ocr page 1
Philos. theor.
ocr page 2
4\' \'O
OVER REGT GEBRUIK EN MISBRUIK
VAN BEGRIPPEN.
EENE WIJSGEERIGE VERHANDELING
D=. A. J. VITEINGA.
ocr page 3
Over regt gebruik en misbruik van begrippen.
beleven een tijd, waarin de mensch meer dan ooit de geheimen der natuur naspoort en
hare krachten aan zijn wil weet te onderwerpen. Tal van nuttige uitvindingen leveren hiervoor
een onwedersprekelijk bewijs. Bij eenig nadenken moet echter een zonderling verschijnsel onze
aandacht tot zich trekken. Om de krachten der natuur te gebruiken zijn twee factoren noodig :
hetgeen gebruikt wordt en de gebruiker, een object en een subject. Als de natuur het object
is, dan is het antwoord op de vraag: wie bestudeert haar en wie bedieut zich van hare krachten,
niet moeijelijk te geven: het is de mensch. De mensch, niet voor zooverre hij, door zijn dier-
lijk organisme zelf een deel der stoffelijke natuur uitmaakt, door en in haar leeft en aan hare
eeuwige wetten onderworpen is; maar de mensch, in zijn verwantschap met de Godheid, als schep-
per en beheerscher der natuur onder Haar, de mensch, als geestelijk wezen. Het woord der
oude Grieksche wijsheid: vü? ópvj xx) vsv? xxoxisi, txKKx xx$x xx) tj$Xx is in alle eeuwen toege-
juicht; men heeft ten allen tijde gevoeld en erkend , dat het niet de dierlijke ligchaamskracht
is, waarom de mensch heer der schepping kan genoemd worden, maar dat het de menschelijke
geesl is, die de wetten der natuur uitvorscht en , met deze kennis gewapend, de krachten van
het individu tot bijna in het oneindige weet te vermeerderen.
En terwijl die geest wonderen verrigt, blijft hij zich zelven een geheim. De geest is de
werkman, de kunstenaar, die zijne eigene krachten niet kent, veel minder weet, wie hij is.
Terwijl de natuur, waarin hij zijne meesterstukken wrocht, van dag tot dag gedwongen wordt
hem een nieuw geheim te ontsluijeren, een tot nog toe verborgen kracht prijs te geven, is hij
zich zelven nog een even groot raadsel als voor vele eeuwen. Zien wij, hoe de moderne
psychologie terugkeert tot hypothezen, die de Stoici, de Neo-Platonici en de oudste Kerkvaders
ocr page 4
4
reeds geopperd hadden (1), ten einde ten minste de wijze te kunnen verklaren, waarop de geest
op het dierlijke organisme, op de stof vermag te werken; zien wij, hoe weinig bevredigend
alle theorièn op dit gebied waren, dan, voorzeker, moeten wij ootmoedig erkennen, dat het
opschrift van den tempel te Delphi, bet yvüSi trxuróv een probleem is , dat nog steeds op den
wijze wacht, die er het juiste antwoord op zal geven. Wij werken dus in zekeren zin blinde-
lings voort: wij beproeven, wat wij kunnen, hoe ver onze magt gaat; nog niemand is in staat
geweest te zeggen: tot hiertoe gaat de kracht van den mensch en niet verder. Die dit kon
zeggen zou het groote raadsel hebben opgelost, hij zou ons misschien wonderen leeren verrigten,
maar zeker menige nuttelooze poging, menige teleurstelling besparen.
Zoo lang ons geen inzigt in \'t eigenlijke wezen van den mensch vergund is, moeten wij ons
vergenoegen met uit enkele uitingen van den geest tot zekere vermogens en eigenschappen te
besluiten, zonder dat wij daardoor eenigzins geregtigd worden een oordeel te vellen over het
geheimzinnige wezen, dat zich in die waargenomen werkingen openbaart.
Onder de uitingen des geestes is er geene, die onze kennis van de natuur en daarmede onze
heerschappij over de stoffelijke wereld krachtiger uitbreidt, dan het vermogen, dat wij bezitten
om afzonderlijke waarnemingen te verbinden, ze tot zekere klassen en stelsels te ordenen,
met andere woorden, het vermogen van den geest om begrippen te vormen.
Reeds de naam begrippen is in de ooren van velen een wanklank. Men denkt daarbij al te
vaak aan hersenschimmen eener kranke fantazic, aan ijdele klanken eener onpraktische school-
geleerdheid, aan eene bespiegelende wijsbegeerte, die door kunstige logische verbindingen meent
de geheimen van den geest en der natuur verklaard te hebben. Voorzeker, er is misbruik
gemaakt van de voortreffelijke gave van \'s menschen geest om begrippen te vormen. Waarin
dit misbruik eigenlijk bestaat, waarin de regtmatig verdiende minachting voor de wijsbegeerte,
die alleen uit begrippen redeneert, haar grond heeft; — dit wenschte ik naar mijn beste ver-
mogen in \'t licht te stellen. Voordat ik deze akte van beschuldiging tegen de begrippen opmaak,
zij \'t mij veroorloofd zoo kort mogelijk hunne nuttige, ja, onontbeerlijke werking op \'t gebied
der inenschelijke kennis aan te toonen.
Welke soort van begrippen ik hier bedoel? — Ik ken er slechts ééne, die dezen naam eigen-
lijk verdienen; de zoogenaamde kollektief-begrippen, waardoor men eenige individuen, volgens
hunne primaire eigenschappen, tot eene soort, de soorten tot geslachten vereenigt en deze kom-
binatie door zoo vele of zoo weinige termen, als men goedvindt, voortzet, tot men eindelijk op
abstraktien stuit, die voor geene verdere vereeniging vatbaar zijn, zooals die van stof, wezen,
substantie, zijn, enz.
(1) Ter naauwernood zal behoeven aangemerkt te worden, dat ik hier de zoogenaamde aether-theorie bedoel, eene uitvinding van
genoemde sekten onder de Ouden, welke door J. H. Fichte in zijne „ Anthropologie" weder is opgevat en uitgewerkt, en die bij ons
een niet geringen invloed heeft uitgeoefend op de wijsgeerige denkbeelden vau den hoogleeraar Scholten.
ocr page 5
5
Afzonderlijke voorwerpen toch geven geene begrippen. Zij geven slechts voorstellingen. En
als de nieuwere wijsbegeerte het wezen van elk individu zoekt in zijn begrip of in de type,
die het door de opeenvolgende reeks zijner gedaanteverwisselingen aan zich tracht te verwe-
zeolijken, is dit niets anders dan een bijzonder gebruik van het kollectief-begrip. Die type
toch, waarnaar elk natuurwezen zou streven, bestaat uit de primaire eigenschappen der geheele
species, en is, als zoodanig, het kollektief-begrip der species in elk individu vertegenwoordigd.
Het is een kunstgreep der moderne wijsgeeren om het groeijen en ontwikkelen van elk natuur-
wezen te verheffen tot het zich ontwikkelen met een bewust doel, om de natuur tot een wezen
te maken. dat denkt en dat zijne gedachten in zijn uiterlijke vormen openbaart.
Welken naam men nu aan het vermogen des geestes om begrippen te vormen wil geven, of
men het fantazie, verstand, ja, zelfs rede wil noemen, doet weinig ter zake. Zeker is het, dat
wij zulk een kombineer-vermogen bezitten, dat het geen produkt is van eene vlijtige studie der
schoolsche logica, maar dat het den menscli is aangeboren, en zich reeds bij zijne eerste ken-
nismaking met de hem omringende voorwerpen van zelven ontwikkelt. Een enkele blik op de
eerste en eenvoudigste uitingen van het verstand des kinds zal u gemakkelijk overtuigen, dat
wij allen van nature begrippen-makers zijn, ja, dat ons spreken geheel op begrippen berust.
Kiezen wij een eenvoudig voorbeeld: Geen der diersoorten, die de aandacht onzer jonge
wereldburgers van een paar jaren tot zich trekken, biedt misschien grooter verscheidenheid
in vorm, grootte, kleur aan, dan de hond. Nu onderstellen wij, dat een kind vele exem-
plaren van deze diersoort heeft gezien: met het grootste gemak past het op al die onderling
zoo zeer verschillende individuen denzelfden naam toe; ja, wanneer het kind een nog nooit
door hem waargenomen exemplaar, onder de oogen krijgt, zal het geen oogenblik aarzelen,
ook daarop den naam hond toe te passen. Maakt de dagelijksche gewoonte, dat wij in dit
feit van het nagenoeg onontwikkelde verstand weinig opmerkelijks vinden, eenig nadenken zal
ons tot het besluit brengen, dat wij hier met niets minder te doen hebben dan met de kunst
van abstraheren of begrippen vormen. Het kind heeft instinktmatig een onderscheid ge-
maakt tusschen primaire en secundaire eigenschappen; het heeft begrepen, dat kleur, grootte,
meerdere of mindere ontwikkeling van enkele ligchaamsdeelen, (en die is in ons voorbeeld
nog al zeer uiteenloopende; denkt slechts aan het onderscheid tusschen een dog en hazewind,
tusschen een New-Foundlander en het kleinste schoothondje), — dat dergelijke secundaire
kenmerken geen regt geven om de individu\'s met een anderen naam te bestempelen, maar dat
het alleen op de primaire of wezenlijke eigenschappen der species aankomt; zoodat het kind,
al heeft eene kat dezelfde grootte en kleur als menige hond, toch niet in verzoeking zal komen
om ook dat wezen met den naam hond te bestempelen. In enkele gevallen zal zulk eene ver-
warring van begrippen kunnen plaats hebben. Stelt, een kind heeft vaak paarden, maar nog
nooit een ezel gezien. Ziet het zulk een dier voor de eerste maal, dan is het wel zeker, dat
het dit voor hem nieuwe voorwerp een klein paardje zal noemen. De primaire eigenschappen,
ocr page 6
6
waardoor de ezel zich van het paard onderscheidt, zijn dan voor \'t kind nog secundair. Maar
heeft het meermalen een ezel gezien, weest er dan gerust op, dat het zich nimmer vergissen zal.
Het verstand heeft zich dan reeds weder een begrip van een nieuwe species gevormd; het heeft,
met onbegrijpelijke vlugheid, inslinktmatig, zou ik kunnen zeggen, begrepen, dat hetgeen het eerst
voor secundaire eigenschappen aanzag, primaire kenmerken zijn. Dat het de eerste maal in een
dwaling verkeerde, dit moet alleen toegeschreven worden aan de zucht tot systemalizeren, tot
begrippen vormen, die niet duldt, dat één individu op zich zelf eene species zou vormen, en het
daarom bij het naast verwante onder de reeds bekende begrippen aansluit.
Staat gij dus niet verbaasd, als gij bedenkt, hoe het kind, reeds in zijn prille jeugd, zaken van
de meest uiteenloopende kleur, gedaante, grootte, zonder eenige moeite onder een algemeenen naam
zamenvat? Hoe de kunstenaar tot in het oneindige van stoelen, tafels en ander huisraad de vormen
wijzigt, het kind weet zonder bezwaar elk dier voorwerpen terug te brengen tot de soort,
waartoe het behoort. Geeft de natuur nog grootere verscheidenheden van bloemen, het kind
zal geen blad <>1\' vrucht met eene bloem verwisselen. En al noemt het misschien elke bloem
eene roos, schrijft dien verkeerden naam niet aan verwarring van begrippen toe. Juist dit feit,
dat het aan elke bloem den naam geeft van die eene, welke waarschijnlijk \'t eerst aan hem
werd vertoond en \'t meest zijne aandacht trok, bewijst, dat het in elke bloem de primaire eigen-
schappen weet te onderscheiden, waardoor zij één begrip met de roos vormt. Zoo onderscheidt
het kind instinktmatig in elk voorwerp primaire van secundaire eigenschappen, begrijpt wat
eigenschappen der geheele soort en wat eigenschappen zijn, die alleen aan dit ééne of aan
enkele individuen toekomen en brengt, naar de eerste, alles terug tot algemeene begrippen.
Heeft de moeder of de kindermeid een filozufischen cursus gehouden over het onderscheid
tusschen wezenlijke en toevallige, primaire en secundaire kenmerken der dingen? — Hebben zij
bij die beschouwing lessen in de natuurkunde gevoegd? — Neen, enkele aanwijzingen zijn vol-
doende geweest, om het jeugdige verstand op weg te helpen, en, met de vlugheid van den
diepzinnigsten wijsgeer en van den scherpzinnigsten natuuronderzoeker, vereenigt het kind de
meest verscheidene individuen onder één begrip, zooals die van hond, paard, tafel, stoel, ja,
wat meer is, zonder eenig bezwaar brengt het deze begrippen onder nog algemeenere, zooals
die van dier, meubel enz.
Zoo is hel vermogen om te abstraheren of begrippen te vormen den geest aangeboren, \'t Is
ook een der geestvermogens, die ons in het maatschappelijk verkeer \'t meest te pas komen.
\\\\ ilden w ij elk voorwerp een eigen naam geven, wij zouden weldra niet in staat zijn onze
gedachten duidelijk aan anderen mee te deelen: elk gemeen zelfstandig naamwoord is een begrip
van eene menigte gelijksoortige voorwerpen; de bijvoegelijke naamwoorden zijn begrippen van
eigenschappen, de werkwoorden zijn begrippen van toestanden.
In het spreken maken wij altijd een omweg door de begrippen. De spreker heeft een enkel
voorwerp voor zijne verbeelding, b. v. dezen eikeboom uit zijn tuin. óm deze voorstelling aan
ocr page 7
7
een ander door woorden mee te deelen, moet bij een grooten omweg te maken. Hij moet het
begrip eikeboom noemen, en dit algemeen begrip door lidwoorden of voornaamwoorden zoo-
danig bepalen , dat het blijke, welk individu van de species hij bedoelt. De hoorder verrigt in
zijn geest juist het omgekeerde: hij vat het eerst het algemeene begrip op en tracht het door
de nadere aanwijzingen van den spreker tot de voorstelling van het bedoelde individu te her-
leiden. En zegt hij tot den spreker: ik begrijp niet, welken boom gij bedoelt, dan wil hij
hiermede alleen te kennen geven, dat hij hel algemeene begrip we! kent, maar dat de nadere
aanwijzingen van den spreker niet voldoende waren, om te begrijpen, van welk der individuen,
die in het algemeene begrip bevat zijn, eigenlijk sprake is.
Het begrip is ook juist datgene, waardoor wij de zaken herkennen en begrijpen. Stelt:
iemand vindt op eene wandeling \'t een of andere voorwerp op den weg liggen. Hij beziet het
van alle kanten, wendt en keert het, — maar weet niet, wat het is. Herinnert echter iemand
hem aan het gemeene zelfstandige naamwoord, d. i., aan het begrip, waartoe het behoort en
zegt b. v.: het is een stuk van een schelp, — dan gaat hem dadelijk een licht op, hij begrijpt
nu volkomen het zoo even nog raadselachtige voorwerp en zegt: nu weet ik wat het is! —
Zulke onontbeerlijke diensten bewijzen ons de begrippen in het dagelijksch leven. Behoef ik
u te herinneren aan de gewigtigc rol, die zij in alles, wat aanspraak maakt op den naam van
wetenschap, spelen? — Is het streven van den naluuronderzoeker er niet op uil om alle dieren ,
planten en andere natuur-voorwerpen tol bepaalde klassen te brengen , en wal is zulk een sy-
steem anders dan een zamenstel van begrippen, waarbij de kleinere, naauwkeuriger bepaalde
begrippen aanhoudend zich vereenigen lot grootere, algemeenere begrippen, zoodat de individuen
soorten, de soorlen geslachten, de geslachten klassen enz. vormen? — Vormt hij zóó kollektief-
begrippen van wezens, hij het nasporen van de eigenschappen en werkingen zoekt hij lot algemeene
natuurwetten op te klimmen; wat zijn die natuurwetten anders dan begrippen van eigenschappen
en werkingen? Maar, zal men welligt vragen, waartoe dienen de hoogste, de meest abstrakte
.begrippen, zooals die van wezen, zijn en dergelijke meer? — Op mijne beurt vraag ik: kan
zelfs de schoolknaap, die het onderscheid tusschen wezen en zijn, tusschen substantie en
accident niet val, ooit tot een duidelijk inzigt komen van het kenmerkende verschil tusschen
een zelfstandig naamwoord en een werkwoord of tusschen deze en een bijvoegelijk naamwoord
en bijwoord? — En \'t is er ver af, dat de onderwijzer, om dit begrijpelijk te maken, een cursus
over bespiegelende wijsbegeerte zou behoeven te houden; de knaap begrijpt, zonder veel inspan-
ning, deze misschien hoogste van alle abstraktien. Niet dat hij er eene definitie van zou kunnen
geven; dit vermag hij evenmin als in vele gevallen de kundigste wijsgeer; maar zijn geest vat
de zaak toch zoo goed, dat hij, die gedurig een werkwoord voor een zelfstandig naamwoord
aanzag, bijna gevaar zou loopen van met den naam van idioot bestempeld te worden. Zoo
vallen jeugdige knapen zeer goed de abslrakls\'te van alle begrippen, en liggen deze ten grondslag
aan hel voornaamste \\ak van \'t lager onderwijs. Dat zij daarom nog niet in staat zijn om
ocr page 8
8
dcfinitiën van begrippen te geven, bewijst niels anders, dan dat, zoo als ik straks reeds
aanmerkte, het vormen van begrippen, zelfs van de meest algemeene, eene aangeborene, als
het ware werktuigelijke funktie van den geest is De beschrijving van een begrip te geven
vereischt dieper nadenken, en dit eerst is iets, dat kunstmatig moet aangeleerd worden. Den
kunstenaar is het aangeboren zich fantazie-beelden te scheppen ; maar die beelden in het
marmer uit te beitelen, of ze met olieverw op het doek te schilderen, of eene melodie, vol-
gens de regelen der kunst, op het papier te brengen, hiertoe behoort oefening, studie. Evenzoo
bezit elk gezond menschenverstand een grooten rijkdom zelfs van de meest afgetrokken be-
grippen, maar ze onder woorden brengen, dit kan alleen de man der wetenschap.
Heb ik getracht in ruwe trekken aan te toonen, dat het vormen van begrippen geenszins een
kunstverrigting van de beoefenaars der wetenschap, maar dat het een aangeboren vermogen
des geestes is, \'t welk ieder gezond menschenverstand bijna onbewust aanhoudend in praktijk
brengt, en dat de begrippen niet alleen onontbeerlijk zijn bij de beoefening van elke wetenschap,
maar zelfs in het dagelijksch leven, zoodat de taal niets anders is dan een kunstig zamenstel
van begrippen, — thans stel ik mij tot taak op te sporen, waaraan het te wijten is, dat die
wetenschap, welke zich met de meest abstrakte begrippen bezig houdt, en deze tot een systeem
zoekt te verwerken, ten einde zoo alle verschijnselen der stof en des geestes tot eene hoogere
eenheid te brengen, — waarom de bespiegelende wijsbegeerte ten allen tijde en niet het minst
in onze dagen zich de minachting van velen heeft op den hals gehaald.
Is het omdat zij speelt met valsche begrippen ? — Wat zijn valsche begrippen ? Zijn het
hersenschimmen, die de geest geheel op eigen gezag maakt, zonder de gegevens der zinnelijke
waarneming te kennen of te willen kennen, luchtkasteelen, in de wolken opgetrokken, zonder
bouwstoffen en fundamenten ? — Ik geloof, dat men lang zal moeten zoeken, voordat men
zulke begrippen aantreft, ja, ik geloof, dat het den menschelijken geest onmogelijk is zich
iets uit niets te scheppen. Die eene rij getallen moet optellen, kan zich in het optellen vergis-
sen, of hij kan zich in de cijfers vergissen door b. v. een drie voor een acht aan te zien.
Maar in allen gevalle is de som , die hij verkrijgt, geen getal, dat hij willekeurig onder de op-
telling plaatst. Even zoo is het met het maken van begrippen. De geest kan onnaauwkeurig
waargenomen hebben, hij kan heterogene zaken bij elkander voegen, hij kan een fout in de
kombinatic begaan, — in al deze gevallen is het begrip onwaar, valsch, maar een louter ver-
zinsel van den geest is het nooit.
In dezen zin zullen wij dus de uitdrukking valsche begrippen moeten verstaan. Is het nu de
valschheid der begrippen , die de wetenschap der bespiegeling in minachting heeft gebragt ? —
Ik geloof het niet; want valsche begrippen ontmoeten wij bij het begin van elke wetenschap ,
zij zijn het natuurlijke gevolg van ruwe waarneming; maar bij voortgaande ontwikkeling in elk
vak worden zij verbeterd. Als Thales door gebrekkige waarneming van de stoffen, waaruit alle
dingen zijn zamengesteld , lot het besluit kwam, dat de elementen bij slot van rekening niets
ocr page 9
9
anders zijn dan water, dat zich op verschillende manieren verdikt en verdunt en dat, door tot
in \'t oneindige zijn vorm te wijzigen, het wezen van alle dingen is, had hij een valsch begrip
gevormd. Maar in den loop der tijden wordt dit valsche begrip verbeterd, en reeds Aristoteles
geeft het zeer zuiver, als hij zegt, dat aan de hyle, of het meest algemeene begrip van alle stof-
fen, geen eeigenschappen, hoegenaamd ook, kunnen toegekend worden. Tot zulk eene onbepaald-
heid moeten immers de hoogste begrippen van zelf komen. Als wij de stof, waaruit alle
zinnelijke dingen zijn zamengesteld, tot de 63 bekende chemische grondstoffen terugbrengen, zal
het misschien nog mogelijk zijn van deze definities te geven. Maar kombineer deze 63 grond-
stoffen tot het ééne algemeene begrip stof en hegrijp onder dat algemeene begrip ook die stoffen,
waarvan wij slechts de werkingen zien in het geluid, in het licht, in elektriciteit en galvanisme,
en ik geloof, dat dit algemeene begrip zoo onbepaald zal worden, dat bet geene definitie onder
woorden meer zal toelaten. De geest echter is wel in staat dit geheel onbepaalde begrip te
vatten en weet zeer goed, wat men bedoelt, als er van stof gesproken wordt.
Dat de goudmakers-filozofen der middeneeuwen zich valsche begrippen hadden gemaakt van
zilver en goud, heeft de latere wetenschap bewezen; maar hunne valsche begrippen hebhen zelfs
aanleiding gegeven tot vele nuttige chemische ontdekkingen.
Als Plato alle zinnelijke voorwerpen benevens hunne eigenschappen tot ideën of begrippen
brengt, oordeelt hij juist, zoo lang hij op een hem bekend terrein blijft, en zijn begrip van de
liefde b. v., in het Symposion en den Phaedrus, heeft den toetst der eeuwen kunnen doorstaan;
maar als hij in zijn Timaeus beproeft begrippen van bet heelal, van den bouw des ligchaams ,
van het wezen der ziekten te geven, dan belrappen wij hem op valsche begrippen; doch die
zijn reeds lang weerlegd en verbeterd.
De valsche begrippen kunnen het dus niet wel zijn, die de bespiegelende wijsbegeerte in min-
achting hebben gebragt. Wij treffen ze, als hypothezen in elk vak van wetenschap aan. Boven-
dien kan ons reeds eene vlugtige beschouwing leeren, dat juist in de meest algemeene begrippen
ten allen tijde de minste misgrepen zijn gemaakt. Hen vindt de menscbelijke geest als \'t ware
bij ingeving en, bij gevolg, juist; terwijl de begrippen van minderen omvang meer de vruchten
zijn van de naauwkeurige beoefening van het onderdeel eener wetenschap.
Vragen wij dus: aan welke zonde heeft de bespiegelende wijsbegeerte zich dan ten opzigte
der begrippen schuldig gemaakt?
Een begrip is louter een gewrocht van ons verstand, eene som, die het verstand uit zekere
zinnelijke of niet zinnelijke gegevens maakt, maar altijd eene abstraktie, die buiten onzen geest
niet kan beslaan.
De zaak is eenvoudig, en toch bestaat juist op dit punt zooveel verwarring, dat ik niet mag
nalaten het met een enkel woord nader te bespreken.
Plato neemt aan, dat algemeene begrippen, als ideën, een objektief bestaan hebben, dat elk
begrip als een volmaakt wezen bestaat en dat hiernaar, als naar een voorbeeld, de zinnelijke
2
ocr page 10
10
voorwerpen gevormd zijn. Dit klinkt schoon; maar beproeven wij, in hoeverre \'t mogelijk is,
zich een begrip als een wezen te denken. Nemen wij het begrip: mensch. Van dit begrip
laat zich het een en ander, als bepalingen, zeggen, b. v. dat de mensch een wezen is met een
hoofd, twee armen, twee beenen enz. Zoolang wij bij zulke algemeene uitdrukkingen blijven
gaal alles goed; maar als wij ze nader trachten te bepalen, en b. v. vragen: hoe moeten wij
ons hel hoofd van dat begrip mensch voorstellen, dan geraken wij weldra in niet geringe ver-
legenheid. Wij willen niet \\ragen, welke kleur van haar of huid heeft dit hoofd, — wij willen
aannemen, het is kleurloos, ofschoon reeds dit moeijelijk gaat, als het tot voorbeeld voor alle
hoofden moet dienen; maar wij vragen eenvoudig, welken vorm heeft het? —Zooveel individuen,
zooveel bijzondere gelaatsvormen, om nog niet eens te spieken van de hemelsbreed uiteenloopende
verschillen der rassen. Heeft hel hoofd van het begrip alle vormen te gelijk? — Dit is on-
mogelijk! — Heeft bet geen bepaalden vorm? — Maar een niet bepaalde vorm is geen vorm.
Zou gaat het ook met de overige ledematen. Het begrip of de idee mensch lost zich dus
weldra voor hem, die uaar nadere bepalingen vraagt, in een nevelbeeid met vormelooze omtrekken
op. Dit kan ook niet anders, want het begrip is niets dan een zeker getal van eigen-
schappen , welke wij bestendig in elk wezen, dat er toe behoort, wedervinden, en die onze
eigen geest opspoort en rangschikt, omdat bij anders zou verdwalen in het onnoemelijk aantal
indrukken, die hij elk oogenblik ontvangt. Maar die eigenschappen vormen wel eene som, doch
ze zijn zelven zoo onbepaald en onzamenhangend, dat zij nooit de voorstelling van een in alle
opzigten bepaald wezen kunnen geven.
Slechts wachle men zich het begrip of de idee te verwarren met een ideaal. Dil is eene
in alle opzigten bepaalde voorstelling der fantazie, die dus ook buiten ons zou kunnen bestaan
en die de kunstenaar werkelijk kan overbrengen in marmer of op het doek. Maar zulk een
ideaal is volstrekt niet de vertegenwoordiger der geheele species, \'t Kan zijn, dat één of twee
individuen er eeuigzins op gelijken, maar de zeer afwijkende vormen van alle individuen in
één fantaziebeeld te verwezenlijken is eene onmogelijkheid. Terwijl een begrip het werk is
van \'< verstand, van ons kombineer-vermogen, dat primaire van secundaire eigenschappen onder-
scheidl en de eerstgenoemde tot ééne formule brengt, is een ideaal een beeld van één individu,
waarin de geest het schoonste en voortreffelijkste, dat hij in alle hem bekende voorwerpen van
dezelfde soort heeft opgemerkt, tot één wezen zamenbrengt. Het vormen van een ideaal is dus
niet het werk van \'t verstand, maar van fantazie en herinneringsvermogen. De schilder of
beeldhouwer zou dus niet in staat zijn een begrip onder zinnelijke vormen te brengen, dit kan
men alleen denken; wel kan hij een ideaal uitdrukken, als het schoonste individu, dat hij zich
in eene species kan voorstellen. Er blijft dus niets anders voor \'t begrip der species dan een
zeker getal primaire eigenschappen, die men in elk individu weervindt; en dat dit getal niet
zeer groot kan zijn, blijkt, als men b. v. beproeft het ideaal der grieksche schoonheid onder één
begrip te brengen met de vormen van een Boschjesman, Neger en Esquimo.
ocr page 11
11
Zoo blijkt het, dunkt mij, dat geen begrip, als een wezen kan gedacht worden, en toch
heeft de zonde der bespiegelende wijsbegeerte ten allen tijde hierin bestaan, dat zij begrippen
niet heeft gelaten voor \'t geen ze zijn, dat is, formules van onzen geest; maar dat zij aan
begrippen een werkelijk bestaan ook buiten onzen geest heeft willen toekennen; met korte
woorden, dat zij \'t subjektive objeklief heeft gemaakt.
Wij komen in verzoeking te vragen: hoe is het mogelijk, dat zulk een fijne denker als
Plato zich aan het misdrijf heeft kunnen schuldig maken, om aan zijne ideën een objektief
bestaan toe te kennen ? Hij schijnt ook vaak de rnoeijelijkheid ingezien te hebben om een
begrip, dat slechts weinige primaire eigenschappen heelt, voor een wezen (e laten doorgaan. Hij
helt er wel eens toe over om voor elk individu ééne bijzondere idee te maken. Maar ook
zoo kan de zaak niet gered worden. Want het individu, b. v. een mensen, verandert aan-
houdend; hoe moeten wij dus zijn begrip of idee laten bestaan: als kind, jongeling, man of
grijsaard; als alles te gelijk, dit is wederom onmogelijk. Aristoteles merkte de fout op en
zegt zeer scherpzinnig: zelfs dit laatste geval aangenomen, dat namelijk ieder individu zijn
begrip heeft, zou dan b. v. ieder mensch niet tweemaal bestaan; en aangenomen, dat het alge-
meene begrip mensch ook bestond, zouden wij elk wezen dan niet drie , ja, meermalen aan-
treffen, zoo veel malen als men, door \'t begrip te splitsen , het nader wil bepalen ?
Desniettegenstaande heeft de latere bespiegelende wijsbegeerte de fout van Plato tot bijna
in \'t oneindige herhaald door steeds begrippen voor wezens of zaken te laten gelden.
Hoe grof de geleerde Stoici hierin te werk gingen , blijkt als wij van Chrysippus, een zoo
scherpzinnig dialecticus, dat „ als de goden zich van dialectica bedienden, het geene andere
zou zijn dan die van Chrysippus," dit staaltje van redeneerkunde vinden aangehaald: „Wat
gij spreekt gaat door uw mond; gij spreekt van een wagen; dus gaat er een wagen door
uw mond." Hoe is mogelijk, moeten wij vragen, dat een verstandig publiek zich op zoo
handtastelijke manier liet misleiden om de zaak te verwarren met het woord of uitgesproken
begrip, dat haar in ons denken en spreken vertegenwoordigt?
De wijsbegeerte van bijna alle kerkvaders en van de meeste scholastische wijsgeeren is op
het idealisme van Plato gegrondvest.
Wilt gij van hen enkele voorbeelden ? — Neemt den vader der kerkvaders, Augustinus.
Het is eene geliefkoosde uitdrukking van hem, God te noemen : de waarheid. Wat is waar-
heid ? — Ieder zal mij antwoorden: eene eigenschap, die wij aan meeningen of gedachten
toekennen, op dezelfde wijze, als wij daaraan eenvoudigheid, duidelijkheid, kortheid enz.
toeschrijven. Nu kan ik zoo\'n eigenschap, die ik aan verschillende dingen waarneem, wel
van de dingen abstraheren en er een begrip van maken, even als ik, aan verschillende voor-
werpen schoonheid waarnemende, tot het begrip van het schoone besluit; maar niemand zal
toch willen beweren, dat zulk eene abstraktie een objektief wezen is. Wat moeten wij dus
denken van Augustinus\' uitdrukking: God is waarheid? — Is zij in tropischen zin op te
ocr page 12
12
vatten ? — Hoort, hoe hij redeneert: Wij bezitten algemeene begrippen ; die begrippen zijn
eeuwig waar. Volgt er nu: die begrippen leeren ons , dat er een God is of iets dergelijks ? —
Neen, hij zegt: even als de kombinatie van alle zinnelijke dingen de wereld vormt, zoo vormen
al de eeuwige waarheden ééne eenheid, ééne waarheid, die God heet. Waar schuilt de fout
in zijne redenering ? — Hij neemt aan: de begrippen, die wij bezitten, zijn waar, en ongemerkt
laat hij hierbij insluipen, dat hetgeen waar is ook objektief bestaat. Ziet daar reeds het Hege-
liaansche: was vernunftig ist, ist wirklich. De kerkvader echter redeneerde zoo, omdat hij met
zijne ecuwig ware begrippen de platonische ideën voor den geest had. Zoo was voor hem de
sprong van waarheid tot bestaan iets zeer natuurlijks.
Ziet eens, hoe gemakkelijk de beroemde Johannes Scotus Erigena het zich maakt! Alles, zoo
redeneert bij, kan in twee soorten gesplitst worden: hetgeen is en hetgeen niet is. Vragen wij
hierop, wat bij bedoelt met de eerste soort, met die van hetgeen is ? dan ontvangen wij tot ant-
woord: elke affirmalive verbinding tusschen subjekt en praedikaat is, terwijl elke negative verbin-
ding tusseben deze twee niet is. Dus: elk begrip, waarin geene negatie voorkomt bestaat. Geheel
hiermede in overeenstemming is zijne verdere leer, dat alle abstrakte begrippen, zooals God,
materie wezenlijk zijn, terwijl de stoffelijke individuen tot het niet zijnde bchooren. Natuurlijk;
want die abstrakte begrippen kan ik mij vormen, zonder dat ik er eene negatie in laat voorko-
men; terwijl in elk stoffelijk voorwerp steeds eigenschappen gevonden worden, die elkander negeren.
Nog één voorbeeld uit de middeneeuwen, als eene naïve bekentenis uit dien tijd, dat de be-
grippen, die de menschelijke geest zich vormt, al mogen ze ook nog zoo schoon en verheven
zijn, daarom toch geen objektief bestaan hebben buiten de hersenen van hem, die ze vormde.
Ik bedoel het beroemde, of sedert Kants weerlegging, beruchte ontologische bewijs voor\'t bestaan
van God van Anselmus van Canterburry; — dat bewijs, hetwelk met echt schoolsche pedanterie
uit de hoogte neerziet op de zoogenaamde bewijzen, die gegrondvest zijn op de overtuigende
kracht van \'t gezond verstand en van \'t godsdienstig gevoel, en dat, met al zijn schijnbare lo-
gische geleerdheid, wezenlijk gebrekkiger is dan een der andere, \'s Menschcn geest, zoo wordt
in dit argument geredeneerd, denkt zich een wezen, boven hetwelk niets boogers kan gedacht
worden, door, zooals van zelf spreekt, de hoogste begrippen, die hij kent, te kombineren. Dit
wezen of liever begrip is God. Maar ziet, \'t is wezenlijk opmerkelijk in dezen tijd, de wijsgeer
bemerkt, dat bet begrip nog niet als objektief wezen bestaat. Doch, geen nood, het begrip is
geduldig: wat inderdaad bestaat is hooger dan \'t geen slechts in ons verstand bestaat; zal dus
het godsbegrip werkelijk het hoogste aller begrippen zijn, dan moet het ook objektief zijn,
buiten ons bestaan. Zoo krijgt het godsbegrip, bij zijne overige eigenschappen, ook die van te
bestaan. En daarmee is de zaak afgedaan. Zeide ik niet met regt, dat deze logische lucht-
sprong eene naïve bekentenis van het niet objektief bestaan der begrippen kan genoemd worden ?
Doch wat vertoef ik langer bij voorbeelden uit de middeneeuwsche wijsbegeerte! — Wenden
wij ons, om ook een voorbeeld uit latere tijden te nemen, tot Spinoza, wiens systeem een tijd
ocr page 13
13
lang de hoofden der geleerdste theologen op hol bragt. Als de scherpzinnige Jood beweerde,
dat zijne ééne oneindige substantie, als natura naturans en naturata, zoowel God als de geheele
wereld, dat is, alle stof en geest bevat, dan mogen wij ons, met Bayle, de zaak niet zóó grof
voorstellen, alsof elk stoffelijk voorwerp een stukje van Gods ligchaam, en elke geest een
deeltje van zijn geest ware. Neen, \'s wijsgeers bedoeling is veeleer, dat de substantie het
algemeene begrip is, dat al het bestaande in zich bevat. Als zoodanig omvat het zoowel de
geestelijke als de stoffelijke verschijnselen. Als zoodanig ook vormt het den band tusschen stof
en geest en tracht een der gewigtigste problemen van de bespiegelende wijsbegeerte op te lossen.
De afzonderlijke wezens zijn, als modifikatien, in de substantie bevat, ja, zij zijn de substantie
zelve. Natuurlijk! — Even als het begrip „ dier" niet alleen alle dieren in zich bevat, maar ook
al de bestaande dieren te zamen genomen vertegenwoordigt en zich in elk dier, als een zijner
modi openbaart, zoo ook is de substantie van Spinoza de eeuwige eenheid van \'t heelal. Zulk
een begrip te vormen, dat al het bestaande in zich bevat, hierin ligt niets ongeoorloofds, in-
tegendeel, is het juist berekend, dan zou het het zijne kunnen bijbrengen om ons een inzigt te
geven in de verhouding tusschen stof en geest. Maar niet geoorloofd is het, dat de wijsgeer
den stouten sprong waagt tot het: subslantia involvit existentiam. Wel te verstaan, als de
exislentia zich bepaalde tot het brein van den wijsgeer zelven, dan ware er niets verloren, maar
nu maakt dit bestaan de substantia tot een wezen of tot eene zaak, die potentialiter alle wezens
in zich bevat en ze volgens de eeuwige natuurwet aan \'t licht doet komen. Hier zijn wij dus
nog veel verder gekomen dan bij Plato. Bij hem waren begrippen de voorbeelden, waarnaar
de natuurwezens gevormd zijn: bij Spinoza heeft het begrip zelf ze voortgebragt.
Wat ik van Spinoza zeide geldt van eiken vorm, waaronder *t pantheïsme zich voordoet.
Altijd wordt daar het een of ander uit de bestaande wezens geligt, en dit er uit geabstraheerde
begrip tot het wezen van alles, tot God verheven. Hetzij ik alle geesten tot het ééne begrip
geest vereenig, of alle ikken tot het begrip van het absolute ik, of alle zijn tot het ééne begrip
zijn, \'t zijn verschillende gezigtspunten, vanwaar men de wereld beziet, maar in dit ééne stem-
men zij overeen, dat één kenmerk, hetwelk men aan alle wezens vindt, er uit wordt geligt, als
begrip der begrippen, God en wereld in zich bevat en de immanente oorzaak van alles is.
De mij toegestane ruimte verbiedt mij meer voorbeelden tot staving mijner beschuldiging tegen
het misbruik, dat de bespiegelende wijsbegeerte van begrippen heeft gemaakt, aan te halen. Tot
den tijd van Kant toe is bij de wijsgeeren, enkele nominalisten en sensualistisch gezinden uitge-
zonderd, zoo \'t schijnt, zelfs geen twijfel opgekomen aan \'t objektive bestaan der begrippen. Een
kritiesch vernuft als Kant was er noodig om dezen misslag tegen \'t gezond verstand zoo niet
uit te roeijen, dan toch aan \'t licht te brengen. Wakker geschud door de sceptische rigting, die
de overhand begon te krijgen, schreef hij zijne „ Kritik der reinen Vernunft"; en het hoofddoel van
dat werk was de wijsgeeren te leeren, wat in ons waarnemen en denken het werk en mitsdien
het eigendom van onzen eigen geest is, en wat de buitenwereld er toe bijbrengt. Scherp scheidde
ocr page 14
14
hij het subjektive van het objektive af, en onbarmhartig vernietigde hij den eeuwen lang gekoes-
terden waan van het objektive bestaan der begrippen. Wel daalde, in dien verdelgingskrijg tegen
het misbruik der begrippen, die wijsbegeerte van haar verheven standpunt neder, welke, met
trotschen eigenwaan, steeds beloofd had, voor het geloof aan God en aan onsterfelijkheid der
ziel, langs den weg der begrippen, kennen en weten in de plaats te stellen. Wel had zijne
wijsbegeerte eene sceptische houding, en viel het aandeel, dat aan de buitenwereld werd overge-
laten, in vergelijking van t geen het werk van het denkende verstand is, vrij mager uit; maar
de bres tusschen het objektive en subjektive was eenmaal geschoten en zou niet gemakkelijk
weder gedigt worden.
Kants opvolgers, vooral Fichte, Schelling en Hegel, beproefden het echter. Maar terwijl de
wijsgeeren vóór Kant zich geen misslag bewust waren, en zóó rustig hunne idealistische syste-
men opbouwden, trachtten de idealisten na Kant, eenmaal op de fout opmerkzaam gemaakt, het
verloren terrein te herwinnen en het werkelijk bestaan van de begrippen te redden. Zij waag-
den daartoe eene stoute poging, de zoogenaamde indentiteits-Glozofie. Had de vroegere wijsbe-
geerte zelfs niet over het onderscheid tusschen denken en bestaan nagedacht, zij poogden stout-
weg te bewijzen, dat denken en bestaan, begrippen en zaken, objektief en subjektief één en \'t
zelfde zijn. Door meer of min kunstig verzonnen logische handgrepen trachtten zij het meest
algemeene begrip, alsof het niet eene gedachte maar een levend wezen ware, zich zelf te la-
ten ontwikkelen tot meer konkrete begrippen en tot de zinnelijk waarneembare wereld. Het is
ondoenlijk dezen gigantenstrijd tegen het onwijsgeerige bewustzijn, in weinig woorden te schet-
sen. Zelve weerlegd en verworpen door gezond verstand en ervaring, heeft die wijsbegeerte
echter rijke vruchten gedragen. Zij heeft, zonder twijfel, krachtig mede gewerkt tot erkenning
van de regten van het individu, mitsdien tot vrijzinniger denkwijze in staat en kerk.
Heeft de wijsbegeerte zich schuldig gemaakt aan het misbruik van begrippen voor zaken te
laten gelden, de billijkheid vordert, dat wij vragen: is zij alleen de schuldige, of treffen wij
dezelfde misdaad ook elders aan? — Een paar voorbeelden mogen ook hier de plaats vervullen
van eene wetenschappelijke beschouwing.
Wanneer een kerkgenootschap zoodanig is ingerigt, dat het de lidmaten niet laat gelden als
zelfdenkende wezens, die zich, ter bevordering van gemeenschappelijke zamenwerking op gods-
dienstig gebied, verbonden hebben tot het bekennen en belijden van zekere geloofsregelen, maar
wanneer zulk een kerkgenootschap zijne belijders alleen in hunne hoedanigheid van leden der
kerk beschouwt, dan neemt het ééne eigenschap van die menschen in plaats van den geheelen
mensch en de personen zijn, in plaats van denkende wezens, reeds abstraktien. En verheft de
kerk zich verder tot de vereeniging van al deze abstraktien, in den letterlijken zin, tot het lig-
chaam van de leden, dan is zij, als vereeniging van abstraktien, een begrip. En wanneer
dat begrip besluiten neemt, beveelt en zich door één of meerdere personen laat vertegenwoor-
digeu, dan ontmoeten wij ook hier de bekende fout: een begrip wordt veranderd in eene zaak,
ocr page 15
15
in een wezen. Dan begaat men denzelfden misslag, als wanneer men, vele groene boomen
ziende, vergat, dat elk van deze boomen een zelfstandig wezen is, en alleen hunne eigenschap,
dat ze allen groen zijn, in aanmerking nemende, zeide: al die boomen zijn op zich zelven niets,
maar louter bestanddeelen van het begrip groen.
Hier zal dan ook wel de reden schuilen, waarom de kerk zich in de middeneeuwen het
realisme tegenover het nominalisme aantrok en een Roscellinus te Soissons dwong openlijk
zijne gevoelens te herroepen. Immers als de stelling der Nominalisten, dat begrippen louter
flatus vocis zijn, veld had gewonnen, dan had de kerk zelve groot gevaar geloopen voor een
flatus vocis door te gaan.
Op dezelfde wijze: wanneer de staat, de regten der burgers over \'t hoofd ziende, hen niet
als zelfstandige wezens beschouwt, maar hen alleen in hunne hoedanigheid van onderdaan, van
bestanddeel van het staatsligchaam erkent, dan treden in de plaats van menschen abstraktien.
Die abstraktien lossen zich dan op in het hoofdbegrip Staat; maar weldra worden de arme
onderdanen, die veroordeeld waren om zamen het begrip staat uit te maken, er vaak op al te
gevoelige wijze aan herinnerd, dat het begrip is omgetooverd in een levend wezen met lange
armen en zware handen.
Ik wil het getal dezer voorbeelden niet vermeerderen, daar mijne beschouwing zich dan ligt
zou moeten uitstrekken tot elk gebied van het menschelijke denken en handelen. Wij zouden
immers denzelfden misslag aantreffen bij den arts, die aan het ziekbed geroepen, het begrip
van het menschelijk ligchaam en van deze of gene ziekte voor den geest heeft, terwijl hij zijn
recept schrijft. Het geneesmiddel zou misschien weldadig werken, als het gestel van dezen lijder
in alle opzigten beantwoordde aan een menschelijk organisme, zooals het volgens de theorie
wezen moet, of als zijne ziekte geen zamengesteld karakter had, maar zuiver de type van de
een of andere krankheid vertegenwoordigde. Maar nu heeft deze lijder een bijzonder zwakke
maag of andere ligchaamsgebreken, er openbaren zich ook verschijnselen van een ander karak-
ter, — dit alles ziet onze medicus over \'t hoofd: hij schrijft aan het begrip mensch, dat in zijn
eigen geest woont, geneesmiddelen voor, maar den wezenlijken mensch, die op het ziekbed
ligt, geneest hij er niet mede.
Ik geloof dus, dat wij als rezultaat van deze beschouwing veilig tot stelregel kunnen aan-
nemen, dat begrippen als buiten ons beslaande wezens beschouwd, niet alleen geen de minste
waarde hebben, maar dat ze zoo zelfs een rijke bron zijn, waaruit tallooze verwarringen en
dwalingen haar oorsprong nemen.
Dat men intusschen de begrippen het wezen der dingen noemt, hiertegen kan wel geene
zwarigheid bestaan. Zij toch, als de zamenvattingen van de primaire en eigenlijke kenmerken
der dingen, zijn het, waaraan men de natuurvoorwerpen herkent, waardoor men ze van eik-
ander onderscheidt, waarnaar wij ze namen geven.
Doch zij moeten gelden voor \'t geen ze werkelijk zijn: niet als de oorsprong der dingen,
ocr page 16
16
niet als het scheppende beginsel der natuur, maar eenvoudig als denkvormen, formulieren, die
onze geest uit de afzonderlijke waarnemingen trekt, om aan elk nieuw verschijnsel zijn plaats in
het geheel onzer kennis aan te wijzen, en het op zijne regte waarde te schatten en te begrijpen.
Op praktiesch gebied moeten de begrippen de rigtsnoeren zijn, waarnaar wij handelen. Men
zou het regte gebruik der begrippen, zoowel op theoretiesch ais op praktiesch gebied, best aan-
duiden met te zeggen, dat zij een regulatief nut hebben. Om dit regulative nut eenigzins
in \'t licht te stellen, wil ik slechts herinneren aan het hoofdbegrip, waarnaar al onze han-
delingen in de stoffelijke wereld behooren geregeld te worden.
Het is het begrip, of wil men liever, de wet van oorzaak en gevolg.
Reeds in zijne spelen maakt het kind er kennis mede. De eenvoudige daglooner past het
dagelijks toe; en de grootste technicus rigt er zich nog veel meer naar. Deze wet is het,
die de geheele stoffelijke wereld beheerscht. Alles, wat met dit begrip in overeenstemming is,
erkent het gezond verstand voor waar: schijnt iets er tegen te strijden, dan ontstaat er twijfel,
en de al te ligtgeloovigen meenen een wonder te zien. Dit begrip, tot in \'t oneindige uitge-
breid en toegepast, beantwoordt de meeste vragen, die wij aan de stoffelijke wereld doen,
mits — wij niet te veel willen weten. Want vragen wij: van waar is de stof; wat zijn toch
eigenlijk die krachten, welke de stof in beweging brengen ; wat is hetgeen wij geest, ziel, leven
noemen; bestaat er een scheppend en verzorgend Opperwezen, — dan blijft de stoffelijke
wereld ons liet antwoord schuldig.
En willen wij op die vragen de wet van oorzaak en gevolg toepassen, dan vervallen wij
in een troosteloos materialisme en in een koud egoisme.
Reeds de Ouden gevoelden dit en zochten op geestelijk en zedelijk gebied een hooger begrip, dan
de wet van oorzaak en gevolg. Hunne bemoeijingen echter leidden tot geen bevredigenden uitslag.
Slaan wij hiertoe slechts een blik op de stelsels van zedekunde der wijsgeerige sekten, die
kort voor en in de eerste tijden van het Christendom bloeiden. Want het is een bekend feit,
dat toen reeds lang de wijsbegeerte bij de beschaafde standen de plaats der nationale godsdienst
had ingenomen.
Het algemeene verschijnsel, dat zich bij alle openbaart, is, dat zij niet in staat waren om zich
in hun zedelijk beginsel te verheffen boven de natuurwet van oorzaak en gevolg, d. i. boven de
zelfzucht.
Elke wijsgeerige sekte vormde zich zijn ideaal-mensch, zijn wijze, zooals men toen zeide.
Hoog voorzeker staat de wijze der Stoici. \'t Klinkt schoon , als wij daar vernemen, dat het
individu op en voor zich zelven niets is, maar alleen in zoo verre waarde heeft, als het leeft
en des noods zich opoffert voor \'t geheel. Dat geheel is echter niet de menschheid, niet de
mcnsch, als beelddrager der Godheid, neen, \'t is de Slaat, waarin wij leven, en die vijandig
alle andere volken uitsluit, \'t Klinkt schoon, als wij hooren, dat in het opofferen en vernie-
tigen van zich zelven voor \'t algemeen, de deugd alleen waarde heeft, en dat tijdelijke goederen,
ocr page 17
17
ligchaamssmart, ja, zelfs de dood voor niets moeten geacht worden en geene waarde hebben.
Maar wat kan zelfzuchtiger zijn, dan dat die wijze (welks ideaal, zoo zeiden de Stoici, nog
niet verwezenlijkt was) geenszins zijne naasten met liefde te gemoet komt en de zwakken onder-
steunt, maar dat hij al zijne medemenschen, in tegenoverstelling van zichzelven, dwazen noemt,
en ze, in zijn theoretische zelfopoffering (niet voor de naasten, maar voor \'t begrip van den staat),
met diepe minachting van zich stoot?
Lager staat de wijze der Epiknreërs. Is het grondbeginsel der Stoicijnsche wijsbegeerte op-
lossing van het individuele in het algemeene of in het begrip, de leer van Epicurus, op
het atomen-stelsel gegrondvest, staat daar stijl tegemner: alleen \'t individu heeft waarde, het
geheel is eene toevallige kombinatie. Elk mensch leeft dan voor zich zelven en tracht zijn
eigen geluk zooveel mogelijk te bevorderen. Zich zelven kalmte van ziel te verschaffen moet
het hoofddoel zijn. Daarom moeten alle buitensporigheden, die deze kalmte kunnen verstoren,
van ons verwijderd blijven; daarom moet de wijze heer zijn over de natuur en vooral over
zijne eigene hartstogten.
De akkommodatie-systemen der Peripatetici en Academici zijn niet waard hier in rekening te
komen. Hun streven is het regt gebruik der zinnelijkheid te leeren; te leeren hoe men \'t geschiktst
God en den Mammon te gelijk kan dienen.
Merkwaardiger is de moraal des Neo-Platonici. Als echte leerlingen van Plato is bij hen de
stof niets, eene negatie, een boos en bedorven uitvloeisel van de wereld des lichts en der
waarheid. Wij zijn in dit ons leven arme boetelingen, door booze neigingen uit een beter leven
verbannen , wier eenige taak is een zuiveringsproces te ondergaan, ten einde zoo spoedig moge-
lijk uit deze gevangenis verlost te worden. Verre van den wijze dus het praktische leven; hij
moet louter in bespiegelingen leven, en zijn eenige taak is, reeds hier op aarde den geest los te
maken van het ligchaam. Een enthousiasme, waarbij hij de aarde vergeet en één is met het
hoogere, ziedaar den meest gewenschten toestand. Het leven buiten de menschelijke zamenleving,
alleen met het doel om zich zeken te heiligen, ziedaar het zelfzuchtige streven van den waren
wijze!
Zóó zelfzuchtig, zóó onpraktiesch waren de zedekundige stelsels met hunnen ideaal-mensch.
Wij ontkennen niet. dat er ten allen tijde individuen geweest zijn, wien \'t geluk is zich hoven
de zelfzucht te verheffen. In een Socrates en menig ander groot man der oudheid zien wij
werkelijk praktische zelfopoffering. Zij hebben zoo edel gehandeld als de god-mensch kon han-
delen, zij hebben gevoeld, of, om een vreemd woord te gebruiken, zijn hebben er eene Ahnung
van gehad, hoe men moet handelen; maar \'t is hun niet gelukt het waarom uit te spreken, \'t is
hun niet gelukt het hoogste en ware beginsel der zedekunde onder woorden te brengen.
En toch, \'t was eenvoudig: juist het tegenovergestelde van \'t geen de dierlijke natuurdrift ons
leert. Niet een verfijnd egoïsme, dat wij zelfs in de voortreffelijkste systemen aantreffen, maar
juist het tegendeel: zelfverloochening, nederigheid, zachtmoedigheid, in één woord, liefde. De
3
ocr page 18
18
liefde, nooit door de Ouden in dien zin opgevat, was het wachtwoord van het Christendom.
Daarom is de moraal van \'t Christendom, hoe schijnbaar eenvoudig, de vinding van een god-
delijk genie; zij is als het ei van Columbus. Geen kunstige theorie, die steeds daarmee eindigt,
dat wij bespiegeling als het wapen tegen de zinnelijkheid moeten gebruiken en onze naasten
trotsch verachten; maar de strijd des levens moedig te aanvaarden en in het leven voor den
naaste een edelen werkkring te vinden tegenover het den regtgeaarde nooit voldoende leven voor
zich zelven, dit was werkelijk der menschheid een nieuw geestelijk leven ingeblazen, een werke-
lijk nieuw begrip.
Het is immers geheel in strijd met het zedelijke begrip, dat de stoffelijke wereld ons aan de
hand doet; hel is geheel in strijd met onze eigene neigingen; want zucht tot zelfbehoud, zelfzucht,
onderdrukking van den zwakkere door den sterkere, zijn de grondregelen, die wij in het leven
der natuur en in ons eigen ik, geschreven vinden. Dat christelijke begrip van zedekunde kan
dus niet getrokken zijn uit de verschijnselen, die deze wereld aanbiedt; het moet een hoogeren
oorsprong hebben; hel moet bet rezultaat zijn uit een dieper inzigt in het wezen van God, in
het wezen van onzen geest, in het regt begrip van de verhouding tusschen God en wereld,
tusschen geest en stuf, tusschen ziel en ligchaam.
Van al deze vraagstukken leert echter het Christendom ons slechts zooveel, als tot regt verstand
van hel zcdekundige begrip volstrekt noodig is; ln eene voorstelling van God, als persoonlijk wezen,
met vermogens als wij, \'maar iu hun hoogsten graad van reinheid en ontwikkeling; en 2°, de
verzekering van het individueel voortbestaan van onzen geest en van zijne verwantschap met
de godheid.
Deze voorstellingen, ofschoon volkomen voldoende tot regt verstand van het verheven zede-
kundige begrip van \'t Christendom, voldoen onze weetgierigheid niet.
Van God krijgen wij niets meer te aanschouwen, dau die eigenschappen, waardoor Hij zich
aan den menschelijken geest openbaart, en die men tot ééne hoofdeigenschap, tot liefde, kan
zamentrekken. Zijne verhouding tot de stoffelijke w ereld, tot de natuurw etten, hoogere eigen-
schappen , die Hij met betrekking tot een volmaaktere w ereld mag bezitten, blijven ons een ge-
heim, en wij gebruiken uitdrukkingen als die van schepper, oneindige, alomtegenwoordige,
alwetende, almagtige, zonder dat wij ons regt bewust zijn, wat we eigenlijk met die termen
bedoelen.
En ons eigen geheimzinnig ik, dat wij geest of ziel plegen te noemen, hoe vurig zouden wij
verlangen daarvan meer te weten! — Zijn eigenlijk wezen, zijn verhouding tot het ligchaam
zijn oorsprong, zijn toestand na den dood, — is één van deze raadsels opgelost?
Ik herhaal het: wat wij weten is voldoende tot het begrijpen van de christelijke zedeleer;
ons godsdienstig gevoel is bevredigd , maar het verstand blijft vragen, en bekomt geen antwoord.
Toch, geloof ik, mag de wijsbegeerte niet trachten, buiten deze eenvoudige aanwijzingen om,
naar waarheid te zoeken, \'t Zijn ook aanwijzingen, die, al kent men geen goddelijk gezag aan
ocr page 19
19
Christus toe, zich met onweerstaanbare kracht aan elk gemoed opdringen, en die, door deze
kracht en door hare populariteit, zelfs den schijn van aangeboren redebegrippen verkrijgen. Wil
de wijsbegeerte ze loochenen en haar eigen weg volgen — de geschiedenis staat gereed om het te
bewijzen — dan verzeilt zij onverbiddelijk óf op de klip van een dood materialisme, of op die
van een idealisme, dat te vergeefs zoekt begrippen den adem des levens in te blazen.
Dit is het onverbiddelijk dilemma, waarin de wijsbegeerte zonder geloof zich geplaatst vindt.
Toch, zoo lang er denkende wezens zijn, zal er gevraagd worden naar het geheim van ons
eigen aanwezen en naar dat van de ons omringende wereld. Noch de onbevredigende autwoor-
den, die de wvjsgeeren tot hiertoe op deze vragen gaven, noch het medelijdende schouderopha-
len van \'t materialisme, dat die vragen, als onoplosbaar, wil ter zijde stellen, zullen hen, wier
denken zich somtijds verheft boven tijdelijke en stoffelijke zaken, afschrikken om hunne geest-
krachten tot een nieuwe poging ter oplossing in te spannen. Zal er eenmaal een tijd komen, dat
het de wijsbegeerte mag gelukken hypothezen te stellen, die in overeenstemming zijn met de
eenvoudige beginselen van het Christendom, met eene gezonde individualiteitsleer over God en
mensch? — Wij weten het niet; maar zeker is het, dat het streven naar zulk een doel meer
dan eenig ander geschikt is om ons voor te bereiden voor een hoogere ontwikkelings-periode,
voor hoogere openbaringen.