-ocr page 1-
A qu. 323. XS3 .29 . """ IZ^
Rede Leiden
Afscheidscollege
van
Prof. H. OORT.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Dames en Heeren ! Veelgewenschte toehoorders !
Ruim 34 jaar geleden — in Maart 1873 — had ik
het geluk als hoogleeraar op te treden. Achtte ik het
toen reeds een voorrecht de predikantsbetrekking, die
mij toch zeer lief was, voor de professorale te ruilen,
thans, nu ik terugzie op dat deel mijns levens, roem
ik van harte den zegen die mij daarin ten deel viel.
Want dat ik met lust en liefde mijn ambtswerk heb
mogen verrichten en het met opgewektheid mag eindigen,
acht ik eene reden van groote dankbaarheid.
Er is in die 34 jaren heel wat rondom mij, met mij
en in mij gebeurd, en nu ik, gehoor gevende aan het
hartelijk verzoek mijner leerlingen der jongste jaren, voor
het laatst als hoogleeraar optreed, wil ik — met ter-
zijdestelling van wat niet tot mijn wetenschappelijk leven
behoort — eenige grepen hieruit doen. Geheel voorbij-
gaan mag ik de twee jaren niet, die ik te Amsterdam
aan het Athenaeum Ulustre heb doorgebracht. Met
genoegen heb ik er gearbeid ; maar — ik had er, behalve
in Hebreeuwsch en Israëlietische Oudheden, ook onderwijs
-ocr page 4-
2
AFSCHEIDSCOLLEGE.
te geven in al de Semietische talen waarvan vroeger elk
theologant vóór zijn candidaatsexamen, in den vorm van
een testimonium, moest bewijzen wel eens iets gehoord
te hebben, en daarenboven in Logica en Metafysica.
Het spijt mij niet dat ik daardoor genoodzaakt ben
geweest mij op die vakken toe te leggen ; maar ieder
die eenigermate vermoedt, hoeveel inspanning elk vak van
wetenschap vereischt, zal begrijpen dat ik verheugd was
door mijne verplaatsing hierheen de gelegenheid te krijgen
mij te beperken. In 1875 hier gekomen, heb ik nog
een paar jaar de uitlegging van het O. T. gegeven; maar
de wet op het H. O. van 1876 stelde dit vak in Kuenens
handen, en ik mocht mij hepalen tot het Hebreeuwsch
en de Israëlietische Oudheden.
Nu, deze beide vakken zijn uitgebreid genoeg. Men-
schen die buiten het studieleven staan verbeelden zich
wel eens, dat een professor iemand is die er alles van
weet en niets te doen heeft dan zijn kennis aan den
man te brengen; wat niet bijster moeilijk moet zijn.
Maar gij allen weet dat beter, en wanneer men eenige
tientallen jaren een vak heeft beoefend, dan ziet men
met toenemende duidelijkheid dat het onoverzienbaar is.
Inderdaad is het eene plaag in het professorale leven
dat men zoovele gedeelten van zijn studieveld onbearbeid
moet laten, zich vergenoegende met daarvan zooveel
kennis te vergaren als noodig is om hen die er in willen
werken bij benadering den weg te wijzen. En wanneer
men zich niet vergenoegt met het verzamelen van feiten,
maar tracht door te dringen in den samenhang en de
oorzaak der verschynselen — en eerst dit is wetenschap
-ocr page 5-
3
AFSCHEIDSCOLLEGE.
beoefenen — dan beseft men maar al te ras dat wij
overal staan voor ondoorgrondelijke raadselen en dat wjj
weinig weten.
Dit geldt zouwei van de studie der Hebreeuwsche taal
als van die der Israëlietische Oudheden. Wat de taal
betreft, èn de theologanten die haar vooral behoeven om
het O. T. te verstaan, èn zij die studeeren in Semietische
taal en letterkunde, hebben noodig de taal zelve, zooveel
mogelijk beoefend met vergelijking van verwante , in
haar karakter en verloop te leeren kennen, en niet in de
laatste plaats thuis te komen in de zoogenaamde „lagere"
of tekstkritiek, d.i. in de geschiedenis van den tekst des
O. T.\'s, eene geschiedenis vol belangrijke raadselen. In
den loop der laatste dertig jaren zijn de hulpmiddelen
op elk deel van dit uitgebreid studieveld veel verbeterd.
Ik heb u voor de beoefening der taal zelve slechts te
herinneren aan de voortreffelijke woordenboeken van
Siegfried und Stade, van Gesenius — telkens opnieuw
verrijkt uitgegeven — van Brown-Driver-Briggs, aan de
spraakkunsten van Gesenius-Kautzsch en König, aan de
behandeling van onderdeelen door Driver, König, Barth
en anderen.
Van de velerlei studiën waartoe de beoefenaar van het
vak wordt gedrongen trok mij de tekstkritiek het meest
aan, vooral de bestudeering der Grieksche vertaling, de
lxx, en bijna elk jaar heb ik enkele leerlingen gehad die
wenschten in dien doolhof te worden ingeleid. Op dit
gebied is heel wat gebeurd sedert, meer dan een halve
eeuw geleden, mijn vriend de Goeje en ik samen de eerste
schreden er op zetten. Wy deden het ernstig genoeg.
-ocr page 6-
4                                          AFSCHEIDSCOLLEGE.
De zware folianten van Waltons Polyglot kwamen er bij
te pas ; al de oude vertalingen die daarin staan werden
bij moeilijke plaatsen ijverig vergeleken ; maar wij arbeid-
don zonder eenige leiding en wisten niets van densamen-
hang dier overzettingen en de waarde of onwaarde van
elke; wij waren blijde — als iedereen — met de on-
kritische uitgaaf van Tischendorfs lxx, en smeedden
stoute conjecturen. Er moesten nog vele jaren verloopen
eer er methode kwam in die studie. In 1871 schreef
J. Wellhausen in de „Vorrede" op zijn boekske „Der
Tekst der Bücher Samuelis" dat men, naar het hem
voorkwam, in de tekstkritiek van het O. T. meestal
willekeurig te werk ging ; men maakte maar conjecturen
op goed geluk af, en beriep zich op oude vertalingen
zonder stelselmatig de draagkracht der getuigenissen te
onderzoeken en rekening te houden met de geschiedenis
van den tekst. In een slotwoord wees hij op een vier-
tal belangrijke minuskelhandschriften der lxx, waarvan
de uitgaaf gewenscht was. Er waren meer wenschen.
Een eenigermate grondige beoefenaar van het O. T. leed
vaak Tantaluspijnen. Voor een deel is dit nog het geval;
maar wij hebben reeds heel wat ontvangen : van die
vier minuskels is althans de helft - de prozaboeken
omvattend — door Lagarde uitgegeven ; de belangrijkste
majuskels zijn in betrouwbare, voor een deel in fotogra
fische uitgaven, en in eene handeditie — die van Swele
— toegankelijk gemaakt. Van eene uitgaat\' der lxx met
volledig kritisch apparaat bezitten wij sedert weinige
maanden den eersten fasciculus, die alleen Genesis bevat.
Daarenboven z\\jn eenige ernstige pogingen aangewend
-ocr page 7-
AFSCHEIDSCOLLEGE.                                         5
om eene kritische uitgaaf van het O. T. het licht te
doen zien. Het schijnt onzinnig dat de theologen het
O. T. altijd voor zich hebben in een tekst die wemelt
van fouten, zoodat het schier onvermijdelijk is te dwalen
doordat men redeneeringen doet rusten op eene bedorven
tekst. Gelukkig hebben wij nu, niet alleen in de kost-
bare uitgaaf\' die spottenderwijze vaak de .Regenboog-
uitgaaf" genoemd wordt, maar ook in de goedkoope van
R. Kittel, eene waarbij men althans in de meeste gevallen
gewaarschuwd wordt voor fouten in den tekst. Wanneer
nu maar de leeraren aan de gvmnasia hun leerlingen
niet meer den officiëelen tekst, maar den met een kri-
tisch apparaat toegerusten van Kittel laten koopen. Een
uitgaaf met volledig apparaat blijft een wensch.
De leeraren aan do gymnasia ! Met vreugd en erkente-
lijkheid getuig ik, dat sommige dergenen wier leerlingen
de mijne werden \'"oortruffelijke onderwijzers zijn. Maar
er zijn er ook onder die..... De wetgever, die in
1875 in art. 16 i van de wet op het H. O. naast de
doctoren in godgeleerdheid of Semietische letterkunde
ook Joodsche onderwijzers bevoegd vei klaarde voor het
geven van onderricht in het Hebreeuwsch, schijnt gemeend
te hebben dat iemands afkomst uit een volk, dat een
twee-en-twintig eeuwen geleden een taal sprak, kan op-
wegsn tegen eene methodische opleiding in de kennis
dier taal. Menig aankomend student heeft de gevolgen
dier dwaling ondervonden.
Hoeveel liefde ik ook bij toeneming kreeg voor de
studie van tekstkritiek en taal, oud-Israëls zeden te leeren
kennen trok nuj toch steeds het meest aan. Bont en
-ocr page 8-
6
AFSCHEIDSCOLLEGE.
veelzijdig is het bestaan van elk volk, vooral van een
dat, als Israël, in den hoogsten zin van het woord leeft,
d. i. werkt, denkt, gelooft, dus staag verandert. Israëls
oudheid nu omvat een ruimte van ongeveer 14 eeuwen,
en van menig gedeelte daarvan weten wij veel, ook in
bijzonderheden. Was ik geroepen op dit geheele gebied
leidsman te zyn, op welk deel er van ik het eerst myn
aandacht zou vestigen was door eene bijkomstige om-
standigheid uitgemaakt. In de laatste jaren van mijn
verblyf als predikant te Harlingen had ik met Hooykaas
en Kuenen „De Bijbel voor jongelieden" geschreven, en
in 1872, kort voordat ik de benoeming naar Amsterdam
kreeg, besloot ik het vierde deel met de belofte dat op
de behandeling van het O. en het N. T. nog een werk
volgen zou, waarin het tijdvak lusschen Nehemja en de
tweede eeuw na Ghr. zou beschreven worden. Dit tijd-
vak, een van ruim vijf eeuwen, was toen in de kringen die
in O. en N. T. belangstelden nagenoeg onbekend ; wat
niet alleen invloed had op de handleidingen voor gods-
dienstonderwijs, die zich alleen met den Bijbel bezig
hielden, maar ook op de weinige wetenschappelijke wer-
ken over Israëls oudheid. Ja, voor een deel is het nog
zoo. Èn Benzinger èn Nowack noemen hunne kostelijke
werken daarover „Hebraische Archaeologie" en bespreken
de zeden der Joden onder de heerschappij van Grieken
en Romeinen niet dan ter loops. De zaak is zeer goed
te verklaren. Bijbelsche of Hebreeuwsche Archaeologie
was oudtijds geen goed omschreven wetenschappelijk vak;
het was eene verzameling van allerlei bijzonderheden die
Bijbelsche gebruiken konden ophelderen; en eene studie
-ocr page 9-
7
AFSCHEIDSCOLLEGE.
verloochent niet licht haar oorsprong. Evenals de meeste
mijner tijdgenooten, wist ik bedroefd weinig van die
eeuwen ; maar ik zag dat daar een wereld lag waariu
het de moeite waard was door te dringen, en ik kende
althans een paar boeken er over, Herzfeld, Jost, Gratz,
Hausrath. Aan het samenstellen van het beloofde boek
kon ik natuurlijk vooreerst niet denken, maar het werk
,De laatste eeuwen van Israëls volksbestaan" is er zeker niet
slechter op geworden dat het eerst na eenige jaren van
voorbereiding, in 1877 en 78, verschenen is. Om het
tijdvak goed te leeren kennen moest ik het nieuw-He-
breeuwsch beitudeeren, en ik toog daartoe dadelijk na mijn
komst te Amsterdam aan den arbeid. Dit viel mij moei-
lijk genoeg, zonder leermeester en met de zeer gebrek-
kige hulpmiddelen van dien tijd, met geen ander woorden-
boek dan dat van Buxtorf, en met Geigers „Lehrbuch
zur Sprache der Mischnah" als eenige spraakkunst. Nu
zijn wij rijker; met de woordenboeken van Levy, Jastrow en
Dalman, met de grammatica van Siegfried, en met Bachers
kostelijk werk „Die exegetische Terminologie der jüdi-
schen Traditionsliteratur" gaat het heel wat gemakkelijker.
Inmiddels mochten de andere deelen der Archaeologie
niet verwaarloosd worden, en er was overal handenvol
werk. Er is in de laatste dertig jaren wat gearbeid op
dat gebied! Laat mij op slechts éen punt u wijzen: op
het Assyrisch-Babylonisch. Vier-en-dertig jaar geleden
wisten wij wel dat aan de oevers van Tigris en Eufraat
een oude wereld ontdekt was, ook dat het daar gevon-
dene eenig licht verspreidde over Israëls verleden ; toen
ik te Amsterdam optrad, kon ik reeds wijzen op E.
-ocr page 10-
8
AFSCHEIDSCOLLEGE.
Schrader\'s „Die Keilinschriften und das A. T.", waarin
op tal van plaatsen van het O. T. aanteekeningen wer-
den gemaakt die strekten ze op te helderen uit de vond-
sten in Babel en Nineve, en dezelfde geleerde had reeds
in 1872 uitgegeven zijn werk „Die Assyriseh-Babyloni-
schen Keilinschriften. Kritische Untersuchung der Grund-
lagen ihrer Entzifferung" ; maar de inhoud dier boeken
beduidt niet veel bij hetgeen sedert aan het licht is ge-
komen. Toen Schrader in 1883 de tweede uitgave van
„Die Keilinschriften und das A. T." bezorgde, kon hij
nog het oude karakter van het boek behouden: losse
aanteekeningen op plaatsen van het O. T.; maar hij
stelde toen reeds de vraag, of het niet beter zou zijn
stelselmatig de Assyrisch-Babylonische geschiedenis en
godsdienst te behandelen met verwijzing naar het O. T.;
en toen in 1902 de derde uitgaaf verscheen, niet meer
door hem, maar door Zimmern en Winckler bewerkt,
was het duidelijk, niet alleen dat het stelselmatig moest
geschieden, maar ook dat er de apokriefe boeken, de
pseudepigrafen en het N. T. in betrokken moesten wor-
den. Eene menigte bouwstoffen waren gevonden. Tiele
kon reeds in 1888 zijne verdienstelijke „Babylonisch-
Assyrische Geschichte" schrijven, maar ras was het ver-
ouderd. Toen Morris Jastrow tien jaar later „The rdi-
gion of Babylonia and Assyria" gaf, en in de voorrede
zei dat het diende om den weg te bereiden voor een
volgend werk over dat onderwerp, voorzag hij niet dat
dit volgende de Duitsche vertaling van z\\jn eigen boek en,
dank al het na \'98 gevondene, een in menig opzicht
nieuw werk zou z\\jn. In 1902 begonnen, is het nog
-ocr page 11-
9
AFSCHEIDSCOLLEGE.
niet voltooid; de laatste aflevering zal wel toevoegsels
en verbeteringen op de eerste bevatten. Men behoeft
slechts de besprekingen der jaarlijks verschijnende werken
over Assyrisch-Babylonisch in de „Theologischer Jahres-
bericht" te zien, om te ontdekken welk een omvang de
studie hiervan gekregen heeft. Nu, gelukkig behoeft de be-
werker van Israëls oudheid niet zelfstandig deze en menige
andere wetenschap beoefenen ; wij staan op elkanders
schouders; doch ik heb u slechts een paar namen te
te noemen om u te doen beseffen, hoe grooten invloed
de ontdekking dier oude wereld ook op de bestudeering
van oud-Israël heeft; zoodat men hierbij zich niet ver-
genoegen mag de slotsommen van het onderzoek der
Assyriologen over te nemen. Of hebben niet de Tell-
Amarna-brieven na 1888 ons o. a. geleerd — wat nie-
mand wist — dat ongeveer veertien eeuwen voor Ghr.
het Babylonisch de diplomatieke taal in Palestina was ?
Heeft niet de Hammoerabi-codex ons na 1901 in kennis
gesteld met een Babylonisch wetboek van 2500 jaar
vóór Ghr., waarvan het bestaan reeds eenige jaren ver-
moed werd, maar dat nu eerst toonde op welken trap
van beschaving een volk waarmee Israël voortdurend in
aanraking is geweest heeft gestaan? De Babel-Bibel-strijd
heeft meer stof opgeworpen dan licht verschaft, maar
wflst op het belang dat de studie der landen aan Eufraat
en Tigris voor onze kennis van Oud-Israël had en heeft.
Iets dergelijks geldt van de studie van Egypte — zoo-
wel dat der Farao\'s als dat der Lagiden — van de
Grieksch-Romeinsche wereld, van wat de opgravingen in
-ocr page 12-
10                                        AFSCHEIDSCOLLEGE.
Palestina en elders aan het licht brachten en voortdu-
remi brengen, en van wat al niet ?
In deze studiën verdiept en vooral mij toeleggend op
de werken der rabbijnen van de eerste en tweede eeuw,
omdat ik verwachtte daaruit het meeste licht te krijgen
over het tijdvak waaraan ik mij bij voorkeur wijdde, liet
ik mij noode in 1884 overhalen om mijn tijd hoofdza-
kelijk te besteden aan de vertaling van het O. T. Het
berouwt mij niet zestien jaren daaraan te hebben ge-
geven ; zeker is mijn onderwijs in het Hebreeuwsch en
dat deel der Oudheden, waarvoor het O. T. du voor-
naamste bron is, daardoor grondiger en rijker geworden.
Maar met vreugde keerde ik in 1902 terug tot het vak
dat gewoonlijk „Die neutestamentliche Zeitgeschichte" heet.
Ook op dit gebied was intusschen heel wat geschied,
waarvan ik wel kennis genomen had voor zoover het
dringend noodig was voor mijne colleges, maar dat ik
nu eerst opzettelijk ging bestudeeren. Van Schürers
„Lehrbuch" in éen deel was in 1898 —1901 de derde
uitgaaf, onder den titel van „Geschichte des jüdischen
Volkes im Zeitalter Jesu Ghristi", in drie lijvige deelen
verschenen. Het geeft een stortvloed boeken en tijd-
schriftartikelen waarvan het den hoofdinhoud vermeldt
en leidt in dozijnen vraagstukken in. Dan had Kautzsch
in 1901 z\\jne vertaling van „Apokriefen und Pseudepi-
graphen des A. T.s" gegeven, en in het tweede deel den
toegang gebaand tot menig belangrijk werk, waarvan wy
tot dien tijd toe niet dan met veel moeite een spaarzaam
gebruik hadden kunnen maken. Charles had verscheidene
dier pseudepigrafen uitgegeven en gecommentarieerd.
-ocr page 13-
11
AFSCHEIDSCOLLEGE.
Filo was door Cohn en Wendland, Jozefus door Niese
en door Naber kritisch uitgegeven. Bousset, Balden-
sperger en anderen deden hunne samenvattingen en be-
sprekingen van onderdeelen het licht zien.
Mede door de nadere kennismaking met die werken
wijzigde zich mijn inzicht op een belangrijk punt. Tot
nog toe had ik gemeend, dat wanneer wij de schriftge-
leerden en hun invloed kenden, wij het Jodendom kenden.
Zoo denken de meeste Joodsche geleerden, en de Chris-
tenen die aan hun leiband loopen, nog. Doch het is
onwaar. Het rabbünsche Jodendom dat der Farizeën
— is wel eene zeer belangrijke zijde van het Jodendom
der eerste eeuw, maar volstrekt niet de eenige, ook niet
de eenig rechtzinnige. De apokriefe boeken en de zoo-
genaamde pseudepigrafen vertegenwoordigen eene andere,
niet minder belangrijke zijde, ja, meer dan éene, en de
filosofische strooming heeft daarnevens grooten invloed
geoefend. Van al deze dingen wist ik wel iels ; reeds
in „De laatste eeuwen van Israëls volksbestaan" worden
ze behandeld; maar nu zag ik steeds duidelgker, van hoe
groot belang ze waren. Sommigen uwer, die mij dat deel
van Israëls oudheid hebben hooren behandelen, zullen zich
herinneren dat ik vele weken wijdde aan de beschrijving
van het huiselijk en maatschappelijk leven in de laatste
eeuw voor en de eerste na het begin onzer jaartelling,
en bij elk stuk de vraag beantwoordde : welken invloed
hadden de schriftgeleerden te dezen ? De Wet toch
volgde den Jood van de wieg lot het graf. Zij
oefende invloed op handel en bedrijf, op spijs en drank,
op kleeding en woning, op huwelijk en kinderopvoeding,
-ocr page 14-
*
12                                       AFSCHEIDSCOLLEGE.
op begrafenis en erven, op elk deel van het recht. Wat
ik daarover leerde was niet verkeerd, maar het was
onvolledig. De Wet toch heeft wel invloed geoefend,
maar in talrijke kringen niet dan een zeer oppervlakkigen.
Vooral onder de Joden in de Verstrooiing. Wie dus het
Joodsche volksleven wil beschrijven mag het niet alleen
uit dit oogpunt beschouwen. Moest- ik het onderwerp
opnieuw behandelen, ik zou trachten het beter te doen.
Er blijft o;» dit gebied veel te arbeiden over. Schürer
heeft er in zijn werk nagenoeg niets over.
Ten slotte nog éene opmerking ! Al heeft een hoog-
leeraar een onoverzienbaar veld te bearbeiden, hij mag
zich hiertoe niet beperken: hij is niet alleen lid der maat-
schappij, die hem velerlei plichten oplegt, maar ook als
wetenschappelijk man ziet hij gaarne om naar wat be-
langrijk is buiten den naasten kring zijner studie.
.Mij trokken steeds meer de godsdienstige vraagstukken
aan, en gaarne gaf ik een deel van mijn tijd aan de
bestudeering er van. Dit heeft zeker ook op mijn onder-
wijs invloed ten goede geoefend. Niet alleen omdat
Israël „het volk van den godsdienst" was, zooals ik
mocht uiteenzetten toen ik mijn professoraat aan deze
Universiteit aanvaardde, maar ook om de onontbeerlijk-
heid van de bestudeering dier vraagstukken voor mij,
als beoefenaar van oudheidkunde en taal, als voor alle
literatoren, historici, juristen, ja ook voor de medici in
zoover zij zich bezighouden met den mensch als geeste-
lijk wezen. Ik heb hierbij vooreerst het oog op het
feit, dat wij steeds in aanraking komen met menschen
die eenige meeningen over God en het godhjke koesteren,
-ocr page 15-
13
AFSCHEIDSCOLLEGE.
en daardoor bewogen worden in hun innerlijk leven.
Het spreekt dus vanzelf dat de geleerde, die den mensch,
in zijn doen en laten wil begrijpen, in de vraagstukken
die zijn innerlijk leven van zoo nabij raken geen vreem-
deling mag zijn. Wie den onbeschaafden mensch — om
het even of hij in Polynesië dan wel in Nederland
woont, een zoon van Oud-Israël is dan wel van Arischen
stam — wil kennen in zijne kinderlijke denkwijzen, zijne
onbeholpenheid in het uitdrukken van wat hij gevoelt,
zijne grillige, soms onzinnige en afschuwelijke godsdienst-
gebruiken, de kronkelwegen zijner tuchtelooze verbeel-
ding; en nog meer wie den hoogerstaanden, die dieper
denkbeelden en verhevener gevoelens in beeld brengen,
dichters, wijsgeeren, profeten, de plaatsen wil geven die
hun toekomen — het spreekt vanzelf, zeg ik, dat ieder
die zich op dit studie veld beweegt de godsdienstige
vraagstukken onder de oogen moet zien. Maar ik ga
verder — wanneer de mensch dat wat hij gewaar wordt
en denkt, wat hem aantrekt of afstoot, wat hem waar
of onwaar dunkt, in woord of beeld tracht te brengen,
wanneer hij het verleden van zijn volk of dat der mensch-
heid beschrijft, wanneer hij de onderlinge verhouding der
leden van zijn familie, stam of volk in hunne betrekking
tot andere menschengroepen zoo goed hij kan bepaalt,
dan doet hij dit steeds, meestal zonder het zelf te weten,
geleid mede door zijn onuitroeibare neiging tot het on-
eindige. Willen dus wij literatoren, en zij die met ons den
mensch als geestelijk wezen bestudeeren, ons niet verge-
noegen met het waarnemen en meededen van het be-
staande — onpartijdigheid heet te dezen vaak wat niets
-ocr page 16-
14
AFSCHEIDSCOLLEGE.
anders is dan uit onverschilligheid geboren oppervlak-
kigheid — willen wy diepte van inzicht en ruimte van
blik erlangen, om zoo goed mogelijk, zoowel in de ge-
schriften en instellingen der ouden als in het gemoeds-
leven onzer tijdgenooten, het blijvende van het voorbij-
gaande, het gezonde van het ziekelijke te onderscheiden,
dan moeten wjj zelven op de vraag : wat is waarheid ?
een antwoord hebben. Eene overtuiging op dit hoogste
gebied verkregen te hebben acht ik, niet slechts voor
mijn persoon een voorrecht en genot — hierover te
spreken behoort hier niet tehuis — maar ook iets, dat
aan mijne beoefening van wetenschap ten goede is ge-
komen.
Gij ziet wel, mijne waarde hoorders, dat ik onmogelijk
op een anderen toon kan eindigen dan op dien waarop
ik begon, dien van dankbaarheid voor den grooten zegen
m\\j deze 34 jaren geschonken. Ik paar aan de uiting
daarvan den hartelijken wensch voor den bloei, niet al-
leen der wetenschappen die mij lief zijn door eigen
beoefening, maar van elke wetenschap, hier en elders
beoefend; want kennis is eene kostelijke gave Gods.
Kweeke ook onze Universiteit haar in steeds ruimer
mate aan !
Leiden, 7 Juni 1907.