-ocr page 1-
-ocr page 2-
Z. oct
^
ü®*"^^ «.*!• §>& m fega <y.» t^3?V"<<*Nj
GESCHENK
3
VAN
Ü den Heer H. W. YWEMA Jr.
*^J
~~s?m \'V» <-^ëf~*(s&PT
\'r^.vf&S\' S£S l
-ocr page 3-
IS Jiï
-ocr page 4-
>^^ \\z^c^
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
.
VERMETEL
VERVOLG EN SLOT
VAN
GERRIT WITSE
-ocr page 8-
r\' •\'
TYP. - P. A. OEURTS - NIJMEGEN.
\'
-ocr page 9-
eZ<f"3/sy
VERMETEL
VEBVOLG EN SLOT
VAN
GERRIT WITSE.
EEN VRIENDELIJKE, GEMOEDELIJKE PROVOCATIE
AAN
HILDEBRAKD
VAN
5. f%CZai>é& /
GEI^TTS
More matter with loss art.
Shakespeark.
NIJMEGEN
Fibma H. TEN HOET
1895.
-ocr page 10-
■ - .
-ocr page 11-
Qnuutsprêkefek geacRie DfiZienfieer 3éi(de6rand1
Oe zal zéker wel êrig vrimd vpkieken as oe dit buukske
kriegt, en meugelik wel dinken, das van un vurwaond
mins, die gemeind het, dat hi un verhaol, dat
ikke begonnen
heb, zou kunnen afmaoken.
En nul zd\'k deur légen zeggen? De schien is tegen mien;
en êrig ook. Mar \'t is alleenig oak mar die schien. Dd\'k
dit buukske heb gesrève, kan êrig dom zien; da zd\'k nie
tegenspreken. Mar \'t duul da\'k er mee gehad heb, en dal
oe aon \'t end van de veurrède lézen kan, was goed.
En as ik er dat duul nou mar mee bereik, kiek, dan
kan \'t mien niks niemendal schele, of de minse mien al
vur dom of vurwaond houwen. Un mins kent zich zelvers
toch hel beste. En vurwaond bin ik niet; daorveur bin \'k
nou niet
dom genuug.
En da kan \'k oe bewiezen oak. As \'k êrig dom of vurwaond
was, dan zou ik mien dommigheid in deze nog probeeren
-ocr page 12-
onder stuulen en banken te verstoppen; en zeggen, dat
muujelike dingen ook niet makkelik goed te doen zien; en
dan zou \'k urn. de minsen zand in der oagen te geu-jen,
hier nou aonkommen met zon stuk of wat van die latiensche
dingsighee-jen, die net zoo goed as zooveule dooddeuners
zien. Daor hè-je, b. v. dat ding van Propertius:
In magnis el voluisse sat est,
en dat andere van Ovidius:
Ut desint vires, tarnen est laudanda voluntas.
Mar da doe ik niet.
Nou kan oe wel zeggen, da\'k valsch speul; want da\'k
nou gebruuk gemakt heb, van wat ze, oe zal het zich wel
herinneren! op de latiensche schol Praeterilio of Paraleipsis
nuumden. Mar ik mein hel wezenlik, zoo as fk oe gezeid
heb.
— Die ouwe latiensche dingen zien ummers niks meer
dan duukskes vur
7 bluujen — dat van ou van Horalius:
„Non lusisse pudel, sed non incidere ludum," nel zoo
goed, as de miene!
Ik wou oe alleen nog mar vraogen, um, as oe dit buukske
kriegl, de veurrêde te lézen. As oe dan nog niet overtuugd
ziet, dat oe doen mol wat daarin steel, dan mot oe, aste-
blief, het buukske zelvers beginnen, en dan bin ik er niet
bang veur, of oe zult er gouw genuug van hebben, en dan
doen wat niet ikke al/een, mar een heele boel andere minse
-ocr page 13-
met mien winsen. En geuj dan het buukske mar in de
kachel; ik zal hel oe nie kwaolek nemen.
Ik blief met gevuulens van de miste en (/rotste hoogachting
Mienheer Hildebrand!
Oe onderdaonigste dienaor
GELRUS.
P. S.
Jao, du ha\'k host vergeten! Oe mot is léze, wat oe
selvers gezeit hel, aon het end van de familie Kegge :
„Ik durf zeggen, dat ik niet behoor lot de schrijvers,
die er een genoegen in scheppen, hunne lezers met teleur-
stellingen te plagen. Dat is onbehoorlijk," en wat daor
verder nog up volgt.
Ziet oe, dat hê\'k niet aon de groote klok willen hangen,
en durrum ook niet ien de veurréde gezet.
— Dat is voer
oe alléén!
-ocr page 14-
.
-ocr page 15-
VOO^I^EDE.
(BEVATTENDE DE REDENEN DIE DEN AUTEUR BEWOGEN
HEBBEN, EEN VERVOLG EN SLOT VAN „GERR1T W1TSE" TE BEDENKEN,
TE SCHRTJVKN EN TE LATEN DRUKKEN).
CETERA DESUNT.
Ik herinner mij nog zeer goed — ik zal niet zeggen,
alsof het gisteren pas gebeurd was, want er zijn tientallen
van jaren over heen gegaan
— welke mijne Loosheid was, —
ja boosheid, kwaadheid was het! ■—■ toen ik, als jongen, de
Camera Obscnra lezende, aan het eind van — neen midden
in het vijfde hoofdstuk van Gemt Witse, die rampzalige
woorden las:
Cetera desnnt. Ofschoon 15 jaar oud, had ik nog
geen Latijn geleerd, {dal kwam door de
„Engelsche ziekte"
waaraan ik lang geleden had en die mij in alles achterlijk
heeft gemaakt), en wist dus niet wal die woorden eigenlijk
beteekenden; maar dat ze aan \'t verhaal, dat juist daar
zoo mooi begon te worden, een eind maakten, zag ik.
Ik was boos, zeide ik. En was dat zoo erg, dat ik het
hoek neerwierp en uitriep: „En nu wil die Hildebrandnog
wel de vriend heeten van een Hollandschen jongen! Een
1
-ocr page 16-
•
II                                               VOORREDE.
mooie vriend! Een kwelduvel, en niets meer /" En jaren lang
wilde ik niets meer toeten van de
Camera en van, Hildebrand.
Maar ook deze boosheid, van een anders wel licht opvlie-
genden maar geen haatdragenden jongen, sleet mettertijd;
en sedert heeft mij de
Camera nog menig genoegelijk uur
gegeven: een genoegen echter, ik behoefde het wel niet
te zeggen, van een anderen aard. De
Camera toch is
eigenlijk niet geschreven vobr jongens van
15 jaar; kan
door hen niet worden gewaardeerd. Doch ik moet mij hier
voorzichtiger uitlaten. Ik had haar op
1 ^jarigen leeftijd
niet kunnen waardeeren. De tegenwoordige jongens van dien
leeftijd zijn wat vroeger en meer ontwikkeld, dan ik en
ook mijne tijdgenooten het toen waren. Voor die ontwikkeling
bewijzen (bewijzen zijn wal anders dan gronden) aan te voeren,
is niet noodig.
Ook dezer dagen nam ik de Camera weer eens op, en
vermaakte mij in haar altijdblijvende frischheid. Ik las
ook nog eens den
Gerrit Witse. Eerst de vier hoofdstukken,
toen „GerrWs promotie" in het „Na vijftig jaren\'\'\' en
eindelijk ook het vijfde hoofdstuk met zijn veelbelovend op-
schrift: „Dokters lief en leed".
Terwijl ik daar nu weer las: „Maar morgen — Cetera
desuut" — gevoelde ik mij in eens weer de jongen van
15 jaren. Ik zat weer in de vensterbank der voorkamer van
liet ouderlijke huis en doorleefde, in mijn herinnering, al de
teleurstelling, al de woede, toen door mij gevoeld.
— En
toen ik weer in mijn eigenlijken leeftijd teruggekeerd was,
en weer op mijn eigen gemakkelijken stoel in mijn kamer
zat, lachte ik wel om die jongenswoede, maar gevoelde er
toch geen sikkepilje berouw over. En toch is zulk een toestand
van woede eene verkeerdheid; en het er toe terugkeeren
-ocr page 17-
VOORREDE.                                              III
zonder berouw kan bezwaarlijk goed genoemd worden.
Toen ik dit, maar eerst later, bedacht, kwam de vraag
bij mij op, of het niet de plicht is van lederen weldenkende,
zulk een toestand bij anderen, zooveel mogelijk, te voorkomen?
En of het niet anderen jongens, mogelijk ook wel meixjes,
zou gegaan zijn als mij; en zou blijven gaan, zoo lang als
de Camera gelezen wordt? En dat laatste zal zeker ge-
beuren, zoolang er nog gevoel voor humor en voor onze taal is;
zoolang als er nog Hollanders zijn, die, niet alleen theolo-
giseeren, wat meer en meer in onbruik geraakt, maar ook
poliliceeren, polemiseeren, socialiseeren en niet het minst
van allen pragmateueeren.
\') En moeten nu, vroeg ik mij
zelven verder af, die jongens, altijd maar door, tot zulke,
ook voor hun physiek nadeelige, opwelling van drift gebracht
worden ?
„Neen, dat mag niet!"
„ Wat is er dan tegen te doen ?"
„Hildebrand te persuadeeren, desnoods te forceeren, dat
cetera desunt uitteschrappen, en den zin: „maar morgen"
nf te maken, en daarachter zooveel zinnen en bladzijden te
voegen, als noodig zijn, om
Klaartje Donze op eene gelei-
delijke, den lezer volkomen voldoende, en de familie Symens
te Sprankendel met blijdschap en dankbaarheid vervullende,
wijze tot
Mevrouw VVitse te maken.
Te persuadeeren, hoe ?
Door hem te wijzen op allerlei door hem. zelven gezegde
dingen; als
1°. dat hij in de Narede van de Tweede Uitgave
der
Camera nog eenige nieuwe vertooningen heeft beloofd.
Dat een verstandig man, als hij, nooit aan nieuwe verloo-
\') Er op uit s(jn om geld te verdienen.
-ocr page 18-
IV                                               VOORREDE
ningen begint, vóórdat de oude klaar zijn. En dat dus de
conclusie voor de hand ligt, dat hij de rest van
Gerrit
Witse in een laadje heeft liggen; want dat niemand ooit
gehoord heeft, dal zijn manuscripten, zooals dat van vader
Trommius, verbrand zijn.
2°. dat volgens zijn eigen verklaring in het „Bijvoegsel
der derde Uitgave" reeds eenige schetsen gereed lagen, en
dat daaronder
ongetwijfeld de rest van Gerrit Witse was.
Om dezelfde redenen ah sub
1 ; en ook omdat hij een eerlijk
man is, die zijn beloften trouw nakomt, {al wacht hij er
soms wat lang mee, b.v. meer dan
50 jaren). En hij had
beloofd
— zie het opschrift van hoofdstuk V, te vertellen
van
Dokters lief! en heeft daar niets van verteld, — en
3°. dal die versregel van Horalius waarop hij zich vroe-
ger beriep, nu voor hem volstrekt niet meer geldt. Hij geniet
nu een
otium cum dignitate en is op een leeftijd, waarop
het
ludere niet verboden, maar zooals de grijze iEsopus,
toen hij met noten speelde, zeide, nu en dan zelfs bepaald
noodig, is:
.... Ludus animo debet aliquando dari
■ Ad cogitandum melior ut redeat tïbi.
Hij heeft ook al een deel van dal otium, en daarvoor
zijn wij dankbaar
— maar niet voldaan — gegeven aan
werk dat betrekking heeft op de Camera, en ons Witse\'s
promotie verteld; en hij deelt dus deze beschouwing over
dat
ludere. En ten slotte weet hij, dat, zooals Flalo ons
vertelt, de wijze Socrates nog in de laatste dagen voor zijn
dood, in de gevangenis, eenige fabels van Msopus in versmaat
overbracht; en dat werkje was voor dien man, die de philo-
-ocr page 19-
VOORREDE.
V
sophie devocatam e coelo in urbibus collocavit et in
domos introduxit, toch zeker wel een ludus.
Maar als dat alles nu nog niet helpt ?
Dan is er nog één middel, dat ongetwijfeld doel moet
treffen; hem moet forceeren, of ik heb Hildebrand\'s Voor-
rede voor zijn „Na vijftig jaren" niet begrepen, en mij uit
al zijn Puntdichtjes en „Verpoozingen" een slecht idee van
hem gevormd.
— Ik zal dien „Gerrit Witse" eens afmaken
en dan zal Ilildebrand over het verbroddelen van zijn zoo
mooi opgezet stuk, over den stijl, de taal, de woordenkeus,
de ideeën, den ideëengang,
V gebrek aan humor, de mis-
vormivg van de karakters
zijner personen zoo verdrietig wor-
den (\'t spijt mij anders wel, dat ik hem dit verdriet niet
sparen kan), dat hij zijn gesloten laadje openmaakt, er zijn
rest van
Gerrit Witse uithaalt, nog eens naleest, mogelijk
hier en daar wat schaaft of scherpt, en naar de firma
F. Bohn stuurt, om in de eerstvolgende nieuwe uitgave te
worden opgenomen, mogelijk wel met een punidichtje tegen
Gelrus.
Spra u kende).
-ocr page 20-
-ocr page 21-
VERVOLG EN SLOT VAN GERRIT WITSE,
ZOOALS ZICH DIT IN HET BREIN VAN GELRÜS ONTWIKKELD
HEEFT.
aar morgen.... morgen zou hij haar weer zien,—
zou hij bij haar komen in haar huis — en nog
wel op haar verzoek! En hoe had zij gebloosd, toen
zij dat vroeg! En had hij dien blos ook niet behoorlijk
gereciproceerd toen hij antwoordde? Hoe geheel anders
deze ontmoeting, dit afscheid, dan dat van vóór twee
jaren, toen haar laatste woorden tot hem : „O, een voet-
reis, een geleerde reis zeker, mijnheer Witse," hem
de tranen in de oogen hadden doen springen.
En daar stond hem in eens, dat te zijner eere (?)
aangerichte feest in \'t ouderlijke huis duidelijk voor
den geest; — die misselijke Wagestert, die onuitstaan-
bare mevrouw Stork; de door moederlijken trots en
liefde met blindheid, ongevoeligheid en onverstand ge-
slagen, anders zoo goede, mama; en dan die fat, die niets
beteekenende, die verfoeielijke Hateling; — en ook —
dat noodlottige kopje koffie en de grijs gros-de-Naples
-ocr page 22-
8
japon van juffrouw Klaartjo Donze; en de armzalige
figuur van den beteuderden kandidaat, Gerrit Witse,
kandidaat in de medicijnen, summa cum laude — alsof
dat wat gaf! — maar novitius, groen, onnoozele groen-
ste groen, in \'t zooveel belangrijke vak van de Ars
amandi nee non et placendi."
Maar weldra werden al deze zwarte akeligheden ver-
dreven door het in vollen luister op den voorgrond
tredende, beminnelijke beeld van het prachtig ontwik-
kelde, hem zoo dadelijk herkend en zoo vriendelijk
behandeld hebbende Klaartje! En met Klaartje hield
hij zich verder geheel alleen bezig, op zijn ganschen
terugweg naar de stad. Hij sprak met haar, luisterde
naar haar, door hem ingegeven, antwoorden. Hij maalde
zich zijn ontvangst op Wildhoef, den volgenden dag, in
allerlei steeds aangenamer, bemoedigender vormen af....
en nu en dan, als hij iets heel moois (als eene uitnoo-
diging van mijnheer Donze om het bezoek te hervatten,
of een nog vriendelijker invitatie van mevrouw om de
volgende week, op een door hem te bepalen dag, fami-
liaar te komen eten — óf een lief woord of vrieride-
lijken blik van Klaartje) bedacht had, vloog zijn stok,
zelfs tweemaal zijn hoed, in de lucht.
Gerrit was, waaratje, in eens weer, tot over de ooren,
verliefd op Klaartje Donze; en de snoodaard vergat, in
zijn onvergeeflijk egoïsme, in zijn autopathie, geheel en
al de doodzieke Barte Symens en de zorgen en angsten
harer moeder.
Hij haastte zich ook volstrekt niet om thuis te komen.
Een paar malen bleef hij stokstil staan; en eens sloeg
hij zelfs, zonder er iets van te merken, dat hij den
-ocr page 23-
9
straatweg verliet, een zijweg met mul zand in, die hem
na een half uur gaans bij een boerderij bracht, die hij
mogelijk binnen zou geloopen zijn, als niet een woe-
dende, gelukkig vastgebonden, keeshond, hem door zijn
vervaarlijk geblaf en rukken aan zijn ketting, tot de
werkelijke wereld terug had gebracht.
De schemering was dan ook reeds haast voorbij, toen
hij in de stad kwam. — En toen was het bijkans een
wonder, dat hij er aan dacht, nog even bjj den ouden
medicus, zijn patroon, aan te loopen, om dezen verslag
te geven over den toestand der kranke. Zeker is het,
dat hij dit totaal zou vergeten hebben, zoo niet de on-
bewuste bewustheid1) bij hem geleefd had, dat hij diens
toestemming noodig had, om ook den volgenden dag
de praktijk op Sprankendel waartenemen.
Het verslag, dat hij den ouden collega gaf, was echter
zoo weinig klaar, — Klaartje\'s beeld verdreef gedurig
Barte\'s beeld ! — dat de oude man hem hoog ernstig
en met een bedenkelijk gelaat vroeg, of hij ook iets van
een zonnesteek gevoeld had, hem bij den arm greep,
en zijn pols voelde, en eindelijk uitriep: „Veel te snel,
veel te snel. Dadelijk naar bed! Corapressen met koud
water en een heel warme kruik, en de compressen
alle kwartier vernieuwd. Maar ik ga zelf met je mee
om je hospita de noodige orders te geven."
O, Amor! O Eros pandêmos! O Noordsche Freia!
Dem armen Gerrit ward von alle dem so diimm
Als ging ihm ein Mühlrad im Kopf herum!
\') Een prachtig oxymoron. (Opmerking van den zetter.)
-ocr page 24-
10
Met afwerend gebaar hoorde Gerrit \'s ouderen collega\'s
woorden aan, terwijl, voor het oog zijns geestes, weer
een kopje koffie opdoemde, dat zich weer zoo onge-
lukkig uitstortte waar hij \'t niet wenschte.
„O neen, collega!" stootte hij haastig uit. Hierboven
(en voor de grooter duidelijkheid wees hij op zijn hoofd)
is alles in orde, al ben ik zeker verward geweest in
wat ik gezegd heb.... Maar ik was nog zoo geheel onder
den invloed van een ontmoeting, die ik gehad heb___
„Ze hebben je toch niet onderweg aangerand?" viel
de collega hem, met bijkans wilde oogen, in de rede.
De laatste jaren hebben we van zoo iets, hier in de
buurt, niets gehoord!"
„O neen!" antwoordde Gerrit. „\'t Was geen onaan-
gename ontmoeting. Een oude kennis, die ik in geen
twee jaren gezien had!
„En toen wat opgewonden!" viel de oude in, —
waarop Gerrit, niet wetende, wat hij verder zou zeggen
zweeg, en de andere nu voortging:
„Wat oude dwaasheden opgehaald, alsof je nog stu-
dent waart, in \'t Witte Paard, tot verkoeling, een paar
flesch Rijnwijn gedronken, je verlaat; en toen, met ver-
hitten kop, je buiten adem geloopen. Ja ik ken al die
dingen."
Gerrit wist niets beter te doen dan even te knikken
op die laatste woorden. Maar de oude man, die meende
dat dat knikje alles gold, wat hjj gezegd had, wreef
zich, denkende aan wat hij zelf eens als jong dokter
had uitgevoerd, welgevallig de handen, en zei:
„Kom aan, Witse, vertel me nu nog eens, maar ge-
regeld en duidelijk, zonder gezonde meisjes erbij te halen,
-ocr page 25-
11
al wat je mij van de zieke te zeggen hebt: — opda\'
ik zien kan, of ik, met geruste conscientie, je er morgen
weer heen kan laten gaan."
En Gerrit was nu zoo duidelijk in zijn rapport, dat
de oude man er over tevreden was. Met Gerrit\'s ver-
ordening evenwel, dat er veel frissche lucht in de zie-
kekamer kwam, kon hij zich niet vereenigen. Hij was
van de oude leer; — Gerrit van de nieuwe, dat, ook
voor de zieke zelf, frissche, zuivere lucht een eerste
vereischte tot herstel is. — Toch gaf hij Gerrit, op
diens vraag, of hij den volgenden morgen weer naar
Sprankendel zou gaan, het gewenschte antwoord; maar
onder de voorwaarde:
„Geen nieuwe ontmoetingen hoor! en zeker niet vóór
het bezoek bij de zieke is afgelegd."
Deze voorwaarde, gewijzigd als zij was door het
het laatste toevoegsel, kon Gerrit aannemen.
LEED EN LIEF.
Toen Gerrit thuis kwam, berichtte hem zijne hospita,
dat er reeds tweemaal een heer geweest was, die hem
wenschte te spreken.
„En wie was die heer?" vroeg Witse.
„\'t Was een vrimde, meneer! Hi wont hier niet in
de stad! anders most ik hem wel kennen" antwoordde
de juffrouw.
-ocr page 26-
12
„Hij heeft dus zijn naam niet gezegd, of een kaartje
achtergelaten?" ging Witse voort.
„Nee, meneer! \'k hen um dur wel nao gevraogd; mar
hi wou um nie zeggen. Hi wou meneer verrassen, zei
hi; oak het hi gezeid, dat hi meugelik van aovend, tegen
half tien, nog is terugkwam, en anders mèrgen, nao
\'t ontbiet."
„Morgen na het ontbijt kan ik niemand spreken,
juffrouw. Ik moet al bij tijds uit. — Ik zal zelfs nog
een half uurtje vroeger ontbijten dan gewoonlijk. Reken
daarop."
„\'k Zal er veur zurgen, meneer. Mar as die meneer
dan laoter is komt?
„Dan zeg je hem, dat ik heel vroeg uit moest om een
buitenpatiënt te bezoeken, en vraag je hem zijn naam
en waar hij logeert, en wanneer ik hem thuis kan vin-
den, daar ik dan bij hem zal komen.
„Heul goed, meneer!"
Gerrit stak het licht op; dat deed men toen nog
zelf; haalde een flesch Rijnwijn uit het mandje onder
in zijn hoekkast: (jonge doktoren hielden er toen nog
geen wijnkelder op na) schonk zich een glas in; zou,
als Hildebrand hem, niet door zijn spotten, het rooken
afgeleerd had, een fijne sigaar hebben opgestoken, en
vleide zich neer op zijn canapé, en zijn gedachten vlo-
gen al weer naar Klaartje.
Hij mocht zoo een half uur gelegen hebben — de
flesch was half leeg — en was juist in zijn gedachten
bezig met het formulieren eener hartverteederende
liefdesverklaring, die hij echter niet zoo gemakkelijk
vond, als hij \'t wel eens gedacht had, toen de juf-
-ocr page 27-
13
frouw klopte, en op zijn Ja! binnen gekomen, zeide:
„Meneer, daor is die meneer weer!"
„Verzoek mijnheer maar boven te komen. Ik zal wat
bijlichten!" zeide Gerrit opstaande.
„Hier is hij al!" klonk het van het portaal. De stem
was Gerrit wel niet geheel onbekend, maar hij wist ze
toch niet zoo dadelijk thuis te brengen. De eigenaar
dier stem trad de kamer binnen, en Gerrit deed een
paar stappen naar hem toe, maar bleef zoodra hij hem
herkend had stil staan „zoo verbouwereerd," zoo als de
juffrouw tegen haar man zeide „en zoo verschrokken,
as of hi den duvel in levendigen lieve veur zich zag."
Hij werd bleek en zijn knieën knikten.
„Nu, je behoeft niet zoo te schrikken, Witse. Ik ben
geen Jobsbode. Wees gerust: Je oudtjes zijn in bla-
kenden welstand, en ik breng je hun hartelijke groeten,"
zeide de vreemde meneer, en stak Gerrit de hand toe.
Gerrit had hem liever met een der lagere deelén
van zijn lichaam de kamer weer uit, en de trap af, ge-
holpen, dan dat hij hem de hand der vriendschap bood,
maar maakte van den nood een deugd, en deed wat
hij niet laten kon. Hij duwde zijn stijf uitgestrekte vin-
gers tegen de hand van zijn bezoeker, den heer
Hateling.
Niemand was Gerrit, sedert dien bewusten avond,
antipathischer dan Hateling; en hij had nu werkelijk
liever met een koud compres op zijn hoofd en een
warme kruik aan de voeten in zijn bed gelegen, en
getuurd zelfs op het v. d. P. G. gezicht zijner hospita,
dan één soi-disant vriendelijk woord wisselen met dien
verwaanden Narcissus.
-ocr page 28-
14
Maar er was niets aan te doen. Hij moest Hateling
verzoeken plaats te nemen, en hij deed het. Hij moest
hem zelfs een glas wijn aanbieden, en zelf dat glas uit
de kast halen. En ook dat deed hij; maar zoo de wijn
Hateling mondde, was \'t Gerrits schuld waarlijk niet.
Hij moest ook nog ten slotte de conversatie ophouden
of ten minste aan den gang brengen.
„Hoe kom jij zoo in eens hier!" begon hij.
„Ik ben op raad van mijn dokter voor mijn gezond-
heid op een voetreis!" antwoordde Hateling.
„Ben je dan ziek geweest?" vroeg Gerrit weer.
„A Dieu ne plaise!" antwoordde hij. „Maar ik ver-
beeldde mij, dat, door dat vele en lange zitten op \'t kan-
toor, mijn goede teint wat geleden had; en toen heb ik
een dokter gevraagd....
„O, ik begrijp \'t nu al," viel Gerrit in. „Maar vertel
me nu eerst nog wat van mijn ouden heer en oude vrouw."
En Hateling gaf, met de hem eigen bespraaktheid,
de verlangde inlichtingen, en ging toen over tot de
Vernooy\'s, wier groeten hij ook overbracht aan Gerrit, en
zeide vervolgens, dat hij ook nog ergens in de buurt de
groeten van mijnheer en mevrouw Vernooy had over
te brengen.
„En bij wie, als ik vragen mag?" vroeg Gerrit, die
\'t zeer goed begreep, on wiens hart popelde.
„Ja, raad dat eens!" zei Hateling, met een aller-
bekoorlijkst lachje, dat zelfs een meisje niet kwaad
zou hebben gestaan, maar dat hij ook voor den spiegel
had leeren maken.
„Hoe zou ik dat kunnen?" vroeg Gerrit. „Ken ik al
de kennissen van de Vernooy\'s! Hoe groote vrienden
-ocr page 29-
15
\'t ook waren van mijn ouders, ik ben er in de laatste
vijf jaar geen tienmaal aan huis geweest.
„Nu, ik zal \'t je maar zeggen. Bij de familie Donze,
die hier ergens op een buiten, "Wildhoef heet het, geloof
ik, woont. Ik wou die juffrouw Klaartje, naast wie ik
toen bij jelui aan tafel gezeten heb, en die ik een aller-
aardigste meid vond, nog wel eens zien; en de oude
moet ook nog al schijven hebben. En nu heb ik die
goeie mevrouw Vernooy, entre-nous een onnoozel suk-
keltje, weten te persuadeeren, mij een paar brieven, een
voor mevrouw en een voor Klaartje, en ook nog een
miniem pakje voor de laatste meetegeven, om zoo een
introductie te krijgen op: hoe heet het ook weer, Wild-
lust?" en hij zag Gerrit vragend aan, die leugenaar als
hij was, de schouders ophaalde.
„En nu ga je," ging Hateling voort, „zeker met mij
mee. Ik heb \'t uitdrukkelijk aan mevrouw Vernooy
moeten beloven, je mee te nemen. Ik denk bepaald,
dat je oude Rotterdamsche vriendin je gaarne de prak-
tijk bij haar familie zou gunnen. En ik beloof je, dat
als er maar eenigszins de gelegenheid toe te krijgen
is, ik je roem als doktor zal uitblazen, en zeggen, dat
ik zelfs gehoord heb, dat ze er te Leiden over denken,
om je eerstdaags professor te maken."
Gerrit wenschte Hateling niet slechts naar de Moo-
kerhei, zooals men dat in Gelderland doet, maar ten
minste naar de maan. Al de akeligheden van dien
feestavond werden hem, als met gloeiende ijzers, weer
in den geest, ik wil zeggen, in de hersenen, gebrand.
Maar hij wilde zich, vooral tegenover dien Hateling, in
niets blootgeven en zeide:
-ocr page 30-
1G
„Ik bedank je zeer voor je bereidwilligheid om, te
mijnen voordeele, je geweten met leugens te bezwaren;
en zou je, ook in je eigen belang, raden het niet te
doen. En verder moet ik je zeggen, dat, tot mijn spijt
(die leugenaar) mijn praktijk mij niet toelaat, die visite
met je te maken."
„Zoo, heb je \'t al zoo druk!" zei Hateling, nu met
een ongeloovig, ook bestudeerd lachje. „Dat had ik niet
opgemaakt uit hetgeen me je juffrouw van middag
zeide."
„Ik neem," antwoordde Gerrit, „de laatste dagen de
praktijk waar voor een ouden collega, die niet heel
wel is; en moet er morgen al bij tijds uit, om een
zware zieke buiten de stad te bezoeken," en hij begon
geweldig te geeuwen.
„Ik zal je dan maar niet langer ophouden; te meer
daar ik zie, dat je slaap hebt. \'t Spijt me intusschen,
dat je niet mee kunt gaan — Je weet niet, hoever
dat buiten van hier is ?" vroeg Hateling.
„Hoe zou ik dat weten?" antwoordde Gerrit. „Ik
ben er nooit geweest."
„Ja, zie je, ik zou anders je raad gevraagd hebben,
of ik te voet of in een net rijtuigje zou gaan? Je komt
zoo licht geéchauffeerd en bestoven aan!" ging Hateling
voort en wierp daarbij een blik op zijn verlakte schoenen.
„Ik zou in allen gevalle maar een rijtuig nemen en
dan met twee paarden, dat is hier zoo de mode," loog
Gerrit. Wat hij wenschte, dat daarbij gebeurde, zeide
hij maar niet, omdat het den schijn zou kunnen gehad
hebben, dat hij, van een gebroken arm of been, nog
eenig medisch voordeel had willen trekken.
-ocr page 31-
17
„Zal ik soms ook je complimenten overbrengen aan
juffrouw Donze, en vragen of het ongeval met dat
kleedje door een of ander der aan de hand gedane
middelen geredresseerd is!" vroeg Hateling, opstaande,
terwijl Gerrit de lamp opnam, om de trap voor hem
te verlichten.
„Loop naar de maan!" antwoordde Gerrit nu knorrig.
„Hoe minder jij je met mijn zaken bemoeit, hoe liever
het mij is, en steeds zal zijn !"
„Dit is juist niet bepaald vriendelijk!" merkte Hate-
ling op. „Maar ik vergeef het je. Herinneringen aan
onhandigheden brengen iedereen uit zijn humeur!"
Daarop ging hij de trap af, in de meening dat Gerrit
hem behoorlijk uitgeleide zou doen tot aan de huisdeur.
Maar Gerrit bleef stil boven en riep: „Je zult er wel
uitkomen! niet waar? Licht de klink maar op. Wel
thuis."
„Ik zal je morgen avond komen vertellen wat een
genoegelijken dag ik gehad, heb en hoop je dan in een
betere stemming te vinden!" riep Hateling van de huis-
deur, die hjj wagewijd liet openstaan.
Gerrit schelde en zeide tot de juffrouw: „Als die
mijnheer morgen weer komt. zeg je, dat ik niet thuis
ben, en dat je ook niet weet, wanneer ik thuis kom."
„Begrêpe, meneer. Hêt meneer nog iets neudig?"
„Neen, dankje! maar denk er om, een half uiir
vroeger."
„\'k Zal \'t niet vergête, meneer. Goeie nacht, meneer."
Maar een goeden nacht had dokter Witse niet. Geen
Klaartje meer alleen, maar Hateling, of Hateling .en
2
-ocr page 32-
.
18
Klaartje spookten voor zijn geest, en verhinderden hem
den slaap te vatten, voordat de zon reeds aan den hemel
stond. En toen nog kwamen nare droomen, van Klaartje\'s
hit op hol.... en Klaartje en Hateling samen in den
hittewagen, en wat dies meer zij.
Om half acht had de juffrouw herhaaldelijk aan zijn
slaapkamer geklopt, voordat zij antwoord van hem kreeg.
„\'t Ontbiet steet klaor, meneer, en het theewaoter
is al boaven I" zei de goede ziel, die bezorgd was dat
meneer soms weer mocht inslapen.
Gerrit stond haastig op. Het koude water aan zijn
slapen deed hem goed, — en met iets als een bitteren
glimlach dacht hij aan de koude compressen, die zoo
kwaad niet zouden geweest zijn.
Ruim een half uur later vinden wij hem op weg
naar Sprankendel, in dezelfde kleeding als den vorigen
dag, net, maar eenvoudig. Het beste, voor deftige visites
bestemde pak, dat hij eerst, om het op Wildhoef te
brengen bezoek, had willen aantrekken, had hij, bij
nadere overweging, weer weggehangen. Liefst had hij
ook in zijn uiterlijk, zijn kleeding, niets van dien fat-
terigen Hateling. „Laat men contrasten vinden tusschen
hem en mij, zooveel men maar wil — maar geen enkele
overeenstemming," zeide hij tot zichzelven.
De fiïssche buitenlucht — er woei een stevige N. O.
wind — deed hem goed. De gedachte aan de zieke, die
hij ging bezoeken; de vraag: in welken toestand zal ik
haar vinden, rees bij hem op. En hij deed zichzelven ver-
wijten, dat hjj zijne schoone roeping zoo geheel vergeten
had. „Zal ik ooit een goed dokter kunnen zijn, iemand
die met en voor zijn zieken leeft, als ik mij zoo laat
-ocr page 33-
19
influenceeren, zoo ongeschikt maken door — neen niet
door een Klaartje Donze, dat zou men mij nog kunnen
vergeven, maar door iemand als dien Hateling?" En
daar doemde die verschijning weer op voor zijn geest,
en de goede Gerrit werd radeloos, zoowel om dien
Hateling, als door de volslagen onmogelijkheid om niet
aan hem te denken.
Eindelijk naderde hij de boerenwoning. Mieke was
bezijden het huis bezig met wat hout te hakken, dat
dienen moest voor het koken van het middagmaal.
Gerrit ging naar haar toe, en vroeg evenals den vori-
gen dag.
„Hoe gaat het met Barte?"
Mieke met den rug naar hem toegekeerd, had hem
niet zien aankomen, schrikte, keerde zich haastig om
en antwoordde:
„Gunst, ziet oe daor al, dokter! Och, ik g\'leuf, dat
et gouw aon en end zal zien! Ze leit zoo stil!"
„En hoe is de nacht geweest ?" vroeg Gerrit.
„Aokelig, ien èén woord, dokter. Ze hêt den hooien
nacht gedreèid ion der bed, en heel veul geprot; en
dan zo\'n gekke praot, alles deur mekander," ant-
woordde Mieke
„Heb jij gewaakt?" vroeg Gerrit. „En heeft je moe-
der wat geslapen? Heeft ze de druppeltjes ingenomen."
„Ik heb de veurnacht gewakt, met moeder, dokter.
Maor \'t goeie mins is er bij ien slaop gevallen!" was
\'t antwoord.
„Dat \'s goed," zei Gerrit. „Slaapt ze nog."
„Ik geleuf het wel!" zei Mieke.
„En is Barte nu alleen?" vroeg Gerrit verder.
-ocr page 34-
20
„Neé, dokter. Gilles zit in de kaomer bij her."
Gerrit, gevolgd door Mieke, ging naar binnen. Gilles
stond op, maar Gerrit wenkte hem stil te zijn. Hij
ging naar het bed. De zieke lag rustig, al ging haar
adem ook nog wat snel. Hij legde de hand op het
voorhoofd, en vond dit wat klam, vatte toen haar hand,
die ook klam was, stopte deze onder het dek, en trok
het dek wat op.
„Ligt ze zoo al lang?" vroeg hij aan Gilles op bijna
fluisterenden toon.
„Lo\'k is zien. En half uurtje, dink ik, dokter!" ant-
woordde Gilles. „Van te veuren het ze oak wel stil
gelegen, mar niet zoo stil als nou. \'k Hew al gedocht,
of \'k moeder niet zou gaon rupen; \'t kon wel is gouw
gedaon zien, is \'t niet, dokter?"
„Ik hoop van niet," antwoordde Gerrit. Ik geloof
zelfs dat we op den goeden weg zijn, en dat we \'t
ergste gehad hebben. Ze moet nu heel stil blijven!"
„Meint oe dat wèzelik?" vroeg Mieke met een ge-
spannen blik op den dokter.
„Ja zeker!" zei Gerrit, en hij wenkte den broer en
de zuster, om even met hem naar buiten te gaan. „Ik
geloof, dat ze spoedig in een rustigen slaap zal vallen,
nu dommelt ze nog maar zoo wat; en dat ze dan zal
beginnen te zweeten; en als dat goed doorzet, dan
hebben we, met Gods hulp, het ergste gehad en begint
de beterschap."
„Och, as dat is waor mocht zien!" zei Mieke, en
Gilles voegde er bij: „Och jao, wat \'n zégen zou dat
wezen. Dat mok is gouw aon moeder gaon vertellen."
„Neen," zei Gerrit. „Je moeder laat je rustig slapen.
-ocr page 35-
21
Dat is hoog noodig voor haar. Ga jjj maar weer naar
binnen en houd je daar doodstil. Als Barte soms de
handen boven het dek legt, dan leg ze er weer onder,
maar heel zachtjes; en als ze soms onrustig wordt, dat
ik niet denk, dan roep je mij. Ik blijf nog een half
uurtje hier, en zal zoolang in \'t hutje gaan zitten,
daar kun je mij vinden. Ik wil eens afwachten of dat
zweeten doorzet, en straks ook wel even je moeder
zien."
Gerrit ging naar het hutje, een eenvoudig prieeltje,
gevormd door een treuresch, waaronder een bank en
een ruw vierkant tafeltje stonden. Weldra kwam Mieke
bij hem, en vroeg of hij ook beliefde gediend te zijn
van een glaasje melk of een kopje koffie.
„Graag een kopje koffie; en als je soms nog mik in
huis hebt. dan wil ik ook daarvan graag een sneetje
hebben." Gerrit wist reeds, dat men den Gelderschen
boer (wel te verstaan, dien van vóór nu 50 jaren) geen
grooter pleizier deed, dan wanneer men van zijn koffie
dronk en zijn brood at. En nu betrekkelijk gerust ge-
steld ten opzichte van de zieke Barte, wilde hij zich
meteen de gelegenheid verschaffen, om van Mieke het een
en ander over Klaartje en haar familie te weten te
komen.
„Ik zal me hosten om oe daodelijk een kupke koffie
te kunne geve, dokter!\'\' zei Mieke. „Mar nim oe mien
\'t nie kwaolijk; dinkt oe nou wèzelik ien alle ernst,
dat Barte wêr béter zal worden."
„Zeker, in allen ernst! Als er niets bij komt, zal je
eens zien, hoe gauw ze weer opknapt."
„Och, as dat de goeie God is gaf!" zuchtte Mieke.
-ocr page 36-
22
„Ja Mieke, van dien moet het komen. De menschen
kunnen wel zichzelven en anderen ziek maken, maar
gezond maken, dat doet en kan onze Lieve Heer al-
leen. Als Hij niet helpt, als Hij \'t niet wil, dan kun-
nen de knapste dokters niets."
„Dus oe viend Barte van daog zoo veul béter as
gisteren. En Gilles en ikke, we hewe mekaar al gezeid,
ze halt den aovend niet! Mar oe wit dat béter, daor
ziet oe ook dokter veur. Mar met dat praoten luimt
er de koffie niet!" en weg wipte zij.
Tien minuten later kwam zij eerst met het pronk-
tafelblad, en daarna met haar koffieketel en verdere
ingrediënten, en ten derden male met de mik en de
boter.
„Maak mij eens een lekkere boterham klaar!" zeide
Gerrit.
Zonder iets te antwoorden liep zij weg, bedacht zich
onder \'t gaan en riep: „Daodelijk dokter!" Ze had ge-
zien, dat haar handen nog wel even onder de pomp
konden, en dan even aan een handdoek of de schort.
Terwijl zij nu, teruggekomen, de mik sneed en smeerde
en de koffie inschonk, begon Gerrit:
„Die juffrouw, die ik gisteren hier gezien hebt, komt
zeker nog wel eens hier!"
„O, heel druk!" antwoordde Mieke. Zommers host
eiken dag. \'t Is een allerliefst mins, en zoo niks trorsch,
en zoo ien alles belangstellend, krek as heur moeder,
mamma wou \'k zeggen. Mar de dokter kent heur zelf,
zoo as \'k gisteren gezien heb?"
„Kennen eigenlijk niet!" zei Gerrit. „Maar ik heb
haar vroeger eens, \'t is al een paar jaren geleden, ont-
-ocr page 37-
l>:j
moet, toen ze te Rotterdam logeerde, bij haar tante."
„O, bij die dikke mevrouw, hoe hiet ze ok weer?
\'t Is meneer zien zuster!" riep Mieke uit.
Gerrit knikte van ja.
„Nou, wa \'k zeggen wou, ziet oe, deze boerderij
heurt aon her vaoder — pappa wi \'k zeggen; en
toe mien vaoder zaoliger, die nou al acht jaor dood
is, ziek was, en hi is lang ziek gewist, toe kwam de
juffer — we zeien toe nog Klaor tegen her — iederen
dag met mevrouw of met de juffer, zon vrimde, bij
wie ze leerde za \'k mar zeggen, heuren, hoe\'t mê
vaoder gieng, en brocht dan altied wat vur um mee,
dat um most versterken of lekker smaoken. En van
dien tied af kumt ze nou nog gedurig, of te voet of
met het waogentje, as ze ten minste niet uut loozeeren
is, en prot dan óver alles. Soms wel \'n half uur lang,
as ze merkt dat we de tied hebbe. En \'t is net as of
ze dat aon onze gezichten zien kan. Ze kiekt dan ook
weergaos goed uut hur oogen. En we hewe al gezeid:
as ze dat nou ok mar doet, as der \'t een of ander
mansmins um hur kumt. Want ziet oe, \'t zou zunde
en jammer zien, as zon deur en deur goeie ziel gin
bovenste man kreeg; en as da mooie spul van Wild-
hoef en wat er bij heurt is ien handen viel van zon
man as jonker Knul, die er alles deur gelapt het en
zen vrouw en kienderen êrem gemakt."
„Heeft juffrouw Donze dan geen broers of zusters?"
vroeg Gerrit.
„Wel gehad, dokter, een zuster en twee bruurtjes.
mar die zien dood. De laoste is — lo \'k is zien —
gesturven vur host twee jaor; dat was \'n bruurtje, een
-ocr page 38-
24
jungske van een jaor of twaolef. En dat hebben ze
zich daonig aongetrokken. Mevrouw is nooit weer goed
gezond gewist sins dien tied; verleejo jaor is ze zelfs
êreg ziek gewist, bij de dood af; en juffer Klaortje is
al dien tied nie mur uut wezen lozeeren "
„En wat is mijnheer Donze voor een man ?" vroeg
Gerrit.
fl\'n Bovenste beste pachtheer, heur, niks inhaolig.
Hi lot de boereminse léven. Mar wa za \'k zeggen;
hi is wat eenzelvig, en dat was hi vroeger niet. Of da
nou knmt, umdat ze hum erges uut geknikkerd heb-
ben — waoruut weet ik nie, ik bin mar zon boere-
meid! — of umdat hi zich schaomt, dat hi altied met
\'n stukske mot loapen, siet hi van \'n peerd eenschup
tegen zien knie het gehad, dat zon \'k oe niet kunnen
zeggen. Hi kumt host nooit van zien plaots, behalve
nor de kerk, en hoagst zelden nor de stad. Hier is hi
zéker al in gin drie jaor gewist."
Intusschen had Gerrit zijn sneetje mik verorberd en
zijn kopje leeggedronken, en hij verzocht nu Mieke,
omdat het zoo goed gesmaakt had, om nog een sneetje
en nog een kopje; en dan wou hij nog wel eens naar
Barte en ook naar moeder gaan zien. En hij gebruikte
dien tijd, om Mieke nog \'t een en ander over de Donze\'s
te laten vertellen. Hij hoorde onder anderen ook, dat
er al tweemaal verteld was, dat juffer Klaartje aan
\'t verkeeren zou zijn; maai\' dat er niets van aan was
geweest; en dat er gezegd werd, dat Mevrouw gezegd
had dat zij haar dochter niet kon missen. En dat
Mijnheer al dol, dolgek was met zijn eenig overgebleven
kind, dat hij zeker zou bederven, als ze daar maar
-ocr page 39-
25
aanleg toe had; maar dien had ze niet. Dus, conclu-
deerde Mieke, zoo gauw zon het trouwen van de juffer
wel niet gaon, en de juffer had g\'liek ook. Ze kon
\'t nêrges béter hebben dan thuus. Mar toch as de recbte
Jozep is komt, dan wêêt ik \'t niet."
„Komen er veel bezoeken op Wildhoef?" vroeg Gerrit.
„\'k Geleuf het niet, mar \'k zou het niet dinken,"
antwoordde Mieke.
Nu vooreerst genoegzaam ingelicht, stond Gerrit op.
Hij ging eerst naar Barte, wier ademhaling nu kalm
was, en die geducht begon te transpireeren.
„Dat gaat zoo goed als \'t maar kan," zeide hij tegen
den broeder en de zuster, die met spanning op een
woord van hem wachtten. „Laat haar nu vooral rustig
liggen. Als ze eens wakker wordt, zal ze wel weer
spoedig inslapen; en als ze soms om drinken vraagt,
dan geef je haar een slokje water, zonder te morsen,
en niet te veel in eens. Zorg dat ze goed toegedekt
blijft, trek het gordijn wat toe en zet de deur een
eindje open; dat geeft frischheid."
„Mot het raom soms ook oapen?" vroeg Gilles.
„Neen, want daar komt zoo aanstonds de zon op.
Stoot liever de luiken van buiten wat aan," antwoordde
Gerrit, die zich daarop naar de oude vrouw begaf, die
nog rustig sliep.
„Niet wakker maken, hoor! Als ze soms van zelve
wakker wordt, ziet dan, datje haar nog wat in bed houdt;
en zeg haar dan, dat het met Barte beter gaat, maar
dat die heel, heel rustig moet gehouden worden. Van
avond kom ik nog eens kijken, en zal dan meteen een
nieuw drankje meebrengen."
-ocr page 40-
26
„Oe ziet wel vriendelijk!" zei Gilles. „Mar is\'t niet
te veul gevergd, dat oe ok nog de medicien draogt?"
„Die gaat in den zak!" antwoordde Gerrit. „Nu, tot
van avond ! Maar alles doodstil, hoor, en geen praatjes
met de zieke! Verstaan?"
Gerrit verliet de boerenwoning met opgeruimder hart
dan hij haar betreden had. Was die min of meer on-
verwachte gunstige wending der ziekte ook een goed
voorteeken voor hem, voor zijne liefde? In allen gevalle
kon hij nu bij Klaartje de brenger eener goede tijding
wezen. Hoe zou het bodeloon zijn?
Wildhoef was een groot buiten, niet het buitentje
Ruimzicht, waar Gerrit Klaartje voor de eerste maal
gezien had en haar grootmama gewoond had. Dat huis
was sedert afgebroken, omdat het in een te slechten
toestand, en ook, wat de inrichting en verdeeling be-
treft, te ouderwetsch was, dan dat het voor iets anders
dan een boerenwoning had kunnen gebruikt worden;
en die wilde de heer Donze nu niet zoo dicht bij zijn
huis hebben. De oude mevrouw was in de laatste jaren
te veel lijdende geweest aan eene borstkwaal, dan dat zij
werkvolk in hare woning had willen hebben, en te zeer
gehecht aan het huis, waaraan zooveel herinneringen voor
haar waren verbonden, om het, ook maar voor eenigen
tijd, te verlaten. Met Ruimzicht waren ook de duiven
verdwenen. Klaartje had wel een duiventil gekregen,
maar niet in de onmiddellijke nabijheid van Wildhoef
(het huis), daar de heer Donze, om allerlei redenen,
deze dieren liefst niet op zijn dak zag zitten; en daar-
door was hare liefhebberij voor duiven verdwenen.
Toen Gerrit op Wildhoef gescheld had, kwam Klaartje
-ocr page 41-
27
juist de vestibule door. Dat schellen aan de voordeur,
op dat vroege uur van den dag, was zoo iets ongewoons,
dat zij onmiddellijk hare oogen naar die glazendeur
wendde; en Gerrit bemerkende, liep zij zelve toe om
hem te openen.
„Goede tijding! Ik zie het al aan uw gezicht, mijnheer
Witse. Goddank!" zeide zjj, en stak hem de hand toe.
„Ja, \'t gaat gelukkig zoo goed als men maar wen-
schen kan, juffrouw Donze," antwoordde Gerrit, die
hare hand even zachtjes drukte.
„Wat zal het mama een pleizier doen, als ze dat
hoort! U wilt het haar immers zelf wel even mede-
deelen? Mag ik u verzoeken maar mee te gaan naar
de huiskamer: daar zit mama nog."
„Zeer gaarne," antwoordde Gerrit. „Als u maar wil
voorgaan, zal ik, als een lam, u volgen."
Klaartje wendde bij het hooren dezer woorden even
haar hoofd om, en opende haar mond om wat te zeg-
gen ___maar zeide niets. Zij maakte de deur der huis-
kamer open en verzocht Gerrit binnen te treden.
„Met uw verlof zal ik blijven volgen," zei Gerrit,
en aan zijn wensch werd voldaan.
„Mama, hier is dokter Witse, die ons de beste tijdin-
gen van Barte Sijmens komt brengen," zeide Klaartje.
Mevrouw Donze stond op, maakte een kleine buiging
voor Gerrit en zeide: „Het is zeer vriendelijk van u,
dokter, dat u aan het verzoek mijner dochter hebt
willen voldoen. Ik ben u daarvoor zeer dankbaar!"
Zij stak hem de hand toe en verzocht hem plaats te
nemen, en ging toen, weer gezeten, voort: „U weet
niet, hoeveel pleizier het mij doet, dat het met Barte
-ocr page 42-
28
beter gaat. \'t Is zoo\'n goed kind, en \'t zou zulk een
slag voor haar moeder geweest zijn, als zij haar had
moeten missen."
„Er is alle kans op, mevrouw! dat Barte zeer spoe-
dig aan de beterhand komt. De crisis is er van nacht
geweest, en alle symptomen zijn nu zoo gunstig als
\'t maar zijn kan. Zij slaapt rustig, en de transpiratie,
bij deze ziekte zoo afdoende zou ik bijkans zeggen, is
met kracht begonnen," antwoordde Gerrit.
„Toen ik gisteren van Klaartje hoorde, dat de pastoor
er was en de volle bediening zou plaats hebben, over-
eenkomstig uw advies, had ik eigenlijk alle hoop ver-
loren," zeide mevrouw Donze.
„De crisis, Mevrouw," antwoordde Gerrit, „die giste-
ren nog te wachten was, kon evenzeer ten kwade ge-
leid hebben als zij nu goed is afgeloopen. En in die
onzekerheid meende ik, dat het mijn plicht was, mij
niet te verzetten tegen eene handeling, waaraan de
betrekkingen der zieke zulk een groote waarde hechten."
Gerrit wist, dat niet alleen jonge doktoren, maar ook
oudere collegaas, wel eens verdacht werden, den toestand
van zieken zwaarder voor te stellen dan hij werkelijk
is, om, als de zieken later herstellen, voor buitengewoon
knap gehouden te worden; en hij wilde niet, dat men
ook hem van zulk een overdrijven zou gaan verdenken.
„U hebt volkomen gelijk. U mocht niet anders han-
delen. En hoe gaat het met de oude vrouw?" vroeg
mevrouw Donze.
„De oude vrouw lag rustig te slapen, onder den
invloed van eene kleine dosis morphine, gisteren avond
gebruikt, en ook wel tengevolge van haar doodop zijn.
-ocr page 43-
29
Ik heb gezegd, dat men haar moest laten slapen."
„O, welk een geluk voor vrouw Symens, als zij wak-
ker wordende het goede nieuws hoort I" riep mevrouw
Uonze met innige deelneming uit.
Maar wij laten het verdere gesprek over de familie
Symens rusten, om met mevrouw en ook met mijnheer
Donze kennis te maken.
Mevrouw Donze was, op het tijdstip dat wij haar
hier aantreffen, eerst even veertig jaren, maar haar
voorkomen deed aan een wat hoogeren leeftijd denken.
Zij was tamelijk lang, maar mager en een weinig scheef
aan eene zijde; oen gevolg van de liefhebberij harer
jeugd, om een wel niet grooten, maar goed gevoeden,
hond veel en steeds op denzelfden arm te dragon. Haar
oogen zoowel als haar haren waren donkerbruin; de
laatste begonnen reeds te grijzen. Haar gelaat toonde,
dat zij haar leven niet zonder diepgaande smartelijke
ondervindingen doorgebracht had, en dat zijzelve, van
nature niet sterk, nog de gevolgen eener ten vorigen
jare doorgestane zware ziekte gevoelde. Maar zoodra
zij met iemand begon te spreken, verspreidde zich over
haar gansche wezen zulk een uitdrukking van wel-
willendheid, belangstelling en vriendelijkheid, dat men
zich tot haar getrokken gevoelde, en ook den minder
welluidenden, schrillen toon Karer stem vergat. Haar
hoog en breed voorhoofd, evenals haar wangen wat
bruin gekleurd, daar zij als kind veel buiten geloopen
had, zou zelfs aan een man het voorkomen van een
uiterst begaafd mensch gegeven hebben. Zij was dan
ook eene vrouw met een buitengewoon verstand en vrij
wat kennis toegerust; maar desniettemin — ik bedoel:
-ocr page 44-
30
en daardoor — stelde zij zich nooit in eenige zaak op
den voorgrond. Zij was door en door vrouw gebleven, en
beminde haren echtgenoot, dien zij zich steeds beijverde
te doen uitkomen (het fortuin kwam van hare zijde),
met buitengewone liefde.
De heer Donze, tien jaren ouder dan zijne vrouw,
was een mooi man, met innemende manieren, helder
blauwe oogen, grooten bruinen baard en keurig ver-
zorgde handen en nagels. Ook zijn haar begon te grij-
zen, maar minder dan dat zijner vrouw. Hij was iemand
met zeer veel smaak en groote belezenheid, had eenen
akademischen graad, en zou, als hij had moeten werken,
eene flinke figuur in de maatschappij gemaakt hebben.
Maar hij was gemakzuchtig; het kostte hem vrij wat,
eer hij besluiten kon iets te doen dat inspanning ver-
eischte; en hij was zich volkomen van dit gebrek be-
wust. In vertrouwelijke oogenblikken kon hjj wel eens
tot een of anderen jongen man zeggen: „Och, wensch
niet rijk te worden. Je weet niet, hoe\'t geld verlamt."
Voor \'t overige was hij minzaam, goedhartig en hulp-
lievend. Een eigenaardige karaktertrek was, dat hij er
behagen in schepte, de menschen, met wie hij eenigs-
zins vertrouwelijk omging — zijne vrouw en dochter
zelfs niet uitgesloten — in verlegenheid te brengen.
Wie zich daaruit wist te redden, al was het ook te»
koste van den heer Donze zelven, was bij hem steeds
welkom.
Wij zeiden, dat de heer Donze een mooi man was.
Dat was hij nu nog, hoewel hij sedert eenige jaren,
gelijk wij reeds weten, moeielijk anders dan met een
stokje ging. Maar in zijn goede jaren, tusschen de
-ocr page 45-
31
25 en 30, had hij, zonder iets van een Narcissus te
hebben, een hartenveroverende aantrekkelijkheid bezeten,
en, reeds bij de eerste ontmoeting, een machtigen indruk
gemaakt op het maagdeljjk gemoed van Jeanne Brihas.
Deze indruk, die hem niet ontging, vleide hem en trok
hem weldra tot haar, te meer daar zij, altijd bij haar mama
buiten gewoond hebbende, geheel natuurlijk was gebleven;
wekte vervolgens andere gedachten bij hem op, en gaf
hem ten slotte de overtuiging, dat Jeanne Brihas voor
hem eene geschikte levensgezellin zou zijn, die geheel
voor hem zou leven en ook, door haar niet gering
fortuin, hem in staat zou stellen om te voldoen aan zijne
behoefte, om zich met voorwerpen van kunst en smaak
te omringen. Wel had zijn aanzoek om de hand der
rijke, en nog zoo jonge, Jeanne hevigen tegenstand ge-
vonden bij hare familie; maar hare moeder (haar vader
was reeds vóór hare geboorte gestorven) liet zich door
hare dochter, die haar alles was, bewegen het in te
willigen; — evenwel onder deze voorwaarde, dat zoo-
lang mevrouw Brihas leefde, Donze te Sprankendel zou
blijven wonen, waar hij zich in hare nabijheid een huis
kon laten bouwen en inrichten, gelijk hij wilde.
Dat dit gedwongen buitenleven, met zijn bijkans
totaal gebrek aan conversatie, alleen nu en dan afge-
wisseld door een buitenlandsch reisje, medegewerkt
heeft, om den hem aangeboren afkeer van eenige
duurzame inspanning te ontwikkelen, — daaraan valt
niet te twijfelen. De oude dame was nu reeds bijna vier
jaren dood, maar de heer Donze, had van de daardoor
gekregen vrijheid om elders zijne tenten op te slaan,
gjjen gebruik gemaakt. Hij gevoelde nu geen lust
-ocr page 46-
:i2
meer, om zich aan het rustige buitenleven, waaraan
hij gewend was, maar dat hem ook verlamd had, te
ontrukken. Hij had zijne schilderijen, zijn oranjerie,
zijn serres, zijn muziek (waarvan, instrumentaal zoowel
als vokaal, hij een groot minnaar was) en zijn boeken
over kunst en literatuur, en maakte nu en dan ook
een vers, doch alleen voor zijn eigen genoegen, en
viel er niemand lastig mee. Maar boven dit alles stond
nog bij hem Klaartje. Om harentwil deed hij veel,
waartoe hem anders alle lust ontbrak. Zoo had hij
veel met haar paard gereden, wijl zij het aangenaam
vond, niettegenstaande hij volstrekt niet van paard-
rijden hield; en de grootste kwelling, die hem zijn pijn-
lijke knie bezorgde, was dat hij niet meer met haar
kon gaan rijden. Zoodra Klaartje dit gemerkt had, had
zij — zij beweerde dit ten minste — allen lust in de
edele rijkunst verloren, en was zij „dol geworden" op
het rijden in een licht wagentje met één of twee hitten.
Het gesprek tusschen Gerrit en Mevrouw Donze,
waaraan Klaartje nu en dan deelgenomen had, was
geëindigd. Gerrit was reeds opgestaan om afscheid te
nemen, toen de heer Donze, op zijn stokje gesteund
voorbijgaande, eene hem vreemde stem hoorde en even
stil bleef staan. Zoodra Klaartje dit merkte, riep zij:
„Papa, hier is de dokter van Barte. Hij is ons komen
zeggen, dat het beter gaat."
„Ik kom binnen," antwoordde haar vader, die ook
spoedig daarop verscheen, en Gerrit zijnen dank be-
tuigende voor de moeite die hij zich getroost had, hem
tevens verzocht nog even te gaan zitten.
Gerrit, na even op zijn horloge gezien te hebben,
-ocr page 47-
33
voldeed aan het verzoek, terwijl hij zeide: „Gaarne, doch
slechts voor een oogenblik; want ik moet vóór twaalf
uur weer in de stad zijn."
„Mag ik u dan naar de stad laten brengen, mijnheer?"
vroeg de heer Donze, „dan behoeft u zich niet te
haasten. En \'t weer komt mij voor nog al drukkend
te zijn."
„U is wel vriendelijk, maar . . .." zeide Gerrit.
„Als \'t u belieft, geen complimenten; de eene dienst
is de andere waard. U wilt toch niet, dat ik, reeds
bij de eerste ontmoeting, al zoo machtig voor u in
beleefdheid onderdoe. Onderdoen moet ik toch altijd,
want vous payez de votre personne même, en ik geef
alleen mijn paarden een wandeling. Klaar, schel eens !"
Klaartje deed dit, en daarop naar haren vader toe-
gaande zeide zij: „Wat dunkt u, als ik mijn hitten-
wagentje liet inspannen en mijnheer Witse terugbracht?
Ik moet vandaag toch in de stad zijn!"
Dii voorstel verraste allen, niet het minst Gerrit,
wien het een blos op de wangen joeg. Mama keek een
weinig zuinig, maar Papa wierp het op een anderen
boeg en zeide: „Mijnheer Witse moet zelf maar be-
slissen, of hij zjjn armen en beenen wil toevertrouwen
aan de stuurmanskunst eener jonge dame, die, uren in
de rondte, als de grootste waaghals op het stuk van
rijden bekend is, en die daarbij de pretensie heeft
van een paar machtig koppige hitten te besturen."
„Foei Papa! Wat moet mijnheer Witse wel van mij
gaan denken ?" vroeg Klaartje een weinig verlegen.
„Mij dunkt wat het natuurlijkste is," antwoordde Papa.
„En dat is," verstoutte zich Gerrit te zeggen: „dat
3
-ocr page 48-
34
mejuffrouw Donze zeker de edele menkunst in haar
perfectie verstaat, en dat haar wilde dieren haar, als
eens Orpheus, volgen; want anders zouden Papa en
Mama stellig wel een stokje steken voor dat rijden."
Klaartje lachte, en Papa zeide op zegevierenden toon
tegen zijn dochter: „Had ik nu wel met een paar
woorden den heer Witse grooter gedachten over jou
bekwaamheid kunnen inboezemen ?"
„Koetsiersbekwaamheid!" antwoordde Klaartje.
„Daar was immers ook juist sprake over! Wat wil
je nog meer!" repliceerde Papa.
Het binnenkomen der meid stoorde dit zoowel voor
Gerrit en Klaartje, als ook voor mevrouw Donze min-
der aangename gesprek. „Zeg den koetsier over een
kwartiertje. Is dat goed dokter?" Gerrit knikte van
ja, „voor te zijn met," en hij zag Klaartje even vra-
gend aan, „het hittenwagentje."
„En Johnnie," voegde Klaartje er bij. En de meid
ging weg.
„Mijne woorden van zooeven,\'\' zeide de heer Donze
zich tot Gerrit wendende, „schijnen toch impressie
gemaakt te hebben op mijn dochter. En daar wensch
ik u, met het oog op uw armen en beenen, geluk mee.
Eén hit, en dan nog de oudste, is bepaald secuurder dan
twee! — Maar om Klaartjes wil" — en hij zag haar
even dreigend aan, „zullen we hier maar van afstappen.
Vertel mij eens, hoe u het bij de Symens heeft ge-
vonden ?"
Terwijl Gerrit op nieuw zijn verslag begon verliet
Klaartje de kamer, om zich en hare commissies voor
de stad klaar te maken. Nadat de ziektegeschiedenis
-ocr page 49-
35
afgehandeld was, vroeg de heer Donze aan Gerrit, hoe
lang hij al in de stad was gevestigd, of hij al wat
praktijk had, hoe het hem er beviel en wie hij al zoo
zag; en Gerrit gaf hierop kort en klaar bericht.
„U heeft gestudeerd te___?" vroeg de heer Donze.
„Te Leiden!" antwoordde Gerrit.
„Ik in Utrecht," repliceerde de heer Donze. „U z|jt
toch geen Leidenaar?"
„Neen, mijnheer, een Rotterdammer!" antwoordde
Gerrit.
Om een of anderen zet op de Rotterdammers, die
de heer Donze niet kon uitstaan, te voorkomen, viel
mevrouw in: „De ouders van mijnheer zijn kennissen
of vrienden van de Vernooy\'s....
„Zoo, zoo!" zeide de heer Donze. „Ja, ik herinner
mij nu dien naam Witse wel van haar gehoord te
hebben. En u zijt dan zeker wel — neem mij niet
kwalijk, als ik de woorden mijner zuster herhaal, —
dat wonderkind, dat haar hart gestolen heeft, omdat
het altijd op school en op \'t gymnasium de eerste was,
en altijd met alle prijzen thuis kwam, en zeker profes-
sor wordt."
Gerrits gelaat betrok. Mevrouw Donze bemerkte dit
en zeide om der zaak een ietwat anderen glimp te
geven: „U moet weten, dokter, dat mijn man er altijd
pleizier in heeft, zjjn goede zuster aan \'t praten te
brengen en haar haar stokpaardjes te laten rijden. En
u kent mevrouw Vernooy, en weet dus dat----"
„Nu, vrouw!" viel de heer Donze in, „ik heb niets
kwaadt) bedoeld, ook niet gezegd, \'t Is voor een dokter
steeds eene recommandatie, dat hij, in zijn jeugd, goed
-ocr page 50-
36
gewerkt heeft; en het kan hem zeker geen kwaad doen
voor zijn praktijk, als men van hem vertelt, dat hij
buitengewoon knap is. Is u dat niet met mij eens,
mijnheer Witse?"
„Niet geheel," antwoordde Gerrit. „Ik heb te vaak
reeds al het onaangename van die overdreven gedach-
ten en uitlatingen ondervonden. Ik ben nooit een brave
Hendrik geweest, ik mocht zelfs dien jongen uit mijn
schoolboekje niet ljjden; maar als men eenig kind is,
loopt men gevaar, dat door ouders en vrienden der
ouders, het betrekkelijk goede oneindig wordt vergroot
en het absoluut verkeerde eenvoudig genegeerd. Ik
was vrij vlug, kon thuis ongestoord werken, had er
geen bepaalden tegenzin tegen, en weinig begaafde of
luie makkers. In \'t land der blinden was ook hier
weer éénoog koning."
„Ten slotte zoudt u ons willen bewijzen!" zeide de
heer Donze lachende, „dat u juist het tegenoverge-
stelde zijt van wat mijne zuster Vernooy van u ver-
telde. Doe dat niet! U zoudt mij verhinderen er over
te denken, om, als onze oude medicus eens ad patres
ging of zijn emeritaat nam, u te verzoeken, als onze
huisarts op te treden."
„Ik zou," antwoordde Gerrit, „in dat geval, eene
conditie moeten stellen; hoe gevoelig ik ook zou zijn
voor de eer."
„En welke?" vroeg de heer Witse.
„Dat u mij voor een geheel gewoon mensch en
dokter zoudt houden, van wien geen wonderen te ver-
wachten zijn," antwoordde Gerrit.
Mevrouw knikte goedkeurend.
-ocr page 51-
37
„Gij zoudt mij dan ook al niet van mijn stijve been
kunnen afhelpen?" vroeg de heer Donze en trok een
gezicht, alsof het hem op \'t oogenblik veel pijn deed.
,Ja en neen," antwoordde Gerrit, die eens wilde
zien, hoever de heer Donze zelf verdragen kon, dat
men met hem schertste. „Maar liever niet!"
Mevrouw zette groote oogen op, en mijnheer zeide:
„Dus liever zelfs, ofschoon daartoe in staat, geen
mooie genezing beproefd, dan voor een wonderkind
of man gehouden te worden. Ik doe „amende hono-
rable" voor het woord „wonderkind."
Gerrit lachte en zeide: „U begrijpt mij verkeerd,
mijnheer! U heeft niet gedacht aan de andere wijze
van afhelpen!"
„Afzetten? neen, dankje!" zeide de heer Donze.
Juist kwam Klaartje weer binnen, en zich tot haar
wendende ging hij voort: „Verbeeld je eens, Klaar,
deze jonge dokter stelt mij daar voor, mijn zieke been
af te zetten. Dan ben ik er af, zegt hij."
Klaartje zag ontsteld eerst Gerrit, daarna haar moe-
der aan. Daar bij beiden echter een glimlach om den
mond speelde, begreep zij, dat Papa weer op zijn dreef
was, en zeide dus: „Dat zal wel waar zijn, Papa!"
„"Wat," riep de heer Donze, „wat geloof je me niet?"
„Ik geloof u volkomen, Papa!" antwoordde zij. „Hoe
zou ik anders kunnen ?" en zij lachte. „Maar u schijnt mij
niet begrepen te hebben. Ik bedoelde, dat het wel waar
zal zijn, dat, als u uw been kwijt waart, u er af waart."
„Vandaag krijg ik het te kwaad!" zeide de heer
Donze en zette een treurig gezicht. „In zoo\'n korten
tijd er tweemaal in geloopen door die dubbelzinnige
-ocr page 52-
38
uitdrukkingen, eerst van den dokter en nu van jou."
„Wie kaatsen wil, moet enz.," zei Klaartje, en zette
zich op Papa\'s gezonde knie en gaf hem een kus.
„Dat is mijne vergoeding! Hoe de dokter het weer
goed wil maken moet hij zelf maar bedenken!"
„Als u nu uw Papa ook voor mij een kus gaaft!"
waagde Gerrit te zeggen.
„Dank je wel, mijnheer!" antwoordde Klaartje. „Ik
wil wel, voor één keer — en zij drukte op dat één —
uw koetsier zijn, maar niet uw commissionair."
Mevrouw Donze zag verbaasd op over den scherpen
toon, waarop hare dochter dit zeide. Gerrit werd ver-
legen, maar de heer Donze zeide:
„Dokter, we zijn quitte. Mijne dochter heeft ook,
zonder de kus, door haar antwoord, de rekening ver-
effend."
Nu was het de beurt voor Klaartje om min of meer
verlegen te worden. Zij wist zich niet anders te helpen
dan door te zeggen:
„Neen, Pa! Zoo mag de dokter er niet afkomen.
Ik wil niet, dat hij, door mjjn toedoen, uit eenige moeie-
ljjkheid komt."
De deur ging open, en de knecht meldde dat het
wagentje voor was, en dat het door de juffrouw klaar
gemaakte mandje er in stond.
Gerrit nam afscheid. Gaarne had hij gevraagd, of hij
later, b.v. over een paar dagen, nog eens weer bericht
over de zieke zou komen brengen, maar had er den
moed niet toe. Ook mevrouw Donze repte daarover
geen woord. Mijnheer deed hem uitgeleide, zeide dat
hij met genoegen zijne kennis had gemaakt, bedankte
-ocr page 53-
39
hem nogmaals en riep hem, toen hij reeds in \'t wagentje
gezeten was, een Au revoir! toe.
De eerste oogenblikken, dat hij naast Klaartje zat,
een genot, waarop hij zich kort te voren nog zoo
verheugd had, waren pijnlijk voor Gerrit. Hij vreesde,
de jonge maagd beleedigd te hebben, en dacht na,
hoe hij het weer goed zoude maken. En Klaartje
hield haar oogen alleen op haar pony gevestigd; en
het sturen van haar wagentje scheen al haar zorg te
vereischen.
Eerst toen zij reeds op den straatweg waren begon
Gerrit:
„Ik hoop niet, mejuffrouw Donze, dat ik u door
mijn, ik beken het, ondoordacht spreken beleedigd
heb? Zoo ja, dan vraag ik u om vergeving, en verzoek
u beleefd, mijne verontschuldiging te willen aanhooren.
Het laatste deel van mijn gesprek met uw Papa was
geheel op schertsenden toon gevoerd, en ik bleef in
dien toon, toen ik mijne woorden tot u richtte. Ik
erken echter, dat ik dit niet had moeten doen."
„Er zijn zekere dingen, mijnheer Witse! waarbij,
vooral als men elkander zoo weinig kent, geen scherts
te pas komt!" antwoordde Klaartje vrij scherp.
„Is dan een kus, dien men eene dochter verzoekt
aan haren vader te geven, zulk eene gewichtige zaak,
dat men dat verzoek niet zwaar genoeg kan aanreke-
nen?" vroeg Gerrit.
„Volstrekt niet!" antwoordde Klaartje. „Maar wel
de eisch om hem voor een ander te geven!" en zij
gaf haren pony een tik met de zweep.
Gerrit antwoordde: „U vattet straks, en u vat ook
-ocr page 54-
40
nu weer, de zaak te ernstig op, en anders dan zij be-
doeld was. Uw gebruiken van het woord commissionair
bewees het. Ik verzeker u, dat mijn eenige bedoeling
was, in eens een eind te maken aan eene zaak die ik
meende, dat uwen vader niet aangenaam was. Want
hij die gaarne een loopje met een ander neemt, het
ook reeds met mij gedaan had, is er gevoelig voor, als
men het met hem beproeft."
„U kent Papa, zie ik, nog maar half," antwoordde
Klaartje. „Hij doet alsof het hem geducht spijt, als hij
er in geloopen is; maar eigenlijk heeft hij er pleizier
in. Hij vindt de menschen, die niet weten te repliceeren,
vreeselijk vervelend, en waardeert iedere scherts, al
geldt zij hem, als zij maar binnen de vormen blijft.
Ik ben er dan ook zeker van, dat u op hem een goeden
indruk heeft gemaakt." En het goede meisje vergat, in
de verdediging haars vaders, hetgeen haar zelve had
gekwetst.
„Wil mij dan, ter wille mijner zeer gebrekkige kennis
mijn euveldaad vergeven!" zeide Gerrit met een smee-
kenden blik."
„Zij zal u vergeven zjjn, zoodra Barte weer opzit,"
zeide Klaartje.
„En zal u dan zoolang wrevel of boosheid jegens
een onschuldige in uw hart koesteren ?" vroeg Gerrit.
„Ik zal er mijn best toe doen," antwoordde Klaartje.
„Dan hoop ik, dat het u niet zal gelukken," zei
Gerrit.
Nauwelijks had hij dit gezegd, of de pony, verschrikt
door een doek, die op een heg heen en weer woei, deed
een geweldigen zijsprong, en juffrouw Klaartje viel
-ocr page 55-
41
tegen Gerrit aan, die zelf tegen den zijwand sloeg.
„Daar zou Papa\'s halve profetie haast nog vervuld
zijn," zeide Klaartje, terwijl zij met krachtige hand
den teugel aantrok en de pony tot staan bracht.
Daarop uit het wagentje springende, gevolgd door
Gerrit, leidde zij den hit, hoe krachtig hij ook weder-
streefde, eerst naar den nog zwaaienden doek, en werd
bij dit werk krachtig geholpen door Gerrit, die den
anderen teugel vasthield. Een oogenblik later leidde
Klaartje haren hit de boerderjj op, tot welke de heg
behoorde, riep een der daar spelende kinderen, en
zeide het, zijne moeder te verzoeken, dien doek van
de heg weg te nemen.
„Da zal moeder zéker daodelijk doen, juffer," zei
de jongen en liep weg.
„Wat ons is overkomen zou anderen ook kunnen
gebeuren," zeide Klaartje tegen Gerrit, „en die zouden
er misschien minder goed afkomen. Maar, vertrouwt
u zich nog wel verder aan mijn koetsierschap?"
„Vertrouwen?" antwoordde Gerrit lachende. „Zoolang
er nog wrevel tegen mij in uw hart is, eigenlijk niet.
Maar zoo u dien wilt afleggen, dan volkomen."
„Mijnheer wil van alles profiteeren," antwoordde
Klaartje, „tot zelfs van een anders ongelukken en ver-
drietelijkheden, \'t Is goed dat men dit weet. Maar
het zij zoo!"
„Wat zij zoo?" vroeg Gerrit. „Totale vergiffenis en
vergetelheid, of dit ongunstig oordeel over mij."
„Allebei," zei Klaartje.
„Gelukkige en rampzalige Witse!" zei Gerrit op
kluchtigen toon. Klaartje lachte.
-ocr page 56-
42
De verdere rit geschiedde zonder eenig bezwaar;
het wagentje vloog over den weg.
„Nu mij zoo goedgunstig vergiffenis is geschonken,"
begon Gerrit, „ben ik weer gerust en in staat om over
andere dingen te denken en te spreken. Ik kan u voor
heden nog een bezoek op Wildhoef aankondigen van
iemand, dien u vroeger in Rotterdam ontmoet heeft."
„En wie is dat? hoe weet u dat?" vroeg Klaartje.
„De persoon in kwestie is gisteren avond bij mij
geweest en heeft het mij verteld. Hij heeft brieven
van uwe tante Vernooij voor uwe mama en voor u,"
antwoordde Gerrit.
„O, dus van iemand, die bij oom en tante aan huis
komt en een vriend van u!" zei Klaartje.
„Het laatste kan ik juist niet zeggen. Wat het eerste
betreft, zeker, ofschoon ik niet weet of u hem daar
wel ontmoet heeft. Ten huize mijner ouders hebt u
echter den heer Hateling wel ontmoet." En Gerrit sloeg
een uitvorschenden blik op Klaartje\'s gelaat, terwijl
hij dien naam uitsprak.
„Was dat niet mijn buurman aan tafel?" vroeg
Klaartje, zonder dat er eenig spoor van genoegen op
haar gelaat te zien was.
„Ja, hij was degene, die de plaats, door mij begeerd
en mij toen eigenlijk toekomende, innam," antwoordde
Gerrit.
„Nu, hij wist de conversatie aan den gang te houden,"
zeide Klaartje. „Ik heb mij toen wat met hem geamu-
seerd. Ik weet niet, of ik het nog zou kunnen. Zijne
geestigheden en aardigheden waren te veel ten koste
van anderen; maar daar denkt een jong meisje van
-ocr page 57-
43
zeventien jaar niet aan. Dat hij Papa zal bevallen,
geloof ik niet. Maar hoe komt die mijnheer zoo hier?"
„Hij is, zooals hij mij zeide, op een voetreis, moge-
lijk ook wel een „geleerde reis", voor zijn gezondheid.
En daar hij deze streken bereizen zou, heeft de familie
Vernooy er gebruik van gemaakt om hem eenige brieven
mede te geven."
„De port is anders zoo hoog niet," zei Klaartje;
„van Kotterdam naar hier een kwartje. Daarbij fran-
keert tante haar brieven nooit; en zij weet ook, dat
Papa op geen kwartje ziet. Het is zonderling."
Gerrit had uitsluitsel kunnen geven, maar deed het
niet. Zelfs van een Hateling wilde hij niets zeggen,
dat minder gunstig kon worden opgevat.
„Hij vroeg mij," zeide Gerrit, „of ik de familie Donze
ook kende; en gisteren avond kon ik naar waarheid
getuigen van neen. Dat ik u kende, wist hij. Dat ik
u gisteren gezien en gesproken heb, heb ik niet ver-
teld. Dat ging hem niet aan. Mijn vriend is hij niet,
gelijk ik reeds zeide. Ik kan hem zelfs bezwaarlijk
een kennis noemen, daar ik hem niet meer dan vier- of
vijfmaal heb ontmoet. Ik heb daarom ook zijn voorstel,
om met hem naar Wildhoef te gaan, afgewezen; maar
hem ook niet gezegd dat ik er toch heenging."
„Anders toch vrij onschuldige dingen," merkte
Klaartje op. „Maar als ik mij het diner bij uwe ouders
voor den geest roep, begrijp ik uwe handelwijze." En
zij kleurde even bij de gedachte aan \'tgeen Hateling
over Gerrit ten beste had gegeven, en over \'tgeen ook
zij toen gezegd had.
Het gesprek stokte een poos. Bij beiden waren her-
-ocr page 58-
44
inneringen opgewekt, die, hoe verschillend ook in aard,
iets pijnlijks hadden.
„Heb ik u dien avond niet wat erg geplaagd. Mijn-
heer "Witse?" Met deze woorden brak Klaartje het
stilzwijgen af. „Ik heb er een flauwe herinnering van.
Maar waarlijk, de schuld er van ligt voornamelijk bij
oom en tante Vernooy, die u als zoo\'n modeljonkman
en als zoo\'n professor, hoe heet het ook weer, in spe
hadden voorgesteld, dat ik, neuswijs ding van zeventien
jaren, het mij niet anders voorstellen kon, dan dat
zoo\'n modelmannetje en zoo\'n boekenworm noodighad
eens goed beetgenomen te worden."
„Ik heb dat alles bitter gevoeld, mejuffrouw Donze.
Maar nog meer dan uwe woorden, heeft mij, ik mag
niet zeggen mijne, maar Wagesterts onhandigheid ge-
hinderd, waardoor uw japon bedorven werd. \'t Was
toch het kopje dat ik in de hand had!" zei Gerrit.
„En mij heeft dat ongelukje toen vrij wat pret ge-
geven door de drukte, die er over gemaakt werd en al
de redmiddelen, die mij aan de hand werden gedaan!"
zeide Klaartje, en de herinnering daaraan ontlokte haar
een helderen lach.
„En zeker ook door het allerrampzaligst gezicht,
dat ik er bij zette, en mijne groote verlegenheid die
er \'t gevolg van was," voegde Gerrit er aan toe.
„Als ik de waarheid zal zeggen: ja, ook dat; en ook
nog door de opmerkingen, die mijn buurman er bij
maakte!" erkende Klaartje zonder eenige beschroomd-
heid. Zij had zelfs moeite om niet in lachen uit te
barsten, terwijl alles haar weer zoo levendig voor den
geest kwam.
-ocr page 59-
45
Gerrit wist niet wat hij hierop zou zeggen, en koos
de wijze partij van er het zwijgen aan toe te doen.
Dit zwijgen bracht Klaartje tot de gedachte, dat hij,
die ongeveer een zestal jaren ouder moest zijn dan zij,
minder licht had moeten denken, en nog dacht, over
\'tgeen toen gebeurd was, dan zij.
„U moet het een nufje van zeventien jaren vergeven,
mijnheer Witse!" zeide zij. „Zoo\'n kind weet niet wat
het doet."
„Maar kan ik de negentienjarige dame het ook ver-
geven, dat zij zich nog verheugt in \'tgeen de zeventien-
jarige deed?" vroeg Gerrit.
„Ja, dat is wat anders," erkende Klaartje blozende.
„Maar als die andere u nu eens excuus vroeg?
„Dan zou ik zeggen: gaarne vergeven en vergeten!"
antwoordde Gerrit.
„Ik dank u!" zeide Klaartje, die nu juist haar hit
de stadspoort instuurde. „In welke straat woont u,
dan zal ik u voor uw huis afzetten."
Gerrit gaf haar de gevraagde aanwijzing, en het
gerammel van het wagentje over de niet bijzonder glad
geplaveide straten verhinderde verder ieder discours.
Hij stapte voor zijn woning uit en bedankte Klaartje
voor hare vriendelijkheid. Zij stak hem de hand toe
on vroeg, wanneer hij Barte weer ging zien.
„Ik denk nog heden avond," luidde zijn antwoord;
„en anders zeker morgen bijtijds."
„Dank u," zei Klaartje en reed weg. Gerrit kon niet
nalaten haar na te zien, totdat zij om den hoek eener
straat verdween, en trad toen het huis in, wel wat
opgeruimder dan hij het \'s morgens verlaten had, maar
-ocr page 60-
46
toch niet volkomen tevreden. Hij was wel vriendelijk
op Wildhoef ontvangen, maar had geen uitnoodiging
gekregen het bezoek te hervatten. In Klaartje had hjj
voorzeker schoone eigenschappen van hart en ziel op-
gemerkt, groote liefde voor haren vader, buitengewone
oprechtheid, zorg voor anderen, maar niets bepaald ten
gunste van Gerrit Witse — en die was voor hem toch
de hoofdpersoon.
Gerrit bracht dien eigen avond nog een bezoek aan
Barte Symens, en vond den toestand zoo gunstig als
hij het maar wenschen kon. Ook de oude vrouw was
een ander mensch geworden. Den volgenden dag was
hij, gedachtig aan wat hij Klaartje gezegd had, reeds
weer vroegtijdig te Sprankendel. Alles ging daar goed.
De zieke had een rustigen nacht gehad en was bijkans
zonder koorts. Maar — wat hij gehoopt had, Klaartje
er te ontmoeten, gebeurde niet. Hij zeide den volgenden
dag iets later te zullen terugkomen. Op den weg naar
huis stond hij gedurig stil en keek rond, of hij ook
iets van Klaartje Donze of haar wagentje zag.
Het was voorzeker dwaas, te verwachten dat hij haar
zien zou! Hoe kon Klaartje, zelfs verondersteld dat
zij doodelijk op hem was, zonder alle vormen te buiten
te gaan, zich zoo op zijn weg stellen? Maar Gerrit
was verliefd, en tot alle dwaze gedachten in staat. Hij
ging zelfs zoover, dat hij van dit niet verschijnen van
Klaartje aan Hateling de schuld gaf.
„Altijd die Hateling!" zei Gerrit half luide, al voort-
wandelende. „Wat had mama dien kerel ook op ons
diner te vragen? Hoe gansch anders zou, zonder dat,
alles gegaan zijn!"
-ocr page 61-
47
OUDERS-ZOEGEN.
Nauwelijks was de heer Donze, na Gerrit uitgeleide
gedaan te hebben, weer in de kamer bij zijne vrouw
gekomen, of hij zeide: „Die jonge dokter is mij uitste-
kend bevallen. Daar zit geest in dat kereltje. Ik had
verwacht dat gij hem b. v. tegen Zondag eens op de
koffie of de thee zoudt hebben gevraagd; je bent toch
gewoonlijk nog al gul met je invitaties!"
„Maar Jan! hoe kom je daartoe? Was zoo\'n invitatie
in de gegeven omstandigheden mogelijk?" antwoordde
mevrouw.
„Welke omstandigheden bedoel je? Toch niet, dat
hij hier in de buurt een zieke bezoekt? Dan hadt je
hem heden ook niet moeten ontvangen ?" zeide mijnheer.
„Hoe is \'t mogelijk, dat niet te vatten !" riep mevrouw
uit. \'t Is om Klaars wil! Wat moeten de menschen er
nu al niet van denken, dat zij daar met een wild vreemd
heer naar de stad rijdt! Als ik hem nu nog een invi-
tatie had gedaan, dan zou de heele wereld zeggen, of
ten minste denken: „Daar is bepaald wat aan de hand
met juffrouw Donze." En zou het jonge mensch niet
zelf moeten gaan denken, dat wij hem wilden accapa-
reeren voor onze dochter? Ik heb \'t al niet kunnen
begrijpen, dat jij het goed vondt dat zij zelve hem
wegbracht."
„Een heel bedsermoen!" zei de heer Donze, en streek
een paar maal de hand langs zijn baard. „Zoo ver als
gij nu denkt, vrouwlief! heb ik niet gedacht. Maar dat
-ocr page 62-
48
was ook niet noodig. Vooreerst is \'t jonge mensch
geen gewoon mensch — maar een dokter, die hier in
de buurt, en nog wel op eene onzer boerderijen, een
zieke heeft bezocht. Verder is het bekend, dat Klaar
steeds bereid is diensten te bewijzen, en dat de Symens
bij haar zeer in de gratie staan. En ten derde — als
ik Klaar gezegd had, dat dit niet ging, had ik haar,
daar had zij zeker om gevraagd, redenen moeten op-
geven ; en dat te doen in tegenwoordigheid van den
jongen man, was toch eigenlijk onmogelijk. En als men
aan alle mogelijke praatjes wou denken, deed men niets."
„En vondt je dan ook niet zijn voorstel, dat Klaar
jou voor hem een zoen zou geven, niet heel vreemd, om
geen ander woord te gebruiken ?" vroeg mevrouw.
„Hm, wat zal ik daarvan zeggen? vooral als ik er
nog bij ga denken, dat hij lichtelijk bij zichzelven
gedacht heeft: „en ik zal hem je gaarne met woeker
teruggeven!" Maar toch, vind ik, dat Klaar het te
ernstig heeft opgevat. Zij had het als grap moeten laten
gelden! Dit ware wel zoo verstandig geweest als hem
zoo duchtig de les te lezen. Ik ben benieuwd te hooren
hoe die twee, na dit voorval, circa een half uur naast
elkaar hebben gezeten: zij gelaedeerd en hij met zeker
gevoel van schuld! In zijn plaats had ik al zoo graag
geloopen. Enfin, het inviteeren van den jongen dokter
is vooreerst afgecommandeerd, tot pijd en wijle, dat
hij de sprekendste blijken van groote beterschap zal
gegeven hebben, aan menschen die hem niet ontmoe-
ten." En de heer Donze ging weer naar buiten.
Klaartje was spoediger terug dan haar mama haar
verwachtte.
-ocr page 63-
49
„Wat heb je je commissies spoedig afgedaan!" zeide
hare moeder, die juist bezig was koffie te zetten.
„Ik heb er een paar achterwege gelaten, mama, om
bij tijds weer thuis te zijn. We krijgen heden middag
bezoek, en dat wou ik aankondigen!" zeide Klaartje.
„En hoe weet je dat? Wie komt er?" vroeg mama.
„Iemand met een prachtigen naam, mama, met wien
ik in Rotterdam heel pleizierig kennis heb gemaakt.
Hij komt hier de groeten en brieven brengen van oom
en tante Vernooy," antwoordde Klaartje.
„Je hebt hem dus al ontmoet?" vroeg mama verder.
„Dat niet! mama. Maar de dokter heeft het mij ver-
teld. Hij dacht zeker dat het mij zou interesseeren, en
dat deed het ook. Zelden in mijn leven heb ik zoo
veel en zoo hartelijk gelachen, als dien middag, toen
ik met oom en tante bij de ouders van mijnheer Witse
dineerde, en de te wachten bezoeker mijn buurman aan
tafel was."
Klaartje was in haar hart boos op hare moeder,
omdat zij Gerrit niet eene invitatie had gedaan, of ten
minste verzocht, zijn bezoek te hervatten. Zij zelve
had immers vriendschap genoten bjj Gerrits ouders.
Zij had nagedacht over \'t geen daarvan wel de reden
mocht zijn: meende die gevonden te hebben in haar
moeders vrees voor haar hartje, en was er nu, o schande!
op uit, om haar moeder, tot straf, op een dwaalspoor te
brengen.
„Is \'t een oud of een jong heer? En is hij familie
van den dokter?" vroeg mama, en Klaartje lachte in
haar vuist.
„Een jong man, mama! tout a fail homme du monde
4
-ocr page 64-
50
plein d\'esprit, enjoué, un très-bel homme et tiréaquatre
épingles,"
(als Klaartje opgewonden was, sprak zij in
navolging harer vroegere gouvernante, een zeer opge-
wonden schepseltje, Fransch); en volstrekt geen familie
van de Witses, zelfs geen vriend van den jongen dokter,
zoo als ik in Rotterdam gemerkt heb."
Mevrouw Donze gevoelde zich alles behalve gerust
over de opgewondenheid, waarmede hare dochter over
dien Rotterdamschen heer sprak. De goede vrouw was
slechts in ééne zaak zelfzuchtig. Zij wilde het hart harer
dochter voor zich houden.
Klaartje bemerkte den indruk, dien hare woorden
op hare moeder maakten, en ging — tot hare schande
zij het gezegd — zonder eenige gewetenswroeging
voort, dien nog te versterken door de vraag:
„Kan ik mij nog, voor dat wij koffie drinken, gaan
verkleeden, mama? In dit kleed kan ik deze visite niet
afwachten."
„Mij dunkt, dat je in \'t kleed, waarmede je naar de
stad zijt gegaan, ook wel een onverwacht bezoek zult
kunnen afwachten," meende mama.
„Neen, dit bezoek niet, mama!" en Klaartje wipte
de kamer uit.
Een oogenblik daarna kwam de heer Donze binnen
en zeide:
„Ik heb gemerkt dat Klaar al weer terug is uit de
stad. Dat is buitengewoon vlug?"
„Zij heeft zoo\'n haast gemaakt, omdat zij hoorde dat
wij heden een visite kregen!" antwoordde mevrouw.
„Van wien ?" vroeg mijnheer.
„Van iemand, dien zij in Rotterdam heeft leeren
-ocr page 65-
51
kennen, en die een machtigen indruk op haar schijnt
gemaakt te hebben. Zij was zoo opgewonden als
ik haar maar zelden of nooit gezien heb, en ze is,
verbeeld je zoo iets van Klaar, zich nog snel gaan
verkleeden."
„Hm, hm!" zei mijnheer. „Heeft ze bij geval dien
heer in de stad reeds gesproken.\'\'
„Neen!" antwoordde mevrouw. „De dokter heeft haar
die visite aangekondigd, om haar, zooals Klaar dacht,
pleizier te doen, en bij haar weer goed te maken wat
hij verkorven had."
„Hm, hm!" herhaalde de heer Donze, en liet wel
tien maal achter elkaar zijn hand langs zijn baard glij-
den. Ook hij kon de gedachte aan een mogelijke schei-
ding van Klaartje niet verdragen; al wist hij, dat die
zeker eenmaal komen zoude. Klaartje, met haar lief en
vriendelijk uiterlijk en het groote haar wachtende for-
tuin was het meisje niet, dat zou blijven zitten! Daar-
boven had hij een geweldigen afkeer van de Rotter-
dammers; die in zijn oogen niets anders dan kooplui
waren, zonder eenige liefde voor iets anders dan geld.
(Men bedenke dat de heer Donze alleen Rotterdammers
van vóór 60 a, 70 jaren kende, en slechts enkele Rot-
terdammers ; en wete daarbij, dat een onaangename
persoonlijke ondervinding van den heer Donze in deze
niet weinig invloed had gehad op zijne anders zoo
gezonde beschouwing van zaken en personen.
„Zouden we maar niet belet geven, als hij komt?"
vroeg hij eindelijk aan zijne vrouw.
„Daar heb ik ook reeds aan gedacht Maar zijn wij
er dan af? Hij zal zeker terug komen, want hij heeft
-ocr page 66-
52
groeten en brieven van de Vernooy\'s over te brengen,"
zeide mevrouw.
„Juist weer zoo iets voor mijn domme zuster !" zeide
de heer Donze ongeduldig, „om zoo\'n vervelenden...."
De terugkomst van Klaartje, nu gekleed in hetzelfde,
mogelijk wel wat veranderde en met een nieuwe baan
voorziene, grijs gros de Naples kleedje, waarin wij haar
in Rotterdam gezien hebben, verhinderde den heer
Donze, verder aan zijn toorn lucht te geven.
„Maar kind!" vroeg mevrouw, „hoe kom je er toe,
om nu juist dat kleedje aan te trekken, dat je veel
te nauw is geworden?"
„Om de Rotterdamscho herinneringen te verleven-
digen!" antwoordde Klaartje; en daar zij den lach
inhield, waaraan zij gaarne lucht had gegeven, straalde
haar gansche gelaat van ingehouden vreugde.
De heer Donze raakte het spoor bijster. Dat Klaartje
een kleed had aangetrokken, dat haar niet goed meer
stond, was iets onverklaarbaars Zij had al zijn smaak
geërfd. Het dragen van dit kleed, dat haar zoo slecht
stond, moest haar hinderen-----of er moest achter dit
kleed zelf iets zitten.
„Ik zie, dat ik te groote gedachten van je smaak had,"
zeide de heer Donze op een verdrietigen toon.
„Men kan de menschen wel eens overschatten, niet
waar, Paatje?" antwoordde Klaartje vleiend.
Papa begreep uit dit antwoord en uit den toon, dat
Klaartje verlangde, dat men dit onderwerp liet rusten,
en, de schouders ophalende, zeide hij:
„Heb je een pleizierigen rit gehad naar de stad,
Klaar P"
-ocr page 67-
53
„Zooals u kan denken." En Klaartje gaf een verslag
dat, als men daarbij hare bedoelingen voor \'t oogenblik,
en hare. ofschoon nog weinig bepaalde wenschen voor
de toekomst in aanmerking neemt, vrij nauwkeurig
was. Dit alles geschiedde tijdens de lunch, of zooals
de Hollanders toen nog zeiden, onder de koffie.
„U zult zeker mijnheer Hateling wel niet laten
merken, dat wij iets van zijne komst wisten?" zeide
Klaartje.
„Zeker niet," antwoordde Papa. „Maar hoe heet die
mijnheer?"
Ha-te-ling /" antwoordde Klaartje, met een bijzonderen
nadruk op de middelste lettergreep. „Ook niet, dat
dokter Witse al hier is geweest. Als u wilt, kunt u
wel het gesprek op den dokter brengen! — en dan
zal u pleizier hebben, Papa."
„Maar Klaar! je zijt mij heden een raadsel!" zei
mevrouw en schudde het hoofd.
„Dat, moederlief, tot aller satisfactie zal worden
opgelost! Ik hoop dat ten minste," antwoorde Klaartje.
„Ik ben nieuwsgierig naar die allen voldoende op-
lossing," zeide de heer Donze. „Je hebt dien mijnheer
Hatelaar. ..."
„Ha-te-ling /" verbeterde Klaartje, nu met den klem-
toon op ling.
„Bij de Vernooy\'s leeren kennen?" ging Papa voort.
„Neen, Pa; aan het diner bij de familie Witse. Daar
was hij mijn buurman aan tafel en heeft hij mij kostelijk
geamuseerd," antwoordde Klaartje.
„Was hij ook degene, die die koffie over je kleed
wierp?" vroeg mevrouw met een heimelijke hoop.
-ocr page 68-
54
„Foei, Mama!" antwoordde Klaartje. „Hoe zou ik
dan heden datzelfde kleed hebben durven aantrekken ?
Neen, het was het kopje van den dokter, maar de
handigheid van het stooten er tegen al weer van een
ander, een vervelenden Chinees zou Papa hem noemen,
een zekeren mijnheer Zwaluwstaart of zoo iets, pedant
en lomp...."
„Een echte Rotterdammer!" zei Papa, als tot zich-
zelven.
„O ja, Pa___ een Rotterdammer van Adams tijd af,
of zeker sedert den zondvloed___ ik bedoel natuurlijk
zijn familie."
Papa trachtte het gesprek weer op Hateling te bren-
gen. Hij wilde weten, of en hoe diep deze impressie
had gemaakt op zijn dochter. Maar Klaartje liet zich
niet verder brengen dan tot de herhaling van \'tgeen
zij hare moeder reeds gezegd had, en eindigde met de
woorden:
„Monsieur Donze aura bientöt Ie plaisir et 1\'honneur
de faire lui-même la connaissance de Monsieur Hateling,
et je ne veux pas lui gater Ie plaisir de la surprise."
En zij stond op, ging naar de piano en begon „la Valse
d\'un fou" te spelen.
De heer en mevrouw Donze zagen elkander verwon-
derd aan, en haalden — en zoo iets was een wonder —
gelijktijdig de schouders op. „Wat scheelt toch Klaartje?"
deze vraag lag niet alleen in hun hart, maar ook op
den rand der tong — doch kwam niet verder
„U ontvangt toch heden in de Roode kamer, mama,
en niet in de tuinkamer?" vroeg Klaartje, even het
hoofd omdraaiende, maar voortgaande met haar spel-
-ocr page 69-
55
„Maar waarom?" vroeg Mama.
„Vandaag kan ik wezenlijk niet alles zeggen," ant-
woordde Klaartje, ophoudende met spelen, en het draai-
stoeltje haastig 180° omwendende. „Maar kom, moe-
dertje, doe mij dat pleizier."
„Ik begrijp je heden volstrekt niet, kind!" zeide
mevrouw op een verdrietigen toon. „Je bent zoo geheel
anders dan anders!"
„\'t Is ook zoo\'n bijzondere dag, moedertje," en weer
ging het stoeltje 180° verder, en Klaartje begon „la
dernière Pensee" van Weber te spelen. Zij had eigenlijk
willen beginnen met: „Du, du liegst mir am Herzen" —
maar daartoe ontbrak haar toch de moed.
Eenige oogenblikken later verlieten mijnheer en-
mevrouw Donze de kamer, en weldra hield Klaartje
op met spelen. Zij legde eerst de handen in haar schoot
en een glimlach speelde om haar lippen; maar weldra
bracht zij de rechterhand aan haar hals; het gros de
Napels kleedje knelde haar daar een weinig. Ook aan
den boezem voelde zij een iets te harden druk. „Qui
veut la fin, doit vouloir les moyens," mompelde zij,
„of," ging zij voort, „zooals de boeren zeggen en ook
Barte zegt: kermis gaan.... maar foei, juffrouw Clara
Isabella Eugenia Donze!" en zij sprong haastig op,
en ging naar hare kamer, waar zij het zich, tot dat
Hateling kwam, nog een weinig vrijer en losser kon
maken.
-ocr page 70-
56
HATELING OP WILDHOEF.
\'t Was even kwart over twee, toen Hatelings kaartje,
waarop hij keurig netjes, alsof het steendruk was, nog
de woorden geschreven had: „van Eotterdam met eene
introductie van den heer en mevrouw Vernooy", aan
den heer Donze werd ter hand gesteld door den huis-
knecht, die daarbij nog de mondelinge boodschap over-
bracht, dat mijnheer gaarne zoowel mijnheer als mevrouw
en de juffrouw zou spreken, daar hij aan ieder een
opdracht te vervullen had.
„Breng mijnheer in de Roode kamer, en zeg dat ik
aanstonds kom. — Of heb je mijnheer soms al in de
tuinkamer gelaten ?"
„Excuseer meneer, die meneer zit nog in zijn victoria."
„Verzoek dan mijnheer binnen te komen, en breng
hem zooals ik je gezegd heb."
De heer Donze kon niet nalaten, voordat hij naar
beneden ging, even den gang over te loopen, om eens
naar die victoria te gaan zien. — „De victoria vau
de Place Royale." zeide hij — „en twee paarden, en
waarlijk nog een quasi-palfrenier. Niet gering!" En
hij ging naar beneden.
Hateling stond, toen de heer Donze binnen kwam,
te kijken naar een portret van eene der voorvaders
van mevrouw Donze in admiraals-tenue; maar wendde
zich, zoodra hij de deur achter zich hoorde bewegen,
haastig om, trad eenige schreden voorwaarts, en een
-ocr page 71-
57
diepe buiging makende, zeide hij: „Ik heb zeker de
eer den heer Donze te zien?"
„Om u te dienen!" antwoordde deze. „Mag ik u
verzoeken plaats te nemen, mijnheer Hateling." Dezen
naam uitsprekende, keek hij naar het kaartje dat hij
in de hand had en ging voort: „Zooals ik zie, komt
u ons eenige berichten brengen van mijn zwager en
mijn zuster. Is daar alles wel ?"
„Uitstekend, mijnheer! Zoowel mevrouw als mijnheer
Vernooy verheugen zich in een bien-être suprème. En
ik spreek zeker evenzeer in den geest van mevrouw
en mijnheer Vernooy, als in den mijnen, als ik aan
mijne hoop expressie geef, dat u en uwe geëstimeerde
familie evenzeer florisseert."
„Ik dank u zeer," antwoordde de heer Donze. „U
zal zich zelve daarvan kunnen overtuigen, en mijne
zuster en haren man daarvan de verzekering kunnen
geven, want mijne vrouw en mijne dochter zullen aan-
stonds paraisseeren. Ik heb ze, overeenkomstig uwen
wensch, laten weten, dat u ook haar wenschte te zien."
„Zeer geobligeerd, mijnheer ! Het feit is, dat mevrouw
Vernooy, vernemende dat ik voor mijn gezondheid een
voetreisje door Gelderland zou ondernemen, bij mij
informeerde of ik ook in de buurt van N. dacht te
komen: in welk cas zij mij gaarne met de bezorging
van een paar brieven en een klein pakje voor de juf-
frouw zou willen chargeeren."
„Ik hoop dan slechts," zeide de heer Donze, „dat
het pakje waarmede u gechargeerd waart, geen fardeau
is geweest. Op voetreizen is veel pakkage maar lastig."
„Het pakje is miniem, mijnheer," antwoordde Ha-
-ocr page 72-
58
teling, en hij haalde het uit zijn portefeuille, „zooals
u ziet. \'t Is geadresseerd aan mejuffrouw Donze. Maar
al ware het wat grooter geweest, het zou mij niet ge-
embarasseerd hebben. Ik maak een voetreis, zooals
wij Rotterdammers dat gewoon zijn, en niet zooals
die planten- en steenenzoekers, die anders zoo rhoog
vliegen", of de landloopers, die zonder hun onderdanen
te fatigeeren, nergens komen kunnen."
„Hoe zijn dan wel de Rotterdammers gewoon hun
voetreizen te maken?" vroeg de heer Donze.
„Wij nemen een rijtuig, mijnheer! en zeggen aan
den koetsier: „Als we aan een mooi punt komen, dan
waarschuw je ons; want dan zullen wij uitstappen, om
dat mooie punt te zien, en loopen dan een eindje
verder. Je rijdt dus maar zachtjes vooruit, en na een
half uurtje wacht je." — Zoo worden wij nooit gefati-
geerd, of hebben veel last van zonnige of stoffige wegen,
en zien toch al het schoone."
„Dat is zeker een gemakkeljjke wijze om voetreisjes
te doen," zeide de heer Donze.
„En daarbij de meest effectvolle," vulde Hateling aan.
„Effectvol?" vroeg de heer Donze. „Dat begrijp
ik niet."
„Ziet u!" luidde de verklaring. „Het effect, dat wij
van ons reizen willen hebben, is \'t gevoel van rust.
Aan die rust hebben wij groote behoefte, na al de
drukte van \'t kantoorleven en de velerlei besognes,
waarin wij dagelijks komen."
„O, nu begrijp ik u," verzekerde de heer Donze.
„U is dus ook in den handel?"
„Ik heb die eer!" antwoordde Hateling, en stond
-ocr page 73-
59
haastig op om voor de binnenkomende dames zjjn
compliment te maken, terwijl de heer Donze de partijen
aan elkaar voorstelde.
Hateling wilde voor de dames een stoel aanschuiven,
maar mevrouw Donze voorkwam hem, door op de
canapé plaats te nemen, en Klaartje zette zich naast
haar, en vatte de hand harer moeder; ook al weer
iets ongewoons.
Mijnheer Donze stelde de dames op de hoogte van
het reeds gesprokene, en Hateling haalde uit zjjne por-
tefeuille de brieven voor den dag, en overhandigde
die met het minieme pakje, aan de dames.
„U permitteert mij, mijnheer Hateling!" zeide Klaartje
„dat ik de vrouwelijke nieuwsgierigheid bevredig en
zie wat mijne tante mij zendt?"
„U zal mij zelfs obligeeren door dat te doen, mejuf-
frouw," luidde Hatelings poliet antwoord.
„U zijt toch bij geval niet nieuwsgierig om te weten
wat er in is?" vroeg Klaartje.
„Het interesseert mij zeer om uwentwil!" was het
gladde antwoord.
„Dan zal ik het, om de conversatie niet te storen,
maar vooreerst dicht laten," zeide Klaartje, en stak
het pakje in haar zak.
„Mejuffrouw uwe dochter!" zeide Hateling, om het
gesprek op de vroegere kennismaking te brengen, tot
den heer Donze, „is nog even gevat in \'t riposteeren,
als zij dat in Rotterdam was."
„U schijnt verwacht te hebben, dat ik in die twee
jaren den kreeftengang was gegaan!" zei Klaartje nog
al scherp.
-ocr page 74-
60
„U heeft mijne dochter zeker ten huize van mevrouw
Vernooy ontmoet!" zeide mevrouw om ook wat te
zeggen, en om aan Klaartje, die zij steeds minder be-
greep, het woord voor \'t oogenblik af te snijden.
„Pardon, mevrouw!" antwoordde Hateling. „Ik had
de eer mejuffrouw uwe dochter te rencontreeren bij
de familie Witse, en de faveur insigne haar voisin aan
tafel te zijn; zooals de juffrouw zich mogelijk nog wel
zal herinneren," en bij de laatste woorden wendde hij
zich naar Klaartje.
„Hoe zou ik ooit dien avond kunnen vergeten,"
zeide deze, „met al zijn vroolijkheid en ongelukken,
en dien aardigen heer Zwaluwstaart, en die van moe-
dervreugde stralende mevrouw Witse, en dien geesti-
gen, goedhartigen buurman aan tafel?" en zij maakte,
met een blik op haar vader, een hoofdbuiging voor
Hateling. „Het kleed van dien avond, dat ik nog
draag," en zij wierp eenen lachenden blik op haar
japon, „herinnert er mij nog gedurig aan."
Mevrouw Donze zag haren man met een blik aan,
die zeggen wilde: „Wat dunkt je van Klaar?" — Eri
Hateling vestigde nu zijne oogen op Klaartjes japon
en daarna haar aanziende, zeide hij:
„Ja \'t was een delicieuse avond vol evenementen,
waarin de ongelukkige Gerrit Witse, ter wiens eere
de festiviteit gegeven werd, juist geen brillante figuur
maakte. U moet weten," ging hij voort, verheugd
dat hij hier eene goede gelegenheid had om zijne con-
versatie-gave te luchten, en hopende, den gunstigen
indruk, toen klaarblijkelijk op Klaartje gemaakt, nog
te zullen verdiepen; — „u moet weten, dat het door de
-ocr page 75-
. 61
Witse\'s gegeven diner ter eere was van het candidaats-
examen, dat hun zoon, „summig totalibus" gedaan had."
„Summis laudibns," zeide de heer Donze, „bedoelt u!"
„Och ja, mijnheer! Vergeef mij dien lapsus calamel." *)
Mijnheer Donze beet zich op de lippen, maar zeide
niets.
„Ik heb," ging Hateling voort, „moet u weten geen
Latijn geleerd, en begrijp eigenlijk ook niet, waarom
altijd die Latijnsche woorden gebruikt worden."
„Ik ook niet!" zeide de heer Donze.
En Hateling maakte eene buiging en gaf zijn ge-
kleurd verslag van dien gewichtigen avond. En hij
deed dit zoo grappig, dat Klaartje, ofschoon nu en dan
het hoofd schuddende als hij te sterk brodeerde, ein-
delijk in lachen uitbarstte, en zelfs mevrouw Donze
een lach niet kon inhouden. Mijnheer Donze knikte
aanhoudend als om hem aan te moedigen, en Hateling,
daardoor geprikkeld, liet den ongelukkigen Gerrit een
steeds droeviger figuur maken en zichzelven schitte-
render optreden, totdat hij ten laatste de spil werd,
waarom al het aardige en mooie van dien avond draaide,
en Klaartje hem met verbaasde oogen zat aan te kijken.
De heer Donze beduidde, toen het verhaal ten einde
liep, Klaartje door zijne blikken, toch niets te zeggen.
Hij wilde niet, dat een of andere aanmerking door
haar gemaakt, het zoo schoon loopende spel zou be-
derven. Zelden of nooit had hij zooveel assurantie en
arrogantie gezien, en met een opzettelijk in \'t oog
loopend welbehagen, had hij den nieuw modelschen
----------------
                           •
\') Hy wilde zeggen lapsus calami (schryffout) maar bedoelde lapsus
linguae,
vergissing in \'t spreken.
-ocr page 76-
62
snit van Hatelings kleeding (die dan ook voor dit
speciale geval uit Brussel gekomen was) bewonderd,
terwijl deze nog sprak.
Zoodra Hateling zweeg, merkte mijnheer Donze op:
„\'t Is maar goed, dat die jonge Witse geen koopman
is geworden ; er zou niets van hem terecht zijn geko-
komen. De ouders hebben zoo kwaad niet gedaan met
hem maar te laten studeeren." Mevrouw Donze zag op
bij deze woorden van haren man, en Klaartje had
moeite zich goed te houden.
„Volkomen mijne opinie, mijnheer Donze!" zeide Ha-
teling. „En toch geloof ik, dat mijnheer en mevrouw
Witse hun zoon voor te goed hielden, om koopman of
notaris te worden, zoo als de oude heer is; en dat zij
hem daarom hebben laten studeeren. Het ongeluk is
maar, dat die hoogvliegende gestudeerde lui zich ver-
beelden, dat zij wat meer zijn dan anderen, terwijl ze
pourtant, en savoir-vivre en.... en.... ja ik kan wel zeggen
in alles zoo zeer inférieur zijn; en nonobstant cela, om
hun beetje potjes-Latijn, met dédain neerzien op ons
anderen, op den zoo nuttigen, ja noodigen, indispensa-
belen koopmansstand!"
„Juist opgemerkt, mijnheer Hateling!" zei de heer
Donze. „We kunnen best leven zonder dominé\'s, en ster-
ven zonder doktoren. En als er geen advokaten waren,
zou er de wereld niet slechter om zijn, zouden er zeker
minder processen zijn. En die heeren, die aan de Latijn-
sche scholen den jongens dat potjes-Latijn bijbrengen,
konden we ook best missen. AU de jongens daarvoor
wat beter leerden rekenen, vooral de percent- en winst-
rekeningen, en wat beter hun moedertaal leerden___"
-ocr page 77-
63
„En het Fransch! viel Ilateling in.
„En het Fransch" ging mijnheer Donze voort „zoo
noodzakelijk voor eene gedistingeerde conversatie, voor
het gouteeren van de werken van Sue en van onzen
landgenoot den genialen Paul de Koek — en voor de
correspondentie met de tailleurs in Brussel en Parijs;"
en hij sloeg weer een bewonderenden blik op Hatelings
kleeding; — „en dan het Engelsch, en mogelijk ook
nog wat Duitsch voor den handel."
En daarop, in eens van ehapitre veranderende, vroeg
hij: „Laat u uw kleeren uit Brussel of uit Parijs komen ?"
„Tot dusverre uit Brussel; maar ik denk er sterk
over, mij voortaan uit Parijs te laten bedienen," ant-
woordde Hateling.
„Dat zou ik u bepaald aanraden," zeide de heer
Donze, „voor jonge lui in \'t bijzonder, gaat niets boven
den Parijschen snit!"
„Zou ik u mogen vragen, of u uw kleeren ook uit
Parijs laat komen, en dan ook wel om \'t adres van uwen
tailleur mogen verzoeken?" vroeg Hateling.
„Ik laat ze tegenwoordig uit Petersburg komen, mijn-
heer," antwoordde de heer Donze. „Ik heb ook, wegens
rheumatische aandoeningen aan mijn been, behoefte aan
warmer kleeding, en daar heeft men daar meer ver-
stand van. Mijn tailleur daar is de tailleur de Sa Ma-
jesté VEmpereur de tous les Eusses.
Klaartje kreeg het nu te benauwd en verliet stil, maar
haastig, de kamer, zonder dat Hateling het merkte, zoo
zeer interesseerde hem hetgeen hij van mijnheer Donze
hoorde.
„Misschien zou ik wel goed doen, als ik mijn winter-
-ocr page 78-
64
tenue ook van daar liet komen," waagde Hateling te
zeggen.
„Niets zou verstandiger zijn!" repliceerde mijnheer
Donze. „Ik zal u het adres geven."
Hateling haalde zijn portefeuille voor den dag, en
toen hij gereed was, ging mijnheer Donze voort: „Mglo-
noskoff, M-g-1-o-n-o-s-k-o-f-f. — Rue de Bedlam. N° 11."
Mevrouw Donze schudde afkeurend het hoofd tegen
haren man. Zij vond dat deze al te ver ging; en een
einde aan deze dwaasheden willende maken zeide zij
tot Hateling:
„Zijt u van plan nog eenige dagen hier in de buurt
te blijven.\'\'
„Pardon mevrouw," antwoordde hij. „Ik denk mor-
gen verder te gaan, a moins que eene of andere aan-
gename omstandigheid mij niet persuadeere te blijven."
„U heeft hier dan reeds zoowat al het mooie gezien?"
ging mevrouw voort.
„Op twee dingen na, mevrouw, die ik nog gaarne
zien zou, en waarvan ik zooveel délicieux gehoord heb
van mevrouw Vernooy, dat zonder exageratie cela
m\'a fait venir l\'eau a la bouche:
de buitenplaats Wild-
hoef en de collectie schilderijen van mijnheer Donze;"
en hij maakte eene lichte buiging voor dezen.
„Aan dien wensch kan gemakkelijk voldaan worden,"
antwoordde deze, „als u bij ons woudt blijven dineeren —
Wat dunkt u, vrouw!" — zich tot deze laatste wen-
dende, die min of meer weifelend knikte. — „Danzoudt
u voor het eten de schilderijen, en na het eten,\'t is dan
wat koeler, de plaats kunnen zien."
„Zeer beleefd, mijnheer!" antwoordde Hateling. „Dol-
-ocr page 79-
65
gaarne profiteer ik van uwe invitatie. Permitteert u
mij, dat ik mij even verwijder, om den koetsier die
nog voorstaat te avertisseeren."
„Doe dit," zeide mijnheer Donze. „En als u \'t goed
vindt, laat hem dan niet terugkomen. Ik zal u heden
avond wel naar de stad laten brengen."
„Vous me comblez, mijnheer!" antwoordde Hateling,
die daarop het vertrek verliet. Nadat hij weg was zeide
mijnheer Donze tot zijne vrouw: „Een fat der fatten!
vrouw, en een uil der uilen! maar voor een enkele
maal kostelijk amusant!"
Mevrouw Donze schudde het hoofd en zeide: „Maak
het toch niet zoo erg. Ik krijg waarlijk medelijden
met hem."
„Verkwik hem dan straks, als wij de schilderijen
gezien zullen hebben, met een goed glas port in het
tentje."
Toen Hateling teruggekomen was, zeide mijnheer
Donze: „U schijnt een lief hebber te zijn van de kunst!"
„Ik adoreer ze!" luidde het antwoord.
„Dat is gevaarlijk!" ging mijnheer Donze voort.
„Weet u wel — en daar zijn voorbeelden van te
over — dat men daardoor gek kan worden?"
„O daarvoor is bij mij geen nood!" antwoordde Ha-
teling. „Maar wat heeft u daar, in dat glazeukastje,
eene collectie van objets précieux!"
„Daar zijn enkele historische merkwaardigheden in,
die voor liefhebbers nog al interessant zijn!" zeide mijn-
heer Donze. „Een zegelring vanMurat; een kamee van
Cleopatra die nog al mooi is. Ziet u eens!" en hij nam
de kamee op.
5
-ocr page 80-
Gli
„Ja, prachtig!" riep Hateling uit. „Subliem! subliem!
Cleopatra, zegt u? Ja sprekend!"
Mijnheer Donze lachte even en zeide: „En hier heeft
u een borduurnaald van Anna Maria Schuurman: die
heeft u mogelijk nog wel gekend!"
„Ik vraag excuus, mijnheer. Zij kwam wel veel bij
ons aan huis, maar dat was voordat ik geboren werd,"
antwoordde Hateling.
Mijnheer Donze aarzelde. Hij wist niet, of Hateling
nu hem niet beet had. Maar Hatelings gezicht ge-
tuigde van zoo veel extase over de borduurnaald, die
hij van alle kanten bezag, dat de heer Donze allen
argwaan liet varen, en eene kleine zilveren vork, een
familiestuk met een wapen, opnemende zeide: „En van
deze vork zegt men, dat zij door Godfried van Bouillon
is meegebracht uit Palestina."
„Merkwaardig! étonnant! riep Hateling uit. „Dat is
eene unieke collectie van tresoortjes! Godfried van
Bouillon zeide u? Ja, ja! ik herken het wapen der
Bouillons!"
„U doet dus ook aan heraldiek ? vroeg mijnheer Donze.
„Aan heraldiek! Zeker mijnheer," antwoordde Hateling.
En het eene wonder na het andere verscheen uit de
kast en werd door Hateling met de grootste extase
geadmireerd. Ten slotte zeide mijnheer Donze: „Nu
moet u mij echter een pleizier doen, mijnheer! en nie-
mand, dan desnoods een vertrouwd vriend, zeggen wat
u hier al gezien heeft; want als men dit alles wist, liep
ik gevaar, dat er hier nacht op nacht werd ingebroken."
En Hateling stelde den heer Donze gerust met be-
trekking tot zijn zwijgen; al zoude het hem, zeide
-ocr page 81-
07
hij, ook veel moeite kosten, om niet den lof van al
dat interessante te proclameeren.
De collectie schilderijen van den heer Donze telde vrij
wat nummers en nam drie kamers in; zij had echter slechts
betrekkelijk weinig waarde, daar verreweg de meeste
stukken niet meer dan goede copieën waren. Toch had
de heer Donze, die ze grootendeels op eene reis in
Italië gekocht had, ze duur betaald. Een paar kunst-
handelaars, op wie hij vertrouwen stelde, te Florence
en Eome hadden hem schandelijk bedrogen. Omdat
evenwel de copieën, naar de verklaringen van eenige
Hollandsche kunstkenners en schilders, niet geheel
zonder verdiensten waren, had hij niet kunnen beslui-
ten, de stukken weg te doen. Hij kon ze vaak zelfs
nog met welgevallen aanzien. En \'t was hem een eigen-
aardige bekoring, als hij door dit drietal kamers men-
schen kon leiden, die alles voor echt hielden.
Zoodra de heeren de middelkamer binnen kwamen,
viel Hateling\'s oog op een groot schilderij met een zwaar
vergulde lijst. Het stond op een grooten fauteuil, en
scheen dus aan Hateling de eereplaats in te nemen.
De kleuren waren zoo frisch alsof zij er eerst kort te
voren op gebracht waren, en het stelde een landschap
voor meer of min in den trant van Kuysdael.
„Dat is subliem!\'\' riep Hateling uit. „Echte oude
kunst! En wat hebben die kleuren zich magnifiek ge-
conserveerd. Ja, zóó kleuren konden slechts de oude
meesters! Een waar chef d\'oeuvre! En zeker van een
der meesters!" Hjj liep dicht naar het schilderij, om
te zien of hij ook een aanwijzing van den naam in een
der hoeken vond, en was gelukkig genoeg daar de let-
-ocr page 82-
68
ters C. D. te vinden; doch zag in de haast de C voor
een G aan — en riep uit: „Een Gerard Douw!" ja
juist zoo als ik gedacht had." En verrukt over de vlug-
heid, waarmede hij den naam van een schilder bedacht
had, die met een D begon en wiens Voorletter een G
was, wierp hij een triumfanteljjken blik op mijnheer
Donze, die het niet waagde eenig geluid te geven uit
vrees, dat het in een Homerisch gelach mocht over-
gaan, en dus slechts even knikte, en hem naar eene
andere kamer voerde, en hem tegenover een echten
Kembrandt, een familiestuk, plaatsende, vroeg: „En wat
zegt u hiervan, mijnheer Hateling."
„Mooi, kolossaal mooi! maar toch niet te vergelijken
bij het vorige. Van wien is dit stuk?" Hij ging dichter
bij staan, maar ontdekte niets van een aanwijzing. „Is
dit soms een Jan Steen?" zeido hij eindelijk.
„Neen," zeide de heer Donze heel ernstig.
„Dan toch zeker van den schilder — ah, cette tnauditc
mémoire — van den schilder van den Schuttersmaaltijd,"
zeide Hateling.
„Neen, van den schilder der Nachtwacht!" verbeterde
de heer Donze, van Rembrandt.
„Och ja! dat ik mij zoo hebben kunnen vergissen.
Zoo door en door pur sang Rembrandt. Maar laat het
vallen van het licht hier niet te wenschen over, Mijn-
heer Donze?" vroeg Hateling, terwijl hij zijn oogen
naar omhoog sloeg van waar het licht kwam, na te
vergeef> naar vensters in de zijwanden gezocht te
hebben.
„Dat zou wel kunnen!" antwoordde mijnheer Donze;
„al heb ik deze kamers ook laten inrichten en ver-
-ocr page 83-
61)
bouwen naar den raad en volgens de aanwijzingen van
een schilder."
„Maar schilders zien ook alles met andere oogen dan
een ander mensch!" zeide Hateling.
„En vooral schilderijen," voegde er mijnheer Donze
bij, voor wien de volslagen onkunde en verwaandheid
van Hateling in deze te machtig was. Hij besloot dus hot
bezoek op die kamers, waar het bovendien, zooals hij
aan Hateling deed opmerken, zeer warm was, wat te
bekorten, en liep daarom vrij vlug de kamers door, nu en
dan een schilderij aanwijzende, dat, volgens zijn zeggen
aan Hateling, geschilderd was door ïitiaan, Wouwer-
man, van Dijk enz. niet alleen, maar ook wel door
Polygnotus, Zeuxis en Apelles. Bij \'t noemen van dien
laatsten naam, zeide hij:
„Van dien zult u zeker vroeger nooit iets gezien
hebben?"
„Pardon, mijnheer Donze. Mijne grootmama heeft
twee stukjes van hem?\'\'
„Van Apelles?" en mijnheer Donze drukte op dien
naam.
„Ja, echte Apellessen!" verzekerde Hateling.
Nu stelde mijnheer Donze voor naar den tuin te
gaan, waar zij de dames zouden vinden ; en zij begaven
zich naar een in de zijde van een heuveltje uitgegraven
grot. Op korten afstand daarvan was een vijver, in
welks midden een fontein was aangebracht, die sprin-
gende zooals zij nu deed, èn in der daad, èn door op
de verbeelding te werken, verkoeling aanbracht. Me-
vrouw en hare dochter zaten er reeds, de heeren af-
wachtende, de eerste bezig met schrijven, de andere
-ocr page 84-
70
met lezen. En op de tafel stonden een portflesch met
glazen en de ingrediënten voor wat verkoelenden drank
voor de dames.
„Welk een magnifieke collectie kunstwerken bezit
mijnheer!" Met deze woorden trad Hateling het tentje
in, en nam plaats op den hem door mevrouw aange-
wezen tuinstoel
Mijnheer Donze, die achter Hateling was gaan staan
en Klaartje\'s nieuwsgierigen blik op zich gevestigd zag,
tikte even op zijn voorhoofd en haalde de schouders
op. Hierdoor wist Klaartje genoeg.
„Het doet mij genoegen dat u genoten heeft, mijn-
heer!" antwoordde mevrouw. „Maar vond u het daar
boven niet ijselijk warm?\'\'
„Ik was te veel in hooger sfeeren, mevrouw, om daar
iets van te observeeren, voordat mijnheer, die al dat
superbe dagelijks ziet, en dus minder onder de impres-
sie er van komt, mij op die warmte attent maakte. Als
er niets te bewonderen geweest ware dan dat ééne
groote stuk alleen, zou ik reeds geënthousiasmeerd ge-
weest zijn!"
Papa gaf zijne dochter een wenk zich goed te hou-
den. Mevrouw Donze, niet kwaads of buitengewoon
dwaas vermoedende, vroeg: „En welk stuk was dat?"
„Dat groote stuk in die breede, vergulde lijst, met
zulke brillante, exquisite, den tand des tijds tartende
kleuren, dat op de eereplaats staat!" haastte zich Ha-
teling te antwoorden.
„En weet u," vroeg mevrouw Donze, met een vra-
genden en iet of wat angstigen blik op haren man, die
neen schudde, „wie het geschilderd heeft?"
-ocr page 85-
71
„Zeker mevrouw, Gerard Douw. Ook zonder de naam-
letters had ik het erkend !\'\'
Mevrouw Donze was sprakeloos. Klaartje echter, met
buitengewone inspanning zichzelve beheerschende, en
mogelijk niet gansch ongevoelig voor de eer bewezen
aan het kunststuk, dat zij met behulp van haren tee-
kenmeester, voor haar vaders laatsten verjaardag, had
geproduceerd; Klaartje maakte de eenvoudige opmerking:
„Cornelis Douw! bedoelt u, mijnheer Hateling. Er
staat een c en geen ;/."
Hateling zag den heer Donze aan, die zeide: „Ja,
mijne dochter heeft gelijk, het is een c".
„Heb ik mij zoo vergist! mais c\'est étonnant, c\'est
incompréhensible!" zeide Hateling vol verbazing.
„C\'est plus que gal" zeide Klaartje, „c\'est y rand io se."
„Een glaasje port, mijnheer Hateling?" vroeg de heer
Donze. „\'t Is echte oude, nog uit den kelder van mijn
vrouws grootpapa."
„Ik hesiteer!" antwoordde Hateling. „Ik vrees dat het
bij de warmte mij nog meer zal échauffeeren!"
„Hier is \'t anders nog al koel!" repliceerde mijnheer
Donze, en schonk intusschen twee glazen in. „A votre
santé, mijnheer Hateling."
„Et a la votre et a celle des dames!" antwoordde
Hateling, terwijl hij het glas opnam. Na den wijn als
een echte kenner geproefd, en eenige malen de tong
tegen het verhemelte gedrukt te hebben, ging hij voort:
„Déli, déli."
„Als Apollo op den Heli-
Kon zit bij de zanggodinnen;
O, dan zingt hij daar zoo déli-
-ocr page 86-
72
.,Kiiafc en streelt ons hart en zinnen!"
begon het nu overmoedige Klaartje te reciteeren.
„U schijnt van poëzie te houden!" zeide Hateling,
gelukkig dat hij eenc gelegenheid had, om ook eens
met Klaartje te kunnen praten.
„Ik houd van alles wat mooi, goed en waar is!"
antwoordde deze en drukte vooral op het laatste woord
waar, „d. w. z. voor wat ik daarvoor houd; want ik
kan mij wel eens vergissen. En dat zal u ook wel
doen!"
„O zeker. Wie zou dat niet!" antwoordde hij heel
galant. „Ik heb het zoo even nog gedaan met die c."
„U begrijpt mij verkeerd. Ik bedoelde niet het ver-
gissen, maar het houden van wat mooi, goed en waar
is!" zeide zij.
„Pardon, dat ik u verkeerd begrepen heb!" antwoordde
hij, „met al wat mooi is (en hij zag Klaartje aan) en goed
(en hij maakte eene kleine buiging) en waar, dweep ik."
„Dan is u een gevaarlijk mensch!" antwoordde
Klaartje, wie het haar gemaakte compliment niet be-
viel, en die nu deed, alsof zij het niet opgemerkt, niet
gevat had. Dwepers zijn immers altijd onrustige, las-
tige menschen. Daar heb je dien Jan van Leiden!"
„Het spijt mij, dat ik niet de eer heb hem te ken-
nen!" viel Hateling in. „Maar u vat mijn woord trop
a la lettre
op. U begrijpt toch wel, wat mijne inten-
tie was."
„Hoe zou ik dat kunnen!" vroeg Klaartje verbaasd.
„U schat mij te hoog."
„Ik geloof niet, dat men mejuffrouw Donze te hoog
kan schatten!" antwoordde Hateling.
-ocr page 87-
73
Mevrouw Donze wierp een onrustigen en vragenden
blik op haren echtgenoot, die dien echter niet op-
merkte, zoozeer was hij in spanning over \'t antwoord
dat zijne dochter geven zou.
„Dan zal ik uw geloof als bijgeloof moeten quali-
fieeren," antwoordde Klaartje, en er dadelijk de bewjj-
zen voor leveren. „Uit hetgeen ik zeide, dat ik hield
van al wat mooi en goed en waar is, heeft u lichtvaardig
de conclusie, getrokken dat ik zelve dit alles moest zijn.
\'t Mooie, laat ik daar, dat is van ondergeschikt belang,
maar goed ben ik niet, en waar nog minder. Heden heb
ik reeds driemaal," en deze woorden uitsprekende zag
zij haar vader en moeder aan, „willens en wetens een
onwaarheid gezegd. Maar daarvoor moet ik mijzelve
nu straffen, door mij \'t genoegen uwer conversatie te
ontzeggen en de eenzaamheid op te zoeken, om over
mijne pekelzonden" en zij lachte even „na te denken "
En zij stond op en ging weg tot groote teleurstelling
van Hateling en bevreemding harer moeder, voor wie
Klaartje\'s gedrag heden en gisteren totaal onbegrijpe-
lijk was.
„Wat is Klaar heden anders dan gewoonlijk!\'\'zeide
Mevrouw tot haren man.
Deze woorden riepen een lachje van vergenoegdheid
om Hatelings mond en een kleur op zijn wangen.
Zoodra mijnheer Donze dit bemerkte, antwoordde hij
aan zijn vrouw: „Maar gisteren was ze immers ook
reeds zoo! Ik denk dat ze met dit warme weer last
heeft van de gal. Wij moeten morgen maar den dokter
laten komen."
Dit woord gal deed Hateling plotseling uit zijnen
-ocr page 88-
74
gedroomden hemel vallen, en in spanning wachtte hij
af, wat mevrouw Donze zou antwoorden. Deze zeide
echter niets dan: „Ja, \'t is waar ook. Het arme kind!"
„Dat last hebben van de gal zit in de familie, mijn-
heer Hateling!\'\' zeide de heer Donze. „Ook ik heb er
dikwerf veel last van."
„Maar mevrouw Vernooy toch niet, voor zooverre
ik weet," repliceerde Hateling.
„Die is daarvoor te corpulent," zeide mijnheer Donze.
„Maar laat ons van dit onderwerp afstappen. Ik spreek
niet gaarne over kwalen. Het leven brengt reeds ge-
noeg verdriet, zonder dat wij er over praten. Laat
ons een aangenamer thema nemen. U is zeker een
trouw bezoeker van het theater?"
Nadat Hateling verklaard had, dat hij geene voor-
stelling in Rotterdam oversloeg, zelfs somwijlen naar
den Haag ging om een tooneelstuk te zien of een opera
te hooren, verzocht mijnheer Donze hem, \'t een en ander
over wat hij gezien en gehoord had mede te deelen.
En Hateling voldeed gereedeljjk en uitvoerig aan dien
wensch. Toen intusschen ook mevrouw Donze was
weggegaan, om eens naar Klaartje te zien, verzocht
mjjnheer Donze zijnen bezoeker, hem ook \'t een en
ander over de actrices mede te deelen, en Hateling
viel hals over kop in den hem gelegden strik, en werd
nog bespraakter en vertrouwelijker, toen hjj zijn derde
glaasje voortreffelijken ouden port genuttigd had.
Eerst toen men aan tafel zou gaan verscheen me-
vrouw weder, met het voor Hateling treurige bericht,
dat hare dochter, door erge hoofdpijn gekweld, zich
verontschuldigen liet. De grootste charme van het diner
-ocr page 89-
75
was daardoor voor hem verdwenen; maar dewijl het
diner werkelijk heerlijk en de geschonken wijn voor-
treffelijk was, en mijnheer Donze hem aanhoudend in
de gelegenheid stelde, aardig en geestig te zijn, vergat
hij soms Klaartje geheel.
Toen het dessert begonnen en de knecht uit de
kamer verdwenen was, dacht Papa Donze aan \'t geen
Klaartje gezegd had, dat hij, om Hateling te leeren
kennen, het gesprek op Gerrit Witse moest brengen.
Hij begon dus te vragen, of de jonge Witse nog altijd
student was.
Daarop deelde hem Hateling mee, wat de heer Donze
reeds wist, dat hij gepromoveerd was en zich in N.
had gevestigd.
„En waarom juist in N.P" vroeg de heer Donze.
„Ja, dat weet niemand," was \'t antwoord. „Zijn
ouders hadden gewild, dat hij zich óf te Rotterdam
of ten minste in de nabijheid dier stad zou vestigen;
ook dat hij, voordat hij zich vestigde, eene vrouw zocht.
Maar Gerrit was noch tot het een noch tot het ander
te bewegen geweest."
En in antwoord op verdere hem gedane vragen ver-
telde hij, dat Witse hem gezegd had, dat hij het reeds
druk had met de praktijk, maar dat hij (Hateling)
daar niets van geloofde; dat hij, hoe hoog Witse\'s
moeder en vader ook opgaven van zijn bekwaamheden,
hem zijn hond of kat niet zou toevertrouwen, tenzij
hij den geheimen wenseh koesterde, dat het beest dood
gemaakt werd. Dat Witse in Rotterdam een heele
stille jongen was, maar dat hij in Leiden nog al een
baas was geweest.
-ocr page 90-
76
Op de vraag van mijnheer Donze, hoe hij dit wist,
deelde Hateling tot explicatie mede, dat hij ruim een
jaar te voren, toen hij in Leiden zijn moest, op verzoek
van Gerrit\'s moeder dezen een bezoek had gebracht;
dat hij daar de kamer vol had gevonden met studenten,
die allen druk bitterden, en wel ter eere van den
goeden afloop van een door Gerrit gedanen Tantalus\');
dat zij hem daarop mede hadden genomen eerst naar
de studententafel, toen in een open wagentje (N.B. in
Maart, mijnheer) naar de Vink, en ten slotte naar de
studentensociëteit, van waar zij hem niet eerder had-
den laten weggaan, dan toen het te laat was, om als
fatsoenlijk mensch naar een logement te gaan; en hjj
dus wat er van den nacht nog over was op Witse\'s
kamer, op de canapé, had doorgebracht, en den vol-
genden dag, en nog dagen daarna, onpleizierig, ja half
ziek was geweest.
Mijnheer Donze kon zich den loop van Hateling\'s weder-
varen in Leiden levendig voorstellen. Hij zag hem daar
in de sociëteit, in een fauteuil op een biljart gezeten,
meenende geëerd te worden en toch de risee van de
jonge zonen van Minerva; hij voelde zijn haarpijn den
volgenden dag en wat dies meer zij; — maar wilde
toch wel eens weten, in hoeverre Witse zelf de eerste
schuld van dit alles was. Hij zeide daarom:
„Kon u zoo maar aan die studententafel en op de
sociëteit komen, of introduceerde u de heer "Witse daar?"
En Hateling antwoordde:
„Neen, "Witse was er zeer tegen; hij wilde dat ik
\') voor tentamen, voorloopig examen.
-ocr page 91-
77
bij hem op zijn kamer bleef eten. Hij was zeker bang,
dat ik te veel zou zien en hooren en in Rotterdam
vertellen. Maar de andere studenten, die bij hem waren,
drongen er op aan, dat ik mede ging, en beloofden
mij een delicieus diner en eene soiree amusante; en ik
wilde dat studentenleven toch ook wel eens van nabij
zien."
„Daar had u volkomen gelijk in!" zeide mijnheer
Donze. „U heeft er echter zeker in eens genoeg van
gekregen ?"
„On ne m\'y prendra plus!" zei Hateling. „En te
te zien, dat die Witse, die in Rotterdam niets is, zich
niet weet te bewegen in kringen comme il faut —
daar, onder die jongelui, een invloedrijk personage
was, dat surpasseerde mijn begrip. In plaats van hem
naar Leiden te zenden, hadden zijne ouders beter ge-
daan, als zij hem, hun eenig kind, een jaar of wat
naar Parijs hadden gezonden voor zijn educatie. Zij
hebben daartoe moyens genoeg. De oude heer wordt
op minstens een ton of vijf geschat. Maar die ouders
wilden van hun zoon au moins een professor maken."
„Ik begrijp niet," zeide mevrouw, „dat de oude heer
en mevrouw Witse, als zij zoo gefortuneerd zijn, hun
eenig kind dokter hebben kunnen laten worden; of
dat do jonge heer dat vak gekozen heeft, waaraan
zooveel lasten en verdrietelijkheden, ja ook gevaren
verbonden zijn."
„Ni moi non plus, mevrouw!" antwoordde Hateling.
„Maar die familie "Witse heeft allerlei singulariteiten!"
Kn Hateling deelde enkele daarvan mede: als de be-
zoeken, die de oude mevrouw, soms met een mandje
-ocr page 92-
78
aan haar arm, in arme buurten deed, en de zorg die
de oude heer droeg tot zelfs voor de kinderen van
zijn klerken, van welke er een op zijn kosten, voor
zijn gezondheid, naar Gelderland was gestuurd.
Na afloop van het diner deed mijnheer Donze met
Hateling eene wandeling door de plaats, gedurende
welke de laatste niet naliet gedurig zijne bewondering
in de sterkste, liefst fransche bewoordingen te uiten.
En toen zij eindelijk in een ongeveer vijf minuten lang
berceau kwamen, waarin mijnheer Donze op verschil-
lende plaatsen een twaalftal beelden van Cararisch
marmer had laten plaatsen, verklaarde Hateling dat
hij verstomd was van bewondering; en bewees dit, door
het berceau te vergelijken met de Elyseesche velden,
met de hangende tuinen van Babel, en met al het
moois waarvan hij ooit gehoord of gelezen had, en dat
hier alles vereenigd zou zijn.
Hoe gevoelig mijnheer Donze, die zelf, geholpen
door Zocher, de, plaats had aangelegd, anders ook was
voor den indruk, dien zij op zijne bezoekers maakte,
Hateliug\'s lofredenen werden door hem ternauwernood
gehoord. Hateling verveelde hem; hij vond hem te
dom, dan dat hij verder eenigen lust gevoelde zich te
zijnen koste te amuseeren. Hij riep den tuinknecht,
en zich bij Hateling wegens zijn moeielijk loopen ver-
ontschuldigende, zeide hij: „Jan, leid mijnheer eens
rond;" en hij gaf Jan de plaatsen op, waarheen hij
hem moest geleiden, en die volgens zijne verklaring
aan Hateling, het meest aan de bezoekers bevielen,
maar tevens — dit zeide hij niet — nog al tijd in
beslag namen. Mijnheer Donze zette zich, alsof hij niet
-ocr page 93-
79
meer kon loopen, op een bank neder, maar stond,
zoodra hij Hateling uit het gezicht verloren had, snel
op; en al mompelend: „neen, dan heilig nog Vernooy,
hoe vervelend die ook zijn kan," wendde hij zijne
schreden naar huis en begaf zich daar aanstonds naar
Klaartje\'s kamer, waar hij zijne vrouw vond, gezeten
bij het bed zijner dochter. Zij wenkte hem stil te
zijn en fluisterde: „Klaar slaapt!" — Doch Klaartje
sliep niet; zij hield zich slechts alsof zij sliep. Zij wilde
niet praten; want zij zou rekenschap hebben moeten
geven van haar zonderling doen. Haar hart was vol
van allerlei dingen; soms gevoelde zij zelfs lust tot
huilen.
Toen ongeveer een uur later Hateling met zijn ge
leider het huis weer naderde, vond hij mijnheer en
mevrouw Donze in de veranda bij de theetafel. Men
liet hem ongestoord zijne tot extase geklommen be-
wondering over alles uiten, en beantwoordde zijn be-
langstellende vraag naar den toestand van Klaartje
met de mededeeling, dat zij sliep en dat dit een goed
teeken bij die galaandoening was.
• Het gesprek vlotte niet bijzonder. Mevrouw sprak
weinig en zag er bleek uit. Mijnheer verontschuldigde
zich over zijn weinige opgewektheid met een voorge-
wende hevige hoofdpijn, die hem nu en dan een pijnlijk
gezicht deed zetten. Tegenover deze stilte begon zelfs
Hatelings bespraaktheid te ebben en geraakte eindelijk
tot volslagen stilstand. Van deze gelegenheid maakte
mijnheer Donze gebruik, om Hateling te zeggen dat het
rijtuig zeker al voorstond: waarop deze zich veront-
schuldigde met te zeggen, dat hij dit niet geweten
-ocr page 94-
80
had; en na bedankt te hebben voor de charmante ont-
vangst en het deli kunstgenot; na uiting gegeven te
hebbon aan zijn ardenten wensch, dat mejuffrouw „uwe
dochter" weldra weer geheel hersteld zou zijn, en de
permissie gevraagd te hebben, den volgenden dageven
te komen informeoren, hoe de juffrouw zich bevond —
waarop mijnheer Donze haastig gerepliceerd had:
„De hemel beware ons, dat u voor eene lichte onge-
steldheid mijner dochter uw reisplan in de war zou
brengen;" — en Hateling verzekerd had, dat dit niets
zou beteekenen, daar hij aan geen tijd gebonden was; —
en daarop mijnheer Donze verklaard had, dat hij zulk
eene te ver gedreven belangstelling in een nietigheid
heusch kwalijk zou moeten nemen; en hierop Hateling
verder gevraagd had, of hij dit dan op de terugreis
zou mogen doen; en daarop mijnheer Donze weer ge-
antwoord had, dat hij dan een vergeefschen omweg
zou maken, dewijl zij de volgende week op reis zouden
gaan; en verder op de bescheiden vraag van Hateling
waarheen hij dacht te gaan, voorzichtiglijk had ver-
klaard, dat dat nog niet geheel zeker was.
Nadat dit alles afgehandeld was, maakte Hateling
eene on ne peut plus onberispelijke buiging voor mevrouw
en ging toen, begeleid door mijnheer Donze, naar
het hem wachtende rijtuig, waar mijnheer Donze hem
nog een Bon-Voyage toeriep.
„Dat was een dag die telt, vrouw !" zeide mijnheer
Donze toen hij weer bij zijne vrouw zat, en hij haalde eens
diep adem. „Wat een keurig beschilderde windbuil."
„Ik maak mij ongerust over Klaar!" zeide mevrouw
na eenige oogenblikken.
-ocr page 95-
81
„Och kom, die is morgen weer beter," stelde haar
man haar gerust.
„Neen, ik bedoel niet haar physiek, maar haar hart,"
zeide mevrouw.
„Wees niet zoo dwaas. Die Hateling kan op haar
geen indruk gemaakt hebben. Dat is totaal onmogelijk,
hoe blind de liefde ook wezen moge," repliceerde
mijnheer.
„Ik denk ook volstrekt niet aan Hateling, maar aan
den jongen dokter!" ging mevrouw voort
„Witse! Hm! hm! Ja, dat is wat anders, dat zou
kunnen. Die ellendige Rotterdammers!" zeide mijnheer
en verzonk in nadenken.
TWEE REISJES.
Den volgenden morgen was Klaartje weer aan \'t
ontbijt. Zij zag er echter betrokken uit. Op de vraag
haars vaders wat haar den vorigen dag eigenlijk ge-
scheeld had, antwoordde zij: „\'k Weet het niet, Papa.
Ik denk jongemeisjeskuren: opgewonden \'t eene oogen-
blik, en \'t andere groote lust om uit te barsten in
huilen."
„Maar daarvoor is toch altijd een oorzaak, kindlief!"
zeide mevrouw.
„Dan kan het niemand of niets anders dan die Hateling
zijn," antwoordde Klaartje. „Ik schaam er mij over,
-ocr page 96-
82
dat ik mij, twee jaren geleden, zoozeer in zijn gezelschap,
en met hem ten koste van anderen, geamuseerd heb."
„Dus," zeide Papa, „de jonge dame had zich voor-
gesteld zich weer zoo te zullen amuseeren, en van
daar hare opgewondenheid; maar zij vond zich bitter
teleurgesteld, en dat begrijp ik, en daarom zoo ver-
drietig en ontevreden."
„\'t Zal wel zoo iets zijn, Papa!" antwoordde Klaartje.
„Als jij nu dien mijnheer maar voor goed uit je
zinnen zet," ging papa voort.
„\'k Zal mijn best doen!" antwoordde Klaartje en lachte.
„Ik heb gisteren een plannetje bedacht," zeide daar-
op papa, „en wel om een dag of wat op reis te gaan,
eerst naar Kleef en dan verder een eind den Rijn op.
Wat zeggen de dames daarvan?"
„Uitstekend!" zei mevrouw. Maar Klaartje, die anders
veel van reizen hield, zei niets. Een trek van teleur-
stelling vertoonde zich op haar gelaat, die aan haar
papa niet ontging, en hem noopte onmiddelijk te zeg-
gen : „En wie zwijgt, consenteert. Dus eenstemmig
aangenomen. Kunnen de dames, \'t is heden Zaterdag,
tegen Dinsdagmorgen gereed zijn?"
„Zeker," antwoordde mevrouw, terwijl Klaartje er
al weer het zwijgen aan toe deed.
„Wij gaan dan weer, als vroeger, met ons eigen
rijtuig en de twee bruintjes, en nemen mama\'s kamenier
mee." En om alle verder terugkomen op de zaak af
te snijden, begon mijnheer Donze over andere zaken
te spreken, en stond, zoodra hij met zijn ontblijt klaar
was, op en verliet de kamer.
„Waarom in eens dat reisplan ? dacht Klaartje. Papa
-ocr page 97-
83
heeft er te voren niet over gesproken! En zoo haastig!
Wat zit daar achter? Zij had ook kunnen vragen: En
waarom ben ik, anders zoo reisluchtig, er niet mee
ingenomen ? \'t Is toch niet de onzekerheid omtrent
Barte\'s toestand ?
Des Zondags namiddags vinden wij Gerrit weer te
Sprankendel; des morgens was hij, volgens de gewoonte
der meeste medici van zijn tijd, ter kerke geweest. De
zieke is veel beter, en moeder en zuster en broeder
zijn opgeruimd en dankbaar, ook jegens hem. Hij doet
zijn best ook beide te zijn, maar is het slechts ge-
brekkig. Hij is het ook met zichzelven oneens, of hij
eens vragen zal, of juffrouw Donze er ook weer ge-
weest is ; maar vindt het eindelijk verstandiger, dat
niet te doen. Hij staat op om weg te gaan, en zegt
dat hij eerst Dinsdag weer eens zal komen kijken.
Maar nu zegt de oude vrouw in eens:
„O ja dokter, ik had het host vergeten. De juffer
hèt me gezeid, d\'ak oe is vraogen most, ofBartesums
al een glas wien mag hebbe, dan zou ze mèrge wat
sturen, want overmerge geet de familje vur een poos
op reis naor Duitschland."
„Ja zeker mag Barto al een glaasje wijn hebben,
\'s middags en \'s avonds eer ze gaat slapen. Je moet
maar vragen om wat Bourgogne en wat Port. Maar
wacht ik zal \'t wel opschrijven, dat is sekuurder." En
hij schreef op een receptenpapiertje: „Belegen Bour-
gogne en later Oude Port", en zeide: „Nu begin je
-ocr page 98-
84
met een flesch waarop geen kalkstreep gemaakt is,
hoor! En nu atjuus!"
Klaartje op Sprankendel geweest en haar weer mis-
geloopen ! Klaartje op reis ! en wie weet voor hoe lang!
Deze gedachten hielden Gerrit bezig op zijne wandeling
naar de stad. Toen hij Wildhoef ter zijde zag liggen
stond hij een poosje stil, en wierp een verlangenden
blik naar het huis. Hij wist niet, dat Klaartje, die
zich in een koepeltje niet ver van den straatweg had
nedergezet (ja wezenlijk, met de hoop om hem te zien
voorbijkomen), maar zóó dat zij niet kon gezien wor-
den, hem gadesloeg, en dat een warme blos haar gelaat
overstroomde, toen zij hem zoo zag staan turen op
het huis. Hoe gelukkig zou hij geweest zijn, als hij
dit had geweten; ja overgelukkig, als hij daar dan
nog bij geweten had, dat Klaartje in de grootste ver-
zoeking kwam, zich aan hem te vertoonen en hem
zelfs te vragen, hoe het met Barte ging. Zij zou zeker
aan haren aandrang om dit te doen voldaan hebben,
als zij zelve niet eenige dagen geleden had aangeboden
hem naar de stad te rijden, en hij niet.... maar dat
moest vergeven en vergeten zijn!
Gerrit zette mismoedig zijnen weg voort, en Klaartje
werd weer boos op hare ouders, die wel dien Hateling
bij zich ten eten hadden gehouden, maar Witse niet
eens uitgenoodigd hadden, zijn bezoek te hervatten;
en nog meer op haar vader, die juist nu — en er
ging haar een licht op — met een bepaalde bedoeling,
dat reisje op touw had gezet. — „Dit is een streep
gemaakt door mijne rekening, Papatje!" zeide zij mompe-
lend. „Straks maakt Klaar ze door de uwe! Op Witse
-ocr page 99-
85
is niets te zeggen. Als zijn ouders en de Vernooy\'s
wat gek over hem gesproken hebben, is \'t zijn schuld
niet. En dat hij op Klaartje\'s fortuin zou azen, dat
kan niemand denken. Zjjn ouders zijn heel rijk, heeft
tante Vernooy vaak genoeg gezegd, en die kan het
weten. Neen Klaartje Donze wordt mettertijd mevrouw
Witse, daar kunt ge op rekenen, Pa en Ma. Als Ger-
retje, die even sterk bloosde als ik, het maar wil."
Twee maanden zijn sedert dien Zondag verloopen.
Gerrit heeft afwisselend getreurd en zich getroost-,
veel op het bij juffrouw Schreuder gekochtje portretje
gekeken, veel zieken helpen genezen of moeten laten
dood gaan, zonder er iets tegen te kunnen doen; en
heeft, reeds een geheel eigen praktijk in twee burger-
gezinnen gekregen, familie van zijn huisbaas. De vol-
gende week zal hij voor een dag of veertien naar Rot-
terdam gaan, om wat uit te rusten.
En Klaartje heeft zes weken lang zich in allerlei
logementen, met mooie, minder mooie en yeen uitzich-
ten, te beginnen met Maywald, geërgerd, dat, waar men
het t\'huis zooveel beter had en zich aan gloeienden zonne-
schijn onttrok, men voor zijn pleizier, zijn gezondheid,
of wat ook, zich het slechtere en vuilere, althans minder
zindelijke getroostte, en aan herhaalde gevaren van
doodelijke of minder erge zonnesteken blootstelde. Zij
is, al hebben hare ouders, om harentwil alleen, dat
reisje gedaan en zich alle gerieflijkheden ontzegd, een
alles behalve aangename, tevreden reisgenoote geweest.
-ocr page 100-
86
Slechts een paar malen \'s daags, maar steeds buiten
het oog harer ouders, had haar gelaat een tevreden,
soms zelfs een vriendelijke uitdrukking gekregen, als
zij namelijk het, anders in haren boezem zorgvuldig ge-
borgen, receptpapiertje voor den dag gehaald had en
de daarop voor \'t overige zoo onschuldige woorden:
„Belegen Bourgogne en later oude Port" aanstaarde.
Zij is nu reeds weder veertien dagen thuis en herhaalde
malen bij de Symens geweest. Maar daar is niemand
meer ziek, en komt dus geen dokter meer. Reeds
enkele malen is, in haar anders zoo voor leed en lijden
gevoelig hart, de ondeugende gedachte opgerezen, maar
ook aanstonds weer met verontwaardiging teruggedre-
ven: „De oude vrouw kon nu wel eens een hevigen
aanval van rhumatiek krijgen, of Gilles de vriendelijk-
heid hebben, van den hooiberg te vallen, en een arm
(neen dat gaf niets, dan ging hij zelf naar den dokter)
een been te breken." — Maar hoe krachtig anders het
kwade gedijt, ditmaal bleef het, en bepaaldelijk tot
hare straf, achterwege.
Verscheidene malen, nu eens \'s morgens, dan weer
\'s middags, en ook wel \'s avonds, had zij geruimen tijd in
het tentje bij den weg gezeten, en zich boos gemaakt,
dat Gerrit geen enkele maal voorbijkwam, onverschillig
of hij zieken had te bezoeken of niet. Zij bedacht niet
eens, dat de goede Gerrit in \'t minst niet kon ver-
moeden dat zij daar zat, nog minder, dat zij naar hem
uitkeek.
De naam Witse was door haar ouders in al dien
tjjd, in haar bijzijn, geen enkele maal genoemd. Dit
had ook haar weerhouden hem uit te spreken. Anders
-ocr page 101-
87
had zij lichtelijk wel eens de opmerking gemaakt, dat
men hem wel eens mocht uitnoodigen na het onthaal
aan Hateling gegeven.
Hoe zouden zij nu weer eens bij elkander gebracht
worden ? Kon zij er iets aan doen ? Als zij eens rijdende
haar ponies door een paar fiksche zweepslagen wild
maakte, zoodat ze op hol gingen, en zij eene verwon-
ding kreeg, waarbij een dokter moest gehaald worden ?
Maar dan zou zeker dokter Witse niet worden geroe-
pen. Of als hij dan in de teugels greep en de hitten
tot staan bracht? Maar dan moest hij daar juist op
den weg zijn, en bovendien nog vlugheid en kracht
genoeg hebben, om dat gevaarlijk werk te verrichten ?
En als hij dan daarbij zelf eens een ongeluk kreeg!
Die gedachte deed haar rillen.
Neen, zij kon niets doen! Maar hij ? Ja wist hij
maar, dat zij zooveel van hem hield! Maar dat had
ze hem nooit laten merken. Mogelijk wel het tegendeel!
Klaartje wist niet, dat haar ouders vaak spraken
over hetgeen haar wel mocht préoccupeeren, en dat
in die gesprekken Witse\'s naam herhaaldelijk werd
uitgesproken. Eindelijk zeide mijnheer Donze tegen
zijne vrouw: „Heden middag aan \'t dessert zal ik den
naam Witse eens onverwachts uitspreken, zonder Klaar
aan te zien; maar sla jij haar dan goed gade."
En hij deed wat hij gezegd had. Hij was \'s morgens
naar de stad geweest en vertelde nu zijne vrouw het een
en ander van wat hij gedaan had, en zeide toen
in eens:
„Ook heb ik den heer Witse gezien, die mij echter
niet zag of niet herkende."
-ocr page 102-
88
Bij den naam Witse schrok Klaartje en kreeg een
geduchte kleur, \'t welk aanstonds door hare moeder
opgemerkt werd. Om haren man ook de gelegenheid
te geven het op te merken, zeide mevrouw:
„En heb je geen poging aangewend om zijn attentie
te trekken door hem te groeten ?"
„Ik zat nog in \'t rijtuig, en heb hem wel gegroet,
maar wilde toch het rijtuig niet laten stilstaan," ant-
woordde de heer Donze, en ging verder met andere
dingen voort.
Klaartje zeide niets. Zij deed slechts al het mogelijke
om haar ontroerd-zijn te verbergen, doch dit gelukte
haar slechts ten halve.
Haar vader en moeder hadden nu evenwel de zeker-
heid, dat wat zij vermoed hadden, waarheid was; dat
Klaartje haar hart, dat tot dusverre hun alleen behoord
had, aan Witse had geschonken. Denzelfden avond nog
gingen zij te rade, wat hun te doen stond. Klaartje\'s
leven te verbitteren, daaraan dachten zij niet. \'t Geluk
van hun kind woog hun zwaarder dan hun verlangen
haar bij zich te houden. Eene gelegenheid om de jonge
lieden bij elkaar te brengen, meenden zij, zou licht te
vinden zijn. Maar was Witse de geschikte man voor
Klaartje? Zij wisten niets van hem. Op \'t geen de
Venrooys verteld hadden of nog zouden vertellen, was
evenmin staat te maken als op \'t geen Hateling gezegd
had. Daar bedacht mijnheer Donze, dat een gewezen
stadgenoot en medeleerling op \'t gymnasium, met wien
hij zelfs als student, hoewel zij in verschillende facul-
teiten studeerden, nog omgegaan had, professor te Lei-
den was; wol niet in de medicijnen, maar toch profes-
-ocr page 103-
89
sor. Deze zoude, met eenigen goeden wil en een weinig
moeite, hem alle gewenschte inlichtingen kunnen geven.
En denzelfdeu avond nog verzocht hij dezen ouden
vriend hem te willen verplichten, door bij zijne collega\'s
in de medicijnen eens te informeeren naar de capaci-
teiten enz. van zekeren jongen dokter, G. Witse, die
zich in de buurt van Wildhoef had gevestigd, en dien
hij er over dacht, als medicus voor zich en zijn gezin
te nemen, daar hun oude medicus gebrekkig en ziekelijk
werd. Gaarne zoude hij ook vernemen al wat er, ook
buiten de capaciteiten, zoowel ten voordeele als ten
nadeele van den vroegeren student Witse te zeggen
was ....
Reeds drie dagen later kreeg de heer Donze van
professor Mollig het volgende antwoord:
„Amice, het deed mij goed eens weer iets van n te
hooren. Onmiddellijk herkende ik, reeds aan \'t adres,
uw altijd net, maar klein en bijna onleesbaar, schrift.
Gij hadt bij niemand beter terecht kunnen komen,
om inlichtingen over Witse, dan bij mij. Hij was een
der beste vrienden van mijnen oudsten zoon, die ook
medicus is, en kwam zeer veel bij ons aan huis. De
laatste jaren dineerde hjj alle veertien dagen eenmaal
bij ons; en steeds heb ik behagen gehad in zijn aange-
naam en degelijk onderhoud en zijn groote gevatheid.
Al zijne examens heeft hij met den l6n graad gedaan,
en zijn dissertatie, dit zeide mij hedenmorgen nog zijn
promotor, is een prachtig stuk. Wil hieruit niet conclu-
deeren, dat hij een college-hengst of boekenworm was.
Integendeel. Hij was een echt student in den goeden
zin des woords; deed mede waar het pas te kwam en
-ocr page 104-
90
was zeer gezien onder de jonge lui, zoodat zij hem
eens zelfs tot rector van den Senaat verkozen, voor
welke eer hij echter bedankte. Hjj ging ook niet geheel
in de medicijnen op, maar hield er goede liefhebberijen
op na, was lid van letterkundige gezelschappen, en een
groot vriend van Haas en Klaas. Doch die namen kent
gij niet. De namen onder welke H. en K. voor\'t publiek
optraden, Jonathan en Hüdebrand, zullen u, vertrouw
ik, beter bekend zijn.
Dat dit jonge mensch, de eenige zoon van zeer be-
middelde ouders uit Rotterdam, in de medicijnen ging
studeeren, en wat meer zegt, bleef studeeren, heeft mij
en menigeen hier verwonderd. Op vragen, hem omtrent
de keuze van dat vak gedaan, gaf hij steeds een ont-
wijkend antwoord, of wel deed hjj de wedervraag: „of
er iets kwaads in was."
Dat hij zijn beroep ernstig opvat is zeker; en in uwe
plaats verkeerende, zou ik hem zeker tot medicus ne-
men. Entre nous, ik had hem zelfs gaarne tot schoon-
zoon gehad, en mijne vrouw en ik maakten ons daarover
reeds illusies, toen hij aan onze tweede dochter her-
haaldelijk kleine attenties bewees, en wij bemerkten
dat zij hem gaarne lijden mocht. Maar zoodra Witse
zag, dat men haar met hem plaagde, trok hij zich in
zijn schulp terug en kwam er niet meer uit.
Wat uw verdere schrijven aangaat enz."
Deze voor Gerrit Witse zoo gunstig mogelijke be-
richten namen alle bezwaren, die mijnheer en mevrouw
Donze tegen hem zouden kunnen hebben, geheel weg;
en de vraag deed zich nu voor, wat zij zouden kunnen
doen. De zaak was lastiger, dan zij zich eerst hadden
-ocr page 105-
91
voorgesteld. Van Klaartje\'s genegenheid voor Witse
waren zij zeker. Maar Witse zelf? Hadden zij eenig
bewijs, dat hij iets voor haar gevoelde? Niet het minste.
Hij had haar slechts driemaal ontmoet; eerst te Rotter-
dam, daarna bij de Symens, ten slotte op Wildhoef.
Nu waren wel alle dingen mogelijk, maar waarschijnlijk
was het niet, dat hij tengevolge dier eerste ontmoeting
iets voor Klaartje zou hebben gevoeld. Ware dat het
geval, dan had hij zich zeker bij de Vernooy\'s wel een
introductie op Wildhoef weten te bezorgen, toen hij zich
in de buurt ging vestigen; even goed als Hateling dit
had gedaan. Zijne vestiging in N., zoo in de nabijheid
van Wildhoef, anders een lichtpunt, verloor door dit
achterwege laten, haar beteekenis in deze. De laatste
ontmoeting op Wildhoef getuigde wel van zeker inge-
nomenheid — Klaartje\'s aanbod om hem naar N. te
rijden, had hem een — dat was merkbaar geweest —
genoegen gedaan — maar Klaar zelve was te vinnig
geweest. Bleef over de ontmoeting bij de Symens!
Deze was kort geweest; maar zijn voldoen aan Klaars
verzoek getuigde weder van „ja, van welwillendheid,"
maar mogelijk van niets meer. En volgens prof. Mollig\'s
brief was welwillendheid een zijner karaktertrekken; en
wie zou niet welwillend zijn jegens een jong meisje,
dat er zoo goed uitzag als Klaar? Als hij werkelijk
een oog op Klaar had geslagen, was hij zeker nog
wel eens op Wildhoef gekomen, waar hij toch niet
onvriendelijk of stijf ontvangen was, — al had men hem
ook niet gevraagd, het bezoek te hervatten of eene
bepaalde uitnoodiging gedaan. Mijnheer Donze had
immers toch gezegd: Au revoir!
-ocr page 106-
92
En de geheele langdurige bespreking van vader en
moeder Donze eindigde met de overtuiging, dat zij
voor een groot vraagteeken stonden, zoowel wat Witse\'s
gezindheid betrof, als ten opzichte van hetgeen zij
doen moesten en konden, zonder den schijn, ja meer
dan den schijn, op zich te laden, dat zij jacht maakten
op een bepaalden jongen man voor hun dochter. En
zoo had men het geval, dat Gerrit wel wilde, en
Klaartje wel wilde, en papa en mama Donze wel wil-
den, maar dat allen, doordat niemand van der anderen
willen iets bepaald wist, in verlegenheid waren. En dat
alles was het gevolg van een overdreven voorzichtig-
heid van mama Donze, waarop papa Donze, weldra als
op eene dwaasheid en de eenige oorzaak hunner ver-
legenheid, ging wijzen; eene voorzichtigheid ook door
Klaartje evenmin als door Gerrit vriendelijk opgeno-
men. Mama, die goede ziel, werd de zondenbok; en
met haar kreeg de koetsier van Wildhoef den last
der verlegenheid te dragen. Gingen mijnheer en mevrouw
Donze vroeger zelden meer dan eenmaal per week
naar de stad, thans had hij geregeld eiken dag te
rijden, den eenen dag mijnheer, den anderen mevrouw,
den derden dag beiden. Klaartje echter ging zoo goed
als nooit met hen mede. Zij deed haar commissies op
eigen gelegenheid, maar nam vaker dan vroeger den
palfrenier mede.
Het doel van al die tochten was, natuurlijk, eene
toevallige ontmoeting met Gerrit, aan wien men dan
zijn verbazing zou betuigen, dat hij zijn bezoek op
Wildhoef niet herhaald had; en zijn leedwezen, dat
hij misschien door Klaartje\'s wel scherpe, maar toch
-ocr page 107-
93
zoo kwaad niet bedoelde woorden, afgeschrikt was.
Maar hoe lang de heer Donze zijne lastige wande-
lingen in allerlei buurten der stad, waar hij anderB
nooit kwam, ook maakte; en hoezeer mevrouw zelfs
terwijl zij in een of anderen winkel stond nog over de
straat gluurde, van Witse zagen zij niets. En dat was
niet te verwonderen. Gerrit zat in Rotterdam, ofschoon
juist niet voor zijn pleizier, dank zij de moederlijke
bezorgdheid van mama Witse, om haren zoon thans
aan eene wederhelft te helpen. Nog den laatsten avond
voor zijn vertrek, kwam mama op den ouden tekst
terug, dat een man niet alleen moet zijn, en stelde
hem Antje A. en Koosje B. en Eugenie C. enz. voor,
die hij allen wel zou kunnen krijgen als... Eindelijk
viel Gerrit haar verdrietig in de rede en zeide:
„Och ma, houd nu toch eindelijk met die dingen
op. Het helpt u alles niets. Ik zal het u maar zeggen —
maar eerst de plechtige belofte, dat u verder naar
geen dingen\' vraagt, die ik u niet dadelijk zeg."
„Dat beloof ik heilig, Gerrit!" zeide mama.
„Ik heb," ging nu haar zoon verder voort, „ik heb
mijn hart gezet op eene jonge dame, lief en ontwik-
keld en van eene fatsoenlijke familie — dit tot uwe
geruststelling. Als ik die krijgen kan, waaraan ik soms
wanhoop, dan is het goed. Maar anders blijf ik onge-
trouwd."
„Arme jongen," zei mama; „maar...."
„Denk aan uwe belofte, mama!" viel Gerrit in; en
de goede vrouw, die voelde, dat als zij bleef zitten, het
haar onmogelijk zou zijn, haar belofte te houden,
stond op en ging heen.
-ocr page 108-
94
Gerrit had tweemaal een bezoek aan de Vernooy\'s
gebracht, en daar vernomen, dat Hateling, althans
naar zijn zeggen, allercharmantst op Wildhoef was ont-
vangen en er den dag déli had doorgebracht, maar
weinig van Klaartje gezien, die ongesteld was. Mevrouw
Vernooy had hem aangeboden, ook hem een introductie
aan de Donze\'s te geven evenals aan Hateling; maar
hij had er voor bedankt. Gedrongen, de reden dier
weigering mede te deelen, had hij gezegd, dat hij
meende niet welkom te zullen zijn op Wildhoef, en
verteld, hoe hij daar, op verzoek van Klaartje gekomen
om bericht te geven over eene zieke, wel vriendelijk
ontvangen was, maar niet eens uitgenoodigd om het
bezoek te herhalen.
„Zoo iets verwondert mij erg van mijn broer en
schoonzuster," had mevrouw Vernooy geantwoord. En
onmiddellijk had zij bij zich zelve gezegd: Daar wil
ik toch eens het mijne van hebben.
\'t Resultaat van Gerrit\'s mededeeling was, dat een
zeer lange epistel van Rotterdam naar Wildhoef ging,
waarin de goede vrouw zich zeer beklaagde over de
weinige hartelijkheid, neen de lompheid, aan haren
bijzonderen gunsteling, den zoo door en door goeden
en knappen Gerrit Witse, betoond; terwijl die andere,
zoo veel minder goede Hateling, die in Gerrit\'s scha-
duw niet kon staan, en die haar om die bezorgde
brieven te krijgen erg lastig was gevallen, zoo buiten-
gewoon hartelijk en beleefd was ontvangen.
Als postscriptum voegde zij er aan toe: „Je behoeft
je wezenlijk niet bang te maken, dat hij soms aan
nicht Klaartje het hof zou gaan maken. Zijn mama
-ocr page 109-
95
heeft mij gisteren als een geheim — bewaar jij dat
geheim nu ook zoo goed als ik — verteld, dat Gerrit
haar bekend had, dat hij verliefd was — op wie, wou ze
niet zeggen;... maar voordat het engagement publiek
wordt, zou ze mij volkomen op de hoogte brengen."
RUTING EN BRIEVEN.
Gerrit kwam, op den door hem bepaalden tijd, in
zijn Geldersche woonplaats terug en hervatte zijne
dubbele, waargenomen en eigen, praktijk. Hij gevoelde
zich hier gelukkiger dan in Rotterdam. Hij had weer
werk; ademde een andere, daarbij nog op een uur af-
stands eigenaardig bezwangerde, lucht, en werd niet
met allerlei jonge meisjes gekweld.
Den tweeden namiddag na zijn terugkomst, kwam
de lust bij hem op, eens naar Sprankendel te wande-
len, om te zien of Barte Symen nu reeds weer in al
haar gewone doen was, en haar, des noodig, nog eens
een goeden raad of aanwijzing te geven. Allerhartelijkst
werd hij door Barte en haar moeder ontvangen; Mieke
en Gilles waren aan \'t werk op het land. Barte was
weer geheel de oude, vroolijke, gezonde zus van voor haar
ziekte — \'t evenbeeld van, maar wat fijner dan Mieke —
en vroeg, of zij den dokter, die haar zoo lang getrak-
teerd had op bittere en nare dingen, nou ook is trak-
-ocr page 110-
96
teeren mocht, mar op iets lekkers, heur, dor die lui
uut de stad zoo veul van houwen!
„En wat zal dat zijn ?" vroeg Gerrit. „Als \'t lekker
is, graag."
„Ruting /" zei Barte.
„Wat is dat?" zei Gerrit, „ruting, ruting!"
„Nou kom dokter! Oe zou niet weten wa ruting is.
Oe, die alles wit!" zei Barte. „Nou wil oe mien vur
de gek houwen."
„Neen," verzekerde Gerrit, „ik weet het heusch
niet!"
„Lop hin!" zei Barte en zij liep weg, om een poosje
later terug te komen, met een schoteltje hangop, een
bord, een kannetje zoete melk, een suikerpot en twee
lepels.
„Dit is nou ruting!" zei Barte, „en hier hèt oe be-
schuut, en suker en zuute melk."
„En wat moet dat alles?" vroeg Gerrit, wien hangop
eene onbekende spijs was.
„Hedde van ze léven! da zou de dokter oak al weer
nie wéten? Oe houwt mien vur \'t lepke." zei Barte.
„Neen, werkelijk, ik weet er niets van, Barte!" be-
tuigde Gerrit. „Je moet denken, dat ik uit een groote
stad kom, waar ze zulke dingen niet hebben. Ik heb
dit goedje — zulke ruting, nooit gezien. Nu moet jij
me helpen zoo als ik jou geholpen heb, toen je ziek
waart."
„Nou, zal ik dat dan mar is klaor maoken as of \'t
vur mienzelvers was, of vur de juffer?" vroeg Barte.
„Als je belieft," zei Gerrit. „Eet de juffrouw dat
hier ook wel."
-ocr page 111-
97
„Nou, en wa graog! Hoe\'n jammer! as oe nou \'n
kwartiertje irder gekommen waort, dan had oe de juf-
fer ook hier getroffen, en dan had oe allebei ins ruting
kunnen éten; en dan had ze oe meteen kunnen ver-
tellen, hoe ze die ruting ien Holland, ien Amsterdam
za \'k mar zeggen, nuraen."
„Zoo!" zei Gerrit, „is de juffrouw straks hier ge-
weest."
„Jao mins!" zei de oude vrouw, „en ze het nog
gevraogd, of de dokter heel nie iner hier kumt; of\' hi
al afschied geneumen het."
„Ik heb de juffrouw in lang niet gezien," zei Gen-it.
„Nou dan zou \'t nie kwaod zien, as oe ins nor heur
toegiengt. Want, ziet oe, dokter, ze ziet er niks nie
goed uut. En \'k heb heur al gezeid, juffer, oe bint zoo
heel anders as anders. Oe ziet zéker ziek. Oe mot den
dokter ins laoten kommen; en dan mot oe nie dien
ouwen nemen, mar dien jongen, dien Barte oak gehad
het, en dien oe wel kent. Die zal oe wel weer gauw
opknappen. En toe lachte ze ins en zei: jao, wa, zei
ze ook weer, Barte?"
„Ze zei, moeder, da ze deur is óver denken zou;
en toe lachte ze weer," zei Barte.
„Nu, als iemand lachen kan, is \'t een bewijs, dat
hij nog zoo erg ziek niet is," zeide Gerrit. En ook hij
lachte, en at, na verzekerd te hebben dat het „zuiif
genoeg was, het door Barte klaar gemaakte mengsel,
en zei dat het hem heerlijk smaakte, en hjj het nog eens
zou komen eten, waarop Barte en moeder beiden te
gelijk zeiden: „Nou da\'s goed, dokter. Dat mot oe doen \'.\'\'
Eu toen hij een poosje later wegging, was hij zoo
7
-ocr page 112-
98
dankbaar, dat hij, uit loutere dankbaarheid, Barte niet
alleen een hand gaf, dat deed hij wel meer — maar
haar even in de kin kneep, waarover Barte, als een
echte Geldersehe jonge boerin, volstrekt niet boos
werd. „Dat de dokter ins heur kin gevuuld had, in plats
van de pols, was wel heel aordig."
De brief van mevrouw Vernooy hielp mijnheer en
mevrouw Donze uit eene groote verlegenheid. Op dien
brief zich beroepende, konden zij Dr. Witse uitnoodigen,
zoo hartelijk als zij wilden, zonder dat daaruit eene
door hen niet gewenschte conclusie werd getrokken.
Maar aan den anderen kant stortte hij hen in een nog
grooter zorg: Klaartje verliefd op Witse, en Witse op
een ander meisje, hoogstwaarschijnlijk wel in Leiden of
daar in de buurt — en al! gedachtig aan prof. Mol-
lig\'s brief, mogelijk sints geruimen tijd. Was het in
deze omstandigheden geraden, Witse op Wildhoef uit
te noodigen?
„Mijn moederlijk gevoel heeft mij dan toch vroeger
niet bedrogen!" zeide mevrouw Donze die zich, niet-
tegenstaande dit bezwaar, van een drukkenden last be-
vrijd gevoelde, op een toon, die voor haar mans gevoel
te vroolijk was. Deze toon noopte hem zelfs, om, wel
in strijd met het vroeger door hem gezegde, maar in
overeenstemming met zijn aard of hebbelijkheid, te
zeggen:
-ocr page 113-
99
„Maar hoe weet jij, of niet Klaar juist dat meisje
is?" en hij bleef verder doof voor alle vroeger door
hem zelven bedachte en nu tegen hem aangevoerde
argumenten.
„Klaar weet er zeker meer van dan wij!" zeide hij
eindelijk.
„Gij wilt toch haar nu niets vragen?" riep mevrouw
verrast uit.
„Neen, ik zal haar alleen Antje\'s (mevr. Vernooy\'s)
brief laten lezen. Wij zullen dan wel achter \'t een of
ander komen."
\'s Middags toen hij van tafel opstond, zeide hij: „Hier
Klaar! lees dezen merkwaardigen brief eens van je
tante, en geef hem mij aan de thee maar terug." Hij
wilde haar alleen of haar geluk laten genieten, of hare
teleurstelling laten ondervinden. Het eerste gunde hij
haar. Van het tweede was hij liefst geen eerste getuige;
hij zoude daar later nog genoeg verdriet en zorg over
hebben.
Aan de theetafel verscheen Klaartje met veel opge-
ruimder gelaat dan zij de laatste weken vertoond had;
al waren er, naar mama meende, ook sporen van te
vinden dat zjj gehuild had.
„"Wat zeg je van tante\'s brief, Klaar?" vroeg de
heer Donze.
„Ik vind, dat zij u en mama aardig de les gelezen
heeft over het stuk van beleefdheid ; en dat mijnheer
Witse volkomen correct gehandeld heeft, door niet hier
te komen," antwoordde zij
„Dat is alles mama\'s schuld, die bang was, dat de
jonge dokter een aanslag zou doen op het hart harer
-ocr page 114-
100
dochter; en ook de schuld der jonge dame, die door
haar aanbod om hem naar de stad te rijden, op onbehoor-
lijke wijze eene avance gemaakt had," ging Papa voort.
Klaartje kreeg een kleur en vroeg: „En wat denkt
u nu te doen, den heer Witse te inriteereu of wel hem
eene excuseerende visite te maken?"
„Aangezien ik, in deze, de onschuld zelve ben, zou ik
voor mij niets te doen hebben !" antwoordde papa, „maar
om moeder en dochter beide uit het moeielijke parket
te helpen, waarin zij zich, zonder mijn toedoen, ge-
bracht hebben, zal ik, grootmoedig als altijd, zoowel
het een als het ander doen. Alle gevaar is nu toch
geweken, nu de jonge man al verliefd, misschien wel
in \'t geheim geëngageerd is."
Klaartje verbleekte. Aan het geval, dat het jonge
meisje, waarop in tante\'s brief gedoeld werd, een an-
der kon zijn dan zij; dat Grerrit werkelijk al geën-
gageerd kon zijn — had zij, met de gegevens die zij
meende te hebben, in hare ongewondenheid geheel
niet gedacht.
Mijnheer Donze Klaartjes aandoening opmerkende,
zeide: „Of heb jij er iets tegen, Klaar?"
„Ik!" antwoordde Klaartje, nog onder den invloed
van den opgewekten twijfel, „ik.... ik.... heb daar
toch niets mede te maken? Als u mij vroeger gevraagd
had, voor een maand of drie i zij zag Gerrit in haar
gedachten weer op den weg staan en naar Wildhoef
turen) dan zou ik gezegd hebbeu: „U is onbeleefd, als
u hem niet eens inviteert, daar uwe dochter in \'t huis
zjjner ouders vriendschap, een diner ten minste, heeft
genoten.\'\'
-ocr page 115-
101
„En nu?\'\' vroeg de heer Donze.
„Kunt u uw excuus maken en dan volgt van zelf
het andere!" luidde Klaartje\'s antwoord.
Dien eigen a.vond schreef mijnheer Donze aan Gerrit.
Onpleizierige zaken deed hij liefst schriftelijk af. Hij
schreef hem, dat hij (Donze) gemeend had, dat hij
(Witse) tijdens het eerste bezoek op Wildhoef door
eene of andere zaak was afgeschrikt, om nog eens terug
te komen, en dat dit hem (D) zeer gespeten had, daar
hij (D) met zeer veel genoegen met hem (W) kennis
gemaakt had. Dat hij (D) echter uit een brief zijner
zuster Venrooy gemerkt had, dat de oorzaak van dat
niet-terugkomen geheel bjj hem (D) en bij zijne vrouw
lag. Weshalve hij (D) zich nu haastte, om het mal-
entendu,
dat er bestond, weg te nemen. Hij (D) ver-
zocht hem (W) dus, hem (D) wel te willen laten weten:
1.    Wanneer hij (W) gewoonlijk thuis was, daar hij
(D) hem (W) dan eene contra-visite wilde brengen.
Dat hij (W) hem (D) die vraag niet euvel moest duiden ;
dat hij (D) haar deed, omdat hij (D) wist, hoe moeielijk
het is doktoren thuis te treffen, en hoe ongelegen men
dikwijls hun nog komt, als zij thuis zijn.
2.    Wanneer het hem (W) zou schikken eens familiaar
op Wildhoef te komen eten; dat hem (W) de bepaling
van den dag, zonder eenig voorbehoud, vrijgelaten werd.
Dat hij (D) hem (W) die tweede vraag nu reeds deed,
omdat hij (D) mogelijk, bij die tweede ontmoeting, zou
kunnen vergeten haar te doen, en hij (D) voor niets
ter wereld dat gevaar wilde loopen enz.
Deze brief werd den volgenden morgen door den
koetsier aan de woning van Gerrit, die natuurlijk niet
-ocr page 116-
102
thuis was, afgegeven; en nog denzelfden avond beant-
woord, op eene zoo taktvolle, den heer en mevrouw
Donze sparende, en toch ook Gerrit zelven geene schuld
opleggende, wijze; (dit laatste ware eene dwaasheid ge-
weest); ook zonder mevrouw Vernooy te na te komen —
dat de heer Donze, die er zich zeer op liet voorstaan,
dat hij schriftelijk alles netjes wist in te kleeden, zeide :
„Dat had ik hem niet kunnen verbeteren!\'\' Om echter
zich zelven niet al te zeer te declineeren, voegde hij er
onmiddellijk aan toe : „Maar die Witse is dan ook. zoo
als Mollig schrijft, een vriend van Hildebrand en Jona-
than; en die heertjes zullen zeker malkaars pennen wel
gesneden en gespleten hebben." En na deze uitlating was
zijn gevoel van eigenwaarde weer tevreden gesteld.
Op het door Gerrit bepaalde uur, bracht hem mijn-
heer Donze het door Gerrit wel voor onnoodig ver-
klaarde, maar toch als hem vereerend aangenomen,
bezoek, dat, zoowel als de eenvoudige, maar met zeer
veel smaak gearrangeerde kamer, bij den heer Donze
den goeden dunk, dien hij van Gerrit reeds had, nog
verhoogde; en hij nam het antwoord mede, dat Witse
gaarne den volgenden Maandag van de vriendelijke
invitatie gebruik zou maken.
„Waarom niet Zondag?" had de heer Donze gevraagd.
„Ach," had Gerrit geantwoord, „de menschen zijn en
worden even goed op Zondagen ziek als op werkdagen.
Des Zondags morgen ga ik, als \'t eenigszins kan, naar
de kerk, en doe dan mijne bezoeken, die ik anders des
morgens doe, des middags, die daardoor dus geheel bezet
wordt; te meer, omdat ik dan, als de betrekkingen van
de zieken (\'t zijn nagenoeg allen armen of kleine burgers)
-ocr page 117-
103
thuis zijn, mijn bezoeken wat langer maak, om eens met
de raeuschen te praten. Van deze gewoonte af te wijken,
alleen voor mijn genoegen, verbiedt mij mijn gevoel
van plicht."
En mijnheer Donze had hem daarop op den schou-
der geklopt en gezegd: „Gij redeneert als van Heusde
en Plato over het xx?,h xxyzêóv."
Dat mijnheer Donze thuisgekomen een nauwkeurig
verslag moest geven aan zijne vrouw en dochter, en
later nog eens in-meer détails aan de eerste, over het
onderhoud met, en de kamer, het meubilair enz. van
Gerrit, is te begrijpen.
Beiden waren dames, en hadden er heel veel belang
bij, allerlei dingen te weten. De wijze, waarop Gerrit over
den Zondag dacht en dien besteedde, beviel mevrouw
zeer; Klaartje was het er in \'t algemeen ook mee eens,
maar zou gaarne uitzonderingen hebben gezien De
dagen, die nog voor dien Maandag verloopen moesten,
vond zij geweldig lang. Zij was ongedurig, maar toch
opgeruimd. Ware zij nu maar ijdel geweest, dan had
de gedachte aan, en de zorg voor, haar toilet haar
ruimschoots bezig gehouden! Nu sloeg zij slechts een-
maal een blik in haar garde-robe, lachte even toen het
gros de Naples japonnetje haar in de oogen viel, maar
dacht er niet aan het aan te trekken; en aanstonds
was haar keus bepaald: een eenvoudig, licht blauw
kleed, dat haar, en ook dit wist zij, snoeperig stond.
Eindelijk kwam de Maandag en Gerrit verscheen op
"Wildhoef, net maar eenvoudig gekleed, niet eens in
gala-kostuum. Dit vond hij een bespottelijkheid voor
een familiaar diner. De ontvangst van mevrouw getuigde
-ocr page 118-
104
van verlegenheid; die van Klaartje, met haar hoogen
blos, van iets anders; terwijl die van den heer Donze
joviaal was, als gold zij eenen goeden ouden bekende.
„Blij, hartelijk blij u eens weer op Wildhoef te zien!" —
Weldra kwam het gesprek op het gedane reisje, en
daarna moest Gerrit vertellen, waar hij al zoo geweest
was. Hij kon mededeelen, dat de uiterste punten zijner
reis, naar drie verschillende richtingen, geweest waren:
Frankfurt, Brussel en Londen. Op de vraag, hoe hij
de Engelschen wel gevonden had? zeide hij, dat hij ze
in Duitschland meerendeels onuitstaanbaar, maar in hun
eigen land alleraangenaamste mensehen gevonden had;
en leverde voor deze uitspraak het verhaal van eenige
ontmoetingen, die hij had gehad. Op de vraag, hoe hij
het reizen vond, zeide hij : eene aangename en ontwikke-
lende verpoozing, die echter niet te lang moest duren;
en verklaarde dat hij, ofschoon veel op reis genoten heb-
bende, steeds blij was geweest, als hij weer thuis zat.
„En hoe is u Londen bevallen! Verlangt u niet erg
het weer te zien !" zeide Klaartje. En \'t is onzeker of
zij daarbij reeds aan een huwelijksreisje daarheen dacht.
„Ik wensch het nooit weer te zien!" antwoordde
Gerrit.
„En waarom ?" vroeg Klaartje.
„Vooreerst om de zeereis, waarop ik niet anders
dacht dan dat ik dood zou, gaan, zoo ziek was ik."
„Een Hollander bang voor \'t water!\'\' riep mijnheer
Donze uit.
„Ik zal mij op dit punt volstrekt niet verdedigen,"
antwoordde Gerrit. Veroorloof mij slechts ééne vraag:
„Is u ooit zeeziek geweest?"
-ocr page 119-
105
„Nooit!" antwoordde mijnheer Donze op een plech-
tigen toon.
„Ja, dan weet u niet wat een ellendig gevoel die
zeeziekte opwekt!" ging Gerrit voort.
„Papa is nooit op zee geweest!" viel Klaartje in,
om Gerrit te helpen.
„Dat is hij wel!" zeide mijnheer Donze op fleren
toon. „Papa heeft de Zuiderzee bevaren, en daarop kan
het ook wel spoken. De kleine golfjes daar, zeggen de
scheepslui, maken nog eerder ziek dan de groote gol-
ven der Noordzee."
„En spookte het toen ook?" vroeg Klaartje weer.
Mijnheer Donze zette een hoog ernstig gezicht, en
begon: „Toen wij op een schoonen namiddag uit Har-
derwijk vertrokken was het bladstil; maar vóór dat wij
een kwartier in zee waren, lagen wij passagiers reeds
allen in het water te spartelen, dat gedurig en geweldig
om en over ons heen sloeg, en nu dezen en dan genen
onder zijn oppervlak verdwijnen deed, om echter, ge-
lukkig, een poos later weer boven te komen. Deze toe-
stand duurde ongeveer een kwartier uurs, toen er
plotseling weer stilte in het water kwam, en wij niet
zonder moeite weer aan boord kwamen, waar wij ons
van droge kleederen voorzagen; en nu genoeg van de
zee hebbende, verzochten wij, ons zoo spoedig mogelijk
aan land te brengen. Dit is, zou ik meenen, nog op
andere wijze kennis maken met de zee, dan de heer
Witse dat deed! mijn kind."
Klaartje begreep, dat er de eene of andere mys-
tificatie was in dit, op ernstigen, min of meer nog
van ontzetting trillenden toon, gedaan verhaal; maar
-ocr page 120-
106
wist toch niet, wat zij er van maken zou...\'.
Gerrit echter zeide: „Dat frissche bad heeft u zeker
menigmaal tot een iteretur natatio \') aangespoord."
„Gewis," antwoordde mijnheer Donze, seil nou eist
iterata. \'l)
Den volgenden dag, zooals Vergilius zegt:
Eripiunt subito nubes coelumque diemqne
Teucrorura ex oculis, ponto nox. incubit atra
Intonuere poli et crebris micat ignibus aether. 3)
Et tertio die redii Ultrajectum. 4) Zoo ging het mij
op mijn eerste zeereis, en zoo werd ik verhinderd er
toen meer te maken, en later ontbrak mij daartoe de
gelegenheid. U begrijpt, mijnheer Witse, dat ik mij
van hot benauwende der nausea s), en van uwen afkeer
van de zeereis, geen begrip kan maken.
„Wat beteekent dat Latijn, papa?" vroeg Klaartje
ongeduldig.
„Gij zijt toch geen dokter, die allerlei symptomen van
ziekten behoeft te weten," antwoordde haar vader, met
een schuinschen blik op Gerrit „Dokter Witse gelooft dat
ook niet; anders had hij niet met het Latijn begonnen."
\') Nog eens zoo\'n zwempartytje.
") Maar van een tweede kwam niets.
\') De wolken rukken fluks den hemel en zHn klaarheid,
Den dag uit d\'oogen der Trojanen. Eene naarheid
Van nacht en duisternis valt plotseling op \'t vlak.
De hemel dondert, slag op slag en krak op krak,
Staat reis op reis in brand, en weerlicht door de stralen
Des bliksems.
                                   Vertaling van Vondel.
\') En den derden dag daarop ging ik terug naar Utrecht.
\') Zeeziekte.
-ocr page 121-
107
Klaartje wierp nu een ontevreden blik op Witse, en
wilde wat zeggen, maar Gerrit voorkwam haar en zeide :
„Ik beloof u, mejuffrouw, dat ik, in uwe tegenwoor-
digheid, uwen Papa niet meer met mijn potjes-Latijn
zal aankomen. Het maakt eene te droevige figuur
tegenover het klassieke Latijn van uwen vader."
„Dan maar verder!" zeide Klaartje, die haar hart
nog niet van \'t reisje naar Londen kon aftrekken.
„Waarom nog meer, wilt u Londen niet meer zien?"
„Omdat er zooveel ellende te zien is!" antwoordde
Gerrit, „en ik om die te gaan zien, geen reizen doe."
„Maar toch ook veel moois," zeide Klaartje. „Dat
kan men gaan zien; en \'t andere achterwege laten."
„Zeker kan men dat, en velen doen het," antwoordde
Gerrit, „maar ik kan dat nu eenmaal niet. \'t Komt
zeker door mijn vak. Wij worden zoo gewend, in alles
en bij alles, op het zwakke, het ziekelijke deel te zien;
en het gezonde trekt ons oog minder.\'
„Eene mooie wijze van doen!" zeide Klaartje. „Als
u nu van avond van hier naar de stad gaat, denkt u
na over al het in uw oog verkeerde, ziekelijke en wat
er meer van dien aard is, dat u in mijnheer en mevrouw
en mejuffrouw Donze heeft opgemerkt, en wijdt daaraan
mogelijk wel geheel uw aandacht. Het goede, dat wij
mogen hebben, en dat papa en mama in ruime mate
bezitten, treedt op den achtergrond, en verdwijnt ge-
geheel. En dit alles is natuurlijk, omdat mijnheer dok-
ter is."
Mijnheer Donze had schik in het antwoord zijner
dochter; maar mevrouw vond, dat zulk een opmerking
hare dochter niet betaamde.
-ocr page 122-
108
Gerrit was echter in het minst niet uit het veld
geslagen en zeide: „Voorzeker zal ik dat doen, mejuf-
frouw ; maar u begrijpt, dat ik dan — zooals ieder
dokter dat doet — liefst begin met die kwalen, die
het meest voor de hand liggen, nog het minst diep
doorgedrongen, nog niet verouderd en, zooals men zegt,
ingeroest zijn; en zulke kwalen vindt men het meest
bij jonge menschen. Mijn nadenkend onderzoek begint
dus bij u; en ik vermoed, dat dit onderzoek mij wel
bezig zal houden, totdat ik thuis kom."
„Zoudt u dat denken ?" vroeg Klaartje.
„Ik ben er zoo goed als zeker van," antwoordde Gerrit.
Mevrouw Donze schudde het hoofd tegen hare doch-
ter, maar mijnheer Donze wreef zich in de handen
van pleizier en Klaartje zeide:
„U zijt niet bijzonder galant, mijnheer Witse. U
valt mij tegen "
„Dat laatste spijt mij in mijn ziel!" antwoordde
Gerrit. „Wat het eerste betreft, moet ik u zeggen, als
dit eene verschooning zijn kan, dat ik nooit galant ben.
Galanterie is in mijn oogen altijd voor drie kwart
veinzerij, en daarmede laat ik mij niet gaarne in."
„U zou dan, misschien, uwe oprechtheid wel zoo ver
drijven, dat u mij, bij eene volgende ontmoeting, de
slotsom uwer overdenkingen over mij, onbewimpeld
zou kunnen en willen mededeelen?" vroeg Klaartje,
die geheel haar vaders aard hebbende, gaarne eene
kleine victorie wegdroeg.
„Zeker, als u dat verlangde," antwoordde Gerrit,
„maar ook, wil daar op letten, alleen als, en omdat, u
het verlangt."
-ocr page 123-
109
„Aangenomen!" zei Klaartje.
„Nu stel ik voor, Londen, dat al zooveel gelegenheid
heeft gegeven tot strijd, verder te laten rusten," zeide
mevrouw.
                                                                      •
En mijnheer Donze was daar ook voor, en zoo
kwam het gesprek op andere dingen, en kort daarop
ging men aan tafel.
Bij het dessert vroeg mevrouw: ,U houdt, geloof
ik, ook vau haugop, mijnheer Witse."
„Ik zou het niet kunnen zeggen, mevrouw,\'\' ant-
woordde Gerrit. „Dat is mij een totaal vreemd gerecht."
„Waar is nu uwe zoo geroemde oprechtheid!" riep
Klaartje uit. „Foei, mijnheer Witse! Voor circa aoht
dagen hebt u het nog gegeten."
„Ik hangop gegeten!" zeide Gerrit.
„Ja mijnheer! hangop anders gezegd ruling/" zei
Klaartje. „Ik zal nu maar niet vertellen, hoe opge-
wonden u dat eten gemaakt heeft, zooals Barte mij
vertelde, want dan zou mama zeker zich bezwaard ge-
voelen u er iets van aan te bieden!"
Gerrit kreeg zijns ondanks een kleur, maar antwoordde
toch: „De opgewondenheid, als die er geweest is, had
eene andere oorzaak dan het gerecht, Mejuffrouw! Zij
kan — als zij er geweest is — alleen ontstaan zijn
over iets dat ik gehoord had," on dit zeggende, zag
hij Klaartje goedig aan.
Nu was het Klaartje\'s beurt om te blozen, en zij
vervulde dien plicht voortreffelijk, terwijl zij antwoordde :
„Nu dan kan mama gelukkig gerust zijn, wat de hangop
betreft. Met dat andere heeft zij niets te maken."
„Dat geloof ik ook, mejuffrouw," zeide Gerrit. „Ik
-ocr page 124-
110
ben blij, dat er nu eindelijk eens een zaak is, waarover
wij \'t eens zijn; en ik hoop, dat wij meer zulke punten
van overeenstemming zullen kunnen vinden.\'\'
En- Klaartje maakte, al weer blozende, eene min of
meer spotachtige buiging.
Toen men van tafel opstond, zeide Klaartje: „Papa,
nu moet u, voordat wij naar buiten gaan, waar \'t nog
zoo heet is, uwe schilderijen eens laten zien aan mijn-
heer Witse."
„Als mijnheer Witse van schilderijen houdt, gaarne!"
antwoordde papa, zich tot Gerrit wendende.
„Ik zie gaarne een mooi schilderij, mijnheer," ant-
woordde Gerrit, „maar ik ben geen kenner; en u zal
het mij dus ten goede moeten houden, wanneer ik het
waarlijk mooie niet, zeker niet genoeg, waardeer."
Klaartje gaf haren vader een knipoogje en deze
lachte.
Op de schilderijenkamers gekomen, zag Gerrit het
groote stuk, dat Hatelings bewondering zoo zeer had
getrokken, even aan en zeide niets, maar bleef voor
eene goede copie van een Titiaan staan, en vroeg aan
den heer Donze: „Is dit niet een stuk van de Itali-
aansche school?" Daarna stond hij geruimen tijd voor
den Rembrandt stil, en vroeg: „Een Rembrandt of een
van Djjk?" en zoo deed hij meer vragen, die alle eerder
van zijn lust om iets te leeren getuigden dan toonen
moesten, dat hij kennis of smaak had. Weer terug ge-
komen in de kamer, waar het groote stuk op den fau-
teuil stond, zag hij Klaartje daarvoor staan, die hem
nu vroeg:
„En wat zegt u wel van dit groote stuk?"
-ocr page 125-
111
„Ik heb reeds gezegd, dat ik geen kenner ben, me-
juffrouw," luidde zijn ontwijkend antwoord.
„Dat is, met uw verlof, geen antwoord op mijn vraag.
Men kan toch iets wel mooi vinden, zonder een kenner
te zijn," ging Klaartje voort.
„Nu dan, mooi vind ik het niet!" antwoordde Gerrit.
„Middelmatig dan?" vroeg Klaartje weer.
„Neen, ook dat niet!" luidde Gerrit\'s antwoord; „maar
wil niet vergeten, dat ik niet beoordeel."
„Maar als u wist, wie het geschilderd heeft, zou het
u uw uitspraak wel doen wijzigen," zei Klaartje lachende.
„Dan zou ik moeten zeggen: het moet zeker wel
mooi zijn, al kan ik, onwetende, het niet mooi vinden,"
zeide Gerrit.
Hier barstte Klaartje uit in een schaterend gelach,
dat Gerrit deed opzien, hem zelfs wat ontstemde.
„U heeft volkomen gelijk, mijnheer Witse," viel nu
mijnheer Donze in. „Ik zal u uit de dwaling helpen.
Dit is een kunststuk van mijne dochter, voor mjjn
laatsten verjaardag gemaakt. En het doet mij voor haar
pleizier, dat zij, na uwe door haar uitgelokte vernieti-
gende kritiek, zoo gul heeft kunnen lachen."
Nu werd Gerrit min of meer verlegen. Iets van wat
hij gezegd had terugnemen of een banaal complimentje
maken, wilde hij niet; maar wat moest hij doen?
Klaartje kwam hem te hulp, en zeide: „Dank voor
uw kritiek. Ik meen het waarlijk. Hier heeft u er mjin
hand op!" en zij stak hem de hand toe, die hij, in
zijn verlegenheid, wat in de zijne hield en zachtjes
drukte, terwijl mijnheer Donze zich even omdraaide
en een portefeuille verzette.
-ocr page 126-
112
Terwijl zij naar beneden gingen, verklaarde Klaartje
dat zij wel wat ondeugend was geweest, met dat zoo
aandringen om eenig oordeel over haar konstwerk;
maar dat zij er toe gedreven was omdat Hateling
gezegd had, dat het het juweel der collectie was. En
toen zij zag, dat het hooren van dien naam, of mogelijk
wel de vergelijking van hein en Hateling, hem onaan-
genaam was, voegde zij er onmiddellijk aan toe: „Zon-
der u in de verste verte met een fatje te willen ver-
gelijken, die een nufje van een jaar of 17 één avond
kon charmeeren, maar voor een wat verstandiger
geworden meisje, een onverdragelijk sujet is."
De thee werd buiten gedronken, en daarna eeue
kleine wandeling door de plaats gemaakt, waarbij
Gerrit en Klaartje langzamerhand een eindje vooruit
kwamen, en er vrij wat over Barte, Mevrouw Vernooy
en ook over de naburige stad werd gesproken Zoo
samen wandelende waren zij het in een macht van
zaken eens, en ging alles in de beste harmonie totdat
Klaartje zeide: „Ja, nog één ding moet ik u vertellen
over mijnheer Hateling, waarover papa en ik nog dagen
daarna gelachen hebben. Verbeeld u, hij vertelde dat
zijn grootmama twee schilderijen van Apelles had!"
En zjj schaterde het weer uit.
Gerrit echter lachte niet mee, maar zeide: „Hij heeft
zeker willen zeggen van Bles, een jong schilder iu den
Haag, die nog al opgang maakt, en zich versproken."
„U is beter dan ik, mjjnheer Witse," zeide Klaartje
en bloosde. „Gjj verdedigt nog uwe vijanden."
„Een te gunstige beschouwing!" antwoordde Gerrit.
„Ik zeg slechts wat ik meen waar te zijn. En onder
-ocr page 127-
113
zekere omstandigheden de waarheid te verzwijgen, is
toch wel een gruwel! Vindt u ook niet?"
„Neen, ik zeg niets meer!" repliceerde Klaartje.
„Dan word ik toch wel al te hard bestraft!" zei
Gerrit en zag haar even lachend aan.
„U is onverdragelijk, mijnheer Gerrit Witse!" riep
Klaartje met iets luider stem. „Ik ga papa en mama
tegemoet, en u moogt mij, bij uw tweede bezoek op
Wildhoef, evenals op het eerste, volgen als een lam."
Toen Gerrit dien avond van de bewoners van Wild-
hoef afscheid nam, zeide de heer Donze: „Ik reken
er op, dat wij u vaak hier zullen zien; ook zonder
verdere officieelo uitnoodigingen. U zal mij steeds een
welkomen gast zijn, en ik weet mijne vrouw evenzeer."
En mevrouw bevestigde die verklaring. En Klaartje
voegde er bij: „En mij ook; doch onder de voorwaarde,
dat mijnheer mij nu en dan ook eens gelijk laat heb-
ben, en mij het laatste woord laat."
„Ik zal er mijn best toe doen, ik beloof het u,"
zeide Gerrit en drukte haar warm de hand, en Klaartje,
in de bewustheid dat zij wel iets weer goed te maken
had, gaf een kleinen druk terug.
Des Woensdags ontving mijnheer Donze een vrij
grooten brief uit de naburige stad, beginnende met
Hooggeachte Heer! en geteekend G. Witse. Den gan-
schen inhoud er van mede te deelen is onnoodig. Na
8
-ocr page 128-
114
verklaard te hebben, dat hij zeer gevoelig en dank-
baar was, voor de vriendelijkheid hem door den heer
Donze betoond, en voor de hartelijke uitnoodiging tot
verdere bezoeken — deelde Gerrit mede, dat hij van
deze uitnoodiging geen verder gebruik mocht maken,
voordat de heer Donze, kennis genomen hebbende van
den verderen inhoud des briefs, haar herhaald had;
daar de schrijvei\' niet den schijn op zich wilde laden
van betoonde vriendelijkheid te vergelden met iets dat
men, al was ook ten onrechte, ondankbaarheid zou kun-
nen noemen. Daarop volgde het verhaal van Gerrits,
voor drie jaren ontstane, sedert ontloken en thans
bloeiende liefde voor mej. Donze — en zijn plan, haar
die te gelegener tijd te openbaren; en de verklaring,
dat hij zich uiterst gelukkig zou gevoelen, als de heer en
mevrouw Donze daar niets tegen hadden, maar hem,
als hij gelukkig genoeg mocht zijn om Klaartje\'s hart
te winnen, als schoonzoon wilden aannemen. Hij zeide,
dat hij \'t volkomen begreep, dat de heer Donze onmogelijk
iets ten zijnen gunste kon besluiten, zonder vooraf de
noodige inlichtingen omtrent hem en zijne familie inge-
wonnen te hebben, en dat zulk een onderzoek eenigen
tijd zou kosten. Om de daaraan verbonden moeite
eenigermate te verlichten, veroorloofde hij zich op te
geven, het adres van de menschen bij wie hij gedurende
zijn studententijd kamers had gehad, de namen der
families bij wie hij aan huis kwam, en ook die der
jonge lui met wie hij voornamelijk had omgegaan. De
brief eindigde met dit postscriptum:
„Mocht uw antwoord, onverhoopt, ongunstig voor mij
zijn, zal ik echter niet alle hoop op uwe dochter laten
-ocr page 129-
115
varen. U zal zulks ook wel niet van mij verwachten.
Ik zal iedere gelegenheid, die zich mocht aanbieden
om met haar in aanraking te komen, gretig gebruiken
en zelfs opzoeken. Alleen een definitief refuus uwer
dochter zou aan al mijn verwachtingen den bodem
kunnen inslaan."
Deze brief vervulde mijnheer en mevrouw Donze
met groote vreugde. Had, waaraan zij niet twijfelden,
Klaar haar hartje aan Gerrit geschonken zonder dat
deze het wist, — ook zij bezat het zijne volkomen;
daarvan hadden zij nu het bewijs. — Maar de overtui-
ging, dat zij nu weldra Klaar, het leven en de vroolijk-
heid des huizes, zouden missen, stortte toch ook iets
bitters in den vreugdebeker.
Mevrouw Donze wilde Klaartje met den inhoud van
dit schrijven in kennis stellen. Maar daartegen verzette
zich mijnheer: „Had Klaar," zeide hij, „met jou of met
mij, ooit over haar liefde voor Witse, en haar onzeker-
heid omtrent zijn gezindheid gesproken, dan ware het
eene andere zaak. Nu zal zij voor dat gebrek aan
openhartigheid moeten boeten. En daarbjj, ging hij
voort, Witse heeft jou toch niet gevraagd, als zijn com-
missionair — zooals Klaar het noemen zou — op te
treden, om haar zijne liefde te verklaren. Laat hem
dat zelf doen. Dat zal aan Klaar, voorzeker, ook nog
wel zoo aangenaam zijn! En al ware dit alles anders,
dan kreeg ze dezen brief toch niet. Het vrouwelijk
geslacht moet niet weten, dat haar gezicht, slechts uit
de verte gezien, reeds zulk een indruk op een mannen-
hart kan maken. De vrouwen kennen reeds veel te veel
haar macht. — Maar aan Witse schrijf ik nog heden!"
-ocr page 130-
116
„Om de gedachte bij hem op te wekken, dat wjj zoo
blij en zoo vereerd zijn door \'t vooruitzicht hem tot
schoonzoon te krijgen, dat het ons geheel onverschillig
is, wat voor leven hij geleid heeft?" vroeg mevrouw.
„A.ls hij zoo\'n verwaande kwibus was als zijn stad-
genoot Hateling en het meerendeel der Rotterdammers,
ja, dan was hij tot zulke gedachten in staat," ant-
woordde mijnheer. „Maar hij heeft niets van een Rot-
terdammer ! Ik heb al gedacht, dat het jammer voor
hem is, dat hij in Rotterdam heeft moeten geboren
worden!"
Mevrouw lachte even over deze woorden haars mans,
en zeide: „Je ziet dan toch, dat er ook uit Rotterdam
nog iets goeds kan komen!"
Mijnheer gevoelende, dat hij beter deed, de Rotter-
dammers nu maar te laten rusten, zeide : „Neen, schrik-
ken
zal hij, als hij dat antwoord zoo spoedig krijgt.
Hij zal denken, die oudjes hebben andere, verhevener
plannen met hun Klaartje, en willen van den eenvou-
digen dokter Gerrit "Witse niets weten als schoonzoon.
En daarom hebben zij die onnoodige informaties maar
achterwege gelaten!"
„En waartoe dient het om iemand, wien je welgezind
zijt, een schrik aan te jagen?" vroeg mevrouw.
„Tot niets en tot velerlei!" antwoordde mijnheer in
orakeltaal. „Kwaad zal die schrik niet doen, of hij
moest een prul van een dokter zijn. Neen, hij zal er
mij nog dankbaar voor zijn! Want bedenk wel, als ik
hem niet heden antwoord, dan moet ik dit antwoorden
zeker een week of drie verschuiven, om de «i\'«<-noodige
informaties niet te nemen, maar den schijn te bewaren
-ocr page 131-
117
het wel te doen. En moet de stakker nu zoolang, noo-
deloos, in spanning en onzekerheid verkeeren ?"
„Bij slot van zaken, schijn je," zeide mevrouw, „toch
nog meer hart te hebben voor dien aanstaanden schoon-
zoon dan voor je eigen dochter, die je in onrust laat."
„Zoo?" antwoordde mijnheer. „En profiteert die er
dan ook niet van ? Of, wou je haar, ook nog weer,
zoo\'n week of drie zien tobben en moppen, even als
vroeger? \'t Is toch ongelukkig, dat jullie vrouwen altijd
wel heel scherp ziet, maar nooit meer dan naar éénen
kant."
„Ja, jullie mannen!" zeide mevrouw spottend, „zijt
de heeren der schepping niet alleen, maar ook de vèr-
kijkers en alkijkers. Toch heb je, maar let wel, bij uit-
zondering,
in dit geval, eens wezenlijk gelijk. Schrjjf
maar aan Witse."
En de heer Donze dichtte dien avond den volgenden
brief:
WelEdel Zeergeleerde Heer!
Uw geëerd schrijven van gisteren, dat ik naar waarde
heb weten te schatten, wil ik niet langer onbeantwoord
laten dan noodig is.
Het doet uw harte eer aan, dat gij van den door
ons u verleenden, neen aangeboden, toegang tot ons
huis geen misbruik wilt maken ; geen gebruik om, buiten
weten van mijne vrouw en mij, aan onze dochter het
hof te maken, in den goeden zin des woords, en hare
genegenheid te winnen. Mijne vrouw en ik zijn u dan
ook recht dankbaar voor de wijze waarop gij gehan-
deld hebt; eene wijze, die, ook dit wil ik gaarne er-
-ocr page 132-
118
kennen, niet door alle jonge mannen zou zijn gevolgd.
Van de, mij door uwe aanwijzigingen gemakkelijk ge-
maakte, gelegenheid om inlichtingen over u in te win-
nen zal ik, om afdoende redenen, geen gebruik maken.
Nadat gij uw eerste bezoek op Wildhoef gemaakt
hadt. begreep ik onmiddellijk dat zekere dingen zouden
kunnen plaats hebben; en rees de vraag op, of mijne
vrouw en ik onze goedkeuring daaraan zouden kunnen
geven. Zoo niet, dan moest alles gedaan worden, om
ze te voorkomen.
Wij wisten, dat het hart onzer dochter vrij was;
dat zij algemeen een lief, aardig meisje werd gevonden,
en ook, dat haar bezit voor velen, om nog andere
redenen, eene gewenschte zaak zou kunnen zijn.
Wij zagen ook, dat de jonge dokter Witse een aan-
genaam uiterlijk heeft, zich goed wist voor te doen,
en wel geschikt was om impressie op een jong meisje
te maken. Er was dus gevaar dat te eener of anderer
tijd eene genegenheid ontstond, die beantwoord werd.
Mochten wij dit gevaar toelaten? Niet zonder ons ver-
gewist te hebben, dat zoo het kwam, wij onzen duren
ouderplicht jegens Klaartje hadden vervuld.
Voordat wij u dus verzochten uw bezoek te herhalen,
schreef ik naar Leiden om inlichtingen over u, onder
den schijn, dat ik er over dacht u als medicus voor
ons gezin te nemen. De man, tot wien ik mij wendde,
een der vrienden mijner jeugd, was professor Mollig,
ook door u mij opgegeven.
De inlichtingen, die ik kreeg, ook over uw verkeer
te zijnen huize, waren van dien aard, dat wij gerust u
den toegang tot ons huis konden verleenen — aan-
-ocr page 133-
119
bieden ging echter moeielijk! Vandaar de zwarigheid,
waaraan eerst de brief mijner zuster een einde heeft
gemaakt.
Uit het bovenstaande zal u blijken, dat wij in uwe
genegenheid voor Klaartje geen bezwaar zien, om u den
toegang tot Wildhoef te blijven geven. Mij persoonlijk
zijn uwe bezoeken zeer aangenaam.
Op onze dochter zullen wij echter volstrekt geen
invloed uitoefenen. Wij weten niet, hoe zij over u
denkt, dewijl zij zich nooit over u bijzonder heeft uit-
gelaten; en wij zullen ook, van onze zijde, geen enkele
poging aanwenden om het te weten te komen, maar
afwachten of zij ons iets zegt. Klaartje moet vrij kie-
zen, u of een ander, \'t Is haar levensgeluk, dat er
mede gemoeid is. Als zij u vroeger of later mocht af-
wijzen, zal het mij spijten voor u, maar — want ik
ben egoïst — verheugen voor mij zei ven; omdat wij
haar dan zooveel te langer bij ons en voor ons zelven
zullen hebben.
Kom, als \'t u schikt, Maandagavond bij ons thee
drinken; ik laat u dan naar de stad terugbrengen. Ik
zou wel zeggen: kom Zaterdag — daar gij Zondags
niet uitgaat — maar Zaterdags gaat Klaartje gewoon-
lijk een praatje maken bij de Symens.
Hopende, dat dit spoedige antwoord u niet zal ver-
schrikt hebben enz.
Deze brief werd des morgens door den koetsier aan
Gerrits woning afgegeven. Toen Gerrit thuis komende
van zijne hospita hoorde, dat de koetsier van Wildhoef
een brief voor hem had afgegeven, ontstelde hjj niet
weinig.
-ocr page 134-
120
„Al zoo spoedig beantwoord! Dus boos, mijnheer
Donze!" mompelde hij. „Maar Klaartje is nog elders
te zien en te spreken dan op Wildhoef."
Hij gevoelde bitter weinig lust den brief te openen,
die, zeker in de wellevendste vormen, hem een hatelijk
bericht moest meedeelen. Hij wierp zich in een hoek
der kanapé, en vond het weinig humaan van den heer
Donze, hem reeds zoo spoedig te antwoorden. Was hij,
Gerrit Witse, dan zulk een te minachten persoon, dat
de gedachte aan hem als schoonzoon zelfs geen oogen-
blik post mocht vatten in de ziel van mijnheer en
mevrouw Donze? Mevrouw Donze! ja dat was nog
wat! die behoorde tot eene oude, aristokratische fa-
milie! maar mijnheer Donze, de broeder van mevrouw
Vernooy!
De goede Gerrit wond zich op tot boosheid! En die
boosheid dreef hem er toe, om te zien of mijnheer
Donze zich ook nog verwaardigd had, eenige redenen
op te geven of niet. Hij brak den brief open, en ziende
dat hjj nog al groot was, zeide hij: „Aha, toch rede-
nen ! Nu, dat is ten minste iets, dat aanleiding kan
geven tot weerlegging."
Den brief lezende, had Gerrit een gevoel, alsof hij
uit de hel, of ten minste uit het vagevuur, naar den
hemel opgevoerd werd. Aan het eind gekomen, hij had
hem doorgevlogen, herlas hij hem nog eens op zijn
gemak, en woog ieder woord; sprong toen op en hup-
pelde de kamer door, stiet een stoel en een tafeltje
omver, zonder het goed te merken, en maakte kortom
zoo\'n leven, dat de juffrouw ontsteld naar boven vloog,
en zonder kloppen de deur openmaakte, niets anders
-ocr page 135-
121
verwachtende, dan dat zij den jongen dokter in een
aanval van vallende ziekte op den grond zou vinden.
Gerrit hoorde haar niet eens binnenkomen, en zette
zijn springende beweging met den open brief in de
hand voort. Daardoor ontstelde de goede vrouw nog
geweldiger. Zij dacht niet anders dan dat meneer in
eens stapelgek was geworden, en vloog doodsbleek naar
beneden om haren man te halen.
„Kom Kees, got is gouw mee nor boven. Meneer is
staopel geworden. Hi het alles um ver gegeuid en lopt
as raozend dur de kaomer!"
„Mins, wat zedde!" zei Kees en vloog naar boven,
gevolgd door zijn vrouw en de meid.
Gerrit had ondertusschen met zijn grooten toon tegen
den poot der kanapé gestooten, en de pijn had zijn
opgewondenheid verkoeld. Hij had zich neergezet en
was juist bezig dien toon te wrijven, toen huisbaas en
vrouw en meid de kamer binnenstormden.
„Wat is er te doen?" vroeg Gerrit bij dat zonderling
gezicht.
Kees zag zijn vrouw aan, en deze, niets vervaard, zei:
„Da mag oe wel vraoge, die \'n mins een doodsschrik
op het lief jaogt! Is me dat een léven, da oe daor
gemakt het? Sommedeen bin ik bij oe op de kaomer
gewist, en toe sprongt oe as \'n gek ien de rondte!"
„Zoo?" zeide Gerrit, bij wien (aan een jong dokter
is zoo iets te vergeven) alle studentenjoligheid in eens
weer opkwam. „Juffrouw, daar weet ik niets van.
Maar dat gaat ook gewoonlijk zoo! — Heb je wel
eens kramp in de hersenen gehad, juffrouw, of jij,
baas?" — Beiden schudden van neen. — „Gelukkige
-ocr page 136-
122
menschen! Ik wel. En die had ik daar net ook weer.
Als je die soms eens krijgt, dan moet je net doen wat
ik zoo even gedaan heb. Dan moet je er gauw bij zijn
en dadelijk opspringen en blijven springen, dan gaat
de kramp over naar de beenön, en als je dan nog
maar wat springt en \'t een en ander omvergooit, dan
gaat hij naar den grooten teen, dien ik nu — want
hij doet mij weerga\'s zeer — wrijf. Bezorg me nu
dadelijk een ketel goed kokend water, maar \'t moet
goed koken, ook nog als \'t hier boven is; en een
anderen ketel ijskoud water pas uit de pomp; uit de
pomp in de Groote straat, daar is het frisch. Dan zal
ik die kramp en die pijn spoedig uit mijn teen jagen!
Oe - hai!"
„Hedde van z\'n léven," zei de hospita, „van zokke
raore dinsighède gcheurd!"
„Nou, pas maar op," zei Gerrit, „dat jij ze nooit
krijgt, \'t Is niet om er mee den gek te scheren. En
had ik nu maar iemand hier gehad, wien ik met een
schop dien kramp had kunnen overgeven, dan was ik
er in eens af geweest."
„Zou dat helpen; hedde van z\'n léve?" zei de
hospita.
„Ja zeker!" zei Gerrit. „Als je ze ooit krijgt, en
je man is in je nabijheid, geef hem dan een schop,
dan ben jij er af, en krijgt hij hem. En als hij dan een
schop geeft aan Treintje (de meid), dan is hij er weer
af en krijgt zij hem. En als zij dan maar weer een
schop geeft aan haar vrijer, dan is zij er weer af en
heeft hij hem. Je moet alleen maar daarop denken,
dat hij altijd overgaat van een man op een vrouw, en
-ocr page 137-
123
van een vrouw op een man, maar nooit van een man
op een man, of van een vrouw op een vrouw."
„Kasoeëel!" zei Kees
„En het meneer duk van die krampen?" vroeg
Treintje.
„O, je bent al bang voor dien schop!" zei Gerrit.
„Neen, wees gerust. Nooit meer dan eens in de drie
maanden."
„En hebben der meer minse last van? Ik heb noit
van zoo iets geheurd!" zei de hospita.
„Maar je hebt wel gehoord, dat ik water moest
hebben!" antwoordde Gerrit. „Dat bezorg je me eerst.
Of denk je, dat ik nog langer die pijn wil dulden?
Als hij erger wordt, dan weet je, hoe ik er af kan
komen!"
In een ommezien waren hospita en meid de trappen
af, en een poosje later werden de beide ketels water
naar boven gebracht door Kees.
„Die vrommissen waoren te bang, ziet oe, meneer,
vur die schup!" zei Kees, terwijl hij de twee keteltjes
naast Gerrit neerzette. „Mot meneer nog wat anders
hebben?"
„Ja," zeide Gerrit, „nog een tobbetje!"
Ook het tobbetje verscheen, en een half uur later
kwam Kees weer, gestuurd door zijn vrouw, om te
vragen, „of meneer weer hèlendal béter was; dan dorst
zien vrouw oak weer boven te kommen."
En Gerrit stelde hem gerust.
-ocr page 138-
124
DE LEERLING VAN SALOMO.
Des Zaterdags bestelde Gerrit zijn middageten een
half uur vroeger dan gewoonlijk. Hij was echter in
zulk een zenuwachtige spanning, en zoo weinig ge-
dachtig aan hetgeen hij zelf aan zenuwachtige menschen
voorschreef: n.1. zich goed te voeden, dat hij niet meer
dan een kwartmaal nuttigde. En na het eten toog hij
naar Sprankendel. Hij wilde bij de Symens zijn, voordat
Klaartje kwam, en haar eens nauwlettend gade slaan,
om te zien of zijn aantreffen daar haar wezenlijk ge-
noegen deed. Hij was er dan ook terzelfder tijd, dat
Klaartje Wildhoef verliet.
„Heere ruien tied, daor is de dokter alweer!" riep
Mieke, die buiten aan \'t werk was, zoodra zij Gerrit
zag aankomen, tot hare moeder en Barte, die binnens-
huis de boel voor den Zondag nog wat opknapten.
„\'t Schient toch nog niet heelemaól pluus met ou,
Barte 1"
„Wees gerust!" riep Gerrit, die alles gehoord had.
„De dokter komt niet om Barte, daor is \'t heelemaól
pluus mee, maar om eens uit te rusten, en nog eens
een bordje ruting te eten."
„Wil den dokter naor binnen gaon, of liever buten
blieven!" vroeg Mieke.
„En zeg je me nu niet eens goeien dag, Mieke?
Dan zal ik beleefder zijn!" zei Gerrit. „Dag Mieke."
„Nim me nie kwaolik da\'k dat vergeten heb; \'t was
-ocr page 139-
125
van verbouwereering. Dag dokter!" verontschuldigde
zich. Mieke
„Nu, ik zie \'t al," zei Gerrit. „Ik kom ongelegen.
Ik zal maar weer heen gaan.-\'
„Nee, da, zal oe niet, dokter," antwoordde Mieke. „As
oe irst \'n oagenblikske wilt uutrusten, dan zien wi
intusschen klaor. \'t Is nog mar un hand umdrê-jens
wa we te doen hebben."
„Dat is goed," zei Gerrit, „doe \'t maar op je dooie geraak.
Ik heb van avond den tijd, en zal in het hutje gaan zitten."
En hij trok daarheen; en, hoewel hjj wist, dat het
nog te vroeg was, wendde hij de oogen niet af van
den weg, waarlangs hij dacht, dat Klaartje komen zou.
Een kwartiertje later kwam vrouw Symens, die een
schoone voorschoot had voorgedaan, bij Gerrit, en zei,
na de noodige pourparlers: „Jao, dokter, ik zal \'t oe
mar zeggen, de dèrns dorsten het niet. Het spiet ons
wel, mar van daog kunnen we oe gin ruting geven."
„Wat men niet heeft, kan men niet geven," zei Gerrit.
„Da\'s wel waor, dokter," antwoordde vrouw Symens,
,,maor kiek, zoo is het nou juust niet, en da, makt
het zoo gek. We hew-wen nog wel wat in huus, mar
\'t is mar \'n bitje, en da moffe bewaoren vur de juffer,
die het gister gezeidhet, toe ze vurbij ree."
„Wat de juffer besteld heeft, moet je haar bezorgen,
daar helpt geen vader of moeder aan!" zei Gerrit,
„en dat mag je mij niet geven."
„Nou, bezorgen, hoeffe we het ook al weer niet. De
juffer komt het hier éten!" zei de oude.
„Zoo!" zeide Gerrit met geveinsde verwondering,
„zoo komt de juffer van avond hier."
-ocr page 140-
126
„Jao," zei de oude vrouw. „Wit oe ook, hoe laot \'t
al is?"
„Bij zessen!" antwoordde Gerrit, na op zijn horloge
gezien te hebben.
„Nou, dan zal ze niet lang meor wegblieve!" ver-
zekerde de oude.
„En heb je dan maar zoo weinig van dat goed; of
eet de juffer zooveel ?" vroeg Gerrit om \'t gesprek
aan den gang te houden en te brengen waar hij
\'t hebben wilde.
„Nou, dur is eigenlik wel genoeg vur twee, en de
juffer it ook zoo veul niet. Mar ziet oe, we kunnen
hur toch mar niet krek zoo mundjesmaot veurzetten!"
was \'t antwoord.
„Als je dan eens aan de juffrouw vroegt, of ik met
haar mee mag eten ? Je weet, ik eet ook zoo heel
veel niet," zei Gerrit.
„Da za\'k wel uut m\'n lief laoten!" zei de oude
vrouw met een afwerend gebaar. „De juffer is een
heel goed mins, wit oe, net as hur moeder; mar ook
net as bij die, mot je op oe tellen passen, en oe niet
bemuujen met hur zaoken. As je da doet, dan kan ze
je met een enkel weurd, en heel vriendelik dur nog
bij, op je plats zetten; da, verzeker ik oe — mar as
den dokter \'t zelvers wil vraogen, dan is \'t mien goed.
As oe mar nie zeit, dat ik het oe gerao-jen heb."
„De juffer is dus, hoe lief ook, toch geen katje om
zonder handschoen aan te pakken," zei Gerrit.
„Nou," antwoordde de oude, „vur krabben hoefde
bjj hur nie bang te zien. Daor is ze te goed veur.
Mar ziet oe, ze is gin boerenmins, mar \'n juffer; en
-ocr page 141-
127
hoe eigens ze ook met je zien kan, en dat is ze met
Barte êrg, ze blieft de juffer. En da\'s goed ook. An-
ders makten ze mar misbruuk van hur, zoo as ze met
de tante van hur moeder hebben gedaon. Da was
krimineel."
Intusschen kwamen de twee dochters, die meenden
dat moeder de kastanjes nu wel uit het vuur zou ge-
haald hebben, naar buiten en brachten een paar stoelen,
de benoodigdheden voor koffie en een versche mik mede.
„Hoe gaat het, Barte?" vroeg Gerrit. „Nog eens de
kin voelen ? Maar dan mag je het niet aan juffrouw
Donze vertellen, hoor!"
„Hê\'k daor kwaod mee gedaon ?" vroeg Barte. „D&
wist ik niet; daor he\'k hêl niet aon gedocht. De juffer
vroeg zoo nao alles en toe hê\'k gezeid, da de dokter
me in plats van de pols de kin gevuuld had, en da\'k
dat wèl zoo aordig had gevonden. Mar hoe wit de
dokter dat nou al weer ?"
„Toen jij dat aan juffrouw Donze vertelde," zei Gerrit,
„zat hier een jonge ekster op den boom, die alles
hoorde, en wat hij gehoord had in de stad, vlak voor
mijn kamer, aan een andere jonge ekster, een wijfje,
vertelde, en vroeg, of hij haar ook eens zoo onder den
bek zou voelen; en daar ik juist aan het raam zat
heb ik alles gehoord."
„Nou, dokter, nim me nie kwaolijk, mar da-noeme
wi, boereminse, met spek schieten!" zei Barte.
„Jij kunt het noemen wat je wilt! Maar dat het
waar is, zie je; want ik weet het," zei Gerrit op een
deftigen, doctoralen toon. „En weet je wel, welke taal
die eksters spreken?"
-ocr page 142-
128
„Jao, eksters die praoten van alles, wat je ze mar
veurgezeid het; en dan is \'t Hollandsen!" antwoordde
Barte.
„En als ze onder elkaar praten, en over dingen, die
die ze van de monschen niet geleerd hebben, in wat
taal praten ze dan?" vroeg Gerrit verder.
„Dan, zou \'k dinken, ien \'t ekters!" antwoordde Barte.
„Heel goed!" zei Gerrit. „Nu dat Ektersch heb ik,
toen ik student was, ook geleerd."
„En bij wie?" vroeg Barte lachende, „bij een ekster?"
„Neen," antwoordde Gerrit hoog ernstig en als ver-
ontwaardigd over dat „ekster", „bij een heel knappen,
ouden professor."
Barte zag Gerrit tongeloovig aan, Mieke schudde
het hoofd, maar de oude vrouw riep uit: „Heere ruien
tied! waor mot dat nou mit de minse toch hin! Och!
siet det ze mit die stomboaten gekommen zien, geet
alles den ondersten boven. Mittertied gaon de minse
nog vliegen, en da, leeren ze meugelik ook nog van
die eksters! Nee, de wereld lupt up \'n end."
„Daor kumt de juffer al!" riep Mieke.
En zoo was het. Klaartje had in het hutje hooren
spreken, was nieuwsgierig geworden wat daar te doen
was; was zachtjes genaderd, had even een kijkje ge-
nomen, en, volkomen voldaan, zich weer teruggetrokken;
had vervolgens een kleinen omweg gemaakt, en kwam
nu, langs een anderen weg dan gewoonlijk, bezijden
het huis te voorschijn.
„Wat is hier te doen!" riep zij, alsof zij verbaasd
was. „Allen in het hutje, dat gebeurt niet dikwijls. Is
er visite? O ja, ik zie het al! Nu, goeden avond samen."
-ocr page 143-
129
Deze groet werd door allen hartelijk beantwoord, en
Gerrit sloeg een onderzoekenden blik op Klaartje,
maar kon natuurlijk niets van verbazing of vreugde
ontdekken; en dat stelde hem niet weinig teleur.
„De dokter is zeker weer gekomen om een bordje
ruting en wat er bij komt!" zeide Klaartje lachende
tegen Barte, en tegelijk op Gerrit een vragenden blik
werpende.
„Zoo is het, mejuffrouw Donze!" antwoordde Gerrit.
„Maar \'t is hem geweigerd, omdat mej. Donze alles
besteld had en er voor hem niets meer was."
„Is dat waar?* vroeg Klaartje aan vrouw Symens.
„Jao, juffer! We hewwe gisteren mar een bitje
gemakt, en durrum is er vandaog nie veul."
„En" ging Gerrit voort, „ze hebben mij daarbij
gezegd, dat ze u niet durfden vragen, als u kwaamt,
of ik met u mocht mede eten; niettegenstaande ik zeide,
dat ik heusch bescheiden zou zijn."
„En daarom doet u nu die vraag, want daar komt
het toch op neer, maar zelf!" zeide Klaartje.
„En wat is daarop uw antwoord?" vroeg Gerrit.
„Ik zou vrouw Symens wel willen zeggen, dat ik
gaarne te uwen behoeve van alles afstand doe; maar
vrees dan voor eene repetitie van verleden Maandag,"
zei Klaartje.
„Dus veroorlooft u, dat Barte en Mieke voor ons
beiden wat gereed maken," vroeg Gerrit.
„Klaar zetten, ja, en gereed maken voor u ook.
jMaar ik zal het zelve voor mij klaar maken!" zei
Klaartje en lachte.
„Zou ik u dan mogen verzoeken, het ook voor mij
9
\'
-ocr page 144-
130
te doen? Dat gaat wellicht in eene moeite door!"
zeide Gerrit.
„Ook dit verzoek toegestaan. Heeft mijnheer soms
nog meer te vragen ?" zei Klaartje.
„Ik dank u, mejuffrouw! voor \'t oogenblik niet,
wellicht later!" antwoordde Gerrit.
Terwijl Barte en Mieke de noodige ingrediënten voor
het maal haalden, zeide vrouw Symens:
„Wist oe wel, juffer, dat hier de dokter oak al
Ektersch geleerd het?"
„Ektersch!" zei Klaartje, „wat is dat?"
„Wel," antwoordde vrouw Symens, terwijl Gerrit
bedacht wat hij zoo aanstonds tot verklaring dier
mystificatie zou aanvoeren: „Wel, juffer, de taol die
de eksters spreken."
Klaartje zag Gerrit aan met een half lachenden, half
vragenden blik. Zij wilde het door hem gespeelde spel
niet bederven, maar er toch wel eenige verklaring van
hebben. Gerrit, haar bedoeling vattende, zeide:
„Vrouw Symens en haar dochters konden niet be-
grijpen, dat ik wist wat ze van mij verteld hebben; en
toen heb ik haar gezegd, dat ik het gesprek had aan-
gehoord van twee eksters, van welke de een hier, tijdens
haar gepraat over mij, in een boom had gezeten, en
het daar gehoorde aan zijn kameraad in de stad, vlak
voor mijn raam, vertelde "
„En bij wien heeft u die taal geleerd?" vroeg Klaartje
heel ernstig.
„Bij een ouden professor, die haar van Salomo ge-
leerd had, die, zoo als u weet, met alle dieren in hun
eigen taal sprak," antwoordde Gerrit even ernstig.
-ocr page 145-
-
131
„Jao," viel vrouw Symens in, „van dien Saolomo hê
\'k wel meer geheurd. Da was een boavenste knappert!
En \'k hêt al gezeid, dat de wereld up zin end lupt."
„Ja, dat dout ze," bevestigde Klaartje.
Intusschen kwamen de beide meisjes met het benoo-
digde en wilden, nadat zij alles klaar gezet hadden,
met haar moeder weggaan.
„Neen," zeide Klaartje. „Blijven, net als altijd. De
dokter zal dat wel goed vinden."
En Gerrit, al dacht hij er anders over, zeide: „Zeker
vind ik dat goed."
Toch viel hem het uurtje mee, dat hij met Klaartje
en de drie vrouwelijke Symens doorbracht. Hij leerde
Klaartje nu van eene andere, en zeer beminnelijke en
ook praktische, zijde kennen. Hij had alle gelegenheid
te zien, hoe zij in alles wat de Symens betrof belang
stelde, en volkomen op de hoogte van al hun lief en
leed, vooruitzichten en zorgen was; ook de liefde en
achting te zien, waarvan dit drietal boerinnen voor
Klaartje vervuld was. Hoe anders was zij hier, dan hij
haar tot dusverre in haar spotlust en lust tot tegen-
spreken had leeren kennen! Hoe teergevoelig, hoe ver-
draagzaam en liefdevol!
Toen Klaartje zich gereed maakte heen te gaan,
vroeg Gerrit of hij haar tot aan Wildhoef zijn geleide
mocht aanbieden, en zonder eenig aarzelen nam zij dit
vriendelijk aan.
„Da, wordt nog ins \'n paor!" zei Barte, toen zij weg
waren.
„\'t Zien een paor goeie minsen, allebei!" antwoordde
vrouw Symens, „en ik vur mien, gun ze mekaor van harte."
-ocr page 146-
132
GEBREK AAN OPENHARTIGHEID BELOOND.
Aan Gerrit Witse waren te allen tijde de banale
praatjes over het weer, waarmede de conversatie, wel
op de gemakkelijkste wijze, gewoonlijk begint, waartoe
zij zich soms ook geheel bepaalt,onverdragelijk. Hij dacht
er dan ook niet over, nu over \'t weer te gaan praten.
Maar hoe nu eene conversatie aan te vangen, die hem
geleidelijk iets verder kon brengen! Hij had daar reeds
over nagedacht, terwijl hij nog in het hutje zat, maar
niets gevonden; en zich eigenlijk getroost met de over-
tuiging, dat de gelegenheid hem wel zou inspireeren.
Doch eilacie! De inspiratie, die zoo ooit, nu kornen
moest, bleef achterwege; en hij wist de conversatie
met niet beters op touw te zetten, dan met de vraag:
„Hoe lang is die oude Symens nu al dood ?"
„Neen," zei Klaartje, „mijnheer Gerrit Witte, zoo
ontsnapt u mij niet. U heeft mij plechtig verklaard,
dat u, den eersten keer, dat wij elkander weer ont-
moeten zouden, mij oprechtelijk zou zeggen: welke
kwade eigenschappen, wier getal legio zou zijn, u in
mij had ogemerkt."
Geen beter gelegenheid dan deze vraag hem gaf, kon
zich voor hem opdoen. Hij greep haar dan ook geree-
delijk aan, ofschoon hij den schijn aannam van te aar-
zelen, en vroeg: „U wil dan al mijne gedachten over
u weten, mejuffrouw Donze?\'\'
„Over mijne gebreken, ondeugden, verkeerde heb-
-ocr page 147-
133
belijkheden en wat dies meer zij," antwoordde Klaartje.
.„ Welaan dan!" begon hij. „Toen ik Wildhoef verlaten
had, keerde ik mij nog eens om, bleef een poos staan,
en riep mij het beeld van mejuffrouw Donze voorden
geest, zoo als ik, dien dag, haar had leeren kennen.
Maar onmiddellijk zweefden die gedachten een jaar of
drie terug. En daar zag ik op een voetreis, die zeker
iemand „een geleerde reis" noemde, een jong bevallig
meisje, op het terras van een klein buitentje, dat hier
in de buurt lag maar sedert verdwenen is, zitten met
een witte duif op het hoofd. Het beeld van dat meisje
bleef mij bij. en werd gedurig levendiger. Toen ik in
Leiden in een kunsthandel een damesportretje zag, dat
op haar leek, kocht ik dit onmiddellijk, hing het in
mijne kamer op, en bracht menig oogenblik door met
er op te turen. Een jaar later zag ik ditzelfde meisje
in Rotterdam de Beursbrug overgaan en de Blaak op-
wandelen. Ik spoedde mij dadelijk om langs een omweg
haar te gemoet te komen, was gelukkig genoqg daarin
te slagen, en gevoelde mij boven de wolken, toen zij
mijn beleefden groet vriendelijk beantwoordde. Dit
bracht mij zoo van mijn stuk, dat ik haar wel nastaarde,
maar er eerst aan dacht haar te volgen, toen zij reeds in
de Keizerstraat verdwenen was. En toen was het te laat.
Haar spoor was niet meer te ontdekken. Welke was
echter mijne verbazing, hoe groot mijn geluk, toen ik haar
dienzelfden middag met de familie, bij wie zij logeerde,
ten huize mijner ouders ontmoette. Eu hoe groot was
mijne boosheid tegen mijne goede moeder, toen ik
bemerkte, dat mij niet naast, niet in de nabijheid der
jeugdige Geldersche, een plaats aan tafel was aange-
-ocr page 148-
134
wezen! Hoe hinderde mij de vroolijkheid, die aan hare
zijde van de tafel, zoo ver van mij, heersehte! Later
trachtte ik haar te naderen, met haar te praten; maar
eerst eene spottende opmerking door haar gemaakt,
later eene aan mij toegeschreven onhandigheid, waaraan
ik part noch deel had, maakte mij dit onmogelijk. Den
daarop volgenden nacht bracht ik slapeloos door. Ik
was boos op allen, met wie ik aan tafel had gezeten,
de Geldersche niet eens uitgezonderd. Doch het ver-
liefde hart wist weldra voor haar allerlei verontschul-
digingen te vinden, en haar beeld kwam mij steeds
verrukkelijker, het bezit harer genegenheid steeds zali-
ger voor; het bezit van haar zelve werd mij een hemel
op aarde. In Rotterdam zag ik haar niet meer. Ik
keerde naar Leiden terug, troostte mij — \'t was een
armzalige troost, maar toch het beste dat ik had —
met de herhaalde beschouwing van \'t haar gelijkend
portretje. Ik eindigde mijne studiën, had eene stand-
plaats te kiezen, en koos — u zal wel begrijpen,
waarom ? — de stad N., tot groote verwondering van
mijne ouders, die van niets wisten. Ik had het genoe-
gen het jonge meisje, aan wie ik door anderen in een
bespottelijk licht voorgesteld was, maar dat als koningin
in mijn hart heersehte, weder te ontmoeten, door haar
erkend te worden, en te bemerken, dat, terwijl mij
het bloed naar de wangen vloog, ook haar gelaat met
een blos werd overtrokken. Zij sprak mij vriendelijk
aan... Maar dit is wel genoeg, om u te overtuigen, dat
ik Maandagavond naar N. wandelende, over andere
zaken te denken had, dan over het legio verkeerd-
heden, gebreken en ondeugden van mejuffrouw Klaartje
-ocr page 149-
135
Donze." Gerrit had, terwijl hij de/.e liefdesverklaring in
historisch folio deed, Klaartje in \'t geheel niet aange-
zien. Hij dacht, dat dit haar genoegen zou kunnen
doen. Maar zijn verhaal geëindigd hebbende, vestigde
hij zijnen vollen vragenden blik op haar, terwijl hij zeide:
„Deed ik daarin verkeerd, mejuffrouw Donze ?"
„Wat u zelven betreft, zeker!" antwoordde Klaartje
gelukkig lachende. „Onder uwe omstandigheden was
het meer dan zaak, uw eigen theorie te volgen, en
vooral het gebrekkige en het verkeerde der jonge
Geldersche niet uit het oog te verliezen, maar daaraan
uwe volle aandacht te schenken: want ik verzeker u,
dat de jonge dame, die u bedoelt, en die ik zeer
goed ken, lang niet vrij is van gebreken. In uw belang
dus, zoowel als in het hare, moet ik u ernstig aan-
raden, ook die gebreken eens ernstig onder de oogen
te zien, voordat u een beslissenden stap doet."
„Daar u de jonge dame zoo goed kent, zult u mij
zeker ook wel kunnen zeggen, hoe zij over mij denkt,"
zeide Gerrit met aandrang.
„Eigenlijk," antwoordde Klaartje, „moest ik dat nu
niet doen. De hartsgeheimen van een jong meisje mag
men immers niet vertellen ; maar ik wil u toch ook
niet in volslagen onzekerheid laten, en zeg u dan, in
vertrouwen, maar het blijft vooreerst onder ons, dat
gij haar lang niet onverschillig zijt."
„Niets meer dan dat," drong Gerrit aan.
„Voor \'t oogenblik kan het jonge meisje niets meer
zeggen," was Klaartje\'s antwoord.
„En waarom niet ?" vroeg Gerrit.
„Omdat zij eerst met haar papa en mama, die nog
-ocr page 150-
136
van niets weten, over deze hartszaak moet spreken.
Maar ik beu gelukkig Gerrit, o zoo gelukkig!" en haar
gezicht straalde van genoegen, en zij stak hem de
hand toe.
Daarmede, met die hand, was Gerrit echter niet
tevreden. Hij wilde de armen om haar slaan, haar tot
zich trekken en haar een kus geven. Maar Klaartje
weerde hem smeekend af.
„Neen Gerrit, nu niet, en hier niet, asjeblief? Later
graag en dan dubbel!"
„Och waarom nu niet, Klaartje?" smeekte Gerrit.
„Om mijnentwil, Gerrit! Om \'t mij gemakkelijk te
maken bij papa en mama."
„Ik begrijp u," zeide Gerrit. „Gij hebt gelijk. Maar
gij denkt toch niet dat zij tegen onze liefde zullen
zijn ?" vroeg hij schelmsch lachende.
„Ik weet dat nog niet zoo zeker!" antwoordde zij.
„Zij denken even hoog over hun Klaartje, als zekere
ouders over hun Gerrit, die ongetwijfeld professor moet
worden; wat ik niet zou wenschen. Maar papa en mama
zullen ten slotte hun Klaartje, hun eenig kind, niet
ongelukkig willen maken."
„Dan heb ik toch nog gunstiger gedachten over hen,"
zeide Gerrit. „Ik geloof niet, dat zij er veel tegen
zullen hebben. Maandag kom ik op Wildhoef theedrin-
ken, en dan, dan neem ik, krijg ik, den eersten, den
verlovingskus."
„Ik hoop het hartelijk, Gerrit. Maar eerst moeten
zij het goed gevonden hebben. En dan in hun tegen-
woordigheid," verklaarde Klaartje.
En hand in hand gingen zij — terwijl Klaartje ge-
-ocr page 151-
137
durig angstig omkeek of ook iemand \'t zag — voort
tot aan het hek van Wildhoef, waar zij met een har-
telijken handdruk en een paar lieflijke woordjes, als
„engel" of zoo iets, afscheid namen en Gerrit beloven
moest niet te blijven stilstaan, maar door te wandelen.
Gerrit liep op zijn terugreis en nadat hij thuis ge-
komen was, groot gevaar weer kramp in de hersenen
en de gevolgen daarvan te krijgen, en had alle moeite
om zich rustig te houden en zijne hospita te vrijwaren
tegen alle doodsschrikken, die zij zeker zou gekregen
hebben, als de kwaal zich tegen alle regelen der ziekte,
weer zoo spoedig had geopenbaard.
Klaartje was, na van Gerrit afscheid genomen te
hebben, hoe gelukkig ook, toch min of meer verlegen,
hoe zij de zaak aan hare ouders zou mededeelen, in
eens of langs een omweg; en zij kreeg herhaalde ge-
wetenssteken over haar gebrek aan openhartigheid
jegens haar ouders, en in \'t bijzonder jegens haar
moeder. Zij vond deze nog alleen aan de theetafel en
viel haar om den hals, terwijl zij snikkend zeide:
„O moedertje lief! vergeef mij."
„Wat scheelt er aan, Klaar!" riep mevrouw Donze
min of meer geschrokken uit.
„O moedertje, ik ben zoo gelukkig, en ik heb zoo\'n
spijt!" ging Klaartje voort.
„Ik begrijp er niets van!" zeide mevrouw.
„Ik houd zooveel van Witse, en ik heb u dat nooit
gezegd!" stiet Klaartje uit.
-ocr page 152-
138
„En dat heeft me erg gespeten, kind! Maar ik heb
het toch al lang gemerkt, en je papa ook!" antwoordde
mevrouw.
„En vindt u dat goed, Maatje!" vleide Klaartje.
„Hadt je dat niet eerder moeten vragen, Klaar!"
zeide mevrouw op een ietwat berispenden toon.
„Och ja, mama! Maar u vindt het immers goed ?"
pleitte Klaartje en viel op de knieën voor haar moeder.
„Och moedertje, zeg maar ja!"
Hier kwam mijnheer Donze binnen en was verbaasd
over het tooneel, dat hij zag. Mevrouw knipoogte even
tegen hem en hij vatte lont.
„Kom aan, dat mag ik wel zien, Klaar! dat je weer
eens zit aan de voeten van je moeder. Dat is in langen
tijd niet gebeurd, kind!"
„Ze is ondeugend geweest, papa!" zeide mevrouw,
„en wil nu niet alleen dat ik dat haar vergeef, maar
dat ik het nog goedvind daarbij."
„En ook dat u vergeeft en goed vindt, Papa!" zei
Klaartje opstaande en haar armen om haars vaders
hals slaande.
„Zeker zonder te weten wat het is. Neen Klaar, eerst
wordt alles nauwkeurig tot in bijzonderheden opge-
biecht, en dan zal ik zien, of ik vergeven kan!" zeide
mijnheer Donze en wierp een vragenden blik op zijne
vrouw, die ja knikte. „Kom aan nu, wat is het?"
Daar Klaartje niet dadelijk antwoordde, maar be-
dacht hoe zij beginnen zou, zeide haar moeder:
„Zij heeft, zonder onze permissie, zonder dat zij ons
gezegd heeft zoo iets te zullen doen, achter onzen
rug, iets heel kostelijks weggegeven."
-ocr page 153-
139
„Maar," voegde Klaartje er aan toe, iets dat geheel
mijn persoonlijk eigendom was."
„Dat verandert de zaak een beetje!" zeide papa.
„Man, wees voorzichtig!" viel mevrouw in. „Bedenk
wat je zegt. Later zou je er misschien spijt van heb-
ben. Klaar spreekt van haar hart."
„O, is \'t anders niet!" zei mijnheer Donze op een
gering schattenden toon. „Dat heb ik al lang gemerkt.
En er mij geweldig over geërgerd, dat zij er ons niets
van gezegd heeft. Maar eindelijk ben ik zoover geko-
men, dat ik gedacht heb: Nu, doet Klaar alsof ze geen
vader of moeder meer heeft, en kan zij daar rust en
vrede bij hebben, dan is \'t ook goed. Maar ik doe dan
ook wat ik goed vind, zonder mij aan de wenschen
van mijn dochter te storen," en hij stiet Klaartje van
zich af. „Een ding is echter goed, en dat is, dat ik
er zoo goed als zeker van ben, dat degene, wien zij
haar ondankbaar hart gegeven heeft voor \'t cadeau
hartelijk zal bedanken." En hij ging de kamer uit.
Klaartje barstte nu in bittere tranen uit, en mama
kreeg medelijden met haar, en om haar wat afleiding
te geven, haar aan \'t spreken te brengen, zeide zij:
„Wat is er gebeurd, Klaar! dat je mij dat alles nu
vertelt?"
„Ik heb Witse bij de Symens aangetroffen, moedertje,
en hij heeft mij tot aan \'t hok van Wildhoef vergezeld."
En daarop volgde het verhaal van wat wij reeds weten,
en liet Klaartje haar moeder tevens een kijkje nemen
van den tijd waarop, en de omstandigheden naar wier
aanleiding, zij over Gerrit was gaan denken; altemaal
dingen die ons, die den afloop weten, weinig kunnen
-ocr page 154-
140
schelen. Wij zijn immers Klaartjes moeder niet!
„En nu, moedertje! vergeeft u uw Klaar? En vindt
u het goed? Och zeg dan toch eindelijk ja!" smeekte
Klaartje.
Mevrouw Donze drukte haar kind aan haar hart en
fluisterde haar toe: „Uw moeders zegen, mijn kind!
en haar bede tot God voor uw geluk."
En Klaartje weende vreugdetranen aan haar moeders
borst en herhaalde: „O goede moeder, goede moeder!"
en kuste haar.
„Ga nu naar papa!" zeide mevrouw eindelijk, „en
maak ook met hem vrede."
Klaartje aarzelde.
„Ga gerust, mijn kind. Je papa heeft je voor je ge-
brek aan oprechtheid willen straffen. Maar ook hij
weet, dat je van Witse houdt, en heeft er niets tegen.
Ga hem vertellen wat Witse je gezegd heeft, en vraag
ook hem om zijn toestemming. Je krijgt ze zeker, met
zijn zegen."
Hierdoor gerust gesteld ging Klaartje haren vader
opzoeken, die op zjjn lievelingsplekje, het hutje bij
den vijver zat, waar wij hem ook met Hateling hebben
zien zitten.
Toen mijnheer Donze haar hoorde aankomen, zette
hjj een hoogst ernstig gezicht, en nam den schijn aan
van in diep nadenken verzonken te zijn.
„Papa!" zei Klaartje; maar papa deed alsof hij niets
hoorde. „Papa!" herhaalde zij en omhelsde hem.
„Zoo maakt men ernstige misdrijven niet goed!"
zeide nu mijnheer Donze en maakte haar armen los.
„Ik heb verkeerd gedaan; ik beken het, papa\'! Maar
-ocr page 155-
141
u heeft mij toch reeds vergeven!" zeide Klaartje, en
lachte hem zachtjes toe.
„Wie zegt dat?" vroeg papa op stroeven toon.
„Mama, papa!" antwoordde Klaartje. „En nu kom
ik u alles vertellen; ook iets dat u nog niet weten
kunt." En zij deed ook hem het verhaal van haar
ontmoeting en gesprek met Gerrit, waarbij hij haar
slechts eenmaal, neen niet in de rede viel, maar toch
verplichtte even den draad te laten vallen. Dit was
toen hij mompelde:
„Die verduivelde jongen maakt dadelijk van alles
gebruik. Zoo was dat niet bedoeld!"
„Wat!" had daarop Klaartje gevraagd: „Wat was
niet zoo bedoeld?"
En hij had half verdrietig gezegd: „Niets, ga maar
voort!"
Toen Klaartje met haar verhaal klaar was, en papa
gemerkt had, dat Witse niets van de gevoerde corres-
pondentie had verraden, zeide hij:
„Dus is die zaak tusschen jullie al zoo goed als be-
klonken, zonder goedvinden der wederzijdsche ouders.
Maar als die het nu goed vinden — dat wil ik voor
\'t oogenblik eens aannemen — weet jij dan al wat
voor soort van man jij krijgt; mogelijk een losbol, een
speler, een op-hol-brenger van meisjesharten en wat
dies meer zij."
„Foei, Pa!" riep Klaartje uit
„Dat alles is mogelijk. Of kun jij soms het tegendeel
bewijzen?" vroeg papa heel ernstig. „Dat je daar niet
aan gedacht hebt, mag komen, omdat, zooals ze zeggen,
de liefde blind is; ja, maar blind, omdat ze niet zien wil.
-ocr page 156-
142
Als je als een verstandig meisje gehandeld hadt, waar-
voor ik je altijd, maar helaas! naar \'t blijkt ten on-
rechte, gehouden had, dan hadt je met je moeder of
met mij over dien Witse gesproken, en dan had ik
eens informaties naar hem kunnen nemen."
„Neen, papa!" viel Klaartje in. „Gerrit Witse is
een beste, soliede jongen."
„Omdat Klaartje Donze dat gelieft te zeggen!" zei
papa spottend, „en omdat die malle Vernooy\'s het ge-
gezegd hebben. Prachtige afdoeners! De eerste is dol
op hem, en de anderen hebbeu al heel weinig meer
hersens dan een papegaai!"
„Maar," viel Klaartje in, wie, door dien haar niet
vreemden uitval tegen \'t verstand der Vernooy\'s, een
lichtpunt opging. „Maar de heer Donze is een heel
verstandig man. En zoo\'n verstandig man geeft geen
vrijen toegang tot zijn huis, doet geen dringende uit-
noodiging om vaak te komen aan een jong man, van
wiens soliditeit in alle opzichten hij niet volkomen
overtuigd is. En mijnheer Donze heeft zoo gehandeld
met dien losbol en speler Witse!" En zij sprak dit
alles op den langzamen, betoogenden toon, dien haar
vader gebruikte, als hij groote impressie wilde maken.
„Dus als \'t verkeerd uitvalt, is \'t nog mijn schuld.
Hoe langer hoe mooier!" antwoordde papa. „Dat is
al te kras." En hij haalde den brief van prof. Mollig
voor den dag, dien hij, toen hij uit de kamer van
Klaartje was weggegaan, met Gerrits brief, even uit
zijn schrijfbureau was gaan halen, overtuigd dat hij
ze dien avond wel zou moeten opspelen.
„Dat is al te kras! Lees dan!" en hij gaf haar den
-ocr page 157-
143
brief. Klaartje doorvloog dien, voor zoover er over
Gerrit in gesproken werd; toen hij over andere dingen
begon, hervatte zij haar lezen van voren af aan, en
riep na die tweede lek tuur uit:
„O gij goede, beste vader! Voor alles gezorgd!"
en zij kuste hem zoo vaak en zoo vurig, dat mijnheer
Donze eindelijk uitriep:
„Schei nu uit, Klaar! anders stik ik."
Aan den arm haars vaders, kwam Klaartje de tuin-
kamer binnen.
„Dus is de verzoening tot stand gekomen!\'" zeide
mevrouw lachende.
„Ja, maar bijna ten koste van mijn leven!" ant-
woordde papa. „Klaar heeft mij bijkans doodgekust;
mij, maar \'t gold mij eigenlijk slechts als tusschenper-
soon, als plaatsvervanger, bij afwezigheid van dien
mijnheer "Witse."
„Foei, Papa!" viel Klaartje in.
„En eigenlijk is zoo\'n huichelachtig wezen zoo\'n
goeden man niet waard!" ging papa voort.
„Dus u misgunt hem mij!" riep Klaartje vroo-
lijk uit.
„Als ik niet je eigen vader was, maar een jonge
meid, zeker!" antwoordde papa.
„Weet Klaar alles?" vroeg mevrouw Donze.
Klaartje spitste de ooren.
„Is er soms nog meer?" vroeg de dochter.
„O ja, nog een heele boel, juffrouw achterhoudster,
maar niet voor jou. Jij hebt aan je Gerrit Witse meer
dan genoog, veel meer dan je verdient... Maar ik wil
niet, dat die goede man een kat in den zak koopt,
-ocr page 158-
144
en zal een boekje over je open doen. Mogelijk krabt
hij dan nog wel terug."
Den volgenden morgen, Zondag, wilde Klaartje uit
de kerk thuis blijven, om Gerrit te schrijven, hoe goed
hare ouders de zaak hadden opgenomen en deelde dit
voornemen haren vader mede.
„Vooreerst," luidde het antwoord, „is dat briefschrij-
ven ongepast; ten tweede is het onnoodig; en ten derde
kon je, in de oogen van je minnaar, zeker niets ver-
keerders doen."
„Mag ik ook de gronden voor die redenen vragen,
papa?" zeide Klaartje, die uit de houding en den toon
haars vaders merkte, dat hij ernstig was.
„Neen Klaar!" zeide papa. „\'t Wordt nu tijd, dat
jij leert te gehoorzamen, te vertrouwen tenminste in
de gegrondheid van wat men je zegt. Geen kind vraagt
altijd aan zijn vader, geen vrouw haren man, van alles
de reden. En daarmede basta!"
Dat Klaartje vee! nut trok van de preek van den
goeden ouden dominé, is niet te denken. Toch was de
preek zeer goed. \'t Was er een van Van der Palm.
De goede dominé, die al meer dan 40 jaren in Spran-
kendel had gestaan, had begrepen, dat het voor zijne
gemeente wat eentonig zou zijn, als zij altijd zijne
preeken hoorde; en was daarom, reeds voor jaren, be-
gonnen, somwijlen eens een preek van een ander voor
te dragen, na zich eerst vergewist te hebben, dat het
-ocr page 159-
145
preekenlezend deel zijner gemeente die preeken niet had.
Later, toen hem eens door den meester-voorzanger-
koster-klokkenluider de opmerking gemaakt was, dat
de dominé den ennen tijd zooveel beter en inniger
preekte dan den anderen tijd, had hij het besluit ge-
nomen, on ook ten uitvoer gelegd, om altijd maar de
geesteskinderen van anderen te gebruiken. En opdat hij
voor zijn geweten zich tegen de beschuldiging mocht
dekken, dat hij dit deed uit traagheid, had hij zich
tot regel gesteld, altijd de preeken met zijn eigen
hand keurig over te schrijven; ja zelfs eens in de maand
er een te nemen, die hij eerst uit het Hoogduitsch
moest vertalen.
Die Zondag viel Klaartjo geducht lang. Doch alloen
omdat zij zoo sterk naar den Maandag verlangde.
"Want eigenlijk leefde zij in een wereld vol zaligheden.
„Mama! zeide zij aan de thee. „Zoudt u Witse niet
vragen om morgen hier te komen eten ?"
„Dat moet je aan je papa vragen!" luidde het ant-
woord. Voordat Klaartje echter de vraag rechtstreeks
aan hem richtte, antwoordde deze:
„Volstrekt niet. Hij heeft je immers gezegd, dat hij
zou komen theedrinkens En bij die bepaling blijft het.
Nog meer. Morgenavond, kom jij, Klaar, niet dadelijk
voor den dag, maar blijft op je kamer, totdat ik je
roepen laat. De jonge man dient eerst op behoorlijke
wijze «ijn wenschen en verlangen aan je ouders ge-
openbaard, en hun toestemming tot een voorloopig
geheim engagement verkregen te hebben, vóór hij
jou ziet!"
„Als u het hem dan maar niet zoo benauwd maakt
10
-ocr page 160-
146
als u het. mij eerst gedaan hebt!" zei Klaartje op
smeekenden toon. „Hij kent u niet zoo goed als ik."
„Hij ziet er niet naar uit, om zich zoo gemakkelijk
te laten benauwen. Of heeft hij je soms laten merken
dat hij bang was voor een afwijzing?" vroeg papa.
„O neen, juist het tegendeel. Hij was zekerder van
zijn zaak dan ik zelve?" antwoordde Klaartje.
„En weet jij daar ook de reden van, Klaar? Is
\'t verwaandheid a la Hateling of houdt hij ons voor...
ja, dat doet er niet toe?" ging papa voort.
„Ik weet volstrekt geen reden, papa!" antwoordde
Klaartje, „maar zeker is \'t geen van die leelijke din-
gen, die u bedoelt."
„Dan weet ik het wel," zei de heer Donze; en hij
stond op en ging naar de deur, keerde zich daar nog
even om en zeide: „Hier Klaar! lees dit even!" en
hij gaf haar Gerrits brief.
De weinige woorden: „Belegen Bourgogne en Oude
• Port", die zij in Gerrits handschrift bezat, konden haar,
hoe vaak ook vroeger bezien, toch niet helpen, om uit de
haar onbekende hand den schrijver te erkennen. Zij zocht
dien tengevolge dadelijk naar de onderteekening, on die
gelezen hebbende, viel zjj — gelijk anno 1574 de be-
woners van Leiden op hun brood en haring doden —
op de lectuur, gedurende welke ook mama opstonden
de kamer verliet.
Zou papa dien brief al beantwoord hebben, was haar
eerste gedachte na voleindigde lezing. — Een oogen-
blik was zij in onzekerheid. — „Ja zeker gunstig ge-
antwoord, anders had Gerrit niet. zoo zeker gesproken!
Maar waarom heeft hij mij er dan niets van gezegd ?"
-ocr page 161-
147
De twijfeling kwam weer terug, verdween weer en
kwam weer terug. Daar viel haar oog op Gerrits
tweeden brief, die, in den eersten gelegen, daaruit op
den grond gevallen was, zonder dat zij in haren haast
om de handteekening te zien, dit had gemerkt. Zij
greep dien haastig op, verslond zijn korten inhoud en
bedekte hem met kussen. En eerst toen, snood ondank-
baar kind als zij was, riep zij uit:
„O die goede ouders! Zoo veel goedheid heb ik
niet verdiend!" en zocht die goede ouders op.
SLOT.
Des Maandags kwam Gerrit, en werd door mijnheer
en mevrouw Donze alleen ontvangen. Na de monde-
linge en herhaalde dankbetuiging voor het spoedig en
vriendelijk antwoord ging hij voort: „Op uw verlof heb
ik geen gras laten groeien. Ik vertrouw, dat Klaartje
u het Zaterdag gesprokene zal hebbon medegedeeld —
mijnheer en mevrouw Donze knikten bevestigend —
on heb dus de eer, mijnheer en mevrouw Donze, u
officieel aanzoek te doen om de hand uwer dochter."
„Gij hebt haar hart, en zij bezit het uwe. Mijn
vrouw en ik nemen u gaarne tot schoonzoon aan. Wij
weten, dat Klaartje in u een goed, edelaardig en ver-
standig man zal hebben, en zullen haar dus eenmaal,
-ocr page 162-
148
al is het ook wegen» de scheiding met smart, vol
vertrouwen aan u overgeven. God zegene u beiden."
En de heer Donze drukte hem hartelijk de hand en
klopte hem op den schouder, terwijl mevrouw hem
met de woorden: „Maak onze Klaar gelukkig!" een
moederlijken kus gaf.
Nu mocht Klaartje binnen komen. Zoodra zij de
deur open deed, strekte Gerrit zijne armen uit, en,
gelijk Zaterdag gezegd was, werden de eerste kussen,
die daarom niet minder zoet waren, in de tegenwoor-
digheid der gelukkige ouders gegeven.
De verloving werd eerst publiek, toen de oude heer
Witse (met zijn vrouw) uit Rotterdam gekomen, vol-
gens oud vaderlandsch gebruik, als vader van Gerrit,
bij mijnheer Donze aanzoek had gedaan om de hand
van diens dochter voor zjjnen zoon; on zekere geldelijke
zaken voor het huishouden van het aanstaande paar
geregeld waren.
En daarop werd een groot verlovingsfeest gevierd,
waarvoor ook de familie Vernooy uit Rotterdam over
kwam, en de tijding medebracht, dat mijnheer Hateling,
nadat hij het bericht van Gerrits succes had vernomen,
door een hevigen aanval van geelzucht was aangetast.
„Die stakker!" zei toen Klaartje, „als hij maarniet
geel blijft!" en deze uitroep bezorgde haar een ge-
duchte les van Gerrit.
Den volgenden dag deed de gansche familie eene
wandeling (alleen mijnheer Donze liet er zich heen-
rijden) naar de Symens, waar Gerrit Barte aan de
gansche familie voorstelde, als de gewichtige persoon,
die, door haar ziekte, de verloofden bijeen had gebracht,
-ocr page 163-
149
en haar nog eens den pols en de kin voelde, waarvoor
Klaartje echter, omdat het Barte was, de oogen sloot.
Het volgende voorjaar had, in de heerlijke Meimaand,
het huwelijk plaats, dat voorafgegaan werd door allerlei
festiviteiten, niet alleen voor de geïnviteerden op "Wild-
hoef, maar voor de boeren van mijnheer en mevrouw
Donze; en door uitdeelingen aan de armen in Sprankendel,
en ook aan de behoeftigen in N., die Gerrit, als armen-
dokter, onder zijn patiënten gehad had of nog had.
Barte Symens kreeg van bruid en bruidegom ieder een
bankje, als ik wel gezien heb van ƒ300, om haar het
volgen op den goeden weg gemakkelijk te maken, als
de rechto Jozep kwam.
Onder de bruiloftsgasten telde men vanzelf menige
vriend uit Leiden: als dien uit het zweetkamertje, nu
reeds gelukkig echtgenoot en vader; de beide para-
nymfen der promotie, van welke de jonge Mollig er
een was; ook den hartelijken Scholl, die door zijne
heldere klankvolle stem ieders bewondering opwekte,
en de jonge meisjes verliefd op haar bezitter maakte,
voor zooverre ze dit nog niet op een ander waren; en
den guitigen Hildebrand, die door zijne doordringende,
vaak klein toegeknepen, oogen de schrik der bruids-
meisjes werd, die niets anders dachten dan dat hij ze
bestudeerde, om ze later eens, bij zoo iets als een ver-
guldpartij of een dameskransje of iets dergelijks, ten
toon te stellen. Jonathan was tot aller leedwezen door
-ocr page 164-
150
eenc in Alkmaars buurt opgedane koorts verhinderd
te komen. Mevrouw Donze had gewild, omdat hij nog
zoo wat tot haar familie behoorde on ergens in de
buurt logeerde, dat ook Klikspaan uitgenoodigd werd.
Maar daartegen had zich de anders zoo toegeeflijke
bruidegom met kracht vorzet: „Als \'t u belieft niet,
mevrouw; hij is de eenige in Leiden geweest die mij
bepaald tegenstond, niettegenstaande zijne vele voor-
treffelijke eigenschappen. Hij was mij te hoog, te ver-
waand, te veel kees en te Franschgezind."
Aan toasten in proza en poëzie kon het, met zulk
een vriendenkring, niet ontbreken. Zelfs oom Vernooy
kwam met een berijmden toast voor den dag, die niet
alleen, omdat hij uit oom Vcrnooy\'s mond kwam, maar
ook omdat hij wezenlijk zeer good was, ieders verba-
zing wekte, en onmiddellijk zulk een daverende toe-
juiching verwierf, dat de goede man van streek ge-
raakte, en verhinderd word, de woorden die hij er nog
aan wilde toevoegen, uit te spreken. Eerst toen de
gedurig weer, vooral door mijnheer Donzo\'s toedoen,
verlevendigde opgewondenheid bedaard was, kreeg hij
gelegonheid ook dit toevoegsel mede te doelen, dat luidde:
Deez\' toost door mij hier uitgebracht,
Heeft Piet Vernooy niet zelf bedacht.
Hjj is \'t werk van dichter Jonathan?
En vraagt ge mij, hoe \'k kwam daaran,
Dan luidt mijn antwoord, kort en klaar,
Dat ik hem dien gevraagd heb, — daar!
Deez\' laatste regels heb ik zelf gemaakt,
Door Gteysbeek Witzen aan \'t rjjm geraakt.
-ocr page 165-
151
Een nog daverender applaus begroette deze dichter-
lijke toelichting. Hildebrand, als de vertegenwoordiger
van het dichteren-gild, verzocht te drinken op het
welvaren van den nieuw-ontloken dichter, en op de ver-
rassende aanwinst, die de vaderlandsche letteren in
hem hadden gekregen. „Dit. moet een ad fundujn zijn 1"
zeide de heer Donze. En aan dat bevel werd gehoor
gegeven, terwijl mevrouw Vernooy tegen haren buur-
man zeide : „Nu ben ik toch al moor dan 25 jaar ge-
trouwd, en ik heb nooit, vóór nu, gemerkt, dat ik
zoo\'n geleerden man had."
Het jonge paar bracht de wittebroodsweken in Kleef
en aan den Rijn door, aangezien Gerrit niet naar
Londen wilde. En Klaartjo kon hot zich maar niet
begrijpen, dat, in zoo\'n korten tijd als nog geen vol
jaar, daar alles zoo veranderd was !
Teruggekeerd vatte Gerrit zijn praktijk weer op
Klaartjo had er vroeger wel op togen gehad, dat hjj
dokter zou blijven, omdat hij dan zoo weinig thuis
zou zijn, en zelfs des nachts en op alle mogelijke
ongeschikte oogenblikken kon gehaald worden. Maar
Gerrit had haar toen verklaard, dat hij, zelfs om
harentwil, niet mocht afzien van een nuttigen arbeid
waarvoor hij reeds als kind, na eeno ernstige ziekte,
roeping had gevoeld; en dat het ook, zelfs voor haar,
boter zou zijn, als hij in dien werkkring bleef. En niet
alleen mevrouw maar ook mijnheer Donze, van welken
laatste het Klaartje zeer verwonderde, hadden op
Gerrits zijde gestaan.
„Drie tegen één, dat is te ongelijk !" had zij toen
gezegd. „Ik geef het op. Maar als je ooit te lang van
-ocr page 166-
152
huis blijft, reken er dan op, dat je Klaarfrje niet thuis
vindt, hunkerende en smachtende, maar wel gedecam-
peerd naar Wildhoef, vanwaar je ze met liefdekoorden
weer naar huis zult moeten halen."
e-Zi
\'yï