werkery — in iets als: daar ik de zaak niet begryp, moet ze be-
neden me zyn, want ik ben gewoon \'t hooge te vatten. We zullen
dus inlichting zoeken beneden ons.
Wie zich dezen wenk ten nutte maakt, heeft kans op wys worden.
De lezer die van m\'n methode wil gebruik maken, wachte zich
evenwel voor \'t doen van abstrakte vragen. Hy moet — o goden,
"hoe vermyd ik \'t vrceselyk woord, den hedendaagschen ploerten-
vloek? — hy moet vooral objektief zyn. \'t Staat er! Ik ontleende
de kracht tot die gemeenheid aan de woede die my aangreep over
*t wegblyven van den kellner. Juist op \'t oogenblik toen ik op \'t
punt stond me niet te kunnen neerbuigen tot zoo\'n allemans-uit-
drukking, kwam hy nog niet, en my bleef alzoo eenige tyd over
om \'n objekt te zoeken voor de objektivitcit waaraan ik me ging
bezondigen. Want \'n objekt moest er zyn I Als vercerende uitzon-
dering geef ik myzelf de waarachtige getuigenis dat ik dit nog
altyd inzag. Zoodra ik naar de mode van den dag zulke woorden
gebruik waar ze heelemaal niet te-pas komen, zal ik den lezer waar-
schuwen.
Ik telde m\'n geld na, en berekende dat ik even genoeg had om
de wetenschap te betalen, die me zou geleverd worden. Maar hoe
m\'n vragen intekleeden? Welk objekt . . .
Daar kwam hy, de kellner:
—   Was gefalligt
—  Herr Oberkellner, ziehier \'n thaler. Ik ben gewoon goede fooien
te geven ...
                                            *
\'t Objekt, \'t objekt!
De kellner kratzfihste, en wou vertrekken. Nog altyd had ik geen
objekt gevonden, en daar ik alzoo niet wist wat ik zeggen zou, be-
gon ik te spreken:
—   Herr Kellner, ik wilde u meededen dat ik \'n yverig beoefe-
naar ben van ... ik wilde ... ik zoek . . . hoe zal ik my uit-
drukken? HORATIUS zegt er iets van: rerum cognoscere causa» ...
—  Es wird im Adreshueh slehn . . .
—  Neen, daar staat Het niet in. Zoo\'n boek krioelt van drukfou-
ten, en men maakt ze hoe langer hoe inkompleter. Ik wilde u
vragen . . . zeg eens, waarom heet deze kamer, nummer 32 ?
M\'n objekt was gevonden!
—  Ganz einfach, zu dienen! Nummer 31 is hier naast, en 33 aan
de andere zy, und also . . .
Het ganz einfach van den kellner deed me genoegen. Hy, \'n
»mens" sprak precies als de gnoompjes van gistr\'avend. Er be-
gon kans te dagen dat ik de onder den grond opgedane wysheid
2011 kunnen gebruiken op de korst. En daarom was het me te doen.
M\'n leermeester wilde vertrekken. Ik hield hem terug, en vroeg:
—  Waarom hebt ge my, toen ik hier aankwam, deze kamer aan-
gewezen ?
[
-ocr page 94-
MILLIOENEN-STUDIEN.
90
—  Ganz einfach, zu dienen, ze was onbezet.
Kon het duidclyker? De jongen begon waarachtig op Semi-ur
te gclykcn, en \'t kwam me reeds eenigszins vreemd voor dat-i geen
smeerkaarsjen op \'t hoofd droeg. Ook had hy, in-plaats van \'n gry-
zen kiel, maar \'n zwart rokje met slipjes aan. Overigens was alles
wat-i zeide yanz einfach, en ik begon byna intezien dat de waar-
heid op of onder den grond nagenoeg dezelfde is.
Dat ik op Xo. 32 logeerde, was ... de eenvoudigste zaak van
de wereld, en berustte op de grondwaarheid . . .
Wel zeker! \'t Sprak vanzelf dat men my niet had ingekwartierd
in 23, waar \'n Rus woonde, nog op nummer 12, dat door twee
Polinnen bezet was. Ook niet in 37, 38, 39, en nog \'n paar num-
mers meer, die ingenomen waren door Amerikanen, Franschen,
Hollanders. Nummer 51 had men my niet gegeven — ganz ein-
fach !
— omdat er maar vyftig kamers waren in \'t hotel. En \'t was
even duidelyk waarom men my niet by die Polinnen gebracht had,
of by die Hollanders . . . shocking! Is dit alles einfach of niet? Ik
was byna tevreden.
Toch drong my de verbazende scherpzinnigheid myner ingewor-
telde wysbegeerte tot het voorwenden van onvoldaanheid. Ik vroeg,
of dan alle andere kamers bezet waren?
—  O neen, we hadden nog open . . .
En hy telde al z\'n leege kamers op de vingers. Dit gaf me weer
\'n objekt:
—  Eilieve, als er over zooveel kamers te beschikken was, waar-
om hebt ge my dan juist in 32 gebracht?
—  Ganz einfach, zu dienen! De onbezette kamers zyn van drie
soorten, familiekamers, middelmatige en kleine kamers. En daar
m\'nheer er uitzag alsof-i maar \'n kleine kamer behoefde . . .
Alweer precies de nuchtere waarheid, en eenvoudig als bonjour.
Maar toch:
—  Was dan onder de kleine kamers deze de eenige?
—  O neen!
—  Waarom my dan juist deze gegeven?
—   Ganz einfach, zu dienen! M\'nheer kwam, verlangde\'n kamer,
ik lichtte m\'nheer voor, en bracht m\'nheer hier omdat hier de
eerste leege kamer was in dezen gang op deze verdieping.
—  Zyn er meer gangen op deze verdieping?
—  Ja. Nog een, rechts van den trap.
—  Waarom hebt ge my links van den trap geleid?
—  Omdat er in den anderen gang iets in den weg stond.
—  Zoudt ge my anders de rechterzy gewezen hebben?
—   Dit weet ik niet. Maar omdat nu eenmaal die andere kant
versperd was . . .
—  Wat stond er in den weg ?
" — Stoelen, tafel, beddegoed waarop \'n reiziger gestorven was...
zu dienen! Das Zimmer wurde ausgeholt . . . alles moest gereinigd
worden, en gelucht . . .
Ja, er was \'n reiziger gestorven op dat nummer zooveel in dien
anderen gang. Hy had zich doodgeschoten. y>Ein SpieleS\' zei de
-ocr page 95-
VERTALEN.
9\'
kellner, maar hy vergiste zich ... als \'n mens. Hoogstens was
de overledene iemand die gespeeld en verloren had. Een speler
speelt ook, en verliest ook — meer altyd dan de bank van hem
wint! — maar schiet zich niet dood. Een der hoofdbestanddcelen
van z\'n hartstocht . . . neen, hartstocht is het niet, van \'t speler-
schap liever, is: hoop. De ware echte onvervalschte ouwerwctsche
speler vertwyfelt nooit. Hoe wreeder \'t grillige toeval hem plaagde,
hoe meer de verwachting toeneemt dat weldra \'n gelyke gril in
omgekeerden zin hem \'t verlorene met hooge rente zal doen terug-
winnen. Wanhoop is de lievelingsfout van nieuwelingen. Wanneer
ge dus in de couranten leest dat deze of gene ongelukkige speler
zich verdronken heeft, houd het er dan maar voor dat \'n stumpert
zich langs den natten weg van \'t leven beroofde omdat hy \'t on-
geluk had geen speler te zyn.
Ge zult reeds lang hebben opgemerkt, lezer die zoo gewoon zyt
alles in alles te vinden, dat wanhopen \'n blyk is van slordig ge-
bruikte ondervinding. Wie de Geschiedenis bestudeert — van we-
reld, volkeren, familien, eigen gemoed of speelkaartjes, om \'t
even! — heeft \'n tabel voor zich, waarin de eindelooze wisseling
zich zóó vreemd voordoet dat men weldra dat vreemde heel gewoon
begint te vinden, en zelfs vreemd zou opzien van gewoonheid. »Ik
heb zes zéroos achter-elkaar gezien!" roept \'n habitué van de groe-
ne tafel. Waarom zou dan de Engelsche Marine onverstoorbaar
wezen? voeg ik er by. Of \'t DuitscheRyk? Of de Inkomende-Rech-
ten ? Of de thans heerschende begrippen over goed en kwaad ?
Juffrouw lannoy had groot gelyk. Babiion, \'mus\' zegeboog, \'t
Mauzoleum, Nineve, haar «baleinen rok" . . . van al die dingen
zyn de haken losgegaan.
En veel meer nog, beste juffrouw lannoy. Ge meendet al heel
wat vergankelykhcid bekeken te hebben, toen ge u door Wys-
begeerte en Geschiedenis troosten liet over \'t losgaan van die haak.
Zou uw filosofie bestand zyn geweest tegen \'t verlies van al uw
kleeren, met of zonder balein dan ? Tegen \'t verlies ook van wat
daarin zat, van uzelf? Die kans is reeds lang werkelykheid gewor-
den, al scheen ze u moeielyker denkbaar toe dan die zes hardnek-
kige nullen op de roulet: J/37s , dat is, op \'n paar eeuwigheden
dooréén gerekend, slechts eenmaal op meer dan twee-en-een-half
duizend millioen
zetten! *) O, die cavsae rerum!
De kellner vroeg my of me nog etwas gefüUig war 9 Ik bedacht
me een oogenblik of ik hem vragen zou waarom Amerika bewesten
Europa ligt, maar de vrees weerhield me dat hy ook dit objekt
met z\'n ganz einfach zoo radikaal zou oplossen, dat ik my zou be-
ginnen te vervelen by gebrek aan vraagpunten ter onderzoek. Boven-
dien, ik wilde beproeven van nu af mezelf te helpen. Om hem in
geval van nood te kunnen weervinden, vroeg ik z\'n naam — Hans
Schlungel, zu dienen!
was \'t antwoord — onthield me niet zonder
eenige moeite van nader onderzoek waarom hy juist Hans St7i/un-
gel heette, en liet hem gaan.
*) De noemer der breuk waardoor de kans wordt uitgedrukt, dat zes
vooruitbepaalde nummers op de roulet zullen uitkomen is :2,565,726,409,
-ocr page 96-
92                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
Ziehier nagenoeg hoe ik daarop redeneerde:
Ik logeer op dit nummer 32, om . . . \'n reden. Deze reden be-
staat uit \'n oneindig aantal oorzaken die er zich niet aan storen
of ik ze ken of niet ken. Maar zoodra m\'n belang meebrengt ze
wel te kennen, is \'t m\'n plicht my op die kennis toeteleggen. Indien
ik had zorggedragen alles te weten waardoor het nummer van deze
kamer bepaald wordt, had ik dat nummer kunnen opgeven voor ik
\'t op de deur las. Onder die oorzaken is niets willekeurigs. Alles is
even eenvoudig. Wat is, moet zyn. Deze grondwaarheid . . .
Ja, ja . . . twee maal twee is vier, en dus moest flans Schlungel
\'n jongetje wezen toen hy ter-wereld kwam. En als hy \'n jongen
blyft, dan ook is de oorzaak van dat verschynsel ganz einfach. De
eisch dat hy in z\'n ontwikkeling de wetten van de Natuur zou ver-
krachten, is onbillyk.
En ook de arme drommel die zich dood schoot op nummer zoo-
zeel, kon niet anders. Hy is \'n slachtoffer van de grondwaarheid ...
Ik begon nu tevens intezien dat ik een der medewerkende
oorzaken van z\'n dood was. Zonder my, was er iets anders in de
wereld. Zoodia er iels anders ware, werd alles anders. Zeker, als
twee maal twee geen vier was, zouden ook drie maal drie zich te
vergeefs inspannen om negen te zyn, enz. Dan zou al \'t ware on-
waar vezen, en onwaarheid is niet. Wanneer alzoo alles onwaar,
en dus niet was, zou er niets zyn. En als er niets bestond zou ook
die man op nummer zooveel er niet geweest zyn, en hy had zich
in dat geval niet kunnen doodschieten.
Aan den anderen kant had hy dus aan my misschien zoowel
z\'n leven te danken als z\'n dood te wyten. \'t Eerste hangt van den
ouderdom af. Maar dat ik meegewerkt heb in \'t vermoorden, is
zeker.
Hyzelf ook. Waarom was-i geen speler ? Dan had hy hoop en
leven behouden. De arme man moet een verdrietig twee maal t>ree
gehad hebben in hersens, bloed, hart, lever ... ja, waar? Mis-
schien lag de fout aan z\'n grootouder-. Ik had grooten lust hem
en z\'n voorgeslacht opentesnyden. Maar \'t mag niet. Ze noemen
dat lykschenden. O, VESALE, u richt men standbeelden op, alsof\'t
byzonder kunstig ware spiertjes, celletjes, vezeltjes, wecfseltjes te
bekyken door \'n vergrootglas! My zouden ze korrektioneel ver-
volgen als ik in dien man van nummer zooveel op de jacht ging
van de oorzaken die hem belet hebben \'n bchoorlyk speler te zyn.
De aardmannetjes hebben \'t gemakkelyk. Niemand stoort hen in
hun onderzoekingen. Ik geloof \'t graag dat ze, alle tusschen- en
byoorzaken overslaande, zich bepalen tot . . . allereenvoudigste
grondwaarheden! Ze mogen uit de bron scheppen. Ik »mens"
moet me heenworstelen door struik en doorn, tot ik afgemat neer-
zyg. Wel beschouwd was \'t zoo-even \'n verwaandheid van me, te
zeggen dat ik weet waarom ik op 32 logeer. Wat drong my naar
den Gelen Adelaar? Wie, wat, belette my aftestappen in den paar-
sen, den groenen ? In leeuwen, zwanen, vossen, of andere beesten ?
Predestinatie? Gekheid! Ook predestinatie is ... de eenvoudigste
zaak vah de wereld., en dus even moeielyk te begrypen als de rest.
Oorzaken kennen, \'t verband opsporen, daaruit afleiden wat vol-
-ocr page 97-
VERTALEN.                                              93
gen moet, zich naar die kennis regelen . . . dat zullen m\'n aard-
mannetjes bedoeld hebben. Als ik me daarop toeleg, is de toepas-
sing op de praktyk ... de eenvoudigste zaak ter wereld alweer,
en de millioenen zyn gevonden.
Ter oetening zullen we nu maar beginnen met het opensnyden
van de voorouders dier zes nullen, en methodisch te-werk gaan.
\'t Zal m\'n koboldjes pleizier doen, en adolf ook, als ze vernemen
dat ik korrekt redeneer, en my in acht neem tegen trainbuben.
Ik moet beginnen met me te ontdoen van die gekke begeerte naar
millioenen. Dit is de hoofdvoorwaarde van \'t slagen. Waarom
kristallizeerde Semi-ur zoo handig ? Wel, omdat hyzelf geen kristal-
letjes gebruikte. Hy droeg niet eens \'n doekspeld, en scheen er
niet naar te verlangen. Juist z\'n onverschilligheid maakte hem
bekwaam. Geeft de zywormen satynen kleertjcs, ze zullen terstond
ophouden met spinnen. Zoolang ik begeer, ben ik maar \'n mens,
en mensen vergissen zich. Ik wil \'n zyworm worden, of \'n ko-
bold. Dat is de weg.
Na kort beraad koos ik het laatste. Zoo goed mogelyk bevestigde
ik my \'n eindje bougie op het hoofd, kromp wat in, en sloeg me
\'t byvoegsel van de jongste Kblnische om de lenden. Ik had zoo
spoedig geen ander kiekje by de hand, en er was haast by de
zaak want zoo-even had ik gelezen dat er weer \'n paar »Vereeni-
gingen" waren opgericht, dingen die — gelyk ieder weet — de
nood tot het uiterste dryven. Overbevolking, hongerlyden, en ver-
handelen ook nog ... \'t is te veel!
Nu, m\'n Kblnische deed me goeden dienst. Ik voelde my redelyk
clairvoyant, en begon ecn-en-ander te begrypen, waaronder zelfs
eenvoudige dingen.
Zes nullen achter-elkaar!
Waarom kwam er één nul? Waarom volgde daarop \'n tweede,
\'n derde, \'n vierde, vyfde, zesde? Waarom geen zevende ook . . .
halt spitsboef, dat is vandaag nog de vraag niet! De oorzaken van
\'t niet-zyn kunnen gezocht worden als er wat tyd overblyft na de
behoorlyke verklaring van alles wat is. Dat eerst!
Zes nullen alzoo, die ieder voor zich slechts y310\\<.a.ns hadden.
Wie de oorzaak van deze kombinatie kent, kan by analogie weten
wanneer zy — of \'n dergelyke — zich weder zal voordoen, en dit
maakt hem jure et facto tot kollega van ... de grondwaarheden
die de wereld regeeren. Wanneer dit me gelukt, kan ik een-en-
ander tot stand brengen dat me na aan \'t hart ligt.
Wat al verffabrieken zou ik oprichten om aan \'n beetje drink-
bare thee te komen!
Ook de arbeiderskwestie zou ik trachten optelossen, \'n zaak
waartoe ik nu nog altyd geen kans zie. Ik ben zeker dat m\'n vriend
Hans Scltlungel haar ganz einfacli zal vinden. Helaas, er was \'n
tyd dat ook ik meende daarvan iets te begrypen. Ik ben achteruit
gegaan . . . neen, gevorderd in kennis misschien, omdat ik van
die achteruitgang besef heb. \'t Is zoo makkelyk niet, iets op goede
gronden niet te weten! De taak van den wysgeer is begrypen,
oplossen. Waar hy niet begrypt, kan men van hem eischen dat
-ocr page 98-
94                                         MILLIOENEN-STUDIEN.
hy de redenen opgeve, waarom dat begrypen onmogelyk is. En in
zekeren zin kan dit \'n oplossing genoemd worden. Voxjons!
Zoodra men de loonen verhoogt, daalt de waarde van \'t geld,
en zeer kort daarna zal de werkman zich voor \'t meer ontvangene
juist even weinig levensgenot kunnen aanschaffen als vroeger voor
\'t mindere *) en alzoo . . .
Ik schyn by deze gelegenheid my te hebben overgegeven aan
\'n gestikulatie die m\'n kieltje niet verdragen kon. De Kölnische
scheurde. Er liep van Hollowaypillen en dood-advertentien, langs
wat omwegen \'n breuk naar de politiekery die aan flarden hing.
Onder weg was \'n paar verloofden gescheiden, die juist gister elkaar
eeuwige trouw hadden beloofd, en ook de katholieke eenheid zag
er jammerlyk gespleten uit. Het Duitschc Ryk . . .
Zoo\'n krant is toch \'n onbruikbaar klcedingstuk voor iemand
die wat weten wil. Ik wierp haar weg, en trok \'n beddelaken aan.
Ik wil weten!
Aanvankelyk schreef ik \'t aan de kleur van m\'n nieuwen kiel
toe, dat ik mezelf wat minder helderziend voorkwam dan zoo-even.
By eenig nadenken echter, begreep ik dat de fout niet zoozeer aan
dat laken lag als aan mezelf. Ik had me door spitsboeven van
den weg laten brengen. Die arbeiderskwestie is hoogstbelangryk
voorzeker, maar door denken en redeneeren alleen niet optelossen.
■— Pourquoi parlez-vous doncf — By de vereischte intelligentie, is
macht noodig om de gevonden denkbeelden te imponeeren. Macht
is te verkrygen door geld. Om geld te bekomen — ik zie wel, \'t
loopt in \'n kring — is intelligentie \'n eerst vereischte . . .
Had niet zoo-even m\'n kellner aan z\'n verklaring der oorzaken
van \'t nummer myner kamer, \'n heelen thaler te danken? Ik ben
zeker dat z\'n kameraden hem met andere oogen aanzien, na dien
klinkenden triutnf van z\'n scherpzinnigheid. Ze zullen voortaan z\'n
oordeel eerbiedigen, al beweerde hy . . . ik weet niet wat! Dit
zal zoo blyven tot \'n ander twe£ thalers bezit. Deze wordt ont-
troond door \'n kapitalist van hoogeren rang, enz. Wie alzoo de
rykste is . . .
Ik wil de rykste zyn. Dan zal men my gelooven al zeg ik de
waarheid.
Om daartoe te geraken is orde noodig, stipte orde. De arbeiders-
kwestie en die verffabrieken zullen hun beurt krygen. \'t Zyn . . .
de allereenvoudigste zaken van de wereld, zeker! Maar . . . eerst
die zes nullen.
De eerste vertoonde zich . . .
Ja, \'t is moeielyk genoeg te zeggen waarom ? Hadden de overige
nummers zich doodgeschoten ? Dat zou \'n reden zyn. Stond er bed-
degoed in den gang waarlangs 17, of 23, of 4, of de anderen komen
moesten ? Wie dat nu maar precies wist!
*) Niet juist even weinig. De ontwikkeling dezer stelling — die NB.
in de schiyvery van den dag gewoonlyk over \'t hoofd wordt gezien —
is niet hujus loei. Ik stip maar aan. Zoo is er meer in deze studiën.
Ik beroep my te dien aanzien ejns-vooial op den regel waarmee ze
aanvangen.
I
-ocr page 99-
VERTALEN.
95
De croupier die de eerste nul voortbracht, bezat, of werd bezeten
door, zekere eigenschappen van vochtmenging, karakter, hoofd en
hart. Hy dacht aan iets of aan niets toen hy \'t balletje wierp, en
de roulet in draaiende beweging zette. Hy wierp en draaide harder
of zachter naarmate van den indruk dien al \'t bestaande op hem
uitoefende. Door gelyke invloeden werd almede het oogenblik be-
paald, waarop hy den worp deed. De vraag kan zyn, of\'tstikheet
was in de zaal? Dit maakt zenuwachtig, en heeft invloed op de
spieren. Misschien ook was \'t koud en tochtig, en wie by zoo\'n
gelegenheid z\'n neus snuit, moet z\'n andere werkzaamheden \'n
oogenblik uitstellen. En de omstanders! Was er iemand die hem
aan den elboog stootte? De invloed van zoo\'n handeling op\'t num-
mer dat volgen zal, is zeer groot. Wy weten reeds van adolf hoe
de feestgelagen te Persepolis de Romeinen zyn te-stade gekomen.
Die alexander . . . nu, dat was er ook een die zich met train-
buben
inliet!
Kr zyn geen twee zaken aan elkander gelyk, en dus ook geen twee
gelyke manieren waarop men den arm uitstrekt of de vingers
beweegt. Om met juistheid te berekenen hoe onze croupier den
worp deed, moeten we nagaan of z\'n vader veel met koorts geplaagd
was, of de man "n dronkaard was, of konservatief, of\'n vondeling,
of landweerman, of jichtig, of \'n boekenschryver ? Dit alles zullen
wc nauwkeurig onderzoeken, daar \'t van hoog belang is te weten
welke hoedanigheden misschien door den zoon kunnen geërfd zyn.
Het zou, behalve dit alles, roekeloos wezen den invloed voorby
te zien, die nog altyd op den toestand van de spelers die om de
tafel staan — en dus middelyk op onze zes nullen — wordt uit-
geoefend door \'t innemen van Konstantinopel in 1453. In-weerwil
myner oplettendheid had ik dit byna uit het oog verloren, maar
ik word hieraan herinnerd door den Rus die \'n bankbriefje van hon-
derd roebels te wisselen geeft. Een der geëmployeerden vraagt z\'n
kollega die \'t balletje werpen zal, hoe hoog de koers is? Deze
wendt onder \'t antwoorden eenigszins het hoofd, en de beweging
van de nekspieren deelt zich aan den arm mee. Ook wordt hierdoor
de worp \'n onberekenbaar klein deel van \'n sekonde vertraagd ...
Die Rus is achterkleinzoon van \'n boer die onder Katharina II
door dapperhedens tegen de ongeloovigen — en wel eenigszins ook
door andere verdiensten — bewerkt heeft dat z\'n nageslacht zich
met behoorlyke roebelbilletten vertoonen kan aan de speelbank te
Wiesbaden.
Ge ziet wel, lezer, dat de eerste zéro \'n gevolg was van \'t inne-
men van Konstantinopel. Of althans dat die verovering . . .
Neen, neen, weg, trainbuben! Ydelheid en traagheid wilden me
daar verlokken tot het voorgeven dat ik wist wat me nog altyd
gedeeltelyk onbekend is. Dit bemerkte ik onder \'t zoeken naar de
oorzaken van den tweeden zéro. Ik liet my \'n lystje voorleggen
van alle veroverde steden, van Jericho af tot Parys toe, en zocht
daaronder de kauzale stamvaders van de tweede nul. Vergeefs!
t Was me onmogelyk de familierelatie optesporen, en daar ik toch
van m\'n gnoompjes had meenen te begrypen dat die bestaan moest,
begon ik nu ook m\'n rezultaten omtrent den eersten zero te wan-
-ocr page 100-
96                                          MILLIOENEN-STUDIEN.
trouwen. Dat mahmoud-ii;n-mourad \'n rol in de zaak gespeeld
heeft, kan waar zyn, maar \'t was de hoofdrol niet, en zeker niet
de eenigc. \'t Was heel slordig van me dat ik de schandelyke vrede-
brenk van de Europesche vorsten oversloeg, waardoor de nieuwe
oorlog veroorzaakt werd. En de goochelmoraal van de Roomsche
Curie die uitgerekend had dat men aan ongeloovige Turken z\'n
woord niet behoefde te houden, \'t Is waar dat die Curie gemaks-
halve ook haar vriend PALAIOLOGO behandelde als \'n ongeloo-
vigen Turk.
Zeker, zeker, ik had veel overgeslagen! De eigenlyke hoofdoor-
zaak der Byzantynsche katastroof — en van m\'n zéro dus — zal
wel geweest zyn dat de Grieken zoo ontydig redekavelden over \'t
al of niet zuren van \'t avondmaalsbrood, en over de vraag: of de
H. G. uitstraalt van den Vader of van den Zoon ? En nog veel
meer clan dit had ik over \'t hoofd gezien. Wat zou adolf me
gekapitteld hebben!
Hoe is \'t mogelyk dat ik de geschiedenis voorbyging van den
olifant, wiens slagtand het ivoren balletje geleverd had! En de
liefde van den zwarten Akwasi voor Kwammina, de negerin! Nu,
dat is intehalen.
Formomm servus Akwasi ardehat Kwamminam. Ik noem hem
servus, omdat-i slaaf was en geen herder, maar de zaak is er niet
minder idyllisch om, dat zult ge zien. Hy wou zich loskoopen, en
begreep dat-i daartoe geld noodig had. Om dit doel te bereiken
ging hy, met versmading der meer ordinaire middelen, op de oli-
fantenjacht, en schoot zooveel van die dieren dood als noodig was.
Het eerste gebruik dat hy van z\'n, voor \'k weet niet hoeveel ivoor
gekochte, vryheid maakte, was dat hy zich levenslang wegschonk
aan \'t «voorwerp van z\'n vlam" zooals de smaakvolle Franschen
zoo\'n objekt noemen. De jongelui waren gelukkig, en \'t scherm
viel. Maar hiermee was de zaak niet uit. Ónder de olifanten die
onze bruigom geraakt, maar tot hun groot genoegen niet geveld
had, was er een die by deze gelegenheid mede-oorzaakvoorvader
of kauzaal-zwager werd van den man die z\'n leven belaagde.
Akwasi\'s kogel namelyk, was in z\'n slagtand gedrongen, en hield
zich daar honderd jaren op tot-i er werd uitgehaald door andere
jagers. Het ivoor om den kogel had zich niet zonder beleid in de
zaak geschikt, en trachtte zoo geregeld voorttegroeien als in zulke
£
enible omstandigheden mogelyk was. Naar bevind van zaken
adden de vezeltjes zich hersteld, en zouden weldra den heelen
kogel vergeten hebben ak ze niet door de persing genoodzaakt
waren geweest wat nader naar elkaar te schuiven, en hierdoor
dichter stofte leveren dan ze in normale omstandigheden gewoon zyn.
Toen nu eindelyk uit dien slagtand \'n ivoorballetje gedraaid
was, bevond zich \'t zwaartepunt niet midden in den bol. Wanneer
men Kwammina\'s bekoorlykheden wegdenkt — galant is \'t niet,
maar wysbegeerte en millioenen-studic brengen zoo\'n rusticiteit
mee — zou \'t balletje naar de rezultante van al de overige gege-
vens in \'t vakje naast den zero gevallen zyn. Maar de onregelma-
tigheid in \'t specifiek gewigt der massa ... ik behoef u niet te
herinneren, intelligente lezer, dat dynamika en statika de eenvoudig-
-ocr page 101-
VERTALEN.
97
ste zaken van de wereld zyn, en geheel-en-al berusten op de grond-
waarheid dat twee maal twee gelyk is aan vier.
We weten dus nu precies . . . halt! Het overlyden van de doch-
ter des ivoordraaiers was \'n treurig geval. De man was bitter be-
droefd. Ze was z\'n laatste kind. Ze stierf ?.ls haar moeder, broers
en zusters, aan de tering, en nu stond hy alleen in de wereld. Zoo-
lang hy nog schreien kon, bleef z\'n hand vast, maar toen men
meende dat-i z\'n kommer overwonnen had, voelde hy zich gebro-
ken. Minder gelukkig dan die olifant, droeg hy den door \'t lot ge-
schoten kogel in \'t hart. In \'t hart, dat zich niet schikken wou
naar den vreemden gast. Daarom beefde hy zoo onder den arbeid,
en ook de draaibank sidderde mee onder z\'n onvasten tred. Was
\'t wonder dat het balletje slecht gedraaid was, slordig gepolyst,
ruw, hoekig, geen bol?
Ik weet wel dat ook onze aarde, wat juistheid van bewerking
aangaat, iets te wenschen overlaat. Misschien is ook die bol in
smart gedraaid, en zoodra het op m\'n weg ligt zal ik dit onder-
zoeken. Voorloopig bepaal ik me tot de verklaring dat er veel
droefheid van den werkman was onder de feiten die \'t hunne
toebrachten tot het veroorzaken van den eersten zéro. De groot-
ouders hadden fouten begaan. Z\'n moeders-moeder ging zich te-
buiten aan lafontaiNE, den romanschryver, en de echtgenoot van
die dame pakte z\'n keel in \'n byzonder dikken cachenez. Daarom
stierven de kinderen van den ivoordraaier aan de tering.
De oorzaak van m\'n nul begon te schitteren van duidelykheid.
Slechts op enkele plekken stuitte m\'n begrip nog eenigszins op
iets onbekends. Ik moest namelyk in \'t voorbygaan nog onderzoe-
ken waarom toch eigenlyk de overgrootvader van dien Rus zoo in
den smaak viel van katharina II, dat ze hem in één sprong
bevorderde van tamboer-majoor tot krygskunstig generaal ? De man
was zes voet negen duim lang: daar hield ze van. Goed. Maar
waarom was-i zoo lang? Als zoon van \'n lyfeigene had men hem
in z\'n jeugd veel geslagen. Bevordert dit den groei? En nog iets:
om hoeveel en om welke redenen had men hem niet doodgeslagen ?
Dit had ook kunnen gebeuren, en in dat geval ware m\'n zéro
weggebleven. Door welken samenloop van omstandigheden was z\'n
vader ter-wereld gekomen ? Als nu die oude heer eens tien maan-
den voor de geboorte van z\'n zoon overleden was, wat zou er dan
van m\'n zéro geworden zyn? Of . . . als de schoone Kwammina
\'n liefdewerend puistjen op haar neus had gehad ? Of ... als
katharina de krygskunstige waardigheden by-voorkeur had op-
gedragen aan dwergen? Of . . . kortom, de ofjes zyn ontelbaar.
Ik zag in dat ik nog altyd iets te leeren had, en trok m\'n wit-
ten kiel sluitend om my heen. Hoe meer ik in \'t onmenselyke
op \'n spook geleek, hoe grootcr de kans werd iets te begry-
pen. Sommigen zullen beweren dat ik me by al dat nasporen aan
den duivel verkocht. En in zekeren zin kan ik dit niet tegenspre-
ken. Ik voelde dat ik van rechtswege z\'n slaaf werd, maar troostte
my met de gedachte dat ik zeer geduldig ben, en dat \'n beetje
slaverny meer of min . . .
Bovendien, als \'t me verveelde kon ik altyd op de olifantenjacht gaan
MILLIOENEN-STUDIEN.
7
«
-ocr page 102-
9s
MILLIOENEN-STUDIEN.
Die eerste nul! Daar ging me een nieuw licht op. De ware stam-
vader was BOILEAU, en de filiatie ... de eenvoudigste zaak van
de wereld. Die nul zou er niet geweest zyn als er geen speelban-
ken bestonden. De speelbanken zyn uit Frankryk gekomen. Wies-
baden, Ems, Nauheim bloeiden, en Homburg ontstond, na de af-
schaffing van \'t spel in \'t Palaia Boyal. Deze afschaffing was \'n
gevolg der moralistery van i.ouis-philippe, die z\'n eigen neven de
kroon ontstal maar \'t onbillyk vond dat arme drommels fortuin
zochten op de roulet. De pruderie van dat koninkje was... \'n oli-
fantenjacht op \'n beetje burgerlyke distinktie na al de liederlyk-
heden van z\'n voorgeslacht. De eigenschappen van dat voorgeslacht
stamden lynrecht af van allerlei puistjes op \'t karakter van Louis
XIV. Die aap . . .
Wie maakten hem tot \'n aap? Wel, de dichters, de leugenaars
op rym, de verzensmeden. Wie was daaronder de yverigste, de zot-
ste, de verderfelykste ? Dat was Iïoileau despréaux, de ware type
van \'t ras. Leve boileau DESPRÉAUX, oorzaak-neef van kwammina,
van lafontaine, van den olifant, van den Rus, van mahmoud,
van \'t ongezuurde brood, van den H. G. der Grieken, van Kon-
stantinopcl en van den bedroefden ivoordraaier.
De stamboom der dynastie van \'t koningshuis OORZAAK ontrolt
zich voor m\'n oog. Dat \'s heel wat anders dan lola montez,
melchizedek en orelius van Araukanie! Wat zou adolf tevre-
den zyn over zooveel scherpzinnigheid. Ik zie nu duidelyk in dat
ik alles weet. De eerste nul ligt met z\'n heele voorgeslacht naakt
voor m\'n oog, tot het indecente toe. Die Kwammina ... maar dat\'s
nu de vraag niet. Eén nul heb ik, bezit ik, begryp ik, doorgrond
ik. Nog vyfmaal zooveel inspanning, en ik ben gereed.
Hier begon ik te bemerken dat m\'n kaarsjen in de pyp gebrand
was. Ik schelde om \'n ander te vragen, na eerst my ontdaan te
hebben van m\'n beddelaken, omdat ik geen aanstoot geven wou.
Misschien was de kellner evangelisch-luthe\'risch of zoo-iets, en dan
zou \'t z\'n vromigheid beleedigd hebben, te zien dat ik met gnomen
en duivels te doen had. Het was weer \'t oude, niemand kwam. Ik
nam me by deze gelegenheid voor, na \'t oplossen van alle andere
vraagstukken, \'n nieuw soort van kellners te fabriceeren, wier spe-
cialiteit wezen zou \'n heele sekonde vroeger te komen dan men ze
riep. Nog niet geheel-en-al gereed my met die verbetering bezig
te houden, schelde ik nog-eens, maar alweer te-vergeefs.
Wachten is altyd verdrietig, vooral wanneer men verlegen is om
wat licht. Ditmaal echter troostte ik my gemakkelyker dan gewoon-
lyk, omdat ik me kon verdiepen in een alleraangenaamst onderwerp.
Ik was namelyk byzonder tevreden met m\'n intelligentie, en sprak
daarover liefkozend met mezelf. Ik had me wel willen kussen. Veel be-
geeren is geen kunst, maar zoo flink den waren weg opsporen waar-
langs uien al dat begeerde bereiken kan, is waarlyk geen kleinig-
heid, \'t Is waar, ik moest nog oplossen hoe de Franschen — en ande-
ren —■ er toe kwamen \'t laf gerymel van zoo\'n boileau met z\'n tolus\')
| *) Tolus beduidt: het Tolhuis, waar louis se plaint de sa grandeur
•gui V allache au rivage,
d. i. hy bleef buiten schot. De heele Epitre
-ocr page 103-
VERTALEN.
99
en de rest, voor poëzie aantezien. Ook lag er nog \'n waas van
twyfel over \'t verband tusschen de krankzinnigheid van die Grieken
en andere krankzinnigheden van jonger datum . . .
Met m\'n pas verworven intelligentie zou ik dat wel oplossen.
En ik schelde nog-eens, zoo hard ik kon.
Wie, als ik, alles begrypt, kan alles naar z\'n zin dwingen. Dit
was me redelyk helder ... als ik m\'n kaarsje maar had! Ik
■schelde weer.
Dat ik op \'t oogenblik niet alles even duidelyk inzie als zoo-even,
dacht ik, wordt veroorzaakt door m\'n gebrekkig toilet als gnoom.
Straks zal ik . . .
En ik schelde nog-eens. Een doode zou gekomen zyn op zoo\'n
gerinkel.
Ik zou zeker by deze gelegenheid gebruik hebben gemaakt van
ADOLF\'s vloek over die lammeren, als niet m\'n intelligentie me
had doen inzien dat ik onmogelijk zoo\'n kudde stallen kon. En
ook \'t Schwert . . . lieve god, wat heeft men aan \'n Sehwerl zon-
der krygskunde!
Heel, heel eindelyk kwam er iemand opdagen. Het was Eerr
Prellmayer zelf, de eigenaar van \'t hotel. Hy verontschuldigde zich
over \'t wegbly ven van den kellner. Ik vernam by deze gelegenheid
•dat m\'n vriend en vraagbaak Hans \'n allergemeenst sujet was.
y>Der Bub ies a Vieh" zei de heer Prellmayer op \'n toon van ge-
moedelyke overtuiging. Hy is lui, dom . . .
—  Hm! Dom?
—    Wie cl Vieh! En ... \'n zuiper. In de Wirtaohaft kan men
geen aangebroken flesch laten staan, en zoodra hy zes kreutzers
in z\'n zak heeft drost-i naar de kroeg. Hoe hy vandaag aan geld
kwam, mag de drommel weten. Hy is weggeloopen, en kwam be-
schonken terug. Ik heb \'m an die Luft gesetzt. Daarom heeft
m\'nheer zoo lang gewacht. Entschuldigen Sie, het zal niet weer
gebeuren.
waarin deze vaak aangehaalde zinsnede voorkomt, is \'n gedenkstuk van
zotterny. Onze verzenmaker beklaagt zich daarin bitter over de onwel-
luidendheid der namen van Hollandsehe steden, en—zeker om\'n staal-
tje te geven van z\'n bedrevenheid in \'t overwinnen van zulke bezwa-
ren — vraagt hy:
Quel vers ne tombemit an seul nom de Heusden,
Et qui peut sans frémif aborder Woerden?
Quelle muse a rimer en tout lieu disposée
Oserait approcher des bords du
Zuyderzée (zé... e)
Comment en vers heureux assiéger Doösbourg,
Zutphen, Wageninghen . ..
Nu ja . .. ouagéningan en oeöairdain zyn gekke woorden, vooral voor
iemand die nooit \'n andere taal hoorde dan z\'n min sprak. Elders
klaagt-i over Ie fameux fort de Skink, en iaat den naam van Pauhut
Würtx
rymen op murs. In-weerwil van dit alles moet ik erkennen dat
de armzalige versifikatie prachtig is als men ze vergelykt met de
Ideen die de kunstenmaker verkondigt. Dat noemden ze, en zoo-iets
noemen velen nog heden: poëzie!
-ocr page 104-
IOO                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
Hoe hy aan z\'n geld gekomen was? Wel, dit wist ik.
M\'n thaler was stamvader geworden, of liever medestamvader,
van dat schandaal. Luiheid, domheid, dronkenschap . . . alles had
met die dertig groschen meegewerkt om den kwant op-straat te
zetten. Dit was de eenvoudigste zaak ter wereld, en berustte op
de grondwaarheid . . .
Daar vlogen op eens meiden, knechts, kellners, kinderen, vrouw,
de heele familie van den huize Prellmayer de kamer in.
— Ach herrejees! Nun, wie der Sclnvein hat, der Hans, der
Schlungelhans! Nun, Papa, nun liéber Mann, nun Herr Prellmayer . ..
kolossal . . . grof-sartig . . . nein, aber so\'n Sehwein! Wersichdas
hal ie denken können!
De lezer wete dat Sehwein in Kladderadatsch-taal «geluk" be-
duidt. Het woord staat in beteekenis tegenover Pech, en in rang
daarmee gelyk.
Wat was er gebeurd?
De kwajongen was met den gulden dien hy na z\'n bezoek in
\'t Wirtshaus over had, naar \'t Kurhaus geloopen, en had dat geld-
stuk op rood gezet. Hy won, won, won . . . was te beneveld om
z\'n inzet terug te nemen, liet tevens de winst staan, die al hooger
en hooger klom, bereikte na twaalf zetten \'t maximum, won daarna
nog \'n keer of tien, en bevond zich, zonder \'t zelf te weten, in \'t
bezit van meer dan veertigduizend gulden!
Daar zat ik met m\'n intelligentie!
Gottsolmirselig . . . enz. geven, riep ik nu ADOLF na, zonder my
in \'t minst te bekommeren over de eventueele stalling. Ik ver-
vloekte m\'n kauzaal-dynastien, m\'n wyzighedens, m\'n gnomen met
kaarsjes en beddelakens inkluis . . .
Want ik gaf me over aan drift, aan \'n trainbub, zou ADOLF zeggen.
En ik vloog naar de Kursaal.
Onder weg kwam ik Hans tegen. Hy had zich reeds drie dames
en \'n rytuig aangeschaft, of was mèt het rytuig door die dames
geannexeerd. Op badplaatsen is men op zulke geluksvoorvallen
ten-allen-tyde voorbereid. Hoe het zy, de dames en Hans . . .
»alles" was ditmaal in het eene, want ze zaten met hun vieren in
den wagen, en koetsierden . . .
Gottsollmirselig . . . enz. Was \'t niet om alle schapen van de
wereld by-elkaar te vloeken?
Nu, dat deed ik.
Het stuit my dit hoofdstuk zoo onzedelyk te eindigen. Niet om-
dat ik dien vloek zoo erg vind, maar om den triumf van \'t booze.
\'t Zou den schyn krygen alsof m\'n intelligentie en werkzaamheid
veroordeeld waren tot machtelooze woede, terwyl de luie, liederlyke
Hans voor z\'n genoegen uit is. Zoo behoort men geen hoofdstuk
te sluiten. Want wie \'t boek na die epizode dichtslaat, zou allicht
in verzoeking komen z\'n geluk te zoeken in verkeerdheid, en ik
haast me dus daartegen te waarschuwen. De »dames" waardoor
Hans zich had laten aanschaffen, ontlastten hem in zeer weinig
dagen van \'n groot gedeelte zyner weelde. Hy zag dit zonder veel
ergernis aan, omdat-i wist . . .
-ocr page 105-
VERTALEN.                                                   101
Ja, ja, welen, welen! Ook onze Schlungelhans begon in intelli-
gentie te doen.
. . . omdat-i nu precies wist hoe hy te handelen had om veer-
tigduizend andere guldens te krygen. Men behoefde slechts in half-
beschonken toestand op rood — of zwart — te zetten, en z\'n geld
te laten staan tot de benoodigde som by elkaar was. Dit immers
was de eenvoudigste zaak ter wereld, en berustte op de grond-
waarheid . . .
Les extrêmes se toucltent. M\'n wyze gnoompjes hadden iets der-
gelyks gezegd. Maar die overeenstemming mag ons niet verlokken
tot verkeerde toepassing. Het wordt tyd van gnomen en kellners
afscheid te nemen, en uit eigen oogen te zien. Dit zal ik dan ook
beproeven, na alvorens in \'t voorbygaan de moraal te hebben ge-
red door de mededeeling dat onze Hans, weinig weken na z\'n
kolossales, grossarliqes Schwein, in handen van de policie viel we-
gens poging tot diefstal van \'n paar oude laarzen. Hy had name-
lyk om opnieuw veertigduizend gulden te winnen, een éérsten gul-
den noodig om intezetten, en dien eenvoudigen eersten zocht hy
in dat schoeisel. Ten-onrechte. Hy werd gestraft, en zal later wel
weer gestolen hebben, zoodat hoogstwaarschynlyk z\'n Schwein stam-
vader is geworden van veel Pech. Welk geluk er daarentegen later
zal voortvloeien uit z\'n verblyf in het tuchthuis, is me tot heden
toe onbekend gebleven.
-ocr page 106-
GELYKVLOERS.
Lezers die meenen dat toon en inkleeding der vorige hoofdstuk-
ken gevolgen zyn van keuze of smaak, vergissen zich. De grillig-
heid van \'t geschrevene is de getrouwe, maar nog altyd zeer on-
volledige, afspiegeling van den indruk dien een nauwkeurige be-
schouwing van het spel op den onderzoeker maakt, althans wan-
neer hy begaafd — of geplaagd — is met de eigenschap der
iissimilatie, d. i. als hy zich met z\'n onderwerp zóó vereenzelvigt
dat hy zich \'t woord uit den mond laat nemen door de feiten. Die
feiten zyn nog veel zonderlinger dan de wyze waarop ik daarvan
iets beschreef. De speelwereld wordt beheerscht of gevuld door
spokery, luim, gezond verstand, gemeenheid, door al wat er liggen
kan tusschen Hans Schlungel en den goeden ADOLF. Boven dit
alles troont de onverstoorbare LOGOS.
Wie in burgerlyke verhoudingen het dagelyksch brood met dage-
lykschen arbeid betaalt, kan zich het accidenteele niet voorstellen
-ocr page 107-
GELYKVLOERS.
103
dat het bestaan van den speler kenmerkt, noch den vreemden
invloed dien het spel uitoefent op maatschappelyke verhoudingen
zoowel, als op verbeelding, verstand, karakter en geloof.
Want dat ook de geloovery zich niet onbetuigd laat, ligt in den
aard der zaak. Bleef zy ooit buiten spel waar zich ziekelyke ver-
schynselen voordoen? Stond ze niet altyd daarmee in de dubbele
verhoud\'ng van oorzaak en gevolg tevens? De geloover die niet
speelt, is dwaas en \'n huichelaar. Dwaas, omdat hy \'t eenvoudigst
middel versmaadt, zich en de zynen tot welstand te brengen, hy
die met behulp van zyn God . . . welzeker, als hy op die hulp
niet vertrouwd is z\'n geloof het ware niet. Waartoe dienen de go-
den, o goden, als ze niet beschikken mogen over den loop van \'t
balletje der roulet? Als zy de macht niet hebben, serien te schep-
pen op de trente-ct-quarante f Als ze geen intermitlenws beheerschen?
En wie aan \'t spelen raakt, wordt n\' geloover, zoo goed of kwaad
als molenaars, jagers en zeelui. De oorzaak is idcntisch. De loop
van hazen en winden is moeielyk te berekenen. Waarom sloeg dat
dier of die orkaan zoo onverwachts den hoek om ? Men weet het
niet . . . dus: dat heeft de duivel of \'n god gedaan, al naar de
wyze waarop zoo\'n wind in wieken of zeilen valt en \'t haasje ons
meer of min gefopt heeft. Men kan er zeker van zyn dat Schlun-
gelhans zich op dien fameuzen geluksdag heel intiem voelde met
z\'n lieven-heer. Toen d« kans omsloeg vulde hy z\'n kathechismus
met \'n paar dozyn duivels aan,en de geloofs-bagage was weer kom-
pleet.
By het schetsen van de atmosfeer der speelplaatsen, is \'t alzoo
onmogelyk zich te onthouden van \'n beetje duivelary. Dat ik m\'n
toevlucht tot heidensche gnomen nam, was uit aangeboren kiesheid
die me waarschuwde tegen \'t party-nemen tusschen katholieken en
protestanten. Vooral met het oog op den zielverheffenden twist over
de ware beteekenis der Brielsche feestviering — gezuurd of onge-
zuurd zal wel de cardo quaestionis wezen. Konstantinopel werd in-
genomen ... nu ja, dit weten wy al — ik wil maar zeggen dat ik
niemand jaloers maken wilde. Ook zou m\'n gewone onkunde aan
\'t licht gekomen zyn door de verkeerde manier waarop ik by zoo\'n
gelegenheid geschermd had met christelyk-nationaal-historische
beginsels of standpunten, en meer dingen die de Schlungelhansen
duidelyk voorkomen, maar myn begrip te-boven gaan. Ook stond
ik niet vast genoeg in de kennis der Heiligen. Ik wist byv. niet
wie \'t rouge et noir tot z\'n departement heeft, en vreesde my te
vergissen. Ziedaar de reden waarom ik my met gnomen vergenoegde.
Of ik iets van die kereltjes geleerd heb ? Wie weet! Misschien zien
wy ze terug, en wel boven de grond, gekleed, sprekend en handelend
als gy en ik. Die Semi-ur met z\'n kristallizatie was zoo dom niet.
Maar niet daarom heb ik dit hoofdstuk »gelykvloers" genoemd.
De lezer zal verlangen naar de millioenen, en daar ik die nu een-
maal beloofd heb, is \'t noodig \'n kleinen voorbereidenden kursus
te houden over het spel in allergewoonsten zin. Het zou wreed zyn
iemand bloottestellen aan de misrekening die eens \'n godvruchtigen
jongeling op \'t verlies van geloof in de Heilige Morfondaria te
staan kwam.
-ocr page 108-
104                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
Die geschiedenis wil ik even verhalen om gelykvloers te komen.
Het tooneel is voorloopig op \'n stoomboot tusschen Coblenz en
Mainz.
De passagiers verveelden zich. Zelfs Engelschen en Hollanders
begonnen hun medereizigers minder stuursch aantezien dan anders
de gewoonte meebrengt. Waarom dit by de eersten zoo moeielyk
gaat, weet ik niet, maar de teruggetrokkenheid van den waren Neder-
lander wordt door my volkomen begrepen en gebillykt. Men kom-
promitteert zich zoo ligt. Er zyn reizigers die zich verraderlyk uit-
dosschen op z\'n zondags, en als men de heeren later weerziet in
\'t dierbaar vaderland, blykt er soms dat ze in \'n verkeerde straat
wonen. Ik heb \'n dame gekend die zich door \'n jong-mens liet
verleiden tot de onvoorzichtigheid om »ja" te antwoorden op z\'n
betuiging dat de eerstvolgende station Breukelen heette. Haar ge-
meenzaamheid berustte op de veronderstelling dat ze met \'n student
te doen had, die hoofdredakteur van \'n krant, minister, ambassadeur
of dominee worden kon. En zie, die indringer was koopmansbe-
diende. En dan dat droevig geval met m\'nheer Hebbelman die eigen
zaken doet... op Groenland, geloof ik. Hy liet in \'n oogenblik van
onbezonnenheid, z\'n dochtertjen in den waggon helpen door \'n ma-
kelaar. De arme bedrogene gelastte zelfs by die gelegenheid z\'n
kleine Ifigenia: »dankie" te zeggen. De heele Hebbelfamilie heeft
er om gerouwd. Tot overmaat van ramp werd z\'n vrouw kort daarna
aangesproken door \'n winkelier. Zulke dingen zyn ook my overko-
men, en wel met denzelfden groenlander, die nu overal rondvertelt
dat-i zeer intiem met my is. Onvcrdragelyk!
Niemand is altyd wys, en dus begonnen ook\'n paar Hollanders —
wat de verveling al doen kan! — ditmaal iets menselyks te ver-
toonen. Ze spraken.
—  En waar is de reis naar toe?
—  Hm, ja, zoo... zaken! En m\'nheer?
—  Zaken.
—  Naar Frankfort?
—  Ja, zoo . . . hm! Misschien óók. Of eigenlyk niet. Gaat m\'n-
heer ook naar Frankfort?
—  Wel mogelyk.
Ik zag de beide sprekers eens aan, en wist meer van hun reis
dan zy zich voorstelden dat aan iemand bekend wezen kon. By ge-
breke van andere ambten heb ik \'t begrypen tot handwerk geko-
zen, en hoewel nog altyd leerling in m\'n vak, bracht ik het daar-
in toch reeds ver genoeg om uit de niet-gegeven inlichtingen te
besluiten tot het doel der reis van de beide heeren. Ik sla nu over,
welke bykomende omstandigheden my hierin te-hulp kwamen. Zy
waren op-weg naar Homburg, en wilden spelen.
—  Een bittertje? stelde een hunner voor.
—  Nu ja, komaan, \'n bittertje!
En zy gebruikten Hollandsche bittertjes ... tot openhartigheid toe.
Het doel van de reis werd weldra volmondig erkend en besproken.
Er bleek nu ook dat ze geen nieuwelingen waren. Ze spraken als
mannen van \'t vak over coup» de deux, coups de trois, over paroli,
over martinga\'es.
-ocr page 109-
GELYKVLOERS.                                               105
— Ja, zieje, ik zeg maar, er moet toch iemand winnen ! En waar-
om zou ik het niet zyn? Ik heb berekend . . .
Hier volgde een der vele berekeningen waarop ik later zal terug-
komen.
De ander stemde wel alles volkomen toe. maar beweerde, precies
als wylen mimu o- dat de ware manier juist\'ag in \'t omgekeerde,
een frontverandering die op de meeste speelsystemen van toepassing is.
Ik hoorde nu eenige verhandelingen ann, waarby LOGOS zeker
de schouders zou hebben opgetrokken. En ook de godvruchtige
jongeling, dien ik nu de eer heb voortestellen als de held dezer
epizode, scheen de redeneeringen van de beide spelers allerbespot-
telykst te vinden.
—  Dwaasheid!
Hy sprak wel dit woord niet uit, maar de meening lag zoo dui-
•delyk op z\'n gelaat, dat de beide Hollanders er door getroffen waren.
Nu is de ontmoeting van wyzen die alle spelberekening voor
iets onzinnigs aanzien, niet vreemd, en onder dezulken worden er
velen gevonden wier ongeloof op even slechten grondslag rust als
"\'t vertrouwen van de anderen. Minachtend verwerpen is de goed-
koopste manier om met \'n schyn van intelligentie te pronken. Dit
laat zich ook — en niet zonder toepassing van de waarschynlyk-
heidsrekening — elders waarnemen. Met het oog op de algemeene
neiging tot het aankleven van onjuiste meeningen (idee 145) biedt
"het ontkennen van \'n verkondigde stelling eens-vooral zekere kans
-op waarheid aan, \'n soort van hazardspel op het gebied van den
geest, dat meer kwaad heeft gesticht dan alle rouge-et-noir-tafels
van de wereld.
De twee reizigers vroegen \'t pedant jongetjen of hy misschien
meende dat alle zekerheid van winst tot het gebied der onmoge-
lykheden behoorde ?
—   Geenszins, heeren. Maar gy bewandelt den waren weg niet.
Den waren weg kende hy.
Nu begonnen de beide spelers hun respektieve systemen te ver-
dedigen. Deze taak is min of meer moeielyk naar de mate van \'t
■wiskundig begrip der hoorders. Onder tien personen, voor de hand
■weggegrepen, zyn er negen wien men op honderd manieren kan
-wys-maken dat niets eenvoudiger is dan het winnen van eenige
Tcapitalen daags. Met evenveel gemak echter zou men kunnen aan-
nemen dezelfde negen personen te doen inzien dat ieder speler
verliezen moet, en dat alzoo alle systemen dwaasheid zyn. Op alle
•speelplaatsen bevinden zich professeurs de jeu, mannen die, na
■eenige dozynen karrières den nek te hebben gebroken, den nieu-
weling te hulp komen met hun kennis der nukken van het lot.
Toen ik, vele jaren geleden, voor \'t eerst door zoo\'n wichelaar werd
aangesproken — ik moet er onnoozel hebben uitgezien! — beant-
woordde ik \'s mans voorstel om drieduizend franken toetevertrouwen
aan z\'n tinfalllible" wetenschap, met de vraag: waar hy z\'n equi-
page stalde ? Er bleek toen dat hy niets van dien aard bezat, maar
zelfs ter-nauwernood \'n hemd aan had. Ik zei dat dit me vreemd
voorkwam in iemand die door z\'n specialiteit geroepen was tot
millionairschap.
-ocr page 110-
io6
MILLIOENEN-STUDIEN.
Het jonge-mens op de boot was nog altyd geen millionair, maar
hy wist zeker dat-i \'t worden zou, en dit komt op \'tzelfde neer.
Hy bleef den neus optrekken voor de armzalige berekeningen der
anderen, doch hield zeer verstandig z\'n eigen systeem voor zich.
Hierdoor begon ik eenig respekt voor hem te krygen. Z\'n geslo-
tenheid stak gunstig af by \'t onbesuisd openbaren van kostbare
geheimenissen, waaraan de anderen zich schuldig maakten. Ieder
toch ziet in dat \'n publiek speelsysteem geen systeem wezen kan.
Ieder? O, neen! Geen dwaasheid zoo plomp waaraan Publiek
zich niet bezondigt. De honderden Manuels pour gagner d la ban-
que,
boekjes die voor weinige stuivers te koop zyn, leveren daar-
van \'t "bewys. Iemand die de ware echte onfeilbare manier heeft
gevonden om schatten te winnen, vliegt niet —■ gelyk te verwach-
ten ware van \'n gewoon sterveling — naar de speelzaal, om daar z\'n
ontdekking vruchtbaar te maken in eigen belang, o neen, hy sluit
zich in z\'n kamer op, en schryft \'n brochure waarin hy z\'n vondst
meedeelt aan den eersten den besten die vyf armzalige groschen
te missen heeft. Dat noem ik menslievendheid!
We kwamen te Mainz. Den volgenden dag dreef my de lust om
iets meer van die spelers en hun systemen te weten, naar Hom-
burg. Ik vond hen in de speelzaal, zittende op een van de sofaas
die belast zyn met het ontvangen der teleurgestelden. Er is iets
eigenaardigs in de wyze waarop die rustplaatsen door de gedeca-
veerden
— dit is de term — bezet zyn. «Gesprongen, weg, op,
verloren, bankroet . . . \'t zy zoo! Dan wil ik zitten voor m\'n geld."
Zoo-iets leest men op de gezichten. Lieve hemel, wat is dat zitten
duur, al mag men dan voor denzelfden prys \'t prachtig stuc der
wanden bewonderen, de schoone luchters aangapen, en \'t publiek
bekyken, dat straks op zyn beurt, in deelen afwisselend, \'n plaats-
jen op diezelfde sofaas zoeken zal. Ik weet wel dat sommigen na
\'t verlies van hun laatste geldstuk de sierlyke zitplaatsen en de
schitterende zalen verlaten, en de een of andere laan in \'t park
kiezen tot tooneel hunner alleenspraken over de domheid van \'t
lot . . . ook dat eenigen zich doodschieten of verdrinken by die
gelegenheid — dit vernamen wc reeds — maar de ware liefhebber
blyft in de buurt. Al speelt hyzelf op dit oogenblik niet meer mee,
toch boezemt hem de roep van den croupier belang in, en hy kan
misschien z\'n opmerkingen daarover gebruiken voor \'n volgenden
keer. Gewoonlyk komt het den gedecaveerde voor, dat de kans
gekeerd is, en dat-i juist nu zou gewonnen hebben ... als hy
maar had kunnen doorspelen. Helaas, \'t laatste stuk is weg, en
parole-zetten worden niet aangenomen. Een voorzichtigheid waarin
ik de bank geen ongelyk geven kan, en die bovendien in \'t belang
der spelers-zelf is.
Zoo zaten dan nu ook m\'n twee landgenooten op de sofa. Ik
sprak hen aan. Als ik \'n speler was zou dit \'n fout geweest zyn,
waartegen ik den lezer waarschuw. De verklaring hiervan ligt dit-
maal niet alleen in de mogelykheid dat men zich zou kunnen kompro-
mitteeren. Al ware men verzekerd met \'n reeder op Groenland of
\'n orthodoxen dominee te doen te hebben, toch blyft het altyd
-ocr page 111-
GELYKVLOERS.                                               I07
verkeerd zich intelaten niet iemand die verloren heeft. De aan*
raking met ongeluk veroorzaakt Pech. Het vooroordeel der spelers
op dit punt — als véél bygeloof, slechts mystieke inkleeding en
opvatting van praktische waarheid — is geenszins ongegrond. Tegen-
spoed werkt aanstekend, omdat het staren daarop geestkracht en
zelfvertrouwen verlamt. Napoleon I rekende in z\'n generaals het
geluk onder de goede eigenschappen, en handelde hierin naar z\'n
gewoonte zeer menskundig. Daar we nu eenmaal niet in-staat
zyn alles te berekenen — liever: daar wy slechts zeer weinig be-
rekenen kunnen — moeten wy den uitslag van onze ondernemin-
gen voor \'n zeer groot deel overlaten aan \'t zoogenaamde toeval.
Hiertoe is zekere moed noodig, die verloren gaat, niet alleen by
herhaalde mislukking van eigen pogingen, maar ook door \'t acht-
slaan op de slechte gevolgen van vermetelheid in anderen. Het is
mogelyk dat eenmaal de behoefte aan voorzichtigheid de overhand
nemen zal, en in dat geval zal \'t nuttig wezen zich te spiegelen
aan de nadeelen van te groot vertrouwen. Voor-als-nog echter blyft
het tegendeel waar. In spel en wereld beide is het getal der goe-
de kansen die ongebruikt voorbygaan ten-gevolge van beschroomd-
heid, veel grooter dan dat der kwade die wy door onvoorzichtig-
heid te dragen hebben.
Toen ik die twee heeren vroeg hoe \'t hun gegaan was, vernam
ik wat ik reeds wist, want die vertellingen komen altyd op \'tzelf-
de neer.
— Verbeeld u, zei de een, en hy vertoonde my eenige geprikte
kaartjes — in vyfhonderd-dertig zetten geen enkele serie boven de
vyf! \') En ik die altyd paroli op de gagnante speel! Niets dan inter-,
mittences .
. . ongehoord!
Hierin had de man gelyk. De vyfhonderd-dertig zetten die hy
nu gespeeld had, verschilden van alle andere zetten die hy ooit
bestudeerde. Ongehoord was het dus, maar dit is altyd zoo. Meende
hy dat ooit twee groepen van vyfhonderd zetten aan elkander ge-
lyk waren? De fout lag dus hierin dat hy op \'t ongehoorde niet
verdacht was geweest.
—  En ik, zei de ander, heb op nummers gespeeld. Ik zette meer
dan \'t halve tableau vol, en als had zich \'n duivel met de zaak
bemoeid, gewoonlyk mis! Onmogelyk iets te winnen. M\'n geld is op,
Ei, waarom bezette hy niet liever de nummers die hy oversloeg ?
Dan ware z\'n duivel \'n god geweest. Op m\'n vraag daaromtrent,
legde hy me nogeens \'t systeem uit, waarvan ik reeds op de stoom-
boot iets vernomen had. Op staartnummers volgden altyd getallen
die, nadat men drie-achtste van de som der vyf voorgaande num-
mers daarby had opgeteld, deelbaar waren door . . . \'k weet niet
wat. Deze berekening rustte op \'n grondwaarheid . . .
Daar trad onze godvruchtige jongeling de zaal binnen.
—   Zehn Groschen auf vierziy! riep hy den chef de partie toe,
die met de heele //alerie in lachen uitberstte.
Zehn Groschen namelyk wordt niet als inzet aangenomen, daar
*) Geen enkele? Dit is moeielyk te gelooven. De norm is datserien
boven de vyf, in vyfhonderd-dertig zetten, 72l/3a maal voorkomen.
-ocr page 112-
Io8                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
de laagste mise een gulden is. En nummer veertig bestaat niet op
de roulet.
Dit prachtig speelsysteem was den geloovigen jongeling in \'n
droom geopenbaard door de heilige Morfondaria, die na dit staal-
tje van savoir-faire haar afscheid kreeg.
Daar het me leed zou doen, den lezer aan \'n dergelyke misre-
kening blootgesteld te zien, wil ik hier \'n beschryving geven van
de beide spelen die op de badplaatsen in zwang zyn.
De roulette is \'n soort van draaibord, in welks buitensten rand
zeven-en-dertig vakjes met de nummers van één tot zes-en-dertig
en een nul, gemerkt zyn. Deze laatste is kleurloos, maar de andere
nummers zyn in achttien roode, en achttien zwarte verdeeld. *)
Ze staan zonder de minste regelmaat door elkaar, \'n voorzorg
die men had kunnen sparen, dewyl er toch op de plaatsing
geen berekening te gronden is. Indien dit anders ware, gelyk door
sommigen die daarop \'n systeem gronden, beweerd wordt, zou het
niet veel moeielyker wezen zich de thans bestaande onregelmatig-
heid in het hoofd te prenten, dan wanneer de nummers reeksge-
wys in gewone volgorde waren geplaatst. De geheele schyf van om-
streeks twee voet in doorsnee, is met \'n geel koperen plaat bedekt,
die naar \'t midden in zwakke helling kegelvormig oploopt. Het
centrum wordt ingenomen door \'n koperen stander die \'n horizon-
taal kruis draagt.
Deze cylinder is omgeven door \'n onbewegelyken opstaanden
rand van gepolyst hout, in welks binnenzyde, eenigszins hooger
dan de zich daarin bevindende schyf, \'n gleuf is. In deze holligheid
wordt het fameuze ivoorballetje door \'n handigen vingerdruk van
den croupier in beweging gebracht. Terstond hierop stuwt men
door \'n greep aan een der armen van het kruis ook den cylinder
rond, altyd echter in tegenovergestelde richting van het kogeltje.
Terwyl dit nu herhaalde malen den omtrek van den houten bak
snorrend doorloopt, vliegt het de nummervakjes, die den rand van
den draaienden schyf uitmaken, met groote snelheid voorby. Zoodra
de middelpuntschuwende kracht die het kogeltje in de gleuf vast-
hield, uitgeput en door de zwaartekracht overwonnen is, valt het
over de vakjes heen op de koperen plaat, met \'n schok die het
gedurende eenige oogenblikken doet heen-en-weer springen, en
wel tot de beweging van den cylinder zich aan het kleine voor-
werp heeft meegedeeld. Dan valt dit langs de helling naar den
rand en in een der vakjes, niet altyd zonder nog in dit laatste
gedeelte van z\'n reis belemmerd te worden door voorbedachtelyk
aangebrachte hindernissen. Op de plaat namelyk zyn hier-en-daar
kleine verhevenheden aangebracht, waardoor het balletje, als het
die ontmoet, gedwongen wordt van richting te veranderen. Meer-
*) Ter vereenvoudiging maak ik nu geen melding van de banken
waar de roulet met twee Zéro\'s gespeeld wordt, waarvan alsdan de
pene voor zwart, de andere voor rood wordt gerekend. In de beschou-
wingen die nu volgen, bepaal ik my gemakshalve tot de spelregeling
te Homburg.
-ocr page 113-
GELYKVLOERS.                                               109
malen huppelt het zoo wild heen-en-weer, dat het eindelyk \'n vakje
bereikt vry naby de plaats waar \'t op den cylinder aanlandde, na
eerst diametraal daar-tegenover her- en derwaarts gesprongen te
zyn. Soms ook ontstaat er tusschen schyf en kogeltje, na oplossing
van \'t verschil in traagheid, een zoo homogeene beweging, dat de
kleine bol, neerkomende op een der zeer dunne opstaande koperen
plaatjes die de nummervakken van elkaar scheiden, daarop gedu-
rende vele sekonden als besluiteloos liggen blyft. Dit is dan een
der gevallen waarin waarschynlyk iets als onze olifanten-geschiedenis
den uitslag bepaalt, m. a. w. de oorzaken die dezen uitslag beheer-
schen, ontsnappen aan ons waarnemingsvermogen.
Niemand kan
berekenen op welk punt van den kring de centrifugaal-kracht zal
uitgeput zyn. De kracht van den worp is onbekend, en tevens de
snelheid van de beweging des cylinders waarop zich de vakjes be-
vinden. Men voege hierby de grilligheid der sprongen van het
kogeltje voor het z\'n party kiest van afrollen naar den rand, alsof
\'t ding in twyfel stond op welk nummer \'t zich ter-ruste zal leggen
na zooveel gedraai. Om al deze onzekerheden nog met een nieuwe
te bezwaren, wordt het kogeltje herhaaldelyk vervangen door
\'n ander, dat natuurlyk altyd ligter of zwaarder is omdat er geen
twee dingen gelyk zyn, en het geringste verschil is hier van invloed.
Ook wisselt de arm van \'t kruis waaraan de cylinder wordt rond-
gestuwd, op onregelmatige wyze af. En eindelyk verandert men
telkens de richting die aan dezen toestel, en dus tevens die welke
aan het balletje wordt medegedeeld. Het aantal invloeden waar-
door de zet ten-laatste beslist wordt, is oneindig, en we hebben
hier alzoo te doen met wat wy, uit onwetendheid en gemakshalve,
gewoon zyn toeval te noemen.
Voor zoover we kunnen nagaan, biedt elk der zeven-en dertig
nummers, zoowel by eiken worp als gedurende het geheelc spel,
volmaakt dezelfde kans aan, en de uitslag logenstraft dit vermoe-
den niet. Al moeten we namelyk voor zeker houden dat iedere
worp door byzondere en altyd verschillende invloeden geregeld wordt,
toch wischt zich het verschil dier invloeden door hun oneindigheid
uit, waardoor alweder de algeheele gelykheid in kans wordt ge-
waarborgd. Ten-zyner-tyd zullen wy opmerken dat de minste af-
wyking hiervan, het bestaan der Speelbanken tot \'n onmogelykheid
maken zou. Hiervan wilde ik den lezer overtuigen. By twyfel aan
deze waarheid, vervalt hy in nasporingen van de soort als waar-
aan ik my in \'t vorige hoofdstuk bezondigde, en waarschynl/k
zal hy me dankbaar zyn dat ik hem door \'t schetsen myner te-
leurstelling, de moeite van \'t vruchteloos zoeken naar zulke oor-
zaken uitwon. Dit is evenwel geheel iets anders dan die oorzaken
te ontkennen. Ze bestaan inderdaad. Het is onze taak natesporen of
we daarvan iets kunnen te weten komen, zonder onzen weg over
Konstantinopel of neger-idyllen te nemen.
-ocr page 114-
HET TABLEAU.
Men moet z\'n «bekommernissen op den Heere werpen." En »een
Vaste burcht is onze God." Van de waarheid dezer beide stellingen
ben ik innig doordrongen, en het is de vraag of ooit \'n asceet die
voorschriften zoo getrouw naleefde — of althans, na afwyking, met
zoo penitente volharding daartoe terugkeerde — als ik.
Als boete voor dat onbehoorlyk ronddolen in Afrika—och, m\'n
bedoeling was zoo kwaad niet, ik wilde maar op myn wys aantoo-
nen dat de millioenen die we zoeken, daar niet te vinden zyn —
leg ik mezelf de taak op, den lezer \'n goeden raad te geven.
Wy allen zyn meer of min krankzinnig. Even als men in de
rykste schoonste hoofdstad achterbuurten vindt waar armoed zich
op afzichtelyke wyze vertoont, zouden wy, goed zoekend, in onze
hersenen \'n ongezonde plek vinden, en misschien meer dan één.
Men kan er zeker van zyn dat zoo\'n fout in ons organisme heersch-
zuchtig is en naar uitbreiding streeft. Het is onze plicht haar te
-ocr page 115-
HET TABLEAU.
III
leeren kennen, en ons tegen overweldiging te verzetten. De hulp
van God is hiertoe noodig. Zonder Hem zyn we niets, weten we
niets, kunnen we niets. Wie de wonde plek in z\'n denkvermogen
laat doorkankeren — en dit wordt onmisbaar \'t geval wanneer
we Gods hulp versmaden — maakt zich schuldig aan zelfmoord.
Stipt gezegd is iedere krankzinnige goddeloos. Hy diende z\'n God niet.
Die god heet logos, de rkde. Hy is wys, goed. eeuwig, almach-
tig, trouw. Zyn bestaan berust op de waarheid der feiten. Hyzelf
is die waarheid.
Hoe dienen wy Hem? Door Hem — d. i. de waarheid — te
zoeken. Hoe beleedigen wy Hem? Door waarheid te versmaden.
Door \'t bederven der middelen die ons gegeven zyn om de waar-
heid te benaderen. Welke ritus is de geschiktste om den godsdien-
stigen zin levendig te houden ? Denken, overdenken, redeneeren. Wie
redeneert dient de rede, en de rede »zal u vry maken."
Als onderwerp van denken kieze men by-voorkeur ... eenvoudige
grondwaarheden. In majesteit van symmetrische logiek staan ze op
gelyken trap met de meest ingewikkelde vraagstukken, die allen
en altyd uit zulke eenvoudige gegevens zyn saamgesteld. *) De
*) Ik behandelde dit onderwerp reeds in de iüeen 167 en-1(58. Noch
daar noch hier beweer ik iets nieuws gezegd te hebben, doch wel is
\'t dan te verwonderen dat zoovelen nog altyd blvk geven van zulke
oude waarheden niet beter doordrongen te zyn. Dit zou de vervloekte
gewoonte van niet-begrypen genezen, (idee 462). We kunnen alles
begrypen, en hebben \'t recht niet, lafhartig uit den weg te gaan voor
welk Mysterie ook. Bovendien, er is er maar een: het zyn. (idee 175).
Ieder vindt het natuurlyk dat de ongekwetste Horatius de drie ge-
wonde Curiatiers een-voor-een afmaakte. Elke syllogisme bestaat uit
\'n meer of min groot aantal Curiatiers, die ieder op-zichzelf zwakker
zyn dan wy. Het staat aan ons, die vyanden — \'t onbekende is onze
natuurlyke vyand! — zóó te verdeelen dat wy ze geleidelyk, en zelfs
zonder buitengewone inspanning, kunnen verslaan.
De meening dat sommige vraagstukken moeielyker zyn optelossen
dan andere, is \'n wanbegrip. Geen wiskundige heeft, voor welke be-
weiking ook, iets anders noodig dan de vier hoofdregels der lagere
Rekenkunde, die zich nog laten terugbrengen tot deze twee: vermeer-
deren
en verminderen. Al wat hy overigens te doen heeft, is \'t oor-
deelkundig verdeelen en \'t geleidelyk aantasten van den vyand.
Dat men zich hiertoe zoo dikwyls onbekwaam acht, vloeit uit traag-
heid voort, (idee 460). Men ziet die Curiatiers op \'n hoop by-een staan,
en schuwt de moeite van \'t verdeelen. »Hoe, zou ik alleen al die vy-
anden kunnen verwinnen?" vraagt men. Wel zeker, dat kunt ge!
Het staat aan u hen te splitsen in zooveel onderdeeleti als ge verkiest,
en de oplossing van de zwarigheid wordt verkregen door konsekwente
volharding.
Men verhaalt dat sommige reizigers heel Azië en Europa te-voet
hebben doorkruist. Toch deed nooit iemand hunner meer dan één
schrede te-gelyk. Die eene schrede kan ieder doen.
Een boekhouder die millioenen in z\'n boeken heeft verhandeld, drukt
ten-laatste, na \'t opmaken van de balans, z\'n saldo in één bedrag uit.
-ocr page 116-
112                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
gnoompjes hadden gelyk: twee maal twee is vier. Wie zich schrap»
zet om \'t geloof hieraan, en de toepassing daarvan op alles wat
beslaat,
in \'t oog te houden, kan niet verloren gaan. Waarde lezer,
als ge bedroefd zyt, angstig voor \'t afnemen uwer zedelyke kracht,
als gy gebukt gaat onder zorgen: denk! En kunt ge \'t niet, leer
denken. Kies ter oefening onderwerpen die op de meest in \'t oog
vallende wyze de macht der logiek openbaren: de verhoudingvan
cyfers en lynen, den elementairen katechismus van het Zyn. Dwing
uzelf tot de stiptheid van het twee maal twee, en ge zult weldra
erkennen dat God zich niet onbetuigd laat aan wie Hem dienen in
geest en in waarheid.
Wat my betreft, ik heb innig berouw over de onheusche wys
waarop ik naar de Kursaal vloog, toen ik in den waan verkeerde
dat die Hans nader aan de millioenen was dan ik. Wat zou die
kwajongen met zooveel geld doen ? En ik, zoo intelligent! Ik, die zoo>
precies wist wat er haperde aan de maatschappy ! Nu ja, maar ik zocht
de oorzaken van die zes nullen waar ze niet konden gevonden worden.
In de haast waarmee ik m\'n fameus nummer 32 in \'t logement
verlaten had, verzuimde ik meer dan een thaler meetenemen. Er
bestonden nog andere redenen om dien dag geen grooter kapitaal
te wagen, maar die ga ik nu voorby. Ik was woedend. Het was
niet voor \'t eerst dat Schlungels me voorbystreefden, maar ditmaal
scheen de zaak me buitengewoon ondragelyk omdat ik juist bezig
was me zoo byzonder te verheugen over m\'n intelligentie.
Het regende dien dag. Dit, of het tegendeel, ziet men meer. Ook
mooi-weer kan ons plagen, en we vinden daarin gewoonlyk \'n sar-
kasme. Dom genoeg, vatten wy alles wat de Natuur ons te aan-
schouwen geeft, als om onzentwille gemaakt op, en hierin gelyken
we nog altyd op schryvers van genesissen. Nu, \'t regende. Ik gaf
m\'n paraplui af, en ontving \'11 kartonnen merkje. . .
Nummer 32!
O, Heilige Morfondaria, hoe duidelyk spreekt gy tot uw uitver-
korenen. M\'n kamer in \'t hotel was één onder vyftig. Van die kar-
tonnen merkjes had de deurwachter honderden! Twee-en-dertig
antwoordde op Twee-en-derlig. »Troost u, lieve Morfon, sprak ik
in m\'n binnenste, over den afval van dien anderen jongeling, die
zeker de kunst niet beoefend had u zoo goed te verstaan als ik.
De wyze waarop hy daartoe geraakte, moge omslachtig zyn geweest,
tnoeielyk was ze niet. (iedurende den ganschen loop van z\'n werk-
zaamheden, kwain hein nooit iets voor, dat op zichzelf beschouwd
bijzondere inspanning vorderde, lly debiteerde en krediteerde. Dit was
all«s. Z\'n verdienste ligt dus in de geregede aaneenschakeling van
z\'n arbeid, in de volharding.
Wie deze voorbeelden logisch toepast, ook op vraagstukken van
schynbaar ingewikkelden aard, zal ten-slotte zich verheugen in \'n ever
bondig eu beviedigend rez.ult.aat, als dat van den boekhouder. Maar...
men moet beginnen met den ernstigen wil om de Curiatiers regel-
matig te veideelen.
-ocr page 117-
HET TABLEAU.
"3
Troost u! Ziehier in my \'n nieuwen aanbidder die zeker den ander
waard is. Ik zal u eeren en loven . . .
Zoo viel ik den goeden LOGOS af, en zette m\'n thaler op 32.
De schrandere lezer begrypt dat er \'n ander nummer uitkwam.
Inderdaad? Begrypt-i dit? Welnu, dan haaste hy zich, zyn in-
telligentie toetepassen op het spel. Als men overtuigd is dat hotel-
kamers, paraplui-merken en Heiligen verkeerde nummers opgeven,
kan men veel kwade kansen uitwinnen, en de winst is zeker.
Toen ik thuis kwam, nam ik m\'n toevlucht tot kamillenthee en
\'n korrespondentie-schaakparty. Maar ook — beter nog! — tot
cyfers. »Als ik eens nauwkeurig de roulet beschreef, dacht ik, en
de kansen berekende?"
Wel zeker, dit zal my helpen. En sommige lezers ook. Ik weet
wel dat het getal onïngewyden in de geheimenissen van het tapis
vert
hoe langer hoe kleiner wordt, en dat alzoo voor de meesten
\'n beschryving overbodig is. Maar men vindt nog altyd hier-en-daar
iemand wiens opvoeding wat te wenschen overlaat, en het is voor
dezulken dat ik in \'t vorig hoofdstuk den eenvoudigen toestel be-
schreef, die zooveel oneenvoudige gevolgen heeft. Dezelfde reden
beweegt me dan ook ten-behoeve der weinige achterblyvers in be-
schaving, met m\'n beschryving voorttegaan: gelykvloers!
Wees gegroet, LOGOS, vol van waarachtigheid!
De houten bak, waarin de eenigszins beschreven draaischyf dan,
bevindt zich op \'t midden van \'n lankwerpige tafel die met groen
laken bekleed is, en waarop zich tweemaal — namelyk aan beide\'
zyden der machine — \'t zoogenaamde tableau vertoont. Een en
ander ziet er aldus uit:
MILLIOENEN-STUDIEN.
8
-ocr page 118-
114
MILLIOENEN-STUDIEN.
er /rvr/z.sh/0
éx>prrer/u/ffarFu>fta/ifqc
r fat foxpMTi -frtki/ti
tt/h>itt\'//ttiti/enra\'nr7.
-ocr page 119-
HET TABLEAU.                                               115
De verschillende wyzen van zetten zyn de volgende:
Op één nummer, waartoe men zoowel de nul als een der andere
•cyfers kiezen kan. Deze wyze van spelen heet en plein, en biedt
V37 kans op winst aan. Als het bezette nummer uitkomt, wordt
•de inzet vyfen-dertig maal betaald.
Op twee nummers. Men noemt dit d cheval. Het geschiedt door
•» <len inzet te plaatsen op de lyn die twee nummers van elkander
.scheidt, byv. tusschen 17 en 20. De kans is alzoo \'-/37. De mise
wordt in geval van winst, zeventien maal betaald.
Op drie nummers: transversale pleine. Door de mise te zetten
op een der buitenste lynen van \'n dwarsrei — byv. op den rand
naast 4 of naast 6 — geeft men te kennen dat men wedt op een
der drie in deze rei voorkomende cyfers. De kans op winst is dus
\'V37, en de betaling elf maal.
Op vier nummers. Men zet hiertoe z\'n geld op het kruis tusschen
vier cyfers, in spelerstaal carré genoemd. Gelyke beteekeiüs heeft
het zetten op een der hoeken by 1 of 3, hetwelk de vier eerste
cyfers — o, 1, 2 en 3 — aanduidt, en met het corre\'-spel gelyke
beteekenis heeft. Deze wyze van zetten biedt V37 kans op winst
aan. By \'t uitkomen van een der aangeduide nummers, wordt de
mise acht maal betaald.
Op zes nummers: transversale. Dit geschiedt door den inzet aan
den rand te plaatsen, op \'n punt waar deze door \'n dwarslyn ge-
raakt wordt. Men verklaart hierdoor, te wedden op een der zes
nummers die aan weerszy van die dwarslyn liggen. In geval van
winst — de kans hierop is %-, — wordt de inzet vyf malen betaald.
Op twaalf nummers: het spel op de colonnes, of: op de douzaines.
De kolommen zyn de langsche reien van 1 tot 34, van 2 tot 35,
van 3 tot 36. Door het plaatsen der mise in een der ledige vakjes
onder 34, 35 of 36, wyst men het spelen op een van de in die rei
voorkomende nummers aan. Voor de douzaines zyn afzonderlyke
vakken die met V(remiêre) M(»7»eu) en D(erniére) geteekend zyn.
Door P worden de nummers van 1 tot 12, door M die van 13 tot
24, door D die van 25 tot 36 aangeduid. Het spreekt vanzelf dat
de zéro niet in deze reeksen begrepen is, en dat alzoo dit nummer,
als \'t uitkomt, eiken zet op colonnes of douzaines tot \'11 verliezende
maakt. Dit is wel ook by andere gekombineerde nummerzetten het
geval — behalve by den quatre-premier-zet, of by de & cheval-zetten
o en 1, o en 2, o en 3 — maar ik maak hiervan uitdrukkelyk
melding om te voorkomen dat men den Zéro beschouwe als, byv.
tot den middelsten kolom te behooren, die alsdan wederrechtelijk
dertien nummers bevatten zou. De kans op winst in \'t colonne- of
<touiaine-spel is 14/37. Als een der nummers van den gekozen reeks
uitkomt, wordt de mise twee maal betaald.
-ocr page 120-
116                                       MILUOENEN-STUDIEN.
Op vier-en-twintUj nummers. Dit is het douzaine- of co/onne-spel
d cheval. Men zet op de lyn die P van M, of M van D scheidt,
of — by \'t kiezen der langsche reien — op de lyn tusschen twee
der ledige vakjes, en verklaart daardoor den inzet te verwedden
op twee reeksen van twaalf nummers te-gelyk. De kans op winst
stygt hierdoor tot \'2i/37> doch de betaling daalt tot de hel ft der mise.
Wat de bovengenoemde manieren van zetten aangaat, valt het
in \'t oog dat de betaling in omgekeerde rede staat tot de kans op
winst. Arithmetisch juist is evenwel deze uitdrukking niet. De en-
plein
zet, byv. wint vyf-en-dertig, en de carre\'-zet acht maal. In \'t
eerste geval heeft men slechts één kans op winst tegen vier kan-
sen op den carré. Daar nu één tot vier niet in verhouding staat
als de omgekeerde rede van vyf-en-dertig tot acht — en \'n gelyke
afwyking valt ook in de andere verhoudingen optemerken — schynt
er in dit alles \'n onregelmatigheid te bestaan. Dit is evenwel zoo
niet, daar by al de tot-nu-toe genoemde manieren van zetten, de
onderlinge verhouding der betaling stipt in acht genomen wordt.
Op één uitzondering na, die de simple ehance betreft en die ik
straks noemen zal, is \'t speltarief nergens met zichzelf in stryd,
omdat alles uitgaat van dezelfde voorwaarde: de kans op winst
der Bank staat tot die van de spelers als 19: 18. Deze verhouding
wordt te-weeg gebracht door de ongelykheid tusschen het aantal
kansen op winst, en de betaling als men wint. Ze zou vervallen
indien de Bank de op \'n uitkomend nummer gezette mise ze.s-en-
dertig malen uitbetaalde in-plaats van vyf-en-dert\\g maal. De in-
vloed van dit verschil is op al de nu genoemde manieren van zet-
ten, volmaakt dezelfde.
Iemand die alle nummers en plein met gelyke mises bezette, zou
op één daarvan vyf-en-dertig inzetten winnen. Daar evenwel de
overige zes-en-dertig verliezende nummers aan de Bank vervallen,
wint de Bank één van de zeven-en-dertig mises, of 1/37, d. i. door-
een gerekend 22C/37 procent van al \'t geld dat op de nummers
gezet wordt.
De dwaasheid om op die wyze, door \'t bezetten van alle num-
mers te-gelyk, by eiken coup J/37 van de som der zetten ten-ge-
schenke te geven, valt in \'t oog. Geen individu begaat haar dan
ook op één oogenblik. Maar, doorspelende, mag hy zich geen an-
deren uitslag voorstellen. En \'t geheele speelpubliek te-zamen ge-
nomen
levert op \'t nummerspel onophoudelyk die fatale 220/37
procent. Het is minder overbodig dan velen misschien denken,
deze waarheid helder in \'t licht te stellen. Onder de habitués van
de groene tafel zyn er velen die behoefte hebben aan oefening-
in .. . verstandsgodsdienstiglyk rekenen. Ik verzeker den lezer dat
ik meermalen zoogenaamd-ernstige diskussien heb aangehoord over
de vraag of \'t care\'-spel meer kans op winst aanbood dan de co-
lonnes?
Of de transversalen voordeeliger waren dan de nummers
en plein, enz.
Ik wil daarom nu eens de onderscheiden kansen, altyd in vér-
houding tot de betaling, nauwkeurig ontleden.
Ik zei dat die verhouding kan worden uitgedrukt met 18 : 19,
-ocr page 121-
HET TABLEAU.
II7
of anders gezegd: dat de speler op zeven-en-derlig mogelykheden, door-
ééngerekend
en op-den-duur slechts achttien keeren wint en negen-
Hen
keeren verliest. *)
Dezelfde speler die begrypt, dat hy door \'t gelyk bezetten van
alle nummers, in één zet het bedrag van een zyner zeven-en-dertig
mises verliezen zou, ziet dikwyls niet in dat hy zich blootstelt aan
dezelfde zekerheid van verlies, door zeven-en-derlig keeren achter-
een slechts één nummer te bezetten. Het maakt geen verschil of
hy tot die zeven-en-dertig zetten telkens hetzelfde nummer kiest, of
soms verandert of telkens verandert. Altyd blyft het waarheid, dat
men van zeven-en-dertig mises op \'n nummer en plein — tegelyk
of successivelyk gezet, om \'t even — dooreen gerekend één mise
verliezen moet.
Deze waarheid — het palladium van de Bank, voor-zoover de
arithmetische verhouding der nummers aangaat, want nog ge-
heel andere oorzaken werken hier mede — openbaart zich in de
andere nummerzetten op de volgende wyze:
By het zetten eener mise d cheval op twee cyfers, wordt de helft
van dien inzet beschouwd als op ieder van deze twee nummers te
staan. In-geval van winst zou dus het uitkomend nummer vyf-en-
dertig
halve mises moeten opbrengen = 17V2 m. Daar evenwel
de andere halve mise die op \'t cyfer daarnaast stond, verloren is,
wordt deze van de betaling afgetrokken, waaruit volgt: ly\'/^m —
1/2 m = zeventien maal de geheele inzet.
Een winnende transversale pleine verliest op de twee niet uitge-
komen nummers */8 m. Het winnend nummer waarop slechts \'/a
der mise stond, moet ontvangen 35 X\' */3 m = n*/a m. Na af-
trek van \'t verlorene, ontvangt men alzoo elf mises.
By \'n carré is de rekening aldus: 35 X \'/« m = 83/4 m. Hier-
van afgetrokken die drie verloren kwart-mises, blyft de betaling
acht maal de inzet.
De transversale van zes nummers heeft aanspraak op 35 X 1/e
»i — 5/0 m — 5 m, d. i. vijf maal de mise.
By \'t cofewe-spel wordt verondersteld dat elk nummer der aan-
geduide kolom met 1/i2 van de mise bezet is. Voor \'t winnend
nummer heeft dus de speler 35 X Vi2 m of 2,)/i2 mises te vor-
deren. De Bank heeft aanspraak op de i1/,a m welke gezet waren
\') In rie bladzyden die nu volgen, komen telkens de woorden »keer\'
en smaal" voor. Zonder te beweren dat deze uitdrukkingen, stipt ge~
nomen, van elkaar verschillen, stel ik by dezen \'n onderscheiding voor;
waaraan ik, om duidelyk te zyn, behoefte heb. Ik neem \'t woord smaal\'
in den zin van reehtstreeksche oogenblikkolyke vermenigvuldiging, en
»keer" in dien van opvolgende — of ook soms gelyktydige — herha-
ling, e g:
Wie tien keeren drie guldens ontvangt, bezit: tien maal drie guldens.
Wie te-gelykertyd \'n stuk zet op \'n nummer en np de kolom waarin
d:it nummer voorkomt, kan twee keeren winnen. L)e betaling van het
eerste stuk is vyf-en-dertig maal, van \'t andere: twee maal.
liet zou tot misverstand aanleiding geven, deze misschien willekeurige
doch onmisbare distinktie over \'t hoofd te zien.
-ocr page 122-
118                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
op de elf nummers die niet uitgekomen zyn, en betaalt dus \'t ver-
schil, d. i. twee maal den inzet.
Wie z\'n geld a cheval op twee kolommen zet, behoort, indien er
een der aangeduide vier-en-twintig nummers uitkomt, te ontvangen
35   X V24 m — \'"/sm rn- Doch er waren onder de bezette nummers,
drie-en-twintig die niet wonnen. De daarop geplaatste "23/.24 mises
vervallen aan de Bank, die dus slechts 1 n/M m — 23/.24 m = \'/» *">
of de helft der mise te betalen heeft.
Men ziet alzoo dat tot-nog-toe de »yze van betaling nergens
met zichzelf in tegenspraak is. Overal oeient de verhouding 18: 19,
of één verliezer meer dan de Bank op elke zeven-en-deilig zetten,
onveranderlyk haren invloed uit.
Het spreekt vanzelf dat men om, byv. zes nummers te bezetten,
niet juist \'n transversaal behoeft te kiezen. Wie aan de cyfers 1,
8, 19, 21, 28 en 33 de voorkeur geeft boven\'n arithmetische reeks,
kan dit wel niet in één zet uitdrukken, en hy moet daartoe elk
van die nummers met \'n afzonderlyke mise bedekken, doch de uit-
slag is dezelfde. Gesteld dat men op elk der genoemde cyfers een
gulden gezet had en dat een daarvan uitkwam, dan zou men op \'t win-
nend nummer vyf-en-derlig gulden betaald krygen. Maar de inzet
op de vijf overige nummers wordt weggestreken, zoodat de netto
winst slechts dertig gulden bedraagt, of: vyf maal de geheele mise
van zes gulden, hetgeen ook de betaling is van \'n transversaal.
Gelyke berekening kan op alle gekombineerde nummerzetten wor-
den toegepast.
Daar we nu gezien hebben dat men met slechts één mise wedden
kan op twee, drie, vier, zes, twaalf vier-en-tivintig nummers tc-
gelyk, schynt het vreemd dat zeer veel spelers deze gemakkelyke
manier versmaden, en, byv. instee van twaalf eenheden eener geld-
soort op \'n kolom te plaatsen, juist twaalf afzonderlyke nummers
verkiezen en die met zooveel eenheden bezetten. Wat beweegt iemand
om eerder een der cyfers o, 1, 3, 7, 8, 13, 17, 25, 26, 31, 32 en
36   te verwachten, dan een der termen uit de arithmetische reeks
van 1 tot 12? Of, dan een der twaalf getallen op het tableau, die
deelbaar zyn door drie, namelyk de derde kolom? Ik zal dit later
onderzoeken by de behandeling der niet-arithmetische elementen
van de zaak. Dit is zeker, dat veel spelers — er zyn er die byna
alle nummers op het tableau bezetten — zich oneindig meer moei-
te getroosten dan uit \'n rekenkunstig oogpunt noodig wezen zou.
Sommigen maken van het spel \'n zoo afmattenden arbeid dat het
zweet hun langs de slapen loopt. De roulet namelyk werkt zeer
snel. De coups volgen elkander zoo spoedig op, dat er soms in-
spanning noodig is om daarvan aanteekening te houden, \'tgeen •
door de mannen van \'t vak — niet te verwarren met dezulken
die zich laten meesleepen door hartstocht— gedaan wordt. Tot die
boekhouding nu is de speler op nummers niet in staat, en \'t schynt
ook niet noodig te zyn voor z\'n «systeem." Wat hem leidt in de
keus der nummers, weet ik nog maar ten-deele. En misschien is
\'t hemzelf onbekend, in welk geval hy te beklagen is over de on-
noodige moeite die hy zich geeft om z\'n geld te verliezen. Het
bezetten van twintig, dertig nummers en plein, van eenige transver-
-ocr page 123-
HET TABLEAU.
lig
salen en earrés, en vooral het achtgeven op al de geldstukken die
men heeft uitgezet, het verdedigen van z\'n eigendom tegen anderen
die óók op nummers spelen, en al licht — ter-goeder trouw vaak —
meenen dat zekere door \'n ander gezette winnende mise de hunne
is, het ontvangen en narekenen van de behaalde winst — \'t spreekt
vanzelf dat men, zóó spelende, byna telkens iets ontvangt, al zy \'t
op-den-duur minder dan de som van al de verloren mises die de
Bank naar zich toestrykt — dit alles vordert \'n inspanning waar-
van men zich geen denkbeeld maken kan zonder het te hebben
bygewoond. En wie zich dit tracht voortestellen naar boekerige
beschouwingen van »het spel" als onderwerp van dramatische harts-
tocht alleen, is op \'n verkeerden weg, gelyk ieder die z\'n indrukken
aan iets anders ontleent dan aan de werkelykheid.
Ik wil eens zoo »gelykvloers" mogelyk aantoonen wat \'n num-
merspeler — wel te onderscheiden van spelers in \'t algemeen, die
ik behandelen zal by de simple chance — al zoo te doen heeft.
Men denke hierby alle aandoeningen van fyner soort weg, men
beschouwe hem nu slechts als werkman, en z\'n bedryf als \'n am-
bacht. Ik ga dus vooralsnog alle zielkundige opmerkingen voorby,
en spreek niet van gemoed, doch slechts van handen, spieren,
oogen en lenden. De laatste lichaamsdeelen moeten uitdrukkelyk
genoemd worden omdat zoo\'n nummerspeler, als hy hart voor
z\'n vak heeft, niet zitten kan. Z\'n lief hebbery-métier noodzaakt hem
voortdurend het geheele tableau te overzien, en elke plek daarvan
te kunnen bereiken, wat soms moeielyk genoeg is. Stellen wy voor-
loopig dat hy slechts gebruik maakt van ééne geldsoort, van \'t
minimum der mise: den gulden, hetgeen z\'n arbeid, en den mynen
by \'t berekenen, eenigszins vereenvoudigt. Z\'n speelkapitaaltje ligt
vóór hem op de tafel, die naast en achter hem door \'n drie- vier-
dubbele rei spelers omgeven is. Dozynen handen reiken langs en
over hem heen. De een tracht den arm om hem te buigen. De
ander strekt de hand over z\'n schouder uit. Velen zoeken \'n noor-
der-doortocht tusschen z\'n lyf en armen heen, d. i. ze stryken ra-
kelings langs de som die vóór hem ligt, en die alzoo wel behoefte
heeft aan \'n beetje bewaking.
Daar klinkt het: Messieurs, failes Ie jeu! Onze vriend neemt \'n
handvol guldens, en zet, byv. op ieder der nummers o, 6, 3, 32,
17, 19, 12, 11, 3, 9, 12, 23, 2, 11, 18, o, 2, 26, zo, 36, ii, alles
en •plein.
Voorbedachtelyk verwaarloosde ik hier alle volgorde. Ik boots
daarin m\'n speler na, om zoo waar mogelyk te zyn. Ook volg ik
zyn voorbeeld in \'t meer dan eens bezetten van dezelfde nummers.
Wat hem beweegt, na reeds op den zéro, op 2, 3, 11 en 12 gezet
te hebben, later nog mises daarby te voegen — op de elf zelfs
by herhaling — mogen hy en de H. Morfondaria verantwoorden.
Myn taak bepaalt zich tot relateeren.
Toch is m\'n relaas nog op-verre-na niet volledig. En onnauw-
keurig was \'t ook. Ik nam nog zekeren regel in acht, door eerst
alle en plein-ietten te noemen en alzoo de mises volgens hare soort
-ocr page 124-
MILLIOENEN-STUDIEN.
120
te rangschikken. Zoo ordelyk gaat onze speler niet te-werk. Z\'n
hand zweeft en zwiert snel en onregelmatig in zenuwachtige trek-
kingen over de tafel, zoodat niet alleen de toeschouwer daarop geen
oog houden kan, maar hyzelf onmogelyk met juistheid kan weten
waar-i z\'n geld . . . gestrooid heeft. Stellen wy dat er tusschen al
de ptetn-zetten in, mises komen te staan:
h cheval op: O d 3, 3 & 6, 8 d II, 36 d 35, 22 a 23, 14 d 17,
25 d 28, 16 d 19, 22 a 19, 11 d 12, 12 d 9, 10 d 11, 11 d 12,
11   d 14,
op de plein transversalen op: 7 d 9, 31 d 33, 16 d 18, 12 d 10,
34 d 36, 10 d 12, 12 a 10, 10 d 12, 12 d 10 . . .
Vindt ge dat telkens terugkeeren op die eene transversaal zon-
derling, lezer, wyt het my niet. Ik teeken naar model, en ben ver-
antwoord met juistheid. Dat ik dezelfde transversaal dan eens 10 d
12    noem, dan weder 12 d 10, geschiedt alweer om zoo korrekt
mogelyk te wezen in \'t schetsen van al dat inkorrekte. Onze spe-
ler namelyk zet mises op den rand naast 12, en tevens aan den
anderen kant naast 10. Hy moet hiervoor z\'n redenen hebben, en
al ontsnappen die aan myn waarnemingsvermogen, ik word liever
voor dom gehouden dan dat men my zou verdenken van onwaar-
achtigheid.
Maar we zyn nog niet gereed. Er worden — of werden door
dat alles heen — mises geplaatst: op de carris 5 d 9, 28 a 32,
II d 15, 25 d 29, 26 d 30, 7 d II, 31 d 35, 8 d 12, 10 d 14,
op de transversalen 28 d 33, 25 a 30, 1 d 6, 1 o d 15, 19 d 24, 7« 12,
op de première douzaine,
op de derde colonne. . .
Wat die ongelukkige ééne gulden op twaalf kansen beduidt— 8f/j
cent op één nummer! — begryp ik weer niet. Men kan er uit leeren
dat er juist geen onderaaidsche reis noodig is om mysteriën te ont-
moeten. De ongerymdheid van zoo\'n zet door gebrek aan verhou-
ding met de overigen, valt ieder ander dan den nummerman in
het oog. Maar \'t is onvoorzichtig de oorzaken die hem hiertoe be-
wogen al te nadrukkelyk optesporen. Toch zal ik dit later doen
omdat ik me nu eenmaal heb voorgenomen alles te weten. . .
Hm, ziedaar \'n kolonne-zet van mezelf!
Onvoorzichtig noemde ik \'t zoeken naar de oorzaak der verschy-
ning van die zeventien halve centen op zoo\'n kolom, omdat hieruit
de schyn wordt geboren als hadden wy wel begrip van den kau-
zaal-nexus die de andere zetten beheerscht, en alsof wy onderscheid
van rang toekenden aan verschillende manieren van niet-weten. We
moeten ons vergenoegen met de hoop dat de speler, om niet te
worden verdacht van krankzinnigheid, zekere geheime aanleiding
vond welker gegrondheid wy voor-als-nog niet kunnen beoordeelen.
Misschien blykt ons later iets daarvan.
-ocr page 125-
HET TABLEAU.
121
Zoodra onze nummerzetter z\'n werk verricht heett, ziet het tableau,
voor zooveel de zetten van dien éénen speler aangaat, er aldus uit:
-ocr page 126-
122                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
Men bedenke evenwel dat ook de andere spelers gedurende dien-
zelfden tyd hun zetten gedaan hebben, en dat er alzoo \'n afmattende
oplettendheid toe behoort, ik zeg niet: om \'t vaderschap van al die
mises uit elkaar te houden ■— dit is onmogelyk — maar om dit
voortdurend te beproeven. Hierover ontstaat dan ook soms twist.
Niet zoo dikwyls echter als \'n oningewyde veronderstellen zou. Dat
een zelfde mise zeer vaak door meer dan een persoon voor de zyne
wordt aangezien, is zeker. Doch dit verschil van meening openbaart
zich slechts wanneer de kwestieuze inzet op \'n winnende plaats staat,
daar al \'t verloren geld aan de Bank ver/alt, en in dat geval nie-
mand er belang by heeft te weten wie \'t gezet had. Ook moet
hierby worden opgemerkt dat er van de eigenaardige soort van
spelers die ik nummerzetters noemde, gewoonlyk slechts één aan
elke tafel te vinden is. Vele leden van \'t speelpubliek — nog altyd
spreek ik niet van de beoefenaars der simple chance: de hoofdzaak! —
bezetten op de nummers slechts eenige kansen. De een speelt op
twee, drie nummers en plein, de andere op \'n paar carré\'s , enz.
Doch al die zetten saamgenomen bedragen al ligt zooveel als de
door my veronderstelde nummerzetten van dien eenen speler. Ook
gebeurt het soms dat twee of drie van deze soort, in het drukste
van \'t saizoen wel genoodzaakt zyn elkaar op \'t zelfde jachtveld te
ontmoeten. Dan staat het tableau letterlyk vol.
Men moet erkennen dat de croupiers *) zeer oplettend zyn, en
meer acht geven op de belangen der spelers dan in zekeren zin
van hen kan worden gevorderd. In de reglementen namelyk wordt
uitdrukkelyk bepaald dat de Bank zich met de geschillen der spe-
lers onderling, niet behoeft intelaten. De geëmployeerden zyn echter
dikwyls genoodzaakt iets als uitspraak te doen, en wel door \'t feit
der betaling zelf, of liever door er in te berusten dat de naastby-
zittende, of de onbeschaamdste door snel toegrypen, zich van de
massa — masse is speelterm —■ en alzoo van zeker jus primi occu-
pantis
meester maakt. Wie \'t op \'n winnend nummer betaald geld
naar zich toestrykt, heeft veel vóór boven den reklamant die de
litigieuze som niet in z\'n bezit heeft, omdat het gemakkelyker valt
iets te behouden dan het te bekomen, de eenvoudige waarheid
waarop dan ook die fameuze rechtsregel gegrond schynt.
Er moet nog worden opgemerkt dat de Bank de door \'n speler
behaalde winst eigenlyk niet uitbetaald aan \'n persoon, maar aan
\'t winnend nummer of aan de winnende kleur. Zy gedraagt zich
alsof ze met den speler niet te maken heeft, en beschouwt de
winnende plek op het tableau als \'t domicilie van haar krediteur —
*) Sommigen zeggen verkeerdelyk groupier. Volgens sommigen zou
dit woord afgeleid zyn van croupe, het schopje waarmee men \'t geld
toeschuift of wegstrykt. Maar dit instrument wordt nooit dan met het
woord rdteau aangeduid, waarvan de Duitschers natuurlyk: rahtoh
maken. Wat die croupiers beweegt het woord croupier voor \'nbelee-
diging te houden, is my onbekend, doch zeker is \'t dat ieder die voor
beleefd wil doorgaan, van: Messieurs les employés de la Banquti
spreekt. En waarom niet? Men heeft wel voor erger dingen zachte
benamingen uitgevonden.
-ocr page 127-
HET TABLEAU.                                               123
wien dan ook — waar zy zich van haar verplichting op wettelyke
wyze kwyten kan. Het gaat haar niet aan wie er al mochten be-
weren in dat domicilie vertegenwoordigd te zyn. Dit is principe en
regel. Toch komt het voor, dat de Bank \'n reeds weggestreken
winstmassa nogeens aan een anderen speler uitbetaalt. De oorzaken
die haar tot deze grootmoedigheid nopen — zy weet wat ze doet! —
zal ik later behandelen, doch reeds nu maak ik de opmerking hoe
hieruit te besluiten valt dat de kansen op winst niet alleen —■ of
juister: niet hoofdzakelyk — op arithmetische gronden berusten,
dewyl alle voor de Bank gunstige cyferverhoudingen — die 2\'2li/:n
procent op de nummers! — worden omvergestooten door zoo\'n
genereuze afwyking van den regel. Ik ben niet vreemd van \'t denk-
beeld dat de Bank goede zaken maken zou, ook zonder die 2\'2nl31
procent, dat is: wanneer ze den inzet op winnende nummers zea-en-
dertig
malen betaalde.
Toch behoort ieder die \'t spel doorgronden wil, aanvankelyk van \'n
stipt-wiskunstig standpunt uittegaan, en ook later, by de ontleding
van de meer ingewikkelde verhoudingen, omstandigheden en aan-
doeningen die het spel beheerschen, blyft zekere wiskunstige opvat-
ting altyd noodig. Niet- minder dan elders voorzeker zal op \'t ge-
bied der menselyke zwakheden, deugden en hartstochten, twee
maal twee altyd gelyk zyn aan vier. Het opmerken daarvan moge meer
inspanning vereischen, meer gevaar opleveren van afdwalen, dan de
onbedriegelyke openhartige trouwe cijfers: waarheid is altyd waarheid.
En — gelyk overal — het een licht het ander toe. M\'n gnomen
waren zoo onverstandig niet. Zy . . .
Neen, eerst onze nummertobber. We zagen dat hy om \'n som
van een-en-zestig guldens aan verschillende kansen te wagen — hy
tast het lot op honderd-twee-en-zeventig plaatsen te-gelyk aan! —
even zooveel malen den arm uitstrekte. Het getal van die bewe-
gingen wordt nog verhoogd door de weifeling in keus. Slechts
weinige guldens worden gezet als \'t gevolg van \'n vooruitberaamd
plan en met iets als moed van overtuiging. De hand van den spe-
ler dwaalt van 36 naar de nul, van de douzainea naar \'t midden,
naar den zéro weder, en terug naar den rand, weer naar \'t mid-
den . . . neen, zéro is beter, of . . . toch niet, elf is goed ... neen,
liever \'n transversaal of . . . wat anders. Dat andere — hy weet
niet wat? — is altyd beter . . . hy weet niet waarom? Eindelyk
vindt het stuk z\'n plaats ... \'t mocht wat! Tusschen al de overige
zetten in, wordt het, na reeds twee- driemaal verplaatst te zyn,
nog eens spoedig naar \'n ander vak geschoven, of van carré tot
plein bevorderd, gedegradeerd ook van volle transversaal tot \'n
dito van zes.
Dat woelen, werken, wurmen, houdt aan tot het kogeltjen op
de koperen plaat springt. Op dit oogenblik roept de croupier: rien
ne va plus!
Nog tracht de speler in der haast het Noodlot \'n ver-
beterde kans aflegrissen. De olykert wil nog in extremis — pest
mortem
liever, want volgens het reglement rikketikt de kleine kogel
den uitvaart van alle besluiteloosheid: men mag z\'n misea niet
meor aanraken — hy wil nog even dat carré 5 a 9 veranderen
in . . . in . . .
-ocr page 128-
MILLIOENEN-STUDIEN.
124
Het was te laat! Jammer, niet waar? Hy had zoo gaarne dien
éénen gulden verschoven naar 4 a 8, of op \'n ander carré gezet,
\'tgeen natuurlijk veel beter is dan 5 a 9, Hy moet er nu in-gods-
naam in berusten, maar \'t is wel hard. Waarom hy \'t enorm ver-
schil in kans van \'n ander carré zoo laat inzag, en waarom hy
dan niet al z\'n geld op \'n meer bevoorrecht kruis plaatste, is me
tot-nog-toe onbekend gebleven. Met nog meer grond zouden som-
migen \'n gelyke vraag kunnen doen omtrent het zoo druk bezette
nummer elf. Er schynt in het hart van onzen nummerman zekere
ingenomenheid met dat cyfer te heerschen. Hy zet er op, er naast,
er by, er omheen. Hy bekranst het met \'n guirland van zetten.
De man heeft vertrouwen op dat fameuze nummer . . .
Vertrouwen ... ja, vertrouwen . . . neen. \'t Is zoo heel vast
niet. Nu ja, hy vertrouwt wel, maar hy weet z\'n vertrouwen bin-
nen de perken te houden. Hy vertrouwt met mate. Hij vertrouwt. ..
met bezadigdheid, met verstand, met voorbehoud, dat is, wel be-
schouwd, met \'n beetje wantrouwen. Want al belydt-i z\'n geloof,
z\'n vast geloof in dat nummer elf, door twintig malen \'n deel van
z\'n geld aan de hoede van dienzelfden Heilige optedragen:
drie maal en plein,
vijf maal <i cheval,
vyf maal op \'n transversale pleine,
vier maal op \'n carré,
twee maal op \'n transversaal van zes,
een maal op de première douzaine,
en wel tot \'n gezamenlyk bedrag van: 3 -f- r\'/.2 4- 5/;1 -f- 4/4 -f- 2/(j
-j- ila gulden — d. i. acht guldens, acht-en-vyflig en een derde cent,
of nagenoeg \'ƒ7 van z\'n geheelen inzet, dien hy overigens over kon-
derd-lwee-en-vt/flig
andere kansen verdeelt — er blykt toch etwas
faules
in dat «geloot" te zyn.
Als ik die elf was, kwam ik niet uit. En jehova ook niet!
»Men kan geen honderd-twee-en-zeventig kansen dienen. Geloof in
My, of aanbid iSAaL, vleesch, wetenschap, zinnen, eigen oordeel of
andere nummers, maar verwacht niet dat ik me zal\'openbaren in
vijf-en-drrtigvoud\\gc winkracht, zoolang ge u inlaat metio, 12, vry
onderzoek, en hoe al dat andere tuig heeten moge. Die 10 en 12
zyn vèr van my ... op de draaischyf, al vermeten zy zich rechts
en links van me te liggen op het tahleau. Bedenk dat uw nummer
elf \'n jaloers nummer is. Dat het geen hinken op honderd-twee-en-
zeventig
kansen verdragen kan. Zoodra straks het balletje valt, zal
ik er zyn of ik zal er niet zyn, maar \'t modern-gemiddelde van die
twee mogelykheden is \'n ónmogelykheid. Weeselfmanof anderman,
naar verkiezing, maar wees óf het een of het ander. Geloof of ont-
ken, maar seij was du bist en schandvlek uw karakter niet door
gebrek aan moed om aantenemen of te verwerpen. Dat heden-
daagsch geschipper met vasthouden en loslaten . . .
Het voortzetten van deze preek behoort op \'n andere plaats te
huis, misschien by de behandeling der wonde plekken in \'t modern
denkvermogen. Voor \'t oogenblik hebben we nog slechts met den
lichamelyken arbeid van onzen nummerzetter te doen. Men houde
in \'t oog dat hy, zonder juist te verliezen, voortdurend z\'n zilveren
munt uit de handen geeft, daar telkens byna al z\'n guldens wor-
f
-ocr page 129-
HET TABLEAU.                                              125
den weggestreken en de Bank hem gemakshalve de gewonnen veel-
vouden in goud betaalt. Gedurig moet hy dit wisselen om \'t cir-
culeerend zilvermedium van z\'n bedryfs-kapitaal aantevullen.
Al dezen arbeid nu verricht hy zeventig malen in het uur, het-
geen men als de gemiddelde frekwentie der coups op de roulet
kan aannemen, en dit houdt hy \'n geheel saizoen lang — te Hom-
burg \'t gansche jaar door! — zes of arkt uren daags uit. Hy is, en
daarom sprak ik zoo-even van lenden, hy is wat de Franschen zoo
eigenaardig uitdrukken met het woord: éreinté. . . ontwricht, ont-
heupt.
Gedurende al dien tyd verdroeg hy het dringen, stooten, stom-
pen, van z\'n omgeving. En nog andere dingen ving-i op, die ik nu
voorbyga, omdat ik geen kans zie de velerlei soort van warmten
te beschryven, die dikvvyls in zoo\'n zaal heerschen. Na dit gedeelte
van m\'n schets alzoo te hebben overgeslagen op \'n manier die be-
grypelyk maakt wat ik had kunnen zeggen, is \'t rechte oogenblik
daar om te verzekeren dat het grootste deel dezer variëteit van
spelers uit . . . vrouwen bestaat. Vrouwen, d. i. dames, gravinnen,
prinsessen.
Om \'t ware doel — leebraken — volkomen te bereiken is zekere
tyd noodig, of liever \'n zékere tyd die door \'t beschikbaar kapitaal
vry nauwkeurig wordt bepaald. De arme stumper die slechts wei-
nige honderde guldens te verliezen heeft, loopt gevaar de speelta-
fel te verlaten zonder behoorlyk ontwricht te zyn. Doch deze op-
merking behoeft den middelmatig gefortuneerden lezer\'niet moede-
loos te maken. Er worden voor \'n normaal geschapen persoon die
de kuur wil doorstaan tot de éreintement inkluis, geen schatten
vereischt als die welke, byv. door de gravin KIS.seleff aan deze
gymnastie besteed zyn. De lenden van deze dame wedyveren
met haar kas in taaiheid. Men verzekert dat zy, zonder omtevallen,
al de omschreven kittelingen — met de niet-omschrevene daarby —
vele millioenen guldens lang heeft uitgehouden. Naar ik verneem
speelt ze nog altyd door, doch mag zich thans, ten-gevolge eener
wreede beperking van haar middelen — ik heb hooren mompelen
van kurateele — jaarlyks slechts voor honderd-duizend roebels van
lendenpyn voorzien. Zoodra deze som verkanst is, trekt ze zich
op \'t een of ander kasteel terug, en zit morrend te wachten op
\'n volgend jaar. »La Kissele/f\' vient de partir" beduidt te Homburg:
\'t is vandaag de zooveelste. *) Toch ben ik als waarheidlievend
*) Honderd-duizend roebels bedragen f 192,000. Aannemende dat onze
gravin op eiken coup een-en-dertig goudstukken plaatst, en dertig
stukken van twee gulden — \'n z.eer courante muntsoort aan de speel-
tafel — dan bedragen al haar mises tezamen driehonderd-en-zeventig
gulden, welke som ze dus éénmaal verliest in elke zeven-en dertig coups.
In de veronderstelling dat ze zich met zeven uren pleizier daags ver-
genoegt, gedurende welken tyd ze nagenoeg vy f honderd maal zetten
kan, gaan er alzoo eiken dag byna vyfduizend gulden verloren, zondat
de arme vrouw telken reize na slechts veertig dagen pleizier, uitge-
pleizierd heeft, \'t Spreekt vanzelf dat ik niets aftrek voor de gedwongen
rust op Zon- en christelyke feestdagen. Liefderyk het beste hopende,
-ocr page 130-
I2Ö                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
geschiedschryver verplicht te erkennen dat eens iemand die z*n
horloge had geregeld naar \'t klepsydrisch verloop der Kisseleffsche
roebels, zich drie minuten en eenige sekonden vergist heeft. Ze had
vyf coups ongebruikt laten voorby gaan, \'n gaping in de existentie
van de dame, die dan ook haar zenuwen ungeheuer angegri/fen hat.
Zoo-iets zou h;iar éreinteeren!
Er ligt in \'t noemen van de naam dezer gravin, volstrekt geen
indiskretie. Ieder kent die zaak, en zyzelf maakt daarvan niet het
minste geheim. Men beweert zelfs dat ze niet ongevoelig is voor
de onderscheiding als matadore in \'t niimmerspel bekend te staan.
Daar ik haar niet persoonlyk ken, weet ik niet of ik haar ooit
zag spelen, doch wel bestudeerde ik dikwyls de heldenfeiten van
haar geestverwanten. Zekere andere dame van dezelfde volée, prin-
ses * * * byv. — die ik aanvankelyk met den naam BUDA doopte,
omdat ik haar, ten onrechte, voor \'n Hongaarsche hield — geeft
aan Mad« kissf.leff in lenden en fortuin niets toe. Gedurende
den zomer is zy te Wiesbaden, en daar altyd aan de groene tafel
te vinden, \'s Winters ontwricht ze zich te Homburg, waar de speel-
zaal — nu, 1872, voor \'t laatst, gelyk men weet — het gansche
jaar door geopend is. Volgens sommige dagbladen bestaat het
vooruitzicht dat soortgelyke inrichtingen eerlang in Frankryk we-
der zullen worden in \'t leven geroepen. In dat geval zullen de
kisskleff\'s en buda\'s haar jacht op vermoeienis en millioenen
in dat land moeten voortzetten.
Ik wil nu eens nagaan wat de financieele gevolgen zyn van al
de zetten die ik den nummerspeler wagen liet op één coup. Het
ligt in de rede dat hy door zyn wyze van spelen, als-\'t-ware zich-
zelf tegenwerkt. Wy zagen dit reeds in de zeer gegronde jeremia-
den van nummer elf. Elke nieuwgeplaatste mise immers, kan be-
schouwd worden als \'n weddingschap tégen den vorigen, en wie
alle kansen bezette, zou, om de kans van verlies te ontwyken —
van de zéker verloren 2SG/37 procent spreek ik nu niet — tevens
alle mogelykheid op winst afsnyden. Er ligt alzoo in dat spelen
op zooveel nummers te-gelyk, iets kinderachtigs, iets onnoozels,
iets — kisseleff en buda lezen geen Hollandsch — iets idioots.
Men wil winnen, maar durft niet verliezen, en 0111 de kans van
verlies tegentegaan verzekert men zich zóó daartegen, dat ten-slotte
het geheele doel — namelyk winst — verydeld wordt. Dit moge
by \'t uitkomen van \'n overladen nummer soms anders schynen,
op-den-duur blykt er dat men zich zeer veel moeite getroost heeft
voor weinig fluctuatie, en dat men — indien \'t althans behalve die
lendenpyn ook op zekere kitteling van hoop en vrees is aangelegd
— \'n andere manier van spelen had moeten kiezen. Slotsom: num-
merzetters zyn de ware spelers niet.
veronderstellen we dat ze die treurige grèves ingehaald heeft, door in
de week \'n paar schoft overtewerken. Met diepe roering zien we neer
op de diiehonderd-vyf-en-twintig dagen — van de schrikkeljaren spreek
ik niet eens — die dan zoo\'n mens moet besteden in den vreese-
lyken omgang met zichzelf... hul
-ocr page 131-
HET TABLEAU.                                               127
Ziehier \'n opgave der mogelykheden die de veronderstelde een-
en-zestig
zetten van onzen bedryvigen idioot treffen kunnen. Men
houde daarby evenwel in het oog dat ik m\'n schema in zekeren
zin te gunstig heb ingericht, omdat het overladen van \'n paar
nummers nog altyd zekere spanning te-weeg brengt. Nog \'n wei-
nig meer gelykmatige verspreiding, en \'t wordt voor den speler
byna onverschillig waar \'t balletje valt. Hy zweeft dan niet tus-
schen hoop en vrees, maar houdt zich goedmoedig bezig met het
leveren der aan de Bank vervallende 2-\',/:)7 procent van alles wat
er op de tafel komt, d. i. één mise van de zeven-en-dertig mises,
of van elke zeven-en-dertig guldens, één.
?!
WINXEKDE MISES.
WINST
Verlo-
REST.
ü
ren
mises.
ü
getal.
soort.
maal.
op ulke
soort.
totaal op \'t
winnend
nummer.
winst
verlies.
0
2
en plein
35
70
1
a cheval
17
17
87
58
ƒ29
1
transversale
5
5
douzaine
2
2
7
59
—
» 52
2
en plein
transversale
35
5
70
5
douzaine
2
2
77
57
» 20
—
3
en plein
a cheval
transversale
douzaine
35
17
5
2
70
34
5
2
colonne
2
2
113
54
» 59
—
4
transversale
5
5
douzaine
2
2
7
59
—
» 52
5
carré
transversale
8
5
8
5
douzaine
2
2
15
58
—
» 43
6
en plein
a uheval
carré
transversale
douzaine
35
17
8
5
2
35
17
8
5
2
colonne
2
2
60
55
» 14
—
transpt
375
400
I/-122
ƒ147
-ocr page 132-
128
MILL10ENEN-STUDIEN.
il
WINNENDE MISI
s.
V
\'INST.
Verlo-
REST
ii
ren
mises.
Vero
\'kome
getal.
80u rt.
maal.
op elke
j totaal op \'t
winnend
winst.
verlies.
\'=
soort.
nummer.
p. t
1\' . . .
375
400
ƒ 122
ƒ147 "
7
transv. pl.
11
8
11
8
carré
transversale
5
5
douzaine
2
2
26
57
—
» 31
8
a cheval
transv. pl.
carrés
transversale
17
11
8
5
17
11
24
5
douzaine
2
2
59
54
» 5
—
9
rn plein
a cheval
transv. pl.
carrés
transversale
douzaine
35
17
11
8
5
2
35
17
11
16
5
2
colonne
2
2
88
53
» 35
—
10
1
5
2
2
a cheval
transv. pl.
carrés
transversales
17
11
8
5
17
55
16
10
1
douzaine
2
2
100
50
» eo
—
11
3
5
5
4
2
en plein
a cheval
transv. pl.
carrés
transveisales
35
17
11
8
5
105
85
55
32
10
1
douzaine
3
2
289
41
» 248
—
12
2
3
5
2
2
1
en plein
a cheval
transv. pi.
carrés
transveisales
douzaine
35
17
11
8
5
2
70
51
55
16
10
2
1
colonne
2
2
206
45
» 161
—
13
1
:arré
8
8
1
transversale
5
;ranspt
5
.. • • l
13
59
» 46
1156
759
ƒ621
ƒ224
-ocr page 133-
HET TABLEAU.
129
93
■3 S
f i
\'d Ti
WINNENDE MISL
s.
Vl
INST.
totaal ( p \'t
winnend
Verlo-
run
niises.
REST.
2 §
> 2
getal.
soort.
maal.
op elke
winst.
verlies.
\'3
soort.
nummer.
p. t
\' . . .
1156
759
/\'621
ƒ224
14
2
2
a cheval
carrés
17
8
34
16
1
transversale
5
5
55
56
—
» 1
15
1
1
carré
transversale
8
5
8
5
1
colonne
2
2
15
58
—
.1 43
16
1
a cheval
17
17
1
transv. pi.
11
11
28
59
—
» 31
17
-1
1
en plein
a cheval
35
17
35
17
1
transv. pi.
11
11
63
58
» 5
—
18
1
1
en plein
transv. pi.
35
11
35
11
1
colonne
2
2
48
58
—
» 10
19
1
2
en plein
a cheval
35
17
35
34
1
transversale
5
5
74
57
» 17
—
20
1
en plein
35
35
1
transversale
5
5
40
59
—
» 19
21
1
transversale
5
5
1
colonne
2
2
7
59
—
» 52
22
2
a cheval
17
34
1
transversale
5
5
39
58
—
» 19
23
1
1
en plein
a cheval
35
17
35
17
1
transversale
5
5
57
58
—
» 1
24
1
transversale
5
5
1
colonne
2
2
7
59
—
» 52
25
1
1
a cheval
carré
17
8
17
8
1
transversale
5
transpt
5
30
58
—
» 28
1619
1456
ƒ643
ƒ480
MILLIOENEN-STUDIEN.                                                                                   9
-ocr page 134-
] 30                                             MILLIOENEN-STUDIEN.
il
WINNENDE MISES.
WINST.
Verlo-
EEST.
u
ren
mises.
j]
petal.
soort.
maal
op elke
totaal op \'t
winnend
winst.
verlies.
1
soort.
nummer.
p. t
\' . . .
1619
1456
ƒ643
ƒ480
26
1
2
en plein
carrés
35
8
35
16
1
transversale
5
5
56
57
—
» 1
27
1
1
carré
transversale
8
5
8
5
1
colonne
2
2
15
58
—
» 43
28
1
2
ïi cheval
carrés
17
8
17
16
2
transversales
5
10
43
56
—
» 13
29
3
carrés
8
24
2
transversales
5
10
34
56
—
» 22
30
carré
transversales
8
5
8
10
colonne
2
2
20
57
—
» 37
31
transv. pi.
carrés
11
8
11
16
transversale
5
5
32
57
—
» 25
32
en plein
transv. pi.
carrés
35
11
8
35
11
16
transversale
11
5
67
56
» 11
—
33
transv. pi.
transversale
8
5
11
5
colonne
2
2
18
58
—
» 40
34
transv. pi.
11
11
carré
8
8
19
59
—
» 40
35
a cheval
transv. pi.
17
11
17
11
carré
8
8
36
58
» 22
transpt
1959
2028
ƒ654
ƒ723
-ocr page 135-
HET TABLEAU.                                               131
£
1 i
WINNENDE MISES.
WINST.
Verlo-
ren
mises.
KEST.
Vcro
uitkome
(«tal. 1 soort.
maal.
op elke
soort.
totaal op \'t
winnend
nummer.
winst, verlies.
36
1
1
1
1
en plein
a cheval
transv. pi.
colonne
p. t
35
17
11
2
\' . . .
35
17
11
2
!95y
65
2028
57
ƒ654
» 8
ƒ723
totaal Winst en Verlies . ..
nadeelig verschil....
2024
61
2085
mises
ƒ662 ƒ723
= f 61
Efn-en-zestig gulden verlies in z&ien-en-derlig zetten. Nadat wy
de successivelyk op tafel gelegde 61 X 37 = 2257 stukken, alle
kansen lieten doorloopen, komen wy alzoo tot de slotsom dat daar-
van de bekende 2"20/37 procent behoorlyk zyn verloren gegaan.
Wat ik bewyzen wilde.
Slechts van zeer oppervlakkige beoordeelaars — van buda zelf,
byv. — verwacht ik de tegenwerping dat m\'n berekening onjuist
is omdat de zeven-en-dertig kansen zich nooit in even zooveel coups
voordoen, en er alzoo mogelykheid bestaat dat, byv. de elf, ten
koste van andere nummers méér dan eens en zelfs dikwyls voor-
komt, in welk geval onze tobber niet alleen de belasting van 22e/37
procent zou uitwinnen, maar nog \'n batig slot overhoudt. O zeker,
indien \'n zwaar bezet nummer meer keeren uitkomt dan de norm
meebrengt, is er winst. In dat geval blyft het altyd jammer die
ontvangst te bezwaren met zooveel onnutte uitgaven aan de andere
kansen. Doch men bedenke dat er over \'t geheel genomen even-
veel kans op \'t uitkomen van een niet- of schraal-bezet nummer
bestaat, en dat hierdoor het tydelyk voorheerschen van \'n voor-
deelig nummer veronzydigd wordt. Tegenover de bewering dat on-
ze modelspeler zou gewonnen hebben indien \'t meest-bezette num-
mer méér dan z\'n beurt had gekregen, staat z\'n grooter verlies
ingeval dat nummer eens geheel-en-al ware weggebleven. Het een
gebeurt zoowel als \'t ander, en ook die kansen worden ten-laatst»
op de oneindigheid volkomen verevend, d. i. zonder winst optele
veren noch verlies te veroorzaken. Maar \'t najagen van deze ver
evening kan alweer niet geschieden dan ten-koste der belasting
van \'/37 op alle sommen die daartoe worden aangewend.
Hoe komt het toch dat de spelers met het opbrengen van deze
belasting genoegen nemen?
L\' homme est dans ses écarts . . .
Het spel is \'n écart!
L\' homme est dans ses écarts un étrange problème!
Gesteld eens, dat twee individuen of genootschappen onderling
-ocr page 136-
MILLIOENEN-STUDIEN.
132
zoo\'n spel op zeven-en-clertig nummers beoefenend, door zekere om-
standigheden genoodzaakt waren de winst viee-verza te doen over-
brengen door \'n derde persoon. Dan zou men het toch onaangenaam
vinden gedurig minder te ontvangen dan op wiskunstige gronden
berekend worden kon \'t juiste bedrag te-zyn, niet waar ? Niemand
ook zou genoegen nemen met stukken geld waarvan die tusschen-
persoon by elk transport V37 deel had afgevyld. Aan de Bank
echter schynt men tegen dat leeuwendeel van den onderhandelaar
geen bedenking te maken.
De ontleding der oorzaken van deze grootmoedigheid behoort even-
wel onder de rubriek menskunde te-huis, en we zyn nog aan de cyfers.
De stipte berekening van \'t aantal nummers dat in elke zeven-
en-dertig
coups voorkomt — in rechtstreeks verband met het aan-
tal keeren waarin zich altyd eenigc nummers in zoo\'n groep van
zetten herhalen *) — zou me verder leiden dan ik nu gaan wil.
Het is ook bovendien onnoodig dit optegeven met mathematische
juistheid, omdat de gemiddelde norm slechts in \'n denkbare ver-
rekening van oneindige mogelykheden bestaat en zich nooit inder-
daad
vertoont. Over dit verschil tusschen werkelykheid en wiskun-
stige theorie *) wensch ik liever een-en-ander te zeggen by \'t be-
handelen van de simples chances die juist door den meerderen een-
voud aangenamer berekeningen toelaten. Het bepalen der kansen
van \'t nummerspel is door den hoogen noemer der breuk van de
kansen op eiken coup, zeer omslachtig. We zagen reeds op blz.
91, hoeveel cyfers er noodig zyn om de kans op zes achtereen-
volgende nummers te bepalen. In deze omslachtigheid nu zoek ik
de reden waarom vooral dames, en zeker soort van heeren die
nóg slechter rekenen dan spelers op andere kansen gewoon zyn,
juist het nummerspel kiezen tot terrein van hun onnaspeurlyke
\') Zoodra een nummer verschenen is, staat de kans dat het zich her-
halen zal, tot die dat het zal gevolgd worden door \'n ander, als 1: 36,
of als y37 : 36/37. Nu eens aannemende dat het tweede nummer \'n an-
der is, dan verandert by den derden zet de kans op een der verschenen
nummers tot al de anderen, in \'2/37 : 35/37. Gaandeweg neemt de eerste
breuk toe, de ander af. Na den negentienden zet, is de kans op herha-
ling van een reeds uitgekomen nummer —gesteld eens dat er nog geen
repetitie had plaats gehad — grooter dan die op \'n nieuw nummer, en
na vier- vyf- of zes-en-dertig zetten wordt de kans op herhaling van
reeds uitgekomen nummers, byna tot zekerheid.
Men beweei\'t dat somwylen een nummer gedurende meer dan dui-
zend coups
is uitgebleven. De mogelykheid hiervan wordt door de on-
evenredige frekwentie van andere nummers bewezen. Waar de een te
veel ontvangt, moet de ander derven. Dit is overal zoo. Maar in de
kansrekening worden zulke afwykingen later stipt verevend. Of ook
dit overal zoo gaat, weet ik niet. Twyfel is geoorloofd.
*) In verband met m\'n idee 500, behoef ik immers niet te zeggen
dat dit verschil slechts schynbaar is? Een volledige, juist omschrevene
theorie stemt wel degelyk overeen met de werkelykheid. De zaak is
maar dat we ons zoo vaak gebrekkig uitdrukken.
ti
-ocr page 137-
HET TABLEAU.
\'33
kombinatien. Men voelt zich \'t begrip over dat grillig opvolgen
der nummers ontsnappen, en put onbewust uit z\'n eigen onwetend-
heid iets als hoop dat ook de goede natuur in de war wezen zal,
en zich door allerlei kunstgrepen laten verschalken. Men wil, in
één woord, het lot foppen. Omdat men zelf \'n slordig boekhouder
is, verwacht men dit ook van den Aard der dingen, die zeker niet
zal kunnen wys-worden uit zoo\'n volgezet tableau, en nu-en-dan
wel eens onbedachtelyk \'n paar elfjes zal toegeven. Op die wyze
verklaar ik eenigszins wat ik tot-nog-toe voorstelde als zotterny, al
beweer ik niet dat deze verklaring m\'n oordeel wyzigt. Alleen voer
ik als verschoonende omstandigheid aan dat we \'tzelfde verschyn-
sel overal waarnemen. Zy die den onveranderlyken Aard der din-
gen
tot \'n persoon maken, tot \'n Wezen dat z\'n wil voor \'t kiezen
heeft — willekeur! — zyn gedurig in de weer met pogingen om
die persoon op allerlei wyzen te bedotten. Men liefkoost hem, vleit
hem, streelt z\'n eigenliefde, belooft hem aangename dingen, beroept
zich op bewezen dienst, op partytrekken tegen z\'n vyanden, op \'t
laagstellen van eigen oordeel, om alles overlelaten aan Zyn genadige
beschikking,
d. i. men hoopt dat hy, geroerd door zooveel misken-
ning van wetenschap, door zooveel verkrachting van eigenwaarde,
nu-en-dan \'n gunstig elfje zal toegeven. Ziedaar de godsdienst!
Of nu deze hazard-flikvlooiery wel heel pleizierig is voor de arme
drommels die niet op zoo\'n nummer elf hebben gezet? Maar de-
zulken vleien, bidden, foppen óók . . .
De mensenvriend kan gerust zyn. De REDE laat zich niet ver-
schalken. En de speelbanken ook niet. Elf en met-elf zullen juist
zoo dikwyls komen als met de eischen der rechtvaardigheid — en
\'t belang van de aktiehouders — overeenstemt. Elke tydelyke af-
wyking zal hersteld worden, en zelfs in die afwykingen is zekere
regel optemerken, die den denker eerbied inboezemt — ziedaar
de ware godsdienst! — voor de majestueuze waarachtigheid van
alles wat is. Ook op dien regel zelf zyn weer uitzonderingen, op
haar beurt weder beheerscht door de wetten eener indrukwekken-
de symmetrie. Met verbazende stiptheid zien wy het lieve twee
maal twee zich uitbreiden tot \'n oneindige reeks van syllogismen,
altyd geleidelyk volgende, altyd op elkaar sluitende, altyd één weg
betredende, altyd uitloopend op één harmonisch geheel: eenheid, or-
de, waarheid!
Daar valt geen kogeltje van ivoor in eenig nummervak zonder
den wil van LOGOS die van den beginne af alle serien, alle inter-
mittences
geteld heeft en niet wil dat één nummer verloren ga.
Hy laat z\'n kansen opgaan over vyven en zessen, openbaart zich
in rechterkwadrant en linkerzy, aan hoogen en aan lagen. Hy
schenkt z\'n gunst aan allen naar ieders wiskunstig bescheiden deel.
Wat zich scheef voordoet, is recht. Wat onregelmatig scheen, is
stipte opvolging van de wet. Logos bouwt overeenstemming uit
eindelooze afwykingen, en schept uit de onderlinge vernietiging van
verwarringen, één rezultante van harmonie.
Al dwaalt ónze denkkracht in \'t wilde, by \'t zoeken in Afrikaan-
sche bosschen naar de oorzaak van \'n gebrekkig waargenomen feit,
en al zyn de pogingen vergeefs waarmee wy trachten de eeuwen
-ocr page 138-
134                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
optezweren uit het verledene, om rekenschap afteleggen over \'t
een-of-ander dat ons mysterie schynt. . . niet alzoo dwaalt de rede
af, zy die uit \'n keten van redenen bestaat. Zy, LOGOS, de logiek.
het Zyn, de teitelyke uitdrukking der gevolgen van al wat was, en
DUS van al wat is, vergist zich niet. Zy moet wel weten waar \'t
kogeltje vallen zal, omdat die val \'n noodzakelyk gevolg is van
alles wat voorafging.
Welen? Neen. De behoefte aan weten — de heerlyke onvolko-
menheid die ons prikkelt tot volmaking — is, als honger, pyn, on-
afgebroken ontbinding, \'n menselijke eigenschap, en tevens de
voorwaarde van ons bestaan. Locos heeft geen weten noodig: hy
drukt uit. Zyn slotsommen worden in feiten verkondigd. (Ideen
161 —166.)
En al moge er nu misschien zekere tint van weemoedige beschim-
ping onzer onkunde liggen over de grillige manier waarop ik voorgaf
my in \'t zoeken der oorzaken van die zes nullen te verdiepen — men
heeft gezien dat ik reeds met de eerste geen raad wist —■ toch
kan de rusteloosheid van zulk een onzinnig streven leiden tot iets
als bemoediging.
Ik hoop dat de lezer by die olifanten-historie zal hebben uitge-
roepen: zoo kan men zoo véél stellen, veronderstellen, droomen,
fantazeeren . . . daar is geen eind aan!
Juist: daar is geen eind aan! Er is inderdaad geen eind aan ons
niet-weten. En dat wilde ik op mijn wijs aantoonen.
»Maar is \'t niet treurig, aldus overtuigd te worden dat er aan
die zucht tot weten — die voorwaarde van ons bestaan dan, onze
roeping, ons geluk — nooit kan voldaan worden ? Zyn we daar-
door niet gedoemd tot de pyn van Tantalus? Is dan niet ons ge-
heel leven één teleurstelling?"
Waarlyk niet. Juist andersom. De moeielykheid van \'t doorgron-
den, de onmogelykheid van doordringen tot \'n eerste oorzaak,
maakt onze taak tot \'n oneindige bron van genot. Zoo\'n eerste
oorzaak bestaat niet. Zeer gelukkig voor ons — d. i. zeer nood-
zakelyk ! — werd ze altyd voorafgegaan door \'n andere eerste,
door \'n allereerste, die toch op haar beurt weer, \'n zeer gehoor-
zaam gevolg was van iets vroegers . . .
»Wie kan-ons zeggen, wat begin is? Welke stip
Van il\'evenaar kan roemen: ik heb \'t eerst
De zon gezien, by my begon de dag!"
Wat is beginnen? Wat is einden! Niets!
Bewegen zal altyd, wat eens bewoog.
Bewegen, voortgaan — niet vooruitgaan immer —
Is voorwaarde en bestemming van het Zyn.
Bestaan is: anders worden. Elke teiz
Van \'n sekonde draagt z\'n navelmei k
Als wy.
Wie \'t loochent, zegge: ik had geen moeder. *)
*) Uit VORSTENSCHOOL.
-ocr page 139-
HET TABLEAU.
135
Ach, \'t zou zoo verdrietig wezen als dit anders was! Verdrietig ?
Ja, neen ... er zou dan niets zyn . . . geen verdriet dus ook,
over zooveel doodsheid.
Een eerste oorzaak ware per se \'n onlogisch verschynsel. Er be-
staat geen enkele reden waarom de gevolgen zich logischer zouden
gedragen dan zoo\'n ongefundeerde stammoeder. Twee maal twee
zou zich al zeer spoedig veroorloven drie ot vijf te zyn, iets anders
dan vier. Dit doet die lieve eerlyke stelling niet! Overal en immer
loopt ze uit op \'n onomstootelyk vier van werkzaamheid, van streven,
stryden. Ons niet-weten, in-verband met den lust om wèl te weten,
en vooral met de behoefte aan weten, is de triumf der Mensheid. Juist
daarin ligt het verschil in aanzien tusschen ons en andere organismen
van de stof, dat wy geraken kunnen tot het besef van onze onkunde,
en dat wy die mogen en moeten bekampen in riddertournooien
van den geest.
Welken prikkel zou \'t hebben, onzen inzet neerteleggen op de
vakjes van \'t groote wereld-tableau, indien we daarop speelden n
coup sür?
Of beter — en dit bewyst alweer het niet-zyn, indien
iets anders ware dan \'t is — zou niet terstond dat geheele spel \'n
onmogelykheid worden zoodra de kansen vooruit bekend waren ?
Zou er iets te winnen vallen als ieder won? Werden niet allen
onmachtig door de sterkte van iedereen ? Allen dwaas, indien wys-
heid algemeen^ware ? Zouden niet allen arm zyn als rykdom het
deel van allen was ? Zou niet in die gevallen de gansche maatschap-
py op eenmaal stilstaan, gelyk dan aan \'t uurwerk waaraan de
veer of \'t gewicht ontbrak?
Neem eens de proef, lezer, met \'n huisroulètje. In alle beschaafde
landen kan men zoo \'n ding koopen. Ontsla u van dat vruchteloos
zoeken van onbekende kogels in de evenmin bekende slagtanden
van \'n onbekenden olifant, wees onverschillig omtrent het innemen
van Konstantinopel, en zet uw mise op \'n nummer, na in den draai-
schyf \'n gleuf gemaakt te hebben die \'t kogeltje dwingt altyd op
dat nummer terecht te komen. Of laat het maar eens-vooral liggen
op die plaats, en betaal uzelf slag op slag de winst. Zeer spoedig
zult ge ondervinden hoe \'n alles-weter er van binnen uitziet, en
weldra ontsnapt u de verzuchting: Sancta Morfondaria, geef me
m\'n onwetendheid terug!
Ik heb nog vergeten u te wyzen op de veronderstelde kas van
uw Bank, die tegen zoo\'n aanhoudend ebben niet bestand kan wezen.
Doch ook zonder dit bezwaar, al stond die kas onder speciale
bescherming van \'n zestienhonderd-twee-en-zeventigschen God van
Nederland *) het is den mens niet te-doen om winst alleen. Hy
*) Voor den waren Nederlander vereischt deze toespeling geen verkla-
ring. Daar echter myn Vlaamsehe lezers — m\'n groet! — tegenwoordig
\'n ander vaderland nebben, en daardoor misschien minder geschiedenis-
vast zyn in de wonderbare weikingen van hun gewezen nationaal-god,
worde ten hunnen behoeve hier aangeteekend dat er in genoemd jaar
\'n Nederlandsch wonder geschiedde. Een verlengde ebbe preludeerde
met goed succes, in-zake kustbewaking, op de torpedoos.
Liberale Vlamingen, gy die \'t roomsch klerikalisme bestrydt, meent
-ocr page 140-
136                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
wil die winst veroveren met moeite. Hy wil stryd. Hy wil hersens
en lenden breken . . .
Daar zyn we zoowaar weer aangeland by onze vriendinnen KIS-
SELEFF en BUDA!
Nu, als onwetendheid geluk geeft, dan zyn die prinsessen zalig.
Ik ben overtuigd dat ze in den droom zelfs er niet aan denken hoe
ik hier bezig ben \'n fatsoenlyk schryvers-honorarium te trekken van
de miae die ik inzette op haar onnoozelheid. Uit de vruchten van
haar gebroken lenden ga ik straks \'n zomerjasje koopen.
Dit is op-zichzelf \'n goede zaak, maar toch spyt het me dat die
beide speelsters me daar kwamen storen in den welgemeend ernsti-
gen toon dien ik \'n paar alineaas geleden aansloeg. Ook hierin
weten zij niet wat ze doen. Absolvo. Met gelyke zachtmoedigheid
vergeef ik den lezer dat hy \'t vreemd vond, iets als godsdienstige
verrukking te ontmoeten in \'t aanroeren van spelkansen. Al maak
ik geen onderscheid tusschen hoog en laag, toch herinner ik my
dat zoodanig verschil in de wereld wèl wordt in acht genomen, en
dat men daar gewoonlyk z\'n emfase bewaart voor van-den-dag-kwes-
tien, kerk, tragédie, aanbevelingen van Kamer-kandidaten, enz. My
bleef \'t altyd moeilyk, m\'n aandoeningen zoo nauwkeurig te schif-
ten. De »Heer" blaas\'t in myn gemoed waar hy wil, en soms blaast-i
in \'t geheel niet. Maar juist om die reden mag ik \'t geringste briesje
niet versmaden: misschien is \'t morgen bladstil. En daarom ook
preekte ik zoo innig — geen scherts, ik verzeker het u! — toen ik
aan \'t overpeinzen raakte van het schoone der feitelyke waarheid.
Opgetogenheid by \'t behandelen van zoo triviale zaken als ha-
zardspel, by zaken zoo dor als nummers en kansen, moge vreemd
schynen, ik verbind my de pen niet neerteleggen voor ik my over
die aandoening zal hebben verantwoord. De alles beheerschende
rede openbaart zich — gelyk overal! — op eerbiedwaardige wyze
in de waarschynlykheidsrekening.
toch niet dat de Protestanten, enz. Ik kan m\'n waarschuwing zonder
scha afbreken door \'n verwyzing naar idee 434.
-ocr page 141-
SIMPLE CHANCE!
De lezer ontsnapt daar aan \'n groot gevaar, en ik wensch hem
van-harte geluk. Ik stond in verzoeking dit hoofdstuk te beginnen
met den haatnerschen aanloop: wees gegroet, enkelvoudige kans!
Schoon en beminnelyk zyt gy onder alle kansen die de groene ta-
fel omgorden! Wees gegroet met uw serien en intermittences, met
uw tweeslagen en coupa do Irois! Wees gegroet . . .
Nu, men kan voorloopig gerust zyn. De lezer ziet dat ik hem
voor-als-nog de moeielyke taak uitwin, in verrukking te geraken
over \'n onderwerp dat hem al te eenvoudig toeschynt. Ik verwacht
nu dat hy uit dankbaarheid zes vakken op het tableau zal hebben
opgemerkt — en wel de grootsten — waarvan ik nog niets gezegd
heb. Ze munten boven alle andere deelen der spelteekening uit
in de heerlyke hoedanigheid van receptiviteit. Men kan er veel
geld op zetten.
En dit geschiedt dan ook. Het zyn de deftige simples chances,
de eenvoudigste voorstellingen van winst of verlies. De winnende
mise a ontvangt o. Als o verliest, is er \'n a verloren. Op die vak-
ken wordt de stryd gevoerd tusschen niet-zyn of dubbel-zyn, tusschen
objektief en subjektief, tusschen plus en minus, tusschen ja en neen.
Hier geen voorbedachtelyk ingewikkelde tegenstelling van \'t aantal
-ocr page 142-
138                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
kansen tegen \'t bedrag der mogelyke winst. Hier geen finesses om
\'t doorgaand verschil tusschen zes-en-dertig en zeven-en-dertig weg-
tegoochelen. Hier is eenvoud — de naam duidt het aan: — de
chance is simple.
Achttien roode nummers verkondigen de zegepraal van rouge.
Achttien zwarte roepen la noire tot imperator uit. *) De cyfers van
negentien tot zes en-dertig behooren met hun achttienen tot passé.
Wat beneden negentien is, heet manque.
Ook de onëvenen —■ de godenbehagende nummers — hebben
hun vakje. En de evenen!
Ach, niets is volmaakt! Met innige genoegdoening zie ik terug
op de ingetogenheid waarmee ik dit hoofdstuk begon. Hoe beschaamd
zou ik staan als ik me had overgegeven aan \'n al te hartelyk ver-
welkomen van de simple chance, ik die nu genoodzaakt ben te er-
kennen dat ook zy, de eenvoudige, de oprechte, de onopgesmukte,
mank gaat aan \'n euvel dat maar al te zeer. . .
De heele inkleeding van dit hoofdstuk, had bepaald geen ander
doel dan neer te gaan komen op het feit om \'t fraaie maar al te
\'n plaatsje te gaan bezorgen, omdat die uitdrukking zoo bepaald
mode is gaan worden dat ik onlangs iemand bepaald hoorde verzekeren
dat z\'n mama maar al te waar.. .was gaan herstellen van haar laatste
ziekte.
Misschien is \'t onnoozel van me die inwoekerende hebbelykheid
\'n paar ezelsooren optezetten, daar \'t z\'n voordeel hebben kan door
zulke stopwoorden op edelmoedige wyze herinnerd te worden aan
de onwaarde der denkbeelden waarmee ze getoond zyn, of... die
ze vervangen. Men houde my in dat geval m\'n misslag ten-goede.
Ik was wat driftig na \'t lezen van . . . van . . .
Dat doet er niet toe. \'t Is \'n feit dat de producent van stop-
woorden zoowel den verbruiker bedriegt, als deloyale konkurentie
pleegt ten-opzichte van anderen, die zich . . . éreinteeren om by be-
nadering \'t juiste woord te vinden voor hun indrukken, \'t Is dief-
stal, my de woorden aftenemen die ik noodig heb om exakt te
zyn, en ze te bederven door misbruik. Van de tien hedendaagsche
jongelieden is er ternauwer-nood één die, nog weet wat het woord
»bepalen" beteekent, en borger\'s schoone regel:
En \'t vorst\'lyk regtsgebied bepaalt!
is tot onzin geworden. De afschaffing van \'t courantenzegel — \'n
gewenschte zaak overigens — heeft er geen goed aan gedaan. Overal
dringt de schryfwys door van «onzen eigen korrespondent" in \'t
gehucht X, waar misschien iemand byna \'t ongeluk zou gehad hebben,
verdronken te zyn, als-i \'t «ongeluk" had gehad in \'t water te val-
*) Volgens één boekje dat voor me ligt — het bevat \'n système in-
faühbte
natuurlyk, en is voor \'n paar groschen te koop — zyn te
Homburg, de nummers 1, 3, 5, 7, 9, 12, 14, 16, 18, 19, 21, 23, 25,
27, 30. 32, 34 en 36 rood, de anderen zwart. Ik ineen dat dit te
Wiesbaden eenigszins anders verdeeld is. Ook geloof ik dat hier de
nummers \'n andere plaats innemen op de draaischyf. Dit doet niet
ter-zake, myn teekening is naar \'t Homburger boekje.
-ocr page 143-
SIMPLE CHANCE!                                             139
len. Laat ons hopen dat er altyd \'n sheer" in de buurt zou ge-
weest zyn: »die zich gekleed te-water begaf." Ik wou dat al die
schryvertjes, met of zonder kleeren dan, in de nattigheid lagen. . .
neen, zy niet! Maar de deftigen, de ernstigen, de lilt. hum. etc.
professores
die zich niet schamen zulk geschryf natebootsen, en
daarop \'t vcrraderlyk zegel te zetten van hun officieele waardigheid.
Nederlanders, voor zoover de stevigheid van uw bestaan als onaf-
hankelyk volk gekenschetst wordt door uw taal — van school-
meestery spreek ik niet! — door de wyze waarop ge meent denk-
beelden te mogen inkleeden, zeg ik u dat ge alle tegenwoordige
en toekomstige Bismarcken \'t werk uit de hand neemt. Er is geen
ziel in uw geschryf.
En de lezer raakt aan stoplappen zoo gewoon, dat-i te traag
wordt om . . . om . . .
Om nategaan, byv. wat de simple chance te maken heeft met de
niet gebeurde »ongelukken" van dien man te X.
Wel, \'t is om u te zeggen dat ook de enkelvoudige kansen —
achttien tegen achttien — \'t «ongeluk" hebben nu-en-dan in\'t water
te vallen. Daar is \'n zeven-en-dertiyste die de zes-en-dertig anderen
van tyd tot tyd meedogenloos «geheel gekleed" daarin dompelt.
Mocht ik liegen ... ik zei dat het niet waar was. Mocht ik hui-
chelen ... ik wendde iets anders voor. Mocht ik valsch getuigenis
geven ... nu ja, dan werd ik moderne dominee en zette m\'n ge-
moed, h cheval op God en wetenschap tegelyk.
Maar nu eenmaal geen dominee zynde, moet ik erkennen dat
ook de eerwaardige simple chance \'n vlekjen op haar karakter heeft.
Wel zondigt ze niet zoo grof tegen \'t evenwicht als al die andere
kansen, doch \'t is helaas maar al te waar. . .
Daar is \'t alweer! De lezer zal me, hoop ik, gaan dank wyten
voor \'t feit dat ik ga schryven naar z\'n smaak, zooals ik die ga
meenen optemerken op de modeplaten van den dag. Hy bedenke
dat ik me maar al te zeer toeleg op de kunst hem te gaan beha-
gen, op-straffe van daardoor maar al te zeer te gaan afleeren hoe
iemand die inderdaad iets te zeggen heeft zich van stopwoorden
onthoudt.
Nu, maar al-te, of niet al-te, waar is het, dat er \'n zeven-en-
dertigste kans bestaat: de zéro.
Laaghartige zéro! Dubbelnatuur, onnatuur, hermafrodiet, jusle-
milieu,
niemendal!
Ge zyt niet rood, niet zwart! Welke kleur draagt ge dan,
vreugdbederver, winstdief, verlieskweeker, systeemplaag, colonne-
termiet
?
Ge zyt niet passé, niet manque, niet pair, niet impair. Ge zyt
vervloekt. Gy zyt \'n satan, \'n heele . . . neen, \'n halve, en dus zelfs
als duivel niet volmaakt.
Want, in afwyking van z\'n vroegere meer radikale bestemming,
toen de zéro alle op de simples chances gezette mises aan de Bank
deed vervallen *) heelt de menslievende direktie — ze wist weer
") Dit is onjuist gezegd. Vroeger waren er op de roulet — en by
sommige speelbanken is dit, naar ik verneem, nog \'t geval — twee
-ocr page 144-
140                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
wat ze deed! — die vernietigende werking van de nul gehalveerd.
Wanneer de zéro uitkomt, beslist de daarop volgende zet of men
verliest dan wel: niet-wint. En de verdrietige onzekerheid tusschen
deze beide kansen kan men afkoopen voor de helft der mise, in
spelerstaal: partageeren.
Dit «partageeren" is, eenmaal de halve werking van den zéro
aangenomen zynde, korrekt, daar de door \'n nul getroffen inzet
juist tot op de helft der waarde herleid is. Aanvankelyk zag ik dit
anders in, omdat het blootstellen van \'n geldsom die niet winnen
kan
aan \'t gevaar der belasting welke voor de kans op winst be-
taald wordt, me nadeelig voorkwam. Door \'n mogelyken tweeden
zéro immers, zou de mise teruggebracht zyn tot een vierde-deel,
omdat er twee gunstige coups vereischt worden = 1/4 kans, om
haar tot \'n achtste der waarde, enz. Deze beschouwingen zyn wel
waar, doch onjuist. De mise wordt inderdaad door de nul tot de
helft gereduceerd, en de Bank veronderstelt dat die heltt door den
speler op den volgenden coup gezet is. Ze laat de haar behoorende
helft daarby staan om daarmee, als die coup den speler gunstig is,
haar verlies te betalen. De helft eener en prison geplaatste mise,
deelt dus eenvoudig in de algemeene kans van alle zetten op de
simples chances. Het spreekt overigens vanzelf dat de speler \'t recht
heeft de plaats te kiezen waar z\'n geld de hechtenis ondergaat.
Hy mag \'t van rood op zwart, van zwart op manque, van passé
op pair schuiven, enz.
De slotsom is dat éénmaal in de zeven-en-dertig coups, de helft
der inzetten op enkelvoudige kansen, aan de Bank vervalt, d. i. \'ƒ741
°f l i3ki procent van alles wat op de simples chances gezet wordt. *)
In-weerwil van \'t groot verschil tusschen deze belasting, en die
zéroos, waarvan de ééne voor zwart, even en passé gold, de ander
voor het tegenovergestelde. Hierdoor werd de kans op \'t nummerspel
ten voordeele van de bank = 10 : 9, en veel nadeeliger alzoo voor
den speler, dan thans, nu ze 69 : 18 staat. Op de simples chances
werkten die nullen in \'t schoonste geval: behoudend, di. i. men verloor
niet als de goede uitkwam. De ander militeerde natuurlyk voor de Bank.
Die dubbele nul maakte het spel op de simples chances juist even na-
deelig voor den speler als thans de enkele zéro op de nummers werkt.
Tegen achttien winnende zetten, gingen er negentien verloren.
*) Uit de couranten heb ik vernomen dat men te Homburg gedu-
rende eenigen tyd de werking van den zéro op de simples chances, tot
een-vierde verlaagd heeft. Hoe men \'t inlichtte om dit doel te bereiken
weet ik niet, doch \'t kwam neer op m\'n belasting van (/148 = 25/37
procent van alles wat in groote vakken gezet werd. Het verwonderd
me dat dit wéér veranderd is, daar de Bank naar myn inzien geen
schade kan geleden hebben by die edelmoedigheid. Misschien ligt er
zekere fynheid in \'t herstellen van de vorige bepaling, om niet op \'t
denkbeeld te brengen dat zy des-noods de zéro wel geheel en al missen
kan. De grondslag van haar winst ligt op \'n heel ander terrein, en zoo-
dra dit aan ieder duidelyk werd, zou \'t met de gansche inrichting ge-
daan zyn. Men wil de Schlungelhansen niet te wys maken. Lieve hemel,
dat gevaar is nog zoo groot niet.
-ocr page 145-
SIMPLE CHANCE!                                             141
welke op nummerzetten geheven wordt, worden deze groote vak-
ken op de roulet niet zeer druk bespeeld. De ware speler die \'t
zetten op nummers versmaadt — «omdat men hun loop niet be-
rekenen kan" hoort men dikwyls zeggen — zoekt z\'n simple chanse
op \'n andere tafel, in \'n ander spel, in de trente-el-quarante. Dit
spel staat tot de roulet als \'n frak tot \'n boezelaar, als \'n heer tot
\'n burgerjuffer, als \'n beursman tot \'n huishoudster. Geen gravin-
nen of prinsessen zyn in-staat de minachting te wyzigen die \'n
rechtgeaard simple-chance-spe\\er voor dat »domme wedden op \'n
ivoren balletje" bezielt. Straks zullen wy eenigszins kunnen beoor-
deelen of deze minachting gegrond is, en zoo ja, of ze hèm fraai
staat, hem den frak- en beursman, den ernstigen »spekulant." Als
zoodanig namelyk beschouwt zich de ware speler.
Het trente-et-quarante, is \'n spel, schitterend van eenvoud. Niet
alleen heeft men hier slechts de keus tusschen twee kansen — rood
of zwart — maar ook het toepassen der weddenschap daarop is
maar op twee manieren mogelyk. Men zet z\'n geld op rouge of op
noir dan wel op couleur of inverse. Dit is alles. Het plaatsen van
\'n mise op de lyn die zwart of rood van couleur of inverse scheidt,
heeft geen andere beteekenis dan dat men de beide helften van z\'n
geld op ieder der naastliggende kansen plaatst. *) De zaak wordt
er niet ingewikkelder door. Ziehier het tableau.
\') Dit is iets minder onzinnig dan \'t spelen a cheval op twee num-
mers. Wie dit laatste doet, wedt op minstens één onmogelykheid,[daai-
-ocr page 146-
142                                      MILLIOENEN-STUDIEN.
De door my met R en N gemerkte vakken stellen rood en zwart
voor. De letters I en C beduiden de onderling wedyverende kansen
op inverse en couleur. De gestipte lynen beteekenen de plek waar
de mises en prison geplaatst worden die ten-gevolge van \'n
refait — iets als tegenhanger van den zéro op de roulet — de
beslissing over haar lot van \'n volgenden zet moeten afwachten,
d. i. of ze niet-winnen dan wel verloren zyn. Kans op winst hebben
ze na zoo\'n refait niet.
De wyze waarop de uitslag der coups wordt bepaald, is als volgt:
Een der croupiers heeft \'n pak van zes spellen kaarten voor zich
liggen. Deze worden ten-aanschouwe der galerie dooreengemengd,
waarna door een der leden van \'t publiek, daartoe uitgenoodigd,
de coupe gedaan of «afgenomen" wordt, zoodat die 6X 52 = 312
kaarten geplaatst zyn in \'n volgorde die aan niemand kan bekend
zyn.
\'t Spreekt vanzelf dat ik hier \'n uitzondering maak voor clair-
voyante somnambules. Toch zy \'t me by deze gelegenheid vergund
die dames plechtig aantebevelen in de algemeene bewondering.
Elk ander dan zy, \'t vermogen bezittende met de oogen van den
geest acht, tien of twaalf centimeters karton te doorboren, zou waar-
schynlyk die gaaf misbruiken om alle banken van de wereld te doen
springen, d. i. uitteroeien. De moraliteit... weg daarmee! We spreken
nu van geld alleen, en daarom zeg ik dat aan elke helderziende
die niet schatryk is — er zyn er zoo! — \'n plaats onder de engelen
toekomt. Toen Göthe verzekerde dat nur Lumpen bescheiden waren,
heeft-i de clairvoyantes over \'t hoofd gezien. Dit begryp ik met
myn clairvoyance.
Maar . . . Publiek en helderzien zyn twee verschillende zaken.
Men ziet nu eenmaal niet door die met den rug naarboven gekeerde
kaarten heen en weet niet hoe ze op elkaar volgen. Mocht misschien
\'n onïngewyde hier denken aan de mogelykheid van valsch spel,
dan antwoord ik hierop voorloopig dat hy blyk geeft... \'n onïngewy-
de te zyn. Hy oordeelt naar de indrukken van de profane wereld diehy
misschien kent . . . maar de speelbanken kent hy niet. Valsheid
is overal elders mogelyk, denkbaar, waarschynlyk misschien, maar
de Bank is \'n tempel van integriteit. Nergens ter-wereld vertoont
zich wat ik nu gemakshalve lotsbeschikking noem, zoo zuiver, zoo
ongeschonden — of wil men liever: zoo ongekorrigeerd — als aan
publieke speeltafels. Indien de goede trouw met schimp en smaad
uit de harten der mensen ware verdreven, de stumpert zou am
grünen Tisch
te Homburg en Wiesbaden haar laatste, maar zekere,
toevlucht vinden. Ze wordt daar als nergens elders geacht, geëerd,
\'t veiscliynen van een nummer alle anderen uitsluit. By den a-cheval-
zet op de trente-et-quaranle kan men beide helften van z\'n mise win-
nen, omdat rood en zwart niet met couleur en inverse konkuireeren.
Deze kansen zyn onafhankelyk van elkander.
Dit belet evenwel niet dat ook zulke wyze van spelen de kans op
verlies verhoogt, omdat de helft van de coups niet geldt, waardoor de
speler grooter bedrag aan de belasting blootstelt dan z\'n uitzicht op
winst waard is, of liever dan hy daarvoor volstrekt storten moet.
-ocr page 147-
SIMPLE CHANCE !
143
ontzien, geëerbiedigd, gehoorzaamd. En dit moet wel! Ze heeft daar
rang van twee maal twee. Ze is daar \'n tyrannieke majestueuze
noodzakèlykheid. Schelmen, dieven, spekulanten, aktie-opdringers,
staatsleening-uitschryvers ... zet \'n speelbank op, en wordt eer-
lyk! \')
Gelykvloers weer:
De croupier neemt van die kaarten \'n pakjen in de hand, en
keert een-voor-een \'n kaart om, die hy voor zich op de tafel legt.
Hy telt de points, waarby de aas voor één gerekend wordt en de
beelden voor tien. Zoodra de rei kaarten meer dan dertig punten
bevat, begint hy \'n tweede rei te leggen, waarvan de points op
gelyke wys geteld worden. Indien de eerste rei het laagste point
heeft, wint de zwarte kleur. In \'t omgekeerd geval, rood. De be-
slissing tusschen couleur en inverse hangt af van de kleur der eerst
gekeerde kaart in-verband met den uitslag van de points. Indien
rood wint en de eerste kaart van den coup diezelfde kleur draagt,
telt de slag voor couleur. Inverse beduidt het omgekeerde. Het aan-
tal punten der beide reien wordt slechts naar de eenheden boven
de dertig genoemd: un, deus, trois, enz. tot neuf toe. Veertig, het
maximum, heet quarante. Indien het aantal punten der beide reien
gelyk is — met uitzondering van de refait — is de coup nul. Er
is dan niets geschied, en ieder kan over z\'n inzet beschikken.
Daar de zes spellen kaarten tezamen 2040 points bevatten, zyn
ze gewoonlyk in 25, 26, 27 of 28 coups uitgeput. Deze groep heet
taille. Na \'t afloopen van \'n taille worden de kaarten op-nieuw ge-
mengd en door dezen of genen uit de galerie — het Publiek —-
gecoupeerd.
Als refait werd oorspronkelyk gerekend: het samentreffen van
un en un. Tegelykertyd met het halveren van den zéro op de rou-
\') Noot van 187-2. Het zwendelaartje tiiiers heeft, naar ik uit de
couranten verneem, zich ten sterkste tegen de weder-invoering der
speelbanken in Frankryk verklaard. Dit is geheel in z\'n rol, en stemt
volkomen overeen met z\'n tegenwerking der gratuite aflossing van de
oorlogsschuld, waarop door zooveel welmeenende patriotten was aange-
drongen. Valsche spelers houden meer van staalsleeningen mei premien,
zeer voordeelig voor wie zelf kaarten uitzoekt en rangschikt. Het be-
hoeft" immers geen betoog dat thiers den nieuwen emprunt kan laten
ryzen en dalen naar verkiezing ? Et la pauvre France de payer!
Dat de jongste Fransche Leening zoo «goed geslaagd" is noem ik
\'n treurig verschynsel. \'t Bewyst namelyk:
dat het slecht geschapen staat met produktieve industrie.
dat de voorwaarden waarop ze werd uitgeschreven, onéreux zyn
voor Frankryk, en alzoo onbeschaiimd-voordeelig voor dien THIERS en
konsorten. Zy weten zoo goed als iemand dat die Leening nooit zal
worden afgelost, omdat het geheele stelsel van Staatskrediet op \'t in-
vallen staat. Doch dit is voor die heeren de vraag niet. Lang vóór de
krisis die heel Europa dreigt, hebben zy hun papieren met eigenge-
maakte agio van de hand gezet. Tegen den tyd der algemeene Euro-
pesche Staatsbankroeten — die toch eens komen moet! — dragen de
kleine renteniertjes den last. Alzoo: leven de eerlyke Speelbanken!
-ocr page 148-
MILLIOENEN-STUDIEN.
144
let, is ook deze belasting met de helft verminderd. Slechts wanneer
de laatste kaart zwart is, wordt dat un en un als van werking
beschouwd. Laat ons zien hoeveel dit bedraagt.
Ik geef de nu volgende berekening niet als wiskunstig juist. Het
nagaan der mogelykheden waarop die 312 kaarten op elkaar kun-
nen volgen, en op hoeveel wyzen alzoo de daardoor voorgestelde
2040 punten kunnen verdeeld zyn, zou me verder leiden dan noo-
dig is. Voor \'t tegenwoordig doel is \'t voldoende my te bepalen
tot de beschouwing der laatste kaart van elke rei, en van den in-
vloed dien zé op het sluiten daarvan uitoefent.
Die laatste kaart wordt:
voor één
geteld .
. . 24
keeren,
» twee
»
. . 24
»
» drie
»
. . 24
»
» vier
»
. . 24
»
» vyf
»
. . 24
»
» zes
»
. 24
»
» zeven
»
. . 24
»
» acht
»
. . 24
»
» negen
»
. . 24
»
» tien
»
. . 96
0
De kans dat \'n rei met \'n kaart van tien punten sluit, is alzoo
hooger dan dat ze met een der andere kaarten eindigt, die ove-
rigens met elkander gelyk in kans schynen te staan.
Ook dit is evenwel zoo niet. De aas kan alleen de reien sluiten
die reeds dertig punten bedroegen. De twee maakt slechts \'n eind
aan de rei als er negen-en-twintig of dertig punten op de tafel
lagen. De drie heeft acht-en-twintig, neg en-en-twintig of dertig noo-
dig voor ze als slotkaart dienen kan. De tien maakt \'n eind aan
elke rei die voor \'t neerleggen der laatste kaart meer dan twintig
punten bedroeg. Hieruit vloeit voort dat de hoogste slotkaarten
het meest kans hebben \'n laag point voorttebrengen, anders ge-
zegd: dat de kans van het point in verhouding staat tot de fre-
kwentie der kaarten die \'n rei kunnen sluiten.
Stellen wy dat ééne rei die op dertig stond, werd gesloten door
\'n aas. Daar nu \'n twee het dubbel getal der reien sluiten kan
door \'t point op een-en-dertig of twee-en-dertig te brengen, brengt
deze slotkaart twee kansen voor un, tegen slechts ééne op deux
mede. Aldus voortredeneerende komen we tot het volgend rezultaat:
un is mogelyk by alle slotkaarten, en komt
dus voor..........................13 maal
deux,         mogelyk by alle slotk. min één........12 »
trois,                »          » » » » twee.......11 »
quatre,              »          » » » » drie........10 »
cinq,                 »          » » » » vier........ 9 »
six,                   »         i> » » » vyf........ 8 »
sept,                 »         » » » » zes......... 7 »
huit,                 »         » » » » zeven....... 6 »
neuf,                »         » » » » acht........ 5 »
guarante, alleen mogelyk by \'n slotkaart van tien
punten....................... 1 »
aantal mogelykheden der slotkaarten.........82.
-ocr page 149-
SIMPLE CHANCE!                                       145
De frekwentie van un wordt alzoo uitgedrukt door de breuk
13/»2 , en de kans op twee un\'s achter elkaar met \'3"\'S;2 = 16!\'/i!-24-
Daar nu de refait slechts geldt als de laatste kaart rood is, be-
draagt de doorgaande belasting op alle sommen die men op de
trente-el-quaranle-takl neerlegt, ,69/i 34411, of nagenoeg 11/4 procent
hetwelk met den cyns op de simples chanccs der roulet geen noe-
menswaardig verschil maakt. Daar betaalt men 1/T4, en hier llllt
van z\'n geld.
MILLIOENEN-STUDIEN                                                                  IO
-ocr page 150-
SYSTEMEN.
De belasting of het administratieloon alzoo dat er dooreengenomen,
wordt geheven van al het geld dat er op de trente et quarante
gezet wordt, is 1*/4 procent. Wat beweegt het publiek dien cyns
te betalen? De weelde van de salons trekt \'n speler niet aan. De
schoone wandelingen in den omtrek zyn hem onverschillig. De mu-
ziekuitvoeringen, twee keeren daags, laten hem koud. De jacht die
de Kurhaus-administratie ten-behoeve der bezoekers gepacht heeft,
is z\'n zaak niet. Doch al ware dit anders, wat beweegt nem \'t zyne
bytedragen tot de bekostiging van dit alles — om nu nog niet te
spreken van de hoofdzaak: de dividenden! — daar niets hem nood-
zaakt zyn aandeel in de uitgaven van de Bank te betalen ? De tou-
rist immers die niet speelt, geniet kosteloos alles wat de badplaats
oplevert. Het is dus hier wel \'n zeer eigenaardig verschynsel, zonder
den minsten dwang groote sommen te zien by-een brengen ten-be-
hoeve van anderen die zich aan die kontributie weten te onttrek-
-ocr page 151-
SYSTEMEN.
147
"ken. Ieder toch meet dat er van al \'t geld dat op de groene tatel
wordt neergelegd, \'n zeker gedeelte aan de Bank vervalt. Welke
reden heeft nu de speler om te meenen dat zyn inzet aan die al-
gemeene wet zou onttrokken zyn ? Men betaalt de fatale 1 \'/4 pro-
cent slechts inzooverre voor z\'n vermaak, als er kans op winst be-
staat. De meest verblinde speler immers zou genezen zyn van z\'n
neiging, zoodra het uitgemaakt ware dat steeds de kleur uitkwam
waarop hy niet gezet had? En meer nog. Het vermaak zou zelfs
ophouden indien men zich niet voorstelde meer kans op winst te
hebben dan op verlies. Niemand zou zich vermaken door om-en-om
gelyke som te verliezen en te winnen, en alzoo op dezelfde hoogte
te blyven. De prikkel ligt niet in \'t spel zelf maar in den stryd
tegen het lot, en die stryd zou weinig aantrekkelyks opleveren als
men zich niet de overwinning voorspiegelde. Ieder die \'n geldstuk
neerlegt, moet meenen dat de kans grooter is het door winst ver-
dubbeld dan door verlies verloren te zien.
Waarop grondt zich die hoop?
Op \'t een of ander systeem.
Ieder weet wel dat alle spelers lezaamgenomen verliezen, doch
•dringt zich op dat juist hy \'t middel gevonden heeft heenteslippen
door de mazen van \'t net dat de Bank met logische onbarmhartig-
heid ophaalt. Systemen dus!
De beschouwing van die systemen levert stof tot zonderlinge op-
merkingen. De lezer die de speelwereld niet kent, en door de vorige
hoofdstukken eenigszins op exakte cyferverhoudingen is voorbereid,
zal verbaasd staan als ik hem verzeker dat cyfers in verreweg de
meeste systemen maar \'n zeer ondergeschikte rol spelen. Hier, gelyk
elders, nemen duizenderlei morfondarien \'n onbescheiden plaats in.
Rekenen, eenvoudig rekenen, is by de meeste spelers byzaak. Men
is daartoe te dom, te onontwikkeld of ... te traag. Het gehoor-
geven aan \'n droom, het letten op voorteekenen, het steunen op
\'n gebed, op zekere verstandhouding met de H. Maagd, op de
kracht van \'n reliek ... dit alles kost minder inspanning dan \'t
logisch voortredeneeren op den onwrikbaren grondslag myner
gnoompjes, dat 2 X 2 = 4 is.
Hebben wy, lettende op heel andere zaken dan \'t onnoozel spel,
het recht ons hierover te verwonderen ? Waarschynlyk niet. En ook
zonder nu juist te doelen op de ziekelykheid die Bygeloof heet
zoolang ze individueel is, en «Geloof" genoemd wordt zoodra ze door
wat aanhang en \'n plaatsjen op \'t budget wordt gestempeld tot
iets officieels, is \'t zeer opmerkelyk hoe mannen die op \'n hoog
wetenschappelyk standpunt behoorden te staan, zich schuldig ma-
ken aan even groote verstandskettery als de onnoozelste speler.
Men verhaalde my onlangs dat \'n oude dame zich de gunstige
nummers van de roulet liet aanwyzen door \'n . .. kruisspin. Dom!
Maar wat te zeggen van EDGAR QUINET, \'n Hoogleeraar in de na-
tuurlyke wysbegeerte,
die in z\'n Traite des Probabilités z\'n heul
zoekt in empirische proeven ? Om eenig inzicht te verkrygen in de
frekwentie en uitgebreidheid der serien by simple chance, liet die
geleerde \'n vaas vullen met \'n aantal balletjes van tweeërlei kleur,
•en meende iets verkondigd te hebben toen-i den uitslag meedeelde
-ocr page 152-
I48                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
over de volgorde van \'n paarhonderd coups zooals die door \'t suc-
cessivelyk uithalen der kogeltjes werd aangewezen. Zeer veel hoo-
ger in denkkracht dan die dame met haar kruisspin staat alzoo
professor QUINET niet ") en met het oog op \'t standpunt dat hy
behoorde intenemen, stel ik hem zelfs daar beneden. Ik veront-
schuldig nog eer dat men — eenmaal het denkvermogen als door
bygeloof verzwakt aannemende — «onder opzien tot hooger invloed"
verband zoekt tusschen de beweging van \'n insekt en de nummers
die morgen zullen voorheerschen op de roulet, dan dat iemand
van wetenschappelyke ontwikkeling behoefte voelt aan empirie in
zaken die toch zoo gemakkelyk a priori kunnen worden vastge-
steld. De zeer eenvoudige theorie omtrent die serien zullen we straks
onder de oogen krygen. Ze spelen in de spekulatien op de simpie
chance
\'n groote rol. En dit spreekt vanzelf. Indien men er, byv.
op rekenen kon dat zekere kleur slechts vier keeren achter elk-
ander zou uitkomen, behoefde men slechts successivelyk i, 2, 4,
8, 16 eenheden daarte\'gen te zetten, om altyd door, minstens één
keer in de vyf coups \'n eenheid te winnen.
«Welnu, zegt de optimist, op z\'n ergst geef ik vyf zetten toe aan de
kwade kans, en win m\'n eenheid met \'n mise van 32 op den zesden."
Zeer wel. Maar als ook die zesde zet tegenslaat ?
«Dan waag ik 64 op den zevenden."
En als die zevende hardnekkig weigert u al de vorige misespZus
één terug te geven?
«Dit zou vreemd zyn! Maar als \'t geschiedde.. . dan, ja dan zou
ik toch met gerustheid 128 eenheden wagen."
") Noot van 1872. Ik beveel hem dus ten-zeerste aan in de attentie
van Kamerleden, debattisten en hoofdartikelschryvers. Ter afwisseling,
na \'t uitputten der wyshedens van stuart mill en andere vreemde
grootheden die in de mode zyn, is \'n wel te-pas gebracht: »edgar quinet
zegt" niet te versmaden als vulsel, elfektfraze of voorbereiding tot neus-
snuiten en suikerwater. Het kleedt heel aardig.
Men make uit uitvallen als deze nu juist niet op, dat ik byv. stuart
miia laag stel. Ik ken den man niet, en ben wel genoodzaakt in deze
onkunde te volharden, omdat de taak die steeds te wachten ligt op be-
arbeiding door m\'n eigen denkvermogen, me lust noch tyd overlaat
om school te gaan by \'n vreemde celebriteit . . . celeher gewoonlyk
alleen omdat ie vreemd is. Ik ben dan ook zoo vry daaraan niet de
minste behoefte te voelen, en wensch stuaut mill en konsorten van-
harte toe dat ze myn denkbeelden zoo goed kunnen missen als ik tot-
nog-toe de hunne.
«Güthe zegt . . . mac aulay beweert . . . prescott verzekert . . .
PAULUS betuigt . . . HABAKUK . . .
Ja, wat zegt habakuk?
Ik weet het waarachtig niet. In-plaats daarvan echter weet ik wat
CAMBronne ... zou gezegd hebben, en met den oncitablen uitroep van
dezen dapperen generaal, besluit ik dit nootje. Ach, lezer, doe toch
de N. Rott. Courant — en veel andere publieke-opinieleiders — \'n
plezier en sla \'t over! Waarachtig, zulke opmerkingen zijn lastig toor
hoofdartikelschryvers en kamerspeeehers I Waar bleven de armen van.
geeste zonder hun stuart mill\'s, e. d?
-ocr page 153-
149
SYSTEMEN.
Aldus redeneert de speler van martingales, die eigenlyk juist
daardoor blyk geeft geen speler te zyn. In de oogen van den wa-
ren habituê maakt hy zich schuldig aan de fout de courir après
son argent.
Deze vage uitdrukking beduidt: het hoog zetten om
vorige verliezen te dekken. »De martingalist waagt veel om weinig
te winnen. Men behoort integendeel weinig te wagen met de kans
om véél te winnen. Il faut jouer avec V\'argent de la Banque."
Zoo
luiden de praatjes waarmee de ware speler zyn methode meent
te kwalificeeren. Instede van te verhoogen na verlies, laat hy z\'n
inzet staan als die gewonnen heeft en dus verdubbeld is. Deze manier
heet paroli. Juist omgekeerd als by den spekulant op martingales,
die by eiken winnenden zet één eenheid profiteert met de fatale
kans eindelyk al de gewonnen eenheden op éénmaal te verliezen,
hoopt de parolist ééns door \'n lange serie die de winst hoog doet
oploopen, al de uitgeschoten eenheden met voordeel terugtekrygen.
Het spreekt vanzelf dat het voor den speler van belang wezen
zou met juistheid te weten door welke wet die serien worden be-
heerscht. Dit zou voor den martingalist niet noodig zyn indien hy
over oneindig kapitaal te beschikken had, en tevens niet gebonden
ware aan het door de Bank vastgesteld maximum. Beginnende met
het minimum der mise, d. i. twee gulden *) zou hy, zeker wetende
dat hy ten-laatste toch ééns winnen moet, kunnen voortgaan met
verdubbelen. Daar nu evenwel z\'n kapitaal niet oneindig en ook
het bedrag van \'n zet door het reglement begrensd is, moet hy
weten of er kans bestaat dat de telkens noodige winnende zet altyd
binnen die grenzen vallen zal ? Dewyl nu \'t maximum van de mise
op vierduizend gulden is bepaald, en de dertiende term van de ge-
ometrische reeks der verdubbelde zetten reeds meer dan achtduizend
bedraagt, moet hy zich de vraag voorleggen of hy zeker is nooit
meer dan twaalt keeren achter elkaar te verliezen? * *)
*) Namelyk op de trente-et-guaranle. Het minimum op de roulette
is lager. Doch ik verneem Jat dit soms verandert.
* *) Te Homburg schynt het maximum op 12000 franken bepaald.
Dit geeft den martingalist slechts gelegenheid om z\'n geometrische op-
klimming één term verder voorttezetten, en verandert dus niets aan
de slotsom van m\'n redeneering. En zelfs by nóg hooger maximum
blyft de konklusie \'tzelfde. Hoe weinig vrees deze manier van spelen
de Bank inboezemt, blyke uit het volgend berichtje dat ik dezer dagen
in den Rheinischen Kurier vond:
Homburg, 12 Sept. 1872. Seit einigen Tagen halt hier ein schon
seit mehreren Jahren dahier bekannter g rosser Spieier Namens V.
Buceja von Malta, die Bank sotvie das ganze Badepublikum in gros-
ser Spannung. Bei seiner Ankunft legte er sofort eine halbe Million
in Tausend-Francs-Billets vor sich auf den Spieltisch hin und ver-
folgte sein hohes Spiel mit so anhaltendem Olücke, dass er bisjetzt
bereits über
400.000 Frcs. gewonnen hul. Doch geht das die allgemeine
Aufmerksamkeit fesselnde Spiel unausgesetzt in hohen Progressionen
tveiter, da ihm die Bank ausnahmsweise das Maximum von
12.000
auf 20.000 Francs erhóht hat und wird wol auch nur mit einem
Bankbruch eines der beiden kampfenden Theile endigen.
-ocr page 154-
150                                        MILLIOENEN-STUDIEN.
Ik liet me zoo-even, toen ik het zeven keer achtereen verliezen
als mogelijk stelde, antwoorden : »dat zou vreemd zyn \'." En hier-
mee schetste ik allernauwkeurigst de oppervlakkigheid waarmee de
meeste spelers de arithmetische verhouding der kansen bcoordee-
len. Er is hier namelyk niet de minste spraak van «vreemd" of
«niet vreemd." De Natuur is cxakt en geeft haar sericn juist zoo
dikwyls als tot behoud van de meest stipte symmetrie noodig is.
Over het geheel genomen zal de martingalist juist zooveel keeren
stuiten op het fatale maximum als noodig is om hem de gewonnen
eenheden te doen verliezen. Treft hem die tegenspoed vóór hy dat
bedrag van gewonnen zetten naar zich toe streek, dan verliest hy \'t ver-
schil. Blyft de nadeeligc serie iets langer uit, dan kan hy zich eenige
oogenblikken — of al waren \'t dagen — verheugen in voorloopigc
winst. Dat evenwel in dit geval ten-slotte de likwideerende tegen-
spoed komen zal, is zeker. En waarschynlyk wordt het eenigszins
langer uitblyven weder opgewogen door \'n evenredig snellere her-
haling. Het verschynen of uitblyven der serien is evenzeer onder-
worpen aan de wet der Noodzakelykheid, als van de simple chance
op rood of zwart zelf, al schyne clan ook het betoog dezer waar-
heid eenigszins meer ingewikkeld. Ieder ziet in dat \'n oneindig aan-
tal coup* verdeeld moet zyn in "," roode en ~r zwarte zetten. Om nu
niet te vervallen in te spitsvondige verwikkeling die men zou kun-
nen te-voorschyn roepen door \'t goochelen van den mystieken zin
van \'t woord «oneindig" bepaal ik me, by \'t kiezen van \'n voor-
beeld, liever tot \'n zeer groot aantal zetten. En om bovendien te
voorkomen dat men aanmerking make op de betrekkelykheid van
de uitdrukking »zeer groot" kies ik \'n benoemd getal. By de rede-
Men ziet dat de Bank het maximum gerust durft verhoogen. Het
schynbaar hooge maximum van 10.000 gl. levert nog niet één term
boven de gewone 6000.
De uitdrukking »bankeroet" in dit berichtje kan slechts gelden voor
den speler. De Bank heeft vele millioenen in kas. Dat zoogenaamd
«springen" beteekent slechts dat de op een der tafels uitgestalde som
van drie- of vierhonderdduizend franken is uitgeput. In zoo\'n geval
wordt het spel aan die eene tafel eenige minuten gestaakt. Men haalt
eenvoudig \'n nieuw inlegkapitaal uit de hoofdkas en de zaak gaat op-
nieuw haar gang als vroeger.
De verbazing van den berichtgever uit Homburg over \'t winnen van
die 400.000 franken is ongegrond. Zoo\'n winst is zeer gering voor
iemand die over méér dan die som beschikt en daarmee alzoo z\'n ka-
pitaal nog niet eens verdubbelt. Die Mr. B. uit Malta zou slechts twintig
maxima gewonnen hebben, iets dat zeer dikwijls geschiedt, en wel
door spelers die de Bank aantastten met \'n kapitaaltje dat niet eens
zoo\'n maximum bedroeg.
Het is zonderling dat de lieden die zich zoo naby \'t spel ophouden
en daarover hun opmerkingen meedeelen, zoo weinig van de verhou-
dingen weten. Dat publiek-voorlichtend krantenberichtje is weer heel
onnoozel.
-ocr page 155-
SYSTEMEN.                                            I 51
neering die nu volgt, stel ik voor, de speelmethodcn te toetsen aan
de kansen die door 2.097.152 zetten worden opgeleverd. Met dit
cyfer zou zelfs KISSELEFF tevreden zyn, dunkt me. Even zeker als
rood en zwart daarin 1.048.576 keeren moeten verschynen, zal \'t
slechts een kleine opheldering behoeven om aantetoonen dat ook
de serien daarin, schynbaar onregelmatig maar niettemin in vry
juist aftebakene frekwentie, moeten voorkomen. En zelfs dit schyn-
baar gebrek aan regelmaat is terugtebrengen tot zekeren norm van
afwyking, die alweer over \'t geheel genomen zich oplost in sym-
metrie.
Wie 2.097.152 zetten spelen zal, moet beginnen met één zet. Die
eene zet is \'n winner of \'n verliezer. We noteeren dit met W en V.
Indien de eerste zet W was, kan d;iarop \'n W of \'n V gevolgd zyn.
Ditzelfde kan plaats hebben indien het spel met \'n V begonnen is.
De notatie staat alzoo, na den tweeden zet, aldus:
w of y of w of y
De derde zet brengt  het getal der  gelyke aanspraak hebbende
mogelykheden op acht:
W            ,          W            ,         V            e          V
w          of           V          of         W          0f          V
W of V             W of V             W of V             W of V
Vier zetten bieden zestien mogelykheden aan:
WWWW           V           VV           V
wwvvwwvv
wvwvw
         vwv
W of V W of V W of V W of V W of V W of V W of V W of V
Er blykt hieruit dat de frekwentie der serien van winst of ver-
lies geometrisch afneemt, naarmate de uitgebreidheid der serie arith-
nieliscli
klimt. Men heeft \'/,,; kans om vier keeren achter elkaar te
winnen, 1/s kans om drie keer te winnen, 1/4 kans om twee keer
te winnen, \'/j kans om ééns te winnen. Deze berekening voortzet-
tende, blykt er dat men in \'t aangenomen getal zetten, achteréén
winnen of verliezen zal:
ééns....................  524,288 keeren
twee keer...............  262,144      •
drie           »...............   131,072      »
vier           » ...............    65,536      »
vyf            » ...............    32,768      »
zes             » ...............     16,384      »
zeven        » ...............      8,192      »
acht          » ...............      4>o96      »
negen        » ...............      2,048      »
tien           » ...............      1,024      B
elf             » . . . <■...........         512      »
twaalf       » ...............         256      »
dertien      » ...............         128      »
veertien    » ...............           64      »
vyftien      » . ........•.....           32      »
-ocr page 156-
152                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
zestien keer..............          16 keeren
zeventien » ..............            8 »
achttien » ..............            4 »
negentien » ..............            2 »
twintig         » ..............            1 »
Al deze serien — met de dusgenaamde intermittences, waarby
men slechts één keer wint of verliest — bedragen:
de  intermittences.............524,288 zetten.
de  coups de deux.............524,288     »
de  coups de trois.............393,216     »
de  serien van vier............262,144     »
»       » » vyf............163,840     »
»       » » zes............. 98,304     »
»       » » zeven........... 57>344     •
»       » » acht............ 32,768     »
»       » » negen........... \'8,432     »
»        » » tien............ 10,240      »
»       » i> elf............. 5>632     »
»       » » tivaalf........... 3>o72     »
»       » » dertien.......... 1,664     »
»       i> » veertien.......... 896     »
»       » » vyftien.......... 480     »
»       » >) zestien........... 256     »
»       » » zeventien......... 136     »
»       » » achttien.......... 72     »
»       » » negentien......... 38     »
»       » » twintig.......... 20     »
totaal 2,097,130 zetten.
Er blyven alzoo op dit schema, 22 zetten ongeplaatst, dat is —
en deze verhouding is konstant — twee zetten meer dan de ver-
moedelyk-hoogste serie. De kans dat deze 22 zetten met elkander
één serie van twee-en-lwintig winners of verliezers uitmaken, is zóó
gering dat men haar in de praktyk als onmogelyk stellen mag.
De waarschynlykheid brengt mede dat zy elf intermittences leveren,
en vyf of zes keeren \'n inlermillence maken tot \'n coup de deux.
Twee
of drie keer verhoogen zy \'n coup de deux tot \'n drieslag,
enz. *). We zouden dan, om by benadering de schets der samen-
stelling van onze 2.097.152 zetten te kompleteeren, kunnen aanne-
men dat daarin voorkomen:
\') Deze berekening is gegrond op de relatieve frekwentie van de se-
rien. Elk der niet-geplaatste 22 coups heeft evenveel kans \'n intermit-
teerende coup te zyn, als tot een der serien te behooren die te-zamen
zoo frekwent zyn als de intermittences alleen. Dit is in gelyke verhou-
ding van toepassing op de tweeslagen, drieslagen, serien van vier, enz.
Volkomen juistheid evenwel is hierin even overbodig als lastig. Ze zou
zonder nut den gang der redeneering belemmeren. Ik bepaal my alzoo
tot het noodzakelyke.
-ocr page 157-
SYSTEMEN.
153
524,299 intermittences,
262,149 C0UPS de deux,
131,075 coups de trois,
65,538 serien van vier,
32,769 serien van vyf.
Het valt in \'t oog dat deze aanvulling geen verandering maakt
in de algemeene verhouding tusschen zetten en serien daar het in
de praktyk volkomen \'tzelfde is of men, byv. de frekwentie van de
tweeslagen stelt op 4/a der zetten, dan wel op 8e,-14e/».096-i5»> eiu>
Er blykt uit dit alles:
dat het aantal intermittences met dat der serien saamgenomen,
altyd de helft moet bedragen van \'t aantal zetten.
dat het aantal serien van elke soort altyd het dubbele bedraagt
van de onmiddelyk-hoogere soort.
dat de gemiddelde waarde van intermittences en serien saamge-
nomen, zich oplost in den tweeslag.
dat elke serie juist zooveel keeren voorkomt als al de hoogere
serien saamgenomen. *)
dat elke serie die den parolht zekere som opbrengt, vergezeld
gaat van — dat is: wordt voorafgegaan of gevolgd door — juist
evenveel verloren eenheden als de winst op die voordeclige serie
bedraagt.
dat alle gewonnen eenheden die de martingahst naar zich toe-
strykt, verloren gaan door één serie die hy niet kan dóórzetten en
welker bedrag hy dus verliest.
De beide laatste beweringen hebben misschien eenige toelichting
noodig.
Stellen wy dat de speler van paroli zyn telkens op-nieuw gezette
eenheid eindelyk eens kan laten staan tot ze twaalf keeren gewonnen
heeft, en dus geklommen is tot \'n bedrag van 4096 eenheden. Dit
komt in het door ons aangenomen getal zetten 256 keeren voor. **)
Hy ontvangt dus 1.048.576 eenheden. Dit evenwel is juist het getal
van de verliezende zetten die elk hem \'n eenheid doen verliezen,
en hy heeft dus niets gewonnen. Dat hy winnen zou indien de winst-
gevende serien frekwenter waren dan de verhouding meebrengt, is
waar.- Doch even waar is het dat hy verliezen zou als ze oneven-
redig lang uitbleven. Deze beide kansen staan in gelyke kracht
tegen elkander over.
*) Minus één altyd. Doch dit maakt in de zaak waarom \'t hier te
doen is, geen verschil. Onder de cyfers die straks volgen zyn er meer
die, zeer stipt gesproken, konstant met \'n eenheid moeten verminderd
worden. Ik mag die zonder schade voor de juistheid der redeneering ge-
makshalve verwaarloozen.
**) Dit cyfer kan uit het staatje op blz. 151 onveranderd worden over-
genomen. Stipt gezegd zou \'t slechts de helft bedragen omdat daar van
winners en verliezers wordt gesproken, en er dus slechts 128 winnende
serien van twaalf in ons schema zyn. Doch daar de hoogere winnende
serien saamgenomen evenzeer 128 bedragen — minus één altyd, of
stipter nog: minus */l — maS \'t cyfer van 256 onveranderd blyven.
-ocr page 158-
154
MILLIOENEN-STUDIEN.
De martingalist die door verdubbeling na verlies telkens in één
slag
de verloren som plus één tracht terug te halen, stuit \'n bepaal-
baar aantal kceren op \'n maximum, hetzy dan op \'t willekeurig be-
paalde maximum der veroorloofde mise, \'tzy op de uitgeputheid
zyner middelen, \'tzy op moedeloosheid. We moeten wel aannemen
dat altyd op zeker oogenblik een dezer oorzaken hem belet z\'n systeem
voorttezetten, en stellen nu eens dat dit geschiedt nadat hy achter-
eenvolgens i, 2, 4, 8 .. . 2048 eenheden verloren heeft, welke reeks
4096 eenheden bedraagt. Dit komt alweder in \'t aangegeven schema
256 keeren voor, en hy verliest 1.048.576 eenheden, juist het bedrag
alzoo van de gewonnen zetten die hem telkens één eenheid winst
opleverden. Z\'n pogingen zyn dus even ydel als die van denparolist.
De een verliest in-ééns wat vele zetten hem opleverden. De ander
verliest aan eenheden wat hy nu-cn-dan haalt in één slag. \'t Is hier
inderdaad \'n stryd tusschen skcer" en »maal." *)
Ik meen te mogen beweren dat alle zoogenaamde speelsystemen
aan de bovenstaande stellingen kunnen getoetst worden, en onmis-
baar met denzclfden uitslag. Het baat niet of men tracht door ge-
zochte ingewikkeldheid de onomstootelyke wet van de op den Aard
der dingen
gegronde symmetrie te ontduiken. Toch schynt .dit by
veel spelers het opzet te zyn, en hieruit vloeien allerlei methoden
voort die, wat de hoofdzaak aangaat, slechts schynbaar van de ge-
geven schets afwyken.
Sommigen laten, nadat \'n inzet eenige malen gewonnen heeft,
slechts 3/4 of 2/3 staan van het geld dat op de tafel ligt, en klim-
men dus langzamer in winst doch sparen iets voor \'t offeren van
nieuwe eenheden. Hoe men dit gewyzigdparoli ook inrichte, wyzige,
uitbreide of inkrimpe, steeds zal men tot de slotsom geraken dat
de kans op \'t winnen van hooge sommen geheel-en-al wordt geab-
sorbeerd door al de kleine bedragen die men daartoe moet uit-
schieten. Anderen die na verlies hun inzet verhoogen — de beoefe-
naars der martingale — zoeken verhoudingen die niet juist \'n vol-
slagen verdubbeling vereischen, om zoodoende minder snel te klim-
men. Het spreekt vanzelf dat dezulken, als ze ten-laatste na een
nadeelige serie \'n zet halen, niet op-eenmaal gedekt zyn voor de
uitschotten, en nog altyd \'n deel van \'t verlorene in volgende
zetten moeten trachten terugtewinnen. Hierdoor zyn ze verplicht
aftewyken van de eenheid waarmee zy anders elke nieuwe serie
openden. By den minsten tegenspoed stygen dan hun uitgaven na
weinige zetten verlies veel hooger dan anders \'t geval zou geweest
zyn, en ze bereiken dus spoediger het fatale maximum.
Onder de martingalisten die \'t al te snel klimmen wenschen te
vermyden, vindt men er die in-plaats van de geometrische progres-
sie, \'n arithmetische opklimming verkiezen, en ik begryp dat deze
wyze van spelen aan velen kan worden voorgesteld als . . . infail-
lible.
De zoodanigen klimmen na verlies, niet op door verdubbe-
ling, maar met de termen 1, 2, 3, 4, 5 . . . enz. Schynbaar levert
dit het voordeel dat men met veel lager mises hetzelfde doel bereikt.
\') Zie de noot op bh. 117.
-ocr page 159-
SYSTEMEN.
\'55
Dit doel nu is, volgens de geometrische progressie, een halve een-
heid winst per zet. De hoogste term van de reeks die met één aan-
ving en welker rede twee is, bedraagt altyd een meer dan de som
der andere termen. By intermittences wordt die eenheid terstond
gewonnen. Daar nu intermittences en serien saamgenomen, de helft
uitmaken van \'t getal zetten, blykt hieruit dat de steeds verdub-
belende martingalist, indien hij altyd kon doorzetten, op ons voor-
gesteld schema: 1.048.576 eenheden winnen zou.
By \'t kiezen van de arithmelische progressie, is alzoo de winst
dezelfde en de zetten zyn lager. In-plaats van al de verloren zetten
eener nadeelige serie in-eens met winst van één eenheid terug te
verlangen, vergenoegt men zich met de poging om slechts de iaatst-
verloren zet plus één, tèrugtekrygen. Door eiken winnenden zet
wordt alzoo één verliezer veronzydigd en \'n eenheid gewonnen,
hetgeen almede de totale winst, in eenheden uitgedrukt, aan de
helft der gespeelde zetten gelyk maakt.
Oppervlakkig beschouwd is deze wyze van spelen niet onlogisch.
Voor ik daarvan de zwakke zyden aantoon, wil ik \'n kleine schets
geven van \'11 dertigtal zetten waarop ze met goed gevolg kon toe-
gepast zyn. Ik stel daarin \'t aantal keeren winst en verlies gelyk.
De eerste zet is \'n verliezer (V) die \'n eenheid kost. Ook de
tweede, waarop twee eenheden gezet zyn, houden wc nu eens voor
V. Stellen we dat de derde zet — drie eenheden — wint. Hierdoor
wordt de tweede zet gedood, plus één eenheid winst. Laat de vierde
zet W zyn. Hy bedroeg twee eenheden, en dekte dus met winst den
eersten zet. Dit alles levert, met wat daarop volgt, iets als de schets
op de volgende bladzy, waarin men zal opmerken dat de mise tel-
kens na W een eenheid daalt en na V zooveel stygt, gelyk \'t zoo-
genaamde systeem voorschryft.
Daarin worden zestien eenheden, d. i. \'n getal gelykstaande met
de helft der gespeelde zetten, gewonnen, welk doel ook bereikt zou
zyn door paroli, d. i. gedurige verdubbeling na verlies. By die me-
thode echter had men na den 12" coup den 5» term van de geo-
metrische reeks moeten zetten, d. i. 16, terwyl thans de hoogste
mise slechts 7 eenheden bedraagt. Hiertegenover staat evenwel dat
men, na geometrische opklimming ééns winnende, terstond weer met
het zetten van één eenheid volstaan kan, terwyl men, de arithme-
tische
progressie volgende, na eiken gewonnen zet die slechts den
teatst-verlorenen dekt nog al de vroeger verlorenen moet inhalen.
De slotsom hiervan is dat er voor beide methoden \'n even groot
kapitaal noodig is, hetwelk uit m\'n schema over 2.097.152 zetten
kan worden berekend.
Een verschil tusschen de beide methoden blyft evenwel steeds
hierin bestaan dat men, arithmelisch te-werk gaande, nooit \'n zeer
hooge som tegelyk op de tafel legt en dus niet belemmerd wordt
door \'t maximum van de mise, daar \'t ondenkbaar is dat ooit het
aantal verliezende zetten op de simple chance, dat der winnenden
met vierduizend zou te-boven gaan, noch zelfs met tweeduizend,
voor \'t geval dat men begonnen ware met het tweeguldenstuk, \'t
minimum aan de trente-et-quarante tafel.
Doch men behoeft zoo\'n fantastische afwyking niet als mogelyk
aantenemen om intezien dat het lot — dat is alweer: de stipt-
-ocr page 160-
.56
MI I.LIOENEN-STUDIEN.
Volgorde
der zetten.
Verloren
eenheden.
S t
e 1
ï •-
Gewonnen
eenheden
Verloren zetten
die door de
winnende
Bedrag der
overschietende
eenheden.
is >
worden gedood
Winst
1
ï
V
2
2
V
3
w
3
NO 2
1
4
w
2
„ i
1
5
i
V
6
2
V
7
3
V
8
w
4
„ ■ 7
1
9
3
V
10
4
V
11
5
V
12
6
V
13
w
7
42
1
14
w
6
11
1
15
5
V
16
6
V
17
w
7
» •ie
1
18
6
V
19
w
7
. 18
1
20
6
m
V
21
w
7
. 20
1
22
6
V
23
w
7
. 22
1
24
6
V
25
w
7
. 20
1
26
w
6
. 15
1
27
w
5
. io
1
28
w
4
, 9
1
29
w
3
, 6
1
30
2
V
31
w
3
„ 30
1
32
vt
2
,, 5
1
64
80
voordeelig verschil 16 eenheden
16.
-ocr page 161-
SYSTEMEN.                                                   157
rechtvaardige Natuur der dingen — zich evenmin arithmetisch als
geometrisch . . . foppen laat. De kleine schets van zoo-even name-
lyk is willekeurig opgesteld, omdat ik wilde aantoonen wat de be-
doeling der methode was, geenszins om \'n doorgaand voorbeeld
van \'t vermoedelyk slagen te geven. Ik stelde daarby \'t aantal
winnende en verliezende zetten als gclyk, en juist hierop kan men
in de werkelykheid geen staat maken. Integendeel. De cindelyke
gelykheid op \'n zeer groot aantal zetten bestaat juist uit \'n verre-
kening van ongelykheden, en met zulke telkens voorkomende af-
wykingen heeft de speler te doen. Indien er op de door my ver-
onderstelde 32 zetten, die ik 16 eenheden winst liet opleveren, \'n
afwyking ten nadeele des spelers had plaats gehad, van slechts vier
zetten (14 W : 18 V) zouden er i° slechts veertien eenheden op
even zooveel gedoode verliezers gewonnen zyn, en 2° tien verloren
eenheden onaangezuiverd zyn gebleven, in den vorm van de niet
ingehaalde reeks I, 2, 3, 4. Als \'n niet onopmerkelyke verhouding
noteer ik hier dat in de toepassing deze soort van arithmetische
progressie uitloopt:
op gelykheid van winst en verlies, zoodra \'t getal onaangezui-
verde verloren zetten één minder bedraagt dan de wortel van \'t
aantal gespeelde zetten plus één.
Deze opmerking vervalt indien de speler in-den-beginne eenheden
gewonnen heeft die geen voorafgaande verliezers doodden, waar-
over straks.
Het is niet onmogelyk dat de bedoelde verhouding die men aldus
zou kunnen uitdrukken:
" l — l"la 0— som v. d. reeks i, 2, 3... V(a 1) — 1
2
eenig licht verspreiden kan over den norm der afwykingen. Ik
moet evenwel erkennen dat zich hierin \'n zwarigheid voordoet die
ik nog niet heb kunnen oplossen. Voor ik ze behandel, wil ik
trachten die formule omtrent de verhouding van de onaangezui-
verde reeks met het getal gewonnen eenheden, tot helderheid te
brengen.
Het getal gespeelde zetten duidde ik met a aan. Stellen we dit
op 99. De wortel van dit met \'n eenheid verhoogd getal, is 10.
Zoodra nu \'t getal achterstallige verloren zetten dien wortel minus
één bedraagt, moet men 54 zetten verloren hebben, en slechts 45
zetten gewonnen. Elk van die gewonnen zetten doodde een verlo-
ren zet plus één eenheid winst. De winst bedroeg alzoo 45 eenheden,
Maar de negen onaangezuiverde zetten bestonden uit den arithme-
tischen reeks 1, 2, 3, 4 ... 9, waarvan de som 45 bedraagt Er
is dus noch gewonnen noch verloren.
Wie 9999 zetten speelt, en een achterstand heeft van 99 coups
— d. i. den wortel minus één, van 9999 plus één — heeft 4950
keeren \'n verliezer gedood en evenveel keeren \'n eenheid winst
behaald. Daar hy echter 5049 zetten verloren heeit, en de 99 on-
aangezuiverde coups uit den reeks 1, 2, 3, 4 . . . 99 = 4950 be-
staan, is hy na al dit gehaspel juist even ver als toen hy z\'n eerste
eenheid op de tafel wierp. Hy betaalt dus de belasting van de
-ocr page 162-
158                               MILLIOENEN-STUDIEN.
refait, die ik by al deze berekeningen gemakshalve onvermeld liet
doch die in de werkelykheid zich niet onbetuigd laat, geheel h
pure perte.
Een ander bezwaar dat ik reeds noemde, ligt hierin dat men
soms in-den-beginne eenheden wint waardoor geen voorafgegane
verliezers worden gedood, in welk geval men ten-slotte tot \'n na-
deelig rezultaat komt, ook al ware het getal winnende zetten aan
dat der verliezers gelyk, of zelfs binnen zekere grenzen hooger dan
dat. Ik vermeed dit nadeel voorbedachtelyk in \'t schetsjen op blz.
) 56. Gesteld dat \'n speler aanvangt, met byv. vyf winnende zetten
die hem alzoo vyf eenheden winst opleverden, en dat hy later die
vyf coups met \'n gelyk getal verliezers boet, dan bestaan die ver-
liezers in de reeks 1, 2, 3, 4 en 5 — 15, zoodat er \'n bedrag van
10 ongedekt blyft. Zoodra er sprake is van \'n systeem, dat natuur-
lyk altyd moet gegrond zyn op evenwicht, mag men geen aanspraak
maken op \'n voordeelige önevenredigheid, en die 10 verloren een-
heden zyn dus niet intehalen. Men heeft er in de met »Lot" geo-
pende rekening-courant geen aanspraak op.
Om dezen tegenspoed te veronzydigen kiezen sommigen in-plaats
van de eenheid als punt van uitgang, \'n hooger bedrag dat hen
in-staat stelt, na winst in den beginne, terstond te dalen, waardoor
inderdaad latere verliezers kunnen worden gedekt. Nemen wy weder
aan dat iemand met vyf winnende zetten begint en dat z\'n eerste
mise 10 was. Dan haalt hy 10, 9, 8, 7 en 6. Zoodra later de kans
zich verevent, betaalt hy voor de vyf aan de gelykheid verschul-
digde zetten, slechts 9, 8, 7, 6 en 5. Instede van geleden verlies
te dekken door later winst, gebruikt hy de winst van \'t begin tot
dekking van later verlies, en elke winner brengt hem inderdaad
—  even als in myn schetsje — de bate van \'n eenheid op. Maar
wat zou hem, na \'t halen van die vyf eerste slagen, tezamen 40
eenheden bedragende, bewegen voorttegaan? In slechts vyf zetten
immers heeft-i \'n doel bereikt, waartoe volgens z\'n eigen systeem
—   en dit nog slechts als \'t op z\'n best slaagt — tachtig zetten
zouden noodig wezen. Reeds na \'t winnen van den eersten zet be-
haalde hy \'n winst als die hy zich slechts van twintig welgelukte
coups mocht voorstellen. Z\'n eigen methode zou hem dus voor-
schryven die methode niet verder toetepassen, \'tgeen wel bewyst
dat ze ongerymd is. Bovendien, men weet niet vooruit of de marche
—   spelersterm — met winnende zetten beginnen zal. By tegen-
spoed bedraagt \'n verloren reeks van tien zetten (io. . . 19) byna
het driedubbele van den reeks 1 . . . 10, en daar de winst by
welslagen — altyd slechts één eenheid op eiken winnende zet —
gelykstaat, is \'t \'n ware zotterny zooveel geld geheel noodeloos
overteleveren aan den korrodeerenden invloed van de refait. Het
spreekt vanzelf dat de verhouding nog nadeeliger wordt als men,
om zich op daling voortebereiden, aanvangt met hooger cyfer dan 10.
By \'t behandelen der systemen bepaalde ik my tot de twee hoofd-
richtingen die zich verdeelen laten in opklimmen na verlies: mar-
tingales,
en opklimming na winst: paroli. Het spreekt vanzelf dat
de varianten op deze beide themaas oneindig zyn. By \'t speelpubliek
-ocr page 163-
SYSTEMEN.                                            159
en de .geëmployeerden van de Bank gaan de martingalisten voor
naïf door. vNous leur o/frons den sicgcs rl\'or" heb ik eenmaal \'n
croupier hooren zeggen. Dit vooroordeel schynt zich te gronden
op de meening dat men verkeerd doet veel geld op de tafel te
leggen, waartoe de martingalist die steeds alle vorige verliezen in
één coup dekken wil telkens genoodzaakt is. Na \'n serie van ver-
liezende zetten, waarby elke nieuwe zet één meer bedraagt dan al
de vorigen saamgenomen, klimt de som die hy telkens waagt,
meer in \'t oog vallend op dan \'t verlies van den parolist. Hierop
zal dan ook wel die afkeer van \'t marlinga/e spc\\ gegrond zyn, of
liever niet gegrond, want de berekening van de anderen, quijouent
avec l\'argent de la banque
zooals \'t heet, is volstrekt niet minder
naïf. De een waagt n keeren a, in de hoop dat-i ééns meer dan
n maal a winnen zal. De ander legt telkens n maal a op tafel,
meenende meer dan n keeren a te winnen. Lood om oud yzer.
Dat die varianten evenmin steekhouden als de hoofdzaak, ligt in
de rede. Geen enkele daarvan is bestand tegen nauwkeurige toet-
sing aan m\'n schets op blz. 151. Er scheen me onlangs uit\'n Fran-
sche courant te blyken dat ook de.scartes zich met de op \'t spel
toegepaste waarschynlykheidsrekening had beziggehouden, en dat-i
zich had schuldig gemaakt aan een der 1001 systhmes infaillibles
van de soort die men te Homburg en Wiesbaden in eiken boek-
winkel voor weinige groschen koopen kan. Een feuilletonist in de
Indépendance Beige namelyk, beklaagde zich y>que rien n\'y faisait.
Hèlas,
zeide hy, ce n\' est ni noir qui gagne, ni rouge, c\'est toujours
.
. . BLANC. *) Pas mème Ie sgslème de DESCARTES!"\'
Ik begryp niet hoe CARTESIUS — men moet toch veronderstellen
dat hy rekenen kon! —■ zich zou hebben schuldig gemaakt aan
de . . . naïveteit die hem door dien feuilletonist wordt aangewreven.
Dat systeem dan zou bestaan hebben in \'n martingale, waarby
men in-stede van de meer gewone opklimming door verdubbeling
na verlies, telkens nog bovendien een eenheid daarbyvoegde. Wie
1 verloor, moest zetten 2 X 1 \' = 3. Na \'t verlies van 3, volgde
2X3 1=7. Nu volgde 15. Na 15, 31 enz. Dat men, steeds
doorspelende,
op die wyze één eenheid per zet winnen zou, is nogal
makkelyk te vatten. Maar de feuilletonist zei er niet by hoe DES-
Cartes zich wapende tegen het maximum? Het valt in \'t oog dat
men, zóó stygende, altyd één term hooger is dan by eenvoudige
verdubbeling, en dat men om \'tzelfde doel te bereiken — de winst
van \'n eenheid per zet — slechts had hoeven te beginnen met
dubbele mise. De opklimming 2, 4, 6, 8, enz. zou precies hetzelfde
rezultaat geven als\'t cartesische 1, 3, 7, 15, enz. **) Ik zou minder
genegen zyn descartes te verdenken van zoo\'n blunder — voor-
al niet op \'t gezag van \'n Franschen feuilletonist — indien ik niet
•ook QUINEï\'s onnoozelheid had gestaafd gezien in een door hem-
zelf uitgegeven werk. By vakmannen moet men op \'t gekste ver-
dacht zyn. Welke leek kraamde ooit zotter meeningen over \'n
") Blanc was de naam van den Direkteur der Bank.
**) Alweer: op één na.
-ocr page 164-
l6o                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
«Opperwezen" uit, dan die welke hy dagelyks kan hooren verkon-
digen door hen die zeer speciaal de eigenschappen van dat Wezen
bestudeerden, Godkenners, Theologen ?
Deze opmerking noopt ons tot wat inschikkelykheid voor de
velen die, iets lager staande dan DESCARTES, middel meenen ge-
vonden te hebben den loop van \'t spel te beheerschen. De rede-
neeringen die men over onfeilbare systemen te hooren krygt, loopen
in \'t koddige. Dat redeneeren zelf reeds is \'n blyk van zeker kreti-
nisme. Wie toch zou \'n schat als \'t vinden van \'n système infailli-
ble
om ryk te worden, zoo klakkeloos wegschenken?
—   Geloof me, roept de een, men moet de gagnanle spelen. Il
faut loujours suivre la couleur.
Dit beduidt: na zwart zal er zivart komen. Simple comtne bon-
jour !
Komiek is \'t ook dat ieder die zoo\'n grondwaarheid ontdekt
heeft, haar terstond weet te omkleeden met «redenen van weten-
schap." Niemand geeft z\'n onzin rauw. Ieder stooft hem op en
bereidt hem toe met \'n sausje van frazen. Precies als in Politiek, Staat-
huishoudkunde, Theologie, officieele Moraal, akademische schoolwys-
begeerte en meer soorten van publieke spelen.
—   T.a gagnanle toujows! Et voici poiirguoi. Quand une couleur
sort, c\'est . . . qu\'elle
veut sortir. Il ne faut pas la contrarier, c\'est
irritant.
Anderen betoogen de wenschelykheid om «kleur te volgen" aldus:
—   La couleur qui sort est en retard. Elle veut se rêtablir, c\'est
clair. Et ainsi
...
Och, hoe duidelyk en ganz einfach! Ik ben zeker dat onze
Schlungelhans met zoo\'n redeneering volkomen tevreden wezen zou.
Misschien ook professer QUINET en die dame met haar kruisspin.
De waarheid is dat elke coup onafhankelijk blyft van den laatst-
voorgaanden
zoowel, als van alle voorgaanden. Dit strydt geenszins
tegen \'t verband tusschen allis en alles, waarop ik doelde met m\'n
aanhaling uit vorstenschool, op blz. 134. Dat verband bestaat
niet voor wie \'t niet kent, en daarom stuit de speler — tenzyd-i
beter dan ik mocht tehuis zyn in de causa rerum die ik zoo vruch-
teloos naspoorde in een der vorige hoofdstukken — by eiken nieuwen
zet tegen \'n ondoordringbaren muur.
-ocr page 165-
REKENEN.
Ik nam op blz. 151 als zeker aan, dat 2.097.152 coups in
1.048.576 rooden en even zooveel zwarten zouden verdeeld zyn.
Er bestaat namelyk geen reden voor het tegendeel. Dit immers
zou stryden tegen de eischen der simple chance, waarby rood en
zwart volkomen gelyke aanspraak hebben. Al zy het nu dat telkens
een der beide kleuren voorheerscht, toch komt er eindelyk steeds
\'n oogenblik van gelykheid. Om dit te ontkennen zou men moeten
aannemen, öf dat de kleur die vooruit is, steeds zal blyven voor-
heerschen, \'tgeen strydt tegen de gelyke aanspraak van de andere
kleur, öf dat de kleuren, nadat een daarvan eenmaal is vooruit-
geraakt, overigens altyd in frekwentie aan elkander zouden gelyk
blyven, waardoor dan \'t eenmaal bestaand verschil zou worden
gekonsolideerd. Dit is hierom ondenkbaar, wyl dan de voortdurende
afwykingen — éoarls — vermeden werden, die toch in den aard
der zaak liggen \'tgeen ook reeds uit het aanvankelyk vooruitgaan
van die eene kleur gebleken was.
MILLIOENEN-STUDIEN.
II
-ocr page 166-
IÓ2                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
Zeer wel weet ik dat het aannemen der gelykheid van de kleu-
ren op 2.097.152 zetten, willekeurig is. Doch de aanmerking hier-
op vervalt, zoodra ik instede van \'n benoemd getal te gebruiken,
het aantal der te behandelen zetten op n stel. Ieder toch zal inzien
dat daarin — keeren rood, en even zooveel of — keeren zwart
2                                                                   2
moet voorkomen, of althans dat men op geen andere verhouding
\'n berekening gronden mag, en hierom is \'t ons in dit geval te
doen.
Ten-overvloede de opmerking dat ik by de behandeling der sim-
ple chance
gemakshalve slechts van rood en zwart sprak. Al wat
daarover viel optemerken is evenzeer van toepassing op alle an-
dere kansen die by eiken zet de waarde hebben van \'/.2, en wel-
ker soort men naar willekeur kan uitbreiden. Er zyn, byv. even-
veel kleurvolgende coups, als niet-kleurvolgende. Evenveel die ge-
lyk zyn aan den voorlaatsten, als die daaraan niet gelyk zyn. Even-
veel die \'n beginnende serie afbreken tot intermittence, als die haar
maken tot \'n tweeslag, enz.
By al deze verhoudingen zyn ook te voegen die welke op de
relatieve frekwentie van even en oneven serien gegrond zyn. Het
getal even serien bedraagt de helft van dat der onevenen, doch
de op deze verhouding gebazeerde coups zyn, even als de kans op
rouge of noir, onderworpen aan de wet der door schynbaar wissel-
vallige afwykingen telkens verbroken — doch juist daardoor ein-
delyk teweeggebrachte — gelykheid.
Dezelfde opmerking past op \'t aantal zetten dat de speler wint
of verliest, onverschillig of hy doorgaande dezelfde kleur kiest, of
hy geregeld dan wel nu-en-dan en al ware het naar luim alleen,
afwisselt, of hy voor of tegen de gagnonte speelt, of hy z\'n heul
zoekt in intermittences of serien, of hy spekuleert op de verhouding
der evene en onevene serien . . . altyd blyft de waarde van elke
,                 2 m -4- 0                         ...
neergelegde mine: ----------!-------. Niet meer, met minder.
2
Deze nog al eenvoudige waarheid ...
\'t Is zoo heel overbodig niet, haar den speler voortehouden! Door
\'t neerleggen immers van \'n geldstuk dat in zyn beurs de waarde
had van een eenheid, schynt hy de meening te openbaren dat
------------------ meer bedraagt dan één ? Met andere woorden, er
blykt, öf dat de gelyke kans z\'n eenheid tot 2 verhoogd dan wel
tot 0 verminderd te zien, hem verkieslyk voorkomt boven de ze-
kerheid dat hy \'n eenheid bezit, öf dat hy die kans voor niet ge-
lyk houdt.
Deze eenvoudige opmerking zou in zekeren zin kunnen volstaan
om alle spelers van hun systemen te genezen.
In de speelwereld echter is \'n adagio in omloop dat die genezing
als onmogelyk voorstelt. Daar — gelyk elders! — vond men deunen
en zegswyzen uit om de moeite van \'t zelfdenken te besparen. De
STUART MILL\'S van de groene tafel verzekeren: qui ajoué,jouera!
Ik beweer dat er wèl \'n middel bestaat om iemand van \'t spel
-ocr page 167-
REKENEN.                                             163
te genezen. Men moet den patiënt leeren rekenen. Rekenen, rede-
neeren met cyfers, behoort tot de Natuurkunde die ik in de ver-
handeling over Vrye-Studie *) aanbeveel als probaatmiddel tegen
allerlei soort van bygeloof. De aanbidding van \'t rouge et noir is
evenmin als andere theologien bestand tegen den invloed van den
invloed van den LOGOS, van de rede. Wie krankzinnig genoeg is
\'n god te bidden om regen, om droogte, om herstel van \'n zieke,
zal baat vinden by dezelfde artseny die den speler geneest van z\'n
vrees om de gagnante te beleedigen, of van z\'n vast vertrouwen
op \'n «figuur."
\'t Is waar dat ik van «figuren" nog niet gesproken heb, en de
lezer heeft recht op verklaring van dit woord. Niet zonder jacht op
zeker soort van finesse, zoeken sommigen op de groene tafel hun
heil in \'n meer of min willekeurig vastgestelde kombinatie van zet-
ten. De zoodanigen spelen noch op intermittences noch op serien,
maar op \'n vooruitbepaalde byzondere volgorde der kleuren van
zekeren groep. Men stelt, hoopt of meent, byv. dat er zal uitkomen:
drie keeren rood, ééns zwart, twee keeren rood. vijf keeren zwart,
ééns rood, ééns zivart, en daarna nog een keer rood. Op de door
de Bank verstrekte speelkaartjes, waarin de zetten met \'n speld
worden geprikt, zou die figuur er aldus uitzien:
Noir Rouge
Het spreekt vanzelf dat de meesten hun verbeel-
dingskracht niet wagen aan \'t vooruitbepalen van \'n
zéér groot aantal zetten. Wat hun aanleiding geeft om
de gekozen figuur voor waarschynlyker te houden dan
\'n andere, is my onbekend. Misschien zouden wy, by
nasporing van de redenen die daartoe leidden, weer
aanlanden in de buurt der bekende krnisspin. Mis-
schien ook berekende men dat die figuur kon ver-
wacht worden omdat zy zich in-lang niet had voorge-
daan. Dit lang uitblyven is zoo vreemd niet, als men na-
gaat dat de volgorde van veertien coups zich op 16384
verschillende wyzen kan voordoen. Wie dus z\'n geluk
laat afhangen van de ééne manier die inderdaad
komen zal, neemt één lot in \'n lotery van 16384 num-
mers waarin slechts één prys is. Ik behoef bovendien
niet te zeggen dat er niet de minste reden bestaat
om aan \'n grillig bepaalde afwisseling de voorkeur
te geven boven \'n regelmatige serie die uit \'n gelyk
•getal zetten zou saamgesteld zyn. Veertien zwarten, of veertien
rooden, hebben evenveel recht op bestaan als de veertien zetten
die ik zoo-even geheel willekeurig tot \'n zoogenaamde figuur by-
eenvoegde.
Ik deed dit dan ook geenszins om me verder te verdiepen in
de verwachtingen van winst die op zulke spelery gegrond worden.
M\'n bedoeling is, naar aanleiding van die figuren, later overtestap-
pen op \'n geheel ander terrein, op de regelmaat van al wat is.
*) In den Uien bundel der ideen.
-ocr page 168-
IÓ4                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
Ieder speler weet dat elke zet onzeker is. Toch geeft hy telkens
aan deze of gene kleur de voorkeur. Wat beweegt hem hiertoe ?
Het moet de intuïtieve meening zyn dat er door de Natuur zekere
orde wordt in acht genomen. Te-gelyker-tyd echter schynt hy \'t
1
N R
2
N R
3
N|R
4
N|R
5
N R
f
-ocr page 169-
165
REKENEN.
vreemd te vinden als die orde zich duidelyk openbaart. Hierin ligt
\'n zonderlinge tegenstrydigheid.
Stellen wy dat het speelkaartje waarop \'n geheele taille geprikt
was, een der figuren vertoonde die op de vorige bladzyde v/orden
voorgesteld, met welk recht vinden wy de schynbaar onregelmatige
afwisseling in model 1, minder vreemd dan de regelmaat in de
andere modellen ? Sommigen zouden \'t zelfs onmogelyk achten dat
\'n gansche taille uit intermittences bestond, als in model 2. Uit
coups de qualre, als in 3. Dat ze in twee helften was gedeeld, als
in 4. En vooral — doch zonder meer grond — dat ze geheel-en-al
was samengesteld uit zwarte coups, als in model 5.
By eenig nadenken toch moet men toestemmen dat al die tailles
niet alleen mogelijk zyn, maar dat ieder daarvan evenveel recht
op bestaan heeft als elke andere groep van zeven-en-twintig zetten.
Toch blyven velen die regelmaat beschouwen als . . . onnatuurlyk,
en zoeken daarachter iets anders dan den loop van \'t zoogenaamde
slot." Het Toeval — met of zonder indiskreete bemoeienis van \'n
god — kan wel tailles leveren volgens model 1, maar die andere
modellen gaan boven z\'n kracht! Dat »lot" is hier dus zwakker
dan de mensch zelf, dan \'n kind, ja dan \'t hondje MUNITO op de
kermis. Het zou immers wel in ónze macht staan om uit \'n Qui-
netsche vaas, willekeurig en met opzet, zooveel keeren zwarte bal-
letjes te doen verschynen als ons lustte?
Om deze tegenstrydigheid van opvatting te doen in \'t oog vallen,
kies ik als voorbeeld \'n speler die kreupel, lam of ziek is. Hy zit
gevangen, en kan zich niet naar de speelzaal begeven, doch zie,
hy heeft — door bemiddeling van de H. Morfondaria zeker — van
rood gedroomd. Het treft gelukkig dat-i in \'t romantisch bezit is
van \'n »ouden getrouwen" bediende, dien hy naar \'t Kurhaus zendt,
met den last een geldstuk op de gedroomde kleur te zetten.
De oude-getrouwe komt terug met de boodschap dat de mise
verloren is: «omdat zwart uitkwam."
Indien nu onze gevangene beweerde dat dit onmogelijk was, en
z\'n knecht wegens oneerlykheid wegjoeg, zou hy handelen als \'n
dwaas. De kans — we zyn hier en pleine probabiliteitsleer — dat
z\'n ouwe-getrouwe op-eenmaal \'n dief was geworden, komt hem
kleiner voor dan dat er ditmaal tegen z\'n verwachting \'n zwarte
coup zou uitgekomen zyn.
Hy gelooft dus wat de man berichtte, en geeft hem nu twee
stukken, weder om die te plaatsen op de roode kleur.
De knecht komt terug met de boodschap dat de slag zwart was.
Heeft hy nu die twee stukken gestolen? Of misschien wel Miert
f wee,
als hy zich de mise toeeigende zonder te zetten. Vier, indien
ny ze gezet heeft en twee daarby won?
Onze gevangene is niet kleingeestig. Hy twyfelt alweer niet aan
de rechtschapenheid van z\'n bediende, en zendt hem nogmaals uit
om \'n mise op rood te plaatsen, ditmaal \'n inzet van vier stukken.
De slag was zwart.
De knecht wordt daarop uitgezonden met acht stukken . . .
De slag was zwart.
. . .
met zestien stukken . . .
-ocr page 170-
166                                  MILLIOENEN-STUDIEN.
De slag was zwart.
. . . met twee-en-dertig stukken . . .
De slag was zwart.
.
. . met vier-en-zestig stukken . . .
Ik kan hier afbreken. De lezer denke zich nu eens \'t maximum.
der mise weg, en wordt verzocht dit heen-en-weer loopen in gedach-
te voorttezetten tot de heer z\'n knecht wegjaagt als\'n dief. Vrage:
by den hoeveehten zet men den heer hierin gelyk durft gevent By
den hoeveelsten zoudt gyzelf, lezer, uwen ouwen-getroüwen hebben
onthaald op \'n onvrindschappelyk consilium abeundit
Er kan toch niet altyd zwart uitkomen, niet waar?
Altyd? Neen. Maar ikzelf heb twee-en-twintig zetten van dezelf-
de kleur achter elkander gezien, zonder nog te weten of de serie
daarmee sloot. De taille was geëindigd, en ik bleef niet wachten
op de volgende die misschien nog de serie kan hebben voortgezet.
Waarom niet! Oude habitués spreken van hooger serien, en de
kansrekening brengt mee dat ik, die zeer zelden de speelzaal be-
zoek, niet juist een der zeldzame allerhoogsten heb bygewoond. Er
zouden er geweest zyn van vier-en-dertig. Wie zich hierover ver-
wondert, verliest alweder uit het oog dat elke andere vooruitbe-
paalde groep van vier-en-dertig zetten zich even zelden voordoet. *)
Elke eerste zet is onmisbaar \'n afwyking van de gelykheid. De uit-
gekomen kleur staat tot de niet uitgekomene, als i : o. Na den
tweeden zet is de kans op verhooging van den écart even groot
als op \'t gelykworden. De kleuren staan dan als 2 : o of als
i : I. Op vier mogelykheden
2 of Z of r of r
z r r z
is de som der afwykingen 4, d. i. gemiddeld op elke mogelykheid,
één. Dit, gedeeld door \'t aantal zetten — in dit geval: twee —
zou de gemiddelde afwyking over twee coups kunnen doen vast-
stellen op een half per zet. Drie zetten kunnen zich voordoen op
acht manieren:
zzzzrrrr
zzrrzzrr
zrzrzrzr
De som der afwykingen is 12, of, gedeeld door\'t getal mogelyk-
heden, i4/j, dat almede tot het getal zetten staat als 1 : 2.
Vier zetten vertoonen zich als:
zzzzzzzzrrrrrrrr ,. ^
zzzzrrrrzzzzrrrr
zzrrzzrrzzrrzz-rr
zrzrzrzrzrzrzrzr
\') De noemer der breuk waardoor de kans op \'n serie van die uit-
gebreidheid wordt uitgedrukt, is 17.179.869.184. Het is namelyk de
34e term der geometrische reeks waarvan de eerste term, en tevens
de rede, twee is.
-ocr page 171-
REKENEN.                                             167
De som der afwykingen is 24. Dit bedraagt op 16 mogelykheden
I\'/d waaruit zou voortvloeien dat de vermoedelyke afwyking op
vier zetten 3/8 per zet bedraagt.
Deze berekening heeft niet de minste waarde wanneer men haar
toepast op kleine groepen. En zelfs komt ze ongerymd voor, daar
alle écarts uit geheele zetten bestaan en hier alzoo elke breuk on-
denkbaar is. Dit is echter de gewone fout van \'t gemiddelde. Ik
geloof niet dat men op andere wyze tot \'n oordeel over de ver-
moedelyke afwykingen op \'n grooter aantal coups geraken kan.
Als handleiding voor wien dit wenscht te beproeven, de volgende
opgave:
Getal
Mogelykheden
Som
Gemiddelde
Gemiddelde
zetten.
van zamenstelling
der groep.
der afwykingen.
afwyking
op één groep.
afwyking
per zet.
1
2
2
1
1
2
4
4
1
Vl
3
8
12
l\'/l
\'k
4
16
24
*Vt
3
5
3S
60
l\'/s
3k
6
64
120
l\'/8
5/l,i
7
128
280
23/,a
5
8
256
560
23/,«
88/m
9
512
1260
259/,28
35U
10
1024
2520
259/m
63/Sr„,
Enz. Enz. Het is me niet duidelyk in hoever deze berekening kan
worden overeengebracht met de wortelverhouding die ik aanroerde
op blz. 157. Ook zie ik niet in hoe ze den speler baten kan. Ten-
eerste weet hy niet aan welke zyde de afwyking plaats hebben zal,
en daar elk der beide kleuren gelyke aanspraak heeft op vóórzyn,
volgt hieruit ten-tweede: dat by eiken overgang \'t punt van vol-
komen gelykheid moet bereikt en gepasseerd worden. De loop der
zetten is \'n voortdurende stryd tusschen afwykingen en gelykwor-
den, en kan vergeleken worden met het op- en nedergaan der ar-
men van \'n balans.
Dat dit oscilleeren ons minder regelmatig toeschynt, ligt hierin
dat we gewoonlyk geen achtslaan op de oneindig vele soorten van
evenwicht,
die door de natuur der dingen moeten bereikt worden. Op-
pervlakkig, byv, zou de symmetrie vorderen dat er na:
-ocr page 172-
i68
MILLK )EN EN-STUDIEN.
N. R,
een roode zet volgde, omdat de zwarten zes coups vóór zyn. Doch
tevens zien we in dit schetsje tien zetten die «kleur volgen" en
slechts drie die niet overeenkomen met den vorigen. Om-den-wille
der gelykheid in dat opzicht alzoo zou de vyftiende zet, na rood,
\'n zwarte moeten zyn. Doch in dat geval werd de coup de trois
van rood met \'n oneven zet gesloten, hetgeen dan reeds de vier-
de
keer wezen zou, zonder \'n enkele even serie. Hieruit zou te be-
sluiten vallen dat de vyftiende zet rood zal wezen, en wel om dien
drieslag tot \'n coup de quatre te maken. Maar in dat geval stui-
ten wy weer op de aanspraak der kleine serien en intermittences
die in ons schetsje niet genoeg vertegenwoordigd zyn. Ook zy moe-
ten hun achterstand inhalen, en er is dus als vyftiende zet \'n zwar-
te
te verwachten of ... \'n roode!
Zóó is het! Want wy verliezen ons in onzekerheid.
En nu sprak ik hierby nog niet eens van \'t oscilleeren der af-
wykingen, van \'t afwyken der écarts die op-zichzelf, evenzeer als
elke zet, dan eens intermitteeren, dan weder gedurende eenigen
tyd hoofdig denzelfden kant kiezen. Ook hierin komt eindelyk ge-
lykheid, maar niet dan ten-koste van aanhoudende schynbare on-
regelmatigheden waarop de scherpzinnigste rekenaar geen systeem
gronden kan.
Helaas, ik begin te vreezen dat myn studiën onbruikbaar zyn
-ocr page 173-
REKENEN.                                                    169
vpour gagner a la banque!" Gelukkig dat er in die behoefte door
andere professeurs de jeu wordt voorzien. Men beweert zelfs dat
Schlungelhans in het tuchthuis z\'n vryen tyd aan \'n systême infail-
lible
besteedt...
In de veronderstelling dat-i niet rekenen kan, ken ik hem meer
kans op welslagen toe dan aan myzelf, en ik geef den lezer ver-
lof de vruchten van zyn loisir met verlangen tegemoet te zien.
Myn onderzoekingen leiden vooralsnog niet verder dan tot de ze-
kerheid dat de uitslag van eiken coup even onzeker is als van
alle anderen, en dat men dus alleen in \'n byzonder geval, reden
hebben zou ---------—------ te verkiezen boven m.
2
Dit geval zou aldus kunnen worden gedacht. Iemand bezit m,
en moet \'n reis doen waartoe meer dan m, doch niet meer dan
2 m (stel r) noodig is. Om het ontbrekende te verkrygen zou hy
daarom moeten schryven, doch \'t wachten op antwoord veroor-
zaakt hem o onkosten. Indien hy nu z\'n m neerlegt op de simple
chance,
heeft dit geld als mise voor hem meer waarde dan toen
hy \'t in z\'n beurs had.
By verlies namelyk, heeft hy \'n negatieve bezitting van o -f- r.
M. a. w. hy heeft niets in kas, en moet onkosten en reis be-
talen.
In geval van winst, bezit hy 2 m — r. Hy vermydt de uitgaven
voor \'t wachten, en kan de reis bekostigen.
Wanneer hy niet speelt, houdt hy m in kas doch is onkosten
en reis schuldig. Z\'n bezitting is dan: m — r — o.
Daar nu evenwel de gemiddelde waarde van die beide mogelyk-
heden, als hy wèl speelt, neerkomt op:
— o — r -4- 2 m — r                            o
-----------------------------------— m — r — —
2                                                              2
blykt er dat m, als mise op de simple chance, \'/a ° (d. i. de helft
der te maken onkosten) meer waard is dan in z\'n beurs.
Het spreekt vanzelf dat deze konklusie onjuist wezen zou indien
men — kleiner stelde dan — of —, dewyl in dat geval de kans
2
                                 74 79\'
op \'t uitwinnen van de onkosten niet zou opwegen tegen de zéro
ot refait.
Men wordt voorts uitgenoodigd het door my gekozen voorbeeld
van urgentie, uittebreiden tot voorvallen van grooter belang. Ik
sprak slechts van reiskosten, en van één zet op de simple chance.
Het ligt voor de hand dat \'n koopman er groot belang by heb-
ben kan, op \'n bepaald oogenblik te kunnen beschikken over ze-
kere som, welker verlies minder schade toebrengt dan er voordeel
kan worden verwacht van mogelyke winst. Er wordt beweerd dat
dit aan de Frankforter beurs redelyk wel bekend is, en dat het
spekuleeren in staatspapieren vry geregeld wordt afgewisseld met
het beoefenen der theorie van de simple chance. Waarom dit steeds
«onder de roos" geschiedt, begryp ik niet. De effektenlu! zullen
-ocr page 174-
170                                  MILLIOENEN-STUDIEN.
zich toch niet in \'t hoofd halen dat ze derogeeren door \'t ver-
plaatsen van hun kantoor naar de groene tafel?
Ja, dat meenen zy!
Het is koddig, pretentieus, onoprecht, huichelachtig, of misschien
in-plaats van dit alles: dom, maar \'t is zoo!
En niet effektenlul alleen. Ook andere spekulanten...
Daarvan iets in \'n volgend hoofdstuk.
-ocr page 175-
foei!
Ik begin eenigszins intezien waarom adolf my de taak oplegde
iets meetedeelen omtrent de gewaarwordingen van dien luchtrei-
ziger. Hy zal daarmee zekere oefening in \'t beschryven beoogd heb-
ben. Laat ons zien of ik van z\'n zonderlinge lessen eenige vrucht
heb getrokken. Ik erken dat de lezer recht heeft op \'n niet al te
oppervlakkige schets van wat er in \'t gemoed der spelers omgaat.
Doch zie, met gemoedskunde houden de Guides en Führer in
Wiesbaden
zich niet op. Uit die boekjes kan ik alleen overSchryven
dat de speelzalen allerprachtigst ingericht zijn. Waarom toch? Is
\'t dan zoo volstrekt noodig dat de daar aangebrachte weelde den
bezoeker sart met den toeroep: ik ben zoo zeker van m\'n winst
dat het overbodige moeite wezen zou m\'n welvarendheid te ver-
bergen.
Men moet erkennen dat dit pronken met overmacht zeer oprecht
is, en dat ook hier alweer het spel, of liever de wys waarop \'t aan
-ocr page 176-
172                                      MILLIOENEN-STUDIEN.
zulke openbare banken wordt uitgeoefend, zich doet kennen als
by-uitnemendheid eerlyk.
Onze effektenhandelaars . . . doch we behoeven de tegenstelling
nu juist niet in den papierhandel te zoeken. Liever verhaal ik \'n
klein voorval dat ik voor omstreeks tien jaren te Amsterdam by-
woonde.
Er zou \'n tabaksveiling worden gehouden in den zoogenaamden
Brakken-Grond. Zonder \'t minste voornemen om mededingen was
ik daar tegenwoordig. Het lokaal was vol makelaars en «patroons."
In-weerwil van de op adolf\'s aandrang beoefende gymnastie, zie
ik geen kans te beschryven wat eigenlyk \'n »patroon" is, en waarin
de funktien van «makelaar" bestaan. Ik geloof dat\'n makelaar...
neen, ik waag er me niet aan. Al wat is, moet wezen. Dus zal
ook het makelaarschap wel z\'n reden van bestaan hebben, en een
onmisbaren schakel uitmaken in den grooten keten die \'t Heelal.. .
Wel zeker, zonder makelaars geen Heelal. En zonder «patroons"
ook niet.
Al die onmisbaarhedens dan, liepen bedryvig heen-en-weer. Ze
spraken, praatten, fluisterden, noteerden, rookten . . . neen, rooken
deden alleen de patroons. Ieder moet op z\'n plaats blyven, zooals
de juffrouwen Pieterse zeiden. En nog \'n ander onderscheid merkte
ik op. De makelaars waren beleefder, en minder ongedwongen in
kleeding en beweging. Het kwam me voor dat er in \'t modern
liberaal maatschappelyke-standstelsel zoo omstreeks tien makelaars
op één patroon gaan. Gaarne had ik hiervan iets meer geweten,
maar \'t opensnyden zou me kwalyk genomen zyn, en ik moest dus
berusten in de niet zoo heel gemakkelyke meening dat ik \'n gansche
vergadering van wezenlyke mensen voor me zag. Fatsoenlyk waren
ze altemaal. De derde man — ik spreek nu van de patroons, na-
tuurlyk — was ouderling of diaken.
Op-eenmaal bemerkte ik dat er iets byzonders geschied was. Men
drong by-een, scheen te luisteren naar iemand die \'n bericht mee-
deelde, gaf blyken van belangstelling in \'t vernomene, en bracht
het aan anderen over. Zoodra \'t my mogelyk was een der zeer be-
dryvige lieden — bedryvig, niet zoozeer omdat ze iets verrichtten,
maar omdat ze heen-en-weer liepen als mensen die wat te ver-
richten hebben — zoodra \'t mogelyk was me van \'n oogenblikjen
aandacht meester te maken, vroeg ik naar \'t zoo belangryk schy-
nend nieuws?
—   Overstrooming op Java . . . telegram van Alexandrie . . .
tabaksoogst Rembang . . . totaal vernield!
Lezer, ik gis dat ge nu reeds het oogenblik van aankomst dier
tyding in-verband brengt met . . .
—  Wel zeker, \'n manoeuvre om de pryzen optejagen!
Zoo was het! Maar ik verklaar u, op\'t gevaar af van doortegaan
voor al té naïf, dat ik daaraan niet dacht. Dit gebrek aan — Ameri-
kaansche — smart, komt mezelf thans vreemd voor. Doch de waar-
-ocr page 177-
foei!
•73
heid is \'t dat ik, half schertsend maar geheel ter-goeder-trouw, een
der verkoopende «patronen" met wien ik in betrekking stond, geluk
wenschte met den hoogen prys dien nu waarschynlyk z\'n tabak
behalen zou. Hy liet zich dit aanleunen, en tevens dat ik —• zonder
erg nog altyd — de ontvangst van dat bericht op dien dag en
dat uur zoo toevallig noemde.
Iemand die daarby stond en m\'n woorden gehoord had — we
mogen voor zeker houden dat hy geen tabak te verkoopen had!
—   vroeg my \'n oogenblik daarna of ik inderdaad meende dat
hier toeval in \'t spel was?
Er ging me nu \'n licht op — de lezer zal vinden dat het wat
laat kwam — en ik zocht m\'n vriend, den «patroon" weer op om
hem ernstig te vragen wat er van de zaak was? «Er wordt be-
weerd dat die tyding valsch is, zeide ik, en uw eer vordert alzoo ...
— Ikzelf heb de telegram van Alexandrie, aan \'t huis S. & Cie
—  dat waren ook «patroons", natuurlyk! — gelezen, antwoordde
hy, zonder te willen treden in nadere verklaringen die ik toen ook
niet meer noodig had. Eenmaal aangespoord tot opletten ben ik
niet veel minder scherpziend dan \'n gewoon mens. \'t Ging vol-
strekt niet boven m\'n begrip dat het huis S. & O» voor gezamen-
lyke rekening met andere «patroons" \'n depêche uit Alexandrie
bestellen kon. Minder helder is \'t me nog altyd — en hierin zal
wel de verklaring liggen van de naïveteit die ik me zoo-even te-
last legde — hoe lieden die gewoon zyn te leven in zoo\'n atmosfeer
van bedrog, zich laten toppen door middeltjes die dan toch in
hun eigen kring reeds lang als versleten moesten zyn ter-zy gelegd.
Dit nu wenschte ik den lezer te verzekeren, dat nooit speelbanken
\'n cent betalen aan telegrammen uit Dodona, Dein of \'s Graven-
hage, om \'t publiek te moveeren ditmaal eens flink z\'n geld op
nummer zooveel of op een der kleuren van de groene tafel te
zetten . . .
Daar is-i waarachtig . . . m\'n tabakspatroon uit den Brakken-
Grond!
Hy treedt de speelzaal binnen met weifelenden tred, als ware
hy \'bevreesd zich vuil te maken aan den zindelyk gecireerden grond.
Mevrouw hangt aan z\'n arm, en aan den haren \'n vracht van bra-
celetten, die waarschynlyk nafamilie zyn van zoo\'n Alexandrisch
telegram. Ook lees ik duidelyk \'n Rembangsche oogstvcrnieling in
de gouden ketting die \'t mens torscht.
De lezer meene nu niet dat ik, over \'t geheel genomen, de Hol-
landsche dames beschuldig van al te «opzichtig" toilet. Doch waar
is \'t, dat m\'n Amsterdamsche tabakspatrones in uitstalling
van kostbaarheden wedyveren kon met de meest voyante dame
van de demi-monde. Dat evenwel haar prullen echt waren, en die van
de anderen soms ... nu ja, niet ieder heeft te beschikken over
\'n flinken banjir op z\'n tyd!
Och, de stumpert 1
Zyzelf zou gewis heel vreemd hebben opgezien, als ze dezen uit-
roep gehoord had. Ik rilde op-eens van medelyden.
Ziehier waarom.
-ocr page 178-
MILLIOENEN-STUDIEN.
174
Verbeeld u lezer, dat ik \'n trouwe stamgast ben van \'t Wies-
bader muzeutn. Ik heb namelyk \'n minnares in dat gebouw, en door
\'n ondeugendheid van semi-ur, dien ik heel onverwacht naast me
zag toen ik berekende hoeveel bouws tabak m\'n studie-exemplaar
om den hals droeg, nam \'t mens op-eenmaal de trekken van
m\'n beminde uit het Muzeum aan. Dit nu op-zichzelf zou geen
reden geweest zyn haar \'n stumpert te noemen — de rang van
beminde is waariyk altyd zoo laag niet! — maar . . . maar . . .
Ik zal \'t u dan maar zeggen. De myne bevindt zich sedert \'n
paar duizend jaar in den onaangenamcn toestand van skelet. Het
is of was \'n oudgermaansche dame -- ja, dame, dit zou ik kunnen
bewyzen — die zich \'n paarhonderd jaar voor Christus allerver-
drietigst verrekend heeft. Haar nog altyd prachtig-gave tanden en
kiezen wyzen uit dat ze niet veel ouder dan vier- of zes-en-twintig
jaren kan geweest zyn toen ze zich begraven liet, in de meening na-
tuurlyk, dat men haar onder den tumuliu met rust laten zou. Mis!
Nieuwsgierige oudheidzoekers matigden zich \'t recht aan haar af-
zondering te storen. De tumulus werd weggespit, men kalfaterde
zoo goed mogelyk de stukken en brokken van \'t geraamte, maak-
te van alles \'n vry volledig geheel ... en daar ligt nu m\'n vrien-
din op den rug in \'n glazen kast te-kyk voor ieder die \'t besef
heeft dat er te Wiesbadcn nog andere merkwaardigheden te zien
zyn dan de Speelbank. Gelukkig is \'t getal van dezulken zoo heel
groot niet, en ik ben zeker dat onze tabaksnian en ZED. gemalin
daaronder niet behooren.
Dit nu doet me genoegen voor hem. semi-ur mocht hem eens
den streek spelen waarop-i my vergastte naar aanleiding van . ..
nu ja, zelfs \'n gnoom heeft iets noodig als punt van uitgang, en
lykt daarby op \'n poëet. Het middel waardoor m\'n ondeugende
begeleider — als zoodanig scheen \'t mannetje me ter-zy te staan
— my in de dikke Hollandsche dame, m\'n Germaansche SARAH*)
\') De naam sarah — beteekenende heerin, rjpa, en ook, even als
Czaar en de uitgang van onzen komparatief, met dit woord etymolo-
gisch verwant — is in Europa veel ouder dan de Germaansche brons-
periode. Ze is, gelyk do meeste Hebreeuwsehe eigennamen, öf van
Keltischcn oorspong, öf van \'n wortel dien de oud-Europesche talen
met de Oosterlingen gemeen hadden. Er is me op \'t gebied van alge-
meene taalkunde dezer dagen \'n licht opgegaan waarvan ik zoodra
mogelyk aan belangstellenden een-en-ander hoop meetedeelen. Wat ik
ahnde (idee 488, 489) zal waarschynlyk tot \'n redelyk hoogen graad
van zekerheid kunnen gebracht worden. Maar . . . men moet niet bly-
ven staan by \'t Sanskrit, \'n taal die reeds door haar overkunsti-
gen bouw mangel aan Ur verraadt. Byna alles wat men tot he-
den toe als wortels aannam, is vergelykenderwyze van jongen datum.
Zeer stipt gesproken zyn er geen andere wortels dan die de mensheid
ontleende aan de natuur. Filologie die met iets anders begint dan na-
bootsing van indruk
is de ware niet. En ik geloof in-staat te zyn
daartoe alles, of zeer veel toch, te kunnen terugbrengen. Het getal
wortels, in strikten zin, is zeer gering. Onze filologen zyn te spoedig
voldaan, en meenen al heel wat opgehelderd te hebben door «aalmoes"
-ocr page 179-
foei!
175
deed zien, was haar gouden halsketting! Dat droomde \'t mens
niet toen ze zich voornam plezier te hebben van \'t zwQegen onder
zoo\'n vracht metaal!
Ach, ook m\'n arme SARAH had zware ringen om hals en pol-
sen, om de enkels. Wie kan ons zeggen hoeveel Germaansche deer-
nen haar eenmaal benyd hebben om al dat brons!
Ik bemerkte nu dat m\'n Amsterdamsche met begeerigheid werd
aangestaard door... deernen, Germaansche dan, Gallische ot Britsche.
In meer bekyk had zich m\'n SARAH nooit verheugd. Semi-ur ver-
taalde my handig den blik dien een zoo-even gedecaveerde aven-
turierster op de halsketting van de tabaksvrouw wierp: Sapristi . . ,
tout cela vaut bien trois mille francs chez ma tante! Comme je me
rdttraperais a la rouge!
Haar tante ... nu ja, dat is \'t pandhuis, gelyk ieder lezer weet.
Anders zou ik \'t hier byzeggen, omdat ik niet gaarne onduidelyk
ben.
Toen die hartelyke ongesproken uitboezeming me in \'t gemoed
klonk, dacht ik aan sarah\'s brons, omhelsde in gedachte m\'n
rammelende geliefde, en door \'n zotte konkatenatie van denkbeel-
den . . .
—  Alles is in alles, fluisterde Semi-ur.
... de sjaal viel af. De zyden japon viel af. Corsage en bovenrok
vielen af. Nog een-en-ander viel af. Het onmisbaarste . . . doch
neen, om niet indecent te worden noem ik liever wat er overbleef.
Niets!
Niets dan de ringen en de kettingen.
—  Ga voort met decentralizeeren, gebood nu de kleine Semi-ur,
alsof-i thorbecke zelfs was. Zie dóór!
Dit wilde ik wel, maar \'t gelukte niet zoo spoedig, omdat ik
door \'t vreemde schouwspel eenigszins in de war raakte. De dame
was zeer . . . lyvig, en als ikzelf niet haar zoo-even had uitgekleed,
als ik niet vry zeker ware geweest van de onmogelykheid dat ze
zich op-eens kon hebben weggegoocheld, zou ik waarlyk op \'t
denkbeeld gekomen zyn dat ze zich, om my te plagen, had laten
vervangen door \'n reusachtige termietkoningin.
De lezer weet, en daarom behoef ik ook dit alweer niet te zeg-
gen, dat de koningin der witte mieren zich voordoet als \'n vorm-
looze klomp halfgesmolten vuil kaarssmeer. Zoo nagenoeg zag m\'n
studie-exemplaar er uit, en juist was ik van plan haar te schaken ...
Zeker, \'t was zoo\'n dwaas voornemen niet, rondtereizen met die
mierenkoningin als remedie tegen de heerschappy der zinnen!
. . . toen ik op Semi-ur\'s bevel doorzag. Jawel, de huid volgde
de kleeren. Peezen, zenuwen, spieren . . . alles droop af en weg van
den vetklomp, alles op \'t goud na. De omstanders zouden zeker
verdronken zyn in den vloed van al dien afval, indien ze \'t minste
besef hadden gehad van zoo\'n zonderlinge vleeschverhuizing. Maar
afteleiden van êksij/togovrj, of «keizer" van Caesar. Er is meer te doen
op dat gebied! Dit aan \'t adres van dezulken die \'t vreemd vinden
dat ik \'n Germaansche durfde doopen met \'n aartsmooderlyken . . .
titel. Want \'n titel is het.
-ocr page 180-
176                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
de zaak deerde hun niet omdat ze niet wisten wat er voorgevallen
was. Ook scheen niemand te bemerken hoe gek het stond toen \'t
horloge van onze touriste beklemd raakte tusschen de valsche rib-
ben, en na eenige vergeefsche pogingen om zich lostemaken uit
het gedrang, slingerend te land kwam in de ruimte waar \'t mens
vroeger gewoon was heel zorgvuldig haar buik te bewaren. Nooit
vergeet ik \'t verbaasd gelaat van dat instrument ... ik spreek van
\'t horloge. Als vragend om wat opheldering stak het z\'n kleinen
wyzer naar \'t linker schouderblad uit, en telde met den grooten
de wervels van den ruggegraat. De nauwkeurige lezer kan uit deze
byzonderheid berekenen dat het vyf, zes, zeven minuten over half-
tien was, en tevens alzoo dat de gedaanteverandering juist drie
minuten geduurd heeft. Dit tydsbestek namelyk is noodig, maar
dan ook geheel voldoende, om iemand inzicht te geven in \'t ge-
halte van echt Nederlandsch burgerlyk reisfatsoen, iets anders nog
dan \'t gewone buurt en huisfatsoen. Wat my betreft, ik wist reeds
waaraan ik my te houden had toen de groote wyzer den derden
rib telde, en wachtte slechts \'n paar ribben langer om zeker van
m\'n zaak te zyn, en my te vrywaren tegen de altyd onaangename
verdenking van overyling.
By dezelfde gelegenheid bemerkte ik dat onze tabakspatroon z\'n
genegenheid had weggeschonken aan \'n exemplaar van lager anthro-
pologisch standpunt dan ieder welgeaard frenoloog aan m\'n SARAH
zal moeten toekennen. Deze namelyk mag zich verheugen in \'t bezit
van \'n fraaien Kaukazischen langschedel *) terwyl \'t geraamte in de
Kursaal zich levenslang met \'n doodeenvoudigen Kalmuks-tourani-
schen rondkop scheen beholpen te hebben. Als \'t mens er mee
tevreden geweest is, my wel! Misschien was dat ding in den kring
waar ze zich bewoog voor haar gebruik voldoende, en \'t zou dus
van kleingeestigheid getuigen haar dit kwalyk te nemen. Toch kon
ik me niet onthouden verband te zoeken tusschen de weinige moeite
die de Natuur aan haar kop had ten-koste gelegd, en zekere preuts-
heid waarmee ze neerzag op al wat haar omringde, maar vooral
op \'t betrekkelyk onschuldige rouge et noir. Dat haar gebit niet te
vergelyken was by dat van m\'n favorite in \'t muzeum, nam ik min-
der kwalyk. Ik schreef die onvolkomenheid heel goedig toe aan \'t ge-
bruik van koek en warme dranken. De zaak was wel heel leelyk,
maar raakte het ras niet.
Ras . . . ras ... ik daag elk ras ter-wereld uit, natedoen wat me-
vrouw de tabaksprinses met \'r neus deed? Ze trok hem op.
Geen anatoom zal me gelooven, maar waarachtig ze trok hem
op! My komt die manoeuvre als \'n triumf der fatsoenlykheid voor.
Onthoud dit, lezer, en beproef gyzelf uw kracht eens aan zoo\'n
kunststuk als ge godsterwereld niets meer zult aanhebben dan wat
beenderen en \'n gouden ketting. Ik zet het u in tienen.
Op-eenmaal begon ik nu intezien — en \'t was voor \'t eerst
*) Zie waartoe blinde liefde vervoeren kan! Dat geraamte in \'t Wies-
bader muzeum behoort inderdaad tot de dolichocefalen, maar ik had
ongelyk den schedel fraai te noemen, \'t Spyt me wel om sarah\'s wil,
doch waarheid bovenal: haar kop is scheef.
-ocr page 181-
foei!                                           177
niet — met hoeveel gnomen-vernuft de kleine cicerone m\'n in-
drukken en gedachten hanteerde. Eerst deed hy me verlieven op
de jeugdige kiezen van de tweeduizendjarige sarah. De schalk wilde
dat ik haar beeld voortdurend in \'t gemoed dragen zou, om door
de herinnering aan haar bronzen tooi terstond gereed te zyn tot
assimilatie by \'t zien van al dat tabaksgoud. Daarop volgde heel
geleidelyk \'t ontkleeden. Dichters en gnomen staan voor niets. De
bliksem zelf zou zich hebben laten weerhouden door \'t zyden weefsel
van haar kleed, en ik, schryver, poëet en barbaar, drong dóór...
verder, dieper ... o vesale !
Wel zeker! Als m\'n lieve SARAH daar naakt te-kyk lag in \'n
glazen kast, hoefde ik toch geen omslag te maken met dat vreemde
mens. Dit had Semi-ur precies uitgerekend, en langs dien vreem-
den maar zekeren weg leidde hy my en den lezer tot de opmer-
king:
hoe \'n fatsoenlyke Hollandsche vrouw die zichzelf en de firma
van m\'nheer respekteert, na \'t verlies van al haar spieren nog al-
tyd fatsoenskracht genoeg bezit om den neus optetrekken voor za-
ken, die ... wel beschouwd, niet zoo heel veel schandelyker zyn dan
zekere telegrammen uit Alexandrie.
De konklusie van dit hoofdstuk is alzoo: de speelzalen zyn ware
Brakke-Gronden van onzedelykheid, en de brave mevrouw FOEI
VAN DER bandjir neemt zich vast voor, al haar nichten, neven,
kennissen, buren en vereerders te waarschuwen tegen \'t verschrik-
kelyke spel. Hier, had ik vrede mee. Na \'t mens weer behoorlyk
in vleesch en kleeren gezet te hebben, liet ik haar de zaal verla-
ten in de vaste overtuiging dat ze nu precies wist »wat er alzoo
op badplaatsen voorvalt." Ze zal daarmee effekt maken op de krans:
\'n specialiteit van reis-indrukken en nauwgezette zedelykheid.
K ILLIOENEN-STUDIEN.
12
-ocr page 182-
PRIESTERS, TRUFFELS ENT SPEELBANKEN.
. . . ne sont pas ce qn\'un vain peuple penset
Zóó sprak de onnoozele Tartuffe, en omdat er anderhalf voet te-kort
kwam aan de maat, liet molière hem \'t vers aanvullen met: les
prêtres.
Lodewyk XVIII was \'n vraat, of \'n lekkerbek, of \'n gourmand,
of \'n glouton. In een of meer dezer hoedanigheden hield hy veel
van truffels. Doch zie, z\'n dokter had hem die lekkerny verboden,
omdat Z. M. wat overvoerd was en aan \'t pootje leed. Toen nu de
welmeenende geneesheer z\'n patiënt eens betrapte by \'n sterk gc-
truffelde leverpastei en zich gereed maakte tot \'n dokterlyke beris-
ping, sloot LOUIS hem den mond met . . .
De koning had groot gelyk. Wie niet weet wat-i zeggen zal,
moet citeeren. Stuart mill zegt . . .
Ach, er was nog geen stuart mill in die dagen! Lodewyk,
minder gelukkig dan onze publieksprekers in de Kamer, moest
-ocr page 183-
PRIESTERS, TRUFFELS EN SPEELBANKEN.                     179
zich behelpen met molière en z\'n al te klassiek gemaakten Tar-
tuffe. Les truffes, beste dokter, zeide hy,
les truffes ne sonl pas ce qu\'un vain peuple pense.\'
Zoo verantwoordde zich de koninklyke boeteling, en de dokter
was ontwapend. Lieve lezer, wees nu eens even inschikkelyk als
die dokter, en geloof me op m\'n woord van reis-indrukbeschry ver:
het publieke spel aan de badplaatsen is niet ce qu\'un vain peuple
pense.
De vrouw van zoo-even die zich uit verregaande bravigheid meende
te moeten bezighouden met het optrekken van het neusje dat ze
niet meer bezat . . . geloof me, die vrouw had ongelyk. De goede
God beware my voor de onhebbelykheid al m\'n lezers en lezeres-
sen zoo tot op \'t been toe uittekleeden als ik haar deed. Maar \'n
klein hoekje wil ik toch opligten van den jurk waarmee de wereld
veel leelyks bedekt. Ik wenschte dat de alkeer waarmee men fat-
soenshalve \'t hazardspel beschouwt, \'n redelyken grond had. Hier-
uit namelyk zou te besluiten zyn dat er buiten de speelzaal \'n
maat van cerlykheid en loyauteit gevonden wordt, die \'t minachten
van wat daarbinnen voorvalt rechtvaardigen zou. Maar ... dit
is zoo niet! Evenals de geringste myner lezers heb ik veel onder-
vinding, en al sta ik in opmerkingsvermogen en scherpzinnigheid
eenigszins beneden al m\'n landgenooten — Haagsch Kamerpeil —
zal men my toch eenig recht van beoordeeling toekennen omtrent
zaken die ik onderwierp aan \'n gezette studie, gelyk men bemer-
ken zal dat ik met het spel en . . . wel eens met sommige andere
dingen gedaan heb.
Het komt me dan voor dat de openbare speelbanken, ook in
stelligen zin, doch vooral vergelijkenderwijze, zaer eerlyke loyale
inrichtingen zyn.
Sedert eenigen tyd is \'t mode geworden op die banken te schel-
den. Moralizeerende couranten wedyveren daarin met gedecaveerde
spelers. De eersten tasten het spel in principe aan. De laatsten
beweren dat het onlangs »by gelegenheid van die fameuze déoeine
onmogelyk zuiver kan toegegaan zyn!"
Op- en aanmerkingen van de laatste soort, wil ik \'t eerst beant-
woorden.
Ieder speler meent dat hyzelf \'n soort van mikpunt voor de sla-
gen van \'t lot is. Deze waan is kinderachtig, hoogmoedig, bekrom-
pen maar ... ze heerscht overal. »Dat nu ook juist my zoo\'n
vreemde samenloop treffen moest!" heet het. In dit ojuist my" ligt
het zwaartepunt van de dwaling. Wie z\'n persoonlyk belang weet
te abstraheeren en met wysgeerige onverschilligheid het geheel
overziet, zal bemerken dat het »lot" niet de minste notitie neemt
van ieders ikheid, en met koude rechtvaardigheid z\'n slagen of
gunstbewyzen rechts en links uitdeelt naar de wet van oorzaak en
gevolg. De loop der kansen leidt tot evenwicht, doch deze balans
kan niet worden verkregen dan door stipte verrekening van ein-
delooze afwykingen. Indien nu zulke afwyking \'n speler benadeelt,
komt het hem voor, eerst dat juist hy zoo byzonder ongelukkig is,
-ocr page 184-
180                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
en later beschuldigt hy de Speelbank van oneerlykheid. Toch zyn
zoowel het »lot" als die Bank volkomen onschuldig.
Om van het eerste overtuigd te zyn behoeft men zich slechts \'n
weinig toeteleggen op de kennis der arithmetische verhoudingen.
Het arme »lot" kan niet rechtvaardig wezen omtrent allen zonder
telkens den eenling tydelyk te benadeelen, en daar nu elk op z\'n
beurt de rol van dien eenling vervult om z\'n billyk aandeel te le-
veren tot de harmonie van \'t geheel, meent ieder dat juist hy de
uitgekozen wryfpaal is voor de nukken van \'t zoogenaamde toeval.
Deze meening verraadt wel gebrek aan doorzicht, maar is op-
verre-na nog niet zoo dom als de klacht over oneerlykheid van de
Bank. Men verliest uit het oog dat de Bank met het voor- of na-
deel van eiken speler op-zichzelf beschouwd, volstrekt niet te maken
heeft. A zet op rood, B op zwart. Eén der beide kleuren — van.
zéro of refait spreek ik nu niet — komt uit. De Bank behoeft al-
zoo de inzetten van A en B slechts by elkaar te schuiven en toe-
tewyzen aan den speler die op de winnende kleur gezet heeft. Het
is haar volkomen onverschillig aan wien dezer twee zy de som van
die beide mises uitbetaalt. Dat dit niet of niet voortdurend ieder
in \'t oog valt, .wordt veroorzaakt door de aanhoudende afwisseling
der personen die gezamenlijk voorstellen wat ik nu gemakshalve
A en B noemde. De som der zetten aan de roode zyde bedraagt
op den duur juist zooveel als de som der zetten aan den zwarten
kant, en daar nu — tevens: op den duur — rood evenveel keeren
wint als zwart, is de Bank slechts de tusschenpersoon die óf de in \'t
begin verloren mises bewaart om ze aan later winners uittebetalen,
öf die — indien de speler met winnen begint — het noodige voor-
schiet tot op \'t oogenblik dat verliezende spelers haar dat bedrag
rembourseeren. Dat de verrekening van deze sommen meermalen
eenige uren, dagen, ja misschien soms weken, wordt uitgesteld, ligt
in de rede, doch dat die verrekening vroeg of laat plaats vindt,
is zeker.
Gesteld dat \'n speler die een goudstuk opzette, negen keer achter
elkander wint, zonder iets van de daardoor telkens verdubbelde
mise terugtenemen, dan zou hy 5110 gulden gewonnen hebben.
Daar het maximum der mise 4000 gulden is, moet hy nu, indien
hy wil voortgaan zoo hoog mogelyk te spelen, 1110 stukken van
de massa afnemen. Stellen wy dat hy daarna nog twintig keeren
wint, dan heeft de Bank ruim tachtigduizend gulden verloren, d. i.
voorgeschoten. De veine van dien eenen speler wordt langzamerhand
geboet, öf door hemzelf als-i doorspeelt, óf door \'n ander, óf door
vele anderen gezamenlyk. Het gebeurt soms dat zulke veines, in-
plaats van terstond door tegen- veines te worden veronzydigd, elk-
ander opvolgen, maar dit verandert niets aan den loop der zaak
in \'t algemeen beschouwd. Het kapitaal van de Bank is groot ge-
noeg om \'t hoofd te bieden aan alle binnen de grenzen der waar-
schynlykheid gelegen afwykingen. Ze heeft dus den tyd tot afwachten
van de likwidatie der kansen die gewis komen zal.
Deze likwidatie zou evenwel onmogelyk wezen zonder \'n aaneen-
schakeling van tegenspoed voor sommigen, die dan niet inzien dat
zy de terugbetaling leveren van wat de Bank aan anderen — aan.
-ocr page 185-
PRIESTERS, TRUFFELS EN SPEELBANKEN.                     l8l
henzelf misschien in gelukkiger oogenblikken — heeft voorgescho-
ten. En, omgekeerd, waar zulke hier veronderstelde groote winsten
niet behaald werden, moet de schijnbaar onregelmatige tegenspoed
der spelers dienen tot verevening van gelukkige kansen die later
zullen opdagen. Dat zulke betere kansen niet juist altyd, of liever
zelden, aan dezelfde persoon ten-deel vallen die bydroeg tot de
betaling, verandert niets aan de verhoudingen van het spel in \'t
algemeen. Wie met winst begint, kan later verliezen. Doch de kans
op later winst van iemand die met verlies begon, is veel geringer.
Deze verloor soms den moed, doch byna immer de noodige mid-
delen,
om voorttegaan en de verevening aftewachten. Hierin ligt
dan ook de doorgaande overmacht van de Bank. Waarschynlyk
zouden haar dividenden veel lager zyn indien zy zich met het uit
zéro en refail voortvloeiend kassiersloon moest vergenoegen. De
betrekkelyk kleine kapitalen waarover ieder speler te beschikken
heeft, zyn niet bestand tegen de nadeelige afvvyking die ieder op
z\'n beurt treffen moet, terwyl de Bank, altyd kunnende doorspelen,
verzekerd is \'t verlorene vroeger of later te zullen terugwinnen.
Een treffend* voorbeeld is daarvan, volgens de couranten, gele-
verd door zekeren GARCIA, \'n speler die door aanhoudende veine
— tydelyke afwykingen slechts in \'t nadeel van de Bank —
eenige millioenen gewonnen had. De man speelde door, en einde-
lyk keerde de kans. Er bleek nu dat de Bank hem die millioenen
slechts eenige maanden geleend had. De afvvyking van kans her-
stelde de gelykheid door even hardnekkig omteslaan naar de bank-
zyde als ze vroeger aan GARCIa\'s kant geweest was, en de man
verliet Homburg, naar men my verzekert, zonder \'t minste vermo-
gen. Ik las onlangs in de courant dat die schlungelhans op groote
schaal thans Kellner is in \'n kroeg te Monaco. Sic transit!
Nogeens herhaal ik hier de opmerking dat de door \'n speler
behaalde winst, even als in dat voorbeeld, gewoonlyk door hemzelf
weder verloren wordt, terwyl de likwidatie van het door hem ge-
leden verlies — omdat hyzelt niet kan doorspelen — ten-voordeele
van andere spelers plaats heeft, die evenwel op hun beurt ook weer
met verlies eindigen. Doch er bestaat niet de minste grond om
by \'n zoo natuurlyk te verklaren loop van zaken aan oneerlykheid
te denken. Indien de bankdirektie invloed op de coups uitoefende,
zou zy immers de winst van dien GARCIA niet zoo hoog hebben
laten oploopen, op \'t gevaar af dat hy zich eensklaps met z\'n buit
verwyderd had.
Zoodra men de administratie der speelbank beschouwt als ver-
bindingspunt tusschen de spelers onderling, vervalt alle verdenking
van deloyauteit. Misschien beweert die GARCIA ■— \'n schelm: hy
werd te Parys veroordeeld wegens diefstal in den eerde van den
hertog de grammont-caderousse — misschien beweert hy dat
het verliezen der — toch eerst door hem gewonnen — millioenen,
op oneerlyke wys plaats vond. Dit is zoo spelersmanier. Maar,
eilieve, waarom liet hem dan de Bank dat geld winnen? En meer
nog. Gesteld dat men hem later op oneerlyke wys al de door hem
gezette mises\'wist te doen verliezen, wie of wat belette dan\'t ove-
rige Publiek tégen garcia te zetten, e» aldus zooveel of meer nog
-ocr page 186-
182
MILLIOENEN-STUDIEN.
van de Bank te halen als die speler in z\'n winstperiode van haar trok ?
Doch bovendien, de wyze waarop onder de oogen van \'t Publiek
de kaarten worden gemengd, gecoupeerd en gelegd, laat geen be-
drog toe. By de roulette is \'t zelfs vergund z\'n mise te plaatsen
nadat cylinder en kogeltje in beweging gebracht zyn, zoodat \'n
croupier die belast was niet de oneerlyke poging om invloed uitte-
oefenen op den loop en \'t vallen van den kleinen kogel, niet eens.
tydig weten kan hoe hy dien invloed zou moeten besteden om den
speler te benadeelen. Kort voor den val van \'t balletjen ook, kan
men de mise naar willekeur nog verplaatsen.
En al v are dit alles zoo niet, al kon de Bank haar talryke ge-
employeerden africhten tot oneerlykheid, dan nog zou zyzelf daar-
van \'t eerste slachtoffer wezen. Ligt het niet in de rede dat die
geêmployeerden door middel van compêres terstond zouden misbruik
maken van hun gevaarlyke handigheid? Een croupier die de kunst
verstond het Publiek te bedriegen ten-voordeele van de Bank, zou
al \'n zonderlinge schelm moeten zyn als-i z\'n schelmery niet toe-
paste in eigen voordeel. Stipte eerlykheid is dus voor de speelban-
ken \'n voorwaarde van bestaan. Dit wat de loyaliteit aangaat van
die inrichtingen op-z:chzelf beschouwd.
En vergelykenderwyze ?
Het is my \'n raadsel hoe men, achtslaande op den toestand van
de wereld in \'t algemeen, zich verontwaardigd durft toonen over
het bestaan der speelbanken! Is dit kortzichtigheid? Domheid? Of
moeten wy dat angstvallig uitziften van de mug en \'t slordig door-
laten van kerneis toeschryven aan huichelary?
Gy die voorgeeft zoo byzonder innig te gruwen van \'t rouge et
noir,
weet ge dan niet wat er dagelyks in uw eigen kring en «aast
u voorvalt? De administratie en de aandeelhouders van zoo \'n
Speelbank trachten winst te behalen. Dit hebben ze met alle andere
ondernemers en spekulanten gemeen. Maar vindt men ergens zoo-
veel oprechtheid in \'t omschryven der verplichtingen ? Zooveel
stiptheid in \'t nakomen?
Met welke onderneming op financieel gebied ook men de Speel-
banken vergelykt, nergens zal ieder die daarmee in aanraking komt
zoo zeker kunnen staatmaken op de vervulling van \'t uitgeschreven
program. Nergens ook worden de rechten der geldstorters duide-
lyker en bondiger omschreven. De Bank lokt niet aan door voor-
spiegeling van winst. Integendeel, daar zy den aandeelhouders
hooge dividenden toezegt, en die inderdaad uitbetaalt, waarschuwt
zy eiken speler dat hy verliezen moet. Ze omzwachtelt niet — als
de uitschryvers van Slaaldeeningen! — de eenvoudige arithmetische
waarheid met \'n tal van voorwaarden die \'t Publiek in de war
brengen. Ieder kan nauwkeurig weten wat hem te wachten staat.
Wie zooveel op \'n kans zet, zal öf dien inzet verliezen, of zooveel
ontvangen. O\'est a prendre on a laisser. Nooit gekibbel. Nooit chicane.
Nooit ook de minste poging om iemand overtehalen tot het wa-
gen van z\'n geld.
Men heeft meermalen de Bank beschuldigd van . . . ongevoelig-
heid. »Die croupiers stryken \'t verloren geld met yskoude onver-
schilligheid weg" heet het. Eilieve, wilde men dat ze belangstelling
-ocr page 187-
PRIESTERS, TRUFFELS EN SPEELBANKEN.                     183
voelden of toonden ? Belangstelling in wie, in wien ? In den speler
die op zwart gezet had toen rood won ? Maar dan zouden zy tege-
lykertyd zich moeten verheugen over de winst van anderen die op
rood hadden gewed. By eiken zet zouden ze \'t van hen gevorderd
»menselyk gevoel" zoo zonderling moeten splitsen dat de poging
daartoe inderdaad even belachelyk wezen zou als \'t slagen onmogelyk.
Gyzelf, lezer, zyt gy zoo byzonder gevoelig ? Maak u dan gereed
tot het ondergaan van \'n aaneengeschakelden reeks van indrukken,
treurige en blyde, maar treurige het meest. Di>izenden millioenen
mensen moesten sterven om uw bestaan mogelyk te maken. Het
is nu eenmaal zoo dat we zyn als kerkhofsbloemen die sappen,
bloei, geur en tint opzuigen uit verrotting. Gedurende den tyd dien
ge aan \'t lezen van één bladzy dezer Studiën besteedt — \'n paar
minuten slechts! — blazen honderden uwer natuurgenooten den
laatsten adem uit. Treurt ge niet?
Het is waar dat er gedurende diezelfde oogenblikken even-zooveel,
en meer nog, geboren werden, wat trouwens onmogelyk wezen zou
zonder \'t sterven van die anderen. Verheugt ge u niet ?
Of verrekent ge het debet en kredit van die aandoeningen »met
gesloten beurs." Zeker! Geen gemoed zou in-staat zyn al de in-
drukken te verwerken die de wereld hem opdringt. We zyn ge-
woonlyk reeds al te zwak in \'t besturen en gebruikmaken van wat
onszelf rechtstreeks aangaat. Waar zou \'t heen als we bovendien ...
Eilieve, waarom dan die croupiers hard gevallen over de onver-
schilligheid waarmee ze den inzet van A doen overgaan in \'t bezit
van B ? Zy kennen beide personen zoomin als gy den Chinees kent,
die op dit oogenblik . . .
Daar sterft waarachtig \'n neger ook ... en \'n Hongaar . . .
en \'n Duitscher . . . \'n Franschman . . . \'n Hollander . . . nog
een . . . nog een . . . nog een . . .
Lieve hemel, ik wilde iets vertellen over den dood van dien Chi-
nees . . . hy is reeds vergeten, en werd bedolven onder \'n tal van
dooden dat sneller aangroeit dan m\'n pen kan byhouden. Treurt
ge niet, lezer?
Laat ons oprecht zyn, en niet verwachten dat zeer gewone men-
sen, in zeer gewone betrekking — wat toch zyn ze anders dan ge-
employeerden op \'n kassierskantoor? — zich zouden te-buitengaan
aan \'n sensiblerie die onszelf weldra bespottelyk voorkomen zou.
En onze m\'nheer A die misschien vordert dat men tranen wydde
aan z\'n verloren mise . . . laat hem eens aan partner B vragen of
deze tevreden wezen zou met het niet uitbetalen of \'t beknibbelen
van z\'n winst ? Zeker neen ! Uit welke bron zou die winst geschept
moeten worden, hoe zou de volledige betaling van \'t gewonnene
mogelyk wezen, als er geen verliezers waren?
De klacht over de werktuigelyke ongevoeligheid van zoo\'n Bank
is kinderachtig niet alleen — spelers zyn kinderachtig — maar
men zou reden tot klagen hebben, en tot aanklacht zelfs, zoodra
ze blyk gaf van belangstelling. Juist door zich hiervan te onthouden
is zy de meest zuivere vertegenwoordigster van wat wy «toeval"
noemen, van de natuur. Ook deze immers laat den noodzakelyken
schakel tusschen oorzaak en gevolg niet breken uit medelyden, uit
-ocr page 188-
184                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
ingenomenheid met dezen of genen, uit zwak toegeven in onze
wenschen, hetgeen dan ook nooit zou kunnen geschieden zonder
onrechtvaardigheid jegens anderen. Ze doet wat ze moet. Ze laat
zonder aanzien des persoons elk voorval voortschryden op den weg
dien alle voorafgaande gegevens het opdreven. Oude wysgeeren
vonden in deze onverbiddelykheid iets zoo verhevens, dat ze juist
dit ttnxet aanzien van personen" als een der goddelyke eigenschap-
pen hebben voorgesteld, en te-recht !\'
Maar ik behoef niet zoo hoog te grypen om de Speelbanken in
bescherming te nemen tegen ziekelyke of huichelachtige moralistery.
Sedert eenigen tyd is men hier-en-daar — misschien naar aan-
leiding der schandaleuze zaak van LANGRAND — eenigszins wakker
geworden. Maar nog altyd verheugen zich over \'t algemeen de
zwendelaryen van de soort als waartegen ik voor vele jaren reeds
waarschuwde *) "is beschamenden bloei. Het is koddig, en tege-
lykertyd treurig, aantezien hoe men in \'n maatschappy die tot
zulke zaken gewillig het terrein levert, laag durft neerzien op het
eerlyke spel.
Om deze kwalifikatie te rechtvaardigen behoeft men slechts den
toestand van den speler op de eenvoudigste wys te omschryven.
Hy koopt voor zekere premie — zéro en refait — de kans om
zekere som o malen verhoogd te zien tegen a kansen die som te
verliezen.
Heeft hy ongelyk \'t zékere bezit van z\'n geld bloottestellen aan
de onzekerheid dier beide mogelykheden, dit is zyn zaak. Het mag
niet verweten worden aan de Bank die hem niet de minste voor-
deden beloofde. Zy bedong slechts haar administratieloon, zonder
iemand overtehalen z\'n geld te wagen, noch hem voortepreeken
op welke kans hy dit het voordeeligst wagen kan.
Wie nauwkeurig achtslaat op de heerschende begrippen over
zedelykheid, en die toetst aan de handelingen der mensen, doet
\'n droevige ervaring op. Even als wy gewoonlyk in boeken nogal
ver afwyken van de geschreven volkstaal, worden er in schryvery
en in vals-deftige gesprekken zekere konventioneele begrippen voor-
gewend die in de werkelykheid of niet bestaan, of maar zeer zel-
den worden toegepast. Ik zou niet durven beweren dat dit juist
altyd aan huichelary moet worden toegeschreven. Deze ondeugd
toch vordert talenten die niet aan velen gegeven zyn, en zekere
inspanning, waaruit dan ook volgt dat er minder huichelaars zyn
dan men gewoonlyk meent. De ware oorzaak van de overal bly-
kende afwyking tusschen zeggen en doen, zal wel hierin liggen dat
men tot slechte handelingen zich vervoeren laat van-Ueverlede. Al
zy het dan dat dit niet geheel onbemerkt geschiedt, men kan zich-
zelf gedurende eenigen tyd diets maken dat de rechte weg niet
verlaten is, of althans meer of min moedwillig daarvoor de oogen
sluiten. Het ronduit goedkeuren van iets verkeerds evenwel, zou
moeten plaatshebben in één oogenblik, en vereischt alzoo \'n meer
") In nummer 451 der ideen.
-ocr page 189-
PRIESTERS, TRUFFELS EN SPEELBANKEN.                     185
brutale, min geleidelyke miskenning van het goede. Een diefstal,
byv. kan, wat de logische aaneenschakeling van aandrift, voorne-
men en uitvoering aangaat, verdeeld zyn over vele dagen of weken,
terwyl de uitdrukking: «stelen is geoorloofd\'\' zekere oogenblikke-
lyke verkrachting van \'t zedelykheidsgevoel vereischen zou, waartoe
weinigen in-staat zyn. Vanhier dan ook dat het woord: »gy zyt
\'n dief!" den betrokkene altyd in de ooren klinkt als \'n onrecht-
vaardige uitspraak, en voor \'n beleediging geldt in alle gezelschap-
pen, zelfs in een tuchthuis.
Indien we met omkeering van de oude wapenspreuk: fays ce
que dis!
ons konden aanwennen alles te durven zeggen wat we
mondjesmaat durven doen, zou er veel gewonnen zyn. Dan eerst
ware er \'n nuttig debat over meeningen mogelyk. Thans echter
zyn we \'t over braafhedens en deugdprincipes zoo volkomen eens ...
in de boeken, dat er veel te weinig wordt gelet op de vraag: of
al die schryvery wel in overeenstemming is met de werkelykheid ?
We zyn door klank van frazen bedorven, en laten ons oordeel in
slaap wiegen by \'n deun, die niet eens welluidend behoeft te zyn
als ze maar door gedurige herhaling gelyken tred houdt met onze
tot geloovig aannemen voorbeschikte vatbaarheid. »God is . . .
Wie daarop volgen liet: »klein, koppig, lastig, groen, vierkant,
kluchtig of abrakadabra" zou zekeren schok teweegbrengen die ons
hindert, last veroorzaakt, pyn doet. Het onverwacht afwyken van
den bekenden deun veroorzaakt iets als de onaangename gewaar-
wording van \'n plotseling omzien ten-gevolge van schrik, of van
\'t op-eens gestuit worden in snellen loop. \'t Geheele verschynsel
komt neer op afkeer van \'t brusk aanranden onzer traagheid.
»Het verfoeielyke spel . . . het noodlottige spel . . . het ver-
vloekte spel" ... dit alles zyn geykte termen, minder onjuist —
dit erken ik — dan \'t bepalen der grootheid van \'n God wiens
eigenschappen ons onbekend zyn. Maar dat de afkeer van het spel
voor \'n groot deel is toeteschryven aan invloed van den deun waarop
die opinie nu eenmaal gezet is, houd ik staande.
Het ware te wenschen — ik zeide dit reeds — dat we \'t recht
hadden zoo laag neertezien op \'n verkeerdhcid die vergelykender-
wyie
onschuldig heeten mag. Onze moraliteit schikt zich op met
puriteinsche lappen om vuile wonden te verbergen.
Het is opmerkelyk hoe ver het berusten in zoo\'n deun zich uit-
strekt. Wy weten nu eenmaal dat het meerendeel der mensen
door verwaarloozing van \'t denkvermogen z\'n eigenlyke roeping
verkracht. Maar voorgangers, wysgeeren, wetgevers, dichters, zy
die \'t nasporen van waarheid tot hun vak kozen? Van hen toch
ware iets beters te verwachten. In-plaats daarvan stuit men overal
op schandelyke oppervlakkigheid. In oude en nieuwe tyden heerscht
de hebbelykheid zich met \'n machtspreuk van opgeworpen vraag-
stukken aftemaken, en \'t is bedroevend aantezien hoe de niet zeer
heilbegeerige gemeente by-voortduring blyk geeft zich daarmee
tevreden te stellen.
Zelfs SOKRATES, die zelf zoo goed wist hoe hy vragende z\'n te-
genstanders kon doen aanlanden op \'n beschamend concerto, zou
meermalen te-kort geschoten zyn als men zyn methode van debat
-ocr page 190-
186                               MILLIOENEN-STUDIEN.
had toegepast op z\'n eigen stellingen. Wat zou JEZUS geantwoord
hebben, als men hem gevraagd had — en daarop kwam de zaak
neer — Rabbi, wat is des Keizers? Of: wie zal rechtspreken, indien
alleen de onzondige daartoe bevoegd is? Of: hoe wordt door op-
somming van de velerlei wyzen waarop \'n man zich ongeschikt
maken kan tot de voortteeling, de juiste waardeering van \'t huwe-
lyk bevorderd? (idee 182)
Dergelyke vragen zyn er honderden te doen. Het heeft byna
den schyn alsof ten-allen-tyde de voorgangers der Volkeren zich
niet zoozeer ten-doel stelden den mensen heldere begrippen mee-
tedeelen, als wel hen afterichten tot gewoon raken aan duisterheid.
By onze nieuwere moralisten is dit niet beter gesteld. Sedert jaren
zoek ik te-vergeefs naar oplossing van de tegenstrydigheid hoe men
te-gelyker-tyd werken kan doen verschynen over exakte wetenschap
— waarby dan toch het 2 X 2 = 4 als erkend verondersteld
wordt — en zoogenaamd zedekundige opmerkingen of vertoogen
die de logische waarheid brutaal in \'t aangezicht slaan?
Niemand zou durven verkondigen dat \'n driehoek vier zyden
heeft, maar wel mag larochefoucaui.d de huichelary voorstellen
als \'n hulde die de ondeugd aan de deugd bewyst. Wel magOP-
zoomer —■ iemand die zich liet aanstellen tot \'n hoogleeraar in
de wysbegeerte! — den Volke verkondigen dat »God het beginsel
van de Rede is." *)
Voorbeelden van dergelyke . . . slordigheid, heb ik voor \'t gry-
pen. Indien ik hier met den lezer sprak en wel met iemand dien
\'t inderdaad om waarheid te doen was,
zou ik hem voorstellen my
naar zyn keuze \'n stuk voorteleggen, waarin eenig zedelyk principe
verkondigd of \'n zielkundig vraagstuk behandeld wordt. Ik neem
aan, hem overal blyken te toonen van de waarheid myner stelling:
dat er misbruik wordt gemaakt van de gemakzuchtige hebbelyk-
heid om klank aantenemen voor iets wezenlyks.
Nog altyd verkeeren duizenden en duizenden in de meening dat
er op \'t gebied van algemeene wysbegeerte iets degelijks werd te-
berde gebracht door mannen als professor kant, e. d. Dit is \'n
treurig verschynsel.
»Als ik met den lezer sprak." Maar dit is nu eenmaal zoo niet.
En als ik \'t woord richtte tot iemand t>dien \'t inderdaad om waar-
heid te doen was."
Dit komt zelden voor. Altyd blyft het \'n bezwaar
dat ik om m\'n stelling te betoogen door voorbeelden, die zelf zou
moeten kiezen, \'tgeen den indruk^ verzwakt, daar \'t allicht den
*) De dwaling van lauochefoucauld heb ik reeds ergens in m\'n
ideen aangeroerd. En wat de zotterny van opzoomer aangaat, vcrwys
ik naar zeer vele bladzyden uit den III" bundel, waar ik \'t godsbestaan
behandel. De wysgeerige professor schynt niet intezien dat hy z\'n God
een slechten dienst bewyst door hem te benoemen tot yibeginsel van
de Rede" dewyl juist deze hoedanigheid hem beletten zou met die
Rede homogeen te zyn, daarbuiten plaatst, en alzoo daartegenover, wat
ten-slotte neerkomt op redeloosheid, op krankzinnigheid, q. a. Precies
in\'n idee!
-ocr page 191-
PRIESTERS, TRUFFELS EN SPEELBANKEN*.                     187
schyn hebben zou alsof ik my in de keuze had laten leiden door
vooroordeel. Sommigen immers zouden altyd meenen dat ik mij te
beau jeu gaf door \'t aanvallen, byv. van verouderde bybelsche mo-
raal, of schools-duits-wysgeerige mystiekery. Liever dus iets meer
dagelyks, iets eenvoudigs. Ik zoek ... ik zoek . . .
Misschien zal zich in \'n volgend hoofdstuk wel \'n geschikt voor-
beeld van valsche moraal aan m\'n pen opdringen, waaruit dan te-
vens zal kunnen blyken dat ik onder de dingen qui ne sont pas
ce qu\'un vain peupJe pense,
tusschen truffels, priesters en speelban-
ken in, heel gevoegelyk \'n plaatsje had kunnen inruimen aan schry-
vers.
De lezer gelieve voorloopig genoegen te nemen met \'n kleine
vertelling die hem in kennis brengen zal met \'n bondgenoot in af.
schuw van \'t verderfelyke spel.
-ocr page 192-
VIEUX-DELFT EN MORAAL.
Hy was \'n oudheidkenner, en als zoodanig dan ook kwam ik
met hem in aanraking. Wy ontmoetten elkander op \'t kerkhof by
de zoogenaamde »alte Kirche" op den heuvel ten Z. O. van Son-
nenberg. Tot specialiteit had hy antieke en middeleeuwsche oor-
logskostumen en vernielingswerktuigen gekozen. De man was ex-
pert in stormrammen, balisten en katapulten, in jambards, bras-
tsards, godendars
en miséricordes *) Ook deed-i in »Vieux-Délft."
Over al die dingen had hy boeken gesebreven.
*) Miséricordes heetten de korte dolken waarmee men den ter-aarde
geworpen vyand afmaakte, tenzyd-i om genade bad. Misschien ook, al
bad hy om genade. Tot dit slachterswerk was \'n kort wapentuig noodig,
omdat men met andere gereedschappen niet zoo goed de voegen van
\'t harnas vinden kon. Godendars is een der vele Waals-Fransche verbas-
teringen van den Nederlandschen goedendag, \'n soort van knuppel. Men
vindt ze ook genoemd godendacs, goudendars, godendaz. Wie hiervan
meer weten wil, wordt verwezen naar huydecoper\'s schoone uitgave
Van Melis Stoke, uitg. 1772, deel III blz. 81, vlgg.
-ocr page 193-
VIEUX-DELFT EN MORAAL.                                   189,
Op \'n wandeling naar de overblyfselen van \'t Romeinsche Castel-
lum
te Rambach, wandelden wy de Kursaal voorby, en \'t spel
kwam ter-sprake. Tot z\'n groote verwondering keurde ik eenvouT
dig die uit- of inspanning af, zonder heel hartstochtelyk intestemmen
met al de verwenschingen die hy de üTur/ta«s-direktie naar \'t hoofd
wierp, en de Regeering die zulke zaken duldde. Daar hem van
m\'n streven, werken en stemming een en ander bekend was, meende
hy hieruit \'n reden van bevreemding te mogen putten over de
kalmte waarmee ik z\'n verontwaardiging beantwoordde. Hy ver*
wonderde zich bravelyk dat ik niet heviger was in m\'n uitdrukkingen,
—  Est-il possible qite vous . . . vous qui éles moraliste . . .
—   Ja, zei ik, ik ben moralist. En juist daarom ... ik vind
dat spel zoo heel erg niet.
En daarby bleef het dien dag.
M\'n nieuwe kennis was \'n Duitscher die sedert \'n dertig jaren
Parys bewoonde, en in die stad, naar-i my verzekerde, een muzeum
bezat dat wel \'n halfmillioen franken waard was. Uit Parys ver-
dreven by \'t begin van den oorlog, wachtte hy den vrede af om
zoodra mogelyk z\'n schatten overtebrengen naar \'n beschaafder
land. Intusschen vermaakte hy zich zoo goed mogelyk met het op*
sporen en waarnemen van de oudheden die de omtrek van Wies-
baden oplevert. Maar hy ging te diep gebogen onder z\'n specialiteit
om \'t rechte te genieten van Romeinsche kastelen en Germaansche
graven. Ingestorte aardheuvels *) kalk en steen, kammetjes van
Romeinsche onderofficiersvrouwen, grafsteenen met den staat van
militairen dienst der overledenen . . . och, dit alles was voor onzen
man \'t ware niet. Om zich gelukkig te voelen had- i Delftsch por-
selein, yzeren harnassen en wapenhoeden noodig. Het Wiesbader
muzeum — ook voor zyn vak overigens hoogstbelangryk — kende
hy spoedig van-buiten, en ik verdenk hem van minachting voor
de beide daar bewaarde Romeinsche soldatenschoenen, omdat er
geen sporen aan zyn. **) Ce n\'est que de l\'infanterie, zeide hy. Bo-
*) Ingestort na \'t omwoelen. Zelden of nooit vindt men \'n tumutux
ongeschonden. Wat men daarin vond, ligt in \'t muzeum.
**) Een dier schoenen is blykbaar van \'n kind, \'n enfant de troupe
waarschynlyk, van \'n caligulaatje. Bedoelde schoenen staan in den ka-
talogus als van Romeinsche soldaten genoteerd, en dit kan in-zoover
juist wezen dat ze gedragen zyn door individuen die tot \'n Romeinsch
legioen behoorden, doch eigenlyke Romeinen zyn hier, buiten de be-
velhebbers, slechts zeer weinig geweest. De Romeinsche legers beston-
den uit krygslieden van den Romeinschen Staal, die in allerlei gewesten
waren byeengeraapt. De lyksteenen, die gewoonlyk den landaard der
overledenen opgeven, wyzen dit uit. Men vindt Pannoniers, Rhetiers,
Dooiers, Illyriers,
enz. doch eigenlyke Romeinen, of zelfs Italiers, maar
zeer zelden.
Noot van 1878 Sedert ik \'t bovenstaande schreef, zyn er veelmeer
schoenen van Romeinsche soldaten gevonden.
»
-ocr page 194-
ICJO                                             MILLIOENEN-STUDIEN.
vendien, men vindt in dat muzeum geen » Del ft." Niet het minste
schoorsteenticheltje. Dit scheen hem zeer te hinderen, want: croyez-
mois, en fait d\'archéologie, du
vieux-Delft avant tout!
Nu weet ik wel dat alle smaken in de natuur zyn, maar \'t ligt
in myn natuur te willen doorgronden waarom sommigen \'n zon-
derlingen smaak hebben.
Ik liet dus m\'n archeoloog voor my pozeeren, en beloofde mezelf
hem niet lostelaten voor ik den terp had omgewoeld waarin hy
z\'n byzondcre voorliefde voor Delftsch aardewerk bewaarde. Ik lette
aandachtig op alles wat hy omtrent oude wapenrustingen meedeelde,
en stond meermalen verbaasd over de nauwkeurigheid van z\'n
kennis. Op zeer weinige jaren na wist hy de ouderdom van elk
stuk te bepalen. De vorm van \'n staafje, spykertje, schroefje,
scheen hem landaard en dagteekeningen, ja, heele perioden uit de
geschiedenis toeteroepen. Hy las in de platen, ringen of schubben
van \'n pantser, als waren \'t Enkhuizer almanakken geweest. De
lezer zal me wel genoeg scherpzinnigheid toekennen om te ge-
looven dat ik z\'n opgaven kontroleerde, of althans genoeg waar-
heidszin om dit te beproeven. Hy vond dit aangenaam, en was
zeer in z\'n schik met de hulde die ik wel genoodzaakt was te bren-
gen aan z\'n zaakkennis, maar:
—  Hélas ... si novs avions du vieux-Delft ici!
Dit moest beteekenen dat-i my in dat vak nog grooter reden tot
verbazing geven zou. By-gebreke van ticheltjes in natura, sloeg-i
my \'n kursus voor in de werken die hy over die zaken geschreven
had. Ik leerde daaruit juist genoeg om intezien dat m\'n roeping
elders lag. Hoogstens interesseerde my de opmerking hoe weinig
onze ouwelui konden voorzien dat die leelyke potjes en schoteltjes,
die wanstaltige pagoodjes, en die Chinees-Hollandsche poppen op
de schoorstcentegeltjes, eenmaal stof zouden leveren tot ontwikke-
ling van zooveel geleerdheid als m\'n vriend daarby wist te-pas te
brengen. En niet alleen geleerdheid! Er kwam ook hartstocht by,
iets als poëzie, waarachtig! By-gelegenheid zal ik \'n drama maken
van den argonautentocht naar zeker merk . . .
—   Vous avez beau rire, zeide hy, je vous jure qu\'il n\'y a rien de
si interessant que Ie
vieux-Delft. Si j\'ai Ie bonheur de revoir ma
collection a Paris . . . hélas, cela vaut cinq cent mille francs!
Hy stond duizend angsten uit dat de Communards z\'n huis zou-
den omver halen, of dat het vernield worden zou door \'t bombar-
dement. Ook drukte hem, in afwachting van \'t weerzien zyner
lievelingen, z\'n werkeloosheid. Gelukkig dat de man «auteur" was.
Hy kon zinsneden ronden, aan elkaar lymen, \'n stuk maken, had
relatien met uitgevers . . . wat wil men meer? En hy bevond zich
te Wiesbaden. Alzoo:
—  Le jeu, m\'sieur . . . c\'est atroce, infame, pernicieux, infernal!
C\'est . . .
—  Ja, zei ik, men kan z\'n tyd beter besteden.
Die lauwe afkeuring was hem weer niet genoeg. Hy noodigde
my uit, hem te bezoeken om eens te hooren wat hy over \'t spel
geschreven had. Dit geschiedde. Ik vernam: que le jeu était...
nlroce, infame, pernicieux, infernal.
Als \'t werk uitkomt, zal \'t
-ocr page 195-
VIEUX-DELFT EN MORAAL.                                   191
zeker opgang maken, want het is vol gemeenplaatsen die zich heel
gemakkelyk laten aanhooren, en den lezer op niet de minste kos-
ten van inspanning jagen. Ook verbeelden velen zich, blyk van
deugdzaamheid te geven door \'t mooivinden van zulke vertoogen.
Eigenaardig was het dat de «auteur" zich zoo verdiept had in de-
klamatien, dat hy evenmin op \'t denkbeeld was gekomen de arith-
metische verhoudingen van \'t spel natesporen, als om de geheele
inrichting der Speelbanken te vergelyken met die van andere finan-
cieele of industrieele genootschappen. De deun was nu eenmaal
dat het spel: était atroce, enz. en op dien deun werd alles gezet.
Toen ik \'t kostelyk fragment had aangehoord, wenschte ik hem
geluk . . .
— Neen, niet over uw stuk, voegde ik er snel by om hem niet
in den waan te laten dat ik z\'n geschryf hoog stelde, maar hiermee
dat ge op uwen leeftyd — hy was zoo oud als ik — nog zooveel
verontwaardiging hebt overgehouden voor byzaken. De myne is
sedert lang aan erger dingen besteed. Ik erken dan ook dat ik
er nooit heel zuinig mee omging.
Het gesprek nam \'n andere wending. Hy was dikwyls in Hol-
land geweest — natuurlyk: vieux-Delft! — en verstond de taal van
dat land »hiel geut." E. g. vassiblif meneer .. .borreljé mësoekker."
Daartegen was niets intebrengen. Ook de zeden had hy nauw-
keurig bestudeerd, doch alweer heel specialiteitig met zekere voor-
liefde voor sommige onderdeden. Zoo wist-i niets van duur vleesch,
moderne theologie, verrotte politiek en slechte boter, maar hierte-
genover staat dat ik door hem werd opmerkzaam gemaakt op heel
andere vervalschingen die my weer onbekend waren, en die waar-
schynlyk ook voor den lezer al \'t aantrekkelyke zullen hebben van
de nieuwheid. De vcasques" der «boerinnen" — dit woord beduidde
in zyn mond: alle vrouwen in de provincie, dus ook Friesche dames
— zyn van koper en blik. Te Amsterdam worden de huwelyken
gesloten zonder dat bruid en bruigom elkaar ooit gezien hebben.
Die zaken worden geregeld door i>den papa, mit \'n lange piep im
moend."
Alle Hollandsche vrouwen hebben \'n pruim tabak achter
de kiezen.
y>Zelf gezien."
. .
. De dames breien, en de mannen rooken, in de kerk . . .
»Zelf gezien."
. .
. Ergens in \'n provinciestadje . . .
tiZelf gezien!"
Het stadje, denk ik.
. . . worden in \'n herberg . . .
vZelf gezien!"
De herberg, denk ik.
... de gasten bediend . . .
»Zelf gezien!"
Die gasten, denk ik.
. . . bediend door des femmes absolument nues!
\'t Fameuze «zelf gezien" bleef ditmaal weg. En ik vroeg er niet
naar, omdat ik te bang was dat-i brutaalweg ja zeggen zou. Wat
had ik dan moeten antwoorden ? Ik vloog op in ... \'n zachtmoe-
.
-ocr page 196-
192                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
dig berispen van de kleingeestigheid waarmee hy \'t zoo eenvoudig
en gemakkelyk kostuum van de Hollandsche kellnerinnen afkeurde.
Bovendien, zei ik, hebt ge te veel gezegd door ze geheel naakt te
noemen. Het schynt uw aandacht ontsnapt te zyn dat ze zich toch
altyd eenigszins klceden, en wel met \'n knipbeursjen aan den lin-
kerhiel waarin ze \'t betaald gelag bergen. In vroeger eeuwen be-
waarden ze dat in ... den mond, maar na de grondwetsherziening ...
\'t Scheen voor ditmaal genoeg, \'t Zou onzen oudheidkenner —
men ziet, hy deed by-gelegcnheid in haute nouveauté ook — zeer
verwonderd hebben als-i had kunnen gissen dat ik z\'n bespottelyke
leugens onzedelyker vond dan \'t infdddme spel. Hy koos de beste
party, en vermeed het al te gevaarlyke tizelf gezien" door \'n ge-
maakt lachen over m\'n charge, die hy voorgaf koddig te vinden
om de erkentenis te ontwyken dat ze kaustiek was. Wat overigens
de vreemdelingen beweegt zulke zotte — en dikwyls kwaadaardige —
vertellingen omtrent Holland in omloop te brengen, is me raadsel-
achtig. Schryversarmoed?
—   Sans badinage, ging de ethnologische werelddeelontdekker
voort, ik heb in Holland zeer zonderlinge zaken beleefd. Eens te
Delft . . .
Ik maakte my gereed hem te vertellen dat men te Berlyn — zelf
gezien!
— de zoogminnen by-voorkeur onder de hermafroditen kiest.
Maar \'t hoefde niet. Want in-plaats van \'n nieuwen trek uit de
zonderlinge zeden van \'t Hollandsche volk, werd me nu \'n verhaal
meegedeeld dat alle kenmerken van waarheid droeg, en dat tevens
\'n helder licht verspreidde over de aesthetische beteekenis van oud
porselein in-verband met de waarde van zekere muzeums te Parys.
Onze man had te Delft in \'n achterstraatje de deur van \'n klein
huis zien openstaan, en gluurde naar-binnen. Z\'n oog viel op den
haard in de achterkamer, welks geheelc mantel was opgebouwd of
gevoerd met \'n illustratie van \'t Evangelie. Er ontbrak geen steen-
tjen aan, van den Betlehemschen kindermoord af tot de hemelvaart,
jazelfs tot de vurige tongen van \'t Pinksterfeest toe . . . \'n kom-
pleet zaligheids-epos! En dit alles in blauwe poppen en figuren op
verglaasde steentjes van \'t beste merk uit de goede periode . . .
\'n ware schat:
—  Je calculai tout d\'un coup que cela valait ses vingt mille francs!
Wat deed de oudheidkenner? Ging hy \'t huisjen in om denon-
noozelen bezitter van zoo\'n schat geluk te wenschen met z\'n ryk-
dom? Pas si béte! Hy leende van den knecht in z\'n hotel \'n pak
kleeren, waarmee hy meende zich te kunnen voordoen als \'n zeer
gering burgerman, en informeerde zich naar den prys der huisjes
van de soort als dat waarin hy al die schoorsteenheiligheid ontdekt
had. Met \'n vier- vyfhonderd gulden kwam men ver, werd hem
gezegd. Hierop meldde hy zich by den eigenaar, gaf voor zich te
Delft te willen vestigen als behanger, en dat-i zoo\'n huisje misschien
wel zou kunnen gebruiken »als \'t niet te duur was." Na eenig
bieden en dingen werd de koop gesloten. De schoorsteentegeltjes
werden voorzichtig losgemaakt, zorgvuldig ingepakt naar Parys
verzonden . . .
-ocr page 197-
VIEUX-DELFT EN MORAAL.                                   193
\'t Schynt dat er op myn gelaat iets als afkeuring te lezen stond.
— Que voulez-vous, mon ami: satisfaction de collrctionneur!
En hy wilde my uitleggen hoe zoo\'n handeling sin zyn vak"
niet alleen geoorloofd, maar zelfs in zekeren zin pryzenswaardig was.
Als stopwoord maakte hy daarby gebruik van \'t nogal. bekende:
»als ik \'t niet gedaan had, waren anderen daarmee heengeloopen."
Ik veroorloofde my \'n scheldwoord tegen die «anderen."
Die man nu schreef \'n tirade-stuk tegen \'t spel, \'t verfoeielyke
spel! Huichelary? Toch niet. Huichelaars moeten dan toch zeker
doel beoogen. Wie zou \'t onzen wapenkenner en porseleinman dank-
weten, dat-i \'n veldtocht tegen de speelbanken had meegemaakt?
Immers niemand. En als \'t z\'11 doel geweest was zich tegenover nvj
voortedoen als zoo byzonder zedelyk — er was geen reden toe! —
dan had immers z\'n huichelary hem moeten weerhouden van \'t open-
baren der manier waarop men zich voor betrekkelyk weinig geld
\'n kollektie kan aanschaffen »die \'n halfmillioen waard is." Z\'n af-
keer van \'t spel was gemeend, nagenoeg gemeend. De man ver-
beeldde zich inderdaad, toen hy de pen in de hand nam om iets
te verkondigen, dat die passie, die noodlottige passie . . .
Wy weten nu eenmaal, hoe boekerigheid haar eischen meebrengt,
\'t Maakt \'n groot verschil of men daar als publiekschryver zit te
oreeren tegen . . . iedereen, of in onderhandeling is met den on-
noozelen bewoner van \'n achterbuurt, sik" zoekt z\'n voordeel. »Wy"
is moralist. »Wy" dweept met deugd, eer, onbaatzuchtigheid.
»Wy" is hoogepriester, martelaar, apostel, profeet. »Wy" — \'n krant
soms, godbeter\'t! — draagt \'n onbevlekt kleed van hermelyn . . .
Maar: ik ... ik ... ikf Dat \'s wat anders! Satisfaction de
collectionneur!
L\'homme est Men variable, heeft ANDRIEUX gezegd. Ei zie, daar
hebben we waarlyk reeds \'t nuchter voorbeeld van schryvers-op-
pervlakkigheid, waarnaar ik zocht in \'t vorig hoofdstuk. Hoe kon
net zoo lang wegblyven! De goede adolf had er my immers reeds
op gewezen.
Zou er inderdaad zoo\'n tegenstelling liggen in \'t wegnemen van
provinciën en \'t ontzien van \'n molen?
Misschien niet!
De moraliteit op kleiner schaal kon wel eens de tol wezen dien
wy betalen aan \'t konventioneele Recht. Een afkoop der konscientie,
\'n assurantie-premie tegen \'t vergaan onzer zielescheepjes, \'n luim,
\'n welkome vergissing, \'n krul onder de naamteekening van ons
gemoed . . .
Och ja! en vooral \'n slaapmiddel:
»Wat moet m\'n hartelyk geliefde cousine maria ïheresia wel
van me denken!" zal frits menigmaal gedacht hebben als-i zich
ter-ruste legde . . .
sKomaan, laat ik me liever bezighouden met dien molenaar...
rechters te Berlyn . . . goed gezegd!
En de Fritsen slapen in:
MILLIOENEN-STUDIEN.                                                                      13
-ocr page 198-
\'94
MILUOENEN-STUDIEN.
Charmes que sous leur règnc on croit a la justice.
En die ander:
»Delftsch aardewerk ... \'t heele evangelie niet kraamkamer,
herders, hemelvaart en gloeiende tongen au grand complet op blau-
we plateeltjes . . . echt merk . . . spotprys . . . twintigduizend
franken waard . . . finesse . . . bedrog ?
«Gekheid! De man was meerderjarig en moest weten wat-i deed.
«Bovendien, waai om zou ik niet gerust slapen? Heb ik niet \'n
verhandeling geschreven over \'t spel ? \'t afschuwelyke spel ? La
moralité, m\'sieur, la moralité!
«Toch zou ik wel eens willen weten, of er meer zulke huisjes
in Delft zyn ... 7a moralité avant tout! De echte merken worden •
zeldzaam . . .
En de man slaapt in, zoo gerust als FRITS zelf.
Noemt ge dit variable, o ANDRIEUX? Is dat \'n écart?
My komt die normale afwyking van zichzelf allergewoon^t en
zelfs eentonig voor. We zyn zoo! De geschiedenis van Mensdom
en Mens is uit zulke écarts saamgesteld. Wie hierover verwon-
derd mocht zyn, vrage zich alweer af: wat er bestaan zou indien
er iets anders ware dan \'t is f Seriën die óns onregelmatig of zelfs
onbestaanbaar voorkomen, worden opgewogen door schynbaar gril-
lige kombinatien, en waar wy afwyking meenen optemerken, be-
staat slechts poging tot verevening. Waar dit pogen het doel voor-
byschiet, is nieuwe inspanning in tegenovergestelde richting noodig
tot het bereiken der gelykheid. Nero was \'n serie van vier-en-
dertig
zwarten ... als \'t waar is wat de habitués der Geschiedenis
over dien man op hun kaartjes geprikt hebben! Doch ook dan
wordt hy opgewogen door millioenen figuren die op hün beurt uit
intermitteerende deugdjes zyn saamgesteld. De Natuur der dingen
is \'n nauwkeurige boekhoudster. Ze laat muschjes ter aarde
vallen en planeten tegen de zon, zoodra die schynbare afwyking
van den aard der musschen en planeten noodig is tot het sluitend
maken van de balans. Ze weet wat ze doet, en verzekert aan al
wat reden van bestaan heeft, z\'n bescheiden plaats. Aan domheid
en genie, aan raderdiertjes en zonnestelsels, aan vyven en
zessen op de roulet, aan Neroos en Marc-aurelen in de wereldge-
schiedenis . . .
Ze spint den vlok tot draad, en weeft den draad
Tot doek, waarop zy, eindloos voortbordurend,
Den loop van al wat is, te aanschouwen geeft.
En wie \'t verband ontkent, is schuldig blind,
Ter-nauwernood onschuldig, wie \'t niet k^nt.
— Hm! Die blindheid zelf ligt immers in den aard der dingetjes
die zich vice-versa mensen noemen? Weg met die verzen! Wat
zou Meester adolf daarvan zeggen! Kom liever nogeens mee naar
-ocr page 199-
VIEUX-DELFT EN MORAAL.                                      195
<le Kursaal. Daar is altyd nog een-en-ander voor u op te merken.
Al m\'n kameraadjes wachten beneden . . .
Zóó werd ik in m\'n ontbytmymering gestoord door den kleinen
■Semi-ur. Voor ik z\'n uitnoodiging aannam, liet ik hem bezweren
dat-i me ditmaal geen dikke dames zou doen uitkleeden. «Zelfs
gekleed zyn ze gevaarlyk voor zekere soort van zeden, riep ik.
-Ziehier- \'n Publikatie van de Regeering te Amsterdam, waarin wordt
te-velde getrokken tegen vrouwelyke zwaarlyvigheid op de kermis.
M\'n vrindje haalde de schouders op.
—  Hebt ge met die Regeering iets uittestaan ? vroeg hy.
—  Neen. Waarom?
—  Wel, ik zou u dan den raad geven haar niet te vertrouwen.
Wees verzekerd dat er koolzwarte serien liggen naast zoo\'n inter-
mittence
van rooskleurige deugdzaamachtigheid. Na de malle preuts-
heid van dien zet, kan men heel gerust z\'n mise wagen op . . .
schelmery. Als ge molens ziet sparen . . . pas op je provinciën, en
handel nooit in vieux-delft met moralisten die tegen \'t onnoozele
Spel uitvaren. Kleine deugd, groote zonde . . . reken daarop! Dit
is geen afwyking, \'t is regel. Uw analyze van zoo-even is weer zeer
oppervlakkig . . . hm, verzen!
Dit verwyt noopte my tot doordenken. Ik begon intezien dat ik
me van de opheldering der schynbare afwykingen in de karakters,
inderdaad wat al te gemakkelyk had afgemaakt, en dezelfde fout
beging die ik zoo-even in LAROCHEFOUCAULD berispt had. Wat ik
voorstelde als gewetenstillende hulde aan de deugd, kan in zeer veel
gevallen worden opgevat als hulde aan \'t belang. Ik had verzuimd
optemerken dat het sparen van molens niet als de schynbare te-
genstelling naast het stelen van provinciën staat, maar daartoe zeer
analogisch den weg bereidt. Moest er niet eerst lang en handig met
kleine binnenlandsche deugd gepronkt zyn, voor men \'n gansch
Volk kon biologeeren tot deelnemen aan \'n Hinken rooftocht aan
gene zyde van de grens? Zoo is het! Wat wy ons ge woonlyk voor-
stellen als luim van Recht, was niet anders dan een der velo mid-
delen die \'t Onrecht uitvoerbaar maakten. En spruit niet meestal
\'t ongelyksoortig lot dat muggen en kerneis beschoren is, uit de-
zelfde oorzaak? Wie zal ons zeggen hoeveel kleine moraliteitjes er
steeds noodig waren oin den weg te banen tot groote onzedelykheid!
Zou ook- niet hier alweer alles in alles zyn? Onbeschaamdheid in
pudeur? Kerneis in muggen? Gestolen landschappen in gespaarde
molens ?
—  Dat kan wel waar zyn, riep Semi-ur. Kleine bravigheidjcs . . .
Daar kwam het deugdzame kamermeisje my \'n kreutser bren-
gen, dien ze gevonden had by \'t vegen . . .
—  Dat \'s \'n gespaarde molen, mannetje, pas op je provinciën!
En nu kom mee. We worden gewacht.
In den korridor van den Gelen Adelaar vond ik inderdaad al
m\'n gnoompjes by elkaar. Daar waren binomium en magneet, f- en
-ocr page 200-
196                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
half-dertien, ie en logarithmos de twee z-tweede-tnachtjes en \'t kristal-
mannetje
... al m\'n vrindjes die onder den Sonnenberg logeerden,
en nu om mynentwil vakantie schenen te hebben. Ze hadden, zeker
om geen opzien te baren, menselyke gestalten aangenomen, en
vergezelden my naar de Speelzaal.
Onder-weg dacht ik over Semi-ur\'s systeem na, en \'t kwam me
hoe-langer hoe-meer gegrond voor. Had ik niet in dezelfde stad die
zich nu te goed achtte voor dikke vrouwen, slechts weinig jaren
geleden, door \'n geverfden wilde levende konynen en duiven zien
verslinden
tot amuzement van \'t hoog zedelyk publiek ? (idee 484)
En was \'t niet ook daar, dat \'n zeer vrome Burgemeester door de
stads-courant aan \'t volk Het wys-maken dat de aandeelen in \'n
onderneming, waarby hyzelf als kommissaris betrokken was, en die
toch later bleek volstrekt niet »goed" te zyn, opgeld deden op de
Londensche beurs? (idee 451)
Semi-ur heeft gelyk: afwyking is regel. De goden bewaren ons
genadiglyk voor kleine deugd. Amen!
En nu weer: am grünen Tisch!
-ocr page 201-
AM GRÜNEN TISCH.
Het maakt \'n groot verschil of men zoo\'n speelzaal met of zonder
wetende gnomen bezoekt. De tourist die daar binnentreedt, alleen
omdat-i »nu eenmaal te Wiesbaden of te Homburg zynde", later
toch moet kunnen zeggen dat ook hy \'t fameuze spel gezien heett
en »er alles van weet" denkt er waarschynlyk niet aan dat juist
hyzelf dikwyls een van de belachelykste figuren is die men om de
groene tafel aantreft. Dat idiote rondzien, die open mond, of —
wat later — die mislukt-voorname minachting in de saamgeknepen
lippen, die burgerlyke zugeknopftheit, die armoedige verbazing over
\'n paar hoopjes goud, die fatsoenlyke viesheid . . . alles roept, of
liever alles affekteert den roep: je ne boirai pas de cette eau!
We zagen reeds dat er touristen zyn, die thuis wel genoegen
nemen met onsmakelyker drankjes! En, daar ze \'r dikwyls niet
naar uitzien alsof ze goed konden rekenen, hebben wy recht tot
de gissing dat ze misschien later wel eens zullen drinken van dit
-ocr page 202-
I98                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
water ook. 7.e zouden er niet beter om zyn. Maar wel zyn ze \'r nu
minder om dat ze \'t nalaten uit houterigheid.
De meesten die voor \'t eerst \'n speelzaal bezoeken, liggen on-
der den boekerigen indruk van moralizeerende vertellinkjes. Alle
spelers moeten volstrekt tragische figuren zyn. Om de drie, vier,,
minuten hoort men \'n schot vallen. De weg is bezaaid met lyken.
De vyvers in den omtrek hebben geen water genoeg om al de
aspirant-drenkelingen van behoorlyke stikking te voorzien. Een stoet
ongelukkigen maakt queue voor de deur der zwaardvegers. Men-
senvrienden vinden mitrailleuses uit, maar ook deze dingen kun-
nen \'t werk niet af. Zelfs de handige strichnine schiet te-kort . . .
En in de zaal zelf ziet men telkens \'n kind op de tafel . . . zui-
gelingen . . . maagdjes en jongelui . . . heele kroosten . . . laatste
bezittingen altyd van wanhopige vaders die \'n verkeerd systeem
hadden . . .
Ik neem deze gelegenheid waar om die vaders, en tevens de lar-
moyeerende romanfabrikanten, opmerkzaam te maken op zeker
artikel uit het reglement van de speelbanken. Men zet gulden- thaler-
of frankengeló. In gouden munt worden geen andere stukken dan
louis-d\'or of Pruisische friederichs aangenomen. En papier is slechts
in hoedanigheid van Fransche bankbilletten geoorloofd. Wie nu geen
dezer soorten van waarde bezit, zou eerst moeten wisselen, waartoe
de Bank altyd naar de koers van den dag bereid is. Dramatische
faiseurs die \'n kind laten opzetten, behoorden alzoo den lezer mee-
tedeelen tegen welken prys zoo\'n objekt door de Bank wordt aan-
genomen, en hoe zy \'t in de boeken verantwoordt? De aktiehou-
ders zouden vreemd opzien als men hun \'t dividend in kindertjes
uitbetaalde, en ook de spelers zelf zouden \'t niet aangenaam vinden
hun winst in een zoo vreemd betaalmiddel naar huis te moeten
dragen.
Een Speelzaal gelykt hierin vry juist op moraal-litteratuur van
de bekende soort, dat er veel koddigs valt optemerken. Ik erken
dat dwaasheid altyd \'n treurigen indruk maakt, doch deze soort
van smart is overal optedoen en wel in zóó ruime maat dat \'n denker
zelden anders dan verdrietig kan gestemd zyn. Doch dit terzyde
gelaten, mag men beweren dat het bestudeeren van \'n speelbank-
publiek minstens zooveel stof tot lachen als tot schreien oplevert.
Dat menigeen die daar z\'n geld verliest, zeer onaangenaam gestemd
is, zal wel waar zyn, doch dit wordt vry wel opgewogen door de
vreugd van den winner. En al ware dit zoo niet, van de vreeselyke
wanhoopstooneelen die boekenmakers schynen noodig te hebben
voor \'t effekt, vindt men nooit of zelden \'n spoor. Ik — geholpen
door m\'n gnoompjes — kon het den vertrekkenden speler aanzien
als-i verloren had, maar dit blyft den gewonen bezoeker byna al-
tyd onbekend. De oorzaak der schynbare onverschilligheid van de
spelers zal wel niet zoo zeer in hun geestkracht of zelf beheersching
te zoeken zyn, als wel hierin dat het verliezen aan de Bank slechts
zeer zelden \'n oogenblikkelyke katastrofe te-weeg brengt. Velen
hebben inderdaad op de groene tafel \'n fortuin verloren, doch dit
geschiedt gaandeweg, van-lieverlede, en nooit op \'n wyze die \'n
geschikt oogenblik aanbiedt tot het plaatsen van tooneelachtige
-ocr page 203-
AM GRÜNEN 1ISCH.                                         199
wanhoop. Een van m\'n geleiders wees my als voorbeelden daarvan,
\'n paar sujetten: Lord CI-DEVANT, Madame de V. en Mevrouw X,
geboren baronnes Y, \'n Hollandsche. De laatste kende ik reeds
zonder hulp van m\'n gnomen. Ik had haar eens \'n paraplui ten-
geschenke gegeven . . . hoe was ook weer die historie ? Meminissu
juvabit.
Het was in de dagen van STACCATA\'s . . . mindere overrypheid.
Ik zat achter \'t Kurhaus en dronk m\'n koffi, toen tpi\'n aandacht
op-eens getrokken werd door \'n rumoer by den uitgang van de
Speelzaal. Een vrouvvestem schreeuwde en schold:
            >^L
—  Spiesboeben . . . allemaal! M\'nsjirm . . . chans nn?VY\\ pas
gekauft voor tien goelden ... \'t is \'n ware sjant . . . herejees,
wat \'n sjant!
—   Eine Landsmanninn! zei \'n heer met wien ik in gezelschap
was. Sie werden mir eingestehen dass Ihr Hollandisch eine sonder-
bare Sprache ist!
Ach ja, vooral waar ze op Duitsch gelykt! Ik vatte ditmaal den
handschoen voor onze taal eens niet op, daar ik \'t dien dag al
tot vervelens toe gedaan had, en moê was van \'t gekibbel met al-
lerlei volkje dat pour tout bagage littéraire de gewone bezwerings-
formulieren over z\'n entzückenden, riesenhaflen, göttlichen, enz.
Dichterheroen van-buiten geleerd had. Doch er scheen me in de
opmerking dat die schreeuwster \'n landgenoote van me was, iets
verwytends te liggen Kon ik \'t helpen dat het mens zich zoo
gemeen aanstelde?
—  Kent ge haar? vroeg ik.
—  O gewiss! Wer sollte die baronin Y nicht kennen! Sieistganz
auf den Hund . . .
En hier volgde een vry schandaleuze geschiedenis van die vrouw.
Zoowel haar eigen naam, als die van haar gewezen man — ze was
van hem gescheiden — klonk allerdeftigst. Medelyden en nieuws-
gierigheid drongen my tot kennismaking. Misschien ook wilde ik
den Duitscher die zoo minachtend over haar sprak iets als. . . Hol-
landsche ridderlykheid laten zien, door partytetrekken voor \'n land •
genoote in dekadentie. Hy raadde \'t my af, maar ik bleef by m\'n
voornemen, en sprak de vrouw aan.
—   Mevrouw, zei ik, misschien kan ik u de paraplui terug be-
zorgen of althans . . .
—  Uwe sind Hollander ? vroeg zy terwyl ze zonder den minsten
omslag m\'n arm greep.
—  Ja, ja, kom maar mee.
En ik geleidde haar in een der winkels van de kolonnade, waar
men parapluien verkocht.
—  Ach, liebe chott, uwe sind ja de eerste chenereuse Hollander
die me bechéchen.
Ik schryf haar taal by-benadering nauwkeurig, maar moet erken-
nen dat ik soms moeite had haar te verstaan. Ze had zich zoolang
Dherumgetrieben" in de wereld, dat ze geen enkele taal meer sprak.
Toen ze \'n paraplui naar haar zin had uitgezocht, verlieten wy den
winkel, en \'t berouwde my spoedig dat ik den my gegeven raad
-ocr page 204-
2CO                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
om haar niet aantespreken, in den wind had geslagen. Ze liet me
niet los, en verhaalde in één adem vyf-en-twintig jaren levens: één
schandaal! Ze was op haar zestiende jaar getrouwd . . .
—  Chéchen m\'n sin, zei ze. Was wees \'n wurm vansesseenjare
van de welt!
Nu, en omdat \'n wurm van zestien jaar zoo weinig van de Welt
weet, was ze nu op haar vier, vyf of zes-en-veertigste . . .
Hoe zal ik \'t noemen. Ik wilde schryven: zoo liederlyk, maar
durf niet. \'t Mens was ziek.
—   Ik mot immer jemand haben die ik liep, zei ze. Als ik das
haben ken, ben ik chans soefrieden, warhaftig!
Ja, ze was ziek!
Zoo goed mogelyk maakte ik me van de stumpert af — \'t ging
niet gemakkelyk! — en toen ik terugkwam by m\'n Duitschen ken-
nis, erkende ik ronduit dat-i de waarheid had gezegd: ganz auf den
fiund!
Was dit \'n gevolg van \'t Spel ? Ik geloof het niet. Wel verspeel-
de \'t schepsel vry geregeld alle kwartalen de som die krachtens
rechterlyke uitspraak haar gewezen echtgenoot verplicht was haar
uittekeeren, maar zedelyk bedorven was ze reeds lang voor zy \'n
voet in de Speelzaal gezet had. Haar opvoeding was weelderig en
vals-wereldsch geweest. Men had haar nooit geleerd zich bezigte-
houden met zichzelf, of liever men had dit immer belet. Haar denk-
vermogen was blyven staan op de grenzen der kindsheid, en ar-
beiden had ze niet geleerd. Nooit kwam \'t in haar op dat inspan-
ning plicht wezen kon, noch zelfs dat inspannen mogelyk was.
Wat haar niet in den schoot viel, ving ze niet op, en \'t lot had al
zeer ongerymde serien van voorspoed moeten verzinnen om \'t pad van
die vrouw op iets anders te doen uitloopen dan \'n sterfbed van stroo.
Ze bezocht my in m\'n hotel, en noodigde my uit, haar geschie-
denis te schryven. Nu, dit wil ik wel doen, en korter dan ze meen-
de. Luiheid en hysterie. Ziedaar alles. Ik hoop dat ze dood is.
Wat anderen aangaat, die in haar leven \'n rol speelde ... ik
wil geen onschuldige verwanten leed doen. Mocht ik dat, er zou
misschien blyken hoe er valsch gespeeld wordt in heel andere krin-
gen dan te Homburg en Wiesbaden!
Lord . . . ci-devant — zoo doopte ik \'n anderen type aan de
groene tafel — was vroeger ryk, Engelsch ryk. Hy bekleedde een-
maal \'n hooge betrekking in Britsch-Indie, kwam in Europa terug,"
verslaafde zich aan \'t Spel, en wordt op dit oogenblik door z\'n
verwanten in Engeland onderhouden. Hy ontvangt maandelyks twin-
tig pond, en verteert daarvan hoogstens honderd gulden. De ove-
rige honderd-en-veertig gulden zyn voor de Speelbank. Wanneer
\'t hem na ontvangst van z\'n onderstand wat snel tegenloopt, zoo-
dat-i eenige dagen of weken veroordeeld is tot onthouding, geniet
hy van \'t aanschouwen. Dan houdt-i boek van de zetten om ter-
stond op-nieuw gereed te zyn tot . . . misraden zoodra hy weer
wat in z\'n beurs heeft. Nooit verraadt de minste trek op z\'n ge-
laat dat hy smart gevoelt, noch over oogenblikkelyke déveine, noch
over \'t verschil tusschen z\'n tegenwoordigen toestand en vroeger
-ocr page 205-
AM GRÜNEN TISCH.                                          201
welvaart. Ook z\'n fatsoenlykheid is niet uit de plooi te brengen.
Het broodje met mostert en kaas — ein Hollander — dat in pe-
rioden van tegenspoed het diner vervangt, gebruikt-i met dezelfde
onverstoorbare deftigheid als waarmee hy vroeger aan officieele
gastmalen aanzat. Hy scheldt niet op \'t »lot" hy beklaagt zich niet,
zoekt geen querelle d\' allemand met de Bank — wat anders nogal
in den aard van verliezers ligt, vooral van Franschen ■—■ hy laat
zich niet in met professevrs de jeu of ander gemeen volk, hy is en
blyft \'n gentleman. Waarschynlyk zou \'t voor hem te betreuren
zyn indien eens \'n gelukkige veine hem al \'t vroeger verlorene te-
rugbezorgde. Ik betwyfel of z\'n wysbegeerte tegen zoo\'n geluks-eoup
bestand wezen zou. Het bereiken van \'n doel dat hy zooveel jaren
lang vruchteloos najaagde, en waaraan hy zooveel ten-offer bracht,
zou hem \'n ondragelyke leegte veroorzaken, en waarschynlyk \'t
signaal van z\'n dood wezen, het beslissende: rien ne va plus!
Ik ben zeker dat-i \'n paar rolletjes goud ter-zy heeft gelegd voor
\'n «fashionable" begrafenis. We hopen de plechtigheid bytewonen,
en zullen by die gelegenheid het oor aan de kist leggen om hem
z\'n aanstaanden kontubernalen, zoo beleefd als in zyn pozitie mo-
gelyk is, te hooren toemompelen: ladies and gentlemen, don\'t trouble
yourself, 1 want but a very litlle place. My last
coup was a deadly
refait . . . never mindl
Madame de V is of was — want ook deze habiluée der groene
tafel is gescheiden van haar man — de echtgenoote van \'n voor-
naam magistraatspersoon in Frankryk. Men zou haar kunnen voor-
stellen als geïnkarneerde vertegenwoordigster van \'t Spel in z\'n
allerdomste uitdrukking. Voor dertig jaren was Madame DE V een
der schoonste en meest gevierde vrouwen van Parys, en nog heden
dragen haar trekken de sporen van vroegere distinktie. Van vorige
behaagzucht en élégance evenwel is haar niets overgebleven. Ze
schynt haar best te doen er uittezien als \'n voddenraapster. Kuchend
en hoestend en kortademig neemt ze eiken dag haar plaats aan
de groene tafel in. Haar speelkapitaaltje bedraagt gewoonlyk twee-
driehonderd gulden, die ze in \'n twintigtal stapeltjes van ongelyke
hoogte voor zich legt, en waarvan steeds \'n gedeelte in franken-
geld, halve-guldenstukken en thalers bestaat. Dat afdeelen in sta-
peltjes schynt in-verband te staan met zeker systeem. Ze legt de
gewonnen stukken dan hier dan daar op een van die hoopjes, en
meermalen zag ik haar \'n reeds gezet geldstuk terugnemen, en
verwisselen voor \'n stuk van gelyke waarde dat ze dan van een
<ler andere stapels nam. Doch nog diepzinniger finesses schynen
haar ten-dienste te staan. De ingenieuze oude dame heeft middel
gevonden om \'t minimum van de Bank te ontduiken. Waar, byv.
gewone stervelingen \'n geheelen gulden moeten wagen aan de kans
der simple chance op de roulet, tast zy \'t lot in kreutzers en gro-
•scfcen, jazelfs in centimes aan. Vanhier dan ook haar behoefte aan
verschillende muntsoorten. Ze is zeer bygeloovig, \'n eigenschap die
by zulke slimmigheden van- rechtswege behoort. Wanneer deze of
gene morfondarische ingeving haar de roode kleur heeft aange-
wezen, doch niet met genoeg aandrang of zekerheid om op-ééns
-ocr page 206-
202                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
haar geheel speelkapitaal op die kleur te schuiven, en zelfs niet
om daaraan \'t vastgesteld minimum te wagen, plaatst ze, byv. één-
en-\'n-halve
gulden op rood, en matigt deze verregaande onbezon-
nenheid door één gulden op zwart daartegen te zetten. Somtyds.
daalt ze nog lager af. Twee gulden, minus een daartegenover ge-
plaatsten thaler, bedragen slechts vyftien kreutzers = 25 cents. Men
kan deze al te geniale modifikatie tot in \'t oneindige voortzetten,
en onze onnoozele stapeltjesvrouw — zoo doopte ik haar — doet
dit dan ook zonder intezien dat ze meer geld blootstelt aan de
werking van den zéro dan ooit haar vermoedelyke winst bedragen
kan. Maar ... ze speelt, en daarom is \'t haar te doen. Ze kan niet
leven zonder de kitteling van de driehonderd malen daags herhaal-
de onzekerheid of \'t balletje ditmaal in \'n rood of in \'n zwart vakje
vallen zal. Dat ze op deze manier lang genot hebben kan van haar
stapeltjes, mag waar zyn, langer althans dan de onvoorzichtige die
in twee, drie coups z\'n heele genoegen en z\'n kas uitput. Maar ik
noem \'t een vervelende ziekte die als middel tegen verveling zoo\'n
vervelende methode aangrypt. De tering . . .
—   Daar zyn ze nu waarachtig toch! riep \'t Kristalmannetje
driftig.
—  Wie, wie? vroeg ik, omziende.
—  Wel, die nuchtere schoenmaker van zoo-even, met z\'n jonge
vrouw. Ik had hen zoo graag naar Worms teruggezonden. Winnen
zal-i, maar \'t spyt me waarlyk.
Ik herkende \'t paartje dat de Speelzaal binnentrad. Op weg na-
melyk van m\'n logement naar \'t Kurhaus had de man ons verzocht
hem te wyzen »wo denn doch eigentlich gespielt wurde?" Tot m\'n.
groote verwondering hadden \'n paar der anders zoo welwillende
jongelieden die my vergezelden, hem geantwoord dat de speelzalen
heden en de gansche week gesloten waren, en aangeraden met den
eersten trein naar-huis te gaan.
—  Dat \'s waar ook, zei ik, waarom toch hebt ge hem zoo ver-
keerd ingelicht?
Het Kristalmannetje verhaalde me nu dat de man pas baas was
geworden: Schuhmachermeister! Dit wil wat zeggen in den Duitschen
burgerstand! Hy had zich \'n vrouwtjen aangeschaft, deed nu z\'n
huwelykreisje, was te Wiesbaden aangeland, und wollte sich nurt
das Spiel auch \'n mal mit ansehn
. . .
—  Winnen zal-i, zeiden m\'n gnoompjes, maar \'t is jammer van
den jongen.
Och die bolle vergenoegde gave gezichtjes! \'t Vrouwtje, verschrikt
van al \'t verguldsel, kneep haar nieuwen schoen- en laarzenmaker
in den arm. Ze hoorden \'t geroep van den croupier, en begrepen
er niets van. Nu, dit behoort er by. Het spreidt \'n waas van ge-
heimzinnigheid over de zaak. De man ging op z\'n teenen staan
om over de galerie heentezien, en deelde van-tyd tot-tyd iets van
z\'n opmerkingen aan z\'n vrouw mede. Heel veel anders dan dat-i
geld zag heen-en-weer stryken, kan hy niet verteld hebben. Het
scheen wel dat een van de spelers eenige keeren \'n som naar zich
toehaalde die onzen schoenmaker groot voorkwam en vreeselykin
-ocr page 207-
AM GRÜNEN TISCH.                                          20J
de oogen schitterde, want er straalde verbazing en begeerlykheid
uit de trekken van \'t vrouwtje toen-i haar de wonderen vertelde
die hy gezien had. Daarop nam ik van haar kant zekere gebaren
waar, en \'n uitdrukking van gelaat die wy in \'t Hollandsch zouden
vertalen met het woordje »toe!"
Langzaam en weifelend haalde hy z\'n portemonnaie uit, aarzelde,
zocht, keek weer naar de tafel, nam eindelyk een thaler ...
\'t Vrouwtje kneep hem geweldig, en keek \'n anderen kant uit,
als om te verbergen dat ze haar man zoo aanmoedigend geknepen
had.
—   Sein Sie so gut tnir zu sagen wo ich den eigentlich mein
Geld hinsetzen soll?
Dit vraagde hy aan my. Onnoozel was de man, doch niet zóó
onnoozel als sommigen misschien uit deze vraag opmaken. Hy ver-
wachtte juist niet dat ik hem zou kunnen zeggen welke kleur of
welk nummer winnen zou, maar verzocht me hem den weg te \\vy-
zen op het tableau.
—   Wo Sie wollen, antwoordde ik. Sie haben es nur irgendwo
hin zu werfen.
Hy weifelde weer, en \'t driftige vrouwtje kneep hem bont en
blauw. Na eenig vergeefs pogen om z\'n thaler ergens neerteleggen
— er zaten allerlei marquises en courtisanes in den weg — wierp
hy dat geldstuk over de galerie heen, en zag z\'n jonge vrouw aan
met \'n uitdrukking van: ziedaar dan!
De thaler rolde, en kwam te-recht buiten het tableau.
—  A qui ce thalerr? riep \'n croupier.
—  A m\'sieur! antwoordde een der tallooze gravinnen of cour*
tisanes,
terwyl ze met den duim over schouder onzen schoenma^
ker aanwees. Ze wist het zoo goed omdat-i by z\'n wanhopigen
worp tegen haar kapsel had gestoten, en \'t mens scheen gewoon
zich edel te wreken. Als ze geen courtisane was zal \'t zeker \'n gra-.
vin geweest zyn, of misschien wel \'n marquise.
—  Habe ich nun gewonnen? vroeg my \'t mannetje.
—  Noch nicht, antwoordde ik, en om \'n eind aan de zaak te
maken, riep ik den croupier toe dat vm\'siew" hem verzocht z\'n,
mise op twaalf te zetten.
—  En plein?
—   Was {ragt er? zei de schoenmaker, die wel bemerkte dat men
\'t woord tot hem richtte, maar niet begreep wat men van hem
weten wilde.
—  Er verlangt zu wissen wie alt Ihre Grossmutterf fluisterde een
van m\'n vrindjes hem ondeugend in.
—  Drei und aehtzig! schreeuwde de jonge man, en: habe ich nun
gewonnen?
vroeg-i nu my weer.
— Douze, rouge, pair, manque! riep nu de croupier onder \'t luid.
lachen van de galerie.
—  Nein, Freundchen, gewonnen haben Sie nicht. Ihr Thaler*
wurde nicht gesetst . . . der coup v>ar vorülier.
Dit was zoo. M\'n toevallig gelukkige ingeving van dat nummer
twaalf had m\'n kliënt weinig gebaat, maar hy voelde \'t verdriet
over de teleurstelling niet omdat-i niet wist wat er geschied was.
-ocr page 208-
204                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
De croupier die gevraagd had of \'t stuk en plein moest gezet wor-
den, en natuurlyk niet wys worden kon uit die drei und achtzig,
had het tot nader order naast zich neergelegd, en de roulet was
haar gang gegaan zonder dat die thaler in \'t spel kwam.
Terwyl nu de schoenmaker me vroeg wat er verder met z\'n geld
geschieden zou, drong iemand door de drie- vier-dubbele rei van
omstanders heen. Het was de chef de partie, een der geëmployeer-
den van de Bank, die achter de hun ondergeschikte croupiers op
hooge stoelen zittende, de geheele tafel en \'t Publiek overzien om
de nauwkeurigheid van de uitbetalingen te bewaken en op den
loop der zaken acht te geven. Voor-i z\'n stoeltje verliet, had ik
reeds bemerkt dat hy met \'n uitdrukking van ontevredenheid op
\'t gelaat, den croupier die vóór hem zat, op den thaler van den
schoenmaker had gewezen. Na eenig fluisteren en wyzen — hy wees
ook op my, misschien by \'t beweren dat ik duidelyk douze had ge-
roepen — liet hy zich geld geven . . .
—  Ist es nicht dieser Herr der den Thaler auf zusölfsetztef vroeg
hy den omstanders.
—  Oui, c\'est m\'sieur! liep alweer een van de menigvuldige . . .
hertoginnen, op den schoenmaker wyzende.
En ook ik knikte toestemmend.
Het gekke gezicht van onzen ambachtsman was wel de zes-en-
dertig thalers waard, die men hem daar zoo onverwacht kwam
brengen. Vyf gouden friederichs en nog \'n handjevol zilver! De
man was onthutst en verrukt. Het vrouwtje trok hem weg, niet
uit vrees zoozeer dat-i dit geld weer verspelen zou — daaraan dacht
se niet, en ze zou \'t onmogelyk gevonden hebben als ze \'r aan ge-
dacht had — maar ze wou alleen zyn met haar schat. Ze had lust
dat geld te voelen, te betasten, te tellen, te wegen, te streelen, te
wryven, te koesteren, te vertroetelen. Ja, ze wou \'t kussen, ergens
op \'n bank in \'n eenzaam laantje van \'t park . . .
—   De Kurhaus-direktie is edelmoedig, zei ik tot een van m\'n
vrindjes.
—   Hm! Ze weet wat ze doet. Zoo\'n chef de partie heeft men-
senkennis . . . dat sommetjen is op hooge rente gezet. Wat vroe-
ger of wat later zal onze schoenmaker die friederichs met woeker
terugbrengen. Ze zyn \'t eerste goud dat-i in handen krygt . . .
het zal hem heugen! Ik had hem liever z\'n thaler zien verliezen.
Nu verlaat hy Wiesbaden in de meening dat-i slechts onder \'t
uitroepen van den ouderdom zyner grootmoeder \'n zilverstuk over
de hoofden der mensen hoeft heentegooien om \'n handvol goud te
winnen. Dit denkbeeld zal heel nadeelig werken op z\'n waardee-
ring van achterlappen, toonstukken en halve zolen. By den min-
sten tegenspoed werpt-i eist en pikdraad weg, en komt hier terug.
Mocht hyzelf daaraan niet denken, dan zal z\'n vrouw hem den ver-
keerden weg opjagen, want ook zy is voortaan bedorven voor de
kleine huishoudelyke zuinigheid die anders in haar toestand zoo\'n
genoegelyke plicht is. Ach, ik had het paartje zoo graag naar
Worms teruggezonden, maar er was niets aan te doen. Wat wezen
moet, is/
-ocr page 209-
AM GRÜNEN TISCH.                                          20J
Dat zulke mildheid van de Bank uit eigenbelang voortspruit, zag
ik in. Maar vinden we niet overal elders \'t zelfde eigenbelang . . .
zonder die mildheid?
Lezer, zie maar eens terdeeg om u heen in \'t leven en de we-
reld. Misschien zal de verfoeielyke Speelbank u aanbiddelyk voor^
komen.
Nu, dat hoeft juist ook niet!
-ocr page 210-
EEN TEGEN ZEVEN
— Let nu eens op die dame aan de trente-et-quarante, fluisterde
•een van m\'n gezellen my in. Haar man heeft om z\'n zaken gaan-
de te houden veertigduizend franken noodig, en wel spoedig, zeer
spoedig! Zie eens hoe ze zich inspant!
Nu ja, ik had die dame reeds dikwyls gezien, en ook haar man
die pruilend de zaal op-en neerliep als ze verloor. Beiden boezem-
den my door hun aangenaam uiterlyk belangstelling in. Het ver-
heugde my telkens als \'t vrouwtje won, en ik betreurde haar verlies
alsof \'t mezelf aanging. Over \'t geheel is \'t zeer moeielyk den loop
van \'t spel gade te slaan zonder als \'t ware party te kiezen voor
of tegen den speler. Geheel onwillekeurig neemt men aandeel in
de stomme gewaarwordingen die onmisbaar \'t gevolg zyn van de
luimen der kans. Elke coup kan dikwyls voor \'t bedryf van \'n dra-
ma gelden.
Het ging de vrouw die ik voor \'t oogenblik tot heldin had ge-
-ocr page 211-
EEN TEGEN ZEVEN!                                           2QTJ
kozen, vry slecht. Ze wisselde \'t eene billet van duizend franken
voor, \'t andere na, en maar zelden kreeg ze er een terug. Sedert
vele dagen had ik opgemerkt dat ze vier of vyf van die briefjes
oezat. Er was afwisseling van eb en vloed in dat getal, maar op-
den-duur bleef ze op dezelfde hoogte. Reeds lang voor m\'n gno-
men my iets over haar toestand meedeelden, was me gebleken dat
ze behoefte had aan \'n bepaalde som ... die maar niet kwam
opdagen. Ze speelde niet als iemand die winnen wil, maar als
iemand die winnen moet. De paarduizend franken die haar kapi-
taaltjen uitmaakten, bergde zy in \'n allerliefste damesportefeuille . . .
in haar keurs. Twintig keeren by elke zitting werd het saamge-
vouwen pakje daaruit gehaald, gedeeltelyk gewisseld, by wat voor-
spoed weer kompleet gemaakt, weggeborgen — telkens met \'n
zwygende uitdrukking: nu voor goed ... ik breek \'t niet meer
aan! — en telkens werd het weer voor den dag gehaald, om op-
nieuw tegen louis-d\'ors te worden ingewisseld, waarmee dan de
hardnekkige stryd werd voortgezet.
Gedurig scheen de man haar met \'n wenk toeteroepen: »houd
op, houd op! \'t Gaat niet! Laten wy in \'s hemels-naam die vyfduizend
franken bewaren!" Maar \'t vrouwtje was hoofdig, hardnekkig, mis-
schien standvastig en moedig. Zulke definitien worden dikwyls door
den uitslag bepaald.
Wanneer haar oogen den blik van haar man ontmoetten, scheen
ze dan eens te beloven dat ze zorgen zou twee- drie- of vierduizend
franken overtehouden, dan weer dat ze — eens haar inlegkapi-
taaltje kompleet hebbende — \'t niet weer zou aanbreken. Maar
ook \'n andere uitdrukking lag dikwyls op haar gelaat, vooral wan-
neer ze, in oogenblikken van tegenspoed op-nieuw \'n billet wisse-
len moest. Ik las er uit: «beste vriend, wat baten ons die paar-
duizend ? We hebben méér noodig! Er op of er onder dus\'." En
angstig, misnoegd, verdrietig, keerde hy zich om. Hy scheen meer
te lyden of z\'n leed minder flink te dragen dan zy.
Ze had nu vier billetten geborgen. Vóór haar lag \'n twintigtal
louis. Ze zette onveranderlyk —moest het \'n systeem beteekenen.—
die goudstukjes op zwart, liet de winst staan tot het getal vier-en-
twintig bedroeg, en plaatste dan één louis er by om de mise vol
te maken tot vyfhonderd franken. Hiertoe waren drie achtereen-
volgende winnende zetten noodig. Na den vierden winner lagen er
duizend franken, zoodat er na den vyfden een billet by haar inzet
werd geschoven. Van die billetten had zy \'n veertigtal noodig om
niet te-gronde te gaan met man en kinderen . . .
Gedurende al de dagen dat ze speelde, trof ze slechts eenmaal
\'n winnende serie van zes, en juist genoeg serien van vyf winners
om telkens haar geslonken kapitaaltje weer aantevullen. By \'n ze-
venden winner zou ze vmoïtié" zeggen ... dit had ze met haar
man afgesproken. Maar ze kwam niet eenmaal zoo ver! *)
\') Niet altyd geldt de geheele masse als inzet. By \'t neerleggen van
bankpapier, of ook wanneer de mise door herhaalde verdubbeling tot
\'n hoog bedrag gestegen is, geven de spelers te kennen dat zy slechts
de helft of een nog kleiner deel van de daar liggende som aan de kans
-ocr page 212-
208                                      MILLIOENEN-SÏUDIEN.
Ook liepen de zaken van de arme tobster niet voordeelig. Wat
al interrnittencesI Drie louis werden zes louis, en zes louis wer-
den . . . niets! Weer drie gezet! En zie, alweer zyn ze zes geweest
en . . . niets geworden. En die treiterende tweeslagen! Drie ge-
weest, zes geworden, twaalf . . . wèg alweer, alle twaalf! Daar
volgen weer interrnittences: gewonnen . . . wèg! Gewonnen . . .
wèg! Gewonnen ... wèg! Och, \'t baat niet!
Een vierslag! Drie . . . zes . . . twaalf — nu zal \'t lukken! —
vierentwintig . . . waarachtig, \'t zal eindelyk gaan! Spoedig een
louis er by, om de vythonderd franken vol te maken tot \'n.
rouleau . . .
—  Rouge gagne!
Weg zyn de vy f honderd franken!
—  Madame aurait du relirer la masse, zegt \'n profeet apris eoupr
die achter haar staat. Och, waar staan, zitten of kruipen zulke
wezens niet, zy die altyd precies weten — na den slag! — wat
er had moeten gedaan worden?
Maar ze stoort zich niet aan die ergerlyke wysheid, en gaat voort
haar drie louis uittezenden tot het opsporen van \'n flinke serie.
Nogeens: was \'t koppigheid of moed ?
Wie zal sterker wezen, zy of\'t lot? Helaas, haar kapitaal tj e dreigt
telkens te bezwyken, en dat »lot" is onuitputtelyk in coups de deux,
de trois,
in interrnittences, en zelfs in serien van rood, als dit alles
dienen kan om \'t geduld op de proef te stellen van den armen
drommel aie zich nu eenmaal voornam op zwart te spelen.
Rouge! Rouge! Rouge! Telkens die vervloekte rouge! De een of
andere Schlungelhans was zeker bezig kapitalen op die kleur te
winnen.
En m\'n beschermelingetje — dit was ze geworden door de aan-
dacht waarmee ik haar spel en gemoedsbeweging volgde — wis-
selde het eene billet voor, \'t andere na. Ze had er nu nog één.
»Dat zou ze bewaren!" knikte zy haar man toe . . .
Maar hy was zeer bedroefd, en scheen \'t gemartel niet langer
te kunnen aanzien. Hy ging naar buiten, wierp zich op \'n stoel
by een der tafels achter \'t Kurhaus, nam \'n sigaar dien-i niet
rookte, bestelde \'n glas limonade dat-i niet dronk . . .
—  Die man is zoo dom niet, zei Semi-ur. De limonade zal hem
goeddoen.
Ik vond dat hy dan zeer verkeerd handelde, z\'n glas onaange-
roerd te laten staan. En dit zei ik.
—   Och, \'t doet er zoo weinig toe, riep nu \'t Kristalmannetje.
Alles is in alles. Gedronken of niet gedronken, die limonade zal
zich wel in de zaken hinein kristallisiren zoodra de tyd daar is.
Semi-ur heeft gelyk, \'t zal hem zeker goeddoen!
Nu, de man zag er waarlyk naar uit, alsof er haast by was dat
wagen. Om geldig te zyn moet deze -oannonce" door een der croupiers
overluid herhaald zyn, ten-einde als \'t ware de galerie getuige te ma-
ken van de aangegane overeenkomst. Vanhier \'t zeer eigenaardig aan-
houdend geroep: vingt, trente, quarante louis d la masse! Moitié au.
billet! Cent louis a la masse!
-ocr page 213-
EEN TEGEN ZEVEN !                                         209
iets hem goeddeed! Met starren blik zag hy voor zich neer, en
beschreef zonderlinge figuren in \'t zand. Hy scheen zich moeite te
geven om te glimlachen, maar \'t lukte niet, Aan de beweging van
z\'n lippen bemerkte men dat-i mompelend met zichzelf sprak. Wat
anders kon-i zich te zeggen hebben, clan dat hy geruïneerd was?
Geruïneerd, niet om de vyfduizencl franken die door z\'n vrouw nu
byna geheel verloren waren, maar om \'t mislukken van dat stoute
program hunner hoop, door \'t niet-winnen van de veertigduizend
die hy volstrekt noodig had om niet te-gronde te gaan.
We traden weer de zaal binnen, en bespiedden het vrouwtje dat
zoo\'n moeielyken stryd voerde. Behalve dat ééne billet in de keurs,
bleven haar nog slechts twee huis over. Ze stond op, en wierp
die beide stukjes op de favoritekleur die haar zoo valsch behan-
deld had.
De eerste rei der neergelegde kaarten had \'n zeer laag point.
De kans stond dus goed voor zwart . . .
\'t Zou ook wat baten of die twee stukken aangroeiden tot vier!
En al ware het tot acht, of zelfs tot zestien!
Toch bleef ze wachtend staan, en hield de hand op den rug van
haar stoel, als om die kans aftewachten tot het uiterste toe. Immers,
zoodra ze die plaats verliet, en de tafel, en de zaal . . . dan zou
de zaak beslist zyn, onherroepelyk beslist in haar nadeel! En dat
zou ze dan haar man moeten meededen, zy die zoo overmoedig
haar wenschen en hopen had opgeschroefd tot zekerheid!
Systeem? Berekening? Ach neen, dat had ze niet. Wat wist zy,
acht dagen geleden nog, van \'t spel ? Maar ze was moedig, en voelde
wilskracht. Dit was alles, al bleek \'t niet genoeg te wezen.
Ze wachtte.
\'t Was toch nog altyd mogelijk dat die twee louis-d\'or, die twee
laatste stukken . . .
Nu, haar laatsten waren \'t eigenlyk niet. Ze bezat nog altyd dat
eene bankbriefje. Neen, dat bezat ze niet. Het was alsof ze \'t niet
had. Ze beloofde immers haar man dat ze \'t niet wisselen zou?
Misschien was dit ook niet noodig ... de eerste rei kaarten had
\'n laag point . . . zwart zou dezen keer zeker winnen . . .
— Et trente poinls! riep de croupier, de laatste kaarten der gedn-
digde taille in den bak schuivende.
De coup gold niet, omdat de tweede rei kaarten minder dan
een-en-dertig punten haalde, en de zet dus niet afliep.
Daar lagen nu die twee louis, waarmee ditmaal \'t lot zich niet
scheen te willen bemoeien Wat zou ze doen ? Indien de laatste zet
verloren ware geweest, ze zou heengegaan zyn, waarachtig! Maar
nu? Wachten op de nieuwe taille? Niet wachten? Wat was er na
al haar tegenspoed van die twee onnoozele goudstukjes te hopen ?
Van die twee laatsten . . .
\'t Is waar . . . dat bankbillet! Oók \'t laatste . . .
Neen, neen, ze had haar man beloofd . . .
Haar hart bonsde.
Weggaan? Nu?
Ze kon toch die veertig franken niet ten-geschenke geven aan
de Bank?
MILLIOENEN-STUDIEN.
14
-ocr page 214-
2IO                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
Wel neen! Maar ... \'t was immers haar geld. Ze kon het terug-
nemen . . .
Zou dat niet »gek staan" voor de galerie f Lag er niet iets in,
alsof ze die twee louis noocig had om vandaag te eten, te wonen,
te leven ? Moesten nu al die vreemde mensen weten hoe arm ze was?
Weifelend en niet besluitend, besliste zy. Want haar uitstel van
weggaan was blyven, en blyven was beslissing. In-allen-geval kon
ze immers «afwachten wat er in de volgende taille van die twee
louis worden zou, en dan ook heusch niet meer!"
En wat die vreemde mensen aangaat . . . waarom dat bank-
billet niet gewisseld? Ze kon dan opstaan met vyftiglouis,en »ieder
zou zien dat ze niet op was als ze vertrok met haar portemonnaie
vol goud."
Zeker! Maar ze had haar man beloofd . . .
Beloofd? Nu ja . . . niet te spelen met dat laatste billet. Maar...
wisselen? Dat kon ze altyd doen. Daarmee was immers niets ge-
waagd ? Ze zou \'t alleen doen »om de mensen" en om goed te doen
zien dat ze niet »op" was-
Ach, hoe innig, innig gaarne had ze haar man verrast met \'n
goeden uitslag van haar waagstuk! De redding-zelf uit den nood
kwam haar minder begeerlyk voor, dan de vreugd hem te mogen
zeggen dat-i gered was, en . . . door haar! Zeker zou hy haar
schoon vinden en liefhebben op dat oogenblik . . .
Wat al illuzien verstoord! Het ware al te dwaas nu nog iets te
hopen van die twee louis! En de andere vyftig . . . neen, neen,
daarvan zou ze geen enkelen zetten. Ze wist nu immers by her-
haalde ondervinding, hoe snel men een billet verspelen kan met
mises van zestig franken!
Bovendien, er moest geld bewaard worden voor de logements-
rekening, die nogal hoog was opgeloopen, want ... ze »had er zoo
vast op gerekend dat ze winnen zou." En voor de reis naar huis...
Naar huis ? Zou haar man werkelyk naar huis durven gaan, waar
hy gewacht werd door wisselprotesten, schaamte en schande, ban-
kroet, ondergang, wanhoop ? Doch ... als ze niet naar huis gingen,
waarheen dan?
En het fatale oogenblik naderde! De veertigduizend franken
moesten heden gewonnen worden, heden op \'t allerlaatst, of.. .
Toch zou ze niet voortspelen met de vyftig goudstukjes, die ze
ontvangen zou voor haar billet ... als ze \'t wisselde!
Neen, neen, spelen zou ze niet met dat geld, waarlyk niet! Wis-
selen slechts, en ook dit maar »om de mensen."
Ze haalde nu \'t zesmaal saamgevouwen brietje voor den dag...
\'t was warm en vochtig. Lord Cl-nEVANT had er gaarne duizend
pond voor gegeven ... in z\'n goeden tyd! Ach, dat vodje papier
had kunnen getuigen\' hoe pynlyk die boezem klopte!
Met \'n mislukte poging om \'n onverschillig gelaat te toonen, ont-
plooide zy de vouwen . . .
Haar hand beefde . . .
»0 fortune, a Ion caprice . . . klonk de muziek uit het park ach-
ter de Kursaxl.
En, als om haar beven te doen opgaan in andere beweging...
-ocr page 215-
EEN TEGEN ZEVEN!
211
ze trilde met het billet de melodie na: Hens, je livre mon destin!
•nL\'or n\'est qu\'une chimère . . . antwoordden Robert\'s kameraden
in koor.
Die Robert en z\'n kameraden hadden makkelyk spreken. Zy wa-
ren nooit met vvisselprotesten en bankroeten in aanraking geweest.
In hun tyd kwam men ver met \'n beetje dierlyken vechtmoed.
Sdchor.s nous en servir ...
Nous en servir t Van wat ? Van moed ? Dien had ze! Van geld ?
Dat had ze byna niet meer . . .
Haar knieën knikten.
üGrdce . . . grdcet" smeekte — of beloofde? —■ nu de muziek.
»Non, non, non, non!" bulderde Robert.
Daar ze nu toch eenmaal wachtte, kon ze dit evengoed zittende
als staande doen. Ze nam de plaats op haar pas verlaten stoel weer
in . . . neen. niet geheel! Het was de moeite van \'t gemak niet
waard, vond ze, zich weer aan de tafel te zetten, alsof ze onbe-
scheiden genoeg was nog iets te hopen! Ze schoof ... ze liet zich
glyden ... ze zeeg neer, en zat . . . nu ja, ze zat, nagenoeg als
MOLIÈRE by \'t ontbyt van LODEWIJK xiv, op \'t hoekje van haar
stoel . . . heel, heel eventjes maar op \'t hoekje. Byna zat ze dus
eigenlyk niet, maar ... ze zat toch. En ze wachtte.
—  Wachten is de zwaarste arbeid dien gy mensen al zoo te ver-
richten hebt, zei Semi-ur. Wie dat kan, is sterk.
—  Zal ze wisselen? vroeg ik.
—  Neen.
—  Zal ze voortspelen?
—  Neen.
—  Zal ze ophouden?
—  Neen.
—  Zat ze weggaan ?
—  Neen.
—  Geruïneerd?
—  Neen.
—  Maar . . . maar . . . hoe kan dit alles?
—  Kristallizatie, mens! Ze zal wachten. Wie dat kan!
—  Ik mompelde:
Wat baet het of gy draeft en zwoegt en u verhit?
Fortuin liefst hem bezoekt, die wacht en stille zit . . .
—  Is het dat? vroeg ik m\'n gnoompjes.
—  Hm . . . gekheid! \'t Zit \'m in de limonade.
—  Maar . . . hy drinkt ze niet.
—  Dat is ook volstrekt niet noodig.
—  En bovendien, als er \'n calmans gebruikt moet worden, zou
zij eer daaraan behoefte hebben. Zie hoe ze beeft. Ik begryp er
niets van.
—  Blind . . . mens, riep \'t Kristalmannetje met \'n minachting die
an\'n schryftalent te-boven gaat. Blind mens, stekeblind mens, mens !
-ocr page 216-
212                                      MILLIOENEN-STUDIEN.
Die gnomen hebben vreeselyke scheldwoorden. Ik zou erg be-
schaamd geweest zyn, als m\'n nieuwsgierigheid naar den afloop me
daartoe den tyd had gelaten.
In \'t voorbygaan noteer ik hier ten- behoeve van den leergragea
^.ezer, dat in gnomentaal het woord MENS schynt te beduiden: \'a
ding dat niet recht wys is. In-godsnaam !
Neen, niet: in-godsnaam! Berusten doe ik niet!
-ocr page 217-
ROUGE PERD!
Intusschen hadden de croupiers zich beziggehouden met het ge-
reed maken van de kaarten voor de nieuwe taille. De zes spellen
waren opgenomen uit den in de tafel weggezonken bak, waarin na
eiken coup de kaarten worden weggeschoven. Ze werden in pakjes
verdeeld, tusschen elkander ingeschoven, van-hand tot-hand over-
gegeven, telkens weer door-een gemengd, en eindelyk weer by-el-
Icaar gevoegd tot één pak.
Nu bood een van de croupiers aan iemand uit het Publiek, de
vcoupe" aan. Dit coupeeren geschiedt steeds door \'n lid der galerie,
die hierdoor in zekeren zin tegenover de Bank het Publiek verte-
genwoordigt. Men steekt op \'n willekeurig te kiezen plek,\'n stukje
"wit karton tusschen de gemengde zes spellen, die hierdoor in twee
deelen worden gesplitst, waarvan dan het onderste boven-op wordt
gelegd. Het spreekt vanzelf dat deze coupe een altyd onbekenden,
maar zeer rechtstreekschen, invloed heeft op de taille die door de
ligging der kaarten bepaald wordt.
-ocr page 218-
214                                        MILLIOENEN-STUDIEN.
yiMaiti a t/ui donc la coupe f\' vroeg de croupier, nadat verschillende
aanwezigen geweigerd hadden de rol van onbewusten lotbeschikker
te vervullen.
Spelers namelyk zyn byna zonder uitzondering bygeloovig, en
meenen dikwyls: qu\'ils n\'ont pas la main heureuse. Anderen vree-
zen dat ze \'t »lot" boos maken door \'n al te stoute inmenging in
z\'n zaken. Z. H. wil eerbiedig behandeld zyn. Ook zyn er die zich
laten afschrikken door den mogelyken wrok van dezen of genen,
wanneer de door \'t coupeeren bepaalde taille niet naar z\'n zin is.
Ons studie-exemplaartjc staarde verdrietig voor zich neer op de
tafel, en prikte arabesken op \'n speelkaartje. Hierdoor konden de
blikken van den croupier, die uitnoodigend den kring rondgingen,
de haren niet ontmoeten. Eindelyk toch verwonderd over \'t lange
wachten waarvan ze de oorzaak niet kende, zag zy op. De geëm-
ployeerde bood haar de kaarten aan . . .
»Et viens diriger ma main! suisde \'t haar in de ooren. Byna
wezenloos en als gebiologeerd nam ze \'t kartonnen blaadje . . .
vGrdce . . . gr ace! Non . . . non!"
... en stak het ergens tusschen de driehonderd-en-twaalf speel-
kaarten. Zyzelf had nu de taille bepaald!
Helaas!
De eerste zet was rouge: de twee huis die daar zoo lang sarrend
hadden liggen wachten, en oorzaak waren dat ze by \'t eind van
de vorige taille niet vertrokken was, werden door een der geëm-
ployeerden weggestreken.
Nu was de tyd daar, om werkelyk optestaan. Wat anders?
»Rouge perd!" werd er geroepen. O zeker: rouge perd, zwart
wint, nu zy niet gezet heeft! *)
En weder: rouge perd!
En nogeens!
En nogeens!
Ztvart won zeven of acht keeren achter elkander.
—   Il parait que la noire o une série cette fois Madame aurait
dü jouer a la noire,
zei achter haar stoel een der bekende profeten
die zoo precies alles weten te voorzeggen wat geschied is.
Ach ja, ze had moeten zetten!
Zou ze \'t nu doen ? Nu nog ?
Rouge perd!" Alweer \'n zwarte . . .
—   En voild dix, zei de profeet. Je vous l\'ai bien dit . . . dest
une série de la noire. Pourvu qu\'elle ne s\'épuise pas trop löt, il
y
en aura davantage.
Zeer juist. Als er nog meer zwarten volgen, zal de serie nog-
grooter worden. Als de serie grooter wordt, komen er nog meer
zwarten. De man was opzettelyk geboren voor kranten-politikus..
«Rouge perd!" riep de croupier.
\') By \'t uitp\'oej.en der coups van de trente-et-quarante, wordt altyd
de roode kleur genoemd. Rouge perd of rouge gagne, heet het. Waarom
men niet eenvoudig de winnende kleur noemt, is \'n mysterie. Zoo zyn
er meer terminologische duisterheden. Op de roulette heet nummer éér»
nooit un, altyd premier.
-ocr page 219-
ROUGE PERD!                                                215
—   Que vous ai je dit? blufte de ziener.
»Rouge perd!"
—   Voila la douzaine au grand complet.\'Douze noires! Ei même .. .
eh . . . eh . . . rayons ■ . ■ altenriet!
» Rouge perd!"
—   Treize noires! Eh . . . eh ■ . . eh . . . je l\'ai bien dit! A\'e
l\'ai-je pas dit! Voyez, m\'sieur! Madame, voyez.\' C\'esl u>ie série de
treize, et , . . peul-êlre tlarantatje.\' Qui sait! Qitand la itoire persiste,
il y aura . . . voyons . . . allendez . . .
Met uitgerekten hals volgde hy nu, binnen\'smonds meetellend,
de neergelegde kaarten, en was hierin de eenige niet. De heele
galerie verkeerde in spanning. Velen stonden op, en bogen zich
over de tafel naar \'t midden, om toch vooral den eersteling te ge-
nieten van \'t nog nieuwere nieuws dat gaandeweg scheen toete-
nemen in belang. Alleen Lortl CI-DEVANT bleek geen lust te heb-
ben in verbazing.
rBoutje perd!" riep de croupier.
—   Quatorze! Xe l\'ai-je pus dit, m\'sieur? Madame, ne l\'ai-je pas
dit! C\'est qu\'une couleur . . . une fois en train ... el pourru qu\'elle
continue . . .
dBange perd!"
—  En roila encore une.\' Quinze r.oires! C\'est prodigieux, n\'est-ce
pas 2 Voyez . . .
De vervelende babbelaar toonde aan al de omstanders het kaartje
waarop hy den loop der zetten naprikte, en deed dit met \'n soort
van zelfvoldoening alsof het spel zich naar zyn kaartje geregeld had.
Precies \'11 krant alweer! «Hebben we niet gezegd dat er oorlog
komen zou als de vrede verstoord werd?"
»Rouge perd!"
—  Eh . . . eh . . . seize\'. C\'est extraordinaire, en vérité. Mais . . .
on aurait du en profiter.\' C\'est qu\'on n\'a pas voulu me croire!
Waarom had hyzelf dan daarvan geen gebruik gemaakt?
—  Il y avait la une fortune a gagner!
Dat kan men van eiken groep zetten zeggen.
—    C\'asi incroyablet Voyez m\'sieur! Voyez. madame! Il ij en a
seize déjal Eh , . eh . . . vuila ce qui s\'appelle une série! Et il se
pourrait. que . . . peul-êlre . . . qui sait! Allendons encore ce coup
la! Vous verrez que . . . peul-êlre . . .
«Rouge perd!"
—   N". l\'ai-je pas dit! En voila dixsept! C\'est . . .
—    Zu koïossal, riep hier onze oude kennis, de heer friedrich
plump, der Wisxenschaflen Zögling, die by dezen zet \'n heel twee-
guldenstuk op rood had gewaagd.
—    Zu koïossal . . . auf Ehre! So \'ne Seeeerje ist mir mein
Leblag nicht vorge.kommen!
Zyn Lebtag!
Waarde friedrich plump, alle respekt voor je Lehtag, maar
als \'n serie van zeventien zwarten te kolossaal is — en dus onmo-
gelyk, want er is geen »te" in de Natuur — waarom smeet je dan
niet na den zestienden zwarte de zes gulden die je nog in je zak
hebt, op rood?
-ocr page 220-
216                                       MII.LIOENEN-STUDIEN.
«Rouge yierd" klonk het nogeens.
—   «Dixhuit! Eli . . . eh . . . qu\'ai-je ditl
—  Zu holossal!
» Rouge perd!"
— Eh . . . eh! Dix-neuf! N\'est-ce pas que c\'est inouil C\'est . . .
fabuleux, m\'sieur! Madame, c\'est incroyable!
—   Alier ncin! So etwas ist noch nie da gewesen! Es ist nun
aber wirklich
zu . . . u . . . u . . .
—■ C\'est . . . énorme!
—   Grossaitig! Kolossal!
Hier mag de schrandere lezer plaats geven aan de opmerking
hoe wysbegeerte de mensen verbroedert. Herr FRIEDRICH PLUMP
had zich nooit aan kennis van de Fransche taal bezondigd, en de
Franschman verstond geen woord Duitsch, maar de zielen van die
twee heeren ontmoetten elkaar zoo eensgezind op den breeden
zottenweg der verbazing, dat ze elkanders adjekti ven grif verstonden.
En, op weinig uitzonderingen na, deed de galerie eenstemmig
mee. Het langgerekt blazend »hè" dat bekend is aan ieder die
ooit \'n vuurwerk zag afsteken, verving met goed succes al de uit-
roepingen die ik den lezer spaar. Nog welsprekender was de stilte
die telkens \'t algemeen losberstend bewondering-pneuma vooraf-
ging. Het scheen wel of men bevreesd was, het »lot" te storen in
de verlossing van al die zwarten. De milde kraamvrouw had rust
noodig. Maar als dan eindelyk weer \'n nieuwe telg behoorlyk ter-
wereld gekomen en geproklameerd was, werden de sissende hé\'s
des te luider uitgeblazen. Ze vormden dan één zucht, \'n geluid
dat het midden hield tusschen de voorspelling van aanstaand be-
zwyken, en \'n ademhaling na \'t op-eens wegwerpen der al te zware
vracht van opgespaarde bewondering.
Men meene niet dat die belangstelling in-verband stond met
winst en verlies. Byna niemand speelde. Zelfs FRIEDRICH PLUMP
was uit het veld geslagen. Hy kneep de drie dubbelguldens die hy
in den zak had, maar durfde er geen van zetten. Spelers zyn by
zulke gelegenheden bevangen door zekeren schroom. Er werden
slechts enkele geringe mises op de tafel geworpen door nieuw aan-
gekomenen die niet ingewyd waren in de krizis, en alzoo onbewust
de geheimzinnigheid van \'t slot" trotseerden. De onthouding van
de anderen berustte op iets als vrees: dat de zwarte kleur nu toch
wel uitgeput wezen zou." En op rood te zetten . . . tégen de gag-
nanle. . . .
shm, hm, dat is gevaarlyk, zeer gevaarlyk!"
Ook onze Lord ci-devant speelde niet. Maar dit lag aan den
tyd van \'t jaar. We waren in de laatste week van \'n kwartaal.
Niets evenwel duidde aan, dat-i deze taille vreemder vond dan elke
nndere. Ik geloof \'t graag. Hy was uitgestudeerd in \'t nü mirari.
Die oefening had hem honderd-duizend pond gekost. Hy hield zich
heel tevreden bezig met den tandenstoker die z\'n eenig diner op
dien dag had uitgemaakt.
De twintigste zwarte was ook gekomen.
—   C\'est excessivemenl dnngereux maintenant, verzekerde de pro-
feet. Vous comprenez que la noire . . . quand elle se déclare si opi-
nidlrement
... c\'est pyramidal! Vingt noires! Tenez, m\'sieur, je
-ocr page 221-
ROUGE PERD!
217
vous expliqnerai ce que c\'est. II faut connaitre Ie jeu, tout est la!
C\'est une taille qui . . . qui . . . contient une série énorme de noires . . .
voila ce que c\'esl! Et la raison en est . .
. voyons ce coup ei . . .
nRouge perd!"
—  Ne V aije pas dit? Vingt-el-une. m\'sieur. vingtet-une! C\'est...
une série de la noire! Il faut connaitre Ie jeu. La noire élait en
retard, m\'sieur, et elle se rattrapé. Voila la raison! C\'est madame
qui
o fait la coupe. Une couleur en retard . . . eela se rétablit tou-
jours, et vous verrez que . . . eelle fois ei ... a tnoins que la rouge
ne reprenne Ie dessus . . .
nRouge perd!"
—   Qu\'ai-je dit f Ne l\'ai-je pas dit! N\'esl ce pas que c\'est . . .
—  Das ist nun aber wirklich zu . . . u . . . u . . .
Noch de profeet noch de andere wysgeer hadden adjektiven
meer. En ook \'t vunrwerks-pneumo van de anderen klonk wat ge-
dempt, en als onder zeker voorbehoud. Men wilde adem sparen
voor nog grooter verbazing. Hoe toch, als eens \'t »lot" meer zwarten
in voorraad bleek te hebben dan men in-staat was vreemd te
vinden ?
nRouge perd!"
—   Vingt-deux ! Que vous aije dit f C\'est la noire qui . . .
En ons arme vrouwtje dat daar nog altyd zat met haar onge-
■wisseld billet vóór zich! Bitter, bitter, bitter was \'t voor haar, al
die zwarte slagen te hooien uitroepen, zy die reeds lang op slechts
\'n klein deel van zoo\'n serie gehoopt had! Och, hoe wreed, hoe
valsch, hoe martelend ! Was \'t niet of \'t »lot" haar bespotte ?»je ziet
dat ik wel serien van zwart in voorraad heb, maar voor U niet!"
Ach, nu had ze gaarne willen opstaan, maar daartoe had ze de
kracht niet meer. Waarom niet terstond dat billet gewisseld, ter-
stond na \'t verlies van het laatste goud? Dan had ze geen zetten
laten voorbygaan! Dan ware in weinig slagen haar doel bereikt
geweest! Dan had ze nu opgetogen van vreugd de pynbank kun-
nen verlaten, waarop ze zoo gefolterd werd! Dan had ze . . .
—    C\'est madame qui a fait la coupe, hoorde ze nu weer ver-
kondigen door den allemans-profeet, die nog altyd achter haar stoel
stond. Ze voelde dat-i haar aanwees als de scheppende artiste van
\'t aanschouwd wonder. Mais madame a eu Ie tori de n\'enpaspro-
fiter! Eh . . . eh . . . eh . . . si madame voulait me procurer une
nouvelle taillepareille . . . eh . . . eh. . . eh . . .parole d\'honneitr,
je saurais parfaitement ce que j\'aurais a faire . . eh .. . eh .. . eh I
Ik gis dat dit geestig lachje z\'n voornemen aanduidde om op
zwart te spelen, zoodra hy vooruit weten zou dat er zóó\'n serie in
de kaarten lag. En weer scheen hy onze arme gemartelde aan de
omstanders voortestellen als de veroorzaakster van zooveel vreemds.
—   En voila une qui sait couper! moest ze nogeens hooren, en
de wyzende vinger van den hatelyken kornak brandde haar in den rug.
Ze zat als wezenloos. Opstaan kon ze niet. Ze voelde dat ze neer-
zygen zou, zoodra ze haar stoel verliet. Aan \'t wisselen van dat
billet dacht ze niet meer. Bovendien, voortspelen ? Nu ? Op welke
kleur? De serie van zwart, waarop ze zooveel overspannen hoop
-ocr page 222-
218
MILLIOENEN-STUDIEN.
gevestigd had »de serie die toch ééns komen moest" naar zy altyd
gemeend had, was er nu geweest, en wel veel grooter dan voor
haar doel noodig was. Wat ze voor \'n grond van hoop had ge-
houden, was werkelykheid geworden, maar . . . voor haar \'n sar-
rende bespotting!
Wat nu?
Ze verlangde weg te zyn, ver weg . . . dood misschien!
En na de mislukking van \'t plan, die haar zoo wreed martelde,
wachtte haar nog een andere pyniging. Ze moest hem zeggen dat
alles, alles, voorby was, en dat voortaan hy, zy, de kinderen . . .
Om die vyfduizend franken by elkaar te krygen, hadden ze . . .
Neen, denken kon ze niet. Overmaat van smart maakte haar ge-
voelloos. Ze was als vernietigd.
Daar werd ze zacht op den schouder getikt door een van de
zaallakeien, die haar kwam vragen om: »einen Lewih für den Herrn
Gemald der draussen sass."
Dit nu was wel meer geschied, als zy den gemeenschappelyken
portemonnaie by zich droeg, en hy in den restaurant\'n kleine ver-
tering te betalen had. We hebben hem \'n glas limonade hooren
bestellen.
De huishoudelyke aard van deze boodschap riep haar tot be-
zinning. Sedert uren had ze gedroomd van duizenden, of liever be-
paald van de veertigduizend franken die ze noodig had, en de waarde
van geld in den dagelykschen omgang, kwam haar geheel veran-
derd voor. De drie, zes, twaalf louis die herhaaldelyk als haar mine
op \'t tableau hadden gelegen, schenen haar slechts speelmerken,
fiches, legpenningen, toegangkaartjes tot het verblyf van de be-
wuste veertigduizend franken . . . geen geld dat waarde had op-
zichzelf. Op-eenmaal kwam nu \'t verzoek van haar man, om \'n
geldstuk dat strekken moest tot het voldoen eener kleine schuld,
haar wekken uit de begoocheling die zich van eiken gast aan de
groene tafel meester maakt. Ze begreep wel dat haar man niet
juist \'n geheelen louis-d\'or noodig had, maar »hy kon toch door\'n
knecht niet om groschen of kreulzers laten vragen?" En, bovendien...
O God, dat was het misschien! Hy wilde weten of ze nog \'n
louis bezat?
Er was haast by, hem ten-minste daarover gerust te stellen. Snel
wierp ze het billet den croupier toe, en wilde hem verzoeken daar-
voor goud te geven, maar de woorden stikten haar in de keel. Ze
kon geen verstaanbaren klank uitbrengen.
Sedert lang was de fameuze serie gesloten, en ook de door haar
gecoupeerde taille was door \'n andere vervangen. De liefhebbers
bewaarden het kaartje waarop de vorige geprikt stond, als \'n ku-
rioziteit die jaren lang dienen zou tot tekst over de grilligheid van
het »Lot."
—   Der fferr lasst bitten um nur einen louis-d\'or, herhaalde de
knecht die meende dat ze hem niet verstaan had.
—   Natuurlyk, mompelde Semi-ur, de limonade moet betaald
worden . . .
—  En kristallen schieten, zei \'n ander gnoompje.
-ocr page 223-
ROUGE PERD!                                                219
Het billet dat ze wisselen wilde, was op zwart gevallen.
—   Tout ? vroeg de welwillende croupier, omdat-i sedert lang had
opgemerkt dat ze gewoon was lager mines te zetten.
Ze wilde te-kennen geven dat ze \'t bankpapicr slechts had toe-
geworpen om het te doen wisselen. Maar de als dichtgeschroefde
keel weigerde haar den dienst. Nu trachtte zy den rdleau te gry-
pen, om daarmee het dure papiertje van z\'n al te gevaarlyke plaats
wegteschuiven, maar \'t ding was in-handen van andere spelers. En
toen \'t eindelyk vry kwam, en zy \'t met bevende hand opgenomen had:
—   Tout va au billet! riep de croupier, dien \'t verveelde dat-i geen
antwoord kreeg, en:
«Rien ne va plus!"
Met zyn harkje sloeg hy nu de niteau ter-zyde, waarmee zy einde-
lyk op \'t punt stond haar laatste bezitting te redden uit de klauwen
van \'t verfoeielyke spel.
—  Pardon, madame, c\'est trop tard. Le poinl est connu!
Inderdaad! Reeds was er quarante geroepen voor de eerste rei.
Quarante, \'t hoogste poinl, en dat alweer voor rood!
—   Ne l\'ai-je pas dit? C\'est excessivement dangereux mainlenant
de jouer a la noire. Vous comprenez . . . après une taille comme
la dermère . . . la noire est épuisée! C\'est la rouge cjui dominera
cetle fois . . . a moins que . . . ce coup-ci . . . eh . . . eh . . . eh . . .
que vous ai-je dit
?
Waarachtig, ook de tweede rei telde quarante! De slag was nul.
—  Nou, dat bankie is deur \'t oog van \'n naald gekrope, zei \'n
jonge dame uit Amsterdam tot den dikken en Wel-Edelen Heer,
die haar papa scheen in koffie en suiker. Ook decd-i in deftigheid
en afkeer van \'t spel. Wel waagde hy soms \'n paar gulden: »och,
ik doe dat zoo voor \'n aardigheid, weet u!" maar altyd als z\'n
dochters er niet by waren. En ook de jonge dames speelden nooit
als papa \'t zag. \'t Was \'n familie vol principes en P. C, die zeer
behoorlyk wist te gruwen van elke onbehoorlykheid. De ionge
dame was op \'t oogenblik bezig, papa «aan den praat" te houden
by de kaartentafel, om haar zusjes gelegenheid te geven tot wat
gedobbel op de roulet. En om deze taak iets aangenaams bytezet-
ten, maakte zy liefderyk den ouden heer opmerkzaam op ons stu-
die-exemplaartje.
—  Kyk \'t mens ereis chek uitzien. Se svveet er van! Se dee ook
beter as ze maar chou na huis ging!
Ach ja, de druppels parelden haar op \'t voorhoofd. En ze zag
doodsbleek. Of la noire zoo byzonder épuisée was als de spelpro-
fessor op-nieuw betuigde, weet ik niet, maar zeker was zy uitgeput,
onze wanhopige strydster. Ze hoorde niet wat men rondom
haar zeide, of althans ze verstond het niet. Al wat ze waarnam,
loste zich op in één vermoeiend gegons. Ze begreep ter-nauwernood
wat dat quarante en quarante après beduidde, en dat de slag niet
gegolden had. Ook had ze \'t besef niet, haar inzet nu terug te
nemen. Ze voelde zich als vernietigd, en zou neergezegen zyn wan-
neer niet de drukkende volte aan weerszy haar had overeind ge-
houden op haar stoel.
De profeet waagde nu ... \'t was z\'n eerste waagstuk, dien dag ...
-ocr page 224-
MII.LIOENEN-STUDIEN.
220
—   Je frequente les Jeux depuis trente ans, verzekerde hy den
omstanders, et j\'ai toujours remarqué que . . .
Nu ja, om de een of andere reden waagde hy \'n tweegulden-
stuk op rood, wat zeer kiesch van hem was. Hy die door z\'n diepe
studie van de geheimenissen der groene tafel de fortuinen maar
voor \'t grypen had, vergenoegde zich, nu hy ten-laatste iets deed,
met het minimum van de mise. De edele man wilde de Bank niet
plunderen, naar \'t schynt.
— C\'est un coup sur . . . a moins que . . .
y Rouge perd!" riep de croupier.
—   Sacró nom de dieu! De Iels contrelemps n\'arrivent qu\'ü moi!
Faut-il être déveinard pour avoir vne chance pareille! Voyez, m\'sieur ...
madame, voyez, moi qui ai prêdit correctement
— mais cor. ree.
te. ment!
— lom les covps, ne voila-l-il pas que Ie premier que je
joue . . . mon dieu, queue tuile! Voyez un peu, je vous en prie ...
voyez, madame!
En hy betoogde uit \'n zestal geprikte kaartjes, dat hy volgens
alle goddelyke en menselyke wetten dien fameuzen coup had
moeten winnen.
Daar lagen nu waarlyk twee billetten van duizend franken op
zwart. De eigenares van dien inzet was suf, wezenloos, onmachtig.
Misschien wist ze niet eens dat die briefjes haar behoorden . . .
des-te-beter! Want:
vRouge perd!" riep nu de croupier.
Er werden twee billetten bygelegd.
—  Ik sou se chou wegnemen as \'k haar was! betuigde deAm-
sterdamsche. Want sieje, papa, as se se nou weer verliest. . . dan
het se niks, en \'t is \'r êêge skult.
Dit is waar. Maar zy verloor ze niet. Er kwamen vier billetten
by. Daar lagen er acht . . . het maximum van de mise op simple
chance.
Er volgden nog vier zwarten . . .
By eiken slag werd er \'n maximum bygelegd . . .
—   Combien y a-t-il de billets maintenant? vroeg onze patiënte
stamelend, en als ontwakend uit \'n akeligen droom.
—  Quarante, madame! antwoordde de croupier. Voulez vous re-
tirer la masse
?
—  O God, ik dank u! Ja, ja, geef hier, geef alles hier, alle veer-
tig! Veertig ... o God, ik dank u!
Dit riep ze met dezelfde woorden die ik hier schryf, want ook
zy was \'n Hollandsche, en vergat in de verrukking van haar hart alle
andere talen dan die waarin ze zoo vurig had gebeden om uitkomst.
—  Hm! God deed er niets aan, zei Semi-ur. \'t Was de limonade!
Als haar man niet had laten vragen om \'n louis . . .
De croupier lachte haar vriendelyk toe. \'t Scheen den man ge-
noegen te doen, dat-i haar zoo \'n schoone som mocht uitbetalen.
Hy sloeg vyf-aan-vyf de billetten om \'t klampje van z\'n rdteau, en
reikte haar achtmaal achtereen dien fladderenden schat toe. Ze
greep de briefjes, kneep ze saam tot \'n vormloozen klomp, en
vloog, de omstanders ter-zy dringend, de zaal uit.
-ocr page 225-
ROUGE PERD!                                               221
—  Nou, loop me niet omfèr! klaagde haar landgenoote, nydiger
dan eigenlyk gewettigd werd door \'t onbeduidend stootje dat ze
ondergaan had. Dat mens lykt wel mal! En wat \'n chemeen Hol-
lans! Seker uit \'n achterbuurt, of uit Den Bos of Défeter, of soowat.
\'t Is werachtich sonde f\'n \'t chelt! Chot weet wat s\'r mee doet!
—   Very nice, indeed! zei Lord ci-devant tot zichzelf—de eeni-
ge persoon met wien hy gewoon was zich optehouden — en voor
\'t eerst bespeurde ik iets als aandoening op z\'n gelaat. Het was
de zeer adelyke vreugd over \'t geluk van \'n ander. Waarschynlyk
zou hy zich geschaamd hebben, blyk te geven van banaal mede-
lyden, die al te goedkoope misdrukuitgaaf van goedhartigheid.
—   Et moi qui croyais la noire épuisée, kermde onze profeet.
Doch terstond daarop legde hy zeer duidelyk uit, waarom de noire.. .
als ze »épuisée" was ... en als ze toch eigenlyk niet vépuisée"
was . . . kortom, hy had het voorzien, en zou er zeker op gezet
hebben, indien slechts . . .
—  Zu kolossal! verkondigde friedkich plump.
—  Limonade! riep Semi-ur.
—  Kristallizatie! juichte het Kristalmannetje.
En: «alles in alles!" jubelde m\'n heele lyfwacht van gnoompjes
door elkander. Zelfs de muziek deed mee: heil dir im Siegerkranz t
Voor \'t eerst van m\'n leven hoorde ik dien lamlendigen deun met
genoegen.
Ik volgde m\'n heldinnetje. Mee gehoopt en mee geleden: mee
genieten! Was \'t niet billyk?
Haar man zat nog altyd op de plek waar we hem \'n uur gele-
den verlaten hadden. Ze vloog op hem toe, wierp den veroverden
schat op tafel, en viel hem om den hals:
—   Gered, gered! Daar zyn ze . . . alle veertig! Tel maar, tel
maar ... o God, gered! O God, ik dank u! En nu . . . nooit,
nooit, nooit weer \'n voet in dien vreeselyken hel!
—  Hm! Heel dankbaar is ze niet, bromde Semi-ur. Heb je
van z\'n leven, daar gooit ze waarachtig \'t glas limonade omver,
dat haar zooveel goed heeft gedaan! Dom volk, die mensen 1 Nu
krygt God die haar zoo onbarmhartig tobben liet, al de eer van
de zaak, en die arme scherven trapt ze tot gruis. Dat komt er van,
als men oorzaak en gevolg niet aan elkaar weet te knoopen . . .
dom!
—   Ze heeft dapper gestreden om haar gulden-vlies, bracht ik
bedeesd in \'t midden.
—   Dat kan waar zyn, maar veroverd heeft ze \'t eerst, toen ze
niet streed. 7,y gaf den moed op, en had Ie bras cassé, zooals de
spelers dat noemen. Ze kon geen vin verroeren. Wat zou er van
haar heldenstuk geworden zyn, zonder de limonade ?
—  Zeker! Maar zeg eens, waarom liet ge my\'t vorige hoofdstuk:
.ȃen tegen zeven\' noemen?
—  Wel ... de eenvoudigste zaak van de wereld. Uw mevrouw ...
JASON, die met haar vyf billetten vyf-en-dertig winnen wilde, moest
-ocr page 226-
222                                       MILLIOENEN-STITDIEN.
zeven vyanden uit het veld slaan. Dit lukt eens in de acht keer.
Wy gnomen houden daar boek van. En erger nog, toen ze maar
één briefjen overhad, stond de kans als één tot negen-en-dertig.
Geslaagd is ze, maar . . . wie na haar iets dergelyks beproeven
zou, heeft niet veel schoons te wachten: épuisé.\'
Zeg haar dit, als ge \'t mens mocht weerzien. Of beter nog, maak
\'t bekend in uw millioenen-studien . . . ook \'n kristallizatie!
-ocr page 227-
1NDUSTRIEN.
Toen we de zaal weer binnentraden, kozen wy een der roulette-
tafels
tot hoofdkwartier. Buda was druk in den weer. Ze speelde
als naar gewoonte op de nummers, en zette by eiken coup \'n twin-
tigtal louis-d\'or uit. Dit weerhield haar niet, tevens van-tyd tot-tyd
\'n paar zilverstukken op de colonnes te werpen, en zelfs op de
simple chance. Ik vroeg m\'n geleiders om opheldering van deze
zonderlinge handelvvys, en vernam nu dat hierachter \'n diepzinnig
systeem verborgen lag. We weten reeds dat buda\'s favorietnum-
mer achttien was. Zoodra dit nummer meer keeren dan eens in de
zeven-en-dertig coups uitkwam, zou ze winnen. Oppervlakkig be-
schouwd, had ze dus daarop alleen haar geld moeten plaatsen.
Maar eilieve, dan zou \'t »lot" al te duidelyk zien wat ze beoogde,
en alzoo z\'n nummer achttien gretig voor zich houden. Door nu
ook op andere nummers te zetten, bracht ze dat »lot" terdeeg in
de war, daar het dan niet zoo spoedig weten kon op welk num-
-ocr page 228-
224                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
nier ze \'t meest gezet had. Ik bemerkte nu ook, dat ze zeer dik-
wyls met \'n achtelooze beweging en als zonder erg, haar goudstuk-
ken op nummer achttien met \'n onaanzienlyk vyffrankstuk bedekte.
Het werpen van \'n zilverstuk op de colonnes of simple chance,
had hetzelfde verheven doel. Het »lot" haar uitdaging ziende op
première en derniére douzaine of op de zwarte kleur, zou meenen
\'n heerlyke overwinning behaald te hebben door \'t voortbrengen
van \'n rood nummer uit het midden . . . by-voorbeeld: achttien?
Ieder ziet in, hoe deerlyk dan dat anders zoo slimme »lot" gefopt
was. Het ontving slechts wat onbeteekenend zilver en eenige enkele
lonis-d\'or, terwyl het op dat eene winnend nummer twee- driedui-
zend franken zou te betalen hebben, \'t Is inderdaad voor zoo\'n
»lot" om zich in woede voor \'t hoofd te slaan, en ik verwacht dan
ook zeker dat we \'t eerstdaags in den vyver vinden. Buda zal \'t
op haar geweten hebben, als de karpers en goudvisschen er zich
ziek aan eten . . .
Hoor, daar wordt gekibbeld:
—  Mais, m\'sieur, je vous assure que ce/torin est bienpositivement
a moi .
. .
—  Non, m\'sieur!
—  Pardon, m\'sieur!
—  J\'en suis parfailement sur, m\'sieur!
—  Au contraire, m\'sieur! Le florin est d moi, m\'sieur!
—  Madame me Va vu mettre . . . n\'est-ce pas, madame f
—  M\'sieur m\'en est tcmoin . . . n\'est-ce pas, m\'sieur?
—   Tout le monde Va vu . . .
—  Jen appelle a tout le monde ...
Nu, Mr. tout-le MONDE — \'n allerpoverst getuigetje! — houdt
z\'n mond. De chef de partie maakt \'n eind aan den twist. Hy wenkt
den croupier toe, aan beide spelers hun gulden te geven, met de
winst er by:
—   Calmei vous, messieurs, la banque paye deux f ui»!
Onze kibbelaars laten zich de magnificentie van de Bank aan-
leunen, maar brommen voort om toch vooral te doen blyken dat
het hun om \'t spelrecht te doen is, en volstrekt niet om de knik-
kers . . . die ze toch niet versmaad hebben. Ieder hunner tracht
de omstanders te overtuigen dat eigenlyk »de andere" de bewel-
dadigde is, en dat hyzelf slechts ontving wat hem wettig toekomt.
til y a des indiridus si indélicats!" heet het aan beide zyden.
Zeker! Maar toch zou men zich vergissen, indien men zulke on-
eenigheden altyd aan kwade trouw toeschreef. Zeer dikwyls zyn
beide partyen onschuldig, tenzy men hun dat onbeschaafd rumoer-
maken over \'n kleinigheid — die voor hen misschien geen klei-
nigheid is — als schuld aanrekene. De tafel is, vooral by \'t rou-
lette-spel,
bedekt met minimum-zetten, zoodat de spelers-zelf dik-
wyls niet juist weten welk geldstuk \'t hunne is. Ook wordt iemand
die zich wat lang in zoo\'n omgeving ophoudt, ten-laatste eenigszins
versuft, en \'t gebeurt zeer dikwyls dat men, als \'t spel wat snel
gaat, \'n reeds afgeloopen coup verwart met den tegenwoordigen
waarop men verzuimd had te zetten. Het is \'n blyk van bekrom-
penheid, by zulke gelegenheden terstond aan kwade trouw te denken.
-ocr page 229-
INDUSTRIEN.                                                 22 5
De Bank die hoogst ongaarne door ergerlyke tooneelen in op-
spraak gebracht wordt, maakt gewoonlyk op milde wyze een eind
aan \'t krakeel. En dit kan ze te eerder doen omdat de stryd ge-
woonlyk over zeer kleine sommen loopt, en zelfs byna altyd over \'t
minimum. Het eigendomsrecht op de hoogere mises valt beter in \'t
oog, en wordt dan ook zelden betwist.
Dat er onder \'t zeer gemengd speelpubliek gevonden worden —
erger nog, dat ze zich dikwyls niet laten vinden — die zich toe-
leggen op diefstal, ligt in de rede. Hoe zou dit anders kunnen, daar
de Speelzaal \'n kort begrip van de wereld is, \'nmikrokoêmott Men
moet evenwel erkennen dat juist hierdoor de geémployeerden van
de Bank dikwyls \'n maat van mensenkennis verkiygen, die hen
in-staat stelt onderscheid te maken tusschen vergissingen ter-goe-
der-trouw, en \'n minder onschuldige industrie dan \'t beoefenen van
de nuchtere waarschynlykheidsrekening of stupide morfondarien.
Ook in \'n ander opzicht zou men volgens sommigen aan den
blik en \'t oordeel der croupiers zekere onfeilbaarheid kunnen toe-
kennen. Men verhaalt dat ze eens, zonder hun toevlucht te nemen
tot opensnyden, \'n marquise wisten te onderscheiden van \'n pu-
blieke vrouw. Maar de toepassing van de hierby aangewende me-
thode is door de direktie verboden, omdat daartoe \'n zoo uitput-
tende inspanning wordt gevorderd, dat men weldra geen fondsen
zou kunnen aanwyzen tot het pensioneeren van al de ongelukkigen
die recht hadden op verzorging ten-gevolge van »in den dienst"
bekomen hersengebreken.
Die zonderlinge verwarring van stand, rang en zedelykhedens . . .
Wel beschouwd komt de zaak dikwyls alleen neer op \'t nietig
verschil tusschen huur en koop!
... die bontheid dan, gaf eenmaal aanleiding tot \'n Fransche
vaudeville, waaraan ik straks wat geestigheid ontleenen wil omdat
\'t geschryf van \'n Hollander zoo droog is.
Wy waren getuige van dat twisten by de groene tafel. Daar is
iets onnoozels in, en als industrie raad ik \'t af. Ik betwyfel zeer
of ooit iemand \'n burgerlyk bestaan vond in dat gekibbel, en zeker
kan \'t uit \'nlukratief oogpunt in de verte niet worden vergeleken
met het zeer winstgevend zakkerollen, welks meest uitstekende
beoefenaars gewoonlyk uit Engeland overkomen, waarschynlyk om
\'t heilzame der badkuur te verbinden met het aangename van \'n
zeer gemakkelyke broodwinning. Uit het Wiesbader krantje ver-
neemt men telkens dat aan prinses die, haar portemonnaie, aan
graaf zóó, z\'n portefeuille ontfutseld is. Het zou iemand die weinig
in de wereld had rondgekeken, en dus \'t niet genoeg bekende
»de majoribus non eurat praetor" over \'t hoofd zag, misschien
vreemd voorkomen, dat de Policie, die zeer moedig optrekt tegen
losloopende honden in de Kur-anlagen, en in woede ontsteekt over
\'t afplukken van \'n bloem, geen raad weet tegen zulke Engelsche
vrypostigheden. Het vangen van zakkerollers komt me nog mak-
kelyker voor dan \'t zakkerollen zelf. Ik moet evenwel erkennen
dat de bestolenen altyd ruimschoots worden schadeloos gesteld
door \'n milden vloed van verzekeringen dat er naar den dief zal
gezocht worden.
MILLIOENEN-3TUDIEN.
\'S
-ocr page 230-
226
MILLIOENEN-STUDIEN.
In-weerwil hiervan zou ik toch niet durven beweren dat de Po-
litie op de badplaatsen, over \'t geheel genomen, slecht is, tenzy
men de byzondere zeldzaamheid van meer brutale diefstallen —
vergezeld van inbraak, mishandeling en moord, byv. — toeschryve
aan de verslapte geestkracht van de hedendaagsche annexatie-in-
dustrieelen. Semi-ur zei dat die heeren zich tegenwoordig meer
toeleggen op hoogere bankzaken, staatsleeningen, aktiengenoot-
schappen, ondernemingen met premien — voor de oprichters —
en niet zeer stoelvaste kassiers.
Hoe dit zy, er moet \'n byzondere reden bestaan, waarom men
zoo weinig verneemt van roof op de meer ouwenvetsche manier.
Eiken avond verlaten honderde personen, die toch zoo-even onder
\'t oog van de heele galerie groote sommen gelds by zich staken,
de Kursaal, en velen hebben \'n eenzamen weg naar huis afteleg-
gen. Aannemende dat dezulken voorzichtig genoeg zyn zich te
doen vergezellen, of wel dat ze met rytuig naar hun woning gaan,
dan blyft het evenwel opmerkelyk dat dieven hen niet naar en in
die woning volgen, of hen niet daar opwachten zelfs, wat niet
zeer moeielyk wezen kan. De meeste huizen en woningen op
zoo\'n badplaats zyn toegankelyk voor eiken gauwdief die lust
heeft zich tot kontubernaal te maken van ieder dien hy bestelen
en desnoods vermoorden wil. Daar dit evenwel zelden of nooit
geschiedt, en daar de Politie zelfs tegen vreedzame zakkerollers
niet opgewassen schynt, zou men zich haast genoopt voelen de
verklaring van m\'n gnoom voor de ware te houden. De wel-
willende mensenvriend doet dit te liever, omdat hy dan te-ge-
lyker-tyd \'n vergenoegden blik mag slaan op den moordweren-
den invloed van de hedendaagsche finantiebeschaving. Wie zal
\'t aantal berekenen van de mensen die in leven bleven, alleen
omdat de reien der moordenaars zoo vreeselyk gedund zyn door
de zegepralende konkurrentie van hooge Russisch-leeren kantoor-
stoeltjes? Eén Fransche Leening — model thiers-POUYER — be-
zorgt een genisten nacht aan honderden die onder \'t vorig régime
\'s morgens tot hun groote verbazing zich met afgesneden keel en
ledige portefeuille in hun bed zouden gevonden hebben.
Behalve \'t zakkerollen bestaat er op speelplaatsen, en wel aan
de groene tafel zelf, \'n andere soort van schelmery waarvan \'t be-
spieden niet onvermakelyk is. Men zou ze kunnen noemen: het
aanvaarden van onbeheerde boedels. En zoo werd ze dan ook ge-
doopt met \'n Fransche uitdrukking: faire lei hérilages. Dat »faire"
hebben we in \'t Hollandsch heel aardig overgenomen. Ookwy zeggen:
de man »doet" in . . . \'t een of ander. De beoefenaar van \'t hier
bedoeld vak tracht zich meester te maken van masses welker eigenaar
onbekend is. Hy gaat wel op diefstal uit, maar tracht de zaak zoo
aanteleggen dat er geen bestolene is, of althans geen klager. De
manier waarop dit geschiedt, vereischt zekere toelichting.
Even als sommige spelers nu-en-dan aanspraak maken op \'n mise
die anderen toebehoort, ter-goedcr-trouw meenende dat zyzelf die
gezet hadden, geschiedt het meermalen dat de ware eigenaar van
\'n mise z\'n geld uit het oog verliest. Dit kan vreemd voorkomen,
daar het toch natuurlyk schynt dat ieder acht geeft op \'n zoo
-ocr page 231-
INDUSTRIEN.                                          227
rechtstreeks belang, maar de oorzaken van dit misverstand zyn
menigvuldig. Het gebeurt meermalen dat \'n speler die in de ach-
terste rei der omstanders geplaatst is, en dus de tafel niet over-
zien kan, \'n geldstuk meent te werpen op zekere chance die hy \'n
oogenblik later als verliezer hoort uitroepen. Wanneer dan z\'n mise
op \'n andere kans gerold was, zou hy buiten z\'n weten gewonnen
hebben.
Het is aardig by zulke gelegenheden optemerken hoe by som-
migen de begeerte om zich \'t onbeheerde geld toe-te-eigenen, in
stryd is met de vrees dat de ongeziene eigenaar, ot iemand namens
hem, wel kennis draagt van z\'n aanspraak.
Ofschoon de croupiers slechts hebben afterekenen met de op-tafel
liggende inzetten, en zich niet om de eigenaars daarvan hoeven te
bekommeren, weten zy toch byna altyd meer van de herkomst dan
sommigen aangenaam is. En zeer dikwyls wenden ze hun oplet-
tendheid ten voordeele van den fatsoenlyken speler aan.
Eens zag ik iemand \'n geldstuk op impair werpen. Er werd ge-
roepen: neuf, impair, manque. De man scheen: deux — en dus:
pair, manque — verstaan te hebben. Althans hy keerde zich om,
en verliet de tafel als iemand die na \'t verlies van z\'n ééne stuk
geen lust had verder te gaan. Het was zeer vol, en ik vond het
niet de moeite waard door de menigte te dringen om hem beter
intelichten. Dit zou dan ook \'n fout geweest zyn, omdat welwillend-
heid op die plaats allicht kon worden opgenomen als \'n verdachte
poging om kennis te maken. Er zyn professeurs de jeu die den
-vreemdeling aanklampen met \'n kleine beleefdheid, gewoonlyk uit-
loopende op \'11 verzoek om \'n middagmaal. Dat ze by zulke ge-
legenheid hem dan tevens voorstellen z\'n geld te wagen in een van
hun menigvuldige syslêmes infaillibles, spreekt vanzelf.
Hoe dit zy, ik waarschuwde den man niet, wiens mise op impair
gewonnen had, en verloor de zaak uit het oog. Eenige oogenblik-
ken daarna vertoonde hy zich weder, en wierp \'n geldstuk op pair.
tiComment,
zei de croupier, met de aan de Bank inderdaad heer-
schende loyauteit, comment m\'sieur, vous jouez des deux cóté-i a la
fois?
Er bleek nu dat de gedurende de afwezigheid van dien spe-
ler uitgekomen coups, allen impair waren geweest. Zyn oorspronke-
lyke inzet was tot \'n niet onbelangryke som aangegroeid, en men
had eenige moeite om hem uitteleggen dat dit geld wel inderdaad
het zyne was. Indien er facteurs d\' héritayes aan die tafel zaten,
zyn ze zeker boos geweest op den welwillenden croupier die den
man uit den droom hielp.
Het jachtmaken op verlaten boedels vereischt zekere scherpzin-
nigheid. De jager moet elke mise die op de tafel ligt, in-verband
brengen met het gelaat en de houding der aanwezigen, om daar-
uit optemaken of er masses zyn waarover niemand zich bekommert.
Spelers die met de hand of de rdteau hun geld kunnen bereiken,
zyn gewoon na elke uitbetaling eenig blyk te geven van eigendom,
door de masse even aanteraken of by-een te schuiven. Waar dit
nu na \'n eenigszins lang voortgezet paroli niet geschiedt, riekt de
erfenisjager zeker spoor. Hy tracht in de oogen van de omstanders
te lezen of de door hem begluurde boedel inderdaad onbeheerd is ?
-ocr page 232-
228
MILLIOENEN-STUDIEN.
Voor hy toeslaat, onderzoekt hy nogmaals het terrein door \'n klei-
nigheid op de tafel te werpen, en wel in de nabyheid van \'t aas
dat hem aanlokt. Als de masse nogeens wint, schuift-i zyn tnise —
ook verdubbeld in dat geval — daarby. Eerst wanneer dit zonder
protest wordt aangezien, meent hy den volgenden coup zeker van
z\'n zaak te wezen, en hy aanvaardt de héritage. Geen trek op z\'n
gelaat mag dan verraden dat-i niet zoozeer op kans speelt, als wel
op buitenkansjes.
Maar . . . altyd gelukt het niet, zelfs niet na die laatste proef.
Eens heb ik \'n industrieel van die soort heel aardig zien betrappen.
Hy zat aan de trente-et-quarante-tafe\\ naast den croupier, noteerde
zeer yverig de coups op z\'n kaartje — alsof hy wachtte op \'n «fi-
guur" naar z\'n zin — zette zelden iets, en dan nog slechts \'t mi-
nimum, en gluurde rond. Een Pruisisch officier die spelen wilde,
en niet zelf zetten mocht — het is den officieren streng verboden
— had zich achter den chef de portie geplaatst, en dezen \'n frie-
drich
ter-hand gesteld met verzoek dien op rood te zetten, het vak
dat onze jager recht voor zich had. De chef reikte den friedrich
aan den croupier, waarschynlyk met de hem geworden opdracht
dat geldstuk gedurende \'n bepaald aantal coups te laten staan. Dit
kon ik uit het vervolg opmaken. De croupier was bezig met het
dooréénmengen van de kaarten voor \'n nieuwe taille, en legde den
friedrich achteloos naast zich neer, zeer dicht by ander goudgeld
dat aan de Bank behoorde, zoodat slechts de zeer weinigen die als
ik hadden achtgeslagen op \'t kort gefluister tusschen den officicr
en den chef, en op de kleine beweging die deze met z\'n arm ge-
maakt had, weten konden dat dit stuk voor \'n mise bestemd was.
Even voor den eersten coup, schoof de croupier het met \'n zoo-
geringe beweging van z\'n pink op de aangewezen kleur, dat slechts
zeer weinigen konden opgemerkt hebben waar \'t vandaan kwam.
Zeker is \'t dat onze boedelberedderaar in spe het niet wist. Ook
\'t gefluister en de pantomime achter z\'n rug was heïh onbekend
gebleven ... tot groot nadeel van z\'n industrie, gelyk \'t vervolg;
leeren zal.
Rouge won twee keeren, en het tableau stond zeer vol, vooral
in \'t vak van rood, daar de meeste spelers geheel of gedeeltelyk
paroli houden. Sommigen lieten de geheele winst staan. Anderen
namen eenige stukken van de masse af, en gaven daardoor \'t ge-
wone blyk van eigendom. Ook zy die niets terugnamen, roerden
met hetzelfde doel hun inzet even aan. Maar de vier friedrich\'»
lagen daar als verweesd.
Ik stond aan den overkant, en had alzoo de akteurs van \'t kleine-
drama vlak in \'t gezicht. De officier, die altyd achter den chef stond,,
geliet zich alsof hy \'t plafond bewonderde. Toch bemerkte ik dat-i
wel degelyk lette op de masse die hem behoorde. Chef en croupier
toonden \'t onverschillige gelaat van altoos. Maar de erfenisjager t
Z\'n oogen zochten den eigenaar van die vier friedrich\'s. Na den
kring nauwkeurig gemonsterd te hebben, zonder blikken te ont-
moeten die hem voorkwamen dat goud te bewaken, wierp hy
aarselend \'n tweeguldenstuk op rood, niet ver van den beoogden
buit. Hierop schouwde hy weder vorschend rond, en niets ontdek-
-ocr page 233-
INDUSTRIEN.                                                 229
leende dat hem in z\'n plannen scheen te hinderen, schoof hy z\'n
mise nog iets nader. Ze raakte nu byna het goud.
Onwillekeurig dacht ik by \'t waarnemen van deze handgrepen,
aan zekere voorzorg van de dieven op Java, die voor ze \'n kamer
binnenkruipen waartoe ze zich toegang verschaften door ondergra-
ving, \'n nagemaakt mensenhoofd op \'n stok gebonden door de
opening steken. Als er door \'t graven alarm verwekt is, meenen
zy, zal er in de kamer iemand gereed staan om den kop die zich
vertoonen zal, met \'n klewangslag te ontvangen. Ze vervaardigen
200\'n bliksemafleider van \'n klapperdop, toegetakeld met gemoetoe,
de zwarte vezels die aan den stam van zekere palmsoort groeien.
Klapper — kelappa — ij kokosnoot, gelyk de lezer weet.
By \'t verschuiven van dat tweeguldenstuk bemerkte ik op-een-
maal leven in \'t gelaat van den chef de partie. Er bleek dat-i meer
had te-doen gehad met zulke klapperdoppen, en dat hy niet ge-
woon was toeteslaan, voor-i zeker was den echten kop voor zich
te hebben. Hy zag den aanstaanden delinkwent eenige oogenblik-
ken scherp aan, als om te verkennen tot welke soort van spelers
hy behoorde. Daarop boog hy zich \'n oogenblik voorover, en fluis-
terde den croupier iets in \'t oor. Ik zag hoe deze, zonder \'t hoofd
te wenden, z\'n blikken rusten liet op \'t roode vak. Het spel ging
voort, en Rouge won. De croupier wierp schynbaar zeer onachtzaam
\'n zilverstuk tusschen de vier friedrich\'s, en betaalde daarna het
gewonnen goudgeld. De officier maakte \'n beweging als om de
integriteit van z\'n mise te handhaven, maar de chef gaf hem \'n
"wenk, en hy zweeg. De croupier zag \'n anderen kant uit. Men
scheen het er op toeteleggen onzen erfenisjager \'t wild goed onder
schot te brengen. Met \'n onverschilligheid, waarvan \'t gemaakte
my in \'t oog viel, omdat ik de heele zaak zoo oplettend had gade-
geslagen, maar die aan anderen echt kon toeschynen, schoof-i nu
ook het door hemzelf gezette zilverstuk onder de masse. De annexa-
tie was, om met de politici te spreken, \'n voldongen feit geworden.
•Zoo scheen \'t nu ook den officier voortekomen, daar hy op-nieuw
blyk gaf van ongerustheid. De chef de partie legde den vinger op
den mond, verliet z\'n stoeltjen, en plaatste zich met opgeheven
hand achter den jager, die er weinig aan dacht dat-i op \'t punt
stond gedegradeerd te worden tot betrapt wild. Hy staarde op \'t
daar liggend geld, met \'n uitdrukking alsof hy\'t onvoorzichtig vond
die som bloottestellen aan de kans van \'n volgenden coup, en strekte
de hand uit om z\'n roof in veiligheid te brengen. Voor-i evenwel
hierin slaagde, greep de chef hem by de pols, en scheen hem zoo
te knypen dat-i de reeds opgenomen stukken moest laten vallen.
De croupier zocht de beide zilverstukken uit de masse, en reikte
hem die toe:
— Dass ist Ihr Geld, zei de chef, op »Ihr" drukkende tot het
zooveel als »dief" beduidde. Und nun . . .
Hy wenkte \'n paar zaalknechts.
. . . der Herr verlangt seinen Hut, und wünecht nie ivieder ein-
y dassen zu werden. Man soll ihm die Bitte gewahren. Merkt euch
sein siengjalemang 1
Dit beloofden de knechts. Ze leidden den betrapte met zekere
-ocr page 234-
230                                       MILLI0ENEN-STCD1EN.
statie naar de deur, en bevalen z\'n ssiengjalemang" in de welwil-
lende aandacht van de daar geposteerde policie-beambten.
Eenige dagen daarna hoorde ik dien kerel uitvaren tegen de on-
zedelykheid van \'t spel. Hy zat met \'n paar galgebrokken aan \'n
tafeltje in de buiten-restaurant, en verzekerde z\'n vrinden op eere-
woord, dat zoo \'n Speelbank . . .
— Cent un repaire de voleurn. messieurs.\' Un antre debrigands!
Vn Iwuge infect! Un enfer d\'immoi altlè.\' Un gou/fre de perdition.
Pour tolérer ces institulions-ld, il faut étre d\'une perversité accom-
plie . . . comme tous ces maudits. Allemands du reste. Son contents
de nous avoir pillés en Franco, ils nous égorijent ici dans leurs in-
fdmes tripots! Ah, la revannnche!
Men kan er zeker van zyn dat elke Franschman die op diefstal
betrapt is. zich in de politiek werpt. Sommigen zelfs kiezen dit vak
vóór ze betrapt zyn, en stellen dan hun industrie onder de bescher-
ming der staatkundige aticn of ismen van den dag.
Onder de takken van nyverheid die niet zoozeer rechtstreeks op
\'t spel betrekking hebben, als wel daarnaast en daardoor . . .
«Bloeien" is \'t woord niet. Hoe zal ik \'t noemen?
Nu dan, er zyn op die speel-badplaatsen nog andere industrien,
en daaronder ééne die zoo goed mogelyk \'n plaatsje krygt in \'t
volgend Hoofdstuk.
-ocr page 235-
MIKROKOSMOS.
De titel van dit hoofdstuk werd me door m\'n gnomen ingeblazen.
Ze beweerden dat zoo\'n badplaats vrywel alles te aanschouwen geeft
wat de wereld oplevert, en noodigden my uit, daarvan \'n fotogra-
fischen afdruk te nemen. Juist was ik van plan hiertoe overtegaan,
toen ik me herinnerde dat ik den lezer \'t verslag van \'n Fransche
vaudeville beloofd had. Gezien of gelezen heb ik \'t stuk niet, maar
de inhoud moet nagenoeg als volgt geweest zyn.
De heer slenterman had z\'n geld verspeeld, en hield de by
zulke gelegenheden gebruikelyke alleenspraak. Ik hoef hier niet by
te zeggen dat ze werd aangehoord door de persoon die den zelf-
moord voorkomen zou, omdat ieder begrypt dat de auteur den
braven slenterman nog wat in \'t leven moet houden voor z\'n
vaudeville. De schr/ver — almachtig als altoos — had gezorgd dat
de alleenspraak juist op \'t allerkritiekste moment overging in \'n
-ocr page 236-
2 32                                        MILLIOENEN-STUDIEN.
dialoog, en wel met den direkteur van de Bank. Deze industrieel
namelyk had SLENTERMAN\'S zwanenzang afgeluisterd, en hield z\'n
hand vast, juist op \'t oogenblik toen-i bezig was zich nog niet
doodteschieten.
— Haast u byzonder langzaam, zei de welmeenende direkteur.
Of, beter nog, haast u eens ditmaal in \'t geheel niet. Dat uw
»figuur" niet komen wilde, was hard! Maar . . . ook ik heb te
stryden met figuren die me niet aanstaan. Misschien kunnen wy
elkander helpen. Ik heb u \'n voorstel te doen. Als \'t u mishaagt,
zal ik u niet dwarsboomen in uw sterfplannen, parole d\'lwnneur!
Maar doe me in dat geval \'t genoegen, u elders optehangen. Zie-
hier twintig franken voor de reis. Geloof me, dat zelfmoorden op
\'n plaats waar gespeeld wordt, is mauvais genre. Zaagt ge \'t ooit
doen door effektenlut op de beurs?
[ -£Beste vriend, ge behoeft het noch hier noch elders te doen. Wat
dunkt u van \'n goedbezoldigde betrekking? Ik heb iemand van
wereldkennis noodig, iemand die takt heeft, en verstand van
zeden . . . \'n expert in fatsoen.
Onze SLENTERMAN meende dat hy zeer goed voor de gezochte
specialiteit dienen kon, en stelde z\'n zelfmoord uit om naar den
direkteur te luisteren. Deze bracht hem aan \'t verstand waar \'t om
te doen was.
Sedert eenigen tyd, zeide hy, wordt de directie van de Bank
bestormd met klachten over de onverdragelyke »gemengdheid" van
\'t Publiek, die zich zóó ver uitstrekt dat ze volgens sommigen byna
overgaat in . . . ongemengdheid. Monde wordt verdrongen door
•lenü-monde. Deze door kwart-wereld, en zelfs de kwart-wereld moet
een niet altyd zegevierenden stryd voeren met iets dat naar géén
wereld gelykt. Heel, half, en valsch fatsoen zit in de klem tusschen
allerlei önfatsoenlykheid. De Erfprinses van luttelc.au heeft naast
\'n . . . hm. hm! . . . gezeten, en is byna flauw gevallen. Twee...
hm, hmmen! . . . hebben op \'t kleed getrapt van \'n maréchale
de Frrrance,
zoodat het mens niet zoo spoedig kon wegloopen
als ze aan den rang van haar geniaal meende verschuldigd te zyn.
En dit is zeer hard voor \'n maréchale de Frrrance! Ook de her-
togin van China heett geklaagd. Een . . . hm, hm! . . . heeft haar
de r&leau toegereikt, en dit past toch niet meende de hertogin.
Lord sevenfi.OWEr komt op voor \'t fatsoen van z\'n dochters. Hy
heeft er zeven, en ligt dus onder zevenvoudige verplichting om
zorgtedragen voor \'n zevendubbele respectability. Een van z\'n voor-
ouders was keukenjongen by den Saksischen harold, en toch
heeft onlangs \'n . . . hm, hm! . . . Miss ADELHEIDINELLA uitgelachen
om haar malle gezicht. De jonge Ladies verklaarden dat dit wel
eens meer gebeurde. »Over \'t geheel he did n\'t care a ttraw for
il"
zei Lord sevknflower, en z\'n Ladies ook niet. Integendeel, ze
vonden \'t prettig als men op haar lette. Maar ditmaal was de
anders zoo gewenschte onderscheiding uitgegaan van wezens, die ...
-ocr page 237-
MIKROKOSMOS.                                         233
van \'n schepsel, dat . . . van \'n . . . hm, hm! Miss ADELHEIDI-
Nella kon in waarheid betuigen dat ze niet wist wat zoo\'n . . .
hm, hm! . . . eigenlyk voor \'n beroep uitoefende, en de andere
Ladies ook niet — indeed! — maar juist daarom was \'t shocking,
too shocking, really loo shocking!
Om te weten wat voor =oort van
wezen zoo\'n . . . hm, hm! ... is, hadden de misses minder ver-
regaand onschuldig moeten wezen, dan ze inderdaad met dure eeden
konden bezweren te zyn . . . ttpon nnj faith! Maar omdat ze \'t
niet wisten — truly! — of althans omdat ze \'t niet exaclhj wisten,
hadden ze volkomen \'t recht zich byzonder te ergeren. En dit
<ieden de misses dan ook, alle zeven, zoo fatsoenlyk als maar
«enigszins mogelyk was.
Zoo sprak Lord sevenflower. De misses betuigden dat papa de
waarheid gezegd had, en dat ze zich niet zoo erg zouden geërgerd
hebben, als ze verdorven genoeg waren geweest om te begrypen
waarom ze zich eigenlyk zoo erg moesten ergeren . . . indeed!
En dan juffrouw krent, vervolgde onze direkteur snikkend en
deugdzaam, zy die in haar land voorzitster is van drie genoot-
schappen tot zedelyke verbetering van de mensen die geen leden
zyn van haar genootschappen: één filanthropie! En de oude Ma-
dame
*SKA, geboren *WITSZCH, die zich op den na-avend van haar
leven voor \'t zuurbespaard geld van een harer laatste echtgenooten,
\'n piepjongen gemaal heeft aangeschaft om hem te redden uit de
klauwen van \'t celibaat: één offergeest! En die Poolsche gravin
met haar oranje sleepjapon, afgezet met zwarte kant: één adel!
En Mevrouw van der happel, die op de Keizersgracht woont in
zee-assurantie, verfwaren en \'n huis met dubbele stoep: één deftig-
heid ! En Miss lovehunoer, die \'n boek heeft geschreven over de
zedelyke beteekenis van den plumpudding: één moraal! En de
freules KROMKRUIS, die eigenmondig den paus hebben gezoend —
op z\'n grooten teen — één geloof! En de dames treurneep, uit-
vindsters van de zoo algemeen toegejuichte zaligheids-wedloopen
met hindernissen, patronessen van \'t weekblad de volmaakte en
zuinige ziélmodiste:
één modern-religieuze, ouwerwets-litterarische
illustratie! En freule HEMELGElï, die \'n Buiten heeft, en \'n koet-
sier, en \'n schaapskooi en nóg \'n neef in de Kamer, en aandeel in
schepen, en tantes waarvan ze met Gods hulp erven zal: één dis-
tinktie! En de baronnes THRftNENSCHLUCKER, de dierenbescherm-
ster die den zwaren rouw aanlei — en al haar bedienden vasten
liet — uit droefheid over \'n jeugdige vloo, verongelukt in haar
pomadepot: één gevoel! En de douairière pretnyder, die de on-
noozelheid van haar katje zoo krachtig ompalissadeerde met \'n
stekelige mozaïk van glasscherven in de dakgoot: één zedelykheid!
En Lady messalina darkpincher, de afstammelinge der al te
maagdelyke stovenzetster van Koningin elisabeth, die de vyf
oogen van Bessy\'s onbescheiden stoof toekurkte met verontwaar-
digde hand: één kuisheid! En prinses RUSSIKOFF die nooit \'n lyfeigene
doodschopt, zonder er den pope byteroepen om de ziel van den
patiënt in den hemel te helpen: één delikatesse! En Maddam DE
IA maquérellerie, de goudgekettingde Maintenon van \'n bloeiend
St. Cyr te Londen: één achtenswaardigheid! En de zeer invloed-
-ocr page 238-
234                               MILLIOENEN-STUDIEN.
ryke familie kappelman : één fatsoen, één soliditeit, één P. G.,
één deugd!
Al die noblesse moet ik tevreden stellen, jammerde de wanhopige
direkteur. Alles dreigt met oogenblikkelyk vertrek, indien ik de
speelzaal niet zuiver van ... ge begrypt me wel! Ik heb er hon-
derd louis-d\'or in de maand voor over. Als wy de Erfprinses ver-
liezen ... en de maréchale — ze staat op \'t punt van wegloopen,
waarachtig — en Lord SEVENFLOWER met z\'n kroost ... en de
Manclarine ... en Juffrouw krent — \'n martingaliste van de
verrukkelykste zwakte, \'n ware engel! — en Madame *ska, gebo-
ren *WITSZCH, die zoo aanbiddelyk dom op de nummers speku-
leert ... en de prinses die zoo godsdienstig haar volk doodschopt...
en onze Maintenon . . . en de dikke Mevrouw in zeewaren en verf-
assurantie ... en de grafelyke oranje-jurk — op m\'n eer, haar
droomen over de chance zyn goud van 24 karaat . . . voor de
Bank! — en de volmaakt zuinige wedloopsters, de heilige treur-
NEEPEN ... en Lady messauna ... en de weenende Niobe van
de gestikte vloo ... en de afstammelinge van die stovenmaagd .. .
en de kappellu! . . . och, m\'n waarde byna-doodgeschoten SLEN-
terman, wanneer ik al die steunpilaren moet verliezen, dan zakt
m\'n onderneming in elkaar! Dan ben ik \'n bedorven man! Dan
zou ik genoodzaakt wezen, de twintig franken die ik u zoo edel-
moedig voorschoot, terug te verzoeken, om te dienen tot reisgeld
voor myzelf, reisgeld naar \'n oord waar \'n te-gronde gericht Bank-
direkteur gevoegelyk sterven kan!
Zoo huilde de byna-ongelukkige. En ook SLENTERMAN begon te
schreien.
—  Dit vooruitzicht zou zeer treurig wezen, zeide hy. Maar eilieve,
hoe kan ik . . .
—   Ja, gy kunt me redden! De hoedanigheden die u versieren,
opgescherpt en veredeld nog door \'t vruchteloos maar karaktervol
najngen van uw idealen op de groene tafel, maken u geschikt tot
het verleenen van de hulp die ik noodig heb. Beste vriend, wilt ge
m\'n . . . zeef zyn?
Slenterman verklaarde dat niets hem aangenamer wezen zou,
dan de aan alle mogelyke funktien verbonden bezoldigingen in ont-
vangst te nemen. Hoe meer hoe liever zelfs, maar hy wenschte te
weten . . .
—  Geen maren, bescheiden vriend! Ge hebt slechts de keus tus-
schen ziften en sterven. Zoo ge \'t eerste kiest, is uw plaats aan
den ingang van de zaal. Ge zift, weegt, onderzoekt, proeft, beproeft,
oordeelt, veroordeelt of spreekt vry, al wat er vrouwelyks nadert.
Onverbiddelyk voor \'t kaf, laat ge \'t koorn binnen . . . om ge-
malen te worden. Ge wyst de bokken af, en laat de schapen door.
Over \'t melken behoeft ge u niet te bekommeren . . . daarvoor
zorgt de Bank.
—  Begrepen! riep slenterman.
Hy liet adreskaartjes drukken:
-ocr page 239-
MIKROKOSMOS.
235
Mr. SLENTERMAN.
Gewezen bynagezelfmoorde wanhoopsfiguur-ideaüst.
SPECIAALZEEF VAN MORALITEIT
e n
KONTROLEUR-QENERAAL VAN\' INKOMENDE FATSOENLYKHEDBNS.
De Bank verschafte hem een met de waardigheid van z\'n be-
diening overeenkomend kostuum, \'n weegschaal, distilleerkolven,
\'n mikroskoop, \'n paar retorten, \'n exemplaar van KNIC.ge\'s men-
senkennige werken, en daar stond hy, behoorlyk toegerust met
al het noodige, aan de deur.
Weldra naderde er een zevengesternte. Zeven roode Murray\'s *)
zeven oogglazen, zeven lange halzen, zeven bonte toiletten, zeven
chignons — de Murray\'s leken er bleek by — zeven slingerende
halskettingen, zeven stel niemendallige pretentie!
De brave slenterman — Jack in office! — zette zich schrap,
Hy begreep dat de vyand de vesting met storm veroveren wilde.
Barsch wees hy den overmatigen huwelykszegen van Lord seven-
FLOWER af, en wreef zich de handen van genoegen over z\'n scherp-
zinnigheid en vastheid van karakter. De Erfprinses van LUTTEL-
GAU onderging \'n gelyk lot. » Vade retro, m msel! riep hy haar toe.
Of, als je geen Latyn verstaat, maak dat je wegkomt!"
Zoo ging \'t ook met Juffouw krent, en met Mevrouw VAN DER
HAI\'PEL, en met Madame *ska, geboren \'witszch, en met de rest.
Alleen de Maddam van St. Cyr werd doorgelaten, omdat ze zich
gewapend had met \'n kerkboek. Tegen zoo\'n certifikaat van fat-
soenlyken oorsprong was onze zeef niet bestand.
De onnoozele slenterman vergiste zich telkens. Wat-i doorliet,
deugde soms niet veel. En wat-i afwees ... nu daaronder was
ook dikwyls een-en-ander dat niet deugde. Maar amen behoorde
toch onderscheid te maken tusschen koop en huur" beweerden \'n
paar schapen, die zich — ten-onrechte naar ze meenden — als
huurbokken behandeld zagen, terwyl ze toch waarlyk de heele bad-
kuur slechts ondernomen hadden om heel fatsoenlyk in wettig hu-
welyk te worden verkocht. Onze kontroleur kreeg zeer spoedig z\'n
ontslag — hy had «een der echte vrouwen van den direkteur voor
kaf aangezien! — en hy achtte zich gelukkig dat-i de twintig franken
bewaard had, die hem in-staat stelden \'n prettiger dood te zoeken
dan hem door dozynen opgeheven nagels van verongelykten werd
toegedacht.
*) Murray is de Engelsche Baedeker, gelyk men weet.
-ocr page 240-
236                                 MILLIOENEN-STUDIEN.
Karikatuur ter-zyde, dat veel dames zich opschikken op \'n manier
die \'t recht geven zou haar te minachten, is waar. Want, ook
zonder de minste vergelyking met vrouwspersonen die zich beroeps-
halve
moeite geven om in \'t oog te vallen, zonder te spreken van
\'t gebrek aan zedelijkheid — dit woord nu eens in gewoon-
bekrompen zin genomen — wat valt er te oordeelen over de
verstandelijke ontwikkeling van volwassen mensen die zichzelf op
de laagte stellen van kannibalen en kinderen ? Hoe toch moet men
\'t anders noemen, dat behangen met allerlei vodden van wol, zyde
of metaal ? Dat gefiadder van linten en strikken ? Dat pronken met
schreeuwende kleuren? Die steltige hakjes waarop men niet bs-
hoorlyk loopen kan, en ter-nauwernood gaan? Dat afschuwelyk
ophoogen van den benedenrug ? Meent ge, dames, dat die mode —
ik bedoel dit laatste nu — uit Parys komt? Dit hebt ge mis. Ze
is van Zuid-Afrikaanschen oorsprong, en \'n welgelukte poging om
de wanstaltigheid van de Hottentotsche vrouwen natebootsen, die
afzichtelyk zyn uit overmaat van vormen, formosissimae! Maar \'t
staat die stumperts minder leelyk dan u, en zeker is \'t haar minder
kvvalyk te nemen. Eerstens kunnen zy \'t niet helpen dat ze wan-
staltig zyn. En ten-tweede, ze maken haar natuurlyk gebrek niet
viezer dan volstrekt noodig is, door er hooge hakken by te dragen,
zooals gy die in uw gebukte houding en posterieure uitstekendheid,
er uitziet alsof ge . . .
Ik wil kiescher zyn dan gy, en noemen \'t niet. Maar ge hadt
verdiend dat ik u de vuiligheid plompweg in \'t gezicht smeet,
\'t Zou uw werk geweest zyn, en \'t myne niet!
En dat durft spreken van emancipatie! De vrouw die haar ziel
weggeeft aan lappen, linten, vodden en mismakende opvulsels, mag
niet geëmancipeerd worden. En, al wilde men, het kan niet! Wie
zich tot slavin maakt van de smakelooze sletten der Parysche mode-
wereld, mag geen aanspraak doen gelden op den rang van ontwik-
keld mens, en zou ook dien rang niet weten optehouden, al ware
het dat wetten en zeden haar dien toekenden. De emancipatie der
vrouw behoort uittegaan van haarzelf, en daartoe is in de eerste
plaats noodig dat ze deugdelyk blyk geve van mondigheid, door
zich niet aantestellen als \'n kind, als \'n Zuidzee-eilandster of als \'n
gekkin.
Ook van \'n laag standpunt beschouwd, van \'t allerlaagste als
men wil — ik spreek nu tot bokken en schapen beide — vraag ik
de dames die »de mode volgen" of ze meenen daarmee de mannen
te behagen ? Ze vergissen zich. Zy behagen noch den man die slechts
\'n mannetjes-mens is, noch den man die »wel zou willen trouwen"
noch den man die in gevoel doet, noch vooral den artist.
De eerste soort, o bokken, heeft geen lust, uw hooge hakken en
hottentottery te betalen. Hy weet dat ge die zaken . . . by de le-
vering aflegt. En de heeren die aan \'n huwelyk denken — moet
ik hier \'t woord richten tot kaf of tot koorn? — nu, ook zy be-
oefenen zekere spaarzaamheid, en betoonen zich hierin vry gelyk
aan de vuile eerste kathegorie. Die sleep en dat achtergebergte
schrikken hen af. En dit is zoo vreemd niet in onzen praktischen
-ocr page 241-
MIKROKOSMOS.                                              237
tyd. Gesteld dat hun opvatting u wat al te laag van verdieping-
voorkwam, moogt gy \'t hun euvel duiden, gy die zelf blyk geeft
van zoo weinig schoonheidsbesef? Zorgt hooger te staan, o vrouwen,
voor ge aanspraak maakt op hooger waardeering.
En den gevoelige, hem die inderdaad vatbaar is voor liefde, of
al ware \'t maar voor verliefdheid . . . hem bekoort ge \'t minst
van al, door om- en aanhangsels, door onderzetsels, opvulsels, pral-
en suffixen. Hy geeft zich moeite om heentezien door al die on-
bevalligheid, en als \'t hem gelukt is u niet belachelyk te vinden,
heeft-i \'n lastig werk gedaan, \'n dubbel werk dat z\'n welwillend-
heid vermoeid heeft. Hy droomde u vleugels aan. Dit bracht z\'n
stemming mee, en \'t lukte wel. Maar om u daarna al de andere
dingen waarin ge u hult, aftedroomen . . . waarachtig, de taak is
zwaar! Ge vliegt niet, en zweeft niet ... o meen niet dat ik dit
afkeur! Integendeel. De man die \'t verlangde, zou over \'t hootd
zien dat hyzelf, niet zwevend, al zeer spoedig \'n treurig eenzaam
figuur maken zou by uw onmenselyke verhevenheid. Dat de
verrukte fantazie van den minnaar in deze fout vervalt, is te ver-
geven. Maar ze zou zieker moeten wezen dan aan flinke liefde op-
den-duur past, zieker ook dan volstrekt noodig is tot het kort op-
vlammen van verliefdheid, indien ze niet spoedig zich vertrouwd
wist te maken met de ware poëzie, met de poëzie van het ware.
Al dat wolkerige vliegen en zweven is dus — goddank! — even
onnoodig als onmogelyk, maar eilieve, meisjes, laat u dit niet af-
schrikken om behoorlyk te gaan! Dit misstaat nooit. De opgewon-
denste verbeelding moet zich schikken — en dit zal ze! — in \'t
vergeefs zoeken naar de wiek die rug en schouder zou inschulpen
tot \'n ernstigen Cherub, maar \'t walgt haar dat hulsel te zien at-
zakken tot . . . beneden de lenden!
En de artist! Meent ge hem te behagen, dames, met den vlerk
dien ge verlaagd hebt tot \'n windkussen om op te zitten ? Ge kunt \'n.
vrouwebeeld teekenen, niet waar? Neem \'n modeplaatje, boe Paryscher
hoe liever, en schets binnen den omtrek van zoo\'n met vodden omhan-
gen pop, \'n VENUS of uzelf. Al waart ge niet byzonder schoon gevormd,
de lynen waarmee Natuur heup en lenden eener vrouw teekent,
zyn altyd prachtig als men ze vergelykt met de omtrekken der
dingen waarmee gy die vormen ontsiert. Meent ge \'t schoonheids-
gevoel van den artist te bevredigen met zooveel onsmakelyke tarra ?
Waarom niet \'n paar stappen nog verder gegaan, en ook neus en
lippen gewikkeld in \'n kussentje? Dit zou zot staan, meent ge? En
\'t andere dan ? Waarom moogt ge u beneden-achter verdikken, en
niet boven-voor? Weest konsekwent, en neemt \'n pruim tabak in
den mond, als \'n matroos. Dat zet de wang op. Mag dit niet?
Waarom dan \'t andere wel? Meent ge dat zinkings die \'t gelaat
doen opzwellen, de schoonheid niet verhoogen ? Welk heil verwacht
ge dan van \'t zadeltje dat eiken voorbyganger schynt toeteroepen:
styg op!
ik stem voor emancipatie . . . van zulke dingen! De rest zal
wel volgen. Laat ons de handen in-een slaan, en . . .
Hier berstten al m\'n gnoompjes in lachen uit.
-ocr page 242-
238                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
—   Uw verhandeling tegen die achtervoorgebergten is byna aardig,
mens. Maar nu . . .
Ze schaterden weer van lachen.
De handen in-een slaan, zegt ge ? Ge wilt dus meehelpen aan \'t
opzetten van vVereenigingen tot veredeling, tol ontwikkeling van...
enz? Mens, mens, denk eens na!
Nu, dit deed ik, schoon de uitnoodiging wel wat beleefder had
mogen zvn. Door den spot van m\'n meestertjes tot begrypen ge-
prikkeld, begon ik weldra intezien dat de zaak waarvoor ik aan
\'t yveren was, gestuit werd door de middelen die wy aanwenden
om haar te bevorderen, \'t Is waar ook, al wat speciaal voor »de
vrouw" gedaan wordt, stempelt immers het vooroordeel dat ze maar
\'n half mens is, tot erkenden regel? We hooren spreken van »Na-
tuur- Staat- Geschied- en Letterkundige Voordrachten
voor DAMES!"
Dit is \'n onnatuurkundige, onstaatkundige, ongeschiedkundige, on-
letterkundige leugen. En onmenskundig is \'t ook . . .
—   Hm, onmenskundig ? Als reklame vind ik de taktiek zoo dom
niet, zei Semi-ur. Maar \'t pleit niet voor de mensenhelft die ge:
»Dames" noemt, dat ze zich aangetrokken voelen door de verne-
derende klassifikatie die men haar opdringt, en dat ze — nota bene
onder voorwendsel van beoogde ontwikkeling — zich door markt-
schreeuwers op \'n kinderstoeltje laten zetten. Het toegeven in de
pogingen om de vrouw te verlagen tot \'n onvolkomen wezen, tot
n . . . mens van de tweede klasse, hoort precies by de hooge
hakken en opgetorende achterlyven waartegen gy zooeven gepreekt
hebt. Die . . . dames moesten zich beleedigd voelen, als men ze
te-gast noodt op \'n kinderkostje dat voor haar buitengewoon zwakke
maagjes afzonderlyk is toebereid. En de mannen die zich met zoo-
iets bezig houden . . . waarachtig, zyzelf zyn er niet te wys toe,
zich te laten kleeden door \'11 Parysche modiste! Ulieder heele mens-
schap staat al laag genoeg. Hoe ge \'t nu nog bovendien in \'t hoofd
hebt gekregen, zeker verschil aantenemen . . . hm ! De gansche
zaak komt ten-slotte neer op verwaandheid. Vindt gy mannen u
zoo wys?
■— Maar, beste Semi-ur, zei ik, we tooien ons toch niet zóó be-
spottelyk op! We ...
—  Ga voort! Het zal me benieuwen wat ge van de mannen te
zeggen hebt.
—  Wy . . . wy . . .
—  Ik was verlegen, en zocht \'11 uitweg.
—  Ziedaar nu, by-voorbeeld het schepsel daar, die darns.. . .
—  Ge zoudt iets van de mannen zeggen!                           -^
—  O zeker! Maar zie nu eens die vrouw. Jong is ze niet meer .. .
—  Ze is in de vyftig.                                      /
—■ Dit schynt zoo!
—  Ik zeg u: het is zoo.
-ocr page 243-
MIKROKOSMOS.
239
—  Welnu, op jeugd kan ze zich niet beroepen ter vergoelyking
van haar dwaasheid. Zie eens, hoe zot ze zich toetakelt . . .
—  Ge zoudt iets over mannen zeggen!
—  Ja, ja. Maar . . . die vrouw! Hestaat er niet eenige grond om
wezens die zoo haar geheel bestaan toewyden aan nietigheid . . .
—  Beneden de andere helft van uw ras te stellen, dat z\'n . . .
geheel bestaan toewydt aan belangrykheden ? Komaan, gy pracht-
exemplaar van de minder nietige helft, ik zal u te-hulp komen.
Ge kent alzoo die vrouw niet?
—  Wel neen!
—  Ik wel. Ze is nog dwazer dan ge meent. Ziehier \'n lystje van
haar opschik gedurende één dag. En. let wel, géén dag is aan den
vorigen gelyk. Maar \'t verslag van \'n enkelen is. ruim voldoende
om . . . n denkend wezen misselyk te maken. Des morgens voor
ze \'n bad neemt . . . maar ge zoudt iets zeggen over de mannen f
—  Neen, gy eerst over die vrouw.
—  Welnu dan. Des morgens vroeg vertoont ze zich in \'n Faye-
japon met \'n overjurk van wit gaas. *) Op \'t hoofd draagt ze —-
\'t schepsel is over de vyftig! — \'n herderinnehoedje van lichtgeel
stroo, met blauwe fladderende linten.
De hoeveelheid van die linten doet er niet toe, maar zy is over
de vyftig! Dit doet er wèl toe, niet waar? Aan de voeten draagt
ze iets als Chinesche babouches, kleiner eigenlyk dan wèl gemeten
mogelyk is. De rooskleurige kousjes kyken verbaasd over den rand
heen. Om den hals heeft ze \'n zesdubbel snoer Turksche goudstuk-
ken die niet recht schynen te weten wat ze daar te doen hebben.
En dit weet ik ook niet, maar . . . wèl dat zy boven de vyftig is.
Ze kwam ter-wereld zoo omstreeks den tyd toen haar oom stierf. . .
Het schynt dat ik hier \'n vragend gezicht zette. Althans Semi-ur
antwoordde:
—   Nu ja, napoleon 1. Laat me voortgaan met haar eerste
ochtendkostuum. Daartoe behooren nog de in oosterschen smaak
bewerkte ketting van haar horloge, en \'n driedubbel snoer duka-
ten die \'t zonderling genoegen hebben op haar heupen te rinkelen.
Haar tweede uitmonstering, na \'t bad, is aldus. Een Kashmir-
kleed van witten grond met zeer breede roode streepen. Een man-
tille van andere stof, maar even rood en even gestreept. Ze draagt
nu \'n stroohoed waarvan de bol zoo ver mogelyk op den voor-
kant van \'t hoofd staat. De rand of klep, als om te protesteeren
tegen \'t brutaal voorwaarts dringen, misschien ook uit angst voor
\'n val op haar neus, wyst steil omhoog als \'n kam. Aan de lin-
kerzy van dien halven hoed hangt \'n guirland van eikenloof te
\') Ik weet niet wat zoo\'n Foye-japon voor \'n ding is. Er komt in
de nu volgende beschryving meer voor, dat m\'n begrip te boven gaat,
doch ik relateer getrouwelyk wat ik in de couranten over de hier be-
doelde persoon vermeld vind. Te Wiesbad^n heb ik haar niet ontmoet,
maar \'t schynt dat ze onlangs met haar hansworstenpukjes de lionne
geweest is der hofhouding van Z. M. thiers te Trouville.
-ocr page 244-
240                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
slingeren, ter . . . versiering, weetje! In den monsterlyken haar-
wrong steekt \'n naald met reusachtigen knop van hoogroode kleur,
die tot vlaggestok dient van vuurroode linten, twee ellen breedt
Bevreesd, naar \'t schynt, dat al dit rood niet voldoende is om \'n
kudde runderen of \'n drift kalkoenen woedend en de heeren der
schepping verliefd te maken, draagt ze om de lenden \'n soort van
gordel, \'n zyden lap die er alweer uitziet als in bloed gedoopt.
Alles bloost aan \'t schepsel, behalve zyzelf. Neen, toch ... ze heeft
zich \'n paar blosjes aangeschilderd. Ook de oogleden en wenkbrau-
wen zyn geverfd. En de lippen! Met die bepleisterde lichaamsdee-
len zal ze, moet ze, wil ze ... ja wat? Toch niet kussen, willen
we hopen?
—   Eilieve, m\'n beste Semi-ur, laat die lippen rusten! Bedenk
dat m\'n lezeressen liever willen weten hoe ze zich opschikt voor \'t
diner.
—  Ze draagt by die belangryke gelegenheid \'n japon van blauwe
zyde, en — over devyftig!— laag uitgesneden, zeer laag! We zullen
daarlaten of deze taktiek tegen kalkoenen en ossen, of tegen mans-
personen gericht is. By de schouders, beneden de keurs, en nog
hier-en-daar meer, bengelen blauwe kwasten. Op \'t hoofd draagt
ze nu \'n bloemperk, en om den hals ditmaal slechts\'n dunne gou-
den ketting met broche van brillanten. Haar vierde of avend-toilet
is voor Bal en Casino. Het bestaat uit \'n wit moiré kleed natuurlyk
met \'n heele vracht oplegsels, strooken, poffen, linten en festons.
Om hals en armen torscht ze voor honderdduizend francs aan
diamanten. Dat \'s wat anders dan . . . och neen, \'t is precies het-
zelfde als met je sarah op blz. zooveel, uit. . . dien anderen brons-
tyd! Ik durf niet zeggen dat de Germaansche meer smaak had,
maar zeker is \'t dat ze zich minder schuldig maakte aan smake-
loosheid. En waarschynlyk bracht ze haar avendeh niet zoo dwaas
door, als deze. \'t Schepsel danst, springt en huppelt — of schuift
heen-en-weer — van \'s avends negen tot \'s nachts twee, liefst en
byna uitsluitend met jongelieden wier moeder ze wezen kon. Ia
den cotillon, die \'n paar uren duurt, slaat ze geen figuur over. Geen
pas of maat in wals en polka. En dat wil onsterfelyk zyn! En zalig
worden! En dat vraagt om stemrecht en emancipatie! Ge zyt me
nog altyd iets schuldig over de mannen.
—  O, zeker! Maar . . wie is ze?
—  Mevrouw rattazzi, bonaparte—wyse, prinses van solms.
Als ze Duitsch spreekt — haar moedertaal —noemt ze zich liever:
de Solms. Dat klinkt possessiever en dynastieker, meent ze. Maar
ge zoudt iets over mannen zeggen?
—  Nu, zóó gek tooien zich de mannen toch niet op!
—  Meent ge? Zie dan eens rond in de klein-wereld hier om u
heen, en in de wereld-zelf daarbuiten. Hebt ge \'r nooit op gelet,
dat zij in dwaasheid zulke portretten ver teboven gaat? Onze
zottin hier . . . behaagt! Zeg me nu eens, gy man, aan wie be-
haagt ze? Wie laten zich betooveren door haar domme kunstjes?
De mannen immers! Waar zulke waren op-den-duur ter-markt
worden gebracht, moeten koopers zyn! \'t Schepsel heeft middel
weten te vinden, zich tweemaal te doen trouwen. Tweemalen dus
>
-ocr page 245-
MIKROKOSMOS.                                               241
heeft \'n Man zich haar om den hals laten hangen, in gezelschap
van al die sequinen en fladderlinten en misselyke nietigheid! Twee-
malen heeft zy \'n heer der schepping weten te vinden, die zich
niet schaamde mbi et orbi te bekennen: »kyk, dat is nu eens einde-
lyk \'t ware pronk-ideaaltje dat ik aantrek voor levens-kostuum \'."
In die vrouw zal m\'n zeer onsterfelyke ziel voortaan gekleed gaan,
tot er de dood na volgt!
Tweemaal? Wel, als rattazzi sterft,\'trouwt ze nögeens. Help
maar kyken! En nu sprak ik nog maar van koop. Ge vindt het
misselyk, dat zoo\'n bejaarde vrouw met jongelieden danst? Wat
dan te zeggen van de jongelui-zelf, die zich verdringen om dat stapel-
tje zotheid \'n kwartier te huren voor polka, wals, cotillon, of . . .
wisseling van denkbeelden ? Ge weet immers dat het onder u
mensjes voor \'n groote eer doorgaat, met Madame rattazzi ge-
danst te hebben? Ook in de letteren, zooals gylieden dat noemt,
heeft ze naam. Ze heeft boeken en boekjes geschreven, die zeer
»mooi" worden gevonden door de heeren der schepping. Waarlyk,
de mannen dragen de schuld van alles wat men aan de vrouwen
verwyt. Zy zyn het — de mannen, hoort ge! — die behoefte hebben
aan emancipatie! Dat aandringen op \'t vrygeven van negers en
vrouwen, is \'n pover dekmanteltjen om den toestand te verbergen
van witte slaven, en . . . eigen nietigheid.
Uw mikrokosmische beschouwingen van zoo-even zyn weer . . .
T)iawne/j//c-eenzydig. Dat de exemplaren van \'t meer opgeschikt ge-
slacht, die uit alle oorden van de wereld op zoo\'n badplaats by-een
komen, inderdaad kurieus zyn, zal wel waar wezen. Maar . .. door
wie wordt dat geslacht »het schoone" genoemd? Wie bederven het
door bespottelyke, en nog niet eens welgemeende, aanbidding?
Kinderachtigheid, ydelheid, gemaaktheid, onkunde, hovaardy, preuts-
heid, smakeloosheid ... al deze fraaie eigenschappen der vrouwen
van de dusgenaamde Wereld — en je boerinnen zyn geen haar
beter! — wedy veren zegevierend in uitbreiding en invloed met
gelyksoortige hoedanigheden der schepsels van allerlaagste soort.
Maar nogeens . . . wie willen dit zoo ? Aan wie behaagt men daar-
mee? Wie laten zich door dat alles aantrekken en . . . vangen?
Wie deelen de pryzen uit, op deze kermis van dwaasheid? De
mannen immers?
Al wat ge de vrouwen ten-laste hebt gelegd, komt wel beschouwd
neer op Leugen. Ze pronken met \'n houding, met \'n gang, met
vormen, die ze niet hebben. En ook de indruk dien ze door dat
alles willen geven van haar ziel, is onwaar. Het meest passend
devies voor die eene helft van uw geslacht, zou wezen: »ifc lieg."
Maar ... de andere helft? Dagelyks en overal geeft ze blyk
genoegen te nemen met die onwaarheid, moedigt haar aan, is daar-
van de voortdurend opwekkende, aanmoedigende oorzaak. Vrouwen
zyn waarlyk niet meer dan mannen tot leugen geneigd, en zouden
waarschynlyk — al was \'t dan maar gemakshalve — niets liever
zyn dan oprecht en eenvoudig, maar . . . wanneer nu eenmaal
verdraaidheid van ziel en lichaam gewild is op de koop- en huur-
markt, waar de smaak bepaald wordt door \'t volkje dat de koor-
den van de beurs in-handen heeft, door de mannen . . . wat dan ?
16
MILLIOENEN-STUDIEN.
-ocr page 246-
242                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
—  Laat de vrouwen beginnen . . .
—  Ei! Nu zouden op-eens de arme schepsels moeten voorgaan,
nu! En ze moesten altyd zwygen in andere zaken die voor belang-
ryker worden uitgekreten . . . ten-onrechte wel-is-waar, maar gy
mannen méént toch dat uw geleerdheidjes, en wetenschapjes, en
politiekjes, en vertoogjes, en krantenpraatjes, meer beteekenen dan
vodden en lappen. Geloof me, laat de vrouwen ydeltuiten blyven.
De mannen zouden \'n al te gek figuur maken, wanneer dit ver-
anderde . . .
Semi-ur liet hierop z\'n zakdoek vallen, en wandelde achteloos
voort, alsof hy \'t niet bemerkt had. Een heer met zilverwit haar
en \'n allerdeftigst voorkomen, waarschuwde hem:
—  Pardong, m\'sieur, fötre mouchewaar!
Waarom of waarvoor de man vpardon" vroeg, kan ik niet zeggen.
Hy had dit zeker vdri Franschen gehoord, en meende dat het mooi
stond. Misschien ook dacht hy dat zoo\'n gekke slingerslag thuis-
hoorde by z\'n deftigheid en menigvuldige ridderschappen. Want
z\'n borst was bezaaid met lintjes.
De scherpzinnige gnoom bedankte koeltjes, en fluisterde my toe:
dit is nu \'n man ... let op! Hy heeft allerlei verdiensten —
\'t blykt immers? —■ en . . . veel honger. Spreek eens met dien
respektablen heer.
Nu, de man wou niet liever. We vernamen terstond dat hy
Obergeheimrath was, en zeer hoog stond aangeschreven by allerlei
vorsten en autoriteiten, waarvan-i de bewyzen op z\'n rok droeg.
Eens had-i behoord tot het gevolg van \'n buitengewoon ambassa-
deur, die heel genialig aan Prinses X was komen boodschappen
hoe allergenadigst Prinses Y zich verwaardigd had te bevallen van
\'11 jongetje: \'n groen lintje! Ook was hy sekretaris geweest van den
vernufteling die dat schoone rapport had ingediend over \'t kostuum
der veldwachters: \'n rood lintje ! Hy had uitgerekend behuwdneef
te wezen van den stationschef, die by \'t doortrekken van zekere
Hoheit, zoo bliksemsnel \'n fleschjen Eau des Carmes by-de-hand
had, toen de bonne der prinses haar kleinen vinger had kunnen
schaven aan den kruk van \'t portier: \'n purper lintje! Z\'n moeder
had het kindje gezoogd van de min eener dame die op \'t punt
had gestaan min te worden van ... o hé, \'n melkwit lintje!
Zoo droeg onze man de veelkleurige blyken van allerlei verdien-
sten — zonder uitzondering van dezelfde soort — op z\'n zwoegen-
de borst. Maar juist vandaag ■— niemand is ter-aller-ure wys! —
had-i de gekheid begaan, \'n gladverkeerde figuur op de roulet
natejagen, en . . . daarom voelde hy zich nu genoopt tot de vraag:
waar de heeren gewoon waren te dineeren?
Semi-ur antwoordde:
—  By den bakker, Herr Graf! Daar kan ieder te-recht die \'n
qrosche in z\'n zak heeft. En water kunt ge aan de Faulbrunnen
om-niet krygen. \'t Stinkt \'n beetje, maar dit mag U niet hinde-
ren, Herr Graf!
-ocr page 247-
MIKROKOSMOS.
243
De man droop af.
—  Moet het niet \'n zonderlinge vrouw zyn, ging m\'n geleider
voort, die voor zoo\'n wezen niet goed genoeg is? Zouden haar lint-
jes gekker staan dan de zynen? Van zulke «heeren der schepping"
is ... de schepping vol. En die kerel is nog geenszins de ergste ...
hm, dit is de vraag! De heerschappy der bekroonde nietigheid
benadeelt de Maatschappy meer dan misdaad. Een balk met kwas-
ten en spleten is bruikbaarder dan vervuurd hout, en tygers richten
minder schade aan dan witte mieren. Bovendien, tygers zyn zeld-
zaam. Uw-lieder . . . beschaving doet ze verbasteren in hyenaas
en jakhalzen. Ziet ge ginds den man die zoo aandachtig naar den
grond kykt? Ge meent dat-i herborizeert ? Volstrekt niet, hy be-
peinst \'n schurkenstreekje. Z\'n tegenwoordige betrekking is aspi-
rant-roover mit Umstanden. Maar hy is \'n knoeier in \'t vak, dat
zult ge zien. Even als onze Herr Graf van zoo-even, is-i z\'n geld
kwyt. Hy heeft reeds \'n dozyn infaillible systemen den nek gebro-
ken, of zy hem! Daarna »deed" hy in erfenissen op de groene
tafel, maar \'n onbarmhartige chef de partie heeft hem de deur
uitgegooid . . .
—  Ik weet, ik weet! riep ik. De historie staat heel fraai beschre-
ven op blz. 229.
—  Ik zie dat ge u z\'n eerbiedwekkend sienyjalemang «gemerkt"
hebt . . . des-te-beter! Ja, de kerel scheldt nu op: ces maudits
allemands!
En ziehier z\'n verheven plan voor de revannche! Van
beroep was of is hy . . . financier, \'n man van Schwindel- en bank-
zaken. Met den eigenaardigen zin voor kombinatien die deze hee-
ren kenmerkt, wil hy nu z\'n lievelingsvak verbinden met wraak,
patriotismus en hebzucht. De Duitsche speelbank — \'n Fransche on-
derneming, nota bene! — moet gestraft, en tevens zoekt hy z\'n
verloren geld terug, liefst met \'n beetjen er by. Z\'n plan is . . .
subliem. Hebt gy er wel op gelet dat de speeltafels \'s avends ver-
licht worden door olielampen ? Komt u dit niet wat ouwerwets voor,
in dezen gustyd?
Ik moest dit beamen.
—  Welnu, onze spekulant zint op middelen om \'n kompagnie-
schap tot-stand te brengen, om aandeden in de Bank te koopen.
Zoodra hy zal kunnen beschikken over \'n genoegzaam aantal stem-
men om invloed uitteoefenen op de huishoudelyke zaken, laat-i \'n
verhandeling schryven — ik zal hem onzen beridderden Graaf aan-
bevelen — over den nadeeligen invloed van olievlammen op de
gezondheid van Russische speelprinsessen. Er moet Gas zyn. Gas, wel
zeker! Want, zoodra de zaak doorgedreven is . . . tien kordate
aandeelhouders in de zaal, vier anderen buiten de zaal by de gas-
buis . . . flap, \'t licht uit, en de paar millioen francs ingepakt, die
in \'t goede saizoen op al die tafels voor \'t grypen liggen. Hoe
-vindt ge dit plan!
—  Wel eenigszins . . . indelikaat, maar praktisch!
—   Neen, \'t is dol en dom. De aandeelhouders die hy noodig
-ocr page 248-
244                                      MILLIOENEN-STUDIEN.
heeft, zyn niet te vinden. Wie geld heeft om aktien te koopen,
steelt liever op gevaarlooze manier. Daartoe dient, byv. het aan-
bevelen van buitenlandsche spoorwegen, hoe verder weg hoe beter.
Goedig toch van Russen en Amerikanen, dat ze by \'t opzetten van
hun zaakjes, hooge rente en dividend gunnen aan allerlei vreem-
delingen, tot Hollanders inkluis. In xzaken" vind ik dat \'n zonder-
linge . . . edelmoedigheid! Van zaken gesproken, hoe staat gy met
de uwen? Ge zocht geld, meen ik . . .
—  Ach ja!
—  Die . . . spekulatie op uitgedraaid gaslicht, raad ik u sterk
af. En \'t opzetten van \'n buitenlandsche-spoorweg-aanpryzery ook.
\'t Publiek zal eindelyk wakker worden.
—  Wakker? Nu eerst? Ikzelf immers heb reeds gewaarschuwd
in 1864. *)
—   Neem dan maar aan, dat ik gedrukt heb op: eindelijk. En
ttio zaken? Ook . . . eindelyk? En uwMillioenen-Studien? Ook...
eindelyk ?
—   Onder ons, beste Semi-ur, Herr PRELLMAYER wordt lastig,,
en ik zou gaarne . . .
—  Geld?
—  Ja! Als ik maar wist . . .
—  Mens, weet ge dan nu nog niet wat er te doen valt ? Neem
me niet kwalyk — of wel, naar verkiezing! — ge zyt byna zoo
dom als \'n »man van zaken." Zorg toch geen zot figuur te maken
in uw eigen hoofdstuk: mikrokosmos!
Dat »mens" klonk weer even sarkastisch als in de vergadering
onder den grond. Al m\'n gnoompjes drongen plagend, grinnekend,.
sarrend, om my heen.
—  Kristallizeer iets! riep de een.
—   Denk! zei \'n ander.
—  Leer rekenen! schreeuwde a\'2.
—  Juist! rekenen is hoofdzaak, verzekerde z\'n negatief tegenstzn-
dertje. Zie naar my! Ik kronkel me bevruchtend om\'n kameraad-
jen, en we maken minus tot plus. Doe dit ook.
—  Dat is: schep waarde ! voegde Semi-ur er by.
En hy zag me vriendelyk aan, als om my \'n wenk te geven dat
z\'n vermaning geen spotterny was.
—   Schep waarde, herhaalde hy. Dit doen wy ook, en daarom
heeten wij gnomen, weters! En daarom wierp u de groote fancy-
dwtyxT) in den kuil . . .
—   Maar ik weet nog altyd niet! Ik ben géén gnoom. Ik ben
maar . . .
—  \'n Mens, nu ja! Veel byzonders is dit niet. Maar dit weet
ge toch, dat twee maal twee . . .
*) In dat jaar namelyk, of eigenlyk reeds in 4863, schreef ik de re-
pels die in den herdruk van \'72, voorkomen op bladz. 42 vlgg. van den
Hu bundel. Kan men ontkennen dat ik daar de schelmery schetste, die
nu duizenden aan den bedelstaf brengt? Komaan, mannen van zakent
-ocr page 249-
245
MIKROKOSMOS.
O, lieve hemel! Daar was \'t weer!
—  Ja, ja, twee maal twee is vier! Dit weet ik, goddank!
—  Dan kunt gy ook weten dat, byv. het verkrygen van geld . ..
—  De eenvoudigste zaak van de wereld is, snauwde ik hem toe.
—   Gewis! Wie behoorlyk voortbouwt op den onbedriegelyken
grondslag van het twee maal twee, wordt gelukkig, deugdzaam, en
zelfs — wanneer hy dit verkiest, maar \'t is byzaak — ryk!
—  Geestelyk, zedelyk, figuurlyk . . . connu! Maar prellmayer
eischt betaling in andere munt.
—  Ook in uitsluitend-prellmayerschen zin, kan iemand die zeke-
ren rang bekleedt in \'t Ryk der gedachten, z\'n doel bereiken. Het
winnen van millioenen is gemakkelyker dan \'t schryven van Mil-
lioenen-studien,
onverschillig of ge die beide woorden al dan niet
verbindt met \'n streepje. Al de Prellmayers van de wereld zouden
niet in-staat zyn één der bladzyden te leveren, die gy moet afstaan
voor \'n ryksdaalder ... Nederlandsch courant. Maak de Prellmayery
beschaamd op haar eigen terrein. Ge moet het kunnen, dunkt me,
wanneer ge dit doel voor \'n oogenblik aanneemt als hoofdzaak.
—  Maar, beste Semi-ur, het is my hoofdzaak, my en de velen
die van m\'n slagen hun heil wachten. Ik smeek u, help my aan
de middelen!
—   Dat kan niet. Wy gnomen maken yzer, en gy hebt goud
noodig. Doe als wy . . .
—  Met yzer ben ik niet geholpen.
—  Doe als wy! Op bevel van LOGOS voegen wy de aanwezige
bestanddeelen, waaruit yzer worden kan en worden moet, by elkan-
der. Zoek en voeg by-een, wat er noodig is om goud te maken.
En nu . . .
De kring der gnomen werd al dunner en dunner.
—  Om-godswil, Semi-ur, verlaat me niet! De Meester — uw mees-
ter ook, immers ? — had my hulp toegezegd. Is dan zyn keizerlyk
woord . . . bedrog?
—  Wat keizers doen of laten, doet niet ter-zake. Maar bedrog
is er niet in \'t woord van den Meester der geesten.
—  i>Dem kann geholfen werden!" heeft hy beloofd . . .
—  Dem kann geholfen werden, inderdaad ... als LOGOS het
toestaat. Hebt gy u tot logos gewend? Zonder hem zyt ge niets!
Gy niet. De Meester niet. Wy niet. Niemand, en . . . niets! .
—  Maar is dan dichterlykheid \'n leugen, één leugen?
—  Zonder LOGOS, ja! Mèt LOGOS, neen!
—  Vervloekte fantazie!
—  Mens, laster fancy niet! Ook in \'t allerkleinste is ze mach-
tig boven alles!
—   Wat baat me haar macht, als ze die niet aanwendt ten-
mynen-behoeve ?
—   Dit mag ze niet op de manier die gy in uw domheid haar
zoudt voorschryven. Ze levert geen . . . elfje meer — ook aan U
niet, hoort ge!
— dan de onverbiddelyke rechtvaardigheid der
-ocr page 250-
246                                        MII.LIOENEN-STUDIEN.
boekhouding van het z\\\'N toelaat. Gyzelf hebt uitgerekend dat dit
zoo wezen moest, omdat noch Speelbanken noch . . . Werelden
zouden kunnen bestaan by de geringste afwyking van het korrekte.
En zoudt ge nu vorderen dat Zy om-uwentwil zichzelf niet was?
Dat Zy, de trouwe, de logische, de exakte . . .
—  Doch welk nut geeft me zoo\'n . . . negatief rezultaat?
—  Misschien was de bedoeling, uw oordeel te scherpen tot waar-
deering van wat gy mensjes: pozitief noemt.
—  Maar de Prellmayers zyn nu eenmaal zulke mensjes!
—  Gy ook! Pas daarom uw gaven toe op menselyke zaakjes.
7.e moyen u niet vreemd zyn. Doe vooral haar de grief niet aan,
dat haar beschermeling, op welk gebied dan ook, lager zou schynen
te staan dan . . . anderen. Oefen uw denkvermogen, let op, reken,
vergelyk, kristallizeer, breng \'t vereenigbare tezamen, en houd daar-
by vooral den raad van a"2 in het oog. Doe uw dichtersplicht door
\'t scheppen van waarde die gangbaar is . . . zelfs op de markt
van de Prellmayers en konsorten! Zy gelast het u . . . vaarwel!
Helaas!
Troosteloos wierp ik my ter-aarde, verborg m\'n voorhoofd in \'t
gras, en smeekte . . .
De gnomen waren verdwenen, en ik bevond my alleen met me-
zelf en m\'n verdriet. Ach, \'t was waar geworden wat ze voorspel-
den: ikzelf maakte in myn mikrokosmos \'n allerdroevigste figuur!
-ocr page 251-
WAARDE IN REKENING.
Toch bleek er spoedig dat ik minder alleen was, dan ik by het
slot van \'t vorig hoofdstuk meende. Een oud man met \'n vriende-
lyk gelaat, richtte my op, en vroeg of ik veel verloren had?
—  Alles, zei ik.
—  Dat is zeer veel. Ge hadt niet moeten spelen.
—  Wie zegt u dat ik gespeeld heb. Juist andersom. Ik ben de
schryver van Millioenen-studien, waarin zoo ernstig tegen \'t spel
wordt gewaarschuwd door het betoog dat alle systemen gekheid zyn.
—  En . . . toch alles verloren?
—    Ja. Ik verloor de hoop iets te weten te komen van den sa-
menhang tusschen oorzaak en gevolg, en juist die kennis heb ik
noodig om niet te-gronde te gaan.
—  Met uw kostschool?
—  Kostschool? Hoe komt ge daaraan?
-ocr page 252-
248                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
—  Ik meende dat ge schoolmeester waart, om al de kinderen
die u zoo-even vergezelden. Ze spraken verstandig . \'. .
—  En ik zeg dat hond noch kat kan wys-worden uit hun praatjes!
—  Honden en katten zyn niet zeer scherpzinnig. Ik begreep alles
zeer goed. Met geld kan ik u niet bystaan, maar m\'n raad is tot
uw dienst. Ik ken u eenigszins, en heb \'n schuld aan u aftedoen ...
Een schuld aan my? En dit kwam hyzelf me zoo trouwhartig
vertellen? Die man moet in \'n muzeum! Op-eens, hem goed aan-
ziende :
—  Adolf ! riep ik. Maar ik weet niets van \'n schuld aan my ...
—   Ik heet johann, zeide hy, en . . . muller, of MEYER, of
schultze, zooals ge verkiest. Van beroep ben ik molenaar, met-
selaar, broodbakker ... al wat ge wilt, als \'t maar menselyk is.
Ik ben geboren ... in \'t Dillenburgsche.
—  Adolf! riep ik nogeens. En . . . ter-zyde: houdt nog altyd
die duvelary niet op?
—  Ik heet johann . . .
—  Hebt ge niet vroeger gewoond . . . op, in, onder, den Son-
nenberg ?
—  Te Sonnenberg woonde in vroeger jaren \'n neef van me.
—  Op wien ge precies gelykt?
—  Dat kan wel wezen. Maar gy kunt hem niet gekend hebben ...
hy is dood, en zeer lang reeds. Zeg my eens, wat waren dat voor
kinderen waarmee gy gewandeld hebt ?
—  Meester . . . vriend . . . m\'nheer, dat waren . . . gnomen.
—  Wat is dat?
—   Het woord beteekent: weter, naar ik hoor. Helaas, ik heb
weinig van hen geleerd!
—  Dit zou dan uw eigen schuld zyn. Ze spraken duidelyk ge-
noeg. Ik begryp niet hoe hun taal onbegrypelyk voor u was. Ben
je misschien te . . . geleerd, te verboekt, voor\'t eenvoudige ? Leer
dan wat af, en tracht intezien dat het geleidelyk voortbouwen op
\'n stevigen logischen grondslag . . .
—  Maar . . . gy kunt niet oordeelen, omdat ge myn behoeften
niet kent.
—  Zyn uw wenschen billyk?
-Ja.
—   t Zou al heel zonderling wezen, indien de bevrediging van
billyke wenschen niet kon bereikt worden langs geleidelyken weg.
Zóó immers arbeidt ook de Natuur. Ze schept voortdurend iets
nieuws door \'n oneindige atwisseling van samenstelling, en elke
nieuwe figuur die ze voortbrengt, is \'n noodzakelyk gevolg van de
hoedanigheid der vorigen. Om dezen wenk te begrypen, is slechts
de cxakte toepassing noodig van de grondwaarheid . . .
—  Ja, ja, van de waarheid die me tot vervelens toe verkondigd
werd onder den grond! Zeg me liever — als ge dan inderdaad...
niet adolf zyt — ik keek hem schuins aan — zeg me liever, van-
waar ge my kent? Leest ge misschien m\'n Ideen?
—  God-bewaar-me. Lezen doe ik nooit. Ik ben \'n praktisch man,
-ocr page 253-
WAARDE IN REKENING.                                     249
die er z\'n eigen ideen op nahoudt. En . . . wat m\'n schuld aan-
gaat, ik ben \'n oom van staccata. Ge hebt haar lief behandeld
in \'56, toen ze nog niet gesetzt was, als nu. Waarom wildet ge
haar onlangs niet kennen? Ze had u graag de hand gedrukt.
\'t Is waar ook. Ik herinnerde my nu eensklaps dat STACCATA
tot het klein getal meisjes behoorde, dat ik by-ongeluk onverleid
heb gelaten. En haar oom scheen beter dan ik te weten wat ik
op dien toren tot haar gesproken had . . .
De lezer herinnert zich immers dat ik by die gelegenheid door
\'n aanval van kiespyn of kramp gekweld werd?
—  Maar dit is niet ons eenig punt van aanraking, ging . . .
JOHANN voort. Ik heb u nögeens gezien, by-nacht, \'n oogenblikje
maar. Ook toen waart ge bezig met het oprichten van iets dat
overhelde naar \'n verdrietigen val.
Ja, ja, dacht ik. Zeker weer \'n deugdzaamachtige kiespynhistorie !
Want we zyn nu eenmaal zoo, dat we niet gaarne iets verkeerds
nalaten als \'t ecnigszins anders kan.
—  Neen, kiespyn hadt ge niet ...
—  Ik heb geen woord van kiespyn gesproken . . .
—  Zoo ? ik meende dat ge u beriept op \'n voorwendsel ter ver-
ontschuldiging van iets goeds. Dit behoeft niet. In \'66 woonde ik
aan den Ryn, tusschen Ehrenbreitslein en Lahnstein, niet ver van
Pfaffendorf . . .
—  Heb ik u daar gezien?
—  Neen, maar ik U wel. Ik bespiedde u, toen gy in die buurt
eens \'s avends laat bezig waart met schennis van de Pruisische
majesteit. Ik riep u uit den heg myner woning toe: waarde inre-
kening!
Zeg me nu wat ik voor u doen kan?
Er ging my \'n licht op. By zekere zeer byzondere gelegenheid,
had ik inderdaad eens die zonderlinge woorden meenen te verstaan.
En . . . alweer was alles in alles. M\'n goedige nieuwe kennis roerde
hier \'n punt aan, dat even als z\'n trekken my herinnerde aan den
ADOLF uit m\'n droom, of wat was het ? Inderdaad, ik had eens
in \' 66 . . .
Ziehier de kleine historie, die tevens verklaart waarom ik in de
onderwereld zoo buitengewoon vriendelyk was ontvangen geworden.
O, scherpzinnige FANCY!
In den zomer van genoemd jaar woonde ik te Coblentz . . . als
\'t wonen heeten mag, het zwerven waartoe ik veroordeeld was
door de laaghartigheid van m\'n landgenooten. De oorlog brak uit,
en ik was ooggetuige van \'t binnenrukken der Pruisen in Nassau.
Een deel ter troepen trok van Ehrenbreitslein langs de dorpen
-ocr page 254-
250                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
Arzheim en Fachbach naar Ems. \'n Andere troep marcheerde langs
den rechter Rynoever, Pfaffendorf en \'n paar andere dorpen voorby,
naar Lalmstein. Ik was meegegaan, om te helpen niet, maar om
te zien hoe men in Europa \'n land verovert. In andere streken had
ik z\'.ilke handgrepen meer dan eens aanschouwd. De zaak is heel
eenvoudig, en de moeite van \'t beschryvcn nauwelyks waard. Op-
marsen passeerden wy den slangsgewys met blauw en geel — in
heraldieke brabbeltaal: d\'azur en d\'or — beschilderden paal, die
door wapen en opschrift verkondigde dat daar \'t gebied van Nassau
\'n aanvang nam. Een o-zer helden beging\'t wapenfeit, dien armen
paal met den kolf van z\'11 geweer \'n stoot te geven. Natuurlyk: er
was geen Nassausch soldaat in de buurt! By zulke vechtzaken is
gewoonlyk een der beide partyen afwezig, \'t geen de taak van de
andere party allermakkelykst maakt. Nieder- en Ober-Lahnstein
lieten zich — en alle andere Nassausche plaatsen ook — even ge-
duldig stooten en stampen als die paal, en nemen zelfs! De lezer
kent de geschiedenis, \'t Deed me zeer. Om de Nassauers niet, maar
om de teleurstelling der arme dappere Pruisen die nooit \'n vyand
te zien kregen. Dit is heel hard . . . zelfs voor krygskunstige gene-
raals, die dan toch gaarne nu-en-dan \'n lystje van gewonden inle-
veren, al zy \'t dan maar van één op de duizend man die uren
lang zoo onwrikbaar pal stonden in \'n kogelregen
In-weerwil van m\'n innig medelyden met zulke generaals, voelde
ik toch deernis met dien paal ook. Het stomme ding vertegenwoor-
digde iets . . . neen, zóó was \'t eigenlyk niet. Ikzelf houd niet van
grenzen, en mag er geen party voor trekken . . .
»LOGOS is geen Nassauer" had adolf gezegd.
. . . hoe minder grenzen, hoe beter! Maar toch, als men daar
zoo ruw \'n symbool ziet mishandelen, dat sedert duizend jaren
dierbaar was aan dertig geslachten . . . hoe dit zy, sentimenteel
of niet, ik was boos op dien dapperen soldaat. En op de paarduizend
anderen die hoerah! riepen by z\'n heldenfeit.
De arme paal waggelde. Ik moet erkennen dat het ding poda-
greus was, en dat het weldra, ook zonder den soldaat die met z\'n
onverschrokkenheid de logische volgorde der zaken \'n beetje te-hulp
kwam . . .
Vergeef me, verstandige lezer, ik had eens in alle stilte dien paal
weer overeind gezet, en rondom vast toegestampt met aarde. Was
\'t \'n fout? Was \'t \'n deugd?
Ik geef \'t niet voor deugd. Maar wie \'t \'n fout noemt, wordt uit-
genoodigd z\'n deugden te laten zien.
Hoe dit zy, ik dééd het. En dit wist m\'n nieuwe kennis, \'n Nas-
sauer patriot, naar \'t scheen. Want: ivaarde in rekening! had hy
geroepen.
— De paal is niet geheel verdwenen, zeide hy. Ze wordt... ergens
bewaard. Men moet nooit oude grenspalen wegwerpen. Al wat ge-
weest is, kan terugkomen, en veel er van zal terugkomen. Uw po-
ging baatte niemand of niets, maar gaf getuigenis van \'n aandoe-
ning die ik gaarne zie, en daarom: waarde in rekening! Kan ik u
van dienst zyn? Spreek vry uit.
-ocr page 255-
WAARDE IN REKENING.                                     251
—  Vooreerst wou ik gaarne de rekening van Herr prellmayer
betaald zien.
—   Hoe hoog is die? Wees niet beschroomd, want ofschoon ik-
zelf geen geld heb . . .
Dan helpt me z\'n aanbod van hulp bitter weinig, dacht ik. En,
verstoord, noemde ik \'n onmogelyke som . . . duizende millioenetu
—  Dan moet ge met \'n éérste millioen aanvangen, zeide hy zeer
kalm. Alle duizenden worden van één afgeteld. De grootste dingen
zyn van geringe afkomst . . . parvenus, als gy en ik. Er is \'n tyd
geweest dat men \'n mikroskoop zou noodig gehad hebben om ons
te zien.
Er was iets sarrigs in deze woorden. Hy scheen niet te willen
opmerken, dat ik m\'n eisch slechts zoo buitensporig hoog stelde
om lucht te geven aan wrevel.
—   Ja, ja, ging-i voort, de prellmayers maken hooge rekenin-
gen ! Dat is hun vak. Welnu, betaal den man!
Ik keerde me knorrig van hem af. Waarom my voor gek te hou-,
den. Wat beteekende zóó\'n waarde in rekening f
—  Hoor eens, zei ik, toen ik die paal stutte . . .
—  \'t Ding was verrot. Het moest vallen.
. . . toen poogde ik de laatste levensdagen van dat symbool te
verzoeten.
—  Juist! zooals iemand die \'t kussen van \'n stervende opschudt,
al weet hy dat de arme drommel bezwyken zal. Daarom zei ik:
waarde in rekening! »Zoo wat gy den minsten myner palen gedaan
hebt ...
—  Laat me met rust! riep ik. De Prellmayers maken \'t me las^
tig genoeg. Is \'t u misschien, als dien Graaf van zoo-even, om \'n
maal eten te doen ? Hebt gy gespeeld ?
—  Neen, \'n speler ben ik niet. Ik ben \'n denker. En gedineerd hèb
ik. Wees toch niet boos omdat ge my niet begrypt. Dit is myn
schuld niet.
—  Maar . . . ook ik ben \'n denker.
—  Stel dan prellmayer tevreden.
—  Ik begryp \'t verband niet . . .
—  Dat is juist de fout. Uw plicht en roeping is, wèl verband te
begrypen, en de millioenen by elkaar te denken, die ge voor de
Prellmayers noodig hebt. Een paard verdient den haver met schoft
en pooten. Een koe, haar gras met de melk die ze geeft. En gy,
mens, d. i. denkdier, kunt en moet betalen met gedachten.
—  Maar, eilieve, sedert jaren schreef ik ideen! Indien ik Fransch-.
man, Engelschman of Duitscher was, zou ik ryker zyn dan alle
Prellmayers van de wereld. Maar Holland is \'n klein land, en kan
z\'n schryvers niet dan met moeite in \'t leven houden. Men betaalt
-ocr page 256-
252                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
me niet het honderdste deel van wat in \'t buitenland wordt ge-
noten door schryvers van lageren rang dan den mynen. *)
—  Kan dit anders?
—   Misschien niet. Maar diezelfde landgenooten hebben toch mil-
lioenen over voor \'n oorlog, welks oorzaken hun onbekend zyn.
Diezelfde landgenooten verspillen toch schatten in spoorwegen, via
Amerika en Rusland . . . naar de maan. Daarvoor schynt wel geld
in \'t land te zyn!
—  Zulke domheden zyn hun eigen schade, en dat is hun zaak.
Denk gy uw eigen millioenen by elkaar. Gyzelf hebt gezegd: »\\vie
denkt, overwint!" Overwin!
Was dat nu de hulp die hy me toezei ? En vanwaar in zyn
mond, dat aanhalen van \'n gezegde dat hy uit myn werken geput
had? Hy die niet las, naar z\'n zeggen.
—  Er moet \'n fout in uw gedachtenloop wezen, ging hy voort,
\'n rekenfout. Zeg eens, waarmee hebt ge u den laatsten tyd bezig
gehouden ?
—  Zooveel de Prellmayers me toelieten, met . . . denken.
—  Wanneer ge goed gedacht hadt, zoudt ge nu myn hulp niet
behoeven, en geen last hebben van de familie prellmayer. Een
denker is geen halfvergane grenspaal, die zich laat omwerpen door
den eersten den besten die hem \'n stoot geeft! En wat deed ge
met uw gedachten? Hoe hebt gy ze aangewend, toegepast? Versjes
aan de maan toch niet ?
—   O neen! Ik schreef Millioenen-studien voor millionairs en men-
sen die \'t worden willen.
—  En komen daarin slotsommen, praktische slotsommen voor ?
—  Helaas, neen! Daarop juist ligt de laatste aflevering te wach-
ten. Zonder zoo\'n slot — en de daarby behoorende sommen,
vooral! — durf ik m\'n lezers niet onder de oogen komen.
—  Laat my die Sludien eens lezen. Er zyn zeker fouten in. Ik
heb nog nooit gezien, dat iemand die zuiver denkt z\'n doel niet
bereikt.
We gingen tezamen naar den Gelen Adelaar. Daar gaf ik hem
m\'n bundeltje dat afgedrukt was tot bladzyde 300 toe, en hy ging
er mee heen.
*) De Rabagas van Sardou, \'n gelegenheidsvodje zonder de minste
letterkundige waarde, heeft volgens gespecificeerde opgave in den Figaro,
den schryver \'n jaarlyksche rente opgebracht van zesmaal \'t honorari-
um dat ik — in-weerwil van de in edelmoedigheid overgaande loyauteit
myns uitgevers — voor Vorstenschool ontving. En dan wordt \'n Hol-
landsen schryver, zoodra hij zich verstout minder armzalige prullen
voorttebrengen dan . . . sommige anderen, nog uitgescholden, belas-
terd, in den ban gedaan, op den koop toe! En men durft nog spreken van
vNeerlanrts Letterroem!" En men zou nog vorderen dat \'n auteur zich
schikte naar de eischen van zoo\'n Publiek! Dit is wat veel gevergd,
m\'nheer Kappelman!
-ocr page 257-
WAARDE IN REKENING.                                      253.
—   Waarde in rekening! riep hy me onder \'t weggaan toe. Let
op, en . . . denk!
De afspraak was dat-i me \'s middags zou komen afhalen voor
\'n wandeling. Maar hy vertoonde zich niet.
—  Men moet nooit iets leenen aan \'n onbekende, zei de zeer
verstandige PRELLMAYER. Die man heeft u beet gehad. In heel
Pfaffendorf woonde nooit iemand die Johann Meijer of Muller of
Schultze heette. De mensen in dat dorp schryven zich Mager en
Möller en Schüllz, weetje!
Dus nog floué voor \'n exemplaar van m\'n arme Millioenen-studien
toe! Dat noem ik chance! Leve de eerlyke roulet, by zóó \'n:
waarde in rekening! Zou ooit één systéme infaillible zoo valsch
geweest zyn, als \'n . . . mens? En de man zag er zoo goedaar-
dig uit. Hy geleek waarachtig op den adolf in \'t gewelf, en nu
ik me wel bezin, ook op den metselaars-knecht uit de Minnebrieven.
Helaas, ook dat werk heb ik nog altyd niet kunnen afmaken!
Wat zei ze toch op \'t slot? Zy . . . fancy!
-ocr page 258-
PRAKÏYK!
M\'n ontbyt-thee werd hoe langer hoe bruiner. De verf konsoli-
■deerde zich tot »vaste kleur" in \'t kopje, en waarschynlyk ook in
m\'n maag. Wie me opensnydt . . .
Helaas, ik ben nog zoo ver niet! De Wirth martelde my vreese-
lyk . . . erger dan opensnyden. De domheid die ik beging met het
uitleenen van dat onafgewerkt boek, kwam my te staan op \'t ver-
lies van \'t beetje krediet dat ik nog by m\'n reeds van hotelnatuur
wantrouwenden schuldeischer kon gehad hebben. Herhaaldelyk vroeg
hy me: wat dan toch eigenlyk m\'n Geschaft was?
■—■ üenn. ein Geschaft muss doch Jeder haben!
Een oogenblik voelde ik den lust in my opkomen, hem te zeg-
gen dat ik van beroep aar.pryzer van verre spekulatien was, maar
ik durfde me zoo\'n hoogen rang niet aanmatigen. Bovendien, aan
m\'n bagage en plunje was bemerkbaar, dat ik de minder winstge-
vende betrekking vervulde van vagabond of . . .
-ocr page 259-
PRAKTYK!                                            255
—   Ik ben denker, zei ik.
—  Können Sie ein gehöriges Patent davon zeigen f
—    Drr ungtückselige Herr . . . JOHANN MEYER, oder MULLER,
eder SCHULTZE, hal es mir stipitzt, und . . .
—  Ein anstandiger Mann laszt sich nicht berauben.
Waarschynlyk om te bewyzen dat hy \'n anstandiger Mann was,
liet nu Herr prellmayer de policie roepen. Troosteloos ging ik
naar m\'n kamer — \'t fameuze nummer 32, helaas! — en begon
m\'n boeltje te pakken.
Hiermee bezig, hoorde ik aan de deur kloppen, en ik was zeer
verwonderd, op m\'n: herein! de figuur van schlungei.hans voor
me te zien.
—  Kerel, waar kom jy vandaan? Zit je niet in \'t tuchthuis? Hoe
kom je hier?
—  Herr PRELLMAYER zendt my om optepassen dat je niets mee-
neemt. Straks komt de policie, om je over de grenzen te zetten.
En de brutale lummel nam grinnekend plaats.
—  Maar . . .
—  Er valt hier niet te maren. Ge hebt my ten-toon gesteld voor
de heele wereld: waarde in rekening, vriendje! Als ik me bedrin-
ken wil, en met dames ryden, en laarzen stelen.. . dat is myn zaak!
Er werd weer geklopt. Herein!
Lezer, ik heb u by-tyds gewaarschuwd dat ik ditmaal niet voor..
"burgerlu! schryf. Men moet minstens geestelyk hertog zyn — of...
»in" effekten —■ om zonder flauwvallen te vernemen wie er nu
binnentrad, en wat er verder voorviel. Op m\'n: herein! verscheen
de vrouw van \'t Alexandrisch telegram. Ze schold me vreeselyk
uit, en noemde dat: waarde in rekening! Nauwelyks had ik \'t
mens herkend, of ik werd onthaald op \'n bezoek van den rood-
geouwelden Herr friedrich plu.mp, die \'n gelyksoortige boodschap
kwam brengen . . . kolossal! Hy werd gevolgd door buda en la
Kisseleff,
die \'t zomerjasje kwamen terugvorderen, dat ik uit haar
lenden geput had. Door slenterman. Door den pórtjeh van Son-
nenberg. Door krümmacher en lamartine. Door al de Konin-
gen uit hoofdstuk zooveel . . .
Al dat volkje scheen my iets te verwyten te hebben, en schreeuw-
de: waarde in rekening! Duizelig greep ik naar m\'n haren . . .
—  Dat helpt niet, zei melchizedek. Ik zal je leeren spotten
met m\'n zalf!
Hertogin adelheid en haar dappere gemaal verkeerden in de-
zelfde stemming. Ook ARNDT was woedend. Idem de intendant
van zekeren keurvorst, en die keurvorst zelf, met z\'n heele familie.
Een hoop kerels in lompen — ze noemden zich: Volk! — storm-
den binnen met \'n afgryselyk: pd ira! Hadden ze broeken aan ge-
had, ik zou die heeren \'n schop hebben gegeven, maar nu vond
ik de pedoeuvre te vies. Ook waren er generaals, die my euvel na-
men dat ik hun de welvarenheid van geslagen legers verweet. En
*n bende Kellners! Ze wilden my . . . opensnyden, lieve godl
-ocr page 260-
256                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
—  Wis en zeker, riep de Alexandryne. Wat heb je my gedaan ?
Naakt uitgekleed, en meer!
—  En ons! schreeuwden de Kellners.
—  En ons allen! riep \'t Publiek dat m\'n arm nummer 32 be-
stormde.
Zeven-en-negentig professeurs de jen — waaronder zes-en-negentig
bankiers — kwamen wraak-nemen over \'t bederven van hun mé-
tier.
BOILEAU, historiën de France en hofpoëet, dreigde met \'n vers.
Ik sidderde. KATHARINA van Rusland was eenigszins zachtmoedi-
ger: ze stelde maar voor, my te laten villen. Ook MORFONDARIA
eischte slechts \'n ouwerwetsch brandstapeltje. De God van Neder-
land kwam my m\'n twyfel aan z\'n wonderdadige eb inpeperen, en
\'t zwendelaartje thier.s . . .
Hèm vraag ik excuus. La belle France heeft middel gevonden
het mannetje te doen betreuren, door hem \'n opvolger te geven,
\'n opvolger . . . kyk! \'n Weggeloopen maréchal de Frrrance!
Daar kwam ook de bekende dame met \'r kruisspin, en profes-
ser QUINET met z\'n vaas. En. . . andere professors, al of niet leden
van \'n Multatuli kommissie. Ook leden van die kommissie die géén
professers waren, en zich veroorloofd hadden my voor den gek te
houden zonder \'t minste diploom.
Jy ook, sarah? Och ja, ze nam als de anderen plaats, en gryns-
de my aan met \'r witte tanden. Ik had niet mogen zeggen dat
haar kop scheef was. Dit vergeeft geen vrouw in haar bronstydl
Ik boog m\'n hoofd, en dacht — maar in \'t Hollandsen — quo
usque?
Zou joshua Reynolds ook z\'n last gehad hebben van z\'n
scheppingen? De slimmert schilderde koningen, en wat meer is:
geesten. Ik ongelukkige heb my aan mensen gewaagd!
En, \'t leek nog niets naar ophouden. Louis XVIII was woedend
omdat ik hem \'n vraat had genoemd, en tartuffe beweerde dat
z\'n stumperige huichelary fyn genoeg geweest was voor \'t Publiek
van zyn tyd . . . ook voor publieken van andere tyden, zeid-i er
zacht by. Ik had dus ongelyk, hem z\'n onnoozelheid te verwyten.
Ei, ziedaar ook m\'n archaeoloog, den deugdzamen ridder van Vievx-
Delft.
Hy smeet me \'n goedendag en \'n stapel blauwe schotels naai-
den kop . . .
En al dieper en dieper liet ik het hoofd op de borst zinken.
De groote frits kon niet verdragen dat ik z\'n hochmoralische
molenkunstjes doorzien had . . .
—  lek uf den Hontf Ach, doe Heper Kolt, was \'n Laster!
En ik seersle chenereuse Hollander die \'t schepsel begegende"
werd afgeranseld met den bekenden parapluie. Dit scheen weer,
als al de rest, te moeten beduiden: waarde in rekening!
Lord ci-devant viel my aan over de indiskretie omtrent z\'n
tandenstoker, en Madame de V wilde my \'n paar oogen uitkrab-
ben om m\'n spot met haar stapeltjes. De Schuhmacltermeister was
struikroover geworden, en stond op \'t punt zich door de justitie te
laten ophangen, \'t Was myn schuld, zeid-i. Als ik niet: douze! had
geroepen, zou hy niet gewonnen hebben. En als-i niet gewonnen
had, zoud-i geen speler geworden zyn. En als hy geen speler ge-
worden was . . .
Ik boog het hoofd al lager en lager.
-ocr page 261-
praktyk!                                            257
—  Wat hoef je aan alleman te vertellen dat m\'n vrouw één te-
gen zeven
gedobbeld heeft om my staande te houden ?
—  En dat ik \'n glas heb stuk getrapt!
—   Tu quoque, lieve mevrouw JASON?
—Ja,quoque, kwakire, of «at je wilt. Ik.houdniet van indiskreet volk!
—    Profeet? Profeet? Ik zal je profeeten! zei de man die alles
voorzeggen kon wat geschied was. Ik profeteer je nu, dat we hier
zyn gekomen om je . . . je waarde in rekening te geven.
—   Genade, genade! smeekte ik.
—  Chenade ? F\'r jou niet, riep de Amsterdamsche die zoo zuiver
Nederduitsch sprekend, Papa aan den praat had gehouden by de
Trente et cjuarante.
—  Ah, c\'esl vous, brigand, qni m\'enviez les pauvres héritages que
je . . . f ais! C\'est vous qui preferez l\'huille au gaz . . . attendez.\'
—  Ik \'n . . . hm, hm? vroeg Madame de la maQUERELLERIE.
—  Dat heb ik niet gezegd, riep ik. Ik zei dat je . . .
—   Korte metten! riep de erfprinses van luttelgau. Ik geen
Latyn vetstaan . . sakkerlotibus! Ik \'n Satan? Valeur en comple:
la mort sans phrase!
Dit was ook de meening der hertogin van China. En van juffrouw
KRENT. En van Madame "ska, geboren "WITZSCH. En van Mevrouw
V. D. happel. En van veel vohnaakt-ongesneuvelde maarschalken
de Frrrance. En van Miss LOVEHUNGER. En van de freules KROM-
kruis. En van de zalige Treurnepen. En van Mejonkvrouwe HE-
melgeit, die zich by deze gelegenheid liet flankeeren door \'n paar
prachtexemplaren uit haar schaapskooi, en nog\'n neef in de Kamer.
En van de douairière pretnyder. En van messaline darkpin-
cher. En van prinses russikoff. En van Lord sevenflower. En
van Miss adelheidinella met \'r zes zusters. En van de zeer uit-
gebreide familie kappelman . . .
M\'n kin drong diep in \'t borstbeen. Nog juist had ik de kracht —
maar \'t hielp niet — om zeer binnen\'smonds even te zuchten:
O, fancy!
—  Gesetzt? Nu, ja, nu! Maar in \'54? Dat zal je me waar maken!
—  Om-godswil, lieve beste met zooveel inspanning deugdzaam
gelaten staccata, bedenk dat ik . . . kiespyn had!
—  Ik bedenk niets dan dat ik hier kom om je de oogen uitte-
krabben. Nu ben ik gesetzt, ja helaas, al was \'t dan niet noodig
dat aan den grooten klok te hangen, en alle jongelui afteschrikken.
Maar was ik gesetzt in \'54? O, du abscheulicher Mensch, ik zal je
leeren \'n braaf meisje te dwarsboomen in \'t verliezen van haar
onschuld\'.
—   Dierbare staccata, zoodra je weer ungesetzt wordt, en we
bezoeken nogeens dat plat van den toren . . .
—  Naklagen baat niet. Je bent \'n lompert. Ik zal je . . .
—  My de wraak! riep Madame BONAPARTE-WYSE-RATAZZI, ge-
boren de SOI.MS.
En de eene beul ontrukte my aan den ander. Ik kan niet zeggen,
wie me \'t ongenadigst behandelde, \'t Hielp niet, of ik al beloofde
MILLIOENEN-STUDIEN.                                                   17
-ocr page 262-
258                                        MILLIOENEN-STUDIEN.
nooit weer Millioenen-Studien te zullen schryven en mikrokosmen
te vertoonen. Geplaagd, gesard, gepynigd, gemarteld, begon ikzelf
nu te verlangen naar de policie.
—  Da ist der Herr Commissilr, zei schlungelhans. Nun toer-
den wir (jleich sehen wer ins Zuchthaus marschirt! Unser eins, mein
lieber Herr, doch ich nicht!
—  Om-godswil, m\'nheer de kommissaris, verlos me . . .
Wat is dat? Ik meende te bezwyken van verbazing. De Herr
Pulizei-conimissër
was niemand anders dan . . .
—  Zyt gy \'t, ADOLF, of Herr . . . MEVER, of . . . MULLER, of...
SCHULTZE, uit het Dillenburgsche ?
—  Geen praatjes! Ik ben policiekommissaris, verstaje ? Er is een
klacht tegen u ingekomen van Herr Gastwirth prellmayer. Welke
zyn uw middelen van bestaan ?
—   Dat weet jyzelf \'t best, jou schandvlek! Jy, jy, jy, die me
m\'n patent als denker hebt ontstolen!
—  Oneerbiedigheid jegens kaiserliche-königliche Polizei! De straf
zal niet uitblyven ... we houden hier byzonder veel van: waarde
in rekening,
weetje? Nogeens, welke zyn uw middelen van bestaan ?
Denken is geen ambacht waarvan men leven kan. Man muss ein
ordentliches Gexoerbe haben
—  Wat ik u bidden mag, Herr . . . Commissar, verlos me vóór
alles van . . .
—  Van wie? Van wat?
\'t Is waar ook, de kamer \\va: leeg . . . Waar al m\'n kwelgeesten,
zoo op-eens gebleven waren, weet ik weer niet. Ik verhaalde den
man wat er voor z\'n komst geschied was. En hy vond dit zeer
natuurlyk. leder tracht naar \'t gebruikelyke: waarde in rekening,
zeide hy droogjes. En . . . uw rekening met PRELLMAYER ? Daarop
komt nu de zaak neer. Kunt ge betalen, ja of neen?
—  Helaas, neen.
—  Marsch dan!
Hy greep me vry ruw by den arm, en sleepte me naar de spoor.
Daar werd ik als \'n misdadiger in \'n waggon geworpen. M\'n ver-
wondering was öp. Anders zou \'t me verbaasd hebben, dat Herr
Polizeicommissar
de bewaking van den over de grenzen te brengen
vagabond opdroeg aan \'n gendarm van byzonder vreemd model,
\'t Was \'n gesluierde dame. Toen-i haar toeriep, my vooral niet
uit het oog te verliezen, antwoordde zy schaterend van lachen:
—  Nun, toenn ich dèn Schelm los lasse!
En — om blyk te geven van dienstyver, zeker — legde zy me
handboeien aan.
Ik vloekte.
—  Tut, tut, zei ze, houd je maar kalm, vrindje! Los kom je niet,
van my niet. Den Herr Polizeicommissar te beleedigen! Al die brave
mensen uittekleeden, doortesnyden, te bekyken van-binnen! We
zullen je leeren wat wy hier verstaan onder: waarde in rekening,
mannetje!
-ocr page 263-
PRAKTYK!
259
O, fancy!
—  Zoo heet ik . . . vandaag niet! En zwyg nu maar.
In-godsnaam! Heel aangenaam vind ik \'t reizen op de spoor
nooit. Maar in zulke omstandigheden . . .
We zaten in \'n waggon derde klasse, en hadden vier-en-dertig
medereizigers, die allen zich iets minder verveelden dan ik, omdat
ze wat te kyken hadden aan den getransporteerden booswicht en
z\'n zonderlingen gendarm. Toch scheen dit genoegen weldra \'n
■eind te nemen. M\'n begeleidster zweeg, en ikzelf deed niets dan
kryten en huilen. Allereentonigst! \'t Verveelde myzelf.
Gapend haalde \'n overbuurman z\'n spoorkaartje uit den zak.
\'t Was van ongewoon model, \'n vry groot vel papier waarop iets
gedrukt stond. Hy las met aandacht.
Anderen hadden boekjes, die alsmede schenen te gelden voor
spoorbiljetten, want ze werden den kondukteur als zoodanig ge-
toond. Wie z\'n boekjen of vel papier uitgelezen had, ruilde met \'n
ander. De wagen was vol lektuur.
M\'n policie-dame verzocht dezen en genen, wat voortelezen van
1t geen hy op z\'n billet vond. En dit geschiedde.
»De oniergeteekende neemt de vrijheid, z\'n hotel aantebevelen in
■de gunst van \'t \'gedistingeerd Publiek. Z\'n Kellners z\'jn mensm.
S. G. D. G. en de vaste kleur van z\'n thee . . .
—  Dat \'s van prellmayer! riep ik.
—  Mag ik u vriendelyk verzoeken te zwygen, zei m\'n gendarm.
Ik zou anders genoodzaakt zyn u \'n mondslot aanteleggen. Het is
n geoorloofd te luisteren, en . . . daarmee uw voordeel te doen
als ge er niet te dom toe zyt.
En men las de annonce van m\'n gewezen Wirth tot de laatste
letter voor. Van bezoekers iiohne ordenlliches \\Oeschctft" verzocht hy
verschoond te blyven.
—  Wat anders! gelastte de policie-vrouw.
nAllen verehrlichen Kurgasten zur gfl. Nachricht, dat by m>j te
verkrygen is: eetbaar kalfsvleesch, postelein, zoele appelen, biefstuk,
rolpens, slokvisch, zoulevisch en keukenstroop .
. .
— Dat\'s \'n vervloekt bedrog! riep ik. Wie die dingen te Wiesba-
den annonceert, is \'n leugenaar!
Helaas, \'t schynt dat ik dit alweer niet had mogen zeggen! M\'n
lippen werden gesloten met \'n soort van nyptang, waarvan m\'n
geleidster vry onbarmhartig de beenen hanteerde.
»De ondergeteekende «Materialist" rekommandeert z\'n winkel van
•kofft, boter, kaas, sigaren, postpapier, mostert
. . .
-ocr page 264-
2ÓO                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
—  Genoeg advertentien, zei de dame. Wat anders!
i>In de Hel, in de Hel, in de Hel! Zondaren, bekeert u! Laat
u wasschen met het bloed van Christus, de beste zeep\') v oor bemorste
zielen . . .
—  Hm, zei m\'n geleidster, die zeep hoort eigenlyk in den win-
kel van onzen «materialist." Geen traktaatjes meer.
»7)e heer X is byzonder gehecht aan z\'n distrikt, en zou dus \'u
nuttig lid in de Kamer zyn. waar hy met de meeste onpartydigheid,
de algemeene belangen des Volks . . .
—  Genoeg! We kennen die praatjes. Als die heer X inderdaad
niemendal beteekent, heb ik er niet tegen dat men den man kiest,
maar als spoorweg-lektuur zyn zulke dorpsreklames wat vervelend.
A d\'autre!
iiHet onlangs verschenen werk van MULTATULI is miserabel. Ue
schryver lijdt aan \'n afzichtelyke armoede van denkbeelden, een ge-
brek dat in het land zyner geboorte, wegens den daar heerschenden
traditioneelen rijkdom op dat gebied, bijzonder in het oog valt. Men
zou in het bezit moeten zijn van \'n weelderiger fantazie dan de zijne
.. -
—  Hè? vroeg hier m\'n geleidster, die zich hoog oprichtte, en\'t
hoofd schudde als \'n toornige leeuwin.
—  \'t Staat er zoo, juffrouw! Is u er boos om?
—  Ga voort!
t>Overigens ontbreekt het hem ten-eenemale aan gezond verstand,
en de brave
PRELLMAYER had groot gelyk, iemand de deur uitte-
werpen, die blyk gaf van zoo weinig praktischen zin. In-plaats van
al die vertoogen orer
2 X 2, en LOGOS — wat is dat voor \'n we-
zen? — zou Ie moindre grain de mil eiken lezer die millionair-
worden wil, aangenamer geweest zyn. Wy voor ons, zyn vast over-
tuigd dat elke burger van den Staat met edelmoedige vreugd den
vollen winkelprys zou betaald hebben voor \'n werk, waarin men dui-
delyk de middelen vond aangewezen om millioenen te winnen. Maar-
zoolang de auteur zelf geen blyk geeft, die middelen te kennen .
. .
—   Deze aanmerking is zoo heel ongegrond niet, zei m\'n sbirre,.
terwyl ze my met haar tang heen-en-weer schudde. Wat anders!
Een der medereizigers beweerde dat-i op z\'n spoorkaartje zon-
derlinge dingen had te lezen gekregen, \'t Schenen uittreksels uit:
zeker werk, dat onlangs verschenen is:
\') De vergelyking van Christus\' bloed met zpep, is van da. COSTA-
(Zie busken huet, Litter. Fant.) Den titel: »in de Hel" ontleen ik aan
\'n Engelsen traktaatje, dat my onlangs werd in handen gestopt door-
\'n man die . . . losliep. Zelfs had-i \'n gryze baard, en was lid van \'t
Parlement. Hy kon dus noch voor kind gelden, noch voor erkend krank-
zinnig.
-ocr page 265-
PRAKTYK!
2ÓI
» Wie denkt, overwint!" (IDEE 952)
Een ruk met de nyptang.
tiDoor logisch voorttebouwen op den stevigen grondslag dat 2X2
— 4 is, wonlt men gelukkig, deugdzaam, en zelfs — maar dit is
byzaak —
RYK."
Een ruk met de tang. En: »ben je nog niet wakker?" vroeg
m\'n beulin.
»SCHEP vaarde! Dit moet de dichter kunnen."
Een ruk! En: «marmot!" schold ze.
vNiets is poëtischer dan de waarheid . . .
—  En dan de werkelykheid alzoo, mompelde m\'n ongenadige
begeleidster. Ga voort!
» Wie in de waarheid, in de werkelykheid, geen poëzie vindt...
—  Precies! En wie geen kans ziet, z\'n poëzie tot Werkelykheid
te maken . . .
. . . zal steeds \'n sober poëetje blyven." (IDEE 263)
—  Zóó is het! Ga voort.
»Wie overigens ter-goeder-trouw meent dat \'n dichter ontbloot zou
zyn van gezond verstand . . .
—  En van praktischen zin!
. . . heeft \'n opvatting van het dichterschap, die niet van zyn ge-
zond verstand en van
zyn praktischen zin getuigt. Een Dichter is
volkomen in-staat, hel hoofd te bieden aan
«mannen van zaken"
op hun eigen -terrein. By zulke gelegenheden zou er kunnen blyken,
hoe gering de waarde is van vak routine tegenover
\'n schranderheid
die gescherpt werd door aanhoudende oefening in algemeenheid van
opvatting.
(IDEE 1086)
—  Zeer goed! Wat anders!
«Minus-waarde kronkelt zich bevruchtend om \'n negatief kame-
raadje . . .
O God, ik begon te begrypen. Smeekend hief ik de handen
omhoog.
—    Ik geloof waarlyk dat m\'n arrestant wakker wordt, zei de
zonderlinge polizei-vrouw.
,
-ocr page 266-
2Ó2                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
En ze ontboeide m\'n lippen.
—   Een pen, \'n pen, schreeuwde ik, \'n koninkryk voor \'n pent
—  Eindelyk! zei . . . Johann Muller, of Schvltze of Meyer, of...
Adolf, of . . . Semi-ur, of ... o God, was Zy het?
—  Fancy!
—  Hm! M\'n eigenlyke naam is LOGOS. Schryf!
Spoorweg, medereizigers, policie, nyptang . . . alles was verdwe-
nen. Ik zat gerust op nummer 32 in den bekenden Gelen Adelaar.
En hans SCHLUNGEL kwam me papier, pen en inkt brengen. Hy
beweerde stokstyf dat ik er om gevraagd had.
—   Und gleich wird Iemand von der Drücherei hier sein.
—  Wat? Waarvoor?
—   Weil der Herr es so befohlen haben. Sie u-ollten eiligsl etwas
drücken lassen, sagten Sie.
Inderdaad? O fancy!
—  En ... je tuchthuis?
—  Der Herr belieben zu spassen.
In-godsnaam! Ik was moe van duivelsche goochelary, en schepte
adem. Zy dikteerde. Ik schreef . . .
Op \'t oogenblik dat de lezer deze regels in-handen krygt, is de
volgende cirkulaire verspreid in alle landen van de wereld.
AAN ZYN EXCELLENTIE
DEN MINISTER VAN B1NNENLANDSCHE ZAKEN
te......, .
Mynheer de Minister!
Het heeft myn aandacht tot zich getrokken, dat zoowel de Gou-
vernementen die by de exploitatie van Spoorwegen geïnteres-
seerd zyn, als Partikuliere Maatschappyen en Ondernemers die zich
balasten met het vervoer van Reizigers en Passagiersgoe-
deren, te-water en te-land, voortdurend een belangryken tak
van inkomst verwaarloozen, door zich uitgaven te getroosten, die
ten algemeenen nutte in zeer aanzienlyke baten konden veranderd
worden.
Naar myne meening konden en moesten de Plaats- en Bagage-
briefjes dienstbaar gemaakt worden aan de pers. Om dit doel te
bereiken behoeft men slechts den aanmaak en de levering dier
-ocr page 267-
263
PRAKTYK!
billetten te gunnen aan den meestbiedende, die daarvoor het
recht verkrygen zou, de achterzyden en de ongebruikte ruimte aan
den voorkant, aantewenden ten-behoeve van PUBLICITEIT in den
meest uitgestrekten zin.
Het spreekt vanzelf dat deze maatregel terstond leiden zou tot
vergrooting van het formaat der billetten, welker karton alsdan zou
kunnen worden vervangen door gewoon papier. Om de hooge
waarde van eiken vierkanten duim bedrukbare ruimte, zou men
den koncessionaris dienen te vergunnen geen andere personenbil-
letten te leveren dan die slechts recht geven op transport van
Station tot Station. Reizigers die plaats nemen voor grooter afstan-
den, zouden een Livret bekomen, met op de vouwen geperforeerde
blaadjes waarvan elk slechts ééne station vermeldt.
Ik ben zoo vry te gelooven, Mynheer de Minister, dat ik, U voor-
stellende deze verbetering, voor zooveel van U zal afhangen,
in..................intevoeren, dan wel die aan de
betrokken Maatschappyen en Ondernemers ter toepassing aantebe-
velen, een zeer aanzienlyke industrieele waarde in het leven roep.
Het even eenvoudig als praktisch en vruchtbaar denkbeeld dat ik
de eer heb aan de beoordeeling van Uw Excellentie te onderwer-
pen, is te meer myn uitsluitend eigendom, omdat de betrokken
Regeeringen en Maatschappyen of Ondernemers, van hun kant
niets wagen by de toepassing, gelyk anders by het invoeren van
iets nieuws, gewoonlyk het geval is. De minst voordeelige uitslag
zou dan toch immer een besparing van kosten zyn, daar \'t ondenk-
baar is dat zich geen gegadigden zouden opdoen om de billetten
kosteloos te leveren.
Het was aanvankelyk myn voornemen, myn rechtmatig aandeel
in de door my in het leven geroepen waarde, wettelyk te verzeke-
ren, door het stellen der prealable voorwaarde:
y>dat de Regeeringen of Maatschappyen die myn denkbeeld
zullen verwezenlyken, gedurende de eerstvolgende Vyf-en-twintig
jaren, aan my of myne rechtverkrygenden jaarlyks zouden
uitbetalen de helft van de winsten die blyken zullen daaruit
voortgevloeid te zyn."
Zeer spoedig evenwel zag ik in, dat de voorbereiding tot het
wettelyk verzekeren van myn Recht, een kostbaren tyd zou doen
verloren gaan, en dat zoowel de betrokken administratien als het
geheel Publiek zoo lang zouden verstoken blyven van de voordee-
len die het onmisbaar gevolg van de bedoelde verbetering wezen
zullen. Er gaan thans elk jaar schatten aan ongebruikte waarde
te-loor!
Het is alzoo aan het algemeen belang, Mynheer de Minister, dat
ik de wettelyke verzekering myner aanspraken ten-offer breng,
in de hoop myn recht voldoende gewaarborgd te zien door het te
stellen onder de hoede der publieke eerlykheid, van de loyau-
teit der Regeering die Gy vertegenwoordigt, en van de goede
TROUW der Partikuliere Maatschappyen en Ondernemers, die —
-ocr page 268-
264                                       MILLIOENEN-STUDIEN.
liierop in het algemeen belang door Uwe Excellentie opmerkzaam
gemaakt — van myn uitvinding de vruchten zullen plukken . . .
—■ Maar . . . beste FANCY, wanneer nu die Publieke Eerlykheid,
die Loyauteit en die Goede Trouw soms . . .
— Dan zou ik genoodzaakt zyn u op-nieuw hier-of-daar onder
den grond te stoppen, of u met \'n nyptang te dwingen tot het
ontdekken van middelen om Kwade Trouw en Oneerlykheid te ver-
anderen in iets beters. Den dichter mag niets onmogelyk zyn, ook
\'t geringe niet, en zelfs niet het gewone! Wees gerust! Of meent
ge dat het my meer moeite kosten zou, u de Millioenen toetewer-
pen, dan ik aan \'t vóórzeggen der Studiën besteed heb ?
En ze verdween met \'n vriendelyken lach om de lippen.